Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 7 juli 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Situatie van personen met albinisme in Afrika, met name in Malawi
 Bahrein
 Myanmar, met name de situatie van de Rohingyabevolking
 71e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties
 Tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
 Bezwaar tegen een uitvoeringshandeling: toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen

Situatie van personen met albinisme in Afrika, met name in Malawi
PDF 175kWORD 72k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2016 over de situatie van personen met albinisme in Afrika, met name in Malawi (2016/2807(RSP))
P8_TA(2016)0314RC-B8-0897/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 4 september 2008 over het vermoorden van albino's in Tanzania(1),

–  gezien het verslag van de onafhankelijke VN-deskundige van 18 januari 2016 over de eerbiediging van de mensenrechten van personen met albinisme,

–  gezien de persmededeling van de EU van 13 juni 2015 over de internationale dag voor de sensibilisatie rond albinisme,

–  gezien resolutie 69/170 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 18 december 2014 over de internationale dag voor de sensibilisatie rond albinisme,

–  gezien resolutie 263 van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en van de volkeren van 5 november 2013 over de preventie van aanvallen op en discriminatie ten aanzien van personen met albinisme,

–  gezien resolutie 23/13 van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties van 13 juni 2013 over aanvallen op en discriminatie ten aanzien van personen met albinisme,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie,

–  gezien de Verklaring van de Verenigde Naties van 18 december 1992 over de rechten van personen behorende tot nationale, etnische, godsdienstige of taalkundige minderheden,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat albinisme een aangeboren ziekte is, die wereldwijd ongeveer 1 op 20 000 personen treft; overwegende dat albinisme in de landen ten zuiden van de Sahara veel vaker voorkomt, en dat Tanzania, Malawi en Burundi behoren tot de landen met procentueel het grootste aantal personen met albinisme;

B.  overwegende dat personen met albinisme te maken krijgen met zeer extreme vormen van vervolging en schendingen van de mensenrechten, gaande van maatschappelijke discriminatie op grote schaal, verbale agressie en geen toegang tot overheidsdiensten, tot moord, ontvoering, verkrachting en verminking; overwegende dat mensenrechtenwaarnemers in 2015 alleen al melding maakten van 448 aanvallen op personen met albinisme in 25 Afrikaanse landen; overwegende dat deze cijfers waarschijnlijk nog een onderschatting zijn, omdat de autoriteiten niet systematisch deze misdaden onderzoeken en documenteren, of de capaciteit en de middelen niet hebben om een grondig onderzoek te voeren;

C.  overwegende dat personen met albinisme in Afrika nog het meest bedreigd worden door het wijdverspreide bijgeloof en de onjuiste overtuigingen met betrekking tot de ziekte, waaronder de mythe dat personen met albinisme magische krachten hebben, wat tot gevolg heeft dat criminele bendes en smokkelaars regelmatig personen met albinisme vermoorden voor hun lichaamsdelen, omdat geloofd wordt dat deze geluk, gezondheid en rijkdom brengen; overwegende dat in verschillende landen de graven van personen met albinisme geschonden werden om lichaamsdelen of beenderen te stelen;

D.  overwegende dat de politie in Malawi, waar ongeveer 10 000 personen met albinisme wonen, sinds november 2014 69 aanvallen heeft gerapporteerd, waarvan 18 moorden; overwegende dat in april 2016 vier personen met albinisme vermoord werden, waaronder een kind van twee jaar oud, wat ertoe leidde dat de autoriteiten verklaarden dat personen met albinisme een "bedreigde soort" waren;

E.  overwegende dat de president van Malawi, Peter Mutharika, de recente golf van aanvallen openlijk veroordeeld heeft;

F.  overwegende dat naast Malawi ook in verschillende andere Oost-Afrikaanse landen aanvallen op personen met albinisme werden gerapporteerd, met name in Tanzania, Burundi, Kenia en Mozambique;

G.  overwegende dat vrouwen en kinderen met albinisme bijzonder kwetsbaar zijn voor maatschappelijke uitsluiting; overwegende dat vrouwen met albinisme vaak het slachtoffer zijn van seksueel geweld, vanwege de wijdverspreide overtuiging dat seksuele betrekkingen met een vrouw met albinisme zorgen voor de genezing van HIV/AIDS, en overwegende dat vrouwen die een kind met albinisme krijgen op hun werk gediscrimineerd en uitgestoten worden; overwegende dat kinderen een groot deel uitmaken van de slachtoffers van rituele aanvallen, en dat zij veel risico lopen om achtergelaten te worden; overwegende dat de angst op aanvallen tot gevolg heeft dat kinderen van schoolgaande leeftijd hun recht op onderwijs niet kunnen uitoefenen;

H.  overwegende dat de regering van Tanzania ernstige, concrete maatregelen heeft ingevoerd om hekserij in het land tegen te gaan, waaronder de schorsing van de licenties van traditionele genezers en verschillende arrestaties van medicijnmannen; overwegende dat de president van Tanzania in 2008 het eerste parlementslid met albinisme heeft benoemd, en in december 2015 de eerste viceminister;

I.  overwegende dat, ondanks de toenemende internationale zichtbaarheid en de invoering van nieuwe wetgeving in de getroffen landen, het aantal vervolgingen en veroordelingen zeer laag blijft en in vele Afrikaanse landen de misdaden en folteringen nog straffeloos doorgaan;

J.  overwegende dat een woedende menigte in Zuid-Malawi op 1 maart 2016 zeven zogenaamde "albinojagers" gelyncht en in brand gestoken heeft; overwegende dat de inspecteur-generaal van de politie van Malawi zijn mensen heeft opgedragen met scherp te schieten wanneer zij iemand betrappen op de ontvoering van een persoon met albinisme;

K.  overwegende dat discriminatie, intimidatie en stigmatisering van personen met albinisme ertoe geleid hebben dat honderden gevlucht zijn en een tijdelijke schuilplaats hebben gezocht; overwegende dat personen met albinisme zich hierdoor in een nog meer precaire en onzekere situatie bevinden, waarbij hun toegang tot basisdiensten zoals gezondheidszorg en onderwijs, hun kansen op een baan, en hun deelname aan de maatschappij beperkt worden;

L.  overwegende dat deze discriminatie kan leiden tot levenslang trauma en psychosociale problemen en zorgt voor grote spanning en angst in de albinogemeenschap; overwegende dat personen met albinisme moeilijker toegang vinden tot passende medische zorg, zoals medicatie ter preventie van huidkanker;

M.  overwegende dat de VN in maart 2015 zijn eerste onafhankelijke deskundige voor de mensenrechten van personen met albinisme heeft benoemd, en 13 juni tot internationale dag voor de sensibilisatie rond albinisme heeft uitgeroepen;

N.  overwegende dat in juni 2016 dankzij sponsoring van de VN het allereerste regionaal forum voor actie inzake albinisme in Afrika plaatsvond, en dat daarbij een routekaart werd opgesteld met specifieke, eenvoudige en effectieve maatregelen om de schendingen van de mensenrechten ten aanzien van personen met albinisme te bestrijden;

O.  overwegende dat de EU voorlichtingscampagnes heeft gevoerd om meer bewustzijn over het onderwerp te creëren, en voor ondersteuning heeft gezorgd bij het betrekken van maatschappelijke organisaties en het opbouwen van capaciteit binnen de plaatselijke autoriteiten in de strijd tegen de moorden op personen met albinisme;

1.  wijst erop dat personen met albinisme net zoals iedereen recht op leven hebben, zonder enige vorm van angst, zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948;

2.  uit zijn grote bezorgdheid over de aanhoudende en wijdverspreide discriminatie en vervolging van personen met albinisme in Afrika, met name naar aanleiding van het recent oplaaiende geweld in Malawi; veroordeelt met klem alle moorden, ontvoeringen, verminkingen en andere onmenselijke en vernederende behandelingen die personen met albinisme worden aangedaan, en betuigt zijn medeleven en solidariteit aan de families van de slachtoffers; veroordeelt eveneens de speculatieve handel in lichaamsdelen van personen met albinisme;

3.  betreurt de stilte en de daadloosheid met betrekking tot deze gebeurtenissen; brengt in herinnering dat het de primaire verantwoordelijkheid van een staat is zijn burgers te beschermen, ook de kwetsbare groepen, en spoort de regering van Malawi en de autoriteiten van alle getroffen landen aan om alle nodige maatregelen te treffen teneinde alle vormen van geweld en discriminatie ten opzichte van personen met albinisme uit te bannen, en hun waardigheid, mensenrechten en welzijn te beschermen, evenals de waardigheid, de mensenrechten en het welzijn van hun familieleden;

4.  spoort de autoriteiten van Malawi aan om een einde te maken aan de straffeloosheid, en om dringend internationale steun te zoeken opdat een onpartijdig en effectief onderzoek gevoerd kan worden naar alle gerapporteerde aanvallen op personen met albinisme, zodat de verantwoordelijken voor het gerecht kunnen worden gebracht en aansprakelijk kunnen worden gesteld;

5.  neemt met instemming kennis van de verklaring van president Mutharika, die de aanvallen veroordeelde en de veiligheidsdiensten opriep om personen met albinisme maximaal te beschermen; waarschuwt echter voor escalatie en brengt in herinnering dat het aanzetten tot haat en geweld niet het antwoord kan zijn op de huidige discriminatie van personen met albinisme; veroordeelt in het bijzonder alle pogingen van mensen om het recht in eigen handen te nemen;

6.  roept de regering van Malawi op om beter te voorzien in de medische, psychosociale en sociale behoeften van personen met albinisme, door gelijke toegang tot gezondheidszorg en onderwijs te waarborgen, als onderdeel van het beleid voor sociale inclusie;

7.  neemt met instemming kennis van het nationaal reactieplan van Malawi van maart 2015, dat tot doel heeft het bewustzijn te vergroten, de interne veiligheid te verbeteren, het toezicht op de mensenrechten, de administratie van justitie en de wetgeving te verbeteren, en de positie van personen met albinisme te versterken; roept de regering van Malawi op om de vijf punten van het actieplan te handhaven, en eist dat dit project meer middelen toegewezen krijgt;

8.  neemt met instemming kennis van de inspanningen die de regering van Tanzania geleverd heeft in de strijd tegen discriminatie ten aanzien van personen met albinisme en haar beslissing om de praktijken van medicijnmannen te verbieden, teneinde de moorden op personen met albinisme te stoppen, maar wijst erop dat maar weinig zaken voor het gerecht werden gebracht; roept de regering van Malawi op om eveneens de bestaande wetgeving te wijzigen, om de ernst van de misdaden tegen personen met albinisme beter te weerspiegelen;

9.  is van mening dat meer inspanningen nodig zijn om de grondoorzaken van deze discriminatie en dit geweld te bestrijden, door middel van bewustmakingscampagnes; wijst nadrukkelijk op de cruciale rol van de lokale autoriteiten en de maatschappelijke organisaties bij het bevorderen van de rechten van personen met albinisme, het informeren en opleiden van de bevolking en het komaf maken met de mythen en vooroordelen over albinisme;

10.  uit zijn bezorgdheid over de specifieke uitdagingen waarmee vrouwen en kinderen geconfronteerd worden, waardoor zij meer met armoede, onzekerheid en isolement te kampen hebben; dringt erop aan dat alle slachtoffers toegang krijgen tot behoorlijke medische en psychologische zorg, en dat toereikende beleidsmaatregelen ingevoerd worden om hun herintegratie in de gemeenschap mogelijk te maken;

11.  roept de autoriteiten van de getroffen landen op om, in samenwerking met hun internationale en regionale partners, alle nodige maatregelen te treffen om de illegale handel in lichaamsdelen van personen met albinisme te voorkomen en te bestrijden, om gevallen waarin grafroof vermoed wordt, opnieuw te onderzoeken, om te identificeren vanwaar de vraag naar deze lichaamsdelen komt, en om de "albinojagers" voor het gerecht te brengen;

12.  is van oordeel dat openbaar aanklagers, onderzoekers en politiemensen speciale opleidingen moeten krijgen, zodat zij de nodige kennis hebben over het aanpakken van gevallen waarbij personen met albinisme betrokken zijn;

13.  benadrukt dat het algemene gebrek aan begrip en aan gezondheidsinformatie over albinisme slecht is voor de gezondheid van personen met albinisme; wijst erop dat hun toegang tot gezondheidszorg verzekerd moet zijn, met name in landelijke en afgelegen gebieden; meent dat gezondheidswerkers sensitiviteitstraining over albinisme moeten krijgen;

14.  roept op tot betere opleidingen voor leerkrachten en schoolbesturen over albinisme, en vraagt dat de autoriteiten in Malawi de toegang tot onderwijs voor personen met albinisme mogelijk maken;

15.  verneemt met instemming dat de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in 2015 de functie van onafhankelijk deskundige voor de mensenrechten van personen met albinisme heeft gecreëerd, en daarna de aanzet heeft gegeven voor het allereerste regionale forum voor actie inzake albinisme in Afrika, in Dar El Salaam van 17 tot 19 juni 2016;

16.  roept de EU en haar lidstaten op om de dialoog met de getroffen landen gaande te houden en om deze landen effectief ondersteuning te bieden bij hun inspanningen om beleidsmaatregelen te formuleren die afgestemd zijn op de specifieke behoeften en rechten van personen met albinisme, op basis van het beginsel van non-discriminatie en sociale inclusie, door de nodige financiële en technische ondersteuning te verstrekken;

17.  roept alle getroffen staten op tot het delen van beste praktijken voor de bescherming en bevordering van de rechten van personen met albinisme;

18.  roept de EU op om nauw toezicht te houden op de mensenrechtensituatie van personen met albinisme in Afrika, met name via regelmatige rapportering en opvolging van haar delegaties, en om aanzienlijke verbeteringen in de bescherming en maatschappelijke integratie van deze personen te blijven promoten;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van Malawi en Tanzania, de Afrikaanse Unie en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB C 295 E van 4.12.2009, blz. 94.


Bahrein
PDF 175kWORD 73k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2016 over Bahrein (2016/2808(RSP))
P8_TA(2016)0315RC-B8-0900/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bahrein, met name die van 9 juli 2015 over Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab(1) en van 4 februari 2016 over Bahrein: de zaak van Mohammed Ramadan(2),

–  gezien de verklaring van 5 juli 2016 van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de recente ontwikkelingen in Bahrein,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, foltering, vrijheid van meningsuiting en mensenrechtenactivisten,

–  gezien de verklaring van 31 mei 2016 van de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, over de veroordeling van Ali Salman, secretaris-generaal van al-Wefaq, in Bahrein,

–  gezien de verklaring van 1 juni 2016 van de speciale VN-rapporteur voor de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting, David Kaye, over de veroordeling van oppositieleider Sjeik Ali Salman, de verklaring van 16 juni 2016 van de woordvoerder van de secretaris-generaal van de VN, over Bahrein, en de verklaring van 21 juni 2016 van de woordvoerder van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties, over Bahrein,

–  gezien het strategisch kader en het actieplan inzake mensenrechten van de EU, dat erop gericht is de bescherming van en het toezicht op de mensenrechten centraal te stellen in alle beleidsterreinen van de EU,

–  gezien de in februari 2002 aangenomen Bahreinse grondwet, met name hoofdstuk 3 daarvan, en artikel 364 van het Bahreinse wetboek van strafrecht, en de Bahreinse wet op het staatsburgerschap 1963,

–  gezien het verslag van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie van november 2011,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, die allemaal door Bahrein zijn ondertekend,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948, met name artikel 15,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Bahrein een belangrijke partner van de Europese Unie in de Perzische Golf is, onder meer op het gebied van politieke en economische betrekkingen, energie en veiligheid; overwegende dat het in ons gemeenschappelijk belang is om ons partnerschap verder te verdiepen teneinde toekomstige uitdagingen beter het hoofd te kunnen bieden;

B.  overwegende dat de regering van Bahrein de afgelopen maand haar onderdrukkings- en vervolgingscampagne jegens mensenrechtenactivisten en de politieke oppositie heeft geïntensiveerd; overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering onmisbare pijlers zijn van een democratische en pluralistische samenleving; overwegende dat in de in 2002 aangenomen Bahreinse grondwet de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting en vergadering, zijn verankerd;

C.  overwegende dat de politie op 13 juni 2016 de prominente mensenrechtenactivist Nabeel Rajab nogmaals arresteerde wegens "het verspreiden van valse geruchten in tijden van oorlog" en "het beledigen van overheidsinstanties" in verband met Twitterberichten die hij in 2015 publiceerde, waarop in totaal maximaal 13 jaar vrijheidsstraf staat; overwegende dat Nabeel Rajab al eerder, tussen 2012 en 2014, een gevangenisstraf van twee jaar uitzat in verband met de uitoefening van zijn recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering, en overwegende dat de VN-werkgroep voor willekeurige detentie in 2013 oordeelde dat hij willekeurig gevangen was genomen;

D.  overwegende dat, na 15 dagen in eenzame opsluiting, de slechte gevangenisomstandigheden leidden tot een achteruitgang van de gezondheidstoestand van Nabeel Rajab, en dat hij op 27 juni 2016 naar het ziekenhuis werd overgebracht; overwegende dat hij op 29 juni 2016 weer aan de gevangenis is overgedragen, ondanks aanhoudende gezondheidsproblemen;

E.  overwegende dat de regering van Bahrein Zainab al-Khawaja heeft gedwongen in ballingschap te gaan na haar meermaals te hebben bedreigd met een nieuwe arrestatie en detentie voor onbepaalde duur, en een reisverbod heeft opgelegd aan een groep mensenrechtenactivisten die van plan was af te reizen naar de VN-Mensenrechtenraad in Genève;

F.  overwegende dat de heer Mohammed Ramadan en de heer Ali Moosa nog steeds het risico lopen te worden terechtgesteld;

G.  overwegende dat de Bahreinse autoriteiten het afnemen van het staatsburgerschap blijven inzetten als politiek onderdrukkingsmiddel, met als hoogtepunt de recente denaturalisatie van de geestelijke en ayatollah Sjeik Isa Qassim; overwegende dat de Bahreinse autoriteiten meer dan 300 personen hun staatsburgerschap hebben afgenomen, met inbegrip van mensenrechtenactivisten, politici, journalisten en hooggeplaatste religieuze autoriteiten, waardoor de meerderheid van hen staatloos is geworden, hetgeen in strijd is met artikel 15 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens;

H.  overwegende dat de Bahreinse autoriteiten op 14 juni 2016 de grootste politieke fractie van het Koninkrijk, de nationale islamitische beweging al-Wefaq, hebben opgeheven, haar tegoeden hebben bevroren en haar hoofdzetel hebben ingenomen, en in juli 2016 een rechterlijk verzoek om de versnelde ontbinding van de politieke beweging hebben ingediend;

I.  overwegende dat Sjeik Ali Salman, leider van de oppositiegroep al-Wefaq, sinds juli 2015 zonder eerlijk proces gevangen zit, en dat zijn straf in hoger beroep, dat in mei 2016 plaatsvond, zelfs werd verlengd van vier tot negen jaar; overwegende dat het ontbreken van bescherming van de rechten van een verdachte een rechtstreekse schending vormt van de nationale grondwet van Bahrein en het internationaal recht; overwegende dat de VN-werkgroep voor willekeurige detentie in september 2015 tot de conclusie kwam dat zijn detentie willekeurig was;

1.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de voortdurende onderdrukkingscampagne jegens mensenrechtenactivisten, de politieke oppositie en het maatschappelijk middenveld, alsook over de beperkingen van de fundamentele democratische rechten, met name de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering, politiek pluralisme en de rechtsstaat in Bahrein; roept op tot de beëindiging van alle uitingen van geweld, pesterijen en intimidatie, ook op gerechtelijk niveau, en van de censuur van mensenrechtenactivisten, politieke tegenstanders, vreedzame betogers en actoren uit het maatschappelijk middenveld door overheidsinstanties en de veiligheidstroepen en -diensten;

2.  eerbiedigt de soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van Bahrein en spoort aan tot een permanente dialoog tussen de regering van Bahrein, de Europese Unie en de EU-lidstaten;

3.  dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van Nabeel Rajab en andere mensenrechtenverdedigers die vastzitten vanwege beschuldigingen in verband met hun rechten op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering en vrijheid van vereniging, en roept voorts op tot de intrekking van alle aanklachten tegen hen zijn ingediend; verzoekt de autoriteiten de lichamelijke en geestelijke integriteit van Nabeel Rajab te beschermen en ervoor te zorgen dat hij de vereiste medische behandeling krijgt;

4.  keurt het af dat er reisverboden zijn opgelegd aan de delegatie van mensenrechtenverdedigers die de 32e zitting van de VN-Mensenrechtenraad in Genève zouden bijwonen en wenst dat de regering deze verboden intrekt; beklemtoont dat het onacceptabel is dat vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de media ervan worden weerhouden om deel te nemen aan de werkzaamheden van internationale instanties en dringt erop aan dat de Bahreinse autoriteiten de fundamentele mensenrechten en politieke rechten van de vertegenwoordigers van het Bahreins maatschappelijk middenveld eerbiedigen;

5.  herinnert de regering van Bahrein aan haar verantwoordelijkheid om de beveiliging en veiligheid van al haar burgers te waarborgen, ongeacht hun politieke standpunten, hun lidmaatschap van een politieke partij of hun politieke overtuiging; is van mening dat de langetermijnstabiliteit en -veiligheid in Bahrein alleen kan worden gewaarborgd wanneer er een echt pluralistische samenleving wordt opgebouwd die de diversiteit respecteert, en roept in dit verband op tot de vrijlating van Sjeik Ali Salman en alle andere activisten die momenteel in de Bahreinse gevangenissen op willekeurige gronden worden vastgehouden;

6.  is van mening dat het toegestaan moet zijn om legitieme en op vrede gerichte grieven vrij uit te spreken; merkt bezorgd op dat de regering van Bahrein iedere vorm van legitieme politieke oppositie onderdrukt, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit de verlenging van de aan Sjeik Ali Salman opgelegde straf en uit de opschorting van de activiteiten en de bevriezing van de vermogensbestanddelen van de nationale islamitische organisatie al-Wefaq; wenst dat de fundamentele vrijheden van alle Bahreinse burgers worden uitgebreid; eist dat er onmiddellijk een einde komt aan de onderdrukking van burgers met andere politieke opvattingen en aan de repressie van de belangrijkste vertegenwoordigers van het land, wat hun politieke of religieuze overtuigingen ook zijn;

7.  vindt het met name zorgwekkend dat in Bahrein misbruik wordt gemaakt van de antiterrorismewetgeving en dat het afnemen van staatsburgerschap wordt gebruikt om te straffen en politieke druk uit te oefenen; verzoekt de Bahreinse autoriteiten met klem om de beslissing te herroepen op grond waarvan de naturalisatie van ayatollah Sjeik Isa Qassim ongedaan is gemaakt, om de nationale wet op het burgerschap te wijzigen en om degenen die ten onrechte van hun burgerschap zijn beroofd, het Bahreins burgerschap terug te geven, teneinde de internationale normen en wetgeving hieromtrent na te leven;

