Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23) (2017/2620(RSP))
Het Europees Parlement,
– gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,
– gezien de Overeenkomst van Parijs, Besluit 1/CP.21 en de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het UNFCCC, en de 11e Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs hebben plaatsgevonden,
– gezien de 18e Conferentie van de Partijen (COP18) bij het UNFCCC en de 8e Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP8), die van 26 november t/m 8 december 2012 in Doha, Qatar, hebben plaatsgevonden, en de goedkeuring van een amendement op het protocol met daarin een tweede verbintenisperiode in het kader van dat protocol, die is ingegaan op 1 januari 2013 en eindigt op 31 december 2020,
– gezien de openstelling voor ondertekening van de Overeenkomst van Parijs in het VN-hoofdkwartier in New York op 22 april 2016, en gezien het feit dat deze openstelling op 21 april 2017 is beëindigd, dat 195 landen de Overeenkomst van Parijs hebben ondertekend en dat 160 landen akten van bekrachtiging hebben neergelegd,
– gezien de 22e Conferentie van de Partijen (COP22) bij het UNFCCC en de 1e Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert (CMA1), die van 15 november t/m 18 november 2016 in Marrakesh, Marokko, hebben plaatsgevonden,
– gezien zijn resolutie van 6 oktober 2016 over de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de VN-conferentie van 2016 over klimaatverandering in Marrakesh, Marokko (COP22)(1),
– gezien de mededeling van de Commissie van 20 juli 2016 getiteld "Een snellere overgang van Europa naar een koolstofarme economie" (COM(2016)0500),
– gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "EUROPA 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),
– gezien de conclusies van de Europese Raad van 15 februari 2016, 30 september 2016 en 23 juni 2017,
– gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017,
– gezien de voorgenomen nationaal bepaalde bijdrage (INDC) van de EU en haar lidstaten, die op 6 maart 2015 door Letland en de Europese Commissie namens de Europese Unie en haar lidstaten bij het UFCCC is ingediend,
– gezien het vijfde evaluatierapport (AR5) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en het samenvattend verslag hiervan,
– gezien het samenvattend verslag van het Milieuprogramma van de VN (UNEP) van november 2016 getiteld "The Emissions Gap Report 2016" (Rapport over de emissiekloof 2016) en het UNEP-rapport van 2016 over de aanpassingskloof,
– gezien de verklaring van de leiders op de G7-top van 7 tot en met 8 juni 2015 in Schloss Elmau, Duitsland, getiteld "Think ahead. Act together" (Vooruitdenken. Samen handelen), waarin zij herhaalden zich te willen houden aan hun verbintenis om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 40 à 70 % te verminderen ten opzichte van 2010, waarbij de reductie eerder in de richting van 70 % dan 40 % moet gaan,
– gezien het communiqué van de G7-leiders van 2017 en met name het communiqué van de ministers van Milieu van de G7 van Bologna,
– gezien de mededeling van de president van de Verenigde Staten over de uitstap uit de Overeenkomst van Parijs,
– gezien de encycliek van paus Franciscus getiteld Laudato Si',
– gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de Conferentie van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23) (O‑000068/2017 – B8‑0329/2017 en O‑000069/2017 – B8-0330/2017),
– gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de Overeenkomst van Parijs op 4 november 2016 in werking is getreden en dat 160 van de 197 partijen bij het UNFCCC hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de VN hebben ingediend (per vrijdag 8 september 2017);
B. overwegende dat het voorstel van juli 2015 over de hervorming van het emissiehandelssysteem (ETS) en het klimaatpakket van juli 2016 (waarin voorstellen inzake verdeling van de inspanningen, inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) en een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit aan bod komen) de belangrijkste instrumenten zijn om deze verbintenissen na te komen en de positie van de EU als wereldleider in de strijd tegen de klimaatverandering opnieuw te bekrachtigen;
C. overwegende dat de inspanningen om de opwarming van de aarde te beperken niet mogen worden gezien als een obstakel voor het streven naar economische groei, maar integendeel moeten worden gezien als een hefboom voor het realiseren van nieuwe en duurzame groei en werkgelegenheid;
D. overwegende dat de gevolgen van de klimaatverandering harder zullen worden gevoeld in ontwikkelingslanden, in het bijzonder in de minst ontwikkelde landen en in kleine insulaire ontwikkelingslanden die niet voldoende middelen hebben om zich voor te bereiden op en zich aan te passen aan de veranderingen die plaatsvinden; overwegende dat Afrika volgens de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) bijzonder kwetsbaar is ten aanzien van deze uitdaging en in het bijzonder wordt blootgesteld aan waterstress, uiterst gewelddadige meteorologische fenomenen en voedselonzekerheid ten gevolge van droogte en woestijnvorming;
E. overwegende dat klimaatverandering de concurrentie met betrekking tot hulpbronnen zoals voedsel, water en weilanden kan vergroten, economische tegenspoed en politieke instabiliteit in de hand kan werken en in de niet al te verre toekomst zou kunnen uitgroeien tot de grootste drijfveer voor volksverhuizingen, zowel binnen als buiten nationale grenzen; overwegende dat het in dit verband belangrijk is de kwestie van klimaatgedreven migratie bovenaan op de internationale agenda te plaatsen;
F. overwegende dat de EU op 6 maart 2015 de INDC van de EU en haar lidstaten heeft ingediend bij het UNFCCC en hierin verklaart zich te willen inzetten voor een bindend streefcijfer van ten minste 40 % interne reductie van de broeikasgasemissies tegen 2030 ten opzichte van het niveau van 1990;
G. overwegende dat een ambitieus beleid inzake beperking van klimaatverandering kansen biedt voor groei en werkgelegenheid; overwegende dat er in specifieke sectoren met een hoge koolstofintensiteit en een hoge handelsintensiteit echter sprake kan zijn van koolstoflekkage als op andere markten geen vergelijkbare ambitie aan de dag wordt gelegd; overwegende dat een passende bescherming tegen koolstoflekkage dan ook noodzakelijk is om de werkgelegenheid in deze specifieke sectoren veilig te stellen;
