Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2127(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0339/2017

Ingediende teksten :

A8-0339/2017

Debatten :

PV 30/11/2017 - 4
PV 30/11/2017 - 6
CRE 30/11/2017 - 4
CRE 30/11/2017 - 6

Stemmingen :

PV 30/11/2017 - 8.23
CRE 30/11/2017 - 8.23
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0474

Aangenomen teksten
PDF 265kWORD 71k
Donderdag 30 november 2017 - Brussel Definitieve uitgave
Tenuitvoerlegging van de Europese strategie inzake handicaps
P8_TA(2017)0474A8-0339/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 30 november 2017 over de tenuitvoerlegging van de Europese strategie inzake handicaps (2017/2127(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 9, 10, 19 en 168 en artikel 216, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en de artikelen 2 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 3, 15, 21, 23, 25 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), dat op 21 januari 2011 in de EU in werking is getreden overeenkomstig Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap(1),

–  gezien de gedragscode tussen de Raad, de lidstaten en de Commissie tot vaststelling van interne regelingen voor de uitvoering door en de vertegenwoordiging van de Europese Unie met betrekking tot het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap op 2 oktober 2015 over het initiële verslag van de Europese Unie(2),

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Serie Europese Verdragen nr. 5, 1950) en de protocollen daarbij,

–  gezien het Europees Sociaal Handvest (ETS nr. 35, 1961, herzien in 1996, ETS nr. 163),

–  gezien Aanbeveling Rec(2002)5 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan lidstaten inzake de bescherming van vrouwen tegen geweld, en aanbeveling CM/Rec(2007)17 inzake normen en mechanismen voor gendergelijkheid,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979, en het daarbij behorende facultatieve protocol van 6 oktober 1999,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG(3),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(4),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 december 2015 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten (COM(2015)0615),

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie betreffende de nieuwe Europese consensus over ontwikkeling, "Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst" en de hierin vastgelegde afspraken om de specifieke behoeften van personen met een handicap in aanmerking te nemen in ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 2 februari 2017, getiteld "Voortgangsverslag over de tenuitvoerlegging van de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020" (SWD(2017)0029),

–  gezien de mededelingen van de Commissie van 15 november 2010 getiteld "Europese strategie inzake handicaps 2010-2020: Een hernieuwd engagement voor een onbelemmerd Europa" (COM(2010)0636),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2015(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 september 2016 over de toepassing van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep ("richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep")(6),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2016 over de tenuitvoerlegging van het CRPD, met speciale aandacht voor de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap(7),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2015 inzake de vragenlijst die het Comité van de Verenigde Naties voor de rechten van personen met een handicap heeft aangenomen in verband met het initiële verslag van de Europese Unie(8),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mobiliteit en inclusie van mensen met een handicap en de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020(9),

–  gezien zijn resolutie van 6 mei 2009 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(10),

–  gezien de briefing van de Europese Parlementaire Onderzoeksdienst, getiteld "Europese strategie inzake handicaps 2010-2020",

–  gezien de studie van het directoraat-generaal Intern Beleid van de Unie getiteld "Discrimination Generated by the Intersection of Gender and Disability",

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien het jaarverslag 2016 van de Europese Ombudsman,

–  gezien de verslagen over de grondrechten voor 2016 en 2017 van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten,

–  gezien de thematische verslagen van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten,

–  gezien de statistieken van Eurostat van 2014 over de toegang tot de arbeidsmarkt en de toegang tot onderwijs en opleiding van en armoede en inkomensongelijkheid onder personen met een handicap,

–  gezien de conclusie van de Raad getiteld "Een duurzame Europese toekomst: de EU-respons op Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling", gepubliceerd op 20 juni 2017,

–  gezien het facultatieve Europees kwaliteitskader voor sociale diensten (SPC/2010/10/8),

–  gezien de nieuwe stedelijke agenda (A/RES/71/256),

–  gezien het kader voor rampenrisicovermindering van Sendai,

–  gezien de conclusies van de Raad inzake het genderactieplan 2016-2020,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie cultuur en onderwijs, het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, en het advies van de Commissie verzoekschriften (A8‑0339/2017),

A.  overwegende dat alle personen met een handicap, als volwaardige burgers(11), ten aanzien van alle aspecten van het leven gelijke rechten hebben en er niet kan worden getornd aan hun waardigheid en hun recht op gelijke behandeling, zelfstandig leven, autonomie en volledige deelname aan de samenleving;

B.  overwegende dat er naar schatting 80 miljoen personen met een handicap in de Europese Unie zijn, van wie 46 miljoen vrouwen;

C.  overwegende dat het VWEU vereist dat de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden streeft naar bestrijding van iedere discriminatie op grond van handicaps (artikel 10) en aan de Unie de bevoegdheid verleent wetgeving vast te stellen om dergelijke discriminatie aan te pakken (artikel 19);

D.  overwegende dat de artikelen 21 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie discriminatie op grond van een handicap uitdrukkelijk verbieden en bepalen dat personen met een handicap recht hebben op gelijke deelname aan het gemeenschapsleven;

E.  overwegende dat het UNCRPD het eerste internationale mensenrechtenverdrag is dat door de EU is geratificeerd, en bovendien door alle 28 lidstaten is ondertekend en door 27 lidstaten is geratificeerd; overwegende dat de EU de grootste donor van ontwikkelingshulp in de wereld is, en een van de invloedrijkste belanghebbenden op internationaal niveau;

F.  overwegende dat de EU zich ertoe heeft verbonden de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling uit te voeren in de EU en binnen de ontwikkelingssamenwerking met partnerlanden;

G.  overwegende dat "personen met een handicap" volgens het UNCRPD ook personen omvat met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving; overwegende dat artikel 9 van het UNCRPD bijzonder belangrijk is;

H.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn jurisprudentie bekrachtigt dat het UNCRPD bindende werking heeft voor de EU en haar lidstaten bij de implementatie van Europees recht, én van instrumenten van secundaire wetgeving(12); overwegende dat het absoluut noodzakelijk is om de bestaande EU-wetgeving en -beleidsinstrumenten te handhaven om het UNCRPD optimaal te kunnen toepassen;

I.  overwegende dat personen met een handicap een heterogene groep vormen, en overwegende dat vrouwen, kinderen, ouderen en personen die complexe ondersteuning nodig hebben of tijdelijke of onzichtbare handicaps hebben met nog meer belemmeringen en met meerdere vormen van discriminatie te maken krijgen;

J.  overwegende dat personen met een handicap worden geconfronteerd met aanvullende kosten, lagere inkomens en een hogere werkloosheid; overwegende dat voorzieningen met betrekking tot een handicap moeten worden beschouwd als overheidssteun die bedoeld is om mensen te helpen belemmeringen weg te nemen zodat zij volledig kunnen deelnemen aan de samenleving, waaronder middels een baan;

K.  overwegende dat kinderen met een handicap het recht hebben om in (eigen) familieverband of in een familiale omgeving te wonen, overeenkomstig het belang van het kind; overwegende dat familieleden vaak hun professionele activiteiten moeten afbouwen of stopzetten om voor familieleden met een handicap te zorgen;

L.  overwegende dat de beginselen van het UNCRPD niet alleen betrekking hebben op discriminatie, maar ook de richting aangeven voor een inclusieve maatschappij waarin de mensenrechten van alle personen met een handicap en hun familie volledig worden geëerbiedigd;

M.  overwegende dat er nog altijd nieuwe en herziene wetgeving is waarin niet wordt verwezen naar het UNCRPD en het punt van toegankelijkheid; overwegende dat toegankelijkheid een voorwaarde voor participatie is; overwegende dat de EU, als een van de partijen bij het UNCRPD, de plicht heeft personen met een handicap en hun belangenorganisaties nauw te betrekken bij en actief te laten deelnemen aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid, met inachtneming van verschillende concepten van handicap;

N.  overwegende dat stereotypen, misvattingen en vooroordelen onderdeel zijn van de achterliggende oorzaken van discriminatie, waaronder meervoudige discriminatie, stigmatisering en ongelijkheid;

O.  overwegende dat personen met een handicap vaak kampen met een gebrek aan ondersteuning, bescherming, voorlichting en informatie over gezondheidszorgdiensten en -rechten, bescherming tegen geweld, en kinderopvang, en beperkte of geen toegang hebben tot dergelijke diensten en informatie; overwegende dat het personeel in de gezondheidszorg een passende opleiding dient te hebben genoten inzake de specifieke behoeften van personen met een handicap;

P.  overwegende dat een aanzienlijk deel van de vier miljoen personen die elk jaar met dakloosheid worden geconfronteerd een handicap heeft, maar veelal over het hoofd wordt gezien als doelgroep van het UNCRPD en de EU-strategie inzake handicaps;

Q.  overwegende dat personen met een handicap, ondanks de talrijke internationale verdragen, en de Europese en de nationale wetgeving en strategieën, nog steeds niet volledig aan de samenleving deelnemen en hun rechten ten volle kunnen laten gelden; overwegende dat participatie van personen met een handicap alleen kan worden gerealiseerd indien zij worden geïntegreerd in het politieke en publieke leven, waar zij vaak ondervertegenwoordigd zijn, overeenkomstig artikel 29 van het UNCRPD;