8.  wenst dat de Bahreinse autoriteiten de grondwet van 2002 volledig ten uitvoer leggen en de daarin gewaarborgde mensenrechten en de fundamentele vrijheden eerbiedigen, evenals de internationale mensenrechtennormen en de internationale instrumenten die door het land zijn geratificeerd; roept met name op tot de daadwerkelijke uitvoering van de aanbevelingen van de onafhankelijke onderzoekscommissie van Bahrein, de universele periodieke doorlichting en de nationale mensenrechteninstantie, opdat er verbeteringen kunnen optreden in de mensenrechtensituatie;

9.  herinnert de Bahreinse autoriteiten eraan dat artikel 15 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, verbiedt dat verklaringen die door foltering zijn verkregen, tijdens een proces als bewijs worden gebruikt; roept de Bahreinse autoriteiten op het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering te ratificeren;

10.  is verheugd dat Bahrein deelneemt aan de internationale coalitie tegen Da'esh;

11.  vindt het zorgwekkend dat Bahrein de doodstraf in ere heeft hersteld en wenst dat er opnieuw een moratorium op de doodstraf wordt ingesteld;

12.  is ingenomen met de maatregelen voor de bescherming van werknemers waarin de Bahreinse arbeidswet van 2012 voorziet, en is van mening dat deze maatregelen als voorbeeld kunnen dienen voor de andere landen van de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten;

13.  prijst Bahrein vanwege het feit dat het land de rechten van burgers en buitenlandse ingezetenen om hun godsdienst te belijden over het algemeen eerbiedigt; verzoekt de Bahreinse autoriteiten de grondwet na te leven, uit hoofde waarvan discriminatie op grond van godsdienst verboden is en de religieuze overtuigingen van burgers geen gevolgen mogen hebben voor hun rechten en plichten, en dringt erop aan de discriminatie van de sjiitische bevolking een halt toe te roepen;

14.  neemt nota van de voortdurende inspanningen van de Bahreinse regering om haar wetboek van strafrecht en juridische procedures te hervormen, en moedigt de regering ertoe aan dit proces voort te zetten; verzoekt de regering van Bahrein met klem de internationale normen inzake het recht op een eerlijk proces na te leven; onderstreept het belang van de steun die Bahrein heeft gekregen, met name wat zijn gerechtelijk apparaat betreft, om ervoor te zorgen dat de internationale mensenrechtennormen worden nageleefd; roept ertoe op de mensenrechtendialoog tussen de EU en Bahrein te versterken;

15.  vraagt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten om zorgen over schendingen van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van vreedzame vergadering aan de kaak te blijven stellen, zowel op bilateraal niveau als door gebruik te maken van multilaterale platformen zoals de aanstaande ministeriële vergadering van de EU en de GCC, die op 18 en 19 juli 2016 zal worden gehouden;

16.  veroordeelt de overeenkomsten inzake handel in wapens en technologieën die worden gebruikt om de mensenrechten te schenden; verzoekt om een verbod op de uitvoer van traangas en oproerbestrijdingsuitrusting totdat er onderzoek is verricht naar het oneigenlijke gebruik ervan en totdat degenen die zich daaraan schuldig hebben gemaakt zijn geïdentificeerd en voor de rechter zijn gebracht;

17.  is groot voorstander van de oprichting van een werkgroep van de EU en Bahrein voor de mensenrechten, maar merkt op dat een dialoog tussen de EU en Bahrein over de mensenrechten geenszins de plaats kan innemen van een diepgaande dialoog tussen de regering, de oppositie en het maatschappelijk middenveld in Bahrein zelf;

18.  spoort de regering van Bahrein aan samen te werken met de speciale VN-rapporteurs (met name voor foltering, vrijheid van vergadering, onafhankelijke rechters en advocaten en mensenrechtenverdedigers) en een vaste uitnodiging aan hen te richten;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein en de leden van de Samenwerkingsraad van de Golf.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0279.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0044.


Myanmar, met name de situatie van de Rohingyabevolking
PDF 177kWORD 76k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2016 over Myanmar, en met name de situatie van de Rohingya (2016/2809(RSP))
P8_TA(2016)0316RC-B8-0910/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Myanmar/Birma en de Rohingya, in het bijzonder die van 20 april 2012(1), 13 september 2012(2), 22 november 2012(3), 13 juni 2013(4) en 21 mei 2015(5), en zijn resolutie van 23 mei 2013 over hernieuwde toegang van Myanmar/Birma tot het stelsel van algemene tariefpreferenties(6),

–  gezien het verslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 20 juni 2016 over de mensenrechtensituatie van Rohingya-moslims en andere minderheden in Myanmar,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 24 maart 2016 over de mensenrechtensituatie in Myanmar, en die van 3 juli 2015 over de mensenrechtensituatie van Rohingya-moslims en andere minderheden in Myanmar,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 1 juni 2016 over "elementen voor een strategie van de EU ten aanzien van Myanmar/Birma: een speciaal partnerschap voor democratie, vrede en welvaart" (JOIN(2016)0024),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over een strategie van de EU ten aanzien van Myanmar/Birma,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers,

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake de online en offline vrijheid van meningsuiting,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 18 mei 2015 over "de EU en de ASEAN: een partnerschap met een strategische doelstelling" (JOIN(2015)0022),

–  gezien de duurzaamheidseffectbeoordeling ter ondersteuning van een investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Unie van Myanmar, gepubliceerd in april 2016,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966,

–  gezien het VN-verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het aanvullende protocol hierbij van 1967,

–  gezien de Birmese/Myanmarese wet van 2012 inzake het recht op vreedzame vergadering en vreedzame optocht en de wijzigingen ervan van 2014, en de nieuwe wet van 31 mei 2016 inzake het recht op vreedzame vergadering en vreedzame optocht,

–  gezien het verslag van parlementsleden van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN) die ijveren voor de mensenrechten van april 2015 over "de Rohingya-crisis en het risico op wreedheden in Myanmar: een uitdaging en oproep tot actie voor de ASEAN",

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Myanmar belangrijke stappen heeft ondernomen om zijn economie en zijn politiek stelsel te hervormen en dat er sinds 2011 vergaande hervormingen in gang zijn gezet;

B.  overwegende dat de Nationale Liga voor Democratie (NLD) onder leiding van Aung San Suu Kyi, winnaar van de Nobelprijs voor de vrede en van de Sacharovprijs, op 9 november 2015 de verkiezingen op overweldigende wijze heeft gewonnen, en dat Htin Kyaw de eerste burgerpresident in 50 jaar is geworden; overwegende dat mevrouw Suu Kyi ondanks haar persoonlijke populariteit werd uitgesloten van het presidentschap, op basis van de grondwet van 2008 die door het leger is opgesteld, maar momenteel feitelijk als "staatsadviseur" aan het hoofd van het land staat;

C.  overwegende dat de Rohingya een etnisch-religieuze moslimminderheid is, die al tientallen jaren lijdt onder wrede onderdrukking, systematische vervolging, segregatie, uitsluiting, discriminatie en andere ernstige schendingen van de mensenrechten;

D.  overwegende dat de Rohingya het grootste deel van de moslims in Myanmar uitmaakt en dat de meerderheid van hen in de deelstaat Rakhine woont;

E.  overwegende dat de ongeveer 1 miljoen Rohingya een van de meest vervolgde minderheden ter wereld zijn, en dat ze sinds de Birmese staatsburgerschapswet van 1982 officieel staatloos zijn; overwegende dat de Rohingya ongewenst zijn door de autoriteiten van Myanmar en door buurlanden, hoewel sommige van die landen grote aantallen vluchtelingen opvangen; overwegende dat de aanhoudende gevechten in de deelstaat Rakhine menselijk leed blijven veroorzaken en het vertrouwen in het vredesproces ondermijnen;

F.  overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Zeid Ra'ad Al Hussein, in zijn rapport van 20 juni 2016 ingaat op de aanhoudende ernstige mensenrechtenschendingen jegens de Rohingya, met inbegrip van willekeurige ontneming van nationaliteit, waardoor zij staatloos worden, ernstige beperking van de vrijheid van verkeer, bedreigingen voor mensenlevens en veiligheid, het ontzeggen van het recht op gezondheid en onderwijs, dwangarbeid, seksueel geweld en beperkingen van de politieke rechten, en dat er bijgevolg sprake kan zijn van misdaden tegen de menselijkheid; overwegende dat de heer Al Hussein aangeeft dat de Rohingya worden uitgesloten van tal van beroepen en speciale formaliteiten moeten vervullen om toegang te krijgen tot een ziekenhuis, wat leidt tot vertragingen en het overlijden van baby's en moeders tijdens de bevalling;

G.  overwegende dat volgens ASEAN-parlementsleden die ijveren voor de mensenrechten, ongeveer 120 000 Rohingya in meer dan 80 kampen voor intern ontheemden in de deelstaat Rakhine verblijven, met beperkte toegang tot humanitaire hulp, terwijl meer dan 100 000 anderen in de afgelopen jaren over zee of over land naar andere landen zijn gevlucht, vaak door toedoen van mensenhandelaars; overwegende dat vele duizenden mensen ieder jaar hun leven riskeren in een poging om over land of over zee te vluchten, en dat velen tijdens deze tocht omkomen;

H.  overwegende dat de nieuwe regering een situatie heeft geërfd met wetten en maatregelen die gericht zijn op het ontzeggen van de grondrechten aan minderheden, waarbij de straffeloosheid voor ernstige schendingen jegens de Rohingya verder geweld tegen hen aanmoedigt;

I.  overwegende dat mevrouw Suu Kyi tijdens een ontmoeting met de speciale rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Myanmar, Yanghee Lee, heeft aangekondigd dat de regering de term "Rohingya" (een voortzetting van de praktijken van de militaire dictatuur) niet zal gebruiken, omdat deze opruiend is, net zoals het woord "Bengaals", en dat zij voorstelt om in plaats daarvan de nieuwe term "moslimgemeenschap in de deelstaat Rakhine" te gebruiken; overwegende dat de Arakan Nationale Partij (ANP), die de radicale boeddhisten in Rakhine vertegenwoordigt, deze nieuwe term verwerpt en de regering ervan beschuldigt indirect te aanvaarden dat de Rohingya autochtone bewoners van de deelstaat Rakhine zijn, wat de ANP verwerpt, en overwegende dat in de afgelopen dagen duizenden mensen op straat zijn gekomen om te protesteren tegen de regering; overwegende dat mevrouw Suu Kyi de ambten van staatsadviseur, minister van Buitenlandse Zaken en minister van het kabinet van de president in een burgerregering heeft opgenomen;

J.  overwegende dat Myanmar zich in een politieke overgangssituatie bevindt, maar in de praktijk nog steeds een bolwerk van het leger is, waarbij sommige ministeries, ambten van rechters en parlementszetels zijn voorbehouden voor militaire benoemingen; overwegende dat de corruptie binnen de overheid nog steeds als zeer hoog wordt ervaren;

K.  overwegende dat er nog steeds ernstige problemen zijn met de wetgeving in Myanmar, waarbij diverse belangrijke wetten in strijd zijn met internationale mensenrechtenverdragen, bijvoorbeeld het strafwetboek, de wet inzake vreedzame vergadering en vreedzame optocht, de telecommunicatiewet, de mediawet en de vier wetten inzake de bescherming van ras en religie;

L.  overwegende dat in een recente opflakkering van geweld tegen de moslimgemeenschap in Myanmar, in minder dan een week twee moskeeën zijn platgebrand;

M.  overwegende dat de Rohingya-bevolking (zowel in als buiten de deelstaat Rakhine) het doelwit is van gewelddadige, agressieve en discriminerende propaganda en acties van een aantal radicale boeddhistische groepen in Myanmar;

N.  overwegende dat de afgelopen jaren veel politieke gevangenen zijn vrijgelaten, maar dat vele mensenrechtenverdedigers, journalisten, critici van de regering en het leger, en anderen zijn gearresteerd op algemene, vaag geformuleerde gronden omdat zij op vreedzame wijze hun democratische rechten uitoefenden;

O.  overwegende dat Myanmar duidelijk inspanningen heeft geleverd om het vredesproces te bevorderen, bovenop de voorbereidingen voor een nationale vredesconferentie (de Panglong-conferentie van de 21ste eeuw); overwegende dat het van essentieel belang is het nationale bestand te handhaven en uit te breiden tot alle etnische gewapende groepen om te zorgen voor vrede, welvaart en eenheid in het land;

1.  is ingenomen met de geloofwaardige, competitieve verkiezingen van november 2015, en neemt met voldoening kennis van de vreedzame overdracht van de macht aan de eerste niet-militaire president sinds 1962;

2.  is ingenomen met de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over een strategie van de EU ten aanzien van Myanmar; benadrukt dat de EU een strategisch belang heeft bij het versterken van haar betrekkingen met Myanmar; is van mening dat de nieuwe regering een historische kans heeft om de democratie te consolideren en te zorgen voor vrede, nationale verzoening en welvaart;

3.  is ingenomen met het besluit van de regering van Myanmar om van vrede en nationale verzoening een hoofdprioriteit te maken; benadrukt dat het geweld onmiddellijk moet worden gestaakt en dat geschillen via onderhandelingen moeten worden beslecht;

4.  begrijpt dat hervormingen tijd vergen, maar benadrukt dat de ernst van de aanhoudende vervolging van minderheden, zoals blijkt uit het recente verslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten over de mensenrechtensituatie van Rohingya-moslims en andere minderheden in Myanmar, onmiddellijk corrigerende maatregelen vergt, en roept de regering op om gevolg te geven aan de aanbevelingen van het verslag, onder meer om discriminerende "lokale orders" in de deelstaat Rakhine af te schaffen, beperkende maatregelen met betrekking tot medische spoedbehandelingen op te heffen en beperkingen op het vrij verkeer van personen op te heffen;

5.  dringt er bij de regeringen en de bevoegde autoriteiten van alle landen in de regio op aan zich volledig te houden aan het beginsel van non-refoulement en de Rohingya-vluchtelingen te beschermen, overeenkomstig hun internationale verplichtingen en de internationale normen inzake mensenrechten;

6.  spreekt nogmaals zijn diepste bezorgdheid uit over het lot van de Rohingya-vluchtelingen in Zuidoost-Azië en dringt aan op regionale en internationale inzet om hen in hun uiterst kwetsbare situatie spoedhulp te verlenen; betuigt zijn medeleven aan de families van de slachtoffers van mensenhandelaars, geweld en gebrek aan bescherming van officiële instanties in de landen van bestemming;

7.  benadrukt dat de EU met voldoening kennis heeft genomen van de inspanningen van de regering van Myanmar om een begin te maken met het aanpakken van de uitdagingen in de deelstaat Rakhine, waaronder de situatie van de Rohingya;

8.  dringt erop aan dat de autoriteiten dringend zorgen voor vrije en onbelemmerde toegang tot de deelstaat Rakhine voor humanitaire hulpverleners, de VN, internationale mensenrechtenorganisaties, journalisten en andere internationale waarnemers;

9.  verzoekt de regering van Myanmar ondubbelzinnig elke aansporing tot op ras of godsdienst gebaseerde haatgevoelens te veroordelen, concrete maatregelen te nemen om onmiddellijk een eind te maken aan dergelijke haat, en specifieke maatregelen en beleid uit te voeren om in de toekomst rechtstreekse en onrechtstreekse discriminatie jegens de Rohingya te voorkomen;

10.  sluit zich aan bij de oproep van de Europese Raad om doeltreffende democratische instellingen tot stand te brengen, met inbegrip van een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke macht en een sterk maatschappelijk middenveld, en om goed bestuur te bevorderen teneinde ervoor te zorgen dat Myanmar een democratie wordt waar de rechtsstaat en de grondrechten volledig worden geëerbiedigd;

11.  verzoekt de verkozen regering een open democratie te ontwikkelen waarin de mensenrechten worden geëerbiedigd en de vrijheid van meningsuiting, vergadering en verkeer, vrij van elke vorm van discriminatie, voor alle mensen is gewaarborgd;

12.  dringt er bij de regering van Myanmar op aan onmiddellijk uitvoering te geven aan de aanbevelingen in de resolutie die werd aangenomen tijdens de 31e zitting van de VN-Mensenrechtenraad (UNHCR) over de mensenrechtensituatie in Myanmar;

13.  verzoekt de regering van Myanmar de Rohingya te beschermen tegen elke vorm van discriminatie en een eind te maken aan de straffeloosheid voor schendingen ten aanzien van de Rohingya; herinnert aan de langverwachte verklaring van 18 mei 2015 van de woordvoerder van de partij van mevrouw Suu Kyi, de NLD, dat de regering van Myanmar het staatsburgerschap moet verlenen aan de Rohingya-minderheid; dringt er bij mevrouw Suu Kyi, winnaar van de Sacharovprijs, op aan haar belangrijke functies in de regering van Myanmar aan te wenden om de situatie van de Rohingya-minderheid te verbeteren;

14.  verzoekt de regering van Myanmar de staatsburgerschapswet van 1982 te hervormen en voor de Rohingya-minderheid opnieuw het staatsburgerschap in te voeren; dringt er bij de regering van Myanmar en de autoriteiten van de deelstaat Rakhine op aan onverwijld te beginnen met de registratie van alle kinderen bij de geboorte; verzoekt de regering van Myanmar alle discriminerende bepalingen in te trekken;

15.  dringt er bij de EU op aan de UNHCR te blijven steunen bij zijn inspanningen om de Rohingya-vluchtelingen in Zuid- en Zuidoost-Azië te helpen;

16.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan steun te verlenen aan het mondiaal actieplan 2014-2024 van de UNHRC om een einde te maken aan staatloosheid;

17.  verzoekt de regering van Myanmar met klem onmiddellijk alle politieke gevangenen vrij te laten en ook diegenen die zijn gearresteerd op grond van bepalingen die de internationale mensenrechten en -normen schenden;

18.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de situatie van de Rohingya op het hoogst mogelijke politieke niveau aan te kaarten bij haar ontmoetingen met vertegenwoordigers van Myanmar en andere ASEAN-landen;

19.  is van oordeel dat voorzichtigheid geboden is bij de sluiting van de geplande investeringsovereenkomst tussen de EU en Myanmar, omdat deze een bedreiging kan vormen voor de toekomstige sociaal evenwichtige ontwikkeling van Myanmar zolang er vrijwel geen wetgeving bestaat op het gebied van maatschappelijk en ecologisch verantwoord ondernemen, rechten van werknemers, grondeigendom en anticorruptiemaatregelen, en verzoekt beide partijen met klem rekening te houden met deze bekommernissen;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Myanmar, de secretaris-generaal van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten, de intergouvernementele commissie voor de mensenrechten van de ASEAN, de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Myanmar, de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen van de VN, de VN-Mensenrechtenraad en de regeringen en parlementen van andere landen in de regio.

(1) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 79.
(2) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 145.
(3) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 189.
(4) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 157.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0211.
(6) PB C 55 van 12.2.2016, blz. 112.


71e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties
PDF 217kWORD 106k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 7 juli 2016 aan de Raad over de 71e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (2016/2020(INI))
P8_TA(2016)0317A8-0146/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad over de 71e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, ingediend door Andrey Kovatchev namens de PPE-Fractie (B8–1374/2015),

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 21, 34 en 36,

–  gezien de 70e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties,

–  gezien de conclusies van de Raad van 22 juni 2015 over de prioriteiten van de EU voor de 70e Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de mensenrechtenverdragen van de VN alsmede de facultatieve protocollen daarbij,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) over de deelname van de Europese Unie aan de werkzaamheden van de Verenigde Naties(1), waarin de EU het recht is verleend om te interveniëren in de Algemene Vergadering van de VN, mondeling voorstellen en amendementen in te dienen die op verzoek van een lidstaat in stemming zullen worden gebracht, en het recht op weerwoord uit te oefenen,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het tienjarig bestaan van Resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid(2),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 18 april 2013 over het VN-beginsel van "verantwoordelijkheid tot bescherming" (Responsibility to Protect, R2P)(3),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 2 april 2014 over de 69e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(4),

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over de rol van de EU binnen de VN – hoe kunnen de doelstellingen van het buitenlands beleid van de EU beter worden verwezenlijkt?(5),

–  gezien zijn resoluties van 21 januari 2016 over de prioriteiten van de EU voor de UNHRC-zittingen in 2016(6) en die van 17 juli 2014 over het misdrijf agressie(7),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh"(8),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2016 over de situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU(9),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs van 12 december 2015,

–  gezien het actieplan van 13 juni 2012 ter versterking van de GVDB-steun van de EU voor de VN-vredeshandhaving(10) en het document van 23 maart 2015 over de versterking van het strategisch partnerschap tussen de EU en de VN op het gebied van vredeshandhaving en crisisbeheersing: prioriteiten 2015-2018(11),

–  gezien de richtsnoeren van Oslo van november 2007 inzake het gebruik van militaire en civiele defensiemiddelen met betrekking tot hulpverlening bij rampen,

–  gezien Resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad en de recente Resolutie 2242 (2015) van de Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien het evaluatierapport van de VN van 15 mei 2015 over handhavings- en bijstandsinspanningen ter bestrijding en voorkoming van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik door VN- en aanverwant personeel bij vredeshandhavingsoperaties,

–  gezien het eerste VN-rapport over de resistentie tegen antibiotica, dat in april 2014 werd opgesteld door de WHO en waarin antimicrobiële resistentie wordt aangemerkt als een ernstige bedreiging voor de mondiale volksgezondheid,

–  gezien de recente onthullingen over de activiteiten van het in Panama gevestigde advocatenkantoor Mossack Fonseca, en de daarmee verband houdende initiatieven voor nauwere internationale samenwerking om belastingontduiking tegen te gaan,

–  gezien artikel 134, lid 3, en artikel 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0146/2016),

A.  overwegende dat het streven van de EU naar een effectief multilateralisme en een goed mondiaal bestuur, met de VN als kernelement, een integraal onderdeel vormt van het externe beleid van de EU en geworteld is in de overtuiging dat een multilateraal systeem gebaseerd op universele regels en waarden, die moeten worden geëerbiedigd en verdedigd, de beste wijze is om wereldwijde crises, uitdagingen en bedreigingen het hoofd te bieden;

B.  overwegende dat de EU een proactieve rol zou moeten spelen in de totstandbrenging van een VN die doeltreffend kan bijdragen aan mondiale oplossingen, vrede, veiligheid, ontwikkeling, mensenrechten, democratie en een internationale orde die gebaseerd is op de beginselen van de rechtsstaat;

C.  overwegende dat de EU-lidstaten hun uiterste best moeten doen om hun optreden in de organen en instanties van het stelsel van de Verenigde Naties te coördineren overeenkomstig het in artikel 34, lid 1, VEU, vastgestelde mandaat;

D.  overwegende dat de mondiale en regionale veiligheidssituatie snel verslechtert en complexer wordt en dat de grens tussen de binnen- en buitenlandse veiligheid vervaagt; overwegende dat de VN nog steeds een belangrijke rol speelt in het waarborgen van de mondiale veiligheid en stabiliteit;

E.  overwegende dat de instrumenten van doeltreffend multilateralisme in het kader van de VN zorgvuldig moeten worden heroverwogen op grond van de verschuiving en verspreiding van de mondiale macht; overwegende dat alle belanghebbenden, zowel gouvernementele als niet-gouvernementele, beter moeten worden betrokken bij dergelijke instrumenten, alsook bij processen voor conflictpreventie en crisisbeheersing;

