Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 13 juni 2017 - Straatsburg
De betrokkenheid van de partners en de zichtbaarheid van de resultaten van de Europese structuur- en investeringsfondsen vergroten
 Kosteneffectiviteit van het zevende onderzoeksprogramma
 Staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië
 Grensoverschrijdende fusies en splitsingen
 Participatie van de Unie in het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) ***I
 Specifieke maatregelen voor het bieden van aanvullende steun aan lidstaten die zijn getroffen door natuurrampen ***I
 Energie-efficiëntie-etikettering ***I
 Culturele hoofdsteden van Europa voor de periode 2020 tot 2033 ***I
 Beoordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020
 Bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020
 Toestand van de visbestanden en sociaal-economische situatie van de visserijsector in de Middellandse Zee

De betrokkenheid van de partners en de zichtbaarheid van de resultaten van de Europese structuur- en investeringsfondsen vergroten
PDF 316kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het vergroten van de betrokkenheid van de partners en de zichtbaarheid van de resultaten van de Europese structuur- en investeringsfondsen (2016/2304(INI))
P8_TA(2017)0245A8-0201/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 174, 175 en 177 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1) ("Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen"),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de vertraging bij de tenuitvoerlegging van de operationele programma’s van de ESI-fondsen – gevolgen voor het cohesiebeleid en verdere actie(4),

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2016 over nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD)(5),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over "Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020"(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 november 2016 over de resultaten en nieuwe elementen van het cohesiebeleid en de Europese structuur- en investeringsfondsen(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Waarborgen van de zichtbaarheid van het cohesiebeleid: voorlichtings- en communicatievoorschriften 2014-2020"(8),

–  gezien de in opdracht van de Commissie uitgevoerde Flash Eurobarometer van september 2015 getiteld "Citizens' awareness and perceptions of EU: Regional Policy"(9),

–  gezien het verslag-Van den Brande van oktober 2014 getiteld "Multilevel governance en partnerschap", voorbereid in opdracht van de commissaris voor regionaal beleid en stadsontwikkeling, Johannes Hahn(10),

–  gezien het communicatieplan 2016 van het Europees Comité van de Regio's getiteld "Regio's en steden verbinden voor een sterker Europa"(11),

–  gezien de door de Commissie bestelde studie getiteld "Implementation of the partnership principle and multi-level governance in the 2014-2020 ESI Funds" van juli 2016(12),

–  gezien de presentatie van het secretariaat van Interreg Europe getiteld "Designing a project communication strategy"(13),

–  gezien het verslag in opdracht van het Pools ministerie voor Economische Ontwikkeling, in het kader van de evaluatie ex-post en de prognose van de voordelen voor EU-15-landen door de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in Visegradlanden, getiteld "How do EU-15 Member States benefit from the Cohesion Policy in the V4?"(14),

–  gezien het handboek 2014 van het Europees Netwerk voor armoedebestrijding (EAPN) getiteld "Giving a voice to citizens: Building stakeholder engagement for effective decision-making – Guidelines for Decision-Makers at EU and national levels"(15),

–  gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid) van november 2014 getiteld "Communicating Europe to its Citizens: State of Affairs and Prospects",

–  gezien de briefing van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid) van april 2016 getiteld "Research for REGI Committee: Mid-term review of the MFF and Cohesion Policy",

–  gezien het werkdocument van de Commissie van 19 september 2016 over de ex-post-evaluatie van het EFRO en het Cohesiefonds 2007-13 (SWD(2016)0318 final),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8‑0201/2017),

A.  overwegende dat het cohesiebeleid aanzienlijk heeft bijgedragen aan de bevordering van de groei en de werkgelegenheid en de vermindering van ongelijkheden tussen EU‑regio's;

B.  overwegende dat de financiering in het kader van het EU-cohesiebeleid een positieve invloed heeft op zowel de economie als het leven van burgers, hetgeen aangetoond wordt in verschillende rapporten en onafhankelijke evaluaties, maar dat de resultaten niet altijd goed gecommuniceerd werden en dat de bekendheid van het positieve effect eerder beperkt is; overwegende dat de toegevoegde waarde van het cohesiebeleid van de EU verder gaat dan de aangetoonde positieve economische, sociale en territoriale impact, in de zin dat het beleid ook impliceert dat de lidstaten en de regio's toegewijd zijn aan de versterking van Europese integratie;

C.  overwegende dat de bekendheid van door de EU gefinancierde plaatselijke programma's onder eindgebruikers en in het maatschappelijk middenveld cruciaal is, ongeacht het financieringsniveau in een bepaalde regio;

D.  overwegende dat het partnerschapsbeginsel en het model van meerlagig bestuur, die gestoeld zijn op een versterkte coördinatie tussen publieke overheden, economische en sociale partners en maatschappelijke organisaties, effectief kunnen bijdragen tot een betere communicatie over de doelstellingen en resultaten van EU-beleid;

E.  overwegende dat een permanente dialoog en de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties essentieel zijn om verantwoordingsplicht en legitimiteit van het overheidsbeleid te verzekeren en een gevoel van gedeelde verantwoordelijkheid en transparantie in het besluitvormingsproces te creëren;

F.  overwegende dat een verhoogde zichtbaarheid van de ESI-fondsen kan helpen om de perceptie van de doeltreffendheid van het cohesiebeleid te verbeteren en het vertrouwen en de interesse van burgers in het Europees project terug te winnen;

G.  overwegende dat een samenhangende communicatielijn van essentieel belang is, niet alleen stroomafwaarts over de concrete resultaten van de ESI-fondsen, maar ook stroomopwaarts om de initiatiefnemers van projecten bewust te maken van financieringsmogelijkheden, teneinde de betrokkenheid van burgers in de tenuitvoerleggingsprocedure te vergroten;

H.  overwegende dat er meer methoden moeten komen om informatie te verstrekken en om de communicatiekanalen te diversifiëren en dat deze methoden moeten worden verbeterd;

Algemene overwegingen

1.  onderstreept dat het cohesiebeleid behoort tot de belangrijkste overheidsinstrumenten voor groei en dat het, via de vijf ESI-fondsen, investeringen in alle EU-regio's verzekert en bijdraagt aan de vermindering van ongelijkheden, de ondersteuning van het concurrentievermogen en slimme, duurzame en inclusieve groei en een verbeterde levenskwaliteit voor Europese burgers;

2.  merkt met bezorgdheid op dat het algemene publieke bewustzijn over en de perceptie van de doeltreffendheid van het regionaal beleid van de EU de afgelopen jaren achteruit zijn gegaan; verwijst naar Eurobarometer 423 van september 2015, waarin iets meer dan een derde van de Europeanen (34 %) beweert reeds gehoord te hebben over door de EU medegefinancierde projecten ter verbetering van de levenskwaliteit in hun regio; merkt op dat het merendeel van de ondervraagden onderwijs, gezondheid, sociale infrastructuur en milieubeleid als belangrijke domeinen noemde; is van oordeel dat niet alleen de kwantiteit maar vooral de kwaliteit van de in het kader van de ESI-fondsen gefinancierde projecten en hun toegevoegde waarde op het vlak van concrete resultaten een voorwaarde zijn voor positieve communicatie; onderstreept daarom dat de beoordeling, selectie, uitvoering en voltooiing van de projecten gericht moeten zijn op het behalen van de verwachte resultaten en het aldus vermijden van ondoeltreffende uitgaven, die kunnen leiden tot negatieve publiciteit voor het cohesiebeleid; benadrukt dat bij de selectie van de communicatiemaatregelen bijzondere aandacht moet worden besteed aan hun inhoud en reikwijdte, en herhaalt dat de beste reclame het belang en het nut van de uitgevoerde projecten illustreert;

3.  merkt op dat het verzekeren van de zichtbaarheid van investeringen in het kader van het cohesiebeleid een gedeelde bevoegdheid van de Commissie en de lidstaten moet blijven, teneinde effectieve Europese communicatiestrategieën te ontwikkelen die gericht zijn op het waarborgen van de zichtbaarheid van de investeringen in het kader van het cohesiebeleid; wijst in dit verband op de rol van de beheersautoriteiten en van de bevoegde lokale en regionale autoriteiten in het bijzonder, via institutionele communicatie en via begunstigden, aangezien zij het meest effectief met burgers kunnen communiceren, in de zin dat zij plaatselijke informatie verstrekken en Europa dichter bij de burger brengen; herhaalt bovendien dat deze autoriteiten het best de lokale en regionale situaties en behoeften kennen, en dat meer inspanningen voor betere voorlichting en transparantie op lokaal niveau vereist zijn om de zichtbaarheid te verbeteren;

4.  benadrukt dat het verzekeren van de zichtbaarheid van het beleid een dubbelzijdig proces van communicatie en interactie met partners is; benadrukt bovendien dat overheden, in de context van complexe uitdagingen en met het oog op legitimiteit en doeltreffende oplossingen op lange termijn, de relevante belanghebbenden moeten betrekken in alle fases van de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomst en de operationele programma's, in overeenstemming met het partnerschapsbeginsel; benadrukt bovendien de behoefte aan versterking van de institutionele capaciteit van publieke autoriteiten en partners en wijst nogmaals op de mogelijke rol van het Europees Sociaal Fonds (ESF) in dit verband;

5.  wijst in dit verband op de ongelijke vooruitgang tussen de lidstaten bij het stroomlijnen van de administratieve procedures met betrekking tot de bredere mobilisering en betrokkenheid van regionale en lokale partners, waaronder economische en sociale partners en organen uit het maatschappelijk middenveld; herinnert in deze context aan het belang van sociale dialoog;

Uitdagingen

6.  wijst op de toename van euroscepsis en anti-Europese populistische propaganda, waarin een verkeerd beeld wordt gegeven van het beleid van de Unie, en roept de Commissie en de Raad op om de onderliggende oorzaken hiervan te onderzoeken en aan te pakken; onderstreept daarom de dringende behoefte aan de ontwikkeling van meer doeltreffende communicatiestrategieën, die in burgervriendelijke taal zijn opgesteld en die gericht zijn op het dichten van de kloof tussen de EU en haar burgers, met inbegrip van werklozen en personen die risico lopen op sociale uitsluiting, via verschillende mediaplatforms op lokaal, regionaal en nationaal niveau die een correcte en samenhangende boodschap over de toegevoegde waarde van het Europees project voor levenskwaliteit en welvaart aan burgers kunnen overbrengen;

7.  verzoekt de Commissie en de Raad om zowel voor het huidige kader als voor de hervorming van het cohesiebeleid na 2020 te analyseren welke impact de maatregelen om de samenhang met het Europees semester te versterken en om structurele hervormingen uit te voeren via in het kader van de ESI-fondsen gefinancierde programma's hebben op de perceptie van EU-beleidsmaatregelen;

8.  erkent de beperkingen van het rechtskader wat het verzekeren van voldoende zichtbaarheid van het cohesiebeleid betreft; benadrukt dat daardoor communicatie over de concrete verwezenlijkingen niet altijd een prioriteit is geweest voor de verschillende betrokken partijen; is van oordeel dat de aangeraden communicatieactiviteiten over tastbare resultaten voortdurend moeten worden bijgewerkt; herinnert er in dit verband aan dat de technische ondersteuning van de ESI-fondsen niet voorziet in een specifieke financiële enveloppe voor communicatie, noch op EU- noch op lidstaatniveau; benadrukt evenwel de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteiten en de begunstigden om regelmatig toezicht uit te oefenen op de naleving van de voorlichtings- en communicatieactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 115 en bijlage XII van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen;

9.  herhaalt dat een juist evenwicht gevonden moet worden tussen de behoefte aan vereenvoudiging van de regels voor de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid en de noodzaak om een gedegen en transparant financieel beheer te behouden, fraude te bestrijden en tegelijkertijd een goede communicatie met het publiek te verzekeren; herinnert in dit verband aan de noodzaak van een duidelijk onderscheid tussen onregelmatigheden en fraude, zodat geen publiek wantrouwen in de beheersautoriteiten en de lokale overheden wordt gecreëerd; benadrukt bovendien de behoefte aan vereenvoudiging en verlichting van de administratieve last voor begunstigden, zonder dat daarbij de noodzakelijke controles en audits worden aangetast;

10.  onderstreept dat meer betrokkenheid op het terrein, zowel lokaal als regionaal, essentieel is om een efficiënte verspreiding en communicatie van de resultaten te verzekeren; begrijpt dat het partnerschapsbeginsel zorgt voor toegevoegde waarde bij de tenuitvoerlegging van Europese beleidsmaatregelen, zoals in een recente studie van de Commissie werd bevestigd; wijst er echter op dat het mobiliseren van partners in bepaalde gevallen eerder moeilijk blijft, omdat het partnerschapsbeginsel wel formeel ingevoerd is maar daadwerkelijke deelname aan de governanceprocedure niet mogelijk is; herhaalt dat meer inspanningen en middelen geïnvesteerd moeten worden in het betrekken van partners en het uitwisselen van ervaringen via dialoogplatforms voor partners, zodat zij ook de EU-financieringsmogelijkheden en -successen kunnen verspreiden;

11.  wijst er bovendien op dat de strategische en langdurige aard van cohesiebeleidsinvesteringen impliceert dat er niet altijd onmiddellijk resultaat is, wat nadelig is voor de zichtbaarheid van de cohesiebeleidsinstrumenten, vooral in vergelijking met andere instrumenten van de Unie zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); dringt er derhalve op aan dat de communicatieactiviteiten, in voorkomend geval, tot vier jaar na de voltooiing van het project voortgezet worden; benadrukt dat de resultaten van bepaalde investeringen (met name in menselijk kapitaal) minder zichtbaar en moeilijker kwantificeerbaar zijn dan "fysieke" investeringen en roept op tot een meer gedetailleerde en gedifferentieerde beoordeling van de langetermijnimpact van het cohesiebeleid op het leven van burgers; is bovendien van oordeel dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan evaluatie achteraf en aan communicatie over de bijdrage van de ESI-fondsen aan de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, als de Europese ontwikkelingsstrategie op lange termijn;

12.  wijst op de belangrijke rol van de media bij het informeren van de burgers over allerlei EU-beleid en EU-aangelegenheden in het algemeen; betreurt echter de beperkte verslaggeving over EU-cohesiebeleidsinstrumenten in de media; benadrukt de behoefte aan de ontwikkeling van informatiecampagnes en communicatiestrategieën die op de media gericht zijn, die aangepast zijn aan de huidige uitdagingen met betrekking tot informatie en die de informatie in een toegankelijke en aantrekkelijke vorm verstrekken; benadrukt de dat de toenemende invloed van sociale media benut moet worden, evenals de voordelen van de digitale vooruitgang en de mix van de verschillende beschikbare communicatiekanalen, zodat deze beter gebruikt kunnen worden voor de promotie van de mogelijkheden en verwezenlijkingen dankzij de ESI-fondsen;

Verbetering van de communicatie en de betrokkenheid van partners in de tweede helft van de periode 2014-2020

13.  roept de Commissie en de lidstaten op om de coördinatie en de toegankelijkheid van bestaande kanalen en instrumenten voor communicatie op EU-niveau te verbeteren, teneinde onderwerpen met een impact op de EU-agenda aan te pakken; benadrukt in dit verband het belang van het verstrekken van richtsnoeren waarin technieken en methoden worden bepaald met het oog op effectieve communicatie over hoe het cohesiebeleid concrete resultaten in het dagelijkse leven van EU-burgers oplevert; roept de beheersautoriteiten en de begunstigden op om op actieve en systematische wijze de resultaten, voordelen en langetermijngevolgen van het beleid te communiceren, met inachtneming van de verschillende ontwikkelingsfasen van de projecten;

14.  onderstreept dat het, gelet op de kwantiteit en de kwaliteit van de informatie die circuleert via de traditionele en de moderne media, niet langer volstaat om enkel het logo van de Commissie op de borden met projectbeschrijvingen te tonen; verzoekt de Commissie om doeltreffender instrumenten voor de identificatie van de projecten te creëren;

15.  verwelkomt de huidige specifieke communicatie-activiteiten, zoals de campagne "Europa in mijn regio", de onlinetoepassing "EU budget for results" van de Commissie, de samenwerking met CIRCOM Regional(16), het programma "Europa voor de burger" en de mogelijkheden dankzij het recent gecreëerde Europese solidariteitskorps; onderstreept voorts de cruciale rol van de informatiecentra van Europe Direct voor gedecentraliseerde communicatie, om meer bekendheid te geven aan de impact van het cohesiebeleid ter plaatse, zowel lokaal als regionaal; benadrukt bovendien dat de inspanningen gericht moeten worden op het bereiken van studenten en journalisten als potentiële communicatievectoren, en op het verzekeren van een geografisch evenwicht in de communicatiecampagnes;

16.  onderstreept de noodzaak van aanpassing van de communicatieregelingen zoals vastgelegd in de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen; verzoekt de Commissie na te denken over de toegevoegde waarde van het creëren van een specifieke financiële enveloppe voor communicatie binnen de technische bijstand, alsook, waar passend, van een verhoging van het aantal bindende publiciteits- en voorlichtingsvereisten voor projecten in het kader van het cohesiebeleid; dringt er bij de Commissie op aan in 2017 duidelijke richtsnoeren te verstrekken over hoe de technische bijstand precies kan worden gebruikt voor communicatie in de huidige financieringsperiode, met het oog op het verzekeren van de rechtszekerheid voor lokale en regionale autoriteiten en andere begunstigden; herhaalt daarnaast dat de normale communicatie- en bekendmakingsnormen weliswaar weldoordacht zijn in het geval van structurele en technologische investeringen maar minder doeltreffend zijn voor immateriële investeringen in menselijk kapitaal;

17.  benadrukt dat er behoefte is aan verdere prioritering van communicatie in de hiërarchie van de prioriteiten van het EU-cohesiebeleid, met name in het kader van de activiteiten van managementmedewerkers die niet direct verantwoordelijk zijn voor communicatie, en dat communicatie opgenomen moet worden in de normale procedure van de ESI-fondsen; verzoekt om verdere professionalisering op het gebied van communicatie, met name op lokaal gebied en door het vermijden van EU-jargon;

18.  verwelkomt de evaluatie achteraf van programma's in het kader van het cohesiebeleid in de periode 2007-2013 door de Commissie, en is van oordeel dat dit een uitstekende bron vormt voor communicatie over de behaalde resultaten en de gerealiseerde impact; neemt nota van het initiatief van de Visegradlanden over de externe effecten van het cohesiebeleid in de EU-15(17) en roept de Commissie op om een bredere studie op niveau van de EU-28 voor te bereiden; roept de Commissie bovendien op om te differentiëren in haar communicatiestrategieën tussen lidstaten die nettobetalers en lidstaten die nettobegunstigden zijn, en daarbij te benadrukken welke specifieke voordelen het cohesiebeleid heeft voor de versterking van de reële economie, de bevordering van ondernemerschap en innovatie, het creëren van groei en werkgelegenheid in alle EU-regio's en het verbeteren van de gemeenschaps- en economische infrastructuur, zowel via directe investeringen als via directe en indirecte export (externe effecten);

19.  roept de Commissie en de beheersautoriteiten op om op zoek te gaan naar manieren om de toegang tot informatie te vergemakkelijken en te standaardiseren en de uitwisseling van kennis en goede praktijken met betrekking tot communicatiestrategieën te bevorderen, teneinde de aanwezige ervaring beter te benutten en de transparantie en zichtbaarheid van financieringsmogelijkheden te verbeteren;

20.  verwelkomt de invoering van e-cohesie in de huidige programmeringsperiode, met het oog op de vereenvoudiging en stroomlijning van de tenuitvoerlegging van de ESI-fondsen; benadrukt dat e-cohesie potentieel heeft om effectief bij te dragen aan het verstrekken van toegang tot informatie, het houden van toezicht op de programma-ontwikkeling en het creëren van interessante verbindingen tussen betrokken partijen;

21.  is van oordeel dat er behoefte is aan een versterkte communicatie via nieuwe mediakanalen, en bijgevolg aan een strategie voor digitale en socialemediaplatforms die tot doel hebben burgers te informeren en hun de gelegenheid te geven hun behoeften te uiten, die gericht zijn op het bereiken van de eindgebruikers aan de hand van verschillende soorten instrumenten, onder meer interactieve onlinemiddelen, die beter toegankelijke en op mobiele apparaten gebaseerde inhoud en toepassingen aanbieden, en die aan verschillende leeftijdsgroepen aangepaste en, waar passend, in verschillende talen beschikbare informatie verzekeren; verzoekt de beheersautoriteiten om de betrokken DG’s actuele informatie over de financiële gegevens en resultaten en investeringen te bezorgen, zodat zij makkelijk leesbare gegevens en grafieken op het open dataplatform van de ESI-fondsen kunnen zetten ten behoeve van journalisten; roept op tot het opzetten van regionale prijzen voor de beste projecten, in navolging van de RegioStars;

22.  raadt daarnaast aan om het toezicht op en de evaluatie van de huidige communicatieactiviteiten te verbeteren en raadt aan regionale taskforces voor communicatie op te zetten en daarbij actoren uit verschillende lagen te betrekken;

23.  benadrukt het belang van de Europese gedragscode inzake partnerschap en de rol van het partnerschapsbeginsel voor het versterken van de collectieve inspanningen voor en het vergroten van de betrokkenheid bij het cohesiebeleid; roept op om de band tussen de overheden, mogelijke begunstigden, de particuliere sector, het maatschappelijk middenveld en de burgers te versterken via een open dialoog, waarbij de samenstelling van de partnerschappen indien nodig tijdens de tenuitvoerlegging aangepast wordt om de juiste mix van partners te verzekeren en de belangen van de gemeenschap in elke fase van het proces te vertegenwoordigen;

24.  is ingenomen met het innovatieve model van meerlagige samenwerking met meerdere belanghebbende partijen dat in de stedelijke agenda van de EU wordt voorgesteld, en raadt aan dit model waar mogelijk toe te passen bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid;

25.  onderstreept de behoefte aan versterking van de communicatiedimensie van grensoverschrijdende en interregionale samenwerking, ook op het niveau van de huidige macroregionale strategieën, die zichtbaarder voor EU-burgers gemaakt moeten worden door middel van de verspreiding van goede praktijken alsook succesverhalen en mogelijkheden met betrekking tot investeringen;

Bevordering van de communicatie over het cohesiebeleid in de periode na 2020

26.  roept de Commissie en de lidstaten op om de aantrekkelijkheid van financiering in het kader van het EU-cohesiebeleid te vergroten via verdere vereenvoudiging en terugdringing van overregulering, en om te overwegen de complexiteit van verordeningen en richtsnoeren te verminderen en, waar passend, hun aantal terug te dringen, in het licht van de recente aanbeveling van de Groep op hoog niveau van onafhankelijke deskundigen die belast is met het monitoren van vereenvoudiging ten behoeve van begunstigden van de ESI-fondsen;

27.  verzoekt de Commissie om, gezien de mate waarin het cohesiebeleid bijdraagt tot een positieve identificatie met het Europese integratieproject, na te denken over een verplicht veld over communicatie in de formulieren voor projectaanvragen, in het kader van een verhoogde gebruikmaking van technische bijstand via een enveloppe specifiek voor communicatie, op programmaniveau, evenwel zonder daarbij het aantal beperkingen te verhogen en met waarborging van de nodige flexibiliteit; verzoekt de beheers- en lokale en regionale autoriteiten voorts om de kwaliteit van hun communicatie over de eindresultaten van projecten te verbeteren;

28.  benadrukt dat een versterking van de dialoog van de Unie met de burger noodzakelijk is, alsook een herziening van de communicatiekanalen en -strategieën en een aanpassing van boodschappen aan de lokale en regionale context in het licht van de mogelijkheden die sociale media en nieuwe digitale technologieën bieden; onderstreept bovendien de potentiële rol van betrokkenen uit het maatschappelijk middenveld als communicatievectoren; herhaalt evenwel dat educatieve inhoud even belangrijk is als mediastrategieën en promotie via verschillende platforms;

29.  benadrukt in het kader van communicatie en zichtbaarheid de noodzaak van verdere vereenvoudiging van het beleid na 2020, onder andere met betrekking tot de systemen voor gedeeld beheer en controles, om zo de juiste balans te vinden tussen de resultaatgerichtheid van het beleid, het aantal controles, en vereenvoudiging van de procedures;

30.  pleit ervoor het partnerschapsbeginsel verder te versterken in het kader van de programmeringsperiode na 2020; is ervan overtuigd dat de actieve betrokkenheid van de belanghebbenden, waaronder organisaties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, bij de procedure van onderhandelingen over en tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomst en operationele programma's kan bijdragen tot een grotere eigen inbreng en meer transparantie bij de tenuitvoerlegging van het beleid en ook de tenuitvoerlegging van het begrotingsbeleid van de EU kan verbeteren; roept daarom de lidstaten op om te overwegen bestaande modellen van participatief beheer in te voeren, waardoor alle relevante maatschappelijke partners samengebracht worden en de belanghebbende partijen betrokken worden bij een participatieve begrotingsprocedure om middelen voor de nationale, regionale en lokale medefinanciering, waar mogelijk, vast te stellen, teneinde het wederzijdse vertrouwen en de betrokkenheid van burgers bij beslissingen over overheidsuitgaven te vergroten; dringt voorts aan op gezamenlijke beoordelingen van de resultaten met de begunstigden en de verschillende betrokkenen, om relevante gegevens te verzamelen die kunnen helpen om de actieve deelname en de zichtbaarheid van toekomstige maatregelen te vergroten;

31.  dringt daarnaast aan op een versterking van de samenwerking tussen stad en platteland, teneinde territoriale partnerschappen tussen stedelijke en plattelandsgebieden te ontwikkelen aan de hand van een volledige benutting van de mogelijke synergieën op het vlak van EU-financiering en aan de hand van het voortbouwen op de deskundigheid van stedelijke gebieden en hun grotere capaciteit om fondsen te beheren;

32.  spoort de Commissie en de lidstaten aan om in hun respectieve actieplannen voor communicatie aandacht te besteden aan het versterken van de samenwerking tussen de verschillende directoraten-generaal, ministeries en communicatoren op verschillende niveaus, en aan het maken van een overzicht van doelgroepen, teneinde boodschappen die op specifieke doelgroepen zijn toegesneden te ontwikkelen en over te brengen, zodat de burgers ter plaatse rechtstreeks bereikt en beter geïnformeerd worden;

33.  benadrukt in dit verband het belang van een mentaliteitswijziging, in die zin dat communicatie een verantwoordelijkheid is van alle betrokken partijen, en dat de begunstigden zelf de belangrijkste communicatoren worden;

34.  vraagt de Commissie en de lidstaten bovendien om de rol en positie van reeds bestaande nationale communicatie- en informatienetwerken te versterken en om het interactieve e-communicatieplatform van de EU over de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid te gebruiken, zodat alle relevante gegevens over projecten in het kader van de ESI-fondsen worden verzameld en eindgebruikers feedback kunnen geven op het tenuitvoerleggingsproces en de geleverde resultaten zonder zich te moeten beperken tot een summiere beschrijving van het project en de gemaakte kosten; is van oordeel dat dit platform ook de evaluatie van de doeltreffendheid van de communicatie met betrekking tot het cohesiebeleid kan faciliteren;

o
o   o

35.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's en de nationale en regionale parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0055.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0211.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0419.
(7) http://www.consilium.europa.eu/press-releases-pdf/2016/11/47244650399_nl.pdf
(8) http://ec.europa.eu/regional_policy/nl/information/publications/brochures/2014/ensuring-the-visibility-of-cohesion-policy-information-and-communication-rules-2014-2020
(9) http://ec.europa.eu/COMMFrontOffice/publicopinion/index.cfm/ResultDoc/download/DocumentKy/67400
(10) http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/informing/dialog/2014/5_vandenbrande_report.pdf
(11) http://cor.europa.eu/en/about/Documents/CoR-communication-plan-2016.pdf
(12) http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/policy/how/studies_integration/impl_partner_report_en.pdf.
(13)http://www.interregeurope.eu/fileadmin/user_upload/events/Rotterdam/pdf/Designing_communication_strategy.pdf
(14) https://www.strukturalni-fondy.cz/getmedia/fdc8a04e-590d-47ac-9213-760d4ac76f75/V4_EU15_manazerske-shrnuti.pdf?ext=.pdf
(15) http://www.eapn.eu/images/stories/docs/EAPN-position-papers-and-reports/2014-eapn-handbook-Give-a-voice-to-citizens-Guidelines-for-Stakeholder-Engagement.pdf
(16) Professionele vereniging voor regionale publieke omroepen in Europa.
(17) Verslag in opdracht van het Pools ministerie voor Economische Ontwikkeling, in het kader van de evaluatie ex-post en de prognose van de voordelen voor EU-15-landen door de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in Visegradlanden, getiteld "How do EU-15 Member States benefit from the Cohesion Policy in the V4".