1. herinnert eraan dat de klimaatverandering een van de belangrijkste uitdagingen voor de mensheid is en dat alle landen en alle actoren wereldwijd hun uiterste best moeten doen om de problemen die hieruit voortvloeien te beperken; onderstreept dat de Overeenkomst van Parijs een belangrijke stap in die richting is, hoewel het werk hiermee verre van af is;
Wetenschappelijke basis voor klimaatactie
2. herinnert eraan dat in het AR5 van de IPCC van 2014 wetenschappelijk is aangetoond dat de opwarming van het klimaatsysteem onmiskenbaar is, dat klimaatverandering plaatsvindt en dat menselijke activiteiten de belangrijkste oorzaak zijn geweest van de opwarming die sinds het midden van de 20e eeuw is waargenomen; toont zich bezorgd over het feit dat wijdverspreide en aanzienlijke effecten van de klimaatverandering reeds duidelijk waarneembaar zijn in natuurlijke en menselijke systemen op alle continenten en in alle oceanen;
3. neemt nota van de wereldwijde koolstofbudgetten die in het AR5 van de IPCC naar voren worden geschoven en stelt vast dat als het huidige niveau van wereldwijde broeikasgasemissies wordt voortgezet, het resterende koolstofbudget dat overeenkomt met de beperking van de wereldwijde gemiddelde temperatuurstijging tot 1,5 °C binnen de komende vier jaar zal worden opgebruikt; benadrukt dat alle landen de in de overeenkomst van Parijs overeengekomen transitie naar een nulniveau van broeikasgasemissies en naar klimaatbestendigheid moeten versnellen om de ergste gevolgen van de opwarming van de aarde te voorkomen;
4. wijst er nogmaals op hoe belangrijk het is wereldwijde klimaatactie te baseren op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens, en is ingenomen met de faciliterende dialoog in 2018, die plaatsvindt voor het verstrijken van de in het UNFCCC bepaalde uiterste termijn van 2020 voor de herindiening van de nationaal bepaalde bijdragen (NDC's) voor 2030, en met de eerste algemene inventarisatie in 2023, als gelegenheden om dit beginsel in de praktijk te brengen;
5. pleit voor dialoog tussen deskundigen van de IPCC en partijen bij het opstellen en publiceren van de resultaten van de zesde evaluatiecyclus; is in dit verband verheugd over het besluit om in 2018 een speciaal IPCC-verslag te publiceren over de gevolgen van de opwarming van de aarde met 1,5 °C ten opzichte van de pre-industriële niveaus en de daarmee verband houdende mondiale broeikasgasemissietrajecten;
Ratificatie van de Overeenkomst van Parijs en uitvoering van de toezeggingen
6. is verheugd over de ongekend snelle ratificatie en de snelle inwerkingtreding van de Overeenkomst van Parijs en over de in de "Marrakesh Action Proclamation" geuite wereldwijde vastberadenheid om de overeenkomst volledig en spoedig ten uitvoer te leggen; dringt er bij alle partijen op aan de overeenkomst zo snel mogelijk te ratificeren;
7. spreekt zijn tevredenheid uit over het feit dat alle partijen op de COP22 in Marrakesh hebben beloofd zich aan de toezeggingen van Parijs te blijven houden, ongeacht veranderende politieke omstandigheden;
8. toont zich teleurgesteld over de mededeling van de Amerikaanse president Donald Trump over zijn intentie om de Verenigde Staten terug te trekken uit de Overeenkomst van Parijs; betreurt de beslissing en beschouwt deze als een stap achterwaarts; wijst erop dat de formele terugtrekking ten vroegste van kracht kan worden na de volgende presidentsverkiezingen in de VS in 2020; is verheugd over de krachtige reacties van regeringen overal ter wereld en hun aanhoudende en versterkte steun voor de volledige tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs; stelt met tevredenheid vast dat een aantal Amerikaanse staten, steden en bedrijven heeft beloofd zich te zullen blijven houden aan de toezeggingen die de VS heeft gedaan in het kader van de Overeenkomst van Parijs;
9. is ingenomen met het feit dat alle grote partijen na de mededeling van president Trump hebben bevestigd de Overeenkomst van Parijs te zullen nakomen;
10. benadrukt dat Europa nu het initiatief moet nemen bij de verdediging van de Overeenkomst van Parijs, zodat de toekomst van ons milieu en onze bedrijfstakken kan worden veiliggesteld; is verheugd dat de EU bestaande partnerschappen zal versterken en nieuwe partnerschappen zal aangaan;
11. wijst op de snelle vooruitgang die tot nu toe werd geboekt bij de omzetting van de internationale toezeggingen van de EU in EU-wetgeving, waardoor een stevig beleidskader voor energie en klimaat voor 2030 tot stand wordt gebracht, en benadrukt zijn intentie om dat wetgevingsproces tegen eind 2017 af te ronden;
12. benadrukt dat het belangrijk is – met name na de mededeling van president Trump – om passende maatregelen voorhanden te hebben tegen koolstoflekkage en ervoor te zorgen dat bedrijven die qua prestaties tot de beste behoren en een hoge koolstofintensiteit en hoge handelsintensiteit hebben gratis de nodige rechten krijgen; verzoekt de Commissie de doeltreffendheid en wettelijkheid te onderzoeken van bijkomende maatregelen die bedrijfstakken beschermen tegen het risico op koolstoflekkage, zoals koolstofbelastingaanpassingen aan de grens en heffingen op koolstofverbruik, met name voor producten die komen uit landen die hun verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs niet nakomen;
13. benadrukt dat de toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur te beperken tot ruim onder 2 °C ten opzichte van de pre-industriële niveaus en ernaar te streven om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C, alsook het doel om in de tweede helft van deze eeuw een evenwicht te bereiken tussen antropogene emissies door bronnen en verwijdering van broeikasgassen door putten ("CO2-neutraliteit"), op basis van billijkheid, een beslissende doorbraak vormen in de collectieve wereldwijde inspanningen met het oog op een overgang naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale wereldeconomie;
