Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2122(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0365/2017

Ingediende teksten :

A8-0365/2017

Debatten :

PV 12/12/2017 - 17
CRE 12/12/2017 - 17

Stemmingen :

PV 13/12/2017 - 13.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0494

Aangenomen teksten
PDF 278kWORD 74k
Woensdag 13 december 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld 2016 en het beleid van de Europese Unie ter zake
P8_TA(2017)0494A8-0365/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2017 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld 2016 en het beleid van de Europese Unie ter zake (2017/2122(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de VN,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien het VN-verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979(1),

–  gezien de algemene aanbevelingen nrs. 12, 19 en 35 van het CEDAW over geweld tegen vrouwen, nr. 26 over migrerende vrouwelijke werknemers en nr. 32 over de gendergerelateerde aspecten van de vluchtelingenstatus, asiel, nationaliteit en staatloosheid van vrouwen,

–  gezien Resolutie 69/167 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) van 18 december 2014(2) inzake de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden van alle migranten, ongeacht hun migratiestatus,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden van 18 december 1990(3),

–  gezien resoluties 1325, 1820, 1888, 1889, 1960, 2106, 2122 en 2242 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951, het Protocol betreffende de status van vluchtelingen van 1967(4) en de ILO-verdragen nrs. 43 en 97,

–  gezien de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten(5),

–  gezien de tijdens de AVVN op 19 september 2016 aangenomen Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten(6),

–  gezien de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de VN en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling ter waarborging van de vrede en het welzijn van de mensheid en de aarde(7),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanboel) van 12 april 2011, dat op 13 juni 2017 door de EU is ondertekend(8),

–  gezien de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, aangenomen in 1976 en herzien in 2011(9),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 2, 3, 8, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie, die op 25 juni 2012 door de Raad zijn aangenomen(10),

–  gezien het actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019), dat op 20 juli 2015 door de Raad is aangenomen(11),

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid getiteld "EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019): tussentijdse evaluatie juni 2017" (SWD(2017)0254),

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid getiteld "Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)", dat in 2015 is aangenomen (SWD(2015)0182),

–  gezien de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie(12), die op 28 juni 2016 werd gepresenteerd door Federica Mogherini, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), alsook het in 2017 gepubliceerde eerste verslag over de uitvoering ervan met als titel "From Shared Vision to Common Action: Implementing the EU Global Strategy"(13),

–  gezien Besluit nr. 2011/168/GBVB van de Raad van 21 maart 2011 betreffende het Internationaal Strafhof en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2003/444/CFSP(14),

–  gezien de Europese migratieagenda van 13 mei 2015 (COM(2015)0240) en de mededeling van de Commissie van 7 juni 2016 over de vaststelling van een nieuw partnerschapskader met derde landen in het kader van de Europese migratieagenda (COM(2016)0385),

–  gezien de richtsnoeren van de EU ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind, als aangenomen in 2007 en herzien in 2017(15),

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Europese Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Europese Commissie getiteld "De nieuwe Europese consensus over ontwikkeling – Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst"(16), die op 7 juni 2017 door de Raad, het Parlement en de Commissie werd aangenomen,

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake de vrijheid van meningsuiting online en offline, vastgesteld in 2014(17),

–  gezien de bescherming van de vrijheid van meningsuiting online en offline uit hoofde van artikel 19 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de in 2013 aangenomen richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging(18),

–  gezien de internationale bescherming van de vrijheid van godsdienst of overtuiging uit hoofde van artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, de Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van onverdraagzaamheid en discriminatie op grond van godsdienst of levensbeschouwing van 1981, artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad over intolerantie, discriminatie en geweld op grond van religie of overtuiging, aangenomen op 21 februari 2011(19),

–  gezien de in 2013 aangenomen richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf(20),

–  gezien de EU-richtsnoeren voor het EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, die zijn aangenomen in 2001 en herzien in 2012(21),

–  gezien het VN-protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad(22) en het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van de mensenhandel,

–  gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI), aangenomen in 2013(23),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtendialogen met derde landen, aangenomen in 2001 en herzien in 2009(24),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het internationale humanitaire recht, aangenomen in 2005 en herzien in 2009(25),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van vrouwen en meisjes, aangenomen in 2008(26),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake kinderen en gewapende conflicten, aangenomen in 2003 en herzien in 2008(27),

–  gezien Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden(28),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers, aangenomen in 2005 en herzien in 2008(29),

–  gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2015(30),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2017 over"Wapenuitvoer: tenuitvoerlegging van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB"(31),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2016 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015(32), en eerdere resoluties over het onderwerp,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over mensenrechten en migratie in derde landen(33),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen(34),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU(35),

–  gezien zijn resolutie van 21 januari 2016 over de prioriteiten van de EU voor de UNHRC-zittingen in 2016(36),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over de humanitaire situatie in Jemen(37) waarin de VV/HV wordt verzocht het initiatief te nemen tot de instelling van een EU-wapenembargo tegen Saudi-Arabië;

–  gezien zijn resoluties over gevallen van schendingen van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat,

–  gezien zijn Sacharovprijs voor de vrijheid van denken, die in 2016 werd toegekend aan Nadia Murad en Lamiya Aji Bashar,

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2013 over discriminatie op grond van kaste(38), het verslag van de speciale VN-rapporteur voor minderhedenkwesties van 28 januari 2016 over minderheden en discriminatie op grond van kaste en soortgelijke stelsels van geërfde status(39) en het oriënterende instrument van de VN met betrekking tot discriminatie op grond van afkomst,

–  gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over steun van de EU voor het Internationaal Strafhof: aangaan van uitdagingen en overwinnen van moeilijkheden(40),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0365/2017),

A.  overwegende dat de EU zich op grond van artikel 21 VEU verbindt tot een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) volgens de beginselen die ter grondslag hebben gelegen aan haar eigen oprichting en die zij in de wereld tracht te bevorderen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, het beginsel van gelijkheid en solidariteit, en de naleving van het Handvest van de Verenigde Naties, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het internationaal recht; overwegende dat de Unie gaat toetreden tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens;

B.  overwegende dat de wereldwijde schendingen van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, met inbegrip van misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en genocide, vastberaden inspanningen vereisen van de gehele internationale gemeenschap;

C.  overwegende dat de eerbiediging, het bevorderen, de ondeelbaarheid en het vrijwaren van de universaliteit van de mensenrechten hoekstenen zijn van het GBVB; overwegende dat het Parlement, in zijn rol van toezichthouder op het GBVB, het recht heeft op de hoogte te blijven van en geraadpleegd te worden over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzes daarvan (artikel 36 van het VEU);

D.  overwegende dat in de integrale strategie van de Europese Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, vastgesteld door de Raad in juni 2016, wordt bekrachtigd dat de mensenrechten systematisch moeten worden opgenomen in alle beleidssectoren en instellingen, met inbegrip van internationale handel en het handelsbeleid;

E.  overwegende dat een betere samenhang tussen het binnenlands en buitenlands beleid van de EU, evenals van het buitenlands beleid zelf, een absolute vereiste is voor een succesvol en doeltreffend EU-beleid op het gebied van de mensenrechten; overwegende dat de EU door een betere samenhang in staat moet zijn sneller te reageren in de beginfase van mensenrechtenschendingen en hierop in sommige gevallen te anticiperen en deze te voorkomen, ook op het gebied van de internationale handel en het handelsbeleid;

F.  overwegende dat het streven van de EU naar een doeltreffend multilateralisme, met de VN als kern, een integraal onderdeel vormt van het buitenlands beleid van de Unie en geworteld is in de overtuiging dat een multilateraal systeem gebaseerd op universele regels en waarden de beste manier is om de wereldwijde crises, uitdagingen en bedreigingen het hoofd te bieden;

G.  overwegende dat krachtens artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) het handelsbeleid van de EU moet stoelen op de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie; overwegende dat handel en mensenrechten elkaar kunnen beïnvloeden in derde landen en overwegende dat het bedrijfsleven, in het kader van een stelsel van strafrechtelijke aansprakelijkheid, waarover thans binnen de VN wordt overlegd, en van mondiale waardeketens, een belangrijke rol heeft te vervullen waar het gaat om het bieden van positieve prikkels om mensenrechten, democratie en maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen; overwegende dat goed bestuur en een overheid die ten dienste staat van het algemeen belang een belangrijke rol speelt bij het gedrag van ondernemingen; overwegende dat de EU deelneemt aan inspanningen om een bindend verdrag op te stellen inzake het bedrijfsleven en mensenrechten;

H.  overwegende dat de bescherming van de mensenrechten van de meest kwetsbare groepen, zoals etnische, taalkundige en religieuze minderheden, mensen met handicaps, de LGBTI-gemeenschap, vrouwen, kinderen, asielzoekers en migranten, speciale aandacht verdient;

I.  overwegende dat vrouwen en kinderen worden geconfronteerd met bedreigingen, discriminatie en geweld, in het bijzonder in oorlogsgebieden en onder autoritaire regimes; overwegende dat gendergelijkheid is geassocieerd met Europese kernwaarden en is verankerd in het juridische en politieke kader van de EU; overwegende dat geweld en discriminatie ten aanzien van vrouwen en meisjes de afgelopen jaren zijn toegenomen;

