Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2025(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0242/2017

Ingediende teksten :

A8-0242/2017

Debatten :

PV 12/09/2017 - 20
CRE 12/09/2017 - 20

Stemmingen :

PV 13/09/2017 - 9.3
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0334

Aangenomen teksten
PDF 195kWORD 57k
Woensdag 13 september 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
De politieke betrekkingen van de EU met India
P8_TA(2017)0334A8-0242/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over de politieke betrekkingen van de EU met India (2017/2025(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het strategisch partnerschap EU-India, dat in 2004 is gesloten, en het gezamenlijk actieplan voor de uitvoering van het strategisch partnerschap EU-India van 7 september 2005,

–  gezien de actieagenda EU-India 2020, die tijdens de 13e top EU-India werd aangenomen, en de gezamenlijke verklaring na deze top,

–  gezien de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie van juni 2016,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 september 2001 getiteld "Europa en Azië: een strategisch kader voor versterkte partnerschappen" (COM(2001)0469),

–  gezien Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen(1),

–  gezien zijn aanbeveling van 28 oktober 2004 aan de Raad betreffende de betrekkingen tussen de Europese Unie en India(2),

–  gezien zijn resolutie van 29 september 2005 over de betrekkingen tussen de EU en India: een strategisch partnerschap(3),

–  gezien zijn resolutie van 24 september 2008 over de voorbereiding van de Top EU-India (Marseille, 29 september 2008)(4),

–  gezien zijn eerdere resoluties over India, waaronder de resoluties over schendingen van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat,

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2012 over het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van de BRICS-landen en andere opkomende wereldmachten: doelstellingen en strategieën(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over de EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld(6),

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2012 over zeepiraterij(7),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2016 over nucleaire veiligheid en non-proliferatie(8),

–  gezien het werkbezoek van zijn Commissie buitenlandse zaken aan India op 21 en 22 februari 2017,

–  gezien de 11e top Azië-Europa (ASEM), die op 15-16 juli 2016 in Ulaanbaatar gehouden werd, de 9e vergadering van het Parlementair Samenwerkingsverband Azië-Europa (ASEP), die op 21-22 april 2016 in Ulaanbaatar gehouden werd en de verklaringen die tijdens beide bijeenkomsten werden aangenomen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0242/2017),

A.  overwegende dat de EU en India de twee grootste democratieën in de wereld zijn, allebei een rijke culturele geschiedenis hebben en zich beide inzetten voor de bevordering van vrede, stabiliteit en veiligheid, welvaart, duurzame ontwikkeling en sociale rechtvaardigheid en tevens voor de eerbiediging van de mensenrechten, fundamentele vrijheden, de rechtsstaat en behoorlijk bestuur;

B.  overwegende dat de EU en India de afgelopen twee decennia een strategisch partnerschap hebben verwezenlijkt dat gebaseerd is op gedeelde waarden en belangen en dat zij natuurlijke partners zijn en een stabiliserende invloed hebben in de huidige multipolaire wereld; overwegende dat dit strategisch partnerschap versterkt moet worden omdat het grote mogelijkheden biedt voor een nieuwe dynamiek op internationaal niveau, onder meer op VN-niveau, en voor de aanpak van onderwerpen zoals de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling of interpersoonlijke contacten;

C.  overwegende dat op de 13e top EU-India, die na een pauze van vier jaar gehouden werd op 30 maart 2016, een nieuw stappenplan voor de komende vijf jaar is aangenomen, dat moet worden uitgevoerd in het kader van het strategisch partnerschap;

D.  overwegende dat op de 13e top EU-India diverse gezamenlijke verklaringen zijn aangenomen: over een gemeenschappelijke agenda voor migratie en mobiliteit, over een waterpartnerschap tussen India en de EU, over een partnerschap voor schone energie en klimaat, en over terrorismebestrijding;

