Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 14 september 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Toegankelijkheidseisen voor producten en diensten ***I
 Cambodja, met name de zaak Kem Sokha
 Gabon, onderdrukking van de oppositie
 Laos, met name de zaken Somphone Phimmasone, Lod Thammavong en Soukane Chaithad
 Myanmar, met name de situatie van de Rohingya
 Overeenkomst tussen de EU en Chili inzake de handel in biologische producten ***
 Protocol bij de associatie-overeenkomst tussen de EU en Chili (toetreding van Kroatië) ***
 Modernisering van de handelspijler van de Associatieovereenkomst EU-Chili
 Verlenging van het Europees statistisch programma tot 2020 ***I
 Europese durfkapitaalfondsen en Europese sociaalondernemerschapsfondsen ***I
 Meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
 Transparantie, verantwoordelijkheid en integriteit in de EU-instellingen
 De toekomst van het Erasmus+-programma
 Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa

Toegankelijkheidseisen voor producten en diensten ***I
PDF 919kWORD 160k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 september 2017 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten (COM(2015)0615 – C8-0387/2015 – 2015/0278(COD))(1)
P8_TA(2017)0347A8-0188/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Visum 1 bis (nieuw)
gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 26,
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Deze richtlijn is bedoeld om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt door wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten onderling aan te passen door het wegnemen van belemmeringen voor het vrije verkeer van bepaalde toegankelijke producten en diensten. Hierdoor zal de beschikbaarheid van toegankelijke producten en diensten op de interne markt toenemen.
(1)  Deze richtlijn is bedoeld om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt door wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten onderling aan te passen en door het wegnemen van belemmeringen voor het vrije verkeer van bepaalde toegankelijke producten en diensten. Hierdoor zal de beschikbaarheid, de toegankelijkheid en het praktische nut van informatie over toegankelijke producten en diensten op de interne markt toenemen.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Er is veel vraag naar toegankelijke producten en diensten, en door de vergrijzing van de bevolking van de Europese Unie zal het aantal burgers met een handicap en/of functionele beperking aanzienlijk toenemen. Een omgeving waar producten en diensten beter toegankelijk zijn, zorgt voor een meer inclusieve samenleving en maakt het voor mensen gemakkelijker om zelfstandig te blijven leven.
(2)  Er is veel vraag naar toegankelijke producten en diensten, en door de vergrijzing van de bevolking van de Unie zal het aantal personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap in overeenstemming met artikel 1 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (het "Verdrag"), aanzienlijk toenemen. Een omgeving waar producten en diensten beter toegankelijk zijn, zorgt voor een meer inclusieve samenleving en is noodzakelijk om mensen in staat te stellen om zelfstandig te blijven leven.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Bij het ontwikkelen van producten, gereedschappen, toestellen en diensten dient rekening te worden gehouden met universele toegankelijkheid, ontwerpen voor iedereen en genderperspectieven, opdat zij algemeen gebruikt zouden kunnen worden door personen met een handicap.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  De verschillen tussen door de lidstaten vastgestelde wetten en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de toegankelijkheid van producten en diensten voor personen met een beperking, waaronder personen met een handicap, leiden tot belemmeringen in het vrije verkeer van dergelijke producten en diensten en verstoren de daadwerkelijke mededinging in de interne markt. Marktdeelnemers, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), ondervinden in het bijzonder hinder van deze belemmeringen.
(3)  De verschillen tussen door de lidstaten vastgestelde wetten en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de toegankelijkheid van bepaalde producten en diensten voor personen met een beperking, waaronder personen met een handicap, leiden tot belemmeringen in het vrije verkeer daarvan en verstoren de daadwerkelijke mededinging in de interne markt. Voor andere producten zullen de verschillen wellicht toenemen door de inwerkingtreding van het Verdrag. Marktdeelnemers, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), ondervinden in het bijzonder hinder van deze belemmeringen.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Door de beperkte concurrentie tussen leveranciers krijgen de gebruikers van toegankelijke producten en diensten te maken met hoge prijzen. De uitwisseling van ervaringen op nationaal en internationaal niveau tussen marktdeelnemers die inspelen op maatschappelijke en technologische ontwikkelingen kan voordelen opleveren, maar die worden beperkt door de versnippering tussen nationale regelingen.
(5)  Door de beperkte concurrentie tussen leveranciers krijgen de gebruikers van toegankelijke producten, en in het bijzonder van hulptechnologieën, en diensten te maken met hoge prijzen. De uitwisseling van ervaringen op nationaal en internationaal niveau tussen marktdeelnemers die inspelen op maatschappelijke en technologische ontwikkelingen kan voordelen opleveren, maar die worden beperkt door de versnippering tussen nationale regelingen.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Voor een goede werking van de interne markt is het daarom noodzakelijk de nationale maatregelen op het niveau van de Unie op elkaar af te stemmen om een einde te maken aan de versnippering van de markt voor toegankelijke producten en diensten, schaalvoordelen mogelijk te maken, de grensoverschrijdende handel en mobiliteit te vergemakkelijken en de marktdeelnemers te helpen hun beschikbare middelen aan te wenden voor innovatie in plaats van voor de naleving van de versnipperde wettelijke voorschriften in de Unie.
(6)  Voor een goede werking van de interne markt is het daarom noodzakelijk de nationale maatregelen op het niveau van de Unie op elkaar af te stemmen om een einde te maken aan de versnippering van de markt voor toegankelijke producten en diensten, schaalvoordelen mogelijk te maken, de grensoverschrijdende handel, het vrije verkeer van goederen en diensten, en het vrije verkeer van personen, waaronder personen met een handicap, te vergemakkelijken en de marktdeelnemers te helpen hun beschikbare middelen aan te wenden voor innovatie in plaats van voor het betalen van de kosten die ontstaan door de versnipperde wetgeving.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  In artikel 10 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) staat dat de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden streeft naar bestrijding van discriminatie op grond van handicap. Op grond van artikel 19 van het VWEU beschikt de Unie over de bevoegdheid om wetgeving vast te stellen voor de bestrijding van die discriminatie.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  Deze richtlijn is in overeenstemming met de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend. Deze richtlijn streeft met name naar de volledige eerbiediging van het recht van personen met een handicap om te profiteren van maatregelen die bedoeld zijn om hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te waarborgen, en naar bevordering van de toepassing van artikel 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
(9)  Deze richtlijn is in overeenstemming met de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend. Deze richtlijn streeft met name naar de volledige eerbiediging van het recht van personen met een handicap en ouderen om te profiteren van maatregelen die bedoeld zijn om hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te waarborgen, en naar bevordering van de toepassing van de artikelen 21, 25 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Amendement 250
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   Een betere toegankelijkheid van producten en diensten zal niet alleen de levenskwaliteit van personen met een handicap verbeteren, maar ook die van personen met een andere permanente of tijdelijke functionele beperking, zoals ouderen, zwangere vrouwen en personen die met bagage reizen. Daarom is het van essentieel belang dat deze richtlijn betrekking heeft op zowel personen met een handicap als personen met tijdelijke of permanente functionele beperkingen, teneinde te zorgen voor werkelijke voordelen en een onafhankelijk bestaan voor een groter deel van de samenleving.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 ter (nieuw)
(9 ter)  In de Unie zijn er meer vrouwen met een handicap dan mannen. Vrouwen met een handicap worden bij de daadwerkelijke uitoefening van hun grondrechten en fundamentele vrijheden geconfronteerd met meervoudige discriminatie en aanzienlijke belemmeringen. Het gaat hierbij om lichamelijk, emotioneel, seksueel, economisch en institutioneel geweld. Daarnaast is er sprake van discriminatie bij de toegang tot onderwijs en de arbeidsmarkt, hetgeen tot een sociaal isolement en psychologische trauma's kan leiden. Vrouwen worden ook onevenredig zwaar getroffen door handicaps, aangezien zij vaker instaan voor de zorg van gezinsleden met een handicap, en zij worden vaker het slachtoffer van discriminatie door associatie dan mannen. Dit betekent dat maatregelen nodig zijn om gelijke behandeling te waarborgen, en dat positieve maatregelen en beleid voor vrouwen met een handicap en moeders met kinderen met een handicap een fundamenteel mensenrecht zijn en een morele verplichting.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  Het algemene doel van de "strategie voor de digitale eengemaakte markt" is het realiseren van duurzame economische en sociale voordelen op basis van een connectieve digitale eengemaakte markt. Consumenten in de Unie kunnen nog steeds niet optimaal profiteren van de prijsvoordelen en keuzemogelijkheden die de eengemaakte markt kan bieden, omdat grensoverschrijdende onlinetransacties nog zeer beperkt zijn. Ook de versnippering van de markt beperkt de vraag naar grensoverschrijdende elektronische handelstransacties. Tevens is er een gecoördineerde aanpak nodig om ervoor te zorgen dat nieuwe elektronische inhoud ook volledig toegankelijk is voor personen met een handicap. Daarom is het nodig de toegankelijkheidseisen in de hele digitale eengemaakte markt te harmoniseren en ervoor te zorgen dat alle burgers van de Unie, ongeacht hun vermogens, de voordelen ervan kunnen genieten.
(10)  Het algemene doel van de "strategie voor de digitale eengemaakte markt" is het realiseren van duurzame economische en sociale voordelen op basis van een connectieve digitale eengemaakte markt, zodat de handel wordt bevorderd en de werkgelegenheid binnen de Unie wordt versterkt. Consumenten in de Unie kunnen nog steeds niet optimaal profiteren van de prijsvoordelen en keuzemogelijkheden die de eengemaakte markt kan bieden, omdat grensoverschrijdende onlinetransacties nog zeer beperkt zijn. Ook de versnippering van de markt beperkt de vraag naar grensoverschrijdende elektronische handelstransacties. Tevens is er een gecoördineerde aanpak nodig om ervoor te zorgen dat nieuwe elektronische inhoud ook volledig toegankelijk is voor personen met een handicap. Daarom is het nodig de toegankelijkheidseisen in de hele digitale eengemaakte markt te harmoniseren en ervoor te zorgen dat alle burgers van de Unie, ongeacht hun vermogens, de voordelen ervan kunnen genieten.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)   In artikel 4 van het Verdrag worden de staten/partijen opgeroepen zich in te spannen voor onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe technologieën, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën, mobiliteitshulpmiddelen, instrumenten en ondersteunende technologieën, die geschikt zijn voor personen met een handicap, alsmede tot het bevorderen van de beschikbaarheid en het gebruik daarvan. In het Verdrag wordt er tevens op aangedrongen voorrang te geven aan technologieën die betaalbaar zijn.
Amendement 232
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 ter (nieuw)
(12 ter)  In de spoorwegsector verwijzen Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad1 bis en Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie1 ter (PRM TSI) expliciet naar de toegankelijkheidseisen die in artikel 9 van het verdrag zijn opgenomen en leggen zij deze ten uitvoer. Dienovereenkomstig wordt de toegankelijkheid voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit in de spoorwegsector door deze instrumenten geregeld. Om consistentie te garanderen tussen Richtlijn (EU) 2016/797 en Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie enerzijds en deze richtlijn anderzijds, moet bij eventuele toekomstige herzieningen van de PRM TSI ook rekening worden gehouden met de toegankelijkheidseisen die voortvloeien uit de Europese toegankelijkheidswet.
________________
1 bis Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 44).
1 ter Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem in de Unie voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit (PB L 356 van 12.12.2014, blz. 110).
Amendement 233
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  De inwerkingtreding van het VN-verdrag binnen de rechtsorde van de lidstaten maakt het noodzakelijk aanvullende nationale bepalingen over de toegankelijkheid van producten en diensten vast te stellen, hetgeen zonder optreden van de Unie zou leiden tot nog grotere verschillen tussen de nationale bepalingen.
(13)  De inwerkingtreding van het VN-verdrag binnen de rechtsorde van de lidstaten maakt het noodzakelijk aanvullende nationale bepalingen over de toegankelijkheid van producten en diensten en over de gebouwde omgeving in verband met de levering van goederen en diensten vast te stellen, hetgeen zonder optreden van de Unie zou leiden tot nog grotere verschillen tussen de nationale bepalingen.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)   Afgezien van de eisen in deze richtlijn moeten ook de tenuitvoerlegging en handhaving worden bevorderd van de wetgeving van de Unie inzake de rechten van passagiers die per luchtvervoer, per bus, per spoor en over water reizen. Hierbij moet de nadruk liggen bij intermodale aspecten om zo een onbelemmerde toegankelijkheid te bevorderen, met inbegrip van aspecten zoals infrastructuur en transportvoertuigen.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)  De Commissie dient de stedelijke autoriteiten aan te moedigen de onbelemmerde toegankelijkheid van stadsvervoersdiensten op te nemen in hun duurzame stedelijke mobiliteitsplanning, en regelmatig lijsten te publiceren van optimale praktijken inzake de onbelemmerde toegankelijkheid van stedelijk openbaar vervoer en mobiliteit.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  De Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 — Een hernieuwd engagement voor een onbelemmerd Europa omvat toegankelijkheid, in overeenstemming met het VN-verdrag, als een van de acht actieterreinen en is erop gericht de toegankelijkheid van producten en diensten te waarborgen.