F.  overwegende dat de EU en haar lidstaten samen de grootste financiële bijdrage aan het VN-stelsel leveren, ongeveer een derde van de gewone begroting van de VN financieren en bijna twee vijfde van het VN-budget voor vredesoperaties en circa de helft van alle bijdragen aan VN-fondsen en programma's voor hun rekening nemen;

G.  overwegende dat de EU werkt aan de duurzaamheid van het milieu, met name in de strijd tegen de klimaatverandering, door zich in te zetten voor internationale maatregelen en acties voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu en voor het duurzame beheer van natuurlijke rijkdommen;

H.  overwegende dat de EU een van de meest toegewijde beschermers en bevorderaars is van de mensenrechten, fundamentele vrijheden, culturele waarden, diversiteit, democratie en de rechtsstaat;

I.  overwegende dat de veiligheidssituatie van de EU steeds instabieler en onzekerder wordt vanwege een groot aantal langdurige of nieuwe bedreigingen, waaronder gewelddadige conflicten, terrorisme, georganiseerde misdaad, nooit geziene migratiegolven en klimaatverandering, die niet op nationaal niveau kunnen worden aangepakt en regionale en mondiale oplossingen vereisen;

J.  overwegende dat nieuwe uitdagingen, waaronder hybride oorlogvoering en informatieoorlogen, cyberdreigingen, biotechnologie, dodelijke autonome systemen, nanotechnologie, de miniaturisatie van wapens en de verspreiding van technologieën voor tweeërlei gebruik, het noodzakelijk maken om multilaterale overeenkomsten te ontwikkelen waarvoor het VN-kader het meest geschikt is;

K.  overwegende dat recente ontwikkelingen inzake de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor de wapenbeheersing en ontwapening steeds moeilijker maken en de mondiale veiligheid en stabiliteit aantasten; overwegende dat de VN een geschikt kader vormen om de inspanningen voor een nieuwe generatie maatregelen voor wapenbeheersing en ontwapening te bevorderen, samen met gelijkgestemde partners;

1.  beveelt de Raad het volgende aan:

Vrede en veiligheid

Terrorismebestrijding

Non-proliferatie en ontwapening

Migratie

Mensenrechten, democratie en de rechtsstaat

Ontwikkeling

Klimaatverandering

De EU en de hervorming van het VN-bestel

   a) er actief naar te blijven streven dat alle direct of indirect bij gewapende conflicten betrokken partijen en hun organisaties hun internationale verplichtingen en volkenrechtelijke normen volledig naleven en zich inzetten voor vreedzame en diplomatieke oplossingen voor alle soorten conflicten; erop aan te dringen dat dit ook de verplichting moet omvatten ervoor te zorgen dat mensen in nood toegang hebben tot humanitaire hulp;
   b) multilaterale pogingen te blijven ondersteunen om duurzame politieke en vreedzame oplossingen te vinden voor de aanhoudende conflicten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika; steun te blijven verlenen aan de werkzaamheden van de speciale gezant van de secretaris-generaal van de VN voor Syrië, de speciale vertegenwoordiger en hoofd van de VN-Ondersteuningsmissie in Libië, de speciale gezant van de secretaris-generaal van de VN voor Jemen, de speciale coördinator van de VN voor het vredesproces in het Midden-Oosten en de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor de Westelijke Sahara; de internationale gemeenschap op te roepen humanitaire, financiële en politieke hulp te blijven geven om de humanitaire situatie te verbeteren, en zich in te spannen voor de onmiddellijke beëindiging van het geweld; unilaterale en ongecoördineerde acties in onverschillig welk crisisgebied te veroordelen;
   c) de interne Syrische onderhandelingen op basis van Resolutie 2254 (2015) van de VN-Veiligheidsraad te steunen; steun te verlenen aan de werkzaamheden van de taskforces die zijn opgericht door de Internationale Steungroep voor Syrië en die toezicht houden op de verlening van de broodnodige humanitaire hulp aan duizenden Syriërs in belegerde en andere moeilijk bereikbare gebieden, evenals een staking van de vijandelijkheden die werd gesteund in Resolutie 2268 (2016) van de VN-Veiligheidsraad; de wijdverbreide schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht in Syrië scherp te veroordelen en de werkzaamheden te ondersteunen van maatschappelijke organisaties die bewijzen vergaren van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, en andere mensenrechtenschendingen; te onderstrepen dat er een politieke oplossing voor het conflict moet worden gevonden en dat de deelname van vrouwen aan de vredesonderhandelingen moet worden gewaarborgd; er bij alle VN-lidstaten op aan te dringen alle noodzakelijke financiële en menselijke middelen vrij te maken om de lokale bevolking en de vluchtelingen te helpen;
   d) ervoor te zorgen dat de Algemene Vergadering van de VN, in samenwerking met de EU en de VS, voorziet in alle instrumenten om te waarborgen dat een tweestatenoplossing, op basis van de grenzen van 1967, met Jeruzalem als de hoofdstad van beide staten, waarbij een veilige staat Israël met veilige en erkende grenzen en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid, duurzaam en doeltreffend is; te handelen in overeenstemming met de conclusies van de Raad van 18 januari 2016 over het vredesproces in het Midden-Oosten, waarin wordt gesteld dat de voortdurende uitbreiding van de nederzettingen vrede in de weg blijft staan;
   e) te onderstrepen dat er in Jemen gecoördineerd humanitair optreden onder leiding van de VN noodzakelijk is; er bij alle partijen op aan te dringen de binnenkomst en levering van dringend noodzakelijke levensmiddelen, geneesmiddelen, brandstof en andere noodzakelijke bijstand door de VN en internationale humanitaire kanalen toe te staan om, overeenkomstig de beginselen van onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid, in de dringende behoeften van de door de crisis getroffen burgers te kunnen voorzien; op te roepen tot een humanitair bestand, zodat zo snel mogelijk levensreddende bijstand kan worden geboden aan de Jemenitische bevolking; te vragen om een onpartijdig en onafhankelijk onderzoek naar alle vermeende schendingen van de internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht, met inbegrip van de recente aanvallen op humanitaire infrastructuur en hulpverleners; er bij alle partijen op aan te dringen de mensenrechten en vrijheden van alle Jemenitische burgers te eerbiedigen, en te benadrukken dat het belangrijk is de veiligheid te vergroten van al degenen die zich inzetten voor vrede en humanitaire missies in het land, waaronder hulpverleners, artsen en journalisten; een beleid van toenadering tussen Saudi-Arabië en Iran aan te moedigen, teneinde de regionale spanningen te verminderen en als stap op weg naar conflictoplossing in Jemen en elders;
   f) te blijven oproepen tot de volledige eerbiediging van internationaal erkende grenzen en de territoriale integriteit van Oost-Europese landen en landen van de zuidelijke Kaukasus, waaronder Georgië, Moldavië en Oekraïne, gezien de schendingen van het internationaal recht in deze gebieden, en tot het recht van deze landen om vrij en soeverein voor een Europees pad te kiezen; de diplomatieke inspanningen voor een vreedzame oplossing van deze lopende en bevroren conflicten te steunen en nieuw leven in te blazen; de internationale gemeenschap ertoe aan te sporen het beleid om de illegale annexatie van de Krim niet te erkennen, volledig uit te voeren; actief druk uit te oefenen op Rusland, als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad, om een oplossing te vinden voor het conflict in Oekraïne;
   g) op te roepen tot meer steun voor de inspanningen van de internationale gemeenschap en regionale organisaties voor het beheersen van veiligheidscrises op het Afrikaanse continent, met name in Somalië, Sudan, Zuid-Sudan, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Mali, Nigeria, Burundi en in het gebied rond de Grote Meren in het algemeen; de VN-lidstaten aan te sporen meer steun te verlenen aan de steeds grotere rol en eigen capaciteiten van de Afrikaanse Unie op het vlak van bemiddeling en crisisbeheer en tegelijkertijd te streven naar complementariteit met de inspanningen van het VN-Bureau voor de ondersteuning van de vredesopbouw; de inspanningen van de Afrikaanse Unie, de Oost-Afrikaanse Gemeenschap en de VN te ondersteunen om een verdere escalatie van de crisis in Burundi te voorkomen, en een dringend noodzakelijke inclusieve en reële interne dialoog in Burundi tussen de regering en de oppositie te bevorderen; het onafhankelijke internationale onderzoek te ondersteunen, in het kader waarvan alle vermeende schendingen van de mensenrechten worden onderzocht en de verantwoordelijken ter verantwoording worden geroepen en voor de rechter worden gebracht;
   h) de lopende uitgebreide inspanningen te steunen om de vredesoperaties van de VN en het vermogen van de organisatie om conflicten aan te pakken te versterken; nieuwe mogelijkheden voor een hechtere samenwerking tussen de EU en de VN te onderzoeken en deze samenwerking aan te moedigen in de context van de nieuwe vormgeving van hun strategische visie op veiligheid, enerzijds in het kader van de nieuwe algehele EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid en anderzijds in het kader van de VN-hervorming van de vredesoperaties, de architectuur voor vredesopbouw en de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid (Resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad) en onderlinge synergieën; ervoor te zorgen dat bij de herziening van de VN-architectuur voor vredesopbouw een klemtoon komt te liggen op het beginsel van de verantwoordelijkheid tot bescherming en de rol van vrouwen bij vredesopbouw;
   i) zich ingenomen te tonen met de goedkeuring en steun te verlenen aan de uitvoering van de recente Resolutie 2242 (2015) van de VN-Veiligheidsraad, waarin vrouwen een centrale rol toebedeeld krijgen in alle inspanningen voor het aanpakken van wereldwijde uitdagingen, en aan te dringen op extra inspanningen om de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid in alle verschillende dimensies van vredeshandhaving te integreren; te benadrukken dat de evenwaardige, volledige en actieve participatie van vrouwen een belangrijke factor vormt bij het voorkomen en oplossen van conflicten, alsook bij het proces van vredesonderhandelingen en vredesopbouw; ervoor te zorgen dat vrouwelijke slachtoffers van verkrachting tijdens oorlogen alle nodige veilige medische bijstand krijgen;
   j) binnen het VN-stelsel een cultuur van preventie te bevorderen, opdat de VN beter en sneller kunnen reageren op nieuwe crises en potentiële bedreigingen voor de vrede en de veiligheid, met name middels doeltreffender inspanningen op het vlak van preventieve diplomatie, vertrouwensopbouw en bemiddeling; ernaar te streven de systemen voor vroegtijdige waarschuwing en de tijdige communicatie te verbeteren en verder te werken aan procedures voor crisisoverleg tussen de VN, de EU en andere regionale en subregionale organisaties, die een steeds belangrijkere rol spelen ten aanzien van de internationale vrede en veiligheid, om hun crisisrespons beter te coördineren en nodeloze overlapping te voorkomen; samen te werken met de VN om de rol en de capaciteiten van regionale en subregionale organisaties bij vredeshandhaving, conflictpreventie, civiel en militair crisisbeheer en conflictoplossing te versterken;
   k) de steun van de lidstaten te vergroten voor vredeshandhavings- en vredesopbouwoperaties van de VN die een mensenrechtencomponent en duidelijke exitstrategieën omvatten, met name door personeel en uitrusting te leveren, en de EU in dit verband een grotere ondersteunende rol te laten spelen; nadere procedures uit te werken om het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU in te schakelen ter ondersteuning van VN-operaties, onder meer door de inzet van EU-gevechtstroepen, of door capaciteitsopbouw en initiatieven in het kader van de hervorming van de veiligheidssector, en daarbij voldoende aandacht te schenken aan aspecten zoals mensenrechten, duurzame ontwikkeling en de onderliggende oorzaken van massale migratie;
   l) zich in te spannen voor een brede definitie van het begrip menselijke veiligheid, waardoor dit nauwer aansluit bij gendergelijkheid en de mensenrechten, en van het R2P-beginsel ("verantwoordelijkheid om te beschermen") en steun te blijven verlenen aan de inspanningen om het R2P-concept in de praktijk te brengen; de VN te ondersteunen om een cruciale rol te blijven spelen inzake het bijstaan van landen bij de toepassing van het R2P-beginsel, teneinde ervoor te zorgen dat de rechtsstatelijkheid en het internationaal humanitair recht worden geëerbiedigd; de gedragscode met betrekking tot maatregelen van de Veiligheidsraad tegen genocide, misdaden tegen de menselijkheid of oorlogsmisdaden te bevorderen, opdat de VN-lidstaten zich ertoe verbinden het optreden van de Veiligheidsraad ter voorkoming of beëindiging van dergelijke misdaden te steunen en niet tegen een desbetreffende resolutie van de Veiligheidsraad te stemmen;
   m) terrorisme nogmaals ondubbelzinnig te veroordelen en opnieuw zijn volledige steun uit te spreken voor maatregelen die gericht zijn op het verslaan en uitroeien van terroristische organisaties, met name "ISIS/Da'esh", die een onmiskenbare bedreiging voor de regionale en internationale veiligheid vormt, en er tegelijkertijd aan te herinneren dat bij deze maatregelen het internationaal recht inzake de mensenrechten altijd volledig moet worden geëerbiedigd; de bevordering te steunen van alle aspecten van Resolutie 2178 (2014) van de Veiligheidsraad over de bestrijding van dreigingen die uitgaan van buitenlandse terroristische strijders, en van de leidende beginselen van Madrid inzake het tegengaan van de stroom aan buitenlandse terroristische strijders;
   n) meer inspanningen te leveren om rekrutering tegen te gaan en terroristische propaganda op socialemediaplatforms, maar ook via netwerken van geradicaliseerde haatpredikers, te bestrijden; beleid ter bestrijding van radicalisering en met het oog op deradicalisering te ondersteunen in overeenstemming met het VN-actieplan ter voorkoming van gewelddadig extremisme;
   o) met de VN te blijven samenwerken inzake de bestrijding van terrorismefinanciering, met inbegrip van het gebruik van bestaande mechanismen voor het aanwijzen van terroristische personen en organisaties, en mechanismen voor de bevriezing van tegoeden op wereldschaal te versterken en hierbij de internationale normen voor een eerlijk proces en de rechtsstatelijkheid te handhaven;
   p) de taskforce voor de uitvoering van de VN-strategie voor terrorismebestrijding ondersteuning te bieden om te zorgen voor coördinatie en samenhang bij de uitvoering van de mondiale terrorismebestrijdingsstrategie van de VN, gebruikmakend van de middelen en deskundigheid van 25 entiteiten van het VN-stelsel en Interpol, zonder uit het oog te verliezen dat terrorismebestrijding niet mag worden gebruikt als voorwendsel om interne afwijkende meningen de kop in te drukken of de rechten van de bevolking te schenden;
   q) gecoördineerde internationale inspanningen te bevorderen om de toenemende dreiging van geïmproviseerde explosieven (Improvised Explosive Devices, afgekort IED) tegen te gaan, met name door inzicht te ontwikkelen in het verband tussen IED- en terrorismebestrijding, gebruikmakend van de middelen en deskundigheid van de entiteiten van het VN-stelsel en Interpol, teneinde een betere samenwerking op het gebied van rechtshandhaving en op militair gebied mogelijk te maken;
   r) in deze context opnieuw te wijzen op de behoefte aan een passende mix van veiligheid, rechtshandhaving, mensenrechten en sociaal-economische instrumenten die betere opties biedt om te reageren op de veranderende aard van het terrorisme en gewelddadig extremisme door onder andere Da'esh, Al Qaida, Al-Shabaab en Boko Haram;
   s) steun te verlenen aan een grotere bijdrage van de EU aan de initiatieven van de VN voor capaciteitsopbouw in het kader van de strijd tegen buitenlandse terroristische strijders en gewelddadig extremisme;
   t) steun te verlenen aan de inspanningen van de VN om te voorkomen dat niet-overheidsactoren en terroristische groeperingen massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor ontwikkelen, produceren, verwerven of overbrengen, en bij te dragen tot de algehele doorlichting van Resolutie 1540 (2004) van de VN-Veiligheidsraad in 2016; aan te dringen op de volledige naleving van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPV), het Verdrag inzake chemische wapens en het Verdrag inzake biologische wapens en op de voltooiing van het proces ter ratificatie van het Verdrag voor een alomvattend verbod op kernproeven; alle VN-lidstaten aan te sporen om het Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens te ondertekenen en te ratificeren; de oprichting te verwelkomen van de werkgroep die voor onbepaalde tijd is ingesteld als hulporgaan van de Algemene Vergadering van de VN, om verder te komen in de multilaterale onderhandelingen over nucleaire ontwapening, en alle EU-lidstaten aan te sporen actief aan de werkzaamheden ervan deel te nemen; de lidstaten van de VN te verzoeken actief stappen te ondernemen ten behoeve van de wereldwijde ontwapening en hierbij naar behoren rekening te houden met zowel de veiligheidsdimensie als de humanitaire dimensie van nucleaire wapens;
   u) er bij de lidstaten op aan te dringen de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN over de effecten van het gebruik van wapens en munitie met verarmd uranium te ondersteunen tijdens de 71e vergadering, en een gemeenschappelijk standpunt van de EU vast te stellen dat beter beantwoordt aan de herhaalde oproep van het Parlement voor een preventief wereldwijd moratorium en de zich ontwikkelende mondiale consensus over de mogelijke gezondheidsrisico's voor burgers, het complexe post-conflictbeheer van radioactief afval en de financiële lasten ingevolge het gebruik van dergelijke wapens; projecten voor de beoordeling en opruiming van verarmd uranium in de financieringinstrumenten van de EU voor mijnbestrijding op te nemen;
   v) zich in te zetten voor de volledige tenuitvoerlegging van het Wapenhandelsverdrag (WHV) en alle VN-lidstaten ertoe aan te sporen dit verdrag te ondertekenen of ertoe toe te treden;
   w) werk te maken van doeltreffender optreden tegen het doorsluizen van en de illegale handel in wapens en munitie, met inbegrip van handvuurwapens en lichte wapens, met name door een wapentraceringssysteem te ontwikkelen;
   x) op mondiaal niveau een beleidsrespons op het gebruik van gewapende drones te bevorderen om het gebruik ervan strikt binnen de perken van de internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht te houden; een verbod te bevorderen op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd; ervoor te zorgen dat mensenrechten worden opgenomen in alle dialogen met derde landen inzake terrorismebestrijding;
   y) de lopende VN-inspanningen verder te steunen om de mogelijkheid te verkennen om normen te ontwikkelen voor verantwoord en veilig gedrag op het internet, met inbegrip van een multilateraal kader ter bestrijding van cyberaanvallen, met het oog op het garanderen van de toepassing van het bestaande internationale recht en het recht inzake de mensenrechten;
   z) zich in te zetten voor meer steun voor het werk van het VN-vluchtelingenbureau (UNHCR) bij de tenuitvoerlegging van zijn mandaat om vluchtelingen te beschermen, met speciale aandacht voor kwetsbare groepen zoals vrouwen en kinderen; de financieringskloof tussen de budgettaire behoeften van het UNHCR en de ontvangen middelen te benadrukken en aan te dringen op meer wereldwijde solidariteit; te pleiten voor de toewijzing van meer middelen uit de reguliere begroting van de VN voor de kerntaken van het UNHCR, teneinde zijn werking te waarborgen;
   aa) erop te wijzen dat een betere samenhang en coördinatie nodig zijn tussen de externe en de interne dimensie van het migratiebeleid en de agenda's op het gebied van ontwikkeling en buitenlandse zaken;
   ab) te vragen dat er meer inspanningen worden geleverd ter voorkoming van irreguliere migratie en ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel, in het bijzonder door de strijd tegen criminele netwerken via de snelle en doeltreffende uitwisseling van relevante inlichtingen, met inachtneming van het internationaal recht inzake de mensenrechten; de methoden te verbeteren om slachtoffers te identificeren en te beschermen en de samenwerking met derde landen te versterken om de opbrengsten van criminele activiteiten in deze sector op te sporen, in beslag te nemen en in te vorderen; op VN-niveau te hameren op het belang van de ratificatie en volledige uitvoering van het VN-Verdrag ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en de bijbehorende protocollen tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, en inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel; het werk van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten van migranten te ondersteunen;
   ac) de op 19 september 2016 geplande plenaire bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de VN over de grote vluchtelingen- en migratiestromen te ondersteunen en te vragen dat tijdens deze bijeenkomst met name aandacht wordt besteed aan het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie, met de nodige aandacht voor armoedebestrijding, eerbiediging van de mensenrechten en stabiliteit;
   ad) klaar en duidelijk te herhalen dat alle door VN-verdragen beschermde mensenrechten universeel, ondeelbaar, van elkaar afhankelijk en met elkaar verbonden zijn en dat de eerbiediging ervan moet worden afgedwongen; de aandacht te vestigen op schendingen van de mensenrechten in de wereld; te pleiten voor de bescherming van de vrijheid van mening en meningsuiting; het belang van een vrije pers in een gezonde maatschappij en de rol van elke burger daarbij te benadrukken en de vrijheid van vereniging en vergadering te verdedigen;
   ae) te blijven ijveren voor de vrijheid van godsdienst en overtuiging; aan te dringen op meer inspanningen voor de bescherming van de rechten van religieuze en andere minderheden; aan te dringen op een betere bescherming van religieuze minderheden tegen vervolging en geweld; op te roepen tot de intrekking van wetten waarin godslastering of geloofsafval strafbaar wordt gesteld en die als voorwendsel dienen voor de vervolging van religieuze minderheden en niet-gelovigen; steun te verlenen aan de werkzaamheden van de speciale rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; er actief naar te streven dat de door "ISIS/Da'esh" gepleegde genocide tegen religieuze minderheden door de VN wordt erkend en dat zaken van vermoedelijke misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en volkerenmoord naar het Internationaal Strafhof worden verwezen;
   af) gelijkheid en non-discriminatie actief te blijven bevorderen; er bij de VN op aan te dringen initiatieven op het gebied van gendermainstreaming actief te steunen in haar activiteiten en programma's en de werkzaamheden van UN Women te blijven ondersteunen; maatregelen te ondersteunen ter versterking van het leiderschap en de deelname van vrouwen op alle niveaus van de besluitvorming; geweld tegen en discriminatie van personen op basis van hun seksuele gerichtheid, genderidentiteit of genderexpressie te bestrijden; op te roepen tot de intrekking van wetgeving in VN-lidstaten die een schending vormt van de rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI); de eerste bijeenkomst van de VN-Veiligheidsraad over LGBTI-rechten in 2015 toe te juichen; de VN-lidstaten te verzoeken de aanbevelingen van de speciale rapporteur van de VN voor hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante onverdraagzaamheid uit te voeren;
   ag) de rechten van het kind te bevorderen, met name door er mee voor te zorgen dat kinderen toegang hebben tot water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en onderwijs, ook in conflictgebieden en vluchtelingenkampen, en door kinderarbeid, foltering, kinderhandel, kindhuwelijken en seksuele uitbuiting uit te bannen; de internationale inspanningen binnen het kader van de VN te ondersteunen en versterken om een einde te maken aan het gebruik van kinderen in gewapende conflicten en om de gevolgen van conflict- en post-conflictsituaties voor vrouwen en meisjes doeltreffender aan te pakken; een op de mensenrechten gebaseerde benadering van invaliditeit te steunen in risico- en noodsituaties, overeenkomstig het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;
   ah) er bij alle landen, met inbegrip van de EU-lidstaten, op aan te dringen het facultatieve protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten houdende de vaststelling van klachten- en onderzoeksmechanismen snel te ratificeren;
   ai) bij te dragen aan een succesvolle afronding van de werkzaamheden van de intergouvernementele werkgroep voor transnationale en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten; de verdere uitvoering van de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten door de VN-lidstaten te bevorderen; de VN-lidstaten ertoe aan te sporen nationale actieplannen te ontwikkelen en uit te voeren; ondersteuning te verlenen aan het project voor verantwoordingsplicht en rechtsmiddelen van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN ter verbetering van nationale rechtsmiddelen, met name in het geval van grove mensenrechtenschendingen in het bedrijfsleven; de VN-lidstaten te verzoeken de kwestie van de mensenrechten aan de orde te stellen bij internationale en nationale sportbonden;
   aj) te blijven pleiten voor nultolerantie voor de doodstraf, zich verder in te zetten voor de universele afschaffing ervan en het voortouw te nemen om de komende Algemene Vergadering van de VN een resolutie over een moratorium op de toepassing van de doodstraf te doen aannemen; de toename van terdoodveroordelingen voor drugsdelicten aan te klagen en te verzoeken om het uitsluiten van de doodstraf voor dergelijke delicten;
   ak) te herinneren aan de verplichting van de Algemene Vergadering om bij de verkiezing van de leden van de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC) rekening te houden met de eerbied van de kandidaten voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, de rechtsstatelijkheid en de democratie; te verzoeken om de vaststelling van duidelijke criteria op basis van de prestatie op het gebied van de mensenrechten voor lidmaatschap van de UNHRC en, in het licht van het tienjarig bestaan van de UNHRC, te verzoeken om een beoordeling van de werkmethoden en het effect van de Mensenrechtenraad;
   al) de werkzaamheden van het Internationaal Strafhof (ICC) te versterken die erop gericht zijn een einde te maken aan de straffeloosheid van plegers van de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap met zorg vervullen, en gerechtigheid te bieden aan slachtoffers van oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide; politieke, diplomatieke, financiële en logistieke steun te verlenen voor de dagelijkse werking van het ICC; alle VN-lidstaten op te roepen zich bij het Strafhof aan te sluiten door het Statuut van Rome te ratificeren, en de ratificatie van de in Kampala overeengekomen wijzigingen aan te moedigen; nauwe samenwerking tussen de VN en de organen en agentschappen ervan en het Strafhof en een uitbreiding van de betrekkingen van het Strafhof met de Veiligheidsraad te stimuleren; erop aan te dringen dat de VN-Veiligheidsraad de situatie in de Democratische Volksrepubliek Korea naar het ICC verwijst;
   am) met het publiek te spreken en met alle leden van de Algemene Vergadering van de VN een uitvoerig debat aan te gaan over het belang van het eerbiedigen van de grondwettelijke grenzen aan de presidentiële mandaten in de wereld;
   an) de VN te verzoeken zich te buigen over de juridische lacunes met betrekking tot de term "klimaatvluchteling", met inbegrip van een mogelijke internationale definitie van dit begrip;
   ao) zich in te zetten voor de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling; te werken aan het verbeteren van het leven van toekomstige generaties en landen aan te sporen en te ondersteunen om zelf verantwoordelijkheid te nemen en nationale kaders vast te stellen om de 17 doelstellingen te bereiken; de VN-lidstaten aan te sporen om hun toezeggingen op het gebied van uitgaven voor ontwikkelingshulp na te komen en aan te dringen op de vaststelling van een solide kader van indicatoren en het gebruik van statistische gegevens om de vooruitgang te volgen en de verantwoordingsplicht van allen te garanderen; erop aan te dringen dat het politiek forum op hoog niveau (HLPF) inzake duurzame ontwikkeling het belangrijkste besluitvormingsorgaan voor de follow-up en verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling moet worden, en een gemeenschappelijk EU-standpunt in te nemen over de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 vóór het HLPF in 2016;
   ap) ervoor te zorgen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het "acquis" van het Actieplatform van Peking op de gebieden toegang tot onderwijs en gezondheidszorg, als een fundamenteel mensenrecht; de toegang tot diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid te verbeteren, aangezien dit bijdraagt tot het terugdringen van de zuigelingen- en moedersterfte; gezinsplanning, de gezondheid van moeders, een gemakkelijke toegang tot anticonceptie en toegang tot het volledige scala aan seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten te bevorderen als belangrijke factoren om vrouwenlevens te redden en om vrouwen te helpen hun leven weer op te pakken als ze het slachtoffer zijn geweest van verkrachting; deze beleidsterreinen centraal te stellen bij ontwikkelingssamenwerking met derde landen;
   aq) te wijzen op de noodzaak van een grotere beleidscoherentie voor ontwikkeling binnen de werkingsstructuren van de VN, om alle dimensies van duurzame ontwikkeling effectief in het beleid te integreren; te wijzen op het belang van een mondiaal, op regels gebaseerd, open, transparant, niet-discriminerend, inclusief en eerlijk multilateraal handelsstelsel, en te onderstrepen dat de WTO-ontwikkelingsronde van Doha moet worden afgerond; eraan te herinneren dat ontwikkeling niet mogelijk is zonder vrede, en dat vrede niet mogelijk is zonder ontwikkeling, en het belang te benadrukken van duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 16 inzake vrede, rechtvaardigheid en goed bestuur, die een van de prioriteiten behoort te zijn inzake de financiering van ontwikkelingssamenwerking; de VN te verzoeken in ontwikkelingsstrategieën op de lange termijn systematisch aandacht te besteden aan capaciteitsopbouw en behoorlijk bestuur;
   ar) toe te juichen dat de Algemene Vergadering van de VN de historische Resolutie 68/304 van 9 september 2014 heeft vastgesteld, waarin het soevereine recht van elke staat wordt erkend om zijn overheidsschuld te herschikken, zonder daarbij door maatregelen van een andere staat te worden belemmerd of gehinderd, en waarin met bezorgdheid wordt opgemerkt dat het internationaal financieel stelsel geen solide rechtskader biedt voor een behoorlijke en voorspelbare herstructurering van overheidsschulden en de aanzet wordt gegeven voor het vaststellen van een multilateraal rechtskader voor staatsschuldherstructurering; het VN-bestel in zijn geheel te vragen dit proces volledig te ondersteunen; de EU en de lidstaten te verzoeken zich hiervoor actief in te zetten;
   as) een veel doeltreffender en meer strategische benadering te ontwikkelen voor de VN-agentschappen, met name op het gebied van de programmering van de externe financiële instrumenten om te zorgen voor een grotere zichtbaarheid van de EU-steun ter plaatse;
   at) actief te streven naar de verbetering van het politiek toezicht op het gebied van duurzame ontwikkeling, door middel van de versterking van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), en het voorstel tot oprichting van een internationaal strafhof voor milieudelicten aan te grijpen om ervoor te zorgen dat de milieuwetgeving wereldwijd beter wordt gehandhaafd;
   au) werk te maken van een verbeterde internationale samenwerking op fiscaal gebied door steun te verlenen aan de oprichting van een internationaal belastingorgaan binnen het VN-bestel; belastingontduiking en het witwassen van geld tegen te gaan door middel van de wereldwijde automatische uitwisseling van fiscale informatie en de opstelling van een gemeenschappelijke mondiale zwarte lijst van belastingparadijzen;
   av) een mondiaal plan te introduceren ter bestrijding van antimicrobiële resistentie, teneinde te voorkomen dat resistente superbacteriën zich verder verspreiden;
   aw) ervoor te zorgen dat de EU het voortouw blijft nemen in de strijd tegen de klimaatverandering, en op dit gebied met de VN blijft samenwerken; te zorgen voor een snelle uitvoering van de besluiten die tijdens de VN-conferentie over klimaatverandering in 2015 in Parijs zijn genomen;
   ax) op grond van een ruime consensus een grondige hervorming van de VN-Veiligheidsraad te steunen, om beter rekening te houden met de nieuwe realiteit in de wereld en ervoor te zorgen dat de Veiligheidsraad op doeltreffende wijze kan omgaan met bedreigingen van de internationale vrede en veiligheid; werk te maken van de langetermijndoelstelling dat de EU een zetel krijgt in een hervormde VN-Veiligheidsraad; er bij de leden van de Veiligheidsraad op aan te dringen hun vetorecht niet te gebruiken in gevallen waarin misdaden tegen de menselijkheid worden gepleegd;
   ay) zich in te spannen om het werk van de Algemene Vergadering nieuw leven in te blazen en een betere coördinatie en samenhang van het optreden van alle instellingen van de VN te bevorderen, wat voor meer efficiëntie, doeltreffendheid, legitimiteit, transparantie, verantwoording en representativiteit van het systeem moet zorgen; de grotere transparantie met betrekking tot de procedure voor de selectie van de volgende secretaris-generaal van de VN te steunen en erop voort te bouwen door de kandidaten zich aan de Algemene Vergadering te laten voorstellen; bij het vinden en aanwijzen van de beste kandidaat gelijke en eerlijke kansen op basis van een geografisch en genderevenwicht te bevorderen en steun te verlenen aan de keuze voor een vrouw als de volgende secretaris-generaal indien de kandidaten vergelijkbare uitstekende kwalificaties hebben;
   az) er in het licht van het VN-rapport van 2015 en de recente beschuldigingen van kindermisbruik tegen Franse en VN-troepen in de Centraal-Afrikaanse Republiek voor te zorgen dat de VN, de EU-lidstaten en de GVDB-instanties van de EU onverwijld en met de grootste vastberadenheid een onderzoek instellen naar alle personeelsleden van de VN, de EU en nationale instanties die zich schuldig hebben gemaakt aan seksueel geweld, en hen te vervolgen en te veroordelen;
   ba) de Europese Rekenkamer te verzoeken haar samenwerking met de respectievelijke toezichtsorganen van het Secretariaat van de Verenigde Naties te versterken, en met name met het Bureau voor Interne Toezichtsdiensten (OIOS), het Onafhankelijke Adviescomité voor audits (IAAC) en de Accountantscommissie (BoA), met het oog op het verbeteren van de transparantie en het wederzijdse begrip van de financiering en werking;
   bb) een doeltreffend systeem op te richten voor de bescherming van VN-klokkenluiders;
   bc) in het licht van het recente belangenconflict van de speciale VN-vertegenwoordiger voor Libië een bindende gedragscode te introduceren die ambtsdragers verplicht onpartijdig te blijven, zoals vastgelegd in het VN-richtsnoer voor doeltreffende bemiddeling;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de Europese Dienst voor extern optreden, de Commissie en, ter informatie, de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) A/RES/65/276 van 3 mei 2011.
(2) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 56.
(3) PB C 45 van 5.2.2016, blz. 89.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0259.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0403.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0020.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0013.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0051.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0073.
(10) EEAS 01024/12, Document 11216/12 van de Raad.
(11) EEAS 458/15, Document 7632/15 van de Raad.


Tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
PDF 394kWORD 176k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2016 over de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, met speciale aandacht voor de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap (2015/2258(INI))
P8_TA(2016)0318A8-0203/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 9, 10, 19 en 168 en artikel 216, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en de artikelen 2 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 3, 15, 21, 23 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD), dat op 21 januari 2011 in de EU in werking is getreden overeenkomstig Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap(1),

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap op 2 oktober 2015 over het initiële verslag van de Europese Unie(2),

–  gezien de vragenlijst van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap van 15 mei 2015 in verband met het initiële verslag van de Europese Unie(3),

–  gezien de gedragscode tussen de Raad, de lidstaten en de Commissie tot vaststelling van interne regelingen voor de uitvoering door en de vertegenwoordiging van de Europese Unie met betrekking tot het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien de Conventie van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind (CRC),

–  gezien de richtsnoeren van de Verenigde Naties inzake alternatieve vormen van kinderzorg(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(5),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(6),

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-335/11 en C‑337/11 HK Danmark en in zaken C-363/12 Z en C-356/12 Glatzel,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 28 april 2015 van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019): de mensenrechten in de EU centraal blijven stellen" (JOIN(2015)0016),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 december 2015 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten (COM(2015)0615),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 19 juni 2015 inzake een antwoord van de Europese Unie op de vragenlijst met betrekking tot het initiële verslag van de Europese Unie inzake de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (SWD(2015)0127),

–  gezien het werkdocument van 5 juni 2014 van de diensten van de Commissie getiteld "Verslag over de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD) door de Europese Unie" (SWD(2014)0182),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2011 getiteld "Initiatief voor sociaal ondernemerschap – Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie" (COM(2011)0682),

–  gezien de mededelingen van de Commissie van 15 november 2010 getiteld "Europese strategie inzake handicaps 2010-2020: Een hernieuwd engagement voor een onbelemmerd Europa" (COM(2010)0636),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2016(7),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende arbeidsmarkt in de EU voor de 21e eeuw: het afstemmen van vaardigheden en kwalificaties op vraag en werkgelegenheid, als een manier om de crisis te boven te komen(8),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over sociaal ondernemerschap en sociale innovatie bij de bestrijding van werkloosheid(9),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 september 2015 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2013-2014)(10),

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing van 8 juli 2015 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(11),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2015 inzake de vragenlijst die het Comité van de Verenigde Naties voor de rechten van personen met een handicap heeft aangenomen in verband met het initiële verslag van de Europese Unie(12),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over het effect van de crisis op de toegang tot zorg voor kwetsbare groepen(13),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mobiliteit en inclusie van mensen met een handicap en de Europese strategie voor mensen met een handicap 2010-2020(14),

–  gezien zijn resolutie van 6 mei 2009 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(15),

–  gezien de grondige analyse van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement getiteld "Uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD) door de Europese Unie",

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien het jaarverslag 2014 van de Europese Ombudsman,

–  gezien het besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van haar initiatiefonderzoek betreffende de Europese Commissie (OI/8/2014/AN),

–  gezien het aankomende jaarverslag 2015 van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten,

–  gezien de studie van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) van december 2015 getiteld "Geweld tegen kinderen met een handicap: wetgeving, beleid en programma’s in de EU",

–  gezien de statistieken van Eurostat van 2014 over de toegang tot de arbeidsmarkt en de toegang tot onderwijs en opleiding van en armoede en inkomensongelijkheid onder personen met een handicap,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie verzoekschriften, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie juridische zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0203/2016),

A.  overwegende dat alle personen met een handicap als volwaardige burgers gelijke rechten hebben en er niet kan worden getornd aan hun waardigheid en hun recht op gelijke behandeling, zelfstandig leven, autonomie, steun uit door de overheid gefinancierde regelingen en volledige deelname aan de samenleving;

B.  overwegende dat er in de Europese Unie naar schatting 80 miljoen mensen met een handicap zijn, onder wie circa 46 miljoen vrouwen en meisjes (ongeveer 16 % van de totale vrouwelijke EU-bevolking), wat betekent dat handicaps in de Europese Unie vaker voorkomen bij vrouwen dan bij mannen; overwegende dat vrouwen met een handicap vaak het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie, waardoor zij aanzienlijk worden belemmerd in de uitoefening van hun grondrechten en vrijheden zoals het recht op toegang tot onderwijs en werkgelegenheid, wat kan leiden tot sociale isolatie en psychologisch trauma; overwegende dat vrouwen ook als mantelzorgers van een familielid met een handicap onevenredig zwaar worden getroffen door handicaps;

C.  overwegende dat het VWEU vereist dat de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden streeft naar bestrijding van iedere discriminatie op grond van handicaps (artikel 10) en aan de Unie de bevoegdheid verleent wetgeving vast te stellen om dergelijke discriminatie aan te pakken (artikel 19);

D.  overwegende dat de artikelen 21 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie discriminatie op grond van een handicap uitdrukkelijk verbieden en bepalen dat personen met een handicap recht hebben op gelijke deelname aan het gemeenschapsleven;

E.  overwegende dat het CRPD het eerste internationale mensenrechtenverdrag is dat door de EU is geratificeerd, en dat bovendien door alle 28 EU-lidstaten is ondertekend en door 27 lidstaten is geratificeerd; overwegende dat de lidstaat die dat nog niet heeft gedaan de laatste hervormingen moet afronden die nodig zijn om het CRPD te kunnen ratificeren;

F.  overwegende dat dit de eerste keer is dat de EU bij de vervulling van haar internationale verplichtingen inzake de mensenrechten is gecontroleerd door een VN-orgaan, overwegende dat de in 2015 gepubliceerde slotopmerkingen van het CRPD-Comité van de VN over de tenuitvoerlegging van het Verdrag in de EU een sterk signaal hebben doen uitgaan over het engagement van de EU inzake gelijkheid en eerbiediging van de mensenrechten en een reeks richtsnoeren bieden voor wetgevings- en beleidsmaatregelen die onder de bevoegdheid van de EU vallen;

G.  overwegende dat in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt bekrachtigd dat het CRPD bindend is voor de EU en haar lidstaten bij het uitvoeren van EU-recht, aangezien het "deel uitmaakt van de rechtsorde van de Unie" en "voorrang [heeft] op teksten van afgeleid recht"(16);

H.  overwegende dat de beginselen van het CRPD niet alleen betrekking hebben op discriminatie, maar de richting aangeven voor een inclusieve maatschappij waarin de mensenrechten van alle personen met een handicap en hun familie volledig worden geëerbiedigd;

I.  overwegende dat personen met een handicap een diverse groep vormen en vrouwen, kinderen, ouderen en personen die complexe ondersteuning nodig hebben met nog meer moeilijkheden en met meerdere vormen van discriminatie te maken krijgen;

J.  overwegende dat een handicap veroorzaakt kan worden door een geleidelijke en soms onzichtbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van een persoon, zoals het geval is voor mensen met neurodegeneratieve of zeldzame aandoeningen, wat negatieve gevolgen kan hebben voor de zelfstandige levenswijze van deze personen;

K.  overwegende dat naar schatting 80 % van de personen met een handicap in ontwikkelingslanden woont; overwegende dat de EU voorstander is van de bevordering van de rechten van personen met een handicap op internationaal niveau en 's werelds grootste verstrekker van officiële ontwikkelingshulp (ODA) is;

L.  overwegende dat kinderen met een handicap ten opzichte van hun leeftijdsgenoten zonder handicap 17 keer meer kans hebben om in een instelling terecht te komen, waar zij een veel groter risico op geweld, verwaarlozing en misbruik lopen dan in een thuisomgeving(17);

M.  overwegende dat kinderen met een handicap het recht hebben om in (eigen) familieverband of in een familiale omgeving te wonen, overeenkomstig het belang van het kind; overwegende dat familieleden vaak hun professionele activiteiten moeten afbouwen of stopzetten om voor familieleden met een handicap te zorgen;

N.  overwegende dat in het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap wordt benadrukt dat in alle inspanningen een genderperspectief moet worden verwerkt, en dat de eerbieding van mensenrechten en fundamentele vrijheden moet worden bevorderd;

O.  overwegende dat een gelijke behandeling en positieve acties en beleidsmaatregelen voor vrouwen met een handicap en voor moeders van kinderen met een handicap een fundamenteel mensenrecht en een ethische plicht zijn;

P.  overwegende dat vrouwen en meisjes met een handicap in hun dagelijkse leven aan verschillende aspecten van discriminatie worden blootgesteld; overwegende dat deze discriminatie allerlei vormen kan aannemen – fysiek, emotioneel, seksueel, economisch – en partnergeweld, geweld door verzorgingspersoneel, seksueel geweld en institutioneel geweld omvat;

Q.  overwegende dat vrouwen met een handicap meer risico lopen op huiselijk en seksueel geweld dat naar verluidt langer aanhoudt en intenser is dan bij vrouwen zonder handicap(18);

R.  overwegende dat vrouwen met een handicap, vooral migranten, meer kans lopen op armoede en sociale uitsluiting door meervoudige discriminatie;

S.  overwegende dat invaliditeit een oorzaak is en een gevolg kan zijn van armoede en dat ongeveer 30 % van de daklozen een handicap heeft en mogelijk over het hoofd wordt gezien(19); overwegende dat staatsvoorzieningen voor sociale bescherming een belangrijke rol spelen in de preventie van armoede bij personen met een handicap, en overwegende dat volgens gegevens uit 2012 tot 68,5 % van de personen met een handicap in armoede zou leven zonder door de staat uitgekeerde sociale overdrachten(20);

T.  overwegende dat het absoluut noodzakelijk is om de bestaande EU-wetgeving en ‑beleidsinstrumenten te handhaven om het CRPD optimaal te kunnen toepassen;

U.  overwegende dat sommige lidstaten die het CRDP hebben geratificeerd nog instanties voor de uitvoering van en het toezicht op het verdrag moeten oprichten of aanwijzen, als vereist krachtens artikel 33; overwegende dat de werkzaamheden van de instanties die reeds zijn opgericht, met name het kader voor toezicht, opgericht uit hoofde van artikel 33, lid 2, gehinderd worden door een gebrek aan financiële en menselijke middelen en het ontbreken van een deugdelijke rechtsgrond voor hun aanwijzing;

V.  overwegende dat een van de belangrijkste pijlers voor personen met een handicap participatie en toegang tot de arbeidsmarkt is, die echter problematisch blijft met 58,5 % ten opzichte van 80,5 % voor personen zonder handicap, en dat dit veel personen met een handicap verhindert om een zelfstandig en actief leven te leiden;

W.  overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen zonder handicap 65 % bedraagt, tegenover 44 % voor vrouwen met een handicap; overwegende dat vrouwen met een handicap vaak gediscrimineerd worden in vergelijking tot mannen met een handicap wat de toegang tot werk en onderwijs betreft; overwegende dat de werkloosheid onder personen met een handicap onaanvaardbaar hoog blijft; overwegende dat vrouwen en meisjes met een handicap meer moeite hebben met het betreden van de arbeidsmarkt; overwegende dat belemmeringen voor de mobiliteit en de sterkere mate van afhankelijkheid van familieleden en verzorgers moeten worden overwonnen om actieve participatie van vrouwen met een handicap in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en in het sociale en economische leven van de samenleving te stimuleren;

X.  overwegende dat betaald werk cruciaal is om personen met een handicap in staat te stellen een onafhankelijk leven te leiden en hun gezin en huishouden te onderhouden; overwegende dat vrouwen en meisjes met een handicap vaak worden onderbetaald; overwegende dat deze kwetsbare groep mensen vaker in armoede leeft en meer kans loopt op sociale uitsluiting;

Y.  overwegende dat de EU, als een van de partijen bij het CRPD, de plicht heeft personen met een handicap en hun representatieve organisaties nauw te betrekken bij en actief te laten deelnemen aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid ter uitvoering van het verdrag en alle besluitvormingsprocessen over kwesties die betrekking hebben op personen met een handicap;

Z.  overwegende dat door de lidstaten toegepaste bezuinigingsmaatregelen hebben geleid tot besparingen in sociale dienstverlening, gezinsondersteuning en gemeenschapsdiensten en dat dit buitensporig negatieve gevolgen heeft gehad voor de levensstandaard van personen met een handicap, in het bijzonder kinderen met een handicap en hun families;

AA.  overwegende dat de Commissie haar voorstel voor de richtlijn inzake moederschapsverlof heeft ingetrokken;

AB.  overwegende dat discriminatie op grond van handicap in Richtlijn 2011/24/EU betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg niet expliciet wordt verboden;