14. herinnert eraan dat de beperking van de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur tot ruim onder 2 °C geen garantie biedt dat aanzienlijke negatieve gevolgen voor het klimaat zullen worden voorkomen; is zich ervan bewust dat de huidige toezeggingen onvoldoende zijn om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken; benadrukt in dit verband dat de wereldwijde broeikasgasemissies zo snel mogelijk hun hoogste niveau moeten bereiken en dat alle partijen, en vooral alle G20-landen, hun inspanningen moeten opvoeren en hun NDC's tegen 2020 moeten bijwerken, na de faciliterende dialoog van 2018; herinnert eraan dat de wereldwijde CO2-emissies tegen 2050 geleidelijk moeten worden afgebouwd; is van mening dat de invoering van beleid en maatregelen om de NDC's te verwezenlijken en uiteindelijk te overschrijden voor alle landen een centrale nationale prioriteit moet zijn en dat de NDC's om de vijf jaar opnieuw moeten worden beoordeeld overeenkomstig het ambitiemechanisme van de Overeenkomst van Parijs; erkent echter dat de striktheid en het ambitieniveau van nationale strategieën voor emissiereductie niet afhangen van de indiening van een bijgewerkte NDC;
15. roept alle partijen op ervoor te zorgen dat hun eigen NDC's aansluiten op de langetermijndoelen inzake temperatuur in het kader van de Overeenkomst van Parijs; benadrukt dat werkzaamheden in de context van het speciale IPCC-verslag betreffende het effect van en het traject naar de doelstelling van 1,5 °C en de conclusies van de faciliterende dialoog van 2018 in aanmerking moeten worden genomen; herinnert tegen deze achtergrond aan de verbintenis van de G7 om ruim voor de overeengekomen uiterste termijn van 2020 ontwikkelingsstrategieën voor lage broeikasgasemissies voor het midden van deze eeuw te presenteren; toont zich bereid ten volle mee te werken aan de ontwikkeling van de EU-strategie op basis van de analyse van de Commissie als aangekondigd in de mededeling "Wat na Parijs?" van 2 maart 2016 (COM(2016)0110);
16. benadrukt de bijzondere verantwoordelijkheid van alle grote economieën, die samen goed zijn voor driekwart van de wereldwijde emissies, en meent dat klimaatactie hoog op de agenda van de G7 en de G20 moet blijven staan, vooral op gebieden zoals de tenuitvoerlegging van NDC's, strategieën voor het midden van deze eeuw, de hervorming van subsidies voor fossiele brandstoffen, openbaarmaking van koolstofgegevens, schone energie, en andere; benadrukt dat de ministers van grote economieën zich moeten blijven inzetten in fora zoals het ministerieel overleg over schone energie;
17. dringt er bij de EU op aan om zich na de faciliterende dialoog in 2018 in haar NDC voor 2030 tot verdere emissiereducties te verbinden;
18. benadrukt dat het belangrijk is dat de EU toont dat zij zich aan de Overeenkomst van Parijs houdt, onder meer door de overeenkomst via EU-wetgeving ten uitvoer te leggen, met inbegrip van een snelle goedkeuring door de medewetgevers van de EU-verordening inzake klimaatactie en de herziening van de EU-ETS-richtlijn, en door de doelstellingen en beleidsinstrumenten van de EU tijdig aan te scherpen; herinnert eraan dat alle partijen wordt verzocht uiterlijk in 2020 hun langetermijnontwikkelingsstrategieën voor lage broeikasgasemissies voor het midden van deze eeuw mee te delen aan het secretariaat van het UNFCCC; dringt er daarom bij de Commissie op aan zich te houden aan de verplichting uit hoofde van de overeenkomst om tegen de COP24 voor de EU een op CO2-neutraliteit gerichte strategie voor het midden van de eeuw op te stellen, met een kostenefficiënt traject voor het behalen van de doelstelling inzake CO2-neutraliteit als vastgesteld in de Overeenkomst van Parijs, met als doel de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur tot ruim onder 2 °C te houden en ernaar te streven deze tot 1,5 °C te beperken; is van mening dat dit proces zo snel mogelijk moet worden opgestart om een uitgebreid debat mogelijk te maken waarin het Europees Parlement een cruciale rol moet krijgen, samen met vertegenwoordigers van nationale, regionale en lokale autoriteiten, alsook het maatschappelijk middenveld en de bedrijfswereld; wijst erop dat maatregelen in de EU alleen echter niet zullen volstaan, en verzoekt de Commissie en de Raad daarom hun activiteiten te intensiveren om andere partners ertoe aan te sporen hetzelfde te doen;
19. toont zich verheugd over het engagement in het kader van de Overeenkomst van Parijs om de wereldwijde broeikasgasemissies tot nul te reduceren in de tweede helft van de eeuw; ziet in dat dit betekent dat de meeste sectoren in de EU aanzienlijk vroeger hun emissies tot nul zullen moeten herleiden;
20. is van mening dat er in de onderhandelingen vooruitgang moet worden geboekt op de centrale punten van de Overeenkomst van Parijs, waaronder een verbeterd transparantiekader, bijzonderheden van de algemene inventarisatie, nadere richtsnoeren inzake INDC's, een interpretatie van differentiëring, verlies en schade, klimaatfinanciering en capaciteitsondersteuning, inclusieve multi-level governance, alsook een mechanisme om de uitvoering te faciliteren en de naleving te bevorderen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de verplichtingen na te komen die werden vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs, en dan met name de verplichtingen inzake de bijdrage van de EU aan de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering en inzake de steun van de EU op het gebied van financiering, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw;
21. beklemtoont dat de tijd dringt om de klimaatverandering met vereende krachten te bestrijden en de Overeenkomst van Parijs na te komen; onderstreept dat de EU zowel de capaciteit als de verantwoordelijkheid heeft om hierin het voortouw te nemen en onmiddellijk moet beginnen haar streefdoelen inzake klimaat en energie af te stemmen op de internationaal overeengekomen doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot minder dan 2 °C, met het streven om deze stijging tot 1,5 °C te beperken;
22. wijst erop dat snel moet worden begonnen met decarbonisatie als we dit streefdoel voor de wereldwijde gemiddelde temperatuur willen halen, en dat de wereldwijde broeikasgasemissies zo snel mogelijk hun hoogste niveau moeten bereiken; herinnert eraan dat de wereldwijde CO2-emissies tegen 2050 of kort daarna moeten worden afgebouwd, zodat wereldwijd een kosteneffectief emissietraject kan worden aangehouden dat strookt met de temperatuurstreefdoelen die zijn vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs; vraagt alle partijen die in de gelegenheid zijn dit te doen alles in het werk te stellen om hun nationale streefdoelen en strategieën inzake decarbonisatie te verwezenlijken door prioriteit te geven aan het afbouwen van emissies van steenkool als meest vervuilende energiebron en vraagt de EU daartoe met haar internationale partners samen te werken en voorbeelden van goede praktijken te verstrekken;
