Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 5 april 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten
 Onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na bekendmaking van zijn voornemen uit de Europese Unie te treden
 Bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht ***I
 Bekrachtiging van en toetreding tot het Protocol van 2010 bij het Verdrag inzake gevaarlijke en schadelijke stoffen uitgezonderd de aspecten die verband houden met justitiële samenwerking in burgerlijke zaken ***
 Bekrachtiging van en toetreding tot het Protocol van 2010 bij het Verdrag inzake gevaarlijke en schadelijke stoffen met betrekking tot aspecten in verband met justitiële samenwerking in burgerlijke zaken ***
 Toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Kroatië *
 Medische hulpmiddelen ***II
 Medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek ***II
 Geldmarktfondsen ***I
 Prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten ***I
 Meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 ***
 Meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (resolutie)
 Beschikbaarstelling van middelen uit de marge voor onvoorziene uitgaven
 Raming van de uitgaven en ontvangsten voor het begrotingsjaar 2018 - Afdeling I – Europees Parlement
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2017 in samenhang met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds ter ondersteuning van het Verenigd Koninkrijk, Cyprus en Portugal
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: EGF/2017/000 TA 2017 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie ter ondersteuning van het Verenigd Koninkrijk, Cyprus en Portugal
 Geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Letland *
 Geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in Slowakije, Portugal, Letland, Litouwen, Tsjechië, Estland, Hongarije, Cyprus, Polen, Zweden, Malta en België *
 Geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Slowakije, Bulgarije, Frankrijk, Tsjechië, Litouwen, Nederland, Hongarije, Cyprus, Estland, Malta, Roemenië en Finland *
 Geautomatiseerde uitwisseling van voertuigregistratiegegevens in Finland, Slovenië, Roemenië, Polen, Zweden, Litouwen, Bulgarije, Slowakije en Hongarije *
 Geautomatiseerde uitwisseling van voertuigregistratiegegevens in Malta, Cyprus en Estland *
 Genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21
 Aanpak van de vluchtelingen- en migrantenbewegingen: de rol van het externe optreden van de EU

Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten
PDF 254kWORD 46k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 8 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (priip's) door de vaststelling van technische reguleringsnormen voor de presentatie, de inhoud, de evaluatie en de herziening van essentiële-informatiedocumenten en de voorwaarden voor het voldoen aan het vereiste om dergelijke documenten te verstrekken (C(2017)01473 – 2017/2602(DEA))
P8_TA(2017)0101B8-0234/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)01473) ("de herziene gedelegeerde verordening"),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over de gedelegeerde verordening van de Commissie van 30 juni 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (priip's) door de vaststelling van technische reguleringsnormen voor de presentatie, inhoud, evaluatie en herziening van essentiële-informatiedocumenten en de voorwaarden voor het voldoen aan het vereiste om dergelijke documenten te verstrekken (C(2016)03999 – 2016/2816(DEA))(1),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 22 maart 2017, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de herziene gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van 28 maart 2017 van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (priip's) (2), en met name de artikelen 8, lid 5, 10, lid 2, 13, lid 5, en artikel 31,

–  gezien Verordening (EU) 2016/2340 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten wat betreft de datum van toepassing ervan(3),

–  gezien artikel 13 en artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit, EBA), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie(4), van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, EIOPA), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie(5), en van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten, ESMA), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie(6),

–  gezien het schrijven van de voorzitters van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's) d.d. 22 december 2016 naar aanleiding van het verzoek van de Commissie bij schrijven van 10 november 2016 over haar voornemen tot wijziging van de ontwerpen van technische reguleringsnormen (TRN's) die gezamenlijk zijn ingediend door EBA, ESMA en EIOPA overeenkomstig artikel 8, lid 5, artikel 10, lid 2, en artikel 13, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1286/2014,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepje, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 4 april 2017 verstreek,

A.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 14 september 2016 bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 30 juni 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1286/2014 en de Commissie verzocht heeft een herziene gedelegeerde verordening in te dienen waarin wordt tegemoetgekomen aan de bezorgdheid die het Parlement heeft geuit over de onduidelijke behandeling van multioptie-priip's, over het feit dat er onvoldoende wordt aangegeven dat kleine beleggers ook geld kunnen verliezen in ongunstige scenario's in verband met bepaalde producten en over het ontbreken van gedetailleerde richtsnoeren inzake het gebruik van de 'begrijpelijkheidswaarschuwing';

B.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 14 september 2016 eraan heeft herinnerd dat de voorzitter van de commissie Economische en Monetaire Zaken en het onderhandelingsteam van het Parlement op 30 juni 2016 een brief had gestuurd met het verzoek aan de Commissie na te gaan of de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1286/2014 moest worden uitgesteld;

C.  overwegende dat de bepalingen van de herziene gedelegeerde verordening in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het Parlement die zijn uiteengezet in zijn resolutie van 14 september 2016 en vervolgens tijdens de informele dialoog als onderdeel van de voorbereidende werkzaamheden voor de goedkeuring van de herziene gedelegeerde verordening;

D.  overwegende dat in de herziene gedelegeerde verordening wordt toegelicht dat de ontwikkelaars van multioptie-priip's die onderliggende beleggingsopties omvatten die icbe-fondsen of niet-icbe-fondsen zijn zoals bedoeld in artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1286/2014, niet alle informatie hoeven te verstrekken die voor priip's vereist is en het hen zal worden toegestaan in plaats daarvan gebruik te maken van essentiële-informatiedocumenten voor icbe's als passend instrument om kleine beleggers meer gedetailleerde precontractuele informatie te verschaffen;

E.  overwegende dat de onderliggende berekeningen voor de drie eerder opgenomen prestatiescenario's nog steeds op historische gegevens gebaseerd zijn, maar dat er ook een bijkomend vierde prestatiescenario is opgenomen in de herziene gedelegeerde verordening; overwegende dat dit 'stressscenario' tot doel heeft aan te geven wat de belangrijke ongunstige gevolgen kunnen zijn van de producten die niet genoemd worden in het bestaande 'ongunstige scenario';

F.  overwegende dat het gebruik van de begrijpelijkheidswaarschuwing is toegelicht door in het toepassingsgebied ervan de pripp's op te nemen die worden beschouwd als 'complexe producten' overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten en Richtlijn (EU) 2016/97 betreffende verzekeringsdistributie;

G.  overwegende dat het voorgestelde gedeelte van het essentiële-informatiedocument onder de titel "Wat is dit voor een product?" gewijzigd is en dat het gedeelte onder de titel "Wat zijn de risico's en wat kan ik ervoor terugkrijgen?" een beschrijving omvat van administratieve kosten in verband met de biometrische componenten van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten;

H.  overwegende dat overeenkomstig Verordening (EU) 2016/2340 de datum van de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1286/2014 met 12 maanden is uitgesteld tot 1 januari 2018;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de herziene gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0347.
(2) PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1.
(3) PB L 354 van 23.12.2016, blz. 35.
(4) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.
(5) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48.
(6) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.


Onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na bekendmaking van zijn voornemen uit de Europese Unie te treden
PDF 188kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken (2017/2593(RSP))
P8_TA(2017)0102RC-B8-0237/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 3, lid 5, artikel 4, lid 3, en artikel 8 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 217 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de kennisgeving van de premier van het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad op 29 maart 2017 overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 28 juni 2016 over de beslissing om de EU te verlaten als gevolg van het referendum in het Verenigd Koninkrijk(1),

–  gezien zijn resoluties van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie(2), over verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(3), en over begrotingscapaciteit voor de eurozone(4),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat met de kennisgeving van de regering van het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad het proces begint waarmee dat land ophoudt een lidstaat van de Europese Unie te zijn en de Verdragen niet langer op dat land van toepassing zullen zijn;

B.  overwegende dat dit een unieke en betreurenswaardige gebeurtenis is, aangezien het nog niet eerder is voorgekomen dat een lidstaat zich uit de Europese Unie terugtrekt; overwegende dat de terugtrekking ordelijk moet verlopen, teneinde de Europese Unie, haar burgers en het proces van Europese integratie niet negatief te beïnvloeden;

C.  overwegende dat het Europees Parlement alle burgers van de Europese Unie vertegenwoordigt en zich gedurende het hele proces van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk voor hun belangen zal inzetten;

D.  overwegende dat, hoewel elke lidstaat het soevereine recht heeft zich uit te Europese Unie terug te trekken, het de taak van alle resterende lidstaten is eensgezind te handelen ter verdediging van de belangen en de integriteit van de Europese Unie; overwegende dat de onderhandelingen derhalve zullen plaatsvinden tussen het Verenigd Koninkrijk, enerzijds, en de Commissie namens de Europese Unie en de resterende 27 lidstaten (de EU-27), anderzijds;

E.  overwegende dat de onderhandelingen over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk zullen starten na de vaststelling door de Europese Raad van richtsnoeren voor die onderhandelingen; overwegende dat deze resolutie het standpunt van het Europees Parlement over deze richtsnoeren bevat, en tevens de basis zal vormen voor de beoordeling - door het Europees Parlement - van het onderhandelingsproces en van elk akkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk;

F.  overwegende dat voor het Verenigd Koninkrijk - tot het moment waarop het land de Europese Unie verlaat - alle uit de Verdragen voortvloeiende rechten en verplichtingen gelden, met inbegrip van het beginsel van loyale samenwerking zoals vervat in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

G.  overwegende dat het Verenigd Koninkrijk in de kennisgeving van 29 maart 2017 zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt niet langer onder de jurisdictie van het Hof van Justitie van de Europese Unie te vallen;

H.  overwegende dat de regering van het Verenigd Koninkrijk in dezelfde kennisgeving ook heeft aangegeven dat zijn toekomstige betrekkingen met de Europese Unie noch het lidmaatschap van de interne markt noch het lidmaatschap van de douane-unie zal omvatten;

I.  overwegende dat voortzetting van het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk van de interne markt, de Europese Economische Ruimte en/of de douane-unie zowel voor het Verenigd Koninkrijk, als voor de EU-27 overigens de beste oplossing zou zijn geweest; overwegende dat dit niet mogelijk is zolang de regering van het Verenigd Koninkrijk haar bezwaren tegen de vier vrijheden en de jurisdictie van het Hof van Justitie van de Europese Unie handhaaft, weigert een algemene bijdrage aan de begroting van de Unie te leveren en haar eigen handelsbeleid wenst te voeren;

J.  overwegende dat het besluit over "een nieuwe regeling voor het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie", dat als bijlage bij de conclusies van de Europese Raad van 18 en 19 februari 2016 is gevoegd, gezien de uitkomst van het referendum over uittreding sowieso in al zijn bepalingen van nul en generlei waarde is;

K.  overwegende dat de onderhandelingen moeten worden gevoerd met als doel het waarborgen van rechtszekerheid, het tot een minimum beperken van ontwrichting en het formuleren van een duidelijke toekomstvisie voor burgers en rechtspersonen;

L.  overwegende dat herroeping van de kennisgeving alleen mogelijk moet zijn indien wordt voldaan aan voorwaarden die door alle lidstaten van de EU-27 zijn overeengekomen, om te vermijden dat deze als een procedureel middel wordt ingezet of wordt gebruikt in een poging de huidige voorwaarden van het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk te verbeteren;

M.  overwegende dat het Verenigd Koninkrijk bij ontstentenis van een akkoord over terugtrekking de Europese Unie op 30 maart 2019 automatisch zou verlaten, en wel op niet-ordelijke wijze;

N.  overwegende dat veel burgers van het Verenigd Koninkrijk, waaronder een meerderheid in Noord-Ierland en Schotland, vóór voortzetting van het lidmaatschap van de Europese Unie hebben gestemd;

O.  overwegende dat het Europees Parlement zich in het bijzonder zorgen maakt over de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie voor Noord-Ierland en de toekomstige betrekkingen van Noord-Ierland met Ierland; overwegende dat het in dit verband van essentieel belang is de vrede te waarborgen en dus het Goede Vrijdag-akkoord, dat met de actieve deelname van de Unie tot stand is gekomen, in al zijn onderdelen te handhaven, zoals het Europees Parlement in zijn resolutie van 13 november 2014 over het vredesproces in Noord-Ierland heeft beklemtoond(5);

P.  overwegende dat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk voor de EU-27 en de instellingen van de Unie aanleiding zou moeten zijn een beter antwoord op de huidige uitdagingen te formuleren, en na te denken over hun toekomst en over de manier waarop het Europese project doeltreffender, democratischer en burgervriendelijker kan worden gemaakt; overwegende dat de routekaart van Bratislava, de resoluties van het Europees Parlement daarover, het Witboek van de Commissie over de toekomst van Europa van 1 maart 2017, de Verklaring van Rome van 25 maart 2017 en de voorstellen van de groep op hoog niveau Eigen Middelen van 17 januari 2017 hiervoor als uitgangspunt zouden kunnen dienen;

1.  neemt nota van de kennisgeving van de regering van het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad, waarmee het besluit van dat land om zich terug te trekken uit de Europese Unie wordt geformaliseerd;

2.  dringt erop aan zo snel mogelijk te beginnen met de onderhandelingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk zoals bedoeld in artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

3.  herhaalt dat het belangrijk is dat het terugtrekkingsakkoord en alle eventuele overgangsregelingen ruim vóór de verkiezingen voor het Europees Parlement van mei 2019 in werking treden;

4.  herinnert eraan dat het terugtrekkingsakkoord alleen met toestemming van het Europees Parlement kan worden gesloten, en dat dit ook geldt voor elk mogelijk akkoord over de toekomstige betrekkingen van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk, alsmede voor alle eventuele overgangsregelingen;

Algemene beginselen voor de onderhandelingen

5.  is van oordeel dat, om een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit te Europese Unie te waarborgen, de onderhandelingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk in goed vertrouwen en volledig transparant moeten worden gevoerd; herinnert eraan dat het Verenigd Koninkrijk tot het moment van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord volledig van zijn rechten als lidstaat van de Europese Unie zal blijven genieten, en derhalve ook gebonden zal blijven aan de verplichtingen en verbintenissen die dat lidmaatschap met zich brengt;

6.  herinnert er in dit verband aan dat het niet zou stroken met het Unierecht indien het Verenigd Koninkrijk vóór zijn terugtrekking onderhandelingen zou beginnen over mogelijke handelsakkoorden met derde landen; beklemtoont dat dit haaks zou staan op het beginsel van loyale samenwerking zoals vervat in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende Europese Unie, en gevolgen zou moeten hebben, waaronder de uitsluiting van het Verenigd Koninkrijk van de procedures voor handelsonderhandelingen zoals bedoeld in artikel 218 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie; beklemtoont dat hetzelfde moet gelden voor andere beleidsterreinen waarop het Verenigd Koninkrijk de wetgeving, het optreden, de strategieën en het gemeenschappelijk beleid mede zou blijven vormgeven op een wijze die zijn eigen belangen als terugtrekkende lidstaat dient en niet die van de Europese Unie en de EU-27;

7.  waarschuwt dat een bilaterale regeling tussen een of meer resterende lidstaten en het Verenigd Koninkrijk op een gebied dat onder de bevoegdheid valt van de Europese Unie die niet door de EU-27 is goedgekeurd, over onderwerpen die in het toepassingsgebied van het terugtrekkingsakkoord vallen en/of van invloed zijn op de toekomstige betrekkingen van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk ook een inbreuk op de Verdragen zou vormen; waarschuwt verder dat dit met name zou gelden voor elke bilaterale regeling en/of regelgevings- of toezichtspraktijk in verband met, bijvoorbeeld, enige geprivilegieerde toegang voor in het Verenigd Koninkrijk gevestigde financiële instellingen tot de interne markt ten nadele van het regelgevingskader van de Unie of van de status van burgers van de EU-27 in het Verenigd Koninkrijk, of van burgers van het Verenigd Koninkrijk in de EU-27;

8.  is van oordeel dat het mandaat en de onderhandelingsrichtsnoeren die gedurende het hele onderhandelingsproces gelden volledig rekening moeten houden met de posities en belangen van de burgers van de EU-27, met inbegrip van die van Ierland, aangezien die lidstaat in het bijzonder door de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zal worden getroffen;

9.  spreekt de hoop uit dat de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk onder deze omstandigheden een toekomstige relatie kunnen uitwerken die billijk, zo eng als mogelijk, en wat rechten en plichten betreft evenwichtig is; betreurt het besluit van de regering van het Verenigd Koninkrijk om geen deel uit te maken van de interne markt, de Europese Economische Ruimte of de douane-unie; is van oordeel dat een land dat zich uit de Unie terugtrekt niet dezelfde voordelen kan genieten als een lidstaat van de Europese Unie, en kondigt dan ook aan dat het niet zal instemmen met enig akkoord dat met dit principe in tegenspraak is;

10.  herhaalt dat het lidmaatschap van de interne markt en de douane-unie ook inhoudt dat akkoord wordt gegaan met de vier vrijheden, de jurisdictie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, algemene bijdragen aan de begroting en het gemeenschappelijk handelsbeleid van de Europese Unie;

11.  beklemtoont dat het Verenigd Koninkrijk al zijn wettelijke, financiële en begrotingsverplichtingen moet nakomen, met inbegrip van de betalingsverplichtingen die het land in het kader van het huidige meerjarig financieel kader is aangegaan, en dat zowel in de periode tot aan de terugtrekking, als daarna;

12.  neemt nota van het voorstel voor regelingen voor de organisatie van onderhandelingen in de verklaring van de staats- en regeringsleiders van 27 lidstaten, alsook van de voorzitter van de Europese Raad en van de Commissie, van 15 december 2016; juicht toe dat de Commissie is aangewezen om namens de Unie de onderhandelingen te voeren, en stemt ermee in dat de Commissie Michel Barnier tot haar hoofdonderhandelaar heeft benoemd; geeft aan dat volledige betrokkenheid van het Europees Parlement een conditio sine qua non is voor deze instelling om te kunnen instemmen met enig akkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk;

Volgorde van de onderhandelingen

13.  beklemtoont dat, overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de onderhandelingen over de voorwaarden voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk moeten gaan, waarbij rekening moet worden gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen van het Verenigd Koninkrijk met de Europese Unie;

14.  onderschrijft de zienswijze dat indien significante vooruitgang zou worden geboekt in de richting van een terugtrekkingsakkoord een begin kan worden gemaakt met gesprekken over mogelijke overgangsregelingen op basis van het bedoelde kader voor de toekomstige betrekkingen van het Verenigd Koninkrijk met de Europese Unie;

15.  geeft aan dat een akkoord over toekomstige betrekkingen van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk als derde land pas kan worden gesloten nadat het Verenigd Koninkrijk zich uit de Europese Unie heeft teruggetrokken;

Terugtrekkingsakkoord

16.  geeft aan dat het terugtrekkingsakkoord in overeenstemming moet zijn met de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en dat indien dit niet het geval is het Europees Parlement er niet mee zal instemmen;

17.  is van oordeel dat in het terugtrekkingsakkoord de volgende elementen aan bod moeten komen:

   de wettelijke status van burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen of hebben gewoond, en van burgers van het Verenigd Koninkrijk die in andere lidstaten wonen of hebben gewoond, alsmede andere bepalingen inzake hun rechten;
   de onderlinge financiële verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie;
   de buitengrens van de Europese Unie;
   de status van de verplichtingen die het Verenigd Koninkrijk als lid van de Europese Unie is aangegaan, gezien het feit dat de Europese Unie van 27 lidstaten de rechtsopvolger van de Europese Unie van 28 lidstaten zal zijn;
   rechtszekerheid voor rechtspersonen, met inbegrip van ondernemingen;
   aanwijzing van het Hof van Justitie van de Europese Unie als de instantie die bevoegd is voor de uitlegging en tenuitvoerlegging van het terugtrekkingsakkoord;

18.  vindt het een must dat burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen of hebben gewoond, en burgers van het Verenigd Koninkrijk die in de EU-27 wonen of hebben gewoond, billijk worden behandeld, en is van oordeel dat in de onderhandelingen absolute prioriteit moet worden geschonken aan hun respectieve rechten en belangen; dringt er derhalve met klem op aan dat voor de status en rechten van burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen, en voor burgers van het Verenigd Koninkrijk die in de EU-27 wonen, de beginselen van wederkerigheid, rechtvaardigheid, symmetrie en non-discriminatie gelden, en vindt het daarnaast belangrijk dat de integriteit van het Unierecht, met inbegrip van het Handvest van de grondrechten, en van het kader voor de tenuitvoerlegging daarvan, wordt beschermd; beklemtoont dat elke aantasting van de rechten in verband met het vrij verkeer, met inbegrip van onderscheid tussen burgers van de Unie wat hun toegang tot verblijfsrechten betreft, vóór de datum waarop het Verenigd Koninkrijk zich uit de Europese Unie terugtrekt, een inbreuk vormt op het recht van de Unie;

19.  beklemtoont dat één alomvattende financiële regeling met het Verenigd Koninkrijk op basis van de jaarrekeningen van de Europese Unie zoals gecontroleerd door de Europese Rekenkamer betrekking moet hebben op al zijn verplichtingen uit hoofde van aangegane verbintenissen, en bepalingen moet bevatten voor posten buiten de balans, onvoorziene verplichtingen en andere financiële kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk;

20.  is van oordeel dat in het terugtrekkingsakkoord rekening moet worden gehouden met de unieke positie en de specifieke omstandigheden van het eiland Ierland; dringt er met klem op aan alle middelen en maatregelen in te zetten die in overeenstemming zijn met het recht van de Europese Unie en met het Goede Vrijdag-akkoord van 1998 om de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie voor de grens tussen Ierland en Noord-Ierland tot een minimum te beperken; hamert in dit verband erop dat de voortzetting en de stabiliteit van het vredesproces in Noord-Ierland absoluut moeten worden gewaarborgd, en dat alles in het werk moet worden gesteld om te voorkomen dat er opnieuw sprake zou zijn van een "harde grens";

Toekomstige betrekkingen van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk

21.  neemt kennis van de kennisgeving van 29 maart 2017 en van het Witboek van de regering van het Verenigd Koninkrijk van 2 februari 2017 getiteld "De terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit en een nieuw partnerschap met de Europese Unie";

22.  is van oordeel dat de toekomstige betrekkingen van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk evenwichtig en alomvattend moeten zijn, en het belang moeten dienen van de burgers van beide partijen, en dat er voor de onderhandelingen over deze betrekkingen derhalve voldoende tijd moet worden voorzien; beklemtoont dat in de onderhandelingen aandacht moet worden besteed aan gebieden van gemeenschappelijk belang, en dat de integriteit van de rechtsorde van de Europese Unie en de fundamentele beginselen en waarden van de Unie, met inbegrip van de integriteit van de interne markt, alsmede de besluitvormingscapaciteit en de autonomie van de Europese Unie, moeten worden geëerbiedigd; is van oordeel dat artikel 8 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, alsmede artikel 217 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie, dat voorziet in "een associatie die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijk optreden en bijzondere procedures", een passend kader voor dergelijke toekomstige betrekkingen zouden kunnen vormen;

23.  geeft aan dat, ongeacht de uitkomst van de onderhandelingen over de toekomstige betrekkingen van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk, deze in geen geval mogen leiden tot een uitruil van interne en externe veiligheid, met inbegrip van samenwerking op het gebied van defensie, enerzijds, en de toekomstige economische betrekkingen, anderzijds;

24.  beklemtoont dat een toekomstig akkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk alleen mogelijk is indien het Verenigd Koninkrijk de normen die voortvloeien uit internationale verplichtingen, met inbegrip van mensenrechten, en zoals vastgesteld in de wetgeving en het beleid van de Unie op onder meer het gebied van milieu, klimaatverandering, bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking, eerlijke concurrentie, handel en sociale rechten, in het bijzonder maatregelen tegen sociale dumping, in acht blijft nemen;

25.  zal niet instemmen met een toekomstig akkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk met fragmentarische of sectorale bepalingen, waaronder met betrekking tot financiële diensten, die in het Verenigd Koninkrijk gevestigde ondernemingen preferentiële toegang tot de interne markt en/of de douane-unie geven; beklemtoont dat het Verenigd Koninkrijk na zijn terugtrekking onder de regeling voor derde landen zoals bedoeld in de Uniewetgeving zal vallen;

26.  stelt vast dat indien het Verenigd Koninkrijk kenbaar maakt in bepaalde Europese programma's te willen participeren dit zal zijn in de hoedanigheid van derde land, en de betaling van geëigende begrotingsbijdragen en toezicht door de bestaande jurisdictie zal inhouden; spreekt zich er in dit verband voor uit dat het Verenigd Koninkrijk blijft participeren in een aantal programma's, waaronder Erasmus;

