Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2247(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0019/2017

Ingediende teksten :

A8-0019/2017

Debatten :

PV 14/02/2017 - 19
CRE 14/02/2017 - 19

Stemmingen :

PV 15/02/2017 - 7.14

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0041

Aangenomen teksten
PDF 318kWORD 59k
Woensdag 15 februari 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
De bankenunie – jaarverslag 2016
P8_TA(2017)0041A8-0019/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over de bankenunie – jaarverslag 2016 (2016/2247(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Actieplan inzake een kapitaalmarktenunie van de Commissie van 30 september 2015 (COM(2015)0468),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de inventarisatie en uitdagingen van de EU-verordening financiële diensten: impact en op weg naar een efficiënter en doeltreffender EU-kader voor financiële regelgeving en een kapitaalmarktenunie(1),

–  gezien de verklaring van de top van de eurozone van 29 juni 2012 waarin het voornemen kenbaar werd gemaakt om "de vicieuze cirkel tussen de banken en de overheden te doorbreken"(2),

–  gezien de eerste EU Shadow Banking Monitor van het Europees Comité voor systeemrisico's van juli 2016,

–  gezien het Global Financial Stability Report van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) van 2016,

–  gezien de resultaten van de stresstests zoals gehouden door de Europese Bankenautoriteit (EBA) en gepubliceerd op 29 juli 2016,

–  gezien de resultaten van de monitoring van CRD IV - CRR/Basel III zoals gehouden door de EBA op basis van gegevens van december 2015 en bekendgemaakt in september 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad Ecofin van 17 juni 2016 over een routekaart voor het voltooien van de bankenunie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van dinsdag 24 november 2015 getiteld "Naar de voltooiing van de bankenunie" (COM(2015)0587),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 die aan de Europese Centrale Bank specifieke taken opdraagt betreffende het beleid inzake prudentieel toezicht op kredietinstellingen(3) (GTM-verordening),

–  gezien Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten(4) (GTM-kaderverordening),

–  gezien de GTM-verklaring over de prioriteiten op het gebied van toezicht voor 2016,

–  gezien het jaarverslag van de ECB over haar toezichtswerkzaamheden in 2015 van maart 2016(5),

–  gezien Speciaal verslag nr. 29/2016 van de Europese Rekenkamer over het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme(6),

–  gezien het verslag van de EBA over de dynamiek en de aanjagers van niet-renderende posities in de bankensector in de EU van juli 2016,

–  gezien het verslag van het Europees Comité voor systeemrisico's over de wettelijke behandeling van blootstellingen aan staatsschulden van maart 2015,

–  gezien de goedkeuring door de raad van bestuur van de ECB van 4 oktober 2016 van beginselen om de transparantie te verhogen bij de uitwerking van ECB-voorschriften inzake Europese statistiek, en rekening houdend met de praktijken van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie aangaande transparantie,

–  gezien de ECB-raadpleging over haar ontwerprichtsnoeren voor banken betreffende oninbare leningen van september 2016,

–  gezien de ECB-gids over de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt,

–  gezien Verordening (EU) 2016/445 van de Europese Centrale Bank van 14 maart 2016 betreffende de manier waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt(7),

–  gezien de lopende gesprekken in het Bazels Comité en met name het raadplegingsdocument getiteld "Reducing variation in credit risk-weighted assets – constraints on the use of internal model approaches" van maart 2016,

–  gezien het verslag van de EBA van 3 augustus 2016 inzake de hefboomratiovereisten uit hoofde van artikel 511 van de kapitaalvereistenverordening (VKV) (EBA-Op-2016-13),

–  gezien de conclusies van de Raad Ecofin van dinsdag 12 juli 2016 over een routekaart voor het voltooien van de bankenunie,

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen(8),

–  gezien zijn resolutie van woensdag 23 november 2016 over de afronding van Bazel III(9),

–  gezien het lopende werk van de Commissie aan de herziening van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012(10) (CRR), met name wat betreft de herziening van pijler 2 en de behandeling van nationale keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte,

–  gezien Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU, en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad(11) (BRRD),

–  gezien Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010(12) (GAM-verordening),

–  gezien het jaarverslag 2015 van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) van juli 2016,

–  gezien de mededeling van de Commissie over de toepassing, vanaf 1 augustus 2013, van de staatssteunregels op steunmaatregelen ten voordele van banken in het kader van de financiële crisis (de mededeling over het bankwezen)(13),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1450 van de Commissie van 23 mei 2016 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot specificatie van de criteria betreffende de methode voor het vaststellen van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva(14),

–  gezien het verslag van de Commissie over de beoordeling van de beloningsregels uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 van 28 juli 2016 (COM(2016)0510),

–  gezien de lijst van de raad voor financiële stabiliteit (FSB) van voorwaarden voor totale verliesabsorberende capaciteit (TLAC) van november 2015,

–  gezien het werkdocument van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) nr. 558 van april 2016 getiteld "Why bank capital matters for monetary policy",

–  gezien het tussentijds verslag van de EBA over de tenuitvoerlegging en het ontwerp van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) van 19 juli 2016,

–  gezien het aanvullende analyseverslag van de Commissie van oktober 2016 over de effecten van het voorstel voor een Europees depositogarantiestelsel (EDIS),

–  gezien het eindverslag van de EBA over de tenuitvoerlegging en het ontwerp van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) van 14 december 2016,

–  gezien het akkoord over de transfer en mutualisering van bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, en met name artikel 16,

–  gezien het Memorandum of Understanding tussen de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad en de Europese Centrale Bank over samenwerking en informatieuitwisseling van 22 december 2015,

–  gezien Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels(15) (DGDS),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 24 november 2015 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met het oog op de instelling van een Europees depositoverzekeringsstelsel (COM(2015)0586),

–  gezien de verschillende EBA-richtsnoeren zoals opgesteld in het kader van de richtlijn inzake depositogarantiestelsels, met name de definitieve verslagen over richtsnoeren over samenwerkingsovereenkomsten tussen depositogarantiestelsels van februari 2016 en over richtsnoeren over stresstests van depositogarantiestelsels van mei 2016,

–  gezien de verklaring van de Eurogroep en de Ecofin-ministers van 18 december 2013 over het achtervangmechanisme van het GAM,

–  gezien de verklaring van de Raad van 8 december 2015 over de bankenunie en overbruggende financieringsregelingen voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0019/2017),

A.  overwegende dat de oprichting van de bankenunie (BU) een onmisbare component van een monetaire unie vormt en een fundamentele bouwsteen is van een daadwerkelijke Economische en Monetaire Unie (EMU); overwegende dat er meer inspanningen nodig zijn, aangezien de bankenunie niet voltooid is zolang ze geen budgettair achtervangmechanisme en een derde pijler omvat, omdat dit een Europese benadering is van een depositogarantiestelsel, waarover op dit moment op commissieniveau wordt gedebatteerd; overwegende dat een voltooide bankenunie een belangrijke bijdrage zal leveren om de link tussen overheden en risico's te breken;