AC.  overwegende dat er door demografische en maatschappelijke veranderingen meer vraag is naar huishoudelijk personeel en verzorgers, vooral binnen gezinnen; overwegende dat de zorg voor personen met een handicap of hulpbehoevenden gewoonlijk wordt gedragen door de vrouwen van de familie, waardoor zij vaak uitgesloten worden van de arbeidsmarkt;

AD.  overwegende dat het Comité inzake de rechten van personen met een handicap in zijn slotopmerkingen over het oorspronkelijke verslag van de EU aanraadt een handicapperspectief op te nemen in het EU-beleid en de EU-programma's rond gender, en ook een genderperspectief te verwerken in de EU-strategieën rond handicaps, alsook om positieve acties te ontwikkelen, een mechanisme voor toezicht op te zetten en gegevensverzameling en onderzoek over vrouwen en meisjes met een handicap te financieren; overwegende dat het Comité de Europese Unie bovendien aanraadt effectieve bescherming tegen geweld, misbruik en uitbuiting te bieden, in haar beleid inzake het evenwicht tussen werk en privé tegemoet te komen aan de behoeften van kinderen en volwassenen met een handicap en van hun verzorgers, en maatregelen te treffen om de hoge werkloosheidsgraad van personen met een handicap, overwegend vrouwen, tegen te gaan;

AE.  overwegende dat de Commissie in haar reacties op de resolutie van het Parlement van 27 september 2011 over "Europa, toeristische topbestemming in de wereld – een nieuw beleidskader voor het toerisme in Europa"(21), dat de Commissie op 13 december 2011 heeft goedgekeurd, erkende dat er gezorgd moet worden voor een ononderbroken keten van toegankelijke diensten voor iedereen (vervoer, accommodatie, catering en attracties) en dat zij daartoe maatregelen heeft getroffen om het besef te vergroten, de vaardigheden in de toeristische sector te verbeteren, en tenslotte de kwaliteit van toeristische faciliteiten voor personen met speciale behoeften of handicaps te verhogen;

AF.  overwegende dat de behoeften van personen met een handicap, functionele diversiteit en verminderde mobiliteit op het gebied van vervoer, mobiliteit en toerisme aan bedrijven kansen bieden voor innovatie bij vervoers- en mobiliteitsdiensten en kunnen leiden tot win-winsituaties bij het aanbieden van diensten voor personen met allerlei soorten handicaps (waaronder – maar niet uitsluitend – personen met verminderde mobiliteit (PVM), blinde personen, dove en hardhorende personen, personen met autisme en personen met intellectuele of psychosociale handicaps) alsmede andere gebruikers van deze diensten, in de geest van "design for all";

Algemene beginselen en verplichtingen

1.  herinnert eraan dat de volledige inclusie van personen met een handicap niet alleen een recht en een verdiend privilege voor de betrokken personen is, maar ook voor de maatschappij als geheel nuttig is, aangezien zij gebruik kan maken van de waarde en uiteenlopende vaardigheden die deze personen inbrengen;

2.  onderstreept dat alle personen met een handicap het recht hebben in een maatschappij te leven waarin zij dezelfde kansen als andere burgers hebben, met het oog op hun volledige maatschappelijke inclusie en participatie;

3.  onderstreept dat de integratie in de maatschappij van personen met een handicap, ongeacht de sociaaleconomische, politieke en culturele situatie van een land, niet slechts een kwestie van ontwikkeling is, maar ook een kwestie van mensenrechten;

4.  onderstreept dat handicaps toenemen naarmate de gemiddelde leeftijd van de bevolking stijgt;

5.  is van mening dat de EU een pioniersrol inzake de eerbiediging en bevordering van de mensenrechten moet vervullen; is ingenomen met het feit dat de naleving door de EU van haar internationale verplichtingen inzake mensenrechten voor de eerste keer is geëvalueerd door een verdragsorgaan van de VN; is van mening dat de in 2015 gepubliceerde slotopmerkingen van het CRPD-Comité over de tenuitvoerlegging van het CRPD in de EU een sterk signaal zijn van het engagement van de EU inzake gelijkheid en eerbiediging van de mensenrechten, en meent dat deze opmerkingen richtsnoeren vormen voor wetgevende en beleidsmaatregelen op alle terreinen waarop de EU bevoegd is;

6.  staat achter de conclusies en aanbevelingen van het Comité voor de rechten van personen met een handicap en onderstreept dat de EU-instellingen en de lidstaten het perspectief van vrouwen en meisjes met een handicap moeten verwerken in hun beleid, programma's en strategieën voor gendergelijkheid, en het genderperspectief moeten opnemen in hun strategieën op het gebied van handicaps; vraagt bovendien om mechanismen te creëren voor regelmatig toezicht op de vooruitgang;

7.  verzoekt het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie gevolg te geven aan alle aanbevelingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap en ervoor te zorgen dat in alle toekomstige regelgeving aan de verplichtingen van het verdrag wordt voldaan;

8.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de nodige middelen uit te trekken voor de tenuitvoerlegging van hun verplichtingen uit hoofde van het CRPD en het Facultatief Protocol;

9.  betreurt ten zeerste het gebrek aan behoorlijk, formeel overleg van de EU met organisaties van personen met een handicap bij de voorbereidingen voor het herzieningsproces door het VN‑Comité voor de rechten van personen met een handicap in 2015 en bij het opstellen van het voortgangsverslag; roept de organisaties van personen met een handicap op om als onafhankelijke partij actief deel te nemen aan de CRPD-vergaderingen, onder meer door deelname aan officiële EU‑delegaties bij toekomstige herzieningen;

10.  roept de Commissie op een echte gestructureerde dialoog te consolideren tussen de EU en organisaties van personen met een handicap en een voorstel in die zin te formuleren, met inbegrip van passende financiering om te waarborgen dat personen met een handicap en hun representatieve organisaties ten volle en op gelijke voet kunnen deelnemen;

11.  benadrukt het belang van een systematisch en nauw overleg tussen representatieve organisaties van personen met een handicap, beleidsmakers, ondernemingen en andere belanghebbenden over alle nieuwe initiatieven, de uitvoering, controle en evaluatie van beleid en maatregelen met betrekking tot onderwijs, opleiding, cultuur, sport en jeugd;

12.  vraagt om versterking van de bestaande instanties voor gelijke kansen, zodat zij kunnen helpen bij het mainstreamen, bevorderen en monitoren van het CRPD; herinnert de EU en de lidstaten aan de verplichting om op een zinvolle manier in dialoog te treden met het maatschappelijk middenveld en in het bijzonder met organisaties van personen met een handicap;

13.  verzoekt de EU met klem het Facultatief Protocol bij het CRPD te ratificeren;

14.  spoort aan tot een uitgebreide en transversale evaluatie van bestaande en geplande wetgeving en financieringsprogramma's van de EU, met inbegrip van toekomstige programmeringsperiodes, met het oog op volledige naleving van het CRPD, waarbij organisaties van personen met een handicap en de leden van het EU-kader voor het CRPD (hierna het "EU-kader" genoemd) op constructieve wijze moeten worden betrokken, onder meer om maatregelen voor personen met een handicap in alle wetgeving en strategieën te mainstreamen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om de gehandicaptenproblematiek te integreren in alle wetgeving, beleidslijnen en strategieën;

15.  vraagt dat de rechten van personen met een handicap in de overkoepelende sociaal‑economische agenda van de EU worden geïntegreerd, in het bijzonder in de Europa 2020-strategie en het Europees semester; beveelt aan een Europees Pact voor gehandicapten goed te keuren zodat de rechten van personen met een handicap een bod komen in alle EU-initiatieven;

16.  verzoekt de Commissie om, in de context van het Europees semester, bij de beoordeling van de sociale situatie in de lidstaten (verslag per land en landspecifieke aanbeveling) ook de situatie te controleren van personen met een handicap, in het kader van het gemeenschappelijk engagement van de EU om een Europa zonder belemmeringen op te bouwen;

17.  is van mening dat de Europese instellingen, en met name het Parlement, de Raad en de Commissie, actie moeten ondernemen om te waarborgen dat de huidige en toekomstige regelgeving de mensenrechten in acht neemt en volledig in overeenstemming is met het CRPD;

18.  verzoekt de Commissie met betrekking tot de slotopmerkingen een overzicht van wetgeving te presenteren met het oog op een voorstel voor de periodieke bijwerking van de bevoegdheidsverklaring, waarbij organisaties van personen met een handicap en het Europees Parlement formeel moeten worden betrokken;

19.  verzoekt de Commissie om er in dit verband over na te denken of het nodig is een EU‑kader te ontwikkelen om personen met een handicap de garantie te bieden dat hun rechten daadwerkelijk worden toegepast en om persoonlijke autonomie, toegankelijkheid, toegang tot werk, sociale inclusie en zelfstandig leven te bevorderen, alsook discriminatie in al haar vormen uit te bannen;

20.  deelt de bezorgdheid van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap in verband met het gebrek aan een duidelijke strategie van de Europese Unie om het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap ten uitvoer te leggen;

21.  verzoekt de instellingen een voorbeeldig integratiebeleid te voeren;

22.  roept de Commissie op de evaluatie van de Europese strategie inzake handicaps te gebruiken om een uitgebreide gendergevoelige CRPD-strategie voor de EU te formuleren, inclusief toezeggingen voor extern optreden, met een duidelijke tijdplanning en specifieke en precieze benchmarks en indicatoren;

23.  betreurt de discriminatie en uitsluiting die personen met een handicap nog steeds ervaren; vraagt de Commissie te zorgen voor maximale synergie tussen de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 en de bepalingen van het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, teneinde het wezenlijke genot en de daadwerkelijke uitoefening van de erkende rechten te waarborgen, ook door middel van de harmonisering en tenuitvoerlegging van het rechtskader en door middel van culturele en politieke maatregelen;

24.  verzoekt de Commissie om op EU-niveau duidelijkheid te creëren over de brede definitie van handicaps;

25.  verzoekt de Commissie de richtsnoeren voor sociale overwegingen in overheidsopdrachten te herzien om op de sociale verplichtingen te wijzen, maar ook om de aandacht te vestigen op de kansen en voordelen van investeringen in kwaliteitsvolle ondersteunende diensten voor personen met een handicap;

26.  verzoekt de Commissie de richtsnoeren voor effectbeoordeling te herzien en te wijzigen, teneinde er een uitgebreidere lijst van punten in op te nemen om naleving van het verdrag beter te kunnen beoordelen;

De specifieke rechten

27.  roept de lidstaten en de Commissie op om victimisatie te voorkomen door maatregelen te nemen om alle vormen van discriminatie, waaronder meervoudige, associatieve en intersectionele discriminatie op basis van een handicap, te bestrijden en hierbij speciale aandacht te besteden aan vrouwen en kinderen met een handicap, ouderen en personen met complexe ondersteuningsbehoeften, waaronder personen met intellectuele en psychosociale handicaps en personen van wie de handicaps in de loop van de tijd veranderen;

28.  betreurt dat de Raad het voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid van 2008 nog steeds niet heeft goedgekeurd; herhaalt zijn verzoek aan de Raad dit zo snel mogelijk te doen;

29.  verzoekt de Europese instellingen en de lidstaten de rechten van vrouwen en kinderen met een handicap te mainstreamen, ook in de volgende agenda voor de rechten van het kind, en ervoor te zorgen dat jongens en meisjes met een handicap en hun representatieve organisaties worden geraadpleegd in alles wat hen aanbelangt, waarbij voorzien wordt in passende bijstand, in overeenstemming met hun handicap en leeftijd;

30.  benadrukt dat om de bescherming van de rechten van kinderen met een handicap te waarborgen hun familie voldoende moet worden gesteund door de wetgevingsinstrumenten waarover de EU beschikt te versterken en te ontwikkelen, zoals de gewaarborgde verlenging van het ouderschapsverlof voor ouders van kinderen met een handicap;

31.  vraagt de Commissie om ervoor te zorgen dat personen met een handicap hun recht op vrij verkeer kunnen uitoefenen zoals alle EU-burgers, door te verzekeren dat de huidige en toekomstige wetgeving voorzien in gelijke kansen, grondrechten, gelijke toegang tot diensten en tot de arbeidsmarkt, en dezelfde rechten en plichten met betrekking tot de toegang tot sociale diensten als de onderdanen van de lidstaat waarin zij verzekerd zijn, overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie; roept bovendien de lidstaten op om, wat betreft gelijkheid op de arbeidsmarkt, volledig te voldoen aan de herschikte gendergelijkheidsrichtlijn (2006/54/EG);

32.  benadrukt dat migrantenvrouwen en -meisjes met een handicap moeten worden ondersteund, zodat zij vaardigheden kunnen ontwikkelen die hun een passende baan kunnen opleveren;

33.  benadrukt dat het autonoom en zelfstandig wonen van personen met een handicap, met name vrouwen, mogelijk kan worden gemaakt door (persoonlijke of publieke) ondersteuning te bieden aan hen en hun gezin, door hen toegang te bieden tot de arbeidsmarkt, onderwijs en een beroepsopleiding, en door hen in geval van zwangerschap en moederschap bij te staan;

34.  wijst andermaal op de dringende noodzaak om de kwestie van geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap aan te pakken, zowel binnen de privésfeer als binnen instellingen, en verzoekt de lidstaten hulpdiensten op te zetten die toegankelijk zijn voor vrouwen en meisjes met alle soorten handicaps; pleit ervoor dat de Unie zich aansluit bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul), als een verdere stap in de strijd tegen geweld ten aanzien van vrouwen en meisjes met een handicap;

35.  wijst andermaal op het belang van het fundamentele recht van personen met een handicap om op alle niveaus deel te nemen aan beleidsprocedures en besluitvorming inzake handicaps, zoals onderstreept in het CRPD; benadrukt dat vrouwen en meisjes met een handicap, ook uit gemarginaliseerde en kwetsbare groepen die met meervoudige discriminatie geconfronteerd worden, mondiger moeten worden gemaakt en de mogelijkheid moeten krijgen om deel te nemen aan besluitvormingsprocedures, zodat hun belangen en rechten worden uitgedrukt, ondersteund en beschermd en een daadwerkelijk genderperspectief vanuit de basis verzekerd is; verzoekt de lidstaten te zorgen voor behoorlijk aangepaste diensten en faciliteiten die hun actieve betrokkenheid en participatie bevorderen, en te investeren in adaptieve en hulptechnologieën en e‑inclusie;

36.  verzoekt de EU-instellingen doeltreffende maatregelen te nemen om het leven van vrouwen met een handicap te verbeteren in overeenstemming met de aanbevelingen van het CRPD-Comité van de VN over de herziening van de tenuitvoerlegging door de Europese Unie van het CRPD;

37.  merkt met bezorgdheid op dat het opvoeden van kinderen met een handicap een taak is die in de eerste plaats door vrouwen wordt vervuld;

38.  vraagt de Commissie en de lidstaten om te blijven sensibiliseren over het CRPD en om vooroordelen te bestrijden en te ijveren voor meer begrip voor alle personen met een handicap, zodat besluiten worden genomen op basis van hun reële behoeften;

39.  steunt initiatieven die beogen de samenleving bewust te maken van de moeilijkheden die personen met een handicap ondervinden en mensen met een handicap bewuster te maken van hun potentieel en de bijdragen die zij kunnen leveren, onder meer via specifieke onderwijsprogramma's in scholen; benadrukt dat het belang van het CRPD fundamenteel ligt in het teweegbrengen van een verandering in culturele gedragingen door te erkennen dat veeleer obstakels in sociale en economische milieus een persoon beperken dan de beperking in de persoon;

40.  verzoekt de desbetreffende autoriteiten in de lidstaten om bewustmakingsstrategieën inzake de rechten van personen met een handicap voor te bereiden, de scholing van personeel van vervoers- en toerismediensten te faciliteren wat betreft bewustwording en gelijkheid van personen met een handicap, en samenwerking en uitwisseling van optimale methodes te bevorderen tussen Europese organisaties op het gebied van handicaps en publieke en particuliere instanties op het gebied van transport; dringt erop aan dat scholingsmateriaal ook in toegankelijke formaten beschikbaar moet zijn;

41.  onderstreept dat luchtvaartpersoneel een grondige opleiding moet krijgen zodat luchtvaartmaatschappijen passende diensten kunnen bieden aan personen met een handicap; merkt op dat het belangrijk is te waarborgen dat personeel kan omgaan met rolstoelen zonder deze te beschadigen;

42.  is verheugd over het voorstel voor een Europese toegankelijkheidswet(22) en zal zich inzetten voor een snelle goedkeuring, zodat de toegankelijkheid van goederen en diensten, en ook de gebouwen waarin deze diensten worden verleend, kan worden gegarandeerd, in combinatie met een doelmatig en toegankelijk nationaal mechanisme voor handhaving en klachten; wijst erop dat een alomvattende aanpak van toegankelijkheid nodig is en dat het recht op toegankelijkheid overeenkomstig artikel 9 van het CRPD gewaarborgd moet zijn voor personen met een handicap, van welke aard dan ook;

43.  benadrukt dat het noodzakelijk is om de Europese toegankelijkheidswet aan te nemen, omdat deze van essentieel belang is voor de aanpak van alle aspecten die verband houden met PVM-toegankelijkheid op het gebied van vervoer, mobiliteit en toerisme, en om ervoor te zorgen dat vervoer per bus, per spoor, door de lucht en over water, met name ten aanzien van overstappen en drempelloze toegang tot al het openbaar vervoer per metro en spoor, websites, diensten voor mobiele apparaten, terminals voor slimme kaartsystemen, realtime-informatie en zelfbediening, kaartautomaten en incheckautomaten die voor de levering van personenvervoerdiensten worden gebruikt, volledig toegankelijk zijn voor personen met een handicap;

44.  erkent dat het midden- en kleinbedrijf zal profiteren van de verplichting om te voldoen aan standaard EU-vereisten i.p.v. zich te moeten aanpassen aan uiteenlopende nationale regels; betreurt evenwel dat toerismeproducten en -diensten van grensoverschrijdende aard niet onder het voorstel voor een Europese toegankelijkheidswet vallen; benadrukt dat er op EU-niveau verder niets is ondernomen ten aanzien van toeristische faciliteiten en diensten om de accommodatie-indeling geleidelijk te harmoniseren, rekening houdend met toegankelijkheidscriteria;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek en ontwikkeling sterker te stimuleren, vooral met het oog op het toegankelijk maken van nieuwe en innovatieve technologie voor mensen met een handicap;

46.  verzoekt de Commissie bij de voorbereiding van toekomstige wetgevingshandelingen, indien relevant, bijvoorbeeld met betrekking tot de digitale agenda, rekening te houden met het feit dat drempelvrijheid zowel relevant is voor de fysieke omgeving als voor ICT;

47.  roept de lidstaten ertoe op bij de toepassing van het principe van drempelvrijheid te zorgen voor toepassing van het zogeheten universeel ontwerp op bestaande en nieuwe bouwwerken, op de werkplek en met name op openbare gebouwen, bijvoorbeeld scholen die met publieke middelen worden gefinancierd;

48.  roept de lidstaten en de Commissie op samen te werken met het Parlement om een duidelijke en doeltreffende richtlijn op te stellen over de toegankelijkheid van de websites van overheidsinstanties, met een breed toepassingsgebied en een robuust handhavingsmechanisme, in overeenstemming met de voorgestelde Europese toegankelijkheidswet en het CRPD, om te garanderen dat de 80 miljoen personen met een handicap en de 150 miljoen ouderen in de EU gelijke toegang krijgen tot websites en onlinediensten van de overheid;

49.  verzoekt de Commissie om er samen met de lidstaten voor te zorgen dat het EU-brede alarmnummer 112 volledig bereikbaar en betrouwbaar is, zowel binnen de nationale grenzen als bij roaming, door gebruik te maken van geavanceerde technologie, met name voor dove en hardhorende personen, en zo onnodige sterfgevallen en letsels te voorkomen; wijst op de noodzaak om op nationaal niveau maatregelen te treffen waarmee onder meer compatibiliteit doorheen de lidstaten wordt gewaarborgd, met inbegrip van goed bereikbare nationale alarmcentrales;

50.  wenst dat de Commissie en de lidstaten ervoor zorgen dat elektronische en mobiele gezondheidsdiensten (inclusief het alarmnummer 112, dat overal in Europa eenvoudig te gebruiken moet zijn, en het advanced mobile location (AML) system), medische toepassingen en medische hulpmiddelen volledig toegankelijk zijn voor patiënten met een handicap en hun verzorgers, en dat zij de mogelijkheden die de telegeneeskunde in dit verband biedt om de toegang tot en de kwaliteit van de zorg te verbeteren, in toenemende mate benutten;

51.  benadrukt dat de ondersteuning en specifieke voorzieningen voor personen met een handicap in humanitaire contexten moeten worden vergroot, met name voor kinderen, en roept de Commissie op investeringen en financiering ter ondersteuning van personen met een handicap in noodsituaties in kaart te brengen, met opgesplitste gegevens op basis van geslacht en leeftijd;

52.  onderstreept het feit dat aanhoudende conflicten en natuurrampen eveneens factoren zijn die bijdragen tot een groeiend aantal personen met een handicap;

53.  steunt de aanbevelingen van CRPD-deskundigen dat de EU toegankelijker en inclusiever zou moeten zijn om te komen tot een op mensenrechten gebaseerde benadering van personen met een handicap in gevaarlijke of noodsituaties, onder meer door de tenuitvoerlegging van het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030; vraagt nadrukkelijk om in het migratie- en vluchtelingenbeleid van de EU de mensenrechten van personen met een handicap te mainstreamen, omdat zij met dubbele discriminatie geconfronteerd worden; benadrukt dat deze maatregelen een passend antwoord moeten bieden op de specifieke behoeften van personen met een handicap en moeten voorzien in de redelijke, op behoeften gebaseerde voorzieningen die deze personen nodig hebben; is voorstander van verdere mainstreaming van de behoeften van personen met een handicap in de humanitaire respons van de lidstaten en de Unie;

54.  doet een beroep op de EU om het voortouw te nemen bij de bevordering van de rechten van personen met een handicap in het kader van de tenuitvoerlegging van het kader van Sendai en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling met haar partnerlanden, regionale organisaties en op wereldniveau;

55.  verzoekt de Commissie een uitvoeringsplan aan te nemen, in overeenstemming met de conclusies van de Raad van februari 2015 over het betrekken van gehandicapten bij rampenbeheersing en het kader van Sendai;

56.  wijst andermaal op het belang van de conclusies van de Raad met betrekking tot de omschakeling naar een rampenbeheer waarin rekening wordt gehouden met personen met een handicap, in het gehele mechanisme voor civiele bescherming van de Unie en in alle lidstaten; pleit voor het creëren van bewustzijn en het verspreiden van informatie onder personen met een handicap, noodhulpdiensten en diensten voor civiele bescherming over initiatieven ter beperking van het risico op rampen en het bieden van psychologische bijstand aan personen met een handicap tijdens de herstelfase na rampen;

57.  onderstreept dat het belangrijk is speciale steun te verlenen aan personen met een handicap in de periode die volgt op een noodsituatie;

