Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 12 september 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Verzoek om opheffing van de immuniteit van Marie-Christine Boutonnet
 Benoeming van Simon Busuttil tot lid van het bij artikel 255 VWEU ingestelde comité
 Overeenkomst tussen de EU en IJsland over de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen ***
 Overeenkomst tussen de EU en IJsland inzake aanvullende handelspreferenties voor landbouwproducten ***
 Tenuitvoerlegging van de bemiddelingsrichtlijn
 De werking van franchising in de detailhandel
 Een ruimtestrategie voor Europa
 Academisch aanvullend en afstandsonderwijs als onderdeel van de Europese strategie voor een leven lang leren
 Intrekking van achterhaalde verordeningen inzake de sectoren van de binnenvaart en van het vrachtvervoer over de weg ***I
 Bevordering van internetconnectiviteit in lokale gemeenschappen ***I
 Maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering ***I
 Walvisjacht in Noorwegen
 Toetreding van de EU tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
 Gevolgen van de internationale handel en het handelsbeleid van de EU voor mondiale waardeketens

Verzoek om opheffing van de immuniteit van Marie-Christine Boutonnet
PDF 164kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 12 september 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Marie-Christine Boutonnet (2017/2063(IMM))
P8_TA(2017)0317A8-0259/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Marie-Christine Boutonnet dat op 14 april 2017 is ingediend door het Ministerie van Justitie van de Franse Republiek, naar aanleiding van een verzoek van de procureur-generaal bij het Cour d'Appel van Parijs, en dat op 26 april 2017 ter plenaire vergadering meegedeeld, in verband met een bij de onderzoeksrechters van de Tribunal de Grande Instance van Parijs ("financiële afdeling") aanhangige zaak in het kader waarvan een gerechtelijk onderzoek plaatsvindt naar onder meer misbruik van vertrouwen wat betreft middelen die zijn ontvangen uit hoofde van een parlementairmedewerkerscontract van een met naam genoemde persoon,

–  na Jean-François Jalkh, ter vervanging van Marie-Christine Boutonnet, te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien artikel 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0259/2017),

Α.  overwegende dat de onderzoeksrechters bij de Tribunal de Grande Instance van Parijs een verzoek hebben ingediend om opheffing van de parlementaire immuniteit van Marie-Christine Boutonnet, teneinde haar te horen in verband met een vermeend delict;

Β.  overwegende dat ingevolge artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend;

C.  overwegende dat volgens artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek‚ een lid van de volksvertegenwoordiging niet zonder toestemming van het bureau van de wetgevende kamer waarvan het deel uitmaakt, ter zake van een misdrijf of een overtreding kan worden aangehouden of aan andere vrijheid benemende of vrijheid beperkende maatregelen kan worden onderworpen; die toestemming is niet vereist in geval van betrapping op heterdaad of bij een veroordeling in kracht van gewijsde;

D.  overwegende dat de onderzoeksrechters van oordeel zijn dat de onderzoekingen in het kader van het vooronderzoek en het gerechtelijk onderzoek uitwijzen dat de initiële verdenkingen van het Europees Parlement betreffende een bepaald aantal parlementair medewerkers van het Europees Parlement die aangesteld bij het Front National zijn, gerechtvaardigd kunnen zijn;

E.  overwegende dat, in het bijzonder, het zich laat aanzien dat in het in februari 2015 bekendgemaakte organigram van het Front National 15 leden van het Europees Parlement, 21 plaatselijke medewerkers en 5 geaccrediteerde parlementaire medewerkers zijn opgenomen; overwegende dat een bepaald aantal parlementair medewerkers heeft verklaard dat het hoofdkantoor van het Front National in Nanterre hun standplaats was, en enkelen hebben aangeduid dat zij daar voltijds waren tewerkgesteld; overwegende dat de meeste arbeidscontracten van parlementair medewerkers dezelfde algemene taken vermeldden, zonder dat in detail werd getreden;

F.  overwegende dat de onderzoeken ook hebben gewezen op drie situaties die het onwaarschijnlijk maken dat de betreffende medewerkers daadwerkelijk taken vervulden in verband met het Europees Parlement;

   medewerkerscontracten van het Europees Parlement die ingelast waren tussen twee arbeidscontracten van het Front National;
   medewerkerscontracten van het Europees Parlement die samenvielen met arbeidscontracten van het Front National werden uitgevoerd;
   arbeidscontracten van het Front National waarvan de looptijd onmiddellijk aansloot op de looptijd van medewerkerscontracten van het Europees Parlement;

G.  overwegende dat tijdens een huiszoeking verricht in het hoofdkantoor van het Front National in februari 2016, een aantal documenten zijn in beslag genomen in het kantoor van de penningmeester van het Front National, waaruit bleek dat de partij kosten wenste te besparen door de bezoldiging van de personeelsleden van de partij voor rekening te laten komen van het Europees Parlement door personeel als parlementair medewerkers aan te stellen;

H.  overwegende dat de onderzoeksrechters van oordeel zijn dat het nodig is om de uitleg van Marie-Christine Boutonnet te horen over de financiering die is verkregen uit hoofde van een contract van een bepaalde met naam genoemde parlementaire medewerker; overwegende dat op 6 maart 2017 die medewerker in beschuldiging is gesteld van verhulling van misbruik van vertrouwen tussen september 2014 en februari 2015; overwegende dat tijdens het verhoor door de twee onderzoeksrechters de medewerker zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen;

I.  overwegende dat Marie-Christine Boutonnet geweigerd heeft te verschijnen na oproepen daartoe van de onderzoekers en de onderzoeksrechter om te kunnen vaststellen of haar misbruik van vertrouwen in de periode gaande van september 2014 tot februari 2016 ten laste moet worden gelegd;

J.  overwegende dat klaarblijkelijk Marie-Christine Boutonnet inmiddels door de onderzoeksrechters in Parijs is gehoord;

K.  overwegende dat het evenwel nodig is de immuniteit van het betrokken lid van het Parlement op te heffen, aangezien uitsluitend het Parlement bevoegd is tot opheffing van de immuniteit van een lid;

L.  overwegende dat er duidelijk sprake is van een verzoek om opheffing van de immuniteit en dat er geen bewijs is van fumus persecutionis, met name gezien het feit dat er op grond van soortgelijke beschuldigingen procedures aanhangig zijn tegen leden van andere fracties en nationaliteiten;

1.  besluit de immuniteit van Marie-Christine Boutonnet op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Franse Republiek en Marie-Christine Boutonnet.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Benoeming van Simon Busuttil tot lid van het bij artikel 255 VWEU ingestelde comité
PDF 150kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 12 september 2017 over de voordracht van Simon Busuttil als lid van het comité dat is opgericht overeenkomstig artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (2017/2132(INS))
P8_TA(2017)0318B8-0503/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 255, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 120 van zijn Reglement,

–  gezien het voorstel van de Commissie juridische zaken (B8-0503/2017),

A.  overwegende dat Simon Busuttil voldoet aan de voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 255, lid 2, VWEU;

1.  stelt voor Simon Busuttil tot lid van het comité te benoemen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de president van het Hof van Justitie.


Overeenkomst tussen de EU en IJsland over de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen ***
PDF 239kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en IJsland over de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen (11782/2016 – C8-0123/2017 – 2016/0252(NLE))
P8_TA(2017)0319A8-0254/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (11782/2016),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en IJsland inzake de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen (12124/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, eerste alinea, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0123/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A8-0254/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en IJsland.


Overeenkomst tussen de EU en IJsland inzake aanvullende handelspreferenties voor landbouwproducten ***
PDF 240kWORD 46k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en IJsland inzake aanvullende handelspreferenties voor landbouwproducten (12146/2016 – C8-0129/2017 – 2016/0293(NLE))
P8_TA(2017)0320A8-0256/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12146/2016),

–  gezien de ontwerpovereenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en IJsland inzake aanvullende handelspreferenties voor landbouwproducten (12147/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0129/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A8-0256/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en IJsland.


Tenuitvoerlegging van de bemiddelingsrichtlijn
PDF 180kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling in burgerlijke en handelszaken (de bemiddelingsrichtlijn) (2016/2066(INI))
P8_TA(2017)0321A8-0238/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling in burgerlijke en handelszaken(1) (de bemiddelingsrichtlijn),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (COM(2016)0542),

–  gezien de uitgebreide analyse van zijn directoraat-generaal Intern Beleid "De omzetting van de bemiddelingsrichtlijn – 29 november 2016"(2),

–  gezien de studie van de Commissie van 2014 "Studie rond evaluatie en uitvoering van Richtlijn 2008/52/EG – de 'bemiddelingsrichtlijn'"(3),

–  gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid "Opstarten van de bemiddelingsrichtlijn: het beperkte effect van de uitvoering en voorgestelde maatregelen voor vergroting van het aantal bemiddelingen in de EU"(4),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van de bemiddelingsrichtlijn, uitgevoerd door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS)(5),

–  gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid "Kostenraming bij ongebruikt laten van bemiddeling – een data-analyse"(6),

–  gezien artikel 67 en artikel 81, lid 2, onder g), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement evenals artikel 1, lid 1, onder e), van bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0238/2017),

A.  overwegende dat Richtlijn 2008/52/EG een belangrijke mijlpaal is geweest met betrekking tot de invoering en het gebruik van bemiddelingsprocedures in de Europese Unie; overwegende dat de omzetting van deze richtlijn van lidstaat tot lidstaat echter grote verschillen vertoont, afhankelijk van het al dan niet reeds bestaan van nationale bemiddelingssystemen, waarbij sommige lidstaten hebben gekozen voor een vrij letterlijke omzetting van de bepalingen van de richtlijn, andere zijn overgegaan tot een grondige herziening van alternatieve vormen van geschillenbeslechting (zoals Italië, waar zes keer zoveel geschillen via bemiddeling tot een oplossing komen als in de rest van Europa) en weer andere lidstaten hun bestaande wetgeving al voldoende conform aan de bemiddelingsrichtlijn achten;

B.  overwegende dat de meeste lidstaten de werkingssfeer van hun nationale omzettingsmaatregelen hebben uitgebreid tot ook binnenlandse geschillen (slechts drie lidstaten hebben de richtlijn met alleen het oog op grensoverschrijdende geschillen omgezet(7)) hetgeen absoluut positieve gevolgen heeft voor de wetgeving van de lidstaten en de categorieën geschillen die voor een bemiddelingsprocedure in aanmerking komen;

C.  overwegende dat de problemen die zich in de omzettingsfase van de richtlijn voordeden grotendeels te maken hebben met verschillen in de rechtscultuur van de diverse nationale rechtsstelsels; overwegende dat er daarom gestreefd moet worden naar een mentaliteitsverandering op juridisch gebied, in die zin dat gewerkt wordt aan een bemiddelingscultuur op basis van vriendschappelijke geschillenbeslechting, een onderwerp dat sinds de totstandbrenging van de richtlijn van de Unie en ook ten tijde van de omzetting door de lidstaten herhaaldelijk door Europese netwerken van beoefenaars van juridische beroepen is aangesneden;

D.  overwegende dat de omzetting van de bemiddelingsrichtlijn Europese meerwaarde heeft opgeleverd, doordat nationale wetgevers nu beter op de hoogte zijn van de voordelen van bemiddeling/mediation en er een zekere mate van afstemming is gerealiseerd met betrekking tot het procesrecht en de diverse praktijken in de lidstaten;

E.  overwegende dat bemiddeling/mediation, als alternatieve, vrijwillige en vertrouwelijke buitengerechtelijke procedure, bij sommige zaken en mits de nodige waarborgen aanwezig zijn een nuttig instrument kan zijn om overbelaste rechtbanken te ontlasten, omdat natuurlijke en rechtspersonen via bemiddeling/mediation snel en goedkoop geschillen kunnen beslechten buiten de rechter om, waarbij bedacht moet worden dat een zeer lange duur van procedures in strijd is met het Handvest van de grondrechten, en een betere toegang tot de rechtspleging gegarandeerd wordt en tevens wordt bijgedragen tot economische groei;

F.  overwegende dat de in artikel 1 van de bemiddelingsrichtlijn genoemde doelstellingen, het aanmoedigen van het gebruik van bemiddeling/mediation en met name het zorgen voor een evenwichtige samenhang tussen bemiddeling/mediation en behandeling voor de rechter, kennelijk niet zijn gerealiseerd, want in de meeste lidstaten wordt gemiddeld slechts in minder dan 1 % van de rechtszaken van bemiddeling gebruikgemaakt(8);

G.  overwegende dat met de bemiddelingsrichtlijn geen Unie-stelsel voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting in eigenlijke zin is geschapen, afgezien van de specifieke bepalingen inzake verstrijken van beperkings- en verjaringstermijnen voor rechtsvorderingen waar bemiddeling wordt beproefd, en inzake de geheimhoudingsplicht voor bemiddelaars en hun administratieve personeel;

Belangrijkste conclusies

1.  noemt het verheugend dat bemiddelingsstelsels in veel lidstaten onlangs wijziging en herziening hebben ondergaan, en in andere lidstaten wijzigingen in de geldende wetgeving worden overwogen(9);

2.  betreurt dat slechts drie lidstaten hebben besloten tot omzetting van de richtlijn uitsluitend voor grensoverschrijdende geschillen en stelt vast dat er met betrekking tot de werking van de nationale bemiddelingssystemen in de praktijk bepaalde moeilijkheden zijn, die voornamelijk verband houden met de traditie van de contradictoire procedure en het ontbreken van een cultuur van bemiddeling/mediation in de lidstaten, de onbekendheid met bemiddeling/mediation in de meerderheid van de lidstaten, onvoldoende kennis over de manier waarop grensoverschrijdende geschillen tot een oplossing kunnen worden gebracht en het functioneren van kwaliteitscontrolemechanismen voor bemiddelaars(10);

3.  benadrukt dat alle lidstaten voorzien in de mogelijkheid voor rechterlijke instanties om partijen uit te nodigen om gebruik te maken van bemiddeling of op zijn minst om informatiebijeenkomsten over bemiddeling/mediation bij te wonen; merkt op dat deelname aan dergelijke informatiebijeenkomsten in sommige lidstaten verplicht is op initiatief van een rechter(11) of met betrekking tot specifieke geschillen door de wet voorgeschreven, zoals familiezaken(12); merkt tevens op dat enkele lidstaten verlangen dat advocaten hun cliënten informeren over de mogelijkheid om gebruik te maken van bemiddeling/mediation of dat bij zaken die bij rechterlijke instanties aanhangig worden gemaakt wordt vermeld of een poging tot bemiddeling/mediation werd ondernomen of de redenen worden vermeld die aan een dergelijke poging in de weg staan; merkt evenwel op dat de lidstaten moeten waarborgen dat de partijen die voor bemiddeling/mediation kiezen om te pogen een geschil te schikken, daarna niet wordt belet een gerechtelijke procedure of arbitrage met betrekking tot hun geschil aanhangig te maken door het verstrijken van verjaringstermijnen tijdens het bemiddelingsproces; benadrukt dat de lidstaten met betrekking tot dit artikel geen specifieke problemen hebben aangekaart;

4.  merkt voorts op dat veel lidstaten partijen financiële aanmoediging bieden om van bemiddeling/mediation gebruik te maken, in de vorm van kostenverlaging, rechtshulp of boetes wanneer zij bemiddeling/mediation zonder reden buiten beschouwing laten; stelt vast dat de resultaten in die landen laten zien dat bemiddeling/mediation een kosteneffectieve en vlugge buitengerechtelijke geschillenbeslechting kan bieden via procedures die op de behoeften van partijen zijn afgestemd;

5.  is van oordeel dat de vaststelling van gedragscodes een belangrijk instrument vormt om de kwaliteit van bemiddeling/mediation te waarborgen; stelt in dit kader vast dat de Europese gedragscode voor bemiddelaars/mediators hetzij rechtstreeks door de belanghebbenden wordt gebruikt, hetzij als inspiratiebron heeft gefungeerd voor nationale of sectorspecifieke gedragscodes; stelt voorts vast dat de meeste lidstaten verplichte procedures kennen voor de erkenning van bemiddelaars/mediators en registers bijhouden van bemiddelaars/mediators;

6.  betreurt dat statistische gegevens omtrent bemiddeling/mediation zoals het aantal bemiddelde zaken, de gemiddelde tijdsduur en het succespercentage van bemiddelingsprocedures zo moeilijk verkrijgbaar zijn; merkt op dat het zonder betrouwbare databank erg moeilijk is om bemiddeling verder aan te moedigen en onder het publiek vertrouwen te winnen in de effectiviteit ervan; wijst anderzijds op de steeds belangrijker rol van het Europees rechterlijk netwerk in burger- en handelsrechtelijke zaken voor verbetering van de nationale gegevensverzameling rond de toepassing van de bemiddelingsrichtlijn;

7.  is verheugd over de belangrijke plaats die bemiddeling/mediation inneemt op het gebied van familierecht (met name in procedures met betrekking tot de voogdij over kinderen, omgangsrechten en gevallen van kinderontvoering), waar bemiddeling kan leiden tot een constructieve dialoog en er tevens voor kan zorgen dat de contacten tussen ouders op eerlijke wijze verlopen; stelt verder vast dat minnelijke oplossingen vaak langduriger van aard en in het belang van het kind zijn, omdat zij niet alleen betrekking hebben op de hoofdverblijfplaats van het kind, maar bijvoorbeeld ook bezoekregelingen of afspraken over het levensonderhoud van het kind omvatten; wijst in dit verband op de belangrijke rol van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, dat aanbevelingen opstelt ter bevordering van het gebruik van bemiddeling in grensoverschrijdende familierechtelijke zaken, met name zaken aangaande kinderontvoering;

8.  acht het nadrukkelijk van belang om op het Europese e-Justitieportaal een afzonderlijke afdeling te wijden aan grensoverschrijdende bemiddeling in familierechtelijke zaken en informatie te bieden over nationale bemiddelingssystemen;

9.  is daarom ingenomen met het voornemen van de Commissie tot medefinanciering van verschillende projecten ter bevordering van bemiddeling/mediation en training voor rechters en mensen in de juridische praktijk in de lidstaten;

10.  benadrukt dat het vrijwillige karakter van bemiddeling/mediation niet wegneemt dat verdere maatregelen moeten worden genomen om de afdwingbaarheid van bemiddelingsovereenkomsten te verzekeren op een snelle en betaalbare manier, onder volle eerbiediging van de grondrechten en van het recht van de Unie en het nationale recht; herinnert er in dit kader aan dat voor binnenlandse uitvoerbaarheid van een door de partijen in een lidstaat gesloten bemiddelingsovereenkomst in het algemeen als vereiste geldt dat de overeenkomst door de daartoe bevoegde autoriteiten gehomologeerd moet worden, wat extra kosten met zich meebrengt en partijen veel tijd kost, hetgeen een negatief effect heeft op het vrij verkeer van bemiddelingsovereenkomsten, met name als het gaat om kleine geschillen;

Aanbevelingen

11.  dringt er bij de lidstaten op aan hun inspanningen ter bevordering van het gebruik van bemiddeling/mediation in burgerrechtelijke en handelszaken te intensiveren, onder meer door middel van passende voorlichtingscampagnes om burgers en rechtspersonen juiste en omvattende informatie te verstrekken over de kracht van deze procedure en de tijds- en geldbesparingen die deze kan opleveren en om de samenwerking tussen beoefenaars van juridische beroepen met het oog hierop te versterken; wijst er in dit verband op dat de uitwisseling van beste praktijken tussen de diverse nationale jurisdicties moet worden bevorderd en dat daartoe ook passende, ondersteunende maatregelen op het niveau van de Unie moeten worden genomen, teneinde de kennis over het nut van bemiddeling/mediation te vergroten;

12.  vraagt de Commissie om na te gaan of er behoefte bestaat aan EU-brede kwaliteitsnormen voor bemiddelingsdiensten, vooral in de vorm van minimumnormen met het oog op de consistentie, rekening houdende met de toegang tot de rechter als grondrecht en de lokale verschillen in bemiddelingscultuur, als middel tot verdere bevordering van bemiddeling/mediation;

13.  vraagt de Commissie ook om te bezien of de lidstaten moeten worden verplicht om een nationaal register van bemiddelingsprocedures aan te leggen en bij te houden, dat voor de Commissie een waardevolle bron van informatie kan zijn en nationale bemiddelaars/mediators de mogelijkheid biedt om kennis te maken met beste praktijken uit heel Europa; benadrukt dat bij de oprichting van een dergelijk register de algemene verordening gegevensbescherming (Verordening (EU) 2016/679(13)) moet worden nageleefd;

14.  verlangt dat de Commissie nadere studie verricht naar belemmeringen voor het vrije verkeer van bemiddelingsovereenkomsten in de Unie en naar de verschillende opties voor het stimuleren van bemiddeling/mediation als redelijke, betaalbare en effectieve manier voor oplossing van conflicten in interne en grensoverschrijdende geschillen in de Unie, rekening houdende met de rechtsstaat en de internationale ontwikkelingen op dit gebied;

15.  verzoekt de Commissie om bij haar herziening van de regels te werken aan oplossingen om de werkingssfeer van bemiddelingsprocedures waar mogelijk daadwerkelijk uit te breiden tot andere civiele of administratieve geschillen; benadrukt daarbij evenwel dat aandachtig gekeken moet worden naar de gevolgen van bemiddeling voor bepaalde sociale vraagstukken, bijvoorbeeld op het gebied van familierecht; pleit er in dit verband voor dat de Commissie en de lidstaten met betrekking tot bemiddelingsprocessen passende waarborgen aannemen en implementeren, om de risico's voor zwakkere partijen te beperken en hen te beschermen tegen misbruik van procesrecht en misbruik van positie door sterkere partijen, en om tevens omvattende statistische gegevens hierover te verstrekken; benadrukt dat er ook voor gezorgd moet worden dat er met betrekking tot de kosten eerlijke regels gelden, met name om de belangen van kwetsbare groepen te beschermen; wijst erop dat bemiddeling minder aantrekkelijk wordt en haar meerwaarde verliest als voor partijen al te strikte normen worden ingevoerd;

o
o   o

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 136 van 24.5.2008, blz. 3.
(2) PE 571.395.
(3) http://bookshop.europa.eu/nl/study-for-an-evaluation-and-implementation-of-directive-2008-52-ec-the-mediation-directive--pbDS0114825/
(4) PE 493.042.
(5) PE 593.789.
(6) PE 453.180.
(7) zie COM(2016)0542, blz. 5.
(8) PE 571.395, blz. 25.
(9) Kroatië, Estland, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Litouwen, Nederland, Polen, Portugal, Slovakije en Spanje.
(10) zie COM(2016)0542, blz. 4.
(11) Bijvoorbeeld in Tsjechië.
(12) Bijvoorbeeld in Litouwen, Luxemburg, Engeland en Wales.
(13) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.


De werking van franchising in de detailhandel
PDF 185kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 over de werking van franchising in de detailhandel (2016/2244(INI))
P8_TA(2017)0322A8-0199/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2013 inzake het Europees actieplan inzake detailhandel in het belang van alle betrokken partijen(1), met name paragraaf 29,

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen(2),

–  gezien de studie van april 2016 in opdracht van de commissie IMCO over franchising(3),

–  gezien de studie in opdracht van de commissie IMCO van september 2016 getiteld "juridische aspecten rond het reguleringskader en de uitdagingen voor franchising in de EU"(4),

–  gezien de briefing "Toekomstige beleidsopties voor Franchising in de EU: tegengaan van oneerlijke handelspraktijken"(5),

–  gezien de workshop "Verhouding tussen franchisegevers en franchisenemers: reguleringskader en huidige uitdagingen", georganiseerd door de commissie IMCO op 12 juli 2016,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0199/2017),

A.  overwegende dat er geen gemeenschappelijke Europese definitie van franchising bestaat en dat franchiseovereenkomsten per bedrijfstak variëren, maar dat een centraal kenmerk van dergelijke overeenkomsten een vrijwillig aangegaan partnerschap is tussen ondernemers of natuurlijke of rechtspersonen die juridisch en financieel niet van elkaar afhankelijk zijn, waarbij de ene partij (de franchisegever) de wederpartij (de franchisenemer) het recht verleent om zijn franchisingformule, naam en handelsmerken te gebruiken en technische kennis deelt, met een beroep op de technische en organisatorische ervaring en bijstand van de franchisegever gedurende de looptijd van de overeenkomst, en waarbij de klanten vertrouwen op de eenheid van het franchisesysteem en zowel de franchisegever als de franchisenemer de intentie hebben om met beperkte investeringen snel nieuwe markten te veroveren en hun kansen op succes te vergroten;

B.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 11 december 2013 franchising verwelkomde als bedrijfsmodel dat nieuwe bedrijven en ondernemerschap in het kleinbedrijf aanmoedigt, evenwel niet zonder in sommige gevallen oneerlijke contractvoorwaarden te signaleren en op transparante en eerlijke contracten aan te dringen; ook attendeerde het Parlement de Commissie en de lidstaten op problemen waarop franchisenemers stuiten wanneer zij hun bedrijf willen verkopen of de formule willen veranderen, maar wel in dezelfde sector werkzaam blijven, en verzocht het de Commissie het prijsbindingsverbod in franchisesystemen te onderzoeken alsook het effect van langlopende concurrentiebedingen, aankoopopties en multifranchisingverboden;

C.  overwegende dat franchising de volle potentie heeft om als bedrijfsmodel de interne detailhandelsmarkt te helpen voltooien, aangezien het een handig middel kan zijn om een zaak op te zetten via een door de franchisegever en de franchisenemer gedeelde investering; vindt het daarom teleurstellend dat dit model in de EU tot dusver nog onderpresteert, met een aandeel in het bbp van slechts 1,89 %, tegenover een aandeel van 5,95 % in de VS en van 10,83 % in Australië, waarbij 83,5 % van de omzet in franchiseondernemingen geconcentreerd blijft in slechts zeven lidstaten(6), zodat het belangrijk is om dit bedrijfsmodel breder te verspreiden in de hele EU;

D.  overwegende dat franchising een belangrijke potentiële grensoverschrijdende dimensie heeft, van belang is voor de werking van de interne markt en zo kan leiden tot nieuwe de werkgelegenheid, de ontwikkeling van kmo's en ondernemerschap en de verwerving van nieuwe capaciteiten en vaardigheden;

E.  overwegende dat de bestaande wetgeving inzake franchising als bedrijfsmodel per lidstaat sterk verschilt, hetgeen technische belemmeringen opwerpt en zowel franchisegevers als franchisenemers kan ontmoedigen om hun activiteiten over de grenzen heen uit te breiden; overwegende dat dit op zijn beurt gevolgen kan hebben voor de eindgebruikers doordat hun keuzemogelijkheden beperkt blijven;

F.  overwegende dat er verschillen zijn tussen "harde" en "zachte" franchising, afhankelijk van de voorwaarden in de franchiseovereenkomst, en dat bovendien alternatieve bedrijfsmodellen als die van ″groepen onafhankelijke detailhandelaren″ speciale kenmerken hebben en alleen onder franchiseregels zouden mogen vallen voorzover zij aan de definitie van franchising beantwoorden;

G.  overwegende dat het in alle sectoren aan informatie over de werking van franchising ontbreekt, omdat relevante informatie niet op schrift is gesteld of vaak alleen te vinden is in "side letters" bij franchiseovereenkomsten, die vertrouwelijk zijn en dus niet openbaar, en er op EU-niveau geen mechanisme bestaat voor het verzamelen van informatie over mogelijk oneerlijke contractbedingen of oneerlijke contractuitvoering; overwegende dat daarom een platform nodig is waarop deze belangrijke informatie te vinden is, teneinde franchisegevers en franchisenemers beter bewust te maken van hun rechten en plichten;

