Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2097(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0159/2017

Ingediende teksten :

A8-0159/2017

Debatten :

PV 15/05/2017 - 15
CRE 15/05/2017 - 15

Stemmingen :

PV 16/05/2017 - 6.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0206

Aangenomen teksten
PDF 394kWORD 59k
Dinsdag 16 mei 2017 - Straatsburg
Jaarverslag 2015 over de bescherming van de financiële belangen van de EU - Fraudebestrijding
P8_TA(2017)0206A8-0159/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 16 mei 2017 over het jaarverslag 2015 over de bescherming van de financiële belangen van de EU – Fraudebestrijding (2016/2097(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 325, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn resoluties over eerdere jaarverslagen van de Commissie en van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF),

–  gezien het verslag van de Commissie van 14 juli 2016 getiteld "Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – Fraudebestrijding – Jaarverslag 2015" (COM(2016)0472) en de bijbehorende werkdocumenten SWD(2016)0234, SWD(2016)0235, SWD(2016)0236, SWD(2016)0237, SWD(2016)0238 en SWD(2016)0239,

–  gezien het jaarverslag 2015 van OLAF en het activiteitenverslag van 2015 van het Comité van toezicht van OLAF,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 juli 2016 getiteld "Bescherming van de EU-begroting tot eind 2015" (COM(2016)0486),

–  gezien Verordening (EU) nr. 250/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 tot vaststelling van een programma voor de bevordering van acties op het gebied van de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie (programma "Hercules III") en tot intrekking van Besluit nr. 804/2004/EG(1),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 17 juli 2013 voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie (COM(2013)0534),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad(2),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 11 juli 2012 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (COM(2012)0363),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad(3),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de bestrijding van corruptie en de opvolging van de resolutie van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM)(4),

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien het in opdracht van de Europese Commissie opgestelde verslag 2015 over de btw-kloof en de mededeling van de Commissie van 7 april 2016 over een actieplan betreffende de btw (COM(2016)0148),

–  gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie in zaak C-105/14 (Taricco e.a.)(6),

–  gezien speciaal verslag nr. 24/2015 van de Europese Rekenkamer van 3 maart 2016 getiteld "De aanpak van intracommunautaire btw-fraude: er zijn meer maatregelen nodig",

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU(7),

–  gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG(8),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0159/2017),

A.  overwegende dat de lidstaten en de Commissie de jure een gedeelde verantwoordelijkheid hebben voor de uitvoering van ongeveer 80 % van de Uniebegroting; overwegende evenwel dat de Commissie en de lidstaten die deze middelen besteden, de facto verantwoordelijk zijn om een overzicht te hebben van de projecten teneinde er een zekere controle op uit te oefenen; overwegende dat de lidstaten primair verantwoordelijk zijn voor de inning van de eigen middelen, o.a. in de vorm van btw en douanerechten;

B.  overwegende dat de bescherming van de financiële belangen van de EU centraal moet staan in het EU-beleid, teneinde het vertrouwen van de burgers te vergroten door ervoor te zorgen dat hun geld goed en in overeenstemming met de benadering "optimale besteding van elke euro" wordt besteed;

C.  overwegende dat het, om goede prestaties met vereenvoudigingsprocessen te behalen, nodig is de kosten, opbrengsten, uitkomsten/resultaten en effecten regelmatig onder de loep te nemen in het kader van doelmatigheidscontroles;

D.  overwegende dat artikel 325, lid 2, VWEU, bepaalt: "De lidstaten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad";

E.  overwegende dat artikel 325, lid 3, VWEU, bepaalt dat de lidstaten "samen met de Commissie een nauwe en geregelde samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten" organiseren;

F.  overwegende dat de verscheidenheid aan rechts- en bestuurssystemen in de lidstaten het moeilijk maakt om een einde te maken aan onregelmatigheden en fraude te bestrijden; overwegende dat de Commissie daarom meer inspanningen moet leveren om ervoor te zorgen dat de fraudebestrijding doeltreffend wordt uitgevoerd en de behaalde resultaten tastbaarder en bevredigender zijn;

G.  overwegende dat het verwerken van gevoelige informatie steeds vaker als een frauderisico wordt aangemerkt;

H.  overwegende dat de btw voor de lidstaten een belangrijke en groeiende bron van inkomsten is, die in 2014 bijna 1 biljoen EUR opleverde en dat jaar 17 667 miljoen EUR aan de eigen middelen van de EU bijdroeg, zijnde 12,27 % van de totale inkomsten van de EU;

I.  overwegende dat het huidige btw-stelsel, en met name de toepassing daarvan op grensoverschrijdende transacties, vatbaar is voor fraude en strategieën voor belastingontduiking, waarbij alleen al de intracommunautaire ploffraude (ook wel carrouselfraude genoemd) goed was voor een derving van btw-inkomsten van ongeveer 50 miljard EUR in 2014;

J.  overwegende dat de btw-kloof in 2014 ongeveer 159,5 miljard EUR bedroeg en uiteenliep van minder dan 5 % tot meer dan 40 %, afhankelijk van het land;

K.  overwegende dat corruptie, vooral in de vorm van georganiseerde misdaad, alle lidstaten schade toebrengt en niet alleen loodzwaar weegt op de economie van de EU, maar ook de democratie en de rechtsstaat in heel Europa ondergraaft; overwegende dat de precieze cijfers echter onbekend zijn aangezien de Commissie besloten heeft in het verslag over het corruptiebestrijdingsbeleid van de EU geen gegevens bekend te maken;

L.  overwegende dat fraude een voorbeeld van opzettelijk wangedrag en een misdrijf is, en dat een onregelmatigheid het niet naleven van een regel is;

M.  overwegende dat schommelingen in het aantal onregelmatigheden kunnen worden gekoppeld aan de voortschrijding van de cycli voor meerjarenprogramma's (waarbij aan het einde van elke cyclus meer onregelmatigheden worden vastgesteld doordat de programma's worden afgesloten) en aan laattijdige rapportage door bepaalde lidstaten die de gewoonte hebben om de meeste onregelmatigheden van de voorbije meerjarenprogramma's in één keer te melden;

Opsporing en melding van onregelmatigheden

1.  merkt met bezorgdheid op dat het totale aantal gemelde frauduleuze en niet‑frauduleuze onregelmatigheden in 2015 aanzienlijk is toegenomen, namelijk met 36 %, waarmee het aantal gemelde onregelmatigheden ten opzichte met 2014 met 5 876 gevallen is gestegen tot 22 349 als gevolg van bepaalde, specifieke situaties op het gebied van het cohesiebeleid in twee lidstaten; merkt op dat ondanks de toename van het aantal onregelmatigheden in 2015 het daarmee gemoeide bedrag (3,21 miljard EUR) licht is gedaald (met 1 %) in vergelijking met 2014 (3,24 miljard EUR);