J.  overwegende dat staten de uiteindelijke verantwoordelijkheid dragen voor het waarborgen van alle mensenrechten door middel van het opstellen en uitvoeren van internationale mensenrechtenverdragen, het monitoren van mensenrechtenschendingen en het garanderen van effectieve voorziening in rechte voor slachtoffers;

K.  overwegende dat steeds meer mensenrechtenschendingen die neerkomen op oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, waaronder genocide, worden gepleegd door statelijke en niet-statelijke actoren;

L.  overwegende dat vrijheid van denken, geweten en godsdienst, met inbegrip van de vrijheid om te geloven of niet te geloven, om al dan niet een godsdienst naar keuze te belijden, en een geloof aan te nemen, van een geloof afstand te nemen of op een ander geloof over te stappen, overal ter wereld onvoorwaardelijk moet worden gewaarborgd en onvoorwaardelijk beschermd, met name via interreligieuze en interculturele dialoog; overwegende dat wetten die godslastering verbieden wijdverbreid zijn en staten straffen opleggen die uiteenlopen van gevangenisstraffen tot zweepslagen en de doodstraf;

M.  overwegende dat de vrijheid van mening en meningsuiting, de vrijheid van vereniging en vergadering, en het houden van regelmatige, transparante en eerlijke verkiezingen essentiële elementen zijn van een democratie; overwegende dat verkiezingen in fragiele, conflictgevoelige en repressieve samenlevingen soms aanleiding kunnen geven tot wijdverspreid geweld;

N.  overwegende dat samenwerking met derde landen in alle bilaterale en multilaterale fora, bijvoorbeeld tijdens mensenrechtendialogen, een van de meest effectieve instrumenten is om mensenrechtenproblemen aan te pakken;

O.  overwegende dat passende middelen beschikbaar moeten worden gesteld en dat deze middelen op de meest efficiënte manier moeten worden aangewend om mensenrechten en democratie in derde landen te kunnen bevorderen;

P.  overwegende dat toegang tot water en sanitaire voorzieningen een fundamenteel mensenrecht is en het beperken van de toegang hiertoe een van de oorzaken van geopolitieke spanning is in bepaalde regio's;

Q.  overwegende dat het cultureel erfgoed in toenemende mate wordt bedreigd door plundering en vandalisme, met name in het Midden-Oosten;

R.  overwegende dat onderwijs een cruciale rol speelt bij de preventie van mensenrechtenschendingen en conflicten en de participatie van burgers in besluitvormingsprocessen in democratische stelsels kan helpen bevorderen; overwegende dat onderwijsinstellingen die mensenrechten, respect en diversiteit bevorderen, door staten moeten worden gesteund; overwegende dat de communicatiekanalen, waarvan het aantal is toegenomen, een belangrijk instrument vormen waarmee mensenrechtenschendingen snel bekend worden gemaakt en dat aldus een groot aantal slachtoffers of potentiële slachtoffers van mensenrechtenschendingen in derde landen kan worden bereikt om hen te voorzien van informatie en bijstand; overwegende dat het op uitgebreide wijze verzamelen van uitgesplitste gegevens essentieel is om de eerbiediging van de mensenrechten, met name die van de meest kwetsbare groepen, gemarginaliseerde groepen en groepen die het risico lopen gemarginaliseerd te raken, te kunnen waarborgen; overwegende dat het gebruik van passende indicatoren ook een doeltreffende manier is om de vorderingen van staten bij het voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van internationale verdragen te beoordelen;

Algemene overwegingen

1.  is zeer bezorgd over de terugslag op het gebied van de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratische waarden die wereldwijd nog steeds bedreigd worden; herinnert eraan dat de EU heeft toegezegd de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en waarden, alsmede de democratische beginselen te zullen bevorderen welke wereldwijd moeten worden geschraagd;

2.  herhaalt zijn overtuiging dat de EU en haar lidstaten actief het beginsel van integratie van mensenrechten en democratie in alle EU-beleidsvormen moeten nastreven, als elkaar wederzijds versterkende fundamentele beginselen die de kern van de EU en het gehele EU-beleid vormen, met inbegrip van beleid met een externe dimensie, zoals op het gebied van ontwikkeling, migratie, veiligheid, terrorismebestrijding, uitbreiding en handel; wijst in dit verband andermaal op het cruciale belang om een sterkere samenhang tussen het interne en externe beleid van de EU, evenals een betere coördinatie van het externe beleid van de lidstaten te waarborgen; beklemtoont dat de toenemende complexiteit van conflicten in de wereld een integrale, eensgezinde en daadkrachtige internationale aanpak en samenwerking vereist; herinnert eraan dat het realiseren van de doelstelling van de EU om meer internationale invloed te hebben als geloofwaardige en legitieme internationale speler, in grote mate afhangt van haar vermogen om binnen de EU en daarbuiten de eerbiediging van de mensenrechten en de democratie te bevorderen, overeenkomstig de verplichtingen die zijn verankerd in haar oprichtingsverdragen;

3.  onderstreept het belang van een betere samenwerking tussen de Commissie, de Raad, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), het Parlement en de EU-delegaties om een consistente en gezamenlijke stem voor de mensenrechten en democratische beginselen te bevorderen en te waarborgen; onderstreept bovendien het belang van een sterke inzet voor het bevorderen van deze waarden in multilaterale fora, onder meer door middel van tijdige coördinatie op EU-niveau en een actieve benadering tijdens de onderhandelingen; spoort de EU in deze context ertoe aan op te treden als initiatiefnemer en mede-indiener van resoluties, en de uitvoering van regio-overschrijdende initiatieven binnen alle VN-mensenrechtenmechanismen te intensiveren;

4.  is ingenomen met het feit dat in 2016 de rechtsstaat, democratische beginselen en schendingen van de mensenrechten regelmatig besproken werden in zijn plenaire vergaderingen, het onderwerp waren van verscheidene resoluties van het Parlement, en aan de orde werden gesteld in de vergaderingen van commissies en interparlementaire delegaties;

5.  belicht het werk van zijn Subcommissie mensenrechten, die nauw samenwerkt met de EDEO, andere EU-instellingen, het maatschappelijk middenveld, multilaterale mensenrechteninstellingen en de speciale vertegenwoordiger van de EU (SVEU) voor de mensenrechten;

6.  herinnert eraan dat de Commissie mensenrechten in 2016 drie verslagen heeft opgesteld, namelijk over mensenrechten en migratie in derde landen, strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen, en de bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU; roept de Commissie op om naar aanleiding van deze initiatiefverslagen concrete stappen te ondernemen;

7.   merkt op dat in 2016 talrijke missies van de Commissie mensenrechten naar verschillende landen zijn afgereisd om informatie te verzamelen en uit te wisselen met de gouvernementele en niet-gouvernementele actoren op het gebied van mensenrechten, om het standpunt van het Parlement te presenteren en een hogere graad van bescherming en eerbiediging van mensenrechten aan te moedigen;

Aandacht voor problemen in verband met de mensenrechten

8.  uit zijn ernstige bezorgdheid over het toenemende aantal aanvallen tegen religieuze minderheden, die vaak door niet-statelijke actoren zoals IS/Da'esh worden gepleegd; betreurt het feit dat vele landen wetten tegen bekering en godslastering hebben en handhaven die in feite de vrijheid van godsdienst of overtuiging van religieuze minderheden en atheïsten beperken en hun deze vrijheden zelfs helemaal ontzeggen; dringt aan op maatregelen om religieuze minderheden, niet-gelovigen en atheïsten die het slachtoffer zijn van wetten inzake godslatsering te beschermen, en verzoekt de EU en de lidstaten om politieke discussies op gang te brengen over de afschaffing van dergelijke wetten; verzoekt de EU en haar lidstaten meer inspanningen te leveren om de eerbiediging van de vrijheid van denken, geweten, godsdienst en overtuiging te verbeteren en de interculturele en interreligieuze dialoog te bevorderen wanneer ze met derde landen samenwerken; vraagt concrete acties voor de daadwerkelijke uitvoering van de EU-richtsnoeren tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging, onder meer door te zorgen voor een stelselmatige en consequente opleiding van EU-personeel in de hoofdkantoren en delegaties; steunt de EU-praktijk ten volle om het voortouw te nemen bij thematische resoluties inzake vrijheid van godsdienst en overtuiging in de VN-Raad voor de mensenrechten (UNHRC) en de AVVN; steunt ten volle het werk van Ján Figel, de speciale EU-vertegenwoordiger voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst en overtuiging buiten de EU;

9.  wijst er nogmaals op dat de vrijheid van meningsuiting online en offline een essentieel onderdeel vormt van alle democratische samenlevingen, aangezien ze een cultuur van pluralisme bevordert die de positie van het maatschappelijk middenveld en de burgers versterkt om hun regeringen en beleidsmakers ter verantwoording te roepen, en de eerbiediging van de rechtsstaat ondersteunt; benadrukt dat beperking van de vrijheid van meningsuiting offline en online, bijvoorbeeld door online-inhoud te verwijderen, alleen in uitzonderlijke gevallen mag gebeuren, wanneer de wet dit voorschrijft en dit wordt gerechtvaardigd door het nastreven van een legitiem doel; benadrukt daarom dat de EU zich harder dient in te spannen om de vrijheid van meningsuiting via haar externe beleidslijnen en instrumenten te bevorderen; verzoekt de EU en haar lidstaten nogmaals beter toezicht te houden op alle vormen van beknotting van de vrijheid van meningsuiting en de media in derde landen, en dergelijke beperkingen snel en stelselmatig te veroordelen en alle beschikbare diplomatieke middelen en instrumenten in te zetten om deze beperkingen ongedaan te maken; benadrukt hoe belangrijk het is de daadwerkelijke uitvoering van de EU-richtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline te verzekeren en de effecten regelmatig te controleren; veroordeelt de dood en hechtenis van vele journalisten en bloggers in 2016 en dringt erop aan dat de EU hen daadwerkelijk beschermd; is verheugd over het nieuwe Europese instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) dat in 2016 is gelanceerd en waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan de opleiding van EU-delegaties en mediaorganisaties in derde landen over de toepassing van de richtsnoeren; onderstreept dat het belangrijk is om haatzaaiende uitlatingen en het aanzetten tot geweld op het internet en elders bekend te maken en te veroordelen, aangezien deze een frontale bedreiging vormen voor de rechtstaat en de waarden die zijn verankerd in de mensenrechten;