R.  overwegende dat in het voortgangsverslag van de Commissie wordt aangetoond dat er zowel op EU-, als op lidstaatniveau een duidelijke vertraging is bij de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het UNCRPD; overwegende dat er in het kader van de strategie nog aan te pakken uitdagingen en onvolkomenheden bestaan, en er behoefte is aan een langetermijnperspectief voor de afstemming van EU-beleid, ‑wetgeving en ‑programma's op het UNCRPD;

S.  overwegende dat het model van zelfstandig leven, zoals onderstreept door het UNCRPD, voor de hoogst mogelijke mate van toegankelijkheid zorgt; overwegende dat toegang tot andere diensten, zoals vervoer, en culturele en vrijetijdsactiviteiten, deel uitmaakt van levenskwaliteit en kan bijdragen tot de integratie van personen met een handicap;

T.  overwegende dat inclusieve en actieve toegang tot de arbeidsmarkt voor personen met een handicap van essentieel belang is, aangezien dit één van de belangrijkste manieren is voor het bevorderen van de onafhankelijkheid van personen met een handicap; overwegende dat 58,5 % van de personen met een handicap op dit moment toegang heeft tot de arbeidsmarkt, tegen 80,5 % van de personen zonder handicap, waarbij sommige groepen met aanvullende discriminatie worden geconfronteerd op grond van het soort handicap, terwijl de sociale economie talrijke kansen op het vinden van werk biedt voor personen met een handicap;

U.  overwegende dat striktere richtsnoeren op Europees niveau, gekoppeld aan adequate middelen en trainingen in de omgang met handicapskwesties, bijdragen tot de doelmatigheid en de onafhankelijkheid van gelijkheidsorganen op nationaal niveau;

V.  overwegende dat één van de vier prioriteiten die de Commissie heeft aangewezen naar aanleiding van de Verklaring van Parijs betreffende het bevorderen van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, verdraagzaamheid en non-discriminatie door middel van onderwijs, erin bestaat 'het onderwijs van achtergestelde kinderen en jongeren te bevorderen, door ervoor te zorgen dat onze onderwijs- en opleidingsstelsels op hun behoeften zijn afgestemd';

W.  overwegende dat de totale kosten van het weren van personen met een handicap van de arbeidsmarkt hoger liggen dan die van het opnemen van deze groep op de arbeidsmarkt; overwegende dat dit in het bijzonder geldt voor personen met meervoudige steunbehoeften, waarbij familieleden soms gedwongen worden op te treden als verzorger;

X.  overwegende dat de hoeveelheid werkende personen met een handicap lager kan zijn dan uit de gegevens blijkt, aangezien veel personen met een handicap óf in de categorie "niet-inzetbaar" vallen, óf werkzaam zijn in de sector sociale werkvoorziening, óf niet de status hebben van werknemer, en dus niet zichtbaar zijn in de officiële gegevens en statistieken;

Y.  overwegende dat werkgevers moeten worden ondersteund en aangemoedigd om te zorgen dat personen met een handicap voldoende mogelijkheden krijgen, vanaf het onderwijs tot de aanstelling; overwegende dat bewustmaking van werkgevers in dit kader één van de manieren is om discriminatie bij de aanwerving van personen met een handicap te bestrijden;

Z.  overwegende dat maatregelen op de werkvloer van cruciaal belang zijn om positieve geestelijke gezondheid te bevorderen, en om geestelijke gezondheidsproblemen en psychosociale stoornissen te voorkomen;

AA.  overwegende dat de EU de grootste donor van ontwikkelingssteun is en een vooraanstaande rol speelt in programma's voor de inclusie van personen met een handicap;

AB.  overwegende dat arbeidsdiscriminatie geen op zichzelf staand probleem is; overwegende dat de discriminatie in het onderwijs, de beroepsopleiding en de huisvesting alsook de gebrekkige toegang tot vervoer een vergelijkbaar effect hebben als arbeidsdiscriminatie;

AC.  overwegende dat 75 % van de personen met een ernstige handicap in de EU niet in de gelegenheid verkeert om volwaardig deel te nemen aan de arbeidsmarkt; overwegende dat zowel gebrek aan werkgelegenheid als werkloosheid met name een probleem kan zijn voor personen met autismespectrumstoornissen of personen die doof of hardhorend dan wel blind of doofblind zijn;

AD.  overwegende dat de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en de pijler van sociale rechten mogelijke instrumenten kunnen zijn voor de tenuitvoerlegging van het UNCRPD;

AE.  overwegende dat gebrek aan handelingsbekwaamheid een aanzienlijke belemmering vormt voor het uitoefenen van het stemrecht, waaronder bij Europese verkiezingen;

AF.  overwegende dat 34 % van de vrouwen met een gezondheidsprobleem of een handicap ooit slachtoffer is geworden van fysiek of seksueel geweld door een partner;

AG.  overwegende dat in artikel 168, lid 7, van het VWEU staat dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de bepaling van hun gezondheidsbeleid en de verstrekking van gezondheidsdiensten, hetgeen aangeeft dat overleg met en betrokkenheid van de lidstaten van cruciaal belang is voor het succes van de Europese strategie inzake handicaps;

AH.  overwegende dat artikel 25 van het UNCRPD deze groep meer rechten toekent om de hoogst realiseerbare gezondheidszorg te genieten, zonder discriminatie;

AI.  overwegende dat personen met een handicap bijzonder kwetsbaar zijn voor tekortkomingen in de gezondheidsdiensten, resulterend in risico's voor hun gezondheid en een grotere kans op een vroegtijdige dood;

De belangrijkste actiegebieden

Toegankelijkheid

1.  erkent het belang van een holistische definitie en toepassing van het begrip "toegankelijkheid", en de waarde daarvan als basis voor gelijke kansen en daadwerkelijke sociale integratie en participatie in de samenleving voor personen met een handicap, zoals erkend in het UNCRPD en overeenkomstig algemene opmerking nr. 2 van het UNCRPD, rekening houdend met de diversiteit van de behoeften van personen met een handicap en de bevordering van het geleidelijk groter wordende belang van universeel ontwerp als beginsel van de EU;

2.  herinnert de Commissie aan haar verplichting om de gehandicapten- en toegankelijkheidsproblematiek in alle beleidsterreinen in zowel de publieke, als de particuliere sector op te nemen, te ontwikkelen en te bevorderen, en beveelt aan in de hiërarchie van de Commissie eenheden met kennis over toegankelijkheid in het leven te roepen, die kunnen verifiëren of aan deze plicht wordt voldaan;

3.  roept de Commissie op dwingende vereisten in te voeren voor de toegankelijkheid van openbare ruimten en met name de gebouwde omgeving;

4.  verzoekt de lidstaten om alle wetgeving met betrekking tot toegankelijkheid, met inbegrip van de richtlijn audiovisuele mediadiensten, het telecompakket en de richtlijn webtoegankelijkheid, alsook de relevante regelgeving inzake vervoer en passagiersrechten volledig ten uitvoer te leggen en voortdurend te monitoren; vraagt de EU in dit verband de uitvoering hiervan te coördineren en te controleren, en daarnaast de ratificatie van het UNCRPD op intern en extern niveau te bevorderen;

5.  hoopt dat de medewetgevers van de EU zonder vertraging de Europese toegankelijkheidswet aannemen; beveelt met het oog op de volledige tenuitvoerlegging van het UNCRPD aan dat de definitieve tekst de toegankelijkheid tot producten en diensten voor personen met een handicap en personen met een functiebeperking vergroot; benadrukt dat er uitgebreide Europese regels inzake de toegankelijkheid van publieke ruimten en de gebouwde omgeving nodig zijn, alsook inzake de toegang tot alle vervoerswijzen;

6.  vindt het zorgwekkend dat de monitoring van sommige onderdelen van de wetgeving, zoals de richtlijn inzake webtoegankelijkheid(13) of de verordening betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem (TSI-PRM)(14) gebaseerd is op zelfevaluatie door de bedrijfstak en de lidstaten, en niet op evaluatie door een onafhankelijke entiteit; beveelt dan ook aan dat de Commissie werkt aan verbetering van de beoordeling van de naleving, en nadenkt over het ontwikkelen van wetgeving inzaketoezicht, teneinde te waarborgen dat de rechten van personen met een handicap worden geëerbiedigd, waaronder bij de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 261/2004(15);

7.  brengt in herinnering dat voldoende financiering op EU-, nationaal en lokaal niveau vereist is voor de uitvoering van alle verplichtingen inzake toegankelijkheid; vraagt de EU te waarborgen dat alle financieringsprogramma's toegankelijk zijn, stoelen op een benadering waarbij universeel ontwerp centraal staat en een aparte begroting bevatten voor toegankelijkheid; roept de lidstaten op overheidsinvesteringen te stimuleren, teneinde zowel de fysieke, als de digitale omgeving toegankelijk te maken voor personen met een handicap;

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voor betere toegankelijkheid te zorgen door middel van het toekennen van steun voor de ontwikkeling van ict en voor alle initiatieven – met inbegrip van start‑ups – op het gebied van de veiligheid van personen met een handicap;

9.  is voorstander van onderzoek naar en gebruik van goede praktijken op het vlak van onafhankelijk wonen in de EU;