Kosteneffectiviteit van het zevende onderzoeksprogramma
PDF 299kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de kosteneffectiviteit van het zevende onderzoeksprogramma (2015/2318(INI))
P8_TA(2017)0246A8-0194/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien titel XIX van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013)(1),

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie(3) (“Financieel Reglement”),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(4),

–  gezien speciaal verslag nr. 2/2013 van de Rekenkamer getiteld "Heeft de Commissie gezorgd voor een doelmatige uitvoering van het zevende kaderprogramma voor onderzoek?",

–  gezien het verslag van de Commissie wetenschap en technologie van het Britse Lagerhuis van 16 november 2016 getiteld "Leaving the EU: implications and opportunities for science and research"(5),

–  gezien zijn besluit van 28 april 2016 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III - Commissie(6),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0194/2017),

A.  overwegende dat het meerjarig financieel kader (MFK) 2007-2013 is afgelopen, maar dat het zevende kaderprogramma (KP7) voor onderzoek en innovatie nog doorloopt;

B.  overwegende dat onderzoeks- en innovatieprojecten tijdens het MFK 2014-2020 onder de Horizon 2020-verordening vallen;

C.  overwegende dat er, voor zover bekend, geen uitgebreide analyse van de kosteneffectiviteit van het KP7 bestaat;

D.  overwegende dat er - idealiter - vóór de inwerkingtreding van Horizon 2020 een uitgebreide evaluatie van het KP7 had moeten plaatsvinden;

E.  overwegende dat foutenpercentages en een evaluatie ex post van het programma geen volledig beeld geven van de kosteneffectiviteit;

Het zevende kaderprogramma (KP7)

1.  wijst erop dat voor het KP7 in totaal een begroting van 55 miljard EUR is goedgekeurd, ofwel naar schatting 3 % van de totale uitgaven voor onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO) in Europa of 25 % van de competitieve financiering; in de zevenjarige looptijd van het KP7 zijn meer dan 139 000 onderzoeksprojecten ingediend, waaruit 25 000 projecten van de hoogste kwaliteit zijn geselecteerd en gesubsidieerd; onder de 29 000 deelnemende organisaties zijn de meeste subsidies gegaan naar, onder andere, universiteiten (44 % van de KP7-middelen), onderzoeks- en technologieorganisaties (27 %), grote particuliere bedrijven (11 %) en kmo's (13 %), terwijl de overheidssector (3 %) en maatschappelijke organisaties (2 %) slechts een ondergeschikte rol speelden;

2.  is zich ervan bewust dat het KP7 is bedoeld voor begunstigden uit alle lidstaten van de EU en partner- en toetredingslanden als Zwitserland, Israël, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein, Turkije, Kroatië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Servië, Albanië, Montenegro, Bosnië en Herzegovina, de Faeröer-eilanden en Moldavië, evenals de partnerlanden op het gebied van internationale samenwerking;

3.  wijst erop dat de deskundigengroep op hoog niveau die het KP7 ex post heeft geëvalueerd(7), het KP7 als een succes heeft omschreven; de deskundigengroep onderstreepte met name dat het KP7:

   op individueel en institutioneel niveau uitmuntend wetenschappelijk werk heeft gestimuleerd,
   via het nieuwe programma FP7-Ideas (Europese Onderzoeksraad) grensverleggend onderzoek heeft bevorderd,
   het bedrijfsleven en kmo's een plaats in de strategie heeft gegeven,
   een nieuwe wijze van samenwerking en een open innovatiekader tot stand heeft gebracht,
   de Europese onderzoeksruimte heeft versterkt door het bevorderen van een samenwerkingscultuur en het opbouwen van uitgebreide netwerken waarin thematische vraagstukken kunnen worden behandeld,
   een aantal maatschappelijke kwesties door middel van onderzoek, technologie en innovatie onder de loep heeft genomen – FP7-Cooperation,
   de harmonisatie van de nationale systemen en beleidsmaatregelen op het gebied van onderzoek en innovatie heeft bevorderd,
   de mobiliteit van onderzoekers in heel Europa heeft gestimuleerd – met FP7-People zijn de nodige voorwaarden geschapen voor een open arbeidsmarkt voor onderzoekers,
   de investeringen in de Europese onderzoeksinfrastructuur heeft versterkt,
   een kritische massa aan onderzoek in Europa en wereldwijd heeft bereikt;

4.  merkt op dat tijdens de openbare raadpleging van belanghebbenden in het kader van de KP7-evaluatie van februari tot mei 2015 op de volgende tekortkomingen is gewezen:

   hoge administratieve lasten en een logge juridische en financiële regelgeving,
   veel te veel inschrijvingen,
   onvoldoende aandacht voor maatschappelijke effecten,
   onvoldoende breedte in onderwerpen en oproepen,
   onvoldoende aandacht voor deelname van het bedrijfsleven,
   hoge drempel voor nieuwkomers en een laag gemiddeld slaagpercentage voor voorstellen en aanvragers (19 % respectievelijk 22 %,
   zwakke communicatie;

5.  is bezorgd over het feit dat het KP7 volgens de commissaris niet volledig zal worden uitgevoerd en geëvalueerd vóór 2020, hetgeen tot vertragingen zou kunnen leiden in toekomstige vervolgprogramma's; dringt er bij de Commissie op aan het evaluatieverslag zo snel mogelijk te publiceren en ten laatste voordat zij het onderzoeksprogramma voor de periode na Horizon -2020 voorstelt;

De opmerkingen van de Europese Rekenkamer (“Rekenkamer”)

6.  benadrukt bezorgd dat de Rekenkamer de systemen voor toezicht en controle op onderzoek en andere interne beleidsmaatregelen als "ten dele doeltreffend" aanmerkt;

7.  verzoekt de Commissie zijn bevoegde commissie in detail te informeren over de tien verrichtingen die goed waren voor 77 % van de fouten in 2015 en over de genomen corrigerende maatregelen;

8.  merkt bezorgd op dat het foutenpercentage voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (OOI) in de laatste kwijtingsprocedures telkens boven de 5 % lag;

9.  wijst erop dat van de 150 verrichtingen die de Rekenkamer in 2015 heeft gecontroleerd, er 72 (48 %), fouten vertoonden; op basis van de 38 door de Rekenkamer gekwantificeerde fouten schatte zij het foutenpercentage op 4,4 %; verder beschikten de Commissie, de nationale autoriteiten of onafhankelijke controleurs in 16 gevallen van kwantificeerbare fouten over voldoende informatie om de fouten te kunnen voorkomen of opsporen en corrigeren, voordat zij de uitgaven accepteerden; indien al deze informatie gebruikt was om fouten te corrigeren, zou het geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk 0,6 % lager zijn geweest;

10.  betreurt het dat de Rekenkamer voor 10 van de 38 verrichtingen die kwantificeerbare fouten vertonen, fouten meldde waarmee meer dan 20 % van de onderzochte onderdelen gemoeid was; deze 10 gevallen (9 uit het zevende kaderprogramma voor onderzoek en één uit het programma voor concurrentievermogen en innovatie voor 2007-2013) waren in 2015 goed voor 77 % van het totale geschatte foutenpercentage voor "Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid";

11.  betreurt het dat het merendeel van de door de Rekenkamer geconstateerde gekwantificeerde fouten (33 van de 38) betrekking had op de vergoeding van niet-subsidiabele personeels- en indirecte kosten die door de begunstigden waren gedeclareerd, en dat bijna alle fouten die de Rekenkamer aantrof in kostenstaten het gevolg waren van het door de begunstigden onjuist interpreteren van de complexe subsidiabiliteitsregels, of het onjuist berekenen van de subsidiabele kosten, wat tot de evidente conclusie leidt dat deze regels moeten worden vereenvoudigd;

12.  neemt er kennis van dat de Commissie (aan het einde van het programma en na correctie) een restfoutenpercentage van 3 % voor 2014 heeft berekend (2,88 % in 2015);

13.  herinnert aan zijn standpunt bij de verlening van kwijting aan de Commissie in 2012 en 2014: "Blijft ervan overtuigd dat de Commissie moet blijven streven naar een aanvaardbaar evenwicht tussen de aantrekkelijkheid van programma's voor deelnemers en de legitieme noodzaak van verantwoording en financiële controle; herinnert in dit verband aan de verklaring van de directeur-generaal uit 2012 dat een procedure met als doel een restfoutenpercentage van 2 % onder alle omstandigheden geen realistische optie is";

14.  betreurt het dat de fouten primair voortvloeiden uit onjuist berekende personeelskosten en niet-subsidiabele directe en indirecte kosten;

15.  wijst bezorgd op de bevindingen in speciaal verslag nr. 2/2013, die de Rekenkamer tot de slotsom brengen dat de procedures van de Commissie erop gericht zijn dat de middelen in kwalitatief hoogwaardig onderzoek worden geïnvesteerd, maar dat er minder aandacht is besteed aan efficiëntie;

   met de bestaande IT-instrumenten was een efficiënte uitvoering van de projecten niet mogelijk, en in de acht diensten van de Commissie werken meer dan 2 500 personeelsleden aan de uitvoering van het KP7, van wie er 1 500 (60 %) rechtstreeks belast zijn met de uitvoering van het specifieke samenwerkingsprogramma;
   de wachttijd voorafgaande aan de subsidieverlening dient verder te worden teruggebracht, en
   in het model voor de financiële controle op het KP7 wordt onvoldoende rekening gehouden met het risico van fouten;

16.  neemt kennis van de antwoorden van de Commissie op de conclusies van de Rekenkamer, waarin zij erop wees dat er niettemin 4 324 subsidieovereenkomsten met bijna 20 000 deelnemers waren getekend, dat de wachttijd tot de subsidieverlening al was ingekort en dat de controlestructuur zodanig was opgezet dat het meeste gewicht werd toegekend aan de controle achteraf;

Kosteneffectiviteit in het kader van het KP7

17.  onderstreept dat de kosteneffectiviteit moet worden gemeten aan de hand van de zuinigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid (goed financieel beheer)(8) bij de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen;

18.  neemt er nota van dat de uitvoering van de kaderprogramma's voor onderzoek een gezamenlijke verantwoordelijkheid was van diverse directoraten-generaal, uitvoerende agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen, zogeheten artikel 185-organen, de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT);

19.  wijst erop dat het directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie (DG RTD) in 2015 betalingen van 3,8 miljard EUR heeft goedgekeurd, waarvan 67,4 % onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van het directoraat-generaal is gedaan, 12,6 % door gemeenschappelijke ondernemingen (GO's), 10,7 % door de EIB en het Europees Investeringsfonds (EIF) en 2,4 % door uitvoerende agentschappen;

20.  constateert dat de Europese Unie volgens het jaarlijkse activiteitenverslag van DG RTD voor 2015 44,56 miljard EUR aan het KP7 heeft bijgedragen, waarvan 58 % naar Duitsland (16 %), het Verenigd Koninkrijk (16 %), Frankrijk (11 %), Italië (8 %) en Spanje (7 %) is gegaan;

21.  stelt vast dat DG RTD een controlestelsel heeft opgezet dat de inherente risico's moet beperken in de verschillende fasen van het beheer van directe en indirecte subsidies; daarnaast heeft DG RTD een strategie ontwikkeld voor het toezicht op de financieringsinstrumenten van de EIB en het EIF;

22.  neemt er nota van dat DG RTD eind 2015 in het kader van het KP7 2007-2013 3 035 van de 4 950 subsidieovereenkomsten en 1 915 projecten had voltooid en afgesloten, waarna nog 1,6 miljard EUR moest worden uitbetaald; DG RTD heeft in 2015 826 slotbetalingen verricht; moedigt het DG aan deze statistieken in latere begrotingsjaren verder te ontwikkelen;

23.  onderstreept met name dat indicatoren als de subsidietoekenningstermijn, de informatietermijn en de betalingstermijn een positieve trend lieten zien en als bevredigend werden aangemerkt (naleving 93-100 %);

24.  neemt er nota van dat DG RTD tijdens de programmeringsperiode van het KP7 1 550 audits heeft verricht, die betrekking hadden op 1 404 begunstigden en 58,7 % van de begroting;

25.  merkt op dat volgens DG RTD 9,4 voltijdsequivalenten zich bezighielden met het toezicht op en de coördinatie van de activiteiten in verband met de uitvoerende agentschappen; hiermee was 1,26 miljoen EUR of 1,35 % van de totale administratiekosten gemoeid; daarnaast hebben het Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) en het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (ERCEA) in 2015 een operationele begroting van 1,94 miljard EUR besteed en hebben het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (EASME) en het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) 480,5 miljoen EUR aan betalingskredieten uitgegeven;

26.  stelt vast dat DG RTD voor het toezicht op de activiteiten van de gemeenschappelijke ondernemingen onkosten ten bedrage van 1,67 miljoen EUR heeft gemaakt, zijnde 0,35 % van de aan deze ondernemingen betaalde 479,9 miljoen EUR; stelt voorts vast dat DG RTD voor het toezicht op de activiteiten van de artikel 185-organen onkosten ten bedrage van 0,7 miljoen EUR heeft gemaakt, zijnde 0,78 % van de betalingen die aan deze organen zijn gedaan;

27.  benadrukt dat gemeenschappelijke ondernemingen en artikel 185-organen verantwoordelijk zijn voor hun eigen audits en de resultaten daarvan aan DG RTD moeten doorgeven;

28.  merkt bezorgd op dat DG RTD het totale percentage opgespoorde fouten op 4,35 % heeft geraamd; tegelijkertijd meende het DG dat het restfoutenpercentage (aan het einde van het programma en na correctie) op 2,88 % lag;

29.  constateert dat eind 2016 een bedrag van 68 miljoen EUR moest worden teruggevorderd, waarvan 49,7 miljoen EUR daadwerkelijk is geïnd;

30.  merkt evenwel op dat de voorschriften van het KP7 niet voldoende aansloten bij de algemene zakelijke praktijk, dat risico en controle in het controlesysteem beter in evenwicht hadden moeten zijn, dat begunstigden beter hadden moeten worden begeleid in de omgang met de complexe regeling en dat de terugbetalingsmethoden efficiënter hadden moeten zijn;

31.  is bezorgd over het feit dat uit het jaarlijkse activiteitenverslag van DG RTD blijkt dat 1 915 projecten in het kader van het KP7 ter waarde van 1,63 miljard EUR eind 2015 nog steeds niet waren voltooid, waardoor de uitvoering van Horizon 2020 vertraging zou kunnen oplopen;

32.  merkt op dat de Europese Unie belang heeft bij synergieën tussen de onderzoeks- en innovatiesector enerzijds en de structuurfondsen anderzijds;

33.  merkt op dat de Commissie erop moet toezien dat de financiering van onderzoek via het KP7 en langs nationale weg in overeenstemming is met de EU-regels inzake staatssteun, om tegenstrijdigheden in en doublures van financiering te voorkomen; onderstreept dat er rekening moet worden gehouden met specifieke nationale kenmerken;

34.  benadrukt het belang van financieringsinstrumenten op het gebied van onderzoek en innovatie; benadrukt met het oog op het concurrentievermogen van onderzoek dat het gebruik van financieringsinstrumenten voor projecten op hogere TRL-niveaus (technologische paraatheid) voldoende rendement op overheidsinvesteringen kan opleveren; wijst er in dit verband op dat de Financieringsfaciliteit met risicodeling (RSFF 2007-2013) leningen en hybride of mezzaninefinanciering aanbiedt om de toegang tot risicokapitaal voor O&I-projecten te vergemakkelijken; merkt op dat met de bijdrage van de Unie van 961 miljoen EUR aan de RSFF in de periode 2007-2015 activiteiten voor een bedrag van 10,22 miljard EUR zijn ondersteund (uitgegaan was van 11,31 miljard EUR); stelt vast dat uit het Instrument voor risicodeling (RSI) ten behoeve van kmo's meer dan 2,3 miljard EUR aan middelen beschikbaar is gesteld, waaraan de Unie 270 miljoen EUR heeft bijgedragen(9); is van mening dat deze cijfers de grote belangstelling van bedrijven en andere begunstigden aan risicofinanciering aantonen;

35.  merkt op dat de financiële instrumenten van het KP7 gerichter moeten worden gebruikt om ervoor te zorgen dat nieuwkomers met beperkte toegang tot financiering op het gebied van onderzoek en innovatie worden ondersteund;

36.  merkt op dat bepaalde maatregelen die door de externe controleur en/of de interne auditdienst waren aanbevolen, niet zijn afgerond; het gaat hierbij in het bijzonder om twee maatregelen in verband met de controlesystemen voor het toezicht op externe organen, en drie maatregelen voor het deelnemersgarantiefonds;

37.  stelt voor beter te communiceren over de resultaten in de lidstaten en informatiecampagnes voor het programma te organiseren;

Toekomstperspectieven binnen Horizon 2020

38.  wijst erop dat eind 2015 198 oproepen voor Horizon 2020 waren gepubliceerd voor die indieningstermijn; naar aanleiding van deze oproepen zijn in totaal 78 268 voorstellen binnengekomen, waarvan er 10 658 op de hoofd- of reservelijst zijn geplaatst; daarmee ligt het succespercentage rond 14 %, als alleen de voor steun in aanmerking komende voorstellen worden meegenomen; in dezelfde periode zijn er 8 832 subsidieovereenkomsten met begunstigden getekend, waarvan er 528 door DG RTD zijn getekend;

39.  erkent dat er in het KP7 ten opzichte van het KP6 551 miljoen EUR is bespaard en dat de Commissie heeft getracht de uitvoering van Horizon 2020 ten opzichte van het KP7 nog verder te vereenvoudigen; onderstreept hoe belangrijk het is dat alle beleidsgebieden, dus ook de structuurfondsen, van vereenvoudiging profiteren, zodat er sprake blijft van een gelijke behandeling van de ontvangers van Europese financiële steun;

40.  neemt er met tevredenheid nota van dat DG RTD de overheadkosten verder tracht terug te dringen door het projectbeheer uit te besteden aan uitvoeringsagentschappen en andere organen; onderstreept in dit verband dat in het kader van Horizon 2020 55 % van de begroting door uitvoeringsagentschappen zal worden beheerd;

41.  onderstreept dat het grote aantal politieke actoren, waaronder directoraten-generaal van de Commissie, uitvoeringsagentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen en artikel 185-organen, een aanzienlijke coördinatie vereist en dat het van het grootste belang is dat deze coördinatie doeltreffend is;

42.  stelt vast dat er tussen het EIT en de Commissie enerzijds en de Rekenkamer anderzijds een verschil van mening bestaat over de rechtmatigheid van betalingen; is van mening dat het bijleggen van dit geschil niet ten koste mag gaan van de begunstigden die te goeder trouw hebben gehandeld;

43.  vindt het verheugend dat in het kader van Horizon 2020:

   de programmastructuur minder complex is en in interoperabiliteit tussen verschillende onderdelen voorziet;
   nu één geheel van regels geldt;
   nu één financieringspercentage per project bestaat;
   voor indirecte kosten een forfaitair percentage geldt (25 %);
   alleen de financiële draagkracht van de projectcoördinatoren wordt gecontroleerd;
   een benadering is ingevoerd waarmee prestaties beter kunnen worden gemeten;
   voor de O&I-familie één auditstrategie geldt;
   één deelnemersportaal is opgezet voor het beheer van subsidies en deskundigen;
   subsidies, deskundigencontracten en de archivering elektronisch worden beheerd;

44.  juicht het toe dat er een gemeenschappelijk ondersteuningscentrum (CSC) is opgezet, dat zal bijdragen aan een efficiënte coördinatie tussen en een geharmoniseerde uitvoering door zeven directoraten-generaal van de Commissie, vier uitvoeringsagentschappen en zes gemeenschappelijke ondernemingen; merkt op dat sinds 1 januari 2014 het CSC gemeenschappelijke diensten aanbiedt op het gebied van juridische ondersteuning, financiële controles ex post, IT-systemen en -operaties, bedrijfsprocessen en programma-informatie en -gegevens ten behoeve van alle onderzoeks-DG's, uitvoeringsagentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die bij de uitvoering van Horizon 2020 betrokken zijn;

45.  stelt voor de rol van de nationale contactpunten uit te breiden, zodat zij technische ondersteuning van goede kwaliteit ter plaatse kunnen bieden; is van mening dat een jaarlijkse beoordeling van de resultaten, opleidingen en het belonen van nationale contactpunten die doeltreffend werken, het succespercentage van het Horizon 2020-programma zullen doen toenemen;

46.  is ingenomen met het feit dat het aandeel van de middelen van Horizon 2020 dat werd toegewezen aan kleine en middelgrote ondernemingen toenam van 19,4 % in 2014 tot 23,4 % in 2015, en beveelt aan dat deze tendens proactief wordt aangemoedigd;

47.  acht het onaanvaardbaar dat DG RTD niet heeft voldoen aan het verzoek van het Parlement aan de directoraten-generaal van de Commissie om al hun landspecifieke aanbevelingen te publiceren in hun jaarlijkse activiteitenverslagen;

48.  verzoekt de Commissie maatregelen te nemen die een gelijk loon verzekeren voor onderzoekers die binnen hetzelfde project hetzelfde werk uitvoeren, en een lijst te verstrekken met daarop, ingedeeld naar nationaliteit, alle beursgenoteerde ondernemingen en/of ondernemingen die in hun jaarrekeningen winst hebben aangegeven en die middelen ontvangen uit Horizon 2020;

49.  wijst erop dat de nieuwe onderdelen die in Horizon 2020 zijn opgenomen, ook een antwoord zijn op de opmerkingen van de Rekenkamer;

50.  herinnert eraan dat momenteel een negende kaderprogramma voor onderzoek wordt voorbereid; onderstreept dat de beste werkwijzen van Horizon 2020 moeten worden gevolgd bij de opstelling van het programma; stelt voor meer financiering beschikbaar te stellen voor innovatie, omdat dit een economisch efficiënte werking heeft voor het bedrijfsleven, en meer flexibiliteit toe te staan tussen de begrotingen van de verschillende subprogramma's om te vermijden dat er onvoldoende middelen zijn om projecten te financieren die worden aangemerkt als "uitstekend";

Vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie: gevolgen voor het KP7

51.  neemt met respect kennis van de uitslag van het referendum waarin de burgers van het Verenigd Koninkrijk op 23 juni 2016 de politieke wil kenbaar hebben gemaakt om de Europese Unie te verlaten;

52.  is verheugd over het werk dat het Britse Lagerhuis heeft verricht om de gevolgen van deze uitslag op het gebied van wetenschap en onderzoek te evalueren(10) en te trachten het negatieve effect op het Europese concurrentievermogen tot een minimum te beperken;

53.  wijst erop dat in het VK gevestigde organisaties in 2014 1,27 miljard EUR aan subsidies, ofwel 15 % van het totale bedrag, hebben ontvangen en in 2015 1,18 miljard EUR, ofwel 15,9 % van het totale bedrag - het grootste aandeel van alle lidstaten dat jaar(11);

Conclusies

54.  komt tot de conclusie dat de Commissie het KP7 - over het geheel genomen - op kostenefficiënte wijze heeft beheerd; neemt er nota van dat het programma ondanks de vertragingen en het aanhoudende foutenpercentage in de uitvoering ook doelmatiger is geworden;

55.  is ingenomen met het feit dat de door de Rekenkamer geuite punten van zorg in aanmerking zijn genomen;

56.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat moderniseringen die in het kader van Horizon 2020 zijn doorgevoerd, zoals forfaitaire percentages voor indirecte kosten, één auditstrategie en één deelnemersportaal, op soortgelijke wijze op andere beleidsterreinen worden toegepast, bijvoorbeeld bij de structuurfondsen; benadrukt dat alle subsidieontvangers billijk en gelijk moeten worden behandeld;

57.  verzoekt de lidstaten meer inspanningen te leveren om de doelstelling van het investeren van 3 % van het bbp in onderzoek te halen; is van mening dat dit excellentie en innovatie zou bevorderen; verzoekt de Commissie daarom de mogelijkheid te bekijken om een convenant voor de wetenschap voor te stellen op lokaal, regionaal en nationaal niveau, en daarmee voort te bouwen op de dynamiek die al is ontstaan dankzij het Burgemeestersconvenant;

58.  stelt met zorg vast dat zowel het REA als het ERCEA er in hun evaluatierapporten op wijzen dat de informatiekanalen en de communicatie tussen de Commissie en de uitvoeringsagentschappen voor verdere verbetering vatbaar zijn;

o
o   o

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Europese Rekenkamer en de Commissie.

(1) PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB C 373 van 10.11.2015, blz. 1.
(5) http://www.parliament.uk/business/committees/committees-a-z/commons-select/science-and-technology-committee/inquiries/parliament-2015/leaving-the-eu-inquiry-16-17/publications/
(6) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 25.
(7) Commitment and Coherence, evaluatie ex post van het zevende kaderprogramma van de EU, november 2015 https://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/fp7_final_evaluation_expert_group_report.pdf
(8) Titel II Hoofdstuk 7 van het Financieel Reglement.
(9) COM(2016)0675, blz. 18 en 19.
(10) Zie het verslag van de Commissie wetenschap en technologie van het Britse Lagerhuis van 16 november 2016.
(11) Horizon 2020 Monitoring Report 2015, blz. 21 e.v.


Staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië
PDF 269kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië (2016/2220(INI))
P8_TA(2017)0247A8-0182/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de bepalingen van de mensenrechteninstrumenten van de VN, met name op het gebied van het recht op een nationaliteit, zoals het VN-Handvest, de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag inzake de rechten van het kind, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954, het Verdrag tot beperking der staatloosheid van 1961, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het facultatieve protocol hierbij, het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het Internationale Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden,

–  gezien andere VN-instrumenten inzake staatloosheid en het recht op een nationaliteit, zoals Conclusie nr. 106 van het uitvoerend comité van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) over de identificatie, preventie en beperking van staatloosheid, en de bescherming van staatlozen(1), zoals bekrachtigd bij resolutie nr. A/RES/61/137 van de Algemene Vergadering van de VN van 2006,

–  gezien de campagne van de UNHCR om tegen 2024 een einde te maken aan de staatloosheid(2) en de mondiale campagne voor gelijke nationaliteitsrechten, die wordt gesteund door de UNHCR, UN Women en andere, en die wordt onderschreven door de VN-Mensenrechtenraad,

–  gezien de resolutie van de Raad voor de mensenrechten van de VN van 15 juli 2016 over de mensenrechten en de willekeurige ontneming van de nationaliteit (A/HRC/RES/32/5),

–  gezien de Verklaring en het actieprogramma van Wenen(3), aangenomen door de Wereldmensenrechtenconferentie van de VN op vrijdag 25 juni 1993,

–  gezien algemene aanbeveling nr. 32 van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen (CEDAW) over de gendergerelateerde aspecten van de vluchtelingenstatus, asiel, nationaliteit en staatloosheid van vrouwen(4),

–  gezien de verklaring inzake mensenrechten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN)(5),

–  gezien artikel 3, lid 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie waarin staat dat de Europese Unie "in de betrekkingen met de rest van de wereld [...] [bijdraagt] tot [...] de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties",

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juli 2015 over het actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019(6),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie van 25 juni 2012(7),

–  gezien de conclusies van de Raad van 4 december 2015 over staatloosheid(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over een strategie van de EU ten aanzien van Myanmar/Birma(9),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over mensenrechten en migratie in derde landen(10),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2016 over Myanmar, en met name de situatie van de Rohingya(11),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake(12),

–  gezien de studie "Addressing the Human Rights impact of statelessness in the EU's external action" van het directoraat-generaal Extern beleid van november 2014,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0182/2017),

A.  overwegende dat de regio's Zuid-Azië en Zuidoost-Azië uit de volgende landen bestaan – Afghanistan, Bangladesh, Bhutan, Brunei, Cambodja, de Filipijnen, India, Indonesië, Laos, Maleisië, de Maldiven, Myanmar, Nepal, Oost-Timor, Pakistan, Singapore, Sri Lanka, Thailand en Vietnam – die allemaal lid of waarnemer zijn hetzij van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN) hetzij van de Zuid-Aziatische Associatie voor Regionale Samenwerking (SAARC);

B.  overwegende dat de Universele Verklaring van de rechten van de mens (UVRM) bevestigt dat eenieder bij geboorte dezelfde waardigheid en rechten heeft; overwegende dat het recht op een nationaliteit en het recht dat iemands nationaliteit hem niet willekeurig mag worden ontnomen zijn neergelegd in artikel 15 van de UVRM en in andere internationale mensenrechteninstrumenten en -verdragen; overwegende dat het primaire doel van de internationale rechtsinstrumenten – bescherming van eenieders recht op een nationaliteit – nog moet worden verwezenlijkt;

C.  overwegende dat de rechten van de mens universeel, ondeelbaar en onderling afhankelijk en met elkaar verbonden zijn; overwegende dat de mensenrechten en de fundamentele vrijheden geboorterechten zijn van ieder mens en dat de bescherming en bevordering ervan de belangrijkste taak van regeringen is;

D.  overwegende dat het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, dat door alle Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen is geratificeerd, bepaalt dat alle kinderen onmiddellijk na de geboorte worden geregistreerd en het recht hebben om een nationaliteit te verwerven; overwegende dat naar schatting de helft van de staatlozen in de wereld kind is en dat velen van hen staatloos zijn vanaf hun geboorte;

E.  overwegende dat in de verklaring over de mensenrechten van ASEAN wordt bekrachtigd dat eenieder het recht op een nationaliteit heeft zoals vastgelegd bij wet en dat niemand op willekeurige wijze zijn nationaliteit mag worden ontnomen noch het recht mag worden ontzegd van nationaliteit te veranderen;

F.  overwegende dat in het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954 een staatloze wordt gedefinieerd als een persoon "die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd"; overwegende dat de oorzaken van staatloosheid kunnen uiteenlopen en onder meer kunnen omvatten: statenopvolging en ontbinding van staten, in sommige gevallen gebeurtenissen in verband met gedwongen vlucht, migratie, en mensenhandel, alsook: veranderingen en lacunes in nationaliteitswetten, het verlopen van de nationaliteit door een lang verblijf buiten het eigen land, willekeurige ontneming van de nationaliteit, discriminatie op basis van gender, ras, etniciteit of andere gronden, administratieve en bureaucratische belemmeringen, onder meer bij het verkrijgen van geboortebewijzen; overwegende dat de meeste van deze oorzaken, zo niet alle, aangetroffen kunnen worden in Zuid- en Zuidoost-Azië;

G.  overwegende dat het belangrijk is erop te wijzen dat de status van staatloze iets anders is dan de status van vluchteling; overwegende dat de meeste staatlozen nooit hun geboorteplaats hebben verlaten of nooit een internationale grens zijn overgestoken;

H.  overwegende dat staatloosheid een probleem met vele facetten is en tot een breed scala aan ernstige mensenrechtenschendingen leidt, met onder meer problemen inzake geboortebewijzen en andere documenten met betrekking tot de burgerlijke staat, alsmede andere problemen in verband met eigendomsrechten, uitsluiting van kindergezondheidsprogramma's en openbare schoolsystemen, zeggenschap over bedrijven, politieke vertegenwoordiging en deelname aan verkiezingen, toegang tot sociale zekerheid en overheidsdiensten; overwegende dat staatloosheid kan bijdragen tot mensenhandel, willekeurige detentie, schending van de vrijheid van verkeer, uitbuiting en mishandeling van kinderen en discriminatie van vrouwen;

I.  overwegende dat er nog steeds weinig internationale aandacht is voor staatloosheid, ondanks de zeer zorgwekkende mondiale en regionale gevolgen voor de mensenrechten, en dat staatloosheid nog steeds wordt gezien als een binnenlandse aangelegenheid; overwegende dat het verminderen en uiteindelijk afschaffen van staatloosheid een internationale prioriteit op het gebied van de mensenrechten moet worden;

J.  overwegende dat wettelijke genderdiscriminatie, bijvoorbeeld bij het verwerven van een nationaliteit of het doorgeven van een nationaliteit aan een kind of echtgenoot, nog steeds bestaat in Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen zoals Nepal, Maleisië en Brunei;

K.  overwegende dat volgens de UNHCR naar schatting 135 miljoen kinderen jonger dan vijf jaar in de regio niet zijn geregistreerd bij hun geboorte en staatloos dreigen te worden;

L.  overwegende dat het beëindigen van staatloosheid ook zal leiden tot meer democratie, aangezien voormalig staatlozen dan zullen worden opgenomen in en kunnen bijdragen aan het democratische proces;

M.  overwegende dat het complexe probleem van staatloosheid zich nog steeds in de uiterste kantlijn van het internationale recht en beleid bevindt, terwijl het geen ondergeschikte kwestie is;

N.  overwegende dat de ontwikkelingsperspectieven van de betrokken volkeren en de effectieve uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling door staatloosheid worden ondermijnd;

O.  overwegende dat het mondiaal actieplan 2014-2024 van de UNHRC om een einde te maken aan staatloosheid erop is gericht regeringen te ondersteunen om de bestaande belangrijkste situaties van staatloosheid tot een oplossing te brengen, nieuwe gevallen te voorkomen en staatloze bevolkingsgroepen beter te identificeren en te beschermen; overwegende dat in actie 10 van het actieplan wordt ook gewezen op de behoefte aan betere kwalitatieve en kwantitatieve gegevens over staatloosheid; overwegende dat de EU zich ertoe heeft verplicht het actieplan actief te ondersteunen;

P.  overwegende dat in de conclusies van de Raad over het EU-actieplan voor mensenrechten en democratie 2015‑-2019 wordt gewezen op het belang van het aanpakken van de problematiek van staatlozen in de betrekkingen met de prioritaire landen, en het richten van de inspanningen op het voorkomen dat bevolkingsgroepen staatloos worden ten gevolge van conflicten, ontheemding of het uiteenvallen van staten;

Q.  overwegende dat in het thematische gedeelte van het EU-jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld van 20 september 2016 het streven van de EU wordt bekrachtigd om de samenhang, effectiviteit en zichtbaarheid van het aspect mensenrechten in het buitenlands beleid van de EU te vergroten en meer aandacht te besteden aan de betrokkenheid van de EU bij de VN en bij regionale mensenrechtenmechanismen om de regionale inbreng te bevorderen en het universele karakter van de mensenrechten te bepleiten, vooral met inbegrip van het lanceren van een eerste beleidsdialoog over mensenrechten met de mensenrechtenmechanismen van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN);

R.  overwegende dat de EU heeft besloten de mensenrechten een centrale plaats toe te kennen in haar betrekkingen met derde landen;

S.  overwegende dat staatloosheid volksverhuizingen, emigratie, en mensenhandel bevordert en daardoor hele subregio's destabiliseert;

T.  overwegende dat van de 10 miljoen staatlozen in de wereld velen in Zuid- en Zuidoost-Azië wonen, waarbij de Rohingya van Myanmar de grootste staatloze bevolkingsgroep ter wereld vormen met meer dan 1 miljoen personen die vallen onder het mandaat van de UNHCR om staatlozen te helpen; overwegende dat er echter ook grote gemeenschappen van staatlozen te vinden zijn in Thailand, Maleisië, Brunei, Vietnam, de Filipijnen en elders; overwegende dat staatloze Tibetanen wonen in landen zoals India en Nepal; overwegende dat sommige van deze groepen onder het staatloosheidsmandaat van de UNHCR vallen, maar andere groepen niet; overwegende dat de statistische dekking en de verslaglegging over staatloze populaties wereldwijd onvolledig is omdat niet alle landen statistieken hierover bijhouden; overwegende dat Zuid-Azië en Zuidoost-Azië beide lang aanslepende en onopgeloste gevallen hebben, alsmede gevallen waarin vooruitgang is geboekt;

U.  overwegende dat in de afgelopen jaren in Zuid- en Zuidoost-Azië enige vooruitgang is geboekt met wijzigingen van de wetten inzake nationaliteit waarin adequate bepalingen zijn opgenomen om staatloosheid te voorkomen en staatlozen toe te staan een nationaliteit aan te nemen; overwegende dat deze inspanningen moeten worden versterkt en dat de aangenomen wetten ook in de praktijk nageleefd moeten worden;

V.  overwegende dat de Rohingya een van 's werelds meest vervolgde minderheden en een van 's werelds grootste staatloze bevolkingsgroep vormen, en dat zij sinds de Birmese wet op het burgerschap van 1982 officieel staatloos zijn; overwegende dat de Rohingya bij de autoriteiten van Myanmar en in de buurlanden ongewenst zijn, hoewel sommige van die landen grote gemeenschappen vluchtelingen opvangen; overwegende dat zich in de staat Rakhine voortdurend botsingen voordoen; overwegende dat duizenden vluchtelingen die erin geslaagd zijn de grens met Bangladesh over te steken dringend behoefte hebben aan humanitaire hulp en gedwongen worden teruggestuurd, hetgeen een flagrante schending van het internationale recht inhoudt; overwegende dat de Rohingya op de vlucht zijn voor een beleid van collectieve bestraffing in Rakhine, waar de veiligheidstroepen volgens de berichten willekeurige vergeldingsaanvallen plegen, vanuit gevechtshelikopters op dorpsbewoners schieten, huizen in brand steken, willekeurige arrestaties verrichten en vrouwen en meisjes verkrachten; overwegende dat de binnenlandse en internationale respons op de verslechtering van de mensenrechten en de humanitaire crisis van de Rohingya verre van toereikend is en dat veel instrumenten om deze kwestie op te lossen nog niet zijn verkend;

W.  overwegende dat honderdduizenden zogenoemde "Bihari" niet werden behandeld als staatsburgers van Bangladesh, toen Pakistan na de onafhankelijkheidsoorlog van Bangladesh weigerde hen te repatriëren; overwegende echter dat sinds 2003 in een aantal rechterlijke beslissingen is bevestigd dat de Bihari staatsburgers van Bangladesh zijn; overwegende dat een groot aantal Bihari nog steeds niet volledig geïntegreerd is in de Bengaalse samenleving en ontwikkelingsprogramma's en dat velen niet in staat zijn geweest hun herstelde rechten ten volle uit te oefenen;

X.  overwegende dat er vele andere staatloze bevolkingsgroepen in Zuid- en Zuidoost-Azië leven; overwegende echter dat zich de laatste jaren positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan, zoals in Indonesië, dat genderdiscriminatie heeft afgeschaft in de procedure voor het verkrijgen van de nationaliteit en zijn wet op de nationaliteit in 2006 heeft herzien, zodat Indonesische migranten die meer dan vijf jaar in het buitenland hebben gewoond, niet langer hun burgerschap verliezen indien dat leidt tot staatloosheid, of zoals in Cambodja waar de geboorteregistratie in de eerste 30 dagen na de geboorte gratis is geworden; in Vietnam waar sinds 2008 de naturalisatie wordt vereenvoudigd voor eenieder die meer dan 20 jaar als staatloze in Vietnam heeft gewoond, en in Thailand waar na de herziening van de wetgeving inzake de nationaliteit en het bevolkingsregister 23 000 staatlozen sinds 2011 de nationaliteit hebben gekregen;

Y.  overwegende dat het van het grootste belang is dat de regeringen en de betreffende autoriteiten van alle landen in de regio zich volledig houden aan het beginsel van non-refoulement en de vluchtelingen beschermen, overeenkomstig hun internationale verplichtingen en de internationale normen inzake mensenrechten;

Z.   overwegende dat staatloze groepen toegang moeten hebben tot humanitaire programma's voor bijstand op het gebied van gezondheid, voedsel, onderwijs en voeding;

1.  is bezorgd over de miljoenen staatlozen in de gehele wereld, met name in Zuid- en Zuidoost-Azië, en betuigt zijn solidariteit met alle staatlozen;

2.  is zeer bezorgd over de situatie van de Rohingya-minderheid in Myanmar; spreekt zijn afschuw uit over de meldingen van grootschalige mensenrechtenschendingen en aanhoudende onderdrukking en discriminatie van de Rohingya en het feit dat zij niet erkend worden als deel van de Birmese samenleving, in wat lijkt op een gecoördineerde etnische zuiveringscampagne; benadrukt dat de Rohingya sinds vele generaties op Birmees grondgebied wonen en het volste recht hebben op het Birmese staatsburgerschap, waarover zij in het verleden beschikten, en op alle rechten en verplichtingen die daaraan verbonden zijn; dringt er bij de Birmese regering en autoriteiten op aan het Birmese staatsburgerschap van de Rohingya-minderheid in ere te herstellen; dringt er voorts op aan onmiddellijk humanitaire organisaties, internationale waarnemers, ngo's en journalisten toe te laten in Rakhine; is van oordeel dat er onpartijdige onderzoeken moeten worden ingesteld, opdat verantwoordelijken voor schendingen van de mensenrechten ter verantwoording worden geroepen; is voorts van mening dat er dringende maatregelen nodig zijn om nieuwe vormen van discriminatie, vijandigheden of geweld ten aanzien van minderheden en het aanzetten tot dergelijke daden te voorkomen; verwacht dat Suu Kyi, winnares van de Nobelprijs voor de vrede en de Sacharov-prijs, haar verschillende functies in de regering van Myanmar gebruikt om een oplossing dichterbij te brengen;

3.  betreurt dat de status van staatloosheid soms wordt aangegrepen om bepaalde gemeenschappen te marginaliseren en hun hun rechten te ontnemen; is van mening dat de juridische, politieke en sociale inclusie van minderheden een sleutelelement van een democratische transitie is en dat het oplossen van staatloosheid bijdraagt aan meer sociale cohesie en politieke stabiliteit;

4.  wijst op het feit dat staatloosheid kan leiden tot ernstige humanitaire crises en brengt in herinnering dat staatlozen toegang moeten hebben tot humanitaire programma's; onderstreept dat staatloosheid vaak neerkomt op een gebrekkige toegang tot onderwijs, gezondheidsdiensten, werk, vrijheid van verkeer en veiligheid;

5.  is bezorgd over het gebrek aan gegevens over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië en over het feit dat er weinig of geen gegevens beschikbaar zijn landen als Bhutan, India, Nepal en Oost-Timor; is voorts bezorgd over het feit dat het, zelfs wanneer er algemene cijfers beschikbaar zijn, ontbreekt aan uitgesplitste gegevens over bijvoorbeeld vrouwen, kinderen en andere kwetsbare groepen; wijst erop dat dit gebrek aan informatie het moeilijker maakt om gerichte acties uit te stippelen, onder meer in het kader van het UNHCR-campagne om tegen 2024 een einde te maken aan staatloosheid; spoort de landen in Zuid- en Zuidoost-Azië krachtig aan om betrouwbare en openbare uitgesplitste gegevens over staatloosheid te produceren;

6.  wijst erop dat er ook positieve voorbeelden zijn, zoals het initiatief dat de Filipijnen in mei 2016 hebben genomen om te voorzien in de behoefte aan gegevens over het aantal staatloze kinderen in de regio en over hun situatie; verzoekt de EU om samenwerking en steun aan te bieden voor het volledig in kaart brengen van staatloosheid en om projecten te bedenken om een einde te maken aan staatloosheid in de regio;

7.  is zeer bezorgd over het feit dat de wetgeving van Brunei, Maleisië en Nepal discrimineert op basis van geslacht; benadrukt dat de bepalingen inzake het nationaliteitsrecht moeten worden geëvalueerd, met name die in het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW);

8.  is ingenomen met de positieve ontwikkelingen in de regio en met de inspanningen die de Filipijnen, Vietnam en Thailand leveren, en moedigt de landen in de regio aan om samen te werken en goede voorbeelden en acties te delen om in de hele regio een einde te maken aan staatloosheid;

9.  herinnert aan de situatie in de regio na beëindiging van de staatloosheid en aan het mensenrechtenbeginsel van participatie; pleit voor de opneming van met staatloosheid kampende gemeenschappen en voormalig staatlozen in ontwikkelingsprojecten en -planning; spoort regeringen en ontwikkelingsprojecten aan om discriminatie na beëindiging van staatloosheid aan te pakken overeenkomstig artikel 4, lid 1, van het CEDAW, dat gericht is op het bespoedigen van de feitelijke gelijkheid;

10.  erkent in kwesties zoals het burgerschap onder de nationale soevereiniteit vallen, maar dringt er toch bij de landen met staatloze bevolkingsgroepen op aan concrete stappen voor de oplossing van deze kwestie te nemen overeenkomstig de in internationale verdragen, met name het door al deze landen geratificeerde Verdrag inzake de rechten van het kind, verankerde beginselen; wijst op de positieve ontwikkelingen die zich in de regio voordoen;

11.  dringt er bij de regering van Bangladesh op aan zich te verbinden aan een duidelijke routekaart voor de volledige tenuitvoerlegging van het vredesakkoord voor het Chittagong-heuvelgebied van 1997, zodat de ontheemde Jumma's, die momenteel als staatlozen leven in India, kunnen worden gerehabiliteerd;

12.  beveelt staten sterk aan om uitvoering te geven aan de in het Verdrag tot beperking der staatloosheid van 1961 neergelegde waarborg dat een in de staat geboren persoon de nationaliteit van die staat krijgt indien hij anders staatloos zou zijn;

13.  benadrukt het verband tussen staatloosheid en sociale en economische kwetsbaarheid; dringt er bij de regeringen van ontwikkelingslanden op aan de ontzegging, het verlies of de ontneming van nationaliteit op discriminerende gronden te voorkomen, billijke nationaliteitswetgeving aan te nemen en toegankelijke, betaalbare en niet-discriminerende procedures voor het krijgen van nationaliteitsdocumenten in te voeren;

14.  is verheugd over de toezegging van de Raad in zijn conclusies over het Actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) om in de betrekkingen met de prioritaire landen de kwestie van de staatloosheid aan de orde te stellen en is voorts ingenomen met de toezegging van de Raad om zijn relatie met de ASEAN te versterken; beveelt aan de inspanningen verder te laten reiken dan de noodsituatie van bevolkingsgroepen die staatloos worden ten gevolge van conflicten, ontheemding of het uiteenvallen van staten, en ook te richten op andere relevante aspecten, zoals staatloosheid ten gevolge van discriminatie en van het ontbreken van een geboorteregistratie of inschrijving in het bevolkingsregister;

15.  herinnert aan de in het EU-Actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) beloofde ontwikkeling van een gezamenlijk kader van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om staatloosheid aan de orde te stellen bij derde landen; benadrukt dat het uitwerken en verspreiden van een formeel kader nuttig zou zijn bij de ondersteuning die de Europese Unie biedt ter verwezenlijking van de UNHCR-doelstelling om staatloosheid tegen 2024 de wereld uit te helpen;

16.  verzoekt de EU om het ontwikkelen van mondiale oplossingen voor staatloosheid in combinatie met specifieke regionale en lokale strategieën te bevorderen, aangezien staatloosheid niet doeltreffend genoeg kan worden bestreden met één oplossing voor iedereen;

17.  meent dat de EU meer nadruk moet leggen op de grote impact van staatloosheid op mondiale kwesties, zoals de uitroeiing van armoede, de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, de bevordering van de rechten van het kind en de noodzaak van bestrijding van illegale migratie en mensenhandel;

18.  is ingenomen met de goedkeuring van duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 16.9, die bepaalt dat aan iedereen een wettelijke identiteit en geboorteregistratie moet worden verstrekt; betreurt echter dat staatloosheid in de Agenda 2030 niet uitdrukkelijk wordt genoemd als discriminatiegrond dan wel als armoedebestrijdingsdoelstelling; verzoekt de EU en haar lidstaten te overwegen indicatoren voor stateloosheid op te nemen in hun monitorings- en verslaggevingsmechanismen bij de tenuitvoerlegging van de SDG's;

19.   benadrukt het belang van een doeltreffende communicatiestrategie inzake staatloosheid om de bewustwording rond dit onderwerp te vergroten; verzoekt de EU om meer en beter te communiceren over staatloosheid, in samenwerking met de UNHCR en via haar delegaties in de betreffende derde landen, en om zich te richten op de mensenrechtenschendingen die hebben plaatsgevonden als gevolg van staatloosheid;

20.  verzoekt de EU om een alomvattende strategie inzake staatloosheid te ontwikkelen op basis van twee maatregelenpakketten, waarbij het eerste pakket moet inspelen op noodsituaties en het tweede pakket langetermijnmaatregelen moet vaststellen om een einde te maken aan staatloosheid; is van mening dat de strategie gericht moet zijn op een beperkt aantal prioriteiten en dat de EU in noodsituaties het voortouw moet nemen om de bewustwording rond staatloosheid op internationaal niveau te vergroten;

21.  is van mening dat de alomvattende EU-strategie inzake staatloosheid moet kunnen worden aangepast aan de specifieke situaties waar staatlozen mee te maken krijgen; benadrukt dat er om passende maatregelen te definiëren een onderscheid moet worden gemaakt tussen staatloosheid die het gevolg is van een administratief capaciteitstekort en staatloosheid die het gevolg is van discriminerend overheidsbeleid tegen bepaalde gemeenschappen of minderheden;

22.  beveelt aan dat de lidstaten voorrang verlenen aan de ondersteuning van de positieve ontwikkelingen bij de aanpak van de staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië, en stelt een nieuwe allesomvattende beleidsbenadering voor met inbegrip van:

   het aanmoedigen van staten om toe te treden tot de verdragen inzake staatloosheid door de voordelen onder de aandacht te brengen in de bilaterale contacten tussen de parlementen en ministeries en op andere niveaus;
   het bijstaan van de sectorale organen van ASEAN en SAARC bij het ondersteunen van hun respectieve lidstaten om het recht op een nationaliteit verder te verwezenlijken en een einde te maken aan staatloosheid;
   het benadrukken van de waarde van het Verdrag inzake staatloosheid in multilaterale fora;
   het werken met staten om te pleiten voor de voordelen van het verzamelen van nationale gegevens over staatlozen en personen met een onbepaalde nationaliteit, aangezien de identificatie van staatlozen de eerste noodzakelijke stap voor de betreffende landen is om een einde te maken aan staatloosheid; de verzamelde gegevens zullen vervolgens worden gebruikt voor registratie, documentatie, verlening van overheidsdiensten, rechtshandhaving en ontwikkelingsplanning;
   het voortdurend onderstrepen dat geboorteregistratie gratis en eenvoudig toegankelijk moet zijn en op niet-discriminatoire basis moet geschieden;
   het constant benadrukken dat regelingen voor het beheer van nationale identiteiten identiteitsdocumenten moeten omvatten, evenals de verstrekking van dergelijke documenten aan alle personen op het grondgebied, met inbegrip van moeilijk bereikbare en gemarginaliseerde groepen die risico lopen op staatloosheid of die geen nationaliteit hebben;
   het ondersteunen van de Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen bij het verlenen van toegang tot onderwijs aan iedereen, met inbegrip van staatloze kinderen, omdat staatloosheid een groot obstakel vormt voor kinderen bij het verkrijgen van toegang tot gelijke onderwijskansen;
   het stimuleren van de belangrijke rol van innovatieve technologie door digitale geboorteregistratieprogramma's te gebruiken om de registratie en de archivering van dossiers te verbeteren;
   het aanpakken van de problematiek rond de inhoud en toepassing van nationaliteitswetten en de willekeurige ontneming of weigering van het recht op een nationaliteit op grond van etniciteit, die een belangrijke oorzaak van staatloosheid in de regio is;
   het aanmoedigen van de landen in de regio om te voorzien in de behoeften van vrouwen en om problemen op het gebied van seksueel en gendergeweld aan te pakken middels op mensenrechten steunende en gemeenschapsgerichte benaderingen, met name voor slachtoffers van mensenhandel;
   het aanpakken van de kwestie van de wetgeving inzake nationaliteit en genderdiscriminatie, aangezien sommige landen het moeders moeilijk en zelfs onmogelijk maken hun burgerschap aan hun kinderen door te geven;
   het garanderen dat alle ontwikkelingsprojecten en humanitaire hulp waaraan de EU financiële steun verleent, zo worden opgezet dat staatloosheid, telkens wanneer dat relevant is, aan de orde wordt gesteld;
   het opbouwen van de capaciteit van de betrokken EU-instellingen en -actoren om kwesties van staatloosheid te begrijpen, te evalueren, te programmeren en hierover verslag uit te brengen door middel van regelmatige verslaglegging over de prestaties van de EU bij de bestrijding van staatloosheid, onder meer door een hoofdstuk over staatloosheid op te nemen in het EU- jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld;
   het waarborgen dat staatloosheid, nationaliteit en burgerschap naar behoren aan bod komen in landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie, en dat die strategieën zijn gebaseerd op het beginsel dat iedereen, ongeacht zijn geslacht, ras, huidskleur, geloofsovertuiging of religie, nationale afkomst of het behoren tot een nationale of etnische minderheid, recht heeft op een nationaliteit; het aanpakken van het probleem van staatloosheid tijdens alle dialogen met de betreffende landen over politiek en mensenrechten;
   het opstellen van EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake staatloosheid om concrete meetbare doelstellingen te formuleren voor de EU-inspanningen om wereldwijd een einde te maken aan staatloosheid;
   het intensiveren van de dialoog over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië met relevante regionale en internationale organisaties, met de buurlanden van de Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen en met andere actieve landen in de regio;
   het garanderen dat deelnemers aan verkiezingsobservatiemissies zich, waar nodig, bewust zijn van kwesties inzake staatloosheid;
   het belichten van de noodzaak om de positie van regionale mensenrechtenorganen te versterken zodat die een actievere rol kunnen spelen in de identificatie en beëindiging van staatloosheid;
   het uittrekken van toereikende middelen in de begrotingen van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, van het Europees Ontwikkelingsfonds en van het financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld voor ngo's en andere organisaties die zich inzetten voor staatloze gemeenschappen; het bevorderen van partnerschappen tussen organisaties van het maatschappelijk middenveld en staatloze gemeenschappen om die gemeenschappen te emanciperen zodat zij voor hun rechten kunnen opkomen;
   het aanmoedigen van coördinatie tussen de landen voor het aanpakken van staatloosheid, met name wanneer deze grensoverschrijdende gevolgen heeft, met inbegrip van de uitwisseling van beste praktijken bij de tenuitvoerlegging van de internationale normen betreffende de bestrijding van staatloosheid;
   het zorgen voor de follow-up, zoals bewustmaking en technische ondersteuning van overheidsdiensten met het oog op capaciteitsopbouw, ook op plaatselijk niveau, wanneer zich positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan die in de praktijk moeten worden gebracht, zoals in Thailand, de Filipijnen, Vietnam en Bangladesh, waar het burgerschap van de Bihari, met inbegrip van hun stemrecht, werd hersteld;

23.  vraagt de regeringen van Brunei Darussalam, Maleisië en Nepal de vormen van genderdiscriminatie in hun nationaliteitswetgeving weg te werken en het recht van kinderen op een nationaliteit te bevorderen;

24.  wijst op het verband tussen staatloosheid en gedwongen verplaatsing, met name in door conflicten getroffen regio's; herinnert eraan dat minstens 1,5 miljoen staatlozen vluchtelingen of voormalige vluchtelingen zijn, waaronder veel jonge vrouwen en meisjes;

25.  herinnert eraan dat er weinig documentatie bestaat en weinig wordt gerapporteerd over de staatloosheid in de wereld en dat de bestaande gegevens op verschillende definities zijn gebaseerd; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan een uniforme definitie aan te nemen en de lacunes aan te pakken in de gegevensverzameling met het oog op het in kaart brengen van stateloosheid in ontwikkelingslanden, met name door de plaatselijke autoriteiten te helpen bij de invoering van passende methoden om staatlozen te kwantificeren, te identificeren en te registreren, en hun statistische capaciteiten te vergroten;

26.  verzoekt de Commissie te starten met het uitwisselen van goede praktijken tussen de lidstaten, pleit voor actieve coördinatie van nationale contactpunten voor staatloosheid en is ingenomen met de #IBelong-campagne;

27.  onderstreept de sleutelrol van het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954 en het Verdrag tot beperking der staatloosheid van 1961 waarin de instelling van wettelijke kaders is vereist voor de identificatie en bescherming van staatlozen en voor het voorkomen van staatloosheid, en die als een belangrijke eerste stap kunnen dienen voor staten die vooruitgang willen boeken bij het aanpakken van het probleem van de staatloosheid;

28.  is ingenomen met de EU-steun voor staatlozen in Zuid- en Zuidoost-Azië via diverse instrumenten en spoort de Unie aan haar inspanningen voort te zetten om de gevolgen van staatloosheid voor ontwikkeling, vrede en stabiliteit als een integraal onderdeel van haar programma's op het vlak van ontwikkelingssamenwerking en, ruimer, van haar extern optreden aan te pakken.