B.  overwegende dat de Europese Centrale Bank (ECB) in bepaalde situaties met belangenconflicten te kampen kan hebben vanwege haar tweeledige verantwoordelijkheid als autoriteit voor het monetair beleid en toezichthouder op de banken;

C.  overwegende dat de kapitaal- en liquiditeitsratio's van EU-banken de voorbije jaren in het algemeen steeds verder zijn verbeterd; overwegende dat er desalniettemin nog wel risico's bestaan voor de financiële stabiliteit; overwegende dat gezien de huidige situatie voorzichtig moet worden omgegaan met het introduceren van ingrijpende wijzigingen aan de regelgeving, vooral met het oog op het klimaat voor de financiering van de reële economie;

D.  overwegende dat een stevige opschoning van de balansen van banken na de crisis is uitgebleven, en dat dit de economische groei nog steeds hindert;

E.  overwegende dat het niet de taak van de Europese instellingen is om de winstgevendheid van de bankensector te verzekeren;

F.  overwegende dat het nieuwe afwikkelingsregime, dat in januari 2016 in werking is getreden, een koerswijziging moet teweegbrengen van bail-outs naar bail-ins; overwegende dat de marktdeelnemers zich het nieuwe systeem nog eigen moeten maken;

G.  overwegende dat de bankenunie openstaat voor deelname van lidstaten die de euro nog niet hebben ingevoerd;

H.  overwegende dat alle lidstaten die de euro als munt hebben de bankenunie vormen; overwegende dat de euro de munteenheid van de Europese Unie is; overwegende dat alle lidstaten, met uitzondering van die met een uitzondering, zich ertoe hebben verbonden zich bij de eurozone en bijgevolg ook bij de bankenunie aan te sluiten;

I.  overwegende dat transparantie en verantwoordingsplicht van de Commissie ten opzichte van het Europees Parlement sleutelbeginselen zijn; overwegende dat dit impliceert dat de Commissie voor een goede follow-up van de aanbevelingen van het Parlement moet zorgen, en dat het Parlement hier toezicht op moet uitoefenen;

J.  overwegende dat onze werkzaamheden rond de kapitaalmarktenunie de druk om de werkzaamheden rond de bankenunie te voltooien niet mogen doen afnemen, aangezien dit nog altijd van essentieel belang is voor de financiële stabiliteit in het van banken afhankelijke landschap van de Europese Unie;

K.  overwegende dat uit recente gegevens blijkt dat de oninbare leningen in de eurozone naar schatting goed zijn voor EUR 1 132 miljard(16);

Toezicht

1.  vindt het hoge niveau van oninbare leningen voor banken in de eurozone, dat volgens gegevens van de ECB in april 2016 EUR 1 014 miljard bedroeg, zorgwekkend; acht het van cruciaal belang om dit niveau te verlagen; is ingenomen met de inspanningen die in sommige lidstaten reeds zijn geleverd om het niveau van de oninbare leningen te reduceren; stelt evenwel vast dat deze kwestie tot nu toe vrijwel uitsluitend op lidstaatniveau is aangepakt; is van oordeel dat het probleem op zo kort mogelijke termijn moet worden opgelost, maar erkent dat een definitieve oplossing niet zo één-twee-drie voorhanden ligt; is van mening dat bij alle voorgestelde oplossingen rekening moet worden gehouden met de bron van de oninbare leningen, de effecten op het vermogen van de banken om kredieten aan de reële economie te verstrekken, en de noodzaak van het ontwikkelen van een primaire en secundaire markt voor oninbare leningen, mogelijkerwijs in de vorm van veilige en transparante securitisatie op zowel Unie-, als lidstaatniveau; beveelt aan dat de Commissie de lidstaten ondersteunt bij - onder andere - de oprichting van speciale ondernemingen voor vermogensbeheer (of 'bad banks') en versterkt toezicht; wijst er in dit verband nogmaals op dat het belangrijk is dat oninbare leningen verkocht moeten kunnen worden om kapitaal vrij te maken, hetgeen vooral belangrijk is voor de kredietverstrekking door banken aan kmo's; juicht de raadpleging van de ECB over ontwerprichtsnoeren voor banken met betrekking tot oninbare leningen -als een eerste stap - toe, maar is van mening dat er meer substantiële vorderingen moeten worden gemaakt; verwelkomt het voorstel van de Commissie inzake insolventie en herstructureringen, met inbegrip van snelle herstructureringen en tweede kansen, in het kader van de kapitaalmarktenunie; verzoekt de lidstaten hun wetgeving in kwestie, en in het bijzonder die aangaande de duur van de terugvorderingsprocedures, de werking van de justitiële systemen en - in het algemeen - de herstructurering van schulden, nog voordat deze wordt goedgekeurd en teneinde deze te vervolledigen, te verbeteren, en de noodzakelijke duurzame structurele hervormingen door te voeren, met het oog op herstel van de economische groei en het aanpakken van de oninbare leningen; neemt er kennis van dat sommige banken in de eurozone in de crisisjaren volgens de Bank voor Internationale Betalingen hun kapitaalbasis hebben uitgehold door aanzienlijke dividenden uit te keren, en soms zelfs dividenden hoger lagen dan de ingehouden winst; is van mening dat de kapitaalpositie van banken kan worden versterkt door de dividenden te verlagen en nieuw vermogen aan te trekken;

2.  spoort alle lidstaten die de euro nog niet hebben ingevoerd ertoe aan om de nodige stappen te zetten om dat wel te doen, of om zich aan te sluiten bij de BU, teneinde de BU geleidelijk aan in lijn te brengen met de volledige interne markt;

3.  is bezorgd over de sluimerende instabiliteit van de bankensector in Europa, die onder meer voor het voetlicht werd gebracht in het Global Financial Stability Report 2016 van het IMF, waarin staat dat Europa zelfs bij een cyclisch herstel een groot aantal zwakke banken en banken met problemen zou blijven tellen; wijst op de geringe winstgevendheid van een aantal instellingen in de eurozone; wijst erop dat hiervoor vaak redenen worden genoemd als het niveau van oninbare leningen, het rentevoetklimaat en eventuele vraagzijdekwesties; sluit zich aan bij de oproep van het IMF om fundamentele veranderingen door te voeren in zowel de ondernemingsmodellen van de banken, als de structuur van het bankenstelsel om een gezond Europees bankenstelsel te verzekeren;