10.  roept de Commissie en de lidstaten op de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat het noodnummer 112 volledig toegankelijk is voor alle personen met alle soorten handicaps en dat alle aspecten van beleidsmaatregelen en programma's inzake rampenrisicobeperking inclusief zijn en toegankelijk voor alle personen met een handicap;

11.  vindt het zorgwekkend dat de ex‑antevoorwaarde voor overheidsopdrachten om toegankelijk in te kopen voordat een overheidscontract wordt ondertekend, niet voldoende wordt uitgevoerd op nationaal niveau; doet daarom de aanbeveling een portaal op te zetten, vergelijkbaar met dat voor groene overheidsopdrachten, met alle toegankelijkheidsrichtsnoeren;

12.  beveelt ten zeerste aan de klachtenprocedures inzake passagiersrechten volledig toegankelijk te maken én gebruiksvriendelijk voor personen met een handicap, en meer handhavingsverantwoordelijkheden toe te kennen die vergelijkbaar krachtig zijn met die van de nationale handhavingsinstanties;

13.  benadrukt in het bijzonder dat toegankelijkheid een basisbeginsel van het UNCRPD is en een conditio sine qua non voor de uitoefening van andere in het Verdrag verankerde rechten; benadrukt dat in een aanzienlijk aantal verzoekschriften door Europese burgers wordt geklaagd over het gebrek aan toegankelijkheid of de aanwezigheid van architecturale barrières; benadrukt dat het recht op toegankelijkheid, zoals vastgelegd in artikel 9 van het UNCRPD, op een alomvattende manier moet worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat personen met een handicap toegang hebben tot hun omgeving, vervoer, openbare voorzieningen en diensten, alsmede informatie- en communicatietechnologieën; vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat toegankelijkheid een hoge prioriteit is en beter wordt geïntegreerd in alle beleidsdomeinen ten aanzien van personen met een handicap;

14.  is van mening dat de strategie voor de digitale interne markt zo ten uitvoer moet worden gelegd dat personen met een handicap volledig toegang krijgen tot alle aspecten ervan;

Deelname

15.  is ingenomen met het initiatief voor een EU-gehandicaptenkaart; verzoekt de Commissie, samen met de lidstaten, alle landen in een toekomstig langetermijninitiatief op te nemen met als doel te zorgen voor een vergelijkbare reikwijdte als de Europese parkeerkaart, en toegang tot diensten op te nemen die deelname aan het culturele leven en toerisme mogelijk maken;

16.  uit zijn bezorgdheid over het voortdurend gebruik van het medische model van handicaps, dat gericht is op medische diagnoses van personen met een handicap in plaats van op de belemmeringen die zij in hun omgeving ervaren; dringt er bij de Commissie op aan deze benadering te herzien, met name op het gebied van gegevensverzameling; verzoekt de lidstaten te kijken naar manieren om tot een gemeenschappelijke definitie van 'handicap' te komen;

17.  is ingenomen met de vooruitgang die geboekt is met betrekking tot het Verdrag van Marrakesh; benadrukt dat het Hof van Justitie in zijn advies van 14 februari 2017 stelde dat de EU exclusieve bevoegdheid heeft over de sluiting van het Verdrag van Marrakesh, aangezien het geheel van verplichtingen van het Verdrag van Marrakesh binnen een domein valt dat reeds grotendeels door gemeenschappelijke EU-regels wordt beheerst; beveelt de EU en de lidstaten aan een actieplan te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat dit verdrag volledig wordt uitgevoerd; pleit ervoor dat de EU de optie met betrekking tot economische belasting niet ratificeert;

18.  meent dat de Europese Structuur- en investeringsfondsen zich - met name in de volgende programmeringsperiode - moeten houden aan het UNCRPD, en zich prioritair moet blijven inzetten om het de-institutionaliseringsproces te bevorderen, en daarnaast ondersteunende diensten moeten financieren, om personen met een handicap in de gelegenheid te stellen een zelfstandig leven in de gemeenschap te realiseren; meent dat de Commissie strikt toezicht moet uitoefenen op de inachtneming - door de lidstaten - van de ex-antevoorwaarden met betrekking tot de overgang van diensten door instellingen naar in de gemeenschap gewortelde diensten, die concreet moeten zijn en permanent en op transparante wijze aan een kwaliteitsbeoordeling moeten worden onderworpen; is van oordeel dat door de EU gefinancierde projectvoorstellen, waaronder die in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen en van de Europese Investeringsbank, de toegankelijkheidsregels moeten respecteren middels een universeel ontwerp-benadering; is van mening dat voor het verwezenlijken van deze doelstellingen niet uitsluitend op financiële instrumenten mag worden vertrouwd;

19.  benadrukt dat vrije toegang tot voor het soort handicap geschikte communicatiemiddelen moet worden gewaarborgd, en benadrukt dat dit van essentieel belang is voor de burgerparticipatie van personen met een handicap;

20.  is bezorgd over de belemmeringen voor participatie waarmee personen die onder curatele staan en personen die in heel Europa in instellingen wonen worden geconfronteerd, en roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat personen die niet handelingsbekwaam zijn toch alle rechten kunnen uitoefenen zoals vastgelegd in de EU-verdragen en de EU-wetgeving; roept de lidstaten op de participatie te bevorderen door het de-institutionaliseringsproces en de vervanging van een proces met aangewezen besluitvormers door ondersteunde besluitvorming, te versnellen;

21.  verzoekt de Commissie om, als onderdeel van haar periodieke verslagen inzake de uitvoering van de Richtlijnen 93/109/EG(16) en 94/80/EG(17) van de Raad, een beoordeling op te nemen van de vraag of deze worden geïnterpreteerd op een wijze die strookt met artikel 29 van het UNCRPD;

22.  onderstreept dat vrouwen en meisjes met een handicap aan tweeërlei discriminatie worden blootgesteld als gevolg van het raakvlak tussen gender en handicap, en zelfs kunnen worden blootgesteld aan meervoudige discriminatie op grond van de veel voorkomende raakvlakken tussen gender, seksuele geaardheid, leeftijd, religie en etniciteit;

23.  herhaalt dat vrouwen met een handicap vaak sterker worden benadeeld dan mannen met een handicap en vaker risico lopen op armoede en sociale uitsluiting;

24.  meent dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid op Europees en lidstaatniveau begeleiding moet bieden met betrekking tot de specifieke situatie van vrouwen en meisjes met een handicap, en een actief pleitbezorger zou moeten zijn bij het waarborgen van gelijke rechten en het bestrijden van discriminatie;

25.  herinnert eraan dat de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting bij personen met een handicap nauw verband houdt met het vraagstuk van betere omstandigheden voor gezinsleden, die vaak optreden als onbetaalde zorgverleners en niet als werkende personen worden beschouwd; moedigt de lidstaten derhalve aan nationale strategieën te ontwikkelen ter ondersteuning van informele zorgverleners, die meestal vrouwelijke familieleden van de personen met een handicap zijn;

26.  onderstreept dat het aantal ouderen toeneemt en dat, volgens de WHO, handicaps als gevolg van hun langere levensverwachting vaker voorkomen bij vrouwen; onderstreept dat er daardoor een proportionele toename te verwachten is van vrouwen met een handicap;

27.  beklemtoont de waarde van microfinancieringsinstrumenten voor het scheppen van banen en groei; verzoekt de lidstaten de toegang tot dergelijke instrumenten voor vrouwen met een handicap te vergemakkelijken;

28.  onderstreept dat, om een zelfstandig leven te waarborgen voor personen met een handicap, steun moet worden verleend aan onderzoek en innovatie voor de ontwikkeling van producten die erop gericht zijn personen met een handicap te helpen bij hun dagelijkse activiteiten;

Gelijkheid

29.  benadrukt dat de strategie inzake handicaps berust op gelijkheid en non‑discriminatie;

30.  verzoekt de Commissie in haar Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016‑2019 aandacht te besteden aan handicaps;

31.  betreurt het ten zeerste dat op het niveau van de Europese Raad al heel lang geen schot zit in de behandeling van de antidiscriminatierichtlijn, en verzoekt de lidstaten bij te dragen aan de aanneming van de horizontale richtlijn inzake non-discriminatie(18), waarbij het belangrijk is te komen tot een pragmatische oplossing, inclusief de bescherming tegen discriminatie op alle gebieden van het leven van personen met een handicap, met inbegrip van de erkenning van het ontzeggen van redelijke aanpassingen als vorm van discriminatie, en van meervoudige en intersectionele discriminatie;

32.  is verontrust over de voorliggende gegevens met betrekking tot discriminatie en misbruik van personen met een handicap; maakt zich onverminderd zorgen over het feit dat niet altijd aangifte wordt gedaan als gevolg van de ontoegankelijkheid van de klachten- en rapportagemechanismen, en het gebrek aan vertrouwen en kennis van de rechten; hamert op het belang van het verzamelen van naar geslacht uitgesplitste gegevens, en beveelt in dit verband aan nieuwe methoden voor het verzamelen van gegevens te ontwikkelen, met name met betrekking tot gevallen waarin personen niet wordt toegestaan in te stappen, en gevallen van niet-verleende of niet-beschikbare assistentie;