2.  vindt het zorgwekkend dat ondanks de positieve afname van gemelde frauduleuze onregelmatigheden met 11 % van 1 649 in 2014 tot 1 461 in 2015, de daarmee gemoeide bedragen met 18 % toenamen van 538 miljoen EUR in 2014 naar 637,6 miljoen EUR in 2015; merkt op dat onjuiste of vervalste documenten en verklaringen met 34 % het meest voorkomende fraudetype zijn, terwijl het hoogste aandeel als frauduleus aangemerkte onregelmatigheden (52 %) werd opgespoord in de landbouwsector, en het hoogste percentage voor de opsporing van alle frauduleuze onregelmatigheden (75 %) werd gehaald door de administratieve controlesystemen die op grond van sectorspecifieke voorschriften zijn ingesteld;

3.  herinnert eraan dat niet alle onregelmatigheden frauduleus zijn en dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen fouten en fraude;

4.  is van oordeel dat de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten op het gebied van de opsporing van fraude niet doeltreffend genoeg is;

5.  is het niet eens met het standpunt van de Commissie dat een jaarlijkse toename van de EU-begrotingsmiddelen met 14 % de toename van het aantal onregelmatigheden met 36 % zou kunnen rechtvaardigen;

6.  is ingenomen met het pakket van de Commissie met vier gedelegeerde verordeningen en vier uitvoeringsverordeningen betreffende bepalingen voor de rapportage van onregelmatigheden op het gebied van gedeeld beheer, dat bedoeld is om de kwaliteit en samenhang van de door de lidstaten verstrekte informatie over onregelmatigheden en fraude te verbeteren; betreurt het dat deze verordeningen geen termijnen vastleggen waarbinnen de lidstaten de onregelmatigheden moeten melden; betreurt, wat de gemelde niet-frauduleuze onregelmatigheden betreft, dat in 2015 537 van de 538 door Ierland gemelde onregelmatigheden verband hielden met het historische rapportageprogramma van 2000-2006 dat 5 105 van de door Spanje gemelde 5 619 onregelmatigheden verband hielden met onregelmatigheden in de sector van het cohesiebeleid die in de gehele periode 2007-2013 werden opgespoord en die allemaal samen in 2015 werden gemeld, en dat Nederland in 2014 slechts één geval in verband met de visserijsector meldde, terwijl er dat in 2015 53 waren; onderstreept dat de lidstaten al vele jaren lang gegevens niet tijdig of slechts onvolledig doorgeven; benadrukt dat het onmogelijk is een vergelijking en een objectieve beoordeling van de omvang van fraude in de lidstaten van de Europese Unie te maken;

7.  merkt op dat de Commissie overeenkomstig artikel 27, lid 3, van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen, elke vijf jaar verslag uitbrengt aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van de bij deze richtlijn vastgestelde regelingen; betreurt het dat de voor uiterlijk 1 januari 2017 geplande evaluatie nog altijd niet is gepubliceerd; verzoekt de Commissie deze evaluatie onverwijld te publiceren;

8.  moedigt de Commissie aan haar inspanningen voort te zetten om programma's zoals Refit te ontwikkelen, teneinde de EU-wetgeving te vereenvoudigen; benadrukt dat de vereenvoudiging van regels en procedures zal helpen bij het verminderen van het aantal onregelmatigheden, die vaak toe te schrijven zijn aan ingewikkelde voorschriften en vereisten; merkt op dat een verlichting van de administratieve lasten een kostenbesparing is voor overheidsdiensten en EU-burgers, en tevens begunstigden aanmoedigt nieuwe EU-programma's ter hand te nemen; benadrukt dat een vereenvoudiging van de voorschriften moet stroken met het beginsel van een op resultaten gerichte EU-begroting;

9.  herinnert eraan dat de lidstaten ongeveer 80 % van de EU-begroting beheren; is derhalve van mening dat de Commissie hen moet helpen bij het uitwerken van een nationale antifraudestrategie;

10.  betreurt het dat nog niet alle lidstaten een nationale antifraudestrategie hebben vastgesteld;

11.  verzoekt de Commissie nogmaals een uniform systeem in het leven te roepen voor het verzamelen van vergelijkbare gegevens over onregelmatigheden en fraudegevallen in de lidstaten, teneinde het meldingsproces te standaardiseren en de kwaliteit en vergelijkbaarheid van de verstrekte gegevens te waarborgen;

12.  is ingenomen met de vaststelling van Verordening (EU) 2015/1525 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015, die het huidige kader voor de opsporing en het onderzoek van douanefraude op EU- en nationaal niveau heeft verbeterd;

13.  prijst de inspanningen die de lidstaten verricht hebben om onregelmatigheden op te sporen, te evalueren en te melden en effectieve en proportionele antifraudemaatregelen te implementeren; beklemtoont dat het optreden tegen fraude bevorderlijk is voor de ontwikkeling; dringt er bij de Commissie op aan ook gebruik te maken van technische bijstand om de technische en administratieve capaciteit van beheersautoriteiten te versterken om te zorgen voor effectieve controlesystemen, door onder andere eenvoudigere en transparantere toepassingen in te voeren die het risico van fraude kunnen beperken en waarborgen dat eventuele schade kan worden verhaald; raadt aan de transparantie op alle niveaus van het projectbeheer te verbeteren; spoort de Commissie en de lidstaten aan op de ingeslagen weg door te gaan door geleidelijk het systematische gebruik van informatietechnologieën in de controlesystemen en ‑procedures te integreren teneinde onregelmatigheden te bestrijden; dringt er bij de Commissie op aan bijzondere richtsnoeren op te stellen en goed te keuren om de nationale overheden te helpen onregelmatigheden op te sporen;

Ontvangsten – eigen middelen

14.  is bezorgd over de derving als gevolg van de btw-kloof en intracommunautaire btw-fraude, die in 2014 respectievelijk 159,5 miljard EUR en 50 miljard EUR aan inkomstenderving bedroeg; merkt op dat slechts twee lidstaten, het VK en België, statistische gegevens verzamelen en verspreiden betreffende inkomstenderving veroorzaakt door grensoverschrijdende btw-fraude;

15.  wijst erop dat de Commissie geen toegang heeft tot de informatie die tussen de lidstaten wordt uitgewisseld ter voorkoming en bestrijding van intracommunautaire ploffraude, ook wel carrouselfraude genoemd; is van mening dat de Commissie toegang moet krijgen tot Eurofisc om de gegevensuitwisseling tussen de lidstaten beter te kunnen controleren, beoordelen en verbeteren; verzoekt alle lidstaten om deel te nemen aan Eurofisc, en wel op alle werkterreinen, om de uitwisseling van informatie met gerechtelijke en rechtshandhavingsautoriteiten, zoals Europol en OLAF, te vergemakkelijken en sneller te laten verlopen, zoals aanbevolen door de Rekenkamer; verzoekt de lidstaten en de Raad om de Commissie toegang te verlenen tot deze gegevens teneinde de samenwerking te bevorderen, de betrouwbaarheid van de gegevens te versterken en de grensoverschrijdende misdaad te bestrijden;

16.  merkt op dat het systeem voor de uitwisseling van btw-informatie (VIES) een zinvol instrument is gebleken bij de bestrijding van fraude, doordat het belastingautoriteiten in staat stelt gegevens over handelaars grensoverschrijdend in overeenstemming te brengen; roept de lidstaten op de reactietijden te verbeteren voor het verstrekken van informatie, het beantwoorden van vragen en het reageren op gesignaleerde onjuistheden, zoals aanbevolen door de Europese Rekenkamer;

