Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2016(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0138/2017

Ingediende teksten :

A8-0138/2017

Debatten :

PV 26/04/2017 - 20
CRE 26/04/2017 - 20

Stemmingen :

PV 27/04/2017 - 5.64
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0195

Aangenomen teksten
PDF 199kWORD 49k
Donderdag 27 april 2017 - Brussel
Het beheer van de visserijvloten in de ultraperifere gebieden
P8_TA(2017)0195A8-0138/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het beheer van de visserijvloten in de ultraperifere gebieden (2016/2016(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat de ultraperifere gebieden een bijzondere status verleent en in "specifieke maatregelen" voorziet voor de volledige toepassing van de Verdragen en het gemeenschappelijk beleid,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie in gevoegde zaken C-132/14 tot en met C-136/14 over de interpretatie van artikel 349 VWEU, waarin wordt benadrukt dat op grond van artikel 349 niet alleen van de Verdragen, maar ook van secundaire wetgeving mag worden afgeweken,

–  gezien artikel 174 e.v. van het VWEU waarin de doelstelling van economische, sociale en territoriale samenhang wordt vastgelegd en de structurele financieringsinstrumenten voor de verwezenlijking van die doelstelling worden gedefinieerd,

–  gezien artikel 43 VWEU,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid,

–  gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, met name de artikelen 8, 11, 13 en 41, en in het bijzonder de artikelen 70 tot en met 73 daarvan,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1046/2014 van de Commissie van 28 juli 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, wat betreft de criteria voor de berekening van de extra kosten van de marktdeelnemers voor het vissen, het kweken, de verwerking en de afzet van bepaalde visserij- en aquacultuurproducten uit de ultraperifere gebieden,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/531 van de Commissie van 24 november 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad door de omschrijving van de voor steun uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij in aanmerking komende kosten voor de verbetering van de hygiëne-, gezondheids-, veiligheids- en arbeidsomstandigheden van de vissers, de bescherming en het herstel van de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen, de mitigatie van de klimaatverandering en de verhoging van de energie-efficiëntie van vissersvaartuigen,

–  gezien de mededelingen van de Europese Commissie over de ultraperifere regio's en met name de mededeling van 20 juni 2012 getiteld "De ultraperifere regio's: naar een samenwerkingsverband voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2012)0287),

–  gezien de resoluties van het Europees Parlement over ultraperifere gebieden en met name zijn resolutie van 26 februari 2014 over de optimalisering van het potentieel van ultraperifere gebieden door middel van het scheppen van synergieën tussen de EU-structuurfondsen en andere EU-programma's(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1385/2013 van de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 850/98 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad, en Verordeningen (EG) nr. 1069/2009, (EU) nr. 1379/2013 en (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad in verband met de wijziging van de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie,

–  gezien Besluit (EU) 2015/238 van de Raad van 10 februari 2015 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek der Seychellen inzake de toegang voor vissersvaartuigen die de vlag van de Seychellen voeren tot de onder de jurisdictie van de Europese Unie vallende wateren en mariene biologische rijkdommen van Mayotte,

–  gezien het eerste verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2010 over de impact van de herziening van de POSEI-programma's van 2006 (COM(2010)0501),

–  gezien zijn standpunt van 2 februari 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad(2),

–  gezien zijn resoluties van 12 april 2016 over innovatie en diversificatie van de ambachtelijke kustvisserij in de regio's die afhankelijk zijn van de visserij(3) en over gemeenschappelijke regels met het oog op de toepassing van de externe dimensie van het GVB, met inbegrip van de visserijovereenkomsten(4),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over de specifieke situatie van eilanden(5),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 inzake kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid(6),

–  gezien zijn standpunt van 21 oktober 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 639/2004 betreffende het beheer van de in ultraperifere gebieden geregistreerde vissersvloten(7), waarin wordt voorgesteld de geldigheidsduur van de afwijking voor ultraperifere gebieden met drie jaar, tot 2011, te verlengen,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1207/2008 van de Raad van 28 november 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 639/2004 betreffende het beheer van de in ultraperifere gebieden geregistreerde vissersvloten, waarin besloten is de geldigheidsduur van de afwijking voor ultraperifere gebieden met drie jaar, tot 2011, te verlengen,