23. is verheugd over de inclusiviteit van het UNFCCC-proces; meent dat de kwestie van gevestigde of conflicterende belangen moet worden aangepakt om een effectieve en transparante deelname te verzekeren; roept tegen die achtergrond alle deelnemers aan het proces op richtsnoeren of procedures vast te stellen die voor meer openheid, transparantie en inclusiviteit zorgen zonder de bedoelingen en doelstellingen van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs in het gedrang te brengen;
24. roept alle lidstaten ertoe op de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto te ratificeren;
De COP23 in Bonn
25. is verheugd dat in Marrakesh is toegezegd dat het werkprogramma voor de opstelling van gedetailleerde uitvoeringsregels voor de Overeenkomst van Parijs tegen 2018 zal worden afgerond; is van mening dat de COP23 een belangrijke mijlpaal is in deze technische werkzaamheden;
26. hoopt dat er tijdens de COP23 duidelijkheid zal worden verschaft omtrent de structuur van de faciliterende dialoog in 2018, die een belangrijke gelegenheid vormt om de vorderingen met de in de overeenkomst opgenomen mitigatiedoelstelling te inventariseren en deze resultaten mee te nemen bij de opstelling en actualisering van de NDC's voor 2030 die de partijen tegen 2020 moeten indienen, om zo de doelstellingen van de overeenkomst te verwezenlijken; is van mening dat de EU een proactieve rol moet spelen in deze eerste faciliterende dialoog om een stand van zaken op te maken van de gezamenlijke ambitie en de vooruitgang bij het nakomen van de toezeggingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ruim voor aanvang van de faciliterende dialoog bijkomende broeikasgasemissiereducties voor te leggen die verder gaan dan de huidige toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs en die op adequate wijze bijdragen aan het dichten van de mitigatiekloof in overeenstemming met de capaciteiten van de EU;
27. herinnert eraan dat het intensiveren van mitigatiemaatregelen in de periode voor 2020 een absolute voorwaarde is voor de verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en roept de EU op ervoor te zorgen dat maatregelen op korte termijn op de agenda van de COP23 blijven staan;
Klimaatfinanciering en andere uitvoeringsmiddelen
28. is ingenomen met het "stappenplan voor 100 miljard USD", dat tot doel heeft tegen 2020 100 miljard USD bijeen te brengen voor klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden; onderstreept dat op de COP21 is besloten de doelstelling voor het bijeenbrengen van middelen is verlengd tot 2025;
29. is ingenomen met de verbintenis van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs om alle geldstromen consistent te houden met een traject naar lage broeikasgasemissies en klimaatbestendige ontwikkeling; is daarom van mening dat de EU geldstromen naar fossiele brandstoffen en koolstofrijke infrastructuur hoogdringend moet aanpakken;
30. beseft dat het van belang is aandacht te besteden aan de regeling voor schade en verlies die is opgenomen in de Overeenkomst van Parijs en pleit er sterk voor de regeling te bespreken tijdens de COP23 in Bonn;
31. benadrukt dat het belangrijk is erover te waken dat de mensenrechten centraal blijven staan in klimaatactie, en vraagt de Commissie en de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat in de onderhandelingen over aanpassingsmaatregelen expliciet wordt gesteld dat de mensenrechten moeten worden geëerbiedigd, beschermd en bevorderd, onder andere op het gebied van gendergelijkheid, volledige en gelijke deelname van vrouwen en de actieve bevordering van een rechtvaardige transitie voor arbeidskrachten, met fatsoenlijk werk en hoogwaardige banen voor iedereen;
32. is verheugd dat de klimaatfinanciering van de EU gestaag toeneemt, maar benadrukt dat er verdere inspanningen moeten worden gedaan; benadrukt hoe belangrijk het is dat ook andere ontwikkelde partijen hun bijdrage leveren aan de doelstelling van 100 miljard USD; vraagt om concrete toezeggingen op internationaal en EU-niveau om in aanvullende financieringsbronnen te voorzien;
33. vraagt om een ambitieuze toezegging van regeringen en openbare en particuliere financiële instellingen, zoals banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, om hun leningen en investeringen op de "ruim onder 2 °C"-doelstelling af te stemmen, overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder c), van de Overeenkomst van Parijs, en niet langer te investeren in fossiele brandstoffen, onder meer door uitvoerkredieten voor investeringen in fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen; dringt aan op specifieke overheidsgaranties om groene investeringen en groene keurmerken te bevorderen en fiscale voordelen te bieden voor groene investeringsfondsen en de uitgifte van groene obligaties;
34. erkent dat veranderingen in nationale en internationale belastingstelsels, zoals een verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar kapitaal, toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt, het niet langer investeren in fossiele brandstoffen en de instelling van een juiste koolstofprijs, van cruciaal belang zijn om een economisch klimaat te scheppen dat gunstig is voor het aantrekken van openbare en particuliere investeringen, aan de hand waarvan de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling kunnen worden verwezenlijkt in het kader van industrieel beleid;
35. pleit voor nauwere samenwerking tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden, onder meer in het kader van het NDC-partnerschap, zodat landen betere toegang krijgen tot de nodige technische kennis en financiële ondersteuning om een beleid uit te stippelen waarmee ze kunnen voldoen aan hun NDC's en deze kunnen overschrijden;
36. verzoekt de Commissie een volledige evaluatie te maken van de mogelijke gevolgen van de Overeenkomst van Parijs voor de EU-begroting en een specifiek, automatisch EU-financieringsmechanisme te ontwikkelen dat aanvullende en voldoende middelen moet bieden om ervoor te zorgen dat de EU haar duit in het zakje doet wat de beoogde internationale klimaatfinanciering van 100 miljard USD betreft;