33.  verzoekt de lidstaten te waarborgen dat alle nationale instanties voor gelijkheid bevoegd zijn op het gebied van handicaps, alsook over voldoende middelen en onafhankelijkheid beschikken om slachtoffers van discriminatie de nodige ondersteuning te bieden, en te waarborgen dat elke uitbreiding van hun mandaat gepaard gaat met een uitbreiding van de personele middelen;

34.  roept de EU en de lidstaten op trainingen en modellen van goede praktijken voor en door personen met een handicap, hun belangenorganisaties, vakbonden, werkgeversorganisaties, gelijkheidsorganen en ambtenaren te financieren met betrekking tot de beginselen van non-discriminatie, met inbegrip van meervoudige en intersectionele discriminatie en redelijke aanpassingen;

35.  vraagt de EU om, wanneer zij het kader voor onderzoek en ontwikkeling voor de periode na Horizon 2020 vaststelt, ook programma's te ontwikkelen voor onderzoek naar gelijkheidsbeginselen;

Werkgelegenheid

36.  benadrukt dat toegang tot de arbeidsmarkt een kwestie met veel aspecten is, waarvoor de tenuitvoerlegging nodig is van ondersteuningsmaatregelen die resulteren in een 'win‑win'-situatie voor zowel het individu, als de werkgever, en die sociale integratie waarborgen en waarbij het onder meer gaat om toegankelijke aanwervingsprocedures, toegankelijk vervoer van en naar de werkplaats, loopbaanontwikkeling en bij- en nascholing, alsmede redelijke aanpassingen en toegankelijke werkplaatsen; verzoekt de Commissie het Compendium van goede praktijken voor ondersteund werken van m personen met een handicap in de EU en de EVA/EER te actualiseren;

37.  pleit voor de aanneming van maatregelen voor positieve discriminatie, met inbegrip van de aanneming van minimumpercentages voor de arbeidsparticipatie van personen met een handicap in de publieke en private sector;

38.  betreurt dat de weigering van redelijke voorzieningen volgens de richtlijn voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(19) niet als discriminatie geldt, en wijst erop dat hierop kritiek is geuit door het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap; herinnert eraan dat in het eerste artikel van de richtlijn voor gelijke behandeling in arbeid en beroep elke vorm van discriminatie op grond van handicap wordt verboden;

39.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat het feit dat mensen in uitkeringen terechtkomen hen er niet van weerhoudt aan de arbeidsmarkt deel te nemen, en vindt dat aan handicaps gerelateerde uitkeringen los moeten worden gekoppeld van inkomenssteun, rekening houdend met aanvullende zorg en overige behoeften die personen met een handicap kunnen hebben, met als doel hen in staat te stellen een waardig leven te leiden en aan de arbeidsmarkt deel te nemen; vraagt de lidstaten in dit verband te waarborgen dat aan handicaps gerelateerde uitkeringen niet stop worden gezet op grond van het feit dat een persoon met een handicap een baan heeft;

40.  roept de Commissie op sociale ondernemingen te ondersteunen overeenkomstig de beginselen die zijn opgenomen in de verklaring van Bratislava en de verklaring van Madrid inzake de sociale economie als belangrijke bron van arbeidskansen voor mensen met een handicap;

41.  verzoekt de lidstaten om, in overeenstemming met het UNCRPD, te overwegen alle juridische belemmeringen voor inzetbaarheid, zoals maatregelen die in strijd zijn met artikel 12 van het UNCRPD die personen met een handicap ervan weerhouden arbeidscontracten aan te gaan, een bankrekening te openen en toegang te hebben tot hun geld, waardoor ze financieel uitgesloten worden, evenals nationale bepalingen die bepaalde categorieën personen met een handicap als "niet in staat om te werken" bestempelen, op te heffen;

42.  benadrukt het belang van effectieve herintegratie-, rehabilitatie-, activatie- en retentiemaatregelen in een vergrijzende samenleving, waardoor mensen na een ziekte of een fysieke, geestelijke en emotionele handicap opnieuw aan het werk kunnen gaan of aan het werk kunnen blijven;

43.  brengt in herinnering dat wanneer personen met een handicap en hun partners worden belast met de kosten van hun ondersteuning, dit niet alleen ten koste gaat van hun inkomen, maar ook van hun arbeidsperspectief en hun oudedagsvoorziening;

44.  onderkent dat maatregelen voor het kunnen combineren van werk en privé, met inbegrip van vrijwillige, flexibele en inclusieve arbeidsregelingen, zoals telewerk en flexibele werktijden, gunstig kunnen zijn voor personen met een handicap en in het algemeen een positief effect kunnen hebben op de geestelijke gezondheid, in de zin dat ze voor zekerheid en stabiliteit voor iedereen zorgen, maar is bezorgd over het feit dat digitale werkomgevingen nieuwe belemmeringen kunnen creëren indien deze niet toegankelijk zijn en indien niet wordt voorzien in redelijke aanpassingen;

45.  vraagt de Commissie om in toekomstige verslagen goede en slechte praktijken op te nemen om werkgevers in de gelegenheid te stellen de wetgeving inzake personen met een handicap doelmatig uit te voeren;

46.  vindt het zorgwekkend dat personen met een handicap die werkzaam zijn op een sociale werkplaats in een aantal lidstaten op grond van de wetgeving formeel niet worden erkend als werknemer, minder betaald krijgen dan het minimumloon en geen recht hebben op dezelfde sociale voordelen als reguliere werknemers;

47.  is met name bezorgd over jongeren met een handicap en diegenen die gedurende een langere periode werkloos zijn geweest; roept de lidstaten op er prioritair aan te werken dat jongeren met een handicap toegang krijgen tot de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld door speciale hubs voor loopbaanadvisering in het leven te roepen, in het kader van het jongerengarantieprogramma, waar studenten en werkloze jongeren advies met betrekking tot hun toekomstige carrières kunnen krijgen;

48.  spoort de Commissie en de lidstaten aan diversiteit als bedrijfscasus verder te bevorderen en diversiteitshandvesten te bevorderen waarin een pleidooi wordt gehouden voor de meerwaarde van personen met een handicap op de werkvloer;

49.  roept de EU op ervoor te zorgen dat de rechten van personen met een handicap en hun gezinnen worden opgenomen in het voorgestelde pakket inzake het evenwicht tussen werk en privéleven;

Onderwijs en opleiding

50.  vindt het zorgwekkend dat veel kinderen met een handicap in meerdere lidstaten van de EU nog altijd geen toegang tot hoogwaardig inclusief onderwijs hebben als gevolg van, onder andere, segregatiebeleid, alsook van belemmeringen van bouwtechnische aard, hetgeen neerkomt op een vorm van discriminatie van kinderen en jongeren met een handicap;

51.  beklemtoont dat onderwijs en beroepsopleiding cruciaal zijn voor de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt van personen met een handicap, en dat werkgevers betrokken moeten worden bij het proces van mainstreaming van de behoeften van personen met een handicap, door bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, oog te hebben voor de mogelijke voordelen van nieuwe technologieën op gebieden als solliciteren, persoonlijke ontwikkeling en grotere zelfstandigheid;

52.  verzoekt de Commissie en de lidstaten juridische, fysieke en organisatorische belemmeringen voor alle personen met een handicap op te heffen, teneinde hen toegang te geven tot inclusief onderwijs en stelsels voor levenslang leren;

53.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten redelijke aanpassingen voor stagiairs te waarborgen, en vraagt dat stageaanvraagprocedures toegankelijk zijn en dat er speciale stages worden aangeboden voor personen met een handicap, inclusief op stimulansen stoelende stages voor werkgevers;

54.  roept de EU-instellingen en lidstaten op ervoor te zorgen dat Erasmus+ en overige programma's voor jongeren, zoals de Jeugdgarantie en het Europees Solidariteitskorps, volledig toegankelijk zijn voor personen met een handicap door middel van geïndividualiseerde redelijke aanpassingen, en dat er voor personen met een handicap informatie beschikbaar wordt gemaakt over hun recht op toegankelijkheid, teneinde hun deelname aan te moedigen; beveelt in dit verband aan maximaal gebruik te maken van de bestaande instrumenten, zoals die van het platform voor inclusieve mobiliteit MappED!;

55.  betreurt dat de nieuwe agenda voor vaardigheden geen specifiek streefdoel bevat voor personen met een handicap; benadrukt dat de huidige achterblijvende arbeidsparticipatie en de discriminatie op de arbeidsmarkt van personen met een handicap ook een verspilling van waardevolle vaardigheden vormen; vraagt de Commissie derhalve om bij alle toekomstige initiatieven met betrekking tot vaardigheden rekening te houden met de behoeften van personen met een handicap;

56.  verzoekt de lidstaten met klem doeltreffende maatregelen te nemen gericht op het tegengaan van segregatie en de afwijzing van studenten met een handicap binnen scholen en leeromgevingen, en in dit verband nationale transitieprogramma's te ontwikkelen om te waarborgen dat ook personen met een handicap die veel ondersteuning behoeven toegang krijgen tot hoogwaardig, inclusief, formeel en niet-formeel onderwijs en beroepsopleiding, in overeenstemming met de aanbevelingen van het UNCRPD-comité;