(15)  De mededeling van de Commissie van 15 november 2010 "Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 – Een hernieuwd engagement voor een onbelemmerd Europa" omvat - in overeenstemming met het Verdrag - toegankelijkheid, een fundamentele voorwaarde voor participatie in de samenleving, als een van de acht actieterreinen en is erop gericht de toegankelijkheid van producten en diensten te waarborgen.
__________________
33 COM(2010)0636.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  De producten en diensten die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, zijn geselecteerd op basis van een screening, uitgevoerd tijdens de opstelling van de effectbeoordeling waarmee werd vastgesteld voor welke relevante producten en diensten voor personen met een functionele beperking (waaronder personen met een handicap en ouderen) lidstaten uiteenlopende nationale toegankelijkheidseisen hebben vastgesteld of naar verwachting nog zullen vaststellen.
(16)  De producten en diensten die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, zijn geselecteerd op basis van een screening, uitgevoerd tijdens de opstelling van de effectbeoordeling waarmee werd vastgesteld voor welke relevante producten en diensten voor personen met een handicap lidstaten uiteenlopende nationale toegankelijkheidseisen hebben vastgesteld of naar verwachting nog zullen vaststellen.
Amendement 227
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad1 bis voorziet in een aantal verplichtingen voor aanbieders van audiovisuele mediadiensten. Het is daarom wenselijker om de toegankelijkheidseisen in die richtlijn op te nemen.
Wat websites en mobiele apparaten betreft, heeft Richtlijn 2010/13/EU echter alleen betrekking op audiovisuele media-inhoud. Daarom is het wenselijk de architectuur van websites en mobiele diensten evenals alle inhoud die niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2010/13/EU vallen ook in deze richtlijn op te nemen.
Deze richtlijn zou betrekking moeten hebben op toegankelijkheidseisen voor telefoniedienstenapparatuur en websites. Ook zou deze richtlijn betrekking moeten hebben op toegankelijkheidseisen voor telefoniediensten tenzij deze opgenomen zijn in een andere rechtshandeling van de Unie die ten minste hetzelfde beschermingsniveau als deze richtlijn biedt. In het laatste geval zou de desbetreffende rechtshandeling van de Unie voorrang moeten krijgen boven deze richtlijn.

_______________________
1 bis Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  Alle producten en diensten moeten voldoen aan de in artikel 3 vermelde en in bijlage I opgenomen toegankelijkheidseisen om toegankelijk te zijn voor personen met een handicap en ouderen. De toegankelijkheidsverplichtingen op het gebied van elektronische handel zijn ook van toepassing op de onlineverkoop van diensten die vallen onder artikel 1, lid 2, onder a) tot en met e), van deze richtlijn.
(17)  Alle producten en diensten die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en na de toepassingsdatum van deze richtlijn in de handel zijn gebracht, moeten voldoen aan de in artikel 3 vermelde en in bijlage I opgenomen toegankelijkheidseisen om toegankelijk te zijn voor personen met een handicap. De toegankelijkheidsverplichtingen op het gebied van elektronische handel zijn ook van toepassing op de onlineverkoop van diensten die vallen onder artikel 1, lid 2, a) tot en met e), van deze richtlijn.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)  Ook indien een dienst of een onderdeel van een dienst wordt uitbesteed aan een derde partij mag dit geen afbreuk doen aan de toegankelijkheid ervan en dienen de dienstverleners zich te houden aan de verplichtingen van deze richtlijn. Dienstverleners zorgen er daarnaast voor dat hun personeelsleden naar behoren en continu worden opgeleid, zodat zij de nodige kennis van zaken hebben met betrekking tot het gebruik van toegankelijke producten en diensten. De desbetreffende opleiding strekt zich onder meer uit tot informatieverschaffing, advies en reclame.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  De toegankelijkheidseisen moeten op zo'n manier worden ingevoerd dat ze een zo klein mogelijke belasting voor de marktdeelnemers en de lidstaten opleveren, met name door alleen producten en diensten in het toepassingsgebied op te nemen die grondig zijn geselecteerd.
(18)  Enerzijds moeten de toegankelijkheidseisen op de meest doeltreffende manier en op zodanige wijze worden ingevoerd dat ze een zo klein mogelijke belasting voor de marktdeelnemers en de lidstaten opleveren, met name door alleen producten en diensten in het toepassingsgebied op te nemen die grondig zijn geselecteerd en die na de toepassingsdatum van deze richtlijn in de handel zijn gebracht. Anderzijds moet het voor marktdeelnemers mogelijk worden gemaakt de in deze richtlijn vastgestelde toegankelijkheidseisen op efficiënte wijze om te zetten, door met name rekening te houden met de levensduur van zelfbedieningsterminals, kaartautomaten en incheckautomaten. Daarnaast moet ook de bijzondere positie van kmo's op de interne markt in acht worden genomen. Bovendien moeten micro-ondernemingen, gezien hun omvang, middelen en aard, niet verplicht zijn te voldoen aan de bij deze richtlijn vastgestelde toegankelijkheidseisen of gebruik te maken van de procedure van artikel 12 om van de verplichtingen van deze richtlijn te worden vrijgesteld.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)  Met het oog op een betere werking van de interne markt moeten nationale autoriteiten gebruik maken van de toegankelijkheidseisen van deze richtlijn wanneer ze de in deze richtlijn vermelde bepalingen die verband houden met toegankelijkheid in wetgevingshandelingen van de Unie toepassen. Deze richtlijn mag echter geen wijzigingen aanbrengen in de verplichte of vrijwillige aard van de bepalingen in die andere wetgevingshandelingen van de Unie. Deze richtlijn moet er derhalve voor zorgen dat, wanneer toegankelijkheidseisen worden gebruikt in overeenstemming met die andere wetgevingshandelingen, die toegankelijkheidseisen overal in de Unie hetzelfde zijn.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21
(21)  In het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad34 zijn toegankelijkheidseisen opgenomen voor een specifieke groep van websites van overheidsinstanties. Daarnaast wordt erin voorgesteld de basis te leggen voor een methodiek voor het toezicht op en de verslaglegging over de mate waarin de betrokken websites aan de vereisten van die richtlijn voldoen. Zowel de toegankelijkheidseisen als de methodiek voor toezicht en verslaglegging in die richtlijn moeten van toepassing zijn op de websites van overheidsinstanties. Met name om ervoor te zorgen dat de betrokken autoriteiten, onafhankelijk van het soort gereglementeerde website, dezelfde toegankelijkheidseisen toepassen, moeten de in deze richtlijn vastgestelde toegankelijkheidseisen worden afgestemd op die van het voorstel voor een richtlijn inzake de toegankelijkheid van de websites van overheidsinstanties. Als overheidswebsites activiteiten op het gebied van elektronische handel aanbieden die niet onder die richtlijn vallen, vallen deze onder het toepassingsgebied van dit voorstel, om te waarborgen dat de onlineverkoop van producten en diensten, ongeacht of die publiek of particulier van aard is, toegankelijk is voor personen met een handicap en ouderen.
(21)   Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad34 bevat toegankelijkheidseisen voor websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties. Die richtlijn bevat echter een specifieke lijst van uitzonderingen omdat het volledig toegankelijk maken van bepaalde inhoud van websites en mobiele applicaties en bepaalde soorten websites en mobiele applicaties een onevenredige last met zich meebrengt. Daarnaast legt die richtlijn de basis voor een methodiek voor het toezicht op en de verslaglegging over de mate waarin de betrokken websites en mobiele applicaties aan de vereisten van die richtlijn voldoen. Zowel de toegankelijkheidseisen als de methodiek voor toezicht en verslaglegging in die richtlijn moeten van toepassing zijn op de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties. Met name om ervoor te zorgen dat de betrokken autoriteiten, onafhankelijk van het soort gereglementeerde website of mobiele applicatie, dezelfde toegankelijkheidseisen toepassen, moeten de in deze richtlijn vastgestelde toegankelijkheidseisen worden afgestemd op die van Richtlijn (EU) 2016/2102. Als websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties activiteiten op het gebied van elektronische handel aanbieden die niet onder die richtlijn vallen, vallen deze onder het toepassingsgebied van deze richtlijn, om te waarborgen dat de onlineverkoop van producten en diensten, ongeacht of die publiek of particulier van aard is, toegankelijk is voor personen met een handicap.
__________________
__________________
34 Voorstel voor een richtlijn van het Europees parlement en de Raad inzake de toegankelijkheid van de websites van overheidsinstanties COM(2012)0721.
34 Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1).
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Bepaalde onderdelen van de toegankelijkheidseisen die bij deze richtlijn zijn vastgesteld, met name die welke zijn opgenomen in bijlage I betreffende de informatieverstrekking, vallen reeds onder bestaande wetgevingshandelingen van de Unie op het gebied van vervoer. Deze wetgevingshandelingen omvatten Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad1bis en Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie1ter en Verordening (EU) nr. 454/2011 van de Commissie1quater voor het spoorvervoer; Verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad1quinquies voor het autobus- en touringcarvervoer; en Verordening (EU) nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad1sexies voor het vervoer over zee en via de binnenwateren. Teneinde te zorgen voor samenhang in de regelgeving en de voorspelbaarheid te vergroten voor de marktdeelnemers die onder deze wetgevingshandelingen vallen, moeten de desbetreffende eisen uit hoofde van deze richtlijn worden geacht te zijn nageleefd indien de desbetreffende delen van die wetgevingshandelingen zijn nageleefd. Indien de toegankelijkheidseisen echter niet binnen het toepassingsgebied van die wetgevingshandelingen vallen, bijvoorbeeld de eis om websites van luchtvaartmaatschappijen toegankelijk te maken, is deze richtlijn van toepassing.
__________________
1bis Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 14).
1ter Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem in de Unie voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit (PB L 356 van 12.12.2014, blz. 110).
1quater Verordening (EU) nr. 454/2011 van de Commissie van 5 mei 2011 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem telematicatoepassingen ten dienste van passagiers van het trans-Europees spoorwegsysteem (PB L 123 van 12.5.2011, blz. 11).
1quinquies Verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 1).
1sexies Verordening (EU) nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 1).
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 22 ter (nieuw)
(22b)  Deze richtlijn moet een aanvulling vormen op de bestaande sectorale wetgeving van de Unie door aspecten te omvatten die nog niet onder die wetgeving vallen.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 22 quater (nieuw)
(22 quater)  De vaststelling van het toepassingsgebied van deze richtlijn ten aanzien van diensten voor personenvervoer met vliegtuig, bus, trein en over water moet uitgaan van de bestaande sectorale wetgeving inzake de rechten van reizigers. Wanneer deze richtlijn niet van toepassing is op bepaalde vervoersdiensten moeten de lidstaten in staat zijn de dienstverleners ertoe aan te sporen de desbetreffende, in deze richtlijn vastgestelde toegankelijkheidseisen toe te passen.
Amendementen 223 en 228
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23
(23)  In sommige situaties zouden gemeenschappelijke toegankelijkheidseisen voor de gebouwde omgeving bevorderlijk kunnen zijn voor het vrije verkeer van de betrokken diensten en van personen met een handicap. Daarom biedt deze richtlijn de lidstaten de mogelijkheid tot het opnemen van de gebouwde omgeving die wordt gebruikt bij het verlenen van de diensten die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, om te waarborgen dat deze voldoet aan de toegankelijkheidseisen in bijlage X.
(23)  In sommige situaties is de toegankelijkheid van de gebouwde omgeving een noodzakelijke voorwaarde voor personen met een handicap om de betrokken diensten daadwerkelijk te kunnen gebruiken. Daarom moet deze richtlijn de lidstaten verplichten tot het opnemen van de gebouwde omgeving die wordt gebruikt bij het verlenen van de diensten die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, om te waarborgen dat deze voldoet aan de toegankelijkheidseisen in bijlage X. Die toegankelijkheidseisen moeten van toepassing zijn bij de bouw van nieuwe infrastructuur of bij ingrijpende renovaties.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)   Het is niet noodzakelijk dat deze richtlijn de bestaande Uniewetgeving die voorziet in vrijwillige naleving van toegankelijkheidseisen wijzigt.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 24
(24)  Er moet worden bepaald dat voor wetgevingshandelingen van de Unie waarbij een verplichting van toegankelijkheid zonder nadere eisen of specificaties wordt vastgesteld, het begrip toegankelijkheid op basis van de toegankelijkheidseisen van deze richtlijn wordt gedefinieerd. Dat is het geval voor Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad35, Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad36 en Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad37, die vereisen dat in de technische specificaties en bij de technische of functionele eisen van de concessies, werken of diensten die binnen hun toepassingsgebied vallen, rekening wordt gehouden met criteria voor de toegankelijkheid voor personen met een handicap of de geschiktheid van het ontwerp voor alle gebruikers.
(24)  Er moet worden bepaald dat voor wetgevingshandelingen van de Unie waarbij een verplichting van toegankelijkheid zonder nadere eisen of specificaties wordt vastgesteld, het begrip toegankelijkheid op basis van de toegankelijkheidseisen van deze richtlijn wordt gedefinieerd. Tot die handelingen behoren Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad35, Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad36, en Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad37, die vereisen dat in de technische specificaties en bij de technische of functionele eisen van de concessies, werken of diensten die binnen hun toepassingsgebied vallen, rekening wordt gehouden met criteria voor de toegankelijkheid voor personen met een handicap of de geschiktheid van het ontwerp voor alle gebruikers.