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) http://www.unhcr.org/excom/exconc/453497302/conclusion-identification-prevention-reduction-statelessness-protection.html
(2) http://www.unhcr.org/protection/statelessness/54621bf49/global-action-plan-end-statelessness-2014-2024.html
(3) http://www.ohchr.org/Documents/ProfessionalInterest/vienna.pdf
(4) http://www.refworld.org/docid/54620fb54.html
(5) http://www.asean.org/wp-content/uploads/images/ASEAN_RTK_2014/6_AHRD_Booklet.pdf
(6) https://ec.europa.eu/anti-trafficking/sites/antitrafficking/files/council_conclusions_on_the_action_plan_on_human_rights_and_democracy_2015_-_2019.pdf
(7) https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/131181.pdf
(8) http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2015/12/04-council-adopts-conclusions-on-statelessness/
(9) http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2016/06/20-fac-conclusions-myanmar-burma/
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0404.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0316
(12) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 141.


Grensoverschrijdende fusies en splitsingen
PDF 278kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende fusies en splitsingen (2016/2065(INI))
P8_TA(2017)0248A8-0190/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 49, 54 en 153 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de Zesde Richtlijn 82/891/EEG van de Raad van 17 december 1982 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende splitsingen van naamloze vennootschappen(1),

–  gezien Richtlijn 2005/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE)(3),

–  gezien Richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers(4),

–  gezien Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap(5),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 12 december 2012 getiteld "Actieplan: Europees vennootschapsrecht en corporate governance – een modern rechtskader voor meer betrokken aandeelhouders en duurzamere ondernemingen" (COM(2012)0740),

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2012 over de toekomst van het Europese vennootschapsrecht(6),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2009 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende grensoverschrijdende overplaatsingen van zetels van vennootschappen(7),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2016 getiteld "Bouwen aan een rechtvaardig, concurrerend en stabiel vennootschapbelastingsysteem voor de EU" (COM(2016)0682),

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) inzake de vrijheid van vestiging, met name in de zaken SEVIC Systems AG(8), Cadbury Schweppes plc & Cadbury Schweppes Overseas Ltd v Commissioners of Inland Revenue(9), CARTESIO Oktató és Szolgáltató bt.(10), VALE Építési kft.(11), KA Finanz AG v Sparkassen Versicherung AG Vienna Insurance Group(12), Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam v Inspire Art Ltd.(13), Überseering BV v Nordic Construction Company Baumanagement GmbH (NCC)(14), Centros Ltd v Erhvervs- og Selskabsstyrelsen (15), en The Queen v H. M. Treasury and Commissioners of Inland Revenue, ex parte Daily Mail and General Trust plc(16),

–  gezien het feedbackdocument van de Commissie van oktober 2015 met een samenvatting van de respons op de tussen 8 september 2014 en 2 februari 2015 gehouden openbare raadpleging inzake grensoverschrijdende fusies en splitsingen(17),

–  gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken (beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement) van juni 2016, getiteld "Cross-border mergers and divisions, transfers of seat: is there a need to legislate?"(18),

–  gezien de studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement van december 2016, getiteld "Ex-post analysis of the EU framework in the area of Cross-border mergers and divisions"(19),

–  gezien het werkprogramma van de Commissie voor 2017 "Naar een Europa dat ons beschermt, sterker maakt en verdedigt" (COM(2016)0710), en hoofdstuk II, punt 4, daarvan,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement evenals artikel 1, lid 1, onder e), van bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0190/2017),

A.  overwegende dat een grondige hervorming van het vennootschapsrecht aanzienlijke gevolgen heeft voor het Europese concurrentievermogen en voor de belemmeringen die de volledige tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende grensoverschrijdende fusies in de weg staan;

B.  overwegende dat er nog geen Europese wetgeving inzake grensoverschrijdende bedrijfssplitsingen bestaat; overwegende dat de huidige situatie duidelijke procedurele, administratieve en financiële problemen met zich meebrengt voor de betreffende bedrijven, en het risico op misbruik en dumping in de hand werkt;

C.  overwegende dat het Parlement herhaaldelijk en met klem heeft opgeroepen tot de invoering van een Europese wet inzake de grensoverschrijdende verplaatsing van bedrijfszetels; overwegende dat het merendeel van de belanghebbenden overwegend positief tegenover de oproepen van het Parlement staat;

D.  overwegende dat een gemeenschappelijk rechtskader inzake fusies, splitsingen en zetelverplaatsingen van belang is voor de verbetering van de bedrijfsmobiliteit binnen de EU;

E.  overwegende dat niet alle lidstaten waar grensoverschrijdende fusies of splitsingen of zetelverplaatsingen hebben plaatsgevonden, over regels beschikken die de werknemers rechten verlenen op het gebied van raadpleging, voorlichting en medezeggenschap;

F.  overwegende dat bij een verplaatsing van de statutaire zetel de wettelijke, sociale en fiscale vereisten uit hoofde van het recht van de Unie en van de lidstaten van herkomst niet mogen worden omzeild, en dat het doel daarentegen moet zijn een uniform rechtskader tot stand te brengen waarmee voor maximale transparantie en vereenvoudiging van de procedures wordt gezorgd en waarmee belastingfraude wordt bestreden;

G.  overwegende dat het relevante EU-acquis voorziet in een grote verscheidenheid aan werknemersrechten op het gebied van voorlichting, raadpleging en participatie; overwegende dat Richtlijn 2009/38/EG(20) en Richtlijn 2005/56/EG de participatie van grensarbeiders verzekeren en voorzien in het beginsel van reeds bestaande rechten; overwegende dat deze werknemersrechten ook in het geval van een zetelverplaatsing dienen te worden beschermd;

H.  overwegende dat alle nieuwe initiatieven op het gebied van Europees vennootschapsrecht moeten worden gebaseerd op een grondige evaluatie en beoordeling van bestaande vormen van vennootschapsrecht, op de relevante arresten van het HvJ-EU inzake grensoverschrijdende bedrijfsmobiliteit, en op effectbeoordelingen die de belangen van alle actoren weerspiegelen, met inbegrip van belanghebbenden, crediteuren, investeerders en werknemers, een en ander met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

Horizontale kwesties

1.  wijst andermaal op het belang van een alomvattend rechtskader voor bedrijfsmobiliteit op Europees niveau, om zodoende de procedures en vereisten voor verplaatsingen, splitsingen en fusies te vereenvoudigen en misbruik en schijnverplaatsingen in het kader van sociale of fiscale dumping te vermijden;

2.  verzoekt de Commissie aandacht te besteden aan de resultaten van de openbare raadpleging die tussen 8 september 2014 en 2 februari 2015 werd gehouden over de mogelijke herziening van Richtlijn 2005/56/EG en over de mogelijke invoering van een rechtskader voor grensoverschrijdende splitsingen; herinnert eraan dat de uitkomst van de raadpleging een convergentie van de wetgevingsprioriteiten op het gebied van grensoverschrijdende fusies en splitsingen aan het licht heeft gebracht voor wat betreft de doelstellingen om de interne markt een impuls te geven en de rechten van werknemers te bevorderen;

3.  acht het van belang dat toekomstige wetgevingsvoorstellen inzake bedrijfsmobiliteit bepalingen bevatten die gericht zijn op maximale harmonisering – met name wat betreft de procedurele normen, de rechten van de actoren van het bedrijfsbestuur en met name de minderheidsaandeelhouders, en de uitbreiding van het toepassingsgebied naar alle entiteiten die zijn aangemerkt als vennootschap in de zin van artikel 54 VWEU – en dat er andere sectorale regels op volgen, bijvoorbeeld op het gebied van werknemersrechten;

4.  is van mening dat nieuwe voorschriften inzake fusies, splitsingen en zetelverplaatsingen moeten bijdragen tot de bevordering van de bedrijfsmobiliteit binnen de Unie en rekening moeten houden met bedrijfsbehoeften op het vlak van herstructurering, teneinde de mogelijkheden van de interne markt beter te benutten en de organisatievrijheid van ondernemingen te bevorderen, daarbij terdege rekening houdend met de vertegenwoordigingsrechten van werknemers; onderstreept in dit verband het belang van het wegnemen van de belemmeringen die voortvloeien uit wetsconflicten bij de vaststelling van het toepasselijk nationaal recht; is van mening dat middels diverse EU-rechtshandelingen werk zou kunnen worden gemaakt van de bescherming van de arbeidsrechten, in het bijzonder middels een voorstel voor een richtlijn betreffende minimumnormen voor werknemers en betreffende de participatie van werknemers in Europese vormen van vennootschapsrecht en in raden van toezicht die krachtens het Europees recht zijn ingesteld;

Grensoverschrijdende fusies

5.  wijst op de doeltreffende werking van Richtlijn 2005/56/EG betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen, die grensoverschrijdende fusies van vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid in de Europese Unie heeft vereenvoudigd – zoals blijkt uit de officiële cijfers, die laten zien dat het aantal grensoverschrijdende fusies de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen – en de kosten en de administratieve lasten ervan heeft verminderd;

6.  acht het noodzakelijk om Richtlijn 2005/56/EG te herzien, teneinde de tenuitvoerlegging ervan te verbeteren en tegemoet te komen aan de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie van het HvJ-EU inzake de vrijheid van vestiging van vennootschappen en in de regels inzake het Europees vennootschapsrecht; is van mening dat in het toekomstig wetgevingsvoorstel tot wijziging van Richtlijn 2005/56/EG ook een nieuwe reeks regels voor bedrijfssplitsingen moet worden opgenomen, evenals richtsnoeren voor nadere wetgeving op het gebied van bedrijfsmobiliteit;

7.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de resultaten van de raadpleging van oktober 2015, die met name wijzen op de noodzaak van maximale harmonisering van de criteria inzake de effecten van fusies op de verschillende belanghebbenden binnen een bedrijf;

8.  acht het van prioritair belang dat voor een reeks belanghebbenden en categorieën in het bedrijfsbestuur een pakket met geavanceerdere regels wordt vastgesteld en dat deze regels worden opgenomen in de toekomstige gemeenschappelijke modellen voor grensoverschrijdende splitsingen en zetelverplaatsingen; acht het van essentieel belang dat de procedures voor grensoverschrijdende fusies worden vereenvoudigd, niet alleen door duidelijkere normen vast te stellen voor juridische documentatie – te beginnen bij de voorlichting van belanghebbenden en de verzameling van documenten inzake fusies – maar ook aan de hand van nieuwe digitaliseringspraktijken, op voorwaarde dat de procedurele basisnormen en -vereisten, zoals neergelegd in Richtlijn 2005/56/EG (waaronder de afgifte van een pre-fusie attest en het toezicht op de rechtmatigheid van de grensoverschrijdende fusie overeenkomstig de artikelen 10 en 11 van deze richtlijn), worden gehandhaafd en op voorwaarde dat zaken van openbaar belang, zoals rechtszekerheid en de betrouwbaarheid van commerciële registers, worden gewaarborgd;

9.  verwacht dat de voorschriften inzake werknemersrechten zo worden gedefinieerd dat het voor bedrijven niet mogelijk is de richtlijn betreffende grensoverschrijdende fusies te gebruiken om hun statutaire zetel of hoofdkantoor louter om verkeerde fiscale, sociale of juridische redenen te verplaatsen; onderstreept het belang van het vermijden van dubbelzinnigheden bij het opleggen van nationale sancties wegens niet-naleving van de wetgeving inzake de rechten van werknemers;

10.  acht het van belang om verbeteringen aan te brengen voor wat betreft een aantal essentiële aspecten:

   het beheer van activa en passiva,
   de methode voor de waardering van activa,
   de voorschriften inzake crediteurenbescherming,
   de ingangsdatum en de duur van de beschermingsprocedure voor crediteuren overeenkomstig het beginsel van de toekenning van verantwoordelijkheid aan de algemene vergadering,
   de overdracht van bedrijfsinformatie door middel van onderling gekoppelde en gestandaardiseerde registers,
   de rechten van minderheidsaandeelhouders,
   de vaststelling van minimumnormen voor voorlichting, raadpleging en medezeggenschap van werknemers,
   bepaalde specifieke vrijstellingen van procedurevereisten;

11.  hecht veel belang aan de bescherming van bepaalde rechten van minderheidsaandeelhouders, zoals het recht op een onderzoek naar een fusie, het recht op schadeloosstelling in geval van uittreding uit de vennootschap wegens tegenstand tegen de fusie en het recht om de billijkheid van de ruilverhouding te betwisten;

12.  staat achter de mogelijkheid om versnelde grensoverschrijdende procedures in te voeren wanneer alle aandeelhouders daarmee instemmen, er geen werknemers zijn of er geen gevolgen zijn voor crediteuren;

Grensoverschrijdende splitsingen

13.  herinnert eraan dat Richtlijn 82/891/EEG alleen bedrijfssplitsingen reguleert die binnen een lidstaat plaatsvinden; merkt op dat de cijfers met betrekking tot binnenlandse splitsingen een duidelijke noodzaak tot vaststelling van een specifiek EU-kader voor grensoverschrijdende splitsingen laten zien, hoewel bedrijfssplitsingen over meerdere lidstaten zeldzamer zijn, zoals aangegeven in de raadpleging van de Commissie van 2015; benadrukt dat geen enkele nieuwe richtlijn mag worden gebruikt als een formeel instrument voor op "forum-shopping" gerichte bedrijfssplitsingen die bedoeld zijn om wettelijke verplichtingen uit hoofde van het nationaal recht te omzeilen;

14.  verzoekt de Commissie na te gaan in hoeverre er grote economische gevolgen uit de regulering van grensoverschrijdende splitsingen zouden kunnen voortkomen, zoals een vereenvoudiging van de organisatiestructuur, een beter aanpassingsvermogen en nieuwe mogelijkheden voor de interne markt;

15.  wijst op de langdurige en complexe procedures die momenteel moeten worden doorlopen in het geval van grensoverschrijdende splitsingen, en die doorgaans in twee stadia ten uitvoer worden gelegd: eerst een binnenlandse splitsing en vervolgens een grensoverschrijdende fusie; is van mening dat de invoering van geharmoniseerde EU-normen op het gebied van grensoverschrijdende splitsingen zou leiden tot een vereenvoudiging van de verrichtingen en tot een vermindering van de kosten en de duur van de procedures;

16.  onderstreept het belang van het wegnemen van de belemmeringen die voortvloeien uit wetsconflicten bij de vaststelling van het toepasselijk nationaal recht;

17.  herinnert eraan dat sommige lidstaten niet beschikken over nationale ad-hocregels inzake de uitvoering van grensoverschrijdende splitsingen;

18.  is van mening dat een toekomstig wetgevingsinitiatief inzake grensoverschrijdende splitsingen moet aansluiten bij de beginselen en vereisten in het kader van de richtlijn betreffende grensoverschrijdende fusies:

   vraagstukken op het gebied van procedures en vereenvoudiging, met inbegrip van de belangrijkste vormen van bedrijfssplitsingen die momenteel worden toegepast (splitsingen, spin-offs, overdrachten naar nieuwe dochterondernemingen),
   de rechten van crediteuren en minderheidsaandeelhouders, met inachtneming van de beginselen van bescherming en doeltreffendheid,
   naleving van de normen inzake participatie en bescherming van en vertegenwoordiging door werknemers, dit met het oog op de verbetering van de bescherming van werknemers, en dan met name de bescherming tegen sociale dumping,
   boekhoudkundige vraagstukken,
   activa en passiva,
   harmonisering van regels en procedures, zoals de rechten in verband met aandelen, de vereisten inzake registratie bij en communicatie tussen de handelsregisters, de datum van voltooiing van de overdracht, de minimale inhoud van de splitsingsvoorwaarden, de meerderheidsregels en de instantie die bevoegd is voor het toezicht op de regelmatigheid en de wettigheid van de transactie;

o
o   o

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan het Europees Economisch en Sociaal Comité.

(1) PB L 378 van 31.12.1982, blz. 47.
(2) PB L 310 van 25.11.2005, blz. 1.
(3) PB L 294 van 10.11.2001, blz. 1.
(4) PB L 294 van 10.11.2001, blz. 22.
(5) PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29.
(6) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 78.
(7) PB C 87 E van 1.4.2010, blz. 5.
(8) Zaak C-411/03, SEVIC Systems AG, 13.12.2005, ECLI:EU:C:2005:762.
(9) Zaak C-196/04, Cadbury Schweppes Overseas Ltd v Commissioners of Inland Revenue, 12.9.2006, ECLI:EU:C:2006:544.
(10) Zaak C-210/06, CARTESIO Oktató és Szolgáltató bt., 16.12.2008, ECLI:EU:C:2008:723.
(11) Zaak C-378/10, VALE Építési kft., 12.7.2012, ECLI:EU:C:2012:440.
(12) Zaak C-483/14, KA Finanz AG v Sparkassen Versicherung AG Vienna Insurance Group, 7.4.2016, ECLI:EU:C:2016:205.
(13) Zaak C-167/01, Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam v Inspire Art Ltd., 30.9.2003, ECLI:EU:C:2003:512.
(14) Zaak C-208/00, Überseering BV v Nordic Construction Company Baumanagement GmbH (NCC), 5.11.2002, ECLI:EU:C:2002:632.
(15) Zaak C-212/97, Centros Ltd v Erhvervs- og Selskabsstyrelsen, 9.3.1999, ECLI:EU:C:1999:126.
(16) Zaak C81/87, The Queen v H. M. Treasury and Commissioners of Inland Revenue, ex parte Daily Mail and General Trust plc., 27.09.1988, ECLI:EU:C:1988:456.
(17) http://ec.europa.eu/internal_market/consultations/2014/cross-border-mergers-divisions/docs/summary-of-responses_en.pdf
(18) PE 556.960, http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2016/556960/IPOL_STU(2016)556960_EN.pdf
(19) PE 593.796.
(20) Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28).


Participatie van de Unie in het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) ***I
PDF 253kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de deelname van de Unie aan een door verscheidene lidstaten gezamenlijk opgezet partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) (COM(2016)0662 – C8-0421/2016 – 2016/0325(COD))
P8_TA(2017)0249A8-0112/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0662),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 185 en 188 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0421/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 januari 2017(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 26 april 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0112/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2017 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende de deelname van de Unie aan een door verscheidene lidstaten gezamenlijk opgezet partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief)

P8_TC1-COD(2016)0325


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2017/1324.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie inzake financiële garanties voor de Prima-uitvoeringsstructuur

1.  Wat betreft het Prima-initiatief, is in artikel 58, lid 1, onder c), vi), van het Financieel Reglement van de EU bepaald dat de Commissie de uitvoering van de begroting van de Unie aan een privaatrechtelijk orgaan met een openbare dienstverleningstaak (uitvoeringsstructuur) mag toevertrouwen. Dat orgaan moet voldoende financiële garanties bieden.

2.  Met het oog op een goed financieel beheer van de EU-middelen moeten deze garanties alle schulden van de uitvoeringsstructuur ten aanzien van de Unie in verband met de uitvoeringstaken zoals bepaald in de delegatieovereenkomst dekken, zonder enige beperking van de omvang en de bedragen. Normaal gezien verwacht de Commissie dat de garantiegevers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de uitvoeringsstructuur.

3.  Op basis van een gedetailleerde risicobeoordeling, met name als de resultaten van de voorafgaande pijlerbeoordeling voor de uitvoeringsstructuur overeenkomstig artikel 61 van het Financieel Reglement voldoende worden geacht, zal de voor het Prima-initiatief verantwoordelijke ordonnateur van de Commissie echter voorzien in het volgende:

–  rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel kunnen de van de uitvoeringsstructuur verlangde financiële garanties worden beperkt tot het maximumbedrag van de bijdrage van de Unie;

–  dienovereenkomstig kan de aansprakelijkheid van elke garantiegever evenredig zijn met zijn bijdrage aan het Prima-initiatief.

De garantiegevers mogen in hun respectieve verklaringen betreffende de aansprakelijkheid bepalen hoe zij deze aansprakelijkheid zullen dekken.

(1) PB C 125 van 21.4.2017, blz. 80.


Specifieke maatregelen voor het bieden van aanvullende steun aan lidstaten die zijn getroffen door natuurrampen ***I
PDF 244kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft specifieke maatregelen voor het verlenen van aanvullende steun aan lidstaten die zijn getroffen door natuurrampen (COM(2016)0778 – C8-0489/2016 – 2016/0384(COD))
P8_TA(2017)0250A8-0070/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0778),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 177 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0489/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 februari 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 24 mei 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A8‑0070/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft specifieke maatregelen voor het bieden van aanvullende steun aan lidstaten die zijn getroffen door natuurrampen

P8_TC1-COD(2016)0384


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1199.)

(1) PB C 173 van 31.5.2017, blz. 38.


Energie-efficiëntie-etikettering ***I
PDF 251kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor energie-efficiëntie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (COM(2015)0341 – C8-0189/2015 – 2015/0149(COD))
P8_TA(2017)0251A8-0213/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0341),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0189/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 januari 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 5 april 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0213/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

4.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU

P8_TC1-COD(2015)0149


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1369)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

over de artikelen 290 en 291 VWEU

Herinnerend aan het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven, en met name punt 26, verklaren het Europees Parlement, de Raad en de Commissie dat de bepalingen van deze verordening geen afbreuk doen aan enig toekomstig standpunt van de instellingen betreffende de toepassing van de artikelen 290 en 291 VWEU in andere wetgevingsdossiers.

Verklaring van de Commissie over financiële compensatie voor consumenten

Gelet op de lopende inspanningen om de handhaving van de harmonisatiewetgeving van de Unie voor producten te versterken, dient de Commissie gezien het financiële nadeel dat consumenten kunnen lijden als gevolg van verkeerde etikettering of mindere energie- en milieuprestaties dan aangegeven, te onderzoeken of kan worden voorzien in compensatie voor de consument in geval van overtreding van de etiketteringsregels inzake energieklasse.

(1) PB C 82 van 3.3.2016, blz. 6.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen aangenomen op 6 juli 2016 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0304).


Culturele hoofdsteden van Europa voor de periode 2020 tot 2033 ***I
PDF 241kWORD 42k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 445/2014/EU tot vaststelling van een actie van de Unie voor het evenement "Culturele hoofdsteden van Europa" voor de periode 2020 tot 2033 (COM(2016)0400 – C8-0223/2016 – 2016/0186(COD))
P8_TA(2017)0252A8-0061/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0400),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 167, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0223/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 24 mei 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0061/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 juni 2017 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 445/2014/EU tot vaststelling van een actie van de Unie voor het evenement "Culturele hoofdsteden van Europa" voor de periode 2020 tot 2033

P8_TC1-COD(2016)0186


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2017/1545.)


Beoordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020
PDF 228kWORD 65k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de beoordeling van de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 met het oog op de tussentijdse beoordeling en het voorstel voor het negende kaderprogramma (2016/2147(INI))
P8_TA(2017)0253A8-0209/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)(1),

–  gezien Verordening (Euratom) nr. 1314/2013 van de Raad van 16 december 2013 tot vaststelling van een programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2014-2018) ter aanvulling van het "Horizon 2020"-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)(3),

–  gezien Besluit 2013/743/EU van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van "Horizon 2020" - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1292/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 294/2008 tot oprichting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie(5),

–  gezien Besluit nr. 1312/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de strategische innovatieagenda van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT): de bijdrage van het EIT aan een meer innoverend Europa(6),

–  gezien Verordeningen (EU) nrs. 557/2014, 558/2014, 559/2014, 560/2014 en 561/2014 van de Raad van 6 mei 2014(7) en Verordening (EU) nr. 642/2014(8) van de Raad en 721/2014(9) van de Raad van 16 juni 2014 tot vaststelling van de gemeenschappelijke ondernemingen die in het kader van Horizon 2020 gefinancierd worden,

–  gezien Besluiten nrs. 553/2014/EU, 554/2014/EU, 555/2014/EU en 556/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014(10) tot vaststelling van de P2P's krachtens artikel 185 die in het kader van Horizon 2020 gefinancierd worden,

–  gezien de discussienota van 3 februari 2017 voor de groep op hoog niveau over het maximaliseren van de impact van onderzoeks- en innovatieprogramma's van de EU(11),

–  gezien de monitoringverslagen van de Commissie met betrekking tot Horizon 2020 voor de jaren 2014 en 2015,

–  gezien het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "De Europese Onderzoeksruimte: tijd voor realisatie en voor monitoring van de voortgang" (COM(2017)0035),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake het actieplan voor Europese defensie (COM(2016)0950),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Uitvoering van de strategie voor internationale samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie" (COM(2016)0657),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Europees cloudinitiatief – Bouwen aan een concurrentiële data- en kenniseconomie in Europa" (COM(2016)0178) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0106),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende het antwoord op het verslag van de deskundigengroep op hoog niveau over de ex-postevaluatie van het zevende kaderprogramma (COM(2016)0005),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Jaarverslag over de activiteiten van de Europese Unie op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling in 2014" (COM(2015)0401),

–  gezien de verslagen van de Commissie 2014 en 2015 getiteld "Integration of Social Sciences and the Humanities in Horizon 2020: participants, budgets and disciplines",

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Betere EU-regelingen voor innovatie-investeringen" (SWD(2015)0298),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "De Europese Onderzoeksruimte: voortgangsverslag 2014" (COM(2014)0575),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Onderzoek en innovatie: de bronnen van toekomstige groei" (COM(2014)0339),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Tweede situatierapport betreffende onderwijs en opleiding op het gebied van kernenergie in Europa" (SWD(2014)0299),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "FET-vlaggenschipinitiatieven: Een nieuw partnerschapsconcept om grote wetenschappelijke uitdagingen aan te pakken en innovatie in Europa te stimuleren" (SWD(2014)0283),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Tweede tussentijdse evaluatie van de Gemeenschappelijke Ondernemingen voor de uitvoering van de gezamenlijke technologie-initiatieven Clean Sky, brandstofcellen en waterstof en initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen" (COM(2014)0252),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité getiteld "Rol en effecten van GTI's en PPP's in de uitvoering van Horizon 2020 voor een duurzame industriële reconversie"(12),

–   gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over het Europees cloudinitiatief(13),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over EU-middelen voor gendergelijkheid(14),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's(15),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over cohesiebeleid en onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3)(16),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement evenals artikel 1, lid 1, onder e), van Bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0209/2017),

A.  overwegende dat Horizon 2020 het grootste centraal beheerde O&I-programma van de EU en 's werelds grootste met overheidsgeld gefinancierde O&I-programma is;

B.  overwegende dat het Parlement bij de onderhandelingen over Horizon 2020 en over het huidige meerjarig financieel kader (MFK) om 100 miljard EUR heeft gevraagd, en niet om de 77 miljard EUR die oorspronkelijk werd overeengekomen; overwegende dat het budget erg beperkt lijkt als Horizon 2020 het excellentiepotentieel grondig moet onderzoeken en op gepaste wijze moet reageren op de maatschappelijke uitdagingen waar Europa en de wereld momenteel mee worden geconfronteerd;

C.  overwegende dat het verslag van de groep op hoog niveau over het maximaliseren van de impact van onderzoeks- en innovatieprogramma's van de EU en de voor het derde kwartaal van 2017 geplande tussentijdse evaluatie het fundament zullen vormen voor de structuur en de inhoud van het KP9, waarover een voorstel gepubliceerd zal worden in de eerste helft van 2018;

D.  overwegende dat de economische crisis en de financiële crisis bepalende factoren waren voor het ontwerp van Horizon 2020; overwegende dat het volgende kaderprogramma (KP) waarschijnlijk zal worden beïnvloed door nieuwe uitdagingen, nieuwe politieke en economische paradigmata, alsook zich voortzettende globale trends;

E.  overwegende dat het KP gebaseerd moet zijn op Europese waarden, wetenschappelijke onafhankelijkheid, neutraliteit, diversiteit, hoge Europese ethische normen, sociale cohesie en gelijke toegang voor burgers tot de oplossingen en antwoorden waarin het voorziet;

F.  overwegende dat investeringen in O&O van essentieel belang zijn voor de Europese economische en sociale ontwikkeling, en voor het mondiale concurrentievermogen; overwegende dat het belang van uitstekende wetenschap voor het stimuleren van innovatie en concurrentievoordelen op de lange termijn moeten worden weerspiegeld in de financiering van het KP9;

Structuur, filosofie en tenuitvoerlegging van Horizon 2020

1.  is van oordeel dat het - meer dan drie jaar na de lancering van Horizon 2020 - tijd is dat het Parlement zijn standpunt voor de tussentijdse evaluatie ervan en zijn visie over het toekomstige KP9 ontwikkelt;