10.  is zeer verontrust over het feit dat het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van op geloof gebaseerde organisaties, wereldwijd steeds meer wordt aangevallen, onder meer door de goedkeuring van een toenemend aantal repressieve wetten in de gehele wereld, in sommige gevallen onder het voorwendsel van de strijd tegen terrorisme; onderstreept dat het fenomeen van inperking van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld zich in de hele wereld voordoet; herinnert eraan dat een onafhankelijk maatschappelijk middenveld een wezenlijke rol speelt bij de verdediging en bevordering van de mensenrechten en de werking van democratische samenlevingen, onder meer door het bevorderen van de transparantie, het afleggen van verantwoording en de scheiding der machten; verzoekt de EU en haar lidstaten gevallen van schendingen van de vrijheid van vergadering en vereniging voortdurend te volgen en aan de orde te stellen, waaronder de verscheidene vormen van verbod op en beperking van maatschappelijke organisaties en hun activiteiten, zoals wetten die de ruimte voor het maatschappelijk middenveld inperken of het bevorderen van door autoritaire regeringen gesponsorde ngo's (door regeringen georganiseerde ngo's (gongo's)); verzoekt de EU, haar lidstaten en de EU‑delegaties bovendien gebruik te maken van alle beschikbare middelen, zoals mensenrechtendialogen, politieke dialogen en open diplomatie, om individuele gevallen van mensenrechtenverdedigers en activisten uit het maatschappelijk middenveld die in gevaar zijn, stelselmatig ter sprake te brengen, in het bijzonder van degenen die willekeurig en/of omwille van hun politieke overtuiging of maatschappelijk engagement van hun vrijheid werden beroofd of in de gevangenis zitten, en het onderdrukken, intimideren en vermoorden van mensenrechtenverdedigers, met inbegrip van milieuactivisten, ondubbelzinnig te veroordelen; dringt aan op het opzetten van een systeem voor daadwerkelijk toezicht op de ruimte voor het maatschappelijk middenveld met duidelijke benchmarks en indicatoren om te zorgen voor een faciliterende en gunstige juridische omgeving voor het maatschappelijk middenveld;

11.  spoort de EU-delegaties en het diplomatieke personeel van de lidstaten aan mensenrechtenverdedigers actief te blijven steunen, door op stelselmatige wijze processen te volgen, gedetineerde activisten te bezoeken en waar nodig verklaringen af te leggen over individuele gevallen; onderstreept in dit opzicht het belang van instrumenten voor stille diplomatie; is verheugd over het feit dat de EU kwesties met betrekking tot mensenrechtenverdedigers ter sprake heeft gebracht in dialogen en overleg op EU-niveau met meer dan 50 landen in 2016; onderstreept het feit dat het EIDHR-noodfonds in 2016 meer dan 250 mensenrechtenverdedigers op EU-niveau heeft ondersteund, hetgeen een stijging betekent van 30 % vergeleken met 2015; is verheugd over de oprichting en succesvolle werking van ProtectDefenders.eu, een EU-mechanisme voor mensenrechtenverdedigers dat door het maatschappelijk middenveld wordt toegepast en cruciale steun heeft verleend aan een groot aantal mensenrechtenverdedigers; dringt er bij de Commissie op aan te garanderen dat het programma na oktober 2018 wordt voortgezet en de capaciteiten van het programma uit te breiden zodat er wereldwijd meer steun kan worden verleend aan mensenrechtenverdedigers;

12.  acht het buitengewoon betreurenswaardig dat in vele landen in de hele wereld nog altijd foltering, onmenselijke en onterende behandeling en de doodstraf plaatsvinden, en roept de EU op om zich harder in te spannen om deze uit te bannen; is in dit opzicht ingenomen met de herziening van de EU-wetgeving inzake de handel in bepaalde goederen die gebruikt kunnen worden voor de doodstraf, foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandelingen of straffen; vraagt de EDEO en de VV/HV met klem om via meer diplomatieke inspanningen en een meer systematische openbare stellingname nadrukkelijker de strijd aan te gaan met foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandelingen of straffen, waaronder de doodstraf; onderstreept in dit verband de onrustbarende detentieomstandigheden in sommige gevangenissen, inclusief het niet-behandelen van aandoeningen, en pleit ervoor dat de EDEO, de EU‑delegaties en de lidstaten ten volle alle bestaande instrumenten gebruiken, zoals de EU-richtsnoeren inzake foltering; is verheugd over het feit dat de VN-resolutie over een moratorium op de uitvoering van de doodstraf werd aangenomen door de AVVN in december 2016 met de steun van 117 landen; merkt op dat het aantal wereldwijd uitgevoerde executies in 2016 lager was dan in het jaar ervoor, maar is ernstig bezorgd over het feit dat het totale aantal executies nog steeds hoger is dan in het vorige decennium; onderstreept dat vaak andersdenkenden in de samenleving en kwetsbare groepen hiervan de dupe zijn; roept de landen die nog steeds de doodstraf toepassen, op een moratorium aan te nemen en de doodstraf af te schaffen;

13.  onderkent de belangrijke rol die de moderne informatie- en communicatietechnologie kan vervullen bij het wereldwijd bevorderen en beschermen van mensenrechten en het compenseren van mensenrechtenschendingen, en nodigt de EU-instellingen en de lidstaten uit hun informatiekanalen in te zetten om binnen hun specifieke kaders en bevoegdheden systematisch het standpunt van het Parlement over diverse mensenrechtenkwesties te herhalen en bij te dragen tot de efficiëntie en de zichtbaarheid van de gezamenlijke inspanningen van de EU; is bezorgd over het feit dat de aanwending tegen politici, activisten en journalisten van bepaalde technologieën voor cybertoezicht voor tweeërlei gebruik steeds sterker toeneemt; is in dit verband ingenomen met de huidige werkzaamheden van de EU-instellingen inzake de bijwerking van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik(41); veroordeelt ten stelligste dat een toenemend aantal mensenrechtenverdedigers te maken krijgt met digitale bedreigingen, waaronder gecompromitteerde gegevens door inbeslagname van apparatuur, bewaking op afstand en datalekken; is bezorgd over het feit dat onlineplatformen, in het kader van de verwijdering van terroristische inhoud en propaganda van de platformen, videomateriaal wissen dat verband houdt met mogelijke oorlogsmisdaden;

14.  uit zijn bezorgdheid over de toenemende privatisering van de rechtsstaat op het internet, waar particuliere bedrijven beslissingen nemen over de inperking van grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting op basis van de algemene voorwaarden van hun diensten in plaats van democratisch aangenomen wetten;

15.  roept de Commissie op een "kennisgeving-en-actie"-richtlijn aan te nemen die de transparantie en evenredigheid van verwijderingsprocedures vergroot en tegelijkertijd doeltreffende voorzieningen in rechte biedt voor gebruikers wier inhoud ten onrechte is verwijderd;

16.  veroordeelt het gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes, waaronder massaverkrachtingen, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, genderspecifieke vormen van vervolging, mensenhandel, sekstoerisme en alle andere vormen van fysiek, seksueel en psychologisch geweld, als oorlogswapen; wijst erop dat gendergerelateerde misdrijven en misdrijven in verband met seksueel geweld in het Statuut van Rome worden ingedeeld bij de oorlogsmisdrijven, misdaden tegen de menselijkheid en handelingen die de grondslag vormen voor genocide of foltering; benadrukt dat het belangrijk is vrouwenrechten, met inbegrip van hun seksuele en reproductieve rechten, te verdedigen door middel van wetgeving, onderwijs en het ondersteunen van maatschappelijke organisaties; is ingenomen met de goedkeuring van het EU-genderactieplan 2016-2020, dat een uitgebreide lijst bevat van maatregelen ter verbetering van de situatie van vrouwen met betrekking tot gelijke rechten en empowerment; benadrukt het belang van de waarborging van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan; is ook blij met de goedkeuring van het strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019, ter bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en van de rechten van vrouwen overal ter wereld; benadrukt dat de ratificering en de daadwerkelijke uitvoering door alle lidstaten van het Verdrag van Istanboel belangrijk is; herinnert eraan dat onderwijs het beste wapen is in de strijd tegen discriminatie en geweld ten aanzien van vrouwen en meisjes; verzoekt de Commissie, de EDEO en de VV/HV hun naleving van de verplichtingen en verbintenissen op het gebied van de rechten van vrouwen krachtens het CEDAW te intensiveren en moedigt derde landen aan hetzelfde te doen; is van mening dat de EU de steun voor vrouwen in de operaties van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), conflictpreventie en wederopbouw na conflicten moet blijven integreren; onderstreept wederom het belang van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid; benadrukt dat de stelselmatige, evenwaardige, volledige en actieve participatie van vrouwen een belangrijke factor vormt bij het voorkomen en oplossen van conflicten, bij de bevordering van de mensenrechten en van democratische hervormingen, evenals bij vredeshandhavingsoperaties, humanitaire bijstand, wederopbouw na conflicten en democratische overgangsprocessen naar duurzame en stabiele politieke oplossingen; herinnert eraan dat de Sacharovprijs 2016 werd toegekend aan Nadia Murad en Lamiya Aji Bashar, overlevenden van door IS/Da'esh opgelegde seksuele slavernij;