E.  overwegende dat de EU en India belangrijke economische, handels- en investeringspartners zijn en dat de EU de belangrijkste handelspartner van India is en dat de EU en India al sinds 2007 onderhandelen over een ambitieus vrijhandels- en investeringsakkoord, dat zo snel mogelijk moet worden gesloten; overwegende dat beide partijen in de actieagenda EU-India 2020 nogmaals verklaren zich in te zullen zetten voor een stabiel economisch klimaat dat gunstig is voor de uitbreiding van de handel en economische samenwerking;

F.  overwegende dat een betere coördinatie tussen de EU en de lidstaten op het gebied van hun betrekkingen met India het strategisch partnerschap zou versterken;

G.  overwegende dat India een land is met een levendige democratie en een open samenleving, waarin persvrijheid heerst en het maatschappelijk middenveld actief is; overwegende dat de EU en India regelmatig beste praktijken uitwisselen op het gebied van mensenrechten en democratie, onder meer inzake onderwerpen als de vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en de beginselen van de rechtsstaat, alsook de behandeling van migranten, eerbiediging van minderheden en de bevordering van gelijkheid van vrouwen en mannen, onderwerpen die de EU hoog in het vaandel draagt;

De solide basis van een waardevol partnerschap

1.  spreekt zijn volledige steun uit voor een sterker en nauwer partnerschap tussen de EU en India, geworteld in de bestaande krachtige politieke, economische, sociale en culturele banden en op basis van de gedeelde waarden democratie, eerbiediging van de mensenrechten en pluralisme en op basis van wederzijds respect en gemeenschappelijke belangen;

2.  verwacht dat nauwere politieke betrekkingen tussen de beide partners een positieve bijdrage kunnen leveren aan de bevordering van regionale en internationale samenwerking in een wereld die op veel gebieden voor uitdagingen staat, zoals spanningen op veiligheidsgebied, schendingen van het internationale recht, terrorisme, extremisme en radicalisering, transnationale georganiseerde misdaad en corruptie, irreguliere migratie en mensenhandel, de gevolgen van klimaatverandering, armoede, ongelijkheid, niet-naleving van de mensenrechten en toenemend populisme;

3.  wijst erop dat de EU en India als de twee grootste democratieën ter wereld de gedeelde verantwoordelijkheid hebben om op te komen voor de vrede, de rechtsstaat en de mensenrechten overal ter wereld, onder meer door middel van nauwere samenwerking op VN-niveau;

4.  is van oordeel dat de betrekkingen tussen de EU en India sinds de gezamenlijke politieke verklaring van 1993 aanzienlijk zijn verbeterd en geïntensiveerd; wijst op het belang van het strategisch partnerschap EU-India dat in 2004 tot stand werd gebracht en dat ten doel heeft de nauwe banden tussen de partners te bekrachtigen en de onderlinge betrekkingen naar een hoger plan te tillen;

5.  wijst erop dat het potentieel van het partnerschap tussen de EU en India nog niet ten volle wordt benut; is van oordeel dat beide partners een groter politiek engagement aan de dag moeten leggen, om dynamischer betrekkingen te realiseren op basis waarvan de uitdagingen waar beide op regionaal en internationaal niveau mee te maken hebben beter kunnen worden aangepakt; pleit voor meer inspanningen die erop gericht zijn om de banden tussen de EU27 en India te versterken; wijst op het belang van een volledige evaluatie van de werking van het strategisch partnerschap, omdat aan de hand daarvan ideeën ontwikkeld kunnen worden om de werking ervan verder te verbeteren;

Een sterker partnerschap ten behoeve van zowel de EU als India

6.  is ingenomen met het feit dat op 30 maart 2016 in Brussel de 13e top EU-India werd gehouden; dringt er bij de EU en India op aan om, zoals zij zich ook hadden voorgenomen, jaarlijks een top te organiseren, gelet op het feit dat dergelijke bijeenkomsten op hoog niveau een belangrijke bijdrage leveren aan het versterken van de samenwerking en wederzijds begrip en zichtbaarheid;

