Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2329(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0017/2017

Ingediende teksten :

A8-0017/2017

Debatten :

PV 02/03/2017 - 3
CRE 02/03/2017 - 3

Stemmingen :

PV 02/03/2017 - 6.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0063

Aangenomen teksten
PDF 257kWORD 51k
Donderdag 2 maart 2017 - Brussel Definitieve uitgave
Uitvoering van het programma "Europa voor de burger"
P8_TA(2017)0063A8-0017/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 2 maart 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot vaststelling van het programma "Europa voor de burger" voor de periode 2014-2020 (2015/2329(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 10 en 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), waarin wordt bepaald dat "iedere burger […] het recht [heeft] aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen", alsmede dat "de instellingen […] de burgers en de representatieve organisaties langs passende wegen de mogelijkheid [bieden] hun mening over alle onderdelen van het optreden van de Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te treden" en dat zij "een open, transparante en regelmatige dialoog met representatieve organisaties en met het maatschappelijk middenveld voeren",

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–   gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot vaststelling van het programma "Europa voor de burger" voor de periode 2014-2020(1),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(2),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de uitvoering, de resultaten en de algehele beoordeling over het programma "Europa voor de burger" 2007-2013 (COM(2015)0652),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie constitutionele zaken (A8-0017/2017),

A.  overwegende dat het programma Europa voor de burger een uniek en uiterst symbolisch programma is, omdat het een oefening in het luisteren naar het maatschappelijk debat is, omdat het kritisch denken over het Europese project, de geschiedenis ervan en de geschiedenis van de bewegingen en ideeën die het project hebben bevorderd, stimuleert, en omdat het bijdraagt tot een betere kennis van het Europese besluitvormingsproces, door de voorwaarden voor civiele en democratische participatie op Unieniveau te verbeteren;

B.  overwegende dat het programma Europa voor de burger tot doel heeft het gevoel van Europees burgerschap en verbondenheid te versterken, solidariteit, wederzijds respect en verdraagzaamheid te vergroten, een beter begrip van de EU, haar oorsprong en haar ontwikkeling, haar waarden, haar instellingen en haar bevoegdheden te bevorderen, en een actieve dialoog tussen EU-burgers te stimuleren; overwegende dat de activiteiten in het kader van het programma gezien kunnen worden als onderdeel van een informele vorm van een leven lang leren inzake burgerschap;

C.  overwegende dat de campagne "Eén euro per burger" voor het programma Europa voor de burger tot doel heeft een sterke symbolische boodschap te sturen over het luisteren naar de stemmen van burgers in Europa;

D.  overwegende dat de opkomst van het euroscepticisme – dat weerspiegeld wordt in anti-Europese krachten die het bestaan van het Europese project in vraag stellen, en dat onlangs in een stemming ten gunste van de brexit resulteerde – aantoont dat dergelijke programma's belangrijk zijn, dat de ontwikkeling van een gedeeld gevoel van Europese identiteit gestimuleerd moet worden, dat reflectie nodig is over de oorzaken van het verlies aan geloofwaardigheid van de Europese Unie, dat burgerparticipatie moet worden aangemoedigd, dat een grondig debat over Europese waarden moet worden gelanceerd, waarbij het volledige maatschappelijke middenveld en de instellingen zelf betrokken moeten worden, en dat een opleidingscampagne over de werking van de EU-instellingen nodig is, waarin benadrukt wordt welke mogelijkheden ontstaan zijn door deel uit te maken van de EU;

E.  overwegende dat er voorafgaand aan de toetreding van een land tot de Europese Unie een grondige, holistische voorbereiding nodig is met betrekking tot thema's als herdenken, zich verzoenen met het verleden en zorgen voor een actieve participatie van burgers in het gemeenschapsleven in het betreffende land;

F.  overwegende dat de EU-instellingen, op grond van artikel 11 van het VEU, burgers en representatieve organisaties de mogelijkheid moeten bieden om in het openbaar te discussiëren over hun mening met betrekking tot alle onderdelen van het optreden van de Unie; overwegende dat deze bepaling ook inhoudt dat de EU-instellingen de plicht hebben een open, transparante en regelmatige dialoog met het maatschappelijk middenveld te houden, en de Commissie de plicht heeft brede raadplegingen met betrokken partijen te houden;