H.  overwegende dat de e-handel toeneemt en steeds meer door de consument wordt gebruikt en dat deze daarom in franchiseovereenkomsten beter tot zijn recht moet komen; overwegende dat daarom bij de totstandbrenging van de digitale binnenmarkt specifiek moet worden gelet op eventueel optredende spanningen tussen franchisegevers en franchisenemers in verband met de e-handel, bijvoorbeeld met betrekking tot de exclusieve rechten van de franchisenemer voor een bepaald geografisch gebied, en het toenemende belang van consumentengegevens voor het succes van franchisebedrijfsmodellen, met name omdat deze punten momenteel in franchiseovereenkomsten niet worden geregeld, met mogelijk onnodige onzekerheid en conflicten tot gevolg;

I.  overwegende dat de Commissie oneerlijke handelspraktijken heeft gedefinieerd als "praktijken die sterk afwijken van goed handelsgedrag, die in strijd zijn met de goede trouw en een eerlijke behandeling en die door een handelspartner eenzijdig worden opgelegd aan een andere handelspartner"(7);

1.  is van mening dat franchising, gezien de huidige onderbenutting ervan in de EU in vergelijking met andere ontwikkelde economieën, een nog belangrijkere rol kan vervullen voor de voltooiing van de interne detailhandelsmarkt;

2.  acht het van belang dat de lidstaten doeltreffende maatregelen nemen tegen oneerlijke handelspraktijken op het gebied van franchising, maar stelt vast dat er dienaangaande nog steeds een hoge mate van divergentie en diversificatie tussen de lidstaten bestaat; vindt het daarom belangrijk dat er niet-wetgevende homogene richtsnoeren komen waarin de beste praktijken zijn verwerkt voor het functioneren van franchising in de detailhandel;

3.  verzoekt de Commissie richtsnoeren voor franchiseovereenkomsten op te stellen, om de juridische context voor dergelijke overeenkomsten te verduidelijken en er zo voor te zorgen dat de arbeidsnormen worden nageleefd en een degelijke en kwalitatief hoogstaande dienstverlening wordt gewaarborgd;

4.  is van mening dat in het licht van de sterke grensoverschrijdende component van franchising een eenvormige benadering bij het aanpakken van oneerlijke handelspraktijken in de EU aan te raden is;

5.  erkent dat op nationaal niveau wetgeving is vastgesteld ter bescherming van de franchisenemers, maar dat de nadruk op de precontractuele fase ligt om informatieverplichtingen aan de franchisegever op te leggen; betreurt het dat in de nationale systemen geen doeltreffende handhavingsmechanismen zijn voorzien om de voortzetting van de franchiserelatie te waarborgen;

6.  merkt op dat de franchisenemer vaak de zwakkere partij is, met name wanneer het om een kmo gaat, omdat de franchiseformule in de regel is ontwikkeld door de franchisegever, en de franchisenemer veelal in een financieel zwakkere positie verkeert en daardoor wellicht minder goed geïnformeerd is dan de franchisegever en dus afhankelijk is van diens expertise; benadrukt dat het bij franchisesystemen van groot belang is of de samenwerking tussen franchisegever en franchisenemers goed functioneert, met dien verstande dat een franchisesysteem staat of valt met een goede uitvoering door alle partijen;

7.  herinnert eraan dat franchising een contractuele relatie is tussen twee juridisch onafhankelijke bedrijven;

8.  beklemtoont dat regelgeving ertoe moet dienen het vertrouwen van de markt in franchising als een manier van zakendoen in stand te houden en te vergroten, omdat dit niet alleen ondernemerschap aanmoedigt bij micro-, kleine en middelgrote ondernemingen die franchisegever worden, maar ook bij personen die franchisenemer worden;

9.  constateert dat franchisegevers zich op zowel nationaal als Europees niveau hebben georganiseerd voor de behartiging van hun belangen, terwijl franchisenemers het vaak zonder zulke belangenorganisaties moeten stellen en meestal op individuele basis blijven werken;

10.  vraagt de Commissie en de lidstaten de dialoog tussen franchisegevers, franchisenemers en beleidsmakers te stimuleren, de oprichting van verenigingen die de franchisenemers vertegenwoordigen te faciliteren, en ervoor te zorgen dat hun stem steeds wordt gehoord wanneer er beleid of wetgeving in de maak is die op hen van invloed kan zijn, teneinde een gelijkere vertegenwoordiging van de partijen te garanderen, waarbij het lidmaatschap van zulke organisaties facultatief moet blijven;

11.  benadrukt dat het nog steeds ontbreekt aan informatie over het functioneren van franchising in de detailhandelssector, en vraagt de lidstaten om in samenwerking met de Commissie contactpunten aan te wijzen voor informatievoorziening over problemen die franchisegevers en franchisenemers ondervinden, en verzoekt de Commissie de informatievergaring op EU-niveau te verbeteren, o.a. door gebruik te maken van informatie afkomstig van deze contactpunten, met de nodige waarborgen voor de vertrouwelijkheid van de aldus verkregen informatie;

12.  vraagt de Commissie te onderzoeken hoe franchising in de detailhandelsector functioneert, en met name in hoeverre oneerlijke contractbedingen of andere oneerlijke handelspraktijken zich voordoen, en Eurostat te verzoeken om bij de inzameling van statistische informatie over de sector speciale aandacht aan dit bedrijfsmodel te schenken, zonder dat daarbij extra administratieve of andere lasten voor de ondernemers ontstaan;

13.  neemt kennis van de Europese Erecode voor Franchising, zoals opgesteld door de European Franchise Federation (EFF), die mogelijk een doeltreffend instrument vormt voor de bevordering van goede praktijken in de franchisesector via zelfregulering, maar merkt tevens op dat deze code onderhevig is aan serieuze kritiek van de zijde van de franchisenemers, die er onder meer op wijzen dat de verplichtingen van de franchisegever vóór de herziening van de code in 2016 sterker waren geformuleerd; moedigt de franchisegevers en franchisenemers aan om met het oog op een passende oplossing voor een evenwichtige en billijke vertegenwoordiging van beide zijden te zorgen;

14.  betreurt echter dat de code slechts een kleine minderheid van de in de EU actieve franchises bestrijkt, aangezien de meeste franchises niet aangesloten zijn bij de EFF of de nationale verenigingen die de code hebben aanvaard, en verschillende lidstaten geen nationale franchisevereniging hebben;

15.  merkt op dat er bezorgdheid gerezen is over het feit dat de Europese Erecode voor Franchising niet met een onafhankelijk handhavingsmechanisme samengaat, en merkt op dat dit gemis van onafhankelijke handhaving voor sommige lidstaten de aanleiding is geweest om wetgeving uit te vaardigen ter voorkoming en bestrijding van oneerlijke handelspraktijken bij franchising;

16.  herinnert eraan dat de Erecode uit een reeks regels bestaat die franchisegevers naast de wettelijk vereiste voorschriften aanvaarden; is van mening dat de Erecode altijd een toegevoegde waarde moet blijven voor iedereen die zich aan deze regels wenst te houden;

17.  meent dat het nodig is om de doelmatigheid van het zelfreguleringskader en van het initiatief voor de toeleveringsketen in de EU te beoordelen, aangezien lidmaatschap van een nationale franchiseorganisatie een voorwaarde is voor deelname aan dit initiatief;

18.  stelt dat een franchiseovereenkomst volledig moet beantwoorden aan de beginselen van een evenwichtig partnerschap, waarin de franchisegever en de franchisenemer zich redelijk en eerlijk jegens elkaar moeten opstellen en klachten, bezwaren en geschillen door middel van openhartige, transparante, redelijke en directe communicatie moeten oplossen;

19.  vraagt de lidstaten om klachten en andere relevante gegevens die zij via een contactpunt of op andere wijze ontvangen aan de Commissie door te geven; verzoekt de Commissie om op basis van deze informatie een niet-limitatieve lijst van oneerlijke handelspraktijken op te stellen, die moet worden gepubliceerd en voor alle belanghebbenden toegankelijk moet zijn; verzoekt de Commissie bovendien om, indien nodig, een deskundigenplatform op te richten om verdere gegevens te verzamelen over de franchisingpraktijk in de detailhandel, en met name over de verschillende vormen van oneerlijke handelspraktijken;

20.  wijst met name op de noodzaak van specifieke beginselen om te zorgen voor evenwichtige contractuele rechten en plichten van de partijen, zoals duidelijke, correcte en volledige precontractuele informatie, ook over het presteren van de franchiseformule, zowel in algemene zin als toegespitst op de beoogde locatie van de franchisenemer, duidelijke grenzen aan de vertrouwelijkheidseisen, welke informatie voldoende lang vóór de ondertekening van de overeenkomst schriftelijk beschikbaar moet zijn, en, waar dit passend is, invoering van een afkoelingsperiode na de ondertekening van de overeenkomst; wijst er tevens op dat de franchisegever de franchisenemer, zo nodig, gedurende de looptijd van de overeenkomst commerciële en technische bijstand moet blijven verlenen;

21.  onderstreept dat de franchisenemer gedurende de looptijd van de overeenkomst eventueel behoefte heeft aan een gespecialiseerde initiële opleiding en aan deugdelijke begeleiding door en informatie van de franchisegever;

22.  herinnert eraan dat de franchisenemer verplicht is zich in te zetten voor de groei van het franchisebedrijf en voor het bewaren van de gemeenschappelijke identiteit en reputatie van de franchiseketen, en hiertoe loyaal moet samenwerken met alle partners in de keten, onder eerbiediging van de industriële- en intellectuele-eigendomsrechten die aan de franchiseformule zijn verbonden, en met inachtneming van de mededingingsregels;

23.  voegt daar evenwel aan toe dat sommige franchisegevers van hun franchisenemers verlangen dat zij producten en diensten kopen die geen verband houden met de franchiseformule; zo’n vereiste behoort niet tot de verplichting van de franchisenemer tot het bewaren van de gemeenschappelijke identiteit en reputatie van de franchise-keten, maar kan al snel een oneerlijke handelspraktijk inhouden;

24.  benadrukt dat concurrentiebedingen redelijk, proportioneel en duidelijk geformuleerd moeten zijn, met een geldigheidsduur die niet langer is dan strikt noodzakelijk, met name omdat een franchisenemer zich genoopt kan zien van franchiseformule te veranderen als de buurt verandert en daarmee de vraag naar producten of diensten;

25.  stelt vast dat de onlineverkoop aanleiding geeft tot problemen, aangezien deze verkoop van toenemend belang is voor het franchisebedrijfsmodel, maar niet is geregeld in traditionele franchiseovereenkomsten, waarin geen rekening wordt gehouden met het effect ervan op de in die overeenkomsten vastgestelde bepalingen; stelt daarom voor om in voorkomend geval in franchiseovereenkomsten bepalingen in verband met de onlineverkoop op te nemen, met name wanneer er geen evenwicht bestaat tussen de macht van de franchisegever en die van de franchisenemer, vooral in het geval van een kmo;

26.  verzoekt de Commissie een openbare raadpleging te organiseren om onbevooroordeelde informatie te vergaren over de reële toestand in de franchisingsector, en niet-wetgevende richtsnoeren op te stellen waarin de beste praktijken zijn verwerkt voor het functioneren van franchising in de detailhandel, vooral in het licht van de nieuwste technologische en marktontwikkelingen, zoals internetverkoop, en deze uiterlijk in januari 2018 aan het Parlement voor te leggen; vraagt de Commissie in dit verband een analyse te maken van de bestaande vormen van zelfregulering en van de wetgevingspraktijk in de lidstaten op het gebied van franchising in de detailhandel, en haar bevindingen aan het Parlement mee te delen, met haar aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van de franchisingsector in de EU;

27.  beklemtoont dat het Parlement actief moet worden betrokken bij alle werkzaamheden in verband met franchising in de detailhandel, zoals wanneer verordeningen en richtlijnen betreffende franchising worden aangepast om tot een samenhangender en coherenter regelgevingskader te komen;

Mededingingsrecht

28.  benadrukt dat Verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen(8) in de lidstaten op eenvormige wijze moet worden toegepast, en betreurt het gebrek aan informatie over de toepassing van deze verordening;

29.  meent dat de Commissie moet nagaan of de doeltreffendheid van die verordening niet wordt ondergraven door een ongelijke toepassing in de lidstaten en of de verordening aansluit bij recente marktontwikkelingen, met name wat de vrijgestelde postcontractuele bepalingen en aankoopvoorwaarden betreft;

30.  is van mening dat de Commissie moet nagaan in hoeverre de toepassing van de verordening via een beoordelingsmechanisme in het kader van het Europees netwerk van mededingingsautoriteiten kan worden verbeterd; beklemtoont dat de niet-eenvormige follow-upmaatregelen van de Commissie een belemmering vormen voor de grensoverschrijdende detailhandel en niet zorgen voor een gelijk speelveld binnen de eengemaakte markt;

31.  meent dat een betere tenuitvoerlegging van de verordening op nationaal niveau de distributie zou verbeteren, de markttoegang voor ondernemingen uit andere lidstaten zou vergemakkelijken en uiteindelijk de eindconsumenten ten goede zou komen;

32.  meent dat de Commissie ook onderzoek moet doen naar de onbedoelde gevolgen van het mededingingsrecht in elke afzonderlijke lidstaat;

33.  moedigt de Commissie aan om een openbare raadpleging door te voeren en het Parlement in te lichten over de geschiktheid van het model waarop de toekomstige groepsvrijstellingsverordening wordt gebaseerd;

34.  verzoekt de Commissie ook te zorgen voor de terugvordering van illegale overheidssteun die via belastingvoordelen bij franchising is verkregen, en blijk te geven van vastberadenheid bij het uitvoeren van lopende onderzoeken; wijst er voorts op dat de EU behoefte heeft aan duidelijkere wetgeving inzake fiscale rulings; verzoekt de Commissie om alle inbreuken op het gebied van franchising recht te zetten, teneinde eerlijke mededinging op de hele eengemaakte markt te verzekeren;

35.  verzoekt de Commissie marktfalen aan te pakken en belastingontduiking en -ontwijking op het gebied van franchising op doeltreffende wijze te bestrijden;

36.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of het nodig is de verordening te herzien en in dat verband na te gaan en het Parlement mee te delen 1) welke impact de horizontale aanpak heeft op de werking van franchising; 2) of het in de verordening gekozen franchisingmodel beantwoordt aan de marktsituatie; 3) in hoeverre de zogenaamde "toegelaten verticale beperkingen", d.w.z. de voorwaarden waaronder de franchisenemers bepaalde goederen of diensten mogen aankopen, verkopen of doorverkopen, evenredig zijn en nadelige gevolgen hebben voor de markt en de consumenten; 4) met welke nieuwe uitdagingen franchisegevers en franchisenemers in de context van e-handel en de digitalisering worden geconfronteerd; en 5) marktinformatie te verzamelen, wat betreft nieuwe trends, marktontwikkelingen op het gebied van netwerkorganisatie en technologische vooruitgang;

37.  verzoekt de Commissie de regels voor de handhaving van de verordening door de lidstaten te herzien, en de toepassing ervan proportioneel aan te passen om de beoogde doelen te bereiken;

o
o   o

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 468 van 15.12.2016, blz. 140.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0250.
(3) IP/A/IMCO/2015-05, PE 578.978.
(4) IP/A/IMCO/2016-08, PE 587.317.
(5) PE 587.325.
(6) "Juridische aspecten rond het reguleringskader en de uitdagingen voor franchising in de EU", studie in opdracht van de commissie IMCO, september 2016, blz. 12.
(7) "Bestrijding van oneerlijke handelspraktijken tussen ondernemingen in de voedselvoorzieningsketen" (COM(2014)0472).
(8) PB L 102 van 23.4.2010, blz.1.


Een ruimtestrategie voor Europa
PDF 224kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 over een ruimtestrategie voor Europa (2016/2325(INI))
P8_TA(2017)0323A8-0250/2017

Het Europees Parlement,

—  gezien artikel 4 en artikel 189 van titel XIX van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 26 oktober 2016 getiteld "Ruimtestrategie voor Europa" (COM(2016)0705),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 februari 2013 getiteld "EU-industriebeleid op het gebied van de ruimtevaart" (COM(2013)0108),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 april 2011 getiteld "Naar een ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de burger" (COM(2011)0152),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Connectiviteit voor een competitieve digitale eengemaakte markt – Naar een Europese gigabitmaatschappij" (COM(2016)0587) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0300),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "5G voor Europa: een actieplan" (COM(2016)0588) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0306),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (COM(2016)0590),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 juni 2010 getiteld "Actieplan inzake toepassingen van het wereldwijd satellietnavigatiesysteem (GNSS)" (COM(2010)0308),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21 en de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC en de 11e conferentie van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

–  gezien Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot vaststelling van het Copernicus-programma en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 911/2010(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad(2),

—  gezien Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en monitoring(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 512/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 912/2010 tot oprichting van het Europees GNSS-Agentschap(4),

–  gezien de conclusies van de Raad ter zake en de ministeriële Verklaring van Amsterdam van 14 april 2016 over samenwerking op het gebied van geconnecteerd en geautomatiseerd rijden,

–  gezien het "The Hague Manifesto on Space Policy" van juni 2016,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over de gedeelde visie en doelstellingen voor de toekomst van Europa in de ruimte van de Europese Unie en het Europees Ruimteagentschap, die op 26 oktober 2016 door de Europese Commissie en het Agentschap werd ondertekend,

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2016 over ruimtevaartcapaciteiten voor de Europese veiligheid en defensie(5),

—  gezien zijn resolutie van 8 juni 2016 over marktkansen in de ruimtevaartsector(6),

–  gezien zijn resolutie van 10 december 2013 over het EU-industriebeleid op het gebied van de ruimtevaart – benutting van de groeimogelijkheden in de ruimtevaartsector(7),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2012 getiteld "Naar een ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de burger"(8),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2011 over transporttoepassingen van de globale navigatiesatellietsystemen – EU-beleid op korte en middellange termijn(9),

–  gezien de studie van januari 2016 over marktkansen in de ruimtevaartsector in Europa(10),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie visserij (A8-0250/2017),

A.  overwegende dat de ruimtevaart tal van voordelen biedt voor de maatschappij en de concurrentiekracht van de Europese economie kan vergroten, door de ontwikkeling van vele nieuwe producten en diensten te stimuleren en door de land- en bosbouw, de visserij en het vervoer over water te ondersteunen; overwegende dat satelliettechnologie kan leiden tot een verbetering van de toegang tot communicatietechnologieën, aardobservatiesystemen met een hoog oplossend vermogen die de uitwisseling van informatie in real time mogelijk maken, een snelle respons bij natuurrampen en doeltreffendere grens- en veiligheidscontroles;

B.  overwegende dat ruimtetechnologieën, ruimtegegevens en ruimtediensten talrijke EU-beleidsterreinen en de belangrijkste politieke prioriteiten kunnen ondersteunen, zoals het bevorderen van de digitale eengemaakte markt, het stimuleren van de Europese economie en het aanpakken van de klimaatverandering;

C.  overwegende dat de ruimtevaartsector voor de Europese burgers geen kostenpost is maar een investering, en dat een ambitieuze ruimtestrategie de autonomie van de EU en haar positie op het strategische terrein van de ruimte kan verzekeren en tegelijk voor meer groei, concurrentievermogen en banen kan zorgen in de sectoren ruimtevaartproductie, -operaties en -downstreamdiensten;

D.  overwegende dat de politieke besluiten die in 2007 zijn genomen door het Parlement en de Raad, leidden tot de toewijzing van een begroting aan de Europese satellietnavigatieprogramma's (de "European Geostationary Navigation Overlay Service" (Egnos) en Galileo) en een akkoord omvatten over de governancestructuur van deze programma's;

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "Ruimtestrategie voor Europa" en staat achter de verbintenis van de Commissie om de voordelen van de ruimtevaart voor de economie en de maatschappij te maximaliseren, meer gebruik te maken van ruimtetechnologieën en -toepassingen ter ondersteuning van openbaar beleid, een wereldwijd concurrerende en innovatieve Europese ruimtevaartsector te bevorderen, Europa's autonomie in de ruimte te versterken, de rol van Europa als mondiale speler te versterken en de internationale samenwerking in de ruimte te bevorderen;

2.  herinnert de Commissie eraan dat het van groot belang de continuïteit van de ruimtevaartprogramma's van de EU te verzekeren en zich op de toekomstige ontwikkeling van Galileo en Copernicus te bezinnen, met name om een positief en voorspelbaar investeringsklimaat in de downstreamsector tot stand te brengen; is van mening dat dit alleen kan worden bereikt als de vlaggenschipprogramma's voor de ruimtevaart en een infrastructuur voor downstreamgegevens op langetermijnfinanciering door de overheid kunnen rekenen, waarbij erkend wordt dat een aanzienlijke inbreng van de particuliere sector nodig is;

3.  vestigt de aandacht op de prestaties van de lidstaten, het Europees Ruimteagentschap (ESA) en de Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten (Eumetsat) in de ruimte, met nieuwe technologieën, exploratiemissies alsmede aardobservatie- en meteorologiecapaciteiten;

4.  is van mening dat de programma's Galileo en Copernicus moeten worden beoordeeld voordat de Commissie nieuwe wetgevingsvoorstellen voorlegt als onderdeel van het nieuwe MFK; is van mening dat bij deze beoordeling onder meer moet worden gekeken naar: de toekomstige rol van het Europees GNSS-Agentschap (GSA) in Galileo en zijn mogelijke rol in Copernicus; de vraag hoe de relatie van het GSA met het ESA kan worden vereenvoudigd; en de huidige splitsing tussen de kerntaken en de gedelegeerde taken van dat agentschap; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan dat het GSA over de capaciteit moet beschikken om nieuwe taken uit te voeren, voordat er taken aan het agentschap worden toegewezen;

5.  benadrukt dat de resultaten van die beoordeling ook moeten worden meegenomen in toekomstige gesprekken over de betrekkingen tussen de EU en het ESA, rekening houdend met de op 26 oktober 2016 ondertekende gezamenlijke verklaring van de EU en het ESA; vraagt de Commissie, samen met het ESA, te onderzoeken hoe het complexe institutionele landschap van de Europese ruimtevaartgovernance kan worden vereenvoudigd om zo in het belang van een grotere doeltreffendheid en kostenefficiëntie de verantwoordelijkheden beter te kunnen toewijzen;

6.  onderstreept dat het GSA over voldoende personeel moet beschikken om een soepele werking en exploitatie van de Europese GNSS-programma's te waarborgen; vraagt de Commissie na te gaan of, rekening houdend met de huidige en toekomstige taken van het GSA, de aan het GSA toegewezen middelen adequaat zijn; is van mening dat het personeelsbeleid en de procedure op dit gebied moeten worden aangepast aan de nieuwe taken die aan het GSA zijn toebedeeld, overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013;

7.  beklemtoont dat de volgende EU-begroting een grotere ruimtebegroting moet omvatten dan de huidige en de hele waardeketen (ruimte- en grondsegment, aardobservatie, navigatie en communicatie) moet ondersteunen teneinde te kunnen inspelen op de huidige en toekomstige uitdagingen, en dat dit moet worden gewaarborgd in de loop van de aanstaande herziening van het MFK; wijst er nogmaals op dat de ontwikkeling van downstreammarkten staat of valt met de tijdige uitvoering en de voortdurende ontwikkeling van de programma's Galileo en Copernicus, en dat voldoende financiering daarvan prioriteit dient te krijgen; benadrukt dat bij de besluitvorming over de begroting in het volgende MFK de Europese meerwaarde en de unieke bijdrage van de ruimtevaartprogramma's van de EU behouden moeten blijven en verder moeten worden uitgebouwd;

8.  verzoekt de Commissie na te gaan of kan worden geprofiteerd van synergieën tussen de ruimtevaartprogramma's van de EU, om daarmee de effectiviteit en de kostenefficiëntie te verhogen; vindt ook dat de uitwisseling van informatie tussen de bij het Europese ruimtebeleid betrokken EU-agentschappen moet worden versterkt om verdere synergie-effecten te behalen; wijst op de toenemende convergentie tussen de diverse werkterreinen; verzoekt de Commissie jaarlijks verslag uit te brengen over de manier waarop en de mate waarin de EU-agentschappen met elkaar samenwerken;

9.  benadrukt dat het van groot belang is de bestaande belemmeringen voor de werking van de interne markt voor ruimtevaartproducten en -diensten in kaart te brengen en aan te pakken;

De voordelen van de ruimtevaart voor de maatschappij en de economie van de EU maximaliseren

10.  wijst er uitdrukkelijk op dat ruimtevaartprogramma's en de bijbehorende diensten belangrijke troeven zijn op beleidsterreinen en in economische sectoren als energie, klimaat, milieu, veiligheid en defensie, gezondheidszorg, landbouw, bosbouw, visserij, vervoer, toerisme, de digitale markt en mobiele communicatie, regionaal beleid en ruimtelijke ordening; is van mening dat hier een enorm potentieel ligt voor het aanpakken van uitdagingen als migratie, grensbeheer en duurzame ontwikkeling; benadrukt ook het belang van een Europese ruimtevaartstrategie voor een alomvattend maritiem beleid van de EU; stelt vast dat commercieel gebruik van teledetectiesatellieten en -systemen de samenleving aanzienlijke voordelen biedt;

11.  verzoekt de Commissie de volledige economische benutting van de programma's Galileo, Egnos en Copernicus te versnellen door: passende streefcijfers voor de marktintegratie vast te stellen; de toegang tot Copernicusgegevens en de verwerking ervan te verbeteren om ondernemingen, in het bijzonder kmo's en starters, in staat te stellen toepassingen op basis van ruimtegegevens te ontwikkelen; te zorgen voor een betere aansluiting op andere digitale diensten - zoals intelligente vervoerssystemen, het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer, rivierinformatiediensten, SafeSeaNet en conventionele navigatiesystemen - en de mogelijkheden voor oplossingen uit de ruimtevaart te vergroten; benadrukt de voordelen waarvan burgers en bedrijven profiteren dankzij de gegevens en diensten op het gebied van satellietnavigatie en aardobservatie;

12.  is ingenomen met de activiteiten van de Commissie gericht op het verkrijgen van cloudplatforms voor aardobservatiegegevens om ervoor te zorgen dat Europa ten volle de economische vruchten plukt van haar vlaggenschipprogramma's voor de ruimtevaart, gebruikers duurzame toegang te verschaffen en de opbouw van deskundigheid te bevorderen; spoort de Commissie aan vaart te zetten achter haar werkzaamheden op dit terrein, zodat de eerste gegevensplatforms in 2018 in gebruik kunnen worden genomen; is van mening dat alle aanbestedingen voor deze platforms open dienen te staan voor particuliere actoren;

13.  vraagt de Commissie de werking van de met de uitvoering van Copernicus belaste entiteiten te evalueren, met name met het oog op het vereenvoudigen en stroomlijnen van hun aanbestedingsprocedures, zodat kmo's er gemakkelijker aan kunnen deelnemen;