17.  benadrukt dat toegankelijke gezondheidszorg, universele eerbiediging van en toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, gezinsplanning, en toegang tot geschikte hygiëneproducten voor vrouwen, tot gezondheidszorg voor moeders en prenatale en neonatale zorg en veilige abortus belangrijke factoren zijn om vrouwenlevens te redden, risicovolle geboortes te vermijden en zuigelingen- en kindersterfte terug te dringen; vindt het onaanvaardbaar dat de lichamen van vrouwen en meisjes, met name als het gaat om hun seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, nog altijd onderwerp zijn van een ideologische strijd; verzoekt de EU en de lidstaten de onvervreemdbare rechten van vrouwen en meisjes op lichamelijke integriteit en autonome besluitvorming te erkennen en veroordeelt de frequente schendingen van de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen, waaronder het ontzeggen van de toegang tot diensten voor gezinsplanning, voorbehoedsmiddelen en abortus onder veilige hygiënische en wettelijke omstandigheden;

18.  is sterk gekant tegen de herinvoering en uitbreiding van de "global gag rule" en betreurt de gevolgen daarvan voor de algehele gezondheidszorg voor en de rechten van vrouwen en meisjes; herhaalt zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om het financieringstekort dat is veroorzaakt door de VS op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten aan te vullen en daarvoor zowel nationale als EU-financiering voor ontwikkelingshulp vrij te maken;

19.  herinnert eraan dat de gelijkheid van vrouwen en mannen een kernbeginsel is van de EU en haar lidstaten en dat gendermainstreaming een van de voornaamste doelstellingen van de Unie is, zoals neergelegd in de verdragen; verzoekt de Commissie derhalve gendermainstreaming als een basisbeginsel van de EU te integreren in alle Europese wetgeving, richtsnoeren, acties en financiering, met bijzondere nadruk op het beleid inzake externe betrekkingen; onderstreept de noodzaak om de rol van de EU-delegaties en de hoofdadviseur gender van de EDEO te versterken door voor het desbetreffende bevoegdheidsgebied in een specifiek budget te voorzien;

20.  verzoekt de EDEO ervoor te zorgen dat de conclusies van de 61e bijeenkomst van de Commissie voor de status van de vrouw (CSW) worden geïntegreerd in het beleid en dat een nieuwe impuls wordt gegeven aan de bevordering van de economische empowerment van vrouwen en het aanpakken van genderongelijkheden in de veranderende arbeidswereld;

21.  wijst op de positieve bijdrage die empowerment van vrouwen levert aan het verwezenlijken van een inclusieve, rechtvaardige en vreedzame samenleving en van duurzame ontwikkeling; wijst erop dat de nadruk op gendergelijkheid en empowerment van vrouwen expliciet in alle duurzame ontwikkelingsdoelstellingen is opgenomen, dat verdere inspanningen moeten worden geleverd om ervoor te zorgen dat vrouwenrechten volledig worden geëerbiedigd en dat beleid ter bevordering van economische en sociale empowerment en de participatie van vrouwen in besluitvormingsprocessen daadwerkelijk wordt uitgevoerd; onderstreept dat bijzondere aandacht moet uitgaan naar empowerment van inheemse vrouwen;

22.  wijst erop dat vrouwen moeten worden aangemoedigd zich te verenigen in vakbonden en dat ze niet mogen worden gediscrimineerd wanneer ze financiering voor hun bedrijf zoeken;

23.  spoort de EU aan om alle vrouwenverenigingen die dagelijks steun verlenen aan vrouwen die zich in humanitaire crises of conflictsituaties bevinden, te ondersteunen;

24.  bevestigt nogmaals de dringende behoefte aan de universele ratificatie en daadwerkelijke uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de bijhorende facultatieve protocollen ten einde kinderen juridische bescherming te bieden; benadrukt dat kinderen vaak worden blootgesteld aan specifiek misbruik, zoals kinderhuwelijken of genitale verminking, en daarom extra dienen te worden beschermd; onderstreept dat kinderarbeid, het rekruteren van kinderen in gewapende conflicten en vroegtijdige en gedwongen huwelijken in sommige landen kritieke kwesties blijven; verzoekt dat de EU systematisch relevante lokale en internationale kinderrechtenorganisaties raadpleegt, en in de politieke en mensenrechtendialogen met derde landen de verplichtingen van de verdragsluitende staten aan de orde stelt om het verdrag ten uitvoer te leggen; is ingenomen met de strategie voor de rechten van het kind (2016-2021) van de Raad van Europa; vraagt dat de EU de EU-UNICEF-toolkit "kinderrechten integreren in ontwikkelingssamenwerking" blijft bevorderen via haar externe delegaties en dat zij het personeel van de EU-delegatie degelijk blijft opleiden op dit gebied; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om voor de komende vijf jaar een uitgebreide kinderrechtenstrategie en actieplan voor te stellen om prioriteit te verlenen aan de rechten van kinderen in het externe beleid van de EU, is verheugd over het feit dat in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking 2016 middelen zijn toegewezen ter ondersteuning van VN-agentschappen bij de uitvoering van maatregelen gericht op de rechten van kinderen die zo moeten worden geconcipieerd dat zij aan kinderen in nood maximaal ten goede komen, vooral op het gebied van gezondheidszorgstelsels en de toegang tot onderwijs, water en sanitaire voorzieningen; dringt aan op een urgente oplossing voor de kwestie van staatloze kinderen, met name kinderen die buiten het land van herkomst van hun ouders worden geboren, en migrantenkinderen;

25.  veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen alle vormen van discriminatie, inclusief op grond van ras, kleur, religie, geslacht, seksuele geaardheid, geslachtskenmerken, taal, cultuur, maatschappelijke afkomst, kaste, geboorte, leeftijd, handicap of welke andere status dan ook; benadrukt dat de EU haar inspanningen zou moeten opvoeren om alle vormen van discriminatie, racisme, xenofobie en andere vormen van onverdraagzaamheid uit te bannen via mensenrechtendialogen en politieke dialogen, het werk van de EU-delegaties en open diplomatie; benadrukt bovendien dat de EU de ratificatie en volledige tenuitvoerlegging van alle VN-verdragen die deze zaak ondersteunen zou moeten blijven bevorderen;

26.  herhaalt dat "mensenhandel" verwijst naar de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting en de daaropvolgende opneming van personen met gebruikmaking van bedreiging, geweld of andere vormen van dwang, ontvoering, fraude, misleiding, misbruik van machtspositie of van een situatie van kwetsbaarheid, het geven of ontvangen van geld of voordelen om de instemming te verkrijgen van een persoon die controle heeft over een andere persoon, teneinde deze persoon uit te buiten; doet een beroep op de EU en de lidstaten maatregelen te nemen om de vraag te verminderen die ten grondslag ligt aan alle vormen van uitbuiting van personen, en dan met name van vrouwen en kinderen, die tot mensenhandel leiden, waarbij een op mensenrechten gebaseerde en op het slachtoffer gerichte benadering wordt gehandhaafd; herhaalt dat het noodzakelijk is dat alle lidstaten de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel en Richtlijn 2011/36/EU(42) inzake deze kwestie ten uitvoer leggen; geeft aan zich grote zorgen te maken over de grote kwetsbaarheid van migranten en vluchtelingen met betrekking tot uitbuiting, mensensmokkel en mensenhandel; onderstreept dat het noodzakelijk is een onderscheid te handhaven tussen de concepten "mensenhandel" en "migrantensmokkel";

27.  veroordeelt de aanhoudende mensenrechtenschendingen tegenover personen die het slachtoffer zijn van kastenhiërarchieën en van discriminatie op grond van kaste, zoals de weigering van gelijkheid en van toegang tot justitie en werk, permanente segregatie en op kaste gebaseerde belemmeringen voor de uitoefening van fundamentele mensenrechten en voor ontwikkeling; dringt andermaal erop aan dat EU-beleid wordt ontwikkeld inzake discriminatie op grond van kaste en dat de EU elke gelegenheid te baat neemt om zich verontrust te tonen over dergelijke schendingen van de mensenrechten; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de inspanningen en steun in verband met initiatieven op VN- en delegatieniveau te intensiveren middels de tenuitvoerlegging van en het toezicht op de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van 2030, middels het toezicht op het nieuwe oriënterende instrument van de VN inzake discriminatie op grond van afkomst en door ondersteuning van staten bij de tenuitvoerlegging van aanbevelingen van mensenrechtenmechanismen van de VN op het gebied van discriminatie op grond van kaste;