4.  is van oordeel dat er aan staatsschuld risico's verbonden zijn; merkt verder op dat financiële instellingen in sommige lidstaten bovenmatig in door hun eigen overheid uitgegeven obligaties hebben belegd, wat tot een buitensporige nationale vooringenomenheid leidt, terwijl een van de voornaamste doelstellingen van de bankenunie het juist is het risico als gevolg van de onderlinge verwevenheid van banken en staatsschulden te verkleinen; wijst erop dat een passende prudentiële behandeling van staatsschulden voor banken een stimulans zou kunnen zijn om hun blootstelling aan de gevaren van staatsobligaties beter te beheren; wijst er overigens op dat staatsobligaties een cruciale rol spelen als bron van hoogwaardig, liquide zekerheden en bij het voeren van monetair beleid, en dat het wijzigen van de prudentiële behandeling ervan, met name indien hierbij niet voor een geleidelijke aanpak wordt gekozen, aanzienlijke gevolgen voor zowel de financiële als de publieke sector zou kunnen hebben, hetgeen betekent dat de voors en tegens van een herziening van het huidige kader zorgvuldig tegen elkaar moeten worden afgewogen alvorens een voorstel wordt gepresenteerd; neemt nota van de diverse beleidsopties in het rapport van de werkgroep op hoog niveau inzake de prudentiële behandeling van de blootstelling aan staatsschulden, dat tijdens de informele bijeenkomst van Ecofin op 22 april 2016 werd behandeld; is van oordeel dat het regelgevingskader van de EU met de internationale norm zou moeten stroken; wacht dan ook met veel belangstelling op het resultaat van het werk van de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) met betrekking tot staatsschuld, als leidraad voor verdere besluiten; is van mening dat het Europese kader marktdiscipline mogelijk moet maken door een duurzaam beleid te voeren en te voorzien in kwalitatief hoogwaardige en liquide activa voor de financiële sector en veilige passiva voor overheden; beklemtoont dat niet alleen over staatsschuld moet worden nagedacht, maar ook over het bereiken van overeenstemming over een breder scala aan economische kwesties, over staatssteunregels en risico's zoals wangedrag, inclusief financiële strafbare feiten;

5.  acht het voor depositohouders, beleggers en toezichthoudende instanties uitermate belangrijk de buitensporige verschillen aan te pakken in de risicogewichten die worden toegepast op risico-gewogen activa van dezelfde categorie tussen instellingen; herinnert eraan dat de huidige regels voor het gebruik van interne modellen banken een aanzienlijke mate van flexibiliteit bieden en vanuit het oogpunt van de toezichthouder een extra dimensie van risicomodellering toevoegen; verwelkomt in dit verband het werk van de EBA op het vlak van het harmoniseren van belangrijke premissen en parameters, waarvan de onderlinge verschillen als één van de belangrijkste veroorzakers van variabiliteit zijn geïdentificeerd, alsook het werk dat in het kader van het ECB-project 'Targeted Review of Internal Models' (TRIM) is gedaan met het oog op het beoordelen en toetsen van de adequaatheid en geëigendheid van de interne modellen; dringt erop aan hier nog meer vooruitgang te boeken; kijkt uit naar de resultaten van het werk dat op internationaal vlak wordt gedaan om het gebruik van interne modellen in het geval van operationele risico's en leningen aan bedrijven, andere financiële instellingen, en gespecialiseerde financierings- en equitybanken te stroomlijnen, teneinde de geloofwaardigheid van die modellen te herstellen en ervoor te zorgen dat zij worden toegespitst op die gebieden waar zij een toegevoegde waarde betekenen; verwelkomt daarnaast de introductie van een hefboomratio als een robuust vangnet, in het bijzonder voor instellingen van wereldwijd systeembelang; beklemtoont de noodzaak van een meer risicogevoelige standaardaanpak, teneinde de naleving van het principe "dezelfde risico's, dezelfde regels" te verzekeren; verzoekt de financiële toezichthouders nieuwe interne modellen alleen toe te staan als zij niet tot aanzienlijk lagere ongerechtvaardigde risicogewichten leiden; herhaalt de conclusies van zijn resolutie van 23 november 2016 over de afronding van Bazel III; herinnert er in het bijzonder aan dat de geplande wijzigingen in de regelgeving niet tot een algemene toename van de kapitaalvereisten moeten leiden, noch negatief moeten uitwerken op het vermogen van banken om de reële economie, en met name kmo's, te financieren; beklemtoont dat bij de internationale activiteiten in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel in acht moet worden genomen; herinnert eraan dat het belangrijk is het Europees bankenmodel geen buitensporige lasten op te leggen, en discriminatie tussen EU- en internationale banken te vermijden; dringt er bij de Commissie op aan erop toe te zien dat indien op dit vlak nieuwe internationale normen worden ontwikkeld naar behoren met de specifieke Europese omstandigheden rekening wordt gehouden, alsook met het evenredigheidsbeginsel en het bestaan van verschillende bankmodellen bij de beoordeling van de gevolgen van toekomstige wetgeving tot uitvoering van internationaal overeengekomen normen;

6.  benadrukt dat de betrouwbare toegang tot financiering en de correcte toewijzing van kapitaal in de op banken gebaseerde financieringsmodellen van Europa sterk afhankelijk zijn van robuuste balansen en een gedegen kapitalisering, waarvan het herstel na de financiële crises niet in de gehele Unie op uniforme wijze was en is verzekerd, wat de economische groei hindert;

7.  onderstreept dat de Europese bankensector een essentiële rol speelt in de financiering van de Europese economie en dat die rol wordt ondersteund door een sterk stelsel van toezicht; is daarom ingenomen met het voornemen van de Commissie om de kmo-ondersteunende factor te behouden bij de toekomstige herziening van de RKV/VKV en deze factor op te trekken tot boven de huidige drempel;

8.  geeft aan dat de adviezen van internationale fora zo veel als mogelijk moeten worden opgevolgd om versnippering van de regelgeving voor en het toezicht op grote, internationaal opererende banken te vermijden, zonder overigens een kritische benadering - wanneer daar behoefte aan is - op te geven of uit te sluiten dat in bepaalde gevallen, namelijk indien en wanneer in onvoldoende mate rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van het Europese systeem, van internationale normen zal worden afgeweken; herinnert aan de conclusies van zijn resolutie van 12 april 2016 over de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen, benadrukt in het bijzonder het belang van de rol van de Commissie, de ECB en de EBA om betrokken te worden bij de werkzaamheden van het BCBS, alsook het Europees Parlement en de Raad te voorzien van transparante en uitgebreide updates over de status van de ontwikkeling van de BCBS-besprekingen; is van mening dat de EU moet werken aan een passende vertegenwoordiging in het BCBS, met name voor de eurozone; dringt aan op een sterkere zichtbaarheid van deze rol tijdens Ecofin-vergaderingen, evenals op een verhoogde verantwoording richting de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement; beklemtoont dat het BCBS en andere fora gelijke randvoorwaarden op mondiaal niveau tot stand moeten helpen brengen middels het verkleinen – in plaats van het vergroten – van de verschillen tussen jurisdicties;

9.  wijst op de risico's, waaronder systeemrisico's, van het snelgroeiende schaduwbankieren, zoals is aangetoond in de "EU Shadow Banking Monitor" 2016; benadrukt het feit dat acties op het gebied van regulering van de bankensector vergezeld moeten worden door passende regulering van het schaduwbankieren; roept derhalve op tot gecoördineerde actie om eerlijke mededinging en financiële stabiliteit te verzekeren;