27.  neemt kennis van het feit dat veel burgers van het Verenigd Koninkrijk hebben aangegeven zeer ontevreden te zijn over het verlies van de rechten die zij op dit moment genieten uit hoofde van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; stelt voor dat de EU-27 onderzoekt hoe dit verlies van rechten tot een minimum kan worden beperkt, binnen de mogelijkheden van het primaire Unierecht, met volledige inachtneming van de beginselen van wederkerigheid, rechtvaardigheid, symmetrie en non-discriminatie;

Overgangsregelingen

28.  is van oordeel dat tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk alleen overgangsregelingen die voor rechtszekerheid en continuïteit zorgen, kunnen worden overeengekomen indien deze wat de rechten en verplichtingen voor beide partijen betreft evenwichtig zijn, de integriteit van de rechtsorde van de Europese Unie wordt geëerbiedigd en het Hof van Justitie van de Europese Unie verantwoordelijk is voor de beslechting van juridische geschillen; is verder van oordeel dat dergelijke regelingen zowel in tijd (maximaal drie jaar) als inhoudelijk duidelijk moeten worden afgebakend, aangezien ze in geen geval een alternatief voor het lidmaatschap van de Europese Unie kunnen zijn;

Thema's voor de EU-27 en de instellingen van de Unie

29.  dringt erop aan zo snel mogelijk overeenstemming te bereiken over de hervestiging van de Europese Bankenautoriteit en het Europees Geneesmiddelenbureau, en zo snel als praktisch mogelijk is met het proces van hervestiging te beginnen;

30.  geeft aan dat het Unierecht mogelijkerwijs zal moeten worden herzien en aangepast om rekening te houden met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk;

31.  is van oordeel dat een herziening met betrekking tot de laatste twee jaar van het huidige meerjarig financieel kader niet nodig is, maar dat de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk via de jaarlijkse begrotingsprocedure moeten worden opgevangen; beklemtoont dat de instellingen van de Unie en de EU-27 onmiddellijk moeten beginnen met de werkzaamheden voor een nieuw meerjarig financieel kader, met inbegrip van de kwestie van de eigen middelen;

32.  zegt toe de wetgevingsprocedures voor de samenstelling van het Europees Parlement zoals bedoeld in artikel 14, lid 2, van het Verdrag betreffende Europese Unie, en voor de verkiezingsprocedure, op basis van zijn ontwerp zoals bedoeld in artikel 223 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat bij zijn resolutie van 11 november 2015 over hervorming van de kieswet van de Europese Unie gevoegd is, tijdig af te ronden(6); is verder van oordeel, rekening houdend met overweging P van de onderhavige resolutie, dat de resterende 27 lidstaten van de Europese Unie samen met haar instellingen gedurende de onderhandelingen over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en over de totstandbrenging van nieuwe betrekkingen met dat land de huidige Unie middels een breed publiek debat moeten versterken en een begin moeten maken met een diepgaande interinstitutionele reflectie over haar toekomst;

Slotbepalingen

33.  behoudt zich het recht voor zijn standpunt over de onderhandelingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk te verduidelijken en, in voorkomend geval, verdere resoluties aan te nemen, waaronder over specifieke zaken of sectorale kwesties, in het licht van de vooruitgang - of het gebrek daaraan - in de onderhandelingen;

34.  verwacht van de Europese Raad dat hij bij het formuleren van zijn richtsnoeren voor het bepalen van het kader voor onderhandelingen en het vaststellen van de algemene posities en beginselen van de Europese Unie voor de onderhandelingen rekening houdt met deze resolutie;

35.  geeft aan dat het zijn definitieve standpunt over het akkoord/de akkoorden zal laten afhangen van de beoordeling van de mate waarin wordt voldaan aan het bepaalde in deze resolutie en alle eventuele volgende resoluties van het Europees Parlement;

o
o   o

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank, de nationale parlementen en de regering van het Verenigd Koninkrijk.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0294.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0048.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0049.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0050.
(5) PB C 285 van 5.8.2016, blz. 9.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0395.


Bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht ***I
PDF 243kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (codificatie) (COM(2015)0616 – C8-0388/2015 – 2015/0283(COD))
P8_TA(2017)0103A8-0088/2017

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0616),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 50, lid 1 en lid 2, onder g), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0388/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016(1),

–  gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(2),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0088/2017),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 april 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (codificatie)

P8_TC1-COD(2015)0283


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/1132.)

(1) PB C 264 van 20.7.2016, blz. 82.
(2) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Bekrachtiging van en toetreding tot het Protocol van 2010 bij het Verdrag inzake gevaarlijke en schadelijke stoffen uitgezonderd de aspecten die verband houden met justitiële samenwerking in burgerlijke zaken ***
PDF 248kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de bekrachtiging door de lidstaten, in het belang van de Europese Unie, van het Protocol van 2010 bij het Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen, en de toetreding tot dat protocol, uitgezonderd de aspecten die verband houden met justitiële samenwerking in burgerlijke zaken (13806/2015 – C8-0410/2015 – 2015/0135(NLE))
P8_TA(2017)0104A8-0076/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (13806/2015),

–  gezien het Internationaal Verdrag van 1996 inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen (het "HNS-verdrag van 1996"),

–  gezien het Protocol van 2010 bij het HNS-verdrag van 1996,

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 100, lid 2 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0410/2015),

–  gezien Besluit 2002/971/EG van de Raad van 18 november 2002 waarbij de lidstaten worden gemachtigd in het belang van de Europese Gemeenschap het Internationaal Verdrag van 1996 inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen (HNS-verdrag) te bekrachtigen of tot dit verdrag toe te treden(1),

–  gezien het advies van het Hof van Justitie van 14 oktober 2014(2),

–  gezien zijn interimresolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad(3),

–  gezien de reactie van de Commissie van 4 oktober 2016 op de interimresolutie,

–  gezien het advies in briefvorm van de Commissie juridische zaken van 19 februari 2016(4) over de juiste rechtsgrondslag voor het ontwerp van besluit van de Raad, als bijlage gevoegd bij het interimverslag van de Commissie juridische zaken (A8-0191/2016),

–  gezien artikel 99, lid 1, en lid 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie juridische zaken (A8-0076/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de bekrachtiging door de lidstaten van het Protocol van 2010 bij het Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen en aan hun toetreding tot dit protocol in het belang van de Europese Unie, uitgezonderd de aspecten die verband houden met justitiële samenwerking in burgerlijke zaken;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 337 van 13.12.2002, blz. 55.
(2) Advies van het Hof van Justitie van 14 oktober 2014, 1/13, ECLI:EU:C:2014:2303.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0259.
(4) PE576.992.


Bekrachtiging van en toetreding tot het Protocol van 2010 bij het Verdrag inzake gevaarlijke en schadelijke stoffen met betrekking tot aspecten in verband met justitiële samenwerking in burgerlijke zaken ***
PDF 248kWORD 42k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de bekrachtiging door de lidstaten, in het belang van de Europese Unie, van het Protocol van 2010 bij het Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen, en betreffende de toetreding tot dat protocol, met betrekking tot de aspecten in verband met justitiële samenwerking in burgerlijke zaken (14112/2015 – C8-0409/2015 – 2015/0136(NLE))
P8_TA(2017)0105A8-0078/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (14112/2015),

–  gezien het Internationaal Verdrag van 1996 inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen (het "HNS-verdrag van 1996"),

–  gezien het Protocol van 2010 bij het HNS-verdrag van 1996,

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 81 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0409/2015),

–  gezien Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan de Verdragen,

–  gezien Besluit 2002/971/EG van de Raad van 18 november 2002 waarbij de lidstaten worden gemachtigd in het belang van de Europese Gemeenschap het Internationaal Verdrag van 1996 inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen (HNS-verdrag) te bekrachtigen of tot dit verdrag toe te treden(1),

–  gezien het advies van het Hof van Justitie van 14 oktober 2014(2),

–  gezien zijn interimresolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad(3),

–  gezien de reactie van de Commissie van 4 oktober 2016 op de interimresolutie,

–  gezien artikel 99, lid 1, en lid 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie juridische zaken (A8‑0078/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de bekrachtiging door de lidstaten van het Protocol van 2010 bij het Internationaal Verdrag inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen en aan hun toetreding tot dit protocol in het belang van de Europese Unie, wat de aspecten betreft die verband houden met justitiële samenwerking in burgerlijke zaken;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 337 van 13.12.2002, blz. 55.
(2) Advies van het Hof van Justitie van 14 oktober 2014, 1/13, ECLI:EU:C:2014:2303.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0260.


Toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Kroatië *
PDF 237kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Kroatië (COM(2017)0017 – C8-0026/2017 – 2017/0011(NLE))
P8_TA(2017)0106A8-0073/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2017)0017),

–  gezien artikel 4, lid 2, van de Akte van toetreding van 9 december 2011(1), op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0026/2017),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0073/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

(1) PB L 112 van 24.2.2012, blz. 21.


Medische hulpmiddelen ***II
PDF 243kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009 en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad (10728/4/2016 – C8-0104/2017 – 2012/0266(COD))
P8_TA(2017)0107A8-0068/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (10728/4/2016 – C8-0104/2017),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 februari 2013(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0542),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 67 bis van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0068/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 133 van 9.5.2013, blz. 52.
(2) Aangenomen teksten van 2 april 2014, P7_TA(2014)0266.


Medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek ***II
PDF 249kWORD 42k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie (10729/4/2016 – C8-0105/2017 – 2012/0267(COD))
P8_TA(2017)0108A8-0069/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (10729/4/2016 – C8-0105/2017),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 februari 2013(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0541),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 67 bis van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0069/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

5.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie betreffende de bepalingen inzake informatie en begeleiding bij genetische tests in artikel 4 van de Verordening betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek

Niet later dan vijf jaar na de datum van toepassing van de verordening en in het kader van de evaluatie van de werking van artikel 4 zoals voorzien in artikel 111 van de verordening, zal de Commissie verslag uitbrengen van de ervaringen van de lidstaten met de uitvoering van de verplichtingen in artikel 4 met betrekking tot informatie en begeleiding in de context van het gebruik van genetische tests. De Commissie zal met name verslag uitbrengen over de verschillende praktijken die worden toegepast in het licht van de dubbele doelstelling die met de verordening wordt nagestreefd, namelijk het garanderen van een hoog niveau van patiëntveiligheid en de goede werking van de interne markt.

Verklaring van de Commissie betreffende genetische tests die worden gebruikt voor doeleinden die verband houden met levensstijl en welzijn

Wat betreft genetische tests die zijn bedoeld voor doeleinden die verband houden met levensstijl en welzijn benadrukt de Commissie dat hulpmiddelen die niet zijn bedoeld voor medische doeleinden, met inbegrip van degene die zijn bedoeld om het gezonde gedrag, de levenskwaliteit en het welzijn van personen direct of indirect te handhaven of verbeteren, niet onder artikel 2 (Definities) van de verordening betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek vallen. Desalniettemin is de Commissie voornemens toezicht te houden op specifieke veiligheidskwesties die mogelijk verband houden met het gebruik van deze hulpmiddelen, en zal zij zich hierbij baseren op de activiteiten die de lidstaten uitvoeren op het gebied van markttoezicht.

(1) PB C 133 van 9.5.2013, blz. 52.
(2) Aangenomen teksten van 2 april 2014, P7_TA(2014)0267.


Geldmarktfondsen ***I
PDF 243kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake geldmarktfondsen (COM(2013)0615 – C7-0263/2013 – 2013/0306(COD))
P8_TA(2017)0109A8-0041/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0615),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0263/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 21 mei 2014(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2013(2),

–  gezien het door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 7 december 2016 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0041/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 april 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad inzake geldmarktfondsen

P8_TC1-COD(2013)0306


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1131.)

(1) PB C 255 van 6.8.2014, blz. 3.
(2) PB C 170 van 5.6.2014, blz. 50.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 29 april 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0170).


Prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten ***I
PDF 245kWORD 56k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten (COM(2015)0583 – C8-0375/2015 – 2015/0268(COD))
P8_TA(2017)0110A8-0238/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0583),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0375/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van donderdag 17 maart 2016(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 maart 2016(2),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 december 2016 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0238/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 april 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG

P8_TC1-COD(2015)0268


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1129.)

(1)PB C 195 van 2.6.2016, blz. 1.
(2)PB C 177 van 18.5.2016, blz. 9.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 15 september 2016 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0353).


Meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 ***
PDF 247kWORD 43k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het ontwerp van verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (14942/2016 – C8-0103/2017 – 2016/0283(APP))
P8_TA(2017)0111A8-0110/2017

(Bijzondere wetgevingsprocedure – goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014‑2020 (COM(2016)0604),

–  gezien het ontwerp van verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014‑2020 (14942/2016) en het corrigendum van de Raad (14942/2016 COR2),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (C8‑0103/2017),

–  gezien het beginselakkoord van de Raad van 7 maart 2017 over de herziening van het meerjarig financieel kader 2014‑2020(1),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014‑2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel(2),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2016 over de tussentijdse herziening van het MFK(3),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van verordening(4),

–  gezien artikel 86 en artikel 99, leden 1 en 4, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Begrotingscommissie (A8-0110/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 zoals weergegeven in de bijlage bij deze resolutie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE

Ontwerpverordening (EU, Euratom) 2017/... van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Verordening (EU, Euratom) 2017/1123.)

(1) 7030/2017 en 7031/2017 COR1.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0412.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0112.


Meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (resolutie)
PDF 271kWORD 49k
Resolutie
Bijlage
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over de ontwerpverordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (14942/2016 – C8-0103/2017 – 2016/0283(APP)2017/2051(INI))
P8_TA(2017)0112A8-0117/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014‑2020 (COM(2016)0604),

–  gezien de ontwerpverordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (14942/2016) en het corrigendum van de Raad (14942/2016 COR2),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (C8‑0103/2017),

–  gezien het beginselakkoord van de Raad van 7 maart 2017 over de herziening van het meerjarig financieel kader 2014‑2020(1),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel(2),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2016 over de tussentijdse herziening van het MFK 2014-2020(3),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 5 april 2017 over de ontwerpverordening(4),

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8‑0117/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaringen van het Europees Parlement en de Raad die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

2.  hecht zijn goedkeuring aan zijn verklaring die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  neemt kennis van de unilaterale verklaringen van de Raad en de Commissie;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE

VERKLARINGEN

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad over verhogingen (financiële versterkingen) voor de resterende looptijd van het MFK

In het kader van de tussentijdse evaluatie/herziening van het MFK hebben het Europees Parlement en de Raad overeenstemming bereikt over de door de Commissie voorgestelde en in de tabel hieronder opgenomen aanvullingen die in de jaren 2017 tot en met 2020(5) nodig zijn in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure, onverminderd de prerogatieven van de begrotingsautoriteit:

 

Vastleggingskredieten, mln. EUR

Rubriek 1a

 

Horizon 2020

200

CEF Vervoer

300

Erasmus+

100

Cosme

100

Wifi4EU*

25

EFSI*

150

Totaal rubriek 1a

875

Rubriek 1b (YEI)

1200**

Rubriek 3

2549

Rubriek 4*

1385

Totaal rubrieken 1a, 1b, 3, 4

6009

* Hiermee wordt niet vooruitgelopen op het resultaat van de lopende besprekingen over ontwerpwetgevingsvoorstellen binnen de rubrieken 1a en 4.

** Gespreid over vier jaar (2017-2020).

In de jaarlijkse begrotingsprocedure zullen herschikkingen worden vastgesteld voor een totaalbedrag van 945 miljoen EUR, waarvan 875 miljoen EUR in rubriek 1a en 70 miljoen EUR in rubriek 4.

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad ter voorkoming dat een buitensporig bedrag aan onbetaalde rekeningen wordt geaccumuleerd

Het Europees Parlement en de Raad verzoeken de Commissie nauwlettend toe te blijven zien op de uitvoering van de programma's voor 2014‑2020 om te zorgen voor een geordende ontwikkeling van betalingskredieten die verenigbaar is met de toegekende vastleggingskredieten. Daartoe verzoeken zij de Commissie tijdig, gedurende de resterende periode van het huidig MFK, de meest recente cijfers over de stand van zaken en ramingen voor de betalingskredieten te presenteren. Het Europees Parlement en de Raad zullen te zijner tijd de nodige besluiten voor naar behoren gerechtvaardigde behoeften nemen, om te voorkomen dat een buitensporig bedrag aan onbetaalde rekeningen wordt geaccumuleerd en te waarborgen dat betalingsaanvragen naar behoren worden terugbetaald.

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad over betalingen voor speciale instrumenten

Het Europees Parlement en de Raad zijn overeengekomen het voorstel tot wijziging van Besluit (EU) 2015/435 zodanig aan te passen dat op geen enkele wijze wordt vooruitgelopen op de aard van de betalingen voor andere speciale instrumenten in het algemeen.

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad over een onafhankelijke evaluatie van de resultaten die zijn behaald met de beoogde geleidelijke vermindering van het personeel met 5 % tussen 2013 en 2017

Het Europees Parlement en de Raad stellen voor dat er een onafhankelijke evaluatie wordt uitgevoerd van de resultaten die zijn behaald met de beoogde geleidelijke vermindering van het personeel met 5% tussen 2013 en 2017, die betrekking heeft op alle instellingen, organen en agentschappen/bureaus, zoals is overeengekomen in het IIA van 2013 betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer. Op basis van de conclusie van die evaluatie stellen het Europees Parlement en de Raad voor de Commissie te verzoeken een passend vervolgvoorstel in te dienen.

Verklaring van het Europees Parlement over de gemeenschappelijke verklaringen inzake de tussentijdse herziening van het MFK

Het Europees Parlement wijst erop dat de vier gemeenschappelijke verklaringen die als bijlage bij de herziene MFK-verordening zijn gevoegd van politieke aard zijn en geen juridische gevolgen hebben.

Met betrekking tot de gemeenschappelijke verklaring over verhogingen (financiële versterkingen) en herschikkingen voor Unieprogramma's wordt eraan herinnerd dat in de Verdragen wordt bepaald dat de begrotingsautoriteit de omvang en de inhoud van de begroting van de Unie vaststelt door middel van de jaarlijkse begrotingsprocedure. Het Europees Parlement benadrukt dat het als tak van de begrotingsautoriteit zijn bevoegdheden onverkort zal uitoefenen, zonder daarbij beperkt te worden door enige politieke verklaring. In de tekst van de gemeenschappelijke verklaring is ook duidelijk aangegeven dat de bevoegdheden van de begrotingsautoriteit gerespecteerd moeten worden.

Het Europees Parlement gaat er daarom vanuit dat de bedragen die in deze gemeenschappelijke verklaring zijn aangegeven referentiebedragen betreffen, die beoordeeld moeten worden in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de concrete omstandigheden van elke jaarlijkse begroting. Het Europees Parlement is voornemens om, in het bijzonder wat betreft de voorgestelde herschikkingen in de rubrieken 1a en 4, alle voorstellen van de Commissie per geval te bestuderen, om te waarborgen dat er geen verlagingen van essentiële programma's van de Unie worden doorgevoerd, met name waar het gaat om programma's die zorgen voor groei en banen of inspelen op actuele dringende behoeften en een hoog uitvoeringspercentage vertonen.

Er zij op gewezen dat in de gemeenschappelijke verklaring aangegeven bedragen die verband houden met wetgevingsvoorstellen die nog niet zijn goedgekeurd, op geen enkele wijze van invloed zijn op de resultaten van de onderhandelingen over die voorstellen.

Verklaring van de Raad over betalingen voor speciale instrumenten

De Raad stelt voor de status quo te handhaven en in de context van deze evaluatie/herziening geen algemene overkoepelende regel vast te stellen voor de behandeling van betalingen voor andere speciale instrumenten. Het blijft volgens het advies van de Juridische Dienst van de Raad aan de begrotingsautoriteit om per geval met betrekking tot een specifieke beschikbaarstelling te beslissen of sommige of alle overeenkomstige betalingen al dan niet boven de maxima van het MFK moeten worden gerekend.

Verklaring van de Commissie over het versterken van het Jongerenwerkgelegenheids­initiatief en aanvullende maatregelen die de migratiecrisis en het veiligheidsvraagstuk helpen aanpakken

Indien de sinds 2013 waargenomen neerwaartse trend in de jeugdwerkloosheid opnieuw ombuigt, moet worden overwogen de middelen voor het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te verhogen tot boven het bij de tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 overeengekomen bedrag van 1,2 miljard EUR, door gebruik te maken van de beschikbare marges binnen de overkoepelende marge voor vastleggingen overeenkomstig artikel 14 van de MFK-verordening. Te dien einde zal de Commissie regelmatig verslag uitbrengen over de waargenomen statistische trends en zal zij in voorkomend geval een ontwerp van gewijzigde begroting indienen.

Wanneer er nieuwe behoeften ontstaan die niet door de bestaande of overeengekomen financiering worden gedekt, moeten, onverminderd het bovenstaande, beschikbare aanvullende marges prioritair in aanmerking worden genomen voor investeringen in jonge mensen in heel Europa en voor maatregelen die de interne en externe dimensie van de migratiecrisis en het veiligheidsvraagstuk helpen aanpakken. De Commissie zal daartoe in voorkomend geval voorstellen doen en daarbij rekening houden met de noodzaak om voldoende marge vrij te houden voor onverwachte gebeurtenissen en voor de vlotte uitvoering van reeds overeengekomen programma's.

(1) 7030/2017 en 7031/2017 COR1.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0412.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0111.
(5) Over een deel van de totale aanvullingen is in het kader van de begrotingsprocedure 2017 reeds een akkoord bereikt. De begroting voor 2017 omvat bijgevolg 200 miljoen EUR in rubriek 1a en 725 miljoen EUR in rubriek 4. Daarnaast zijn het Europees Parlement en de Raad overeengekomen voor 2017 in rubriek 1b 500 miljoen EUR op te nemen voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, dat zal worden gefinancierd uit de overkoepelende marge voor vastleggingen en in 2017 zal worden uitgevoerd door middel van een gewijzigde begroting. Ten slotte hebben de Raad en het Europees Parlement de Commissie verzocht de benodigde kredieten aan te vragen door middel van een gewijzigde begroting in 2017, zodat het EFDO uit de EU-begroting wordt gefinancierd zodra de rechtsgrond is goedgekeurd.


Beschikbaarstelling van middelen uit de marge voor onvoorziene uitgaven
PDF 248kWORD 45k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit (EU) 2015/435 over de gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven (COM(2016)0607 – C8-0387/2016 – 2016/2233(BUD))
P8_TA(2017)0113A8-0104/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0607 – C8-0387/2016),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1), en met name de artikelen 6 en 13,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(2), en met name punt 14,

–  gezien het beginselakkoord van de Raad van 7 maart 2017 over de herziening van het meerjarig financieel kader 2014-2020(3),

–  gezien Besluit (EU) 2015/435 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2014 over de gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven(4),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven in 2014(5),

–  gezien zijn resoluties van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel(6) en van 26 oktober 2016 over de tussentijdse herziening van het MFK(7),

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0104/2017),

A.  overwegende dat het Europees Parlement en de Raad in 2014 de marge voor onvoorziene uitgaven beschikbaar hebben gesteld voor een bedrag van 3 168 233 715 EUR aan betalingskredieten; overwegende dat een bedrag van 350 miljoen EUR opgenomen is in de beschikbaarstelling van de marge voor onvoorziene uitgaven in afwachting van een akkoord over de behandeling van betalingen voor speciale instrumenten;

B.  overwegende dat is besloten een bedrag van 2 818 233 715 EUR te verrekenen over de periode 2018-2020 en de Commissie te verzoeken tijdig een voorstel in te dienen betreffende het resterende bedrag van 350 miljoen EUR;

C.  overwegende dat volgens de betalingsprognoses op middellange termijn die in het kader van de tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) zijn gepresenteerd, valt te verwachten dat de jaarlijkse betalingsmaxima in de jaren 2018-2020 onder druk zullen komen te staan;

D.  overwegende dat de begroting voor het jaar 2017 een marge bevat onder het betalingsmaximum van 9,8 miljard EUR, waardoor het volledige bedrag dat in 2014 beschikbaar is gesteld, kan worden verrekend;

1.  is tevreden met het Commissievoorstel dat gepresenteerd wordt als onderdeel van het pakket van de tussentijdse evaluatie/herziening van het MFK;

2.  is van mening dat de verrekening van een totaal bedrag van 2 818 233 715 EUR dat in 2014 beschikbaar is gesteld, met de marge onder het betalingsmaximum voor het jaar 2017 zal zorgen voor meer flexibiliteit voor het tweede deel van het MFK en zal helpen een nieuwe betalingscrisis te voorkomen;

3.  benadrukt het feit dat de uitsluiting van het resterende bedrag van 350 miljoen EUR van de verrekening het vaste standpunt van het Parlement bevestigt dat betalingskredieten voor speciale instrumenten worden berekend bovenop de maxima van het MFK;

4.  is tevreden met het beginselakkoord van de Raad met het aangehechte besluit, dat overeenkomt met de interpretatie van het Parlement;

5.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

6.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Besluit (EU) 2015/435 over de gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2017/1331.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(3) 7030/2017 en 7031/2017 COR1.
(4) PB L 72 van 17.3.2015, blz. 4.
(5) PB C 294 van 12.8.2016, blz. 65.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0412.