7.  is ingenomen met de goedkeuring van de actieagenda EU-India 2020, een stappenplan voor de komende vijf jaar, dat bedoeld is om het strategisch partnerschap te versterken; neemt met tevredenheid kennis van het feit dat in 2016 besloten is de samenwerking op diverse gebieden een nieuwe impuls te geven, bijvoorbeeld op het gebied van terrorismebestrijding, migratie en mobiliteit, handel, overdracht van technologie en cultuur, klimaatverandering, ontwikkeling, energie en water; dringt erop aan dat aan alle onderwerpen op deze agenda ook daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven, en dat er duidelijke stappen worden gezet en termijnen worden vastgesteld;

8.  benadrukt nogmaals voorstander te zijn van de totstandbrenging van een omvattend en ambitieus vrijhandelsakkoord (VHO) tussen de EU en India, dat beide partijen economische, sociale en politieke voordelen biedt; herinnert eraan dat de EU het grootste handelsblok ter wereld is en dat de groei van het bbp van India tot een van de hoogste ter wereld behoort; wijst er tevens op dat de EU de belangrijkste handels- en investeringspartner van India is en dat de invoer- en uitvoervolumes tussen de twee partners redelijk in evenwicht zijn;

9.  stelt met tevredenheid vast dat de EU en India opnieuw in gesprek zijn gegaan over de wijze waarop de onderhandelingen over een VHO, ook wel bekend als een breed handels- en investeringsakkoord (BTIA), kunnen worden voortgezet; roept beide partijen op de onderhandelingen voort te zetten in een geest van wederkerigheid en met het oog op wederzijds voordeel, opdat er zo snel mogelijk een BTIA kan worden gesloten, en daarbij rekening te houden met de internationale normen waartoe beide partners zich hebben verbonden, waaronder de normen die zijn vastgesteld in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de Internationale Arbeidsorganisatie, en met het beginsel van maatschappelijk verantwoord ondernemen; is van oordeel dat een dergelijk akkoord, dat de belangen van beide partijen in gelijke mate behartigt, ervoor kan zorgen dat maatregelen zowel Europese als Indiase burgers ten goede komen, onder meer doordat zij gericht zijn op de bestrijding van armoede en de bevordering van de eerbiediging van de mensenrechten;

10.  pleit voor de vaststelling op EU-niveau van een consistente strategie voor de betrekkingen tussen de EU en India, met daarin duidelijke prioriteiten; wijst erop dat zowel de EU-instellingen als de lidstaten een dergelijke strategie op coherente en gecoördineerde wijze moeten uitvoeren; is van oordeel dat de EU-prioriteiten voor India ook vastgesteld kunnen worden in een geactualiseerde strategie voor de betrekkingen tussen de EU en Azië;

11.  is ingenomen met de toezegging van de Europese Investeringsbank (EIB) om langetermijninvesteringen ten behoeve van infrastructuur in India te stimuleren, omdat infrastructuur van groot belang is voor duurzame ontwikkeling op economisch, sociaal en milieugebied; roept de EIB op deze toezegging gestand te doen en haar steun voor duurzame investeringen in India te versterken;

12.  wijst erop dat voor het functioneren van het strategisch partnerschap een interparlementaire gestructureerde dialoog van groot belang is; spoort de voorzitter van het Indiaas parlement aan een vriendschapsgroep India-Europa op te richten, bestaande uit leden van de Lok Sabha (het Indiaas lagerhuis) en de Rajya Sabha (het Indiaas hogerhuis), als tegenhanger van de delegatie van het Europees Parlement voor de betrekkingen met India;

Een brede agenda voor samenwerking op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid

13.  wijst er nogmaals op dat zowel de EU als India zich in de huidige internationale situatie gesteld ziet voor dringende veiligheidsvraagstukken, die een diplomatiek antwoord vergen, gecombineerd met versterkte afschrikking, eerbiediging van het internationaal recht en samenwerking tussen democratische landen;