10.  benadrukt de noodzaak van een uitgebreid overzicht van de cumulatieve gevolgen van de verschillende wijzigingen in het regelgevend kader, ongeacht of deze betrekking hebben op toezicht, verliesabsorptie, afwikkeling of boekhoudkundige normen;

11.  beklemtoont dat nationale keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte belemmerend kunnen werken voor de totstandbrenging van gelijke randvoorwaarden tussen de lidstaten en voor de vergelijkbaarheid van de financiële verslaglegging door banken aan het publiek; juicht het toe dat het nieuwe voorstel voor wijziging van de VKV de mogelijkheid inhoudt het gebruik van sommige daarvan op EU-niveau af te sluiten of te beperken, teneinde de bestaande obstakels en segmentering aan te pakken, en alleen die te behouden die vanwege de diversiteit aan bankmodellen absoluut noodzakelijk zijn; dringt erop aan deze mogelijkheid volledig te benutten; is verheugd over de adviezen en regelgeving van de ECB, waarmee de benutting van de nationale keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte in de bankenunie wordt geharmoniseerd; herinnert er overigens aan dat de ECB zich bij het reduceren van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte aan haar mandaat moet houden; benadrukt dat het essentieel is verder te werken aan het verdiepen van het gemeenschappelijke rulebook, en onderstreept de noodzaak om de huidige overlapping en verstrengeling van bestaande, gewijzigde en nieuwe wetgeving te stroomlijnen; verzoekt de ECB het toezichtshandboek - met daarin de gemeenschappelijke processen, procedures en methoden voor het uitvoeren van een herziening van de regels voor toezicht in de hele eurozone - volledig openbaar te maken;

12.  benadrukt dat er sinds de oprichting van het GTM een natuurlijk leerproces heeft plaatsgevonden voor alle leden van de raad van toezicht om te leren omgaan met allerlei verschillende bedrijfsmodellen en entiteiten van verschillende omvang, en dat dit proces moet worden ondersteund en versneld;

13.  neemt kennis van de verduidelijking van de doelstellingen van pijler 2, alsook van de plaats ervan in de pikorde van kapitaalvereisten zoals voorgesteld in de wijzigingen van de richtlijn kapitaalvereisten (RKV); merkt op dat kapitaalrichtsnoeren bijdragen tot het tot stand brengen van evenwicht tussen de doelstelling van financiële stabiliteit enerzijds en de behoefte om ruimte te laten voor beoordelingen door de toezichthouder en analyses per geval anderzijds; roept de ECB op de criteria te verduidelijken die de richtsnoeren voor pijler 2 ondersteunen; herinnert eraan dat deze richtsnoeren het maximaal uitkeerbare bedrag (MDA) niet beperken en bekendmaking ervan derhalve niet nodig is; is van oordeel dat kapitaalrichtsnoeren niet mogen leiden tot een aantoonbare verlaging van de vereisten van pijler 2; is van mening dat, om aan de vereisten en richtsnoeren van pijler 2 te voldoen, meer convergentie op het gebied van toezicht noodzakelijk is; juicht het derhalve toe dat hieraan in het voorstel voor wijziging van de RKV aandacht wordt besteed;

14.  benadrukt de risico's die voortvloeien uit het aanhouden van activa van niveau 3, inclusief derivaten, en met name uit de moeilijkheden bij de waardering ervan; is van oordeel dat deze risico's moeten worden gereduceerd en dat het met het oog hierop nodig is de portfolio's van dit soort activa geleidelijk te verkleinen; roept het GTM op om van deze kwestie een van zijn toezichthoudende prioriteiten te maken en om, samen met de EBA, een kwantitatieve stresstest hiervoor te organiseren;

15.  herinnert aan de behoefte om grotere transparantie te waarborgen voor de volledige reeks toezichthoudende praktijken, met name in de SREP-cyclus; verzoekt de ECB prestatie-indicatoren en statistieken te publiceren, teneinde de doeltreffendheid van het toezicht aan te tonen en zijn externe verantwoordingsplicht te versterken; herhaalt zijn oproep tot meer transparantie met betrekking tot besluiten en motiveringen in het kader van pijler 2; verzoekt de ECB om gemeenschappelijke controlestandaarden te publiceren;

16.  wijst op de risico's van financiële instellingen die 'too big to fail', 'too interconnected to fail' en 'too complex to resolve' zijn; stelt vast dat overeenstemming is bereikt over een reeks op internationaal niveau uitgewerkte beleidsmaatregelen om deze risico's aan te pakken (met name TLAC, centrale clearing van derivaten, en toevoeging aan de kapitaal- en hefboomratio voor wereldwijde systeembanken); zegt toe snel desbetreffende wetgevingsvoorstellen uit te werken voor de tenuitvoerlegging ervan in de Unie, waarmee de risico's van financiële instellingen van het type 'too big to fail' verder worden gereduceerd; herinnert aan de woorden van Mark Carney, voorzitter van de FSB, die erop neerkwamen dat overeenstemming over voorstellen voor een gemeenschappelijke internationale standaard voor de totale verliesabsorptiecapaciteit voor G-SIB's een keerpunt vormt om banken die als 'too big to fail' worden beschouwd een halt toe te roepen; stelt verder vast dat een doeltreffend 'bail-in'-mechanisme en de toepassing van een passend niveau van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva belangrijke elementen vormen van de regelgevingsmaatregelen voor het aanpakken van deze kwestie, en ertoe bijdragen dat het probleem van wereldwijde systeembanken kan worden opgelost zonder de inzet van overheidssteun en zonder verstoring van het financiële systeem als zodanig;

17.  benadrukt de beperkingen van de huidige stresstestmethodologie; is derhalve ingenomen met de inspanningen van de EBA en de ECB om verbeteringen aan te brengen aan het kader voor stresstests; is echter van mening dat er meer moet worden gedaan om de kans op en realiteit van daadwerkelijke crisissituaties te weerspiegelen door, onder andere, meer dynamische elementen, zoals besmettingsgevolgen, beter op te nemen in de methodologie; is van mening dat het gebrek aan transparantie met betrekking tot de eigen stresstests van de ECB op onzekerheid ten aanzien van de toezichthoudende praktijken duidt; roept de ECB op de resultaten van zijn stresstest bekend te maken, teneinde het marktvertrouwen te vergroten;

18.  is van mening dat wanneer een nationale bevoegde autoriteit het verzoek om bij een stresstest rekening te houden met specifieke omstandigheden afwijst, dit aan de EBA en het GTM moet worden meegedeeld om gelijke randvoorwaarden te waarborgen;

19.  is verheugd over de voortgang die is gemaakt bij de voorbereidingen om enige delegatie mogelijk te maken op het gebied van betrouwbare en deskundige besluiten; geeft desalniettemin aan dat een wijziging in de regelgeving noodzakelijk is om de besluitvorming ten aanzien van bepaalde routinekwesties vaker en sneller van de raad van toezicht naar bevoegde ambtenaren over te hevelen; zou ingenomen zijn met een dergelijke wijziging die het toezicht door de ECB op banken doeltreffender en efficiënter zou maken; roept de ECB op om de taken en het juridische kader voor de delegatie van besluitvorming te specificeren;