–  gezien Verordening (EG) nr. 791/2007 van de Raad van 21 mei 2007 tot instelling van een regeling ter compensatie van de extra kosten voor de afzet van bepaalde visserijproducten van de ultraperifere gebieden van de Azoren, Madeira, de Canarische Eilanden, Frans-Guyana en Réunion, en met name artikel 8 daarvan, waarin is bepaald: "uiterlijk op 31 december 2011 dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van de compensatie, welk verslag zo nodig vergezeld gaat van voorstellen voor regelgeving.",

–  gezien Verordening (EG) nr. 639/2004 van de Raad van 30 maart 2004 betreffende het beheer van de in ultraperifere gebieden geregistreerde vissersvloten,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1005/2008 van 29 september 2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 10 november 2016 getiteld "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" (JOIN(2016)0049),

–  gezien Speciaal verslag nr. 11/2015 van de Rekenkamer van 20 oktober 2015 met als titel "Worden de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij goed beheerd door de Commissie?",

–  gezien de actieplannen van de ultraperifere gebieden voor de programmering van EU-fondsen 2014-2020,

–  gezien alle gezamenlijke bijdragen en de technische en politieke documenten van de conferentie van voorzitters van de ultraperifere regio's van de Europese Unie en met name de slotverklaring van de eenentwintigste conferentie van voorzitters van de ultraperifere regio's van de Europese Unie van 22 en 23 september 2016,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0138/2017),

A.  overwegende dat gezien de geografische ligging van de ultraperifere gebieden in de Caraïbische Zee, de Indische Oceaan en de Atlantische Oceaan de grondgebieden van de Europese Unie over verschillende zeebekkens en continenten verspreid zijn en dat de ultraperifere gebieden grenzen aan meerdere derde landen;

B.  overwegende dat er in de loop van de voorbije jaren meer druk is uitgeoefend op de visserij in exclusieve economische zones (EEZ's) van bepaalde ultraperifere gebieden (tussen 100 en 200 zeemijl) en overwegende dat die visvangst voornamelijk wordt verricht door vloten die niet aan de desbetreffende ultraperifere gebieden toebehoren;

C.  overwegende dat de EU de verantwoordelijkheid op zich moet nemen voor het maritieme deel van de ultraperifere gebieden, en overwegende dat hun EEZ's een groot deel vormen van de totale omvang van de EEZ van de EU;

D.  overwegende dat de visserijsectoren in de ultraperifere gebieden moeten worden beschouwd in de context van hun bijzondere, structurele, sociale en economische situatie (artikel 349 VWEU), waardoor op een specifieke en aangepaste manier rekening moet worden gehouden met het gemeenschappelijk Europees beleid;

E.  overwegende dat de visserijsector over troeven en een groot ontwikkelingspotentieel beschikt;

F.  overwegende dat de gevallen van verontreiniging van het mariene milieu met chloordecon vooral de Antillen betreffen en aanzienlijke gevolgen hebben voor toegestane visserijzones, evenals voor de aanwezigheid van invasieve soorten;

G.  overwegende dat de afgelegen ligging van de ultraperifere regio's als algemeen beginsel is erkend en in aanmerking is genomen in het EU-recht, waardoor de invoering van een compensatieregeling voor de extra kosten voor visserij- en aquacultuurproducten in die regio's gerechtvaardigd en toegestaan is;

H.  overwegende dat het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), die ontworpen zijn om de problemen en uitdagingen van continentaal Europa aan te pakken, een gedifferentieerde aanpak van de ultraperifere gebieden mogelijk maken, maar slechts in beperkte mate een rekening houden met de specifieke kenmerken van de visserij in de ultraperifere gebieden;

I.  overwegende dat de ultraperifere gebieden zich in het kader van het GVB oneerlijk behandeld en "dubbel bestraft" voelen (gezien het feit dat zij voorheen geen toegang tot steun voor vlootvernieuwing hadden en momenteel met een verbod op vernieuwingssteun geconfronteerd worden);