14.  benadrukt de noodzaak van "ruimtebestendige" wetgeving, en herhaalt zijn verzoek uit zijn eerder genoemde resolutie over marktkansen in de ruimtevaartsector dat de Commissie stelselmatig een "ruimtecontrole" uitvoert voordat zij nieuwe wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen doet; verzoekt de Commissie de belemmeringen voor het gebruik van ruimtetechnologieën door de overheidssector weg te nemen, bijvoorbeeld om de naleving van nieuwe en bestaande Europese wetgeving te controleren; is van mening dat het overheidsbeleid aanzienlijk kan worden verbeterd met behulp van ruimtevaarttechnologie, uitgaande van voorbeelden als eCall en de digitale tachograaf; vraagt de Commissie en de lidstaten het gebruik van ruimtevaarttechnologie door Europese, nationale, regionale en lokale autoriteiten te stimuleren, bijvoorbeeld door Europese aardobservatiegegevens of -diensten in te kopen ten behoeve van beleidsdoelstellingen ;

15.  wijst op het proefproject voor een schonere ruimte door verwijdering van afval uit de baan rond te aarde en het gebruik van innovatieve materialen voor ruimteapparatuur; dit project heeft ten doel de haalbaarheid en doeltreffendheid van een toekomstig gezamenlijk technologie-initiatief (GTI) voor de ruimtevaartsector vast te stellen; erkent dat voldoende publieke en particuliere middelen van vitaal belang zijn om de duurzaamheid en het concurrentievermogen van de Europese ruimtevaartsector zeker te stellen en de rol van de EU als mondiale speler in de ruimtevaart te vergroten;

16.  is van mening dat de bijdrage die Copernicus levert bij de aanpak van de klimaatverandering, verder moet worden uitgebreid; verzoekt de Commissie de op Copernicus gebaseerde capaciteiten voor de meting van broeikasgasemissies, waaronder CO2-emissies, die momenteel in het kader van Horizon 2020(11) worden ontwikkeld, zo snel mogelijk op te zetten om te kunnen doen wat in de COP21-overeenkomst als noodzakelijk wordt omschreven, en een doeltreffende uitvoering van deze overeenkomst mogelijk te maken; steunt de ontwikkeling van toekomstige satellieten voor de monitoring van CO2 en methaan;

17.  is ingenomen met de verklaring van 15 december 2016 over de initiële diensten van Galileo; benadrukt dat een breed gebruik van het Galileo-signaal een eerste voorwaarde is voor de ontwikkeling van een sterke downstreammarkt voor ruimtetoepassingen en -diensten en dat er passende maatregelen, eventueel ook van regelgevende aard, moeten worden genomen om van volledige comptabiliteit met Galileo en Egnos de norm te maken voor apparaten die in de EU worden verkocht, en om de invoering van voor Galileo en Egnos geschikte apparaten op de wereldmarkt te bevorderen; verzoekt de Commissie tevens na te denken over maatregelen om het concurrentievermogen van de Europese GNSS-downstreamsector te vergroten;

18.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat op GNSS gebaseerde klokken in kritieke infrastructuur geschikt zijn voor Galileo en Egnos, hetgeen vanuit veiligheidsoogpunt bijzonder belangrijk is;

19.  wijst erop dat satellieten ononderbroken connectiviteit met een zeer grote capaciteit kunnen leveren, met name in afgelegen en ultraperifere gebieden, hetgeen van essentieel belang is voor het dichten van de digitale kloof, de ontwikkeling van snelle netwerken en de uitbreiding van het internet der dingen, waardoor diensten zoals zelfrijdende auto's, intelligent wagenpark- en goederenbeheer en toepassingen op het gebied van e-overheid, e-leren en e-gezondheid mogelijk worden; benadrukt het aanvullend karakter van terrestrische en op ruimtevaart gebaseerde technologieën bij het leveren van netwerken met een zeer grote capaciteit; wenst dat de Commissie dit inziet en de bijdrage van satellieten op dit gebied naar waarde schat; beklemtoont ook dat er passende frequentiebanden moeten worden gereserveerd voor de exploitatie van dergelijke satellietdiensten; wenst dat hierop wordt ingegaan in de lopende wetgevingswerkzaamheden betreffende telecommunicatienetwerken, waarbij voldoende in O&O moet worden geïnvesteerd; is tevens van mening dat de ruimtestrategie voor Europa gecoördineerd moet worden uitgevoerd met de digitale strategieën van de Commissie, met de ondersteuning van de lidstaten en het bedrijfsleven, om een efficiënt en vraaggestuurd gebruik van satellietcommunicatie te bevorderen en zo de universele connectiviteit ("ubiquitous connectivity") in de gehele EU te stimuleren;

20.  onderstreept de belangrijke rol van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) voor de stimulering van downstreammarkten, voornamelijk via openbare aanbestedingen, ook in landen die nog niet over een grote ruimtevaartsector beschikken, en wijst erop dat dit moet worden aangekaart in de lopende besprekingen over de toekomst van het cohesiebeleid; steunt de invoering van gerichte maatregelen ter versterking van de capaciteit om de lidstaten en regio's bij te staan die hun eerste schreden op ruimtevaartgebied zetten; wijst erop dat de regionale dimensie van vitaal belang is om de voordelen van de ruimtevaart te ontsluiten voor de burgers en dat de betrokkenheid van lokale en regionale autoriteiten kan zorgen voor synergieën met strategieën voor slimme specialisatie en de EU-stedenagenda; is daarom voorstander van een grotere rol van regionale en lokale overheden in een succesvol EU-ruimtevaartbeleid, waaronder de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee; beklemtoont dat het Comité van de Regio's lid van het forum van Copernicus-gebruikers moet worden om recht te doen aan het belang van regionale en lokale actoren als gebruikers van Copernicus-gegevens;

21.  benadrukt dat gebruikers als kmo's en lokale en regionale autoriteiten zich nog altijd onvoldoende bewust zijn van de financieringsmogelijkheden, waaronder die van de Europese Investeringsbank, voor aan Galileo of Copernicus gerelateerde projecten, en dat de doelgerichte verspreiding van informatie over deze mogelijkheden dringend moet worden verbeterd;

22.  wijst erop dat de ruimtevaarttechnologie en de twee vlaggenschipprogramma's van de EU op dit gebied ertoe hebben bijgedragen dat het vervoer ter land, ter zee en in de lucht en de ruimte slimmer, veiliger en duurzamer is geworden en geïntegreerd is in toekomstige strategische sectoren, zoals die van de autonome en geconnecteerde auto's en de onbemande luchtvaartuigen; is van mening dat de ruimtestrategie kan helpen voorzien in nieuwe vervoersbehoeften zoals zekere en naadloze connectiviteit, preciezere plaatsbepaling, intermodaliteit en interoperabiliteit; moedigt de Commissie aan om de belanghebbenden uit de vervoersector te betrekken bij de dialoog met de ruimtevaartsector om transparantie te waarborgen, en het gebruik van Europese ruimtevaarttechnologie op de vervoersmarkt te faciliteren teneinde het concurrentievermogen van vervoersdiensten uit de EU op de Europese en de wereldmarkt te vergroten; verzoekt de Commissie en de lidstaten aandacht te besteden aan de ontwikkeling van het ruimtetoerisme;

23.  verzoekt de Commissie de invoering van Egnos-landingsprocedures voor kleinere, maar ook voor grotere luchthavens te ondersteunen; wijst nogmaals op de financiële voordelen en de grotere precisie, veerkracht en veiligheid die Egnos kan bieden bij veiligheidskritieke toepassingen zoals vliegtuiglandingen, en op het belang van uitbreiding van de dekking van Egnos, bij voorrang tot Zuidoost- en Oost-Europa, en verder tot Afrika en het Midden-Oosten; is voorts van mening dat Galileo een centrale rol kan spelen in de luchtverkeersleiding, namelijk als hoeksteen in de overgang van radartoezicht naar satelliettoezicht;

24.  benadrukt daarnaast dat het van belang is dat vliegtuigen worden uitgerust met vanuit de ruimte ondersteunde ADS-B-technologie (Automatic Dependent Surveillance - Broadcast) en dat exploitanten worden verplicht om hun vliegtuigen uit te rusten met ADS-B om de accuraatheid en betrouwbaarheid van de realtime plaatsbepaling van vliegtuigen te waarborgen en brandstofbesparingen te verwezenlijken;

25.  benadrukt het belang van de EU-ruimteprogramma's voor mariene vraagstukken, de scheepvaart, visserijactiviteiten en de blauwe economie in het algemeen, bijvoorbeeld voor: de bestrijding van de illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij; het onderzoeken en beoordelen van de toestand en de gezondheid van de oceanen en de visstand; het ondersteunen van de productiviteit van viskwekerijen; het faciliteren van maritiem onderzoek; en de verlening van zoek- en reddingsdiensten alsmede satellietverbindingen voor medische apparatuur aan boord; wijst in dit verband op de behoefte aan capaciteiten in de ruimte voor oceaantoezicht en een goede coördinatie tussen Galileo-, Egnos- en Copernicus-diensten;

Bevordering van een mondiaal concurrerende en vernieuwende Europese ruimtevaartsector

26.  beklemtoont dat het succes en de concurrentiekracht van de ruimtevaartsector en de ontwikkeling van baanbrekende technologieën sterk afhangen van onderzoek en innovatie; dringt aan op verruiming en verlenging van de begrotingslijn voor de ruimtevaart in het negende kaderprogramma; vestigt de aandacht op het belang van volledige samenwerking tussen de EU, het ESA en de lidstaten om de efficiëntie te waarborgen en dubbel werk te voorkomen, met name op terreinen waar diverse actoren het onderzoek financieren; is van mening dat onderzoek en innovatie dienen te worden gestimuleerd en gefinancierd ten behoeve van een breed spectrum aan ruimtetechnologieën; spoort de Commissie aan het kmo-instrument sterker te gebruiken ter vergroting van de commerciële mogelijkheden op het gebied van ruimtevaartproducten en -diensten, zowel in Horizon 2020 als in toekomstige kaderprogramma's;

27.  verzoekt de Commissie bij openbare aanbestedingen toe te zien op een billijke behandeling van EU-ondernemingen ten opzichte van ondernemingen uit derde landen, met name door rekening te houden met de prijzen die ondernemingen voor klanten elders ter wereld hanteren, teneinde ervoor te zorgen dat regels worden nageleefd en marktdeelnemers eerlijke praktijken in acht nemen, met het oog op eerlijke concurrentie; benadrukt dat de Europese ruimtevaartindustrie met een steeds scherpere internationale concurrentie te maken heeft; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om het gebruik van innovatieve aanbestedingsinstrumenten te versterken;

28.  benadrukt dat het belangrijk is de Europese industriële basis te versterken en de strategische autonomie van de EU te waarborgen door de toeleveringsbronnen te diversifiëren en optimaal gebruik te maken van meerdere EU-aanbieders; is daarom van mening dat de betrokkenheid van het bedrijfsleven op alle niveaus en op evenwichtige wijze moet worden gestimuleerd, en verzoekt de Commissie de Europese ruimtevaartsector in alle stadia van de waardeketen te ondersteunen; gelooft dat ruimtevaartclusters een nuttige rol kunnen spelen binnen de strategie voor de ruimtevaartindustrie;

29.  verzoekt de Commissie steun te verlenen aan de Europa-brede ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen op het gebied van ruimtevaart en van technologieën die een omwenteling teweeg kunnen brengen in de sector en tot kostenverlaging leiden (bijvoorbeeld Europese technologieën die het mogelijk maken om kleine satellieten te lanceren, zoals herbruikbare ballonnen of satellietlanceerders);

30.  vraagt de Commissie bij de vaststelling van de looptijd van overheidsopdrachten op het vlak van ruimtevaartinfrastructuur en -diensten rekening te houden met de situatie en behoeften van kmo's, teneinde voor alle ruimtevaartondernemingen een gelijk speelveld tot stand te brengen;

31.  beklemtoont dat er kordater moet worden geïnvesteerd in onderwijs en opleiding van Europese burgers op het vlak van de ruimtevaart, zodat o.a. de mogelijkheden die door de ruimtevaart worden gecreëerd volledig kunnen worden benut tijdens de overgang naar een digitale samenleving; wijst erop dat prestaties in de ruimtevaart belangrijk zijn om toekomstige generaties te inspireren en een gevoel van Europese identiteit te ontwikkelen; benadrukt daarom dat er verder moet worden gewerkt aan een bredere gecoördineerde aanpak van het Europese ruimtevaartonderwijs, waardoor jongeren worden aangemoedigd een beroep te kiezen in wetenschap en technologie in dienst van de ruimtevaart;

32.  onderstreept dat deelname aan de optionele programma's van het ESA, in het kader waarvan Europese bedrijven en universiteiten of onderzoeksinstellingen betrokken worden bij het ontwerpen van spitstechnologie voor ruimtemissies en -systemen, essentieel en fundamenteel is voor de ontwikkeling van de capaciteit van de Europese ruimtevaartindustrie; benadrukt dat deelname aan deze programma's de deur opent naar ondernemerschap op dit gebied en toegang geeft tot hoogtechnologische en bijzonder kennisintensieve wetenschappelijke projecten, hetgeen ook positieve gevolgen kan hebben op het gebied van vervoer;

Versterking van Europa's autonomie inzake toegang tot en gebruikmaking van de ruimte in een klimaat van zekerheid en veiligheid

33.  herinnert eraan dat de ruimteprogramma's van de EU civiele programma's zijn en wijst er nogmaals op dat het zich inzet voor de niet-militarisering van de ruimte; erkent niettemin, gezien de strategische dimensie van de ruimtevaartsector voor Europa, dat het nodig is om de synergie tussen civiele en veiligheids-/defensieaspecten te verbeteren en gebruik te maken van ruimtevaartcapaciteiten om te voorzien in de behoefte aan beveiliging en veiligheid, waarbij ook rekening wordt gehouden met het geopolitieke klimaat en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid; is van mening dat de Commissie de synergieën tussen de Europese ruimtevaartprogramma's en het in november 2016 voorgestelde actieplan inzake Europese defensie dient te onderzoeken om de algehele samenhang op dit strategische gebied te waarborgen;

34.  verzoekt de Commissie de vraag van de kant van institutionele afnemers uit de Europese Unie en de lidstaten te bundelen om een onafhankelijke, kosteneffectieve en betrouwbare toegang tot de ruimte te waarborgen door middel van de Europese draagraketten Ariane, Vega en hun toekomstige opvolgers; is van mening dat dit van het allergrootste belang is uit een oogpunt van crisisbeheer en met het oog op een stabiel en efficiënt Europees veiligheids- en defensiebeleid;

35.  steunt de doelstelling van de Commissie om na te gaan hoe Europese lanceervoorzieningen kunnen worden ondersteund indien dit noodzakelijk is om een antwoord te vinden op beleidsdoelstellingen en behoeften van de EU op het gebied van autonomie, veiligheid en concurrentievermogen; benadrukt daarom het belang van de Europese "Spaceport" in Kourou (Frans-Guyana) en wijst erop dat er precies moet worden gekeken naar de economische en sociale voordelen voor het betrokken gebied;

36.  wijst er nogmaals op dat het begrip "onafhankelijke toegang tot de ruimte" niet los kan worden gezien van het onafhankelijke vermogen van Europa om ruimtevaartsystemen te ontwerpen, te ontwikkelen, te lanceren, te gebruiken en te exploiteren;

37.  stelt vast dat er geen duidelijkheid is omtrent de voortzetting van het Europese draagrakettenprogramma op een langere termijn dan drie tot vier jaar (Ariane 6 en Vega C), noch omtrent de financiële situatie ervan; maakt zich zorgen over het ontbreken van een lanceerprogramma voor de middellange en lange termijn; verzoekt de Commissie met klem om met een werkprogramma inzake draagraketten in Europa voor de komende 20 jaar te komen;

38.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling van alternatieve lanceertechnologieën en de toepassing van de beginselen van ecologisch ontwerp bij alle satellietlanceerders en ruimtevaartproducten te stimuleren;

39.  is van oordeel dat in de volgende generatie satellietsystemen meer aandacht moet worden besteed aan de veiligheid van de Galileo-infrastructuur, met inbegrip van het grondsegment, de capaciteit voor tweeërlei gebruik van Galileo en Copernicus alsook de verbetering van de nauwkeurigheid en encryptie; herinnert eraan dat de publieke gereguleerde dienst (PRS) van Galileo, die uitsluitend bestemd is voor door de overheid gemachtigde gebruikers, in de toekomst een belangrijke rol kan vervullen bij het reageren op nieuwe dreigingen, met name in het geval van een crisis;

40.  vestigt de aandacht op de kwetsbaarheid van infrastructuur in de ruimte voor interferentie of aanvallen door al dan niet namens een staat optredende actoren, en voor een reeks andere risico's, waaronder botsingen met ruimteschroot of andere satellieten; wijst er nogmaals op dat het belangrijk is de vitale infrastructuur en communicatiemiddelen te beveiligen en robuuste technologie te ontwikkelen; ziet het groeiende belang van de ruimte en van ruimtevaarttechnologie voor zowel civiele als militaire toepassingen, met name op het gebied van communicatie, inlichtingen, surveillance en verkenning, rampenbestrijding en wapenbeheersing, en benadrukt het cruciale belang van ruimtevaartcapaciteiten in de strijd tegen terrorisme; moedigt verder investeringen aan om vaart te zetten achter de ontwikkeling van nieuwe ruimtevaartmogelijkheden en -technologieën; acht het noodzakelijk om de capaciteiten te vergroten om op te treden tegen nieuwe dreigingen in de ruimte, wat het vermogen van de Europese ruimtevaartsector om te reageren op veranderende markten, actoren en technologieën zou vergroten;

41.  verzoekt de Commissie de risico's die van ruimteschroot uitgaan te beperken door de huidige SST-diensten ("space surveillance and tracking") te verbeteren, teneinde een programma op te zetten voor een onafhankelijk systeem dat de gevaren van ruimteschroot voor Europese ruimtevaartinfrastructuur kan herkennen, maatregelen om botsingen te voorkomen ondersteunt en op de langere termijn brokstukken actief verwijdert; steunt de plannen van de EU om SST breder op te zetten om vanuit de ruimte weersverwachtingen op te stellen, en stelt voor daarnaast ook aandacht te besteden aan objecten die zich nabij de aarde bevinden, gezien de mogelijk rampzalige gevolgen bij een botsing; benadrukt dat de capaciteiten en expertise op deze gebieden, ook die bij het ESA, moeten worden ontwikkeld en uitgebreid; bekrachtigt de noodzaak zo veel mogelijk open gegevens te verstrekken om onderzoek en innovatie te bevorderen.

42.  wijst op het toenemende belang van de cyberveiligheid voor ruimtevaartprogramma's, en merkt op dat dit probleem bijzonder nijpend is omdat onze economie grotendeels afhankelijk is van aan de ruimtevaart gerelateerde diensten; verzoekt de Commissie de risico's voor de ruimtevaartmiddelen van de EU te beperken door passende maatregelen te treffen, waaronder zo nodig het gebruik van encryptie, om de ruimtevaartinfrastructuur tegen cyberdreigingen te beschermen; vraagt de Commissie er verder voor te zorgen dat alle betrokken agentschappen met het oog op mogelijke cyberaanvallen over noodplannen beschikken;

43.  is van oordeel dat het geplande Govsatcom-initiatief veelbelovend is voor de toegang tot veilige, efficiënte en kosteneffectieve diensten voor Europese institutionele actoren, omdat het inspeelt op de behoeften van gebruikers op tal van terreinen en tegelijkertijd de groei, het concurrentievermogen en de innovatie in de hele Europese sector voor telecommunicatie via satellieten stimuleert; verzoekt de Commissie, als de effectbeoordeling voldoende positief uitvalt, het geplande Govsatcom-initiatief op kosteneffectieve wijze te ontwerpen - bijvoorbeeld door het bundelen en delen van capaciteiten of de aankoop van diensten van commerciële communicatiesatellieten - en ervoor te zorgen dat het initiatief een aanzienlijke toegevoegde waarde oplevert en dat er geen bestaande structuren worden gedupliceerd;

44.  onderstreept het belang van een alomvattend Europees ruimtevaartbeleid, dat een doeltreffende bijdrage moet leveren aan de versterking van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid door de betrokken instellingen van onafhankelijke informatie te voorzien, bijvoorbeeld in de vorm van realtime-omgevingsbewustzijn;

Versterking van de rol van Europa als mondiale speler en bevordering van internationale samenwerking

45.  verzoekt de Commissie om de ruimtevaartproducten van de EU en haar industriële capaciteit op dit vlak in alle relevante aspecten van haar externe betrekkingen te promoten;

46.  is van mening dat het voor het garanderen van een vreedzame en veilige situatie in de ruimte nodig is dat er met de internationale partners normen voor verantwoord gedrag en duurzaamheid worden afgesproken, met name ten aanzien van exploratieactiviteiten, en verzoekt de Commissie daartoe nauw samen te werken met de EDEO en de lidstaten;

47.  wijst op de noodzaak van internationale coördinatie van het ruimteverkeer en het beheer van ruimteschroot, een behoefte die zeker zal toenemen door de geplande installatie van zogeheten megaconstellaties en door de congestie op satellietbanen nabij de aarde die kan ontstaan door de voortdurende daling van de lanceerkosten;

48.  vraagt de Commissie een oog te houden op de huidige doelstellingen van de particuliere sector op gebieden als de ruimtemijnbouw en na te gaan wat de gevolgen daarvan kunnen zijn voor het bestaande rechtskader en met name het Ruimteverdrag; is van mening dat de grondbeginselen van dit verdrag overeind moeten blijven en dat een wedloop naar niet-hernieuwbare grondstoffen in de ruimte moet worden voorkomen; dringt erop aan dat de lidstaten aan een gecoördineerde Europese benadering werken, en verzoekt de Commissie het voortouw te nemen bij het bereiken van overeenstemming; is zich ervan bewust dat de ruimte tot het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid behoort;

49.  is zeer ingenomen met het voornemen van de Commissie om met behulp van economische diplomatie nieuwe zakelijke mogelijkheden te openen voor de Europese ruimtevaartindustrie; beklemtoont dat Europese spelers in de markten van derde landen moeten worden gesteund door de Commissie en, waar van toepassing, de autoriteiten van de lidstaten, hetzij individueel hetzij via het ESA, en door organen als het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA); beveelt aan om vooraf plannen voor een dergelijke gecoördineerde ondersteuning op te stellen;

Een doeltreffende uitvoering waarborgen

50.  wijst erop dat het Parlement een actieve rol dient te vervullen in de ontwikkeling van het ruimtevaartbeleid van de EU en dat het moet worden betrokken bij alle overleg van de Commissie, de Raad, de EDEO en het ESA over onderwerpen die raken aan dit beleid;

51.  is van oordeel dat democratisch draagvlak belangrijk is voor investeringen in de ruimtevaart; verzoekt de Commissie met een goed doordachte en alomvattende communicatiestrategie te komen over de voordelen van ruimtetechnologieën voor burgers en bedrijfsleven; dringt er bij de Commissie op aan om bij de uitvoering van deze strategie uit te gaan van de volgende drie pijlers, waarmee telkens een belangrijke doelgroep wordt aangesproken: (a) vergroting van het bewustzijn bij het grote publiek over de noodzaak van investeringen in de ruimtevaart; (b) voorlichting aan kmo's en ondernemers over de kansen die de vlaggenschipprogramma's voor de ruimtevaart bieden; (c) onderwijs op ruimtevaartgebied om de vaardigheidskloof te dichten; vraagt de Commissie zo snel mogelijk een stappenplan aan het Parlement voor te leggen voor de ontwikkeling van deze communicatiestrategie;

52.  verzoekt de Commissie een tijdschema op te stellen voor de tenuitvoerlegging van de in de strategie voorgestelde maatregelen, regelmatig verslag uit te brengen over de uitvoering ervan, waar nodig wetgeving voor te stellen en aanvullende, concrete maatregelen op te stellen die nodig zijn om de in de strategie geschetste doelstellingen binnen de gestelde tijd te halen;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Europees Ruimteagentschap.

(1) PB L 122 van 24.4.2014, blz. 44.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1.
(3) PB L 158 van 27.5.2014, blz. 227.
(4) PB L 150 van 20.5.2014, blz. 72.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0267.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0268.
(7) PB C 468 van 15.12.2016, blz. 12.
(8) PB C 227 E van 6.8.2013, blz. 16.
(9) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 1.
(10) Space Market Uptake in Europe, studie voor de Commissie ITRE, directoraat-generaal Intern Beleid, Beleidsondersteunende afdeling A, 2016, ISBN 978-92-823-8537-1.
(11) https://ec.europa.eu/research/participants/data/ref/h2020/wp/2016_2017/main/h2020-wp1617-leit-space_en.pdf blz.48.