37. dringt aan op concrete toezeggingen om bijkomende bronnen van klimaatfinanciering ter beschikking te stellen, onder meer door het invoeren van een belasting op financiële transacties, het reserveren van bepaalde EU-ETS-emissierechten in de periode 2021-2030 en het toewijzen van opbrengsten uit EU- en internationale maatregelen inzake luchtvaart- en scheepvaartemissies aan internationale klimaatfinanciering en het Groen Klimaatfonds;
De rol van niet-overheidsactoren
38. wijst op de inspanningen die door een steeds bredere waaier aan niet-overheidsactoren worden gedaan om koolstofvrij te worden en beter bestand te zijn tegen klimaatverandering; benadrukt dan ook het belang van een structurele en constructieve dialoog tussen overheden, het bedrijfsleven, steden, regio's, internationale organisaties, het maatschappelijk middenveld en academische instellingen, en van hun betrokkenheid bij de planning en uitvoering van schaalbare klimaatacties met het oog op de bevordering van krachtige, wereldwijde maatregelen om samenlevingen koolstofarm en veerkrachtig te maken en te tonen dat er vooruitgang wordt geboekt met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;
39. dringt er bij de EU, haar lidstaten en andere partijen bij het UNFCCC op aan ervoor te ijveren niet-overheidsactoren actief te betrekken bij onderhandelingen over de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs, hen te steunen in hun inspanningen om bij te dragen aan de verwezenlijking van de NDC van een land ondanks veranderingen in de nationale politiek, en hen in staat te stellen op zoek te gaan naar nieuwe vormen van deelname en samenwerking in het kader van het UNFCCC;
40. benadrukt de belangrijke rol van het platform van niet-overheidsactoren voor klimaatactie (Non-State Actors Zone for Climate Action, NAZCA) bij het bevorderen en opvolgen van acties door niet-overheidsactoren, zoals het wereldwijde Convenant van burgemeesters, de initiatieven "Mission Innovation", "InsuResilience" en "Duurzame energie voor iedereen" en het NDC-partnerschap;
41. is verheugd over de inspanningen van de "Climate Champions" in het kader van het partnerschap van Marrakesh voor klimaatactie;
42. dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan samen te werken met alle actoren van het maatschappelijk middenveld (instellingen, de particuliere sector, ngo's en lokale gemeenschappen) om reductie-initiatieven te ontwikkelen in belangrijke sectoren (energie, technologie, steden, vervoer), alsook initiatieven op te starten met betrekking tot aanpassing en veerkracht om in te spelen op problemen op het gebied van aanpassing aan de klimaatverandering, met name wat betreft toegang tot water, voedselzekerheid en risicopreventie; verzoekt alle overheden en alle actoren van het maatschappelijk middenveld om deze actieagenda te ondersteunen en te versterken;
43. herinnert de partijen bij het UNFCCC en de VN zelf eraan dat individuele maatregelen even belangrijk zijn als maatregelen van overheden en instellingen; dringt er daarom op aan meer bewustmakings- en informatiecampagnes en -activiteiten te organiseren voor de bevolking over de kleine en grote handelingen die kunnen bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering in ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden;
Een alomvattende inspanning van alle sectoren
44. is verheugd dat er wereldwijd regelingen worden uitgewerkt voor de handel in emissierechten, met 18 emissiehandelssystemen die operationeel zijn in vier continenten, samen goed voor 40 % van het mondiale bnp; spoort de Commissie ertoe aan koppelingen tussen de EU-ETS en andere emissiehandelssystemen te bevorderen om internationale koolstofmarktmechanismen tot stand te brengen, met als doel de klimaatambities te vergroten en tegelijk het risico van koolstoflekkage te helpen beperken door een gelijk speelveld te creëren; verzoekt de Commissie waarborgen in te bouwen om ervoor te zorgen dat de koppeling van de EU-ETS aan andere regelingen permanente mitigatiebijdragen oplevert en de interne EU-doelstelling inzake broeikasgasemissies niet ondermijnt;
45. benadrukt dat er meer ambitie en meer maatregelen nodig zijn om voldoende stimulansen te behouden voor de reductie van broeikasgasemissies die vereist is om de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU voor 2050 te halen; onderstreept dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt inzake het verminderen van de broeikasgasemissies in de vervoers- en landbouwsector wat de doelstellingen voor 2020 betreft en dat er extra inspanningen moeten worden geleverd om deze sectoren te laten voldoen aan hun bijdrage op het gebied van emissiereducties tegen 2030;
46. benadrukt hoe belangrijk het is de milieu-integriteit van elke toekomstige marktbenadering te waarborgen, zowel binnen als buiten het kader van de Overeenkomst van Parijs, door na te denken over risico's zoals achterdeurtjes die tot dubbele telling kunnen leiden, problemen met betrekking tot de continuïteit en additionaliteit van emissiereducties, potentiële negatieve effecten voor duurzame ontwikkeling en averechtse prikkels om de ambitie van NDC's af te zwakken;
47. benadrukt dat de 20-20-20-streefcijfers voor broeikasgasemissies, hernieuwbare energie en energiebesparingen drijvende krachten zijn gebleken voor deze vooruitgang en voor de instandhouding van de werkgelegenheid voor meer dan 4,2 miljoen mensen in diverse bedrijfstakken van de eco-industrie, waarvoor een gestage groei werd opgetekend tijdens de economische crisis;
48. neemt kennis van het besluit van de Algemene Vergadering van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) van 2016 betreffende de instelling van een koolstofcompensatie- en ‑verminderingsregeling voor de internationale luchtvaart (Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation – Corsia);