58.  erkent dat kwetsbare leden van de samenleving nog meer worden gemarginaliseerd als zij een handicap hebben en benadrukt dat de EU-instellingen en de lidstaten hun inspanningen moeten verdubbelen om volledig te voorzien in rechten en diensten voor alle personen met een handicap, met inbegrip van staatlozen, daklozen, vluchtelingen en asielzoekers en personen die tot minderheden behoren; beklemtoont de noodzaak om het thema handicap in het migratie- en vluchtelingenbeleid van de Unie te integreren;

59.  verzoekt de Commissie en de Raad overeenkomstig artikel 11 van het Verdrag om, wanneer zij voorstellen doen voor het oplossen van het vluchtelingenvraagstuk, voor financiering of voor andere ondersteuningsmaatregelen, te voorzien in bijzondere zorg voor personen met een handicap;

60.  benadrukt dat de EU passende maatregelen moet nemen om te waarborgen dat alle personen met een handicap die niet handelingsbekwaam zijn alle rechten kunnen uitoefenen die in de EU-Verdragen en de EU-wetgeving zijn opgenomen, zoals toegang tot justitie, goederen en diensten, met inbegrip van bankdiensten, werkgelegenheid en gezondheidszorg, alsook stem- en consumentenrechten;

61.  erkent dat het CRPD een positief en cruciaal instrument is gebleken om tot wetshervormingen aan te sporen en de lidstaten te verplichten om opnieuw te onderzoeken hoe tegen personen met een handicap wordt aangekeken; betreurt echter de grote uitdagingen waarmee personen met een handicap nog steeds te kampen hebben in strategische domeinen zoals strafrecht en politieke participatie; beschouwt volledige toegang tot het politieke systeem voor alle personen met een handicap als een prioriteit; erkent dat deze toegang meer moet zijn dan een louter fysieke toegang om een stem uit te brengen en een brede waaier aan initiatieven moet omvatten om het democratische proces voor alle burgers open te stellen; is van mening dat dit zich moet uitstrekken tot verkiezingsmateriaal in gebarentaal, braille en gemakkelijk te lezen formaten, alle nodige bijstand aan personen met een handicap bij het stemmen, het stimuleren van stemmen per post of bij volmacht waar mogelijk en het wegnemen van obstakels voor burgers met een handicap die zich kandidaat willen stellen, alsmede maatregelen met betrekking tot bestaande regels inzake handelingsbekwaamheid en de gevolgen daarvan voor de mogelijkheid van personen om volledig deel te nemen aan het democratische proces; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de bepalingen van artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten en de bepalingen van Richtlijn 2010/64/EU betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en Richtlijn 2012/13/EU betreffende het recht op informatie in strafprocedures, en in het bijzonder van Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming, naar behoren en volledig worden uitgevoerd, vooral in het geval van personen met een handicap;

62.  betreurt het en zeerste dat veel staten via juridische procedures de handelingsbekwaamheid geheel of gedeeltelijk blijven ontnemen aan personen met verstandelijke beperkingen; verzoekt de EU-lidstaten op een positieve manier om te gaan met handelingsbekwaamheid door eerder te kiezen voor ondersteunende insluiting dan voor automatische uitsluiting;

63.  is bezorgd over het feit dat personen met een handicap nog steeds moeilijkheden ondervinden bij het verkrijgen van toegang tot de rechter; herinnert eraan dat het recht van toegang tot de rechter een fundamenteel grondrecht en een essentieel onderdeel van de rechtsstaat is; verzoekt de lidstaten stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat deze personen toegang krijgen tot alle procedurele voorzieningen en de procedures voor deze personen aan te passen; is van oordeel dat de Commissie moet overwegen om specifieke opleidingsprogramma's over het CRPD in het EU-Justitieprogramma 2014‑2020 op te nemen; pleit ervoor dat de rechtbanken in de EU hun interne regelgeving en instructies zodanig aanpassen dat de toegang tot de rechter voor personen met een handicap wordt vergemakkelijkt en dat in de rechtspleging ook rekening wordt gehouden met de algemene aanbevelingen van het CRPD-Comité van de VN;

64.  beseft dat het Verdrag van Den Haag inzake de internationale bescherming van volwassenen op diverse wijzen doelmatig kan bijdragen tot de tenuitvoerlegging en handhaving van de internationale verplichtingen van de partijen bij het CRPD; betreurt in dit verband dat de Commissie geen gevolg heeft gegeven aan de resolutie van het Europees Parlement van 18 december 2008 houdende aanbevelingen aan de Commissie betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van de rechtsbescherming van volwassenen(23);

65.  vestigt de aandacht op het geweld, de intimidaties, het seksueel misbruik op school, thuis of in een instelling waarvan kinderen met een handicap meer kans lopen het slachtoffer te worden; dringt er bij de Europese Unie en haar lidstaten op aan doeltreffender in te grijpen en het geweld tegen kinderen met een handicap met specifieke maatregelen en toegankelijke ondersteunende diensten te bestrijden;

66.  vraagt de Commissie doeltreffende maatregelen te nemen ter voorkoming van geweld tegen kinderen met een handicap, gericht op families, gemeenschappen, professionelen en instellingen; merkt op dat scholen een cruciale rol spelen voor de bevordering van sociale inclusie en benadrukt dat degelijke regelingen noodzakelijk zijn waardoor inclusie in reguliere scholen mogelijk is en opvoeders en onderwijzers terdege voorbereid en opgeleid zijn om geweld tegen kinderen met een handicap te erkennen en ertegen te reageren;

67.  vraagt de lidstaten daarnaast onvrijwillige behandeling en internering wettelijk te verbieden, in overeenstemming met de meest recente internationale normen;

68.  beveelt aan dat het beginsel van vrij verkeer van personen met een handicap binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd door alle belemmeringen weg te nemen die nu nog bestaan;

69.  benadrukt dat het vrije verkeer van Europese burgers moet worden gewaarborgd voor personen met een handicap en dat de lidstaten daartoe moeten zorgen voor de wederzijdse erkenning van hun situatie en sociale rechten (artikel 18 van het CRPD);

70.  betreurt dat de Raad documenten betreffende handicaps niet heeft willen opnemen onder het toepassingsgebied van de Verordening ter bevordering van het vrije verkeer van burgers en bedrijven door vereenvoudigde aanvaarding van bepaalde openbare akten in de Europese Unie;

71.  is verheugd over het proefproject met de Europese gehandicaptenkaart; betreurt de beperkte deelname van de lidstaten aan het project inzake een Europese gehandicaptenkaart, dat met praktische maatregelen de mobiliteit en de wederzijdse erkenning van de rechten van personen met een handicap in de lidstaten vereenvoudigt;

72.  beklemtoont dat om de volledige eerbiediging van de rechten van personen met een handicap te waarborgen het noodzakelijk is dat hun de vrijheid wordt gegeven zelf te kiezen hoe zij willen leven en hoe zij hun potentieel het best kunnen benutten, door bijvoorbeeld meer gebruik te maken van vormen van ondersteuning zoals mantelzorg;

73.  betreurt ten zeerste de desastreuze omstandigheden waarin personen met een handicap in sommige lidstaten zijn geplaatst, en verzoekt de lidstaten alles in het werk te stellen om het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en in het bijzonder artikel 3 betreffende het verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen na te leven;

74.  spoort de Commissie en de Raad aan meer aandacht te besteden aan de behoeften van personen met een handicap en deze behoeften consequent in aanmerking te nemen bij de evaluatie van EU-verordeningen, bijvoorbeeld de verordeningen over passagiersrechten in verschillende vormen van vervoer (Verordeningen (EG) nr. 1107/2006 en (EG) nr. 261/2004 over luchtvervoer, Verordening (EG) nr. 1371/2007 over treinvervoer, Verordening (EU) nr. 1177/2010 over vervoer over water en Verordening (EU) nr. 181/2011 over vervoer per autobus en touringcar) en bij de opstelling van wetgeving, bijvoorbeeld over passagiersrechten voor multimodale reizen; benadrukt dat de EU zich in 2010 in de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 heeft verplicht tot een onbelemmerd Europa;

75.  dringt er bij de EU op aan scherper toe te zien op de uitvoering van de wetgeving inzake passagiersrechten en de werkzaamheden van de nationale handhavingsinstanties te harmoniseren, en verzoekt de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om EU‑wetgeving uit te voeren die bedoeld is om de toegankelijkheid van het vervoer (per bus en taxi, per openbaar stedelijk vervoer en per spoor, door de lucht en over water, alsmede stations, luchthavens en havens) op lokaal, regionaal en nationaal niveau te verbeteren en de hindernissen die een onbelemmerd Europa in de weg staan aan te pakken, bijvoorbeeld door de bevoegdheden van de desbetreffende handhavingsinstanties krachtens de wetgeving inzake passagiersrechten uit te breiden, om ervoor te zorgen dat alle passagiers met handicaps in de EU daadwerkelijk dezelfde rechten genieten, ook wat betreft toegankelijkheid en standaardisering, harmonisatie, technische voorschriften en stimulansen voor bedrijven;

76.  verzoekt de Commissie de verantwoordelijkheden van alle betrokkenen bij de zorg voor personen met verminderde mobiliteit te verduidelijken, met name wat de overstap tussen de verschillende vervoerswijzen betreft, en het Parlement te informeren over de inspraak van gehandicaptenorganisaties en hun rol bij de tenuitvoerlegging van de verordeningen inzake passagiersrechten;

77.  benadrukt dat onbelemmerde toegankelijkheid van vervoersdiensten, voertuigen, infrastructuur en intermodale knooppunten, vooral ook in plattelandsgebieden, de sleutel vormt tot mobiliteitssystemen die geen ingebouwde discriminatie kennen; benadrukt in dit verband dat personen met een handicap toegang moeten hebben tot producten en diensten en dat er meer inspanningen geleverd moeten worden om vervoers- en toerismediensten, voertuigen en infrastructuur toegankelijker te maken; wijst erop dat de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen de mogelijkheid biedt tot financiering van maatregelen in stedelijke gebieden en maatregelen met het oog op een betere toegankelijkheid voor personen met een handicap, die tot 10 % van de aanpassingskosten kan bedragen;

78.  verzoekt de Commissie in haar jaarverslag over de uitvoering van de TEN-V-fondsen bekend te maken welke vooruitgang er is geboekt en hoeveel steun er uit hoofde van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen en andere EU-financieringsinstrumenten is verleend voor het aanpassen van de infrastructuur aan personen met een handicap; verzoekt de Commissie ook maatregelen te treffen ter bevordering van een grotere deelname aan projecten ter aanpassing van infrastructuur aan personen met een handicap, onder meer in de vorm van informatiebijeenkomsten en bekendmaking onder potentiële projectontwikkelaars;

79.  wijst in dit verband op het belang van de financiering van maatregelen in stedelijke gebieden, waar vaker tussen de verschillende vervoerswijzen wordt overgestapt en waar personen met enigerlei verminderde mobiliteit de meeste moeilijkheden ondervinden;

80.  onderstreept dat consequent toegankelijke formaten bovenaan de agenda voor beleidsmaatregelen inzake gedigitaliseerde mobiliteitsmarkten zouden moeten staan en de toegang voor alle personen met allerlei soorten handicaps zouden moeten vergemakkelijken door gebruik van toegankelijke talen, formaten en technologieën, aangepast aan de verschillende soorten handicap, waaronder gebarentaal, braille, ondersteunende en alternatieve communicatiesystemen en andere toegankelijke communicatiemiddelen, -vormen en -formaten van hun keuze, waaronder gemakkelijk te lezen taal of pictogrammen, ondertiteling en persoonlijke tekstboodschappen voor reisinformatie, reservering en ticketverkoop, waarbij gebruik wordt gemaakt van meer dan één zintuig; dringt er bij de Commissie op aan om met het oog op de vervoersfaciliteiten en -diensten passende toezichts- en controlesystemen in te voeren om ervoor te zorgen dat toegankelijkheids- en ondersteuningsapparatuur in alle lidstaten ook in het openbaar vervoer wordt aangeboden aan personen met een handicap;

81.  benadrukt dat personen met een handicap in staat gesteld moeten worden inlichtingen in te winnen over multimodale en grensoverschrijdende verkeersverbindingen voor vervoer van deur-tot-deur, zodat gekozen kan worden voor de duurzaamste, goedkoopste of snelste verbinding, alsmede deze verbinding online te boeken en te betalen;

82.  dringt erop aan dat er realtime-reisinformatie beschikbaar wordt gesteld, zodat personen met een handicap vóór en tijdens de reis op de hoogte kunnen worden gesteld van eventuele storingen en alternatieve reismogelijkheden;

83.  benadrukt dat personen met een handicap toegang moeten hebben tot informatie en communicatie in toegankelijke formaten en technologieën, waaronder gebarentalen, braille, ondersteunende en alternatieve communicatiesystemen en andere toegankelijke communicatiemiddelen, -vormen en -formaten van hun keuze, waaronder gemakkelijk te lezen formaten en ondertiteling; vraagt de Commissie derhalve de noodzakelijke maatregelen te treffen ter versterking van de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving over toegang tot informatie en communicatie; dringt er bij de Raad op aan het besluit betreffende de sluiting van het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben, onverwijld aan te nemen; dringt er bij de Raad en de lidstaten op aan in overeenstemming met de bepalingen ervan coherente en doeltreffende maatregelen te treffen;

84.  herinnert eraan dat onafhankelijkheid, integratie en toegang tot een inclusief onderwijs‑ en opleidingssysteem, cultureel leven, ontspanning en sport rechten zijn die worden gewaarborgd door artikelen 19, 24 en 30 van het CRPD; herinnert eraan dat deze rechten worden beschermd door EU-wetgeving, in het bijzonder artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat discriminatie op grond van een handicap verbiedt, en het beginsel van volledige participatie, waaronder democratische deelname en inclusie in de samenleving van personen met een handicap (artikel 3 van het CRPD); vraagt de Commissie en de lidstaten derhalve maatregelen die de doeltreffende en gelijke toegang van personen met een handicap tot belangrijke domeinen zoals onderwijs, cultuur en sport en ook tot buitenschoolse activiteiten zoals theater, talen en kunst garanderen, te versterken; vraagt de Commissie om voor de onderwijs- en opleidingsdoelstellingen handicapspecifieke indicatoren op te nemen in de Europa 2020-strategie;

85.  herinnert aan het ontwerp voor het algemeen commentaar van het CRPD-Comité van de VN op artikel 24 ("het recht op inclusief onderwijs"), waarin de normatieve inhoud, de verplichtingen van de staten, het verband met andere bepalingen van het verdrag en de tenuitvoerlegging op nationaal niveau worden gedetailleerd;

86.  benadrukt nogmaals dat programma's voor jongeren speciale aandacht moeten hebben voor jongeren met een handicap;

87.  merkt op dat de behoeften van jongeren met een handicap moeten worden gemainstreamd in de jongerenstrategieën voor na 2018;

88.  herinnert eraan dat personen met een handicap vaak worden uitgesloten van of geen effectieve toegang hebben tot onderwijs- en opleidingsdiensten en dat op maat gemaakte onderwijsprocessen die rekening houden met het niveau van hun invaliditeit, noodzakelijk zijn om hen te helpen hun volledige sociale, economische en educatieve potentieel te bereiken; benadrukt dat de noodzakelijke maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat alle studenten met een handicap de noodzakelijke redelijke aanpassingen krijgen om gebruik te kunnen maken van hun recht op inclusief en hoogwaardig onderwijs; spoort de lidstaten en de bevoegde gedecentraliseerde regionale en lokale overheden ertoe aan opleidingsprogramma's en permanente beroepsopleidingsmogelijkheden voor alle relevante belanghebbenden die betrokken zijn bij niet-formele en informele leeromgevingen te versterken alsook hun toegang tot ICT-infrastructuren te verbeteren, om hun werk met leerlingen met een handicap te steunen en vooroordelen over personen met een handicap, in het bijzonder personen met een psychosociale of verstandelijke handicap, te bestrijden;

89.  verzoekt de Commissie en de lidstaten doeltreffende maatregelen te nemen om segregatie en de afwijzing van studenten met een handicap binnen scholen en leeromgevingen tegen te gaan en hen toegang tot redelijke aanpassingen en de nodige steun te geven zodat de leerlingen geholpen worden om hun volledige potentieel te verwezenlijken; benadrukt dat gelijke kansen enkel kunnen worden bereikt als inclusief onderwijs en opleiding worden verzekerd op alle niveaus en in alle soorten onderwijs en opleidingen, met inbegrip van levenslang leren, en de erkenning van kwalificaties van personen met een handicap derhalve wordt gegarandeerd, in het bijzonder de kwalificaties die werden verworven dankzij ondersteunende leeromgevingen waar personen met een handicap specifieke vaardigheden en bekwaamheden leren om hun handicap op te vangen; wijst op de technische en financiële tekortkomingen van de speciale onderwijsprogramma's, vooral in de door de crisis getroffen lidstaten, en vraagt de Commissie te onderzoeken hoe de situatie kan worden verbeterd;

90.  neemt kennis van de vooruitgang die werd geboekt voor de regeling van programma's voor de uitwisseling van studenten, in het bijzonder het Erasmus+-programma, door in bijkomende financiële steun te voorzien voor de mobiliteit van studenten en personeel met een handicap, en benadrukt dat het noodzakelijk is specifieke regelingen te blijven treffen met betrekking tot alle aspecten van het programma; erkent dat studenten met een handicap in de praktijk nog steeds met verschillende obstakels worden geconfronteerd (qua gedrag, communicatie, architectuur, informatie enz.); vraagt de Commissie en de lidstaten zich meer in te zetten voor de deelname van personen met een handicap aan EU-uitwisselingsprogramma's en de zichtbaarheid en transparantie van mobiliteitsmogelijkheden te verhogen; vraagt de Commissie bovendien de uitwisseling te bevorderen van beste praktijken met betrekking tot de toegang van studenten en docenten met een handicap tot uitwisselingsprogramma's;

91.  dringt aan op onderwijssystemen die geen leeromgeving creëren waarin aan leerlingen etiketten worden gegeven (zoals banding en streaming), omdat dit een negatieve impact heeft op studenten met een handicap, in het bijzonder studenten met leerstoornissen;

92.  roept de Commissie op in haar evaluatie van de richtlijn grensoverschrijdende gezondheidszorg ook een specifiek op personen met een handicap gericht onderdeel op te nemen en spoort de lidstaten met klem aan de tenuitvoerlegging van deze richtlijn te bevorderen vanuit het oogpunt van de behoeften van personen met een handicap en hun recht om te weten wat de bepalingen van de richtlijn inhouden en welke instrumenten erin worden aangereikt, en om deze bepalingen en instrumenten, waar zelfs het algemene publiek weinig weet van heeft, ook daadwerkelijk te benutten, op voet van gelijkheid met anderen;

93.  wijst op de sterke correlatie tussen handicaps ‒ meer dan 15 % van de bevolking van de EU heeft een handicap ‒ en gezondheidsproblemen, en merkt in dit verband op dat personen met een handicap problemen en blijvende belemmeringen kunnen ondervinden bij de toegang tot gezondheidszorg, met ontoereikende verstrekking van gezondheidszorg en onvervulde medische behoeften tot gevolg, ook wanneer de handicap het gevolg is van een negatieve reactie op een geneesmiddel; wijst erop dat problemen en belemmeringen bij de toegang tot kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg ertoe leiden dat personen met een handicap minder gemakkelijk een zelfstandig en inclusief leven kunnen leiden, op voet van gelijkheid met anderen;

94.  stelt bezorgd vast dat personen met een handicap veel vaker melding maken van ontoereikende of geheel ontbrekende verstrekking van gezondheidszorg, alsook van gevallen van gedwongen of slechte behandeling, hetgeen erop duidt dat de professionals in de sector onvoldoende getraind zijn in het omgaan met de zorgbehoeften van personen met een handicap; verzoekt de lidstaten te investeren in de beroepsopleiding van zorgverleners die personen met een handicap behandelen en begeleiden;

95.  benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat personen met een handicap met kennis van zaken toestemming verlenen voor alle medische handelingen waarvoor zulks noodzakelijk is, en dat bijgevolg de nodige maatregelen moeten worden getroffen om de bewuste informatie voor deze personen toegankelijk te maken en ervoor te zorgen dat zij ze begrijpen; benadrukt dat deze toestemming persoonlijk, vooraf en met kennis van zaken moet worden gegeven, middels de nodige mechanismen om te waarborgen dat deze beginselen in acht worden genomen, en dat soortgelijke passende maatregelen moeten worden getroffen voor personen met een psychosociale handicap;

96.  verzoekt de Commissie om zowel haar instrumenten voor gezondheid als haar gezondheidsbeleid af te stemmen op personen met een handicap, om zo op basis van betere fysieke, omgevings- en sensorische toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid de gezondheidsperspectieven van personen met een handicap in de lidstaten te verbeteren; verzoekt de Commissie tevens om personen met een handicap bij de ontwikkeling van die instrumenten en beleidslijnen grondig te raadplegen;

97.  herhaalt dat reproductieve rechten onderdeel uitmaken van de fundamentele vrijheden zoals bedoeld in de verklaring en het actieprogramma van Wenen van 1993 en in het CRPD, met inbegrip van het recht op gelijkheid en non-discriminatie, het recht om te trouwen en een gezin te stichten, het recht op alomvattende reproductieve gezondheidszorg, waaronder gezinsplanning en gezondheidszorg, onderwijs en voorlichting voor moeders, het recht op geïnformeerde toestemming ten aanzien van alle medische procedures, waaronder sterilisatie en abortus, en het recht op bescherming tegen seksueel misbruik en seksuele uitbuiting;

98.  vraagt de lidstaten maatregelen te nemen om te waarborgen dat alle gezondheidszorg en alle diensten voor vrouwen met een handicap, waaronder reproductieve gezondheidszorg en geestelijke gezondheidszorg en diensten, toegankelijk zijn en stoelen op de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokken personen;

99.  vraagt de lidstaten richtsnoeren vast te stellen om te waarborgen dat al het onderwijs en alle informatie, gezondheidszorg en diensten in verband met de seksuele en reproductieve gezondheid aan vrouwen en meisjes met een handicap ter beschikking worden gesteld in een toegankelijke en aan hun leeftijd aangepaste vorm, onder meer door middel van gebarentaal, brailleschrift, tactiele communicatie, grote letters en andere alternatieve communicatiewijzen, -middelen en -formaten;

100.  herhaalt zijn standpunt dat gespecialiseerde ondersteuning, zoals kinderopvang, nodig is om vrouwen en mannen met een handicap en hun gezin de kans te geven het ouderschap ten volle te beleven;

101.  benadrukt dat ziektekostenverzekeringen geen discriminatie mogen inhouden ten aanzien van personen met een handicap;

102.  wenst dat de Commissie, met de bijzondere rol van patiëntenorganisaties in gedachten, richtsnoeren ontwikkelt die voor de hele EU gelden, bestemd zijn voor de nationale contactpunten en betrekking hebben op het verstrekken van toegankelijke informatie aan alle patiënten over zorg in andere lidstaten;

103.  moedigt de Commissie aan de lidstaten en de leden van de Europese referentienetwerken te ondersteunen bij het uitbreiden van hun middelen en expertise op het gebied van handicaps die mogelijkerwijs niet zeldzaam zijn, maar wel in hoge mate gespecialiseerde, door multidisciplinaire gezondheidszorgteams verleende gezondheidszorg behoeven, evenals via dit netwerk bijeengebrachte kennis en middelen;