17.  neemt nota van het op 7 april 2016 gepubliceerde actieplan van de Commissie betreffende de btw, "Naar een gemeenschappelijke btw-ruimte in de EU"; betreurt ten zeerste dat de bekendmaking van de maatregelen om de samenwerking tussen belastingadministraties en met de douanediensten en rechtshandhavingsinstanties te verbeteren en de capaciteit van belastingadministraties te versterken, die zijn opgenomen in het actieplan voor 2016, één jaar vertraging heeft opgelopen; beklemtoont dat de problemen in verband met grensoverschrijdende btw-fraude om krachtige, gecoördineerde en snelle maatregelen vragen; dringt er daarom bij de Commissie op aan vaart te zetten achter haar procedures en te komen met oplossingen waarmee belastingderving in de EU en de lidstaten kan worden voorkomen;

18.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van kortetermijnmaatregelen om btw-verliezen het hoofd te bieden het voorstel van de Commissie voor een definitief btw-systeem, zoals vermeld in het actieplan, niet mag vertragen;

19.  merkt met enige voldoening op dat de in 2014 vastgestelde piek in de hoeveelheid traditionele eigen middelen (TEM) die door fraude zijn getroffen, een eenjarige kwestie was en dat het niveau van 2015 (427 miljoen EUR) weer terug is op het gemiddelde van de jaren 2011-2015; is echter ontstemd over het feit dat een aantal lidstaten geen enkel geval melden van onregelmatigheden die verband houden met TEM;

20.  dringt er bij de lidstaten op aan de verschuldigde hoeveelheden TEM sneller te verhalen, met name bij de lidstaten die de grootste bedragen moeten verhalen; dringt er bij Griekenland, Roemenië, Letland, Malta en Nederland op aan hun inning van TEM te verbeteren, aangezien de hoogte van hun verschuldigde TEM nog steeds ruim boven het Europese gemiddelde van 1,71 % ligt en respectievelijk 8,95 %, 5,07 %, 5,04 %, 3,84 % en 3,81 % bedraagt;

21.  stelt vast dat het aantal vrijwillige bekentenissen van onregelmatigheden toeneemt en roept de lidstaten op hun douanecontrolestrategieën hieraan aan te passen en daarbij rekening te houden met de resultaten van vrijwillige bekentenissen;

22.  neemt terdege kennis van het feit dat 75 % van alle gemelde fraudegevallen goederen betreffen zoals tabak, elektrische machines, schoeisel, textiel, ijzer en staal, en dat China, de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), de Verenigde Staten, Belarus, Rusland en Oekraïne het vaakst worden aangemerkt als landen van oorsprong van dergelijke goederen; beklemtoont dat China het belangrijkste land van oorsprong is voor namaakgoederen (80 %), gevolgd door Hongkong, de VAE, Turkije en India; vraagt de Commissie om deze problemen ter sprake te brengen tijdens handelsoverleg met deze landen;

23.  benadrukt dat de smokkel van zwaar belaste goederen tot een aanzienlijke derving van inkomsten voor de begrotingen van de EU en haar lidstaten leidt, en dat alleen al het directe verlies aan douane-inkomsten door sigarettensmokkel op meer dan 10 miljard EUR per jaar wordt geschat;

24.  merkt bezorgd op dat er de laatste jaren meer tabak naar de EU wordt gesmokkeld en dat dit naar raming jaarlijks een verlies van 10 miljard EUR aan overheidsinkomsten voor de begroting van de EU en de lidstaten betekent en tegelijkertijd een belangrijke oorzaak is van georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme; benadrukt dat de illegale tabakshandel zowel de legale handel als de nationale economieën ernstige schade toebrengt; merkt verder op dat een fors aandeel van de gesmokkelde tabak afkomstig is uit Belarus; vraagt de EU en de lidstaten om druk uit te oefenen op Belarus om de illegale tabakshandel en de georganiseerde misdaad te bestrijden, en om zo nodig sancties in te voeren; verzoekt de lidstaten hun samenwerking op dit gebied te intensiveren;

25.  neemt kennis van en is ingenomen met de succesvolle resultaten van een groot aantal gezamenlijke douaneoperaties (GDO's) waarbij OLAF en de lidstaten samenwerkten met verschillende diensten in derde landen en die hebben geleid tot de inbeslagname van onder andere 16 miljoen sigaretten en 2 ton cannabis; merkt op dat operatie Baltica, geleid door de Poolse douaneautoriteiten in samenwerking met OLAF, Europol en vijf lidstaten (Estland, Finland, Letland, Litouwen en Zweden), heeft geleid tot de inbeslagname van 13 miljoen sigaretten die afkomstig waren uit derde landen zoals Belarus en Rusland;

26.  neemt nota van de 241 gemelde gevallen van sigarettensmokkel met naar schatting een verlies aan TEM van 31 miljoen EUR; trekt de waakzaamheid in twijfel van de douanediensten van bepaalde lidstaten die in 2015 geen enkel geval van sigarettensmokkel hebben gemeld;

27.  merkt op dat douanecontroles op het ogenblik van de inklaring van goederen en inspecties van fraudebestrijdingsdiensten in 2015 de succesvolste methoden waren om frauduleuze gevallen op te sporen aan de ontvangstenkant van de EU-begroting;

28.  uit zijn grote bezorgdheid over het feit dat een vermindering van het douanepersoneel een negatieve invloed kan hebben op het aantal controles en daarom negatieve gevolgen kan hebben voor de opsporing van frauduleuze handelingen aan de ontvangstenkant van de EU-begroting;

29.  herhaalt dat effectieve douanecontroles een belangrijke rol spelen bij de bescherming van de financiële belangen van de EU en dat begrotingsmaatregelen het de autoriteiten van de lidstaten niet onmogelijk mogen maken om hun taken te vervullen;

30.  maakt zich zorgen over de douanecontroles en de bijbehorende inning van invoerrechten, die eigen middelen voor de EU-begroting vormen; wijst erop dat het de douanediensten van de lidstaten zijn die moeten controleren of importeurs de regelgeving inzake tarieven en import naleven, en verzoekt de Commissie te zorgen voor toereikende en geharmoniseerde controles aan de grenzen van de Unie teneinde de veiligheid van de Unie en de bescherming van haar economische belangen te waarborgen, en daarbij met name de handel in illegale en namaakproducten aan te pakken;

31.  is ingenomen met de aanbeveling van de Commissie dat de lidstaten een goed evenwicht moeten vinden tussen de bevordering van de handel en de bescherming van de financiële belangen van de Unie; wijst in dit verband op de snelle procedures van de douaneautoriteiten voor bedrijven met een gering risico, hetgeen een goed systeem kan zijn voor snelle inklaring van goederen, maar kwetsbaar is gebleken voor corruptiepraktijken van douanebeambten;

Uitgaven

32.  neemt kennis van het geringe percentage gemelde (frauduleuze en niet‑frauduleuze) onregelmatigheden in verband met direct onder het beheer van de Commissie vallende middelen, dat lager is dan 0,7 %; vraagt de Commissie om meer gedetailleerde informatie over de terugvorderingen bij personen die legaal in een niet‑EU-land verblijven, van verkeerd beheerde EU-gelden onder direct beheer van de Commissie;