20.  neemt nota van het verslag van de Europese Rekenkamer over de werking van het GTM; neemt nota van de bevindingen betreffende de ontoereikende personeelsbezetting; roept de nationale bevoegde autoriteiten en de lidstaten op de ECB te voorzien van alle benodigde personele middelen en economische gegevens om haar taak te kunnen vervullen, met name wat inspecties ter plaatse betreft; verzoekt de ECB de GTM-kaderverordening te wijzigen om de verbintenissen van deelnemende nationale bevoegde autoriteiten te formaliseren, en een op risico's gebaseerde methodologie toe te passen om het beoogde aantal personeelsleden en de samenstelling van de vaardigheden binnen de gezamenlijke toezichthoudende teams te bepalen; is van mening dat een grotere betrokkenheid van ECB-personeel en een kleinere rol voor de nationale bevoegde autoriteiten de onafhankelijkheid van het toezicht ten goede zou komen, naast de inzet van personeelsleden van de bevoegde autoriteit van de ene lidstaat om toezicht te houden op een instelling uit een andere lidstaat, hetgeen ook een doeltreffende manier is om het risico op tolerantie door de toezichthouder te voorkomen; is verheugd over de samenwerking van de ECB met het Europees Parlement over de arbeidsomstandigheden van personeel; verzoekt de ECB voor een goede werkomgeving te zorgen, hetgeen de interne professionele cohesie bevordert; herinnert aan het potentiële belangenconflict tussen toezichtstaken en verantwoordelijkheid voor monetair beleid, en op het feit dat deze twee taken duidelijk van elkaar gescheiden moeten zijn; verzoekt de ECB om een risicoanalyse te verrichten inzake mogelijke belangenconflicten en om werk te maken van afzonderlijke verslagleggingslijnen wanneer er specifieke toezichthoudende middelen worden ingezet; is van mening dat, hoewel de scheiding van monetair beleid en toezicht een centraal beginsel vormt, dit geen kostenbesparingen zou moeten uitsluiten die mogelijk zijn door het delen van diensten, mits dergelijke diensten niet cruciaal zijn op het gebied van beleidsvorming en er passende garanties worden ingevoerd; verzoekt de ECB ontwerpen van quasi-wetgevingsmaatregelen aan een publieke raadpleging te onderwerpen, teneinde de verantwoordingsplicht te vergroten;

21.  benadrukt dat de oprichting van het GTM gepaard is gegaan met een toegenomen invloed van de Europese Unie op internationaal niveau in vergelijking met de eerdere situatie;

22.  benadrukt dat de scheiding van toezichthoudende taken van functies op het gebied van monetair beleid het GTM in staat moet stellen een onafhankelijk standpunt in te nemen in alle relevante kwesties, waaronder over de mogelijke gevolgen van de rentevoetdoelstellingen van de ECB op de financiële positie van banken die onder het toezicht vallen;

23.  deelt de mening van de Europese Rekenkamer dat er een auditkloof is ontstaan sinds de oprichting van het GTM; maakt zich zorgen dat als gevolg van de door de ECB opgelegde beperkingen aan de toegang van de Europese Rekenkamer tot documenten belangrijke gebieden niet worden gecontroleerd; spoort de ECB aan volledig samen te werken met de Europese Rekenkamer om deze in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en daardoor de controleerbaarheid te verbeteren;

24.  herinnert eraan dat zowel bij regulering als bij het uitoefenen van toezicht moet worden gestreefd naar evenwicht tussen enerzijds proportionaliteit en anderzijds een consistente benadering; neemt in dit verband nota van de wijzigingen die in het voorstel van de Commissie tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU worden voorgesteld met betrekking tot de verslagleggings- en beloningsvereisten ; roept de Commissie op de werkzaamheden aan een 'small banking box' te prioriteren en deze uit te breiden tot een beoordeling van de haalbaarheid van een toekomstig regelgevingskader bestaande uit minder complexe en beter passende en proportionele prudentiële regels die specifiek zijn voor bepaalde soorten bankmodellen; wijst erop dat op alle banken een voldoende mate van toezicht moet worden gehouden; herinnert eraan dat passend toezicht van cruciaal belang is voor de controle van alle risico's, ongeacht de omvang van de banken; respecteert de verdeling van rollen en bevoegdheden tussen de GAR, de EBA en andere autoriteiten binnen het Europese stelsel van financieel toezicht, maar benadrukt tegelijkertijd het belang van doeltreffende samenwerking; ziet de noodzaak om de proliferatie van overlappende verslagleggingsvereisten en nationale interpretaties van Europese wetgeving op de interne markt aan te pakken; steunt de tot nu toe geleverde inspanningen voor de stroomlijning van verslagleggingsvereisten, zoals het idee achter het Europees verslagleggingskader (ERF), en roept op tot verdere inspanningen op dit vlak om dubbele verslaglegging en onnodige bijkomende kosten in verband met regelgeving te vermijden; verzoekt de Commissie hieraan te zijner tijd aandacht te besteden, overeenkomstig de conclusies die zij getrokken heeft naar aanleiding van de enquête, bijvoorbeeld in de vorm van een voorstel voor een gemeenschappelijke, uniforme en geconsolideerde procedure voor verslaglegging in verband met toezicht; roept ook op tot een tijdige aankondiging van ad-hoc- en permanente verslagleggingsvereisten om een hoge kwaliteit van gegevens en planningszekerheid te garanderen;

25.  benadrukt dat de veiligheid en robuustheid van een bank niet kan worden vastgesteld door een beoordeling op een bepaald moment van uitsluitend de balans, aangezien deze worden gewaarborgd door dynamische interacties tussen de bank en de markten en worden beïnvloed door verschillende elementen in de gehele economie; benadrukt derhalve dat een robuust kader voor financiële stabiliteit en groei veelomvattend en evenwichtig moet zijn om dynamische toezichtspraktijken te omvatten en zich niet uitsluitend te richten op statische regulering met voornamelijk kwantitatieve aspecten;

26.  vestigt de aandacht op de taakverdeling tussen de ECB en de EBA; benadrukt dat de ECB niet de facto de normen mag gaan bepalen voor banken die niet onder het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) vallen;

27.  neemt er nota van dat de raad van bestuur van de ECB op 18 mei 2016 de verordening betreffende de invoering van de analytische database voor kredietgegevens (AnaCredit) heeft goedgekeurd; verzoekt de ECB om de nationale centrale banken zoveel mogelijk speelruimte te geven bij de tenuitvoerlegging van AnaCredit;

28.  verzoekt de ECB om, alvorens werkzaamheden te verrichten met het oog op een eventuele verdere ontwikkeling van AnaCredit, een openbare raadpleging te houden, waarbij het Europees Parlement volledig dient te worden betrokken en bijzondere aandacht moet worden geschonken aan het evenredigheidsbeginsel;