Raming van de uitgaven en ontvangsten voor het begrotingsjaar 2018 - Afdeling I – Europees Parlement
PDF 384kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2018 (2017/2022(BUD))
P8_TA(2017)0114A8-0156/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), en met name artikel 36,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie(4),

—  gezien zijn resolutie van 14 april 2016 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2017(5),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2016 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(6),

–  gezien zijn resolutie van 1 december 2016 over het gemeenschappelijk ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, goedgekeurd door het bemiddelingscomité in het kader van de begrotingsprocedure(7),

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal aan het Bureau met het oog op de opstelling van het voorontwerp van raming van het Parlement voor het begrotingsjaar 2018,

–  gezien het voorontwerp van raming, opgesteld door het Bureau op 3 april 2017, overeenkomstig artikel 25, lid 7, en artikel 96, lid 1, van het Reglement van het Parlement,

–  gezien de ontwerpraming, opgesteld door de Begrotingscommissie overeenkomstig artikel 96, lid 2, van het Reglement van het Parlement,

–  gezien de artikelen 96 en 97 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0156/2017),

A.  overwegende dat deze procedure de derde volledige begrotingsprocedure is tijdens de nieuwe zittingsperiode en het vijfde jaar van het meerjarig financieel kader 2014-2020;

B.  overwegende dat de begroting 2018, zoals voorgesteld in het verslag van de secretaris-generaal, wordt voorbereid tegen de achtergrond van een stijging van het plafond voor rubriek V ten opzichte van 2017, zodat er meer ruimte komt voor groei en investeringen alsook voor verdere beleidsmaatregelen om bezuinigingen te realiseren en de efficiëntie te verbeteren;

C.  overwegende dat de secretaris-generaal voor de begroting 2018 zeven prioritaire doelstellingen heeft voorgesteld, met name: lancering van de voorlichtingscampagne met het oog op de verkiezingen van 2019, consolidatie van de genomen beveiligingsmaatregelen, voortzetting van de meerjarige bouwprojecten, investeren in de digitalisering en automatisering van de procedures, verdere uitvoering van de maatregelen die nodig zijn om het Iers als volwaardige officiële taal te introduceren, analyse van de mogelijke gevolgen van de brexit, en bevordering van een groene aanpak op het gebied van vervoer;

D.  overwegende dat de secretaris-generaal voor het voorontwerp van raming van het Parlement voor 2018 een begroting van 1 971 883 373 EUR heeft voorgesteld, wat een totale stijging van 3,26 % betekent ten opzichte van de begroting voor 2017, en neerkomt op 19,06 % van rubriek V van het meerjarig financieel kader 2014-2020;

E.  overwegende dat de secretaris-generaal een bijkomende uitzonderlijke investering van 47,6 miljoen EUR heeft voorgesteld om de beveiligingsprojecten te versterken, leasebetalingen voor het Adenauer-bouwproject te verrichten en de voorlichtingscampagne ter voorbereiding van de verkiezingen van 2019 te lanceren;

F.  overwegende dat bijna 68 % van de begroting bestaat uit aan de index gekoppelde uitgaven die voor het grootste deel betrekking hebben op de bezoldiging en vergoedingen voor leden en personeel, alsmede op gebouwen, die worden aangepast overeenkomstig het Statuut, sectorspecifieke indexeringen of het inflatiepercentage;

G.  overwegende dat uit het verslag van het Parlement getiteld "Vrouwen bij het Europees Parlement", dat op 8 maart 2017 werd uitgebracht ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag, naar voren komt dat er sprake is van een genderongelijkheid op leidinggevende posten bij het Parlement, aangezien 83,3 % van de adjunct-secretarissen-generaal en de directeuren-generaal bij het Parlement man is en 16,7 % vrouw, 70,2 % van de directeuren bij het Parlement man is en 29,8 % vrouw, en 65,9 % van de afdelingshoofden bij het Parlement man is en 34,1 % vrouw;

H.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat de Unie de taalkundige verscheidenheid moet eerbiedigen en discriminatie op grond van taal verbiedt, waarmee het elke burger van de Unie het recht geeft elk van de 24 officiële talen van de Unie te gebruiken in zijn correspondentie met de Unie-instellingen, en dat de Unie-instellingen op grond daarvan verplicht zijn te antwoorden in dezelfde taal;

I.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 29 april 2015 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Parlement voor het begrotingsjaar 2016(8) heeft beklemtoond dat de begroting 2016 op een realistische leest gestoeld moet zijn en volledig in overeenstemming met de beginselen van begrotingsdiscipline en goed financieel beheer;

J.  overwegende dat de geloofwaardigheid van het Europees Parlement als tak van de begrotingsautoriteit in hoge mate afhangt van zijn vermogen om de eigen uitgaven te beheersen;

K.  overwegende dat de geloofwaardigheid van het Parlement in hoge mate afhangt van zijn vermogen om de democratie op het niveau van de Unie te versterken;

Algemeen kader

1.  benadrukt dat de begroting van het Parlement voor 2018 gehandhaafd moet blijven op minder dan 20 % van rubriek V; wijst erop dat het niveau van de raming voor 2018 neerkomt op 18,88 %, wat lager is dan het in 2017 verwezenlijkte niveau (19,26 %) en het laagste aandeel van rubriek V vormt in de afgelopen vijftien jaar;

2.  vraagt krachtens paragraaf 15 van zijn resolutie van 14 april 2016 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2017 en paragraaf 98 van zijn bovenvermelde resolutie van woensdag 26 oktober 2016 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, waarin als eis wordt gesteld dat de begroting van het Parlement voor het eerst in het kader van de begrotingsprocedure voor het begrotingsjaar 2018 wordt opgesteld op basis van bestaande behoeften en niet op basis van een systeem van coëfficiënten, dat deze verzoeken worden ingewilligd;

3.  merkt op dat voor 2018 een bedrag voor uitzonderlijke investeringen en uitgaven van 47,6 miljoen EUR wordt gereserveerd, wat hetzelfde is als in 2017; is van mening dat de voorlichtingscampagne voor de verkiezingen van 2019 als een uitzonderlijke uitgave dient te worden beschouwd;

4.  wijst op het verzoek om 75 % van de kredieten voor de voorlichtingscampagne ter voorbereiding van de verkiezingen van 2019 op te nemen in het voorontwerp van raming 2018, omdat de meeste contracten in 2018 zullen worden ondertekend;

5.  benadrukt dat het grootste deel van de begroting van het Parlement wordt vastgesteld bij wettelijke of contractuele verplichtingen en onderworpen is aan jaarlijkse indexeringen;

6.  hecht zijn goedkeuring aan de overeenkomst van 28 maart 2017 met het Bureau over de raming voor 2018; verlaagt het niveau van de uitgaven met EUR 18,4 miljoen in vergelijking met het oorspronkelijke voorstel van het Bureau; stelt het totale niveau van zijn raming voor 2018 op 1 953 483 373 EUR, neerkomend op een verhoging van 2,3 % ten opzichte van de begroting 2017;

7.  benadrukt dat de kerntaken van het Parlement bestaan uit wetgeven, de burgers vertegenwoordigen en toezicht uitoefenen op de werkzaamheden van andere instellingen;

8.  beklemtoont de rol van het Parlement bij het bevorderen van het Europees politiek bewustzijn en de waarden van de Unie;

9.  benadrukt dat besparingen ten opzichte van het voorstel van de secretaris-generaal nodig en dat alle inspanningen met het oog op een efficiënter en transparanter gebruik van overheidsmiddelen sterk worden aangemoedigd;

Transparantie en toegankelijkheid

10.  is ingenomen met de reactie op het verzoek dat de Begrotingscommissie heeft geformuleerd in haar resolutie van 14 april 2016 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Parlement voor het begrotingsjaar 2017(9), en dat zij heeft herhaald in haar resolutie over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2017(10), met betrekking tot de begrotingsplanning op de middellange en lange termijn, met inbegrip van een duidelijk onderscheid tussen investeringen en operationele uitgaven in verband met de werking van het Parlement en zijn wettelijke verplichtingen (met inbegrip van huur en aankopen);

11.  is ingenomen met de oprichting van een werkgroep betreffende de procedures tot vaststelling van de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Parlement; merkt op dat het Parlement heeft gevraagd zich te beraden over een verdere herziening van de regels inzake interne begrotingsprocedures(11); benadrukt dat de leden van het Bureau en de Begrotingscommissie tijdig, op een begrijpelijke wijze en met het nodige detailniveau relevante informatie met betrekking tot de ramingsprocedure moeten ontvangen, opdat het Bureau en de Begrotingscommissie met een volledig beeld van de situatie en de behoeften van de begroting van het Parlement besluiten kunnen nemen;

12.  herhaalt zijn verzoek aan de secretaris-generaal een voorstel te doen voor het presenteren van de begroting aan het publiek, waarbij de informatie voldoende gedetailleerd en op begrijpelijke en gebruikersvriendelijke wijze wordt aangeboden op de website van het Parlement, om alle burgers in staat te stellen een beter inzicht te krijgen in de activiteiten, prioriteiten en bijbehorende uitgavenpatronen van het Parlement;

13.  is van oordeel dat bezoekersgroepen een zeer belangrijk middel vormen om het bewustzijn van burgers over de activiteiten van het Parlement te vergroten; is ingenomen met de herziene regels voor bezoekersgroepen en is van oordeel dat het risico van malversaties is verminderd dankzij de invoering van de nieuwe, strengere voorschriften; verzoekt, met het oog hierop, het Bureau en de werkgroep voorlichting en communicatie de subsidies voor bezoekersgroepen van leden te herzien, met inachtneming van het inflatiepercentage van de afgelopen jaren dat heeft geleid tot een stijging van de kosten van dergelijke bezoeken; is van mening dat niet kan worden ontkend dat het aandeel van de gedekte kosten daalt indien de vergoeding niet voor inflatie wordt gecorrigeerd, ofschoon deze bedragen niet zijn bedoeld om alle kosten van bezoekersgroepen te dekken, maar eerder als subsidie dienen te worden beschouwd; verzoekt het Bureau er rekening mee te houden dat dit verschil bezoekersgroepen uit minder welvarende sociaaleconomische milieus onevenredig benadeelt, aangezien deze over zeer weinig financiële middelen beschikken;

Veiligheid en cyberveiligheid

14.  wijst op de aanhoudende maatregelen om de veiligheid van het Parlement te waarborgen ten aanzien van gebouwen, materieel en personeel, alsook op het gebied van cyber- en communicatieveiligheid; verzoekt de secretaris-generaal en het Bureau het algemeen veiligheidsconcept voort te zetten om structurele, operationele en culturele verbeteringen aan de beveiliging van het Parlement te blijven aanbrengen; dringt nogmaals aan op verbetering van de IT-diensten die aan het Parlement worden geleverd door niet alleen te investeren in de scholing van het personeel, maar ook door bij de selectie van contractanten meer aandacht te schenken aan de evaluatie van hun dienstverlening en IT-capaciteiten;

15.  is van mening dat de recente gebeurtenissen aantonen dat de kans op cyberaanvallen drastisch is toegenomen, waarbij de technologie achter deze aanvallen vaak geavanceerder is dan de cyberveiligheidsmaatregelen om deze te bestrijden; is van mening dat IT-tools zijn uitgegroeid tot belangrijke instrumenten voor de leden en het personeel bij het verrichten van hun werkzaamheden, maar dat deze hoe dan ook vatbaar zijn voor dergelijke aanvallen; is dan ook ingenomen met het verankeren van de cyberbeveiliging in het algemene strategische beheerskader, en is van mening dat dit de instelling in staat zal stellen haar goederen en informatie beter te beschermen;

16.  betreurt het dat, ondanks de installatie van het beveiligde e-mailsysteem SECEM (SECure EMail system), het Parlement geen beperkte en niet-gerubriceerde briefings van andere instellingen kan ontvangen; betreurt het dat het Parlement niet in zijn eentje een eigen systeem voor gerubriceerde informatie (CIS) kan ontwikkelen en merkt op dat hierover onderhandelingen lopen met de andere instellingen; verwacht dat deze onderhandelingen dienstig zullen zijn voor het identificeren van de manier waarop het Parlement het best beperkte en niet-gerubriceerde briefings kan ontvangen; verzoekt de secretaris-generaal de Begrotingscommissie meer informatie over de meest recente ontwikkelingen in deze onderhandelingen te verstrekken vóór de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2017;

17.  is ingenomen met de inspanningen om de procedures verder te digitaliseren en te automatiseren; steunt in dit verband de invoering van meer mogelijkheden voor het gebruik van veilige digitale handtekeningen bij administratieve procedures teneinde het gebruik van papier terug te dringen en tijd te besparen;

18.  is ingenomen met de ondertekening van een memorandum van overeenstemming tussen de Belgische overheid en het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en andere in Brussel gevestigde instellingen over veiligheidsmachtigingsverificaties van alle medewerkers van externe contractanten die toegang willen tot de instellingen van de Unie; verzoekt de secretaris-generaal te onderzoeken of het wenselijk is de toepassing van dit memorandum van overeenkomst uit te breiden tot ambtenaren, parlementaire medewerkers en stagiairs zodat vóór hun aanwerving de noodzakelijke veiligheidsverificaties kunnen worden uitgevoerd;

Gebouwenbeleid

19.  herinnert eraan dat de laatste strategie voor het gebouwenbeleid op de middellange termijn in 2010 door het Bureau werd vastgesteld; vraagt zich af waarom het Bureau heeft nagelaten tijdens deze zittingsperiode een langetermijnstrategie voor de gebouwen van het Parlement op te stellen, ondanks de eerdere resoluties van het Parlement; verzoekt de secretaris-generaal en de ondervoorzitters de Begrotingscommissie zo spoedig mogelijk en vóór de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2017 in kennis te stellen van het nieuwe gebouwenbeleid op de middellange termijn;

20.  herhaalt zijn standpunt dat er behoefte is aan een transparant besluitvormingsproces voor het gebouwenbeleid, op basis van vroegtijdige informatie, met inachtneming van artikel 203 van het Financieel Reglement; dringt in dit verband aan op meer informatie over de uitbreiding van de Wayenberg-crèche;

21.  dringt aan op meer informatie over het project voor de renovatie van het Paul Henri Spaak-gebouw (PHS), met name eventuele adviezen van onafhankelijke externe contractanten over de mogelijke opties voor het PHS, dat een korte levensduur van 25 jaar heeft gehad; verzoekt de secretaris-generaal de resultaten van een dergelijk onderzoek zo spoedig mogelijk aan de Begrotingscommissie voor te leggen; benadrukt dat het bestaande gebouw niet voldoet aan de statische vereisten voor openbare gebouwen met een parlementsfunctie, waarvoor hogere veiligheidsnormen gelden en die schokken van buitenaf moeten kunnen weerstaan zonder in te storten; hekelt het feit dat het PHS-gebouw niet eens voldoet aan de minimumnormen van de hedendaagse statische vereisten, en merkt op dat er inmiddels diverse maatregelen moesten worden getroffen om de stabiliteit ervan te waarborgen; dringt er derhalve bij het Bureau en de administratie van het Parlement op aan toekomstige oplossingen uit te werken voor het PHS-gebouw teneinde het leven en de gezonde werkomstandigheden van de aanwezigen te beschermen; neemt kennis van de kredieten die de secretaris-generaal in 2018 voorstelt voor studies, voorbereidende projecten en werkzaamheden, alsook voor het verlenen van bijstand aan het team dat het project beheert; uit zijn bezorgdheid over de mogelijke verwarring over de bedragen voor studies en verhuizingen; verzoekt het Bureau en de secretaris-generaal de Begrotingscommissie zo spoedig mogelijk en uiterlijk in juli 2017 in te lichten over alle verdere stappen en een duidelijke uitsplitsing van de kosten te verstrekken; wijst erop dat er in dat geval geavanceerde, energiezuinige architectuur moet worden toegepast; pleit voor een beoordeling van de gevolgen die de renovatie zal hebben voor de diensten bezoekers en studiebijeenkomsten, de beschikbaarheid van de vergaderzaal en de overige ruimten en kantoren;

22.  is van mening dat 2018 een beslissend jaar wordt voor het Konrad Adenauer-gebouw (KAD), aangezien in dat jaar de oostelijke werf wordt beëindigd en de westelijke werf wordt opgestart; wijst er met bezorgdheid op dat de begroting voor het beheer van dit grootschalige project moest worden herzien om de teams te versterken die toezien op de vorderingen van de werkzaamheden; wijst op de nog steeds gangbare praktijk van een collectieve overschrijving aan het eind van het jaar ("ramassage") om bij te dragen aan de lopende bouwprojecten; is van mening dat dit weliswaar een pragmatische oplossing kan zijn om minder rente te betalen, maar dat dit niettemin in strijd is met de transparantie van bouwprojecten in de begroting van het Parlement en zelfs kan aanzetten tot een te hoge begrotingsraming op bepaalde gebieden;

23.  verzoekt de bevoegde ondervoorzitters en de secretaris-generaal de Begrotingscommissie een voortgangsverslag over het KAD-gebouw en een raming van de kosten in verband met het voltooien van de werkzaamheden te verstrekken;

EMAS

24.  herinnert eraan dat het Parlement heeft toegezegd zijn CO2-uitstoot per voltijdbaan uiterlijk in 2020 met 30 % te verminderen ten opzichte van 2006;

25.  acht het derhalve van het allergrootste belang dat het Parlement zichzelf nieuwe, strengere, kwantitatieve doelstellingen oplegt die geregeld door de bevoegde diensten dienen te worden geëvalueerd;

26.  herinnert aan zijn belofte in het kader van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie, waarin wordt bepaald dat het, "onverminderd de voorschriften betreffende de begroting en de overheidsopdrachten, op de gebouwen waarvan het eigenaar en gebruiker is de voorschriften zal toepassen die, krachtens de artikelen 5 en 6 van die richtlijn, ook gelden voor de gebouwen van de centrale overheid van de lidstaten", vanwege de grote zichtbaarheid van de gebouwen en de leidende rol die het Parlement dient te vervullen ten aanzien van de energie-efficiëntie van de gebouwen; benadrukt dat het van groot belang is deze belofte gestand te doen, niet in de laatste plaats omwille van zijn eigen geloofwaardigheid in het kader van de lopende evaluatie van de energie-efficiëntie van de gebouwen en de herziening van de richtlijnen inzake energie-efficiëntie;

27.  is ingenomen met de oprichting van een werkgroep Mobiliteit die op inclusieve wijze dient te werken en een duidelijk mandaat dient te krijgen; onderstreept dat het Parlement zich moet houden aan alle wetten die in de regio's van de plaatsen van werkzaamheid van toepassing zijn, ook op dat gebied; pleit voor het bevorderen van het gebruik van de bestaande rechtstreekse treinverbinding tussen de locatie van het Parlement in Brussel en de luchthaven; verzoekt de verantwoordelijke diensten de samenstelling en de omvang van zijn eigen wagenpark tegen deze achtergrond opnieuw te evalueren; verzoekt het Bureau onverwijld met een regeling te komen om het gebruik van fietsen voor het woon-werkverkeer te bevorderen; stelt vast dat een dergelijke regeling al bestaat bij andere instellingen, met name bij het Europees Economisch en Sociaal Comité;

Voorlichtingscampagne over de Europese verkiezingen van 2019

28.  is ingenomen met de voorlichtingscampagne en beschouwt deze als een nuttige inspanning om de burgers goed te informeren over de betekenis van de Unie en het Parlement; benadrukt dat deze campagne dient te zijn gericht op onder andere het uitleggen van de rol van de Europese Unie, de bevoegdheden van het Parlement, zijn taken, met inbegrip van de verkiezing van de voorzitter van de Commissie, en zijn invloed op het leven van de burgers;

29.  merkt op dat in de aanloop naar de komende Europese verkiezingen van 2019 het voorbereidende werk voor de voorlichtingscampagne reeds dit jaar moet beginnen; is ingenomen met een kortere pre-electorale periode van twee jaar voor de voorlichtingscampagne ten opzichte van de pre-electorale periode van drie jaar voor de Europese verkiezingen van 2014;

30.  merkt op dat het totale geraamde bedrag aan uitgaven voor de voorlichtingscampagne voor de verkiezingen van 2019, namelijk 25 miljoen EUR in 2018 en 8,33 miljoen EUR in 2019, waarbij meer financiële inspanningen vereist zijn in 2018; onderstreept het belang van dergelijke voorlichtingscampagnes, in het bijzonder gezien de huidige situatie in de Unie;

31.  is van mening dat het directoraat-generaal Communicatie (DG COMM) moet handelen volgens de aanbevelingen uit de evaluatie van de campagne voor de Europese verkiezingen van 2014(12), en prioriteit moet verlenen aan de verzameling van gegevens over de campagneprojecten, per eenheid, op basis van vooraf vastgestelde sleutelindicatoren om het effect ervan te meten, waarbij zorgvuldig moet worden gekeken naar de onderliggende oorzaken van de uitzonderlijk lage opkomst bij de verkiezingen van 2014;

Aan de leden gerelateerde kwesties

32.  is ingenomen met de inspanningen van het secretariaat-generaal van het Parlement, de secretariaten van de fracties en de kantoren van de leden om de leden beter te dienen bij de uitoefening van hun mandaat; moedigt de verdere ontwikkeling van deze diensten aan, waardoor de leden beter toezicht kunnen uitoefenen op de werkzaamheden van de Commissie en de Raad en de burgers beter kunnen vertegenwoordigen;

33.  neemt kennis van het advies en het onderzoek ten behoeve van de leden en de commissies via de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS) en de beleidsondersteunende afdelingen; herinnert eraan dat bij de oprichting van de EPRS in 2013 een tussentijdse evaluatie was voorzien van de doeltreffendheid van de samenwerking tussen de EPRS en de beleidsondersteunende afdelingen; herinnert eraan dat een verzoek om een dergelijke evaluatie uit te voeren en de resultaten daarvan aan de Begrotingscommissie te presenteren op 14 april 2016 in de plenaire vergadering is goedgekeurd(13); verzoekt de secretaris-generaal nogmaals een dergelijke evaluatie uit te voeren en de resultaten daarvan aan de Begrotingscommissie voor te leggen vóór de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2017; wijst erop dat een dergelijke evaluatie voorstellen moet bevatten om ervoor te zorgen dat de ondersteuning door de EPRS beter is afgestemd op de ontwikkelingen in de respectievelijke thematische commissies en geen overlappingen vertoont met hun activiteiten of concurrentie tussen diensten in de hand werkt; verwacht voorts dat de evaluatie gedetailleerde informatie zal omvatten over de externe deskundigheid, de externe studies en de externe ondersteuning ten behoeve van de onderzoeksactiviteiten van het Parlement, waaronder het aantal studies dat en de deskundigheid die door de interne diensten van het Parlement en externe aanbieders worden geleverd en de kosten die daarmee zijn gemoeid; neemt kennis van de vier specifieke projecten die op de middellange termijn in de bibliotheek van het Europees Parlement worden ontwikkeld, namelijk de digitale bibliotheek, betere middelen voor onderzoek, vergelijkende rechtsbronnen en de open bibliotheek; beschouwt die projecten als een middel om de ondersteuning aan leden en personeel te verbeteren, alsook om de toegang voor externe onderzoekers en burgers te vergemakkelijken; wijst op het belang van die projecten en de noodzaak deze op te nemen in de door de leden en het personeel uitgevoerde wetgevingswerkzaamheden;