Academisch aanvullend en afstandsonderwijs als onderdeel van de Europese strategie voor een leven lang leren
PDF 308kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 over academische bijscholing en afstandsonderwijs als onderdeel van de Europese strategie voor een leven lang leren (2016/2142(INI))
P8_TA(2017)0324A8-0252/2017

Het Europees Parlement,

–   gezien de artikelen 8, 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 14,

–   gezien de verklaring van Kopenhagen van 30 november 2002 betreffende intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en ‑opleiding,

–   gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020)(1),

–   gezien het gezamenlijk verslag 2012 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) – "Onderwijs en opleiding in een slim, duurzaam en inclusief Europa"(2),

–   gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over een doeltreffende lerarenopleiding,

–   gezien het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) – "Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding"(3),

–   gezien de resolutie van de Raad van 20 december 2011 over een nieuwe Europese agenda voor volwasseneneducatie(4),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 20 november 2012 getiteld "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten" (COM(2012)0669),

–   gezien de conclusies van de Raad van 17 februari 2014 over investeren in onderwijs en opleiding, een antwoord op "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten" en de jaarlijkse groeianalyse voor 2013(5),

–   gezien Besluit nr. 1720/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 tot vaststelling van een actieprogramma op het gebied van een leven lang leren(6),

–   gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat in 2010 door de EU is geratificeerd,

–   gezien Aanbeveling 2006/962/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(7),

–   gezien de conclusies van de Raad van 19 november 2010 over onderwijs voor duurzame ontwikkeling(8),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(9),

–   gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren(10) (EQF-LLL),

–   gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over kwaliteitsborging in onderwijs en opleiding(11),

–   gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren – een concept van levenslang leren(12),

–   gezien zijn resolutie van 23 juni 2016 over de follow-up van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020)(13),

–   gezien het advies van het Comité van de Regio's van 31 januari 2014 getiteld "Naar een opener onderwijs"(14),

–  gezien het onderzoek van de Commissie naar onderwijs en opleiding 2020: verbetering van het beleid en het onderwijsaanbod voor volwassenen in Europa(15),

–   gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende arbeidsmarkt in de EU voor de 21ste eeuw: het afstemmen van vaardigheden en kwalificaties op vraag en werkgelegenheid, als een manier om de crisis te boven te komen(16),

–   gezien de conclusies van de Raad over het Europees pact voor gendergelijkheid (2011‑2020)(17),

–   gezien de ontwerpconclusies van de Raad getiteld "De vaardigheden van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt van de EU verbeteren" van 20 februari 2017(18),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 28 november 2011 over een nieuwe Europese agenda voor volwasseneneducatie,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0252/2017),

A.  overwegende dat onderwijsstelsels ten gevolge van de digitale transformatie te maken hebben met aanzienlijke uitdagingen, die niet alleen gevolgen hebben voor onderwijs- en leerprocessen maar ook voor de noodzaak om de capaciteit voor sociale integratie, burgerparticipatie en persoonlijke ontwikkeling te versterken en de Europese democratische waarden en tolerantie te bevorderen, teneinde ruimdenkendheid te stimuleren en iedere vorm van intolerantie te voorkomen; overwegende dat een goede beheersing van digitale vaardigheden en zelfvertrouwen belangrijke voorwaarden zijn voor het opbouwen van sterke samenlevingen en het bevorderen van de eenheid en de integratieprocessen binnen de EU;

B.  overwegende dat de Europese strategie voor een leven lang leren moet worden versterkt; overwegende dat er voor eenieder, in welke levensfase dan ook, mogelijkheden moeten zijn op het gebied van een leven lang leren, om zo de kennis en de vaardigheden te verwerven die nodig zijn voor de eigen persoonlijke en professionele ontwikkeling; overwegende dat een leven lang leren in formele, niet-formele en informele context, waarmee actief burgerschap en inzetbaarheid worden bevorderd, een belangrijk aspect is van door deze veranderingen beïnvloed onderwijs;

C.  overwegende dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om de synergie tussen onderwijs en werkgelegenheid te verbeteren, door zowel de intrede op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken als personen in staat te stellen hun vaardigheden voortdurend bij te houden en in de loop van hun carrière nieuwe vaardigheden te verwerven; overwegende dat de lidstaten manieren moeten vinden om langetermijninvesteringen in onderwijs, onderzoek en innovatie te beschermen of te bevorderen;

D.  overwegende dat academische bijscholing en afstandsonderwijs in aanzienlijke mate bijdragen tot individuele persoonlijke ontwikkeling en de opbouw van menselijk kapitaal, en tot een integrerend onderdeel moeten worden gemaakt van de Europese strategie voor een leven lang leren;

E.  overwegende dat academische bijscholing en afstandsonderwijs een steeds grotere rol spelen als het erom gaat om werknemers te helpen zich tijdens hun werkzame leven aan te passen aan economische en technologische veranderingen; overwegende dat tegen 2025 49% van alle vacatures in de EU (zowel nieuwe banen als banen die in de plaats komen van andere) een hoog kwalificatieniveau zal vereisen, 40% een gemiddeld kwalificatieniveau en slechts 11% lage of geen kwalificaties;

F.  overwegende dat afstandsonderwijs en academische bijscholing belangrijke middelen zijn om iedereen individuele en flexibele onderwijsmogelijkheden te bieden, zonder daarbij enig onderscheid te maken(19); onderstreept in dit verband hoe belangrijk het is om te zorgen voor strategieën voor verruiming van de toegang;

G.  overwegende dat academische bijscholing en afstandsonderwijs en het gebruik van nieuwe technologieën kunnen bijdragen tot de bewustmaking van meisjes en vrouwen van nieuwe carrièremogelijkheden, met name op gebieden waarop zij ondervertegenwoordigd zijn; overwegende dat, hoewel meer vrouwen dan mannen een diploma hoger middelbaar onderwijs en hoger onderwijs hebben, de aanwezigheid van vrouwen in zowel het beroepsonderwijs als in STEM-gerelateerde sectoren (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) moet worden versterkt;

H.  overwegende dat afstandsonderwijs een van de mogelijkheden is voor academische bijscholing die vanwege de flexibele aard ervan bijzonder gunstig is als het gaat om het vinden van een evenwicht tussen studie, werk en privéleven;

I.  overwegende dat met afstandsonderwijs(20) een organisatievorm van lesgeven wordt bedoeld die, middels het gebruik van digitale onderwijstechnologieën, een grote mate van flexibiliteit biedt, niet als vervanging voor onderwijs op de campus, maar als alternatief voor lerenden die niet kunnen deelnemen aan onderwijs op de campus;

J.  overwegende dat onder afstandsonderwijs een methode van lesgeven wordt verstaan die voorziet in flexibiliteit qua leren middels het gebruik van opkomende technologieën, niet als vervanging voor onderwijs op de campus, maar als alternatief voor lerenden die niet kunnen deelnemen aan onderwijs op de campus en voor werknemers die werken en leren willen combineren; overwegende dat digitalisering derhalve zou kunnen worden ingezet als een instrument om nieuwe toegangsmogelijkheden tot hoger onderwijs te bieden;

K.  overwegende dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een fundamenteel beginsel van de EU is, dat is verankerd in de Verdragen en een van de doelstellingen en taken van de Unie is; overwegende dat gelijkheid in het onderwijs vrouwen meer mogelijkheden biedt en bijdraagt aan de sociale, culturele en economische ontwikkeling van de samenleving; overwegende dat onderwijs een essentieel middel is om genderstereotypen te bestrijden;

L.  overwegende dat de gemiddelde arbeidsparticipatie van vrouwen rechtstreeks verband houdt met hun respectievelijke opleidingsniveaus in de zin dat de arbeidsparticipatie van vrouwen tussen de 25 en 49 die het tertiair onderwijs hebben afgerond meer dan 20% hoger ligt dan de arbeidsparticipatie van vrouwen die slechts preprimair, primair of lager secundair onderwijs hebben gevolgd;

M.  overwegende dat afstandsonderwijs een positief effect kan hebben op de ICT-vaardigheden van vrouwen; overwegende dat de toetreding van meer vrouwen tot de ICT-sector bevorderlijk zou zijn voor een markt waarop arbeidstekorten worden verwacht; voorts overwegende dat de gelijke deelname van vrouwen jaarlijks een winst van ongeveer 9 miljard EUR zou opleveren voor het Europese bbp; overwegende dat vrouwen nog altijd sterk ondervertegenwoordigd zijn in ICT-opleidingen, aangezien zij slechts circa 20% uitmaken van het aantal afgestudeerden op dit gebied, en aangezien slechts 3% van alle vrouwelijke afgestudeerden een ICT-opleiding heeft gevolgd;

N.  overwegende dat programma's voor afstandsonderwijs grote aantallen vrouwen bereiken in samenlevingen waar het vrouwen ontbreekt aan mogelijkheden om deel te nemen aan conventionele vormen van onderwijs en opleiding, aangezien vrouwen nog altijd meer tijd besteden aan onbetaald huishoudelijk werk en zorg voor hun gezin dan mannen; overwegende dat dergelijke cursussen deze vrouwen de flexibiliteit bieden om een evenwicht te vinden tussen werk en privé; voorts overwegende dat afstandsonderwijs in het bijzonder gericht is op studenten die buiten de traditionele doelgroep vallen;

O.  overwegende dat onder academische bijscholing – een van de overheidstaken op het gebied van hoger onderwijs – cursussen worden verstaan die vaak naast een voltijdbaan kunnen worden gevolgd bij een academische instelling, waarbij doorgaans wordt voortgebouwd op beroepservaring en waarvoor gewoonlijk een universitair diploma is vereist;

P.  overwegende dat de aanpassing aan de economische en technologische veranderingen die zich in een steeds hoger tempo voltrekken, een grote uitdaging vormt voor de vergrijzende beroepsbevolking; voorts overwegende dat het aanpakken van deze uitdaging een van de sleutelelementen zal zijn om het langtermijnconcurrentievermogen van de economie van de EU te waarborgen;

Q.  overwegende dat de erkenning van eerder genoten onderwijs een impuls zou kunnen geven aan beleid op het gebied van een leven lang leren en loopbaanontwikkeling;

R.  overwegende dat de toekenning, in het kader van een leven lang leren, van vrije tijd voor persoonlijke ontwikkeling en opleiding bevorderlijk is voor het welzijn van werknemers en ten goede komt aan hun bijdrage aan de samenleving, doordat zij specifiekere persoonlijke en professionele vaardigheden verwerven waarmee ze sterker in hun schoenen komen te staan; overwegende dat academisch afstandsonderwijs voorziet in flexibele studievormen die mensen helpen tot een beter evenwicht tussen werk en privéleven te komen; overwegende dat een leven lang leren op universitair niveau (university lifelong learning; ULLL) deel moet uitmaken van de Europese digitaliseringsstrategie;

S.  overwegende dat digitalisering flexibiliteit en interactiviteit van het onderwijsproces mogelijk maakt en van essentieel belang is voor de verdere ontwikkeling van academische bijscholing en afstandsonderwijs;

T.  overwegende dat technologische verandering sterkere en permanentere verbindingen vergt tussen onderwijs en werkgelegenheid;

U.  overwegende dat het feit dat academische instellingen niet geneigd zijn tot verandering het lastig maakt om curricula, de voorschriften voor cursussen en examens, en de toelatingsvoorwaarden te hervormen;

V.  overwegende dat academische bijscholing en afstandsonderwijs snel groeiende sectoren zijn met een aanzienlijk potentieel in termen van economische groei en het scheppen van werkgelegenheid;

W.  overwegende dat er nog altijd tal van belemmeringen voor academische bijscholings- en afstandsonderwijstrajecten bestaan(21);

Bijscholing en afstandsonderwijs om maatschappelijke en economische verandering in goede banen te leiden

1.  erkent dat online- en open onderwijs de wijze verandert waarop onderwijs wordt gefinancierd, aangeboden en gevolgd; onderstreept in dit verband het belang van open leermiddelen (open educational resources; OER), die ervoor zorgen dat iedereen toegang heeft tot onderwijs en die de inzetbaarheid vergroten door het proces van een leven lang leren te ondersteunen;

2.  merkt op dat veel onderwijs- en opleidingsinstellingen moeite hebben om voldoende in te spelen op de ingrijpende en complexe veranderingen die onze samenlevingen en economieën ondergaan, en veranderingen moeten doorvoeren in termen van bestuur, organisatiestructuren en werkwijze; benadrukt dat nieuwe, flexibele en toegankelijke vormen van een leven lang leren – geschikt voor personen van alle leeftijden – een aantal van deze uitdagingen, zoals sociale uitsluiting, voortijdig schoolverlaten en een mismatch in vaardigheden, met succes het hoofd kunnen bieden;

3.  erkent dat digitalisering en de oprichting van onderwijsplatforms voor samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken cruciaal zijn om deze uitdagingen het hoofd te bieden;

4.  wenst dat de Commissie en de lidstaten, in het kader van de nationale strategieën voor digitale vaardigheden, meer inspanningen leveren om de technologische kloof te dichten tussen onderwijsinstellingen die goed uitgerust zijn en instellingen die dat niet zijn;

5.  benadrukt dat maatregelen ter bevordering van een leven lang leren essentieel zijn om ervoor te zorgen dat vrouwen over de vaardigheden beschikken om terug te keren op de arbeidsmarkt of hun baan, inkomen of arbeidsomstandigheden te verbeteren; wijst op de noodzaak van verdere verbeteringen ten aanzien van de aanwezigheid van vrouwen in en hun toegang tot hogere niveaus van de academische wereld;

6.  wijst op het belang van onderwijs bij het bestrijden van genderstereotypen; dringt derhalve bij de Commissie aan op de bevordering van initiatieven ter ondersteuning van het opzetten van beroepsopleidingen op afstand voor vrouwen, waaronder hoger onderwijs op het gebied van wetenschap, technologie en IT, initiatieven gericht op de ontwikkeling van opleidingsprogramma's over gendergelijkheid voor personen die werkzaam zijn in het onderwijs, en initiatieven die erop gericht zijn te voorkomen dat stereotypen worden doorgegeven via onderwijsprogramma's en studiemateriaal;

7.  benadrukt dat burgers door academische instellingen moeten worden voorbereid op kennismaatschappijen en voortdurend veranderende economieën, en dat er vaardigheden voor zelfstandig leren, ondernemingszin en transversale vaardigheden aan hen moeten worden bijgebracht, zoals probleemoplossend en aanpassingsvermogen, opdat zij hun weg weten te vinden en zich volledig kunnen ontplooien;

8.  onderstreept voorts dat academische instellingen een belangrijke rol spelen bij de bevordering van actief burgerschap en studenten transversale vaardigheden moeten bijbrengen, zoals sociale en burgerschapscompetenties en burgerzin;

9.  erkent dat een studentgeoriënteerde benadering van onderwijs de schooluitvalpercentages verlaagt en studenten in staat stelt hun volledige potentieel tot uitdrukking te laten komen(22); onderstreept in dit verband het belang van een leven lang loopbaanbegeleiding voor iedereen;

10.  erkent het potentieel van het delen van kennis ter verbetering van de actieve deelname van burgers aan en het internationaal begrip van burgers in continu veranderende samenlevingen;

11.  erkent dat moet worden toegewerkt naar nauwe samenwerking tussen onderwijs- en opleidingsinstellingen, lokale gemeenschappen en de economie; benadrukt voorts dat er, om een impuls te geven aan mogelijkheden voor een leven lang leren voor iedereen, meer synergie moet worden gecreëerd tussen aanbieders van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs;

12.  is van mening dat eenieder, in welke levensfase dan ook, het recht op toegang tot leer- en opleidingsmogelijkheden moet hebben, om zo transversale vaardigheden te kunnen verwerven, zoals rekenkundige onderlegdheid, digitale en mediageletterdheid, kritisch denken, sociale vaardigheden en andere relevante levensvaardigheden, teneinde beter te worden toegerust voor de toekomst;

13.  onderstreept het belang van de totstandbrenging van ondersteuning op maat voor lerenden op de werkplek, stagiairs en werknemers, om de integratie van alle mensen op de arbeidsmarkt te waarborgen; is van mening dat het essentieel is om nieuwe technologieën op te nemen in het onderwijs- en leerproces, teneinde mensen de juiste vaardigheden, competenties en kennis bij te brengen om hen in staat te stellen op innovatieve en creatieve wijze gebruik te maken van digitale technologieën;

14.  roept op er beter voor te zorgen dat burgers op de arbeidsmarkt komen en blijven, door hun competenties te verbeteren aan de hand van academische bijscholing en afstandsonderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding; benadrukt dat mogelijkheden op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding aantrekkelijker moeten worden gemaakt voor jongeren en hun families en dat de toegang tot informatie over deze mogelijkheden moet worden verbeterd; herinnert er in dit opzicht aan dat de doelstelling inzake de leermobiliteit in de sector beroepsonderwijs en -opleiding in het Erasmus+-programma bij lange na nog niet is behaald en dat dit een punt van aandacht is;

15.  wijst op het belang van Erasmus+ en Horizon 2020 voor de bevordering van een leven lang leren; roept de lidstaten derhalve op het potentieel van deze programma's ten volle te benutten; en benadrukt dat er programma's moeten worden opgezet die zijn toegespitst op specifiek op werk gerichte academische bijscholing;

16.  erkent dat de toegang tot inclusief, kwalitatief hoogwaardig onderwijs van essentieel belang is en dat daarom ondersteuning nodig is voor open en afstandsonderwijs, zodat kan worden voldaan aan de specifieke behoeften van degenen die niet door traditionele onderwijssystemen worden bereikt – vooral als het gaat om kansarme groepen; wenst dat de lidstaten hierin investeren;

Belang van kwaliteit en flexibiliteit in het onderwijs

17.  acht de immer toenemende kwaliteit van zowel formeel als informeel onderwijs cruciaal voor de inspanningen van de EU om sociale cohesie, concurrentievermogen en aanhoudende groei te waarborgen;

18.  benadrukt dat ondernemingen, om concurrerend te blijven en zowel laag- als hoogopgeleide werknemers de grootste kans van slagen te geven, in samenwerking met onderwijs- en opleidingsinstellingen cursussen en loopbaangerichte onderwijsprogramma's moeten aanbieden die werknemers tijdens hun werkzame leven kunnen volgen;

19.  benadrukt dat kwaliteitsmethoden voor de overdracht van kennis en vaardigheden van bijzonder belang zijn met het oog op onderwijsresultaten; wijst op de noodzaak om de beroepsontwikkeling en de voortdurende bijscholing van het onderwijspersoneel te ondersteunen en erin te investeren; onderstreept in dit verband dat er hoge normen moeten worden gewaarborgd in het afstandsonderwijs en benadrukt hoe belangrijk het is om nieuwe didactische en leermodellen te ontwikkelen als onderdeel van het innovatieproces en de geleidelijke digitalisering van het onderwijs; erkent in dit verband dat toereikende infrastructuur en middelen essentiële factoren zijn om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren;

20.  merkt op dat dit vereist dat rekening wordt gehouden met docenten en dat zij naar waarde worden geschat, en dat wordt voorzien in aantrekkelijke vergoedingen en arbeidsomstandigheden, en in betere toegang tot bijscholing onder werktijd, met name op het gebied van digitale didactiek;

21.  dringt er bij universiteiten op aan zich op steeds grotere schaal op afstandsonderwijs te richten en het afstandsonderwijs uit te breiden met gratis beroepsopleidingen;

22.  benadrukt dat studenten die cursussen voor afstandsonderwijs volgen, gegarandeerde mogelijkheden moeten hebben om te communiceren met en te worden beoordeeld door docenten, zodat zij gedurende hun opleiding voldoende steun, sturing en stimulans krijgen;

23.  erkent dat flexibele onderwijsvormen, zoals afstandsonderwijs en gemengd leren, mensen met een baan in staat stellen werk en/of onderwijs te combineren met hun gezins- en privéleven;

24.  erkent de sleutelrol die afstandsonderwijs speelt voor personen die vanwege hun fysieke gesteldheid geen lessen kunnen volgen op de campus;

25.  staat achter het idee van onderwijs- en bijscholingscursussen op maat voor degenen die tertiair onderwijs wensen te volgen en die verdere kwalificaties moeten verwerven om aan toelatingseisen te voldoen;

26.  benadrukt dat gestreefd moet worden naar een flexibelere en persoonlijkere aanpak van loopbaanontwikkeling en een leven lang leren en opleiding gedurende de persoonlijke loopbaantrajecten; erkent de rol die hierin is weggelegd, niet alleen voor publieke maar ook voor private spelers, en erkent tegelijkertijd dat begeleiding en advisering met aandacht voor de individuele behoeften en gericht op de beoordeling en uitbreiding van individuele vaardigheden, al vanaf een vroeg stadium een kernelement van het onderwijs- en vaardigheidsbeleid moeten vormen;

27.  benadrukt hoe belangrijk interactiviteit is als het gaat om de verbetering van de kwaliteit van afstandsonderwijs met behulp van moderne communicatiemethoden die de mogelijkheid bieden tot praktijkoefeningen en de ontwikkeling van communicatievaardigheden en die het mogelijk maken lerenden bij het didactische proces te betrekken;

28.  is voorstander van het idee om de toegang tot een leven lang leren te waarborgen, met name om de terugkeer op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, onder meer voor vrouwen en verzorgers;

29.  wijst op de noodzaak van permanente monitoring van afstandsonderwijs als onderdeel van de voortdurende modernisering van onderwijsmethoden en -instrumenten;

30.  benadrukt dat jongeren vaardigheden moeten ontwikkelen die hen in staat stellen zelfstandig te studeren (zoals de organisatie van werkzaamheden, informatieverwerking, kritisch denken en motivatie) zodat ze in de toekomst op doeltreffende wijze gebruik kunnen maken van geavanceerde technologieën om hun vaardigheden te ontwikkelen met behulp van afstandsonderwijs;

Bijscholing en afstandsonderwijs als een ontwikkelingsinstrument voor universiteiten

31.  erkent dat academische bijscholing en afstandsonderwijs ontwikkelingsmogelijkheden creëren voor instellingen voor hoger onderwijs om hun competentiegebied uit te breiden en hun programma-aanbod te diversifiëren, zodat ze zich ook op andere, nieuwe doelgroepen kunnen richten en hun inkomsten kunnen diversifiëren, daarbij in gedachten houdend dat de kosten van afstandsonderwijs lager liggen dan de kosten van cursussen op de campus;

32.  erkent dat afstandsonderwijs aanmoedigt tot de ontwikkeling van interdisciplinaire gebieden en het volgen van internationale opleidingen;

33.  wenst dat universiteiten hun aanbod aan afstandsonderwijs uitbreiden;

34.  erkent de rol die strategieën voor slimme specialisatie (RIS3) spelen bij de ontwikkeling van belangrijk regionaal potentieel op grond van de behoeften van de arbeidsmarkt;

Technologische uitdagingen

35.  erkent de noodzaak om snelle technologische veranderingen bij te benen, met name wat afstandsonderwijs betreft, en ziet in dat het belang en de afhankelijkheid van ICT niet genoeg kunnen worden benadrukt; is van mening dat ICT een middel is om optimaal en op kosteneffectieve wijze het hoofd te bieden aan grote uitdagingen op het gebied van onderwijs en ontwikkeling; is van mening dat inspanningen gepaard moeten gaan met grootschalige investeringen in onderwijs, onder meer vanuit het Europees Sociaal Fonds, dit met het oog op de ontwikkeling van digitale vaardigheden en mediageletterdheid op alle niveaus;

36.  stelt tot zijn spijt vast dat het vandaag de dag een groot probleem is dat zowel docenten als studenten over onvoldoende ICT-kennis beschikken; onderstreept andermaal dat technische bekwaamheid van belang is om het potentieel van afstandsonderwijs te kunnen benutten en de tenuitvoerlegging van nieuwe onderwijs- en leermethoden te kunnen bevorderen;

37.  wijst erop dat de digitale kloof moet worden aangepakt en dat iedereen in gelijke mate toegang moet krijgen tot digitale technologieën, alsook tot de competenties, attitudes en de motivatie die nodig zijn voor digitale participatie;

38.  wijst erop dat slechts een vierde van de schoolgaande kinderen in Europa les krijgt van digitaal onderlegde docenten, hetgeen een grote belemmering vormt voor het tot bloei komen van nieuwe onderwijsmethoden; roept de lidstaten daarom op meer steun te verstrekken voor scholings- en bijscholingsmogelijkheden, onder meer in de vorm van cursussen op het gebied van ICT- en mediageletterdheid en levenslange loopbaankansen voor docenten;

39.  beklemtoont dat geïnvesteerd moet worden in en steun moet worden verleend voor de professionele ontwikkeling van leraren uit alle onderwijssectoren en dat er diensten voor levenslang loopbaanadvies moeten worden opgericht;

40.  erkent het belang van nieuwe digitale platformen op het gebied van onderwijs, maar legt ook de nadruk op de veiligheids- en privacykwesties waarmee zowel academische instellingen als studenten te maken hebben;

41.  benadrukt het belang van STEM-vaardigheden, en betreurt wederom dat er op dit gebied sprake is van een onevenwichtige man-vrouwverhouding;

Financiële uitdagingen

42.  erkent dat er passende financiële middelen ter beschikking moeten worden gesteld voor kwaliteitsonderwijs en leren op maat; wijst erop dat afstandsonderwijs kan voorzien in leerdergericht en kwalitatief hoogwaardig onderwijs, tegen lagere kosten; benadrukt hoe belangrijk het is dat de industrie en het bedrijfsleven meer financiële en concrete betrokkenheid aan de dag leggen;

43.  benadrukt dat de onkosten op het vlak van onderwijs moeten worden erkend als een investering op de lange termijn die blijvende voordelen met zich meebrengt;

44.  is van mening dat kosten geen belemmering mogen vormen voor de inschrijving voor en de deelname aan onderwijs en erkent tegelijkertijd de onderliggende problemen die niet alleen resulteren in hoge kosten maar er ook toe leiden dat burgers de inschrijvingskosten in sommige lidstaten niet kunnen opbrengen; spoort de Commissie en de lidstaten daarom aan afstandsonderwijs beter te ondersteunen en te bevorderen als een kwalitatieve, betaalbare, flexibele en op maat gesneden onderwijsvorm;

Uitdagingen ten aanzien van het regelgevingskader

45.  erkent de verschillen in de regelgevingskaders voor traditioneel beroepsonderwijs, academische bijscholing en afstandsonderwijs; benadrukt dat afstandsonderwijs volgens dezelfde regels als onderwijs op de campus geaccrediteerd moet worden, aan de hand van relevante indicatoren en overeenkomstig aangepaste criteria;

46.  erkent het belang van actieve governance en de betrokkenheid van belanghebbenden;

47.  erkent het belang van kwaliteitsborging in afstandsonderwijs en de accreditatie van de resultaten ervan;

48.  herinnert eraan dat tal van bestaande Europese transparantie-instrumenten, zoals het Europees kwalificatiekader (EKK) en het Europees studiepuntensysteem voor beroepsonderwijs en -opleiding (Ecvet), als op zichzelf staande instrumenten zijn ontwikkeld; erkent dat deze instrumenten, om personen in staat te stellen hun vooruitgang en mogelijkheden beter in kaart te brengen en profijt te trekken van de in verschillende contexten opgedane leerresultaten, beter moeten worden gecoördineerd en ondersteund door kwaliteitsborgingssystemen en moeten worden opgenomen in een kader van nationale kwalificaties om vertrouwen te kweken tussen sectoren en actoren, met inbegrip van werkgevers;

49.  erkent het onverminderde belang van gemengd en online leren, met name in de context van beroepsonderwijs en -opleiding; benadrukt dat de combinatie van contactonderwijs en kwalitatief hoogwaardige digitale technologieën betere studieresultaten oplevert en verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve gemengd leren beter te ondersteunen en te bevorderen;

50.  dringt er bij de Commissie op aan de Europese strategie voor een leven lang leren te versterken en academische bijscholing en afstandsonderwijs een integrerend onderdeel te laten uitmaken van de strategie teneinde de aanpassing van de vergrijzende bevolking aan de economische en technologische verandering te bevorderen; wenst dat de Commissie daarnaast nagaat of een verhoging van de financiering voor academische bijscholing en afstandsonderwijs via bestaande en toekomstige programma's tot de mogelijkheden behoort;

51.  ziet de noodzaak in van een omvattende multisectoriële en multidisciplinaire benadering van onderwijs en opleiding, met inbegrip van een leven lang leren, en van sectoroverschrijdende samenwerking met betrekking tot de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van onderwijsbeleid;

Aanbevelingen op Europees niveau

52.  benadrukt dat samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken tussen onderwijssystemen moeten worden bevorderd; moedigt voorts aan tot de uitwisseling, bij de ontwikkeling van criteria inzake de erkenning van nieuwe onderwijs- en leervormen, van goede praktijken door nationale organisaties voor kwaliteitsborging;

53.  dringt aan op een herziening van het Europees kwalificatiekader (EKK) om de vergelijkbaarheid van kwalificaties te bevorderen tussen landen die onder het EKK vallen en andere landen, met name landen van het Europees nabuurschap en landen met goed ontwikkelde kwalificatiekaders, teneinde meer inzicht te verkrijgen in in het buitenland behaalde kwalificaties en mensen met een migratieachtergrond en vluchtelingen te laten deelnemen aan een leven lang leren en de arbeidsmarkt;

54.  roept de Commissie op via Erasmus+ aanzienlijk meer steun te verstrekken voor academische bijscholing en afstandsonderwijs, en wel door de ontwikkeling van Europese netwerken en de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen, projecten op te zetten waarbij instellingen in diverse lidstaten worden betrokken, en studenten uit andere Europese en derde landen ruimere toegang te bieden;

55.  wenst dat er een gebruikersvriendelijk onlineplatform wordt opgezet, als een onestopshop waar beroepsbeoefenaren uit het onderwijs en lerenden de uitwisseling van beste praktijken kunnen vergemakkelijken;

56.  roept de Commissie op een veilig en geïntegreerd leerplatform te ontwikkelen dat gericht is op en gratis wordt aangeboden aan Europese onderwijsinstellingen, waardoor het gebruik van e-learning in de gehele EU een impuls krijgt;