G.  overwegende dat in artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de fundamentele status van het burgerschap van de Unie is bepaald, alsook de rechten die daaraan verbonden zijn, en overwegende dat een beter begrip van de EU en haar waarden een belangrijke voorwaarde is om burgers in staat te stellen deze rechten ten volle te benutten;

H.  overwegende dat actief burgerschap, opleidingen in burgerschap en interculturele dialoog cruciaal zijn om open, inclusieve en weerbare gemeenschappen te bouwen;

I.  overwegende dat het huidige programma gestoeld is op artikel 352 van het VWEU, waardoor het Parlement zijn standpunt enkel kan uitdrukken via de goedkeuringsprocedure, iets waartegen het Parlement zich uitdrukkelijk verzette toen de Commissie het voorstel indiende aangezien het zwaar in tegenspraak is met de democratische aard van het programma;

J.  overwegende dat de evaluatie achteraf, die door de Commissie werd uitgevoerd, de relevantie van de programmadoelstellingen bewijst, alsook het feit dat het programma, doordat het in reikwijdte, doelstellingen, activiteiten en doelgroep van andere programma's verschilt, initiatieven mogelijk maakt die nergens anders financiering krijgen;

K.  overwegende dat door de besparingen ten gevolge van de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 de financiële enveloppe voor het programma Europa voor de burger met ongeveer 29,5 miljoen EUR werd verminderd, en overwegende dat de beperkte financiële enveloppe van 185,47 miljoen EUR voor het programma slechts 0,0171 % van het MFK bedraagt;

L.  overwegende dat vastgesteld is dat de lidstaten deze projecten steeds minder cofinancieren en dat de lokale autoriteiten moeilijkheden ondervinden met betrekking tot Europese projecten met een hoog cofinancieringspercentage;

M.  overwegende dat de inkrimping van de financiële enveloppe ervoor zorgde dat in 2014 ongeveer 25 % minder projecten gefinancierd konden worden dan in het vorige programma;

N.  overwegende dat niet-formeel en informeel leren, evenals vrijwilligerswerk, sport, kunst en cultuur vele mogelijkheden bieden voor opleidingen in burgerschap en actief burgerschap;

O.  overwegende dat meer synergieën met andere programma's en verbeterde communicatie met andere DG's nodig zijn om overlappingen te beperken en de impact van het programma te vergroten;

P.  overwegende dat de bestaande internationale jumelages van steden en gemeenten (stedenbanden en stedennetwerken) bewezen hebben waardevol te zijn, omdat ze wederzijds begrip tussen burgers stimuleren en vriendschap en samenwerking bevorderen;

Belangrijkste conclusies

1.  benadrukt dat de beschikbare financiering (in totaal 185,47 miljoen EUR) voor het enige programma dat volledig gewijd is aan Europees burgerschap, namelijk Europa voor de burger, te verwaarlozen is in vergelijking met andere onderwijs- en cultuurprogramma's, zoals Creatief Europa (1,46 miljard EUR) en Erasmus+ (14,7 miljard EUR), met als gevolg dat aanvragers ontgoocheld moeten worden;

2.  is ingenomen met het feit dat in de eerste twee jaar van de nieuwe financieringscyclus het programma Europa voor de burger, dat de kloof tussen de EU-instellingen en de Europese burgers moet dichten, goed lijkt te functioneren, met een toenemend aantal aanvragers, een hoge projectkwaliteit en een vlotte tenuitvoerlegging;

3.  erkent dat het belangrijkste obstakel voor een succesvolle tenuitvoerlegging van het programma de ontoereikende financiële toewijzing is en betreurt ten zeerste de inkrimping met 13,7 % in het MFK 2014-2020, waardoor het aantal projecten dat gefinancierd kan worden dramatisch gedaald is en dus niet aan de grote vraag kan worden voldaan, wat leidt tot frustratie bij kandidaten met waardevolle projecten;

4.  merkt op dat, als gevolg van de budgettaire beperkingen, het totale aantal gefinancierde projecten te klein is om de ambitieuze doelstellingen van het programma te halen, en dat slechts ongeveer 6 % van de projecten voor Europees gedenken en projecten van maatschappelijke organisaties in 2015 gefinancierd kon worden, wat erg laag is in vergelijking met de programmaresultaten van Creatief Europa voor datzelfde jaar (19,64 % voor Cultuur en 45,6 % voor Media); merkt op dat de financiering voor deze twee onderdelen van het programma Europa voor de burger aanzienlijk verhoogd moet worden, in overeenstemming met de ambities van het programma;