14.  wijst op de grote mogelijkheden die er zijn voor synergieën tussen de EU en India op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid; is ervan overtuigd dat een regelmatige en consistente dialoog kan leiden tot wederzijds begrip en daarmee ook tot een betere coördinatie tussen de agenda's voor buitenlandse zaken van de EU en India op regionaal en internationaal niveau, onder meer met betrekking tot onderwerpen ten aanzien waarvan in het verleden een verschillende aanpak werd gehanteerd;

15.  is ingenomen met de toezegging die in de actieagenda EU-India 2020 is gedaan om overlegfora op te zetten voor buitenlands en veiligheidsbeleid; benadrukt dat het opvoeren van de frequentie en het gewicht van overleg op hoog niveau op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid een meerwaarde creëert;

16.  verzoekt de EU, de lidstaten en India te blijven werken aan de bevordering van een doeltreffend en op regels gebaseerd multilateralisme op mondiaal niveau, en de inspanningen op dit gebied te versterken; dringt er bij de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid en de Raad op aan de hervorming van de VN-Veiligheidsraad en het verzoek om permanent lidmaatschap van India te steunen; spoort de EU en India aan om hun standpunten en initiatieven op VN-niveau met betrekking tot onderwerpen waarop samenwerking verschil kan maken zo veel mogelijk te coördineren, en hetzelfde te doen op andere internationale fora, zoals de WTO;

17.  neemt kennis van de waardevolle en intensieve gedachtewisselingen over onderwerpen van mondiaal belang die plaatsvinden in het kader van de Aziatisch-Europese Vergadering (Asia-Europe Meeting), waaraan zowel de EU als India deelneemt; spreekt zijn steun uit voor de regionale integratieprocessen in Azië, op politiek en economisch niveau, aangezien deze een positieve bijdrage kunnen leveren aan de vermindering van het aantal conflicten en aan de welvaart in de regio;

18.  wijst op de grote toegevoegde waarde van de samenwerking tussen de EU en India voor de bevordering van democratische processen in Azië; benadrukt voorts dat het belangrijk is dat de EU en India hun humanitaire hulp en hun ontwikkelingsbeleid, in het licht van de omvangrijke ontwikkelingsactiviteiten die beide partijen met name in Azië ontplooien, coördineren, om een positieve bijdrage te leveren aan de politieke, economische en sociale vooruitgang van onder meer minderheden en staatlozen, zoals de Rohingya, in de betrokken landen; pleit met het oog hierop voor intensivering van de dialoog;

19.  herinnert aan de gezamenlijke verklaring van India en de EU inzake terrorismebestrijding van 30 maart 2016, die tot doel heeft de samenwerking op het gebied van de preventie en bestrijding van radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme te versterken; wijst op het belang van samenwerking tussen de veiligheidsdiensten en rechtshandhavingsinstanties van de EU en India in het kader van de bestaande regeling binnen Europol; pleit ervoor dat de uitwisseling van beste praktijken en informatie tussen India, de EU en de EU-lidstaten bevorderd wordt; spoort beide partijen aan om zich gezamenlijk in te zetten voor de goedkeuring van het alomvattend verdrag inzake internationaal terrorisme op VN-niveau en voor een grotere doeltreffendheid van de VN-terreurlijst;

20.  wijst op het belang van nauwere samenwerking tussen de EU en India met betrekking tot Afghanistan, die erop gericht is om een bijdrage te leveren aan een door Afghanistan geleid en vormgegeven vredes- en verzoeningsproces, de verwezenlijking van stabiele instellingen en een functionerende overheid, en aan de totstandbrenging van een politiek en economisch milieu waarbinnen consolidatie van vrede en veiligheid mogelijk is; pleit met name voor versterkte politieke samenwerking op het gebied van veiligheids- en militaire vraagstukken, ontwikkelingssteun en maatregelen die zijn toegespitst op de regionale context; benadrukt dat het "Heart of Asia"-proces een belangrijk forum is voor het opbouwen van regionaal vertrouwen en politieke samenwerking;