57.  erkent de noodzaak eTwinning en het portaal voor schoolonderwijs verder te ontwikkelen ter ondersteuning van constructieve uitwisselingen tussen leraren en andere praktijkmensen;

58.  spoort ertoe aan continue academische bijscholing (die niet alleen onderzoeksgericht is) en het beroepsonderwijs, dat is gericht op de verwerving van vaardigheden, meer aan elkaar te koppelen en ervoor te zorgen dat men te allen tijde zich kan inschrijven en dergelijk onderwijs kan volgen;

59.  beveelt aan inspanningen op het gebied van een leven lang leren te bekrachtigen met een Europese digitaliseringsstrategie en een gendereffectbeoordeling van de voorgestelde en uit te werken maatregelen;

60.  is ingenomen met het ambitieuze plan om tegen 2025 ultrasnel internet aan te leggen in basisscholen, middelbare scholen en bibliotheken, omdat snellere en betere connectiviteit enorm veel mogelijkheden biedt om onderwijsmethodes te verrijken, onderzoek te bevorderen en online onderwijsdiensten van hoge kwaliteit te ontwikkelen; wijst erop dat door de ontwikkeling van deze technologieën betere mogelijkheden voor afstandsonderwijs ontstaan, vooral in plattelandsgebieden en in de ultraperifere gebieden; benadrukt dat dergelijke mogelijkheden de digitale vaardigheden en de mediageletterdheid van kinderen en studenten sterk zullen verbeteren;

61.  benadrukt dat de aanpassing van onderwijs- en opleidingsstelsels essentieel is om te kunnen voldoen aan de groeiende vraag naar digitaal geschoolde werknemers in de EU; benadrukt dat er, om een werkelijk uniforme digitale markt tot stand te brengen in Europa, verdere inspanningen moeten worden geleverd om de mediageletterdheid onder burgers en consumenten te verbeteren;

62.  onderstreept het belang van intensivering van de Europese inspanningen om de strategie voor een leven lang leren voor iedereen werkelijkheid te laten worden, in combinatie met de doelstelling om daarnaast tal van leermogelijkheden aan te bieden die kunnen worden benut met het oog op persoonlijke ontwikkeling en ontplooiing; spoort de Commissie en de lidstaten aan het concept van een leven lang leren te bevorderen en hierin te investeren, met name in landen met een deelnamepercentage onder de benchmark van 15%;

63.  roept de lidstaten op samenwerking te bevorderen en de synergieën tussen aanbieders van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs te versterken, teneinde een grotere groep mensen te bereiken en zodoende beter rekening te houden met hun specifieke behoeften;

64.  beveelt aan dat docenten die cursussen verzorgen binnen het afstandsonderwijs, specifieke en gecertificeerde opleidingen moeten volgen;

Aanbevelingen op het niveau van de lidstaten

65.  roept de lidstaten op te zorgen voor een holistische benadering van onderwijs en studenten authentieke, uiteenlopende en gelijkwaardige leermogelijkheden te bieden om hun ambities te ontwikkelen, evenals de vaardigheden die nodig zijn om te gedijen in een democratische samenleving en in een mondiale economie die voortdurend aan verandering onderhevig is;

66.  moedigt de lidstaten aan om voort te bouwen op bestaande validatieregelingen om de via de vaardighedengarantie verworven vaardigheden te beoordelen en te certificeren en de erkenning ervan te waarborgen met het oog op een kwalificatie overeenkomstig nationale kwalificatiekaders en -systemen;

67.  overwegende dat verdere uitbouw van digitale infrastructuur, met name in dunner bevolkte gebieden, bevorderlijk is voor de maatschappelijke en culturele integratie, voor moderne onderwijs- en informatieprocessen en voor een regionale culturele economie;

68.  roept de lidstaten op mogelijkheden te creëren voor ICT-opleidingen en de ontwikkeling van digitale vaardigheden en mediageletterdheid op alle onderwijsniveaus;

69.  benadrukt andermaal hoe belangrijk het is dat academische instellingen en opleidingsinstituten snel inspelen op veranderingen in de samenleving en op de arbeidsmarkt en dat zij hun werkwijze aanpassen en moderniseren en studenten in staat stellen dienovereenkomstig vaardigheden te ontwikkelen; onderstreept dat onderwijs een empowermentproces is dat een leven lang doorgaat en moet bijdragen tot persoonlijke ontwikkeling, creativiteit en het welzijn van burgers;

70.  dringt er bij academische instellingen op aan te anticiperen op veranderingen in de maatschappij en op de arbeidsmarkt, en hun werkwijze daarop af te stemmen; merkt op dat de ontwikkeling van toekomstgerichte sectoren, met name de groene en circulaire economie, een doorslaggevende rol speelt wat betreft het soort benodigde vaardigheden;

71.  vraagt academische instellingen voorts om meertalige cursussen aan te bieden die zijn afgestemd op de vaardigheden van migranten, om zo de instroom in onderwijsprogramma's soepeler te laten verlopen;

72.  benadrukt dat er meer flexibiliteit moet worden ingebouwd in de onderwijssystemen in de lidstaten, zodat open en online onderwijsmethoden doeltreffender kunnen worden ingezet;

73.  dringt bij de lidstaten aan op het verbeteren van de beschikbaarheid van gegevens over de werkgelegenheid voor en de sociale situatie van afgestudeerden (onderzoek naar de loopbaan van afgestudeerden), met inbegrip van gegevens over de sector beroepsonderwijs en -opleiding;

74.  verzoekt de EU en de lidstaten "onderwijscorridors" te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen door overeenkomsten met Europese universiteiten te bevorderen, zoals de Unie van Mediterrane Universiteiten (Unimed) en de netwerken van universiteiten voor afstandsonderwijs die gevluchte studenten uit conflictgebieden opnemen, onder meer via opleidingsprogramma's voor academisch afstandsonderwijs;

75.  onderstreept het belang van specifiek op academische bijscholing en afstandsonderwijs gerichte scholing voor het onderwijzend personeel van scholen en universiteiten, met als doel om aan de behoeften van hun studenten te voldoen;

76.  benadrukt dat de competenties en vaardigheden die buiten het formele onderwijssysteem worden verworven, erkenning moeten krijgen in de vorm van kwaliteitsborging en accreditering, in het bijzonder met het oog op de versterking van de positie van personen die zich in een kwetsbare of achterstandssituatie bevinden; benadrukt dat het belangrijk is niet-formeel en informeel leren te valideren om lerenden de hand te reiken en hun positie te versterken;

o
o   o

77.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(2) PB C 70 van 8.3.2012, blz. 9.
(3) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 25.
(4) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 1.
(5) PB C 64 van 5.3.2013, blz. 5.
(6) PB L 327 van 24.11.2006, blz. 45.
(7) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.
(8) PB C 327 van 4.12.2010, blz. 11.
(9) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(10) PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.
(11) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 30.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0107.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0291.
(14) PB C 126 van 26.4.2014, blz. 20.
(15) http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/repository/education/library/reports/policy-provision-adult-learning_en.pdf
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0321.
(17) http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52011XG0525(01)&from=SK
(18) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6268-2017-INIT/nl/pdf
(19) zoals neergelegd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de EU.
(20) Wat afstandsonderwijs betreft wordt in Duitstalige landen bijvoorbeeld een onderscheid gemaakt tussen academische en niet-academische disciplines.
(21) A distance learning curriculum on pervasive computing; https://www.researchgate.net/publication/312312226_A_distance_learning_curriculum_on_pervasive_computing
(22) Economics of Education Editors: Dominic J. Brewer, Patrick J. McEwan Equity and Quality in Education Supporting disadvantaged students and schools https://www.oecd.org/education/school/50293148.pdf


Intrekking van achterhaalde verordeningen inzake de sectoren van de binnenvaart en van het vrachtvervoer over de weg ***I
PDF 241kWORD 39k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1101/89 van de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 2888/2000 en (EG) nr. 685/2001 (COM(2016)0745 – C8-0501/2016 – 2016/0368(COD))
P8_TA(2017)0325A8-0228/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0745),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0501/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 maart 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 5 juli 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8‑0228/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2888/2000 en (EG) nr. 685/2001 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 1101/89 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1952.)

(1) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 58.


Bevordering van internetconnectiviteit in lokale gemeenschappen ***I
PDF 251kWORD 39k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 wat de bevordering van internetconnectiviteit in lokale gemeenschappen betreft (COM(2016)0589 – C8-0378/2016 – 2016/0287(COD))
P8_TA(2017)0326A8-0181/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0589),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 172 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0378/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 januari 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 8 februari 2017(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 7 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0181/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 wat de bevordering van internetconnectiviteit in lokale gemeenschappen betreft

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1953.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGRESOLUTIE

GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie komen overeen dat het WiFi4EU-initiatief een betekenisvolle impact en schaalbaarheid moet hebben. Te dien einde noteren zij dat de Commissie, indien een verhoging van 25 000 000 EUR tot 50 000 000 EUR van de financiële enveloppe voor de tenuitvoerlegging van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) niet volledig verzekerd kan worden, herschikkingen ten belope van 120 000 000 EUR binnen die enveloppe zou kunnen voorstellen ter facilitering van de globale financiering voor de bevordering van internetconnectiviteit in lokale gemeenschappen.

(1) PB C 125 van 21.4.2017, blz. 69.
(2) PB C 207 van 30.6.2017, blz. 87.


Maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering ***I
PDF 250kWORD 52k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (COM(2016)0052 – C8-0035/2016 – 2016/0030(COD))
P8_TA(2017)0327A8-0310/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0052),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0035/2016),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrondslag,

–  gezien artikel 294, lid 3, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Oostenrijkse Bondsraad en het Bulgaarse parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 september 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 10 mei 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0310/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 september 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1938.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie met betrekking tot artikel 16 van de verordening

De Commissie is ingenomen met de samenwerkingsmechanismen die zijn vastgesteld in artikel 16 van de voorgestelde verordening, die een belangrijk instrument vormen om de consistentie van preventieve actieplannen en noodplannen tussen de partijen bij de Energiegemeenschap te garanderen.

De Commissie onderstreept hoe belangrijk het is om doeltreffend te waarborgen dat de partijen bij de Energiegemeenschap geen maatregelen nemen die nadelig kunnen zijn voor de leveringszekerheid in de EU en haar lidstaten, en omgekeerd.

Onverminderd haar oorspronkelijke voorstel van 16 februari 2016 zal de Commissie in dit verband overwegen te zijner tijd een aanbeveling te doen aan de Raad overeenkomstig artikel 218 VWEU met het oog op onderhandelingen ter wijziging van het Energiegemeenschapsverdrag. De bedoeling is om een passend wettelijk kader en mechanismen in te stellen, waardoor specifieke bepalingen van de verordening en andere relevante onderdelen van het acquis op het gebied van energie tussen de EU en haar lidstaten enerzijds, en de partijen bij de Energiegemeenschap anderzijds, kunnen worden toegepast zodat een versterkt kader voor gasleveringszekerheid doeltreffend ten uitvoer kan worden gelegd.

(1) PB C 487 van 28.12.2016, blz. 70.


Walvisjacht in Noorwegen
PDF 171kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 over de walvisvangst in Noorwegen (2017/2712(RSP))
P8_TA(2017)0328B8-0499/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de in 1986 in werking getreden overeenkomst van de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) om de vangstlimieten voor commerciële walvisvangst op nul te zetten (het "moratorium"),

–  gezien IWC-resolutie 2016-3 over walvisachtigen en hun bijdrage aan de werking van ecosystemen,

–  gezien IWC-resolutie 2014-2 betreffende over grote afstanden trekkende walvisachtigen,

–  gezien de biodiversiteitsdoelstellingen van Aichi die overeengekomen zijn in het kader van het internationale Verdrag inzake biologische diversiteit,

–  gezien Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006(2) en Verordening (EU) nr. 791/2012 van de Commissie van 23 augustus 2012(3),

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 792/2012 van de Commissie van 23 augustus 2012 tot vaststelling van voorschriften voor het ontwerp van de vergunningen, certificaten en andere documenten waarin Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer voorziet, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie(4),

–  gezien zijn resolutie van 15 september 2016 over de strategische doelstellingen van de EU voor de 17e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites)(5),

–  gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de maatregelen van de Gemeenschap voor de walvisvangst(6),

–  gezien het actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten van 2016,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de walvisvangst in Noorwegen (O‑000058/2017 – B8‑0324/2017),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) in 1982 een moratorium voor alle commerciële walvisvangst heeft ingesteld, dat in 1986 in werking is getreden en nog steeds van kracht is, om de soorten en populaties tegen uitsterven te beschermen en hen in staat te stellen zich te herstellen;

B.  overwegende dat Noorwegen ondanks dit internationale verbod walvissen blijft vangen en in 1993 de commerciële walvisvangst volledig heeft hervat, waarbij het formele bezwaren tegen het moratorium aanvoerde en twijfels uitte en blijft hebben aangaande de Cites-lijsten;

C.  overwegende dat Noorwegen op 19 december 1979 partij is geworden bij de Cites-overeenkomst, als een van de eerste landen die ermee instemden door die overeenkomst gebonden te zijn;

D.  overwegende dat volgens ramingen in de media ongeveer 90 % van de door Noorwegen gedode walvissen vrouwelijk zijn, waarvan de meeste zwanger zijn, doordat ze dan trager reageren;

E.  overwegende dat Noorwegen meer dan 13 000 walvissen heeft gedood sinds het moratorium in 1986 in werking is getreden(7);

F.  overwegende dat de walvisvangst ernstig lijden van individuele dieren veroorzaakt en zowel de complexe sociale structuren van intelligente zoogdieren als de instandhouding van de walvispopulatie in haar geheel in gevaar brengt;

G.  overwegende dat alle grote walvissoorten op de lijst van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad staan, wat aangeeft dat ze met uitsterven bedreigd zijn en dat ook het meest beperkte handelsverkeer het voortbestaan van de soort in gevaar zou brengen; overwegende dat krachtens artikel 8, lid 1, van die verordening de aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten, verboden is;

H.  overwegende dat steeds meer wetenschappelijk bewijs erop wijst dat walvissen de productiviteit van het ecosysteem verbeteren en mogelijk een rol spelen bij de regeling van het CO2-gehalte in de atmosfeer;

I.  overwegende dat Noorwegen eenzijdig zijn eigen vangstlimieten vaststelt; overwegende dat het land voor het walvisseizoen 2017 zijn quotum voor dwergvinvissen verhoogde naar 999 (tegenover 880 in 2016);

J.  overwegende dat de Noorse uitvoer van walvisvlees de afgelopen jaren sterk is gestegen; overwegende dat deze uitvoer in sommige gevallen via EU-havens verloopt;

K.  overwegende dat alleen al in oktober 2016 2 948 kg aan Noorse walvisproducten blijkt te zijn uitgevoerd naar Japan, met doorvoer via minstens drie EU-havens(8);

L.  overwegende dat de doorvoer van walvisvlees via EU-havens is toegestaan, op voorwaarde dat de zendingen vergezeld gaan van geldige Cites-documenten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad;

M.  overwegende dat de Cites-overeenkomst in de eerste plaats de bescherming van de biodiversiteit en met name de instandhouding van soorten tot doel heeft; overwegende dat de habitatrichtlijn van de EU, die bepalend is voor het standpunt van de Gemeenschap inzake walvissen (en dolfijnen), een hervatting van de commerciële visserij op de walvisbestanden in EU-wateren niet toestaat;

N.  overwegende dat Noorwegen door zijn lidmaatschap van de Europese Economische Ruimte nauw betrokken is bij de Unie en haar beleid; overwegende dat de bevolking en de regeringen van Noorwegen en de EU hierdoor sterke culturele banden en gezonde handelsbetrekkingen onderhouden en begaan zijn met de instandhouding van soorten;

1.  verzoekt Noorwegen al zijn commerciële walvisvangstactiviteiten te staken en het IWC-moratorium in acht te nemen;

2.  roept Noorwegen op zijn voorbehoud met betrekking tot de lijst van grote walvissoorten van bijlage I bij de Cites-overeenkomst in te trekken en alle handel in walvisvlees en walvisproducten stop te zetten;

3.  betreurt dat Noorwegen de walvisindustrie subsidieert en de consumptie en het gebruik van uit de walvisvangst afkomstige producten bevordert; verzoekt Noorwegen met klem een einde te maken aan deze subsidies;

4.  spreekt zijn krachtige steun uit voor de handhaving van het wereldwijde moratorium op de commerciële walvisvangst en een verbod op de internationale handel in walvisproducten;

5.  stipt aan dat de lidstaten het actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten hebben onderschreven; wijst op maatregel 9 van dat plan, waarbij de lidstaten en de Commissie ertoe worden opgeroepen strategieën te ontwikkelen met het oog op een betere naleving van de bestaande EU-wetgeving inzake wilde dieren en planten op nationaal niveau;

6.  betreurt dat de Commissie het Parlement bij het debat tijdens de plenaire vergadering van 6 juli 2017 geen gegevens kon of wilde verstrekken over de ladingen walvisvlees die langs EU-havens passeren; dringt er bij de Commissie op aan de nodige gegevens te verzamelen en te verstrekken;

7.  verzoekt de Commissie alle mogelijke manieren te bestuderen om ervoor te zorgen dat walvisvlees niet langer legaal via EU-havens mag worden doorgevoerd, onder meer door aan te bevelen een verbod op dergelijke doorvoer in te stellen, bij wijze van uitzonderlijke maatregel;

8.  betreurt het dat Noorwegen zijn besluit tot dusver niet heeft heroverwogen, ondanks de diplomatieke reacties en het wijdverbreide internationale protest, nu en in het verleden; verzoekt de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Raad bilaterale en multilaterale kanalen aan te wenden om Noorwegen ertoe op te roepen alle commerciële walvisvangst stop te zetten;

9.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan bij de komende vergaderingen tijdens de 67e bijeenkomst van de IWC een gemeenschappelijke benadering van walvisvangst te hanteren, daarbij minstens even behoedzaam te werk te gaan als bij het huidige gezamenlijke standpunt en met derde landen overleg te plegen om meerderheidssteun voor de instelling van walvisreservaten te bewerkstelligen;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Noorwegen.

(1) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(2) PB L 166 van 19.6.2006, blz. 1.
(3) PB L 242 van 7.9.2012, blz. 1.
(4) PB L 242 van 7.9.2012, blz. 13.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0356.
(6) PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 46.
(7) https://iwc.int/table_objection
(8) http://www.maritime-executive.com/article/norways-whaling-comes-under-fire


Toetreding van de EU tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
PDF 433kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (COM(2016)01092016/0062(NLE))
P8_TA(2017)0329A8-0266/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2016)0109),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, dat op 11 mei 2011 in Istanbul voor ondertekening werd opengesteld (hierna het "Verdrag van Istanbul" genoemd),

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 8, 19, 157 en 216 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a),

–  gezien de artikelen 21, 23, 24, 25 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking, die op 15 september 1995 werden goedgekeurd tijdens de vierde Wereldvrouwenconferentie, en de latere slotdocumenten die werden aangenomen tijdens de speciale bijeenkomsten van de Verenigde Naties Peking+5 (2000), Peking+10 (2005), Peking+15 (2010) en Peking+20 (2015),

–  gezien de bepalingen van de juridische instrumenten van de VN op het gebied van mensenrechten en met name vrouwenrechten, zoals het VN-Handvest, de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag inzake de afschaffing van mensenhandel en van de exploitatie van de prostitutie van anderen, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (IVDV) en het facultatieve protocol hierbij, het Verdrag inzake de bescherming tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951, het beginsel van non-refoulement en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, waarbij de EU partij is, met inbegrip van de afsluitende opmerkingen van het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap uit 2015 richting de EU, waarin de EU wordt opgeroepen toe te treden tot het Verdrag van Istanbul teneinde vrouwen en meisjes met een handicap te beschermen tegen geweld,

–  gezien zijn verslag inzake de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap waarin de EU wordt opgeroepen toe te treden tot het Verdrag van Istanbul als volgende stap in het bestrijden van geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap,

–  gezien de algemene opmerking over artikel 6 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap ("Vrouwen en meisjes met een handicap) die het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap op 26 augustus 2016 heeft aangenomen,

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(1),

–  gezien zijn resoluties van 26 november 2009 over de uitbanning van geweld tegen vrouwen(2), van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen(3) en van 6 februari 2013 over uitbanning en preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes met het oog op de 57e Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw (CSW)(4),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie over de bestrijding van geweld tegen vrouwen(5) en de beoordeling van de Europese meerwaarde,

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2016 over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen(6),

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat in maart 2011 door de Raad van de Europese Unie is aangenomen,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van deze groepen,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over meisjes mondig maken door middel van onderwijs in de EU(7),

–  gezien de verklaring van het EU-voorzitterschapstrio bestaande uit Nederland, Slowakije en Malta van 7 december 2015 over gendergelijkheid,

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ(8),

–  gezien Richtlijn 2011/99/EU van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel(9) en Verordening (EU) nr. 606/2013 van 12 juni 2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken(10),

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad(11) en Richtlijn 2011/93/EU van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(12),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep en Richtlijn 2004/113/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten, welke richtlijnen voorzien in een definitie van intimidatie en seksuele intimidatie en deze veroordelen,

–  gezien het stappenplan van de Commissie inzake een mogelijke toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul, gepubliceerd in oktober 2015,

–  gezien het derde kwartaalverslag over de activiteiten van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa van 16 november 2016, in verband met de definitie van gendergerelateerd geweld in het Verdrag van Istanbul,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het voorzitterschap, de Europese Commissie en het Europees Parlement, waarin wordt opgeroepen tot een vlotte toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen, goedgekeurd in Malta op 3 februari 2017,

–  gezien zijn resoluties van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014-2015(13), en van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(14),

–  gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken van het Europees Parlement van 2016, getiteld "Kennis en knowhow: de rol van zelfverdediging bij het voorkomen van geweld jegens vrouwen", met name met betrekking tot de mate waarin zelfverdedigingscursussen kunnen bijdragen tot de tenuitvoerlegging van artikel 12 van het Verdrag van Istanbul,

–  gezien artikel 99, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het interimverslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0266/2017),

A.  overwegende dat gendergelijkheid een fundamentele waarde van de EU is; overwegende dat het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie een grondrecht is dat is verankerd in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten, en dat dit recht volledig moet worden geëerbiedigd, gestimuleerd en toegepast in de wetgeving, de praktijk, de jurisprudentie en het dagelijks leven; overwegende dat volgens de gendergelijkheidsindex in geen van de EU-landen sprake is van volledige gelijkheid van vrouwen en mannen; overwegende dat gendergerelateerd geweld zowel een oorzaak als een gevolg is van ongelijkheid tussen vrouwen en mannen;

B.  overwegende dat moderne vormen van slavernij en mensenhandel met name vrouwen treffen en in de EU nog steeds een hardnekkig verschijnsel vormen;

C.  overwegende dat de lidstaten moeten erkennen dat zodra er geweld is gepleegd, de samenleving al heeft verzaakt aan haar eerste en belangrijkste plicht, de beschermingsplicht, en er enkel nog reactieve maatregelen resten, zoals schadeloosstelling van slachtoffers en vervolging van misdadigers;

D.  overwegende dat de EU, in samenwerking met de lidstaten, alle nodige maatregelen moet nemen ter bevordering en bescherming van het recht van vrouwen en meisjes om in zowel het openbare als het privéleven gevrijwaard te worden van fysiek en psychologisch geweld;

E.  overwegende dat gendergerelateerd geweld niet licht mag worden opgevat en niet mag worden gezien als een probleem dat op de lange baan kan worden geschoven en later kan worden aangepakt, aangezien het meer dan 250 miljoen vrouwen en meisjes treft in de EU alleen, en enorme gevolgen heeft voor de maatschappij, angst en polarisering in de hand werkt en bijdraagt aan stress en psychische aandoeningen, aangezien het de veiligheid van de halve bevolking bedreigt; overwegende dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) schat dat seksueel geweld de samenleving in de EU jaarlijks 226 miljard EUR kost;

F.  overwegende dat geweld tegen vrouwen(15) en gendergerelateerd geweld, zowel fysiek als psychologisch, in de EU frequent voorkomen en gezien moeten worden als een extreme vorm van discriminatie en een schending van de mensenrechten, waarmee vrouwen in alle lagen van de bevolking te maken krijgen, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau, inkomen, maatschappelijke positie en land van herkomst of verblijf, en een van de belangrijkste obstakels voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, ook economisch en politiek, zijn; overwegende dat er aanvullende maatregelen moeten worden genomen om vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld aan te moedigen hun ervaringen te melden en om hulp te vragen, en om te garanderen dat zij passende steun krijgen die aansluit op hun behoeften, dat zij op de hoogte worden gebracht van hun rechten, en dat zij toegang tot de rechter hebben zodat de daders vervolgd kunnen worden;

G.  overwegende dat uit het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten getiteld "Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête", gepubliceerd in maart 2014, blijkt dat één op de drie vrouwen in Europa als volwassene minstens één keer met fysiek of seksueel geweld werd geconfronteerd, dat één op de vijf al online werd geïntimideerd, dat één op de twintig een verkrachting had meegemaakt, en dat meer dan één op de tien al het slachtoffer werd van een daad van seksuele agressie waarbij geweld werd gebruikt;

H.  overwegende dat één op de tien vrouwen al werd blootgesteld aan seksuele intimidatie of stalking via nieuwe technologieën, en dat 75 % van de vrouwen in een hoge leidinggevende functie te maken heeft gehad met seksuele intimidatie; overwegende dat dit aangeeft dat geen enkele vrouw en geen enkel meisje, ongeacht haar leeftijd of positie in het leven, veilig is voor seksueel geweld;

I.  overwegende dat er maatregelen moeten worden genomen om het opkomende fenomeen van gendergerelateerd geweld online, in de vorm van pesterijen en intimidatie, in het bijzonder van jonge vrouwen en meisjes en lesbiennes, homoseksuelen, bi-, trans- en interseksuelen, aan te pakken;

J.  overwegende dat de burgers en inwoners van de Unie niet op gelijke wijze tegen gendergerelateerd geweld beschermd zijn, door het ontbreken van een Europese strategie, met inbegrip van een wetgevingshandeling, en door een verschillend beleid en verschillende wetgeving in de lidstaten, onder andere met betrekking tot de definitie van misdrijven en de werkingssfeer van de wetgeving, zodat de lidstaten minder tegen geweld beschermd zijn; overwegende dat er ook binnen de EU verschillen zijn met betrekking tot informatie over, toegang tot en aanbieding van opvangplaatsen, hulpdiensten en rechten;

K.  overwegende dat geweld tegen vrouwen samenhangt met de ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen, met seksisme en met genderstereotypen, die ertoe hebben geleid dat mannen vrouwen domineren en discrimineren en dat vrouwen een volledige ontplooiing onmogelijk wordt gemaakt;

L.  overwegende dat geweld tegen vrouwen bijdraagt tot genderongelijkheid door de toegang van slachtoffers tot de arbeidsmarkt te belemmeren, met negatieve gevolgen voor hun financiële onafhankelijkheid en de economie in het algemeen;

M.  overwegende dat economische afhankelijkheid van de dader een belangrijke reden is waarom vrouwen seksueel geweld niet melden;

N.  overwegende dat extreme armoede leidt tot een groter risico op geweld en andere vormen van exploitatie die de volledige participatie van vrouwen op alle terreinen van het maatschappelijk leven en de verwezenlijking van gendergelijkheid belemmeren;