5.  erkent het succes van de stedenbandenprojecten in de hele EU en verzoekt de lidstaten deze regeling aan te prijzen in hun gemeenten en samenwerking te bevorderen;

6.  verwelkomt de nieuwsbrief van Europa voor de burger en de database van gefinancierde projecten, die door de Commissie gelanceerd werd;

7.  benadrukt dat de nationale contactpunten van Europa voor de burger een belangrijke rol hebben bij het vergroten van het bewustzijn en het verstrekken van ondersteuning en richtsnoeren aan potentiële aanvragers (met name aanvragers uit specifieke landen die voor de eerste keer een aanvraag doen), evenals de Europese en nationale verenigingen van plaatselijke en regionale regeringsinstanties en maatschappelijke organisaties;

8.  verwelkomt de multidisciplinaire aanpak van het programma, de duidelijke en eenvoudige aanvraagformulieren en verslagleggingsvereisten en de nadruk op specifieke activiteiten;

9.  verneemt met instemming dat de prioriteiten voor beide onderdelen van het programma, "Europees gedenken" en "Democratische betrokkenheid en burgerparticipatie", die voorheen jaarlijks gewijzigd werden, nu meerjarig zijn geworden en dus voor de resterende periode van het programma van toepassing zullen zijn (2016-2020);

10.  erkent dat de impact van het programma in verhouding hoog is, wat wordt aangetoond door het feit dat in 2015 naar schatting 1 100 000 deelnemers betrokken waren bij de 408 geselecteerde projecten; meent ook dat het hoge aantal aanvragen – 2 087 in 2014 en 2 791 in 2015 – en de kwaliteit van de projecten wijzen op een grote interesse in het programma en op de behoefte om meer financiële en personeelsmiddelen toe te kennen aan het programma, met als doel het aantal ondersteunde projecten te vergroten;

Aanbevelingen

Juridische aspecten van de tenuitvoerlegging

11.  pleit ervoor dat de volgende generatie van het programma Europa voor de burger een rechtsgrond krijgt waardoor het Parlement als medewetgever volgens de gewone wetgevingsprocedure betrokken kan worden bij de vaststelling van het programma, op gelijke voet met de Raad; moedigt de Commissie aan om na te denken over mogelijke oplossingen om deze doelstelling te bereiken;

Financieel aspect van de tenuitvoerlegging

12.  stelt vast dat projecten met een hoge kwaliteit, zoals projecten voor Europees gedenken en projecten van maatschappelijke organisaties (6 % selectiekans, in tegenstelling tot 19,64 % voor cultuur en 45,6 % voor media in het programma Creatief Europa), afgewezen werden wegens onvoldoende financiering in het programma Europa voor de burger; is van oordeel dat een aanzienlijke verhoging van de huidige begroting nodig is om het selectiepercentage te vergroten, gezien de beslissende rol van dit programma voor de deelname van burgers aan het democratische leven van de Unie; roept daarom de Commissie, de Raad en de lidstaten op om in het volgende MFK een totale financiële enveloppe van ongeveer 500 miljoen EUR te overwegen voor het programma Europa voor de burger, wat neerkomt op slechts 1 EUR per burger;

13.  erkent de gemeenschappelijke doelstelling van en de potentiële synergieën tussen het Europees burgerinitiatief en het programma Europa voor de burger om burgers in staat te stellen rechtstreeks deel te nemen aan de ontwikkeling van EU-beleidsmaatregelen; roept de Commissie evenwel op om ervoor te zorgen dat het Europees burgerinitiatief niet gefinancierd wordt uit de beperkte begroting van het programma Europa voor de burger, zoals momenteel het geval is, en spoort de lidstaten aan tot meer betrokkenheid bij de financiële ondersteuning van beide programma's;