J.  overwegende dat belangrijke onderdelen van de visserijvloot in de ultraperifere gebieden tot voor kort niet waren gereglementeerd en niet in het vlootregister waren opgenomen en dientengevolge voor modernisering geen toegang hadden tot financiering uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV);

K.  overwegende dat de bevordering van visserij een van doelstellingen van het GVB vormt, waarbij sociaaleconomische problemen in aanmerking worden genomen;

L.  overwegende dat de regels voor toegang tot middelen voorrang zouden moeten geven aan de lokale vloten en meer selectief vistuig dat voor de bestanden minder schadelijk is;

M.  overwegende dat op grond van het beginsel van goed bestuur in het GVB getracht wordt samenhang tussen de interne en externe dimensie te bereiken;

N.  overwegende dat in bepaalde EEZ's van sommige ultraperifere gebieden(8) en in zeebekkens rond andere sprake is van een aanzienlijke omvang van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij;

O.  overwegende dat de ultraperifere gebieden te kampen hebben met werkloosheidsniveaus die tot de hoogste in de EU behoren, waarbij de jeugdwerkloosheid in sommige van deze gebieden oploopt tot 60 %;

P.  overwegende dat het EFMZV onder bepaalde voorwaarden onder meer steun verleent aan producentenorganisaties, voor motoren, en aan vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD);

Q.  overwegende dat in het kader van het EFMZV geen steun wordt verleend aan: concrete acties die de vangstcapaciteit van een vaartuig vergroten, uitrusting waarmee het vermogen van het vaartuig om vis op te sporen wordt vergroot, en de bouw van nieuwe vissersvaartuigen of de invoer van vissersvaartuigen;

R.  overwegende dat het echter wel mogelijk is om uit hoofde van het EFMZV financiële middelen voor schepen ter beschikking te stellen ter bevordering van de energie-efficiëntie, veiligheid, hygiëne aan boord en kwaliteit van visserijproducten en ter verbetering van de arbeidsomstandigheden;

S.  overwegende dat uit het EFMZV steun wordt verleend aan projecten die zijn gericht op innovatie van beheer en organisatiesystemen;

Bepalingen met betrekking tot de bijzondere kenmerken en geografische omstandigheden van ultraperifere gebieden

1.  is van mening dat duurzame visserij, waarbij gebruikgemaakt wordt van traditionele soorten vistuig, de basis is voor welvarende kustgemeenschappen en bijdraagt aan de voedselzekerheid in de ultraperifere gebieden; benadrukt in dit verband dat de lokale visserij moet bijdragen aan de voedselzekerheid van de plaatselijke bevolking, omdat de voedselzekerheid in die gebieden momenteel te sterk van invoer afhankelijk is;

2.  wijst erop dat het GVB en het EFMZV, die ontworpen zijn om de problemen en uitdagingen van continentaal Europa aan te pakken, slechts in beperkte mate rekening houden met de specifieke kenmerken van de visserij in de ultraperifere gebieden, dat ze niet één op één kunnen worden toegepast op de uitdagingen en kenmerken die eigen zijn aan de visserij in de ultraperifere gebieden en met enige flexibiliteit en pragmatisme moeten worden toegepast of afwijkingen moeten toestaan; roept er eveneens toe op voor elk regionaal zeebekken een specifieke strategie te ontwikkelen die is afgestemd op de bijzondere omstandigheden in elk van de ultraperifere gebieden;

3.  wijst erop dat de ultraperifere gebieden over een grote verscheidenheid aan kleine gemeenschappen beschikken die sterk afhankelijk zijn van de traditionele, kleinschalige kustvisserij en vaak uitsluitend van de visserij leven;

4.  herinnert eraan dat biologische rijkdommen van de zee rond de ultraperifere gebieden in het bijzonder moeten worden beschermd en dat aan de visserij bijzondere aandacht moet worden besteed; onderstreept derhalve dat uitsluitend in havens in ultraperifere gebieden geregistreerde vissersvaartuigen het recht zouden mogen hebben om te vissen in de wateren van ultraperifere gebieden;