28.  is zeer bezorgd dat minderheden nog steeds een verhoogd risico op discriminatie lopen en bijzonder kwetsbaar zijn voor politieke, economische, milieugerelateerde en arbeidsgerelateerde verandering en ontwrichting; merkt op dat veel mensen weinig of geen toegang hebben tot politieke vertegenwoordiging en ernstig getroffen zijn door armoede; benadrukt dat de EU zich harder dient in te spannen om de schendingen van de mensenrechten tegen minderheden uit te bannen; benadrukt dat minderheidsgemeenschappen speciale behoeften hebben en dat hun volledige toegang en gelijke behandeling moet worden gewaarborgd op alle gebieden van het economische, sociale, politieke en culturele leven;

29.  is ingenomen met de ratificatie van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en wijst nogmaals op het belang van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan door zowel de lidstaten als de EU-instellingen; benadrukt dat personen door een handicap niet worden beroofd van hun menselijke waardigheid en dat bijgevolg staten verplicht zijn hen te beschermen; benadrukt in het bijzonder dat het beginsel van universele toegankelijkheid en de rechten van personen met een handicap op geloofwaardige wijze in alle relevante EU-beleidsdomeinen moeten worden geïntegreerd, met inbegrip van ontwikkelingssamenwerking, en onderstreept daarbij het prescriptieve en horizontale karakter van dit thema; roept de EU op om de bestrijding van discriminatie op grond van een handicap in haar externe optreden en ontwikkelingshulpbeleid op te nemen; is in dit verband verheugd over de opneming van de rechten van mensen met een handicap in de nieuwe Europese consensus voor ontwikkeling;

30.  betuigt andermaal zijn steun aan de systematische opneming van mensenrechtenbepalingen in internationale overeenkomsten tussen de EU en derde landen, ook in handels- en investeringsovereenkomsten; herinnert eraan dat alle mensenrechten als gelijkwaardig moeten worden beschouwd en dat zij ondeelbaar, van elkaar afhankelijk en met elkaar verbonden zijn; verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van dergelijke clausules effectief en systematisch te volgen en regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de naleving van de mensenrechten door partnerlanden; verzoekt de Commissie, in het kader van toekomstige overeenkomsten, een meer gestructureerde en strategische aanpak van de mensenrechtendialogen te hanteren; heeft een positief beeld van de SAP+-regeling als middel om de daadwerkelijke uitvoering van 27 fundamentele internationale overeenkomsten op het gebied van mensenrechten en arbeidsnormen te stimuleren; bepleit de daadwerkelijke handhaving van SAP+, en verwacht dat de Commissie verslag uitbrengt aan het Parlement en de Raad over de stand van de ratificatie ervan en de in het kader van deze regeling geboekte vooruitgang; herhaalt het belang van de juiste tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten;

31.  benadrukt nogmaals dat de activiteiten van alle bedrijven, waaronder Europese bedrijven die in derde landen opereren, volledig in overeenstemming moeten zijn met de internationale mensenrechtennormen, en doet een beroep op de EU en haar lidstaten ervoor te zorgen dat dit ook gebeurt; bevestigt bovendien dat het van belang is maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen, en dat Europese bedrijven het voortouw nemen bij de bevordering van internationale normen inzake bedrijfsleven en mensenrechten, en benadrukt dat door de samenwerking tussen mensenrechten- en bedrijfsorganisaties plaatselijke actoren de teugels in handen zouden krijgen en het maatschappelijk middenveld zou worden gestimuleerd; erkent dat wereldwijde waardeketens kunnen bijdragen aan de verbetering van internationale fundamentele arbeids-, milieu- en sociale normen en mogelijkheden en uitdagingen bieden met betrekking tot duurzame vooruitgang en de bevordering van de mensenrechten, met name in ontwikkelingslanden; roept de EU ertoe op een actievere rol te vervullen bij het tot stand brengen van een behoorlijk, eerlijk, transparant en duurzaam beheer van de wereldwijde waardeketens, en eventuele negatieve effecten voor de mensenrechten, waaronder de inbreuk op arbeidsrechten, te verzachten; wijst er evenwel op dat in geval van bedrijfsgerelateerde schendingen van de mensenrechten de effectieve toegang tot rechtsmiddelen voor slachtoffers moet worden gewaarborgd; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat projecten die door de EIB worden ondersteund in overeenstemming zijn met het EU-beleid en toezeggingen inzake de mensenrechten; neemt kennis van de lopende onderhandelingen over een bindend verdrag over transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten; moedigt de EU ertoe aan op constructieve wijze aan deze onderhandelingen deel te nemen

32.  roept de EU en haar lidstaten op om hun gehele politieke gewicht in de schaal te leggen om elke handeling te voorkomen die gezien kan worden als genocide, een oorlogsmisdaad of een misdaad tegen de menselijkheid, op een effectieve en gecoördineerde wijze te reageren wanneer dergelijke misdrijven plaatsvinden, alle nodige middelen te mobiliseren om alle verantwoordelijken te berechten, onder meer door de toepassing van het beginsel van universele jurisdictie, en de slachtoffers bij te staan en stabilisatie- en verzoeningsprocessen te ondersteunen; roept de internationale gemeenschap op om instrumenten op te zetten die de kloof tussen waarschuwing en respons kunnen verkleinen, zoals het systeem voor vroegtijdige waarschuwing van de EU, ter voorkoming van het ontstaan, het opnieuw oplaaien en de escalatie van gewelddadige conflicten;

33.  verzoekt de EU steun te verlenen aan organisaties (met inbegrip van ngo's, opensourceonderzoeksorganisaties en het maatschappelijk middenveld) die bewijsmateriaal verzamelen, bewaren en beschermen, digitaal of anderszins, van misdrijven om internationale vervolging mogelijk te maken;

34.  toont zich ernstig bezorgd over de vernietiging van culturele erfgoedsites in Syrië, Irak, Jemen en Libië; merkt op dat van de 38 bedreigde culturele erfgoedsites in de hele wereld, 22 zich in het Midden-Oosten bevinden; is voorstander van de activiteiten van het initiatief op het gebied van cultureel erfgoed en het bijbehorende feitenonderzoek in Syrië en Irak ten aanzien van de vernietiging van archeologisch en cultureel erfgoed;

35.  is ingenomen met de inspanningen van de EU om het internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme (IIIM) bij te staan, dat door de VN is opgezet ter ondersteuning bij het onderzoek naar in Syrië begane ernstige misdrijven; benadrukt dat in Irak een soortgelijk onafhankelijk mechanisme moet worden opgezet; verzoekt de EU en de EU-lidstaten die dat nog niet hebben gedaan, financieel aan het IIIM bij te dragen;

36.  veroordeelt ten stelligste de gruwelijke misdaden en mensenrechtenschendingen die zijn gepleegd door statelijke en niet-statelijke actoren; is geschokt door het brede scala aan begane misdaden, waaronder moord, foltering, verkrachting als oorlogswapen, slavernij en seksuele slavernij, het ronselen van kindsoldaten, gedwongen bekeringen en de systematische "zuivering" en moord op religieuze minderheden; herinnert eraan dat de situatie waaronder religieuze minderheden gebukt gingen in de gebieden in handen van IS/Da'esh, door het Parlement in zijn resolutie van 12 februari 2015 over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS(43), is aangemerkt als een genocide; benadrukt dat de EU en haar lidstaten de vervolging van leden van niet-statelijke groeperingen zoals IS/Da'esh moeten ondersteunen door de VN-Veiligheidsraad te verzoeken het Internationaal Strafhof (ICC) bevoegd te maken om uitspraak te doen of om te waarborgen dat recht wordt gedaan door middel van een ad-hoctribunaal of universele jurisdictie;

37.  betuigt nogmaals zijn volledige steun aan het ICC, het Statuut van Rome, het Parket van de Aanklager, zijn bevoegdheden om ambtshalve onderzoeken te openen en de vorderingen die zijn gemaakt bij het instellen van nieuwe onderzoeken, die een essentieel middel zijn om de straffeloosheid van gruweldaden te bestrijden; doet een beroep op alle lidstaten de Kampala-amendementen over het misdrijf agressie aan te nemen en "gruweldaden" toe te voegen aan de lijst van misdrijven waarvoor de EU bevoegd is; veroordeelt alle pogingen om de legitimiteit of de onafhankelijkheid van het ICC te ondermijnen, en roept de EU en de lidstaten op consequent samen te werken om de onderzoeken en beslissingen van het ICC te ondersteunen met als doel een einde te maken aan de straffeloosheid voor internationale misdrijven, ook wanneer het gaat om het arresteren van door het ICC gezochte personen; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan consequent steun te verlenen aan (voor)onderzoeken en beslissingen van het ICC en maatregelen te nemen om niet-medewerking met het ICC te voorkomen en anders doeltreffend in te grijpen, en om voor toereikende middelen te zorgen; is verheugd over de bijeenkomst van vertegenwoordigers van de EU en het ICC op 6 juli 2016 in Brussel als voorbereiding op de tweede rondetafelconferentie tussen de EU en het ICC, waardoor het betrokken personeel van het ICC en de EU-instellingen in staat wordt gesteld gebieden van gemeenschappelijk belang te identificeren, informatie over relevante activiteiten uit te wisselen en voor een betere samenwerking tussen beide partijen te zorgen; betreurt ten zeerste de recent aangekondigde terugtrekkingen uit het Statuut van Rome, die een belemmering vormen voor de toegang tot de rechter van slachtoffers, en krachtig dienen te worden veroordeeld; is van mening dat de Commissie, de EDEO en de lidstaten derde landen moeten blijven aanmoedigen het Statuut van Rome te ratificeren en ten uitvoer te leggen; verzoekt de VV/HV een SVEU voor internationaal humanitair recht en internationale rechtspraak te benoemen die wordt belast met het bevorderen, integreren en uitdragen van de steun die de EU biedt aan de bestrijding van straffeloosheid en aan het ICC, in het buitenlands beleid van de EU; verzoekt de EU en haar lidstaten VN-verantwoordingsmechanismen en resoluties ter zake te ondersteunen op de multilaterale fora van de VN, onder meer in de Mensenrechtenraad;