29.  herhaalt het belang van sterke en goed-functionerende IT-systemen die beantwoorden aan de behoeften van de toezichtsfuncties van het GTM en beveiligingsproblemen; betreurt de recente rapporten over aanhoudende zwakke punten in het IT-systeem;

30.  juicht de oprichting van nationale raden voor systeemrisico's toe, maar benadrukt dat de oprichting van de bankenunie de noodzaak bevestigt om het macroprudentieel beleid op Europees niveau te versterken om zo op passende wijze mogelijke grensoverschrijdende overloopeffecten van systeemrisico's aan te pakken; dringt er bij de Commissie op aan een samenhangend en doeltreffend toezicht voor te stellen in haar algemene herziening van het macroprudentieel kader in 2017; roept de Commissie op om uitermate ambitieus te zijn bij het verbeteren van de institutionele en analytische capaciteit van het ESRB om risico's en zwakke plekken in en rondom de bankensector te beoordelen en naar bevind van zaken te interveniëren; is van mening dat op leningen gebaseerde instrumenten (zoals LTV's en DSTI's) moeten worden opgenomen in de Europese wetgeving, teneinde voor harmonisatie van het gebruik van deze aanvullende typen macroprudentiële instrumenten te zorgen; beklemtoont het belang van het verkleinen van de institutionele complexiteit en van het langzame proces van interactie tussen het ESRB, de ECB/GTM en nationale autoriteiten, en tussen bevoegde en aangewezen nationale autoriteiten op het gebied van macroprudentieel toezicht; is in dit verband ingenomen met de reeds geboekte voortgang op het gebied van grensoverschrijdende coördinatie door de ESRB-aanbeveling over vrijwillige wederkerigheid; dringt nogmaals aan op verduidelijking van de verbanden tussen het macroprudentieel kader en de bestaande microprudentiële instrumenten, teneinde voor een doeltreffende onderlinge interactie te zorgen; uit zijn bezorgdheid over de door het ESRB vastgestelde kwetsbaarheden in de vastgoedsector; stelt vast dat de EBA er nog steeds niet in is geslaagd technische reguleringsnormen vast te stellen voor de voorwaarde van kapitaalvereisten voor hypotheekposities op grond van artikel 124, lid 4, onder b), en artikel 164, lid 6, van de VKV; neemt er nota van dat tot nu toe slechts een klein aantal GTM-leden algemene systemische risicobuffers en een anticyclische kapitaalbuffer heeft geactiveerd of voornemens is dit te doen; merkt op dat de ECB tot nu toe nog niet volledig gebruik heeft gemaakt van haar macro-economische toezichthoudende bevoegdheden door de aanname van macroprudentiële toezichtsinstrumenten door nationale autoriteiten te bevorderen;

31.  beklemtoont dat het resultaat van het referendum over het EU-lidmaatschap van het VK een beoordeling noodzakelijk maakt van het gehele Europese stelsel van financieel toezicht (ESFS), met inbegrip van de stemmodaliteiten binnen de Europese toezichthoudende autoriteiten, met name van de dubbelemeerderheidsmechanismen zoals bedoeld in artikel 44, lid 1, van de EBA-verordening; beklemtoont dat eventuele onderhandelingen na het referendum niet tot ongelijke randvoorwaarden tussen financiële instellingen van de EU enerzijds en van buiten de EU anderzijds mogen leiden, en niet mogen worden gebruikt om tot meer deregulering in de financiële sector te komen;

32.  is ingenomen met de uitstekende werkzaamheden van de gezamenlijke toezichtsteams (GTT's), die een goed voorbeeld vormen van Europese samenwerking en kennisopbouw; wijst erop dat het voorgestelde toekomstige gebruik van een rotatiesysteem bij de organisatie van GTT's objectief toezicht moet garanderen, terwijl rekening wordt gehouden met het langdurige proces van kennisopbouw op dit zeer complexe deskundigheidsgebied;

33.  is er verheugd over dat de bankenunie de "home-host"-kwestie bij het toezicht op de oprichting van één enkele toezichthouder in grote mate heeft weggenomen en de uitwisseling van relevante informatie tussen toezichthoudende autoriteiten aanzienlijk heeft verbeterd, waardoor een holistischer toezicht mogelijk is op grensoverschrijdende bankengroepen; benadrukt dat als gevolg van de huidige onvoltooide status van de bankenunie, de CRR-beoordeling op het gebied van liquiditeit en kapitaalconcessies op passende wijze rekening moet houden met zorgen op het gebied van consumentenbescherming in gastlanden;

34.  is verheugd over het initiatief van de ECB om onder toezicht staande banken te verplichten omvangrijke cyberaanvallen te rapporteren via een realtime-waarschuwingsdienst, alsook over de inspecties ter plaatse door het GTM om toezicht te houden op cyberveiligheid; roept op tot de oprichting van een juridisch kader dat de uitwisseling van gevoelige informatie die van belang is cyberaanvallen tussen banken te voorkomen, vereenvoudigt;

35.  benadrukt de cruciale rol van cyberveiligheid voor bankdiensten en de noodzaak om financiële instellingen te stimuleren zeer ambitieus te zijn bij de bescherming van consumentengegevens en cyberveiligheid te garanderen;

36.  merkt op dat het GTM de taak van Europees toezicht op banken kreeg toegewezen om de naleving te verzekeren van de prudentiële voorschriften van de EU en financiële stabiliteit te waarborgen, terwijl andere toezichthoudende taken met duidelijke Europese overloopeffecten in handen van nationale toezichthouders zijn gebleven; benadrukt in dit verband dat het GTM zou moeten beschikken over controlebevoegdheden met betrekking tot activiteiten op het gebied van de bestrijding van witwaspraktijken van nationale toezichthouders voor banken; benadrukt dat de EBA tevens aanvullende bevoegdheden zou moeten krijgen op het gebied van de bestrijding van witwaspraktijken, waaronder de bevoegdheid om ter plaatse beoordelingen uit te voeren bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, om de overlegging te gelasten van informatie die van belang is voor de beoordeling van de naleving, om aanbevelingen voor corrigerende maatregelen uit te geven, om deze aanbevelingen openbaar te maken en om maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat de aanbevelingen op doeltreffende wijze ten uitvoer worden gelegd;

37.  herhaalt zijn oproep aan de EBA om het consumentenbeschermingskader voor bankdiensten overeenkomstig haar mandaat te handhaven en te verbeteren, ter aanvulling van het prudentiële toezicht door het GTM;