5.  merkt op dat de zeebodems van de ultraperifere gebieden een echt levend laboratorium zijn op het gebied van biodiversiteit; benadrukt het belang van onderzoek en gegevensverzameling om de kennis over de oceaan te vergroten; benadrukt het potentieel van de ultraperifere gebieden om te fungeren als echte wetenschappelijke platforms in hun respectieve omgeving en roept de respectieve lidstaten en de Commissie op de steun voor relevante wetenschappelijke onderzoeksprojecten te vergroten;

6.  onderstreept dat het evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden moet worden behouden, met inachtneming van het voorzorgsbeginsel en rekening houdend met de sociaaleconomische omstandigheden; meent echter dat dit geen desinvestering in de gegevensverzameling en in de verbetering van de wetenschappelijke kennis van de mariene ecosystemen mag rechtvaardigen; vraagt een herziening van de quotatoewijzing voor bepaalde soorten (bijvoorbeeld, verhoging van de quota voor blauwvintonijn op de Azoren), evenals de mogelijkheid om andere soorten te vangen (bijvoorbeeld de zwarte haai) op basis van wetenschappelijk onderzoek en de versterking van de technische en materiële capaciteit voor de beoordeling van de ecosystemen;

7.  wijst erop dat in sommige ultraperifere gebieden de visserijvloten zich onder de door het GVB gestelde capaciteitsgrenzen bevinden, met name omdat ze geen toegang hebben tot financiering;

8.  merkt op dat vissers in ultraperifere gebieden, vanwege de specifieke klimaatproblemen die in deze gebieden bestaan, worden geconfronteerd met een vroegtijdige veroudering van hun vaartuigen, wat de veiligheid en doeltreffendheid ervan in het gedrang brengt en de werkomstandigheden minder aantrekkelijk maakt dan op moderne vaartuigen;

9.  benadrukt het feit dat in zijn verslag voor 2016 het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV)(9) het evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden niet voor alle in de ultraperifere gebieden actieve vloten heeft kunnen beoordelen als gevolg van onvoldoende biologische gegevens; vraagt om toewijzing van meer middelen uit het EFMZV en andere fondsen ten behoeve van de verwerving van technische middelen voor de beoordeling van de ecosystemen door wetenschappelijke instellingen en universiteiten; acht het in dit verband van cruciaal belang dat er betrouwbare gegevens over de toestand van de bestanden en de praktijken in deze overzeese EEZ's beschikbaar en toegankelijk zijn;

10.  benadrukt dat kustvisserijvloten in de ultraperifere gebieden vaak bestaan uit verouderde vaartuigen, wat tot veiligheidsproblemen aan boord leidt;

11.  betreurt het dat de Commissie er niet in geslaagd is om voor de uiterste datum 30 juni 2012 een verslag over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 639/2004 te publiceren; vraagt de Commissie met klem om meer informatie over de redenen waarom zij besloten heeft dit verslag niet te publiceren;

12.  betreurt de vertraging in de vaststelling van het EFMZV en bijgevolg in de goedkeuring van de operationele programma's van het EFMZV en als gevolg daarvan de vertraagde uitvoering van ondersteunende bepalingen van het EFMZV, hetgeen heeft geresulteerd in ernstige financiële moeilijkheden voor sommige ondernemingen in de ultraperifere gebieden;

13.  is ingenomen met de specifieke bepalingen ten aanzien van de ultraperifere gebieden in het EFMZV, zoals de compensatie voor extra kosten (voor 100 % gefinancierd uit het EFMZV), die hoger is dan in de voorgaande programmeerperiode maar nog niet voldoende voor sommige ultraperifere gebieden, en de verhoging van de steunintensiteit met 35 % voor andere maatregelen in ultraperifere gebieden;

14.  neemt kennis van de moeilijkheden of zelfs de onmogelijkheid voor bepaalde vissers in de ultraperifere gebieden om toegang te verkrijgen tot financiering en/of verzekering voor hun vaartuigen, waardoor deze vissers veiligheidsproblemen en economische moeilijkheden ervaren;

15.  herinnert eraan dat in de ultraperifere gebieden het merendeel van de geregistreerde vaartuigen kleine vissersboten zijn; onderstreept dat de kleine vaartuigen in sommige ultraperifere gebieden gemiddeld meer dan 40 jaar oud zijn, waardoor er reële veiligheidsproblemen ontstaan;