14.  merkt op dat in het systeem van forfaitaire of vaste betalingen rekening moet worden gehouden met de prijsverschillen in de EU en de uiteenlopende kosten van levensonderhoud in de lidstaten; raadt aan om dit stelsel en de vermindering van de prefinanciering fundamenteel te herzien, teneinde de duurzaamheid van de gefinancierde projecten te verzekeren, meer ondersteuning te bieden voor samenwerking tussen plaatselijke overheden of organisaties op grotere afstand, en in het bijzonder de betrokkenheid van kleinere organisaties met een beperkte financiële capaciteit en deelnemers met bijzondere behoeften mogelijk te maken;

15.  verzoekt de Commissie en het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) om regelmatig te bepalen wat de impact is van een aantal begrotingsmaatregelen op aanvragers en mogelijk in aanmerking komende aanvragers; vraagt hun met name te onderzoeken of sommige soorten organisaties en bepaalde lidstaten mogelijk benadeeld werden of worden door het lagere percentage prefinanciering (van 50 % tot 40 % voor projecten en van 80 % tot 50 % voor exploitatiesubsidies en nationale contactpunten) dat in 2015 vanwege een acuut tekort aan betalingskredieten toegepast is, evenals de behoefte aan medefinanciering en de toepassing van dezelfde parameters ongeacht de werkelijke kosten voor levensonderhoud en een afgelegen ligging; pleit er bovendien voor dat zij aanvullende strategieën ontwikkelen om de Europese instellingen dichter bij de burgers te brengen en de burgers beter te informeren over diverse EU-beleidsmaatregelen;

16.  merkt op dat nog een parameter opgenomen moet worden in het systeem van forfaitaire of vaste betalingen, zodat personen met bijzondere behoeften efficiënt geholpen kunnen worden, aangezien veel meer personeel en, in vele gevallen, aanvullende maatregelen nodig zijn, die hogere kosten met zich meebrengen, om personen met een handicap in staat te stellen tot participatie;

17.  benadrukt dat exploitatiesubsidies de onafhankelijkheid van de begunstigden (zoals denktanks) waarborgen en planning op lange termijn mogelijk maken, zodat in een bepaalde visie passende activiteiten en expertise ontwikkeld kunnen worden; raadt aan specifieke criteria, indicatoren en jaarlijkse rapportering te gebruiken om vooruitgang bij het bereiken van de doelstellingen te monitoren en te verzekeren dat deze financieringsstelsels er niet toe leiden dat de begunstigde afhankelijk van de Commissie wordt;

18.  roept de Commissie en het EACEA op om publiek verantwoording af te leggen voor de uitgaven voor horizontale acties onder de derde pijler (valorisatieacties) voor analyse, verspreiding en gebruik van de projectresultaten;

19.  verzoekt de Commissie en het EACEA om in het tussentijdse evaluatieverslag, dat uiterlijk 31 december 2017 moet worden ingediend, een grondige beoordeling op te nemen over de financiële en budgettaire uitvoering van het programma en lering te trekken uit deze beoordeling, teneinde in het volgende meerjarig financieel kader de toekomstige doelen van het programma te herdefiniëren en de budgettaire vereisten aan te passen;

Coördinatie en communicatie

20.  roept de Commissie op om alle nuttige informatie met betrekking tot het programma Europa voor de burger te verzamelen (programmagids, prioriteiten, oproepen tot het indienen van voorstellen, lopende en afgelopen projecten, resultaten en opgedane ervaring, nieuwsbrief), samen met alle programma's, acties, subsidies en structuurfondsen die onder de koepel van Europees burgerschap vallen (bijvoorbeeld het Europees burgerinitiatief en het Europees vrijwilligerswerk), in één enkel gebruiksvriendelijk communicatieportaal (onlineplatform met éénloketsysteem); raadt aan dit platform als openbaar register met de contactgegevens van de begunstigden te gebruiken, en als een instrument om toegang tot de projectbeschrijvingen te krijgen en partners in andere landen te zoeken;

21.  benadrukt dat afgewezen aanvragen naar behoren moeten worden beantwoord, met opgave van de redenen voor de afwijzing, met name wanneer de entiteit die de aanvraag heeft ingediend om uitleg vraagt; stelt voor te overwegen om waar mogelijk prioritaire zaken te distilleren uit gelijkaardige afgewezen aanvragen;