21.  dringt aan op nieuwe toenaderingspogingen en herstel van de goede nabuurschapsbetrekkingen tussen India en Pakistan door middel van een brede dialoog en, indien mogelijk, een stapsgewijze benadering, waarbij eerst technische kwesties besproken worden en vertrouwenwekkende maatregelen genomen worden en uiteindelijk politieke bijeenkomsten worden gehouden op hoog niveau; wijst erop dat duurzame vrede en samenwerking tussen India en Pakistan, waarmee een positieve bijdrage kan worden geleverd aan de veiligheidssituatie en de economische ontwikkeling in de regio, uitsluitend bereikt kunnen worden door bilaterale inzet; benadrukt daarnaast dat op beide staten een zware verantwoordelijkheid rust om de vrede te garanderen, aangezien het beide kernmachten zijn; dringt er bij de EU op aan het verzoeningsproces tussen India en Pakistan te bevorderen en te steunen; wijst erop dat het van het allergrootste belang is dat alle vormen en uitingen van terrorisme, ook door de staat gesteund terrorisme, bestreden worden;

22.  pleit voor meer samenwerking op het gebied van algehele ontwapening, non-proliferatie van massavernietigingswapens en nucleaire veiligheid, doelstellingen waarvoor de EU en India zich beide inzetten; roept in dit verband alle lidstaten op om het verzoek van India om aansluiting bij exportcontroleregimes, zoals de Nuclear Suppliers Group, het Missile Technology Control Regime, het Wassenaar Arrangement en de Australia Group, te steunen; is ingenomen met de ratificering door India van het aanvullend protocol bij de internationale overeenkomst inzake de niet-verspreiding van kernwapens;

23.  is ingenomen met het krachtige standpunt dat India en de EU innemen ten aanzien van de illegale kernwapenprogramma's en ballistische raketprogramma's van de Democratische Volksrepubliek Korea (DPRK), die een bedreiging vormen voor de regionale en internationale vrede, en pleit voor verdere samenwerking om te waarborgen dat op grote schaal uitvoering wordt gegeven aan de sancties van de VN tegen de DPRK;

24.  neemt kennis van de bezorgdheid van India met betrekking tot China, met name vanwege het assertieve beleid van dit land in de Zuid-Chinese Zee, de omvangrijke modernisering van het Chinese leger, de strategische relatie van China met Pakistan en de onopgeloste grensgeschillen; is van oordeel dat deze verschillen van inzicht alleen kunnen worden overbrugd en dat er alleen vertrouwen kan worden opgebouwd door middel van een daadwerkelijke dialoog op basis van de beginselen van het internationaal recht;

25.  neemt met tevredenheid kennis van het feit dat beide partijen tijdens de 13e top EU-India hun steun hebben uitgesproken voor de volledige uitvoering door alle partijen van het akkoord van Minsk inzake het conflict in Oost-Oekraïne; herinnert eraan dat de EU het agressieve optreden van Rusland ten strengste heeft veroordeeld en een beleid van niet-erkenning voert ten aanzien van de illegale annexatie van de Krim en Sebastopol; hoopt dat de EU en India via dialoog hun standpunten verder op één lijn kunnen brengen;

26.  verzoekt de EU en India om tijdens topbijeenkomsten en tijdens hun reguliere overleg over buitenlands en veiligheidsbeleid door te gaan met het uitwisselen van hun standpunten ten aanzien van de situatie in het Midden-Oosten en mogelijke samenwerkingsgebieden die kunnen bijdragen aan de stabilisatie in de regio, onder meer via maatregelen op internationaal niveau; wijst in het bijzonder op het belang van samenwerking voor het vinden van een duurzame politieke oplossing voor Syrië binnen het bestaande op VN-niveau overeengekomen kader, in overeenstemming met het communiqué van Genève van 30 juni 2012, en het ondersteunen van de wederopbouw en verzoening nadat er een akkoord tot stand is gebracht, zodra er een geloofwaardige politieke transitie is ingezet die door Syrië wordt geleid en vormgegeven;