34.  herinnert aan het besluit van het Parlement in het kader van de begrotingsprocedure van het EP voor 2017 om een vertolkingsdienst op te richten die zal voorzien in de vertolking in Internationale Gebarentaal voor alle plenaire debatten, en dringt er bij het bestuur op aan dit besluit zonder verdere vertraging ten uitvoer te leggen;

35.  wijst erop dat bij de recente herziening van het Reglement(14) de beperking is ingevoerd dat ieder lid per vergaderperiode ten hoogste drie mondelinge stemverklaringen mag afleggen, maar blijft bezorgd over de extra kosten voor vertolking en voor de vertaling van de schriftelijke toelichtingen die deze met zich brengen; verzoekt de secretaris-generaal een gedetailleerd overzicht te verstrekken van de kosten die verband houden met mondelinge stemverklaringen; wijst op de beschikbaarheid van alternatieven als schriftelijke stemverklaringen en tal van openbare communicatiefaciliteiten voor de leden in de gebouwen van het Parlement om hun stemgedrag toe te lichten; vraagt als voorlopige maatregel dat mondelinge stemverklaringen aan het eind van elke dag op de agenda van de plenaire vergadering worden geplaatst, na de opmerkingen van één minuut en de andere punten op de agenda;

36.  herinnert aan de verplichting voor de leden om de administratie in te lichten over enige wijziging van hun belangenverklaringen;

37.  vindt het niet nodig het meubilair in de kantoren van de leden en hun medewerkers in Brussel te vervangen; is van oordeel dat de meeste meubels in behoorlijke toestand verkeren en dat er derhalve geen reden is om deze te vervangen; is van oordeel dat het meubilair alleen mag worden vervangen als daar een gegronde reden voor is;

38.  verzoekt de secretaris-generaal, ter voorbereiding van de negende zittingsperiode, aan het Bureau een nauwkeuriger lijst te verstrekken van uitgaven die onder de vergoeding voor algemene uitgaven vallen; herinnert aan het beginsel van onafhankelijkheid van het mandaat; benadrukt dat de leden hun uitgaven in het kader van de vergoeding voor algemene uitgaven op hun persoonlijke webpagina's bekend kunnen maken; herhaalt zijn oproep tot meer transparantie met betrekking tot de vergoeding voor algemene uitgaven, voortbouwend op goede praktijken van nationale delegaties in het Parlement en de lidstaten; is van mening dat de leden ook links op de website van het Parlement moeten kunnen aanbrengen naar plaatsen waar zij momenteel hun uitgaven bekend maken; herhaalt dat voor meer transparantie inzake de vergoeding voor algemene uitgaven geen extra personeel van de administratie van het Parlement vereist is;

39.  beklemtoont dat de huidige begrotingspost voor parlementaire medewerkers volstaat en dat afgezien van de indexering van de salarissen geen verhoging nodig is;

40.  herinnert aan het in de plenaire vergadering aangenomen verzoek in het kader van zijn bovengenoemde resolutie van 14 april 2016 over de raming van het Parlement voor 2017, dat de regels voor de vergoeding van de kosten van dienstreizen tussen de drie plaatsen van werkzaamheden van het Parlement die worden gemaakt door geaccrediteerde parlementaire medewerkers (GPM's) worden aangepast aan de regels die voor de overige personeelsleden gelden, en betreurt het dat er tot dusverre geen actie is ondernomen op dit punt; verzoekt het Bureau deze kwestie zonder uitstel aan te pakken; benadrukt tegelijkertijd dat de huidige vergoedingsmaxima voor dienstreizen voor GPM's (120/140/160 EUR) sinds 2011 niet meer zijn aangepast en dat het verschil tussen GPM's en overige personeelsleden verder is toegenomen tot ten minste 40 % na de invoering van de nieuwe maxima die werden goedgekeurd door de Raad op 9 september 2016 en vanaf 10 september 2016 tot nu toe alleen werden toegepast op leden van het personeel; verzoekt het Bureau derhalve de nodige maatregelen te treffen om een eind aan die ongelijkheid te maken;

41.  beklemtoont dat het oplossen van deze discrepantie bij de uitgaven voor dienstreizen geen verhoging van de begrotingspost voor parlementaire medewerkers met zich meebrengt;

42.  pleit voor een transparant en passend gebruik van de reiskostenvergoedingen voor de leden en raadt aan het reizen in toeristenklasse te stimuleren, zowel per spoor als per vliegtuig;

43.  verzoekt de Conferentie van voorzitters en het Bureau de mogelijkheid te overwegen dat GPM's de leden tijdens officiële delegaties en dienstreizen van het Parlement onder bepaalde voorwaarden vergezellen, waarom reeds door diverse leden is verzocht; is van mening dat de leden dienen te besluiten of hun medewerkers hen in het kader van officiële delegaties vergezellen, daarbij gebruikmakend van de aan hen toegewezen vergoeding voor parlementaire medewerkers;

Aan het personeel gerelateerde kwesties

44.  benadrukt dat overeenkomstig punt 27 van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot een geleidelijke vermindering van het personeel met 5 % die geldt voor alle instellingen, organen en agentschappen tussen 2013 en 2017 vanwege de bijzondere behoeften die zich in 2014 en 2016 in het Parlement hebben voorgedaan, met de Raad een overeenkomst werd bereikt over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(15), waarin is bepaald dat het Parlement de maatregelen voor de jaarlijkse personeelsvermindering zal voortzetten tot 2019;

45.  merkt op dat de fracties sinds 2014 zijn vrijgesteld van deze maatregelen voor een jaarlijkse personeelsvermindering(16), en dat de bemiddelingsovereenkomst over de begroting 2017 heeft geleid tot een vermindering van het aantal ambten in de personeelsformatie van het secretariaat-generaal van het Parlement, omdat de Raad zich niet aan het herenakkoord heeft gehouden;

46.  herinnert eraan dat het totale personeelsbestand van de fracties wordt vrijgesteld van de doelstelling tot vermindering van de personeelsformatie met 5 %, in overeenstemming met de beslissingen die zijn genomen met betrekking tot de begrotingsjaren 2014, 2015, 2016 en 2017;

47.  is van mening dat het verlies van 136 ambten in het secretariaat-generaal van het Parlement in 2016 problemen kan opleveren voor de verlening van diensten door de administratie van het Parlement; verzoekt de secretaris-generaal meer informatie te verstrekken over de vorig jaar genomen maatregelen inzake personeelsvermindering, en een evaluatie te verrichten van de gevolgen van begrotingsbesluiten voor de werking van de instelling;

48.  is in het licht van de maatregelen inzake personeelsvermindering ingenomen met het voorstel om 50 vaste AST-ambten om te zetten in 50 vaste AD-ambten, wat te verwaarlozen gevolgen heeft voor de begroting; wijst verder op het voorstel om drie tijdelijke AST-ambten om te zetten in drie tijdelijke AD-ambten voor het kabinet van de voorzitter;

49.  verzoekt het Bureau ervoor te zorgen dat de sociale en pensioenrechten van GPM's worden geëerbiedigd en dat er financiële middelen beschikbaar worden gemaakt, met name voor GPM's die de afgelopen twee zittingsperioden onafgebroken in dienst zijn geweest van leden van het Parlement; verzoekt de administratie in dit verband een voorstel in te dienen waarin bij het berekenen van de in het Statuut vastgestelde ambtstermijn van tien jaar rekening wordt gehouden met het besluit om de verkiezingen vroeg in 2014 te houden alsmede met de tijd die is gemoeid met de aanwervingsprocedure;

50.  verzoekt het Bureau een procedure voor ontslag in onderlinge overeenstemming tussen de leden en de APA's voor te stellen;

51.  is van mening dat het, in een periode waarin de financiële en personele middelen die de instellingen van de Unie ter beschikking staan naar verwachting steeds beperkter worden, van belang is dat de instellingen zelf de meest bekwame werknemers kunnen werven en behouden om op een manier die consistent is met de beginselen van op prestaties gebaseerde begroting te voldoen aan de complexe toekomstige uitdagingen;

52.  is van mening dat vertolking en vertaling van essentieel belang zijn voor de werking van de instelling, en is erkentelijk voor de kwaliteit en de meerwaarde van de diensten die de tolken leveren; herhaalt het standpunt dat het Parlement heeft verwoord in zijn bovengenoemde resolutie van 14 april 2016, namelijk dat de secretaris-generaal verdere voorstellen voor rationalisatie moet doen, zoals meer gebruikmaken van vertaling en vertolking op verzoek, met name voor de interfractiewerkgroepen van het Europees Parlement, onderzoeken welke de potentiële efficiëntievoordelen zijn van het gebruik van de recentste taaltechnologie ter ondersteuning van tolken, en beoordelen welke gevolgen de herziene kaderregeling voor tolken in vaste dienst heeft op een beter en efficiënter gebruik van de middelen en de productiviteit;

53.  is ingenomen met de voortzetting van de maatregelen die het Parlement heeft genomen om het Iers uiterlijk op 1 januari 2021 als volwaardige officiële taal in te voeren; wijst er in dit verband op dat hiervoor in 2018 geen extra posten nodig zijn; verzoekt de secretaris-generaal evenwel overleg te blijven plegen met de Ierse leden met het oog op het mogelijke efficiënte gebruik van de middelen, zonder dat dit de gewaarborgde rechten van de leden in het gedrang brengt;

54.  dringt er bij de secretaris-generaal op aan om voort te bouwen op de bestaande samenwerkingsovereenkomsten tussen het Parlement, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité, teneinde andere gebieden te identificeren waar ondersteunende diensten kunnen worden gedeeld; verzoekt de secretaris-generaal bovendien te onderzoeken of ook synergie-effecten kunnen worden gerealiseerd door samenwerking tussen ondersteunende functies en diensten van het Parlement, de Raad en de Commissie;

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

55.  herinnert eraan dat de Europese politieke partijen en stichtingen helpen bij het tot stand brengen van Europees politiek bewustzijn en het vergroten van het begrip onder de burgers van het verband tussen het politieke proces op nationaal en op Europees niveau;

56.  is van mening dat recente controverses over de financiering van sommige Europese politieke partijen en sommige Europese politieke stichtingen zwakke punten in de bestaande beheers- en controlesystemen aan het licht hebben gebracht;

57.  is van mening dat de inwerkingtreding van Verordeningen (EU, Euratom) nr. 1141/2014(17) en (EU, Euratom) nr. 1142/2014(18) zal voorzien in extra controlemechanismen, zoals de verplichting tot registratie bij de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen; is evenwel van mening dat deze maatregelen nog kunnen worden verbeterd; merkt op dat de partijen en stichtingen verzoeken om financiering in het kader van de nieuwe regeling zullen beginnen indienen in het begrotingsjaar 2018;

58.  wijst erop dat een aantal problemen aan het licht is gekomen met het huidige systeem van cofinanciering, waarbij bijdragen en subsidies uit de begroting van het Parlement voor zowel partijen als stichtingen niet meer mogen bedragen dan 85 % van de subsidiabele uitgaven en de resterende 15 % moet worden gedekt door eigen middelen; merkt bijvoorbeeld op dat minder lidmaatschapsbijdragen en schenkingen vaak worden gecompenseerd door bijdragen in natura;

Overige punten

59.  wijst op de permanente dialoog tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen; dringt erop aan deze te versterken zodat de lidstaten een beter beeld krijgen van de bijdrage van het Europees Parlement en de Unie;

60.  wijst op het verzoek om externe studies en adviezen ter ondersteuning van de werkzaamheden van de commissies en andere politieke organen bij het analyseren van de mogelijke gevolgen van de brexit, met inbegrip van de gevolgen voor de begroting van het Parlement; vraagt zich af of het noodzakelijk is opdracht te geven tot externe studies en adviezen, in plaats van gebruik te maken van de overvloed aan onderzoeksdiensten in het Parlement; benadrukt dat, zolang de onderhandelingen over de uittreding van het Verenigd Koninkrijk niet zijn afgerond, het Verenigd Koninkrijk volwaardig lid van de Unie blijft en alle rechten en verplichtingen uit hoofde van het lidmaatschap van kracht blijven; benadrukt bijgevolg dat het besluit van het Verenigd Koninkrijk om de Unie te verlaten wellicht geen gevolgen zal hebben op de begroting van het Parlement voor 2018;

61.  herinnert aan zijn resolutie van 20 november 2013 over de werklocaties van de instellingen van de Europese Unie(19), waarin de kosten van de geografische spreiding van het Parlement worden geraamd op tussen de 156 miljoen EUR en 204 miljoen EUR en gelijk aan 10 % van de begroting van het Parlement; benadrukt dat de invloed op het milieu van de geografische spreiding wordt geraamd op tussen de 11 000 en 19 000 ton aan CO2-uitstoot; wijst op het negatieve beeld dat deze geografische spreiding oproept, en herhaalt daarom zijn standpunt door aan te dringen op een stappenplan voor één werklocatie;

62.  herinnert aan zijn bovengenoemde resolutie van 14 april 2016 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2017; pleit voor de tenuitvoerlegging van een samenwerking met televisieomroepen, sociale media en andere partners om een Europees mediaknooppunt op te richten dat is bedoeld om aankomende journalisten op te leiden;

63.  verzoekt de secretaris-generaal en het Bureau een cultuur van prestatiegericht begroten voor de hele administratie van het Parlement in te voeren, overeenkomstig de sobere beheeraanpak ter vergroting van de efficiëntie en de kwaliteit van de interne werking van de instelling;

o
o   o

64.  stelt de raming voor het begrotingsjaar 2018 vast;

65.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de raming te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 15.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0132.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0411.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0475.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0172.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0132.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0411.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0484.
(12) Studie van Deloitte, december 2015.
(13) Zie paragraaf 22 van zijn resolutie van 14 april 2016 (P8_TA(2016)0132.
(14) Aangenomen teksten van 13 december 2016, P8_TA(2016)0484 - Artikel 183, lid 1.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0407.
(16) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0437; Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0036. Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0376; Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0411.
(17) Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1).
(18) Verordening (EU, Euratom) nr. 1142/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 wat betreft de financiering van Europese politieke partijen (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 28).
(19) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0498.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2017 in samenhang met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds ter ondersteuning van het Verenigd Koninkrijk, Cyprus en Portugal
PDF 247kWORD 43k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2017 bij de algemene begroting voor 2017 in samenhang met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie ter ondersteuning van het Verenigd Koninkrijk, Cyprus en Portugal (07003/2017 – C8-0130/2017 – 2017/2018(BUD))
P8_TA(2017)0115A8-0155/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), en met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, definitief vastgesteld op 1 december 2016(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (MFK-verordening),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2017, goedgekeurd door de Commissie op 26 januari 2017 (COM(2017)0046),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2017, vastgesteld door de Raad op 3 april 2017 en op 3 april 2017 toegezonden aan het Europees Parlement (07003/2017 – C8‑0130/2017),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0155/2017),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2017 betrekking heeft op de terbeschikkingstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU) ten belope van 71 524 810 EUR naar aanleiding van de overstromingen in het Verenigd Koninkrijk van december 2015 tot januari 2016, droogte en branden op Cyprus tussen oktober 2015 en juni 2016 en branden op het Portugese eiland Madeira in augustus 2016;

B.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2017 tot doel heeft deze begrotingsaanpassing formeel in de begroting van de Unie voor 2017 op te nemen;

C.  overwegende dat de Commissie bijgevolg voorstelt de begroting 2017 te wijzigen en begrotingsartikel 13 06 01 "Bijstand aan lidstaten in het geval van een grote natuurramp die ernstige gevolgen heeft voor de levensomstandigheden van de burgers, het natuurlijke milieu of de economie" te verhogen;

D.  overwegende dat het SFEU een speciaal instrument is in de zin van de MFK-verordening en dat de desbetreffende vastleggings- en betalingskredieten buiten de MFK-plafonds om moeten worden gebudgetteerd;

1.  benadrukt dat de financiële steun uit hoofde van het SFEU voor de regio's die door de natuurrampen zijn getroffen dringend beschikbaar moet worden gesteld;

2.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2017, zoals ingediend door de Commissie;

3.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2017 goed;

4.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 1/2017 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de Rekenkamer en de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 28.2.2017.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: EGF/2017/000 TA 2017 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie
PDF 333kWORD 47k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2017/000 TA 2017 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie) (COM(2017)0101 – C8-0097/2017 – 2017/2033(BUD))
P8_TA(2017)0116A8-0157/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0101 – C8-0097/2017),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2016/000 TA 2016 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie)(4),

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0157/2017),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om middelen beschikbaar te stellen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60% van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat het maximale jaarlijkse bedrag dat voor het EFG beschikbaar is 150 miljoen EUR bedraagt (prijzen van 2011) en dat in artikel 11, lid 1, van de EFG-verordening wordt bepaald dat op initiatief van de Commissie jaarlijks maximaal 0,5 % van dit bedrag (d.w.z. 844 620 EUR in 2017) kan worden gebruikt voor technische bijstand, ter financiering van de voorbereiding van, het toezicht op, de gegevensverzameling voor en het creëren van een kennisbasis, administratieve en technische bijstand, informatie- en communicatieactiviteiten alsook boekhoudkundige, controle- en evaluatiewerkzaamheden die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de EFG-verordening;

E.  overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk heeft gewezen op de noodzakelijke verbetering van de meerwaarde, de doeltreffendheid en de inzetbaarheid van begunstigden van het EFG als instrument van de Unie ter ondersteuning van werknemers die zijn ontslagen;

F.  overwegende dat het voorgestelde bedrag van 310 000 EUR overeenkomt met circa 0,18 % van het jaarlijkse maximumbedrag voor het EFG in 2017 dat 70 000 EUR lager is dan in 2016;

1.  stemt ermee in dat de door de Commissie voorgestelde maatregelen gefinancierd worden als technische bijstand, in overeenstemming met artikel 11, leden 1 en 4, en artikel 12, leden 2, 3 en 4, van de EFG-verordening;

2.  verwelkomt de verlaging van het gevraagde bedrag in 2017 voor technische bijstand uit het EFG ten opzichte van 2016; is van mening dat het belangrijk is dergelijke aanvragen te beoordelen als percentage van de jaarlijkse bedragen die voor het EFG in eerdere jaren zijn gebruikt, en niet alleen als aandeel van het maximum dat dat jaar kan worden besteed;

3.  wijst op het belang van monitoring en gegevensverzameling; herinnert aan het belang van een reeks grondige statistieken die op passende wijze zijn opgesteld, zodat ze gemakkelijk toegankelijk en begrijpelijk zijn; verwelkomt de toekomstige terbeschikkingstelling van de tweejaarlijkse verslagen van 2017 en verzoekt om een openbare en brede verspreiding van die verslagen in de hele Unie;

4.  herinnert aan het belang van een specifieke website over het EFG die toegankelijk is voor alle burgers van de Unie; benadrukt het belang van meertaligheid bij de communicatie met het brede publiek; vraagt om een gebruikersvriendelijker internetomgeving en spoort de Commissie aan tot verbetering van de inhoudelijke waarde van haar publicaties en audiovisuele activiteiten als voorzien in artikel 11, lid 4, van het EFG-verordening;

5.  verwelkomt het voortgezette werk aan de gestandaardiseerde procedures voor EFG-aanvragen en -beheer, gebruikmakend van de functies van het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling (SFC 2014), wat een vereenvoudiging en snellere verwerking van aanvragen mogelijk maakt, alsmede een betere verslaglegging; wijst erop dat de Commissie de financiële verrichtingen van het EFG heeft vereenvoudigd door de invoering van een interface tussen SFC en het boekhoudkundige en financiële informatiesysteem ABAC; wijst erop dat alleen nog verdere verfijningen en aanpassingen voor eventuele wijzigingen nodig zijn, waarmee de EFG-bijdrage feitelijk wordt beperkt tot dat soort uitgaven;

6.  wijst erop dat de procedure voor de integratie van het EFG in SFC2014 al jaren loopt en dat de relevante kosten voor de EFG-begroting relatief hoog zijn; verwelkomt de lagere kosten ten opzichte van eerdere jaren, wat een gevolg is van het feit dat het project nu in een stadium is aanbeland waarin alleen nog verdere verfijningen en aanpassingen nodig zijn;

7.  wijst nogmaals op het belang van netwerken en de uitwisseling van informatie over het EFG, om de verspreiding van beste praktijken mogelijk te maken; steunt daarom de financiering van de Deskundigengroep van contactpersonen van het EFG en de netwerkseminars over de implementatie van het EFG; verwacht dat deze informatie-uitwisseling ook zal bijdragen tot een betere en gedetailleerdere verslaglegging over de mate van succes van de maatregelen in de lidstaten, in het bijzonder over het herintredingspercentage van begunstigden;

8.  wijst erop dat de Commissie voornemens is 70 000 EUR van het beschikbare bedrag voor technische bijstand te gebruiken voor het houden van twee vergaderingen van de Deskundigengroep van contactpersonen van het EFG; wijst tevens op het voornemen van de Commissie om 120 000 EUR te gebruiken voor het bevorderen van netwerken tussen de lidstaten door middel van seminars, EFG-uitvoeringsorganen en sociale partners; verwelkomt dat de Commissie bereid was om leden van de EFG-werkgroep van het Parlement uit te nodigen voor het recente EGF Networking Seminar dat plaatsvond in Bergen; roept de Commissie op het Parlement te blijven uitnodigen voor dergelijke vergaderingen en seminars, overeenkomstig de relevante bepalingen van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(5);

9.  benadrukt dat het nodig is het contact verder te versterken tussen alle betrokkenen bij EFG-aanvragen, waaronder met name de sociale partners en de belanghebbenden op regionaal en lokaal niveau, om zo veel mogelijk synergieën tot stand te brengen; wijst erop dat de interactie tussen de nationale contactpersoon en de regionale of lokale uitvoeringspartners moet worden versterkt en dat er duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over communicatie, ondersteuning en informatievoorziening (interne verdeling van taken en bevoegdheden), waarmee alle partners moeten instemmen;

10.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

11.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2017/000 TA 2017 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2017/742.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0112.
(5) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie ter ondersteuning van het Verenigd Koninkrijk, Cyprus en Portugal
PDF 242kWORD 42k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan het Verenigd Koninkrijk, Cyprus en Portugal (COM(2017)0045 – C8-0022/2017 – 2017/2017(BUD))
P8_TA(2017)0117A8-0154/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0045 – C8-0022/2017),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 10,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3), en met name punt 11,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0154/2017),

1.  verwelkomt het besluit als een teken van solidariteit van de Unie met de burgers en regio's van de Unie die met natuurrampen worden geconfronteerd;

2.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan het Verenigd Koninkrijk, Cyprus en Portugal

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2017/741.)