__________________
__________________
35 Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
35 Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
36 Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
36 Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
37 Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
37 Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 24 bis (nieuw)
(24 bis)  De verplichting om de toegankelijkheid van de vervoersinfrastructuur op het trans-Europees vervoersnetwerk te garanderen, is vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad1bis. De in deze richtlijn vastgestelde toegankelijkheidseisen dienen ook van toepassing te zijn op bepaalde onderdelen van de vervoersinfrastructuur die door die verordening worden geregeld, voor zover er sprake is van producten en diensten die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en voor zover de infrastructuur en gebouwde omgeving in verband met deze diensten bedoeld zijn voor gebruik door reizigers.
__________________
1bis Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 24 ter (nieuw)
(24 ter)  Het is echter niet passend dat deze richtlijn wijzigingen aanbrengt in de verplichte of vrijwillige aard van de bepalingen in die andere wetgevingshandelingen van de Unie, waaronder artikel 67 van Richtlijn 2014/24/EU inzake gunningscriteria, die de aanbestedende dienst kan gebruiken voor de bepaling van de economisch meest voordelige inschrijving. Mogelijke sociale aspecten kunnen worden opgenomen indien deze geacht worden verband te houden met de aanbesteding in kwestie. Deze richtlijn moet er derhalve voor zorgen dat, wanneer toegankelijkheidseisen worden gebruikt in overeenstemming met die andere wetgevingshandelingen van de Unie, die toegankelijkheidseisen overal in de Unie hetzelfde zijn.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25
(25)  Toegankelijkheid moet worden bereikt door het wegnemen en voorkomen van belemmeringen, bij voorkeur via een benadering op basis van universeel ontwerp of "ontwerpen voor iedereen". Toegankelijkheid mag het aanbrengen van redelijke aanpassingen niet uitsluiten als deze uit hoofde van nationale of EU-wetgeving vereist zijn.
(25)  Toegankelijkheid moet worden bereikt door het wegnemen en voorkomen van belemmeringen, bij voorkeur via een benadering op basis van universeel ontwerp of "ontwerpen voor iedereen". Volgens het Verdrag betekent deze aanpak het "ontwerpen van producten, omgevingen, programma’s en diensten die door iedereen in de ruimst mogelijke zin gebruikt kunnen worden zonder dat aanpassing of een speciaal ontwerp nodig is". In overeenstemming met het Verdrag sluit universeel ontwerp "het gebruik van hulpmiddelen voor specifieke groepen personen met een handicap niet uit wanneer dit nodig is". Toegankelijkheid mag het aanbrengen van redelijke aanpassingen niet uitsluiten als deze uit hoofde van nationale of EU-wetgeving vereist zijn.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)  Het feit dat een product of dienst binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, betekent niet automatisch dat het binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 93/42/EEG van de Raad1bis valt.
__________________
1bis Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PB L 169 van 12.7.1993, blz. 1).
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25 ter (nieuw)
(25 ter)  Bij de identificatie en classificatie van de behoeften van personen met een handicap waaraan het product of de dienst bedoeld is tegemoet te komen, moet het begrip universeel ontwerp worden gezien in overeenstemming met algemene opmerking nr. 2 (2014) van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over artikel 9 van het Verdrag.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 27
(27)  Aangezien deze richtlijn betrekking heeft op producten die reeds onder andere rechtshandelingen van de Unie vallen, moet de richtlijn worden gebaseerd op Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad, zodat de samenhang van de wetgeving van de Unie gewaarborgd wordt.
(27)  Aangezien deze richtlijn betrekking heeft op producten die reeds onder andere rechtshandelingen van de Unie vallen, moet de richtlijn worden gebaseerd op Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad, zodat de samenhang van de wetgeving van de Unie gewaarborgd wordt. Het is echter niet passend dat deze richtlijn bepalingen van dat besluit in verband met de veiligheid, zoals de bepalingen in verband met terugroepacties, omvat, aangezien een niet-toegankelijk product geen gevaarlijk product is.
__________________
__________________
38 Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 82).
38 Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 82).
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28
(28)  Alle marktdeelnemers die een rol vervullen in de toeleverings- en distributieketen moeten waarborgen dat zij uitsluitend producten op de markt aanbieden die aan de toegankelijkheidseisen van deze richtlijn voldoen. Er moet worden gezorgd voor een duidelijke en evenredige verdeling van de verplichtingen overeenkomstig de rol van alle marktdeelnemers in de toeleverings- en distributieketen.
(28)  Alle marktdeelnemers die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en die een rol vervullen in de toeleverings- en distributieketen moeten waarborgen dat zij uitsluitend producten op de markt aanbieden die aan de toegankelijkheidseisen van deze richtlijn voldoen. Er moet worden gezorgd voor een duidelijke en evenredige verdeling van de verplichtingen overeenkomstig de rol van alle marktdeelnemers in de toeleverings- en distributieketen.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 29
(29)  Het is de verantwoordelijkheid van de marktdeelnemers om, vanuit hun respectieve rol in de toeleveringsketen, ervoor te zorgen dat producten en diensten aan deze eisen voldoen, zodat toegankelijkheid krachtig wordt beschermd en eerlijke concurrentie op de markt van de Unie wordt gewaarborgd.
(29)  Het is de verantwoordelijkheid van de marktdeelnemers om, vanuit hun respectieve rol in de toeleveringsketen, ervoor te zorgen dat producten en diensten aan deze eisen voldoen, om te zorgen voor betere toegankelijkheid en eerlijke concurrentie op de markt van de Unie.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 30
(30)  De fabrikant is op de hoogte van alle details van het ontwerp- en productieproces en verkeert als zodanig in de beste positie om de conformiteitsbeoordelingsprocedure volledig uit te voeren. De verplichting tot conformiteitsbeoordeling moet bij de fabrikant liggen.
(30)  De fabrikant is op de hoogte van alle details van het ontwerp- en productieproces en verkeert als zodanig in de beste positie om de conformiteitsbeoordeling volledig uit te voeren. De verantwoordelijkheid voor die conformiteitsbeoordeling moet evenwel niet alleen bij de fabrikant liggen. Een versterkte markttoezichtautoriteit zou een cruciale rol kunnen spelen in de beoordelingsprocedure.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 32
(32)  De importeurs moeten waarborgen dat producten die vanuit derde landen in de Unie in de handel worden gebracht, aan de toegankelijkheidseisen van deze richtlijn voldoen, en met name dat de fabrikanten deze producten aan adequate conformiteitsbeoordelingsprocedures hebben onderworpen.
(32)  De importeurs moeten waarborgen dat producten die vanuit derde landen in de Unie in de handel worden gebracht, aan de toegankelijkheidseisen van deze richtlijn voldoen, door de bevoegde markttoezichtautoriteit alle noodzakelijke informatie te verstrekken met het oog op de toepassing van adequate conformiteitsbeoordelingsprocedures op deze producten.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 36
(36)  Omwille van de evenredigheid moeten toegankelijkheidseisen uitsluitend van toepassing zijn voor zover zij voor de betrokken marktdeelnemer geen onevenredige last opleveren of een aanpassing van de producten en diensten vergen waardoor deze volgens de aangegeven criteria fundamenteel zouden worden gewijzigd.
(36)  Omwille van de evenredigheid moeten toegankelijkheidseisen de betrokken marktdeelnemer geen onevenredige last opleveren of een aanpassing van de producten en diensten vergen waardoor deze volgens de aangegeven criteria fundamenteel zouden worden gewijzigd. Er dienen echter controlemechanismen te worden ingevoerd om te verifiëren of uitzonderingen op de toepasselijkheid van toegankelijkheidseisen rechtmatig zijn.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 36 bis (nieuw)
(36 bis)   Bij de beoordeling van de vraag of naleving van de toegankelijkheidseisen voor de betrokken marktdeelnemers een onevenredige last opleveren, moet rekening worden gehouden met de omvang, de middelen en de aard van die marktdeelnemers en hun geraamde kosten en baten, afgezet tegen de geraamde baten voor personen met een handicap. Bij die kosten-batenanalyse moet onder andere rekening worden gehouden met de frequentie en de duur van het gebruik van het product of de dienst in kwestie, met inbegrip van het geraamde aantal personen met een handicap dat het product of de dienst in kwestie gebruikt, de levensduur van de infrastructuur en de producten die bij de levering van de dienst worden gebruikt, en de beschikbaarheid van kosteloze alternatieven, waaronder van de aanbieders van diensten voor het vervoer van personen. Bij de beoordeling van de vraag of naleving van de toegankelijkheidseisen een onevenredige last oplevert, mag alleen rekening worden gehouden met legitieme redenen. Het ontbreken van prioriteit, tijd of kennis mag niet als legitieme reden worden beschouwd.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39
(39)  Om de beoordeling van de mate van conformiteit met de toepasselijke eisen te vergemakkelijken, moet worden voorzien in een vermoeden van conformiteit voor producten en diensten die voldoen aan vrijwillige geharmoniseerde normen die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad zijn vastgesteld om die eisen in de vorm van gedetailleerde technische specificaties uit te drukken. De Commissie heeft de Europese normalisatieorganisaties al een aantal normalisatieverzoeken op het gebied van toegankelijkheid toegestuurd die relevant zouden zijn voor het opstellen van geharmoniseerde normen.
(39)  Om de beoordeling van de mate van conformiteit met de toepasselijke toegankelijkheidseisen te vergemakkelijken, moet worden voorzien in een vermoeden van conformiteit voor producten en diensten die voldoen aan vrijwillige geharmoniseerde normen die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad zijn vastgesteld om die eisen in de vorm van gedetailleerde technische specificaties uit te drukken. De Commissie heeft de Europese normalisatieorganisaties al een aantal normalisatieverzoeken op het gebied van toegankelijkheid toegestuurd die relevant zouden zijn voor het opstellen van geharmoniseerde normen.
__________________
__________________
39 Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12).
39 Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12).
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 39 bis (nieuw)
(39 bis)  Verordening (EU) nr. 1025/2012 voorziet in een procedure voor formele bezwaren tegen geharmoniseerde normen die worden geacht niet aan de eisen van deze richtlijn te voldoen.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 40
(40)  In gevallen waarin geharmoniseerde normen ontbreken en marktharmonisatie nodig is, moet de Commissie uitvoeringshandelingen kunnen vaststellen om voor de toegankelijkheidseisen van deze richtlijn gemeenschappelijke technische specificaties vast te stellen.
(40)  Europese normen moeten marktgedreven zijn, rekening houden met het algemeen belang, alsook met de beleidsdoelstellingen zoals vermeld in het verzoek van de Commissie aan één of meerdere Europese normalisatie-instellingen om geharmoniseerde normen op te stellen, en stoelen op consensus. Teruggrijpen op technische specificaties moet derhalve uitsluitend in het uiterste geval plaatsvinden. De Commissie moet technische specificaties kunnen vaststellen wanneer bijvoorbeeld het standaardisatieproces geblokkeerd is vanwege het ontbreken van consensus tussen de betrokken partijen, waardoor onnodige vertragingen optreden bij de vaststelling van een eis die zonder de vaststelling van een passende norm niet zou kunnen worden gehandhaafd, zoals interoperabiliteit. De Commissie moet voorzien in voldoende tijd tussen de vaststelling van een verzoek aan één of meerdere Europese normalisatie-instellingen om geharmoniseerde normen op te stellen en de vaststelling van een technische specificatie in verband met dezelfde toegankelijkheidseis. Het moet de Commissie niet zijn toegestaan een technische specificatie vast te stellen indien zij niet eerst heeft geprobeerd de toegankelijkheidseisen onder het Europees normalisatiesysteem onder te brengen. De Commissie moet de procedure voor de vaststelling van technische specificaties niet gebruiken om het Europees normalisatiesysteem te omzeilen.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 40 bis (nieuw)
(40 bis)  Om geharmoniseerde normen en technische specificaties voor de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten zoals bedoeld in deze richtlijn zo doeltreffend mogelijk vast te stellen, moet de Commissie, waar mogelijk, Europese koepelorganisaties van personen met een handicap en alle andere relevante belanghebbenden betrekken bij het besluitvormingsproces.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 42 bis (nieuw)
(42 bis)  Bij het uitoefenen van markttoezicht op producten moeten de markttoezichtautoriteiten de beoordeling evalueren in samenwerking met personen met een handicap en de organisaties die hen vertegenwoordigen en hun belangen behartigen.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 44
(44)  De CE-markering, waarmee de conformiteit van een product met de toegankelijkheidseisen van deze richtlijn wordt aangegeven, is de zichtbare uitkomst van het proces van conformiteitsbeoordeling in brede zin. Deze richtlijn moet de algemene beginselen voor de CE-markering volgen van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad40 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten.
(44)  Deze richtlijn moet de algemene beginselen volgen van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad40 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten. Als aanvulling op de conformiteitsverklaring brengt de fabrikant een vermelding aan op de verpakking om de consumenten op kostenefficiënte wijze in kennis te stellen van de toegankelijkheid van het product.
__________________
__________________
40 Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).