O.  overwegende dat er meer moet worden gedaan om de participatie van vrouwen in het politieke, economische en sociale leven te vergemakkelijken en aan te moedigen, en om de zichtbaarheid van vrouwen in leidinggevende functies te vergroten om zo objectivering en een cultuur van gendergerelateerd geweld tegen te gaan;

P.  overwegende dat in het Verdrag van Istanbul is bepaald dat alle bepalingen van dit verdrag, met name maatregelen ter bescherming van de rechten van slachtoffers, worden gewaarborgd zonder discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, gender, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere opvatting, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, seksuele geaardheid, genderidentiteit, leeftijd, gezondheid, handicap, burgerlijke staat, migranten- of vluchtelingenstatus of andere status;

Q.  overwegende dat vrouwen met een handicap 1,5 tot 10 % meer kans maken om het slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld, en dat het voor deze vrouwen, vanwege hun afhankelijke positie, nog moeilijker is om het geweld te melden; overwegende dat vrouwen en meisjes met een handicap geen homogene groep zijn, maar eerder een groep die vrouwen en meisjes met verschillende status en in verschillende situaties omvat, evenals vrouwen met verschillende soorten beperkingen, waaronder lichamelijke, psychosociale, verstandelijke of zintuiglijke stoornissen, al dan niet gepaard gaand met functionele beperkingen; overwegende dat in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is bepaald dat de verdragsluitende staten maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat vrouwen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden ten volle en op gelijke voet kunnen uitoefenen;

R.  overwegende dat sommige groepen vrouwen en meisjes, zoals migrantenvrouwen, vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers, vrouwen en meisjes met een handicap, LBTI-vrouwen en Roma-vrouwen, mogelijk meervoudige discriminatie ervaren en daardoor nog kwetsbaarder zijn voor geweld vanwege door seksisme gevoede beweegredenen, gecombineerd met racisme, xenofobie, homofobie, transfobie en interseksfobie en discriminatie op basis van leeftijd, handicap, etnische afkomst of religie; overwegende dat vrouwen in Europa te maken krijgen met verschillende, elkaar overlappende vormen van discriminatie, die hun beletten toegang te krijgen tot de rechter en tot ondersteuning en bescherming, en die hen beletten diens grondrechten uit te oefenen; overwegende dat bij de tenuitvoerlegging van beschermingsmaatregelen voorzien moet worden in gespecialiseerde hulpdiensten voor vrouwen;

S.  overwegende dat geweld tegen vrouwen, met inbegrip van huishoudelijk geweld, te vaak wordt beschouwd als een privékwestie en te vaak wordt getolereerd; overwegende dat het in feite gaat om een stelselmatige schending van de grondrechten en een ernstig misdrijf, dat als dusdanig moet worden bestraft; overwegende dat de straffeloosheid een halt moet worden toegeroepen door ervoor te zorgen dat daders worden vervolgd, en dat vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn van geweld, toereikende ondersteuning en erkenning van het gerechtelijke apparaat krijgen om de vicieuze cirkel van stilte en eenzaamheid voor zij die het slachtoffer zijn geweest van geweld, ongeacht hun geografische herkomst of sociale klasse, te doorbreken;

T.  overwegende dat er aanzienlijke culturele verschillen tussen de lidstaten bestaan aangaande de kans dat vrouwen verkrachting of seksuele agressie melden, en dat de officiële statistieken eerder die tendens weergeven dan het werkelijke aantal gevallen van verkrachting of seksuele agressie in een bepaald land;

U.  overwegende dat de meeste moorden op vrouwen worden gepleegd door de echtgenoot, ex-echtgenoot, partner of ex-partner, die niet kan aanvaarden dat het huwelijk of de relatie voorbij is;

V.  overwegende dat de dader bij gendergerelateerd geweld vaak iemand is die het slachtoffer kent en dat het slachtoffer vaak afhankelijk is van die persoon, wat de angst kan vergroten om het geweld te melden;

W.  overwegende dat genderstereotypen en seksisme, waaronder seksistische haatdragende taal, wereldwijd zowel offline als online, in het publieke en in het private leven, een van de onderliggende oorzaken van alle vormen van geweld tegen vrouwen zijn;

X.  overwegende dat blootstelling aan fysiek, seksueel of psychologisch geweld en misbruik ernstige gevolgen heeft voor de slachtoffers, en dat dit kan leiden tot fysieke, seksuele, emotionele of psychische schade of tot economisch verlies; overwegende dat dit ook een impact heeft op hun gezin en verwanten en op de maatschappij als geheel; overwegende dat kinderen niet rechtstreeks hoeven te worden getroffen door het geweld om als slachtoffers te worden beschouwd, aangezien getuige zijn van huiselijk geweld ook traumatiserend is;

Y.  overwegende dat "gendergerelateerd geweld tegen vrouwen" in artikel 3 van het Verdrag van Istanbul duidelijk wordt gedefinieerd als "geweld gericht tegen een vrouw omdat ze een vrouw is of geweld dat vrouwen buitenproportioneel treft" en "gender" als "de maatschappelijk bepaalde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die in een maatschappij passend worden geacht voor vrouwen en mannen";

Z.  overwegende dat om het geraamde aantal ongemelde gevallen te verlagen, de lidstaten over voldoende instellingen moeten beschikken opdat vrouwen zich veilig zouden voelen en gendergerelateerd geweld zouden kunnen melden;

AA.  overwegende dat geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van de gevolgen ervan, enkel aanzienlijk kunnen worden teruggedrongen door een beleidsmix die een combinatie vormt van wetgevings- en niet-wetgevingsmaatregelen, onder andere infrastructurele, juridische, culturele, educatieve en sociale acties alsmede acties op het gebied van gezondheidszorg en maatregelen om de toegang van slachtoffers tot huisvesting en tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, met inbegrip van het aanbieden van onderdak voor slachtoffers, en gelijke participatie van vrouwen in alle domeinen van de samenleving; overwegende dat het maatschappelijk middenveld, en in het bijzonder vrouwenorganisaties, een erg belangrijke bijdrage leveren aan de preventie en bestrijding van alle soorten geweld, en dat hun werk moet worden erkend, aangemoedigd en ondersteund opdat het zo goed mogelijk uitgevoerd kan worden;

AB.  overwegende dat onderwijs en scholing voor meisjes en vrouwen een belangrijke Europese waarde vormt, een fundamenteel mensenrecht is en van essentieel belang is voor de versterking van de positie van meisjes en vrouwen op sociaal, cultureel en professioneel gebied en ervoor zorgt dat zij ook alle andere sociale, economische, culturele en politieke rechten kunnen uitoefenen en daarmee tevens bijdraagt aan de voorkoming van geweld tegen vrouwen en meisjes;

AC.  overwegende dat alleen staten in staat zijn om gratis en verplicht onderwijs voor iedereen te garanderen, en dat dit een essentiële voorwaarde is om gelijke kansen voor alle genders te waarborgen;

AD.   overwegende dat in het Verdrag van Istanbul wordt benadrukt dat het belangrijk is een mentaliteits- en gedragsverandering teweeg te brengen om uit het continuüm van gendergerelateerd geweld te geraken; overwegende dat er in dit opzicht derhalve moet worden voorzien in onderwijs op alle niveaus en voor alle leeftijden over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen, niet-stereotiepe genderrollen en de eerbiediging van de persoonlijke integriteit; overwegende dat cursussen zelfverdediging zijn aangemerkt als een efficiënt hulpmiddel om victimisatie en de nadelige gevolgen ervan te beperken, doordat zij ingaan tegen genderstereotypen en vrouwen en meisjes mondiger maken;

AE.  overwegende dat de toetreding van alle lidstaten tot de Overeenkomst van Istanbul een wezenlijke bijdrage zal leveren aan de totstandkoming van een geïntegreerd beleid en de bevordering van de internationale samenwerking bij de bestrijding van elke vorm van geweld tegen vrouwen;

AF.  overwegende dat de EU zich moet inzetten om de strijd tegen gendergerelateerd geweld in het nabuurschap en in de rest van de wereld te bevorderen, als onderdeel van de mondiale inspanningen om de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, en met name het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen te bestrijden;

AG.  overwegende dat het Verdrag van Istanbul een gemengde overeenkomst is die de toetreding van de EU op hetzelfde moment als haar lidstaten toelaat;

AH.  overwegende dat alle lidstaten het Verdrag van Istanbul hebben ondertekend, maar dat slechts veertien het hebben geratificeerd; overwegende dat de toetreding van de EU tot het Verdrag de lidstaten niet vrijstelt van de nationale ratificatie ervan;

AI.  overwegende dat voor ratificatie van het Verdrag van Istanbul een behoorlijke handhaving, effectieve toepassing, en toekenning van toereikende financiële en personele middelen nodig zijn;

1.  is verheugd over het feit dat de Commissie op 4 maart 2016 de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul heeft voorgesteld, dat het eerste uitgebreide juridisch bindende instrument op internationaal niveau is voor het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huishoudelijk geweld(16), op internationaal niveau;

2.  verneemt met instemming dat de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul op 13 juni 2017 werd ondertekend; betreurt echter dat de beperking tot twee gebieden, namelijk kwesties in verband met de justitiële samenwerking in strafzaken, en asiel en non-refoulement, zorgt voor rechtsonzekerheid met betrekking tot de reikwijdte van de toetreding van de EU, en voor bezorgdheden over de uitvoering van het Verdrag;

3.  veroordeelt alle vormen van geweld tegen vrouwen, en betreurt het feit dat vrouwen en meisjes vaak worden blootgesteld aan huiselijk geweld, psychologisch en fysiek geweld, stalking, seksueel geweld, verkrachting, gedwongen huwelijken, vrouwenbesnijdenis, gedwongen abortussen, gedwongen sterilisatie, seksuele uitbuiting, mensenhandel en andere vormen van geweld, die een ernstige schending van hun mensenrechten en waardigheid vormen; benadrukt dat het Verdrag van Istanbul verzekert dat cultuur, gewoonte, religie, traditie of zogeheten "eer" geen rechtvaardiging kunnen zijn voor geweld tegen vrouwen; veroordeelt het feit dat steeds meer vrouwen en meisjes het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld op het internet en op sociale media; verzoekt de lidstaten om concrete maatregelen te treffen om deze nieuwe vormen van misdrijven, waaronder seksuele afpersing, "grooming", voyeurisme en wraakpornografie, aan te pakken en de slachtoffers te beschermen, die ernstige trauma's kunnen oplopen die soms zelfs tot zelfmoord leiden;

4.  bevestigt nadrukkelijk dat het ontzeggen van seksuele of reproductieve gezondheidsdiensten en rechten, met inbegrip van veilige en legale abortus, een vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes is; herhaalt dat vrouwen en meisjes zeggenschap moeten hebben over hun lichaam en hun seksualiteit; verzoekt alle lidstaten om omvattende seksuele voorlichting te waarborgen, evenals eenvoudige toegang voor vrouwen tot gezinsplanning en het volledige spectrum van reproductieve en seksuele gezondheidsdiensten, met inbegrip van moderne anticonceptiemethodes en veilige en legale abortus;

5.  benadrukt dat gedwongen zwangerschap in artikel 7 van het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998 gedefinieerd is als misdrijf tegen de menselijkheid, en een vorm van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen is, die een ernstige schending van de mensenrechten en de waardigheid van vrouwen en meisjes vormt;

6.  onderstreept dat in het Verdrag van Istanbul een holistische, alomvattende en gecoördineerde benadering wordt gevolgd, waarbij de rechten van het slachtoffer centraal staan en de kwestie van geweld tegen vrouwen en meisjes en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huishoudelijk geweld, wordt aangepakt vanuit een ruime waaier aan oogpunten, aan de hand van maatregelen zoals de preventie van geweld, de strijd tegen discriminatie, strafrechtelijke maatregelen ter bestrijding van straffeloosheid, bescherming van en hulp aan slachtoffers, bescherming van kinderen, bescherming van vrouwen die asielzoeker of vluchteling zijn, een betere verzameling van gegevens en bewustmakingscampagnes of -programma's, ook in samenwerking met nationale mensenrechteninstanties en instanties voor gelijke kansen, het maatschappelijk middenveld en ngo's;

7.  benadrukt dat het Verdrag van Istanbul een degelijke basis biedt om de sociale structuren die geweld tegen vrouwen creëren, legitimeren en in stand houden, te veranderen en instrumenten aanreikt om maatregelen daartoe in te voeren; benadrukt dat in het Verdrag tegelijkertijd aandacht wordt geschonken aan preventie, bescherming en vervolging (drieledige aanpak) en dat gekozen wordt voor een omvattende en gecoördineerde aanpak, die voortvloeit uit het zorgvuldigheidsbeginsel, dat voorschrijft dat staten de positieve verplichting hebben om effectief te reageren op alle gewelddaden (artikel 5 van het Verdrag);

8.  benadrukt dat de toetreding van de EU zal zorgen voor een coherent Europees rechtskader om geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden en slachtoffers te beschermen en te ondersteunen in het interne en externe beleid van de EU, en zal leiden tot een beter toezicht op en een betere interpretatie en tenuitvoerlegging van de wetten, programma's, en fondsen van de EU die verband houden met het Verdrag, alsook tot een betere verzameling van vergelijkbare, uitgesplitste gegevens op EU-niveau; is van mening dat de EU door toe te treden tot het Verdrag een meer doeltreffende mondiale speler zal worden op het gebied van vrouwenrechten;

9.  verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten rekening te houden met de volgende aanbevelingen:

   (a) Er moet bij de lidstaten op worden aangedrongen om de onderhandelingen over de ratificering en tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul te versnellen. Pogingen om afbreuk te doen aan de reeds getroffen maatregelen bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul en de bestrijding van geweld tegen vrouwen, moeten krachtig worden veroordeeld.
   (b) De Commissie moet worden verzocht om onverwijld en zonder uitstel een constructieve dialoog aan te gaan met de Raad en de lidstaten, in samenwerking met de Raad van Europa, waarin aandacht uitgaat naar de voorbehouden, bezwaren en bezorgdheden van de lidstaten en waarin met name voor verduidelijking wordt gezorgd voor de misleidende interpretaties van het Verdrag van Istanbul wat betreft de definitie van gendergerelateerd geweld en de definitie van gender in artikel 3, onder c) en d), in overeenstemming met de algemene opmerkingen van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa.
   (c) Het Parlement dient in alle fasen volledig op de hoogte worden gehouden van de relevante aspecten van de onderhandelingen, zodat het naar behoren de rechten kan uitoefenen die door de Verdragen in overeenstemming met artikel 218 VWEU aan het Parlement zijn toegekend.
   (d) Er dient, ondanks de ondertekening van de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul, een brede toetreding van de EU tot het Verdrag te worden verzekerd, zonder enig voorbehoud.
   (e) Er moet voor worden gezorgd dat de lidstaten het Verdrag van Istanbul handhaven en toereikende financiële en personele middelen toewijzen aan de preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huishoudelijk geweld, en aan het mondig maken van vrouwen en meisjes, alsook aan de bescherming van slachtoffers en de mogelijkheid tot vergoeding, vooral in gevallen waarbij zij wonen in gebieden waar de bescherming van slachtoffers onbestaand of erg beperkt is.
   (f) De Commissie moet worden gevraagd om een EU-strategie op te stellen voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, die een omvattend plan moet behelzen om alle vormen van genderongelijkheid te bestrijden en alle inspanningen van de EU moet bundelen om geweld tegen vrouwen uit te bannen.
   (g) Er moet een EU-coördinator worden aangesteld die de EU moet vertegenwoordigen in het Comité van de partijen in de Raad van Europa zodra het Verdrag van Istanbul door de EU is geratificeerd. Deze coördinator zou verantwoordelijk zijn voor de coördinatie, tenuitvoerlegging, bewaking en evaluatie van beleid en maatregelen om alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes te voorkomen en te bestrijden.
   (h) Er moet worden gegarandeerd dat het Parlement na toetreding van de EU ten volle wordt betrokken bij het toezicht op het Verdrag van Istanbul. Er moet snel overeenstemming worden bereikt over een gedragscode met betrekking tot de samenwerking tussen de EU en haar lidstaten met het oog op de tenuitvoerlegging van het Verdrag, waarbij ook het maatschappelijk middenveld, met name vrouwenorganisaties, moeten worden betrokken.
   (i) De Commissie en de lidstaten moeten worden verzocht om met praktische richtsnoeren en strategieën te komen voor de toepassing van het Verdrag van Istanbul om de vlotte tenuitvoerlegging en handhaving van het Verdrag in de lidstaten die het reeds hebben geratificeerd, te bevorderen, en om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van diegenen die het nog niet hebben geratificeerd en hen ertoe aan te moedigen dat alsnog te doen.
   (j) Beroepskrachten die te maken hebben met slachtoffers van alle daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag dienen een passende opleiding, procedures en richtsnoeren te krijgen om te voorkomen dat slachtoffers tijdens justitiële en politiële procedures worden gediscrimineerd of opnieuw in een slachtofferrol worden gedrukt.
   (k) Er moeten preventieve maatregelen worden getroffen om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van kwetsbare personen zoals vrouwen met een handicap, vrouwelijke vluchtelingen, minderjarige slachtoffers, zwangere vrouwen, LBTI-vrouwen en vrouwen met aanvullende ondersteuningsbehoeften, onder meer via gerichte en toegankelijke gespecialiseerde hulpdiensten, samen met passende medische voorzieningen en veilig onderdak voor vrouwen die het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld en voor hun kinderen.
   (l) Bij de vaststelling van het gezagsrecht en het bezoekrecht moet rekening worden gehouden met significante gevallen van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huiselijk geweld. Bij de verlening van bescherming en ondersteuning aan slachtoffers dient voorts rekening te worden gehouden met de rechten en behoeften van minderjarige getuigen.
   (m) Er moet actief worden opgetreden om een mentaliteits- en gedragsverandering te bevorderen en seksisme en genderstereotypen te bestrijden, onder andere door genderneutrale taal te bevorderen, door gecoördineerde inspanningen om de essentiële rol van de media en van reclame op dit gebied onder de aandacht te brengen en door iedereen, ook mannen en jongens, aan te moedigen een actieve rol te spelen in het voorkomen van alle vormen van geweld. De lidstaten moeten daarom worden verzocht een actief beleid inzake sociale insluiting, interculturele dialoog, seksuele en relationele voorlichting, voorlichting op het gebied van mensenrechten en anti-discriminatie vast te stellen en toe te passen, en wetshandhavers en beoefenaars van juridische beroepen opleidingen in gendergelijkheid te geven. De lidstaten moeten ertoe worden aangemoedigd om in hun onderwijsstelsels alle obstakels voor daadwerkelijke gelijkheid tussen vrouwen en mannen weg te werken en de gelijkheid ten volle te stimuleren.
   (n) De lidstaten moeten ertoe worden aangemoedigd om beleid in te voeren dat is bedoeld om een samenleving op te bouwen die vrij is van geweld in al zijn vormen en om het Verdrag van Istanbul daartoe aan te wenden.
   (o) Er moet voor worden gezorgd dat bij de proactieve maatregelen tegen geweld de genderrol wordt erkend in dit probleem, evenals het feit dat de overgrote meerderheid van de geweldplegers mannen zijn. De lidstaten moeten ertoe worden aangemoedigd om op feiten gebaseerde tactieken te gebruiken om geweld te verminderen teneinde dit probleem aan te pakken.
   (p) De nodige maatregelen uit hoofde van de artikelen 60 en 61 van het Verdrag van Istanbul inzake migratie en asiel moeten worden getroffen, en daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat vrouwelijke migranten – of zij nu wel of niet in het bezit zijn van de benodigde papieren – en meisjes en vrouwen in de asielzoekerspopulatie het recht hebben een leven zonder geweld te leiden, zowel in het openbare als in het privéleven, en met het feit dat zij bijzonder kwetsbaar zijn voor gendergerelateerd geweld. Daarbij moet eraan herinnerd worden dat gendergerelateerd geweld, met inbegrip van vrouwenbesnijdenis, kan worden erkend als een vorm van vervolging en dat de slachtoffers bijgevolg een beroep kunnen doen op de bescherming die wordt geboden door het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951. Er moet voor worden gezorgd dat de lidstaten een genderbewuste benadering hanteren in alle asiel- en opvangprocedures en het beginsel van non-refoulement eerbiedigen.
   (q) Genderbudgeting moet worden bevorderd als instrument om gendergerelateerd geweld in de desbetreffende beleidsdomeinen te voorkomen en te bestrijden, en er moeten voldoende middelen en financiering worden vrijgemaakt om slachtoffers en overlevenden van geweld toegang tot de rechter te bieden.
   (r) In samenwerking met het EIGE moet de verzameling van relevante, uitgesplitste vergelijkbare gegevens over gevallen van alle soorten geweld die onder het Verdrag van Istanbul vallen, met inbegrip van naar de leeftijd en het geslacht van de daders en de relatie tussen dader en slachtoffer uitgesplitste gegevens, worden verbeterd en bevorderd, om tot een gemeenschappelijke methodologie te komen voor de vergelijking van databases en analyses. Dit moet ervoor zorgen dat het probleem beter wordt begrepen. Daarnaast moet het bewustzijn worden verhoogd en moeten de acties van lidstaten ter preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld worden beoordeeld en verbeterd.

10.  benadrukt dat de maatregelen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen om doeltreffender te zijn, gepaard moeten gaan met maatregelen om economische ongelijkheden tussen mannen en vrouwen aan te pakken en de financiële onafhankelijkheid van vrouwen te bevorderen;

11.  verzoekt de Commissie een rechtshandeling in te dienen die lidstaten helpt bij de preventie en uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes en van gendergerelateerd geweld;

12.  verzoekt de Raad de overbruggingsclausule toe te passen, door een unaniem besluit aan te nemen waarmee geweld tegen vrouwen en meisjes (evenals andere vormen van gendergerelateerd geweld) wordt aangemerkt als een vorm van criminaliteit uit hoofde van artikel 83, lid 1, VWEU;

13.  verzoekt de Commissie om het huidige EU-kaderbesluit betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht zodanig te herzien dat daarin ook seksisme, misdrijven ingegeven door vooroordelen en aanzetting tot haat wegens seksuele geaardheid, genderidentiteit of geslachtskenmerken worden opgenomen;

14.  verzoekt de lidstaten om Richtlijn 2011/99/EU betreffende het Europees beschermingsbevel, Verordening (EU) nr. 606/2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken, Richtlijn 2012/29/EU betreffende de bescherming van slachtoffers, Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen volledig ten uitvoer te leggen;

15.  verzoekt de Commissie nogmaals om een Europees waarnemingscentrum voor gendergerelateerd geweld op te zetten (naar analogie met het Europees Instituut voor gendergelijkheid);

16.  verzoekt het Estse voorzitterschap om vaart te zetten achter de ratificatie van het Verdrag van Istanbul door de EU;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.
(2) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 53.
(3) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 26.
(4) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 8.
(5) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 2.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0451.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0312.
(8) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(9) PB L 338 van 21.12.2011, blz. 2.
(10) PB L 181 van 29.6.2013, blz. 4.
(11) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.
(12) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0073.
(14) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 2.
(15) Voor de toepassing van het Verdrag van Istanbul omvat de term "vrouwen" ook meisjes jonger dan 18 jaar (artikel 3).
(16) Zie de definities in artikel 3 van het Verdrag van Istanbul.