(1) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Letland *
PDF 240kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Letland, en ter vervanging van Besluit 2014/911/EU (13521/2016 – C8-0523/2016 – 2016/0818(CNS))
P8_TA(2017)0118A8-0089/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (13521/2016),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (Nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0523/2016),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0089/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


Geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in Slowakije, Portugal, Letland, Litouwen, Tsjechië, Estland, Hongarije, Cyprus, Polen, Zweden, Malta en België *
PDF 244kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in Slowakije, Portugal, Letland, Litouwen, Tsjechië, Estland, Hongarije, Cyprus, Polen, Zweden, Malta en België, en ter vervanging van de Besluiten 2010/689/EU, 2011/472/EU, 2011/715/EU, 2011/887/EU, 2012/58/EU, 2012/299/EU, 2012/445/EU, 2012/673/EU, 2013/3/EU, 2013/148/EU, 2013/152/EU en 2014/410/EU (13525/2016 – C8-0522/2016 – 2016/0819(CNS))
P8_TA(2017)0119A8-0091/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (13525/2016),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (Nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0522/2016),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0091/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


Geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Slowakije, Bulgarije, Frankrijk, Tsjechië, Litouwen, Nederland, Hongarije, Cyprus, Estland, Malta, Roemenië en Finland *
PDF 244kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Slowakije, Bulgarije, Frankrijk, Tsjechië, Litouwen, Nederland, Hongarije, Cyprus, Estland, Malta, Roemenië en Finland, en ter vervanging van de Besluiten 2010/682/EU, 2010/758/EU, 2011/355/EU, 2011/434/EU, 2011/888/EU, 2012/46/EU, 2012/446/EU, 2012/672/EU, 2012/710/EU, 2013/153/EU, 2013/229/EU en 2013/792/EU (13526/2016 – C8-0520/2016 – 2016/0820(CNS))
P8_TA(2017)0120A8-0092/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (13526/2016),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (Nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0520/2016),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0092/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


Geautomatiseerde uitwisseling van voertuigregistratiegegevens in Finland, Slovenië, Roemenië, Polen, Zweden, Litouwen, Bulgarije, Slowakije en Hongarije *
PDF 243kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de geautomatiseerde uitwisseling van voertuigregistratiegegevens in Finland, Slovenië, Roemenië, Polen, Zweden, Litouwen, Bulgarije, Slowakije en Hongarije, en ter vervanging van de Besluiten 2010/559/EU, 2011/387/EU, 2011/547/EU, 2012/236/EU, 2012/664/EU, 2012/713/EU, 2013/230/EU, 2013/692/EU en 2014/264/EU (13529/2016 – C8-0518/2016 – 2016/0821(CNS))
P8_TA(2017)0121A8-0095/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (13529/2016),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (Nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0518/2016),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0095/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


Geautomatiseerde uitwisseling van voertuigregistratiegegevens in Malta, Cyprus en Estland *
PDF 240kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de geautomatiseerde uitwisseling van voertuigregistratiegegevens in Malta, Cyprus en Estland, en ter vervanging van de Besluiten 2014/731/EU, 2014/743/EU en 2014/744/EU (13499/2016 – C8-0519/2016 – 2016/0822(CNS))
P8_TA(2017)0122A8-0090/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (13499/2016),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (Nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0519/2016),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0090/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


Genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21
PDF 288kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D049280 – 2017/2624(RSP))
P8_TA(2017)0123B8-0236/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D049280),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3, artikel 9, lid 2, en artikel 21, lid 2,

–  gezien de stemming op 27 januari 2017 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, waarbij geen advies is geformuleerd, en gezien de stemming op 27 maart 2017 van het comité van beroep, dat evenmin een advies heeft opgeleverd,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 15 juli 2016(3) is geformuleerd door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), dat een minderheidsstandpunt omvat, en de eerdere EFSA-adviezen inzake maissoorten die gedeeltelijk bestaan uit de afzonderlijke events Bt11 (dat de Cry1Ab- en PAT-eiwitten tot expressie brengt), 59122 (dat de Cry34Ab1-, Cry35Ab1- en PAT-eiwitten tot expressie brengt), MIR604 (dat de mCry3A- en PMI-eiwitten tot expressie brengt), 1507 (dat de Cry1F- en PAT-eiwitten produceert) en GA21 (dat het mEPSPS-eiwit tot expressie brengt),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, COD(2017)0035),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemanipuleerde organismen(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

De aanvraag

A.  overwegende dat Syngenta op 1 juli 2011 bij de nationale bevoegde instantie van Duitsland een aanvraag heeft ingediend om levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21 in de handel te brengen, overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat deze aanvraag ook betrekking heeft op het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21 in producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan, voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere maissoorten zijn toegelaten, met uitzondering van de teelt;

B.  overwegende dat Syngenta het toepassingsgebied van de aanvraag op 21 februari 2014 heeft uitgebreid naar alle subcombinaties van de afzonderlijke genetische-modificatie-events die samen mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21 vormen, met uitzondering van de subcombinatie 1507 × 59122, waarvoor reeds een vergunning was verkregen uit hoofde van Besluit 2010/432/EU van de Commissie(5);

C.  overwegende dat Syngenta het toepassingsgebied van de aanvraag op 31 maart 2016 heeft aangepast door de volgende vier subcombinaties, die in het toepassingsgebied van een andere aanvraag waren ondergebracht, te schrappen: mais Bt11 × GA21, mais MIR604 × GA21, mais Bt11 × MIR604 en mais Bt11 × MIR604 × GA21(6);

D.  overwegende dat de aanvrager over geen enkele van de twintig subcombinaties specifieke gegevens heeft verstrekt(7);

E.  overwegende dat het gebruik van de met vijf events gemodificeerde plant bedoeld is om schadelijke lepidoptera en coleoptera te bestrijden bij mais en om te zorgen voor tolerantie voor herbiciden die glufosinaatammonium of glyfosaat bevatten(8); overwegende dat het beoogde gebruik vergelijkbaar is bij de verschillende subcombinaties, naargelang de combinatie;

Het advies van de EFSA

F.  overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 26 augustus 2016 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht met betrekking tot genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21 en alle subcombinaties die tot het toepassingsgebied van de aanvraag behoren; overwegende dat het EFSA-advies een minderheidsstandpunt omvatte;

G.  overwegende dat de EFSA bevestigt dat er voor geen enkele van de twintig subcombinaties specifieke gegevens zijn ingediend, dat vele van deze combinaties nog niet zijn gecreëerd en dat het literatuuronderzoek geen wetenschappelijke informatie over deze combinaties heeft opgeleverd, maar niettemin concludeert dat alle twintig subcombinaties "even veilig zouden moeten zijn als de met vijf events gemodificeerde maisplant";

H.  overwegende dat de EFSA monitoring na het in de handel brengen van de betrokken genetische-modificatie-events niet nodig acht; overwegende dat de EFSA zich beperkt tot de verklaring dat de monitoringverplichting moet worden overwogen op basis van de nieuwe verstrekte eiwitexpressiegegevens, indien deze subcombinaties zouden worden gecreëerd door middel van gerichte veredelingsmethoden en in de Unie zouden worden ingevoerd;

Punten van zorg

I.  overwegende dat de lidstaten gedurende de overlegperiode van drie maanden honderden kritische opmerkingen hebben ingediend(9); overwegende dat in deze opmerkingen onder meer wordt verwezen naar ontbrekende informatie en gegevens, slecht uitgevoerde studies, ontbrekende studies, ontbrekende bewijzen om bepaalde blootstellingsroutes uit te sluiten, een ontoereikende gegevensbasis, bijv. met betrekking tot verteerbaarheid, het feit dat geen rekening is gehouden met de gecombineerde effecten van de verschillende Bt-toxine-eiwitten bij de beoordeling van de allergeniciteits- en toxiciteitsgrens, tekortkomingen met betrekking tot de proefopzet van de veldproeven en de statistische analyse, ontbrekende verslagen over de resultaten van de monitoring, gebrek aan bewijzen dat het product geen schadelijke gevolgen heeft voor het milieu, gebrek aan verdere beoordeling van aan het licht gekomen statistisch significante verschillen, bijv. in de nutritionele samenstelling, en het verzuim om immunologische tests te verrichten met betrekking tot een mogelijk hogere allergeniciteitsgrens;

J.  overwegende dat er een minderheidsstandpunt werd geformuleerd door Jean-Michel Wal, lid van het ggo-panel van de EFSA(10), waarin hij verklaart dat: "de aanvrager over geen enkele van deze twintig subcombinaties specifieke gegevens heeft verstrekt en evenmin een bevredigende motivering heeft gegeven waarin wordt uitgelegd waarom deze gegevens ontbreken en/of waarom ze volgens de aanvrager niet nodig zijn voor de risicobeoordeling. Dit is meer dan reden genoeg om dit minderheidsstandpunt te formuleren, ervan uitgaande dat er geen sprake kan zijn van twee soorten risicobeoordeling, een uitgebreide beoordeling op basis van volledige gegevens en een andere beoordeling waarvoor helemaal geen specifieke gegevens voorhanden zijn en die gebaseerd is op veronderstellingen en indirecte overwegingen van het panel, afgeleid aan de hand van de zogenaamde "op bewijskracht gebaseerde benadering" en extrapolatie van beschikbare gegevens voor de afzonderlijke events, de met vijf events gemodificeerde plant en andere gemodificeerde planten die in andere aanvragen zijn ingediend en beoordeeld. Bovenop deze princiepskwestie kan er in dit geval ook sprake zijn van onbeheerste risico's voor de gezondheid van menselijke consumenten in bepaalde segmenten van de bevolking.";

K.  overwegende dat hij zich in het minderheidsstandpunt meer bepaald afvraagt waarom de gekozen vorm van extrapolatie om de mogelijke schadelijke effecten te beoordelen niet nauwkeurig omschreven wordt: "De criteria, procedure en het betrouwbaarheidsniveau die voor deze extrapolatie vereist zouden moeten zijn, zijn nergens te bespeuren en er wordt evenmin een kritische evaluatie gegeven van de beperkingen van de extrapolatie. Er is geen beoordeling verricht van de onzekerheid die dit met zich meebrengt, bijv. aan de hand van een probabilistische analyse, zoals aanbevolen in de ontwerprichtsnoeren betreffende onzekerheid bij het uitvoeren van wetenschappelijke beoordelingen van de EFSA (herziene versie voor interne tests), opgesteld door het wetenschappelijk comité van de EFSA. Deze tekortkomingen maken de algemene conclusie mogelijk ongeldig.";

L.  overwegende dat in het EFSA-minderheidsstandpunt ook wordt gewezen op verscheidene tekortkomingen en contradictorische argumenten met betrekking tot de aanvraag, bijvoorbeeld dat de aanvrager enerzijds doet uitschijnen dat alle subcombinaties werden geproduceerd en dat het eiwitexpressieniveau werd geanalyseerd(11), maar anderzijds over geen enkele van de subcombinaties gegevens verstrekt;

M.  overwegende dat de betrokken genetisch gemodificeerde maisvariëteiten SYN-BTØ11-1, DAS-59122-7 en DAS-Ø15Ø7-1 een PAT-eiwit tot expressie brengen dat tolerantie geeft voor glufosinaatammoniumherbiciden; overwegende dat glufosinaat is ingedeeld als toxisch voor de voortplanting en derhalve onder de uitsluitingscriteria van Verordening (EG) nr. 1107/2009 valt; overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat afloopt op 31 juli 2018(12);

N.  overwegende dat de in de aanvragen beschreven genetisch gemodificeerde mais MON-ØØØ21-9 het mEPSPS-eiwit tot expressie brengt dat tolerantie geeft voor glyfosaatherbiciden; overwegende dat glyfosaat door het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek (IARC) – het gespecialiseerde kankeragentschap van de Wereldgezondheidsorganisatie – op 20 maart 2015 is ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen(13);

De procedure

O.  overwegende dat de stemming op 27 januari 2017 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 geen advies heeft opgeleverd; overwegende dat amper tien lidstaten, goed voor slechts 38,43 % van de EU-bevolking, voor stemden, tegenover dertien lidstaten die tegen stemden, bij vier onthoudingen; overwegende dat bij de stemming op 27 maart 2017 van het comité van beroep evenmin een advies is uitgebracht;

P.  overwegende dat de Commissie zowel in de toelichting van haar wetsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten het gebruik van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders op hun grondgebied te beperken of te verbieden, als in de toelichting van het wetgevingsvoorstel van 14 februari 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011, haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat vergunningsbesluiten sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 worden vastgesteld door de Commissie zonder gesteund te worden door het advies van het Comité lidstaten, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor een definitieve beslissing, bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel, de norm is geworden voor de besluitvorming rond het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat Commissievoorzitter Juncker meermaals zijn ongenoegen heeft geuit over het povere democratisch gehalte van deze werkwijze(14);

Q.  overwegende dat het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 door het Parlement is verworpen met als argument dat, hoewel de teelt noodzakelijkerwijs plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat, de handel in ggo's grensoverschrijdend is, wat betekent dat een nationaal verbod op verkoop en gebruik, zoals de Commissie voorstelt, onmogelijk kan worden gehandhaafd zonder opnieuw grenscontroles op import in te voeren; overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel niet alleen heeft verworpen, maar de Commissie er ook toe heeft opgeroepen haar voorstel in te trekken en een nieuw in te dienen;

R.  overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren, reeds duidelijk het volgende wordt bepaald: "Wanneer de Commissie overweegt uitvoeringshandelingen vast te stellen op bijzonder gevoelige terreinen zoals belastingheffing, gezondheid van de consument, voedselveiligheid en milieubescherming, zal zij, omwille van een evenwichtige oplossing, zoveel mogelijk dusdanig handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling."(15);

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.  is van mening dat het uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003, namelijk, overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002(16) zijn vastgesteld, de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  is meer bepaald van oordeel dat het in strijd is met de beginselen van de algemene levensmiddelenwetgeving als vastgelegd in Verordening (EG) nr. 178/2002 om variëteiten goed te keuren waarvoor geen veiligheidsinformatie is verstrekt, die zelfs niet getest zijn of die nog niet eens tot stand zijn gebracht;

4.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Ggo-panel van de EFSA (Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen), 2016. Wetenschappelijk advies over een aanvraag van Syngenta (EFSA-GMO-DE-2011-99) om mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21 en twintig subcombinaties in de handel te brengen, waarvoor eerder geen vergunning is verleend ongeacht hun herkomst voor gebruik als levensmiddel en diervoeder, invoer en verwerking, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003; EFSA Journal 2016;14(8):4567 [31 blz.]; doi:10.2903/j.efsa.2016.4567.
(4)——————————— - resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maisproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110),resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (P8_TA(2015)0456),resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (P8_TA(2016)0040),resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (P8_TA(2016)0039),resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (P8_TA(2016)0038),resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de "events" Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (P8_TA(2016)0271),resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (P8_TA(2016)0272),resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (P8_TA(2016)0388),resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde maïs MON 810 (P8_TA(2016)0389),resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (P8_TA(2016)0386),resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (P8_TA(2016)0387),resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (P8_TA(2016)0390).
(5) Besluit 2010/432/EU van de Commissie van 28 juli 2010 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais 1507x59122 (DAS-Ø15Ø7-1xDAS-59122-7) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 202 van 4.8.2010, blz. 11).
(6) Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1685 van de Commissie van 16 september 2016 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die twee of drie van de transformatiestappen Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 combineren, en tot intrekking van de Besluiten 2010/426/EU, 2011/892/EU, 2011/893/EU en 2011/894/EU (PB L 254 van 20.9.2016, blz. 22).
(7) Zoals wordt bevestigd in het eerder vermelde EFSA-advies (EFSA Journal 2016;14(8):4567 [31 blz.]).
(8) Mais SYN-BTØ11-1 brengt het Cry1Ab-eiwit tot expressie, dat bescherming biedt tegen bepaalde schadelijke lepidoptera, alsook een PAT-eiwit dat tolerantie geeft voor glufosinaatammoniumherbiciden.Mais DAS-59122-7 brengt de Cry34Ab1- en Cry35Ab1-eiwitten tot expressie, die bescherming bieden tegen bepaalde schadelijke coleoptera, alsook het PAT-eiwit, dat tolerantie geeft tegen glufosinaatammoniumherbiciden.Mais SYN-IR6Ø4-5 brengt het gemodificeerde Cry3A-eiwit tot expressie, dat bescherming biedt tegen bepaalde schadelijke coleoptera, alsook het PMI-eiwit, dat als selecteerbare merker werd gebruikt.Mais DAS-Ø15Ø7-1 brengt het Cry1F-eiwit tot expressie, dat bescherming biedt tegen bepaalde schadelijke lepidoptera, alsook het PAT-eiwit, dat werd gebruikt als selecteerbare merker en tolerantie geeft voor glufosinaatammoniumherbiciden.Mais MON-ØØØ21-9 brengt het mEPSPS-eiwit tot expressie, dat tolerantie geeft voor glyfosaatherbiciden.
(9) Zie EFSA-vragenregister, bijlage G bij vraag nr. EFSA-Q-2011-00894, online beschikbaar op: http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionDocumentsLoader?question=EFSA-Q-2011-00894 (laatste punt).
(10) Zie aanhangsel A bij het EFSA-advies.
(11) In de aanvraag staat te lezen dat "mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21 en alle subcombinaties ervan ongeacht hun herkomst zijn geproduceerd volgens conventionele kruisingsmethoden [...] (punt ii)" en dat "de analyse van het eiwitexpressieniveau bevestigt dat de kruising van de genetisch gemodificeerde afzonderlijke events van de mais [...] geen onderlinge interactie tot gevolg heeft in mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21 of de subcombinaties met een kleiner aantal van deze events ongeacht hun herkomst (punt x)".
(12) http://ec.europa.eu/food/plant/pesticides/eu-pesticides-database/public/?event=activesubstance.detail&language=EN&selectedID=1436
(13) IARC Monographs, deel 112: evaluation of five organophosphate insecticides and herbicides, 20 maart 2015, (http://monographs.iarc.fr/ENG/Monographs/vol112/mono112.pdf).
(14) Hij deed dit onder meer in zijn Openingstoespraak voor de plenaire zitting van het Europees Parlement, opgenomen in de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of in zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).
(15) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(16) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


Aanpak van de vluchtelingen- en migrantenbewegingen: de rol van het externe optreden van de EU
PDF 275kWORD 72k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over de aanpak van de vluchtelingen- en migrantenbewegingen: de rol van het externe optreden van de EU (2015/2342(INI))
P8_TA(2017)0124A8-0045/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 3, 8 en 21 van het EU-Verdrag (VEU) en de artikelen 80, 208 en 216 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU),

–  gezien de mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid die in juni 2016 is gepubliceerd,

–  gezien de mededelingen van de Commissie getiteld: "Een Europese migratieagenda" van 13 mei 2015 (COM(2015)0240); "Gedwongen ontheemding en ontwikkeling" van 26 april 2016 (COM(2016)0234); "Een nieuw partnerschapskader met derde landen in het kader van de Europese migratieagenda" van 7 juni 2016 (COM(2016)0385); en "Stimuleren van Europese investeringen voor banen en groei: naar een tweede fase van het Europees Fonds voor strategische investeringen en een nieuw Europees extern investeringsplan" van 14 september 2016 (COM(2016)0581); en gezien de gezamenlijke mededelingen van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid getiteld "Aanpak van de vluchtelingencrisis in Europa: de rol van het externe optreden van de EU" van 9 september 2015 (JOIN(2015)0040); "Migratie langs de centrale Middellandse Zeeroute: Migrantenstromen beheersen en levens redden" van 25 januari 2017 (JOIN(2017)0004); en "Herziening van het Europees nabuurschapsbeleid" van 18 november 2015 (JOIN(2015)0050),

–  gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken over de totaalaanpak van migratie en mobiliteit (TAMM) van 3 mei 2012,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad over migratie van 25-26 juni, 15 oktober en 17-18 december 2015 en van 17-18 maart en 28 juni 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over migratie in de EU-ontwikkelingssamenwerking van 12 december 2014, over migratie van 12 oktober 2015, over de EU-aanpak van gedwongen ontheemding en ontwikkeling of 12 mei 2016 en over externe aspecten van migratie van 23 mei 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over de toekomstige partnerschapsprioriteiten en pacten met Jordanië en Libanon op 17 oktober 2016,

–  gezien de verklaring van de Conferentie op hoog niveau over de oostelijke route door het Middellandse Zeegebied en de Westelijke Balkanroute van 8 oktober 2015,

–  gezien de politieke verklaring en het actieplan van de top van Valletta op 11 en 12 november 2015,

–  gezien de conclusies van de top van Bratislava van 16 september 2016,

–  gezien Speciaal verslag nr. 9/2016 van de Europese Rekenkamer getiteld "EU-uitgaven voor externe migratie in de buurlanden in het oosten en in het zuidelijke Middellandse Zeegebied tot 2014",

–  gezien het VN-verdrag en -protocol betreffende de status van vluchtelingen en gezien de belangrijkste mensenrechtenverdragen, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het EU-Handvest van de grondrechten,

–  gezien de Verdragen van Genève en de bijbehorende aanvullende protocollen met betrekking tot de rechtsregels voor gewapende conflicten en het beperken van de gevolgen hiervan,

–  gezien het einddocument van de VN-Top inzake duurzame ontwikkeling van 25 september 2015 getiteld "Transforming our World: the 2030 Agenda for Sustainable Development",

–  gezien de New York-verklaring over vluchtelingen en migranten van de bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de aanpak van grote vluchtelingen- en migratiestromen van 19 september 2016 en de bijlagen daarbij getiteld "Comprehensive refugee response framework" en "Towards a global compact for safe, orderly and regular migration",

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(1), van 8 maart 2016 over de situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de Europese Unie(2), van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(3), van 13 september 2016 over het Trustfonds van de EU voor Afrika: de gevolgen voor ontwikkelings- en humanitaire hulp(4), en van 25 oktober 2016 over mensenrechten en migratie in derde landen(5),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Begrotingscommissie overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0045/2017),

A.  overwegende dat migratie een mensenrecht is dat is verankerd in artikel 13 van de Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN; overwegende dat mensen het recht hebben hun leven te leven in hun thuisland en de regio waar ze zijn geboren en getogen en hun culturele en sociale identiteit vorm heeft gekregen;

B.  overwegende dat er met 244 miljoen internationale migranten sprake is van een ongekend grote menselijke mobiliteit, waaraan verschillende redenen ten grondslag liggen en die zowel vrijwillig als onvrijwillig van aard is; overwegende dat dergelijke internationale migratie hoofdzakelijk plaatsvindt binnen dezelfde regio en tussen ontwikkelingslanden; overwegende dat volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), vrouwelijke migranten de meerderheid van de groep internationale migranten in Europa (52,4 %) en Noord-Amerika (51,2 %) uitmaken; overwegende dat de zuid-zuidmigratiestromen zijn blijven toenemen in vergelijking met de zuid-noordmigratie: in 2015 woonden 90,2 miljoen internationale migranten uit ontwikkelingslanden in het zuidelijk deel van de wereld, terwijl 85,3 miljoen mensen die in het zuiden zijn geboren in landen in het noordelijk deel van de wereld woonden;

C.  overwegende dat er steeds meer alleenstaande minderjarigen de Middellandse Zee oversteken en dat het aantal doden op de Middellandse Zee ondanks het toenemende aantal reddingen blijft stijgen (5 079 in 2016 tegen 3 777 in 2015 volgens de IOM);

D.  overwegende dat volgens het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) in 2015 een recordaantal van 65,3 miljoen mensen – onder wie 40,8 miljoen binnenlandse ontheemden en 21,3 miljoen vluchtelingen – verdreven blijven wegens conflicten, geweld, mensenrechtenschendingen, schendingen van het internationaal humanitair recht en destabilisering; overwegende dat zij moeten worden opgeteld bij degenen die ontheemd zijn geraakt als gevolg van natuurrampen, ongelijkheden, armoede, ontoereikende sociaaleconomische toekomstperspectieven, klimaatverandering, het ontbreken van een serieus en doeltreffend ontwikkelingsbeleid voor de lange termijn en het gebrek aan politieke wil om de problemen die ten grondslag liggen aan deze migratiestromen krachtdadig aan te pakken; overwegende dat het UNHCR vaststelt dat er minstens 10 miljoen staatlozen zijn;

E.  overwegende dat de momenteel beschikbare gegevens laten zien dat het aantal vluchtelingen in de afgelopen vijf jaar met meer dan 50 % is toegenomen; overwegende dat deze dramatische stijging meerdere oorzaken kent, waaronder het feit dat het niveau van vrijwillige repatriëring van vluchtelingen sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw niet zo laag is geweest, dat het aantal vluchtelingen dat mogelijkheden geboden krijgt voor lokale integratie beperkt blijft, en dat de hervestigingscijfers stabiel blijven op circa 100 000 per jaar;

F.  overwegende dat 6,7 miljoen vluchtelingen langdurig ontheemd zijn –met een geschatte gemiddelde duur van 26 jaar – zonder enige vorm van perspectief; overwegende dat duurzame oplossingen voor ontheemding op een onacceptabel laag niveau blijven als gevolg waarvan het noodzakelijk is gedwongen ontheemding als een probleem op politiek en ontwikkelingsvlak te beschouwen, en niet alleen als een humanitair probleem;

G.  overwegende dat deze mondiale uitdaging een holistische en multilaterale aanpak vergt op basis van internationale samenwerking en synergieën, evenals gecoördineerde en concrete oplossingen die niet alleen een reactie vormen maar eveneens anticiperen op mogelijke toekomstige crises; overwegende dat 86 % van de vluchtelingen in de wereld in arme gebieden leeft, waarbij de minst ontwikkelde landen 26 % van het totale aantal vluchtelingen opvangen en dus kampen met overbelaste capaciteit en verdere destabilisering van hun eigen sociale en economische cohesie en ontwikkeling; overwegende dat deze landen slechts zelden over instrumenten beschikken om de rechten van migranten te beschermen en zelfs geen instrumenten op het gebied van asiel hebben; overwegende dat de miljoen mensen die in 2015 in de EU arriveerden 0,2 % van de EU-bevolking vormen, terwijl in buurlanden of in Europa gedurende de jaren negentig van de vorige eeuw veel grotere percentages mensen (tot wel 20 %) binnenkwamen;