16.  benadrukt het hefboomeffect van kredietverlening door de Europese Investeringsbank en EU-fondsen, in het bijzonder in de ultraperifere gebieden;

Beter gebruikmaken van de mogelijkheden van artikel 349 van het Verdrag en het GVB

17.  is van mening dat een afzonderlijke adviesraad voor de ultraperifere gebieden, zoals voorzien in het GVB, een geschikt platform zou zijn voor een essentiële uitwisseling van kennis en ervaring en betreurt derhalve dat voor de ultraperifere gebieden een dergelijke raad niet is opgericht;

18.  vraagt dat artikel 349 VWEU onverkort wordt toegepast in het beleid, de regelgeving, de fondsen en de programma's van de Unie die betrekking hebben op het visserijbeleid van de Unie, en in het bijzonder in het EFMZV, om een oplossing te bieden voor de specifieke problemen waarmee de ultraperifere gebieden te kampen hebben;

19.  is van oordeel dat CLLD een veelbelovende aanpak is en dat de betreffende lidstaat zo goed mogelijk van de mogelijkheden van CLLD gebruik moet maken om dit soort lokale ontwikkeling in de ultraperifere gebieden te steunen;

20.  benadrukt dat het belangrijk is om plaatselijke actiegroepen visserij (FLAG's) op te richten die worden erkend als een belangrijk instrument dat ondersteuning biedt en mogelijkheden inhoudt om de visserijactiviteiten te diversifiëren;

21.  verzoekt de Commissie in voorstellen voor wetgevingshandelingen een omvattende en aangepaste aanpak te faciliteren betreffende de kosten van investeringen in hygiëne, gezondheid, veiligheid en investeringen in verband met werkomstandigheden;

22.  verzoekt de Commissie in voorstellen voor wetgevingshandelingen inzake criteria voor berekening van extra kosten als gevolg van de specifieke handicaps van ultraperifere gebieden, ook de impact van klimatologische en geografische omstandigheden en roofbouw in aanmerking te nemen;

23.  betreurt het aanzienlijke niveau van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij in de EEZ van sommige ultraperifere gebieden en in de zeebekkens rond andere, die is toe te schrijven aan zowel plaatselijke als buitenlandse vaartuigen; wijst erop dat wat het plaatselijke aandeel betreft dergelijke praktijken ook het gevolg zijn van kwesties in verband met de lokale voedselvoorziening; dringt er bij de nationale autoriteiten op aan de strijd tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te intensiveren;

24.  is daarom voorstander van actieve maatregelen, bijvoorbeeld op het gebied van toezicht, en passieve maatregelen zoals onderhandelingen met buurlanden van de ultraperifere gebieden waarmee nog geen partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij (PODV's) zijn gesloten;

25.  verzoekt alle betrokken partijen, met het oog op het creëren van nieuwe afzetmogelijkheden, vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van het EFMZV en de mogelijkheden ervan te benutten om aanzienlijk te investeren in vlootmodernisering – meer veiligheid, meer hygiëne aan boord, hogere energie-efficiëntie en betere kwaliteit van de visserijproducten – alsook in vissershavens, aanlandingsplaatsen en aquacultuur; pleit er tevens voor de regeling ter compensatie van extra kosten te gebruiken om de winstgevendheid van de sector te verhogen;

26.  roept op om echt rekening te houden met de belangen van de ultraperifere gebieden wanneer visserijovereenkomsten met derde landen worden gesloten, met name door daarin de verplichting tot aanlanding in die gebieden of tot indienstneming van mensen uit die gebieden op te nemen;

27.  onderstreept dat er effectbeoordelingen voor de ultraperifere gebieden moeten worden uitgevoerd telkens wanneer visserijovereenkomsten tussen de EU en derde landen voor deze gebieden gevolgen hebben, zoals is vastgelegd in artikel 349 VWEU;

28.  stelt vast dat een herstructurering van de visserijsector in de ultraperifere gebieden nodig kan zijn om een duurzaam beheer van de visbestanden te waarborgen en dat eventueel een vermindering van het aantal vaartuigen overwogen moet worden;