Gevolgen van de internationale handel en het handelsbeleid van de EU voor mondiale waardeketens
PDF 250kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 inzake de gevolgen van de internationale handel en het handelsbeleid van de EU voor mondiale waardeketens (2016/2301(INI))
P8_TA(2017)0330A8-0269/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen(1),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 mei 2017 over de evaluatie van de externe aspecten van de werking en het beheer van de douane als instrument om de handel te bevorderen en de illegale handel te bestrijden(3),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(4),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen(5),

–  gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over het EU-vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector(6),

–  gezien zijn resolutie van 4 april 2017 over palmolie en de ontbossing van regenwouden(7),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 houdende aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Commissie voor de onderhandelingen over de Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA)(8),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 met de aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Commissie betreffende de onderhandelingen over het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap (TTIP)(9),

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2017 over de stand van de tenuitvoerlegging van het duurzaamheidspact in Bangladesh(10),

–  gezien Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden(11) (verordening inzake conflictmineralen),

–  gezien het voorstel voor een EU-actieplan betreffende wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT) (COM(2003)0251) en vrijwillige FLEGT-partnerschapsovereenkomsten,

–  gezien Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen(12) (houtverordening),

–  gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties(13) (SAP-verordening),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(14) (verordening Brussel‑I),

–  gezien Richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen (15)(richtlijn met betrekking tot de bekendmaking van niet‑financiële informatie),

–  gezien de gemeenschappelijke strategie van 2007 van de EU en haar lidstaten getiteld "Aid for trade: Enhancing EU support for trade-related needs in developing countries" (Hulp voor handel: een sterkere EU-ondersteuning voor handelsgerelateerde behoeften in ontwikkelingslanden),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 24 april 2017 getiteld "Sustainable garment value chains through EU development action" (Duurzame waardeketens voor kleding via EU-ontwikkelingsactie) (SWD(2017)0147),

–  gezien de tripartiete beginselverklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid,

–  gezien verslag IV van de 105e IAO-conferentie over fatsoenlijk werk in mondiale toeleveringsketens,

–  gezien de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN voor 2030,

–  gezien de fundamentele IAO-verdragen over kinderarbeid, dwangarbeid, discriminatie, vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2016 over de EU en verantwoordelijke mondiale waardeketens,

–  gezien de mededeling van de Commissie over een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen (COM(2011)0681),

–  gezien de Britse wet inzake moderne slavernij van 2015 en de Franse wet inzake de zorgvuldigheidsplicht van multinationale ondernemingen,

–  gezien de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en het "Global Compact"-initiatief van de VN,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden van de VN,

–  gezien het nieuwe IAO-protocol inzake dwangarbeid,

–  gezien resolutie 26/9 van de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC) van 26 juni 2014 waarin de UNHRC besloot een open intergouvernementele werkgroep inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten op te richten met de opdracht een internationaal, juridisch bindend instrument te ontwikkelen,

–  gezien de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de verschillende sectorspecifeke OESO-richtlijnen (voor de financiële, landbouw-, mineralen-, kleding- en schoenensector),

–  gezien de Unctad-verslagen over handel en ontwikkeling van 2013 en 2016,

–  gezien het investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling van Unctad van 2015,

–  gezien de overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (TBT-overeenkomst),

–  gezien de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel van de WTO (GATT),

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, de beginselen inzake kinderrechten en bedrijven die werden ontwikkeld door UNICEF, het "Global Compact"-initiatief van de VN en Save the Children(16),

–  gezien de vrijwillige landspecifieke partnerschappen, zoals het Bangladesh Sustainability Compact en het Myanmar Labour Rights Initiative,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 inzake kinderarbeid,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel, de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking, en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0269/2017),

A.  overwegende dat het handelsbeleid van de Unie krachtens artikel 207 van het VWEU gegrond moet zijn op de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie; overwegende dat in artikel 208 van het VWEU het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling is vervat en dat het terugdringen van de armoede in dit artikel wordt vastgesteld als het hoofddoel van het beleid; overwegende dat de Commissie in haar mededeling "Handel voor iedereen" het EU-handelsbeleid laat stoelen op drie kernbeginselen – doeltreffendheid, transparantie en waarden; overwegende dat in deze mededeling een specifiek onderdeel is gewijd aan het formuleren van antwoorden op de opkomst van wereldwijde waardeketens en aan een verantwoord beheer van toeleveringsketens, waarbij ook wordt gewezen op de complexiteit ervan en de absolute noodzaak om toekomstgericht te denken, een partnerschap aan te gaan met overheidsdiensten, particuliere organisaties en het maatschappelijk middenveld, en gebruik te maken van een combinatie van zachte en innovatieve instrumenten en veranderingen in de wetgeving;

B.  overwegende dat het publiek toezicht op vrijhandel de laatste jaren sterk is toegenomen en dat de bezorgdheid over de ongelijke verdeling van de baten en de lasten van handel heeft geleid tot een breed gedragen standpunt dat sociale en milieuwaarden alsook transparantie en verantwoordelijkheid centraal moeten staan in het handelsbeleid;

C.  overwegende dat mondiale waardeketens een complex, door technologie aangestuurde en snel veranderende realiteit vormen en tot de hoofdkenmerken zijn gaan behoren van de mondiale economie van vandaag; overwegende dat mondiale waardeketens kunnen helpen om ontwikkelingslanden beter te integreren in de mondiale economie, om armoede terug te dringen en banen te scheppen en tegelijkertijd de productiecapaciteit te vergroten; overwegende dat mondiale waardeketens enerzijds nieuwe vooruitzichten bieden op economische groei, duurzame ontwikkeling, samenwerking met het maatschappelijk middenveld, werknemers- en ondernemersorganisaties, alsook op nieuwe werkgelegenheid voor bedrijven die deel uitmaken van de productieketen, doordat deze zich kunnen concentreren op specifieke taken en bedrijven steeds meer onderling afhankelijk worden; overwegende dat mondiale waardeketens anderzijds door hun uiterst complexe aard, gebrek aan transparantie en door de verwatering van de verantwoordingsplicht kunnen leiden tot een hoger risico op schending van de mensen- en arbeidsrechten, feitelijke straffeloosheid met betrekking tot milieumisdrijven en grootschalige belastingontwijking en belastingfraude;

D.  overwegende dat handelsbeleid moet bijdragen tot een transparant productieproces in de gehele waardeketen en tot naleving van fundamentele sociale, milieu- en veiligheidsnormen;

E.  overwegende dat het multilaterale systeem de hoeksteen moet blijven van het EU-handels- en investeringsbeleid en dat dit beleid moet zorgen voor een sterkere positie van Europa in eerlijke mondiale toeleveringsketens, maar ook instrumenten moet aanreiken om voor overheden en ondernemingen duidelijke regels vast te stellen en verantwoordelijkheden af te bakenen, zodat internationale verplichtingen als de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG's) worden nageleefd; overwegende dat duurzaamheid en transparantie niet alleen draaien om waarden, maar ook moeten worden beschouwd als een ware motor voor het creëren van toegevoegde waarde voor mondiale handel en investeringen in het kader van mondiale waardeketens;

F.  overwegende dat kmo's(17) een belangrijk onderdeel zijn van de mondiale waardeketens, een grote rol spelen bij de bevordering van economische groei, duurzame ontwikkeling en hoogwaardige banen, en van belang zijn om te voorkomen dat lokale gemeenschappen wegtrekken uit hun regio's;

G.  overwegende dat de deelname aan mondiale waardeketens gunstig is voor kmo's in termen van groei en internationalisering; overwegende dat volgens de Eurobarometer-enquête van 2015 over internationalisering van kleine en middelgrote ondernemingen slechts 31 % van de kmo's in de EU in de voorgaande drie jaar actief was buiten de interne markt; overwegende dat veel kmo's problemen ondervinden wanneer zij toegang proberen te krijgen tot internationale en in de EU gevestigde mondiale waardeketens; overwegende dat handelsbeleid en handelsovereenkomsten een rol kunnen spelen bij het wegwerken van de belemmeringen en problemen die kmo's ondervinden om toegang te krijgen tot mondiale waardeketens;

H.  overwegende dat vrijwillige regelingen inzake zorgvuldigheid en transparante mondiale waardeketens wereldwijd worden gebruikt en bevorderd door economische en sociale partners en ngo's en dat deze wezenlijke en positieve resultaten opleveren;

I.  overwegende dat de Raad in zijn conclusies van mei 2016 benadrukt dat "blijvend moet worden gepleit voor de naleving van internationaal overeengekomen beginselen, richtsnoeren en initiatieven inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen, zoals de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, het Global Compact van de VN, de tripartiete beginselverklaring van de IAO over multinationale ondernemingen en sociaal beleid, en de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, ook in landen die niet tot de OESO behoren" en dat "het creëren van een opener en transparanter ondernemingsklimaat [...] tevens bij[draagt] aan de strijd tegen corruptie";

J.  overwegende dat een verantwoordelijk mondiaal beheer van mondiale waardeketens essentieel is om het handelsbeleid af te stemmen op de in de Verdragen verankerde Europese waarden; overwegende dat de Commissie en de lidstaten wereldwijd het voortouw hebben genomen in deze debatten;

K.  overwegende dat tal van internationale verdragen, richtlijnen en regels gericht zijn op het voorkomen van schendingen van de mensenrechten; overwegende dat met name producerende landen de plicht hebben deze ten uitvoer te leggen en een passend wettelijk en economisch klimaat te creëren waarin ondernemingen kunnen werken en hun plaats in de mondiale toeleveringsketens kunnen vinden; overwegende dat producerende landen tevens in staat moeten zijn om internationale normen en regels toe te passen, met inbegrip van het opstellen, uitvoeren en handhaven van passende wetgeving, met name wat de totstandbrenging van de rechtsstaat en de bestrijding van corruptie betreft;

L.  overwegende dat de EU nog doeltreffender moet reageren op sociale en milieudumping en op oneerlijke concurrentie en handelspraktijken, en dat zij een gelijk speelveld moet garanderen;

M.  overwegende dat de EU 's werelds grootste exporteur en importeur is van goederen en diensten als deze bij elkaar worden geteld en de grootste buitenlandse directe investeerder is, en dat de EU tevens de belangrijkste bestemming vormt voor buitenlandse directe investeringen (BDI); overwegende dat de EU deze kracht zodanig moet gebruiken dat zowel haar eigen burgers als de burgers in andere delen van de wereld – vooral in 's werelds armste landen – hiervan de vruchten kunnen plukken;

N.  overwegende dat de EU bindende regelgeving heeft ontwikkeld inzake zorgvuldigheidsplichten van ondernemingen in specifieke sectoren met een groot risico op mensenrechtenschendingen, zoals de sectoren van hout en conflictmineralen; overwegende dat ook sommige lidstaten wetten hebben vastgesteld, zoals de Britse wet inzake moderne slavernij, de Franse wet inzake de zorgvuldigheidsplicht van multinationale ondernemingen (mno's) – die van toepassing is op grote Franse ondernemingen met meer dan 5 000 werknemers – en de Nederlandse wet zorgplicht kinderarbeid; overwegende dat de EU initiatieven heeft ontwikkeld om zorgvuldigheid te bevorderen en dat het Europees Parlement in tal van resoluties heeft aangedrongen op de uitwerking van bindende EU-regels op dit gebied;

O.  overwegende dat de EU wereldwijd al belangrijke stappen heeft gezet in de richting van een verantwoordelijker beheer van mondiale waardeketens door specifieke partnerschappen op te richten, zoals het Bangladesh Sustainability Compact en het Myanmar Labour Rights Initiative, en door in te gaan op specifieke kwesties, zoals het initiatief inzake conflictmineralen, regels met betrekking tot illegale houtkap, duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen, bedrijfsrapportage over zaken die verband houden met de toeleveringsketen en bedrijfstransparantie met betrekking tot betalingen aan overheden door de winnings- en de houtkapindustrie, zoals wordt onderstreept in de mededeling "Handel voor iedereen";

P.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling "Handel voor iedereen" verklaart te zullen pleiten voor ambitieuze hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in alle handels- en investeringsovereenkomsten; overwegende dat onlangs gesloten handels- en investeringsovereenkomsten van de EU hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling bevatten waarin de partijen bij de overeenkomst ertoe worden opgeroepen zich te verbinden tot de bescherming van mensenrechten, sociale en milieunormen en maatschappelijk verantwoord ondernemen; overwegende dat het van EU-handelsovereenkomst tot EU-handelsovereenkomst verschilt hoe ambitieus deze hoofdstukken zijn; overwegende dat arbeids- en milieunormen niet beperkt mogen blijven tot de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling, maar moeten gelden voor alle onderdelen van handelsovereenkomsten; overwegende dat een op dialoog gerichte benadering niet heeft kunnen voorkomen dat er in een aantal vrijhandelsovereenkomsten sprake is van ernstige schendingen van de vrijheid van vereniging;

Q.  overwegende dat de specifieke situatie van exportproductiezones (EPZ's) ervoor zorgt dat deze in bepaalde landen worden vrijgesteld van lokale arbeidswetgeving en een verbod of beperking hebben ingesteld op vakbondsactiviteiten, en dat er geen verhaalmogelijkheden bestaan voor werknemers, hetgeen een aperte inbreuk vormt op IAO-normen;

R.  overwegende dat het gebrek aan ethisch handelen in het zakenleven ook een gevolg is van een gebrek aan goed bestuur, de onmacht of het ontbreken van een onpartijdige overheid die ten dienste staat van het algemeen belang van de burgers; overwegende dat corruptie, het gebrek aan transparantie van mondiale waardeketens en vrijstellingen van arbeidswetgeving en belastingen in EPZ's een negatieve invloed kunnen hebben op de mensenrechten, met name doordat fatsoenlijk werk en vakbonden op de helling komen te staan;

S.  overwegende dat volgens de IAO wereldwijd 21 miljoen mensen het slachtoffer zijn van dwangarbeid, en dat velen van hen worden uitgebuit in mondiale waardeketens; overwegende dat dwangarbeid in de particuliere economie jaarlijks een illegale winst van 150 miljard USD genereert;

T.  overwegende dat de IAO dankzij haar mondiale mandaat, deskundigheid en ervaring – in samenwerking met haar leden – in een goede positie verkeert om bij de mondiale inspanningen voor fatsoenlijk werk in mondiale toeleveringsketens het voortouw te nemen; overwegende dat het IAO-comité inzake fatsoenlijk werk in mondiale toeleveringsketens ertoe heeft opgeroepen na te gaan welke tekortkomingen leiden tot gebrekkige arbeidsomstandigheden in mondiale toeleveringsketens en na te denken over de initiatieven en normen die nodig zijn om fatsoenlijk werk te bevorderen en het gebrek aan fatsoenlijke arbeidsomstandigheden in mondiale toeleveringsketens terug te dringen;

U.  overwegende dat het in de context van wereldhandel en met name in mondiale waardeketens noodzakelijk is een multilaterale, globale en holistische benadering te hanteren met betrekking tot de aansprakelijkheid van ondernemingen voor mensenrechtenschendingen en milieuduurzaamheid; overwegende dat het dan ook belangrijk is dat de EU deze debatten wereldwijd blijft leiden; overwegende dat de EU zichzelf heeft gepositioneerd als koploper in de hervorming van het mechanisme voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten, met name door de ontwikkeling van een multilateraal rechtsstelsel; overwegende dat dergelijke vooruitgang ook wordt verwacht op andere cruciale aandachtsgebieden, zoals de handhaving van verplichtingen van investeerders wat mensenrechten betreft;

V.  overwegende dat de productie in mondiale waardeketens plaatsvindt in verscheidene rechtsgebieden met verschillende niveaus van mensenrechtenbescherming en handhaving van de sociale, arbeids- en milieuwetgeving; overwegende dat slachtoffers van mensenrechtenschendingen waarbij transnationale ondernemingen betrokken zijn soms met meervoudige hindernissen te maken krijgen wat de toegang tot rechtsmiddelen betreft;

W.  overwegende dat de gelijkheid van mannen en vrouwen in alle beleidsmaatregelen van de EU stevig verankerd is in artikel 8 van het VWEU; overwegende dat handels- en investeringsovereenkomsten wegens structurele genderongelijkheden vaak andere gevolgen hebben voor vrouwen en mannen; overwegende dat het aspect gendergelijkheid vaak over het hoofd wordt gezien bij de analyse van mondiale waardeketens; overwegende dat er in 2012 volgens de IAO 21 miljoen mensen, waarvan 55 % vrouwen en meisjes, het slachtoffer werden van gedwongen arbeid, en dat 90 % van dit misbruik plaatsvindt in de particuliere economie, door individuele personen of ondernemingen;

X.  overwegende dat in bepaalde segmenten van de mondiale toeleveringsketens voor kleding, tuinbouw, mobiele telefonie en toerisme de meeste werknemers van het vrouwelijk geslacht zijn, maar dat zij vaker dan mannen terechtkomen in vormen van werk met een laag loon of een lage status, hetgeen leidt tot gendersegregatie wat betreft het soort werk en activiteiten, genderkloven qua loon en arbeidsvoorwaarden, alsook genderspecifieke beperkingen bij de toegang tot productiemiddelen, infrastructuur en diensten;

Y.  overwegende dat de Unie uit hoofde van artikel 3, lid 3, VEU de rechten van het kind moet beschermen; overwegende dat alle lidstaten het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind hebben geratificeerd;

Z.  overwegende dat diensten een toenemende rol spelen in mondiale waardeketens, met name bij de industriële productie; overwegende dat de toenemende integratie van diensten in mondiale waardeketens overeenkomsten vereist ter ondersteuning van de digitale economie, met inbegrip van het vrije verkeer van gegevens;

AA.  overwegende dat de ontwikkeling van mondiale waardeketens verder bijdraagt tot de integratie van diensten in de productie van goederen; overwegende dat een aanzienlijk deel van de waarde van ingevoerde goederen is toegevoegd via diensten uit importerende landen;

AB.  overwegende dat de EU-lidstaten 's werelds grootste exporteur van financiële diensten zijn en dat deze sector van strategisch belang is in het EU-handelsbeleid; overwegende dat de opname van bepalingen betreffende financiële diensten in externe overeenkomsten van de EU, waaronder vrijhandelsovereenkomsten, enige terechte bezorgdheid heeft gewekt in verband met hun mogelijke negatieve gevolgen op het gebied van het witwassen van geld, belastingontduiking en -ontwijking, en dat dit nog maar eens benadrukt hoe belangrijk het is te overwegen instrumenten in te zetten om deze praktijken aan te pakken; overwegende dat handels- en investeringsovereenkomsten een goede gelegenheid bieden voor betere samenwerking in de strijd tegen corruptie, witwaspraktijken en belastingfraude, -ontduiking en -ontwijking;

AC.  overwegende dat transparante en informatieve etikettering een nuttig instrument kan zijn om de Europese consument in staat te stellen met meer kennis van zaken passende keuzes te maken; overwegende dat EU-consumenten niet alleen de prijs en herkomst van een product moeten kennen, maar ook toegang moeten krijgen tot sociale en milieucriteria; overwegende dat dergelijke criteria technisch kunnen worden ontwikkeld in samenhang met de WTO-overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, waarin voorwaarden worden gesteld aan het productieproces om een product te mogen verkopen;

AD.  overwegende dat de mensenrechten in de productieketen volledig in acht moeten worden genomen en dat de voedselveiligheidsnormen voor goederen die op de Europese markt in het vrije verkeer zijn gebracht volledig moeten worden geëerbiedigd door zowel staten als ondernemingen; overwegende dat de verantwoordelijkheid niet alleen bij de consument mag berusten, wiens keuze zowel wordt beperkt door individuele middelen (economie, tijd, kennis) als door externe factoren (informatie, aanbod);

AE.  overwegende dat oorsprongsregels steeds belangrijker zijn geworden in het kader van mondiale waardeketens, aangezien de productie zich hierbij vaak uitstrekt over meerdere landen; overwegende dat soepele oorsprongsregels een bijkomende hinderpaal kunnen vormen voor de totstandkoming van volledige transparantie en verantwoordingsplicht in alle stadia van de toeleveringsketens;

AF.  overwegende dat betere, geharmoniseerde en efficiëntere douaneprocedures in Europa en daarbuiten handel mee in de hand werken en helpen om te voldoen aan de respectieve vereisten voor handelsfacilitatie, en tevens helpen verhinderen dat namaak-, illegale, gedumpte en vervalste goederen de interne markt binnenkomen, hetgeen de economische groei van de EU zou ondermijnen en ernstige risico's zou inhouden voor de EU-consument; overwegende dat betere toegang tot douanegegevens over invoer die de EU binnenkomt de transparantie en controleerbaarheid van mondiale waardeketens zou doen toenemen;

AG.  overwegende dat het onderscheid tussen invoer en uitvoer vertroebelt in een wereld van versnipperde productienetwerken, aangezien ingevoerde onderdelen een aanzienlijk aandeel hebben in de uitvoer en tarieven zich opstapelen telkens wanneer tussenproducten grensoverschrijdend worden verhandeld; overwegende dat efficiënte douane- en grensprocedures in dit verband van bijzonder groot belang zijn;

AH.  overwegende dat handelsstimulansen in het kader van SAP en SAP+ ontwikkelingslanden een betere markttoegang bieden in ruil voor de eerbiediging van arbeids-, milieu- en sociale normen;

AI.  overwegende dat SAP+ een belangrijk instrument van het EU-handelsbeleid is om te zorgen voor een betere markttoegang, dat gepaard gaat met een streng toezichtsmechanisme ter bevordering van mensen- en arbeidsrechten, milieubescherming en goed bestuur in kwetsbare ontwikkelingslanden;

AJ.  overwegende dat de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten kan leiden tot doeltreffende verdere integratie in mondiale waardeketens;

De positie van de EU in mondiale waardeketens

1.  beklemtoont dat het handels- en investeringsbeleid als doel moet hebben te zorgen voor hefboomwerking, een gelijk speelveld voor Europese ondernemingen tot stand te brengen, het Europees concurrentievermogen te bevorderen en een opwaartse convergentie van normen te faciliteren; verzoekt de Commissie om samenhang te garanderen tussen het EU-beleid op het gebied van milieu, volksgezondheid, handel, investeringen en industrie, en om de Europese herindustrialiseringsstrategie en de overgang naar een koolstofarme economie te stimuleren;

2.  meent dat een verdere integratie van de EU in mondiale waardeketens niet ten koste mag gaan van het Europees sociaal en regelgevingsmodel en de bevordering van duurzame groei;

3.  verzoekt de Commissie om de bekendheid en het gebruik van de bestaande regelingen voor eerlijke handel, zoals genoemd in de "Handel voor iedereen"-strategie, te ondersteunen in het kader van het EU-duurzaamheidsplan en de Europese consensus inzake ontwikkeling;

4.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om sterkere handelsbeschermingsinstrumenten vast te stellen om oneerlijke handelspraktijken te bestrijden, rekening houdend met sociale en milieudumping;

5.  vraagt de Commissie te evalueren welke gevolgen het gebruik van handelsbeschermingsinstrumenten door de EU en door derde landen heeft voor de doeltreffende integratie van EU-ondernemingen in mondiale waardeketens;

6.  benadrukt dat er behoefte is aan geharmoniseerde regels en versterkte EU-coördinatie en -toezicht met betrekking tot de toepassing van invoerrechten door de lidstaten (met inbegrip van conventionele, antidumping- en compenserende rechten) op alle soorten grondstoffen en goederen, vooral wanneer er sprake is van valse oorsprongsverklaringen (zowel in het kader van preferentiële als niet-preferentiële regelingen) en de onderwaardering en verkeerde beschrijving van goederen;

Mondiale waardeketens en multilateralisme

7.  verzoekt de Commissie om zich binnen de WTO actief in te zetten voor een grotere transparantie en om multilaterale voorschriften voor handel vast te stellen en te bevorderen, onder meer inzake het duurzame beheer van mondiale waardeketens, waarin met name het volgende vervat zit:

   verplichte vereisten inzake passende zorgvuldigheid en transparantie voor de toeleveringsketen, op basis van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten;
   minimumnormen inzake gezondheid en veiligheid, waarin met name het recht van werknemers wordt erkend om veiligheidscomités op te richten;
   een minimum aan sociale bescherming en naleving van IAO-arbeidsnormen;
   het recht op collectieve onderhandeling;

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich actief te blijven inzetten in alle multilaterale fora inzake bedrijfsleven, mondiale waardeketens, mensen- en arbeidsrechten, economische groei en duurzame ontwikkeling, en daarbij de in de Verdragen verankerde Europese waarden te bevorderen, rekening houdend met de absolute noodzaak om de specifieke kenmerken van kmo's te beschermen;

9.  is ingenomen met de lopende onderhandelingen over een bindend VN-verdrag betreffende transnationale ondernemingen en mensenrechten; verzoekt de Commissie en de lidstaten op constructieve wijze deel te nemen aan deze onderhandelingen en een actieve rol te spelen en bijdragen te leveren bij de ontwikkeling van concrete voorstellen, onder meer over toegang tot rechtsmiddelen, en zich hierbij tot het uiterste in te spannen om positieve resultaten te boeken en handelspartners aan te sporen zich op soortgelijke wijze in te zetten; vraagt de Commissie in dit verband na te gaan of uitgebreide verplichte zorgvuldigheidseisen, ook op mondiaal niveau, tot de mogelijkheden behoort;

10.  verzoekt de lidstaten om de toepassing van de nationale actieplannen tot uitvoering van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten te bespoedigen en de doeltreffendheid van deze actieplannen te vergroten; onderstreept dat acht van de dertien reeds goedgekeurde nationale actieplannen afkomstig zijn uit EU‑lidstaten, en is verheugd dat er momenteel nog eens elf nationale actieplannen van EU‑lidstaten worden opgesteld; verzoekt de Commissie om de tenuitvoerlegging van deze leidende beginselen van de VN te begeleiden en te bevorderen;

11.  is ingenomen met de convergentie van de internationale normen inzake bedrijfsleven en mensenrechten, met name tussen de leidende beginselen van de VN en de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen;

12.  is verheugd dat fatsoenlijk werk en de vier pijlers van de IAO-agenda voor fatsoenlijk werk zijn opgenomen in de SDG's van de VN; verzoekt de Commissie en de lidstaten om deze normen daadwerkelijk toe te passen en om in het kader van de IAO te werken aan de goedkeuring van een nieuwe internationale arbeidsnorm inzake fatsoenlijk werk in mondiale waardeketens, waarin met name de vereiste wordt opgenomen dat alle ondernemingen de effecten van hun activiteiten op de mensenrechten van werknemers en gemeenschappen voortdurend aan risicobeheer onderwerpen en passende maatregelen nemen om deze activiteiten te voorkomen en te verminderen en de getroffen personen rechtsmiddelen in handen te geven;

13.  ondersteunt alle mondiale initiatieven ter bestrijding van corruptie, zoals het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI), het Kimberleyproces, de Internationale Conferentie over het gebied van de Grote Meren (ICGLR), de beginselen van het Global Compact van de Verenigde Naties voor ondernemingen, de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de OESO-richtsnoeren inzake zorgvuldigheidseisen voor verantwoorde bevoorradingsketens van bodemschatten uit door conflicten getroffen gebieden en risicogebieden; wijst erop dat met name producerende landen verplicht zijn passende wetgeving toe te passen en te handhaven, ook wat de totstandbrenging van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie betreft;

14.  wijst erop dat op dit gebied naast de invoer en uitvoer van mineralen en metalen ook de transparantie van regelingen inzake exploitatierechten en douanerechten van cruciaal belang is voor de ontwikkeling van conflict- of risicogebieden; onderstreept daarom dat er een overzicht van bestaande, door Europese bedrijven genomen maatregelen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen moet worden opgesteld en dat de coördinatie en uitwisseling van informatie en beste praktijken moet worden verbeterd, om goede praktijken op doeltreffender wijze te kunnen opsporen en bij te dragen tot de vaststelling van een gemeenschappelijk actiekader op Europees niveau; verzoekt de Commissie om meer initiatieven te nemen met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemerschap en zorgvuldigheid in de hele toeleveringsketen;

15.  wijst erop dat betrouwbare toegang tot grondstoffen belangrijk is voor het mondiale concurrentievermogen;

16.  onderstreept het belang van de tenuitvoerlegging, handhaving en omzetting van bestaande wetten inzake mondiale waardeketens op regionaal, nationaal en internationaal niveau;

Verantwoord ondernemerschap

17.  wijst erop dat handel en mensenrechten elkaar versterken en dat het bedrijfsleven een belangrijke rol heeft te vervullen waar het gaat om het bieden van positieve prikkels om mensenrechten, democratie en verantwoord ondernemerschap te bevorderen;

18.  is verheugd over de talrijke veelbelovende initiatieven van de particuliere sector, zoals gedragscodes, etikettering, zelfevaluatie en sociale audits, die aanzienlijk hebben bijgedragen tot recente verbeteringen op het vlak van normen inzake mensenrechten en werknemersrechten in mondiale toeleveringsketens;

19.  is ernstig bezorgd over gevallen waarin mensenrechten worden geschonden en de milieuduurzaamheid wordt bedreigd als gevolg van managementbeslissingen van bepaalde ondernemingen;

20.  ziet in hoe belangrijk het is duidelijke internationale regels voorhanden te hebben inzake maatschappelijk verantwoord ondernemerschap (mvo), mondiale waardeketens en zorgvuldigheid; is ingenomen met de slimme mix van regelgevende en vrijwillige acties, waardoor de voorbije jaren een aantal positieve resultaten zijn geboekt en bedrijven hun eigen dynamische en innovatieve maatregelen hebben kunnen formuleren; benadrukt dat coördinatie, het delen van informatie en de uitwisseling van beste praktijken kunnen bijdragen tot een verhoogde efficiëntie van particuliere en overheidsinitiatieven met betrekking tot de waardeketen en tot positieve resultaten kunnen leiden; wijst er echter op dat mvo op vrijwillige basis ook oneerlijke concurrentie tot gevolg kan hebben voor leveranciers die ervoor hebben gekozen internationale arbeids- en milieunormen na te leven en op zich niet volstaat om te waarborgen dat ondernemingen internationale normen en verplichtingen ten volle eerbiedigen door in hun beleid uit te gaan van het zorgvuldigheidsbeginsel; onderstreept daarom dat er een overzicht van bestaande, door Europese ondernemingen genomen maatregelen inzake mvo moet worden opgesteld om goede praktijken op doeltreffender wijze te kunnen opsporen en bij te dragen tot de vaststelling van een gemeenschappelijk actiekader op Europees niveau; is er vast van overtuigd dat de EU snel op zoek moet gaan naar manieren om inzake mvo transparantiestrategieën en -regels uit te werken, onder meer door eventueel te overwegen onmiddellijke maatregelen te nemen om in een samenwerkingsverband tussen de EU-instellingen, de lidstaten en het maatschappelijk middenveld bindende en afdwingbare regels, daaraan verbonden rechtsmiddelen en onafhankelijke toezichtsmechanismen te ontwikkelen; benadrukt dat dergelijke verplichtingen moeten verlopen volgens de in de leidende beginselen van de VN en de OESO-richtsnoeren voorgeschreven stappen met betrekking tot de proactieve opsporing van risico's voor de mensenrechten, het opstellen van strenge en aantoonbare actieplannen om deze risico's te voorkomen of te beperken, het adequaat reageren op gekende schendingen, alsook transparantie;