H.  overwegende dat vluchtelingen, binnenlandse ontheemden en migranten wettelijk twee verschillende categorieën vormen, maar dat grootschalige, gemengde verplaatsingen van mensen in werkelijkheid vaak ontstaan vanwege een veelheid aan grensoverschrijdende politieke, economische, sociale, ontwikkelings-, humanitaire en mensenrechtengevolgen; overwegende dat de menselijke waardigheid van alle personen die in deze migratiestromen verzeild zijn geraakt, centraal moet staan in het Europese beleid ter zake en dat bovendien de vluchtelingen en asielzoekers altijd overeenkomstig hun status moeten worden behandeld en dat hun in geen geval het genot van de rechten die voortvloeien uit de internationale verdragen ter zake en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kan worden ontzegd; overwegende dat dit juridisch onderscheid niet betekent dat migratie om economische redenen of migratie door mensen die op zoek zijn naar een beter leven minder legitiem is dan migratie als gevolg van het ontvluchten van vervolging; overwegende dat in de meeste gevallen zowel politieke als economische rechten, evenals andere fundamentele mensenrechten, gevaar lopen in het geval van conflicten, instabiliteit en onrust en deze als gevolg van gedwongen ontheemding aanhoudend in het gedrang komen;

I.  overwegende dat de levensmiddelen- en voedselcrisis in de Sahel de weerbaarheid van de mensen ondermijnt, wat nog eens wordt versterkt door de elkaar snel opvolgende crises, het ontbreken van elementaire voorzieningen en de conflicten in de regio; overwegende dat deze situatie tot meer migratie zal leiden;

J.  overwegende dat migranten gedurende ieder stadium van hun tocht blootstaan aan allerlei fysieke en psychologische gevaren waaronder geweld, uitbuiting, mensenhandel en seksueel en gendergerelateerd misbruik; overwegende dat dit met name geldt voor kwetsbare personen, zoals vrouwen (bv. vrouwelijke gezinshoofden of zwangere vrouwen), kinderen - zonder begeleiding, gescheiden van of samen met hun familie - LGBTI-personen, personen met een handicap, personen die dringend behoefte hebben aan een medische behandeling en ouderen; overwegende dat deze kwetsbare groepen als onderdeel van hun hervestiging of terwijl hun asielaanvraag overeenkomstig het toepasselijk recht wordt behandeld, dringend humanitaire bescherming moeten krijgen evenals toegang tot bescherming, verwijzingsmechanismen, een verblijfsstatus en elementaire voorzieningen, waaronder gezondheidszorg;

K.  overwegende dat de toename van menselijke mobiliteit, indien zij op een veilige, ordelijke, reguliere, verantwoorde en proactieve wijze wordt beheerd, de blootstelling van migranten en vluchtelingen aan gevaar kan verlichten, aanzienlijke voordelen kan bieden, zoals wordt onderkend in de Agenda 2030, en een belangrijke factor van groei kan zijn voor de gastlanden, met inbegrip van de EU; overwegende dat deze voordelen vaak danig worden onderschat; overwegende dat de EU werkbare oplossingen moet aanreiken, waaronder het inschakelen van buitenlandse werknemers, om te anticiperen op de toenemende vergrijzing in Europa, teneinde een evenwicht te garanderen tussen mensen die betaald werk verrichten en de niet-actieve bevolking en te voorzien in de specifieke behoeften van de arbeidsmarkt;

L.  overwegende dat de EU in haar aanpak verschillende interne en externe instrumenten heeft gemobiliseerd, maar het erop lijkt dat ze zich te veel heeft gericht op de korte termijn en het inperken of stoppen van bewegingen; overwegende dat deze kortetermijnbenadering noch de oorzaken van de gedwongen ontheemding en migratie noch de humanitaire behoeften van migranten aanpakt; overwegende dat de EU-respons verder verbeterd moet worden wat betreft crisisbeheersings- en conflictpreventie-instrumenten, aangezien gewelddadige conflicten de belangrijkste oorzaak van gedwongen ontheemding vormen;

M.  overwegende dat de Europese Rekenkamer ernstige twijfels heeft geuit over de doeltreffendheid van de EU-uitgaven voor externe migratie, onder meer aan projecten met betrekking tot de mensenrechten van migranten; overwegende dat de Rekenkamer daarnaast tot de conclusie is gekomen dat veiligheid en grensbescherming de kernelementen van de Europese migratie-uitgaven vormden;

N.  overwegende dat humanitaire hulp gebaseerd op de behoeften van mensen en eerbiediging van de beginselen van menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid, evenals het internationaal humanitair recht en de mensenrechten uit hoofde van de Verdragen van Genève en de bijbehorende aanvullende protocollen, centraal moet staan in het externe optreden van de EU; overwegende dat de onafhankelijkheid van de hulp voorop moet staan, d.w.z. dat de hulp los moet staan van politieke, economische of veiligheidsoverwegingen en vrij moet zijn van enige vorm van discriminatie;

O.  overwegende dat de succesvolle tenuitvoerlegging van een op mensenrechten gebaseerd migratiebeleid vereist dat wordt ingegaan tegen negatieve percepties van migratie en dat een positieve benadering wordt ontwikkeld om migratiebewegingen te presenteren als een kans voor de gastlanden, teneinde zo het extremisme en populisme in te dammen;

P.  overwegende dat de EU de verantwoordelijkheid heeft haar uitvoerende partners te steunen bij het verlenen van snelle, doeltreffende en kwalitatief hoogwaardige hulp en bescherming en verantwoording moet afleggen aan de getroffen bevolking; overwegende dat de EU-partners, met het oog hierop, tijdige en voorspelbare financiering nodig hebben, en dat besluiten met betrekking tot de toewijzing van middelen voor veranderende of nieuwe prioriteiten hen voldoende tijd moeten geven voor hun planning en het nemen van verzachtende maatregelen;

Q.  overwegende dat gedecentraliseerde samenwerking kan bijdragen aan de verwerving van een beter beeld van de behoeften en culturen van binnenlandse ontheemden, migranten en vluchtelingen, en de lokale bevolking meer bewust kan maken van de problemen waar migranten in hun land van herkomst mee te maken hebben; overwegende dat lokale en regionale Europese overheden door middel van capaciteitsopbouw een sleutelrol kunnen spelen bij het aanpakken van deze oorzaken;

R.  overwegende dat in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie expliciet is bepaald dat "het internationaal optreden van de Unie berust en gericht is op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht"; overwegende dat overeenkomstig artikel 208 van het Verdrag van Lissabon ontwikkelingshulp als doel heeft het verminderen en uiteindelijk uitroeien van de armoede in derde landen;

Breed en principieel EU-optreden om aan mobiliteitsuitdagingen te beantwoorden

1.  onderstreept dat we in de wereld van vandaag getuige zijn van een ongekend grote menselijke mobiliteit en benadrukt dat de internationale gemeenschap dringend met een krachtiger gemeenschappelijke respons moet komen, teneinde de uitdagingen en kansen die met dit fenomeen gepaard gaan aan te pakken respectievelijk te benutten; onderstreept dat deze respons gebaseerd moet zijn op het beginsel van solidariteit en niet alleen gericht moet zijn op een op veiligheid gebaseerde benadering, maar tevens op de volledige bescherming van de rechten en waardigheid van alle mensen die door om het even welke omstandigheden zijn gedwongen huis en haard te ontvluchten op zoek naar een beter leven; benadrukt dat in het kader van iedere respons bijzondere aandacht moet worden besteed aan de meest kwetsbare personen en hulp moet worden geboden in hun landen van herkomst; benadrukt dat hoewel hun behandeling in afzonderlijke rechtskaders geregeld is, vluchtelingen en migranten dezelfde universele mensenrechten en fundamentele vrijheden hebben, die ongeacht hun wettelijke status moeten worden gewaarborgd; herinnert eraan dat de EU in al het gemeenschappelijk beleid trouw moet blijven aan haar waarden en beginselen en deze in haar externe betrekkingen moet bevorderen, inclusief de waarden die zijn vastgelegd in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie; wijst er met klem op de noodzaak van consistentie tussen het buitenlands beleid van de Unie en ander beleid met een externe dimensie;

2.  benadrukt dat dit hoge niveau van menselijke mobiliteit het gevolg is van verschillende, complexe oorzaken die op bewijs gebaseerde besluiten vergen teneinde de verschillende elementen te differentiëren en gerichte beleidsmaatregelen te formuleren; onderstreept dat de EU en haar lidstaten rekening moeten houden met deze huidige realiteit en een nieuwe benadering moeten ontwikkelen ten aanzien van de verplaatsingen van mensen op basis van reële gegevens en op basis van de belangen van de EU, door de weerbaarheid van mensen te stimuleren en hen betere toegang te verschaffen tot elementaire voorzieningen – in het bijzonder onderwijs – en verhoogde integratie en deelname binnen de lokale context door hen kansen op (zelfstandige) werkgelegenheid te bieden;

3.  benadrukt dat internationale migratie, zoals in het verleden is gebleken, een bijdrage kan leveren aan sociaaleconomische ontwikkeling, en dat daarom in verband met migratie een positief discours moet worden gehanteerd waarin wordt gestreefd naar een oprecht en objectief begrip van de kwestie en de hieraan verbonden gemeenschappelijke voordelen, teneinde xenofobe, populistische en nationalistische argumenten te ontkrachten; is daarom ingenomen met de door de VN gelanceerde "Together"-campagne, waarmee wordt beoogd de negatieve perceptie van en houding jegens vluchtelingen en migranten te verminderen, en dringt er bij de EU-instellingen op aan volledig samen te werken met de VN en deze campagne te ondersteunen; wijst op de noodzaak om mondiaal, Europees, nationaal en lokaal beleid aan te nemen dat gericht is op de middellange en lange termijn en niet uitsluitend wordt gedicteerd door directe politieke druk of nationale electorale overwegingen; benadrukt dat dit beleid coherent, betekenisvol, inclusief en flexibel moet zijn en moet beogen immigratie als menselijk fenomeen te reguleren, waarbij tevens de legitieme zorgen worden aangepakt inzake grensbeheer, maatschappelijke bescherming van kwetsbare groepen en de sociale inclusie van vluchtelingen en migranten;

4.  benadrukt dat het humanitaire hulpsysteem extreem overbelast is en dat de financiële middelen ervan nooit genoeg zullen zijn om het hoofd te bieden aan crises van gedwongen ontheemding, in het bijzonder gezien het langdurige karakter van de meerderheid van deze crises; neemt in dit verband kennis van het nieuwe beleidskader dat wordt geschetst in de mededeling van de Commissie getiteld "Gedwongen ontheemding en ontwikkeling" van april 2016 en beschouwt dit als een stap in de goede richting; verzoekt de EDEO en de Europese Commissie over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de inhoud hiervan binnen het nieuwe partnerschapskader met derde landen; wijst op het belang van een alomvattende en duurzamere benadering van migratie, inclusief de bevordering van een nauwere koppeling tussen humanitaire en ontwikkelingshulp, en op de noodzaak om met verschillende partners samen te werken – regionale actoren, regeringen, lokale autoriteiten, de diaspora, het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van vluchtelingen- en migrantenorganisaties, en de private sector – teneinde gerichte, op bewijs gebaseerde strategieën te ontwikkelen om deze uitdaging het hoofd te bieden in de wetenschap dat humanitaire hulp geen middel is ten behoeve van crisisbeheersing zoals bepaald in de Europese consensus betreffende humanitaire hulp;

5.  benadrukt dat het EU-ontwikkelingsbeleid erop gericht moet blijven om de oorzaken van gedwongen ontheemding en migratie effectief aan te pakken, te weten gewapende conflicten, vervolging op ongeacht welke gronden, gender-gerelateerd geweld, slecht bestuur, armoede, gebrek aan economische kansen en klimaatverandering, door de kwetsbaarheid van staten aan te pakken, vrede en veiligheid, conflictoplossingsprocessen en verzoeningsprocessen na conflicten, rechtvaardigheid en gelijkheid te bevorderen, en door instituties, bestuurlijke capaciteit, democratie, goed bestuur, de rechtsstaat en de eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden te versterken, overeenkomstig de 16e duurzame-ontwikkelingsdoelstelling van de nieuwe Agenda 2030 en de in het handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht vastgelegde beginselen;

6.  benadrukt dat het van belang is aandacht te besteden aan de sociaaleconomische aspecten van het fenomeen migratie, per land te analyseren wat de onderliggende oorzaken van gedwongen ontheemding en migratie zijn, en de landen van herkomst aan te moedigen maatregelen en beleid aan te nemen die leiden tot het scheppen van fatsoenlijke banen en reële economische kansen, zodat migratie een keuze in plaats van noodzaak wordt; dringt er bij de EU op aan in haar beleid te blijven streven naar de vermindering en de uiteindelijke uitbanning van armoede, de bestrijding van ongelijkheid en voedselonzekerheid, de bevordering van economische ontwikkeling, de bestrijding van corruptie en de versterking van elementaire overheidsvoorzieningen; constateert dat een succesvol beleid de noodzaak onderkent van het creëren van economische weerbaarheid in zowel het gastland als het land van herkomst; wijst op de noodzaak de samenhang van de beleidsmaatregelen voor ontwikkeling te verbeteren;

7.  benadrukt dat banen en economische kansen van cruciaal belang zijn voor het beperken van de effecten van door ontheemding veroorzaakte kwetsbaarheden; verzoekt de EU migranten en vluchtelingen te helpen op deze plekken met dergelijke kansen te komen, hen te helpen kansen te creëren in het land waar zij in ballingschap leven (onder meer door het elimineren van drempels en belemmeringen die de toegang tot de arbeidsmarkt verhinderen), en hen te helpen bij het opdoen van nieuwe vaardigheden die beter zijn toegespitst op de behoeften van de lokale arbeidsmarkt;

8.  is ingenomen met de inzet van de EU, als 's werelds grootste donor, voor humanitaire hulp, teneinde de levensomstandigheden van vluchtelingen te verbeteren; roept de EU en haar lidstaten op de reeds gedane beloften waar te maken en hun financiële toezeggingen op te voeren overeenkomstig de toenemende behoefte aan humanitaire hulp; constateert dat de humanitaire respons altijd het eerste element van een reactie is op ontheemdingscrises; benadrukt dat het internationaal recht en de humanitaire beginselen van menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid altijd als leidraad moeten worden gehanteerd in de humanitaire respons van de EU in het geval van vluchtelingencrises en crises als gevolg van gedwongen ontheemding;

9.  erkent dat de rechten en waardigheid van miljoenen medemensen nog verder zullen worden ondermijnd als zij in vluchtelingenkampen of stedelijke randgebieden wegkwijnen zonder toegang tot elementaire voorzieningen, middelen van bestaan en inkomstenbronnen;

10.  benadrukt het belang van het erkennen van de genderdimensie die een rol speelt bij migratie, die niet alleen de kwetsbaarheid van vrouwen voor alle vormen van misbruik omvat, maar ook de zeer uiteenlopende redenen voor migratie, hun rol in de reactie op noodgevallen, hun sociaaleconomische bijdragen en hun actieve deelname aan de oplossing en preventie van conflicten, alsook aan post-conflictprocessen en de wederopbouw van een democratische samenleving; stelt dat extra aandacht voor versterking van de positie van de vrouw en hun belangrijkere rol als besluitvormers daarom van cruciaal belang is, teneinde de onderliggende oorzaken van gedwongen ontheemding aan te pakken en eerbiediging van de rechten van de vrouw en hun autonomie te waarborgen in iedere fase van het migratieproces; herinnert eraan dat het belangrijk is om het EU-beleid voor de aanpak van migratie- en vluchtelingenbewegingen van een gender- en leeftijdsperspectief te voorzien;

11.  roept op tot een intensievere samenwerking met de VN en andere actoren, met inbegrip van hogere financiële bijdragen voor de UNHCR en UNWRA; benadrukt in dit verband dat de levensomstandigheden in vluchtelingenkampen moet worden verbeterd, met name wat betreft de gezondheidszorg en onderwijs, en dat geleidelijk een eind gemaakt moet worden aan de afhankelijkheid van humanitaire hulp in bestaande langdurige crises door de weerbaarheid van ontheemden te bevorderen en hen in staat te stellen om, tot hun mogelijke vrijwillige terugkeer of hervestiging, een waardig bestaan te leiden;

12.  onderstreept de belangrijke stappen die de EU heeft gezet in haar aanpak ten aanzien van de externe dimensie van de migratiecrisis, met name de strijd tegen de georganiseerde misdaad die verantwoordelijk is voor migrantensmokkel en mensenhandel, evenals de verbeterde samenwerking met de herkomst- en doorreislanden;

13.  onderstreept de noodzaak om in de landen van herkomst een kader en structuren te helpen vaststellen teneinde uitgezette, kwetsbare en gemarginaliseerde migranten te beschermen en waardig op te vangen, door hen de middelen voor een geslaagde sociaal-culturele integratie te verschaffen;

14.  herinnert eraan dat met name kwetsbare groepen, met inbegrip van vrouwen (zowel samen met hun gezin als onbegeleid), mensen met een handicap, ouderen en LGBTI-personen, blootstaan aan misbruik in alle fasen van het migratieproces; herinnert er bovendien aan dat vrouwen en meisjes groot gevaar lopen slachtoffer te worden van seksueel en gendergerelateerd geweld en discriminatie, zelfs wanneer zij een veilig geachte plek hebben bereikt; pleit ervoor deze groepen speciale bijstand en meer humanitaire bescherming te bieden als onderdeel van hun hervestigings- of integratieproces en hun voorrang te verlenen bij gendergevoelige opvangprocedures met betere inachtneming van de minimumnormen en efficiëntere regels voor gezinshereniging; dringt aan op speciale waarborgen die kwetsbare personen tijdens het asielproces moeten beschermen tegen geweld en discriminatie, en pleit ervoor hen toegang te verschaffen tot een verblijfsstatus en basisvoorzieningen, met inbegrip van gezondheidszorg en onderwijs, overeenkomstig het toepasselijke recht; verzoekt de Europese Unie om in het kader van haar samenwerking met derde landen opleidingsprogramma's te ontwikkelen die aan de specifieke behoeften van kwetsbare vluchtelingen en migranten tegemoetkomen;

15.  erkent dat kinderen een aanzienlijk deel van de migranten en vluchtelingen uitmaken en dat specifieke procedures moeten worden ontworpen en toegepast om ervoor te zorgen dat zij worden beschermd in overeenstemming met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind; dringt er bij de landen die vluchtelingen opvangen op aan vluchtelingenkinderen volledige toegang tot onderwijs te garanderen en hun integratie en inclusie in nationale onderwijsstelsels zo veel mogelijk te bevorderen; dringt er voorts bij humanitaire en ontwikkelingsorganisaties op aan meer aandacht te besteden aan het onderwijs en de opleiding van leraren van zowel ontheemde bevolkingsgroepen als gastgemeenschappen; verzoekt de internationale donoren om bij de aanpak van vluchtelingencrises prioriteit te geven aan onderwijs, door middel van programma's die tot doel hebben minderjarige migranten te bereiken en psychologisch te ondersteunen en hun de taal van het gastland te leren, met het oog op een betere integratie van vluchtelingenkinderen; is ingenomen met de financiële steun om meer onderwijs en opleiding te bieden aan Syrische kinderen en de recente verhoging van het percentage onderwijsuitgaven in de humanitaire-hulpbegroting van de EU van 4 % tot 6 %, waarmee de EU voorop loopt in de ondersteuning van onderwijsprojecten in mondiale noodsituaties; dringt aan op grotere doeltreffendheid bij de besteding van deze nieuwe financiering;

16.  erkent staatloosheid als een aanzienlijke mensenrechtenuitdaging; verzoekt de Commissie en de EDEO om staatloosheid in alle externe acties van de EU te bestrijden, met name door discriminatie in nationaliteitswetgeving op basis van geslacht, religie of een minderheidsstatus aan te pakken, door het recht van kinderen op een nationaliteit te bevorderen en door steun te geven aan de campagne van het vluchtelingenagentschap van de VN (de UNHCR) die erop gericht is om tegen 2024 een einde te maken aan staatloosheid; laakt het feit dat het verlaten van en terugkeren naar het grondgebied van sommige staten wordt belemmerd of verboden en stelt de gevolgen van staatloosheid voor de toegang tot rechten aan de kaak; verzoekt de nationale regeringen en parlementen om afschaffing van de strafrechtelijke bepalingen die migratie criminaliseren;

17.  onderstreept dat, overeenkomstig de EU-beginselen, één van de algemene doelstellingen van het externe migratiebeleid van de EU zou moeten bestaan uit de oprichting van een multilateraal bestuursstelsel, waarbij de recente VN-bijeenkomst op hoog niveau als eerste stap wordt gezien;

Beter beheerde internationale migratie een mondiale verantwoordelijkheid

18.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het recente besluit van de Amerikaanse regering om tijdelijk onderdanen uit zeven grotendeels islamitische landen de toegang tot de VS te ontzeggen en het VS-vluchtelingensysteem tijdelijk op te schorten; is van mening dat een dergelijk discriminerend besluit anti-immigratie- en xenofobe redeneringen in de hand werkt, wellicht niet in overeenstemming is met de belangrijkste internationale rechtsinstrumenten zoals het Verdrag van Genève, en de huidige mondiale inspanningen om tot een eerlijke internationale verdeling van de verantwoordelijkheden voor vluchtelingen te komen ernstig kan ondermijnen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan een krachtig gemeenschappelijk standpunt in te nemen om het internationale beschermingssysteem en de rechtszekerheid van alle getroffen bevolkingsgroepen, met name EU-burgers, te verdedigen;

19.  is verheugd over de bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de aanpak van grote vluchtelingen- en migratiestromen van 19 september 2016 en de organisatie van een leiderstop door de VS, aangezien migratiestromen een mondiale verantwoordelijkheid vormen die een doeltreffend mondiaal antwoord en nauwere samenwerking tussen alle belanghebbenden vereist teneinde tot een duurzame oplossing te komen die de mensenrechten volledig eerbiedigt; verwelkomt de uitkomst van deze topontmoetingen als een oprechte en ongekend krachtige uiting van politieke wil, en spreekt de hoop uit dat hiermee onverwijld een pad wordt ingeslagen naar een daadwerkelijk mondiale reactie en het eerlijk delen van internationale verantwoordelijkheden voor vluchtelingen en grote migratiestromen over de hele wereld; betreurt evenwel ten zeerste het gebrek aan specifieke beloftes of juridisch bindende toezeggingen op het gebied van hulp of hervormingen, die nodig zijn om de huidige kloof tussen retoriek en realiteit te dichten; dringt er bij alle betrokken partijen op aan te zorgen voor duurzame, dringende en doeltreffende politieke betrokkenheid, evenals samenwerking en de uitwisseling van kennis en ervaring met partnerlanden, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en lokale autoriteiten, en financiering en concrete handelingen van solidariteit ter ondersteuning van gastlanden; onderstreept de behoefte aan meer coördinatie tussen de EU en haar internationale partners op het niveau van de VN om migratie-uitdagingen aan te gaan; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan het voortouw te nemen bij de internationale inspanningen, en er in het bijzonder op toe te zien dat de verdragen, inclusief de toekomstige VN-pacten inzake vluchtelingen en inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie, snel in de praktijk worden gebracht, en indien nodig follow-upmechanismen tot stand te brengen;

20.  benadrukt dat mondiale samenwerking inzake migratie en mobiliteit moet voortbouwen op regionale en subregionale kaders; verzoekt de EU de samenwerkingsplannen te versterken met regionale organisaties, zoals de Afrikaanse Unie, Liga van Arabische Staten en de Raad voor Samenwerking van de Golfstaten, om tevens het beheer van de intraregionale mobiliteit te bevorderen, en onderstreept de noodzaak om deze regionale organisaties aan te moedigen zich volledig voor deze samenwerking in te zetten; merkt op dat de economische integratie in de subregio's, met name in Afrika, ook een instrument is voor een gemeenschappelijk beheer en voor de aanmoediging van zuid-zuid-initiatieven op het gebied van migratiebeheer en mobiliteit; dringt er bij de Europese Unie op aan een sterkere en geloofwaardigere rol te eisen van de Afrikaanse Unie inzake de preventie van politieke crisissen op het continent;

21.  onderstreept het feit dat de EU kan profiteren van nauwere samenwerking en synergie met multilaterale ontwikkelingsbanken en gespecialiseerde VN-organen, in het bijzonder het UNHCR en de inmiddels VN-gerelateerde Internationale Organisatie voor Migratie (IOM); neemt nota van de recent door de Wereldbank gepresenteerde ideeën ten aanzien van de situatie van gedwongen ontheemden en is verheugd over het erkennen van de noodzaak tot het ontwikkelen van verzachtende beleidsmaatregelen en een asielbeleid die de gedwongen ontheemden ondersteunen bij de integratie en de gastgemeenschappen tegelijkertijd helpen bij het behalen van hun ontwikkelingsdoelstellingen;