40 Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 45
(45)  In overeenstemming met Verordening (EG) nr. 765/2008 verklaart de fabrikant door het aanbrengen van de CE-markering dat het product aan alle toepasselijke toegankelijkheidseisen voldoet en dat hij de volledige verantwoordelijkheid daarvoor op zich neemt.
(45)  Niet-conformiteit van een product met de in artikel 3 bedoelde toegankelijkheidseisen brengt als zodanig geen ernstig risico met zich mee in de zin van artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 48
(48)  Van de lidstaten wordt verwacht dat zij ervoor zorgen dat door de markttoezichtautoriteiten wordt gecontroleerd of de marktdeelnemers de in artikel 12, lid 3, bedoelde criteria in overeenstemming met hoofdstuk V naleven.
(48)  Van de lidstaten wordt verwacht dat zij ervoor zorgen dat door de markttoezichtautoriteiten wordt gecontroleerd of de marktdeelnemers de in artikel 12, lid 3, bedoelde criteria in overeenstemming met hoofdstuk V naleven en dat zij organisaties van personen met een handicap regelmatig raadplegen.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 48 bis (nieuw)
(48 bis)  Nationale gegevensbanken met alle relevante informatie over de mate van toegankelijkheid van de in deze richtlijn genoemde producten en diensten moeten het mogelijk maken dat personen met een handicap en hun organisaties meer worden betrokken bij het markttoezicht.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 49
(49)  Van de lidstaten wordt verwacht dat zij ervoor zorgen dat de in artikel 22 vermelde bevoegde autoriteiten de Commissie ervan in kennis stellen wanneer zij gebruikmaken van de uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 22, lid 1, en daarbij de in lid 2 bedoelde beoordeling voegen in overeenstemming met hoofdstuk VI.
(49)   De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteiten de Commissie ervan in kennis stellen wanneer zij gebruikmaken van de uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 22. De initiële beoordeling door de bevoegde autoriteiten in kwestie moet op haar verzoek aan de Commissie worden verstrekt. Bij de beoordeling van de vraag of naleving van de toegankelijkheidseisen voor de bevoegde autoriteiten een onevenredige last oplevert, moet rekening worden gehouden met de omvang, de middelen en de aard van die bevoegde autoriteiten en met de geraamde kosten en baten van naleving, afgezet tegen de geraamde baten voor personen met een handicap. Bij die kosten-batenanalyse moet onder andere rekening worden gehouden met de frequentie en de duur van het gebruik van het product of de dienst in kwestie, met inbegrip van het geraamde aantal personen met een handicap dat het product of de dienst in kwestie gebruikt, de levensduur van de infrastructuur en de producten die bij de levering van de dienst worden gebruikt, en de beschikbaarheid van kosteloze alternatieven, waaronder van de aanbieders van diensten voor het vervoer van personen. Bij de beoordeling van de vraag of naleving van de toegankelijkheidseisen een onevenredige last oplevert, moet alleen rekening worden gehouden met legitieme redenen. Het ontbreken van prioriteit, tijd of kennis mag niet als legitieme reden worden beschouwd.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 50
(50)  Er moet een vrijwaringsprocedure worden ingesteld die uitsluitend wordt toegepast wanneer lidstaten het niet eens zijn over de door een lidstaat genomen maatregelen om belanghebbende partijen te informeren over voorgenomen maatregelen tegen producten die niet voldoen aan de toegankelijkheidseisen van deze richtlijn. Deze procedure moet de markttoezichtautoriteiten in staat stellen om, in samenwerking met de betrokken marktdeelnemers, eerder tegen dergelijke producten op te treden.
(50)  Er moet een vrijwaringsprocedure worden ingesteld die uitsluitend wordt toegepast wanneer lidstaten het niet eens zijn over de door een lidstaat genomen maatregelen om belanghebbende partijen te informeren over voorgenomen maatregelen tegen producten die niet voldoen aan de toegankelijkheidseisen van deze richtlijn. Deze procedure moet de markttoezichtautoriteiten in staat stellen om, in samenwerking met belangenorganisaties van personen met een handicap en de betrokken marktdeelnemers, eerder tegen dergelijke producten op te treden.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 51 bis (nieuw)
(51 bis)  Teneinde te zorgen voor een correcte toepassing van het evenredigheidsbeginsel met betrekking tot de verplichtingen in verband met de identificatie van marktdeelnemers en de criteria die moeten worden gehanteerd bij het beantwoorden van de vraag of naleving van een verplichting van deze richtlijn een onevenredige last op zou leveren, dient aan de Commissie de bevoegdheid te worden verleend handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 VWEU wanneer het gaat om de vaststelling van de periode waarin marktdeelnemers een marktdeelnemer moeten kunnen identificeren die hen een product heeft geleverd of aan wie zij een product hebben geleverd, en wanneer het gaat om de vaststelling van de richtsnoeren en het nader specificeren van de specifieke criteria waarmee voor alle producten en diensten zoals bedoeld in deze richtlijn rekening moet worden gehouden bij het beantwoorden van de vraag of de last onevenredig moet worden beschouwd, zonder die criteria te wijzigen. Die periode moet worden gespecificeerd in verhouding tot de levenscyclus van het product. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen worden uitgevoerd in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven1bis. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
__________________
1bis PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 51 ter (nieuw)
(51 ter)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat passende en doeltreffende maatregelen worden genomen om naleving van deze richtlijn te garanderen, en derhalve passende controlemechanismen ontwikkelen, zoals mechanismen voor controles achteraf door de markttoezichtautoriteiten, teneinde te controleren dat de vrijstelling van de toegankelijkheidseisen gerechtvaardigd is. Bij de behandeling van eventuele klachten in verband met de toegankelijkheid moeten de lidstaten zich houden aan het algemene beginsel van good governance en in het bijzonder aan de verplichting erop toe te zien dat klachten binnen een redelijke termijn worden afgehandeld.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 52 bis (nieuw)
(52 bis)  De lidstaten moeten zorgen voor doeltreffende en snelle beroepsprocedures tegen besluiten die door aanbestedende (overheids)diensten zijn genomen betreffende de vraag of een bepaalde opdracht valt binnen de werkingssfeer van Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU. Gelet op het bestaande wettelijk kader betreffende beroepsmogelijkheden op de gebieden die onder Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU vallen, moeten deze gebieden worden uitgesloten van deze richtlijn waar het gaat om afdwinging en straffen. Die uitsluiting laat de uit de Verdragen voortvloeiende verplichtingen voor de lidstaten om alle nodige maatregelen te treffen ter waarborging van de toepassing en doeltreffendheid van het recht van de Unie onverlet.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 53 bis (nieuw)
(53 bis)  De toegankelijkheidseisen uit hoofde van deze richtlijn moeten van toepassing zijn op producten die in de Unie in de handel worden gebracht na de datum van inwerkingtreding van de nationale maatregelen die deze richtlijn omzetten, met inbegrip van uit een derde land ingevoerde gebruikte en tweedehandsproducten die na die datum in de Unie in de handel worden gebracht.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 53 ter (nieuw)
(53 ter)  Overheidsopdrachten voor leveringen, werken of diensten die onderworpen zijn aan Richtlijn 2014/24/EU of Richtlijn 2014/25/EU, en die zijn gegund vóór de datum van toepassing van deze richtlijn, dienen echter nog steeds te geschieden in overeenstemming met de in die overheidsopdrachten gespecificeerde toegankelijkheidseisen, indien van toepassing.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 53 quater (nieuw)
(53 quater)  Teneinde dienstverleners voldoende tijd te geven om zich aan te passen aan de bij deze richtlijn vastgestelde eisen, moet er worden voorzien in een overgangsperiode waarin producten die voor dienstverrichting worden gebruikt, niet hoeven te beantwoorden aan de bij deze richtlijn vastgestelde toegankelijkheidseisen. Gezien de kostprijs en de lange levensduur van geldautomaten, kaartautomaten en incheckautomaten is het gepast te bepalen dat, wanneer dergelijke automaten bij de dienstverrichting worden gebruikt, ze nog in gebruik mogen blijven tot het einde van hun economische levensduur.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 54 bis (nieuw)
(54 bis)  Het gebruik van applicaties die informatie verschaffen op basis van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens, draagt positief bij aan een onafhankelijk en veilig verkeer van personen met een handicap. De ruimtelijke gegevens die door dergelijke applicaties worden gebruikt, moeten zorgen voor informatie die is afgestemd op de specifieke behoeften van personen met een handicap.
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel -1 (nieuw)
Artikel -1
Onderwerp
Deze richtlijn is bedoeld om belemmeringen voor het vrije verkeer van producten en diensten die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en die het gevolg zijn van uiteenlopende toegankelijkheidseisen, weg te werken en te voorkomen. Daarnaast is deze richtlijn bedoeld om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt door wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van toegankelijkheidseisen voor bepaalde producten en diensten onderling aan te passen.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 –inleidende formule
1.  De hoofdstukken I, II tot en met V en VII zijn van toepassing op de volgende producten:
1.  De hoofdstukken I, II tot en met V en VII zijn van toepassing op de volgende producten die in de Unie in de handel zijn gebracht na ... [datum van toepassing van deze richtlijn]:
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – letter a
a)  computerapparatuur en besturingssystemen voor algemeen gebruik;
a)  computerapparatuur en de ingebedde besturingssystemen daarvan bestemd voor gebruik door de consument;
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – letter b – punt iii bis (nieuw)
iii bis)  betaalterminals;
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – letter c
c)  eindapparatuur met geavanceerde computerfuncties voor gebruik door consumenten in verband met telefoniediensten;
c)  eindapparatuur voor gebruik door consumenten in verband met telefoniediensten;
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – letter d
d)  eindapparatuur met geavanceerde computerfuncties voor gebruik door consumenten in verband met audiovisuele mediadiensten.
d)  eindapparatuur voor gebruik door consumenten in verband met audiovisuele mediadiensten.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1 – letter d bis (nieuw)
d bis)  e-readers.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 2 – inleidende formule
2.  De hoofdstukken I, II tot en met V en VII zijn van toepassing op de volgende diensten:
2.  Onverminderd artikel 27 zijn de hoofdstukken I, II tot en met V en VII van toepassing op de volgende diensten die worden verricht na ...[datum van toepassing van deze richtlijn]:
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 2 – letter -a (nieuw)
-a)  besturingssystemen die niet in de computerapparatuur ingebed zijn en als immateriële goederen aan consumenten worden geleverd;
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 2 – letter a
a)  telefoniediensten en gerelateerde eindapparatuur met geavanceerde computerfuncties voor consumenten;
a)  telefoniediensten en gerelateerde eindapparatuur voor consumenten;
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 2 – letter b
b)  audiovisuele mediadiensten en gerelateerde consumentenapparatuur met geavanceerde computerfuncties;
b)  websites en op mobiele apparaten gebaseerde diensten van audiovisuele mediadiensten;
Amendementen 235, 236, 237, 238, 239 en 253
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 2 – letter c
c)  diensten voor personenvervoer met vliegtuig, bus, trein en over waterIB
c)  diensten voor personenvervoer met vliegtuig, bus, trein en over water, mobiliteit en de intermodale verbindingsdiensten ervan, met inbegrip van openbaar stadsvervoer, zoals vervoer per metro, spoor, tram, trolleybus en bus betreffende:
i)   zelfbedieningsterminals, die zich op het grondgebied van de Unie bevinden, met inbegrip van kaartautomaten, betaalterminals en incheckautomaten;
ii)   websites, diensten voor mobiele apparaten, slimme kaartsystemen en realtime-informatie;
iii)   voertuigen, de gerelateerde infrastructuur en de gebouwde omgeving, met inbegrip van de drempelloze toegang tot alle openbare stations;
iv)   taxi- en huurautovloten met een passend aandeel aangepaste voertuigen.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 2 – letter d
d)  bankdiensten;
d)  bankdiensten voor consumenten;
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 2 – letter e
e)  elektronische boeken;
e)  elektronische boeken en bijbehorende apparatuur die voor de verrichting van die diensten door de dienstverlener worden gebruikt en de toegang daartoe;
Amendement 240
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 2 – letter f bis (nieuw)
f bis)   toeristische diensten, met inbegrip van het aanbieden van accommodatie en catering.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 3 – letter a
a)  overheidsopdrachten en concessies die vallen onder Richtlijn 2014/23/EU42, Richtlijn 2014/24/EU en Richtlijn 2014/25/EU;
a)  overheidsopdrachten en concessies die vallen onder Richtlijn 2014/23/EU, Richtlijn 2014/24/EU en Richtlijn 2014/25/EU en die ontwikkeld of gegund zijn na ... [datum van toepassing van deze richtlijn]:
__________________
42 Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 3 – letter b
b)  de opstelling en uitvoering van programma's uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij;43 en Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad44.
b)  de opstelling en uitvoering van programma's uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad43 en Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad44, die worden vastgesteld of uitgevoerd na ... [datum van toepassing van deze richtlijn];
__________________
__________________
43 Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).
43 Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).
44 Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad.
44 Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470).
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 3 – letter c
c)  aanbestedingsprocedures voor het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg krachtens Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad; 45
c)  overheidsopdrachten voor dienstverlening die na ... [datum van toepassing van deze richtlijn] op basis van concurrentie of rechtstreeks worden gegund voor het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg krachtens Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad45.
__________________
__________________
45 Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1).
45 Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1).