33.  merkt op dat het aantal onregelmatigheden met betrekking tot uitgaven die als frauduleus zijn gemeld, in 2015 met 10 % is gedaald;

34.  merkt op dat de opgespoorde frauduleuze en niet‑frauduleuze onregelmatigheden aan de uitgavenzijde in 2015 1,98 % van de betalingen uit de EU-begroting uitmaakten;

35.  merkt op dat het aantal gemelde frauduleuze onregelmatigheden voor nationale middelen aan de uitgavenzijde van de begroting in 2015 met 14 % is gedaald ten opzichte van 2014 en dat het betrokken bedrag met 8 % is toegenomen; stelt met bezorgdheid vast dat het aantal niet‑frauduleuze onregelmatigheden in deze sector in 2015 met 28 % is toegenomen en dat het betrokken bedrag met 44 % is gestegen;

36.  vindt het zeer zorgwekkend dat het aantal gemelde frauduleuze en niet‑frauduleuze onregelmatigheden in het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en in het Europees Fonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) al gedurende een periode van ten minste vijf jaar jaarlijks toeneemt, en wel van 1 970 in 2011 naar 4 612 in 2015; merkt echter op dat de onregelmatigheden met betrekking tot het ELGF stabiel zijn gebleven (+6 % in vergelijking met 2014 en 10 % in vergelijking met 2011) en dat de onregelmatigheden in verband met het Elfpo voortdurend gestegen zijn; stelt vast dat het daarmee gemoeide financiële bedrag gedaald is van 211 miljoen EUR in 2011 naar 119 miljoen EUR in 2012, maar daarna voortdurend gestegen is naar 394 miljoen EUR in 2015, waarmee de waarde van de gemelde onregelmatigheden rond het Elfpo in de buurt komt van 2 % van het totale fonds; dringt er bij de lidstaten met het grootste aantal gemelde niet-frauduleuze onregelmatigheden – Roemenië, Italië, Spanje, Polen, Hongarije, Portugal en Litouwen – op aan de situatie dringend en doeltreffend onder controle te krijgen teneinde deze trend om te keren;

37.  betreurt het dat meer dan twee derde van de geschatte fouten in EOF-uitgaven in 2015 te wijten is aan de afwezigheid van ondersteunende documenten om de uitgaven te rechtvaardigen en aan de niet‑naleving van de voorschriften inzake overheidsopdrachten; wijst erop dat totale transparantie, ook voor wat opdrachten in onderaanneming betreft, nodig is voor efficiënt toezicht; roept de Commissie en de lidstaten op deze tekortkomingen onmiddellijk aan te pakken; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat Richtlijn 2014/24/EU en Richtlijn 2014/25/EU betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten zo spoedig mogelijk worden omgezet in nationaal recht, en deze omzetting te beoordelen;

38.  is bezorgd over het verschil in aantal gemelde onregelmatigheden tussen de lidstaten; wijst erop dat een hoog aantal gemelde onregelmatigheden er ook op kan wijzen dat het nationale controlesysteem er beter in slaagt onregelmatigheden te onderscheppen en op te sporen; dringt er bij de Commissie op aan alles in het werk te blijven stellen om de lidstaten te helpen om het niveau en de kwaliteit van de controles te verbeteren, onder meer via de dienst voor gecoördineerde fraudebestrijding (AFCOS) en de invoering in alle lidstaten van een nationale fraudebestrijdingsstrategie;

39.  juicht toe dat zes lidstaten eind 2015 een nationale fraudebestrijdingsstrategie hebben goedgekeurd en roept de overige lidstaten op vaart te maken met de lopende goedkeuring dan wel een eigen nationale fraudebestrijdingsstrategie uit te werken;

40.  is zeer bezorgd over het feit dat de frauduleuze en niet‑frauduleuze onregelmatigheden die verband houden met het gemeenschappelijk visserijbeleid in 2015 zijn verdubbeld ten opzichte van 2014 en dat het aantal meldingen (202 gevallen, waarvan 19 frauduleuze en 183 niet‑frauduleuze) waarmee een bedrag van 22,7 miljoen EUR (waarvan 3,2 miljoen EUR voor de frauduleuze gevallen) was gemoeid, nog nooit zo hoog is geweest;

41.  onderstreept dat de vereenvoudiging van administratieve regels het aantal niet‑frauduleuze onregelmatigheden zal doen verminderen, zal helpen om gevallen van fraude vast te stellen en EU-middelen toegankelijker zal maken voor de begunstigden;

42.  betreurt het dat ten aanzien van het cohesiebeleid een sterke toename is geconstateerd van het aantal niet-frauduleuze onregelmatigheden, die tussen 2014 en 2015 met 104 % zijn toegenomen voor de programmeringsperioden vóór 2007-2013 en met 108 % voor de programmeringsperiode 2007-2013; merkt echter op dat met niet-frauduleuze onregelmatigheden gemoeide bedragen in 2015 met niet meer dan 9 % gestegen zijn in vergelijking met 2014; betreurt eveneens dat het aantal frauduleuze onregelmatigheden in 2015 is toegenomen met 21 % en dat het betrokken bedrag met 74 % is gestegen;

43.  is van mening dat het nuttig kan zijn de gegevens uit het jaarverslag aan vergelijkbare gegevens over nationale uitgavenregelingen, ook op het gebied onregelmatigheden en fraude, te toetsen om gerichte conclusies te kunnen trekken over uitgaven voor het cohesiebeleid, ook voor de behoeften aan capaciteitsopbouw;

44.  verwijst in dit verband naar speciaal verslag nr. 10/2015 van de Europese Rekenkamer, waarin onder meer de aanbeveling wordt geformuleerd dat de Commissie en de lidstaten investeren in de systematische analyse van fouten bij aanbestedingen, en aan de Commissie wordt gevraagd om een dergelijke uitvoerige analyse voor te leggen aan het Parlement; verzoekt de Commissie om meer bepaald haar standpunten te geven in verband met telkens terugkerende fouten en toe te lichten waarom dergelijke fouten niet worden beschouwd als aanwijzingen van potentieel frauduleuze activiteiten; vraagt de Commissie om de richtsnoeren inzake overheidsopdrachten snel te voltooien in overeenstemming met de onlangs vastgestelde richtlijn inzake overheidsopdrachten;

45.  beklemtoont dat totale transparantie van de rapportage over de uitgaven van essentieel belang is, vooral bij infrastructuurwerken die rechtstreeks met Europese middelen of financiële instrumenten worden gefinancierd; verzoekt de Commissie de Europese burgers toegang te verlenen tot alle informatie over medegefinancierde projecten;

46.  vraagt om een gedetailleerde toelichting van de Commissie met betrekking tot de redenen achter het hoge aantal fraudegevallen in onderzoek en technologische ontwikkeling (O&TO), innovatie en ondernemerschap, dat in de programmeringsperiode 2007-2013 is gestegen van 6 naar 91 gemelde gevallen per jaar, wat neerkomt op een bedrag van 263 miljoen EUR, meer dan 20 % van alle gemelde fraudegevallen op het gebied van het cohesiebeleid;