2.  wijst erop dat Horizon 2020 tot doel heeft bij te dragen aan het opbouwen van een samenleving en een economie gebaseerd op kennis en innovatie, en de wetenschappelijke en technologische basis, en uiteindelijk de concurrentiepositie van Europa, te versterken door bijkomende nationale publieke en private financiering voor O&O aan te trekken, en door te helpen om tegen 2020 de doelstelling van 3 % van het bbp voor O&O te halen; betreurt dat de EU in 2015 slechts 2,03 % van het bbp in O&O geïnvesteerd heeft, met verschillen tussen de landen van 0,46 % tot 3,26 %(17), terwijl grote mondiale concurrenten het beter doen dan de EU op het gebied van uitgaven voor O&O;

3.  herinnert eraan dat de Europese Onderzoeksruimte (EOR) rechtstreekse concurrentie ondervindt van 's werelds best presterende onderzoeksregio's en dat de versterking van de EOR dan ook een collectieve taak van Europa is; moedigt de desbetreffende lidstaten zich ervoor in te zetten de doelstelling van 3 % van het bbp van de EU voor O&O te halen; merkt op dat een algemene toename tot 3 % meer dan 100 miljard EUR extra per jaar zou opleveren voor onderzoek en innovatie in Europa;

4.  benadrukt dat uit de evaluatie van het KP7 en uit het toezicht op Horizon 2020 blijkt dat het KP van de EU voor onderzoek en innovatie een succes is en een duidelijke toegevoegde waarde voor de EU heeft(18); onderkent dat het KP en de toekomstige programma's nog verder kunnen worden verbeterd;

5.  is van oordeel dat de multidisciplinaire setting, de aanpak gebaseerd op samenwerking en de vereisten qua deskundigheid en effect de redenen zijn voor dit succes;

6.  begrijpt dat het KP de participatie van de industrie zal stimuleren met als doel de uitgaven voor O&O door de industrie te verhogen(19); merkt op dat de participatie door de industrie, met inbegrip van kmo's, aanzienlijk hoger is dan bij het KP7; wijst er overigens op dat - over de hele linie - de industrie haar participatie in de uitgaven voor O&O minder heeft verhoogd dan overeengekomen in de conclusies van de Raad van Barcelona(20); vraagt de Commissie te beoordelen wat de Europese toegevoegde waarde en de relevantie voor het publiek is van de financiering voor door de industrie gestuurde instrumenten, zoals de gemeenschappelijke technologie-initiatieven (GTI's)(21), alsook in kaart te brengen wat de coherentie, openheid en transparantie van alle gemeenschappelijke initiatieven is(22);

7.  merkt op dat het programmabudget, het programmabeheer en de tenuitvoerlegging ervan verspreid zijn over 20 verschillende EU-organen; vraagt zich af of dit niet leidt tot buitensporige coördinatie-inspanningen, administratieve complexiteit en dubbel werk; roept de Commissie op hier naar stroomlijning en vereenvoudiging te streven;

8.  merkt op dat pijlers 2 en 3 vooral gericht zijn op hogere niveaus van technologische paraatheid (TRL's), wat zou kunnen verhinderen dat in de toekomst baanbrekende innovaties geabsorbeerd worden van momenteel geplande onderzoeksprojecten met lagere TRL's; dringt aan op een zorgvuldig evenwicht van TRL's, teneinde de volledige waardeketen te bevorderen; is van oordeel dat TRL's niet-technologische vormen van innovatie uit fundamenteel of toegepast onderzoek, vooral op het vlak van sociale en geesteswetenschappen, zouden kunnen uitsluiten;

9.  roept de Commissie op om te streven naar een evenwichtige verdeling tussen kleine, middelgrote en grote projecten; neemt er nota van dat het gemiddelde budget voor projecten onder Horizon 2020 is gestegen en dat grotere projecten meer voorbereiding en een beter projectbeheer vereisen dan kleinere, hetgeen gunstig is voor deelnemers met meer ervaring met KP's, afschrikwekkend werkt voor nieuwkomers en resulteert in een concentratie van de financiering in de handen van een beperkt aantal instellingen;

Begroting

10.  benadrukt dat het huidige alarmerend lage succespercentage van minder dan 14 %(23) een neerwaartse trend is in vergelijking met het KP7; onderstreept dat het overaanbod aan projecten het onmogelijk maakt een groot aantal kwalitatief zeer hoogwaardige projecten te financieren, en betreurt het dat de bezuinigingen die het gevolg zijn van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) dit probleem verder hebben vergroot; vraagt de Commissie het budget van Horizon 2020 niet verder te verlagen;

11.  benadrukt de begrotingsdruk waarmee het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie van de Unie wordt geconfronteerd; betreurt het negatieve effect dat de betalingscrisis in de EU-begroting had op de tenuitvoerlegging van het programma tijdens de eerste jaren van het huidige MFK; wijst onder meer op de kunstmatige vertraging die voor oproepen in 2014 oploopt tot 1 miljard EUR en de aanzienlijke daling van het niveau van voorfinanciering voor de nieuwe programma's; benadrukt in dit verband dat in overeenstemming met artikel 15 van de MFK-verordening in 2014-2015 een "frontloading"-operatie van financiële middelen voor Horizon 2020 werd uitgevoerd; benadrukt dat deze "frontloading"-operatie volledig werd geabsorbeerd door het programma, waaruit de sterke prestatie ervan en de capaciteit om nog meer te absorberen blijken; wijst erop dat deze "frontloading"-operatie niet tot een wijziging van het totaalpakket aan financiële middelen voor deze programma's heeft geleid, maar wel tot minder kredieten gedurende de tweede helft van het MFK; vraagt de twee armen van de begrotingsautoriteit en de Commissie te zorgen voor een gepast niveau van betalingskredieten in de komende jaren en elke inspanning te leveren om een nieuwe betalingscrisis tegen de laatste jaren van het huidige MFK te voorkomen;

12.  beklemtoont dat Horizon 2020 hoofdzakelijk met subsidies moet werken en gericht moet zij op het financieren van met name fundamenteel en collaboratief onderzoek; onderstreept dat onderzoek een risicovolle investering voor investeerders kan zijn en dat de financiering van onderzoek via subsidies een noodzaak is; onderstreept in dit verband dat het veel overheidsinstanties hoe dan ook wettelijk niet toegestaan is leningen aan te gaan; betreurt dat in sommige gevallen steeds meer de voorkeur gegeven wordt aan het gebruik van leningen in plaats van subsidies; erkent dat financieringsinstrumenten beschikbaar zouden moeten zijn voor activiteiten met hoge TRL's die zich dichtbij de implementatiefase bevinden, als onderdeel van InnovFin-financieringsinstrumenten, en buiten het KP om (bijvoorbeeld EIB- en EIF-regelingen);

13.  benadrukt het feit dat verschillende lidstaten hun beloften met betrekking tot nationale investeringen in O&O niet nakomen; beklemtoont dat de doelstelling van 3 % van het bbp moet worden gehaald, en hoopt dat deze doelstelling in de nabije toekomst kan worden opgetrokken tot het niveau van de grootste mondiale concurrenten van de EU; roept de Commissie en de lidstaten derhalve op tot het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van nationale strategieën die bijdragen aan het halen van die doelstelling, en dringt erop aan een deel van de middelen van de Structuurfondsen te gebruiken voor O&O-activiteiten en -programma's, met name investeringen in capaciteitsopbouw, infrastructuur en salarissen, alsook ondersteuning te geven aan activiteiten voor het voorbereiden van KP-voorstellen en projectbeheer;

Evaluatie

14.  bevestigt dat "excellentie" het belangrijkste criterium voor alle drie de pijlers van het KP moet blijven, maar verwijst ook naar de bestaande criteria "effect" en "kwaliteit en doeltreffendheid van de uitvoering", hetgeen van nut kan zijn bij het bepalen van de meerwaarde van een project voor de EU; vraagt de Commissie dan ook te onderzoeken hoe onder de criteria "effect" en "kwaliteit en doeltreffendheid van de uitvoering" rekening zou kunnen worden gehouden met het gebrek aan betrokkenheid van de ondervertegenwoordigde EU-regio's, de opname van ondervertegenwoordigde wetenschappelijke disciplines, zoals sociale en geesteswetenschappen, en het gebruik van onderzoeksinfrastructuur die met middelen van de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESIF) is gefinancierd, hetgeen belangrijk lijkt voor de succesvolle tenuitvoerlegging van de EOR en voor het tot stand brengen van synergieën tussen KP's en de ESIF;

15.  dringt erop aan de evaluaties te verbeteren en transparanter te maken, en verzoekt om kwaliteitsborging door de beoordelaars; benadrukt dat deelnemers gedurende het hele beoordelingsproces betere feedback moeten krijgen, en vindt dat rekening moet worden gehouden met de vaak gehoorde klacht van niet-succesvolle aanvragers dat de samenvattende beoordelingsverslagen diepgang missen en niet duidelijk zijn over wat anders moet om succesvol te kunnen zijn; vraagt de Commissie dan ook tegelijkertijd met de oproep voor het indienen van voorstellen gedetailleerde beoordelingscriteria te publiceren, deelnemers gedetailleerdere en informatievere samenvattende beoordelingsverslagen te doen toekomen, en de oproepen voor het indienen van voorstellen zo te organiseren dat een overaanbod van projecten wordt vermeden, hetgeen slecht is voor de motivatie van onderzoekers en de reputatie van het programma;

16.  vraagt de Commissie een bredere definitie van "effect" te ontwikkelen, die rekening houdt met zowel economische, als sociale aspecten; benadrukt dat de beoordeling van het effect van fundamentele onderzoeksprojecten flexibel moet blijven; vraagt de Commissie om bij blijken van belangstelling het evenwicht tussen bottom-up en top-down te behouden en te onderzoeken welke beoordelingsprocedure (één of twee fasen) nuttiger is om overinschrijving te vermijden en tot kwaliteitsonderzoek te komen;

17.  roept de Commissie op te evalueren in hoeverre een grotere thematische doelgerichtheid zinvol is in het licht van duurzaamheid;

18.  verzoekt de Commissie om het deelnemersportaal gebruikersvriendelijker te maken en om het netwerk van nationale contactpunten uit te breiden en te voorzien van meer middelen om ervoor te zorgen dat, met name de micro-ondernemingen en de kleine ondernemingen, over een efficiënte bijstandsdienst beschikken bij de indiening en beoordeling van projectvoorstellen;

19.  is van mening dat de Europese Onderzoeksraad zich moet bezighouden met meer samenwerkingsprojecten in heel Europa, en daarbij in het bijzonder regio's en instellingen met weinig capaciteiten te betrekken om het beleid en de knowhow inzake O&I in de hele EU te verspreiden;

Horizontale kwesties

20.  stelt vast dat de belanghebbenden erg verheugd zijn over de Horizon 2020-structuur in het algemeen en de aanpak op basis van maatschappelijke uitdagingen in het bijzonder; roept de Commissie op om de aanpak op basis van maatschappelijke uitdagingen te blijven versterken en benadrukt het belang van onderzoek in samenwerkingsverband tussen universiteiten, onderzoeksinstellingen, bedrijven, met name kmo's, en overige actoren; vraagt de Commissie te overwegen de geschiktheid en de individuele begrotingen van de maatschappelijke uitdagingen te beoordelen op basis van de huidige economische, sociale en politieke context gedurende de tenuitvoerlegging van het KP, waaronder in nauwe samenwerking met het Europees Parlement;

21.  erkent de inspanning van de Commissie om de administratie te stroomlijnen en de tijd tussen de bekendmaking van een oproep en de toewijzing van een subsidie te verkorten; roept de Commissie op haar inspanningen om administratieve rompslomp weg te werken en de zaken te vereenvoudigen, voort te zetten; is verheugd over het voorstel van de Commissie om de betaling van vaste bedragen in te voeren om administratie en controle te vereenvoudigen;

22.  dringt er bij de Commissie op aan te evalueren of de voor Horizon 2020 nieuw ingevoerde, vereenvoudigde financieringsregeling zoals gepland tot een hogere deelname van de industrie heeft geleid; is van oordeel dat de doelmatigheid van de financieringsregeling in deze context moet worden onderzocht;

23.  vraagt de Commissie te onderzoeken in hoeverre het gebruik van nationale dan wel eigen afwikkelingssystemen in plaats van de in de regels voor deelneming vastgelegde systemen tot een duidelijk vereenvoudigde onderzoeksprocedure kan leiden en derhalve tot een vermindering van het foutenpercentage bij de afwikkeling van Europese steunprojecten; pleit in dit verband voor een hechtere samenwerking met de Europese Rekenkamer en voor een mogelijke "one stop audit";

24.  merkt op dat synergieën tussen fondsen cruciaal zijn om investeringen doeltreffender te maken; benadrukt dat RIS3 een belangrijk instrument is om synergieën op gang te brengen door nationale en regionale kaders voor investeringen in O&O&I op te zetten en daarom moet worden bevorderd en versterkt; betreurt dat er aanzienlijke belemmeringen zijn voor de volledige operationalisering van synergieën(24); dringt derhalve aan op een nauwere onderlinge afstemming van de regels en procedures voor O&O&I-projecten onder ESIF en het KP, en is van oordeel dat een doeltreffend gebruik van het 'Seal of Excellence' alleen mogelijk is indien aan de bovenvermelde voorwaarden wordt voldaan; roept de Commissie op een deel van het ESIF te oormerken voor RIS3-synergieën met Horizon 2020; roept de Commissie op om de staatssteunregels te herzien en te voorzien in de mogelijkheid van structuurfondsprojecten voor O&O in het reglement van het KP, terwijl tegelijkertijd moet worden gewaarborgd dat ze transparant zijn; vraagt de Commissie en de lidstaten toe te zien op de correcte toepassing van het additionaliteitsbeginsel, hetgeen in de praktijk inhoudt dat de bijdragen van Europese fondsen geen vervanging mogen zijn van de nationale, of overeenstemmende uitgaven van een lidstaat in de regio's waar dit beginsel wordt toegepast;

25.  merkt op dat de succesvolle tenuitvoerlegging van de EOR de volle inzet vereist van het O&O&I-potentieel van alle lidstaten; erkent het bestaan van een problematische participatiekloof in Horizon 2020, die zowel op EU- als op nationaal niveau, waaronder middels ESIF, moet worden aangepakt; vraagt de Commissie en de lidstaten de bestaande instrumenten aan te passen of nieuwe maatregelen te treffen om deze kloof te dichten door bijvoorbeeld de ontwikkeling van instrumenten voor networking voor onderzoekers; verwelkomt het beleid "Topkwaliteit verspreiden en deelname verbreden"; verzoekt de Commissie te beoordelen of de drie verbredingsinstrumenten hun specifieke doelstellingen hebben gehaald, en een passende begroting en een evenwichtig geheel van instrumenten te verstrekken dat beantwoordt aan de bestaande ongelijkheden op het gebied van onderzoek en innovatie binnen de EU; roept de Commissie en de lidstaten op om duidelijke regels op te stellen om de 'Seal of Excellence'-regeling volledig uit te voeren, en te bekijken waar financieringssynergieën tot stand kunnen worden gebracht; vraagt de Commissie te zorgen voor mechanismen die het mogelijk maken in het KP projecten voor onderzoeksinfrastructuur op te nemen die met ESIF-middelen worden gefinancierd; vindt dat de gebruikte indicatoren een definitie moeten omvatten van ondervertegenwoordigde landen en regio's, en dat de lijst van desbetreffende landen regio's tijdens de implementatie van het KP regelmatig tegen het licht moet worden gehouden;

26.  merkt op dat volgens de jaarverslagen van de Commissie over de tenuitvoerlegging van Horizon 2020 in 2014 en 2015 de EU-15 samen 88,6 % van de financiering kregen, terwijl de totale EU-financiering voor de EU-13 slechts 4,5 % bedroeg, wat zelfs minder is dan de financiering voor geassocieerde landen (6,4 %);

27.  is verheugd over de inspanningen om te zorgen voor betere banden tussen de EOR en de Europese ruimte voor hoger onderwijs, wat het gemakkelijker maakt om de volgende generatie onderzoekers op te leiden; erkent het belang van het in een zo vroeg mogelijk stadium integreren van STEM, onderzoeks- en ondernemerschapsvaardigheden in de opleidingsstelsels van de lidstaten, teneinde jonge mensen aan te moedigen deze vaardigheden te verwerven, aangezien O&O vanuit structureel oogpunt benaderd moet worden, eerder dan als een cyclisch of in tijd begrensd gegeven; roept de lidstaten en de Commissie op om te zorgen voor stabielere en meer aantrekkelijke banen voor jonge onderzoekers;

28.  onderstreept het belang van nauwere samenwerking tussen producenten en universitaire en wetenschappelijke instellingen om binnen universiteiten en wetenschappelijke centra de creatie van structuren te bevorderen om de band met het productiesysteem te versterken;

29.  benadrukt dat wereldwijde samenwerking een belangrijk middel is om Europees onderzoek te versterken; bevestigt dat de internationale deelname gedaald is van 5 % in het KP7 naar 2,8 % in Horizon 2020; wijst erop dat het KP er mee voor moet zorgen dat Europa een belangrijke mondiale speler blijft, en herinnert aan het belang van wetenschappelijke diplomatie; roept de Commissie op de voorwaarden voor internationale samenwerking in het KP tegen het licht te houden, en concrete, onmiddellijke maatregelen en een strategische visie en structuur op de lange termijn ter ondersteuning van deze doelstelling te ontwikkelen; verwelkomt in dit verband initiatieven zoals BONUS en PRIMA;

30.  onderstreept het belang om de internationale samenwerking binnen het KP9 te versterken en de wetenschappelijke diplomatie te verspreiden;

31.  herinnert eraan dat de integratie van de sociale en geesteswetenschappen refereert aan onderzoek op het domein van sociale en geesteswetenschappen in het kader van interdisciplinaire projecten, en niet betekent dat dit onderzoek achteraf toegevoegd wordt aan overigens technologische projecten, en wijst erop dat voor de meest dringende problemen van de EU methodologisch onderzoek vereist is dat conceptueel aansluit op de sociale en geesteswetenschappen; merkt op dat de sociale en geesteswetenschappen ondervertegenwoordigd zijn in het huidige kaderprogramma; roept de Commissie op om de mogelijkheden voor onderzoekers op het gebied van sociale en geesteswetenschappen om deel te nemen aan het interdisciplinaire KP te vergroten en voldoende financiële middelen voor projecten met betrekking tot sociale en geesteswetenschappen ter beschikking te stellen;

32.  beklemtoont het evenwicht tussen onderzoek en innovatie in Horizon 2020 en pleit ervoor dat hetzelfde gebeurt in het volgende KP; verwelkomt de oprichting van een Europese Innovatieraad(25), maar benadrukt dat dit niet opnieuw mag leiden tot de scheiding van onderzoek en innovatie, of tot verdere fragmentering van de financiering; onderstreept dat Horizon 2020 onvoldoende gericht is op het overbruggen van de "vallei des doods", die de grootste barrière is voor het omzetten van prototypes in massaproductie;

33.  roept de Commissie op om de doelstellingen, de instrumenten en de werking van de Europese Innovatieraad te verklaren, en benadrukt dat het belangrijk is de resultaten van de test met de Europese Innovatieraad te evalueren; roept de Commissie op te streven naar een evenwichtige mix van instrumenten voor de portefeuille van de Europese Innovatieraad; benadrukt dat de Europese Innovatieraad in geen geval de tweede pijler moet vervangen en dat pijler 2 niet moet uitgroeien tot een instrument voor individuele steun, maar dat de nadruk moet blijven liggen op onderzoek in samenwerkingsverband; benadrukt de behoefte aan behoud en versterking van het kmo-instrument en het sneltraject voor innovatie; vraagt de Commissie mechanismen te ontwikkelen die ertoe leiden dat kmo's beter in grotere interdisciplinaire KP9-projecten worden geïntegreerd, teneinde hun volledige potentieel te benutten; vraagt de Commissie KIG's binnen de bestaande EIT-structuur te houden, en benadrukt het belang van transparantie en vergaande betrokkenheid van de belanghebbende partijen, alsmede te bekijken hoe binnen de Europese Innovatieraad tot interactie tussen het EIT en KIG's zou kunnen worden gekomen; vraagt de Commissie een kader te ontwikkelen voor investeringen met particulier durfkapitaal samen met de Europese Innovatieraad, ter stimulering van dergelijke durfkapitaalinvesteringen in Europa;

34.  verwelkomt initiatieven die de private en publieke sector samenbrengen om onderzoek en innovatie te stimuleren; benadrukt dat er behoefte is aan versterkt EU-leiderschap om de prioriteiten met betrekking tot publiek onderzoek vast te stellen, alsook aan voldoende transparantie, traceerbaarheid en een behoorlijk publiek rendement op investeringen in het kader van Horizon 2020 in de zin van betaalbaarheid, beschikbaarheid en geschiktheid van de eindproducten, met name op gevoelige terreinen als gezondheid, vrijwaring van het openbaar belang en een eerlijke sociale impact; roept de Commissie op nader onderzoek te doen naar mechanismen voor duurzame exploitatie van alle projecten waaraan in het kader van het KP overheidsgeld is gespendeerd, uitgaande van een combinatie van een behoorlijke mate aan rendement op publiek geld en prikkels voor het bedrijfsleven om aan deze projecten deel te nemen;

35.  verneemt met instemming dat "open toegang" nu als algemeen beginsel in Horizon 2020 is opgenomen; benadrukt dat uit het grote aantal publicaties gekoppeld aan projecten van Horizon 2020 tot december 2016(26) blijkt dat nieuwe beleidsmaatregelen met het oog op het delen van gegevens en ideeën nodig zijn om de onderzoeksresultaten te maximaliseren en te verzekeren dat een maximum aan wetenschappelijke gegevens openbaar wordt gemaakt; vraagt de Commissie de flexibiliteitscriteria tegen het licht te houden omdat deze de verwezenlijking van deze doelstelling zouden kunnen belemmeren, en kennis en ontwikkeling te bevorderen;

36.  verwelkomt de financiering voor het proefproject over open onderzoeksgegevens als een eerste stap naar een openwetenschapscloud; erkent het belang en potentieel van e-infrastructuur en supercomputers, de noodzaak van het betrekken van belanghebbenden uit de publieke en de privésector en het maatschappelijk middenveld, en de rol van burgerwetenschap om te verzekeren dat de samenleving een actievere rol speelt bij het definiëren en aanpakken van problemen en het gezamenlijk bijdragen aan mogelijke oplossingen; roept de Commissie en de publieke en particuliere onderzoeksgemeenschap op om nieuwe modellen te onderzoeken die particuliere cloud- en netwerkmiddelen en publieke e-infrastructuur integreren, en om burgeragenda's voor wetenschap en innovatie te lanceren;

37.  is verheugd over het door de Commissie nieuw ingevoerde concept van innovatiehubs, die het Europese innovatielandschap verder ondersteunen omdat ze ondernemingen, met name kmo's, ondersteunen bij het verbeteren van hun bedrijfsmodellen en productieprocessen;

38.  moedigt de NCP's aan meer betrokken te zijn bij het bevorderen van projecten waaraan een 'Seal of Excellence' wordt toegekend, en te assisteren bij het zoeken naar overige nationale of internationale publieke of private financieringsbronnen voor voornoemde projecten door de samenwerking op dit gebied binnen het netwerk van NCP's te intensiveren;

KP9-aanbevelingen

39.  gelooft dat de EU de potentie heeft om een in de wereld toonaangevend centrum voor onderzoek en wetenschap te worden; is er verder van overtuigd dat het KP9 hiertoe een topprioriteit voor Europa moet worden, teneinde groei, werkgelegenheid en innovatie te bevorderen;

40.  verwelkomt het succes van Horizon 2020 en de hefboomfactor 1:11; roept de Commissie op de begroting van het KP9 te verhogen tot 120 miljard EUR; is van oordeel dat behalve een verhoging van de begroting ook een innovatief kader voor innovatie nodig is en roept derhalve de Commissie op innovatie en de verschillende vormen daarvan duidelijk te definiëren;

41.  merkt op dat de EU voor tal van significante en dynamische uitdagingen staat, en roept de Commissie op - samen met het Europees Parlement - in pijler 3 te zorgen voor een evenwichtige reeks instrumenten in antwoord op de dynamische aard van de opkomende problemen; wijst er met klem op dat er voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken voor de specifieke uitdagingen in pijler 3, en dat de adequaatheid van die uitdagingen regelmatig opnieuw moet worden bekeken;

42.  roept de Commissie op binnen het KP9 een juist evenwicht aan te houden tussen fundamenteel onderzoek en innovatie; geeft aan onderzoek op basis van een samenwerkingsmodel moet worden versterkt; geeft aan dat het belangrijk is kmo's nauwer bij collaboratieve projecten en innovatie te betrekken;

43.  spoort de Commissie aan voor meer synergieën te zorgen tussen het KP9 en andere Europese fondsen voor onderzoek en innovatie, en voor die fondsen geharmoniseerde instrumenten en op elkaar afgestemde regels te ontwikkelen, zowel op Europees, als nationaal niveau, alsook in nauwe samenwerking met de lidstaten; vraagt de Commissie om ook in toekomstige KP's rekening te houden met de belangrijke rol van normalisatie in samenhang met innovatie;

44.  merkt op dat binnen het KP9 de problemen van overinschrijving en van lage succespercentages waar Horizon 2020 mogelijk mee wordt geconfronteerd, moeten worden ondervangen; stelt voor om herintroductie te overwegen van de evaluatieprocedure in twee fasen, met een gebundelde eerste fase en de specifieke tweede fase gericht op de geselecteerde inschrijvers; roept de Commissie op te zorgen voor voldoende uitgebreide essentiële veiligheidseisen over hoe het voorstel kan worden verbeterd;

45.  benadrukt eens te meer dat "Europese meerwaarde" een onomstreden kern van het kaderprogramma voor onderzoek moet blijven;

46.  roept de Commissie op om in het volgende MFK defensieonderzoek te scheiden van civiel onderzoek, door te voorzien in twee verschillende programma's met twee verschillende begrotingen, zonder dat de begrotingsambities van civiel onderzoek in het kader van het KP9 hieronder te lijden hebben; roept de Commissie derhalve op het Parlement aan te geven hoe in de toekomst financiering kan worden toegekend voor een programma voor defensieonderzoek overeenkomstig de Verdragen, met een gerichte begroting met nieuwe middelen en specifieke regels; beklemtoont dat het belangrijk is hierbij voor parlementair toezicht te zorgen;

47.  is van oordeel dat het programma inzake toekomstige en opkomende technologieën een enorme potentie heeft voor de toekomst en een goed middel vormt voor het verspreiden van innovatieve ideeën en kennis op nationaal en regionaal niveau;

48.  onderstreept de noodzaak dat in het kader van de Overeenkomst van Parijs en de EU-doelstellingen voor klimaat prioriteit moet worden gegeven aan onderzoek naar klimaatverandering en een infrastructuur voor het verzamelen van klimaatgegevens, met name omdat de VS overweegt fors te bezuinigen op de begroting voor Amerikaanse instellingen voor milieuonderzoek;

49.  benadrukt dat het KP9 voor O&I moet bijdragen aan maatschappelijke vooruitgang en versterking van het concurrentievermogen van de EU, het creëren van banen en groei, en het ontwikkelen van nieuwe kennis en innovaties, wil de EU de cruciale uitdagingen waar zij voor staat het hoofd kunnen bieden en tot een duurzaame EOR kunnen komen; verwelkomt in dit opzicht de huidige pijlerstructuur van het KP en roept de Commissie op deze structuur aan te houden ten behoeve van de continuïteit en voorspelbaarheid; verzoekt de Commissie daarom om te blijven werken aan de coherentie, vereenvoudiging, transparantie en duidelijkheid van het programma, aan de verbetering van de evaluatieprocedure, de vermindering van de fragmentering en de verdubbeling, en de vermijding van onnodige administratieve belasting;

50.  erkent dat administratieve taken en onderzoek ernstig ten koste van elkaar kunnen gaan; benadrukt daarom het belang om de rapportageverplichtingen tot een minimum te beperken, zodat administratieve rompslomp die de innovatie in de weg staat, wordt vermeden, gezorgd wordt voor effectief gebruik van de KP9-financiering en tegelijk de onafhankelijkheid van het onderzoek wordt beschermd; moedigt de Commissie daarom aan haar inspanningen ten behoeve van vereenvoudiging op te schroeven;

51.  stelt vast dat de Commissie steeds vaker van resultaatgeoriënteerde ondersteuning spreekt; verzoekt de Commissie om het concept van "resultaat" preciezer te definiëren;