104.  benadrukt dat personen met een handicap betere toegang moeten krijgen tot producten en diensten; wijst erop dat overwegingen van economische aard en overwegingen in verband met de kosten-batenverhouding de ontwikkeling en toepassing van betere toegang in de weg staan; meent dat gezondheidsproducten en -diensten veiliger en toegankelijker zullen worden als personen met een handicap meer bij de ontwikkeling ervan worden betrokken;

105.  onderstreept dat personen met een handicap op gedigitaliseerde mobiliteitsmarkten eveneens problemen ondervinden, en verzoekt om deze markten voor alle personen met een handicap gemakkelijker toegankelijk te maken en daartoe, naargelang van de aard van de handicap, gebruik te maken van toegankelijke talen, formaten en technologieën, waaronder pictogrammen, brailleschrift, ondersteunende en alternatieve communicatiesystemen en andere toegankelijke communicatiemiddelen, -vormen en ‑formaten van hun keuze, met inbegrip van gemakkelijk te lezen taal, ondertiteling en persoonlijke tekstboodschappen, met name voor gezondheidsinformatie, waarbij gebruik wordt gemaakt van meer dan één zintuig;

106.  vraagt de Commissie gestaag door te gaan met het bevorderen van preventie en gezondheid, teneinde de grote verschillen in gezondheid en toegang, die vooral gevolgen hebben voor de meest kwetsbare personen met een handicap, te verkleinen;

107.  vraagt de Commissie en de lidstaten zich ervoor in te zetten dat geheugenstoornissen als een handicap worden geclassificeerd;

108.  vraagt de Commissie en de lidstaten in voldoende mate oog te hebben voor de rol van mantelzorgers en ervoor te zorgen dat ook zij, gezien de impact die het zorgen voor personen met een handicap heeft op hun eigen lichamelijke en geestelijke gezondheid en welzijn, op geëigende wijze toegang hebben tot gezondheidsdiensten;

109.  roept de lidstaten en de Commissie op te garanderen dat arbeidsgerelateerde rechten en diensten, waaronder redelijke aanpassingen in het kader van de richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep, overdraagbaar zijn en het recht van vrij verkeer van mensen met een handicap eerbiedigen; verzoekt de lidstaten stimulansen voor werkgevers in te voeren en actieve arbeidsmarktmaatregelen te nemen om de werkgelegenheidskansen voor personen met een handicap te verbeteren; erkent het potentieel van zowel de sociale economie als de opkomende digitale economie voor het bieden van werkgelegenheid voor personen met een handicap;

110.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de hoge werkloosheid onder personen, vooral vrouwen, met een handicap, in vergelijking met andere bevolkingsgroepen in de EU; roept de lidstaten op een beleidskader te bevorderen en te waarborgen voor de deelname aan de arbeidsmarkt van vrouwen met een handicap, met inbegrip van vrouwen met een verborgen handicap, chronische aandoening of leerstoornis;

111.  is bezorgd over het feit dat de Richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep het weigeren van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap niet expliciet noemt als een vorm van discriminatie; verzoekt de Commissie een stand van zaken te geven over de verschillende soorten ontvangen klachten en in dat verband na te gaan of een herziening van de richtlijn noodzakelijk is;

112.  wijst op de voordelen die het oplevert om buiten het kader te gaan van banen in beschermde werkplaatsen en ook de voorwaarden te scheppen voor banen voor personen met een handicap op de zogeheten open arbeidsmarkt; onderstreept het belang van de uitwisseling van beste praktijken tussen overheidsinstanties, organisaties van personen met een handicap, verstrekkers van ondersteunende diensten, werkgevers met relevante ervaring en andere betrokken actoren;

113.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te blijven ijveren voor de tewerkstelling van personen met een handicap via ondernemingen uit de sociale en op solidariteit gebaseerde economie, en er zo toe bij te dragen dat personen met een handicap toetreden tot de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie in dit verband de recent opgekomen markt voor sociale investeringen te blijven bevorderen via de instrumenten die zijn uitgewerkt in het kader van het Initiatief voor sociaal ondernemerschap, en het Parlement op de hoogte te houden van de resultaten van de tussentijdse evaluatie van het initiatief;

114.  herinnert eraan dat het, om te voorkomen dat personen met een handicap ontslagen worden, van fundamenteel belang is dat zij hun werk mogen verrichten overeenkomstig specifieke wetgeving; beveelt bovendien aan dat er passende controles worden verricht en dat wordt samengewerkt met arbeidsbureaus en bedrijven om een einde te maken aan de marginalisering van personen met een handicap op de arbeidsmarkt en ervoor te zorgen dat hun potentieel volledig benut wordt;

115.  roept de lidstaten op om kwaliteitskaders aan te nemen voor stages, maar ook opleidingsmogelijkheden aan te moedigen en te ontwikkelen voor personen met een handicap door te zorgen voor redelijke aanpassingen en toegankelijkheid, teneinde hun sociale bescherming te verzekeren en hun inpassing in de arbeidsmarkt te vergemakkelijken;

116.  verzoekt de lidstaten dringende maatregelen te treffen om de negatieve gevolgen van de bezuinigingsmaatregelen op de sociale bescherming van personen met een handicap te voorkomen en terug te draaien;

117.  roept de lidstaten op om, in het kader van een Europese pijler van sociale rechten, te voorzien in doeltreffende mechanismen om armoede, kwetsbaarheid en sociale uitsluiting onder personen met een handicap en hun families te voorkomen of te beperken, met bijzondere aandacht voor kinderen en ouderen met een handicap;

118.  roept de lidstaten op zich te onthouden van bezuinigingen op uitkeringen met betrekking tot invaliditeit, gemeenschapsdiensten, gezondheidszorg en opleidings- en onderwijsprogramma's, die het CRPD ondergraven en tot nog grotere armoede en sociale uitsluiting leiden;

119.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem de sociale uitsluiting van personen met een handicap en hun families ook tegen te gaan door aan de hand van gemeenschappelijke regels maatregelen te nemen tegen de armoede waarin vele gezinnen van mensen met een handicap verkeren en zich daarbij te baseren op indicatoren op grond waarvan de noodzakelijke steunverlening kan worden aangepast;

120.  onderstreept dat de artikelen 7 en 96, lid 7, van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen, de lidstaten en de Commissie, bij het gebruik van de structuur- en investeringsfondsen van de EU (ESI-fondsen) in het algemeen en de operationele programma's in het bijzonder, verplichten tot het in aanmerking nemen en bevorderen van gelijke kansen, non-discriminatie en inclusie van personen met een handicap; dringt aan op een geïntegreerde benadering om te voorzien in de specifieke behoeften van personen met een handicap; roept de Commissie derhalve op nauwlettend toe te zien op de toepassing van de algemene ex-antevoorwaarden inzake handicaps en de bestrijding van discriminatie; benadrukt dat de geschiktheid van geplande maatregelen om zowel gelijke kansen voor mannen en vrouwen als de integratie van personen met een handicap te bevorderen, moet worden bepaald aan de hand van een beoordeling ervan, met name wat betreft de toegankelijkheid van financiering;

121.  verzoekt beleidsmakers op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau met klem om te zorgen voor doeltreffend toezicht op de uitvoering van de bepalingen inzake non‑discriminatie, alsook de toegankelijkheid en het gebruik van de ESI-fondsen ter bevordering van gelijke toegang voor personen met een handicap tot alle diensten, met inbegrip van internetdiensten, ter ondersteuning van gelijke en toereikende woonvoorzieningen in plaatselijke gemeenschappen, zowel in landelijke en dunbevolkte gebieden als in steden, alsook ter ondersteuning van de instellingen die hen verzorgen; merkt evenwel op dat het sociaal beleid en de financiering ervan hoofdzakelijk onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen;

122.  verzoekt de Commissie er nauwlettend op toe te zien dat het beginsel van non-discriminatie en de daarmee verband houdende wetgeving bij de gebruikmaking van ESI-fondsen worden geëerbiedigd; benadrukt dat instanties die belast zijn met de bevordering van sociale insluiting en non-discriminatie, met inbegrip van organisaties van personen met een handicap, tijdens de programmeringsfase en de uitvoeringsfase van de operationele programma's bij het partnerschap moeten worden betrokken, om te waarborgen dat daadwerkelijk rekening wordt gehouden met de belangen en zorgen van personen met een handicap; dringt erop aan dat de ESI-fondsen zodanig worden benut dat aan de minimumnormen inzake toegankelijkheid, mobiliteit en huisvesting voor personen met een handicap wordt voldaan en merkt op dat dit met name voor de lokale en regionale autoriteiten een belangrijke en lastige taak is;

123.  verzoekt de lidstaten beter gebruik te maken van structuurfondsen, in het bijzonder het Europees Sociaal Fonds en het Programma Creatief Europa, en daarbij de nationale, regionale en lokale organisaties van personen met een handicap zoveel mogelijk te betrekken ; benadrukt bovendien dat het belangrijk is personen met een handicap volledige toegang te waarborgen tot de arbeidsmarkt, onderwijs en opleiding, Erasmus+, de Jongerengarantieregeling en Eures;

124.  verzoekt de lidstaten het principe uit te breiden waarbij aanbestedende diensten de mogelijkheid hebben aanvragers van de ESI-fondsen uit te sluiten, als niet voldaan is aan de voorwaarde van toegankelijkheid voor personen met een handicap;

125.  is verheugd over de ex-antevoorwaarden met betrekking tot sociale inclusie en de investeringsprioriteit voor de "overgang van institutionele naar gemeenschapsgerichte diensten" in de Verordening Gemeenschappelijke Bepalingen; verzoekt de lidstaten de fondsen te gebruiken voor de-institutionalisering en als een instrument om het CRPD ten uitvoer te leggen;

126.  is bezorgd dat de Europese structuur- en investeringsfondsen ten onrechte worden gebruikt om institutionalisering te stimuleren en roept de lidstaten en de Commissie op hier, in overeenstemming met het CRPD en in onderling overleg met organisaties van personen met een handicap, strenger toezicht op te houden; meent dat transparantiebeginselen moeten worden gehanteerd voor de hele procedure, van de toewijzing van middelen tot en met de werkelijke aanwending ervan;

127.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te treffen, onder meer door gebruik te maken van ESI-fondsen en andere relevante fondsen van de Unie, om in plaatselijke gemeenschappen hoogwaardige en betaalbare ondersteunende diensten te ontwikkelen voor jongens en meisjes met een handicap en hun families, met inbegrip van personen die intensieve hulp behoeven, om de-institutionalisering te stimuleren en nieuwe institutionalisering te voorkomen en om sociale inclusie en toegang tot inclusief kwaliteitsonderwijs voor jongens en meisjes met een handicap te bevorderen;

128.  is van mening dat de EU-instellingen moeten overwegen om toekomstige en bestaande financieringsstromen open te stellen voor organisaties die actief personen met een handicap vertegenwoordigen;

129.  vraagt de Commissie te blijven streven naar de inclusie van personen met een handicap door het verstrekken van financiële steun aan een aantal grassrootsprojecten en ‑organisaties;

130.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om personen met een handicap, onder meer via hun vertegenwoordigende organisaties, actief bij de besluitvormingsprocessen te betrekken in overeenstemming met artikel 4, lid 3, van het CRPD; beveelt bovendien aan in de loop van deze processen terdege rekening te houden met de meningen van personen met een handicap;

131.  wijst opnieuw op het belang van uitzonderingen en beperkingen op auteursrechten en naburige rechten voor personen met een handicap; neemt kennis van de sluiting van het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind of visueel gehandicapt zijn, en herhaalt ervan overtuigd te zijn dat de EU bevoegd is om dit verdrag te sluiten zonder de ratificatie ervan te laten afhangen van de herziening van het EU-rechtskader of het tijdstip van een arrest van het Hof van Justitie; onderstreept in dit verband voorts dat het Parlement, de Commissie en de lidstaten moeten samenwerken om tot een snelle ratificatie van het Verdrag van Marrakesh te komen;

132.  benadrukt dat bij eventuele wijziging van de regelgeving op het gebied van het auteursrecht en naburige rechten ervoor dient te worden gezorgd dat mensen met een handicap toegang krijgen tot door deze rechten beschermde werken en diensten in welk formaat dan ook; herinnert eraan dat de Commissie met wetgevingsvoorstellen dient te komen voor uitzonderingen en beperkingen op auteursrechten en naburige rechten om ervoor te zorgen dat mensen met een handicap, ongeacht de aard daarvan, toegang krijgen tot door deze rechten beschermde werken en diensten;

133.  benadrukt dat digitale systemen een belangrijk middel zijn om de deelname van personen met een handicap aan alle aspecten van de samenleving te vergemakkelijken en beveelt aan het gebruik van omgevingsgerichte assistentietechnologieën in het onderwijs te blijven onderzoeken; erkent dat een onevenredig aantal personen met een handicap zich momenteel niet online begeeft, dat digitale ontwikkelingen aan hen voorbijgaan en dat zij als gevolg daarvan informatie, kansen, het leren van nieuwe vaardigheden en toegang tot belangrijke diensten mislopen; vraagt de wetgevers op nationaal en EU-niveau derhalve toegankelijkheidsbepalingen in aanmerking te nemen bij de tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake de digitale eengemaakte markt, de kwestie van toegankelijkheid tot digitale inhoud in alle relevante beleidsdomeinen op te nemen, opleidingsprogramma's voor "digitale kampioenen" in gemeenschappen op te starten om meer personen met een handicap aan te moedigen online te gaan, en de nodige maatregelen te treffen ter bestrijding van cybercriminaliteit en cyberpesten; vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat intellectuele-eigendomsrechten geen onredelijk of discriminerend obstakel vormen voor de toegang van personen met een handicap tot cultureel materiaal, en een verplichte uitzondering op het auteursrecht te overwegen in geval van gebruik, door personen met een handicap, dat rechtstreeks verband houdt met deze handicap en niet-commercieel van aard is, in de mate die door de specifieke handicap wordt vereist; vraagt dat een horizontale benadering van de mensenrechten van personen met een handicap in alle EU‑beleidsdomeinen wordt toegepast;

134.  herinnert eraan dat sport een uiterst waardevol instrument is voor sociale inclusie aangezien het mogelijkheden tot interactie en het verwerven van sociale vaardigheden biedt; vraagt de Commissie en de lidstaten om krachtens artikel 30 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap specifieke programma's te starten om sportactiviteiten en sportieve evenementen toegankelijker te maken voor personen met een handicap; merkt op dat het recht op volledige toegang tot culturele evenementen en ontspanningsactiviteiten een basisrecht is en vraagt de Commissie derhalve de toegankelijkheid tot dergelijke evenementen, locaties, goederen en diensten, ook in de audiovisuele sector, te verbeteren; uit zijn tevredenheid over de initiatieven om audiovisuele en andere werken met geschikte ondertitels of audiobeschrijving te verstrekken zodat zij toegankelijk zijn voor mensen met een handicap;

135.  is van mening dat er digitale instrumenten voor personen met een handicap moeten worden ontwikkeld om de integratie van sportmannen en -vrouwen met een handicap te stimuleren, en dat er platformen moeten worden opgezet voor telewerk, flexibele werkplekken en gemeenschappelijke werkruimtes; is voorts van mening dat kwalitatief hoogwaardig onderwijs en de sportvoorzieningen op scholen moeten worden aangepast aan de behoeften van kinderen met een handicap en dat in elke lidstaat een nationaal en regionaal strategisch beleidskader moet worden ingevoerd voor een leven lang leren, dat concrete maatregelen omvat om personen met een handicap te helpen hun vaardigheden te ontwikkelen;

136.  herinnert eraan dat in het Media-subprogramma binnen Creatief Europa speciale aandacht moet worden besteed aan projecten waarin de kwestie van handicaps aan bod komt, en dat de educatieve kracht van films en festivals in dit verband moet worden benadrukt;

137.  onderstreept het feit dat toegankelijkheid belangrijk is om personen met een handicap ten volle gebruik te laten van maken van het Europese toeristische aanbod;

138.  benadrukt dat toerismediensten rekening moeten houden met de bijzondere behoeften van personen met een handicap, zoals goede toegankelijkheid van informatie en communicatie en van faciliteiten zoals kamers, badkamers, toiletten en andere binnenruimten;

139.  onderstreept dat het principe van "toerisme voor iedereen" de referentie moet zijn voor elke actie op het gebied van toerisme op nationaal, regionaal, lokaal en Europees niveau; merkt op dat dienstverleners in de toeristische sector rekening moeten houden met de behoeften van personen met een handicap, door de aanpassing van faciliteiten en activiteiten voor de opleiding van personeel te bevorderen;

Specifieke verplichtingen

140.  roept op tot het ontwikkelen van op mensenrechten gebaseerde indicatoren en verzoekt de lidstaten om vergelijkbare kwantitatieve en kwalitatieve gegevens te verstrekken, opgesplitst op basis van verschillende factoren, waaronder geslacht, leeftijd, beroepsstatus en soort handicap, voor alle activiteiten in de EU; verzoekt de Commissie geld uit te trekken voor relevant onderzoek en het verzamelen van gegevens, bijvoorbeeld met betrekking tot toegankelijkheid van toerisme en gezondheidsdiensten, geweld tegen, misbruik en uitbuiting van alle personen met alle soorten handicaps in de gemeenschap en in instellingen;

141.  verzoekt de Commissie de gegevensverzameling over handicaps te harmoniseren door sociale enquêtes uit te voeren overeenkomstig artikel 31 van het CRPD, om de ontwikkelingen in de sector nauwkeurig in kaart te brengen en er bekendheid aan te geven; benadrukt dat bij die gegevensverzameling methoden moeten worden gebruikt die rekening houden met alle personen met een handicap, ook zij die ernstigere beperkingen hebben en zij die in een instelling wonen; meent dat alle verzamelde gegevens moeten worden onderworpen aan de strenge eisen van initiatieven op het gebied van mensenrechten en gegevensbescherming, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie en de Europese gegevensbeschermingsrichtlijn; benadrukt dat dergelijke enquêtes zo specifiek, nauwkeurig en doelgericht mogelijk moeten zijn en moeten worden gevolgd door passende studies en werkgroepen die leiden tot passende acties en doeltreffende maatregelen;

142.  verzoekt de Commissie de rechten van personen met een handicap systematisch te integreren in alle internationale samenwerkingsmaatregelen en -programma's van de EU;

143.  onderstreept hoe belangrijk het is alle duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) met betrekking tot handicaps te verwezenlijken, in het bijzonder doelstelling 4 over het garanderen van inclusief, egalitair kwaliteitsonderwijs, en benadrukt dat meer scholen toegang moeten krijgen tot aangepaste infrastructuur en materialen voor leerlingen met een handicap en dat moet worden geïnvesteerd in de vaardigheden van leerkrachten op het vlak van inclusief onderwijs en inspraak van kinderen op school en in de gemeenschap;

144.  wijst op de plechtige gelofte om niemand in de steek te laten en de verwijzingen naar handicaps in de SDG's, met name in de delen die gaan over onderwijs, groei en werkgelegenheid, ongelijkheid en de toegankelijkheid van menselijke nederzettingen, alsmede wat betreft de verzameling van gegevens en het toezicht op de SDG's, en beveelt aan dat de EU het voortouw neemt bij de tenuitvoerlegging van de SDG's waarin rekening wordt gehouden met handicaps; onderstreept tevens de verwijzingen naar het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering;

145.  beveelt aan dat de EU het voortouw neemt bij een tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling waarbij rekening wordt gehouden met gehandicapten, en dat zij een werkprogramma opstelt, met een tussentijdse evaluatie daarvan, om een toezicht- en evaluatiemechanisme en de verantwoordingsplicht van de EU te garanderen;

146.  verzoekt de Commissie, uitgaande van het CRPD, een plan op te stellen voor de tenuitvoerlegging van de SDG's en de vermindering van het risico op rampen; onderstreept dat een dergelijk plan een belangrijke bijdrage zou moeten leveren aan het vastleggen van indicatoren op de gebieden die met handicaps en sociale en economische integratie verband houden; benadrukt dat bij het vastleggen van SDG-indicatoren speciale aandacht moet worden besteed aan armoede, sociale bescherming, gezondheidszorg, geweld tegen vrouwen, seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten, toegang tot water en sanitaire voorzieningen en energie, weerbaarheid bij rampen en geboorteregistratie;

147.  onderstreept dat alle beleidsmaatregelen en programma's van de EU, zowel extern als intern, moeten stroken met het CRPD en specifieke maatregelen moeten omvatten waarmee de rechten van personen met een handicap worden opgenomen in alle beleidsterreinen, met inbegrip van humanitaire en ontwikkelingsmaatregelen en ‑programma's; verzoekt de EU daartoe een geharmoniseerd ontwikkelingsbeleid vast te stellen dat aandacht besteedt aan gehandicapten, en een systematische, geïnstitutionaliseerde aanpak in te voeren om de rechten van personen met een handicap een plaats te geven in alle internationale samenwerkingsmaatregelen en -programma's van de EU;

148.  beveelt aan dat de EU‑delegaties en agentschappen voldoende inzicht in de EU‑strategieën voor personen met een handicap aan de dag leggen en op een inclusieve en toegankelijke manier te werk gaan; suggereert de oprichting van een "CRPD‑contactpunt" in de Europese Dienst voor extern optreden; pleit ervoor dat met spoed een handicapperspectief wordt verwerkt in alle opleidingen op het gebied van de mensenrechten in het kader van de missies van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);

149.  doet voorts een beroep op de EU om:

   meer ontwikkelingsprojecten in het leven te roepen die specifiek inzetten op personen met een handicap;
   een mechanisme in te stellen voor capaciteitsopbouw en het delen van goede praktijken tussen de diverse EU‑instellingen en tussen de EU en haar lidstaten inzake humanitaire hulp die aandacht besteedt aan en toegankelijk is voor gehandicapten;
   in EU‑delegaties contactpunten voor de gehandicaptenproblematiek in te richten en contactpersonen te benoemen die zo zijn opgeleid dat zij op competente en professionele wijze gehandicapten kunnen begeleiden;
   in de dialoog met partnerlanden gehandicaptenvraagstukken aan de orde te stellen en de op het gebied van gehandicapten actieve ngo's in de partnerlanden te ondersteunen en met deze ngo's een strategische samenwerking aan te gaan;
   het meerjarig financieel kader (MFK) en het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) in de context van het CRPD te herzien;
   een verwijzing naar het mainstreamen van gehandicaptenvraagstukken in het EU-beleid op te nemen in de mogelijke nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling;
   te overwegen middelen die zijn uitgetrokken voor alle beleidsmaatregelen en programma's van de EU inzake internationale samenwerking te reserveren voor de nationale programma's voor personen met een handicap;
   ervoor te zorgen dat kinderen met een aannemelijk risico snel adequate en volledige zorg krijgen, aangezien het belangrijk is in een vroeg stadium in te grijpen;

150.  verwelkomt de nieuwe doelstelling 12 in het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019); roept de Commissie op de tenuitvoerlegging van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap systematisch ter sprake te brengen in de dialoog met derde landen over de mensenrechten; verzoekt de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten om vorderingen op dit gebied op gang te brengen en te monitoren, met name wat betreft inspanningen voor standaardisering op het gebied van toegankelijkheid;