47.  is verheugd over de globale daling van het aantal gemelde onregelmatigheden bij de pretoetredingssteun; merkt echter op dat het aantal onregelmatigheden ten aanzien van het pretoetredingsinstrument (IPA I) gestaag toeneemt, waarbij Turkije 46 % van de gevallen voor zijn rekening neemt, wat 83 % uitmaakt van het bedrag dat is gemoeid met gemelde onregelmatigheden; verzoekt de Commissie te overwegen het "meer-voor-meer"-beginsel toe te passen in zijn negatieve vorm ("minder-voor-minder"), gezien de huidige politieke situatie in Turkije, die een directe bedreiging vormt voor het opnemingsvermogen van het land;

Vastgestelde problemen en vereiste maatregelen

Betere rapportage

48.  betreurt het dat ondanks de diverse verzoeken van het Parlement om de vaststelling van uniforme rapportagebeginselen in alle lidstaten, de situatie hoogst onbevredigend blijft en dat er nog aanzienlijke verschillen bestaan tussen de aantallen frauduleuze en niet‑frauduleuze onregelmatigheden die door elke lidstaat worden gemeld; is van mening dat dit probleem een verwrongen beeld geeft van de werkelijke situatie met betrekking tot het aantal inbreuken en de bescherming van de financiële belangen van de EU; roept de Commissie nogmaals op zich serieus in te spannen om de verschillende benaderingen die de lidstaten hanteren bij het voorkomen, opsporen en melden van onregelmatigheden, evenals niet‑homogene interpretaties bij het toepassen van het wettelijk kader van de EU te harmoniseren; pleit voor de invoering van een uniform meldingssysteem;

49.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een systeem voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten uit te werken, zodat boekhoudkundige documenten in twee of meer lidstaten aan een kruiscontrole kunnen worden onderworpen, teneinde transnationale fraude in het kader van de structuur- en investeringsfondsen te voorkomen en op die manier een horizontale totaalaanpak te creëren voor de bescherming van de financiële belangen van de lidstaten;

50.  vestigt de aandacht op de conclusies van het door het programma Hercules III gefinancierde "samenwerkingsproject fraudebestrijding", waarin de Commissie wordt aangespoord een specifiek wetgevingsvoorstel in te dienen inzake wederzijdse administratieve bijstand bij de structuur- en investeringsfondsen als wettelijk samenwerkingsinstrument om de risico's van verduistering te voorkomen, uitgaande van de lopende tussentijdse evaluatie van de tenuitvoerlegging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF);

51.  herinnert eraan dat er in noodsituaties, zoals het gebruik van de fondsen voor de vluchtelingen, vaak wordt afgeweken van de normale aanbestedingsprocedures en er directe toegang tot de middelen wordt gegeven; verzoekt de Commissie doeltreffender toezicht te houden op dergelijke afwijkingen en op de wijdverspreide praktijk van versnippering van aanbestedingen om onder de drempels te blijven waarboven de reguliere aanbestedingsprocedures van toepassing zijn;

52.  ondersteunt de Commissie in haar benadering waarmee de lidstaten, die nog steeds een zeer laag aantal frauduleuze onregelmatigheden melden, aanbevolen wordt hun werkzaamheden te versterken met betrekking tot het opsporen en/of het melden van fraude,

53.  neemt kennis van en is ingenomen met de toename van de hoeveelheid door de Commissie bekendgemaakte gegevens over frauduleuze en niet‑frauduleuze onregelmatigheden en over de kwaliteit van de statistische evaluatie van gemelde onregelmatigheden;

54.  spoort de lidstaten aan om de Europese witwasrichtlijn volledig te ratificeren en een openbaar eigendomsregister van ondernemingen, met inbegrip van trusts, op te zetten;

55.  herinnert eraan dat er in veel lidstaten geen specifieke wetgeving bestaat betreffende de georganiseerde misdaad, ofschoon die zich in toenemende mate bezighoudt met grensoverschrijdende activiteiten en sectoren die de financiële belangen van de Unie kunnen schaden, zoals smokkel en valsemunterij; acht het essentieel dat de lidstaten de maatregelen uitvoeren die in zijn resoluties over de bestrijding van georganiseerde misdaad zijn vastgelegd(9);

56.  benadrukt dat preventie ook permanente opleiding en ondersteuning moet inhouden voor het personeel dat bij de bevoegde instanties verantwoordelijk is voor het beheer en de controle van de fondsen, evenals de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de lidstaten; wijst op de sleutelrol die de lokale en regionale overheden en de belanghebbenden spelen bij het bestrijden van fraude; verzoekt de Commissie en de lidstaten de bepalingen betreffende de ex‑antevoorwaarden in het cohesiebeleid na te leven, met name op het gebied van overheidsopdrachten; verzoekt de lidstaten hun inspanningen op te voeren op de gebieden waarop wordt gewezen in het jaarverslag van de Commissie, met name overheidsopdrachten, financiële misdrijven, belangenconflicten, corruptie, klokkenluiden en de definitie van fraude;

57.  beveelt aan dat er stappen worden ondernomen om de uitvoering van vereenvoudigende maatregelen te verbeteren voor de periode 2014-2020 en met het oog op het regelgevingskader voor Europese structuur- en investeringsfondsen na 2020, om zo het risico van onregelmatigheden ten gevolge van fouten te beperken; beklemtoont dat het belangrijk is het beginsel van één enkele audit toe te passen; is van mening dat een vereenvoudiging van de regels en procedures het aantal niet‑frauduleuze onregelmatigheden zal helpen verminderen; spoort de lidstaten en de lokale en regionale overheden aan beste praktijken ter zake te delen, zonder te vergeten dat er altijd een goed evenwicht moet zijn tussen bewakingsinstrumenten en vereenvoudigde procedures;

Betere controles

58.  is verheugd over het feit dat met de communautaire ex‑ante- en ex‑postcontroles steeds meer gevallen van onregelmatigheden worden opgespoord; is echter van mening dat voorkoming eenvoudiger is dan terugvordering van verliezen en dat er altijd in een onafhankelijke ex‑antebeoordeling van de te financieren projecten moet worden voorzien; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan om met hulp van de Commissie de ex‑antecontroles beter uit te voeren en gebruik te maken van alle beschikbare informatie om fouten en onregelmatige betalingen in verband met EU-middelen te voorkomen; herinnert er in dit verband aan dat budgettaire restricties niet kunnen worden ingeroepen als een reden om het aantal aan deze ex‑antecontroles toegewezen personeelsleden te verlagen, aangezien de voorkoming van onregelmatigheden zichzelf terugbetaalt;

59.  moedigt de Commissie aan haar toezichthoudende rol verder uit te breiden met audit-, controle- en inspectieactiviteiten, verbeterplannen en vroegtijdige schriftelijke waarschuwingen om onregelmatigheden terug te dringen;

60.  dringt er bij de Commissie op aan haar strikte beleid van onderbreking en opschorting van betalingen als preventieve maatregel tegen onregelmatigheden die de EU-begroting schaden, overeenkomstig de relevante rechtsgrond te handhaven;