29.  is van mening dat er, in gevallen waarin op grond van artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 capaciteitsvermindering noodzakelijk is, voorrang moet worden gegeven aan het behoud van vaartuigen die voldoen aan de criteria die worden uiteengezet in artikel 17 van genoemde verordening;

30.  verzoekt de lidstaten bij de uitvoering van de bepaling van het GVB inzake de toewijzing van vangstmogelijkheden, met name de traditionele en ambachtelijke visserij uit de ultraperifere gebieden, die aan de plaatselijke economie bijdraagt en een lage impact heeft op het milieu, in aanmerking te nemen;

31.  dringt er bij de lidstaten met ultraperifere gebieden op aan alle passende maatregelen te nemen en specifieke steunregelingen, zoals speciale belastingregelingen, te handhaven;

32.  is van mening dat zowel de gegevensverzameling met betrekking tot visbestanden als de beoordeling van de impact van kleine vaartuigen in de ultraperifere gebieden moet worden verbeterd om de wetenschappelijke basis inzake de vangstmogelijkheden in die gebieden te versterken;

33.  herinnert eraan dat de ultraperifere gebieden afhankelijk zijn van de visbestanden in hun EEZ, die in biologisch opzicht zeer kwetsbaar zijn; is met name wat dat betreft van mening dat op het gebied van gegevensverzameling voorrang moet worden gegeven aan de visserijgegevens in de ultraperifere gebieden;

34.  benadrukt dat, aangezien aquacultuur nieuwe productiemogelijkheden en kwalitatief hoogwaardige producten kan opleveren, in de ultraperifere gebieden het potentieel van aquacultuur beter moet worden benut – met nadrukkelijke steun van de Europese Unie gezien de zeer sterke regionale concurrentie –, en vraagt de Commissie projecten in verband met de ontwikkeling van aquacultuur aan te moedigen en te ondersteunen;

35.  verzoekt de lidstaten en de ultraperifere gebieden optimaal gebruik te maken van de de-minimis- en groepsvrijstellingsregels die zijn opgenomen in Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie;

36.  verzoekt de lidstaten het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen te bevorderen en op de synergieën tussen de verschillende fondsen te wijzen in de ultraperifere gebieden, teneinde economische kansen voor alle actoren in de blauwe economie te creëren; moedigt met name investeringen aan in projecten ten behoeve van de opwaardering van de visserijberoepen, in projecten die de sector aantrekkelijker maken voor jongeren, en in projecten die gericht zijn op de invoering van selectieve visserijmethoden en die bijdragen aan de ontwikkeling van de visserij;

37.  ondersteunt de vaststelling van O&O-programma's voor de visserij als onderdeel van het Horizon 2020-programma, waar de verschillende economische en maatschappelijke actoren bij worden betrokken, teneinde een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van nieuwe visserijtechnologieën en -methoden waardoor de concurrentiekracht van de sector kan toenemen en de mogelijkheden van de sector op het gebied van economische groei en het scheppen van banen bij de lokale bevolking worden versterkt;

38.  is er voorstander van dat het toekomstige GVB de specifieke kenmerken van de ultraperifere gebieden in hun volle omvang beschouwt en deze gebieden de mogelijkheid biedt het grote economische, sociale en ecologische potentieel van een duurzame en doordachte ontwikkeling van de visserijsector in deze gebieden te benutten; wijst in dit verband op de behoefte om de grondslag van de vlootsegmentering­ te heroverwegen – erop gericht een objectieve evaluatie te waarborgen van het evenwicht tussen vangstmogelijkheden en vangstcapaciteit van de ambachtelijke vloot van de ultraperifere gebieden die van uiterst selectief vistuig gebruikmaakt – door de verbetering te bevorderen van de technische eigenschappen van een vloot met een precair voorstuwingsvermogen en/of stabiliteit, die onder ongunstige weersomstandigheden een risico vormt voor de veiligheid van de bemanning, overeenkomstig de in de scheepsbouw gebruikte objectieve wetenschappelijke criteria, zonder dat dit leidt tot een toename van niet-duurzame visserijactiviteiten;

39.  is van mening dat gezien het buitengewoon potentieel van de ultraperifere gebieden investeringen moeten worden gestimuleerd en de diversifiëring en innovatie van de visserij met het oog op de economische groei moeten worden bevorderd;