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 3 – letter d
d)  vervoersinfrastructuur in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad46.
d)  vervoersinfrastructuur in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1315/2013, ontworpen of gebouwd na ... [datum van toepassing van deze richtlijn];
__________________
46 Verordening (EU) nr. 1315/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Deze richtlijn is niet van toepassing op de volgende content van websites en op mobiele apparatuur gebaseerde applicaties:
a)  kantoorbestandsformaten die zijn gepubliceerd vóór ... [datum van toepassing van deze richtlijn];
b)  onlinekaarten en -karteringsdiensten, indien essentiële informatie op een toegankelijke, digitale wijze wordt verstrekt in het geval van voor navigatie bestemde kaarten;
c)  van derden afkomstige inhoud die niet door de marktdeelnemer of de bevoegde overheidsinstantie in kwestie wordt gefinancierd of ontwikkeld, en evenmin onder zijn of haar gezag staat;
d)  inhoud van websites en op mobiele apparatuur gebaseerde applicaties die voor archieven doorgaan, wat betekent dat deze enkel inhoud bevatten die niet geactualiseerd of geredigeerd is na ... [datum van toepassing van deze richtlijn].
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 bis (nieuw)
Artikel 1 bis
Uitsluiting van micro-ondernemingen
Deze richtlijn is niet van toepassing op micro-ondernemingen die producten en diensten vervaardigen, invoeren of verdelen die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen.
Amendement 81
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1
1)  "toegankelijke producten en diensten": diensten die door personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, op voet van gelijkheid met anderen kunnen worden waargenomen, gebruikt en begrepen;
1)  "toegankelijke producten en diensten": producten en diensten die door personen met een handicap kunnen worden waargenomen, gebruikt en begrepen, en voldoende robuust zijn om door hen te worden gebruikt;
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
2)  "universeel ontwerp", ook wel "ontwerpen voor iedereen" genoemd: het zodanig ontwerpen van producten, omgevingen, programma's en diensten dat deze door iedereen in de ruimst mogelijke zin kunnen worden gebruikt zonder dat een aanpassing of een speciaal ontwerp nodig is; "universeel ontwerp" sluit het gebruik van hulpmiddelen voor specifieke groepen personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, niet uit wanneer dit nodig is;
Schrappen
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
5 bis)  "dienst": een dienst zoals omschreven in artikel 4, punt 1, van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad1bis;
____________________
1bis Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5 ter (nieuw)
5 ter)  "dienstverlener": iedere natuurlijke of rechtspersoon die een op de markt van de Unie gerichte dienst aanbiedt of verricht;
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 16 bis (nieuw)
16 bis)  "kmo": een kleine of middelgrote onderneming als gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie1bis;
____________________
1bis Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 19
19)  "terugroepen": maatregel waarmee wordt beoogd een product te doen terugkeren dat al aan de eindgebruiker ter beschikking is gesteld;
Schrappen
Amendement 87
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 20 bis (nieuw)
20 bis)  "bankdiensten voor consumenten": diensten die consumenten in staat stellen betaalrekeningen met basisfuncties te openen en te gebruiken in de Unie in de zin van Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad1bis;
____________________
1bis Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214).
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 21
21)  "elektronische handel": de onlineverkoop van producten of diensten.
21)  "elektronische handel": de onlineverkoop van producten of diensten door ondernemingen aan consumenten zoals bedoeld in Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad1bis;
____________________
1bis Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (richtlijn inzake elektronische handel) (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 21 bis (nieuw)
21 bis)  "luchtvervoersdiensten voor reizigers": diensten die worden verleend door luchtvaartmaatschappijen, touroperators en beheersorganen van luchthavens zoals gedefinieerd in artikel 2, punten b) tot en met f), van Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad1bis;
____________________
1bis Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 1).
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 21 ter (nieuw)
21 ter)  "vervoersdiensten voor busreizigers": de diensten die vallen onder artikel 2, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 181/2011;
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 21 quater (nieuw)
21 quater)  "vervoersdiensten voor treinreizigers": alle diensten voor treinreizigers die vallen onder artikel 2, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1371/2007;
Amendement 92
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 21 quinquies (nieuw)
21 quinquies)  "vervoersdiensten voor passagiers die over zee of binnenwateren reizen": de diensten die vallen onder artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1177/2010;
Amendement 337
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 21 sexies (nieuw)
21 sexies)  "hulptechnologie": onderdelen, uitrustingsstukken of productsystemen die worden gebruikt om de functionele mogelijkheden van personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, te vergroten, te handhaven of te verbeteren;
Amendement 93
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 3
3.  De volgende zelfbedieningsterminals: geldautomaten, kaartautomaten en incheckautomaten, voldoen aan de eisen van afdeling II van bijlage I.
3.  De volgende zelfbedieningsterminals: geldautomaten, kaartautomaten, incheckautomaten en betaalterminals, voldoen aan de eisen van afdeling II van bijlage I.
Amendement 94
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 4
4.  Telefoniediensten, waaronder noodhulpdiensten en gerelateerde eindapparatuur met geavanceerde computerfuncties voor consumenten, voldoen aan de eisen van afdeling III van bijlage I.
4.  Telefoniediensten, waaronder noodhulpdiensten en gerelateerde eindapparatuur voor consumenten, voldoen aan de eisen van afdeling III van bijlage I.
Amendement 95
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 5
5.  Audiovisuele mediadiensten en de gerelateerde consumentenapparatuur met geavanceerde computerfuncties voldoen aan de eisen van afdeling IV van bijlage I.
5.  Websites en op mobiele apparaten gebaseerde diensten van audiovisuele mediadiensten en de gerelateerde consumentenapparatuur voldoen aan de eisen van afdeling IV van bijlage I.
Amendement 244
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 6
6.  Diensten voor personenvervoer met vliegtuig, bus, trein en over water en de websites, diensten voor mobiele apparaten, terminals voor slimme kaartsystemen, realtime-informatie en zelfbediening, kaartautomaten en incheckautomaten die voor de levering van personenvervoerdiensten worden gebruikt, voldoen aan de desbetreffende eisen van afdeling V van bijlage I.
6.  Diensten voor personenvervoer met vliegtuig, bus, touringcar, trein en over water en intermodale diensten voor personenvervoer, met inbegrip van diensten in verband met stadsvervoer, mobiliteit en de gebouwde omgeving, de websites, diensten voor mobiele apparaten, terminals voor slimme kaartsystemen, realtime-informatie en zelfbediening, zoals betaalterminals, incheckautomaten die voor de levering van personenvervoerdiensten worden gebruikt en met toerisme verband houdende diensten, onder andere diensten inzake accommodatie en catering, voldoen alleen aan de desbetreffende eisen van afdeling V van bijlage I, wanneer deze eisen niet reeds zijn opgenomen in de volgende specifieke wetgeving: met betrekking tot vervoer met de trein: Verordening (EG) nr. 1371/2007, Verordening (EU) nr. 1300/2014 en Verordening (EU) nr. 454/2011; met betrekking tot vervoer met autobus en touringcar: Verordening (EU) nr. 181/2011; met betrekking tot vervoer over zee en binnenwateren: Verordening (EU) nr. 1177/2010; en met betrekking tot vervoer per vliegtuig: Verordening (EG) nr. 1107/2006.
Amendement 97
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 7
7.  Bankdiensten, de websites, de bankdiensten voor mobiele apparaten en de zelfbedieningsterminals, inclusief geldautomaten waarop bankdiensten worden verleend, voldoen aan de eisen van afdeling VI van bijlage I.
7.  Bankdiensten voor consumenten, de websites, de bankdiensten voor mobiele apparaten en de zelfbedieningsterminals, inclusief betaalterminals en geldautomaten waarop die bankdiensten worden verleend, voldoen aan de eisen van afdeling VI van bijlage I.
Amendement 98
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 8
8.  Elektronische boeken voldoen aan de eisen van afdeling VII van bijlage I.
8.  Elektronische boeken en aanverwante apparatuur voldoen aan de eisen van afdeling VII van bijlage I.
Amendement 224
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 10
10.  In het licht van hun nationale omstandigheden kunnen de lidstaten ertoe besluiten dat de gebouwde omgeving die door de klanten van personenvervoerdiensten wordt gebruikt, inclusief de omgeving die door dienstverleners en exploitanten van infrastructuur wordt beheerd, de gebouwde omgeving die door de klanten van bankdiensten wordt gebruikt en de klantenservicecentra en winkels van telefoniebedrijven, aan de toegankelijkheidseisen in afdeling X van bijlage I moeten voldoen om het gebruik ervan door personen met een functionele beperking, inclusief personen met een handicap, zoveel mogelijk te bevorderen.
10.  De lidstaten waarborgen dat de gebouwde omgeving die door de klanten van personenvervoerdiensten wordt gebruikt, inclusief de omgeving die door dienstverleners en exploitanten van infrastructuur wordt beheerd, de gebouwde omgeving die door de klanten van diensten voor consumentenbankieren wordt gebruikt en de klantenservicecentra en winkels van telefoniebedrijven, wat de bouw van nieuwe infrastructuur of ingrijpende renovaties aan bestaande infrastructuur betreft aan de toegankelijkheidseisen als bepaald in afdeling X van bijlage I moeten voldoen om het gebruik ervan door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen. Dit doet geen afbreuk aan rechtshandelingen van de Unie en nationale wetgeving ter bescherming van het nationale artistieke, historische of archeologische erfgoed.
Amendement 100
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1
De lidstaten werpen geen belemmeringen op die verband houden met toegankelijkheidseisen voor het op hun grondgebied op de markt aanbieden van producten en diensten die aan deze richtlijn voldoen.
De lidstaten werpen om redenen die met toegankelijkheidseisen verband houden geen belemmeringen op voor het op hun grondgebied op de markt aanbieden van producten die aan deze richtlijn voldoen. De lidstaten werpen om redenen die met toegankelijkheidseisen verband houden geen belemmeringen op voor het op hun grondgebied aanbieden van diensten die aan deze richtlijn voldoen.
Amendement 101
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1
1.  Wanneer fabrikanten hun producten in de handel brengen, waarborgen zij dat deze zijn ontworpen en vervaardigd overeenkomstig de toepasselijke in artikel 3 vastgestelde toegankelijkheidseisen.
1.  Wanneer fabrikanten hun producten in de handel brengen, waarborgen zij dat deze zijn ontworpen en vervaardigd overeenkomstig de toepasselijke in artikel 3 vastgestelde toegankelijkheidseisen, tenzij die eisen niet haalbaar zijn omdat de aanpassing van het product in kwestie een fundamentele wijziging van de fundamentele kenmerken van dat product vereist of een onevenredige belasting voor de fabrikant zou vormen zoals bedoeld in artikel 12.
Amendement 102
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2 – alinea 2
Wanneer met die procedure is aangetoond dat het product aan de toepasselijke toegankelijkheidseisen voldoet, stellen de fabrikanten een EU-conformiteitsverklaring op en brengen zij de CE-markering aan.
Wanneer met die conformiteitsbeoordelingsprocedure is aangetoond dat het product aan de toepasselijke toegankelijkheidseisen zoals bedoeld in artikel 3 voldoet, stellen de fabrikanten een EU-conformiteitsverklaring op waarop duidelijk wordt aangegeven dat het product toegankelijk is.
Amendement 103
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 4
4.  Fabrikanten houden een register bij van klachten, niet-conforme producten en terugroepacties en houden de distributeurs hiervan op de hoogte.
4.  Fabrikanten houden een register bij van klachten en niet-conforme producten.
Amendement 104
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 7
7.  De fabrikanten zien erop toe dat het product vergezeld gaat van instructies en informatie aangaande de veiligheid, opgesteld in een taal die consumenten en eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de betrokken lidstaat.
7.  De fabrikanten zien erop toe dat het product vergezeld gaat van instructies, opgesteld in een taal die consumenten en eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de betrokken lidstaat.
Amendement 105
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 8
8.  Fabrikanten die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebracht product niet voldoet aan deze richtlijn, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om het product conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen fabrikanten, indien het product een risico in relatie tot toegankelijkheid in zich bergt, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar zij het product op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de aard van de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.
8.  Fabrikanten die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebracht product niet voldoet aan deze richtlijn, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om het product conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen. Bovendien brengen fabrikanten, indien het product niet voldoet aan deze richtlijn, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar zij het product op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de aard van de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.
Amendement 106
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 9
9.  Als een bevoegde nationale autoriteit een met redenen omkleed verzoek daartoe doet, verstrekken fabrikanten aan deze autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van het product aan te tonen, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de risico's van de door hen in de handel gebrachte producten weg te nemen en de conformiteit met de in artikel 3 bedoelde eisen te waarborgen.
9.  Als een bevoegde nationale autoriteit een verzoek daartoe doet, verstrekken fabrikanten aan deze autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van het product aan te tonen, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de conformiteit met deze richtlijn te waarborgen.