61.  steunt het programma "Hercules III", dat een goed voorbeeld is van de benadering "optimale besteding van elke euro"; onderstreept het belang van dit programma en de bijdrage die het levert aan de versterking van de capaciteit van de douaneautoriteiten om grensoverschrijdende criminaliteit op te sporen en te voorkomen dat namaakgoederen en smokkelwaar de lidstaten bereiken; vraagt de Commissie een tussentijdse evaluatie te geven van de resultaten die met Hercules III bereikt zijn ten opzichte van de doelstellingen van dit programma, en toe te zien op het gebruik en de doeltreffendheid van de verleende subsidies;

62.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken van het verplichte gebruik door alle lidstaten van Arachne, een instrument dat risicoscores vaststelt, om de fraudebestrijding te versterken;

63.  ziet uit naar de tussentijdse evaluatie van de Commissie in 2018 om na te gaan of het nieuwe regelgevingskader voor het cohesiebeleid verder bijdraagt aan de preventie van en de verlaging van het risico op onregelmatigheden, inclusief fraude, en wacht op concrete informatie over de gevolgen van de nieuwe regels voor de beheer- en controlestelsels, zowel met betrekking tot het risico op onregelmatigheden en fraude als tot de algemene implementatie van het beleid;

64.  is van mening dat het systeem voor de financiële controle op het Cohesiefonds moet worden geëvalueerd voordat het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) wordt aangenomen, teneinde de tekortkomingen in het systeem te corrigeren;

65.  benadrukt dat de Commissie er bij haar tussentijdse evaluatie van het cohesiebeleid in 2018 rekening mee moet houden dat het risico op onregelmatigheden, ook frauduleuze, moet worden voorkomen en verkleind; betreurt het dat de ingewikkelde procedures financiering door de EU-fondsen minder aantrekkelijk maken; verzoekt de Commissie de voordelen te onderzoeken van de invoering van stimulansen om de doelmatigheid van de uitgaven te vergroten; verzoekt de Commissie te voorzien in een mechanisme voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde nationale autoriteiten om het mogelijk te maken boekhoudkundige documenten van transacties tussen lidstaten met elkaar te vergelijken, teneinde eventuele transnationale fraude in het kader van het MFK 2014-2020 op te sporen;

66.  uit zijn bezorgdheid over het niveau van samenwerking tussen alle controlestructuren in de lidstaten; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan initiatieven te steunen waarmee de coördinatiecapaciteit tussen de controlestructuren wordt verbeterd, met name tussen de structuren die de eerstelijnscontrole verrichten en in rechtstreeks contact met de begunstigden staan; wijst erop dat fraude en corruptie steeds vaker een transnationaal karakter vertonen; benadrukt in dit kader de raadzaamheid van de oprichting van een onafhankelijk Europees Openbaar Ministerie (EOM) om de financiële belangen van de Europese Unie te beschermen; wijst er echter op dat de relatie tussen dit EOM en de bestaande organen van de EU goed moet worden omschreven en dat de bevoegdheden duidelijk moeten worden afgebakend om elke onnodige overlapping van bevoegdheden te voorkomen;

Bescherming van de Europese munteenheid

67.  is verheugd over het feit dat Richtlijn 2014/62/EU in 2014 in werking is getreden; deze bepaalt dat opzettelijk verrichte handelingen, bijvoorbeeld het op bedrieglijke wijze vervaardigen of veranderen van geld, het in omloop brengen van vals geld, maar ook medeplichtigheid daaraan en pogingen daartoe, aangemerkt worden als strafbare feiten; betreurt het feit dat België, Frankrijk en Ierland deze richtlijn niet binnen de voorgeschreven periode, namelijk uiterlijk op 23 mei 2016, hebben omgezet;

68.  merkt op dat vals geld volgens de Europese Centrale Bank vanaf de invoering van de euro in 2002 tot 2016 voor minstens 500 miljoen EUR aan financiële verliezen heeft veroorzaakt in de economie van de EU;

Klokkenluiders

69.  benadrukt de rol van klokkenluiders bij de preventie, opsporing en melding van fraude, evenals het belang van maatregelen om hen te beschermen; is ingenomen met het feit dat de Commissie in 2015 het programma voor het uitwisselen van ervaringen heeft opgestart om in samenwerking met de lidstaten beste praktijken ter voorkoming van corruptie te coördineren en uit te wisselen;

70.  beklemtoont dat corruptie en fraude fundamenteel negatieve gevolgen hebben voor de financiële belangen van de EU en dat, ook al beschikt de EU over een meerlagig controlemechanisme, het individu op het onderste niveau van het controlestelsel ontegenzeglijk een onvervangbare rol vervult; beklemtoont dat klokkenluiders juist daarom een duidelijk statuut moeten hebben in het wetgevingskader van de EU en van de lidstaten, waarin hun rechten en plichten duidelijk worden afgebakend; verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor een minimale bescherming van Europese klokkenluiders;

71.  is ingenomen met het feit dat het Europees Parlement, de Commissie, de Raad, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese Dienst voor extern optreden, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de meeste EU-agentschappen interne regels hebben ingevoerd die klokkenluiders overeenkomstig de artikelen 22 bis, 22 ter en 22 quater van het Statuut van de ambtenaren beschermen, en verwacht dat de regels voor de bescherming van klokkenluiders verder worden verbeterd;

72.  wijst op zijn resolutie van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU(10) en verzoekt de lidstaten en de Commissie de daarin gedane aanbevelingen spoedig ten uitvoer te legging en het Parlement op de hoogte te stellen van het aan deze resolutie gegeven gevolg; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om dringend een wetgevingsvoorstel over de bescherming van klokkenluiders in te dienen teneinde fraude die de financiële belangen van de Europese Unie aantast doeltreffend te voorkomen en te bestrijden;

Corruptie

73.  merkt op dat corruptiebestrijding in 2015 een prioriteit bleef in het kader van het Europees semester en het hiermee verband houdende proces van economisch bestuur; is verheugd over de in deze strijd genomen maatregelen, zoals het organiseren van bijeenkomsten met de nationale contactpunten van de lidstaten, het opstarten van het programma voor het uitwisselen van ervaringen voor de lidstaten en de deelname van OLAF namens de Commissie aan Europese en internationale fora over corruptiebestrijding;

74.  betreurt het dat de Commissie het niet langer nodig vindt het corruptiebestrijdingsverslag te publiceren, waardoor de beoordeling van de corruptiegraad in 2015 is bemoeilijkt; betreurt met name dat deze beslissing werd genomen zonder overleg met het Parlement; is van mening dat, ongeacht hoe de Commissie van plan is corruptie te bestrijden, deze annulering op het laatste ogenblik het verkeerde signaal afgeeft, niet alleen aan de lidstaten, maar ook aan de burgers; wijst erop dat de Europese Unie, sinds zij op 12 november 2008 partij is geworden bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC), niet heeft deelgenomen aan het in het verdrag voorziene toetsingsmechanisme noch de eerste stap heeft gezet om een zelf-evaluatie uit te voeren met betrekking tot de vraag hoe zij haar uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen vervult; dringt er bij de Europese Unie op aan haar verplichtingen uit hoofde van het UNCAC na te komen door een zelf-evaluatie uit te voeren over de vraag hoe zij haar uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen vervult en door deel te nemen aan het mechanisme voor collegiale toetsing; dringt er bij de Commissie op aan haar mening over het corruptiebestrijdingsverslag van de EU te overdenken; vraagt de Commissie om zowel in de EU-instellingen als in de lidstaten een nadere analyse te verrichten van het klimaat waarbinnen beleid wordt uitgevoerd, om inherente kritieke factoren, kwetsbare domeinen en risicofactoren die tot corruptie kunnen leiden te identificeren;