21.  verzoekt de Commissie om dergelijke bepalingen meer op de voorgrond te plaatsen en om de toepassing van sectorale OESO-richtsnoeren en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten te bevorderen; benadrukt dat het maatschappelijk middenveld formeel moet worden betrokken bij de tenuitvoerlegging aan de hand van structuren die in het kader van hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling worden uitgewerkt; verzoekt de Commissie om het werk van internationale normalisatie-instellingen, zoals de Internationale Organisatie voor normalisatie (waaronder ISO 26000) en het Global Reporting Initiative, te ondersteunen, teneinde ondernemingen aan te sporen verslag uit te brengen over duurzaamheid en waardecreatie in de hele toeleveringsketen;

22.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de Europese en internationale ondernemingen voldoen aan de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de sectorspecifieke OESO-richtsnoeren, zoals de richtsnoeren inzake zorgvuldigheidseisen voor verantwoorde bevoorradingsketens van bodemschatten uit door conflicten getroffen gebieden; pleit ervoor de rol van nationale contactpunten van de OESO en hun samenwerking met onafhankelijke nationale en regionale mensenrechteninstellingen verder te versterken, met het oog op een beter beheer van mondiale waardeketens;

23.  verzoekt de Commissie haar mvo-benadering te actualiseren zodat arbeids- en milieunormen hierin sterker vertegenwoordigd zijn, en er met name op aan te dringen dat er in door de Unie onderhandelde handels- en investeringsovereenkomsten mvo-bepalingen worden opgenomen;

24.  onderstreept dat de coördinatie en de uitwisseling van informatie en beste praktijken kunnen bijdragen tot een grotere doeltreffendheid van particuliere en overheidsinitiatieven met betrekking tot waardeketens;

25.  herinnert eraan dat het Parlement in 2010 heeft verzocht om ondernemingen hun balans op het vlak van mvo te laten publiceren, zorgvuldigheidsvereisten voor alle ondernemingen in te voeren en het mvo-concept te consolideren op basis van een geharmoniseerde definitie van de relaties tussen moederbedrijven om de wettelijke aansprakelijkheid van elk van hen te kunnen vaststellen; stelt daarom tevreden vast dat grote ondernemingen met ingang van 2017 niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit openbaar moeten maken overeenkomstig de richtlijn niet-financiële verslaglegging; merkt echter op dat de bekendmaking van niet-financiële informatie door grote ondernemingen nog niet is uitgebreid naar alle marktdeelnemers die in mondiale waardeketens actief zijn;

26.  neemt kennis van het "groenekaartinitiatief" dat door sommige nationale parlementen is opgestart na de goedkeuring van de Franse wet inzake de zorgvuldigheidsplicht van multinationale ondernemingen; verzoekt de Commissie te overwegen voorstellen inzake zorgvuldigheidsplicht van ondernemingen uit te werken voor ondernemingen die zowel binnen als buiten de EU actief zijn en hierbij rekening te houden met de uitspraak van het Franse grondwettelijke hof met betrekking tot de Franse wet, meer bepaald over de evenredigheid van sancties;

27.  herinnert eraan dat bij het mvo-beleid rekening moet worden gehouden met de bijzondere kenmerken van kmo's, en dat dit beleid flexibel genoeg moet zijn om te waarborgen dat zij niet met onevenredige lasten worden opgezadeld; verzoekt de Commissie derhalve te voorzien in een specifieke helpdesk voor kmo's, met bijzondere aandacht voor kleine en micro-ondernemingen, en hen te ondersteunen met op maat gemaakte programma's voor capaciteitsopbouw;

28.  onderstreept dat mondiale waardeketens niet eindigen wanneer het product de consument bereikt, maar ook afval en afvalverwerking omvatten; dringt erop aan rekening te houden met de volledige levenscyclus van producten en de visie op mondiale waardeketens uit te breiden met bepalingen inzake afvalverwijdering zonder personen of het milieu te schaden; verzoekt de EU aan te sporen tot internationale samenwerking en coherentie van de wetgeving inzake producten en materialen aan het einde van de levenscyclus, en om partnerlanden te helpen sterkere nationale regelgeving en handhavingscapaciteit te ontwikkelen; verzoekt de EU ervoor te zorgen dat ook voor dit aspect van de levenscyclus van producten traceerbaarheid geldt;

29.  dringt er bij de Commissie op aan onverwijld stappen te ondernemen, aan de hand van de gedetailleerde voorstellen in de resolutie van het Parlement van 25 oktober 2016 over strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen;

Een prominentere rol voor initiatieven van de particuliere sector

30.  vestigt de aandacht op de resultaten die zijn geboekt door inspanningen van de particuliere sector; benadrukt dat ondernemingen uit de particuliere sector duurzaamheidsstrategieën moeten nastreven, niet alleen om schade aan de eigen reputatie te voorkomen, maar ook omdat ze hierdoor nieuwe mogelijkheden kunnen aanboren en minder afhankelijk worden van schaarse hulpbronnen;

31.  benadrukt de cruciale rol van consumenten (en de effecten van slechte publiciteit); wijst erop dat geen enkele consument producten wil blijven kopen die door kinderen of uitgebuite mannen en vrouwen worden gemaakt of die ernstige milieuschade hebben veroorzaakt;

32.  verzoekt de Commissie op zoek te gaan naar nieuwe methoden om de particuliere sector te ondersteunen bij hun pogingen om mondiale waardeketens duurzamer te maken en inclusieve bedrijfsmodellen en bijbehorende particuliere partnerschappen met meerdere belanghebbende partijen te ontwikkelen;

33.  benadrukt dat er een slimme mix van particuliere en openbare financiering nodig is om duurzame mondiale waardeketens te bevorderen; is van mening dat hierbij moet worden voortgebouwd op bestaande structuren en programma's die succesvol zijn gebleken in het bevorderen van verantwoord ondernemerschap;

34.  is verheugd over de talrijke veelbelovende initiatieven van de particuliere sector, zoals gedragscodes, etikettering, zelfevaluatie en sociale audits, en beaamt dat het Global Compact van de VN, de ISO 26000-norm inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid, de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid en de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen instrumenten zijn die ondernemingen ertoe kunnen aanzetten om verantwoordelijkheid aan de dag te leggen in hun zakelijke activiteiten; verzoekt bedrijven, of ze nu Europees zijn of niet, om zorgvuldigheid inzake mensenrechten te hanteren en hun bevindingen te integreren in hun interne beleid en procedures, met toewijzing van de nodige middelen en autoriteit en naar behoren uitgevoerd; benadrukt dat hiervoor voldoende middelen moeten worden uitgetrokken; onderstreept dat transparantie en communicatie betreffende maatregelen die genomen zijn om mensenrechtenschendingen in derde landen te voorkomen, van essentieel belang zijn om goed democratisch toezicht mogelijk te maken en consumenten in staat te stellen op feiten gebaseerde keuzes te maken;

Vrijhandelsovereenkomsten van de EU en mondiale waardeketens

35.  is ingenomen met de nieuwe handels- en investeringsstrategie van de Europese Unie, getiteld "Handel voor iedereen"; verzoekt de Commissie om in haar handels- en investeringsbeleid en vrijhandelsovereenkomsten in te spelen op de uitdagingen die samenhangen met de opkomst van mondiale waardeketens door de volgende maatregelen te overwegen:

   (a) versterking van de voorafgaande duurzaamheidseffectbeoordelingen van handel, met toevoeging van criteria inzake mensenrechten en gender, en verplichtmaking en openbaarmaking van achteraf verrichte duurzaamheidseffectbeoordelingen van handel met input van het maatschappelijk middenveld;
   (b) volledige tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het Parlement van 2010 en 2016 met betrekking tot hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in vrijhandelsovereenkomsten, die uitgebreide, afdwingbare en ambitieuze hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling moeten bevatten waarin de volgende aspecten aan bod komen:
   (i) een verbintenis door elk van de partijen om de acht fundamentele en de vier prioritaire verdragen van de IAO, alsook de internationale multilaterale milieuovereenkomsten te ratificeren en ten uitvoer te leggen;
   (ii) dekking van mensenrechtenclausules en hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling door de algemene mechanismen voor geschillenbeslechting, op gelijke voet met de andere onderdelen van de overeenkomst;
   (iii) beroep- en verhaalmogelijkheden via een klachtenprocedure voor sociale partners en het maatschappelijk middenveld;
   (iv) doeltreffende afschrikkende maatregelen, onder meer in de vorm van geldboetes die worden ingezet in het geval van ernstige aangetoonde schendingen van de bepalingen over handel en duurzame ontwikkeling;
   (c) opname van afdwingbare bepalingen inzake corruptiebestrijding en de bescherming van klokkenluiders, binnen de bevoegdheden van de EU, in alle toekomstige vrijhandelsovereenkomsten en investeringsovereenkomsten; onderstreept in dit verband dat de partijen bij handels- en investeringsovereenkomsten maatregelen moeten nemen ter bevordering van actieve participatie van de particuliere sector, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en binnenlandse adviesgroepen bij de tenuitvoerlegging van programma's en bepalingen ter bestrijding van corruptie in internationale handels- en investeringsovereenkomsten;
   (d) opname in alle EU-vrijhandelsovereenkomsten van standstillclausules om een minimumniveau vast te leggen voor sociale, milieu- en veiligheidsnormen, ook inzake diergezondheid en dierenwelzijn, om te verhinderen dat de partijen hun sociale, milieu- en veiligheidsnormen verlagen om de export te bevorderen en investeringen aan te trekken;
   (e) opname van bepalingen inzake fiscale transparantie (met inbegrip van de belangrijkste OESO-transparantienormen) en een betere samenwerking in de strijd tegen witwaspraktijken, belastingfraude en -ontduiking en belastingontwijking in vrijhandelsovereenkomsten, hetgeen naar behoren tot uitdrukking moet komen in vereisten voor het openstellen van markten voor financiële diensten;
   (f) aanvulling van alle bovengenoemde bepalingen met ondersteunende maatregelen voor ontwikkelingslanden en een strikt toezicht op de toepassing ervan, onder meer aan de hand van de input van nationale parlementen en belanghebbende partijen als het maatschappelijk middenveld;
   (g) versterking van de koppeling tussen de bilateraal overeengekomen prioriteiten voor de tenuitvoerlegging van hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling van vrijhandelsovereenkomsten en financiële ondersteuning uit de EU-programma's voor ontwikkelingssamenwerking;

36.  wijst enerzijds op de cruciale rol die kmo's kunnen spelen in mondiale waardeketens en anderzijds op de voordelen van verdere integratie van kmo's in die ketens; verzoekt de Commissie om kmo-hoofdstukken op te nemen in alle toekomstige handelsovereenkomsten; verzoekt de Commissie in dit verband voorts om een evaluatie te maken van de bestaande ondersteuningsstructuren voor kmo's die toegang willen krijgen tot mondiale waardeketens en om de strategie "Kleine ondernemingen in een grote wereld" uit 2011 te evalueren en zo nodig bij te werken om de betrokkenheid van kmo's in mondiale waardeketens verder te vereenvoudigen;

37.  onderstreept dat mondiale waardeketens vaak productie en diensten in EPZ's omvatten, waar andere – veelal beperktere– arbeids- en milieunormen gelden dan in de rest van het land in kwestie; verzoekt de Commissie te waarborgen dat de bij vrijhandelsovereenkomsten afgesproken sociale en milieunormen van toepassing zijn op het volledige grondgebied van de handelspartners, met inbegrip van EPZ's;

Etikettering, traceerbaarheid en douanegegevens

38.  verzoekt de EU te werken aan passende en efficiënte oplossingen voor de invoering van een transparant en goed functionerend verplicht etiketteringssysteem voor "sociale en milieutraceerbaarheid" in alle stadia van de productieketen, in overeenstemming met de TBT-overeenkomst van de WTO, en tegelijkertijd te ijveren voor soortgelijke acties op internationaal niveau;

39.  verzoekt de Commissie te overwegen wetgeving in te voeren voor etiketteringsvoorschriften met betrekking tot de oorsprong van producten die op de EU-markt worden gebracht, of voorstellen te formuleren voor regels waarmee daadwerkelijke traceerbaarheid wordt gegarandeerd;

40.  verzoekt de Commissie en spoort de lidstaten ertoe aan op zoek te gaan naar manieren om belanghebbende partijen met een algemeen belang in staat te stellen toegang te krijgen tot douanegegevens die zijn verkregen van partijen die in de EU ingevoerde producten of goederen verhandelen, op voorwaarde dat deze belanghebbenden dit naar behoren kunnen rechtvaardigen en na het indienen van een verzoek op grond van algemeen belang;

Rechtspraak en toegang tot rechtsmiddelen

41.  stelt nogmaals uitdrukkelijk dat het dringend nodig is om mensenrechtenschendingen door transnationale ondernemingen aan te pakken wanneer ze zich voordoen, en om iets te doen aan de juridische problemen als gevolg van de extraterritoriale dimensie van ondernemingen, met name door een gezamenlijke wettelijke aansprakelijkheid in alle stadia van toeleveringsketens vast te stellen; verzoekt de lidstaten passende maatregelen te nemen om de financiële en procedurele hinderpalen waarmee slachtoffers te maken krijgen bij civielrechtelijke geschillen weg te werken;

42.  verzoekt de Commissie nogmaals te overwegen om regels inzake de rechtsmacht in het kader van de verordening Brussel-I uit te breiden naar verweerders uit derde landen in zaken die worden aangespannen tegen ondernemingen met een duidelijk band met één lidstaat of ondernemingen waarvoor de EU een essentieel afzetgebied is, en vraagt de Commissie om in voorkomend geval snel een voorstel voor te leggen aan het Parlement en de Raad;

43.  herinnert eraan dat ondernemingen op operationeel niveau klachtenmechanismen moeten instellen voor werknemers die gevolgen ondervinden van hun handelingen, ook in EPZ's; herhaalt zijn oproep aan de EU en de lidstaten om passende maatregelen te treffen om de wettelijke, procedurele en institutionele obstakels die de toegang tot doeltreffende verhaalmechanismen belemmeren weg te werken;

Gendergelijkheid en kinderrechten

44.  wijst er nogmaals op dat gendergelijkheid stevig is verankerd in alle beleidsmaatregelen van de EU, zoals bepaald bij artikel 8 van het VWEU; betreurt het feit dat gender niet wordt vermeld in de "Handel voor iedereen"-strategie en roept de Commissie ertoe op rekening te houden met het genderaspect en de empowerment van vrouwen bij de tussentijdse evaluatie en herziening van haar strategie; verzoekt de Commissie te waarborgen dat het genderperspectief wordt opgenomen en geïntegreerd in het handels- en investeringsbeleid, de "Aid for Trade"-strategie en alle toekomstige vrijhandelsovereenkomsten en effectbeoordelingen; verzoekt de Commissie de besprekingen en onderhandelingen binnen de WTO voort te zetten zodat het genderaspect in aanmerking wordt genomen in het handels- en investeringsbeleid van de WTO; verzoekt de Commissie om met betrekking tot mondiale waardeketens naar gender uitgesplitste gegevens te verzamelen, vooral voor de landbouwsector, en daarbij rekening te houden met empowerment van vrouwen die verder strekt dan loonkwesties, factoren die leiden tot geweld tegen vrouwen en sociale factoren als ouderschapsverlof en gezondheid, teneinde rechtsvormen uit te werken om de negatieve neveneffecten van mondiale waardeketens te verhelpen; is verheugd dat aandacht wordt besteed aan het aspect gendergelijkheid in de onderhandelingen over de actualisering van de overeenkomst tussen de EU en Chili en dat dit deel zal uitmaken van de toekomstige geactualiseerde overeenkomst;

45.  dringt aan op een uitgebreide analyse van verschillen en ongelijkheden in het kader van mondiale waardeketens, met betrekking tot: i) genderverschillen in tijdsbesteding, met name als gevolg van de primaire verantwoordelijkheid van vrouwen voor reproductieve arbeid; ii) genderverschillen bij de toegang tot productiemiddelen en ‑bronnen, met name land, krediet, opleiding en netwerken; en iii) genderverschillen die voortvloeien uit falen en discriminatie op het niveau van markten en instellingen;

46.  onderstreept dat vooral vrouwen hiervan het slachtoffer zijn en dat de illegale handel in arbeidskrachten bij vrouwen erg vaak samengaat met mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting en feminicide;

47.  stelt voor om in het kader van het internationale en EU-handelsbeleid inzake mondiale waardeketens een specifieke strategie uit te werken om personen die praktijken aanklagen als feminicide, illegale handel in arbeidskrachten en mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, formele bescherming te bieden en slachtoffers van deze praktijken te verdedigen; onderstreept dat personen die dergelijke praktijken aanklagen dezelfde erkenning en bescherming moeten krijgen als wordt gevraagd voor klokkenluiders op het gebied van internationale en EU-handel;

48.  wijst erop dat vrouwen weliswaar steeds vaker werk vinden, maar nog steeds oververtegenwoordigd zijn in laaggeschoolde en slecht betaalde banen, onvoldoende toegang hebben tot sociale beschermingsmaatregelen, waaronder moederschapsbescherming, en al te vaak het slachtoffer zijn van discriminatie en seksuele intimidatie;

49.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en regionale en lokale autoriteiten om duurzame openbare aanbestedingen te bevorderen door leveranciers en hun internationale toeleveringsketens te onderwerpen aan specifieke vereisten inzake mensenrechten en naleving van het internationaal recht, met name met betrekking tot de bevordering van gendergelijkheid en de Europese mededingingsregels, alsook inzake transparantie;

50.  onderstreept hoe belangrijk het is dat de landen die dat nog niet hebben gedaan de IAO-Verdragen nr. 182 betreffende de ergste vormen van kinderarbeid en nr. 138 betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces ratificeren; brengt in herinnering dat de EU zich ertoe heeft verbonden de ergste vormen van kinderarbeid op mondiaal niveau uit te bannen, in overeenstemming met haar waarden, waaronder het verbod op kinderarbeid in het externe optreden van de EU zoals verankerd in artikel 21 van het VEU; herhaalt zijn oproep tot harmonisering en versterking van de controles op invoer en toeleveringsketens om te garanderen dat uitsluitend producten die niet het resultaat zijn van gedwongen arbeid, kinderarbeid en moderne slavernij op de EU-markt komen; benadrukt zijn steun voor bestaande initiatieven ter ondersteuning van kmo's en organisaties van kleine boeren om hen in staat te stellen een groter deel van de waarde in mondiale waardeketens in de wacht te slepen, zoals in het geval van eerlijke handel; onderstreept hoe belangrijk het is de strijd tegen gedwongen arbeid en kinderarbeid op te nemen in alle vrijhandelsovereenkomsten van de EU, via hoofdstukken over duurzame ontwikkeling, zodat wordt gewaarborgd dat handelspartners het eens zijn over deze doelstelling; verzoekt de Commissie en de lidstaten dit voorstel vurig te verdedigen in alle internationale fora, waaronder de IAO, de OESO, de VN en de WTO, zodat er in de strijd tegen gedwongen arbeid en kinderarbeid vooruitgang wordt geboekt; benadrukt in dit verband dat het streven naar producten waar geen kinderarbeid aan te pas is gekomen alleen kan slagen wanneer er tegelijkertijd leefbare lonen worden vastgesteld voor de gezinsleden van het kind;

Ontwikkelingslanden

51.  onderstreept dat mondiale waardeketens een uitgelezen kans zijn voor ondernemingen in ontwikkelingslanden, met name kmo's, om zich met de mondiale economie in verbinding te stellen; benadrukt dat specifiek beleid en begeleidende maatregelen van cruciaal belang zijn om dit te verwezenlijken en om de potentiële voordelen ten goede te doen komen van alle werknemers in onze partnerlanden, met name beleidsmaatregelen die gericht zijn op een grotere efficiëntie van administratieve procedures of op bijstand aan de betrokken ondernemingen om toegevoegde waarde te creëren, hun participatie in mondiale waardeketens uit te breiden en tegelijkertijd ook hun sociale en milieunormen te verbeteren; wijst erop dat bij de herziening van SAP en SAP+ bindende regels inzake mensen- en arbeidsrechten en milieubescherming moeten worden ingevoerd; merkt op dat veel ontwikkelingslanden een beperkte capaciteit en beperkte middelen hebben om daadwerkelijk toe te zien op naleving van sociale en milieunormen en -regelgeving; verzoekt de EU om de capaciteitsopbouw te versterken en de regeringen van partners in ontwikkelingslanden technische bijstand te verlenen wanneer dat mogelijk en nodig is;

52.  herinnert aan de SDG-agenda 2030 en de hierin opgenomen benaderingen voor duurzame productie, duurzame consumptie en fatsoenlijk werk en verzoekt de Commissie in haar rapportage transparant te verwijzen naar elke betrokken SDG; herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten om handel te gebruiken ter bevordering van duurzame ontwikkeling en goed bestuur, in overeenstemming met de beginselen van beleidscoherentie voor ontwikkeling; onderstreept dat de handels- en investeringsovereenkomsten die de EU afsluit met ontwikkelingslanden in overeenstemming moeten zijn met de SDG's; herhaalt dat ontwikkelingslanden het recht hebben investeringen te reguleren om te waarborgen dat alle investeerders, ook buitenlandse, aan verplichtingen zijn onderworpen met het oog op de bescherming van mensenrechten en arbeids- en milieunormen;

53.  is ingenomen met de inwerkingtreding van de handelsfacilitatieovereenkomst, die bij een behoorlijke tenuitvoerlegging zal leiden tot eenvoudigere en modernere douaneprocedures, waardoor het voor ontwikkelingslanden, die over het algemeen te maken hebben met grotere obstakels aan de grens, gemakkelijker wordt om te integreren in het mondiale handelssysteem;

54.  verzoekt de Commissie om de daadwerkelijke participatie van kmo's in mondiale waardeketens te ondersteunen door ervoor te zorgen dat kmo's en organisaties van kleine landbouwers in ontwikkelingslanden elkaar vinden en partnerschappen smeden waarmee wordt beoogd het aandeel van de producenten in de waarde te vergroten en tegelijkertijd een hoog beschermingsniveau met betrekking tot sociale, milieu- en mensenrechten te waarborgen, zoals in het geval van eerlijke handel;

55.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat voorwaarden met betrekking tot de mensenrechten in verband met unilaterale handelspreferenties die worden toegekend in het kader van de SAP-regeling op doeltreffende wijze worden gehandhaafd en gecontroleerd, en dat de procedures voor gevallen van mogelijke niet-naleving van deze voorwaarden ten uitvoer worden gelegd met volledige inachtneming van de SAP-verordening;

56.  rekent erop dat de tussentijdse evaluatie van de SAP-verordening duidelijkheid zal scheppen omtrent definities en een diepgaande beoordeling van de huidige regeling zal inhouden; is van mening dat handelsbeleid moet worden gebruikt om de partnerlanden van de EU aan te zetten tot het hanteren van strengere sociale, arbeids- en milieunormen, hetgeen kan worden verwezenlijkt door stimulansen als bijkomende tariefpreferenties voor producten die op duurzame wijze zijn geproduceerd; meent dat deze doelstelling een herziening van de SAP-verordening vereist, en stelt in dit verband voor om mvo-voorwaarden in de werkingssfeer ervan op te nemen om ervoor te zorgen dat transnationale ondernemingen voldoen aan nationale en internationale wettelijke verplichtingen op het gebied van mensenrechten en arbeids- en milieunormen; dringt erop aan dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan de situatie van arbeidsrechten en vakbondsrechten in EPZ's en vraagt de Commissie met klem deze kwestie aan bod te laten komen in de herziening van de SAP-regeling en hierbij nauw samen te werken met de IAO;

57.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle door de EU gefinancierde ontwikkelingsprojecten, met inbegrip van blendingprojecten, niet alleen volledig in overeenstemming zijn met de internationaal overeengekomen beginselen van doeltreffende ontwikkeling, maar dat ook het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming zoals bedoeld in IAO-Verdrag nr. 169 ten volle wordt geëerbiedigd;

Oorsprongsregels

58.  merkt op dat vereenvoudigde, doeltreffende en preferentiële oorsprongsregels van cruciaal belang zijn in het kader van mondiale waardeketens; erkent dat de inflexibiliteit en complexiteit van oorsprongsregels de efficiëntie van handelspatronen kan belemmeren;

59.  verzoekt de Commissie om multilaterale oorsprongsregels zoveel mogelijk te gebruiken als preferentiële oorsprongsregels in vrijhandelsovereenkomsten; verzoekt de Commissie om bij het ontwerpen van specifieke preferentiële oorsprongsregels in vrijhandelsovereenkomsten de voorschriften inzake toegevoegde waarde af te zwakken en om verandering van tariefonderverdeling en het beginsel "enkelvoudige verwerking" toe te staan als oorsprongsregel;

60.  verzoekt de Commissie om er met name in onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten met landen die momenteel SAP- en EBA-preferenties genieten voor te zorgen dat het ontwerp van oorsprongsregels niet leidt tot verstoring van economische processen;

61.  is van mening dat toegenomen cumulatie in vrijhandelsovereenkomsten niet mag worden gezien als instrument voor liberalisering via de achterdeur, maar moet worden beschouwd als instrument aan de hand waarvan landen zich kunnen specialiseren in economische activiteiten volgens de logica van het comparatieve voordeel;

Intellectuele-eigendomsrechten en gegevensstromen

62.  is ingenomen met het engagement dat de Commissie is aangegaan om het hele spectrum van intellectuele-eigendomsrechten te beschermen, met inbegrip van patenten, handelsmerken, auteursrechten, ontwerpen, geografische aanduidingen, oorsprongsaanduidingen en geneesmiddelen, met waarborging van toegang tot betaalbare geneesmiddelen, zowel op het niveau van de WTO als via vrijhandelsovereenkomsten; verzoekt de Commissie om verdere maatregelen te nemen met betrekking tot de mogelijke uitbreiding van de bescherming door geografische aanduidingen naar niet-landbouwproducten, wat in tal van derde landen al gebeurt door middel van verschillende rechtsstelsels; vraagt om een open en inclusief proces voor verbeterde samenwerking met derde landen om de strijd aan te gaan met vervalsingen en namaakgoederen waarbij wordt geprofiteerd van het vertrouwen in handelsmerken en merknamen;

63.  erkent dat digitale innovatie en gegevensstromen cruciale aanjagers van de diensteneconomie en een essentieel element van de mondiale waardeketens van traditionele verwerkende ondernemingen zijn, en dat de vereisten van gedwongen lokalisering daarom zoveel mogelijk moeten worden beperkt zowel binnen als buiten Europa, waarbij de nodige vrijstellingen kunnen worden verleend op grond van legitieme openbare doeleinden, zoals consumentenbescherming en de bescherming van grondrechten; brengt in herinnering dat de bescherming van gegevensstromen en het recht op privacy geen handelsbelemmeringen zijn maar grondrechten, zoals vastgelegd in artikel 39 VEU, in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsook in artikel 12 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens;

o
o   o

64.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de Wereldhandelsorganisatie en Unctad.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0299.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0298.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0208.
(4) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0405.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0196.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0098.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0041.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0252.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0265.
(11) PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1.
(12) PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23.
(13) PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1.
(14) PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1.
(15) PB L 330 van 15.11.2014, blz. 1.
(16) http://childrenandbusiness.org
(17) Voor de definitie van kmo's: zie http://eur-lex.europa.eu/legal-content/nl/TXT/HTML/?uri=CELEX:32003H0361&from=nl

Juridische mededeling - Privacybeleid