49. uit echter zijn teleurstelling over het feit dat de ICAO bij de invoering van Corsia geen overeenstemming heeft bereikt over emissiereducties en zich voornamelijk op compensaties heeft gericht; betreurt dat de kwaliteit van de compensaties helemaal niet gegarandeerd is, dat de toepassing van Corsia pas vanaf 2027 wettelijk bindend wordt en dat een aantal belangrijke leden van de ICAO hun deelname aan de vrijwillige fase nog niet hebben toegezegd, terwijl andere grote uitstoters zich nog niet hebben verbonden tot koolstofneutrale groei, hetgeen veel vragen doet rijzen over de werkelijke effecten op het klimaat, aangezien het resultaat niet beantwoordt aan de verwachtingen van de EU toen zij besloot met betrekking tot de EU-ETS "de klok stil te zetten"; vraagt dat spoedig de laatste hand wordt gelegd aan een degelijke set regels voor de operationalisering van Corsia, de tijdige toepassing ervan op nationaal en regionaal niveau en een behoorlijke handhaving door alle partijen; dringt er bovendien op aan dat er werk wordt gemaakt van alle technologische innovaties die verband houden met motorprestaties en brandstofkwaliteit;
50. herinnert eraan dat vluchten binnen Europa ondertussen onder de EU-ETS blijven vallen en dat wijzigingen van de bestaande wetgeving en het tijdschema voor de operationalisering van Corsia slechts kunnen worden overwogen in het licht van het ambitieniveau van het systeem en de uitvoeringsmaatregelen die nog moeten worden ontwikkeld;
51. neemt kennis van de routekaart voor de ontwikkeling van een "alomvattende IMO-strategie ter vermindering van de broeikasgasemissies van schepen" die tijdens de 70e zitting van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) is goedgekeurd; dringt er bij de IMO op aan een wereldwijde regeling te ontwikkelen die overeenstemt met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs door een ambitieus streefdoel inzake emissiereducties en een concreet tijdschema vast te stellen in het kader van de initiële broeikasgasstrategie van de IMO die in het voorjaar van 2018 zal worden goedgekeurd;
52. is ingenomen met de wijziging van Kigali betreffende een wereldwijde stapsgewijze verlaging van de productie en het gebruik van fluorkoolwaterstoffen (HFK's) met een klimaatopwarmend effect; beschouwt dit als een concrete stap in de verwezenlijking van de Overeenkomst van Parijs, waardoor tegen 2050 emissies van ruim 70 miljard ton CO2-equivalent kunnen worden vermeden, wat overeenkomt met elfmaal de jaarlijkse emissies van de VS, en moedigt alle partijen bij het Protocol van Montreal dan ook aan om al het nodige te doen met het oog op een spoedige ratificatie; herinnert eraan dat de EU ambitieuze wetgeving heeft vastgesteld om het gebruik van HFK's tegen 2030 met 79 % af te bouwen, aangezien klimaatvriendelijke alternatieven op grote schaal beschikbaar zijn en het potentieel daarvan volledig moet worden benut;
Klimaatbestendigheid door aanpassing
53. stelt vast dat de prioriteiten van het voorzitterschap van Fiji voor de COP23 gebieden omvatten waar maatregelen inzake aanpassing en klimaatbestendigheid een prominente plaats innemen; wijst erop dat aanpassingsmaatregelen voor alle landen een onvermijdelijke noodzaak zijn als zij de negatieve gevolgen tot een minimum willen beperken en ten volle gebruik willen maken van de mogelijkheden voor klimaatbestendige groei en duurzame ontwikkeling;
54. dringt er dan ook op aan dat er langetermijndoelstellingen inzake aanpassing worden vastgesteld; herinnert eraan dat ontwikkelingslanden, met name de minst ontwikkelde landen en kleine insulaire ontwikkelingslanden, het minst tot de klimaatverandering hebben bijgedragen, maar wel het kwetsbaarst zijn voor de nadelige gevolgen ervan en het minst in staat zijn zich eraan aan te passen;
55. benadrukt dat aanpassing aan de klimaatverandering daarom echt moet worden geïntegreerd in nationale ontwikkelingsstrategieën, met inbegrip van financiële planning, en dat de coördinatiekanalen tussen verschillende bestuursniveaus en belanghebbenden moeten worden verbeterd; is van mening dat samenhang met strategieën en plannen voor rampenrisicovermindering eveneens belangrijk is;
56. benadrukt dat het belangrijk is een beoordeling te maken van de effecten van de klimaatverandering op steden en hun unieke uitdagingen en kansen op het gebied van aanpassing en mitigatie; meent dat het versterken van het vermogen van steden en lokale autoriteiten om te beginnen werken aan de veerkracht van hun gemeenschap van cruciaal belang is om de lokale dimensie van de effecten van de klimaatverandering aan te pakken;
57. meent dat klimaatbeleid een voldoende groot draagvlak kan krijgen, op voorwaarde dat het beleid gepaard gaat met sociale maatregelen, zoals een fonds voor een rechtvaardige transitie, zodat de huidige uitdagingen op het gebied van de strijd tegen de klimaatverandering worden gekoppeld aan inspanningen in de strijd tegen werkloosheid en onzeker werk;
58. vraagt de Commissie de aanpassingsstrategie van de EU van 2013 opnieuw te beoordelen, met als doel de aanpassingswerkzaamheden op het niveau van de hele EU gerichter te maken en een grotere meerwaarde te geven door de banden met de Overeenkomst van Parijs te versterken en de verdere ontwikkeling van een doeltreffende uitwisseling van goede praktijken, voorbeelden en informatie inzake aanpassingswerkzaamheden te ondersteunen; benadrukt dat er structuren en instrumenten moeten worden ontwikkeld om op de hoogte te blijven van de voortgang en de doeltreffendheid van de nationale plannen en maatregelen;
59. herinnert eraan dat landbouwgronden, waterrijke gebieden en bossen, die meer dan 90 % van de landoppervlakte van de EU beslaan, hard zullen worden getroffen door de klimaatverandering; benadrukt dat deze sector – bekend als landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) – zowel een emissieput als een emissiebron vormt en essentieel is voor mitigatie en een betere klimaatbestendigheid;
60. herinnert eraan dat de Overeenkomst van Parijs van 4 november 2016 luidens zijn artikel 2 onder meer tot doel heeft het vermogen te vergroten om zich aan de negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te passen en klimaatbestendigheid en ontwikkeling met geringe broeikasgasemissies te bevorderen op een wijze die de voedselproductie niet in gevaar brengt, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de geldstromen te doen sporen met dat doel;
61. onderstreept dat niets doen ernstige negatieve en vaak onomkeerbare gevolgen heeft, omdat de klimaatverandering alle regio's van de wereld op een andere manier treft maar altijd zware schade aanricht, met migratiestromen, verlies van mensenlevens en economische, ecologische en maatschappelijke schade als gevolg; onderstreept dat een gezamenlijke wereldwijde politieke en financiële stimulans voor innovatie op het gebied van schone en hernieuwbare energie van cruciaal belang is om onze klimaatdoelstellingen te bereiken en groei te bevorderen;