Amendement 107
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 – letter a
a)  een bevoegde nationale autoriteit, wanneer deze een met redenen omkleed verzoek daartoe doet, alle benodigde informatie en documentatie verstrekken om de conformiteit van het product aan te tonen;
a)  een bevoegde nationale autoriteit, wanneer deze een verzoek daartoe doet, alle benodigde informatie en documentatie verstrekken om de conformiteit van het product aan te tonen;
Amendement 108
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 – letter b
b)  op verzoek van de bevoegde nationale autoriteiten medewerking verlenen aan alle maatregelen die worden genomen om de risico's van producten die onder hun mandaat vallen te vermijden.
b)  op verzoek van de bevoegde nationale autoriteiten medewerking verlenen aan alle maatregelen die worden genomen om te waarborgen dat producten die onder hun mandaat vallen, aan deze richtlijn voldoen.
Amendement 109
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 2
2.  Alvorens een product in de handel te brengen, verzekeren importeurs zich ervan dat de fabrikant de procedure voor conformiteitsbeoordeling zoals vermeld in bijlage II heeft uitgevoerd. Zij zorgen ervoor dat de fabrikant de technische documentatie heeft opgesteld zoals vereist in die bijlage, dat het product is voorzien van de CE-markering en vergezeld gaat van de vereiste documenten en dat de fabrikant aan de eisen in artikel 5, leden 5 en 6, heeft voldaan.
2.  Alvorens een product in de handel te brengen, verzekeren importeurs zich ervan dat de fabrikant de procedure voor conformiteitsbeoordeling zoals vermeld in bijlage II heeft uitgevoerd. Zij zorgen ervoor dat de fabrikant de technische documentatie heeft opgesteld zoals vereist in die bijlage, dat het product vergezeld gaat van de vereiste documenten en dat de fabrikant aan de eisen in artikel 5, leden 5 en 6, heeft voldaan.
Amendement 110
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 3
3.  Als een importeur van oordeel is of redenen heeft om aan te nemen dat een product niet voldoet aan de in artikel 3 bedoelde toegankelijkheidseisen, brengt hij het product niet in de handel voordat het conform is gemaakt. Bovendien brengt de importeur, als het product een risico met zich meebrengt, de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan op de hoogte.
3.  Als een importeur van oordeel is of redenen heeft om aan te nemen dat een product niet voldoet aan de in artikel 3 bedoelde toegankelijkheidseisen, brengt hij het product niet in de handel voordat het conform is gemaakt. Bovendien brengt de importeur, als het product niet aan deze richtlijn voldoet, de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan bovendien op de hoogte.
Amendement 111
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 5
5.  De importeurs zien erop toe dat het product vergezeld gaat van instructies en informatie, opgesteld in een taal die consumenten en andere eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de betrokken lidstaat.
5.  De importeurs zien erop toe dat het product vergezeld gaat van instructies, opgesteld in een taal die consumenten en andere eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de betrokken lidstaat.
Amendement 112
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 7
7.  Importeurs houden een register bij van klachten, niet-conforme producten en terugroepacties en houden de distributeurs hiervan op de hoogte.
7.  Importeurs houden een register bij van klachten en niet-conforme producten.
Amendement 113
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 8
8.  Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebracht product niet voldoet aan de in artikel 3 bedoelde eisen, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om het product conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen importeurs, indien het product een risico in zich bergt, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar zij het product op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de aard van de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.
8.  Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebracht product niet voldoet aan deze richtlijn, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om het product conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen. Bovendien brengen importeurs, indien het product niet aan de eisen van de richtlijn voldoet, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar zij het product op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de aard van de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.
Amendement 114
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 9
9.  Als een bevoegde nationale autoriteit een met redenen omkleed verzoek daartoe doet, verstrekken importeurs aan deze autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van het product aan te tonen, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de risico's van de door hen in de handel gebrachte producten weg te nemen.
9.  Als een bevoegde nationale autoriteit een verzoek daartoe doet, verstrekken importeurs aan deze autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van het product aan te tonen, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de conformiteit van de door hen in de handel gebrachte producten ten aanzien van de in artikel 3 bedoelde toegankelijkheidseisen te waarborgen.
Amendement 115
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 2
2.  Voordat zij een product op de markt aanbieden, vergewissen distributeurs zich ervan dat de vereiste CE-markering op het product is aangebracht, dat het product vergezeld gaat van de vereiste documenten en van instructies en informatie die zijn opgesteld in een taal die eenvoudig te begrijpen is door de consumenten en andere eindgebruikers in de lidstaat waar het product op de markt wordt aangeboden en dat de fabrikant en de importeur aan de eisen van artikel 5, leden 5 en 6, en artikel 7, lid 4, hebben voldaan.
2.  Voordat zij een product op de markt aanbieden, vergewissen distributeurs zich ervan dat het product in overeenstemming is met deze richtlijn en dat het product vergezeld gaat van de vereiste documenten en van instructies die zijn opgesteld in een taal die eenvoudig te begrijpen is door de consumenten en andere eindgebruikers in de lidstaat waar het product op de markt wordt aangeboden en dat de fabrikant en de importeur aan de eisen van artikel 5, leden 5 en 6, en artikel 7, lid 4, hebben voldaan.
Amendement 116
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 3
3.  Als een distributeur van oordeel is of redenen heeft om aan te nemen dat een product niet voldoet aan de in artikel 3 bedoelde toegankelijkheidseisen, biedt hij het product niet op de markt aan voordat het conform is gemaakt. Bovendien brengt de distributeur, indien het product een risico met zich meebrengt, de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan op de hoogte.
3.  Als een distributeur van oordeel is of redenen heeft om aan te nemen dat een product niet voldoet aan de in artikel 3 bedoelde toegankelijkheidseisen, biedt hij het product niet op de markt aan voordat het conform is gemaakt. Bovendien brengt de distributeur, indien het product niet in overeenstemming is met deze richtlijn, de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan op de hoogte.
Amendement 117
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5
5.  Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen op de markt aangeboden product niet in overeenstemming is met deze richtlijn, zien erop toe dat de nodige corrigerende maatregelen worden genomen om het product in overeenstemming te brengen of het zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen distributeurs, indien het product een risico in zich bergt, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar zij het product op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de aard van de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.
5.  Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen op de markt aangeboden product niet in overeenstemming is met deze richtlijn, zien erop toe dat de nodige corrigerende maatregelen worden genomen om het product in overeenstemming te brengen of het zo nodig uit de handel te nemen. Bovendien brengen distributeurs, indien het product niet aan de eisen van de richtlijn voldoet, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar zij het product op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de aard van de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.
Amendement 118
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 6
6.  Distributeurs verstrekken de bevoegde nationale autoriteit, wanneer deze een met redenen omkleed verzoek daartoe doet, alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van een product aan te tonen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de risico's van de door hen op de markt aangeboden producten weg te nemen.
6.  Distributeurs verstrekken de bevoegde nationale autoriteit, wanneer deze een verzoek daartoe doet, alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van een product aan te tonen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de conformiteit van de door hen op de markt aangeboden producten ten aanzien van de in artikel 3 bedoelde toegankelijkheidseisen te waarborgen.
Amendement 119
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 2
2.  Marktdeelnemers moeten tot tien jaar nadat het product aan hen is geleverd en tot tien jaar nadat zij het product hebben geleverd, de in het eerste lid bedoelde informatie kunnen verstrekken.
2.  Marktdeelnemers moeten gedurende een bepaalde periode van minstens 5 jaar nadat het product aan hen is geleverd of nadat zij het product hebben geleverd, de in het eerste lid bedoelde informatie kunnen verstrekken.
Amendement 120
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De Commissie is overeenkomstig artikel 23 bis bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn om de in lid 2 van dit artikel bedoelde termijn te specificeren. Deze termijn staat in verhouding tot de levenscyclus van het product.
Amendement 121
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 2
2.  Dienstverleners stellen overeenkomstig bijlage III de vereiste informatie op waarin wordt uitgelegd op welke manier de diensten voldoen aan de toegankelijkheidseisen zoals bedoeld in artikel 3. De informatie wordt aan het publiek in schriftelijke en mondelinge vorm ter beschikking gesteld, waarvan ten minste een vorm toegankelijk is voor personen met een functionele beperking en personen met een handicap. De dienstverleners bewaren de informatie zolang de dienst in werking is.
2.  Dienstverleners stellen overeenkomstig bijlage III de vereiste informatie op waarin wordt uitgelegd op welke manier hun diensten voldoen aan de toegankelijkheidseisen zoals bedoeld in artikel 3. De informatie wordt aan het publiek ter beschikking gesteld in een vorm die toegankelijk is voor personen met een handicap. De dienstverleners bewaren de informatie zolang de dienst in werking is.
Amendement 122
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 4
4.  Als een bevoegde nationale autoriteit een met redenen omkleed verzoek daartoe doet, verstrekken dienstverleners deze autoriteit alle benodigde informatie om aan te tonen dat de dienst voldoet aan de in artikel 3 bedoelde toegankelijkheidseisen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de conformiteit met die eisen te waarborgen.
4.  Als een bevoegde nationale autoriteit een verzoek daartoe doet, verstrekken dienstverleners deze autoriteit alle benodigde informatie om aan te tonen dat de dienst voldoet aan de in artikel 3 bedoelde toegankelijkheidseisen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de conformiteit met die eisen te waarborgen.
Amendement 339
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 3 – letter b
b)  de geraamde kosten en baten voor de marktdeelnemers in verhouding tot de geraamde voordelen voor personen met een handicap, rekening houdend met de frequentie en de duur van het gebruik van het specifieke product of de specifieke dienst.
b)  de geraamde bijkomende kosten en baten voor de marktdeelnemers in verhouding tot de geraamde voordelen voor personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, rekening houdend met de frequentie en de duur van het gebruik van het specifieke product of de specifieke dienst.
Amendement 123
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 4
4.  De last wordt niet als onevenredig beschouwd als deze wordt gecompenseerd door financiering uit andere bronnen dan de eigen middelen van de marktdeelnemer, ongeacht of dit publieke of particuliere financiering betreft.
4.  De last wordt niet als onevenredig beschouwd als deze wordt gecompenseerd door financiering uit andere bronnen dan de eigen middelen van de marktdeelnemer, ongeacht of dit publieke of particuliere financiering betreft, die ter beschikking worden gesteld voor de verbetering van de toegankelijkheid.
Amendement 124
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 5
5.  De beoordeling van de mate waarin naleving van de toegankelijkheidseisen voor producten of diensten een fundamentele wijziging of onevenredige last tot gevolg heeft, wordt uitgevoerd door de marktdeelnemer.
5.  De initiële beoordeling van de mate waarin naleving van de toegankelijkheidseisen voor producten of diensten een fundamentele wijziging of onevenredige last tot gevolg heeft, wordt uitgevoerd door de marktdeelnemer.
Amendement 230
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  De Commissie stelt gedelegeerde handelingen vast overeenkomstig artikel 23 bis tot aanvulling van lid 3 van dit artikel door nader te specificeren met welke criteria voor alle producten en diensten die onder deze richtlijn vallen, rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de vraag of de last als onevenredig moet worden beschouwd, zonder deze criteria te wijzigen.
Bij het nader specificeren van deze criteria houdt de Commissie niet alleen rekening met de mogelijke voordelen voor personen met een handicap maar ook voor mensen met een functionele beperking.
De Commissie stelt de eerste gedelegeerde handeling voor alle producten en diensten die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, uiterlijk [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] vast.

Amendement 126
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 6
6.  Als de marktdeelnemers voor een specifiek product of een specifieke dienst gebruik hebben gemaakt van de in de leden 1 tot en met 5 voorziene uitzondering, stellen zij de relevante markttoezichtautoriteit van de lidstaat waar het product of de dienst op de markt wordt aangeboden of in de handel wordt gebracht daarvan in kennis. Hierbij verstrekken zij eveneens de in lid 3 bedoelde beoordeling. Micro-ondernemingen zijn vrijgesteld van deze verplichting tot kennisgeving, maar zij moeten in staat zijn de relevante documentatie op verzoek van een relevante markttoezichtautoriteit te verstrekken.
6.  Als de marktdeelnemers voor een specifiek product of een specifieke dienst gebruik hebben gemaakt van de in de leden 1 tot en met 5 voorziene uitzondering, stellen zij de relevante markttoezichtautoriteit van de lidstaat waar het product of de dienst op de markt wordt aangeboden of in de handel wordt gebracht daarvan in kennis. Op verzoek van de markttoezichtautoriteit verstrekken zij deze de in lid 3 bedoelde beoordeling. Micro-ondernemingen zijn vrijgesteld van deze verplichting tot kennisgeving, maar zij moeten in staat zijn de relevante documentatie op verzoek van een relevante markttoezichtautoriteit te verstrekken.
Amendement 127
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast voor de totstandbrenging van een model van kennisgeving voor de toepassing van lid 6 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 1 bis, bedoelde raadplegingsprocedure. De Commissie stelt de eerste uitvoeringshandeling uiterlijk ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] vast.
Amendement 128
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 6 ter (nieuw)
6 ter.  Er wordt een gestructureerde dialoog tot stand gebracht tussen alle betrokken partijen, waaronder personen met een handicap en hun belangenorganisaties, en de markttoezichtautoriteiten, om te waarborgen dat er passende beginselen worden vastgesteld voor de beoordeling van die uitzonderingen, om te garanderen dat die coherent zijn.
Amendement 129
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 6 quater (nieuw)
6 quater.  De lidstaten worden ertoe aangespoord om stimuleringsmaatregelen en richtsnoeren aan micro-ondernemingen aan te bieden teneinde de tenuitvoerlegging van deze richtlijn te vergemakkelijken. De procedures en richtsnoeren worden vastgesteld in overleg met de betrokken partijen, waaronder personen met een handicap en hun belangenorganisaties.