40.  verzoekt de Commissie, om de visserijsector in de ultraperifere gebieden te helpen overleven en in overeenstemming met de beginselen van een gedifferentieerde behandeling voor kleine eilanden en gebieden die vermeld worden in duurzameontwikkelingsdoelstelling (SDG) 14, op basis van artikel 349 VWEU ondersteunende maatregelen te treffen zodat (op EU- of nationaal niveau) financiering kan worden verstrekt voor de ambachtelijke en traditionele vissersschepen van de ultraperifere gebieden die al hun vangsten in havens in de ultraperifere gebieden aanlanden en bijdragen tot de plaatselijke duurzame ontwikkeling, teneinde de menselijke veiligheid te vergroten, de Europese normen inzake hygiëne na te leven, illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te bestrijden en een grotere milieu-efficiëntie te bereiken; wijst erop dat deze vernieuwing van de visserijvloot binnen de grenzen van de toegestane capaciteitsmaxima moet blijven, tot de vervanging van een oud door een nieuw schip beperkt moet worden en duurzame visserij en het bereiken van de doelstelling inzake maximale duurzame opbrengst (MSY) mogelijk moet maken;

41.  stelt een grotere steunintensiteit voor de vervanging van motoren in de ultraperifere gebieden voor, aangezien het wetenschappelijk is aangetoond dat klimaatomstandigheden en klimaatveranderingen een doorslaggevende negatieve impact hebben op de vloten van de ultraperifere gebieden;

42.  verzoekt de Commissie om, naar analogie met het POSEI-programma voor de landbouw, de mogelijkheid te bestuderen om zo spoedig mogelijk een financieringsinstrument te creëren dat specifiek bestemd is voor de ondersteuning van de visserij in de ultraperifere regio's en de mogelijkheid biedt om het potentieel van de visserij in die regio's op passende wijze te benutten; is van oordeel dat de mogelijkheid moet worden overwogen om in dit specifieke instrument de bepalingen van artikel 8 (staatssteun), artikel 13, lid 5 (begrotingsmiddelen in het kader van gedeeld beheer), artikelen 71 (berekening van de compensatie), artikel 72 (compensatieplan) en artikel 73 (staatssteun voor de uitvoering van compensatieplannen) van het huidige EFMZV, op te nemen;

43.  stelt voor om de capaciteit van sommige vlootsegmenten in de ultraperifere gebieden te vergroten wanneer wetenschappelijk wordt aangetoond dat het exploitatieniveau van bepaalde visbestanden kan worden verhoogd zonder dat de doelstellingen van duurzame visserij hierdoor in het gedrang komen;

44.  merkt op dat de renovatie en modernisering van de ambachtelijke, kleinschalige vloten in ultraperifere gebieden, die gebruikmaken van uiterst selectief vistuig, de veiligheid van bemanningsleden bij ongunstige weersomstandigheden kan verbeteren, door objectieve wetenschappelijke criteria voor de scheepsbouw aan te wenden zonder dat hierbij het evenwicht tussen vangstmogelijkheden en visserijcapaciteit wordt verstoord;

45.  raadt aan onder een toekomstig EFMZV betere stimulansen te ontwikkelen om jonge mensen aan te moedigen in de maritieme economie werkzaam te zijn, met name via beroepsopleidingen en door bevordering van maatregelen die inkomsten en baanzekerheid verhogen en de duurzaamheid in het algemeen van de organisatie van de maritieme economie verbeteren;

o
o   o

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0133.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0015.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0109.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0110.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0049.
(6) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 167.
(7) PB C 15 E van 21.1.2010, blz. 135.
(8) Studie van het directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie van het Europees Parlement over het beheer van de visserijvloot in de ultraperifere gebieden (IP/B/PECH/IC/2016_100); het operationele programma voor Frankrijk in het kader van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij.
(9) Verslagen van het WTECV – Assessment of balance indicators for key fleet segments and review of national reports on Member States efforts to achieve balance between fleet capacity and fishing opportunities (STECF-16-18).

Juridische mededeling - Privacybeleid