22.  wijst erop dat bepaalde doelstellingen van het programma Europa voor de burger nauw verwant of complementair zijn met de uitgangspunten van het Europees burgerinitiatief, vooral wat betreft de ambitie om de burger te betrekken bij de EU; vindt dat daarom moet worden geprobeerd een gemeenschappelijke benadering te hanteren voor de uitwerking van EU-beleid inzake burgerparticipatie en participerende democratie, ondersteund door een samenhangende communicatiestrategie om alle Commissieprogramma's die verband houden met Europees burgerschap onder eenzelfde noemer te brengen, eventueel door rechtstreekse ervaringen en betrokkenheid vanuit de basis naar waarde te schatten en naar een hoger niveau te tillen;

23.  onderstreept dat er een open lijst van potentiële partners in elke lidstaat moet worden opgesteld om partnerschappen mogelijk te maken tussen al wie toegang wil krijgen tot het programma Europa voor de burger;

24.  raadt aan een onlineplatform op te zetten voor de belangrijkste organisaties die actief zijn op het gebied van burgerschap en die begunstigden van het programma zijn, teneinde goede praktijken samen te brengen, de capaciteit te versterken en de zichtbaarheid van afgelopen projecten te vergroten;

25.  roept de Commissie op om het programma meer zichtbaarheid te geven en meer publiek bewustzijn te creëren over de doelstellingen ervan door een interactieve communicatiestrategie voor Europees burgerschap te implementeren via sociale netwerken, reclamespots op radio en TV en reclameborden, door de lokale betrokkenheid te vergroten en de nationale contactpunten hierbij een actieve rol toe te kennen, door de inhoud regelmatig te updaten en de strategie te richten op nieuwe doelgroepen in deelnemende landen, vooral die landen waar het deelnamepercentage lager is, en op jongeren, personen met een handicap en kwetsbare personen;

26.  is van oordeel dat het programma ook moet dienen om de reeds bestaande kanalen voor rechtstreekse participatie in de Europese Unie onder de aandacht te brengen, zoals het Europees burgerinitiatief, burgerfora en openbare raadplegingen, teneinde het publiek meer bewust te maken van de mogelijkheden voor rechtstreekse participatie binnen het institutionele kader van de EU;

27.  vraagt de landen die nog geen nationaal contactpunt hebben aangeduid om dit te doen; raadt aan om de coördinatie en de synergie tussen deze landen, de lidstaten en de Commissie te versterken;

28.  erkent dat het halen van de huidige ambitieuze doelstellingen met de beperkte beschikbare financiering de grootste uitdaging vormt; benadrukt het belang van de lidstaten, regio's en lokale regeringen om het programma doeltreffender en populairder te maken, onder meer door het potentieel van nationale contactpunten te vergroten door uitwisseling van gegevens met andere actoren die verantwoordelijk zijn voor soortgelijke projecten, bijvoorbeeld Erasmus+ en Creatief Europa; spoort het EACEA aan om waar mogelijk synergieën tussen EU-programma's zoals Creatief Europa, Erasmus+ en het Europees Sociaal Fonds te faciliteren en te bevorderen om de impact te vergroten;

29.  roept de Commissie op om haar inspanningen voor administratieve vereenvoudiging verder te intensiveren, aangezien de formele vereisten soms een belemmering blijken te zijn voor zeer kleine organisaties, die niet om bureaucratische redenen gediscrimineerd zouden mogen worden;

30.  raadt aan om de fondsen voor communicatie niet te gebruiken voor institutionele communicatie over de prioriteiten van de Unie, zoals bepaald is in artikel 12 van het huidige programma, maar wel om het programma zelf te promoten in de deelnemende landen, vooral die landen waar het deelnamepercentage lager is;

Focus en doelstellingen van het programma

31.  raadt aan om in de volgende generatie van het programma bij het vaststellen van de prioriteiten de meerjarige aanpak te formaliseren en de synergieën tussen de onderdelen en componenten van het programma te vergroten; benadrukt dat wijzigingen aan de structuur van het programma zodanig moeten zijn dat de kans op verwarring bij de eindgebruikers, wat tot een verminderde impact zou leiden, beperkt wordt;