Afwikkeling

38.  herinnert eraan dat bij toekomstige bankencrisissen de staatssteunregels in acht moeten worden genomen, en wijst erop dat de uitzondering van buitengewone overheidssteun zowel van anticiperende, als tijdelijke aard moet zijn en niet gebruikt mag worden om verliezen goed te maken die een instelling heeft geleden of in de nabije toekomst waarschijnlijk zal lijden; roept op tot de vaststelling van doelgerichte procedures tussen de GAR en de Commissie voor besluitvorming in het geval van een afwikkeling, met name betreffende het tijdsbestek; is van oordeel dat de in het huidige kader ingebouwde flexibiliteit moet worden verduidelijkt, en is van oordeel dat deze ook beter moet worden gebruikt voor het aanpakken van specifieke situaties, zonder de daadwerkelijke afwikkeling van insolvente banken te verhinderen, met name de preventieve en alternatieve maatregelen waarbij middelen van depositogarantiestelsels worden gebruikt, zoals vermeld in artikel 11, leden 3 en 6, van de richtlijn depositogarantiestelsels; verzoekt de Commissie dan ook haar interpretatie van de desbetreffende staatssteunregels te herzien, teneinde ervoor te zorgen dat de preventieve en alternatieve maatregelen die de Europese wetgever met de richtlijn inzake de depositogarantiestelsels beoogde ook daadwerkelijk kunnen worden toegepast; merkt op dat specifieke situaties verschillend zijn behandeld zonder duidelijke rechtvaardiging; herinnert de Commissie eraan dat een verslag ter beoordeling van de voortdurende behoefte aan mogelijke preventieve herkapitalisaties en de voorwaarden gekoppeld aan dergelijke maatregelen op 31 december 2015 voltooid had moeten zijn; roept de Commissie op een dergelijk verslag alsnog zo snel mogelijk in te dienen;

39.  nodigt de Commissie uit in het licht van opgedane ervaring en in het kader van de evaluatie van Verordening (EU) nr. 806/2014 te beoordelen of de GAR en de nationale afwikkelingsautoriteit zijn uitgerust met toereikende vroegtijdige-interventiebevoegdheden en toereikende instrumenten voor vroegtijdige interventie om verstorende uitstroom van kapitaal en verliesabsorptiecapaciteit van banken tijdens een crisis te voorkomen;

40.  benadrukt het belang van het verduidelijken van een aantal praktische kwesties die rechtstreeks van invloed zijn op afwikkeling, zoals het vertrouwen op dienstverleners die essentiële diensten verlenen, bijvoorbeeld bij de uitbesteding van IT-diensten;

41.  neemt nota van de voorstellen van de Commissie betreffende de invoering in pijler 1 van een minimale totale verliesabsorptiecapaciteit (Total Loss Absorbing Capacity –TLAC) voor wereldwijd belangrijke systeembanken, overeenkomstig internationale normen; neemt nota van de verschillen tussen de TLAC en het MREL; beklemtoont evenwel dat beide normen hetzelfde beogen, te weten ervoor zorgen dat banken over voldoende eigen kapitaal en verliesabsorberende passiva beschikken om bail-in tot een doeltreffend instrument bij een afwikkeling te maken zonder tot financiële instabiliteit te leiden en zonder een beroep op overheidsgelden te moeten doen, waarmee de vermaatschappelijking van particuliere banken wordt vermeden; concludeert dan ook dat middels een combinatie van deze twee normen tot een holistische aanpak van verliesabsorptie kan worden gekomen, waarbij de TLAC-norm zoals bedoeld in het huidige voorstel van de Commissie als minimumnorm wordt genomen, op voorwaarde dat de medewetgevers hierover tot overeenstemming kunnen komen; beklemtoont dat goed moet worden nagedacht over het behouden van de twee criteria voor omvang-gewogen activa en voor risico-gewogen activa, en wijst op het verband tussen het criterium voor risico-gewogen activa dat aan de TLAC-norm ten grondslag ligt en de lopende werkzaamheden in de EU en in het Bazels Comité op het gebied van interne modellen en de afronding van het Bazel III-kader; benadrukt dat er bij het kalibreren en/of gefaseerd invoeren van de nieuwe MREL-vereisten passende aandacht moet worden besteed aan de noodzaak een markt te creëren voor passiva die in aanmerking komen voor het MREL; beklemtoont dat het belangrijk is manoeuvreerruimte te behouden voor de afwikkelingsautoriteit bij het vaststellen van het MREL, en dat ervoor moet worden gezorgd dat banken voldoende achtergestelde leningen en voor bail-in in aanmerking komende schuld; benadrukt dat openbaarmaking op passende wijze moet plaatsvinden om verkeerde interpretatie van de MREL-vereisten door beleggers te voorkomen;

42.  geeft aan dat het belangrijk is in de wetgeving vast te leggen waar voor MREL in aanmerking komende CET1 en kapitaalbuffers zich in de pikorde bevinden; benadrukt de noodzaak van het vaststellen van wetgeving ter verduidelijking van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van afwikkelings-, respectievelijk bevoegde autoriteiten voor het nemen van vroegtijdige-interventiemaatregelen in geval van schending van de MREL-vereisten; neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor de vaststelling van MREL-richtsnoeren; herhaalt dat de kalibratie van het MREL in alle gevallen nauw gekoppeld moet zijn aan en gerechtvaardigd moet worden door de strategie voor de afwikkeling van de bank in kwestie;

43.  geeft aan dat het belangrijk is in de wetgeving te verduidelijken dat voor het MREL in aanmerking komende CET1 een aanvulling vormt op kapitaalbuffers, teneinde dubbeltelling van kapitaal te voorkomen;

44.  onderstreept dat het essentieel is de hiërarchie van claims bij bankinsolventies in alle lidstaten te harmoniseren, teneinde de tenuitvoerlegging van de BRRD consistenter en doeltreffender te maken, en zekerheid te verschaffen aan grensoverschrijdende beleggers; is derhalve ingenomen met het voorstel van de Commissie om verder te gaan bij de harmonisatie van de hiërarchie van claims; merkt op dat een betere harmonisatie van de reguliere insolventieregeling en van de hiërarchie van claims ook van essentieel belang is, zowel, in het geval van banken, voor het vermijden van discrepanties met de regeling voor de afwikkeling van banken, als, in het geval van ondernemingen, voor het bieden van aanvullende duidelijkheid en zekerheid aan grensoverschrijdende beleggers en om bij te dragen aan de aanpak van het probleem van oninbare leningen; is verheugd over het feit dat de BRRD een belangrijke verandering teweeg heeft gebracht in de hiërarchie van insolventie, waarbij voorrang wordt verleend aan verzekerde deposito's, zodat zij in de pikorde als hoogste van alle kapitaalinstrumenten, verliesabsorptiecapaciteit, andere niet-achtergestelde schulden en niet-verzekerde deposito's eindigen; roept de GAR op tot openbaarmaking van de resultaten van de afwikkelbaarheidsbeoordelingen voor G-SIB's en andere banken, waaronder de voorgestelde maatregelen om belemmeringen voor de afwikkeling te ondervangen;

45.  wijst op de waaier aan opties die ter beschikking staat om de subordinatie van voor TLAC in aanmerking komende schuld te garanderen; wijst erop dat de FSB aan geen van deze opties de voorkeur geeft; is van oordeel dat moet worden gekozen voor een aanpak die eerst en vooral voor evenwicht zorgt tussen flexibiliteit, doeltreffendheid, juridische zekerheid en de mogelijkheid van de markt om nieuwe schuldklassen te absorberen;