Amendement 130
Voorstel voor een richtlijn
Hoofdstuk IV – titel
Geharmoniseerde normen, gemeenschappelijke technische specificaties en conformiteit van producten en diensten
Geharmoniseerde normen, technische specificaties en conformiteit van producten en diensten
Amendement 131
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – alinea 1
Producten en diensten die voldoen aan geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht in overeenstemming te zijn met de in artikel 3 genoemde toegankelijkheidseisen voor zover deze binnen het toepassingsgebied van die normen of delen daarvan vallen.
1.   Producten en diensten die voldoen aan geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht in overeenstemming te zijn met de in artikel 3 genoemde toegankelijkheidseisen die binnen het toepassingsgebied van die normen of delen daarvan vallen.
Amendement 132
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De Commissie verzoekt overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 een of meer Europese normalisatieorganisaties geharmoniseerde normen op te stellen voor elk van de in artikel 3 genoemde toegankelijkheidseisen voor producten. De Commissie stelt deze verzoeken uiterlijk ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] vast.
Amendement 133
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin technische specificaties worden vastgelegd die voldoen aan de in artikel 3 bedoelde toegankelijkheidseisen. Zij doet dit evenwel alleen, als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a)  in het Publicatieblad van de Europese Unie is geen referentie naar geharmoniseerde normen conform Verordening (EU) nr. 1025/2012 bekendgemaakt;
b)  de Commissie heeft een verzoek vastgesteld overeenkomstig lid 2 van dit artikel; en
c)  de Commissie stelt buitensporige vertragingen in de normalisatieprocedure vast.
Alvorens de in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandelingen vast te stellen raadpleegt de Commissie de betrokken partijen, waaronder belangenorganisaties van personen met een handicap.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 24, lid 2, van deze richtlijn bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 134
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 1 quater (nieuw)
1 quater.  Indien geen referenties naar de in lid 1 van dit artikel vermelde geharmoniseerde normen in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden producten en diensten die conform zijn met de in lid 1 ter van dit artikel bedoelde technische specificaties of delen daarvan, geacht in overeenstemming te zijn met de in artikel 3 genoemde toegankelijkheidseisen voor zover deze binnen het toepassingsgebied van die technische specificaties of delen daarvan vallen.
Amendement 135
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14
Artikel 14
Schrappen
Gemeenschappelijke technische specificaties
1.  Als in het Publicatieblad van de Europese Unie geen referentie naar geharmoniseerde normen conform Verordening (EU) nr. 1025/2012 is bekendgemaakt en als met het oog op marktharmonisatie meer gedetailleerde toegankelijkheidseisen voor bepaalde producten en diensten vereist zijn, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen waarin gemeenschappelijke technische specificaties ("GTS") worden vastgelegd voor de toegankelijkheidseisen die in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 24, lid 2, van deze richtlijn bedoelde onderzoeksprocedure.
2.  Producten en diensten die in overeenstemming zijn met de in lid 1 bedoelde GTS of delen daarvan, worden geacht in overeenstemming te zijn met de in artikel 3 genoemde toegankelijkheidseisen voor zover deze binnen het toepassingsgebied van die GTS of delen daarvan vallen.
Amendement 136
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 2
2.  De structuur van de EU-conformiteitsverklaring komt overeen met het model in bijlage III bij Besluit nr. 768/2008/EG. De verklaring bevat de elementen die zijn vastgelegd in bijlage II bij deze richtlijn en wordt permanent bijgewerkt. Bij de eisen aan de technische documentatie wordt vermeden dat kleine, middelgrote en micro-ondernemingen onevenredig zware lasten te dragen krijgen. De EU-conformiteitsverklaring wordt vertaald in de taal of talen die worden voorgeschreven door de lidstaat waar het product in de handel wordt gebracht of op de markt wordt aangeboden.
2.  De structuur van de EU-conformiteitsverklaring komt overeen met het model in bijlage III bij Besluit nr. 768/2008/EG. De verklaring bevat de elementen die zijn vastgelegd in bijlage II bij deze richtlijn en wordt permanent bijgewerkt. Bij de eisen aan de technische documentatie wordt vermeden dat kleine en middelgrote ondernemingen onevenredig zware lasten te dragen krijgen. De EU-conformiteitsverklaring wordt vertaald in de taal of talen die worden voorgeschreven door de lidstaat waar het product in de handel wordt gebracht of op de markt wordt aangeboden.
Amendement 137
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 3
3.  Als voor een product uit hoofde van meer dan één handeling van de Unie een EU-conformiteitsverklaring vereist is, wordt één EU-conformiteitsverklaring met betrekking tot al die handelingen van de Unie opgesteld. In die verklaring wordt aangegeven om welke handelingen het gaat, met vermelding van de publicatiegegevens.
3.  Als voor een product uit hoofde van meer dan één handeling van de Unie een EU-conformiteitsverklaring vereist is, wordt de EU-conformiteitsverklaring met betrekking tot al die handelingen van de Unie opgesteld. In die verklaring wordt aangegeven om welke handelingen het gaat, met vermelding van de publicatiegegevens.
Amendement 138
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Als aanvulling op de EU-conformiteitsverklaring brengt de fabrikant een vermelding aan op de verpakking om de consumenten op kostenefficiënte, eenvoudige en accurate wijze in kennis te stellen van het feit dat het product toegankelijkheidsfuncties omvat.
Amendement 139
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16
Artikel 16
Schrappen
Algemene beginselen van de CE-markering van producten
De CE-markering is onderworpen aan de algemene beginselen die zijn vastgesteld in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008.
Amendement 140
Voorstel voor een richtlijn
Artikel -17 (nieuw)
Artikel -17
Nationale databank
Elke lidstaat zet een publiek toegankelijke databank op voor de registratie van niet-toegankelijke producten. De consumenten kunnen informatie over niet-toegankelijke producten raadplegen en meedelen. De lidstaten treffen de nodige voorzieningen om de consumenten en andere belanghebbenden in kennis te stellen van de mogelijkheid tot het indienen van klachten. Er moet een systeem voor interactie tussen de nationale databanken worden ontwikkeld, zo mogelijk onder verantwoordelijkheid van de Commissie of de betrokken belangenorganisaties, zodat informatie over niet-toegankelijke producten in de hele Unie kan worden verspreid.
Amendement 141
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 2 – alinea 2
De lidstaten zien erop toe dat het publiek op de hoogte is van het bestaan, de verantwoordelijkheden en de identiteit van de autoriteiten zoals bedoeld in de eerste alinea. Deze autoriteiten stellen de informatie op verzoek in toegankelijke formaten beschikbaar.
De lidstaten zien erop toe dat het publiek op de hoogte is van het bestaan, de verantwoordelijkheden en de identiteit van de autoriteiten zoals bedoeld in de eerste alinea. Deze autoriteiten stellen de informatie over hun werkzaamheden en over de beslissingen die zij hebben genomen op verzoek van leden van het betreffende publiek in toegankelijke formaten beschikbaar.
Amendement 142
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 1 – alinea 1
Als de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat uit hoofde van artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 maatregelen hebben genomen of voldoende reden hebben om aan te nemen dat een onder deze richtlijn vallend product een risico vertoont met betrekking tot toegankelijkheidskenmerken die onder deze richtlijn vallen, voeren zij een beoordeling uit van het betrokken product in het licht van alle eisen van deze richtlijn. De desbetreffende marktdeelnemers werken volledig samen met de markttoezichtautoriteiten.
Als de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat uit hoofde van artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 maatregelen hebben genomen of voldoende reden hebben om aan te nemen dat een onder deze richtlijn vallend product niet in overeenstemming is met deze richtlijn, voeren zij een beoordeling uit van het betrokken product in het licht van alle relevante eisen van deze richtlijn. De desbetreffende marktdeelnemers werken volledig samen met de markttoezichtautoriteiten.
Amendement 143
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 1 – alinea 2
Als de markttoezichtautoriteiten bij deze beoordeling vaststellen dat het product niet aan de eisen van deze richtlijn voldoet, gelasten zij de betrokken marktdeelnemer onverwijld passende corrigerende maatregelen te nemen om het product binnen een door hen vast te stellen redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, met deze eisen conform te maken, uit de handel te nemen of terug te roepen.
Als de markttoezichtautoriteiten bij deze beoordeling vaststellen dat het product niet aan de eisen van deze richtlijn voldoet, gelasten zij de betrokken marktdeelnemer onverwijld passende corrigerende maatregelen te nemen om het product in kwestie met deze eisen conform te maken. Als de marktdeelnemer in kwestie geen passende corrigerende actie onderneemt, verplichten de markttoezichtautoriteiten deze marktdeelnemer ertoe het product binnen een redelijke termijn uit de handel te nemen.
Amendement 144
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 4
4.  Als de desbetreffende marktdeelnemer niet binnen de in lid 1, tweede alinea, bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt, nemen de markttoezichtautoriteiten alle passende voorlopige maatregelen om het op hun nationale markten aanbieden van het product te verbieden of te beperken, dan wel het product op die markt uit de handel te nemen of terug te roepen. De markttoezichtautoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van deze maatregelen op de hoogte.
4.  Als de desbetreffende marktdeelnemer niet binnen de in lid 1, tweede alinea, bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt, nemen de markttoezichtautoriteiten alle passende voorlopige maatregelen om het op hun nationale markten aanbieden van het product te verbieden of te beperken of het product op die markt uit de handel te nemen. De markttoezichtautoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van deze maatregelen op de hoogte.
Amendement 145
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 5 – inleidende formule
5.  De in lid 4 bedoelde informatie omvat alle bekende informatie, met name de gegevens die nodig zijn om het niet-conforme product te identificeren en om de oorsprong van het product, de aard van de vermeende niet-conformiteit en van het risico, en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die door de desbetreffende marktdeelnemer worden aangevoerd. De markttoezichtautoriteiten vermelden met name of de niet-conformiteit aan een van de volgende oorzaken te wijten is:
5.  De in lid 4 bedoelde informatie omvat alle bekende informatie, met name de gegevens die nodig zijn om het niet-conforme product te identificeren en om de oorsprong van het product, de aard van de vermeende niet-conformiteit en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die door de desbetreffende marktdeelnemer worden aangevoerd. De markttoezichtautoriteiten vermelden met name of de niet-conformiteit aan een van de volgende oorzaken te wijten is:
Amendement 146
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 5 – letter a
a)  het feit dat het product niet voldoet aan bepaalde eisen zoals bedoeld in artikel 3 van deze richtlijn; of
a)  het feit dat het product niet voldoet aan de eisen zoals bedoeld in artikel 3 van deze richtlijn; of
Amendement 147
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 8
8.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van het betrokken product onverwijld passende beperkende maatregelen worden genomen, zoals het uit de handel nemen van dit product.
8.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van het betrokken product onverwijld passende en evenredige beperkende maatregelen worden genomen, zoals het uit de handel nemen van dit product.
Amendement 148
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 20 – lid 1 – alinea 1
Als na voltooiing van de procedure in artikel 19, leden 3 en 4, bezwaren tegen een maatregel van een lidstaat worden ingebracht of de Commissie van mening is dat een nationale maatregel in strijd is met de wetgeving van de Unie, treedt de Commissie onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en voert zij een evaluatie van de nationale maatregel uit. Aan de hand van die evaluatie besluit de Commissie of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is.
Als na voltooiing van de procedure in artikel 19, leden 3 en 4, bezwaren tegen een maatregel van een lidstaat worden ingebracht of de Commissie redelijke aanwijzingen heeft dat een nationale maatregel in strijd is met de wetgeving van de Unie, treedt de Commissie onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en voert zij een evaluatie van de nationale maatregel uit. Aan de hand van die evaluatie besluit de Commissie of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is.
Amendement 149
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 20 bis (nieuw)
Artikel 20 bis
Werkgroep
1.  De Commissie richt een werkgroep op.
Deze werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van de nationale markttoezichtautoriteiten en de belanghebbenden, inclusief personen met een handicap en hun belangenorganisaties.
2.  De werkgroep voert de volgende taken uit:
a)  bevorderen van de uitwisseling van informatie en goede praktijken tussen de markttoezichtautoriteiten;
b)  zorgen voor coherentie bij de toepassing van de in artikel 3 bepaalde toegankelijkheidseisen;
c)  uitbrengen van een advies over uitzonderingen op de in artikel 3 bepaalde toegankelijkheidseisen, in gevallen waar dit nodig wordt geacht, na ontvangst van het verzoek van de Commissie.
Amendement 151
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – alinea 1 – letter c
c)  bij het vastleggen van de toegankelijkheidseisen in verband met sociale en kwaliteitscriteria die door bevoegde autoriteiten bij aanbestedingsprocedures voor openbare vervoersdiensten per spoor en over de weg worden vastgesteld krachtens Verordening (EG) nr. 1370/2007;
Schrappen
Amendementen 247 en 281
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – alinea 1 – letter d bis (nieuw)
d bis)   waar toepasselijk, op alle relevante Uniewetgeving of op de bepalingen in Uniewetgeving met betrekking tot toegankelijkheid voor personen met een handicap;
Amendement 282
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – alinea 1 – letter d ter (nieuw)
d ter)   Wanneer de Unie projecten voor toegankelijke, obstakelvrije vervoers- en telecommunicatie-infrastructuur medefinanciert in het kader van het CEF, de structuurfondsen of het EFSI, wordt prioriteit gegeven aan projecten die toegankelijkheidscomponenten ondersteunen of omvatten.