52.  roept de Commissie en de lidstaten op om de synergieën tussen het KP en overige fondsen te vergroten, en het probleem van tekortkomingen inzake onderzoek in convergentieregio's in sommige lidstaten aan te pakken, met inachtneming van het beginsel van additionaliteit; betreurt het dat de toekenning van middelen uit de Structuur- en investeringsfonds kan leiden tot een vermindering van de nationale uitgaven voor O&O in de betreffende regio's, en benadrukt dat de middelen een aanvulling moeten zijn op nationale overheidsuitgaven; roept de Commissie en de lidstaten ook op om ervoor te zorgen dat overheidsinvesteringen in O&O aangemerkt worden als investeringen en niet als een kostenpost;

53.  constateert dat effectieve investeringen in onderzoek en innovatie uit hoofde van de Structuurfondsen slechts kunnen plaatsvinden wanneer in de lidstaten hiervoor passende kadervoorwaarden bestaan; pleit daarom voor een sterkere koppeling tussen landspecifieke aanbevelingen op het gebied van structurele hervormingen en investeringen in O&I;

54.  benadrukt de behoefte aan nieuwe topcentra en topregio's alsook het belang van de verdere ontwikkeling van de EOR; beklemtoont dat voor meer synergie-effecten moet worden gezorgd tussen het KP, EFSI en ESIF om deze doelstelling te halen; dringt aan op maatregelen voor het elimineren van obstakels, zoals lage lonen, in oostelijke en zuidelijke landen, om een brain drain te voorkomen; vindt dat prioriteit moet worden toegekend aan excellente projecten, en niet aan projecten van excellente instituten;

55.  is van mening dat er sterkere stimulansen moeten worden ingebouwd om ESI-middelen in te zetten voor investeringen in O&I indien zulks wordt genoemd in de landenspecifieke aanbevelingen of als er zwakke plekken worden geconstateerd; concludeert dat de ESI-middelen voor investeringen in O&I goed zijn voor 65 miljard EUR in de periode 2014-2020; stelt daarom voor om de vaste prestatiereserve van de ESI-fondsen in de lidstaten te gebruiken om een substantieel deel van de ontvangsten uit de structuurfondsen investeren in O&I te investeren;

56.  verwelkomt het principe en de potentie van het Seal of Excellence als kwaliteitskeurmerk voor synergie tussen ESI-fondsen en Horizon 2020, maar constateert dat dit in de praktijk onvoldoende wordt toegepast, door het gebrek aan financiering in de lidstaten; is van mening dat projecten die zijn ingediend voor financiering in het kader van Horizon 2020 en die strenge selectie- en toekenningscriteria met positief gevolg zijn gepasseerd, maar niet konden worden gefinancierd door budgettaire beperkingen, gefinancierd moeten worden met middelen uit de ESI-fondsen, als deze middelen voor dit doel beschikbaar zijn; wijst erop dat een soortgelijk mechanisme ook moet worden gedefinieerd voor gezamenlijke onderzoeksprojecten;

57.  roept de Commissie op om in het KP9 het niveau van ondersteuning voor jonge onderzoekers te verhogen, onder meer in de vorm van pan-Europese netwerkinstrumenten voor jonge onderzoekers en een nieuw financieringsschema in te voeren voor jonge onderzoekers met minder dan drie jaar ervaring na het behalen van hun PhD;

58.  merkt op dat de Marie Skłodowska-Curie-acties een bij onderzoekers goed bekend financieringsbron zijn, die de mobiliteit van onderzoekers en de ontwikkeling van jonge onderzoekers bevorderen; is van mening dat het, met het oog op continuïteit, wenselijk is dat de Marie Skłodowska-Curie-acties ook nog onder het KP9 worden gefinancierd;

59.  vraagt de Commissie en de lidstaten door te gaan met het stimuleren van private investeringen in O&O&I, welke moeten dienen als aanvulling op en niet ter vervanging van de dienovereenkomstige publieke investeringen; herinnert eraan dat twee derde van de doelstelling van 3 % van het bbp voor O&O van de industrie moet komen(27); waardeert de inspanningen die het bedrijfsleven zich tot nu toe heeft getroost en vraagt de privésector, gezien de over het algemeen beperkte middelen voor overheidsinvesteringen in O&O, meer middelen beschikbaar te maken voor O&O en zich meer in te zetten voor open toegang en wetenschap op basis van open gegevens; vraagt de Commissie de mate van participatie van grote bedrijven (middels leningen, subsidies of met eigen middelen) te bepalen, afhankelijk van de Europese meerwaarde van een project en het potentieel ervan om voor kmo's een stuwende kracht te zijn, met inachtneming van de specifieke kenmerken en behoeften van elke sector; roept de Commissie op de bijdragen in natura bij te houden, teneinde ervoor te zorgen dat investeringen 'echt' en nieuw zijn;

60.  roept de Commissie op de transparantie en helderheid van de regels voor publiek-private samenwerking binnen KP9-projecten te vergroten naar aanleiding van de resultaten en aanbevelingen op basis van de evaluatie; vraagt de Commissie de bestaande instrumenten voor publiek-private partnerschappen te verifiëren en te beoordelen;

61.  wijst erop dat ongeacht de instrumenten voor kmo's, de deelname van de industrie verder moet worden bevorderd omdat de industrie op tal van vlakken over de nodige expertise beschikt en tevens een belangrijke financiële bijdrage levert;

62.  betreurt de gemengde resultaten van de gendergelijkheidsfocus in Horizon 2020, aangezien de enige gehaalde doelstelling het percentage vrouwen in adviesgroepen is, terwijl het percentage vrouwen in projectbeoordelingspanels en in de functie van projectcoördinator niet beantwoordt aan de streefdoelen en de genderdimensie niet geïntegreerd is in de onderzoeks- en innovatieonderwerpen; beklemtoont de noodzaak van verbetering van de participatie en gendermainstreaming in het KP9, en van het halen van de doelstellingen in de Horizon 2020-verordening, vraagt de Commissie een studie te verrichten naar de barrières of moeilijkheden die bepalend kunnen zijn voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het programma; moedigt de lidstaten aan om - in aansluiting op de doelstellingen van de EOR - een genderevenwichtig juridisch en politiek kader te creëren en stimulansen voor veranderingen te bieden; is verheugd over de richtsnoeren van de Commissie betreffende genderevenwicht in horizon 2020(28); herinnert eraan dat in de richtsnoeren staat dat genderevenwicht een criterium is voor het toekennen van prioriteit aan projecten boven de drempel met dezelfde score;

63.  merkt op dat in het volgende het KP rekening zal moeten worden gehouden met het vertrek van het VK uit de EU en de gevolgen daarvan; merkt op dat O&O baat heeft bij duidelijke en stabiele langetermijnkaders en dat het VK een koploper is inzake wetenschap; spreekt de hoop uit dat de netwerken en de samenwerking tussen het VK en de EU op het gebied van onderzoek kunnen voortbestaan en dat, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, op korte termijn een stabiele en bevredigende oplossing kan worden gevonden zodat de EU de vruchten kan blijven plukken van de wetenschappelijke resultaten die in het kader van Horizon 2020 en het KP9 zijn bereikt;

o
o   o

64.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 948.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 965.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 174.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 892.
(7) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 54-178.
(8) PB L 177 van 17.6.2014, blz. 9.
(9) PB L 192 van 1.7.2014, blz. 1.
(10) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 1-53.
(11) http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/hlg_issue_papers.pdf.
(12) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 24.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0052.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0075.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0311.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0320.
(17) Studie van de studiedienst van het Europees Parlement van februari 2017 getiteld "Horizon 2020, het Kaderprogramma van de EU voor Onderzoek en Innovatie. Europese uitvoeringsbeoordeling".
(18) Met meer dan 130 000 ontvangen voorstellen, 9 000 toegekende subsidies, 50 000 deelnames en 15,9 miljard EUR EU-financiering.
(19) Twee derde van de 3 % van het bbp voor O&O moet van de industrie komen. Zie Eurostat, private uitgaven voor O&O: http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tsc00031&plugin=1
(20) http://ec.europa.eu/invest-in-research/pdf/download_en/barcelona_european_council.pdf
(21) In totaal zijn de 7 GTI's goed voor meer dan 7 miljard EUR van de Horizon 2020-fondsen, ongeveer 10 % van het volledige Horizon 2020-budget en meer dan 13 % van de daadwerkelijk beschikbare financiering voor Horizon 2020-aanbestedingen (ongeveer 8 miljard EUR per jaar over zeven jaar).
(22) Zie de conclusies van de Raad van 29 mei 2015.
(23) Studie van de studiedienst van het Europees Parlement van februari 2017 getiteld "Horizon 2020, het Kaderprogramma van de EU voor Onderzoek en Innovatie - Europese uitvoeringsbeoordeling".
(24) Grote onderzoeksinfrastructuur past in het toepassingsgebied en de doelstellingen van het EFRO, maar de EFRO-fondsen die nationaal toegekend worden kunnen niet gebruikt worden voor cofinanciering; kosten voor het bouwen van nieuwe onderzoeksinfrastuctruur komen in aanmerking voor het EFRO, maar werkings- en personeelskosten niet.
(25) Mededeling van de Commissie getiteld "De toekomstige leiders van Europa: het starters- en opschalingsinitiatief" (COM(2016)0733).
(26) OpenAIRE-verslag: In Horizon 2020 zijn 2 017 projecten op een totaal van 10 684 projecten (d.w.z. 19%) afgerond, en zijn 8 667 projecten nog lopende. OpenAIRE heeft 6 133 publicaties in verband met 1 375 projecten van Horizon 2020 in kaart gebracht.
(27) Zie de conclusies van de Raad van 29 mei 2015.
(28) Zie de richtsnoeren van de Commissie betreffende genderevenwicht in het programma Horizon 2020. http://eige.europa.eu/sites/default/files/h2020-hi-guide-gender_en.pdf


Bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020
PDF 394kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020 (2016/2326(INI))
P8_TA(2017)0254A8-0202/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name artikel 3, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 4, 162, 174 tot en met 178 en 349,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (1) ("de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen"),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014‑2020(7),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014‑2020 – Een resultaatgerichte EU‑begroting" (COM(2016)0603),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening(9),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over Europese territoriale samenwerking – beste praktijken en innovatieve maatregelen(10),

–  gezien zijn resolutie van 11 mei 2016 over een versnelde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid(11),

–  gezien zijn resolutie van 21 januari 2010 over een Europese strategie voor het Donaugebied(12), zijn resolutie van 6 juli 2010 over de strategie van de Europese Unie voor het Oostzeegebied en de rol van macroregio's in het kader van het toekomstige cohesiebeleid(13), zijn resolutie van 28 oktober 2015 over een strategie van de EU voor de Adriatische en Ionische regio(14), en zijn resolutie van 13 september 2016 over een EU‑strategie voor het Alpengebied(15),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's(16),

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2016 over nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD)(17),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over "Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020"(18),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie(19),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU‑beleid(20),

–  gezien mededelingen van de Commissie en resoluties van het Parlement over de ultraperifere gebieden, met name zijn resolutie van 18 april 2012 over de rol van het cohesiebeleid voor de ultraperifere regio's van de Europese Unie in de context van "Europa 2020"(21) en die van 26 februari 2014 over de optimalisering van het potentieel van ultraperifere gebieden door middel van het scheppen van synergieën tussen de EU‑structuurfondsen en andere EU-programma's(22),

–  gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het cohesiebeleid en de evaluatie van de Europa 2020-strategie(23),

–  gezien de conclusies en aanbevelingen van de "groep op hoog niveau voor toezicht op vereenvoudiging ten behoeve van begunstigden van ESI-fondsen",

–  gezien de op 21 maart 2017 goedgekeurde conclusies van de Raad over speciaal verslag nr. 31/2016 van de Europese Rekenkamer getiteld "Minimaal elke vijfde euro uit de EU-begroting aan klimaatactie besteden: er wordt ambitieus aan gewerkt, maar het risico dat het doel niet wordt gehaald, blijft groot",

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van 15 december 2015(24) betreffende de interpretatie van artikel 349 VWEU,

–  gezien speciaal verslag nr. 19/2016 van de Europese Rekenkamer getiteld "Uitvoering van de EU-begroting via financieringsinstrumenten – lessen die uit de programmeringsperiode 2007-2013 moeten worden getrokken",

–  gezien het verslag van de Commissie van 22 februari 2016 getiteld "European Structural and Investment Funds and European Fund for Strategic Investments complementarities - ensuring coordination, synergies and complementarity" (Complementariteit tussen de Europese structuur- en investeringsfondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen – zorgen voor coördinatie, synergieën en complementariteit),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0202/2017),

A.  overwegende dat het cohesiebeleid van de EU voortvloeit uit het VEU en het VWEU en de belichaming vormt van solidariteit in de EU als een van de grondbeginselen van de Unie via het streven naar de in het Verdrag verankerde doelstelling om regionale verschillen weg te werken en economische, sociale en territoriale samenhang tussen alle regio's in de hele EU te bevorderen;

B.  overwegende dat de werking van de EU als "instrument voor convergentie" na 2008 tot stilstand is gekomen, waardoor de bestaande verschillen tussen en binnen de lidstaten steeds verder uiteenlopen en sociale en economische ongelijkheden in de hele EU toenemen; overwegende dat het cohesiebeleid op Europees niveau erg doeltreffend is, met name voor de bevordering van diverse vormen van territoriale samenwerking, en dat het daarom – wat de economische, sociale en territoriale dimensie betreft – een dringend noodzakelijk beleid blijft dat de specifieke behoeften van een grondgebied koppelt aan EU-prioriteiten en dat voor alle burgers tastbare resultaten op het terrein oplevert;

C.  overwegende dat het cohesiebeleid na 2020 het voornaamste, uiterst succesvolle en gewaardeerde investerings- en ontwikkelingsbeleid voor de hele EU blijft inzake het scheppen van duurzame werkgelegenheid en het genereren van groei en concurrentievermogen van slimme, duurzame en inclusieve aard, vooral in de context van een drastische daling van openbare en particuliere investeringen in tal van lidstaten en de gevolgen van de mondialisering; overwegende dat het cohesiebeleid van cruciaal belang is geweest bij macro-economische beperkingen en hierop sterk heeft ingespeeld;

D.  overwegende dat de meest recente hervorming van het cohesiebeleid in 2013 uitgebreid en substantieel was, doordat de focus van het beleid werd verlegd naar een resultaatgerichte aanpak, thematische concentratie, doeltreffendheid en efficiëntie enerzijds, en beginselen als het partnerschapsbeginsel, meerlagig bestuur, slimme specialisatie en plaatsgebonden benaderingen anderzijds;

E.  overwegende dat het vernieuwde cohesiebeleid heeft geleid tot een geleidelijke verschuiving van grote infrastructuurprojecten naar stimulering van de kenniseconomie en innovatie;

F.  overwegende dat deze beginselen in stand moeten worden gehouden en moeten worden geconsolideerd na 2020 om met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het beleid continuïteit, zichtbaarheid, rechtszekerheid, toegankelijkheid en transparantie te kunnen waarborgen;

G.  overwegende dat het cohesiebeleid na 2020 alleen een succes kan worden als de administratieve lasten voor de begunstigden en administratieve instanties worden beperkt, als met het oog op evenredigheid het juiste evenwicht wordt gevonden tussen de resultaatgerichtheid van het beleid en het niveau van toetsing en controle, als er mag worden gedifferentieerd bij de tenuitvoerlegging van programma's en als de regels en procedures worden vereenvoudigd, aangezien deze momenteel te complex worden bevonden;

H.  overwegende dat deze elementen – in combinatie met de geïntegreerde beleidsaanpak en het partnerschapsbeginsel – een illustratie vormen van de toegevoegde waarde van het cohesiebeleid;

I.  overwegende dat de toenemende beperkingen op de begroting van zowel de EU als de lidstaten en de gevolgen van de brexit niet mogen leiden tot een verzwakking van het EU-cohesiebeleid; overwegende dat in dit verband een oproep wordt gedaan aan de onderhandelaars van de EU en het VK om stil te staan bij de positieve en negatieve consequenties van een blijvende deelname van het VK aan programma's voor Europese territoriale samenwerking;

J.  overwegende dat in het cohesiebeleid al wordt ingespeeld op een erg uitgebreide reeks uitdagingen die verband houden met de doelstellingen als verankerd in de Verdragen en dat niet kan worden verwacht dat alle nieuwe uitdagingen waar de EU mogelijk mee zal worden geconfronteerd na 2020 hieraan kunnen worden toegevoegd met dezelfde – of zelfs een kleinere – begroting, hoewel de effecten groter zouden kunnen zijn wanneer aan de lidstaten, regio's en steden meer soepelheid wordt toegekend om nieuwe politieke uitdagingen aan te gaan;

Toegevoegde waarde van het EU-cohesiebeleid

1.  is sterk gekant tegen een eventueel scenario voor de EU-27 tegen 2025, zoals vermeld in het Witboek over de toekomst van Europa, aangezien dit zou betekenen dat de inspanningen van de EU met betrekking tot het cohesiebeleid worden teruggeschroefd; verzoekt de Commissie daarentegen te komen met een uitgebreid wetgevingsvoorstel voor een sterk en doeltreffend cohesiebeleid na 2020;

2.  benadrukt dat groei en regionale, economische en sociale convergentie niet kunnen worden verwezenlijkt zonder goed bestuur, samenwerking en wederzijds vertrouwen bij alle belanghebbende partijen en de daadwerkelijke betrokkenheid van partners op nationaal, regionaal en lokaal niveau, zoals is verankerd in het partnerschapsbeginsel (artikel 5 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (GB‑verordening)); wijst er nogmaals op dat de regeling inzake gedeeld beheer van het EU‑cohesiebeleid een uniek instrument vormt voor de EU om rechtstreeks in te spelen op wat burgers bezighoudt met betrekking tot interne en externe problemen; is van mening dat gedeeld beheer, een concept dat stoelt op het partnerschapsbeginsel, meerlagig bestuur en coördinatie tussen verschillende bestuursniveaus, van grote waarde is om alle belanghebbende partijen het gevoel te geven iets te kunnen inbrengen in de tenuitvoerlegging van het beleid en zich er verantwoordelijk voor te voelen;

3.  benadrukt dat het cohesiebeleid als katalysator werkt en dat besturen, begunstigden en belanghebbende partijen er lessen uit kunnen trekken; wijst op de horizontale en transversale benadering van het cohesiebeleid, dat een slim, duurzaam en inclusief beleid vormt met een kader om nationale en subnationale actoren te mobiliseren en te coördineren en om deze actoren rechtstreeks aan te spreken om samen te werken aan de verwezenlijking van EU-prioriteiten via medegefinancierde projecten; dringt in dit verband aan op een optimale coördinatie en samenwerking tussen het DG van de Commissie dat bevoegd is voor het cohesiebeleid en andere DG's, alsook met nationale, regionale en lokale autoriteiten;

4.  betreurt dat tijdens de huidige programmeringsperiode tal van operationele programma's laattijdig zijn goedgekeurd en dat de beheersautoriteiten in een aantal lidstaten laattijdig zijn aangewezen; is verheugd dat in 2016 de eerste tekenen zichtbaar werden van de versnelde tenuitvoerlegging van de operationele programma's; dringt er bij de Commissie op aan om de taskforce voor een betere tenuitvoerlegging in stand te houden, teneinde ondersteuning te bieden bij de tenuitvoerlegging en de oorzaken voor de vertragingen aan te wijzen, en vraagt om met praktische voorstellen en maatregelen te komen om dit soort problemen bij het begin van de volgende programmeringsperiode te voorkomen; spoort alle betrokken partijen ten stelligste aan de tenuitvoerlegging verder te blijven verbeteren en versnellen zonder knelpunten te veroorzaken;

5.  merkt op dat de tekortkomingen van het systeem voor financiële planning en tenuitvoerlegging hebben geleid tot een ophoping van onbetaalde rekeningen en de opstapeling van een ongekende achterstand die uit het vorige meerjarig financieel kader (MFK) is meegenomen naar het huidige; verzoekt de Commissie een gestructureerde oplossing voor te stellen om dergelijke problemen vóór het einde van het huidige MFK op te lossen en te voorkomen dat deze in het volgende MFK terechtkomen; benadrukt dat het niveau van betalingskredieten voldoende hoog moet zijn om tegemoet te komen aan toezeggingen die in het verleden zijn gedaan, in het bijzonder tegen het einde van de periode, wanneer de hoeveelheid betalingsaanvragen van de lidstaten gewoonlijk sterk toeneemt;

6.  is zich ervan bewust dat het partnerschapsbeginsel in een aantal lidstaten heeft geleid tot nauwere samenwerking met regionale en lokale autoriteiten, maar dat er nog steeds ruimte voor verbetering is wat betreft het waarborgen van echte betrokkenheid van alle belanghebbende partijen in een vroeg stadium, met inbegrip van belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld, zodat wordt gezorgd voor een grotere verantwoordingsplicht en zichtbaarheid bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid zonder bijkomende administratieve lasten of vertragingen te creëren; onderstreept dat de benadering inzake meerlagig bestuur inhoudt dat belanghebbende partijen steeds betrokken moeten blijven; is van mening dat het partnerschapsbeginsel en de gedragscode in de toekomst verder uitgewerkt moeten worden, bijvoorbeeld door duidelijke minimumvereisten voor de betrokkenheid van partners in te voeren;

7.  benadrukt dat het cohesiebeleid de gevolgen van de recente economische en financiële crisis in de EU en van de bezuinigingen weliswaar heeft beperkt, maar dat regionale ongelijkheden, verschillen wat concurrentievermogen betreft en sociale ongelijkheden niettemin hoog blijven; dringt aan op een krachtiger optreden om deze ongelijkheden weg te werken en te voorkomen dat er nieuwe ongelijkheden ontstaan in alle soorten regio's, alsook op het behoud en de consolidering van steun voor de regio's, om in elk type regio het gevoel te bevorderen een eigen inbreng te hebben in het beleid en de EU-doelstellingen te behalen in de hele EU; is in dit verband van mening dat er meer aandacht moet gaan naar het weerbaarder maken van regio's tegen plotse schokken;

8.  wijst erop dat alle vormen van territoriale samenwerking, met inbegrip van macroregionale strategieën – waarvan het potentieel nog niet ten volle is aangeboord – een vertaling vormen van het concept politieke samenwerking en coördinatie van regio's en burgers over de interne EU-grenzen heen; onderstreept de waarde van het cohesiebeleid als antwoord op de uitdagingen die eigen zijn aan insulaire, grensoverschrijdende en de meest noordelijke dunbevolkte gebieden, zoals bepaald in artikel 174 VWEU, aan de ultraperifere gebieden als gedefinieerd in de artikelen 349 en 355 VWEU, die een speciale status genieten en waarvoor specifieke instrumenten en middelen moeten worden in stand gehouden na 2020, en aan perifere gebieden;

9.  merkt op dat Europese territoriale samenwerking (ETC) tot de doelstellingen van het cohesiebeleid 2014-2020 behoort die van belang zijn om substantiële toegevoegde waarde te creëren voor EU-doelstellingen, om solidariteit tussen EU-regio's en met buurlanden aan te wakkeren en om de uitwisseling van ervaringen en een overdracht van goede praktijken te bevorderen, bijvoorbeeld via gestandaardiseerde documenten; wijst uitdrukkelijk op de noodzaak om te blijven ijveren voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking in het kader van het streven om de in artikel 174 VWEU bedoelde territoriale samenhang te versterken; is van oordeel dat dit ook na 2020 een belangrijk instrument moet blijven; onderstreept echter dat de huidige begroting voor Europese territoriale samenwerking niet volstaat om de grote uitdagingen waarmee de Interreg-programma's worden geconfronteerd het hoofd te kunnen bieden en geen doeltreffende ondersteuning vormt voor grensoverschrijdende samenwerking; dringt daarom aan op een forse verhoging van de begroting voor Europese territoriale samenwerking in de volgende programmeringsperiode;

10.  onderstreept het belang van het huidige Interreg Europe-samenwerkingsprogramma voor Europese overheden dat de uitwisseling van ervaringen en de overdracht van goede praktijken bevordert; stelt voor dat de financieringsmogelijkheden voor het volgende Interreg Europe-programma na 2020 worden uitgebreid om investeringen mogelijk te maken in concrete proefprojecten en demonstratieprojecten, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de deelname van belanghebbende partijen uit heel Europa;

Structuur van het cohesiebeleid na 2020 – continuïteit en werkpunten

11.  onderstreept dat de waarde van het cohesiebeleid is aangetoond door de huidige indeling van regio's, de doorgevoerde hervormingen – zoals thematische concentratie – en het prestatiekader; vraagt de Commissie met ideeën te komen voor een grotere flexibiliteit in de tenuitvoerlegging van de EU-begroting in haar geheel; beschouwt de instelling van een reserve in dit verband als een interessante optie om in te spelen op ingrijpende onvoorziene gebeurtenissen tijdens de programmeringsperiode en om de herprogrammering van operationele programma's mogelijk te maken, zodat ESIF-investeringen kunnen worden aangepast aan de evoluerende behoeften van iedere regio, alsook om in te spelen op de gevolgen van mondialisering op regionaal en lokaal niveau, zonder daarbij echter een nadelige uitwerking te hebben op investeringen in het kader van het cohesiebeleid of van invloed te zijn op de strategische oriëntatie, de langetermijndoelstellingen, de planningszekerheid en de stabiliteit van meerjarenprogramma's voor regionale en lokale overheden;

12.  is zich bewust van de waarde van ex-antevoorwaarden, met name de voorwaarde inzake onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3), die een ondersteuning blijven voor de strategische programmering van de ESI-fondsen en die voor een sterkere prestatiegerichtheid hebben gezorgd; merkt op dat ex‑antevoorwaarden ervoor zorgen dat de ESIF een doeltreffende ondersteuning kan vormen voor de doelstellingen voor Europa na 2020 zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen van het cohesiebeleid als uiteengezet in het Verdrag;

13.  verzet zich tegen macro-economische voorwaarden en wijst erop dat het verband tussen het cohesiebeleid en economische beleidsprocessen in het Europees semester evenwichtig moet zijn, in twee richtingen moet gelden en een niet-punitief karakter moet hebben ten aanzien van alle belanghebbenden; pleit voor verdere erkenning van de territoriale dimensie, omdat dat het Europees semester ten goede kan komen, namelijk economisch beleid en de doelstellingen van het cohesiebeleid inzake economische, sociale en territoriale samenhang, alsook inzake duurzame groei, werkgelegenheid en milieubescherming op evenwichtige wijze aan de orde komen;

14.  is van mening dat de Commissie, gelet op het feit dat financiering uit hoofde van het cohesiebeleid bedoeld is om in de hele EU investeringen, groei en werkgelegenheid te stimuleren, in haar zevende cohesieverslag en in nauwe samenwerking met de regeringen van de lidstaten, moet onderzoeken hoe de gevolgen van deze investeringen voor de begrotingstekorten van deze regeringen kunnen worden opgevangen;

15.  wijst erop dat het voor tijdige en succesvolle prestaties van het cohesiebeleid en met het oog op convergentie naar hogere normen van cruciaal belang is in de lidstaten en regio's te zorgen voor een versterking van de bestuurlijke en institutionele capaciteit – en dus voor een versterking van nationale en regionale instanties ter ondersteuning van investeringen – op het gebied van programmering, tenuitvoerlegging en evaluatie van operationele programma's, alsook wat de kwaliteit van beroepsopleiding betreft; beklemtoont in dit verband het belang van het initiatief "Taiex regio peer 2 peer" dat bedoeld is om de bestuurlijke en institutionele capaciteit te verbeteren en ervoor zorgt dat EU-investeringen betere resultaten opleveren;

16.  beklemtoont dat het algemene beheersysteem van het cohesiebeleid moet worden vereenvoudigd op alle bestuursniveaus door programmering, beheer en evaluatie van de operationele programma's te vergemakkelijken, teneinde het toegankelijker, flexibeler en doeltreffender te maken; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is de strijd aan te gaan met overregulering in de lidstaten; vraagt de Commissie om de mogelijkheden uit te breiden voor e-cohesie en specifieke soorten uitgaven, zoals standaardschalen van eenheidskosten en forfaitaire bedragen in het kader van de GB-verordening, en om voor aanvragers en begunstigden een digitaal platform of één enkel informatieloket op te richten; schaart zich achter de conclusies en aanbevelingen die tot nu toe zijn aangenomen door de "groep op hoog niveau voor toezicht op vereenvoudiging ten behoeve van begunstigden van ESI-fondsen" en spoort de lidstaten ertoe aan deze aanbevelingen ten uitvoer te leggen;