46.  roept op tot reflectie over de mogelijke negatieve gevolgen voor de reële economie van de herziening van de Bazel-voorschriften, de invoering van MREL-vereisten, de invoering van TLAC en IFRS 9; roept op tot een oplossing die is gericht op het verzachten van de gevolgen;

47.  herinnert eraan dat de recent ingevoerde afwikkelingsregeling ertoe heeft geleid dat aan beleggers, en met name retailbeleggers, instrumenten worden aangeboden die een hoger risico op verlies met zich meebrengen dan onder de vorige regeling het geval was; herinnert er daarnaast aan dat instrumenten voor een bail-in in de eerste plaats uitsluitend verkocht mogen worden aan geschikte beleggers, die potentiële verliezen kunnen absorberen zonder dat dit hun eigen solide financiële positie in gevaar brengt; verzoekt de Commissie dan ook met klem erop toe te zien dat de desbetreffende bestaande wetgeving daadwerkelijk wordt toegepast, en vraagt de Europese toezichthoudende autoriteiten ambitieus te zijn bij de opsporing van misleidende verkooppraktijken;

48.  waarschuwt dat het BRRD-vereiste van contractuele erkenning voor 'bail-in'-bevoegdheden betreffende passiva die onder een niet-EU-wetgeving vallen, in de praktijk moeilijk af te dwingen is; is van mening dat deze kwestie onmiddellijk moet worden aangepakt; neemt nota van het recht van bevoegde autoriteiten om af te zien van dit vereiste dat wordt ingevoerd door de voorgestelde wijzigingen van de BRRD; is van mening dat deze aanpak flexibiliteit en een beoordeling per geval van de betreffende activa mogelijk maakt; roept de Commissie en de afwikkelingsautoriteiten op te waarborgen dat de voorwaarden voor het verlenen van vrijstellingen en de uiteindelijke definitieve beslissingen over vrijstellingen geen gevaar vormen voor de afwikkelbaarheid van banken;

49.  geeft aan dat een snelle en doeltreffende uitwisseling van informatie tussen toezichts- en afwikkelingsautoriteiten een "conditio sine qua non" is voor goed crisisbeheer; is er verheugd over dat de ECB en het GAM een Memorandum of Understanding zijn overeengekomen over samenwerking en informatie-uitwisseling; roept de ECB op in het memorandum van overeenstemming de communicatieprocedures te specificeren tussen gezamenlijke toezichtsteams en interne afwikkelingsteams; raadt aan om de aanwezigheid van de ECB als permanente waarnemer tijdens de plenaire en besloten vergaderingen van de GAR volledig wederzijds te maken, zodat een vertegenwoordiger van de GAR ook de raad van toezicht van de ECB als permanente waarnemer kan bijwonen;

50.  neemt kennis van de dubbele rol van de leden van de GAR-raad, die tegelijkertijd leden van een uitvoerend orgaan met besluitvormingstaken zijn en leidinggevende functionarissen die in die hoedanigheid verantwoording verschuldigd zijn aan de voorzitter van de raad, en is van mening dat deze structuur voor het einde van het huidige mandaat moet worden geëvalueerd;

51.  herinnert eraan dat de inhoud van het interinstitutioneel akkoord betreffende het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) uiteindelijk in het wetgevingskader van de Unie moet worden opgenomen; vraagt de Commissie erover na te denken wat hiervoor de beste manier is; onderstreept dat de geplande opname van het fiscal compact in het EU-recht hier als voorbeeld zou kunnen dienen;

52.  verzoekt de voorafgaande bijdragen aan het GAF op volledig transparante wijze te berekenen, waarbij wordt getracht informatie over de resultaten van de berekening te harmoniseren en het begrip van de rekenmethodologie te verbeteren; verzoekt de Commissie de evaluatie van de berekening van de bijdragen aan het GAF, waarvan sprake is in overweging 27 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63, zo zorgvuldig mogelijk uit te voeren en daarbij met name de geschiktheid van de risicofactor te controleren, teneinde ervoor te zorgen dat het risicoprofiel van minder complexe instellingen op passende wijze wordt weerspiegeld;

53.  neemt nota van de verklaring van de ministers van Financiën van 8 december 2015 over het stelsel van overbruggingsfinancieringsregelingen voor het GAF; merkt in dit verband op dat 15 van de 19 lidstaten uit de eurozone al een geharmoniseerde leningsovereenkomst hebben gesloten met de GAR; herinnert eraan dat deze afzonderlijke kredietlijnen slechts beschikbaar zijn als laatste toevlucht; is van oordeel dat dit niet volstaat om een eind te maken aan de vicieuze 'banken-staatsschuld'-cirkel en aan door de belastingbetaler gefinancierde bail-outs; vindt dat snel vooruitgang moet worden geboekt bij de werkzaamheden op het niveau van de Raad en de Commissie voor een gemeenschappelijk vangnet voor het GAF en dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de financiering daarvan bij het bankwezen moet liggen én op de middellange termijn begrotingsneutraal moet zijn, zoals overeengekomen in het akkoord over het GAF en bevestigd door de Europese Raad in juni 2016;

Depositogarantie

54.  herhaalt zijn oproep voor een derde pijler voor de voltooiing van de bankenunie; herinnert eraan dat de bescherming van deposito's een gemeenschappelijke kwestie is voor alle burgers van de EU; voert op dit moment op commissieniveau een debat over het EDIS-voorstel;

55.  beklemtoont dat de introductie van het EDIS en de gesprekken over dit project er niet in mogen resulteren dat de inspanningen gericht op het verbeteren van de tenuitvoerlegging van het DGSD op een lager pitje komen te staan; juicht het recente werk van de EBA gericht op convergentie op dit vlak toe; is verheugd dat alle lidstaten de BRRD in hun nationale wetgeving hebben omgezet; herinnert alle lidstaten aan de verplichting de BRRD en de DGSD toe te passen en op correcte wijze ten uitvoer te leggen;

56.  wijst erop dat de rol van de Commissie is om gelijke randvoorwaarden in de EU te creëren en dat zij moet voorkomen dat de interne markt versnipperd raakt;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, ECB, de GAR, de nationale parlementen en de bevoegde autoriteiten zoals gedefinieerd in punt 40 van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0006.
(2) http://www.consilium.europa.eu/en/european-council/pdf/20120629-euro-area-summit-statement-en_pdf
(3) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(4) PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1.
(5) https://www.bankingsupervision.europa.eu/ecb/pub/pdf/ssmar2015.en.pdf
(6) getiteld 'Het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme – een goede start maar verdere verbeteringen nodig', http://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR16_29/SR_SSM_NL.pdf
(7) PB L 78 van 24.3.2016, blz. 60.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0108.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0439.
(10) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.
(11) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190.
(12) PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.
(13) PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1.
(14) PB L 237 van 3.9.2016, blz. 1.
(15) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149.
(16) Onafhankelijke jaarlijkse groeianalyse 2017, 5e verslag, 23 november 2016.

Juridische mededeling - Privacybeleid