57.  benadrukt het belang van scholing en bij- en nascholing van onderwijspersoneel, met name ter ondersteuning van personen met complexe behoeften;

58.  beveelt aan beter gebruik te maken van het Europees Agentschap voor speciale behoeften en inclusief onderwijs, teneinde zijn huidige mandaat maximaal in te vullen;

59.  benadrukt dat het essentieel is om leerkrachten en opleiders voor te bereiden op het werken met kinderen met een handicap en om hun passende ondersteuning te bieden; moedigt de lidstaten aan inclusief onderwijs en inclusieve opleiding en bij- en nascholing voor leerkrachten en opleiders te ontwikkelen en daarbij gebruik te maken van de inbreng van diverse belanghebbenden, in het bijzonder organisaties die personen met een handicap en beroepsbeoefenaars met een handicap vertegenwoordigen;

60.  vraagt, gezien het grote aantal voortijdige schoolverlaters onder jongeren met een handicap en/of speciale onderwijsbehoeften, om de mogelijkheden die worden geboden door een leven lang leren en het aanbieden van aantrekkelijke alternatieven nader te onderzoeken; beschouwt het bevorderen van programma's voor een leven lang leren voor personen met een handicap een essentieel onderdeel van de Europese strategie inzake handicaps;

61.  bevordert de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van inclusief onderwijs en een leven lang leren tussen leerkrachten, personeel, bestuursorganen, studenten en leerlingen met een handicap;

62.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat, hoewel er sprake is van verbetering, personen met een handicap nog steeds een hoog risico lopen op werkloosheid en dat minder dan 30 % tertiair of gelijkwaardig onderwijs heeft voltooid, tegenover ongeveer 40 % van personen zonder handicap; verzoekt de lidstaten en de Commissie derhalve bijzondere aandacht te besteden aan de moeilijkheden die jongeren met een handicap en/of speciale onderwijsbehoeften ondervinden bij de overgang van secundair en universitair onderwijs en/of beroepsopleiding naar de arbeidsmarkt;

63.  moedigt overheidsinstanties en ondernemingen in de EU aan diversiteitsbeleid en de nationale diversiteitshandvesten ten uitvoer te leggen;

64.  onderstreept dat jongeren met een handicap minder aan lichaamsbeweging doen dan hun leeftijdsgenoten zonder handicap, en dat scholen een belangrijke rol spelen bij het aannemen van een gezonde levensstijl; benadrukt daarom het belang van het bevorderen van een grotere deelname van jongeren met een handicap aan lichamelijke activiteiten; verzoekt de lidstaten alle bestaande belemmeringen die de deelname van personen met een handicap of speciale behoeften aan sportactiviteiten in de weg staan, snel te elimineren;

65.  herinnert aan de noodzaak om de digitale kloof te overbruggen en ervoor te zorgen dat personen met een handicap ten volle kunnen profiteren van de digitale Unie; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is de digitale vaardigheden en competenties van mensen met een handicap te verbeteren, met name via projecten die in het kader van het programma Erasmus+ worden gefinancierd, en verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat kwetsbare burgers – met inbegrip van personen met een handicap – in de online-omgeving worden beschermd, door middel van doeltreffende maatregelen tegen haatzaaiende uitingen, cyberpesten en alle vormen van online discriminatie en door in zowel het formeel als het niet-formeel onderwijs meer lessen in digitale en mediageletterdheid aan te bieden; verzoekt de lidstaten voorts om kinderen met een handicap kosteloos passende technologische onderwijsinstrumenten ter beschikking te stellen, teneinde hen in staat te stellen volledig deel te nemen aan onderwijs- en opleidingsactiviteiten;

Sociale bescherming

66.  roept de Commissie op erop toe te zien dat de Europese strategie inzake handicaps 2030 voorziet in specifieke maatregelen ter bevordering van inclusieve socialezekerheidsstelsels in heel Europa, zodat personen met een handicap hun leven lang verzekerd zijn van toegang tot uitkeringen en diensten; roept de lidstaten op minimale socialebeschermingsniveaus vast te stellen zodat personen met een handicap verzekerd zijn van een passende levensstandaard;

67.  verzoekt de medewetgevers personen met een handicap als afzonderlijke groep in de verordening betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(20) op te nemen;

68.  verzoekt de lidstaten met klem bij de beoordeling en vaststelling van handicaps het beginsel van wederzijdse erkenning in acht te nemen, dat het op mensenrechten gebaseerde model voor handicaps van het UNCRPD moet volgen en dus niet moet ondermijnen, en hierbij rekening te houden met de omgevingsgerelateerde en maatschappelijke belemmeringen waar personen mee te maken kunnen krijgen, en een rol toe te kennen aan alle relevante belanghebbenden, teneinde te waarborgen dat de levensstandaard van personen met een handicap niet onder druk komt te staan als gevolg van, bijvoorbeeld, economische aanpassingsprogramma's;

69.  roept de Commissie op erop toe te zien dat handicaps in alle facetten van de Europese pijler van sociale rechten worden opgenomen;

70.  beveelt aan het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) en toekomstige Europese sociale fondsen niet alleen te gebruiken om mensen aan het werk te krijgen, maar ook voor sociale integratie; benadrukt het belang van revalidatie als middel voor het realiseren van sociale integratie, als gevolg waarvan personen met een handicap actief aan de maatschappij kunnen blijven deelnemen;

71.  roept de lidstaten op specifieke maatregelen te nemen, zoals financiële ondersteuning en respijtzorg, ter bevordering van inclusieve socialezekerheidsstelsels in de hele EU zodat alle personen met een handicap hun leven lang verzekerd zijn van een fatsoenlijke levensstandaard en toegang tot uitkeringen en diensten;

72.  dringt er bij de lidstaten met klem op aan erop toe te zien dat de-institutionalisering nooit leidt tot dakloosheid voor personen met een handicap als gevolg van onvoldoende passende en/of toegankelijke huisvesting om extramurale zorg te bieden;

Gezondheid

73.  verzoekt de lidstaten de richtlijn betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg(21) uit 2011 integraal ten uitvoer te leggen; beveelt de Commissie aan bij de uitwerking van de richtlijn een robuuste component inzake handicap in de tekst op te nemen, zodat personen met een handicap verzekerd zijn van toegang tot betaalbare en kwalitatief hoogwaardige grensoverschrijdende gezondheidszorg; verzoekt de Commissie in dit verband een effectbeoordeling van de richtlijn uit te voeren met het oog op herziening van de tekst, teneinde deze te doen aansluiten op het UNCRPD, en voor de hele EU geldende richtsnoeren uit te werken met betrekking tot de mainstreaming van de gehandicaptenproblematiek in het werk van de nationale contactpunten, met inbegrip van gemeenschappelijke prestatiecriteria en specifiek op deze problematiek gerichte aanbevelingen; moedigt de lidstaten aan om gezondheidswerkers op een passende manier op te leiden en te scholen wat betreft de specifieke behoeften van patiënten met een handicap;

74.  maakt zich zorgen over de misstanden, waaronder schendingen van de mensenrechten, in de (geestelijkegezondheids)zorg, die in veel gevallen een aanzienlijke impact op de kwaliteit van de geleverde zorg hebben, en wijst erop dat die diensten op herstel gericht moeten zijn, over voldoende financiële middelen moeten beschikken en geleverd moeten worden via een model waarbij mensenrechten leidend zijn;

75.  verzoekt de lidstaten een vorm van geestelijke gezondheidszorg te waarborgen die de wet- en regelgeving respecteert, en waarin personen met een handicap zelf geïnformeerde toestemming kunnen geven voor behandelingen en ziekenhuisopname en dit niet aan hun aangewezen besluitvormers over hoeven te laten, en na te denken over maatregelen voor beslissingsondersteuning;

76.  dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor e‑gezondheids-, gezondheids- en zorgdiensten die volledig toegankelijk en veilig zijn voor alle personen met een handicap, waaronder personen met een geestelijke handicap en complexe behoeften, en hun gezinsleden;

77.  geeft aan dat er dringend iets moet worden gedaan aan het algemene gebrek aan toegang tot multidisciplinaire specialistische zorg voor personen met een handicap en, als die er wel is, aan de lange wachttijden voor de patiënten, als groot obstakel voor gelijke toegang tot preventieve gezondheidszorg en behandeling, waardoor vaak de conditie van de gehandicapte patiënt achteruitgaat en de gezondheidszorgstelsels onnodig onder druk komen te staan;

78.  geeft aan dat de gezondheidszorgstelsels garanties moeten bieden inzake de opsporing, aangifte en voorkoming van seksueel geweld en/of misbruik;

79.  dringt er bij de lidstaten op aan de diensten voor multidisciplinaire beoordeling en herbeoordeling van volwassenen met een handicap uit te breiden, met het oog op de ontwikkeling van op maat gemaakte plannen, die kunnen worden toegepast door middel van territoriale hulpbronnen (zoals thuiszorg/dagopvang/zorginstellingen) die voldoen aan de vastgestelde bio-psycho-sociale behoeften;

80.  vraagt de Commissie en de lidstaten het kader van de Europese referentienetwerken ten volle te benutten om multidisciplinaire en gespecialiseerde gezondheidszorg voor personen met een handicap in het algemeen, en met name voor mensen met zeldzame handicaps, te ontwikkelen en toegankelijker te maken;