27.  benadrukt dat de EU en India hun samenwerking en uitwisseling van beste praktijken met betrekking tot de Afrikaanse landen kunnen versterken om ervoor te zorgen dat hun ontwikkelingsinspanningen elkaar aanvullen;

28.  wijst erop dat intensivering van de samenwerking op gebieden zoals maritieme veiligheid, cyberveiligheid en gegevensbescherming, alsook migratie en mobiliteit, aanzienlijke voordelen kan opleveren voor zowel de EU als India;

29.  merkt op dat de EU en India wezenlijke belangen delen en benadrukt dat zij hun samenwerking op het gebied van maritieme veiligheid moeten intensiveren, met name op het gebied van de bestrijding van piraterij, maar ook op het gebied van de handhaving van vrede en stabiliteit en het waarborgen van de zeeverbindingen in de Zuid-Chinese Zee en de Indische Oceaan; pleit daarom voor de ontwikkeling van gezamenlijke operationele standaardprocedures op het gebied van de maritieme veiligheid en de bestrijding van piraterij en voor de totstandbrenging van een gezamenlijk akkoord met betrekking tot het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, dat de vrijheid van scheepvaart eerbiedigt, dat oplossingen biedt voor alle bestaande problemen en dat passende maatregelen bevat voor samenwerking in het kader van het verdrag;

30.  is ingenomen met de aanneming van een gemeenschappelijke verklaring van de EU en India over een partnerschap inzake schone energie en klimaat, tijdens de 13e top EU-India in maart 2016; wijst op de positieve rol die India en de EU hebben gespeeld tijdens onderhandelingen over de Klimaatovereenkomst van Parijs en hun leidersrol in de wereld; moedigt beide partijen aan hun inspanningen op te voeren om ervoor te zorgen dat alle ondertekenaars deze overeenkomst uitvoeren; dringt in dit kader aan op intensievere samenwerking tussen de EU en India op het gebied van energie, en met name op het gebied van duurzame energie;

31.  neemt met belangstelling kennis van de aanneming van een gemeenschappelijke verklaring van de EU en India over een waterpartnerschap, tijdens de 13e top EU-India in maart 2016; vraagt de EU in dit verband haar samenwerking met India te versterken en haar steun voor Indiase projecten voor duurzaam waterbeheer, zoals "Clean Ganga", uit te breiden;

32.  neemt met instemming kennis van de gezamenlijke verklaring over een gemeenschappelijke agenda inzake migratie en mobiliteit die is bedoeld als kader voor samenwerking bij het bevorderen van reguliere migratie, het voorkomen van irreguliere migratie en mensenhandel, alsmede bij het maximaliseren van de ontwikkelingseffecten van mobiliteit;

33.  is van oordeel dat interpersoonlijke contacten een belangrijke rol moeten spelen in het strategische partnerschap tussen de EU en India; benadrukt in het bijzonder het belang van het bevorderen van uitwisselingen op het gebied van onderwijs, cultuur en wetenschappelijk onderzoek, onder meer op het gebied van IT, en is daarom ingenomen met de toename van het aantal studentenuitwisselingen in het kader van het programma Erasmus+, dat verder moet worden uitgebreid; neemt tevens verheugd kennis van de vooruitzichten voor samenwerking op het gebied van de ontwikkeling van vaardigheden en in het kader van het initiatief "Make in India", zoals vermeld in de actieagenda 2020, en wijst op het belang daarvan voor de intensivering van de handel en de sociale betrekkingen; dringt erop aan dat vrouwelijke studenten, wetenschappers, onderzoekers en beroepsbeoefenaren in gelijke mate tot deze programma's worden toegelaten;

Verbeterde uitwisseling op het gebied van de mensenrechtenaspecten van het partnerschap