75.  verzoekt de EU om zo spoedig mogelijk het lidmaatschap aan te vragen van de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco) van de Raad van Europa, en het Parlement op de hoogte te houden van de stand van zaken met betrekking tot deze aanvraag;

76.  herhaalt zijn standpunt dat corruptie een enorme uitdaging is voor de EU en de lidstaten en dat corruptie zonder effectieve tegenmaatregelen de economische prestaties, de rechtsstaat en de geloofwaardigheid van de democratische instellingen binnen de EU ondermijnt;

77.  dringt er bij de Commissie op aan het tweede corruptiebestrijdingsverslag te publiceren en deze verslagen regelmatig voor te leggen om het publiek te informeren over de resultaten die werden behaald in de strijd tegen de corruptie, onder meer in het kader van het programma voor uitwisseling van ervaringen met corruptiebestrijding;

78.  is ontzet over onderzoeksresultaten die aantonen dat het fraude- en corruptierisico hoger is wanneer de lidstaten Europese geldmiddelen uitgeven, vooral wanneer het aandeel van de Europese bijdrage aanzienlijk hoger is dan 50 % van de totale kosten; is daarom van mening dat de lidstaten zich niet volledig houden aan artikel 325, lid 2, VWEU, dat bepaalt dat de lidstaten ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen moeten nemen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad; vraagt de lidstaten daarom het beginsel van artikel 325, lid 2, volledig toe te passen en vraagt de Commissie erop toe te zien dat de lidstaten dit inderdaad doen;

79.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om, op basis van de vereisten die zijn vermeld in het programma van Stockholm, een systeem van strikte indicatoren en gemakkelijk toepasselijke, uniforme criteria te ontwikkelen, aan de hand waarvan de corruptiegraad in de lidstaten kan worden gemeten en hun corruptiebestrijdingsbeleid kan worden beoordeeld; verzoekt de Commissie een corruptie-index op te stellen om de lidstaten op een ranglijst te plaatsen; is van mening dat een corruptie-index als stevige basis kan dienen waarop de Commissie haar landenspecifieke controlemechanisme kan opstellen wanneer zij de besteding van EU-middelen controleert;

Onderzoeksjournalistiek

80.  is van mening dat onderzoeksjournalistiek een belangrijke rol vervult bij de bevordering van de nodige transparantie in de EU en de lidstaten; is van mening dat onderzoeksjournalistiek zowel in de lidstaten als in de EU moet worden aangemoedigd en juridisch ondersteund, en is voorstander van de voorbereidende actie met het oog op de instelling van een subsidieregeling voor grensoverschrijdende onderzoeksjournalistiek, waarbij de subsidies worden verdeeld door een intermediair, namelijk het Europees Centrum voor pers- en mediavrijheid in Leipzig;

PIF-richtlijn en EOM-verordening

81.  is ingenomen met de succesvol afgeronde onderhandelingen over het voorstel voor een richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PIF-richtlijn), met opneming van btw-fraude in de werkingssfeer; merkt op dat de PIF-richtlijn definities geeft van de soorten frauduleus gedrag die strafbaar moeten worden gesteld, en een definitie van corruptie;

82.  herinnert aan zijn op 5 oktober 2016 aangenomen resolutie over een Europees Openbaar Ministerie (EOM) en Eurojust(11), waarin het Parlement zijn reeds lang uitgesproken steun voor de oprichting van een doeltreffend en onafhankelijk EOM bevestigt om de huidige versnippering van de inspanningen van de nationale wethandhavingsinstanties ter bescherming van de EU-begroting terug te dringen; is van mening dat een efficiënt EOM de bestrijding van fraude in de EU zal versterken, mits het de nodige wettelijke armslag krijgt en efficiënt kan samenwerken met andere bestaande organen van de EU en autoriteiten van de lidstaten; merkt op dat de werkingssfeer van de PIF-richtlijn rechtstreeks bepalend is voor de werkingssfeer van het EOM-mandaat; merkt bezorgd op dat in de Raad uiteenlopende standpunten bestaan over het EOM, zoals dat is voorzien in artikel 86 VWEU; denkt niet dat de desbetreffende bepalingen zullen worden uitgevoerd via versterkte samenwerking; is van mening dat het EOM alleen doeltreffend kan zijn als zijn werkingssfeer alle lidstaten bestrijkt; vraagt de lidstaten hun standpunt te herzien en alles in het werk te stellen om in de Raad tot een consensus te komen;

Tabak

83.  wijst op het besluit van de Commissie om de tabaksovereenkomst (PMI-overeenkomst) die op 9 juli 2016 afliep niet te verlengen; herinnert eraan dat het op 9 maart 2016 aan de Commissie gevraagd heeft deze overeenkomst na de vervaldatum niet te verlengen, uit te breiden of er opnieuw over te onderhandelen; is van mening dat de drie andere overeenkomsten (BAT, JTI, ITL) niet mogen worden verlengd;

84.  verzoekt de Commissie om op EU-niveau alle noodzakelijke maatregelen te treffen voor het volgen en traceren van PMI-tabaksproducten en juridische stappen te nemen tegen illegale inbeslagnemingen van producten van deze fabrikant, totdat alle bepalingen van de richtlijn tabaksproducten volledig afdwingbaar zijn, zodat er geen regelgevingsvacuüm ontstaat tussen het verstrijken van de PMI-overeenkomst en de inwerkingtreding van de richtlijn tabaksproducten en het Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging (FCTC);

85.  merkt op dat de Commissie naar aanleiding van het verzoek in zijn resolutie van 9 maart 2016 over de tabaksovereenkomst (PMI-overeenkomst)(12) met een actieplan moet komen om de illegale handel in tabaksproducten aan te pakken, onder meer het hoge aantal merkloze sigaretten ("goedkope witte"); dringt er bij de Commissie op aan onverwijld een dergelijk actieplan aan het Parlement voor te leggen;

86.  is ingenomen met de steun van de Commissie voor een spoedige ratificatie van het WHO-Protocol tot uitbanning van illegale handel in tabaksproducten, het eerste multilaterale rechtsinstrument waarmee wordt beoogd het probleem van de sigarettensmokkel wereldwijd op een integrale manier aan te pakken, en dringt aan op een spoedige ratificatie en tenuitvoerlegging;

87.  herinnert eraan dat het FCTC tot dusver door 25 partijen is geratificeerd, waaronder slechts 7 lidstaten en de EU in haar geheel; dringt er bij de lidstaten op aan om het Protocol tot uitbanning van illegale handel in tabaksproducten te ratificeren;