17.  vraagt de Commissie na te denken over oplossingen die berusten op proportionaliteit en differentiatie bij de tenuitvoerlegging van programma's, gebaseerd op risico, objectieve criteria en positieve stimuli voor programma's, hun omvang en bestuurlijke capaciteit, met name wat betreft de meerdere lagen voor audits – die moeten worden toegespitst op de bestrijding van onregelmatigheden, meer bepaald fraude en corruptie – en het aantal controles, om een grotere harmonisatie tot stand te brengen tussen het cohesiebeleid, het mededingingsbeleid en ander Uniebeleid, met name de regels inzake overheidssteun, die van toepassing zijn op de ESI-fondsen maar niet op het EFSI of op Horizon 2020, alsook wat betreft de mogelijkheid om voor alle ESI-fondsen één enkele set regels te hanteren om financiering efficiënter te maken en tegelijkertijd rekening te houden met de specifieke kenmerken van elk fonds;

18.  verzoekt de Commissie, met het oog op daadwerkelijke vereenvoudiging en in overleg met de beheersautoriteiten van nationale en regionale programma's, om een haalbaar plan op te stellen voor de uitbreiding van de regeling inzake vereenvoudigde kosten tot het EFRO, daarbij rekening houdend met de bepalingen van het voorstel voor een verordening tot wijziging van de financiële regels die van toepassing zijn op de begroting, de zogeheten "omnibusverordening";

19.  is van mening dat subsidies de basis moeten blijven vormen van de financiering in het kader van het cohesiebeleid; wijst echter op het toenemende belang van financieringsinstrumenten; wijst erop dat leningen, effecten of garanties een aanvullende rol kunnen vervullen, maar dat zij voorzichtig moeten worden gebruikt op basis van een geschikte ex-antebeoordeling, en dat subsidies alleen mogen worden aangevuld indien deze financieringsinstrumenten een toegevoegde waarde blijken te hebben en een hefboomeffect kunnen teweegbrengen door bijkomende financiële steun aan te trekken, met inachtneming van regionale verschillen en de diversiteit van praktijken en ervaringen;

20.  benadrukt dat het belangrijk is dat de Commissie, de EIB en de lidstaten lokale en regionale instanties begeleiding bieden met betrekking tot de innovatieve financieringsinstrumenten via platformen als fi-compass of door te voorzien in stimuli voor begunstigden; wijst erop dat deze instrumenten niet voor alle vormen van interventies in het kader van het cohesiebeleid in aanmerking komen; is van mening dat alle regio's op vrijwillige basis de mogelijkheid moeten krijgen om naargelang van hun behoeften te beslissen over de toepassing van financieringsinstrumenten; verzet zich echter tegen bindende kwantitatieve streefcijfers voor het gebruik van financieringsinstrumenten en onderstreept dat het toenemende gebruik van financieringsinstrumenten niet mag leiden tot een daling van de algemene EU‑begroting;

21.  verzoekt de Commissie te zorgen voor betere synergieën en communicatie met betrekking tot de ESI-fondsen en andere fondsen en programma's van de Unie, waaronder het EFSI, en vraagt om de toepassing van meerfondsenverrichtingen te vergemakkelijken; beklemtoont dat het EFSI de strategische samenhang, de territoriale concentratie en het langetermijnperspectief van de programmering van het cohesiebeleid niet op de helling mag zetten en de subsidies niet mag vervangen of verdringen, en dat het EFSI evenmin tot doel mag hebben de begroting van de ESIF te vervangen of te beperken; benadrukt de daadwerkelijke additionaliteit van de middelen van het fonds; dringt aan op een duidelijke afbakening tussen het EFSI en het cohesiebeleid, samen met mogelijkheden om beide te combineren en hun gebruik te vergemakkelijken zonder dat ze gemengd worden, zodat de financieringsstructuur aan aantrekkingskracht kan winnen en de schaarse EU-middelen goed worden besteed; is van mening dat regels voor meerfondsenverrichtingen moeten worden geharmoniseerd en dat er een duidelijke communicatiestrategie moet komen over bestaande financieringsmogelijkheden; verzoekt de Commissie in dit verband een set instrumenten voor begunstigden uit te werken;

22.  verzoekt de Commissie na te denken over de ontwikkeling van een bijkomende reeks indicatoren ter aanvulling van de bbp-indicator, die de belangrijkste wettige en betrouwbare methode blijft voor een eerlijke toewijzing van ESI-fondsen; is van mening dat de index voor sociale vooruitgang of een demografische indicator in dit verband moet worden beoordeeld en in overweging moet worden genomen, zodat een volledig beeld kan worden gevormd van regionale ontwikkeling; is van mening dat dergelijke indicatoren een beter antwoord kunnen bieden op de nieuwe vormen van ongelijkheid die ontstaan tussen EU-regio's; benadrukt bovendien dat resultaatindicatoren geschikt zijn om de resultaat- en prestatiegerichtheid van het beleid te versterken;

23.  verzoekt de Commissie na te denken over maatregelen om het probleem van nationale financiering van cohesiebeleidsprojecten op te lossen in het geval van lokale en regionale overheden in sterk gecentraliseerde lidstaten die onvoldoende begrotings- en financieringscapaciteit hebben en die grote moeilijkheden ondervinden bij het medefinancieren van projecten, en vaak zelfs bij het opstellen van projectdocumentatie, wegens een gebrek aan beschikbare financiële middelen, hetgeen leidt tot een lagere benutting van het cohesiebeleid;

24.  spoort de Commissie aan voor bepaalde geselecteerde prioriteiten de mogelijkheid te overwegen het NUTS 3-niveau te gebruiken voor de indeling van regio's in het cohesiebeleid;

Centrale beleidsdomeinen voor een moderner cohesiebeleid na 2020

25.  benadrukt het belang van het ESF, de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, met name in de strijd tegen langdurige werkloosheid en jeugdwerkloosheid in de Unie, die zich op een historisch hoog niveau bevinden, vooral in minder ontwikkelde regio's, in de ultraperifere gebieden en in regio's die het hardst zijn getroffen door de crisis; beklemtoont de centrale rol die wordt vervuld door kmo's bij het creëren van banen – goed voor 80 % van de werkgelegenheid in de Unie – en bij het bevorderen van innovatieve sectoren zoals de digitale economie en de koolstofarme economie;

26.  is van mening dat het cohesiebeleid na 2020 zorg moet blijven dragen voor kwetsbare en gemarginaliseerde personen, moet inspelen op toenemende ongelijkheid en moet werken aan solidariteit; stelt vast dat er bij investeringen in onderwijs, opleiding en cultuur sprake is van een positief effect in termen van toegevoegde waarde op maatschappelijk vlak en wat werkgelegenheid betreft; wijst er bovendien op dat sociale inclusie moet worden behouden, met inbegrip van ESF-uitgaven, aangevuld door EFRO-investeringen op dat gebied;

27.  stelt voor ESI-fondsen beter te benutten om in te spelen op demografische verandering en iets te doen aan de regionale en lokale gevolgen ervan; is van oordeel dat ESI-fondsen in regio's die met problemen als ontvolking kampen ten volle moeten worden afgestemd op het scheppen van werkgelegenheid en groei;

28.  wijst op het toenemende belang van de Territoriale Agenda en van succesvolle partnerschappen tussen stedelijke en landelijke gebieden, alsook op de voorbeeldfunctie van slimme steden als microkosmos en katalysator voor innovatieve oplossingen voor regionale en lokale problemen;

29.  is verheugd over het Pact van Amsterdam en de grotere erkenning die wordt gegeven aan de functie van steden en stedelijke gebieden in de Europese beleidsvorming, en vraagt een doeltreffende tenuitvoerlegging van de coöperatieve werkmethode via de partnerschappen die in het pact vervat zitten; rekent erop dat de resultaten worden opgenomen in toekomstige EU-beleidsmaatregelen na 2020;

30.  wijst uitdrukkelijk op de sterkere stedelijke dimensie van het cohesiebeleid in de vorm van specifieke voorzieningen voor duurzame stedelijke ontwikkeling en stedelijke innovatieve maatregelen; en is van mening dat dit na 2020 verder moet worden ontwikkeld en gepaard moet gaan met bijkomende financiering en dat er meer bevoegdheden moeten worden gedelegeerd naar lagere niveaus; spoort de Commissie aan om voor een betere coördinatie tussen diverse maatregelen te zorgen, zodat de rechtstreekse steun aan lokale overheden in het kader van het cohesiebeleid wordt versterkt door te voorzien in financiering en door instrumenten voor territoriale ontwikkeling op maat aan te bieden; benadrukt de toekomstige rol van instrumenten voor territoriale ontwikkeling, zoals vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling en geïntegreerde territoriale investeringen;

31.  schaart zich achter de toezeggingen van de EU in het kader van de klimaatovereenkomst van Parijs; wijst in dit verband op de doelstelling die door alle EU-instellingen wordt onderschreven om ten minste 20 % van de EU-begroting te besteden aan maatregelen in verband met klimaatverandering en onderstreept dat de ESI-fondsen hierin een sleutelrol spelen en zo doeltreffend mogelijk verder moeten worden gebruikt voor de beperking van en aanpassing aan klimaatverandering, alsook voor groene economieën en hernieuwbare energie; meent dat het toezicht- en volgsysteem voor klimaatuitgaven moet worden verbeterd; wijst op het potentieel van Europese territoriale samenwerking in dit opzicht en op de functie van steden en regio's in het kader van de stedenagenda;

32.  merkt op dat RIS3 een versterking vormt voor de regionale ecosystemen voor innovatie; beklemtoont dat onderzoek, innovatie en technologische ontwikkeling op het voorplan moeten blijven staan zodat de EU op mondiaal niveau kan concurreren; is van mening dat het model van slimme specialisatie een van de hoofdbenaderingen moet worden in het cohesiebeleid na 2020 via het stimuleren van samenwerking tussen verschillende regio's, stedelijke en landelijke gebieden en via de ondersteuning van de economische ontwikkeling in de EU, door synergieën tot stand te brengen tussen transnationale RIS3‑strategieën en clusters van wereldklasse; herinnert aan het bestaande proefproject "de trap naar topkwaliteit" (Stairway to Excellence – S2E), dat regio's ondersteuning blijft bieden bij het ontwikkelen en benutten van synergieën tussen de ESI-fondsen, Horizon 2020 en andere EU-financieringsprogramma's; is dan ook van mening dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om tot het uiterste gebruik te maken van synergieën, zodat slimme specialisatie en innovatie na 2020 verder worden versterkt;

33.   onderstreept dat de verhoogde zichtbaarheid van het cohesiebeleid van cruciaal belang is om euroscepticisme tegen te gaan en kan helpen om het vertrouwen van burgers terug te winnen; wijst erop dat de zichtbaarheid van de ESI-fondsen enkel kan worden verbeterd als er meer aandacht wordt besteed aan de inhoud en de resultaten van de bijbehorende programma's, via een top-down- en bottom-upbenadering met mogelijkheid tot participatie van belanghebbende partijen en begunstigden die kunnen fungeren als een doeltreffend kanaal voor de verspreiding van de verwezenlijkingen van het cohesiebeleid; dringt er bovendien bij de Commissie, de lidstaten, regio's en steden op aan efficiënter te communiceren over de meetbare resultaten van het cohesiebeleid die een meerwaarde vormen in het dagelijks leven van de EU-burger; dringt erop aan dat communicatieactiviteiten in het kader van een specifieke begroting binnen technische ondersteuning in voorkomend geval moeten worden voortgezet nadat een project is afgesloten, tot op het moment dat de resultaten duidelijk zichtbaar worden;

Vooruitzichten

34.  dringt erop aan dat de bevordering van economische, sociale en territoriale samenhang en solidariteit in de hele EU en het afstemmen van EU-fondsen op groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen bovenaan de EU-agenda worden geplaatst; doet tevens een oproep om de strijd tegen regionale verschillen, de terugdringing van armoede en sociale uitsluiting, alsook de strijd tegen discriminatie voort te zetten; is van mening dat het cohesiebeleid, als aanvulling op de doelstellingen die in de Verdragen zijn verankerd, verder moet blijven dienen als instrument om politieke doelstellingen van de EU te behalen, hetgeen ook helpt om het bewustzijn van de verwezenlijkingen van het cohesiebeleid aan te wakkeren en het belangrijkste investeringsbeleid van de Unie te blijven dat beschikbaar is voor alle regio's;

35.  wijst er nogmaals op dat het hoog tijd is voorbereidingen te treffen voor het EU‑cohesiebeleid na 2020, zodat het vanaf de eerste dag van de nieuwe programmeringsperiode op doeltreffende wijze kan worden ingezet; dringt er daarom op aan dat de Commissie tijdig start met de voorbereiding van het nieuwe wetgevingskader, meer bepaald kort nadat het voorstel van de Commissie voor het volgende MFK wordt voorgesteld en vertaald in de officiële talen; dringt er bovendien op aan dat alle wetgevingsvoorstellen voor een toekomstig cohesiebeleid tijdig worden aangenomen en dat er wordt gezorgd voor begeleiding inzake beheer en controle alvorens de nieuwe programmeringsperiode van start gaat, zonder terugwerkende kracht; onderstreept dat de vertraagde tenuitvoerlegging van operationele programma's gevolgen heeft voor de doeltreffendheid van het cohesiebeleid;

36.  merkt op dat de kern van het huidige wetgevingskader van het cohesiebeleid moet worden behouden na 2020, met een beleid dat verfijnd, versterkt, vlot toegankelijk en resultaatgericht is en waarbij de toegevoegde waarde van het beleid beter wordt gecommuniceerd aan de burgers;

37.  benadrukt in het licht van het Commissievoorstel 2016/0282(COD) dat er voor het opvangen van migranten en vluchtelingen die internationale bescherming genieten en voor hun sociale en economische integratie een samenhangende transnationale benadering vereist is, hetgeen ook moet worden aangepakt via het huidige en toekomstige EU-cohesiebeleid;

38.  wijst op het belang van stabiele regels; verzoekt de Commissie om bij de vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor het cohesiebeleid in het kader van het volgende MFK wijzigingen tot een minimum te beperken; is ervan overtuigd dat het aandeel van de EU-begroting dat wordt gereserveerd voor het cohesiebeleid na 2020 voldoende groot moet blijven of zelfs moet stijgen, gezien de complexe interne en externe problemen die in het beleid overeenkomstig de doelstellingen ervan aan bod zullen moeten komen; is van mening dat er geen sprake van kan zijn dat het beleid door omstandigheden, met inbegrip van de brexit, wordt afgezwakt, en dat er niet mag worden beknibbeld op het aandeel van dit beleid in de totale EU-begroting door overheveling van middelen om nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden; onderstreept bovendien dat het cohesiebeleid over meerdere jaren loopt en dringt erop aan dat de zevenjarige programmeringsperiode wordt behouden of dat er een programmeringsperiode van vijf + vijf jaar met een verplichte tussentijdse herziening wordt ingevoerd;

39.  dringt aan op een snelle toewijzing van de prestatiereserve; merkt op dat er te veel tijd verstrijkt tussen de prestatie en het vrijgeven van de reserve en dat dit de doeltreffendheid van de reserve aantast; dringt er daarom bij de Commissie op aan de lidstaten toe te staan het gebruik van de prestatiereserve operationeel te maken zodra de evaluatie is afgerond;

40.  wijst er in dit verband op dat de digitale agenda, met inbegrip van het beschikbaar stellen van de nodige infrastructuur en geavanceerde technologische oplossingen, een prioriteit moet vormen in het kader van het cohesiebeleid, met name in de volgende financieringsperiode; merkt op dat ontwikkelingen in de telecommunicatiesector in elk geval gepaard moeten gaan met geschikte opleiding, hetgeen tevens via het cohesiebeleid moet worden ondersteund;

o
o   o

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de lidstaten en hun parlementen en het Comité van de Regio's.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(8) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0321.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0217.
(12) PB C 305 E van 11.11.2010, blz. 14.
(13) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 1.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0383.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0336.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0311.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0211.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0419.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0308.
(20) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0307.
(21) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 1.
(22) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0133.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0384.
(24) ECLI:EU:C:2015:813.


Toestand van de visbestanden en sociaal-economische situatie van de visserijsector in de Middellandse Zee
PDF 217kWORD 63k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2017 over de toestand van de visbestanden en de sociaal-economische situatie van de visserijsector in de Middellandse Zee (2016/2079(INI))
P8_TA(2017)0255A8-0179/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad(1) (GVB-verordening),

–  gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie)(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94(3),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999(4),

–  gezien de middellangetermijnstrategie van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) voor de periode 2017-2020, gericht op de duurzaamheid van de visserij in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee,

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot uitvoering van de door het Algemeen Comité van de landbouwcoöperaties van de Europese Unie (Cogeca), de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) en de Vereniging van de nationale organisaties van visserijondernemingen in de EU (Europêche) gesloten overeenkomst van 21 mei 2012, zoals gewijzigd op 8 mei 2013, betreffende de uitvoering van het Verdrag inzake arbeid in de visserij van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 2007(5),

–  gezien de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen resolutie "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development",

–  gezien de regionale conferentie over "Building a future for sustainable small-scale fisheries in the Mediterranean and the Black Sea" (Algiers, Algerije 7-9 maart 2016),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0179/2017),

A.  overwegende dat de Middellandse Zee, met 17 000 mariene soorten, een van de gebieden met de grootste biodiversiteit ter wereld is; overwegende dat daarom een meersoortige aanpak nodig is bij de besluitvorming over het beheer ervan;

B.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling "Raadpleging over de vangstmogelijkheden voor 2017 in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid" (COM(2016)0396) van oordeel is dat de Middellandse Zee nog steeds zwaar overbevist wordt, en aandringt op maatregelen om deze toestand te verbeteren; overwegende dat de Commissie in dit document haar bezorgdheid uit over het feit dat een groot aantal van de beoordeelde soorten fors boven de geraamde MSY-streefwaarde (maximale duurzame opbrengst) worden bevist;

C.  overwegende dat het Middellandse Zeegebied voor de grote uitdaging staat om uiterlijk in 2020 voor alle bestanden het doel te verwezenlijken van een geleidelijk herstel en behoud van populaties van visbestanden boven een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren; overwegende dat deze uitdaging vereist dat ook niet-EU-landen deelnemen en zich engageren; overwegende dat het totale niveau van overbevissing in het bekken over het algemeen 2 à 3 keer zo hoog ligt als de FMSY; overwegende dat, hoewel er zowel binnen als buiten de Europese Unie aanzienlijke inspanningen geleverd zijn om ervoor te zorgen dat de wetgeving ten uitvoer wordt gelegd en in acht wordt genomen door de visserijsector, meer dan 93 % van de beoordeelde soorten in de Middellandse Zee nog steeds overbevist wordt;

D.  overwegende dat visserij in deze regio een groot sociaal-economisch belang heeft voor de bevolking in de kustgebieden; overwegende dat in de sector, met inbegrip van de secundaire verwerkingsindustrie, honderdduizenden mensen actief zijn en dat met name een aanzienlijk aantal vrouwen van de visserij afhankelijk is voor werkgelegenheid; overwegende dat de Middellandse Zee een belangrijke bijdrage levert aan het waarborgen van voedselzekerheid, met name voor de kwetsbaarste bevolkingsgroepen in de regio; overwegende dat de visserij voor aanvullende inkomsten en voedselvoorraden zorgt en de regionale stabiliteit ten goede komt;

E.  overwegende dat de Middellandse Zee te maken heeft met de aanwezigheid van verschillende factoren – zoals verontreiniging als gevolg van de scheepvaart – die, samen met de visserij, de gezondheid van de visbestanden beïnvloeden;

F.  overwegende dat kleinschalige visserij 80 % van de vloot en 60 % van de banen in het Middellandse Zeegebied vertegenwoordigt; overwegende dat het te betreuren valt dat er geen gemeenschappelijke definitie van "kleinschalige visserij" op Europees niveau bestaat, al is dit een lastige klus gezien de uiteenlopende specifieke kenmerken van het mariene ecosysteem en de visserijsector; overwegende dat "kleinschalige kustvisserij" uitsluitend formeel omschreven wordt voor de toepassing van het Europees Visserijfonds (Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad) als "visserij door vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter die geen gebruikmaken van gesleept vistuig" (zoals trawlers); overwegende dat bij de omschrijving van kleinschalige visserij de uiteenlopende nationale en regionale kenmerken in acht moeten worden genomen;

G.  overwegende dat tijdens de in februari 2016 in Catania gehouden vergadering op hoog niveau over de status van de mediterrane soorten overeenstemming werd bereikt over het feit dat deze negatieve ontwikkelingen dringend moeten worden gekeerd, en werd erkend dat de Unie voor de grote uitdaging staat om uiterlijk 2020 voor alle bestanden het herstel en behoud te verzekeren van populaties van visbestanden boven een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, en te voldoen aan de in het kader van het GVB aangegane verplichting om de MSY-doelstelling te bereiken;

H.  overwegende dat de Middellandse Zee niet alleen te maken heeft met overbevissing, maar ook met tal van andere uitdagingen, waarvan de meeste kunnen worden toegeschreven aan de dichtbevolkte kust (overschot aan voedingsstoffen, verontreinigende stoffen, veranderingen in habitats en kusten), maar ook aan het zeevervoer en de buitensporige exploitatie van hulpbronnen, zoals olie- en gaswinning; overwegende dat het Middellandse Zeegebied bovendien erg gevoelig is voor klimaatverandering, wat, naast het intensieve scheepvaartverkeer, de introductie en vestiging van nieuwe invasieve soorten in de hand werkt;

I.  overwegende dat de onmogelijkheid om gebruik te maken van specifieke technieken en tuig, die aanvaardbaarder zijn en minder gevolgen hebben voor de status van bedreigde bestanden, een ernstig effect heeft op de levensvatbaarheid van toch al gemarginaliseerde kust- en eilandgemeenschappen, ontwikkeling belemmert en ontvolking in de hand werkt;

J.  overwegende dat kustgemeenschappen in de lidstaten rond de Middellandse Zee sterk afhankelijk zijn van visserij en kleinschalige visserij in het bijzonder, en dus worden bedreigd door de gebrekkige duurzaamheid van visbestanden;

K.  overwegende dat tal van kustgemeenschappen in de EU sterk afhankelijk zijn van traditionele, ambachtelijke en kleinschalige visserijactiviteiten in het Middellandse Zeebekken;

L.  overwegende dat recreatieve visserij in veel regio's rondom de Middellandse Zee van sociaal-economische waarde is, alsook directe en indirecte effecten heeft op de werkgelegenheid;

M.  overwegende dat rekening moet worden gehouden met de rol van de recreatieve visserij met betrekking tot de toestand van de visbestanden in de Middellandse Zee;

1.  benadrukt dat het belangrijk is de doelstellingen van en acties met betrekking tot het GVB op korte termijn volledig te realiseren, en wijst op het belang van een tijdige opstelling en doeltreffende tenuitvoerlegging van de meerjarige beheersplannen, aan de hand van een op regionalisering en soortenrijkdom gebaseerde aanpak; onderstreept met name dat het nodig is een goede milieutoestand te bereiken, zoals vastgesteld in de Kaderrichtlijn mariene strategie van de EU (Richtlijn 2008/56/EG), ermee rekening houdend dat maatregelen inzake visserijbeheer in het kader van het GVB moeten worden genomen;

2.  is van mening dat er voor de Middellandse Zee een andere regeling moet blijven gelden dan voor de andere zeebekkens waarop het GVB van toepassing is, aangezien een groot deel van de Middellandse Zee tot de internationale wateren behoort en derde landen dus een doorslaggevende rol spelen in de toestand van de visbestanden;

3.  acht een collectieve reactie, gebaseerd op samenwerking en op verschillende niveaus, namelijk op internationaal, Europees, nationaal en regionaal niveau, dringend noodzakelijk; is van mening dat alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van beroeps- en sportvissers, de visserijsector, traditionele en ambachtelijke kleinschalige vissers, wetenschappers, regionale organisaties, beheerders van beschermde mariene zones, vakbonden en ngo's, betrokken moeten worden bij een inclusief bottom-upproces; benadrukt de strategische rol van de adviesraad voor de Middellandse Zee in deze context;

4.  benadrukt dat, indien de kustgemeenschappen, die moeten worden ingelicht over de gevaren van uitgeputte bestanden en soorten voor hun sociaal-economische toekomst, zich niet bewust worden van het probleem, geen volledige steun geven en niet worden betrokken, de beheersmaatregelen en -voorschriften niet volledig tot hun recht zullen komen;

5.  wijst erop dat er geen gemeenschappelijke, gedetailleerde definities zijn van kleinschalige en ambachtelijke visserij; benadrukt dat met het oog op verdere beleidsmaatregelen zo spoedig mogelijk dergelijke definities op EU-niveau moeten worden vastgesteld;

6.  benadrukt dat het visserijbeleid zo moet worden uitgestippeld dat de vissers en hun verenigingen, producentenorganisaties, vakbonden, kustactiegroepen en plaatselijke gemeenschappen in overeenstemming met het regionaliseringsbeginsel van het GVB worden betrokken bij en deel kunnen nemen aan de besluitvorming, en dat op dit gebied dient te worden samengewerkt met derde landen aan de oost- en zuidkust van de Middellandse Zee; beklemtoont dat er eerlijke, evenwichtige en gelijke voorwaarden voor alle betrokken landen en visserij-ondernemingen rond de Middellandse Zee moeten worden geschapen om gezonde visbestanden en de duurzaamheid en rentabiliteit van de visserij te waarborgen en er zodoende voor te zorgen dat het huidige werkgelegenheidsniveau in de visserij in stand wordt gehouden en idealiter zelfs wordt verhoogd; wijst met nadruk op de belangrijke rol van sterke en onafhankelijke sociale partners in de visserijsector, van een geïnstitutionaliseerde sociale dialoog en van medezeggenschap van de werknemers in bedrijfsaangelegenheden;

7.  wijst erop dat in het GVB stimulansen, met inbegrip van vismogelijkheden, zijn opgenomen voor selectief vissen met een beperkte impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden; benadrukt in dit verband dat de lidstaten transparante en objectieve criteria van onder meer ecologische, sociale en economische aard moeten hanteren (artikel 17 van de GVB-verordening); dringt erop aan dat er inspanningen worden geleverd om ervoor te zorgen dat kleinschalige (ambachtelijke en traditionele) vloten meer stimulansen en preferentiële toegang tot de visgronden in kustwateren krijgen als zij selectief vissen op een wijze die een beperkte impact heeft; benadrukt dat het belangrijk is om de betrokken kustgemeenschappen te raadplegen;

8.  constateert dat het effect van de recreatieve visserij op de visbestanden in de Middellandse Zee en het sociaal-economische potentieel ervan onvoldoende zijn onderzocht; meent dat in de toekomst gegevens moeten worden verzameld over het aantal sportvissers, de door hen gevangen hoeveelheden vis en de door hen gecreëerde waarde in de kustgemeenschappen;

9.  merkt op dat de plaatselijke gemeenschappen heel wat economische inkomsten halen uit de recreatieve visserij, via bijvoorbeeld toerisme, en dat de recreatieve visserij een geringe impact op het milieu heeft en dus moet worden aangemoedigd;

10.  vindt het uiterst belangrijk om kustvisserij, kleinschalige kustvisserij en traditionele visserij te omschrijven in overeenstemming met de sociaal-economische kenmerken en door middel van een regionale benadering;

11.  benadrukt dat voor kustvisserij gebruik wordt gemaakt van traditionele technieken en vistuig die, wegens hun specifieke kenmerken, de identiteit en de levenswijze van de kustgemeenschappen bepalen, en dat het bijgevolg cruciaal is het gebruik ervan in stand te houden en ze te beschermen als een element van cultureel, historisch en traditioneel erfgoed;

12.  is van mening dat, in het kader van regionalisering, en met inachtneming van de specifieke kenmerken van elk soort visserij, in bepaalde gerechtvaardigde gevallen van het gebruik van specifieke vistuigen en -technieken moet kunnen worden afgeweken;

13.  benadrukt dat volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) de voorzorgsbenadering moet worden toegepast met betrekking tot de instandhouding, het beheer en de exploitatie van de levende mariene rijkdommen, waarbij rekening wordt gehouden met sociaal-economische overwegingen, zodat een duurzame visserij tot stand komt die het mariene milieu in zijn geheel beschermt en in stand houdt; benadrukt dat het gebrek aan wetenschappelijke gegevens geen reden mag zijn om instandhoudings- en beheersmaatregelen niet ten uitvoer te leggen; acht het cruciaal dat snel iets wordt gedaan aan het gebrek aan gegevens en tastbare wetenschappelijke informatie over de toestand van visbestanden; onderstreept dat alle belanghebbenden geraadpleegd en bij dit proces betrokken moeten worden;