81.  wijst erop dat de Commissie in het actieplan voor de gezondheidswerkers in de EU en in de agenda van de Unie voor effectieve, toegankelijke en veerkrachtige zorgstelsels te weinig aandacht besteedt aan handicaps, aangezien zij in geen van beide teksten specifiek worden behandeld;

82.  wijst op het succes van de tweede gemeenschappelijk actie inzake dementie en hoopt tegelijkertijd dat voor de volgende drie jaar extra middelen zullen worden besteed door de farmaceutische ondernemingen die aan het initiatief innovatieve geneesmiddelen deelnemen;

83.  verzoekt de Commissie een strategie te ontwikkelen voor bijstand aan personen met een ernstige handicap na het overlijden van familieleden die zich met hun dagelijkse verzorging bezighielden (naar het voorbeeld van de recente Italiaanse wet 'dopo di noi');

84.  verzoekt de Commissie met klem grondig te analyseren waar de verschillen zitten tussen de slotopmerkingen van de VN en haar eigen voortgangsverslag, met name wat de prioriteit betreft die in de Europese strategie inzake handicaps aan gezondheid wordt toegekend;

85.  vindt dat verloskundige zorg dichtbij huis op lidstaatniveau stelselmatig moet worden bevorderd als een openbare dienst, teneinde handicaps als gevolg van complicaties tijdens de bevalling te reduceren en de veiligheid van de moeder en het kind tijdens de bevalling te garanderen, overeenkomstig de controlelijst inzake veilige bevallingen van de WHO;

86.  vindt het bemoedigend hoeveel vooruitgang de Europese sector telegeneeskunde heeft geboekt, en constateert dat deze sector het in zich heeft de mogelijkheid van personen met een handicap om gebruik te maken van diensten fundamenteel te veranderen; gelooft daarnaast dat de introductie van 4G-technologie, de opkomst van 5G en de verspreiding van het "internet of things" in betere gezondheidszorg voor personen met een handicap zullen resulteren; verzoekt de Commissie te waarborgen dat de Europese gezondheidstechnologiesector niet gedwarsboomd wordt door buitensporige regelgeving en passend toegang heeft tot financiering;

Extern optreden

87.  verzoekt de EU er zorg voor te dragen dat haar externe optreden volledig in overeenstemming is met het UNCRPD;

88.  verzoekt de EU te waarborgen dat ontwikkelingssamenwerking en humanitair optreden volledig inclusief en volledig toegankelijk zijn voor personen met een handicap;

89.  verzoekt de EU een handicapindicator in te voeren in de officiële verslaglegging met betrekking tot ontwikkelingshulp;

90.  roept de EU op een centrale rol te spelen bij het waarborgen dat personen met een handicap niet achterblijven op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire bijstand, conform de Europese consensus inzake humanitaire ontwikkeling, en ook de meervoudige discriminatie aan te kaarten waarmee kwetsbare personen en gemarginaliseerde groepen te maken hebben;

91.  roept de Commissie op om, onafhankelijk van een nieuwe Europese strategie inzake handicaps, het voortouw te nemen en handicapvraagstukken integrerend onderdeel te maken van de tenuitvoerlegging van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling bij extern optreden, door het vaststellen van een duidelijk, transparant en inclusief stappenplan gericht op het verwezenlijken van de doelstellingen;

92.  betreurt het dat de werkgelegenheidsindicator van de EU-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling niet uitgesplitst is naar handicap; roept de EU op om, in samenwerking met de partnerlanden, het uitsplitsen van gegevens naar aard van de handicap te stimuleren;

93.  verzoekt de EU en haar partners personen met een handicap en de organisaties die hun belangen behartigen bij alle stadia van beleidsvorming en bij alle projecten te betrekken, onder meer ter plaatse in de partnerlanden en met actieve deelname van gehandicaptenorganisaties;

94.  herhaalt dat vrouwen met een handicap vaak met nog grotere problemen en gevaren te maken hebben in landen waar conflicten spelen en conflictgebieden; wijst daarom op de noodzaak van bescherming van vrouwen met een handicap in het externe beleid van de EU;

Verplichtingen binnen de EU-instellingen

95.  dringt er bij de EU-instellingen op aan de functionaliteit van hun externe en interne websites en de inhoud, documenten, video's en webdiensten die hierop beschikbaar zijn, toegankelijk te maken, met inbegrip van openbare raadplegingen, en openbaar verslag uit te brengen over de conformiteit en naleving ten aanzien van de richtsnoeren betreffende de toegang tot de webdiensten, evenals ten aanzien van de aanbevelingen en verplichtingen;

96.  betreurt het dat het INSIGN-project, dat zelfstandige communicatie mogelijk maakt tussen doven en slechthorenden enerzijds en de EU-instellingen anderzijds door een verbinding tot stand te brengen met doventolken of schrijftolken in de lidstaten, nog niet ten uitvoer is gelegd, ondanks de financiering door de Commissie van de ontwikkeling van het prototype van het dienstenplatform, dat in 2014 met succes is getest in het Europees Parlement;

97.  roept de EU-instellingen op om – op eenvoudig verzoek – al hun openbare vergaderingen toegankelijk te maken, onder meer door het beschikbaar stellen van doventolken en tekst-naar-spraakvoorzieningen, door erop toe te zien dat de documenten in braille beschikbaar zijn, en te voorzien in andere ondersteunende en alternatieve communicatiemethoden en in de fysieke toegankelijkheid van hun gebouwen; onderkent de problemen bij het voorzien in ondertiteling voor alle live-uitzendingen en video's van vergaderingen; verzoekt de instellingen evenwel de technologische ontwikkelingen op dit gebied te blijven volgen, teneinde de toegankelijkheid in de toekomst te verbeteren;

98.  raadt de Europese instellingen aan om overeenkomstig het meertaligheidsbeleid van de EU prioriteit te geven aan tolkendiensten van en naar nationale gebarentaal/gebarentalen in plaats van aan internationale gebarentaal;

99.  dringt er bij de lidstaten op aan te waarborgen dat de Europese verkiezingen ook toegankelijk zijn voor personen die in een instelling wonen en/of onder curatele staan;

100.  erkent het gebrek aan toegankelijke en inclusieve verkiezingsprocessen voor personen met een handicap, met name personen met een geestelijke/verstandelijke handicap, zowel op EU- als op nationaal niveau; dringt er bij het Europees Parlement op aan te waarborgen dat zijn communicatiemateriaal over de Europese verkiezingen volledig toegankelijk is;

101.  verzoekt Europese scholen, kinderdagverblijven en naschoolse kinderopvang voor alle kinderen van EU-personeel kwalitatief hoogwaardig en inclusief onderwijs te verzorgen dat in overeenstemming is met het UNCRPD, ook voor kinderen die complexe ondersteuning of ondersteuning op hoog niveau nodig hebben;

102.  verzoekt de EU het implementeren van redelijke voorzieningen en andere vormen van ondersteuning in het arbeidsmilieu binnen de eigen instellingen, zoals slim werken voor personen met een handicap, waaronder voor geaccrediteerde parlementaire medewerkers, te faciliteren;

103.  verzoekt de Commissie de gezamenlijke regels, uitvoeringsbepalingen, toepassingsgebieden, vertegenwoordiging van personen met een handicap en toegankelijkheid en praktijken van haar Gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering dusdanig te herzien dat deze in overeenstemming zijn met het UNCRPD;

104.  spoort alle EU‑instellingen, ‑agentschappen en ‑organen aan om contactpunten aan te duiden, en benadrukt dat het nodig is een horizontaal, interinstitutioneel coördinatiemechanisme tussen directoren-generaal en EU‑instellingen te creëren; dringt erop aan de modaliteiten hiervoor vast te leggen in een strategie voor de uitvoering van het UNCRPD;

105.  spoort de instellingen aan een uitgebreid beleid voor aanwerving, behoud en promotie van personeel aan te nemen, met onder meer tijdelijke positieve maatregelen die actief zijn gericht op het verhogen van het aantal personeelsleden en stagiairs met een handicap, waaronder psychosociale en verstandelijke handicaps, en te voorzien in redelijke aanpassingen voor stagiairs op basis van artikel 5 van Richtlijn 2000/78/EG;

106.  herinnert aan de rol die de parlementaire interfractiewerkgroep inzake handicaps van het Europees Parlement heeft gespeeld bij de tenuitvoerlegging van de Europese strategie inzake handicaps, in overeenstemming met het VN-Verdrag, als een platform dat Europese en nationale parlementsleden, vertegenwoordigers van organisaties en het maatschappelijk middenveld, zowel op nationaal als op lokaal niveau, samenbrengt; merkt op dat de interfractiewerkgroep een geprivilegieerd forum is om discussies en debatten te stimuleren en de tenuitvoerlegging van de strategie zo te garanderen;

107.  verzoekt de Europese instellingen personeelsleden en parlementsleden met een handicap volledig te raadplegen en daadwerkelijk te betrekken bij de formulering, tenuitvoerlegging en monitoring van interne regels, beleidsvorming en praktijken, met inbegrip van het Statuut en redelijke voorzieningen en toegankelijkheidsvoorzieningen;