Onderzoeken en de rol van OLAF

88.  betreurt het dat ondanks de toezeggingen van OLAF alles in het werk te stellen om de duur van zijn onderzoeken te verkorten, de duur van zijn onderzoeksfase sinds 2012 doorlopend toeneemt: van 22,5 naar 25,1 maanden voor afgesloten gevallen en van 17,3 naar 18,7 maanden in alle gevallen;

89.  neemt nota van de rol van OLAF in verschillende gezamenlijke douaneoperaties (GDO's) bij het voorkomen van verliezen voor de EU-begroting en vraagt OLAF om in zijn toekomstige jaarverslagen meer informatie en concrete cijfers op te nemen over de bijdrage van OLAF aan de bescherming van de inkomstenzijde van de EU-begroting;

90.  is verontrust over de stijging van het aantal gevallen van grensoverschrijdende fraude, zoals uit het laatste jaarverslag van OLAF blijkt; verzoekt de Commissie om een beoordeling van gezamenlijke operaties volgens de modaliteiten en procedures die al met succes bij de douane en ook aan de uitgavenzijde worden toegepast, op basis van artikel 1, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013;

91.  is voorstander van de deelname van OLAF aan nationale en internationale bijeenkomsten over corruptiebestrijding, zoals het Europees netwerk van contactpunten ter bestrijding van corruptie, dat in november 2015 de Verklaring van Parijs over de versterking van de strijd tegen corruptie heeft goedgekeurd;

92.  onderstreept dat er op het gebied van fraudebestrijding veel positieve vorderingen zijn gemaakt; juicht het in dit verband toe dat onlangs binnen OLAF een nieuwe onderzoekseenheid voor de Europese structuur- en investeringsfondsen is opgericht;

93.  vraagt OLAF om zijn aanbevelingen voor financiële vorderingen in zijn jaarlijkse activiteitenverslagen te vergelijken met de daadwerkelijk geïnde bedragen;

94.  herinnert eraan dat OLAF en zijn Comité van toezicht in het licht van het beginsel van wederzijds loyale samenwerking tussen de instellingen, van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de eis van rechtszekerheid, hun samenwerking op basis van hun werkprotocollen moeten organiseren, met volledige inachtneming van de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen;

95.  is ingenomen met de analyse die OLAF heeft verricht van de mate waarin de lidstaten rekening hebben gehouden met zijn tussen 1 januari 2008 en 31 december 2015 verstrekte justitiële aanbevelingen, aangezien dit een overzicht geeft van de belangrijkste redenen waarom die aanbevelingen niet ter harte worden genomen; merkt echter op dat de in het document verzamelde gegevens uitsluitend justitiële aanbevelingen betreffen, zonder rekening te houden met administratieve, disciplinaire en financiële aanbevelingen, en daarom dus niet representatief zijn voor de algemene follow‑up van de door OLAF verstrekte aanbevelingen; verzoekt de Commissie een uitgebreide reactie te geven op de onlangs door OLAF gepubliceerde analyse van de manier waarop de lidstaten werk maken van de door OLAF verstrekte justitiële aanbevelingen, en verzoekt OLAF aan zijn jaarverslag een hoofdstuk toe te voegen over de follow‑up van deze aanbevelingen; vraagt OLAF om in samenwerking met de Commissie een uitvoerige analyse te verstrekken, waarin cijfers over de terugvordering van EU-middelen zijn opgenomen;

96.  betreurt het feit dat nagenoeg een derde (94 van de 317) van de justitiële aanbevelingen die OLAF tussen 2008 en 2015 aan de bevoegde autoriteiten heeft verstrekt, op grond van onvoldoende bewijs werden afgewezen; vraagt de Commissie na te gaan hoe administratieve onderzoeken beter kunnen worden benut in rechtszaken; spoort de bevoegde autoriteiten van de lidstaten aan om uitvoerige informatie over de redenen voor afwijzing te verstrekken, zodat OLAF zijn aanbevelingen beter kan afstemmen op hun nationale wetgeving;

97.  is van mening dat het percentage door OLAF aan de nationale autoriteiten voorgelegde aanbevelingen die tot een inbeschuldigingstelling hebben geleid (ongeveer 50 %), ontoereikend is; verzoekt de autoriteiten van de lidstaten om hun samenwerking met OLAF te intensiveren; vraagt de lidstaten, de Commissie en OLAF voorwaarden vast te stellen die de ontvankelijkheid van door OLAF verstrekt bewijsmateriaal garanderen; spoort de autoriteiten van de lidstaten en OLAF aan gemeenschappelijke onderzoeken te verrichten om een optimaal resultaat te behalen;

98.  dringt er in het licht van het aflopende mandaat van de directeur-generaal van OLAF bij de Commissie op aan om onmiddellijk te beginnen met de procedure voor een uitnodiging tot het indienen van voorstellen voor een nieuwe directeur-generaal en de raadplegingsprocedure met het Parlement op te starten;

99.  verzoekt de Commissie om een herziening van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en om indiening van een voorstel inzake de versterking van de onderzoeksbevoegdheden van OLAF; doet de aanbeveling om OLAF ruimere middelen toe te wijzen, zodat het veel meer gemelde verdachte gevallen kan onderzoeken;

100.  uit zijn bezorgdheid over de discrepantie tussen de informatie die OLAF ontvangt van openbare bronnen enerzijds en van particuliere bronnen in de lidstaten anderzijds; verzoekt de Commissie initiatieven te steunen die erop gericht zijn meer publieke informatie te verzamelen, en roept de lidstaten op om de kwaliteit van de verstrekte gegevens te verbeteren;

101.  merkt op dat de aan de justitiële aanbevelingen van OLAF tot dusverre maar mondjesmaat gevolg is gegeven in de lidstaten; is van oordeel dat dit onaanvaardbaar is, en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de aanbevelingen van OLAF in de lidstaten volledig worden uitgevoerd;

102.  betreurt het feit dat de justitiële autoriteiten van sommige lidstaten de aanbevelingen van OLAF betreffende het verkeerde gebruik van EU-middelen laag op hun prioriteitenlijst zetten; herinnert eraan dat de lidstaten overeenkomstig artikel 325, lid 2, VWEU, ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen moeten nemen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad;

103.  beschouwt het als prioriteit dat de gebrekkige communicatie tussen de lidstaten en OLAF wordt aangepakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten initiatieven aan te moedigen voor een verbetering van de communicatie, niet alleen tussen overheidsinstanties, maar ook tussen het maatschappelijk middenveld in de lidstaten en OLAF; benadrukt dat dit belangrijk is in de strijd tegen corruptie in de lidstaten;

o
o   o

104.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Rekenkamer, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en het Comité van toezicht van OLAF.

(1) PB L 84 van 20.3.2014, blz. 6.
(2) PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0403.
(5) PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.
(6) Arrest van het Hof (grote kamer) van 8 september 2015 in zaak C-105/14 (Taricco e.a.), ECLI:EU:C:2015:555.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0022.
(8) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
(9) Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over de bestrijding van corruptie en de opvolging van de resolutie van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0403); Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven (PB C 208 van 10.6.2016, blz. 89).
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0022.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0376.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0082.

Juridische mededeling - Privacybeleid