14.  is van mening dat het beleid inzake het visserijbeheer, teneinde de visserij en de milieurijkdommen in de Middellandse Zee te beschermen en in stand te houden, doeltreffend moet zijn en gecombineerd moet worden met krachtige, brede en urgente beleidsinitiatieven en maatregelen ter bestrijding van factoren die een negatief effect hebben op deze rijkdommen, zoals: klimaatverandering (opwarming van de aarde, verzuring, veranderingen in neerslag), verontreinigingen (zowel chemisch als organisch en op macro- en microscopisch niveau), ongebreidelde exploratie en productie van gas en olie, zeevervoer, invasieve soorten en de vernietiging of wijziging van natuurlijke habitats, in het bijzonder in kustgebieden; onderstreept daarom dat het belangrijk is het effect van deze factoren op visbestanden beter te begrijpen; dringt erop aan dat de bestaande Europese instrumenten om de Middellandse Zee te observeren en gade te slaan, zoals EMODnet, en het Copernicus-programma en zijn mariene onderdeel, in dit verband worden versterkt;

15.  is van mening dat de visbestanden en de mariene rijkdommen in het mediterrane bekken niet uitsluitend met maatregelen betreffende de visserijsector mogen worden beschermd en gewaarborgd, maar dat ook andere activiteitensectoren met een effect op het mariene milieu moeten worden betrokken;

16.  is van mening dat meer inspanningen moeten worden geleverd om de kennis over het mariene milieu te vergroten, met name over de commercieel geëxploiteerde bestanden, en dat, op basis van deze kennis, een planning voor de duurzame exploitatie ervan moet worden opgesteld;

17.  benadrukt dat er in het Middellandse Zeebekken nog steeds veel illegale, onaangemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) plaatsvindt, ook in EU-lidstaten; is van mening dat maatregelen ter bescherming van de rijkdommen, maar in het bijzonder ook van de kleinschalige visserij, slechts doel kunnen treffen als IOO-visserij resoluut en vastberaden wordt bestreden; is van mening dat de EU zich in de strijd tegen IOO-visserij ook moet verzekeren van de steun van derde landen rond de Middellandse Zee; meent voorts dat de controles in het hele Middellandse Zeegebied derhalve moeten worden geharmoniseerd, gezien de erg uiteenlopende toepassing van controles en sancties;

18.  herhaalt dat kustgemeenschappen een grote invloed hebben op de doeltreffendheid van maatregelen die IOO-visserij moeten voorkomen, opsporen en vaststellen;

19.  is van mening dat de controle, zowel te land – over de gehele distributieketen (markten en restaurants) – als ter zee, snel versterkt moet worden, met name in gebieden waar bepaalde visserijactiviteiten tijdelijk stilgelegd of verboden zijn;

20.  is van mening dat er, om sociale ongelijkheid te voorkomen, bij de toewijzing van vangstmogelijkheden gebruik dient te worden gemaakt van transparante en objectieve criteria, waaronder criteria van ecologische, sociale en economische aard, waarbij methoden met een lage impact naar behoren in acht worden genomen; meent dat vangstmogelijkheden ook eerlijk moeten worden verdeeld over de verschillende takken van de visserij, met inbegrip van de traditionele en ambachtelijke visserij; is voorts van mening dat het gebruik van selectiever vistuig en vistechnieken met een kleiner effect op het mariene milieu moet worden aangemoedigd, in overeenstemming met artikel 17 van de GVB-verordening;

21.  is van mening dat het uitsterven van visbestanden in de Middellandse Zee moet worden tegengegaan door middel van visserijbeheers- en instandhoudingsmaatregelen voor de commerciële en de recreatievisserij, waaronder vooral beperkingen in ruimte en tijd en maximale dag- en weekvangsten, alsook, waar passend, quota; is van mening dat dit voor gedeelde bestanden een gelijk speelveld met derde landen zou waarborgen; is van mening dat deze maatregelen in nauwe samenwerking met de betrokken sector moeten worden ontwikkeld, zodat een doeltreffende tenuitvoerlegging verzekerd is;

22.  is ingenomen met het toegenomen aantal inspecties door het Europees Bureau voor visserijcontrole en benadrukt dat meer inspanningen moeten worden geleverd om de twee belangrijkste problemen van 2016 op het gebied van naleving aan te pakken, namelijk: de valse aangifte van documenten (logboeken, aanlandingsaangiften, verklaringen van overbrenging, verkoopdocumenten enz.) en het gebruik van verboden of niet-conform vistuig;

23.  benadrukt dat de verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de aanlandingsverplichting als vastgesteld in het herziene GVB in geen enkel geval mogen worden doorgeschoven naar de vissers;

24.  verzoekt de gevolgen te onderzoeken van de stopzetting van de teruggooi van vissen op de voedselbevoorrading van mariene organismen en andere soorten, zoals zeemeeuwen;

25.  merkt op dat het netwerk van beschermde gebieden in het Middellandse Zeegebied ontoereikend is en dat er sprake is van ongelijke verhoudingen tussen de verschillende zeebekkens; stipt aan dat er een algemeen tekort aan economische middelen is; acht het van cruciaal belang de rol die de beschermde mariene gebieden reeds vervullen als geavanceerde laboratoria voor wetenschappelijk onderzoek, voor de uitvoering van concrete acties, en voor de samenwerking en het participatief beheer met de vissers, te erkennen en te versterken, en het gebruik ervan te optimaliseren, in het licht van wetenschappelijk advies en instandhoudingsdoelstellingen; acht het in dit verband belangrijk op duurzame wijze meer economische middelen voor het systeem beschikbaar te stellen; acht het van cruciaal belang nauwer met de GFCM en derde landen samen te werken om de gebieden aan te wijzen die aan beschermende maatregelen onderworpen moeten worden, en een doeltreffend toezicht- en controlesysteem in te voeren om de doeltreffendheid van deze gebieden na te gaan;

26.  benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat tegen 2020 minstens 10 % van de Middellandse Zee uit beschermde mariene gebieden bestaat, in overeenstemming met duurzameontwikkelingsdoelstelling 14.5 van de VN; verzoekt de GFCM om tijdens de jaarzitting van 2018 een progressieve kalender overeen te komen met gekwalificeerde doelstellingen om dit doel te behalen; benadrukt dat de bestaande beschermde mariene gebieden vaak niet naar behoren worden beheerd; is derhalve van mening dat, naast de invoering van een effectief toezicht- en controlesysteem, op de ecosysteembenadering berustende beheersmaatregelen uitgewerkt en ten uitvoer gelegd moeten worden om de doeltreffendheid van de beschermingsmaatregelen te kunnen toetsen;

27.  benadrukt met name dat de samenwerking moet worden beschermd op het gebied van het beheer van gevoelige zones die belangrijke kweekgronden voor de economisch meest belangrijke soorten zijn (bijv. het Jabuka-bekken in de Adriatische Zee);

28.  benadrukt dat de Middellandse Zee wordt gekenmerkt door biologisch unieke populaties die worden bevist door verschillende landen, en dat het bijgevolg fundamenteel is dat alle belanghebbenden op alle niveaus nauw samenwerken en hun maatregelen om visserij te regelen coördineren;

29.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om het probleem van zwerfvuil en plastic in het mariene milieu aan te pakken, aangezien ze ernstige ecologische, economische en gezondheidsschade veroorzaken;

30.  acht een gevarieerde en genuanceerde aanpak ten aanzien van de beheersplannen, met verschillende criteria en op basis van de biologische kenmerken van de betrokken soorten en de visserijtechnieken, van fundamenteel belang; is tevens van oordeel dat alle meerjarenplannen moeten voorzien in een adequate planning met betrekking tot ruimte (zones waar bij toerbeurt niet gevist mag worden, volledige of gedeeltelijke sluiting van visgebieden) en tijd (biologische rustperiodes), alsook moeten ingaan op de bevordering van technische maatregelen voor zo selectief mogelijk vistuig; benadrukt dat hiervoor toereikende financiële compensatie moet worden vrijgemaakt;

31.  juicht de belofte van de Commissie toe om een meerjarig beheersplan voor de Middellandse Zee voor te stellen; benadrukt het belang van de regionalisering van het GVB voor het beheer van visserij in het mediterrane bekken; vraagt dat de adviesraad voor de Middellandse Zee (Medac) wordt betrokken bij de ontwikkeling en invoering van het meerjarig beheersplan en de geregionaliseerde maatregelen;

32.  benadrukt dat tijdens biologische rustperioden aan de vissers een toereikend inkomen moet worden verzekerd;

33.  beklemtoont dat er voor alle commerciële en recreatieve doelsoorten in de Middellandse Zee een minimummaat moet worden vastgesteld op grond van geslachtsrijpheid, gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis; wijst erop dat een striktere naleving van deze minimummaten moet worden gewaarborgd;

34.  acht het noodzakelijk gecoördineerde acties op te zetten met de landen in het Middellandse Zeegebied die niet tot de EU behoren, met name door een betere politieke en technische samenwerking tussen de verschillende partijen via internationale organen die in deze zone actief zijn; is verheugd over het recent door de Commissie opgestarte MedFish4Ever-programma, waarmee ze oproept tot actie om de teloorgang van de visbestanden in de Middellandse Zee een halt toe te roepen; benadrukt dat in het kader van dit initiatief alles in het werk moet worden gesteld om duurzame visserij in de mediterrane landen te bevorderen;

35.  merkt op dat een protocol voor sluitingen in bepaalde gebieden of perioden moet worden ingesteld en bevorderd om de visserij-inspanning te beperken en over het jaar te spreiden, zodat de visserij tijdelijk kan worden beperkt in de paaigebieden van bepaalde soorten; wijst erop dat deze spreiding en specialisatie van de inspanning zal leiden tot een grotere productiviteit en moet worden overlegd met de vissersgemeenschappen en wetenschappelijke adviseurs;

Acties ten opzichte van derde landen

36.  dringt er bij de Commissie op aan via de GFCM maatregelen te bevorderen om de toestand van de met derde landen gedeelde visbestanden te verbeteren, en ook gebruik te maken van de reeds tot stand gebrachte samenwerking tussen de belangenorganisaties van de reders en de bedrijven die actief zijn in de visserijsector, en de desbetreffende autoriteiten of instanties van de betrokken derde landen;

37.  merkt op dat het ontbreken van een gemeenschappelijk regelgevingskader voor de vloten van de EU en van derde landen die in het Middellandse Zeegebied vissen, tot oneerlijke concurrentie tussen de vissers leidt en tegelijkertijd de duurzaamheid van de vangsten van gedeelde soorten op de lange termijn in gevaar brengt;

38.  benadrukt dat samenwerking belangrijk is, dat naleving en een gelijk speelveld in de visserijcontrole met derde landen en regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) moeten worden bevorderd, en dat de horizontale coördinatie voor het beheer van mariene gebieden en visbestanden buiten de nationale jurisdicties moet worden versterkt;

39.  verzoekt de Commissie de mediterrane landen die niet tot de EU behoren, bij te staan om tot duurzame visserij te komen, door kleinschalige en kustvisserij te steunen, goede praktijken uit te wisselen, een open communicatiehouding aan te nemen en de nodige dialoog tot stand te brengen tussen de verschillende betrokken nationale overheden, zodat ze voldoende worden ondersteund bij de tenuitvoerlegging van de middellangetermijnstrategie van de GFCM voor de periode 2017-2020 en de alarmerende tendens inzake de mediterrane visbestanden kan worden omgebogen; dringt er bij de Commissie op aan een doeltreffende informatie-uitwisseling met de mediterrane derde landen tot stand te brengen met betrekking tot de visserijactiviteiten van andere derde landen die in de Middellandse Zee actief zijn;

40.  dringt aan op de invoering van een regionaal plan in het kader van de GFCM, om te waarborgen dat alle vaartuigen in het Middellandse Zeegebied onder gelijke voorwaarden vissen en dat een evenwicht tot stand wordt gebracht tussen de visbestanden en de vlootcapaciteit van alle oeverstaten; dringt voorts aan op de oprichting van een regionaal centrum voor het satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen (VMS) en gezamenlijke inspectieactiviteiten;

41.  beveelt de Commissie aan niet langer in te voeren vanuit derde landen die niet de nodige maatregelen nemen om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, waartoe zij krachtens het internationaal recht verplicht zijn als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaten;

42.  verzoekt de lidstaten en de Commissie derde landen te steunen, hen alle mogelijke bijstand te geven en met hen samen te werken om IOO-visserij in de gehele Middellandse Zee beter te bestrijden;

43.  dringt bij de oeverstaten aan op samenwerking om voor de visserij beperkte gebieden en beschermde mariene gebieden vast te stellen, ook in internationale wateren;

44.  benadrukt dat er basisnormen voor het beheer van de recreatieve visserij in het gehele Middellandse Zeegebied moeten worden vastgesteld;

Sociaal-economische aspecten

45.  benadrukt dat 250 000 personen rechtstreeks werkzaam zijn op schepen en dat het aantal personen dat voor hun levensonderhoud afhankelijk is van de visserij, exponentieel groter is als rekening wordt gehouden met de gezinnen die kunnen overleven dankzij de ondersteuning van de regionale visserij en die hun brood verdienen met visserijgerelateerde activiteiten, zoals het onderhoud van schepen en het toerisme, met inbegrip van toerisme gerelateerd aan recreatieve visserij; merkt op dat 60 % van de visserijgerelateerde activiteiten plaatsvindt in ontwikkelingslanden in het zuiden en oosten van het Middellandse Zeegebied, waaruit blijkt hoe belangrijk de kleinschalige (ambachtelijke en traditionele) visserij en de recreatieve visserij zijn voor de duurzame ontwikkeling van deze regio's en in het bijzonder voor de meest kwetsbare kustgemeenschappen;

46.  acht het van essentieel belang dat de arbeidsomstandigheden van de vissers middels behoorlijke beloning en eerlijke concurrentie worden verbeterd, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar het grote aantal ongevallen in de sector en het hoge risico op beroepsziekten; stelt voor dat de lidstaten, met inachtneming van hun wetgeving en gebruiken, instrumenten invoeren waarmee inkomenssteun kan worden verleend; beveelt ten slotte aan dat de lidstaten een solide fonds voor inkomenscompensatie opzetten voor de periodes waarin visserij onmogelijk is vanwege slechte weersomstandigheden, gesloten visseizoenen (biologische rustperiodes) ter bescherming van de levenscyclus van de beviste soorten, milieurampen, langdurige milieuverontreiniging of vervuiling door mariene biotoxines;

47.  merkt op dat de visserijsector van de EU de laatste jaren moeilijke tijden doormaakt als gevolg van stijgende productiekosten, teruglopende visbestanden en vangsten, en voortdurende inkomensverliezen;

48.  constateert dat de sociaal-economische situatie in de sector om verschillende redenen verslechterd is, onder andere vanwege de afname van de visstand, de waardevermindering van vis bij eerste verkoop (die niet wordt doorberekend in de consumentenprijzen als gevolg van een oneerlijke verdeling van de toegevoegde waarde tussen de verschillende schakels van de waardeketen in de sector en distributiemonopolies in sommige regio's) en stijgende brandstofprijzen; wijst erop dat deze moeilijkheden hebben bijgedragen tot de toename van de visserij-inspanningen, wat voor de kleinschalige visserij bijzonder zorgwekkend is en de toekomst van deze traditionele levenswijze en het voortbestaan van sterk van de visserij afhankelijke plaatselijke gemeenschappen zelfs in gevaar zou kunnen brengen;

49.  onderstreept dat initiatieven moeten worden ontplooid die een positieve impact op de werkgelegenheid kunnen hebben en aansluiten bij een verkleining van de visserij-inspanningen, zoals visserijtoerisme of onderzoeksactiviteiten;

50.  roept de Commissie en de lidstaten op voor alle werknemers in de visserijsector een betere toegang tot fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en gepaste sociale bescherming te waarborgen, ongeacht de grootte en de aard van het bedrijf waar zij in dienst zijn, de standplaats of het afgesloten contract, onder meer door de overeenkomsten inzake duurzame visserij die in de regio worden gesloten als middel te gebruiken om sociale dumping te bestrijden en voor betere toegang tot markten en financiering, betere samenwerking met overheden en publieke instellingen en diversificatie van middelen van bestaan te zorgen; onderstreept het belang van doeltreffende arbeidsinspecties en -controles;

51.  onderstreept dat de arbeidsomstandigheden van vissers moeten worden verbeterd, gezien het grote aantal ongevallen in de sector en het onevenredig hoge risico van zowel lichamelijke, als geestelijke beroepsziekten; benadrukt het belang van een goed evenwicht tussen werk en privéleven voor vissers; wijst op het belang van adequate sanitaire voorzieningen aan boord van vissersvaartuigen en aan land, alsook van fatsoenlijke accommodatie en ontspanningsmogelijkheden; benadrukt dat de bedrijfsveiligheid en bevaarbaarheid van havens en waterwegen moeten worden gewaarborgd;

52.  onderstreept dat moet worden gegarandeerd dat elke vis en alle visserijproducten die in de EU worden geïmporteerd, onder omstandigheden zijn gevangen en geproduceerd die in overeenstemming zijn met de internationale milieu-, arbeids- en mensenrechtennormen; vraagt de Commissie en de lidstaten eerlijke concurrentie en duurzaamheid in de visserijsector te garanderen, teneinde banen en groei te beschermen; benadrukt dat dit van essentieel belang is, niet alleen voor wat concurrentie in de Unie betreft, maar met name met betrekking tot in derde landen gevestigde concurrenten;

53.  is van mening dat de Commissie en de lidstaten een volledige benutting van de beschikbare middelen van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) en het Europees nabuurschapsinstrument moeten bevorderen; is van mening dat de Commissie haar best moet doen om zowel de lidstaten als de niet-EU-staten bij te staan om alle beschikbare fondsen zo doeltreffend mogelijk te gebruiken, met name teneinde:

   de arbeidsomstandigheden en de veiligheid aan boord te verbeteren;
   het vak en de beroepsopleiding in de schijnwerpers te zetten en het starten en ontwikkelen van nieuwe economische activiteiten in de sector te steunen door middel van de werving, scholing en multidisciplinaire opleiding van jongeren;
   de rol van vrouwen in de visserij en bijbehorende productiesectoren meer te waarderen, gelet op het feit dat vrouwen 12 % van de arbeidskrachten in de sector vertegenwoordigen;

54.  wijst erop dat het EFMZV kleine vissers moet helpen hun uitrusting te vernieuwen teneinde met name te voldoen aan de strenge verplichtingen die aan de aanlandingsplicht verbonden zijn;

55.  verzoekt de Commissie de oprichting en de activiteiten aan te moedigen van de plaatselijke actiegroepen voor de visserij (FLAG's), die een duurzaam visserijmodel bevorderen;

56.  acht het van fundamenteel belang de samenwerking tussen vissers, met name kleinschalige vissers die werkzaam zijn in hetzelfde gebied of dezelfde regio, te bevorderen om gezamenlijk de plaatselijke visbestanden te beschermen en te beheren, met het oog op een daadwerkelijke en concrete regionalisering met inachtneming van de doelstellingen van het GVB; is van mening dat de enorme versnippering en differentiatie van beroepen, targets, technische kenmerken en werknemers een onderscheidend kenmerk van de visserij in de Middellandse Zee is en dat een horizontale en eenvormige benadering bijgevolg geen recht zou doen aan deze specifieke plaatselijke omstandigheden;

57.  merkt op dat, ondanks recente verbeteringen, het aantal bestanden zonder een betrouwbare statusbeoordeling hoog blijft, en dat het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) zich beklaagt over het afnemende aantal beoordelingen, van 44 in 2012 tot slechts 15 in 2014; benadrukt dat het belangrijk is voor een snelle en goede gegevensverzameling te zorgen en een toename van het aantal studies en bestudeerde soorten aan te moedigen en te ondersteunen om zo de kennis over de bestanden en het effect van recreatieve visserij en externe factoren zoals verontreiniging te verbeteren teneinde een duurzaam bestandsbeheer tot stand te brengen;

58.  is van mening dat een verantwoord en rationeel beheer van de bestanden niet los kan worden gezien van de hoeveelheid verzamelde gegevens en van het wetenschappelijk gebruik ervan, over factoren als de vangstcapaciteit, de huidige visserij-activiteiten en de huidige sociaal-economische situatie ervan, en de biologische situatie van de geëxploiteerde bestanden;

59.  merkt op dat slechts 40 % van de aangelande vis in het GFCM-verdragsgebied afkomstig is van bestanden die door de Commissie wetenschappelijk beoordeeld zijn en dat dit percentage zelfs lager is voor bestanden die onder een beheersplan vallen; wijst erop dat het noodzakelijk is de reikwijdte van de wetenschappelijke beoordelingen van de toestand van visbestanden te vergroten, en het aandeel van aangevoerde vis dat afkomstig is van visserij die onder een meerjarig beheersplan valt, te verhogen;

60.  acht de evaluatie van de visserij-inspanning van de recreatieve visserij en het verzamelen van vangstgegevens op zeebekkenniveau en voor de hele Middellandse Zee van belang;

61.  benadrukt het belang van geïntegreerde benaderingen, waarbij rekening wordt gehouden met de heterogeniteit van het mariene milieu, de complexiteit van de verschillende (commerciële en niet-commerciële) soorten in de zee, de verschillende kenmerken en de effecten van de visserij-activiteiten, de waardevermindering van vis bij eerste verkoop en distributiemonopolies in sommige regio's, alsook alle andere factoren die de gezondheid van de visbestanden beïnvloeden;

62.  merkt op dat beschikbare gegevens ter bepaling van de omvang en de impact van kleinschalige visserijactiviteiten schaars zijn en per land kunnen verschillen; erkent dat vanwege dit gebrek aan informatie de ambachtelijke visserij onderschat kan worden;

63.  benadrukt dat een beter begrip van de economische en sociale effecten van de verschillende soorten visserij, in het bijzonder kleinschalige en recreatieve visserij, zou helpen bij het vaststellen van de beste beheersmaatregelen;

64.  ondersteunt uitdrukkelijk het voorstel van de GFCM om een catalogus van visserij-activiteiten op te stellen, met daarin informatie over het vistuig en de visserijmethoden, een beschrijving van de visserijgebieden, de doelsoorten en de bijvangsten, alsook een gedetailleerde beschrijving van de visserijactiviteiten in het betreffende gebied en de interactie met andere sectoren zoals de recreatieve visserij;

65.  is van mening dat er nieuwe regels voor de recreatieve visserij moeten gelden en dat een catalogus van recreatievisserijactiviteiten moet worden opgesteld, met daarin informatie over het vistuig en de visserijmethoden, en een beschrijving van de visserijgebieden, de doelsoorten en de bijvangsten;

66.  verzoekt de Commissie intensieve wetenschappelijke samenwerking te bevorderen en te streven naar de verbetering van de verzameling van gegevens met betrekking tot de belangrijkste visbestanden, door de tijd tussen de gegevensverzameling en de uiteindelijke beoordeling te beperken en het WTECV te verzoeken nieuwe bestanden te beoordelen; betreurt ten zeerste dat de meeste uit de Middellandse Zee aangevoerde vis afkomstig is van soorten waarover weinig gegevens beschikbaar zijn ("data deficient fisheries");

67.  benadrukt dat het van cruciaal belang is het delen van gegevens te bevorderen en de ontoegankelijkheid en de versnippering van deze gegevens tegen te gaan middels de ontwikkeling van een gemeenschappelijke gegevensbank met gedetailleerde, betrouwbare visserijgegevens en de oprichting van een netwerk van deskundigen en onderzoeksinstellingen op verschillende domeinen van de visserijwetenschap; beklemtoont dat deze gegevensbank door de EU moet worden gefinancierd en alle gegevens over visserij en visserijactiviteiten per geografisch subgebied, met inbegrip van gegevens over de recreatievisserij, moet omvatten zodat hoogwaardige, onafhankelijke en gedetailleerde gegevens gemakkelijker kunnen worden gecontroleerd en de visbestanden bijgevolg beter worden beoordeeld;

68.  wijst erop dat de gevolgen, de kenmerken en de omvang van IOO-visserij momenteel onvoldoende worden onderzocht, dat ze door de landen in het Middellandse Zeegebied op verschillende manieren worden beoordeeld en dat deze landen bijgevolg niet correct zijn weergegeven in de informatie die beschikbaar is met betrekking tot de huidige toestand van de visserij en de trends in de loop der tijd; benadrukt dat deze landen naar behoren in aanmerking moeten worden genomen bij de ontwikkeling van wetenschappelijke beoordelingen ten behoeve van visserijbeheer;

69.  roept de lidstaten op fraude met visserijproducten tegen te gaan door middel van productetikettering en -traceerbaarheid en hun inspanningen ter bestrijding van illegale visserij op te voeren; betreurt dat er over de meeste bestanden slechts weinig gegevens beschikbaar zijn ("data-poor stocks"), dat circa 50 % van de vangsten niet officieel wordt gemeld en dat 80 % van de aan land gebrachte vis afkomstig is van "data-poor stocks";

70.  verzoekt de lidstaten alle desbetreffende IAO-verdragen voor werknemers in de visserijsectoren te bekrachtigen en volledig ten uitvoer te leggen, zodat goede arbeidsomstandigheden verzekerd zijn, en instellingen voor collectieve onderhandeling te versterken, zodat maritieme werknemers, met inbegrip van zelfstandigen, hun arbeidsrechten kunnen uitoefenen;

71.  verzoekt de Commissie om investeringen in diversificatie en innovatie in de visserijsector aan te moedigen en te ondersteunen via de ontwikkeling van aanvullende activiteiten;

Bewustmaking

72.  benadrukt dat concrete resultaten behaald kunnen worden wanneer de ondernemers in de sector zich meer bewust zijn van hun verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld door alle vissers (professionele en recreatieve) te ondersteunen, betere voorlichting te geven en te betrekken in het besluitvormingsproces, en via specifieke acties om de verspreiding van de beste praktijken op dit gebied te vergemakkelijken;

73.  vindt het belangrijk dat de consument voldoende wordt geïnformeerd zodat hij exact weet wat de herkomst van het aangeboden product is, alsook de eigenschappen van de vismethode, door te verplichten om deze elementen, alsook de vangstdatum, op te nemen in de aan de consument verstrekte informatie; is van mening dat ook moet worden geanalyseerd en geëvalueerd of de maatregelen in de nieuwe gemeenschappelijke marktordening ertoe hebben geleid dat de consument beter wordt geïnformeerd;

74.  acht het voorts van belang consumenten bewuster te maken en voor te lichten over het consumeren van verantwoorde visproducten, door te kiezen voor lokale soorten die met duurzame vistechnieken zijn gevangen en afkomstig zijn van niet-overbeviste en amper in de handel verkrijgbare bestanden; acht het daarom noodzakelijk, in samenwerking met de desbetreffende belanghebbenden, een doeltreffend en betrouwbaar tracerings- en etiketteringssysteem te bevorderen, onder meer om de consument te informeren en voedselfraude te bestrijden;

75.  is van mening dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen eerlijke concurrentie, de behoeften van de consument, duurzaamheid van de visserijsector en behoud van de werkgelegenheid; onderstreept dat een alomvattende benadering en een sterke politieke wil bij alle landen in het Middellandse Zeegebied noodzakelijk zijn om de uitdagingen aan te kunnen en de situatie in de Middellandse Zee te verbeteren;

76.  juicht de MedFish4Ever-campagne toe, waarmee de Commissie het publiek bewust wil maken van de toestand van de Middellandse Zee;

77.  is van mening dat scholen en ziekenhuizen, alsook andere openbare centra, moeten worden bevoorraad met plaatselijke vis;

78.  benadrukt dat dit nieuwe scenario en al deze nieuwe, met elkaar verband houdende factoren met betrekking tot de Middellandse Zee moeten leiden tot een herziening van Verordening (EG) nr. 1967/2006 inzake de Middellandse Zee, om deze aan de huidige situatie aan te passen;

79.  benadrukt dat Verordening (EG) nr. 1967/2006 moet worden herzien, met name het deel over het verbod op het gebruik van bepaalde traditionele vistuigen (bijv. het verbod op het gebruik van kieuwnetten voor de niet-commerciële visserij) en de bepalingen over de specifieke kenmerken van vistuig, zoals hoogte en maaswijdte van visnetten, en de diepte en afstand vanaf de kust voor het gebruik van vistuigen;

o
o   o

80.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
(2) PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.
(3) PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9.
(4) PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0343.

Juridische mededeling - Privacybeleid