Hiaten in het voortgangsverslag ten opzichte van de slotopmerkingen

108.  acht het betreurenswaardig dat de websites van de EU-instellingen niet voldoen aan toegankelijkheidsniveau AAA; verzoekt de instellingen die doelstelling zo vlug mogelijk te behalen;

109.  betreurt het dat de EU- en de nationale wetgeving op het gebied van vervoer in de lidstaten nog altijd niet volledig ten uitvoer wordt gelegd; beveelt derhalve aan dat in alle lidstaten nationale handhavingsinstanties in het leven te roepen;

110.  neemt kennis van de geboekte vooruitgang met betrekking tot de toegankelijkheid van spoorwegdiensten; dringt aan op dezelfde normen voor toegankelijkheid voor de overige vervoerswijzen, met inbegrip van luchtvervoer, teneinde eventuele strijdigheid tussen veiligheid en toegankelijkheid weg te nemen;

111.  constateert dat de horizontale richtlijn betreffende gelijke behandeling niet ter sprake komt in het voortgangsverslag van de Commissie;

112.  betreurt het feit dat er weinig vooruitgang is geboekt met betrekking tot de ratificatie door de Europese Unie van het Facultatief Protocol bij het UNCRPD;

113.  constateert dat de Commissie nog geen alomvattende en horizontale herziening van de EU-wetgeving heeft uitgevoerd voor volledige harmonisering met de bepalingen van het UNCRPD;

114.  is ingenomen met de geactualiseerde lijst met instrumenten waarin ook de onlangs vastgestelde instrumenten zijn opgenomen, maar betreurt het feit dat de bevoegdheidsverklaring niet is herzien en dat in de lijst met instrumenten geen instrumenten zijn opgenomen die niet specifiek betrekking hebben op personen met een handicap, maar desalniettemin van belang zijn voor personen met een handicap;

115.  betreurt het dat de Commissie geen vooruitgang heeft geboekt ten aanzien van het mainstreamen van de rechten van vrouwen en kinderen met een handicap in al haar gendergelijkheidsbeleid en -programma's, en geen genderperspectief in haar strategie inzake handicaps heeft verwerkt;

116.  is verheugd over het feit dat de EU het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) heeft ondertekend, en roept de Raad op dit verdrag op korte termijn te ratificeren;

117.  betreurt het dat het huidige Europese beleid met betrekking tot de rechten van het kind niet voorziet in een alomvattende op rechten gebaseerde strategie voor jongens en meisjes met een handicap of in waarborgen ter bescherming van hun rechten, en dat de strategieën inzake handicaps de rechten van jongens en meisjes met een handicap niet afdoende aanpakken en mainstreamen; vraagt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan kinderen met een handicap, in overeenstemming met het UNCRPD en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind; beklemtoont in het bijzonder het belang van rolmodellen voor vrouwen en meisjes met een handicap;

118.  constateert dat de EU geen uitvoerige campagne heeft gelanceerd om de bevolking bewust te maken van het UNCRPD en om vooroordelen jegens personen met een handicap te bestrijden;

Naar een omvattende en doeltreffende strategie inzake handicaps tot 2030

Horizontale kwesties

119.  roept de Commissie op te waarborgen dat de toekomstige strategie inzake handicaps gericht is op de volledige tenuitvoerlegging van het UNCRPD in alle beleidsterreinen van de EU, en ervoor zorgt dat toegankelijkheid, participatie, non-discriminatie en gelijkheid overal worden opgenomen, en alle artikelen van het UNCRPD integreert, en over een toereikend budget en tijdschema voor de tenuitvoerlegging en een toezichtsmechanisme beschikt, en dezelfde juridische waarde heeft als de huidige strategie; weet dat de strategie alleen succesvol kan zijn indien alle belanghebbende partijen, inclusief het maatschappelijk middenveld, erbij worden betrokken;

120.  benadrukt dat de strategie 2020-2030 gebaseerd moet zijn op een alomvattende en horizontale herziening van de hele EU-wetgeving en alle EU-beleidsmaatregelen, teneinde volledige harmonisering met de bepalingen van het UNCRPD te waarborgen, en daarnaast moet voorzien in een herziene bevoegdheidsverklaring;

121.  roept de Commissie op maatregelen te stimuleren gericht op doeltreffende re-integratie en revalidatie teneinde de gevolgen van ziekte of fysieke, mentale of emotionele aandoeningen op het verdienvermogen van individuele personen te beperken of weg te nemen;

122.  beveelt de Commissie aan ervoor te zorgen dat toekomstige strategieën en de bijbehorende raadplegingsprocessen transparant zijn, begrijpelijk en volledig toegankelijk zijn, en voorzien in duidelijke indicatoren en benchmarks;

123.  constateert dat de SDG-indicatoren van de EU zich niet uitstrekken tot personen met een handicap waar het SDG 4 (inzake onderwijs), SDG 5 (inzake gendergelijkheid) en SDG 8 (inzake fatsoenlijke banen en economische groei) betreft; pleit ervoor dat de toekomstige strategie gebruik maakt van SDG-indicatoren voor het monitoren van de belangrijkste EU-acties en ‑beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid;

124.  beklemtoont dat het belangrijk is erop toe te zien dat de toekomstige strategie inzake handicaps aansluit bij andere EU-initiatieven en strategieën, teneinde de arbeidsparticipatie en integratie van personen met een handicap, en in het bijzonder vrouwen met een handicap, te bevorderen;

125.  beveelt aan in de strategie voor de periode na 2020 openbare aanbestedingen en standaardisering als horizontale thema's op te nemen voor het vergroten van de inzetbaarheid van personen met een handicap, en versterkt in te zetten op het verzamelen en uitwisselen – tussen de lidstaten – van goede praktijken;

126.  dringt er bij de Commissie op aan erop toe te zien dat door de EU gefinancierde projecten stroken met de mensenrechtenbenadering van het UNCRPD, door geen financiering ter beschikking te stellen voor projecten die resultaten opleveren die niet toegankelijk zijn voor personen met een handicap, of deze personen uitsluiten, of de toegankelijkheidsstandaarden niet in acht nemen;

127.  vraagt de Commissie een voorstel te presenteren voor een beoordelingsinstrument dat gebaseerd is op voortdurende monitoring, met inbegrip van specifieke indicatoren en concrete doelstellingen;

128.  vraagt de EU en de lidstaten in het verlengde van de ratificatie van het Verdrag van Istanbul specifieke maatregelen te nemen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap; dringt er bij de Commissie op aan een uitgebreide Europese strategie ter bestrijding van geweld tegen vrouwen uit te werken, met bijzondere aandacht voor vrouwen en meisjes met een handicap;

129.  onderkent dat vrouwen met een handicap, in het bijzonder een verstandelijke handicap, kwetsbaarder zijn voor gendergerelateerd geweld, seksuele intimidatie of andere vormen van misbruik; onderkent bovendien dat het voor deze vrouwen vanwege hun afhankelijke positie niet altijd mogelijk is het misbruik vast te stellen of te melden; benadrukt dat het nodig is om de tenuitvoerlegging te bevorderen van de Europese strategie inzake handicaps, die in preventieve maatregelen voorziet om alle vormen van misbruik te voorkomen, en om te zorgen voor kwalitatief hoogstaande, toegankelijke en op de behoeften toegesneden bijstand aan slachtoffers van geweld;

130.  roept de EU op de Europese strategie inzake handicaps tot integraal onderdeel van de algehele EU-wetgeving en het proces van het Europees Semester te maken; dringt in dit verband aan op een echte gestructureerde dialoog tussen de EU en belangenorganisaties van personen met een handicap met het oog op de opstelling van de Europese strategie inzake handicaps voor de periode na 2020;

131.  raadt aan de toekomstige strategie inzake handicaps ook betrekking te laten hebben op de essentiële rol van ondersteunende diensten met het oog op de uitoefening van mensenrechten door personen met een handicap;

132.  raadt aan dat de toekomstige strategie zich ook uitstrekt tot vraagstukken met betrekking tot de opleiding van personeel, een aspect dat van essentieel belang is voor het waarborgen van ondersteuning overeenkomstig de beginselen van het UNCRPD;

Aanvullende actiegebieden

133.  wijst er met klem op dat gelijkheid, gender en non-discriminatie, onder meer voor personen met een handicap uit de LGBTQI-gemeenschap die worden blootgesteld aan meervoudige discriminatie, moeten worden opgenomen in alle facetten van een toekomstige strategie; roept de Commissie en de lidstaten op campagnes en opleidingen te bevorderen om de bevolking bewust te maken van het UNCRPD en van de noodzaakvan eerbiediging van de diversiteit, teneinde discriminatie en stigmatisering van en vooroordelen tegen personen met een (psychosociale) handicap, leermoeilijkheden of autisme te bestrijden;

134.  benadrukt dat er meer moet worden gedaan om stereotypen en vooroordelen over handicaps in de media te bestrijden om de overheersende, tot uitsluiting leidende sociale normen te veranderen; roept de Commissie en de lidstaten op te investeren in campagnes gericht op het vergroten van het bewustzijn van de onderhavige problematiek, teneinde bij de beeldvorming van personen met een handicap voor een gelijkwaardig beeld met personen zonder handicap te zorgen, om stereotypering van handicaps tegen te gaan;