22.  onderstreept dat de hervestiging van gedwongen ontheemde personen een verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap is, waarbij de UNHCR een belangrijke rol speelt; dringt er bij de EU-lidstaten op aan haar eigen beloften volledig na te komen; acht het van cruciaal belang om zo spoedig mogelijk tot een gecoördineerde en duurzame respons te komen die eerlijke en toegankelijke procedures verzekert die ervoor zorgen dat mensen die internationale bescherming behoeven asiel krijgen in de Europese Unie en andere ontvangende landen, in plaats van de verantwoordelijkheid hoofdzakelijk te laten neerkomen op de landen in de frontlinie of naburige landen van conflictgebieden; benadrukt dat de financiële steun niet is opgewassen tegen de reikwijdte en schaal van de ontheemding, eens te meer daar het ontbreekt aan geschikte en doeltreffende oplossingen om de diepere oorzaken van deze gedwongen ontheemding aan te pakken;

23.  benadrukt de internationale wettelijke verplichtingen met betrekking tot vluchtelingen en roept alle landen die dit nog niet hebben gedaan op om het Vluchtelingenverdrag en het Protocol ervan te ratificeren en ten uitvoer te leggen; roept landen op de bescherming van binnenlandse ontheemden uit te breiden, zoals het geval is in mechanismen zoals het Verdrag van de Afrikaanse Unie betreffende de bescherming en ondersteuning van intern ontheemden in Afrika (Verdrag van Kampala);

24.  onderstreept dat de concepten veilige landen en veilige landen van herkomst geen hindernis mogen vormen voor individuele beoordelingen van asielaanvragen; roept op tot de verzameling van gespecialiseerde, gedetailleerde en regelmatig bijgewerkte informatie over de rechten van mensen, in het bijzonder van vrouwen, kinderen, gehandicapten en LGBTI's, in de landen van herkomst van asielzoekers, ook de landen die als veilig worden beschouwd;

25.  benadrukt dat alles in het werk moet worden gesteld om de vluchtelingen in de lidstaten en in de vluchtelingenkampen waardige leefomstandigheden te bezorgen, met name op het gebied van gezondheidszorg, de mogelijkheid om een opleiding te volgen en werkgelegenheid;

26.  onderstreept de noodzaak om onderwijsmogelijkheden te stimuleren; roept op tot harmonisatie van de erkenning van kwalificaties en de bescherming van de rechten en de socialezekerheidsdekking van arbeidsmigranten overeenkomstig de belangrijkste IAO-verdragen; roept op tot de ondertekening en ratificatie van de Internationale Conventie inzake de bescherming van de rechten van arbeidsmigranten en hun gezinsleden;

27.  is van mening dat tijdelijke of vervangende bescherming op basis van de veronderstelling dat vluchtelingen zo snel mogelijk naar huis zullen terugkeren, een gebrek aan vooruitzichten en mogelijkheden voor integratie creëert; herinnert aan het belang van de positieve rol die vluchtelingen kunnen spelen in de wederopbouw van hun gemeenschappen nadat ze naar hun landen of uit het buitenland zijn teruggekeerd;

28.  veroordeelt het dramatische aantal migrantendoden op de Middellandse Zee en drukt zijn bezorgdheid uit over het toenemende aantal mensenrechtenschendingen dat wordt gepleegd jegens migranten en asielzoekers op hun weg naar Europa;

29.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de talrijke gevallen van verdwijning van minderjarige migranten zonder begeleiding; verzoekt de Commissie en de lidstaten een databank op te zetten van minderjarigen zonder begeleiding die het grondgebied van de lidstaten zijn binnengekomen;

30.  benadrukt de noodzaak om tot duurzame diplomatieke en politieke oplossingen voor gewelddadige conflicten te komen en te investeren in effectieve vroegtijdige waarschuwings- en conflictpreventiemechanismen om deze conflicten in de toekomst te beperken; dringt er bij de EU op aan gezamenlijke diplomatieke inspanningen met internationale partners en belangrijke regionale machten en organisaties op te starten om te komen tot een krachtigere en pro-actievere rol van de EU op het gebied van conflictpreventie, bemiddeling, oplossing en verzoening, en het recht van mensen om in hun thuislanden en -regio's te blijven te waarborgen; onderstreept dat dit tot de kern van de werkzaamheden van de EDEO zou moeten behoren, die de noodzakelijke middelen en bevoegdheden moet krijgen om dat mogelijk te maken, met inbegrip van financiële en personele middelen; herinnert in dit verband aan de fundamentele rol van de EU en de speciale vertegenwoordigers; benadrukt dat het antwoord op gedwongen ontheemding en migratie op behoeften en rechten gebaseerd moet zijn, met inachtneming van de kwetsbaarheden van de bevolking, en niet beperkt moet blijven tot humanitaire bijstand, maar ook samenwerking met ontwikkelingsactoren en het maatschappelijk middenveld moet omvatten;

31.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan hun verantwoordelijkheid met betrekking tot de uitdaging die de klimaatverandering inhoudt, serieus te nemen, de Overeenkomst van Parijs snel uit te voeren en het voortouw te nemen bij de erkenning van de effecten van klimaatverandering op de massale ontheemding van mensen, aangezien de schaal en frequentie van ontheemding waarschijnlijk zullen toenemen; roept in het bijzonder de EU op om voldoende middelen ter beschikking te stellen van landen die door klimaatverandering worden getroffen om hen te helpen zich aan de gevolgen ervan aan te passen en de effecten ervan te matigen; benadrukt dat dit niet ten koste mag gaan van de traditionele ontwikkelingssamenwerking die gericht is op het terugdringen van de armoede; is van mening dat mensen die ontheemd zijn geraakt als gevolg van de effecten van klimaatverandering een bijzondere internationale beschermingsstatus moeten krijgen waarbij de specifieke kenmerken van hun situatie in aanmerking worden genomen;

32.  uit zijn lof over het werk, ondanks alle moeilijkheden en gevaren, van lokale en internationale ngo's en maatschappelijke organisaties gericht op de verstrekking van dringende en in vele gevallen levensreddende hulp aan de meest kwetsbaren, zowel in herkomst-, doorreis- als bestemmingslanden van vluchtelingen en migranten; wijst erop dat dit werk in vele gevallen de enorme leemte heeft opgevuld die de staten en de internationale gemeenschap hebben laten ontstaan;

33.  vindt het essentieel om een einde te maken aan het huidige discours over vluchtelingen, die alleen worden afgeschilderd als een last, en benadrukt de positieve bijdragen die zij, als zij hiertoe de kans krijgen, kunnen leveren aan hun gastgemeenschappen; beveelt aan vluchtelingen te betrekken bij de definitie en het ontwerp van de politieke antwoorden die hen rechtstreeks aangaan, en bij de opzet of versterking van de vereiste programma's; roept de Europese instellingen en agentschappen op binnen hun organisaties stages op te zetten die specifiek zijn gericht op jonge afgestudeerde vluchtelingen die legaal in de Europese Unie verblijven om zo het goede voorbeeld te geven en het voordeel van investeren in de jonge generatie aan te tonen;

Extern optreden van de EU en partnerschappen met derde landen

34.  benadrukt dat het extern optreden van de EU op vrede gericht en proactief moet zijn, en dat hierin vooruitgekeken moet worden in plaats van dat met wisselende doelstellingen hoofdzakelijk wordt gereageerd op nieuwe crises; ondersteunt nauwere samenwerking tussen de EU en derde landen op het gebied van veiligheid, onderwijs en informatie-uitwisseling, teneinde migratiestromen beter te beheren en nieuwe migratiecrises te vermijden; herinnert eraan dat er een complexe reeks oorzaken aan het migratiefenomeen ten grondslag ligt, zoals een groeiende bevolking, armoede, onvoldoende kansen en banen, politieke instabiliteit, mensenrechtenschendingen, politieke onderdrukking, vervolging, militaire conflicten en andere vormen van geweld en klimaatverandering; herinnert eraan dat het aanpakken van deze problemen de stimulansen voor gedwongen ontheemding en migratie kan verminderen; benadrukt de essentiële behoefte om beleidscoherentie op twee niveaus te versterken: tussen intern en extern beleid van de EU, en – in het kader van extern optreden – tussen uitbreidingsbeleid, het Europees nabuurschapsbeleid, en bilaterale relaties met de strategische partners van de EU, alsook ontwikkelings- en handelsbeleid; is van mening dat handelsbeleid met ontwikkelingslanden voor beide partijen voordelig moet zijn, waarbij er terdege rekening moet worden gehouden met de economische ongelijkheid tussen deze landen en de EU; benadrukt de belangrijke rol van de Groep van Commissarissen inzake extern optreden bij het op het hoogste niveau coördineren van het migratieoptreden van de EU en bij het geven van een impuls aan een ambitieus gezamenlijk migratiebeleid van de EU;

35.  benadrukt de noodzaak om een omvangrijke aanpak van externe conflicten en crises op te zetten door de directe en indirecte economische, milieu-, sociale, begrotings- en politieke gevolgen van ontheemding voor derde landen in kaart te brengen teneinde het ontwikkelingsbeleid beter op hun behoeften af te stemmen;

36.  herinnert eraan dat de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) die op 18 november 2015 werd voorgesteld, plannen omvat om, met het oog op bredere samenwerkingskaders, derde partnerlanden in het nabuurschap van de EU erbij te betrekken; moedigt dus de invoering aan van thematische kaders om samenwerking tussen de Unie, de zuidelijke nabuurschap en belangrijke spelers in de regio, in het bijzonder in Afrika, voor te stellen en af te stemmen op regionale uitdagingen zoals veiligheid, energie en het beheer van vluchtelingen- en migratiestromen;

37.  wijst nogmaals op het "meer-voor-meer"-beginsel als basis van het buitenlands beleid van de EU in het kader waarvan de EU steeds nauwere (financiële) partnerschappen moet uitwerken met landen die vooruitgang boeken op het gebied van democratische hervorming; benadrukt dat extra aandacht voor de verbetering van de levenskwaliteit van mensen in derde landen een van de prioriteiten van het buitenlands beleid van de EU moet zijn;

38.  roept de VV/HV, in samenwerking met de lidstaten, op te werken aan de opbouw van staats-, economische en maatschappelijke veerkracht, in het bijzonder in de naburige landen van de EU en in ruimere omliggende regio's, onder meer via het Europees nabuurschapsbeleid en andere EU-instrumenten;

39.  veroordeelt de toenemende criminalisering van migratie ten koste van de mensenrechten van de mensen in kwestie, en de slechte behandeling en het willekeurig vasthouden van vluchtelingen in derde landen; roept de VV/HV en de EDEO op dit probleem aan te pakken, onder meer in haar mensenrechtenbesprekingen en in de subcommissies bevoegd voor recht, vrijheid en veiligheid, en beschermingscapaciteiten te ontwikkelen in derde landen van doorreis;

40.  dringt aan op de totstandbrenging van een daadwerkelijk op mensenrechten gebaseerd, gemeenschappelijk Europees migratiebeleid op basis van het solidariteitsbeginsel tussen de lidstaten, zoals verankerd in artikel 80 VEU, waarbij de buitengrenzen van de EU worden beschermd en met legale kanalen voor veilige en ordelijke migratie, waaronder circulaire migratie, als een duurzaam langetermijnbeleid om groei en cohesie binnen de EU te bevorderen, teneinde een duidelijk kader voor de betrekkingen tussen de EU en derde landen op te zetten; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan een Europese blauwe kaart-regeling in te voeren om economische migratie beter te beheren; waarschuwt dat elk beleid dat in strijd is met de in artikel 8 VEU en het Handvest van de grondrechten vastgelegde kernwaarden van de EU schadelijk zou zijn voor de geloofwaardigheid van de EU en voor haar capaciteit om invloed uit te oefenen op internationale ontwikkelingen; stelt vast dat in het kader van het externe EU-migratiebeleid overeenkomsten met derde landen gedicteerd moeten worden door langetermijndoelstellingen met het doel duurzame partnerschappen tot stand te brengen; herhaalt dat dergelijke partnerschappen gebaseerd moeten zijn op dialoog, gezamenlijke belangen en wederzijds ownership; is ingenomen met het EU-actieplan tegen migrantensmokkel (2015-2020) dat nauwere samenwerking met derde landen beoogt, maar onderstreept dat de tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijk EU-beleid voor legale migratie een cruciale rol zou spelen bij het doorbreken van het verdienmodel van smokkelaars en de aanpak van mensenhandel; roept de Commissie op het bestaande EU-acquis volledig af te stemmen op het VN-protocol tegen smokkel en te zorgen voor gepaste bescherming voor migranten die het slachtoffer zijn van geweld of misbruik;

41.  dringt erop aan dat in elk akkoord met derde landen de rechten van migranten, ongeacht hun status, in overeenstemming met het internationale recht worden gewaarborgd en de vaststelling van adequate wetgeving, in het bijzonder op het gebied van asiel, wordt bevorderd, hetgeen met name betekent dat het louter irregulier inreizen in een land niet kan worden opgevat als reden voor opsluiting;

42.  herinnert aan het belang van de samenwerking met derde landen bij de strijd tegen mensensmokkelaars en mensensmokkel, zodat de netwerken zo dicht mogelijk bij de bron kunnen worden aangepakt; benadrukt in dit verband dat de justitiële en politiële samenwerking met die landen moet worden versterkt om de netwerken op te sporen en te ontmantelen; herinnert er tevens aan dat de capaciteiten in die landen moeten worden versterkt, zodat zij de verantwoordelijken doeltreffend kunnen vervolgen en bestraffen; verlangt derhalve dat de samenwerking tussen de Unie, de lidstaten, Europol, Eurojust en de betrokken derde landen wordt gestimuleerd; wijst er nogmaals op dat maatregelen ter bestrijding van mensenhandel geen afbreuk mogen doen aan de rechten van slachtoffers van mensenhandel, migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming behoeven; verlangt dat er onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan de detentie van slachtoffers van mensenhandel en kinderen;

43.  herinnert eraan dat de netwerken van mensenhandelaars en ‑smokkelaars bij hun criminele activiteiten volop gebruik maken van het internet en dat het dus voor de Unie essentieel is haar optreden, met name binnen Europol en de eenheid voor de melding van internetuitingen (EU IRU), en haar samenwerking met de derde landen op dat gebied uit te breiden;

44.  wijst erop dat de mensensmokkelaars gebruik kunnen maken van legale migratiewegen om hun slachtoffers op Europees grondgebied te krijgen; is van mening dat een van de criteria waaraan derde landen moeten voldoen voordat er visumliberaliseringsovereenkomsten met de Unie kunnen worden gesloten specifiek moet zijn dat zij meewerken aan de bestrijding van mensenhandel; verzoekt de Commissie om bij elke bespreking in het kader van onderhandelingen over dergelijke overeenkomsten bijzondere aandacht te besteden aan deze problematiek, alsook aan die van de bestrijding van smokkelaars;

45.  is verheugd over de visie dat de EU duidelijke prioriteiten en meetbare doelen moet stellen voor gemeenschappelijk beleid en in het bijzonder voor het omgaan met derde landen; onderstreept dat het Parlement betrokken moet zijn bij het opstellen van deze duidelijke doelen; is van mening dat het extern optreden van de EU op basis van een gezamenlijke aanpak de enige manier is om een sterker en doeltreffend beleid te waarborgen; roept op tot werkelijk verenigd en gecoördineerd optreden tussen de EU en de lidstaten, aangezien unilaterale initiatieven, in binnen- of buitenlandse zaken, de leefbaarheid en het succes van onze gemeenschappelijke beleidslijnen en belangen kan ondermijnen;

46.  roept op tot betere bescherming van de buitengrenzen van de EU met als doel het irregulier binnenkomen in de EU te voorkomen, waardoor mensensmokkel wordt aangepakt en het verlies van levens op zee wordt voorkomen; is in deze context verheugd over de oprichting van de Europese grens- en kustwacht, die voortbouwt op Frontex, aangezien dit zal helpen migratie doeltreffender te beheren; benadrukt evenwel de behoefte aan meer financiële en technische hulp voor grensbescherming voor alle zuidoostelijke EU-lidstaten, EU-kandidaat-lidstaten en andere partnerlanden in de regio; betreurt met name het ontbreken van parlementaire controle op de externe activiteiten van het Europees grenswachtagentschap, en verlangt in dit verband dat het nieuwe Europees grens- en kustwachtagentschap stelselmatig verslag uitbrengt aan het Parlement over de uitvoering van zijn werkregelingen en gezamenlijke operaties met derde landen in samenwerking met het maatschappelijk middenveld;

47.  benadrukt dat het openen van veilige en legale kanalen voor asielzoekers en potentiële migranten hen in staat zou stellen gebruik te maken van formele in- en uitreiskanalen, zodat het bedrijfsmodel van mensenhandelaren en de hiermee verwante georganiseerde misdaad zouden worden ondermijnd; benadrukt dat het ontbreken van legale migratieroutes vaak leidt tot een toename van irreguliere mobiliteitsmethoden, hetgeen op zijn beurt resulteert in grotere kwetsbaarheid en risico's op misbruik gedurende alle fasen van de migratie- en vluchtelingenbeweging; dringt in dit verband aan op de dringende, specifieke en concrete totstandbrenging van georganiseerde, veilige en legale routes naar de EU als geheel, waaronder effectievere geinsherenigingsregelingen en hervestigingsprogramma's; verzoekt de lidstaten eens te meer om gebruik te maken van eventueel bestaande mogelijkheden om, vooral voor kwetsbare personen in het bijzonder minderjarigen zonder begeleiding, humanitaire visa te verstrekken in EU-ambassades en -consulaten in herkomst- of doorreislanden; pleit ervoor dat het gemeenschappelijk Europees asielstelsel het ook mogelijk maakt dat asielaanvragen en de verwerking van asielverzoeken buiten de EU of aan de buitengrenzen van de EU plaatsvinden; dringt aan op EU-steun bij de opzet van humanitaire corridors in geval van ernstige ontheemdings- en vluchtelingencrises, met als doel humanitaire hulp te verstrekken en te waarborgen dat in de basisbehoeften van de vluchtelingen wordt voorzien en dat hun mensenrechten worden gerespecteerd; neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor een hervestigingskader van de Unie, maar dringt erop aan dat er op het niveau van de Unie verder wordt gewerkt aan de totstandbrenging en uitbreiding van legale wegen als aanvulling op de hervestiging;

48.  neemt kennis van het nieuwe partnerschapskader met derde landen en beschouwt het als een teken van werkelijke politieke actie, aangezien het, met zijn tweeledige aanpak, beoogt om kortetermijndoelstellingen aan te pakken zoals het redden van levens op de Middellandse Zee en het verhogen van het terugkeerpercentage naar herkomst- en doorreislanden alsook langetermijndoelstellingen zoals de aanpak van onderliggende oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding door versterkte EU-steun aan derde landen voor capaciteitsopbouw en door hun politieke, sociale en economische situatie te verbeteren; benadrukt dat het in de mededeling van juni 2016 beschreven succes van de benadering afhankelijk is van het vermogen van de EU om werkelijke, gezamenlijk overeengekomen stimulansen te bieden aan derde doorreis- of herkomstlanden, en is bezorgd over het beperkte aanbod dat hoofdzakelijk gericht is op grensbeheer of regelingen voor begeleiding bij vrijwillige terugkeer, terwijl deze elementen, hoewel essentieel en noodzakelijk, slechts een deel van het antwoord op korte termijn op een uiterst complexe situatie vormen; wijst erop dat de nieuwe partnerschapskaders niet de enige pijler moeten worden van de Europese actie op het terrein van de migratie maar dat dit antwoord in evenwicht moet worden gebracht en worden aangevuld, met aandacht voor de ontwikkeling van lokale economieën, kwalificatie en regionale mobiliteit en betere bescherming in doorreis- en herkomstlanden

49.  herhaalt het belang van een evenwichtige benadering in het nieuwe partnerschapskader; waarschuwt tegen een kwantitatieve benadering in het nieuwe partnerschapskader en de daaraan gekoppelde migratiepacten, waarin "de meetbare toename van het aantal en het percentage terugkerende migranten" als de voornaamste doelstelling van de EU wordt beschouwd; wijst erop dat het aantal terugkerende migranten duidelijk afhangt van de aard van migratiestromen en de situatie in de landen van herkomst; benadrukt dat de kortetermijndoelstellingen van de pacten gericht zouden moeten zijn op de vraag hoe de problemen in derde landen het beste kunnen worden aangepakt, onder meer door de totstandbrenging van kanalen voor legale migratie die ertoe zal leiden dat het niveau van irreguliere migratie en het dodental in de Middellandse Zee zullen afnemen; dringt aan op meer studiebeurzen voor jongeren uit derde landen; is verheugd over het feit dat de EU-programma's voor terugkeer en herintegratie capaciteitsopbouw en de verbetering van migratiebeheer in de doorreis- en herkomstlanden ondersteunen; dringt aan op een evaluatie van de uitvoering van het terugkeerbeleid van de EU; wijst erop dat derde landen hun verplichtingen in het kader van overnameovereenkomsten moeten nakomen;

50.  benadrukt de noodzaak om nauwe partnerschappen op het gebied van migratiekwesties op te bouwen met kandidaat-landen en mogelijke kandidaat-landen voor EU-toetreding in de westelijke Balkanregio en om de nodige steun en samenwerking te verlenen bij het beheer van migratiestromen in de regio;

51.  dringt aan op mobiliteitspartnerschappen en circulaire-migratieovereenkomsten om de verplaatsing van onderdanen van derde landen tussen hun landen en de EU te vergemakkelijken en de sociaaleconomische ontwikkeling van beide partijen te ondersteunen;

52.  benadrukt dat de EU zich in het kader van haar opleidingsactiviteiten en de uitwisseling van goede praktijken met derde landen moet richten op het relevante Unie- en internationaal recht en de desbetreffende praktijk, waaronder de grondrechten, de toegang tot internationale bescherming, opsporing en redding alsmede een betere identificatie van en steunverlening aan personen in een kwetsbare situatie; is van mening dat dit met name geldt voor opleidingen in verband met grensbeheer, die in geen geval mogen worden gebruikt als middel om te voorkomen dat mensen hun land verlaten, zoals geregeld in het internationaal recht;

53.  roept op tot de hoogste waakzaamheid ten aanzien van de behandeling van migranten die naar hun land van herkomst of naar een derde land worden teruggestuurd; is van mening dat bij elke dialoog over terugkeer of overname, met name in het kader van overnameovereenkomsten, systematisch de kwestie van de veilige terugkeer en herintegratie van de migranten aan de orde moet worden gesteld; onderstreept dat hun volledige veiligheid moet worden geboden en dat zij moeten worden beschermd tegen vernederende en onmenselijke behandeling, ook in detentiecentra, en dat de Unie steun moet verlenen aan programma's voor de herintegratie; wijst erop dat niemand gedwongen mag worden uitgezet of teruggestuurd naar landen waar zijn leven of vrijheid gevaar kan lopen om redenen van afkomst, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, of waar een kans bestaat op foltering, vernederende behandeling en meer in het algemeen schending van mensenrechten; wijst erop dat collectieve uitzettingen en refoulement volgens het internationaal recht verboden zijn;

54.  houdt de verantwoordelijken voor het buitenlandse en het ontwikkelingsbeleid voor dat bij terugkeeroperaties de onschendbaarheid en correcte behandeling van de teruggevoerde personen moeten worden gewaarborgd; spoort de Commissie en de lidstaten aan om begeleidingsprogramma's te ontwikkelen waarmee zich in de herkomstlanden concrete hulpprogramma's laten realiseren die zowel beroepsonderwijsprogramma's behelzen als programma's voor economische structuren zoals start‑ups en kleine ondernemingen, en professionele en academische uitwisselingsprogramma's met EU‑lidstaten;

55.  onderstreept dat partnerschapsovereenkomsten zoals mobiliteitspartnerschappen ervoor moeten zorgen dat migranten veilig kunnen worden opgevangen in doorreis- en herkomstlanden, op een wijze die volledig strookt met hun fundamentele rechten; benadrukt dat het Parlement een duidelijke stem heeft in de overname- en mobiliteitsovereenkomsten zoals vermeld in het Verdrag van Lissabon (artikel 79, lid 3, VWEU) en onderstreept met name dat het Parlement vooraf zijn goedkeuring moet geven aan de sluiting van associatie- en soortgelijke overeenkomsten (artikel 218, lid 6, onder v), VWEU) en in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle moet worden geïnformeerd (artikel 218, lid 10, VWEU);