34.  is ingenomen met het feit dat het streven naar intensivering van de uitwisseling op het gebied van de mensenrechtenaspecten van het strategisch partnerschap EU-India is bekrachtigd, aangezien burgers van beide partijen profijt kunnen trekken uit verbeterde samenwerking inzake diverse mensenrechtenkwesties; benadrukt in het bijzonder de noodzaak van versterking van de uitwisseling en coördinatie tussen de beide partners in het kader van de VN, bijvoorbeeld als het gaat om de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen die zijn opgesteld in het kader van de universele periodieke doorlichting betreffende de mensenrechten; wijst tevens op het belang van de mensenrechtendialogen; stelt vast dat er sinds 2013 geen uitwisseling meer heeft plaatsgevonden en is van oordeel dat er zo spoedig mogelijk een dialoog in gang moet worden gezet;

35.  verklaart nogmaals de doodstraf in alle gevallen en onder alle omstandigheden te veroordelen; verzoekt nogmaals om de onmiddellijke instelling van een moratorium op terechtstellingen in India;

36.  benadrukt nogmaals dat vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging onlosmakelijk deel uitmaken van een democratische samenleving; begrijpt de noodzaak van maatregelen om de transparantie van door buitenlandse actoren gefinancierde activiteiten die de vrede en de stabiliteit of de binnenlandse veiligheid in gevaar kunnen brengen, te vergroten of om dergelijke activiteiten aan banden te leggen; is echter bezorgd over de gevolgen van de huidige Indiase wetgeving inzake buitenlandse deelname in de financiering van ngo's (de wet ter regulering van buitenlandse bijdragen) voor de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging;

37.  waardeert de grote inspanningen die de Indiase autoriteiten hebben geleverd om alle vormen van discriminatie, waaronder discriminatie op grond van kaste, te bestrijden; stelt echter met bezorgdheid vast dat discriminatie op grond van kaste nog altijd een bron van misbruik is, en spoort de Indiase autoriteiten daarom aan om zich nog meer in te spannen om een einde te maken aan deze vorm van schending van de mensenrechten; spoort India voorts aan om de volledige bescherming van minderheden, met name religieuze en etnische minderheden, te waarborgen, en onderstreept het belang van de bevordering van verdraagzaamheid ten aanzien van diversiteit bij het voorkomen van geweld tussen de verschillende gemeenschappen; stelt verheugd vast dat het Indiase Hooggerechtshof opdracht heeft gegeven het onderzoek in de rechtszaken naar aanleiding van het geweld tegen christenen in 2008 te heropenen en de slachtoffers naar behoren schadeloos te stellen;

38.  dringt er bij India op aan het Verdrag tegen foltering en het bijbehorende optionele protocol alsook het Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning te ratificeren;

39.  is van oordeel dat, gelet op het feit dat de EU en India hebben toegezegd hun samenwerking op het gebied van de mensenrechten te zullen versterken, het onderwerp vrouwenrechten moet worden opgenomen op de agenda van de mensenrechtendialoog tussen de twee partners; is ingenomen met de toezegging van de regering van India om de rechten van vrouwen te versterken en bij de opstelling van beleid aandacht te besteden aan de gelijkheid van mannen en vrouwen, en spoort de Indiase autoriteiten aan verdere stappen te nemen om onderzoek te doen naar gendergerelateerd geweld, te werken aan de bestrijding daarvan, en gendergelijkheid te bevorderen; is voorts verheugd over het feit dat de EU financiering beschikbaar stelt voor projecten ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en kinderen in India en is er voorstander van dat deze financiering wordt voortgezet; dringt aan op versterking van de rechten van LGBTIQ's en op intrekking van artikel 377 van het Indiase wetboek van strafrecht;

o
o   o

40.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, en de regering en het parlement van India.

(1) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 77.
(2) PB C 174 E van 14.7.2005, blz. 179.
(3) PB C 227 E van 21.09.2006, blz. 589.
(4) PB C 8 E van 14.1.2010, blz. 69.
(5) PB C 239 E van 20.8.2013, blz. 1.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0120.
(7) PB C 261 E van 10.09.2013, blz. 34.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0424.

Juridische mededeling - Privacybeleid