135.  wijst op het raakvlak tussen gender en handicap, met name op het gebied van geïnformeerde besluitvorming met betrekking tot anticonceptie, gedwongen sterilisatie en toegang tot reproductieve rechten; vraagt de lidstaten te bekijken of hun wetgeving wat dit aspect betreft mogelijkerwijs moet worden aangepast;

136.  dringt er bij de EU op aan de rechten van kinderen met een handicap in alle facetten van de toekomstige strategie inzake handicaps op te nemen;

137.  onderkent dat handelingsbevoegdheid een van de vereisten is voor de uitoefening van mensenrechten, waaronder het stemrecht, en dat nieuwe strategieën moeten waarborgen dat deze bevoegdheid niemand wordt ontnomen op grond van een handicap, op welke gebieden van het leven dan ook; beklemtoont in dit verband dat de EU passende maatregelen moet nemen om te waarborgen dat alle personen met een handicap al hun in de Europese Verdragen en wetgeving vastgelegde rechten kunnen uitoefenen, zoals toegang tot de rechter, goederen en diensten, met inbegrip van bankdiensten, werkgelegenheid en gezondheidszorg, evenals het stemrecht in de Europese verkiezingen en de consumentenrechten overeenkomstig het Verdrag, en dat de EU niet-dwingende maatregelen en mechanismen voor ondersteunde besluitvorming overeenkomstig het UNCRPD moet stimuleren;

138.  verzoekt de Commissie met klem in de nieuwe strategie inzake alle mogelijke maatregelen op te nemen om de vrijheid en veiligheid te waarborgen van alle personen met welke vorm van handicap dan ook, overeenkomstig het Verdrag en de criteria van het UNCRPD-Comité;

139.  verzoekt de Commissie met klem in toekomstige verordeningen het partnerschapsbeginsel met betrekking tot financiering te handhaven en erop toe te zien dat dit volledig wordt geëerbiedigd;

140.  roept de Commissie op de stelselmatige betrokkenheid van personen met een handicap en hun belangenorganisaties bij alle besluitvormingsfasen te bevorderen, zowel op EU- als op nationaal niveau, en de capaciteitsopbouw van organisaties van personen met een handicap te financieren, zodat deze groep op een structurele manier kunnen deelnemen aan alle beslissingen die hun betreffen; verzoekt de lidstaten te blijven voorzien in UNCRPD-opleidingen zodat personen met een handicap op de hoogte zijn van hun rechten en discriminatie kan worden voorkomen;

141.  herinnert eraan dat het UNCRPD-Comité zijn ernstige bezorgdheid heeft geuit over de zorgwekkende situatie van personen met een handicap in het kader van de huidige migratiecrisis in de EU; verzoekt de Commissie met klem de gehandicaptenproblematiek op te nemen in haar migratie- en vluchtelingenbeleid, en erop toe te zien dat bij alle EU-financiering ten behoeve van deze humanitaire crisis rekening wordt gehouden met gehandicaptenvraagstukken;

142.  verzoekt de lidstaten met klem gegevens naar aard van de handicap uit te splitsen en nauw samen te werken met Eurostat om vergelijkbare gegevens te verkrijgen over handicaps in verschillende sectoren, met inbegrip van personen die in een instelling wonen, en de strategie inzake handicaps te koppelen aan de procedure inzake de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling;

143.  benadrukt het belang van meetbare en vergelijkbare kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren, waaronder met betrekking tot toegankelijkheid, gelijkheid, werk, sociale bescherming, gezondheid, schoolresultaten en het aantal leerlingen in het inclusief onderwijs, teneinde een evaluatie uit te voeren van de tenuitvoerlegging van het UNCRPD door de EU en de lidstaten, en dringt met klem aan op het verzamelen van gegevens voor de toepassing van deze indicatoren;

144.  dringt er bij de EU op aan in samenwerking met personen met een handicap en gehandicaptenorganisaties een op mensenrechten gebaseerd systeem van indicatoren te ontwikkelen, evenals een vergelijkbaar, veelomvattend systeem voor gegevensverzameling waarin gegevens worden uitgesplitst naar gender, leeftijd, plattelands- en stedelijke bevolking en aard van de handicap;

145.  erkent dat met name personen met een verstandelijke handicap het risico lopen slachtoffer te worden van discriminatie en misbruik en vaak in instellingen worden geplaatst waar ze geen toegang tot onderwijs hebben en hun recht op zelfbeschikking niet kunnen uitoefenen;

146.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem aanvullende maatregelen te nemen om ook de meest kwetsbare groepen, zoals dakloze personen met een handicap, te bereiken;

147.  benadrukt het belang van voortdurende monitoring van de tenuitvoerlegging van het UNCRPD, overeenkomstig artikel 33 hiervan en in overleg met gehandicaptenorganisaties;

148.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de werkzaamheden van de EU-groep op hoog niveau voor de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid ter verbetering van de registratie en verzameling van gegeven met betrekking tot haatmisdrijven, ook haatmisdrijven tegen personen met een handicap beslaan;

149.  dringt er bij alle lidstaten op aan de toezichtskaders vastgesteld overeenkomstig artikel 33, lid 2, van het UNCRPD te voorzien van afdoende en stabiele financiële en menselijke middelen om hun taken zelfstandig te kunnen uitvoeren;

150.  dringt er bij de Commissie op aan het toezichtskader van de EU te voorzien van afdoende financiële middelen om zijn taken zelfstandig en naar behoren te kunnen uitvoeren;

151.  herinnert eraan dat de Commissie verzoekschriften (PETI) elk jaar een groot aantal verzoekschriften ontvangt over moeilijkheden die personen met een handicap in de hele EU tijdens hun dagelijkse bezigheden ondervinden in verband met de acht voornaamste actiegebieden die in de Europese strategie inzake handicaps worden geïdentificeerd, evenals over andere toegankelijkheidskwesties, in het bijzonder de toegang tot gezondheidszorg en sociale bescherming, onderwijs en opleiding, de arbeidsmarkt, gebouwde omgeving en vervoer, goederen en diensten, informatie en communicatie, en deelname aan het politieke, openbare en culturele leven;

152.  vraagt alle lidstaten het UNCRPD te ratificeren en het facultatief protocol te ondertekenen;

153.  wijst op de beschermende rol die de Commissie verzoekschriften speelt door middel van de verzoekschriftenprocedure (los van de Europese Ombudsman, die is aangesteld om burgers te beschermen in geval van wanbeheer) in de context van het EU-kader voor het UNCRPD, die de indiener in staat stelt een klacht in te dienen wegens schending van zijn rechten door Europese, nationale en lokale autoriteiten; benadrukt dat uit de door de Commissie ontvangen verzoekschriften blijkt dat een doeltreffende, horizontale, niet-discriminerende en op mensenrechten gebaseerde benadering moet worden aangenomen wat betreft het beleid ten aanzien van personen met een handicap; onderstreept dat het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten een belangrijke rol speelt bij het consolideren van de grondrechten voor personen met een handicap in de EU en bij het ondersteunen van de tenuitvoerlegging door de EU van het UNCRDP;

154.  benadrukt dat het leeuwendeel van de door de Europese burgers ingediende verzoekschriften betrekking heeft op problemen bij aanvraagprocedures, het krijgen van erkenning en de late betaling van invaliditeitspensioenen door de bevoegde instanties; benadrukt dat speciale aandacht aan deze kwesties moet worden besteed bij de tenuitvoerlegging van de Europese strategie inzake handicaps en het deel over sociale bescherming, in overeenstemming met artikel 28 van het UNCRPD over een passende levensstandaard en sociale bescherming;

o
o   o

155.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 23 van 27.1.2010, blz. 35.
(2) UNCRPD/C/EU/CO/1.
(3) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
(4) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0485.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0360.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0318.
(8) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 41.
(9) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 9.
(10) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 23.
(11) overwegende dat 'volwaardige burger' in de context van deze resolutie moet worden begrepen in de betekenis die de UNCRPD aan dit begrip toekent, namelijk dat alle personen met een handicap recht hebben op volledige eerbiediging van alle mensenrechten;
(12) Arrest van het Hof van Justitie van 11 april 2013, HK Danmark, gevoegde zaken C-335/11 en C-337/11, ECLI:EU:C:2013:222, punten 29-30; arrest van het Hof van Justitie van 18 maart 2014, Z, C-363/12, ECLI:EU:C:2014:159, punt 73; arrest van het Hof van Justitie van 22 mei 2014, Glatzel, C-356/12, ECLI:EU:C:2014:350, punt 68.
(13) Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1).
(14) Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem in de Unie voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit (PB L 356 van 12.12.2014, blz. 110).
(15) Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46 van 17.2.2004, blz. 1).
(16) Richtlijn 93/109/EG van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn (PB L 329 van 30.12.1993, blz. 34).
(17) Richtlijn 94/80/EG van de Raad van 19 december 1994 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij de nationaliteit niet bezitten (PB L 368 van 31.12.1994, blz. 38).
(18) Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426).
(19) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16).
(20) Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 200 van 7.6.2004, blz. 1).
(21) Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45).

Juridische mededeling - Privacybeleid