38.  dringt er bij de EU op aan meer inspanningen te leveren om op multilateraal en bilateraal niveau te ijveren voor de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, als grondbeginselen voor de consolidatie van de democratie; spoort de EU aan om de eerlijke rechtsbedeling wereldwijd te ondersteunen door derde landen bij te staan bij wetgevende en institutionele hervormingsprocessen; spoort bovendien de EU-delegaties en de ambassades van de lidstaten aan stelselmatig toe te zien op processen, met het oog op de bevordering van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

39.  betuigt zijn diepe bezorgdheid over en solidariteit met het groeiende aantal migranten, vluchtelingen en asielzoekers, waaronder steeds meer vrouwen, die het slachtoffer zijn van conflicten, gewelddaden, vervolging, bestuurlijk onvermogen, armoede en netwerken van irreguliere migratie, mensenhandel en mensensmokkel; beklemtoont de dringende behoefte aan daadwerkelijke stappen om de onderliggende oorzaken van migratiestromen aan te pakken en langetermijnoplossingen te vinden die gebaseerd zijn op de eerbiediging van de mensenrechten en de menselijke waardigheid, en derhalve de externe dimensie van de vluchtelingencrisis aan te pakken, onder meer door duurzame oplossingen te vinden voor conflicten in ons nabuurschap door bijvoorbeeld samenwerking en partnerschappen met de betrokken derde landen te ontwikkelen die stroken met het internationale recht en de eerbiediging van de mensenrechten in die landen waarborgen; is zeer verontrust over het geweld jegens migrantenkinderen, met inbegrip van vermiste, niet-vergezelde migrantenkinderen, en dringt aan op regelingen voor hervestiging en gezinshereniging en humanitaire corridors; is zeer verontrust over het groeiende aantal intern ontheemden (IDP's) en hun lot, en dringt aan op hun veilige terugkeer, hervestiging of lokale integratie; dringt erop aan dat de EU en haar lidstaten humanitaire bijstand bieden op het gebied van onderwijs, huisvesting, gezondheid en andere humanitaire gebieden waarmee de vluchtelingen zo dicht mogelijk bij hun thuisland worden bijgestaan, en dat het terugkeerbeleid naar behoren wordt uitgevoerd; beklemtoont de noodzaak van een brede, op de mensenrechten gebaseerde benadering van migratie en verzoekt de EU verder samen te werken met de VN, regionale organisaties, regeringen en ngo's; verzoekt de lidstaten het gemeenschappelijk Europees asielpakket en de gemeenschappelijke migratiewetgeving volledig uit te voeren, met name om kwetsbare asielzoekers te beschermen; onderstreept dat de concepten "veilige landen" en "veilige landen van herkomst" niet mogen beletten dat individuele asielaanvragen in overweging worden genomen; waarschuwt voor de instrumentalisering van het buitenlands beleid van de EU als "migratiebeheer"; verzoekt de EU en de lidstaten volledige transparantie te betrachten rond de middelen die aan derde landen worden toegekend voor de samenwerking op het gebied van migratie, en ervoor te zorgen dat deze samenwerking niet ten goede komt aan structuren die betrokken zijn bij schendingen van de mensenrechten, maar dat zij hand in hand gaan met de verbetering van de mensenrechtensituatie in deze landen;

40.  is van mening dat ontwikkelingssamenwerking en de bevordering van mensenrechten en democratische beginselen, waaronder de rechtsstaat en goed bestuur, hand in hand moeten gaan; herinnert er in dit verband aan dat de VN heeft verklaard dat de ontwikkelingsdoelstellingen zonder een benadering op basis van de mensenrechten niet volledig kunnen worden verwezenlijkt; herinnert er bovendien aan dat de EU zich inzet voor de ondersteuning van partnerlanden, rekening houdend met hun ontwikkelingssituatie en hun vooruitgang op het gebied van mensenrechten en democratie;

41.  wijst erop dat het percentage mensen dat risico op armoede of sociale uitsluiting loopt, hoger is bij vrouwen en verzoekt de Commissie haar inspanningen te intensiveren om in het kader van haar ontwikkelingsbeleid maatregelen ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting ten uitvoer te leggen;

42.  herinnert eraan dat criterium 2 van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad de lidstaten ertoe verplicht bij elke uitvoervergunning voor wapens de eerbiediging van de mensenrechten in het land van bestemming te onderzoeken; herinnert in dit verband aan de toezegging van de Commissie in het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie in verband met de veiligheidsstrijdkrachten en de uitvoering van het mensenrechtenbeleid van de EU, met inbegrip van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een beleid van gepaste zorgvuldigheid op dit gebied;

43.  herhaalt zijn oproep voor een gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake het gebruik van gewapende drones, waarin de mensenrechten en het internationaal humanitair recht worden geschraagd en kwesties, zoals het rechtskader, evenredigheid, verantwoordingsplicht en de bescherming van burgers en transparantie, aan bod komen; dringt er nogmaals bij de EU op aan om een verbod uit te vaardigen op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd;

44.  is van oordeel dat de EU zich moet blijven inspannen om de eerbiediging van de mensenrechten van LGBTI-mensen te verbeteren, in overeenstemming met de EU-richtsnoeren over dit onderwerp; dringt aan op de volledige uitvoering van de richtsnoeren, onder meer via de opleiding van EU-personeel in derde landen; laakt het feit dat er nog steeds 72 landen zijn waarin homoseksualiteit strafbaar is, is bezorgd dat 13 van deze landen de doodstraf hebben, en is van mening dat gewelddadige praktijken en gewelddaden tegen individuen op basis van hun seksuele geaardheid, zoals gedwongen outings, door haat ingegeven misdrijven en uitingen van haat zowel online als offline, en correctieve verkrachting niet ongestraft mogen blijven; neemt kennis van de legalisering van huwelijken en geregistreerde partnerschappen tussen personen van hetzelfde geslacht in een aantal landen en moedigt de verdere erkenning ervan aan; veroordeelt schendingen van de lichamelijke integriteit van vrouwen en minderheden; roept de staten op deze praktijken strafbaar te stellen, de daders te aan te pakken en de slachtoffers bij te staan;

45.  benadrukt het fundamentele belang van corruptiebestrijding in al haar vormen, om de rechtsstaat, de democratie en de eerbiediging van de mensenrechten te kunnen waarborgen; veroordeelt ten stelligste elke toegeeflijkheid ten aanzien van zulke corrupte praktijken;

46.  herinnert eraan dat corruptie een bedreiging vormt voor het uitoefenen van gelijke mensenrechten, en democratische processen ondermijnt, zoals de rechtsstaat en een eerlijke rechtsbedeling; is van mening dat de EU in alle platformen voor dialoog met derde landen het belang moet benadrukken van integriteit, verantwoordingsplicht en een degelijk beheer van overheidszaken, overheidsfinanciën en overheidseigendommen, zoals bepaald in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie; pleit ervoor dat de EU haar deskundigheid gebruikt om derde landen op een meer samenhangende en stelselmatige manier te ondersteunen bij het aanpakken van corruptie door het opzetten en consolideren van onafhankelijke en doeltreffende instellingen voor corruptiebestrijding; dringt er met name bij de Commissie op aan te onderhandelen over anti-corruptiebepalingen in alle toekomstige handelsovereenkomsten waarover zij met derde landen onderhandelt;

47.  onderstreept de essentiële verplichtingen en verantwoordelijkheden van staten en andere gezagsdragers om klimaatverandering te beperken, de negatieve effecten ervan op de mensenrechten te voorkomen en de samenhang van het beleid te bevorderen om ervoor te zorgen dat maatregelen ter beperking van klimaatverandering en aanpassingsinspanningen adequaat, voldoende ambitieus, niet-discriminerend en anderszins in overeenstemming zijn met de mensenrechtenverplichtingen; benadrukt dat er volgens schattingen van de VN tegen 2050 vele milieu-ontheemden zullen zijn; benadrukt het verband tussen handels-, milieu- en ontwikkelingsbeleid, en de positieve en negatieve effecten die deze beleidsdomeinen voor de eerbiediging van de mensenrechten kunnen hebben; spreekt zijn waardering uit voor de internationale inzet ter bevordering van de integratie van kwesties inzake milieu- en natuurrampen en de klimaatverandering met de mensenrechten;

48.  onderstreept dat landroof in de ontwikkelingslanden de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen; is van mening dat de bestrijding van uitbuiting en toe-eigening van middelen een prioriteit moet zijn; veroordeelt praktijken, zoals landroof en het niet-selectieve gebruik van natuurlijke hulpbronnen; verzoekt de Europese Commissie dringend actie te ondernemen in reactie op de talrijke recente resoluties van het Parlement op dit gebied;