56.  herinnert aan het standpunt dat het Parlement heeft verwoord in zijn resolutie van 12 april 2016, namelijk dat overnameovereenkomsten van de Unie te verkiezen zijn boven bilaterale akkoorden van de lidstaten met derde landen; herinnert eraan dat er recentelijk een nieuw Europees terugkeerdocument is ingevoerd en benadrukt dat in elke nieuwe overnameovereenkomst stelselmatig moet worden aangedrongen op erkenning daarvan;

57.  is ingenomen met de dialogen op hoog niveau die namens de gehele EU worden gevoerd door de VV/HV en de Commissie en in sommige gevallen door de lidstaten, en beschouwt deze dialogen als goede en effectieve praktijken die coördinatie bevorderen; benadrukt dat de Commissie en de EDEO de coördinatie op zich moeten nemen; dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan het Parlement geregeld op de hoogte te houden van deze dialogen en verslag uit te brengen over de precieze operationele tenuitvoerlegging van de processen van Rabat en Khartoem en over de prioritaire initiatieven waarover tijdens de top in Valletta overeenstemming is bereikt; wijst er nogmaals op dat de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de partnerschappen tussen de EU en derde landen een essentiële voorwaarde is voor het succes van het migratiebeleid van de Unie; betreurt dat de pakketten die door de Commissie, de EDEO en de lidstaten voor prioritaire landen zijn ontworpen als onderdeel van het nieuwe partnerschapskader niet zijn gepresenteerd aan, besproken met of geratificeerd door de gekozen vertegenwoordigers van de Europese burgers; hekelt dit gebrek aan transparantie en dringt aan op de betrokkenheid van het Parlement bij de opstelling van de migratiepacten en het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan, wat moet zorgen voor de volledige naleving van mensenrechten, internationaal humanitair recht en de verbintenissen van het EU-verdrag betreffende ontwikkeling;

58.  wijst erop dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling vereist dat de EU en partnerlanden goed-beheerde migratiedynamieken integreren in hun strategieën voor duurzame ontwikkeling; verzoekt, wat dit betreft, de Commissie en de EDEO om de doorreislanden bij te staan bij de uitwerking van strategieën voor de integratie van migranten en bij het inrichten van asielstelsels met een hoog veiligheidsniveau;

59.  onderstreept dat EU-ontwikkelingshulp en -samenwerking toegespitst dient te zijn op het verwezenlijken van ontwikkeling en groei in derde landen - waarmee tevens de groei in de EU zelf wordt bevorderd - en op de terugdringing en uiteindelijke uitbanning van armoede overeenkomstig artikel 208 van het VWEU, en niet op het aanzetten van derde landen om mee te werken aan het opnemen van irreguliere migranten, mensen sterk te ontmoedigen om te verhuizen of stromen richting Europa te stoppen; herinnert eraan dat zowel donoren als de regeringen van landen die hulp ontvangen moeten samenwerken om de doeltreffendheid van hulp te verbeteren; stelt vast dat migratiestromen een internationale realiteit zijn en geen indicator mogen worden van de prestaties van het externe EU-migratiebeleid, en dat overeenkomsten met derde landen gebaseerd moeten worden op langetermijndoelstellingen, duurzame partnerschappen en de eerbiediging van mensenrechten;

60.  onderstreept hoe belangrijk het is dat het maatschappelijk middenveld geraadpleegd wordt in het kader van al het externe beleid van de Unie en dat bij alle beleidsmaatregelen en processen in verband met migratie bijzondere aandacht wordt besteed aan volledige participatie, transparantie en passende informatieverspreiding;

61.  verzoekt de Commissie nauw samen te werken met ngo's en deskundigen die in de landen van herkomst van asielzoekers werkzaam zijn, om in kaart te brengen hoe individuele personen en maatschappelijke groepen die in de meest kwetsbare situatie verkeren, optimaal kunnen worden bijgestaan; roept de Commissie op samen te werken met ngo's en deskundigen in de landen van herkomst van asielzoekers teneinde de best werkende mechanismen en instrumenten voor conflictpreventie te vinden;

62.  benadrukt dat, om dubbele inspanningen te vermijden, het effect en de doeltreffendheid van wereldwijde hulp zo groot mogelijk moeten zijn en de meeste aandacht moet gaan naar ontwikkeling, en dat de Commissie een sterke dialoog moet onderhouden met lokale en internationale ngo's, het maatschappelijk middenveld en lokale regeringen in partnerlanden alsook met de VN bij het ontwerp, de tenuitvoerlegging en de evaluatie van het beleid inzake migratie, ontheemding en vluchtelingen;

63.  vestigt de aandacht op de intentie om programmeringsdocumenten van ontwikkelingssamenwerking te herzien zodat de nieuwe migratiepacten erin kunnen worden opgenomen; benadrukt dat deze herziening moet worden verricht overeenkomstig beginselen voor doeltreffendheid van ontwikkeling en in samenspraak met partnerlanden, Europese en lokale organisaties van het maatschappelijk middenveld en de private sector; roept op het Parlement volledig te betrekken bij alle stadia van de herziening, met inbegrip van programmeringsdocumenten die deel uitmaken van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF); roept de lidstaten op hun ontwikkelingshulp te hervormen, in overeenstemming met de verbintenis om 0,7 % van het bni aan ontwikkelingshulp te besteden, teneinde de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te bereiken;

64.  roept op tot een evenwichtige discussie tussen de EU en haar externe partners; beveelt aan dat de EU en haar lidstaten zich ertoe verbinden ruimere mogelijkheden voor legale migratie naar de EU te bieden, voor mensen die bescherming zoeken, willen werken of studeren, of in het kader van gezinshereniging;

65.  roept de lidstaten en de Commissie op alle nodige maatregelen te nemen om snellere, goedkopere en veiligere overbrenging van migranten te bevorderen, zowel in herkomst- als in ontvangende landen, ook via een vermindering van transactiekosten zoals vermeld in de New York-verklaring over vluchtelingen en migranten van 19 september 2016;

66.  is uiterst bezorgd over het voortdurende conflict in Syrië, waar geweld tegen burgers, aanvallen op civiele infrastructuur en ziekenhuizen en schendingen van het internationaal humanitair recht de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot de gedwongen ontheemding van de halve bevolking; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de middelen voor conflictpreventie en crisisbeheersing te verbeteren en een grotere rol te spelen in conflictoplossing in nabuurschapslanden van de EU en in het bijzonder in het Syrische conflict; spreekt zijn volledig steun uit voor de buurlanden van Syrië, die buitengewone solidariteit blijven tonen door ondanks hun beperkte middelen miljoenen vluchtelingen op te vangen; herinnert eraan dat een groot aantal van deze vluchtelingen nog steeds onder erbarmelijke omstandigheden leven, met geen of beperkte toegang tot wettelijke erkenning, gezondheids- en onderwijssystemen of arbeidsmarkten; is zeer bezorgd over het lot en de humanitaire situatie van de 75 000 mensen die vastzitten aan de Jordaanse grens in het informele kamp van Rukban; roept de EU en haar lidstaten op hun samenwerking en dialoog met Libanon en Jordanië en met andere derde gastlanden voort te zetten en te intensiveren, en de financiële steun via internationale organisaties en Europese kanalen te verhogen, om er ten eerste voor te zorgen dat vluchtelingenpopulaties in menswaardige omstandigheden kunnen leven, toegang krijgen tot basisdiensten en het recht krijgen om zich vrij te bewegen en te werken, en ten tweede te waarborgen dat met financiële middelen de uiteindelijke doelstellingen worden gerealiseerd; benadrukt dat dit gepaard moet gaan met hulp aan de gastgemeenschappen, teneinde hun economische weerbaarheid te versterken;

67.  stelt vast dat, na de tenuitvoerlegging van de politieke overeenkomst die de lidstaten en Turkije op 18 maart 2016 hebben bereikt, het aantal mensen dat in de frontlijn-lidstaten arriveert, is afgenomen; wijst met klem op de zorgen met betrekking tot deze politieke overeenkomst zoals openbaar aan de orde gesteld door internationale humanitaire organisaties, vooral met betrekking tot de naleving van internationale wetgeving en de mensenrechten; is bezorgd over de situatie in Turkije en het mogelijk effect van deze situatie op de beschouwing van Turkije als een veilig land; benadrukt dat visumliberalisering voor Turkije niet mag worden beschouwd als een beloning voor samenwerking met de EU op het gebied van migratie maar als het resultaat van het strikt naleven van alle criteria die de EU vooropstelt; waarschuwt tegen de overname van dit model in andere landen aangezien elk land en elke regio afzonderlijk moeten worden bekeken;

68.  is uiterst bezorgd over de mensenrechtensituatie in Turkije, waar basisrechten zoals vrijheid van meningsuiting of van bijeenkomst voortdurend worden geschonden, waar de bevolking in het zuidoosten van het land door haar eigen regering wordt aangevallen, waar meer dan 30 000 ambtenaren op politieke gronden zijn ontslagen, en waar meer dan 130 mediakanalen door de overheid zijn gesloten;

69.  betreurt het gebrek aan overleg en transparantie in de formulering van de recent ondertekende gezamenlijke koersbepaling van de EU en Afghanistan inzake migratie, die hoofdzakelijk is toegespitst op overnames en waarin onbeperkte, al dan niet vrijwillige terugkeer van Afghaanse burgers wordt overwogen; is bezorgd over de mogelijke gevolgen voor Afghaanse asielzoekers, die in 2016 in de EU de op een na grootste nationaliteitsgroep van asielaanvragers vormden; herinnert eraan dat terugkeer alleen kan plaatsvinden nadat elk individueel geval grondig is bestudeerd met volledige naleving van de rechten en roept de EU en de lidstaten op de nodige middelen toe te kennen om huidige administratieve en gerechtelijke procedures te versnellen;

70.  betreurt ten zeerste dat de EU en haar lidstaten, in het kader van het migratiebeleid van de EU en de reactie op de vluchtelingenbewegingen, hebben gekozen voor de sluiting van overeenkomsten met derde landen, waardoor de parlementaire controle die met de Gemeenschapsmethode is verbonden, wordt omzeild; roept de Commissie op ten minste een halfjaarlijks evaluatiemechanisme in te bouwen voor alle politieke verklaringen die met derde landen worden ondertekend om de voortzetting of sluiting van deze overeenkomsten te beoordelen; benadrukt dat de bescherming van mensenrechten moet worden opgenomen in alle overeenkomsten die zijn gesloten in het kader van migratie- en vluchtelingenbeleid;

71.  benadrukt dat het EU-beleid ten aanzien van Afrika de komende jaren en decennia een van de sleutelelementen voor stabiliteit en ontwikkeling is; is van mening dat de EU de aandacht moet blijven vestigen op de landengordel die door de Sahelregio en de Hoorn van Afrika loopt, alsook op instabiele gebieden ten noorden en zuiden ervan; benadrukt het verband tussen ontwikkeling, veiligheid en migratie en roept op tot nauwere samenwerking inzake conflictpreventie en -beheer, alsook inzake de aanpak van de diepere oorzaken van destabilisering, gedwongen ontheemding en irreguliere migratie, door veerkracht en economische en gelijke kansen te bevorderen en door mensenrechtenschending te voorkomen; is van mening dat de EU een centrale rol moet spelen in de stabilisering van Libië, ook als een middel om de voortdurende mensenrechtenschendingen die Libiërs, vluchtelingen en migranten treffen een halt toe te roepen;

Passende middelen voor actie

72.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor een nieuw en ambitieus extern investeringsplan om investeringen in de naburige landen van de EU en in ontwikkelingslanden te genereren mits dit volledig transparant wordt gerealiseerd en de investeringen bijdragen aan de verbetering van de toestand van de begunstigde landen, waarbij corruptie en wanbestuur worden bestreden; stelt vast dat het voorgestelde Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling deels zal worden gefinancierd door middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), hetgeen betekent dat ontwikkelingsfondsen worden gebruikt om investeringen door de private sector te bevorderen; is van mening dat ondersteuning van de private sector in derde landen in combinatie met de bevordering van een klimaat van goed bestuur en goede ondernemingspraktijken, niet als een nieuwe maatregel moet worden gepresenteerd maar verder moet worden uitgebreid; dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor coherentie tussen externe financieringsinstrumenten – bijvoorbeeld het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het EOF – en projecten, zodat de EU-hulp kan worden gericht op prioriteiten en een versnippering van middelen en inspanningen wordt vermeden; benadrukt dat het additionaliteitsbeginsel systematisch moet worden toegepast, zowel wat de keuze van te ondersteunen beleid als de financiële tenuitvoerlegging ervan betreft;

73.  benadrukt dat het bedrag van 3,35 miljard euro dat specifiek bestemd is voor het nieuwe Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling als onderdeel van het extern investeringsplan overeenstemt met meer dan 5 % van de totale beschikbare fondsen van het EOF, het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het ENI onder het meerjarig financieel kader (MFK); roept de Commissie op meer details te verstrekken over deze raming en de verwachte invloed ervan, en aan te geven op basis waarvan zij verwacht dat lidstaten, andere donoren en private partners tot 44 miljard euro zullen bijdragen, terwijl sommige lidstaten nog steeds niet hebben bijgedragen aan de huidige trustfondsen;

74.  bepleit voldoende middelen toe te wijzen aan specifieke maatregelen die zijn gericht op de tijd die vluchtelingen of ontheemden doorbrengen in tijdelijke beschermende omstandigheden, die een periode moet vormen vol groei- en ontwikkelingsmogelijkheden voor alle leeftijden, dus onderwijs voor de allerkleinsten, beroepsopleiding voor jongvolwassenen en werk voor volwassenen; stelt dat het land van oorsprong op deze manier kan rekenen op "vernieuwende" en "scheppende" krachten wanneer de mogelijkheid zich voordoet om naar huis terug te keren, in plaats van personen die zijn afgestompt door een periode van vruchteloos afwachten zonder daadwerkelijke vooruitzichten;

75.  is verheugd over het voorstel van de Commissie betreffende de herziening van het MFK, en in het bijzonder over het uitrusten van de EU-begroting met bredere crisisinstrumenten; verwacht dat bij de voorgestelde herziening van de financiële regels, verantwoordingsplicht en goed financieel beheer zullen worden versterkt; benadrukt dat om de onderliggende oorzaken van de migratiestromen aan te pakken derde landen eveneens moeten worden geholpen met capaciteitsopbouw;

76.  onderstreept dat de EU zichzelf de nodige middelen moet toekennen om haar doelstellingen te behalen en haar beleid uit te voeren (artikel 311, VWEU), aangezien zij zonder toereikende financiering de taken die van haar verwacht worden niet kan vervullen noch kan voldoen aan de verwachtingen van de Europese bevolking; wijst met klem op de menselijke, politieke en economische kosten van passiviteit; wijst erop dat de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) – of ten laatste de onderhandelingen over het volgende MFK – een noodzakelijke gelegenheid biedt voor de herziening van de externe instrumenten op het gebied van migratie, alsook voor een verhoging van de EU-begroting die het mogelijk maakt een einde te maken aan ad-hocinstrumenten en de eenheid van de begroting te herstellen; wijst met klem op het belang van de controlerende rol die ook op dit terrein is voorbehouden aan het Europees Parlement; betreurt ten zeerste dat de Commissie geen verhoging van de begrotingsmiddelen voor extern optreden heeft voorgesteld - een toch al vrij lage begrotingstitel -, maar in plaats daarvan middelen uit ontwikkelingsinstrumenten naar migratie overhevelt, en dus van andere prioriteiten afwijkt;

77.  merkt op dat door de focus van de externe financieringsinstrumenten van de EU te verleggen naar veiligheid, vredesopbouw en conflictresolutie, migratie en grensbeheer, nieuwe uitdagingen ontstaan met betrekking tot de aanvankelijke doelstellingen en beginselen van deze instrumenten;

78.  onderstreept dat het aanpakken van nieuwe en chronische rampen en kwetsbaarheden voorspelbare investeringen op de lange termijn en naleving van de nieuwe agenda voor duurzame ontwikkeling verlangt, voornamelijk door gezamenlijke risicobeoordeling, planning en financiering te bevorderen tussen actoren op het gebied van humanitaire bijstand, ontwikkeling, vredesopbouw en klimaatverandering;

79.  acht het van cruciaal belang dat de rechtstaat en de strijd tegen corruptie centrale elementen zijn van het optreden van de EU in de landen van herkomst; onderstreept het belang van voldoende controle op het gebruik van voor derde landen bestemde financiële middelen om ervoor te zorgen dat deze daadwerkelijk worden gebruikt voor de beoogde doeleinden;

80.  wijst erop dat de oprichting van trustfondsen en financiële ad-hocinstrumenten weliswaar helpt om middelen te bundelen en het EU-optreden te versnellen en flexibeler te maken, doch tevens de beginselen voor doeltreffendheid van ontwikkeling in gevaar kan brengen en de eenheid van de begroting en de begrotingsautoriteit van het Parlement ondermijnt; dringt daarom aan op een grotere toezichtsfunctie van het Parlement bij het gebruik van deze instrumenten, onder meer door, maar niet beperkt tot, deelname aan de stuurcomités; herinnert eraan dat de effectiviteit van trustfondsen in grote mate afhankelijk is van de bereidheid van de lidstaten om bij te dragen en van hun volledige betrokkenheid; verlangt dat dergelijke instrumenten met spoed onder toezicht van het Parlement worden gesteld en dringt aan op richtsnoeren voor de opname ervan in de EU-begroting en de bevoegdheden van de Unie;

81.  herinnert eraan dat het noodtrustfonds voor stabiliteit met het oog op de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika, gelanceerd tijdens de top van Valletta, over 3,6 miljard euro zou moeten beschikken; dringt er bij de lidstaten op aan hetzelfde bedrag vrij te maken als het bedrag van 1,8 miljard euro dat werd vrijgemaakt door de Europese Commissie;

82.  roept de trustfondsen op dezelfde regels en voorschriften te volgen die van toepassing zijn op traditionele financieringsinstrumenten van de EU inzake transparantie, gelijke behandeling van partners en de capaciteit om partners voorspelbare en tijdelijke financiering te verstrekken;

83.  drukt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de ontwerpbegroting voor 2017 van de EU voorziet in een toename van het beheer van migratiestromen of binnenlandse veiligheidsinitiatieven ten koste van EU-cohesiefondsen en -optreden in de rest van de wereld;

84.  dringt er bij de EU op aan de impact van de gefinancierde acties voor migratie, ontheemding en vluchtelingen zorgvuldig en stelselmatig te beoordelen op basis van de kwaliteit van de verstrekte humanitaire en ontwikkelingshulp;

85.  benadrukt dat doelgerichte steun gebaseerd op de lokale situatie een belangrijk element is voor een doeltreffend en resultaatgericht beleid, en dat over dergelijke steun met derde landen moet worden onderhandeld; roept de Commissie en de lidstaten op duidelijke en meetbare doelstellingen op te stellen die coherent en gecoördineerd ten uitvoer moeten worden gelegd door de financiële instrumenten, met inbegrip van trustfondsen;

86.  is ingenomen met de inzet van missies van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) zoals EUCAP Sahel Niger en EUNAVFOR MED Operation Sophia, die verder moet worden versterkt als een middel om de buitengrenzen van de EU te beschermen en mensenhandel en het smokkelen van migranten te bestrijden; ondersteunt de samenwerking met de NAVO en EU-initiatieven zoals het gezamenlijke operationele team van Europol "Mare" om inlichtingen te verzamelen en te delen en smokkelaars te bestrijden, waarbij moet worden onderstreept dat mondiale mobiliteit niet als een bedreiging maar als een opportuniteit zou moeten worden beschouwd; herinnert er in deze context aan dat het redden van levens op zee en het waarborgen van de rechten van migranten bij al deze operaties op de eerste plaats moeten komen; beveelt het gebruik aan van GVDB-instrumenten voor vroegtijdige waarschuwingen, bemiddeling en conflictoplossing, maar benadrukt tegelijkertijd dat het van groot belang is om duurzame oplossingen voor conflictsituaties in een zo vroeg mogelijk stadium te plannen;

87.  herinnert aan het strategisch partnerschap tussen de EU en de VN op het gebied van vredeshandhaving en crisisbeheersing en de prioriteiten daarvan voor 2015-2018, zoals overeengekomen in maart 2015; moedigt de EU aan tot verdere inspanningen om rekening te houden met de sleutelrol van andere organisaties en landen en om de bijdragen van lidstaten te faciliteren; vindt het betreurenswaardig dat slechts 11 van de 28 EU-lidstaten toezeggingen hebben gedaan tijdens de topbijeenkomst inzake vredeshandhaving van 28 september 2015; verzoekt de EU-lidstaten hun militaire en politionele deelname aan VN-vredeshandhavingsmissies aanzienlijk uit te breiden;

88.  is verheugd over en ondersteunt de initiatieven van de Europese Investeringsbank om economische veerkracht in de zuidelijke buurlanden van de EU en de westelijke Balkanregio's te ondersteunen aan de hand van projecten die leiden tot het scheppen van banen, economische veerkracht en armoedebestrijding, overeenkomstig het buitenlands beleid van de Europese Unie;

89.  dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan het Parlement en het publiek zo snel mogelijk een gedetailleerd overzicht te verschaffen van de verschillende financieringsinstrumenten en -programma's – en hoe zij aansluiten op de programma's in de lidstaten – in de 16 prioritaire landen(6) waarmee de EU dialogen op hoog niveau voert over migratie en die onder de totaalaanpak van migratie en mobiliteit vallen; is uitermate bezorgd over het feit dat tot deze prioritaire landen eveneens repressieve regimes behoren die er zelf de hoofdoorzaak van zijn dat vluchtelingen hun land ontvluchten; herinnert eraan dat de totaalaanpak van migratie en mobiliteit het overkoepelende kader van de EU blijft voor externe migratie- en asielbeleid, maar wijst erop dat er in recente beleidsinitiatieven nauwelijks naar wordt verwezen; dringt bijgevolg aan op een verduidelijking van de relevantie van deze totaalaanpak in de huidige context, alsook op een herziening van de totaalaanpak van migratie en mobiliteit overeenkomstig de aanbevelingen van de IOM;

90.  is verheugd over het inzetten van Europese verbindingsofficieren inzake migratie in prioritaire landen als een eerste stap om de samenwerking van de EU met derde landen op het gebied van migratie te versterken; beveelt aan het personeel te versterken dat te maken heeft met kwesties op het gebied van justitie en binnenlandse zaken binnen de EU-delegaties met een duidelijk mandaat om coördinatie binnen de lidstaten uit te werken;

91.  onderstreept de behoefte aan een decentrale benadering in plaats van door te gaan met een centrale benadering vanuit Brussel, door beter gebruik te maken van EU-delegaties, die in erg korte tijd instrumenten van grote waarde zijn geworden, en door meer flexibiliteit en kortere programmeringsperioden te hanteren, met name in risicolanden; dringt aan op de aanwijzing van regionale coördinatoren die de leiding kunnen nemen in ontwikkeling en samenwerking en buitenlandse betrekkingen om zo te zorgen voor een coherente aanpak op basis van de werkelijke situatie ter plaatse;

92.  beveelt de bevordering aan, met de steun van de EU, van informatiecampagnes in derde landen om burgers te informeren over hun mobiliteitsrechten en -verplichtingen en om ze te waarschuwen voor de risico's die ze tijdens hun reis lopen, vooral met betrekking tot mensensmokkelaars en -handelaren, om hen te helpen een op zoveel mogelijk informatie gebaseerde beslissing te nemen;

93.  dringt aan op een beter gebruik van twinningprogramma's en acties in het kader van TAIEX, niet alleen voor uitwisseling van beste praktijken en opleiding, maar ook voor ontwikkeling van en samenwerking met speciale nadruk op landen onder druk;

o
o   o

94.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen van de 16 prioritaire landen die worden genoemd in het nieuwe partnerschapskader met derde landen in het kader van de Europese Agenda voor migratie, en organisaties uit het maatschappelijk middenveld die migranten en vluchtelingen vertegenwoordigen en ermee werken.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0272.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0073.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0102.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0337.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0404.
(6) Ethiopië, Eritrea, Mali, Niger, Nigeria, Senegal, Somalië, Soedan, Ghana, Ivoorkust, Algerije, Marokko, Tunesië, Afghanistan, Bangladesh en Pakistan.

Juridische mededeling - Privacybeleid