32.  verwelkomt de sterke nadruk op burgers en maatschappelijke aspecten van de EU, omdat dit de EU-instellingen in staat stelt tot rechtstreekse interactie met het lokale maatschappelijke middenveld; benadrukt binnen de prioriteiten van het programma het belang van projecten gericht op de huidige uitdagingen voor Europa, bijvoorbeeld diversiteit, migratie, vluchtelingen, het voorkomen van radicalisering, het stimuleren van sociale inclusie, interculturele dialoog, het bestrijden van financiële problemen en het identificeren van een gemeenschappelijk Europees cultureel erfgoed; nodigt de Commissie en de lidstaten uit om de samenhang tussen de prioriteiten van het programma en de beleidsmaatregelen inzake Europees burgerschap alsook het dagelijkse leven van Europese burgers te versterken;

33.  is van oordeel dat het programma een bredere groep deelnemers moet bereiken, de participatie van mensen met bijzondere behoeften moet waarborgen en de participatie van gemarginaliseerde en uit hun rechten ontzette mensen, bijvoorbeeld migranten, vluchtelingen en asielzoekers, moet stimuleren;

34.  is van oordeel dat het programma, waar mogelijk, moet voortbouwen op bestaande succesvolle initiatieven op basisniveau zoals stedenjumelages;

35.  benadrukt dat binnen het onderdeel "Europees gedenken" een Europese identiteit ontwikkeld moet worden, die gericht is op de toekomst en niet enkel op het verleden, die pluriform en transcultureel is en openstaat voor migratiestromen en invloeden uit de rest van de wereld, teneinde een gemeenschappelijke integratie te bereiken die gebaseerd is op Europese waarden en Europees seculier en geestelijk erfgoed; benadrukt dat ervoor gezorgd moet worden dat erfgoed en geschiedenis niet gebruikt worden als instrument om tweedracht te zaaien, maar als een kans om in te spelen op eigentijdse uitdagingen door middel van een voorzichtige interpretatie en vakkundige, gerichte onderwijsprogramma's; benadrukt het belang van het stimuleren van projecten waarbij meerdere generaties betrokken zijn, waardoor de uitwisseling van ervaringen tussen oudere en jongere generaties mogelijk wordt gemaakt;

36.  benadrukt dat projecten moeten worden aangemoedigd waarin nieuwe vormen van discussie met burgers worden voorgesteld in een aantrekkelijke vorm en stijl en met een multidimensionale benadering;

37.  stelt voor dat de Commissie jaarlijks een samenvattend verslag maakt met de belangrijkste voorstellen voor verbetering van het Europese project, geuit door de deelnemers van de projecten die in het kader van het programma Europa voor de burger gefinancierd worden;

38.  benadrukt de behoefte om het programma uit te breiden met voorstellen over de deelname van burgers aan het democratische proces en aan de EU-besluitvorming, op een manier die bijdraagt tot het in staat stellen van de burgers om hun rechten te benutten, bijvoorbeeld via de implementatie van e-democratie; roept de Unie en haar lidstaten op om hiertoe maatregelen en beleid te ontwikkelen om overdraagbare vaardigheden op het gebied van kritisch en creatief denken, alsook digitale en mediageletterdheid, te versterken, inclusie en belangstelling onder hun burgers te vergroten, met name onder kinderen jongeren, zodat zij in staat zullen zijn geïnformeerde beslissingen te nemen en een positieve bijdrage te leveren aan democratische processen;

39.  is van mening dat de deelname aan het programma van mensen uit landen die EU-lidmaatschap nastreven tot een beter wederzijds begrip leidt en aanleiding geeft tot een meer diepgaande samenwerking; pleit voor meer internationalisering van het programma, met name door alle landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EFTA), van de Europese Economische Ruimte (EER) alsook toetredende landen en kandidaat-lidstaten uit te nodigen om de krachten te bundelen met EU-lidstaten bij het indienen van aanvragen voor projecten, en dringt aan op meer samenwerking tussen ngo's uit EU-lidstaten, uit landen van het Oostelijk en Zuidelijk Partnerschap en uit potentiële kandidaat-lidstaten om de EU dichter bij de burger te brengen; stelt voor de samenwerking op het gebied van Europese waarden tussen organisaties in de EU en in de buurlanden te bevorderen;

40.  benadrukt de behoefte aan de ontwikkeling van stedenjumelages, waarbij aandacht moet worden besteed aan een veelvuldiger gebruik van het stelsel, de bevordering ervan en de resultaatgerichtheid, met inbegrip van de toewijzing van voldoende financiële middelen;

o
o   o

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 115 van 17.4.2014, blz. 3.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0005.

Juridische mededeling - Privacybeleid