62. erkent dat het bijzonder moeilijk is een universeel aanvaarde definitie van het begrip "klimaatvluchteling" vast te stellen, maar vraagt dat klimaatgedreven ontheemding en migratie ten gevolge van rampen veroorzaakt door de opwarming van de aarde ernstig worden genomen; merkt met bezorgdheid op dat tussen 2008 en 2013 zo'n 166 miljoen mensen hun huis hebben moeten verlaten als gevolg van natuurrampen, de stijging van de zeespiegel, extreme meteorologische verschijnselen, woestijnvorming, watertekort en de verspreiding van tropische aandoeningen en vectorziekten; wijst er met name op dat klimaatgerelateerde ontwikkelingen in delen van Afrika en het Midden-Oosten politieke instabiliteit, economische tegenspoed en een escalatie van de vluchtelingencrisis in het Middellandse Zeegebied in de hand kunnen werken;
63. merkt op dat ontbossing en bosdegradatie verantwoordelijk zijn voor 20 % van de mondiale broeikasgasemissies, en benadrukt het belang van bossen en actief duurzaam bosbeheer voor de mitigatie van klimaatverandering en de noodzaak om het aanpassingsvermogen en de veerkracht van bossen ten aanzien van klimaatverandering te verbeteren; benadrukt dat er mitigatie-inspanningen moeten worden geleverd gericht op de tropische bosbouwsector (REDD+); onderstreept dat het verwezenlijken van de doelstelling om de opwarming van de aarde onder de 2 °C te houden zonder deze mitigatie-inspanningen wellicht onmogelijk zal blijken; vraagt de EU voorts om de internationale financiering voor het tegengaan van ontbossing in ontwikkelingslanden te verhogen;
Steun voor ontwikkelingslanden
64. benadrukt dat ook de ontwikkelingslanden een belangrijke rol spelen om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en dat deze landen geholpen moeten worden om hun klimaatplannen uit te voeren door ten volle gebruik te maken van de synergieën met de desbetreffende duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de uitgevoerde klimaatmaatregelen, het actieprogramma van Addis Abeba en de Agenda 2030;
65. onderstreept dat de universele toegang tot duurzame energie in ontwikkelingslanden, met name in Afrika, moet worden bevorderd door op grotere schaal hernieuwbare energie in te zetten; merkt op dat Afrika over enorme hoeveelheden natuurlijke hulpbronnen beschikt die de energiezekerheid van het continent kunnen waarborgen; onderstreept dat Europa, indien men erin slaagt interconnecties voor elektriciteit tot stand te brengen, op termijn een deel van haar energie uit Afrika zou kunnen halen;
66. benadrukt dat de EU de ervaring, de capaciteit en de mondiale reikwijdte heeft om het voortouw te nemen bij het aanleggen van de slimmere, schonere en meer klimaatbestendige infrastructuur die nodig is om de mondiale transitie die in gang is gezet door de Overeenkomst van Parijs waar te maken; verzoekt de EU met klem steun te verlenen aan de inspanningen van ontwikkelingslanden om over te schakelen naar koolstofarme samenlevingen die inclusiever, sociaal en ecologisch duurzamer, welvarender en veiliger zijn;
Industrie en concurrentievermogen
67. is ingenomen met de aanhoudende inspanningen van de Europese industrie en met de vooruitgang die deze boekt met betrekking tot het nakomen van haar verplichtingen en het ten volle benutten van de kansen die de Overeenkomst van Parijs met zich meebrengt, hetgeen kan leiden tot geslaagde en kosteneffectieve klimaatactie;
68. onderstreept dat de strijd tegen de klimaatverandering een wereldwijde prioriteit vormt en moet worden nagestreefd als een werkelijk mondiale inspanning, met waarborging van energiezekerheid en een duurzame economie;
69. benadrukt dat een stabiel en voorspelbaar juridisch kader en duidelijke beleidssignalen op mondiaal en EU-niveau een bevorderend en gunstig effect zouden hebben op klimaatgerelateerde investeringen;
70. onderstreept dat aanhoudende inzet, met name van de kant van 's werelds grootste uitstoters, van cruciaal belang is voor klimaatactie en de Overeenkomst van Parijs; betreurt de aankondiging van de Amerikaanse regering betreffende haar standpunt ten aanzien van de Overeenkomst van Parijs ten zeerste; is echter bijzonder blij met de voortgezette steun van belangrijke Amerikaanse sectoren die duidelijk inzien welke risico's de klimaatverandering met zich meebrengt en welke kansen klimaatactie biedt;
71. is van mening dat het bij een eventueel verzuim van andere grote economieën om op het vlak van de vermindering van broeikasgasemissies toezeggingen te doen die vergelijkbaar zijn met die van de EU noodzakelijk zal zijn om de bepalingen inzake koolstoflekkage in stand te houden, met name de bepalingen die gericht zijn op sectoren die gekenmerkt worden door zowel een hoge handelsintensiteit als een groot aandeel koolstofkosten bij de productie, zodat het mondiale concurrentievermogen van de Europese industrie gegarandeerd blijft;
72. is verheugd dat China en andere grote concurrenten van de energie-intensieve sectoren van de EU een emissiehandelssysteem of andere prijsstellingsmechanismen invoeren; meent dat de EU in afwachting van de totstandbrenging van gelijke concurrentievoorwaarden passende en evenredige maatregelen moet handhaven om het concurrentievermogen van haar industrie te garanderen en, waar nodig, koolstoflekkage te voorkomen, vanuit de overweging dat energie-, industrie- en klimaatbeleid hand in hand gaan;
73. onderstreept hoe belangrijk het is het aantal geschoolde werknemers in de industrie te verhogen en inzake het stimuleren van kwaliteitsvolle werkgelegenheid kennis en beste praktijken uit te wisselen, terwijl waar nodig steun wordt verleend aan een rechtvaardige transitie van de werknemers;
Energiebeleid
74. dringt er bij de EU op aan de internationale gemeenschap aan te sporen onverwijld concrete maatregelen te nemen, met inbegrip van een tijdschema, voor het geleidelijk afbouwen van voor het milieu schadelijke subsidies, onder meer voor fossiele brandstoffen, aangezien deze concurrentieverstorend werken, een belemmering vormen voor internationale samenwerking en innovatie in de weg staan;