49.  onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat de mensenrechten en de toegang tot goederen en diensten, zoals water en sanitaire voorzieningen, in het sociaal, onderwijs-, volksgezondheids- en veiligheidsbeleid worden opgenomen;

50.  verzoekt internationale instellingen, nationale regeringen, ngo's en individuen in synergie een passend regelgevingskader vast te stellen om te waarborgen dat iedereen in de wereld een gegarandeerde toegang tot een minimumhoeveelheid water heeft; onderstreept dat water niet als handelswaar mag worden beschouwd, maar als een kwestie van ontwikkeling en duurzaamheid, en dat de privatisering van de watervoorziening staten niet ontheft van hun verantwoordelijkheden ten aanzien van de mensenrechten; doet een beroep op landen waar water een oorzaak van spanningen of conflicten is, samen naar gedeeld watergebruik toe te werken om een win-winsituatie tot stand te brengen met het oog op de duurzaamheid en de vreedzame ontwikkeling van de regio;

Aanpak van uitdagingen en activiteiten in verband met ondersteuning van de democratie

51.  benadrukt dat de EU democratische en doeltreffende mensenrechteninstellingen en het maatschappelijk middenveld actief moet blijven ondersteunen in hun inspanningen ter bevordering van de democratisering; is ingenomen met de onschatbare hulp die wereldwijd aan maatschappelijke organisaties wordt geboden in het kader van het EIDHR, dat het voornaamste instrument blijft voor de uitvoering van het externe mensenrechtenbeleid van de EU; verwelkomt bovendien de voortdurende inspanningen van het Europees Fonds voor democratie ter bevordering van democratie en eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden in de oostelijke en zuidelijke buurlanden van de EU;

52.  herinnert eraan dat de ervaring die is opgedaan met de overgang naar democratie in het kader van uitbreidings- en nabuurschapsbeleid op een positieve manier kan bijdragen tot de vaststelling van optimale praktijken die gebruikt kunnen worden voor de ondersteuning en consolidering van andere democratiseringsprocessen over de hele wereld;

53.  herhaalt in dit verband zijn oproep aan de Commissie om EU-richtsnoeren voor democratieondersteuning uit te werken;

54.  pleit ervoor dat de EU haar inspanningen opvoert voor de ontwikkeling van een bredere benadering van democratiseringsprocessen, waarvan vrije en eerlijke verkiezingen slechts één dimensie uitmaken, om een positieve bijdrage te leveren aan de versterking van democratische instellingen en van het vertrouwen van de bevolking in verkiezingsprocessen over de hele wereld;

55.  is ingenomen met de acht verkiezingswaarnemingsmissies en de acht missies van verkiezingsdeskundigen die in 2016 door de EU in de hele wereld zijn ondernomen; wijst erop dat sinds 2015 de EU 17 verkiezingswaarnemingsmissies en 23 missies van verkiezingsdeskundigen heeft ingezet; herhaalt zijn waardering voor de niet-aflatende ondersteuning die de EU bij verkiezingsprocessen biedt en voor de bijstand en steun die zij daarbij aan binnenlandse waarnemers verleent; verwelkomt en steunt in dit opzicht het werk van de coördinatiegroep democratieondersteuning en verkiezingen volledig;

56.  herinnert aan het belang van een behoorlijke follow-up van de verslagen en aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies, als een manier om hun invloed te vergroten en de EU-steun voor democratische normen in de betrokken landen sterker te maken;

57.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie, de EDEO en de lidstaten onder het huidige actieplan inzake mensenrechten en democratie om in derde landen op een meer vastberaden en consequente manier overleg te plegen met instanties die verkiezingen beheren, parlementaire instellingen en maatschappelijke organisaties, om ertoe bij te dragen dat deze sterker staan en bijgevolg de democratische processen te versterken;

58.  benadrukt dat het uitbreidingsbeleid een van de krachtigste instrumenten is om de eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten te versterken in het licht van de huidige politieke ontwikkelingen in kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten; verzoekt de Commissie haar inspanningen op te voeren ter ondersteuning van de versterking van een democratische politieke cultuur, de eerbiediging van de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van de media en de rechterlijke macht, en de bestrijding van corruptie in die landen; is ervan overtuigd dat de bescherming, actieve bevordering en handhaving van de mensenrechten en democratische beginselen centraal moeten blijven staan in het herzien Europees nabuurschapsbeleid; wijst er nogmaals op dat de bescherming, de actieve ondersteuning en de handhaving van de mensenrechten en democratische beginselen in het belang van zowel partnerlanden als de EU zijn; onderstreept bovendien dat de EU zich aan de toezegging moet houden die ze heeft gedaan aan haar partners, met name in de buurlanden, om economische, sociale en politieke hervormingen te steunen, de mensenrechten te beschermen en te helpen bij de invoering van de rechtsstaat, aangezien dit de beste manier is om de internationale orde te versterken en de stabiliteit in haar buurlanden te waarborgen; herinnert eraan dat het mogelijk en wenselijk is dat de Unie voor het Middellandse Zeegebied vorm geeft aan de politieke dialoog op dit gebied en voor een sterke agenda voor mensenrechten en democratie in de regio ijvert; herinnert eraan dat elk land dat naar toetreding tot de EU streeft, ten volle de mensenrechten moet waarborgen en strikt moet voldoen aan de criteria van Kopenhagen, waarbij niet-naleving kan leiden tot het bevriezen van de onderhandelingen;

59.  benadrukt dat vredesopbouw inhoudt dat naar conflictpreventie en -beperking wordt gestreefd, evenals naar versterking van de veerkracht van politieke, sociaal-economische en beveiligingsinstanties, om de grondslag te leggen voor duurzame vrede en ontwikkeling op lange termijn; onderstreept dat de bevordering van de rechtsstaat, goed bestuur en mensenrechten van fundamenteel belang is voor het bewaren van de vrede;

Zorgen voor een omvattende en coherente aanpak ter ondersteuning van mensenrechten en democratie door EU-beleid

60.  neemt kennis van de aanneming van het EU-jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2016; meent dat het jaarverslag een onmisbaar instrument is voor een kritische blik op het EU-beleid inzake mensenrechten en democratie in de wereld, alsook voor de communicatie en het debat over dit beleid, en een waardevol instrument dat een alomvattend overzicht biedt van de prioriteiten, inspanningen en uitdagingen van de EU op dit gebied en dat kan worden gebruikt om na te gaan hoe deze verder doeltreffend kunnen worden aangepakt;

61.  herhaalt in krachtige bewoordingen zijn verzoek aan de VV/HV om deel te nemen aan een debat met leden van het Europees Parlement in twee plenaire vergaderingen per jaar, eenmaal wanneer het jaarverslag wordt gepresenteerd en eenmaal in reactie op het eigen verslag van het EP; benadrukt nogmaals hoe belangrijk een continue dialoog is, met name wat de follow-up betreft van de urgente resoluties van het Parlement over mensenrechtenkwesties; herinnert eraan dat schriftelijke antwoorden ook een belangrijke rol vervullen in de interinstitutionele betrekkingen, aangezien ze een systematische en diepgaande follow-up mogelijk maken van alle punten die door het Parlement aan de orde zijn gesteld en aldus bijdragen tot het versterken van effectieve coördinatie; verzoekt de VV/HV en de EDEO gedegen antwoorden te geven op schriftelijke vragen en in te gaan op de mensenrechtenkwesties die op het hoogste niveau in de dialoog met de betrokken landen aan de orde zijn gesteld;

62.  prijst de EDEO en de Commissie voor hun uitgebreide rapportering over de activiteiten die de EU in 2016 heeft ondernomen op het gebied van mensenrechten en democratie; is niettemin van mening dat de huidige vorm van het jaarverslag over mensenrechten en democratie verbeterd kan worden door een beter overzicht te bieden van de concrete gevolgen die de acties van de EU hebben voor de mensenrechten en de democratie in derde landen;

63.  herhaalt zijn standpunt dat de goedkeuring van het strategisch kader en het eerste actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie in 2012 een belangrijke mijlpaal vormde voor de EU om de mensenrechten en de democratie een centrale plaats te geven in haar externe betrekkingen; is ingenomen met de vaststelling door de Raad in juli 2015 van een nieuw actieplan inzake mensenrechten en democratie voor 2015-2019 en de uitvoering van een tussentijdse evaluatie in 2017; verzoekt de VV/HV, de EDEO, de Commissie, de Raad en de lidstaten ervoor te zorgen dat het huidige actieplan op een doeltreffende en samenhangende manier wordt uitgevoerd, onder meer door middel van echte samenwerking met maatschappelijke organisaties; benadrukt dat de lidstaten verslag moeten uitbrengen over de wijze waarop zij het plan hebben uitgevoerd; vestigt er met name de aandacht op hoe belangrijk het is om de instrumenten die gebruikt worden bij het bevorderen van de mensenrechten en de democratie, wereldwijd doeltreffender te maken en hun plaatselijke effect te optimaliseren;

64.  herhaalt zijn standpunt dat een grote eensgezindheid en een betere coördinatie tussen de lidstaten en de EU-instellingen, evenals echte samenwerking met maatschappelijke organisaties op lokaal, nationaal en internationaal niveau vereist zijn om de agenda voor mensenrechten en democratie op een samenhangende en consequente manier vooruit te helpen; stelt nadrukkelijk dat de lidstaten meer verantwoordelijkheid moeten opnemen bij de uitvoering van het actieplan en het strategisch kader van de EU, en deze moeten gebruiken als een blauwdruk voor de bilaterale en multilaterale bevordering van de mensenrechten en de democratie;