151.  pleit voor de effectieve maatschappelijke inclusie van personen met een handicap, met name in plaatselijke gemeenschappen, en voor de financiering van diensten voor zelfstandig wonen ten behoeve van personen met een handicap, via programma's in het kader van de financieringsinstrumenten voor extern optreden; dringt aan op een meer gestroomlijnd gebruik van de EU-structuurfondsen; pleit voor een tussentijdse evaluatie van de externe financieringsinstrumenten, zodat beoordeeld kan worden hoe effectief zij zijn geweest voor de maatschappelijke inclusie van personen met een handicap en in hoeverre barrières zijn doorbroken en de toegankelijkheid is bevorderd; vraagt daarnaast om bij uitgaven binnen EU‑programma's ter ondersteuning van opname in instellingen de segregatie van personen met een handicap te vermijden; dringt aan op een verhoging van de uitgaven en een nauwer toezicht, in overleg met organisaties van personen met een handicap;

152.  stelt voor dat iedereen die door de EU in dienst wordt genomen voor het beheer van de buitengrenzen en de asielcentra, een specifieke opleiding krijgt met betrekking tot de behoeften van personen met een handicap om te garanderen dat aan hun behoeften wordt voldaan;

153.  is verheugd over de terugtrekking van de Commissie uit het onafhankelijke toezichtskader (het EU-kader); zal zich inzetten om de meest geschikte opzet te vinden voor het EU-kader, zodat het volledig in overeenstemming is met het CRPD en de beginselen van Parijs, en dringt aan op de toetsing en wijziging van de Gedragscode tussen de Raad, de lidstaten en de Commissie tot vaststelling van interne regelingen voor de uitvoering door en de vertegenwoordiging van de Europese Unie met betrekking tot het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarbij ook het Europees Parlement wordt betrokken;

154.  benadrukt de behoefte aan intensere politieke samenwerking binnen het kader, alsmede aan financiële middelen en personeel om te waarborgen dat het zijn verplichtingen kan nakomen en gevolg kan geven aan de aanbevelingen van het CRPD;

155.  hecht zeer veel belang aan artikel 33 ("Nationale implementatie en toezicht") van het CRPD en aan de slotopmerkingen 76 en 77 van het CRPD-Comité van de VN, en is er daarom over verheugd dat het CRPD-Comité van de VN zijn goedkeuring hecht aan de aanwezigheid van het Parlement in de onafhankelijke toezichtsstructuur;

156.  roept de begrotingsautoriteiten op adequate middelen toe te wijzen om ervoor te zorgen dat het EU-kader zijn functies onafhankelijk kan uitvoeren;

157.  brengt in herinnering dat de Commissie verzoekschriften de Europese burgers (fysieke en rechtspersonen) overeenkomstig artikel 227 VWEU actieve bescherming biedt, waarbij burgers een klacht jegens Europese, nationale of lokale instanties kunnen indienen wanneer zij menen dat hun rechten worden geschonden, met inbegrip van rechten die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van Europees beleid dat de toepassing van het CRPD beoogt, binnen de context van de Verklaring betreffende de afbakening van de bevoegdheden die aan de slotakte van het Verdrag is gehecht;

158.  wijst erop dat de Commissie verzoekschriften de erkende EU-instantie is (samen met de Ombudsman, die burgers kan verdedigen in geval van wanbeheer) die binnen het EU‑kader een beschermende functie kan vervullen met inachtneming van de werkingsbeginselen van de nationale instellingen voor de bescherming en bevordering van de mensenrechten (de "beginselen van Parijs"), die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in Resolutie 48/134 van 1993 zijn vastgesteld;

159.  brengt in herinnering dat de Commissie verzoekschriften een beschermende functie heeft en daarom haar diensten ter beschikking stelt van de onafhankelijke toezichtsstructuur wat betreft voorafgaand onderzoek naar schendingen van het EU‑recht bij de toepassing van het CRDP, de overdracht van verzoekschriften naar andere parlementaire commissies met het verzoek de kwestie te onderzoeken of passende maatregelen te nemen en bezoeken ter plaatse om informatie te verzamelen en in contact te treden met de nationale overheden;

160.  brengt in herinnering dat de Commissie verzoekschriften elk jaar een groot aantal verzoekschriften ontvangt van personen met een handicap, die erop wijzen dat miljoenen mensen dag na dag problemen ervaren bij de toegang tot werk en de arbeidsmarkt, onderwijs en vervoer of participatie aan het politieke, openbare en culturele leven; benadrukt het belang van artikel 29 van het CRPD over de deelname van personen met een handicap aan het politieke en openbare leven zonder enige vorm van discriminatie;

161.  brengt in herinnering dat de verzoekschriften die meer aandacht kregen vaak gesteund werden door maatschappelijke organisaties van personen met een handicap; is bijgevolg van mening dat het nodig is om de beschermende functie en de doeltreffendheid van verzoekschriften over de schending van deze rechten te stimuleren en meer bekendheid te geven; spreekt zijn waardering uit voor de rol die deze organisaties spelen voor de bevordering van sociale inclusie en de verbetering van de levenskwaliteit van personen met een handicap;

162.  wijst op de verzoekschriften waarin gevallen worden beschreven van misstanden in bepaalde lidstaten op het gebied van het waarborgen van de bestaanszekerheid van personen met een handicap, niet alleen wat betreft het niet-uitbetalen van bij wet toegekende subsidies, maar zelfs wat betreft gevallen als beschreven in verzoekschrift 1062/2014 waarbij de autoriteiten naar verluidt willekeurige administratieve besluiten hebben genomen ter verlaging van de eerder toegekende toelagen, op basis van twijfelachtige medische beoordelingen die een mindere mate van handicap behelsden; verzoekt de betreffende nationale, regionale en lokale autoriteiten meer rekening te houden met de gevolgen van dergelijke handelingen voor het leven van de betrokken personen en hun families, en verzoekt de Commissie de verschillende beleidsvormen en daarmee samenhangende maatregelen met betrekking tot handicaps die in de lidstaten worden genomen nauwlettend te volgen;

163.  merkt op dat sommige lidstaten die het CRPD hebben geratificeerd nog instanties voor de uitvoering van en het toezicht op het verdrag moeten oprichten of aanwijzen, als vereist uit hoofde van artikel 33; merkt op dat de werkzaamheden van de instanties die reeds zijn opgericht, met name het kader voor toezicht, opgericht uit hoofde van artikel 33, lid 2, gehinderd worden door een gebrek aan financiële en menselijke middelen en het ontbreken van een deugdelijke rechtsgrond voor hun aanwijzing;

164.  dringt er bij alle lidstaten op aan de toezichtskaders vastgesteld overeenkomstig artikel 33, lid 2, te voorzien van afdoende en stabiele financiële en menselijke middelen om hun taken uit te voeren; is van mening dat zij tevens de onafhankelijkheid van de toezichtskaders dienen te waarborgen door ervoor te zorgen dat hun samenstelling en werking in overeenstemming zijn met de beginselen van Parijs betreffende het functioneren van nationale instellingen voor de rechten van de mens, als vereist uit hoofde van artikel 33, lid 2; meent dat dit ondersteund moet worden door de vaststelling van een formele rechtsgrond waarin de rol en het toepassingsgebied van de kaders duidelijk worden omschreven; dringt er bij de lidstaten die nog geen instanties overeenkomstig artikel 33 hebben aangewezen op aan dit zo snel mogelijk te doen en deze instanties te voorzien van de nodige middelen en mandaten om hun verplichtingen uit hoofde van het CRPD doeltreffend te kunnen uitvoeren en monitoren;

165.  wijst erop dat het CRPD-netwerk versterkt moet worden om de uitvoering van het CRPD intern, maar ook interinstitutioneel, naar behoren te coördineren, en dat personen met een handicap en hun representatieve organisaties actief moeten worden betrokken bij de activiteiten en vergaderingen van het netwerk en er hierover nauw overleg met hen moet worden gepleegd;

166.  spoort alle EU-instellingen, -agentschappen en -organen aan om contactpunten aan te duiden en benadrukt dat het nodig is een horizontaal, interinstitutioneel coördinatiemechanisme tussen DG's en EU-instellingen te creëren; wenst dat de modaliteiten voor deze samenwerking in een strategie voor de uitvoering van het CRPD worden vastgelegd;

167.  dringt aan op de versterking van de interinstitutionele coördinatie tussen de uitvoeringsmechanismen van de verschillende EU-instellingen;

Naleving van het verdrag door de EU-instellingen (als openbare bestuursorganen)

168.  acht het belangrijk dat de Commissie verzoekschriften specifieke evenementen over verzoekschriften op het gebied van handicaps organiseert en benadrukt de belangrijke rol van dialoog, met input van verschillende betrokken partijen, waaronder andere relevante commissies van het Europees Parlement, leden van het EU-kader voor het CRPD, maatschappelijke organisaties van personen met een handicap en academici;

169.  is verheugd dat de openbare hoorzitting "Bescherming van de rechten van personen met een handicap, vanuit het perspectief van ontvangen verzoekschriften" die de Commissie verzoekschriften op 15 oktober 2015 heeft georganiseerd, voldeed aan hoge toegankelijkheidsnormen, en beveelt aan alle toekomstige commissievergaderingen in het Parlement toegankelijk te maken voor personen met een handicap;

170.  verwelkomt het gebruik van braille in de communicatie met indieners van verzoekschriften, en moedigt alle EU-instellingen aan om in hun communicatie met burgers gebruik te maken van gebarentaal, vlot leesbare formaten en braille, teneinde de initiatieven om burgers te betrekken bij de werkzaamheden van de instellingen en het Europees project voort te zetten en te versterken;

171.  verzoekt de EU-lidstaten en -instellingen ervoor te zorgen dat de mogelijkheden om aan de raadplegingsprocessen deel te nemen duidelijk en breed worden bekendgemaakt via communicatievormen die voor personen met een handicap toegankelijk zijn, zoals versies in braille of gemakkelijk te lezen formaten;

172.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen ervoor te zorgen dat mogelijkheden om deel te nemen aan raadplegingsprocessen duidelijk en breed worden bekendgemaakt in toegankelijke media, dat input ook in andere formaten kan worden gegeven, zoals versies in braille of gemakkelijk te lezen versies, en dat openbare hoorzittingen en bijeenkomsten waarin de voorgestelde wetgeving en het voorgestelde beleid worden besproken, volledig toegankelijk worden gemaakt voor personen met een handicap, waaronder personen met verstandelijke beperkingen en leerproblemen;

173.  onderstreept dat het noodzakelijk is de effectieve deelname en vrijheid van meningsuiting van personen met een handicap te faciliteren bij openbare evenementen en bijeenkomsten die worden georganiseerd door de instellingen of in hun kantoren worden gehouden, door te voorzien in ondertiteling en vertolking in gebarentaal, documenten in brailleschrift en gemakkelijk te lezen formaten;

174.  roept de raad van bestuur van de Europese scholen, waaronder de Commissie, op tot het garanderen van inclusief, kwalitatief hoogwaardig onderwijs aan de Europese scholen, in overeenstemming met de vereisten van het CRPD betreffende multidisciplinaire beoordelingen, de integratie van kinderen met een handicap en het bieden van redelijke aanpassingen, waarbij de betrokkenheid van ouders met een handicap moet worden gegarandeerd;

175.  verzoekt de instellingen het werk van het Europees agentschap voor aangepast en inclusief onderwijs te steunen en te promoten;

176.  roept de EU op om de regels van de communautaire regeling voor ziektekostenverzekering, het pensioenstelsel en de maatregelen betreffende sociale zekerheid en sociale bescherming voor mensen met een handicap te evalueren om te garanderen dat personen met een handicap niet worden gediscrimineerd en gelijke kansen krijgen, onder meer door te erkennen dat de gezondheidsbehoeften bij een handicap anders zijn dan bij ziekte en door zelfstandig leven en werken te bevorderen door bijkomende kosten voor materiaal of diensten die noodzakelijk zijn voor het werk (bijvoorbeeld een brailleprinter, hoorapparaten, gebarentolk, ondertiteling enz.) volledig terug te betalen;

177.  spoort de instellingen, agentschappen en organen aan om, als onderdeel van een open proces dat inclusief is voor personen met een handicap, te garanderen dat het bestaande ambtenarenstatuut volledig en effectief in overeenstemming met het CRPD ten uitvoer wordt gelegd, en dat interne regels en uitvoeringsbepalingen worden ontwikkeld met volledige toepassing van de CRPD-bepalingen, teneinde de slotopmerkingen ten uitvoer te leggen;

178.  roept op tot het aanbieden van adequate redelijke aanpassingen voor personen met een handicap – of personen met van hen afhankelijke familieleden met een handicap – die in dienst zijn bij de Europese instellingen, gebaseerd op hun behoeften en op het CRPD, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de behoeften van ouders met een handicap;

179.  spoort de instellingen aan een uitgebreid beleid voor aanwerving, behoud en promotie van personeel aan te nemen, met onder meer tijdelijke positieve maatregelen die actief zijn gericht op het verhogen van het aantal personeelsleden en stagiairs met een handicap, waaronder psychosociale en verstandelijke handicaps, en te voorzien in redelijke aanpassingen voor stagiairs op basis van artikel 5 van Richtlijn 2000/78/EG;

180.  beveelt aan uitgebreide CRPD-opleidingsmodules te ontwikkelen in overleg met organisaties van personen met een handicap, waarbij de nadruk moet liggen op medewerkers in het veld, management en openbare aanbesteding;

181.  spoort de EU-instellingen aan hun inhoud op internet en hun apps, waaronder hun intranet en alle documenten en audiovisuele inhoud, toegankelijk te maken, en er tevens voor te zorgen dat hun gebouwen fysiek toegankelijk zijn;

182.  dringt er bij de Commissie op aan nauw samen te werken met de andere EU-instellingen, organen en agentschappen, alsmede met de lidstaten, met het oog op het coördineren van een doeltreffende en systematische follow-up van de slotopmerkingen, eventueel via een strategie over de uitvoering van het CRPD;

183.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan er bij de tenuitvoerlegging van hun respectieve slotopmerkingen voor te zorgen dat overleg plaatsvindt met organisaties van personen met een handicap en dat deze gestructureerd en stelselmatig bij een en ander worden betrokken;

184.  is met betrekking tot artikel 35 van het CRPD, dat de lidstaten die het verdrag ondertekend hebben ertoe verplicht een eerste verslag en vervolgens follow-upverslagen over de uitvoering van het verdrag uit te brengen, van mening dat deze verslagen om de vier jaar moeten worden ingediend en in samenspraak met organisaties van personen met een handicap moeten worden opgesteld;

o
o   o

185.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 23 van 27.1.2010, blz. 35.
(2) CRPD/C/EU/CO/1.
(3) CRPD/C/EU/Q/1.
(4) A/RES/64/142.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(6) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0059.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0321.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0320.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0286.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0261.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0208.
(13) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 130.
(14) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 9.
(15) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 23.
(16) HvJ-EU, arrest van 11 april 2013, gevoegde zaken C-335/11 en C-337/11, HK Danmark, punten 29 en 30; HvJ‑EU, arrest van 18 maart 2014, zaak C-363/12, Z., punt 73; HvJ-EU, arrest van 22 mei 2014, zaak C-356/12, Glatzel, punt 68.
(17) FRA-verslag: Geweld tegen kinderen met een handicap: wetgeving, beleid en programma’s in de EU" (http://fra.europa.eu/sites/default/files/fra_uploads/fra-2015-violence-against-children-with-disabilities_en.pdf)
(18) FRA-verslag: Geweld tegen vrouwen: een EU-breed onderzoek. Voornaamste resultaten: http://fra.europa.eu/sites/default/files/fra-2014-vaw-survey-main-results-apr14_en.pdf
(19) Van Straaten et al. (2015). Self-reported care needs of Dutch homeless people with and without a suspected intellectual disability: a 1.5-year follow-up study. In: Health Soc Care Community, 1 oktober 2015. Elektronische publicatie, 1 oktober 2015.
(20) EU-SILC 2012.
(21) PB C 56 E van 26.2.2013, blz. 41.
(22) COM(2015)0615.
(23) PB C 45 E van 23.2.2010, blz. 71.


Bezwaar tegen een uitvoeringshandeling: toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen
PDF 260kWORD 69k
Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2016 over het ontwerp van verordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 432/2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan (D44599/02 – 2016/2708(RPS))
P8_TA(2016)0319B8-0842/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van verordening van de Commissie (D44599/02),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen(1), en met name artikel 13, lid 3,

–  gezien het advies van 12 april 2016 van het in artikel 25, lid 1, van bovengenoemde verordening bedoelde comité,

–  gezien artikel 5 bis, lid 3, onder b), van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(2),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3 en lid 4, onder c), van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1924/2006 de Commissie verplicht is om tegen 19 januari 2009 specifieke voedingsprofielen op te stellen waaraan levensmiddelen of bepaalde categorieën levensmiddelen moeten voldoen om van voedings- of gezondheidsclaims voorzien te mogen zijn, evenals de voorwaarden voor het gebruik van voedings- of gezondheidsclaims met betrekking tot de voedingsprofielen;

B.  overwegende dat overeenkomstig artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1924/2006 onder gezondheidsclaim wordt verstaan een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat er een verband bestaat tussen een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan en de gezondheid;

C.  overwegende dat er terecht bezorgdheid bestaat over het feit dat de claims dat cafeïne bijdraagt aan een toename van de alertheid en dat cafeïne bijdraagt aan een verbetering van de concentratie geen verband aantonen tussen de consumptie van cafeïne en de gezondheid;

D.  overwegende dat de Commissie deze voedingsprofielen nog niet heeft opgesteld;

E.  overwegende dat een blikje energiedrank van 250 ml tot 27 g suiker en 80 mg cafeïne kan bevatten;

F.  overwegende dat de Wereldgezondheidsorganisatie aanbeveelt dat volwassenen en kinderen ten hoogste 10% van hun dagelijkse energie-inname via vrije suikers binnenkrijgen, en dat een verdere reductie tot minder dan 5% (ongeveer 25g) per dag aanvullende gezondheidsvoordelen zou opleveren(3);

G.  overwegende dat de EFSA over bewijzen beschikt dat een hoge inname van suikers in de vorm van met suikers gezoete dranken tot gewichtstoename zou kunnen leiden;

H.  overwegende dat het gebruik van de voorgestelde gezondheidsclaims waarschijnlijk tot een grotere consumptie van energiedranken zal leiden en dat er redelijkerwijs vanuit kan worden gegaan dat de dagelijkse inname van suiker en cafeïne hierdoor boven de aanbevolen dagelijkse inname zal komen te liggen;

I.  overwegende dat artikel 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 1924/2006 het gebruik van gezondheidsclaims die de excessieve consumptie van een levensmiddel stimuleren, verbiedt;

J.  overwegende dat op grond van de ontwerpverordening van de Commissie, de claims dat cafeïne bijdraagt aan een toename van de alertheid en dat cafeïne bijdraagt aan een verbetering van de concentratie niet mogen worden gebruikt voor levensmiddelen die voor kinderen en tieners bedoeld zijn;

K.  overwegende dat tieners de grootste groep consumenten van energiedranken vertegenwoordigen;

L.  overwegende dat 68% van de tieners en 18% van de kinderen regelmatig energiedranken drinken;

M.  overwegende dat de vrijwillige gedragscode voor het in de handel brengen en de etikettering van energiedranken (Code of Practice for the Marketing and Labelling of Energy Drinks) van de energiedrankindustrie slechts de afspraak bevat om geen energiedranken voor kinderen jonger dan 12 jaar in de handel te brengen(4);

N.  overwegende dat het in de praktijk moeilijk is erop toe te zien dat energiedranken met de voorgestelde claims niet aan kinderen worden verkocht, ongeacht of ze op kinderen of tieners gericht zijn, hetgeen betekent dat het doel van de met de voorgestelde claims verbonden gebruiksvoorwaarde niet wordt bereikt; overwegende dat sowieso niets de marketing van dergelijke dranken aan tieners in de weg staat;

O.  overwegende dat overeenkomstig artikel 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 1924/2006 de gebruikte voedings- en gezondheidsclaims niet dubbelzinnig of misleidend mogen zijn;

P.  overwegende dat de voorwaarde of beperking dat de voorgestelde claims niet gebruikt mogen worden voor op kinderen of tieners gerichte levensmiddelen de claims dubbelzinnig maakt wat betreft de mogelijke negatieve effecten van dergelijke levensmiddelen voor de menselijke gezondheid;

Q.  overwegende dat de Commissie in het verleden geweigerd heeft (zoals bevestigd door het arrest van het Gerecht in de zaak Dextro Energy tegen de Europese Commissie) vergunningen toe te kennen voor claims die consumenten tegenstrijdig en dubbelzinnig informeerden, zelfs indien de vergunningen afhankelijk werden gemaakt van specifieke gebruiksvoorwaarden en/of indien aan de claims bijkomende informatie of waarschuwingen werden toegevoegd(5);

R.  overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid in haar wetenschappelijk advies over de veiligheid van cafeïne heeft geconcludeerd er onvoldoende informatie beschikbaar is op basis waarvan een veilig niveau van cafeïnegebruik voor kinderen kan worden vastgesteld maar dat een gebruik van 3 mg per kg lichaamsgewicht per dag de veiligheid van kinderen en tieners waarschijnlijk niet in gevaar brengt(6);

S.  overwegende dat in artikel 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 1924/2006 is bepaald dat voedings- en gezondheidsclaims niet "de excessieve consumptie van een levensmiddel [mogen] stimuleren of vergoelijken";

T.  overwegende dat 25% van de tieners die energiedranken drinken, drie of meer blikjes achter elkaar drinken en dat de voorgestelde claims de consumptie van nog grotere hoeveelheden van dergelijke energiedranken in de hand zouden kunnen werken;

U.  overwegende dat de voorgestelde waarschuwing (gebruiksvoorwaarden) geen enkele waarschuwing bevat betreffende de maximale consumptie per afzonderlijke inname, maar uitsluitend betrekking heeft op de maximale dagelijkse inname;

V.  overwegende dat energiedranken in verband zijn gebracht met hoofdpijn, slaapproblemen en gedragsproblemen bij kinderen en tieners die deze dranken regelmatig consumeren;

1.  maakt bezwaar tegen de vaststelling van het ontwerp van verordening van de Commissie;

2.  is van mening dat het ontwerp van verordening van de Commissie niet verenigbaar is met het doel en de inhoud van Verordening (EG) nr. 1924/2006;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van verordening in te trekken;

4.  verzoekt de lidstaten te overwegen regels in te voeren voor het in de handel brengen van dranken met een hoog cafeïnegehalte of levensmiddelen met toegevoegde cafeïne voor kinderen en tieners;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 404 van 30.12.2006, blz. 9.
(2) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(3) http://apps.who.int/iris/bitstream/10665/149782/1/9789241549028_eng.pdf?ua=1
(4) http://www.energydrinkseurope.org/wp-content/uploads/2015/01/FINAL_EDE-Code-of-Practice_clean_250914.pdf
(5) Zie het arrest van het Gerecht van 16 maart 2016 in de zaak Dextro Energy, T-100/15, EU:T:2016:150, paragraaf 74.
(6) http://www.efsa.europa.eu/sites/default/files/consultation/150115.pdf

Juridische mededeling - Privacybeleid