75. benadrukt het belang van energiebesparingen, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie voor de beperking van emissies, alsook voor financiële besparingen, energiezekerheid en het voorkomen en verminderen van energiearmoede, zodat kwetsbare en arme huishoudens worden beschermd en geholpen; dringt aan op een wereldwijde bevordering van maatregelen voor energie-efficiëntie en energiebesparingen en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen (bijvoorbeeld via stimulansen voor het zelf opwekken van hernieuwbare energie voor eigen gebruik) en voor de doeltreffende invoering hiervan; wijst erop dat de prioritaire behandeling van energie-efficiëntie en wereldwijd leiderschap op het gebied van hernieuwbare energiebronnen tot de belangrijkste doelstellingen van de energie-unie van de EU behoren;
76. onderstreept hoe belangrijk het is technologie voor energieopslag, slimme energienetten en vraagsturing te ontwikkelen om er mee voor te zorgen dat hernieuwbare energiebronnen daadwerkelijk worden ingezet bij de opwekking van elektriciteit en in de sector van verwarming en koeling voor particuliere huishoudens;
Onderzoek, innovatie en digitale technologieën
77. onderstreept dat de voortzetting en intensivering van onderzoek en innovatie op het gebied van klimaatmitigatie, aanpassingsmaatregelen, hulpbronnenefficiëntie, emissiearme technologie en een duurzaam gebruik van secundaire grondstoffen ("circulaire economie") van cruciaal belang zijn om de klimaatverandering op kostenefficiënte wijze te bestrijden en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen; dringt daarom aan op wereldwijde toezeggingen om investeringen op dit gebied te bevorderen en hierop toe te spitsen;
78. benadrukt dat voor de vereiste technologische vooruitgang met het oog op decarbonisatie duidelijke beleidssignalen nodig zijn, waaronder de beperking van markt- en regelgevingsbelemmeringen voor nieuwe technologieën en bedrijfsmodellen, alsook doelgerichte overheidsuitgaven;
79. herinnert eraan dat onderzoek, innovatie en concurrentievermogen tot de vijf pijlers van de EU-strategie voor de energie-unie behoren; stelt vast dat de EU vastbesloten is een wereldleider te blijven op deze domeinen en tegelijk nauwe wetenschappelijke samenwerking met internationale partners ontwikkelt; wijst erop hoe belangrijk het is dat zowel in de ontwikkelde als in de opkomende landen een sterke innovatiecapaciteit voor het inzetten van technologieën voor schone en duurzame energie wordt opgebouwd en gehandhaafd;
80. wijst op de fundamentele rol van digitale technologieën bij het faciliteren van de energietransitie, aangezien deze zorgen voor nieuwe duurzame bedrijfsmodellen, een grotere energie-efficiëntie en meer energiebesparingen; benadrukt de milieuvoordelen die de digitalisering van de Europese industrie kan opleveren via een efficiënt gebruik van hulpbronnen en een lagere materiaalintensiteit;
81. onderstreept hoe belangrijk het is ten volle gebruik te maken van de bestaande EU-programma's en -instrumenten zoals Horizon 2020, die openstaan voor deelname van derde landen, met name op het gebied van energie, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling;
82. pleit voor een beter gebruik van technologieën zoals ruimtesatellieten voor het accuraat verzamelen van gegevens over emissies, temperatuur en klimaatverandering; wijst met name op de bijdrage van het Copernicusprogramma; dringt tevens aan op transparante samenwerking en uitwisseling van informatie tussen landen en op de openstelling van gegevens voor de wetenschappelijke wereld;
Klimaatdiplomatie
83. is er een sterke voorstander van dat de EU aandacht blijft besteden aan klimaatdiplomatie, wat van essentieel belang is om klimaatactie in partnerlanden en in de publieke opinie overal ter wereld meer zichtbaarheid te geven; benadrukt dat de klimaatverandering in het diplomatiek overleg een strategische prioriteit moet blijven, rekening houdend met de recentste ontwikkelingen en het veranderende geopolitieke landschap; onderstreept dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten een enorme capaciteit op het vlak van buitenlands beleid hebben en in klimaatfora het voortouw moeten nemen; benadrukt dat ambitieuze en dringende klimaatmaatregelen en de uitvoering van de toezeggingen in het kader van de COP21 een van de prioriteiten van de EU moeten blijven in bilaterale en biregionale dialogen op hoog niveau met partnerlanden, de G7, de G20, de VN en andere internationale fora;
84. herhaalt dat klimaatbeleidsdoelstellingen centraal moeten staan bij het buitenlands beleid van de EU en op de mondiale agenda; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan leiderschap aan de dag te leggen op het vlak van wereldwijde klimaatactie door zich voortdurend in te zetten voor de Overeenkomst van Parijs en door actief op zoek te gaan naar strategische partners, zowel op nationaal als op subnationaal niveau, om klimaatallianties te vormen of te versterken, teneinde het momentum te behouden om de weg in te slaan naar een ambitieuze regeling ter bescherming van het klimaat;
85. vraagt de EU en de lidstaten werk te maken van een betere bewustmaking, analyse en beheersing van klimaatrisico's en de partners van de EU in de wereld te helpen om een beter inzicht te krijgen in de effecten van de klimaatverandering op de binnenlandse stabiliteit, de internationale veiligheid en ontheemding, en deze als geheel te bekijken, erop te anticiperen en ermee om te gaan;
86. belooft zijn internationale rol en zijn lidmaatschap van internationale parlementaire netwerken te gebruiken om consequent te streven naar vooruitgang in de richting van een snelle tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs;
Rol van het Europees Parlement
87. merkt op dat het Parlement zijn goedkeuring moet geven aan internationale overeenkomsten en als medewetgever een centrale rol speelt bij de nationale tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs, en is van mening dat het Parlement daarom goed in de EU-delegatie moet worden geïntegreerd; rekent er dan ook op dat het de coördinatievergaderingen van de EU in Bonn mag bijwonen en dat het vanaf het begin van de onderhandelingen gewaarborgde toegang krijgt tot alle voorbereidende documenten;
o o o
88. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek de resolutie ook toe te zenden aan alle partijen die geen lid zijn van de EU.