65.  erkent de sleutelrol die de heer Lambrinidis, SVEU voor mensenrechten, speelt bij het versterken van de zichtbaarheid en doeltreffendheid van de EU bij de wereldwijde bescherming en bevordering van de mensenrechten en de democratische beginselen, en benadrukt zijn rol bij het bevorderen van een consistente en coherente uitvoering van het EU-mensenrechtenbeleid; is ingenomen met de verlenging van het mandaat van de SVEU tot 28 februari 2019 en herhaalt zijn verzoek om dit mandaat permanent te maken; pleit er in dit verband voor dat de SVEU initiatiefrecht, een grotere zichtbaarheid en voldoende personeel en financiële middelen krijgt, opdat hij zijn functie optimaal kan uitoefenen; pleit er verder voor dat de SVEU zijn activiteiten, plannen, voortgangsverslagen en evaluaties transparanter maakt;

66.  merkt op dat de werkzaamheden en de impact van de SVEU voor de mensenrechten slechts gedeeltelijk toegankelijk zijn via een evaluatie van het jaarverslag over mensenrechten, zijn socialmedia-account en beschikbare toespraken;

67.  steunt de landenstrategieën inzake mensenrechten volledig, aangezien EU-acties hiermee op de specifieke situatie en behoeften van elk land worden afgestemd; herhaalt zijn oproep om de leden van het Europees Parlement toegang te verlenen tot strategische inhoud; onderstreept met kracht het belang om rekening te houden met de landenstrategieën inzake mensenrechten op alle niveaus van beleidsvorming ten aanzien van individuele derde landen; benadrukt dat landenstrategieën inzake mensenrechten dienen te stroken met de in elk land te nemen EU-maatregelen, naargelang van de specifieke situatie, en dat zij meetbare voortgangsindicatoren dienen te bevatten en indien nodig moeten kunnen worden aangepast;

68.  is verheugd over de aanwijzing van contactpunten voor mensenrechten- en gendervraagstukken door alle EU-delegaties en GVDB-missies; herhaalt zijn aanbeveling aan de VV/HV en de EDEO om duidelijke operationele richtsnoeren uit te werken inzake de rol van contactpunten in delegaties, zodat ze kunnen verbeteren, als echte mensenrechtenadviseurs op kunnen treden en hun werk op een doeltreffende manier kunnen uitvoeren;

69.  erkent dat mensenrechtendialogen met derde landen een doeltreffend instrument kunnen zijn voor bilateraal contact en samenwerking ter bevordering en bescherming van de mensenrechten; is ingenomen met het tot stand brengen van mensenrechtendialogen met een groeiend aantal landen; prijst de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld in voorbereidende dialogen en moedigt deze verder aan; herhaalt zijn oproep tot de ontwikkeling van een uitgebreid mechanisme voor het toezicht op en het beoordelen van de werking van mensenrechtendialogen;

70.  herinnert aan de inzet van de EU om mensenrechten en democratie centraal te stellen in haar betrekkingen met derde landen; benadrukt daarom dat de bevordering van de mensenrechten en de democratische beginselen, met inbegrip van conditionaliteitsclausules inzake de mensenrechten in internationale overeenkomsten, door alle EU-beleidsdomeinen met een externe dimensie moet worden ondersteund, zoals het uitbreidings- en nabuurschapsbeleid, het GVDB en beleid inzake milieu, ontwikkeling, veiligheid, terrorismebestrijding, handel, migratie, justitie en binnenlandse zaken;

71.  herinnert eraan dat sancties een essentieel instrument zijn van het GBVB; vraagt de Raad met klem om te besluiten tot de in de EU‑wetgeving voorziene sancties, indien dit nodig wordt geacht om de doelstellingen van het GBVB te verwezenlijken, met name om de mensenrechten te beschermen en de democratie te consolideren en te ondersteunen, en daarbij ervoor te zorgen dat de sancties geen gevolgen voor de burgerbevolking hebben; vraagt deze sancties te richten tegen ambtenaren die zijn aangewezen als verantwoordelijk voor mensenrechtenschendingen, om hun misdaden en schendingen te bestraffen;

72.  stelt vast dat de Commissie inspanningen doet om aan haar toezegging te voldoen mensenrechtenbepalingen op te nemen in haar effectbeoordelingen voor wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen, uitvoeringsmaatregelen en handels- en investeringsovereenkomsten; spoort de Commissie ertoe aan de kwaliteit en de uitgebreide opzet van de effectbeoordelingen te verbeteren en ervoor te zorgen dat mensenrechtenkwesties stelselmatig worden opgenomen in de tekst van de wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen;

73.  spreekt nogmaals zijn volledige steun uit voor de sterke inzet van de EU bij het ijveren voor de bevordering van mensenrechten en democratische beginselen door samen te werken met VN-structuren en gespecialiseerde VN-organisaties, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), evenals met regionale organisaties zoals onder meer de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (Asean), de Zuid-Aziatische Associatie voor Regionale Samenwerking (SAARC), de Afrikaanse Unie en de Arabische Liga, overeenkomstig de artikelen 21 en 22 van het VEU;

74.  benadrukt dat de EU voor het verwezenlijken van de ambitieuze doelstellingen uit het nieuwe actieplan in voldoende middelen en deskundigheid moet voorzien, zowel wat specifiek personeel voor delegaties en hoofdkantoren als wat beschikbare middelen betreft;

75.  herhaalt bovendien dat een actieve en consistente EU-inzet in alle mensenrechtenmechanismen van de VN, met name de Derde Commissie van de AVVN en de VN-Mensenrechtenraad, van het grootste belang is; erkent de inspanningen van de EDEO, de EU-delegaties in New York en Genève en de lidstaten om de samenhang van het EU-optreden inzake mensenrechtenkwesties op VN-niveau te vergroten; spoort de EU aan meer inspanningen te leveren om haar stem te laten horen, onder meer door de toenemende tenuitvoerlegging van regio-overschrijdende initiatieven te versterken en door steun te verlenen aan en het initiatief te nemen voor resoluties; onderstreept de noodzaak voor het EU-leiderschap om aan te dringen op een hervorming van de VN met het oog op het versterken van de impact en de kracht van het op regels gebaseerde multilaterale stelsel en het zorgen voor een efficiëntere bescherming van de mensenrechten en de bevordering van het internationaal recht;

o
o   o

76.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 70e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de voorzitter van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, de hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten en de hoofden van de EU-delegaties.

(1) http://www.ohchr.org/Documents/ProfessionalInterest/cedaw.pdf
(2) http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/69/167
(3) https://treaties.un.org/doc/source/docs/A_RES_45_158-E.pdf
(4) http://www.unhcr.org/3b66c2aa10
(5) http://www.ohchr.org/Documents/Publications/GuidingPrinciplesBusinessHR_EN.pdf.
(6) http://www.un.org/en/development/desa/population/migration/generalassembly/docs/globalcompact/A_RES_71_1.pdf
(7) https://sustainabledevelopment.un.org/post2015/transformingourworld
(8) https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/rms/090000168008482e
(9) http://www.oecd.org/corporate/mne/oecdguidelinesformultinationalenterprises.htm
(10) https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/131181.pdf
(11) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10897-2015-INIT/en/pdf
(12) http://europa.eu/globalstrategy/sites/globalstrategy/files/regions/files/eugs_review_web_0.pdf
(13) http://europa.eu/globalstrategy/sites/globalstrategy/files/full_brochure_year_1.pdf
(14) PB L 76 van 22.3.2011, blz. 56.
(15) https://eeas.europa.eu/sites/eeas/files/eu_guidelines_rights_of_child_0.pdf
(16) https://ec.europa.eu/europeaid/new-european-consensus-development-our-world-our-dignity-our-future_en
(17) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9647-2014-INIT/nl/pdf
(18) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-11491-2013-INIT/nl/pdf
(19) http://www.ceceurope.org/wp-content/uploads/2015/08/CofEU_119404.pdf
(20) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-8416-2013-INIT/nl/pdf
(21) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6129-2012-REV-1/nl/pdf
(22) https://www.osce.org/odihr/19223?download=true
(23) https://eeas.europa.eu/sites/eeas/files/137584.pdf
(24) https://eeas.europa.eu/sites/eeas/files/eu_guidelines_on_human_rights_dialogues_with_third_countries.pdf
(25) PB C 303 van 15.12.2009, blz. 12.
(26) https://eeas.europa.eu/sites/eeas/files/16173_08_en.pdf
(27) https://eeas.europa.eu/sites/eeas/files/10019_08_en.pdf
(28) PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1.
(29) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-16332-2008-REV-2/nl/pdf
(30) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10255-2016-INIT/nl/pdf
(31) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0344.
(32) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0502.
(33) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0404.
(34) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0405.
(35) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0300.
(36) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0020.
(37) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0066.
(38) PB C 181 van 19.5.2016, blz. 69.
(39) http://www.ohchr.org/EN/HRBodies/HRC/RegularSessions/Session31/Documents/A_HRC_31_56_en.doc
(40) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 115.
(41) PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1.
(42) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.
(43) PB C 310 van 25.8.2016, blz. 35.

Juridische mededeling - Privacybeleid