Amendement 152
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1
1.  De in artikel 21 bedoelde toegankelijkheidseisen zijn van toepassing voor zover zij met het oog op de doelstellingen van dat artikel geen onevenredige last voor de bevoegde autoriteiten opleveren.
1.  De in artikel 21 bedoelde toegankelijkheidseisen zijn van toepassing voor zover zij met het oog op de doelstellingen van dat artikel geen onevenredige last opleveren voor de bevoegde autoriteiten of de exploitanten als andere overeenkomstsluitende partij.
Amendementen 226 en 257
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 2 – letter b
b)  de geraamde kosten en baten voor de bevoegde autoriteiten in verhouding tot de geraamde voordelen voor personen met een handicap, rekening houdend met de frequentie en de duur van het gebruik van het specifieke product of de specifieke dienst.
b)  de geraamde kosten en baten voor de bevoegde autoriteiten in verhouding tot de geraamde voordelen voor personen met een functionele beperking en personen met een handicap, rekening houdend met de frequentie en de duur van het gebruik van het specifieke product of de specifieke dienst.
Amendement 153
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 3
3.  De beoordeling van de mate waarin naleving van de in artikel 21 bedoelde toegankelijkheidseisen een onevenredige last oplevert, wordt uitgevoerd door de betrokken bevoegde autoriteiten.
3.  De initiële beoordeling van de mate waarin naleving van de in artikel 21 bedoelde toegankelijkheidseisen een onevenredige last oplevert, wordt uitgevoerd door de betrokken bevoegde autoriteiten.
Amendement 231
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De Commissie stelt gedelegeerde handelingen vast overeenkomstig artikel 23 bis tot aanvulling van lid 2 van dit artikel door nader de criteria te specificeren waarmee voor alle producten en diensten die onder deze richtlijn vallen, rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de vraag of de last als onevenredig moet worden beschouwd, zonder deze criteria te wijzigen.
Bij het nader specificeren van deze criteria houdt de Commissie niet alleen rekening met de mogelijke voordelen voor personen met een handicap maar ook voor mensen met een functionele beperking.
De Commissie stelt de eerste gedelegeerde handeling voor alle producten en diensten die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, uiterlijk [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] vast.

Amendement 155
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 4
4.  Als de bevoegde autoriteit voor een specifiek product of een specifieke dienst gebruik heeft gemaakt van de in de leden 1, 2 en 3 voorziene uitzondering, stelt zij de Commissie daarvan in kennis. Hierbij verstrekt zij eveneens de in lid 2 bedoelde beoordeling.
4.  Als de bevoegde autoriteit voor een specifiek product of een specifieke dienst gebruik heeft gemaakt van de in de leden 1, 2 en 3 voorziene uitzondering, stelt zij de Commissie daarvan in kennis. De in lid 2 bedoelde beoordeling wordt de Commissie op haar verzoek verstrekt.
Amendement 156
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Indien de Commissie reden heeft om te twijfelen aan de beslissing van de betrokken bevoegde autoriteit, kan zij de in artikel 20 bis bedoelde werkgroep verzoeken de in lid 2 bedoelde beoordeling te controleren en advies uit te brengen.
Amendement 157
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast voor de vastlegging van een model van kennisgeving voor de toepassing van lid 4 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 1 bis, bedoelde raadplegingsprocedure. De Commissie stelt de eerste uitvoeringshandeling uiterlijk [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] vast.
Amendement 158
Voorstel voor een richtlijn
Hoofdstuk VII – titel
UITVOERINGSBEVOEGDHEDEN EN SLOTBEPALINGEN
GEDELEGEERDE HANDELINGEN, UITVOERINGSBEVOEGDHEDEN EN SLOTBEPALINGEN
Amendement 159
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 bis (nieuw)
Artikel 23 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  De in artikel 10, lid 2 bis, artikel 12, lid 5 bis, en artikel 22, lid 3 bis, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van ... [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 10, lid 2 bis, artikel 12, lid 5 bis, en artikel 22, lid 3 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.  Een overeenkomstig artikel 10, lid 2 bis, artikel 12, lid 5 bis, en artikel 22, lid 3 bis, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Amendement 160
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Amendement 161
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 2
2.  De in lid 1 bedoelde middelen omvatten:
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 162
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 2 – letter a
a)  bepalingen waarbij een consument zich krachtens nationaal recht tot de rechter of de bevoegde administratieve instanties kan wenden om te bewerkstelligen dat de nationale voorschriften waarin deze richtlijn is omgezet, worden nageleefd;
a)  de mogelijkheid voor de consument die rechtstreeks door de niet-conformiteit van een product of een dienst wordt getroffen, zich krachtens nationaal recht tot de rechter of de bevoegde administratieve instanties te wenden om te bewerkstelligen dat de nationale voorschriften waarin deze richtlijn is omgezet, worden nageleefd;
Amendement 163
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 2 – letter b
b)  bepalingen waarbij overheidsorganen of particuliere verenigingen, organisaties of andere juridische entiteiten die er een rechtmatig belang bij hebben dat de bepalingen van deze richtlijn worden nageleefd, zich krachtens nationaal recht namens de consumenten tot de rechter of de bevoegde administratieve instanties kunnen wenden om te bewerkstelligen dat de nationale voorschriften waarin deze richtlijn is omgezet, worden nageleefd.
b)  de mogelijkheid voor overheidsorganen of particuliere verenigingen, organisaties of andere juridische entiteiten die er een rechtmatig belang bij hebben dat de bepalingen van deze richtlijn worden nageleefd, zich krachtens nationaal recht namens de consumenten tot de rechter of de bevoegde administratieve instanties te wenden om te bewerkstelligen dat de nationale voorschriften waarin deze richtlijn is omgezet, worden nageleefd. Dit rechtmatige belang kan de vertegenwoordiging zijn van consumenten die rechtstreeks door de niet-conformiteit van een product of een dienst worden getroffen;
Amendement 164
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 2 – letter b bis (nieuw)
b bis)  de mogelijkheid voor de consument die rechtstreeks door de niet-conformiteit van een product of een dienst wordt getroffen, om gebruik te maken van een klachtenmechanisme; dat mechanisme kan worden beheerd door een bestaande instantie, bijvoorbeeld de nationale ombudsman.
Amendement 165
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat, vóór een procedure wordt ingesteld voor de rechter of de bevoegde administratieve instanties, overeenkomstig lid 1, punten a) en b), alternatieve mechanismen voor geschillenbeslechting voorhanden zijn om een veronderstelde niet-conformiteit met deze richtlijn die gemeld is door middel van een klachtenmechanisme als bedoeld in lid 2, onder b bis), op te lossen.
Amendement 166
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  Dit artikel is niet van toepassing op overeenkomsten die vallen onder Richtlijn 2014/24/EU of Richtlijn 2014/25/EU.
Amendement 288
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 2
2.  De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
2.  De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, maar mogen niet dienen als alternatief voor marktdeelnemers om de verplichting na te komen hun producten en diensten toegankelijk te maken. Ook moeten deze sancties vergezeld gaan van doeltreffende corrigerende maatregelen die worden ingezet in het geval van niet-naleving door marktdeelnemers.
Amendement 168
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 4
4.  Bij de sancties moet rekening worden gehouden met de mate van niet-naleving, die mede gebaseerd is op het aantal desbetreffende niet-conforme producten of diensten en op het aantal getroffen personen.
4.  Bij de sancties moet rekening worden gehouden met de mate van niet-naleving, die mede gebaseerd is op de ernst en het aantal desbetreffende niet-conforme producten of diensten en op het aantal getroffen personen.
Amendement 169
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 2
2.  Zij passen deze bepalingen vanaf [… insert date - six years after the entry into force of this Directive] toe.
2.  Zij passen deze bepalingen toe vanaf ... [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].
Amendement 170
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Onverminderd het bepaalde in lid 2 ter van dit artikel, voorzien de lidstaten in een overgangsperiode voor een periode van vijf jaar na ... [zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] waarin dienstverleners hun diensten mogen blijven leveren met gebruikmaking van de producten waar zij voorafgaand aan deze datum rechtmatig gebruik van hebben gemaakt bij het leveren van vergelijkbare diensten.
Amendement 171
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  Lidstaten kunnen bepalen dat zelfbedieningsterminals waar dienstverleners rechtmatig gebruik van hebben gemaakt bij het leveren van diensten vóór ... [zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn], gebruikt mogen blijven worden bij het leveren van vergelijkbare diensten tot het eind van hun economische levensduur.
Amendement 172
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 5
5.  Lidstaten die gebruikmaken van de in artikel 3, lid 10, geboden mogelijkheid, delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij vaststellen om dat doel te verwezenlijken en brengen aan de Commissie verslag uit over de voortgang bij de uitvoering ervan.
5.  Indien passend delen de lidstaten de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij ter wille van artikel 3, lid 10, vaststellen en brengen aan de Commissie verslag uit over de voortgang bij de uitvoering ervan.
Amendement 173
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – alinea 1
Uiterlijk […insert date - five years after the application of this Directive], en vervolgens om de vijf jaar, legt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een verslag voor over de toepassing van deze richtlijn.
-1.   Uiterlijk op ... [drie jaar na de datum van de toepassing van deze richtlijn], en vervolgens om de vijf jaar, legt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een verslag voor over de toepassing van deze richtlijn.
Amendement 174
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 1
1.  In het verslag wordt, uit het oogpunt van de sociale, economische en technologische ontwikkelingen, onder meer aandacht besteed aan de ontwikkelingen op het gebied van de toegankelijkheid van producten en diensten en de effecten op marktdeelnemers en personen met een handicap, waarbij eventuele mogelijkheden voor lastenverlichting worden aangewezen, om te kunnen bepalen in hoeverre een herziening van deze richtlijn noodzakelijk is.
1.  In deze verslagen opgesteld op basis van de overeenkomstig artikel 12, lid 6, en artikel 22, lid 4, ontvangen kennisgevingen wordt beoordeeld of de doelstellingen van deze richtlijn zijn verwezenlijkt, met name wat de verbetering betreft van het vrije verkeer van toegankelijke producten en diensten. Bovendien wordt in deze verslagen, rekening houdend met de sociale, economische en technologische ontwikkelingen, aandacht besteed aan de ontwikkeling op het gebied van de toegankelijkheid van producten en diensten, de noodzaak nieuwe producten en diensten in het toepassingsgebied van deze richtlijn op te nemen of de noodzaak bepaalde producten of diensten uit het toepassingsgebied van deze richtlijn uit te sluiten, alsmede de effecten op marktdeelnemers en personen met een handicap, waarbij eventuele mogelijkheden voor lastenverlichting worden aangewezen, om te kunnen bepalen in hoeverre een herziening van deze richtlijn noodzakelijk is.
Amendement 175
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 2
2.  De lidstaten verstrekken de Commissie tijdig alle informatie die de Commissie voor het opstellen van dit verslag nodig heeft.
2.  De lidstaten verstrekken de Commissie tijdig alle informatie die de Commissie voor het opstellen van deze verslagen nodig heeft.
Amendement 176
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 3
3.  Het verslag van de Commissie houdt rekening met de standpunten van de economisch belanghebbenden en van betrokken niet-gouvernementele organisaties, waaronder organisaties van personen met een handicap en organisaties die ouderen vertegenwoordigen.
3.  Het verslag van de Commissie houdt rekening met de standpunten van de economisch belanghebbenden en van betrokken niet-gouvernementele organisaties, waaronder organisaties van personen met een handicap.
Amendement 177
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling I – deel A (nieuw)
A.  Besturingssystemen
1.  Om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de diensten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, voldoet de dienstverlening aan de in deel C vastgestelde functioneleprestatie-eisen en omvat zij:
a)  informatie over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de betreffende dienst; en
b)  elektronische informatie, inclusief de websites die nodig zijn voor het leveren van de dienst in kwestie.
Amendement 178
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling I – deel B (nieuw)
B.  Computerapparatuur voor algemeen gebruik en erin vervatte besturingssystemen
Amendement 180
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling I – punt 2
[....]
Schrappen
Amendement 181
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling I – deel C (nieuw)
C.  Functioneleprestatie-eisen
Om het ontwerp en de gebruikersinterface ervan toegankelijk te maken, zijn producten en diensten, indien van toepassing, als volgt ontworpen:
a)  gebruik zonder zicht:
wanneer het product visuele bedieningswijzen aanbiedt, biedt het minstens één bedieningswijze die geen zicht vereist;
b)  gebruik met beperkt zicht:
wanneer het product visuele bedieningswijzen aanbiedt, biedt het minstens één bedieningswijze die gebruikers in staat stelt het product te gebruiken met beperkt zicht; dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door middel van kenmerken in verband met flexibel contrast en flexibele helderheid, flexibele vergroting zonder verlies van inhoud of functionaliteit, flexibele methoden om het onderscheid tussen visuele voor- en achtergrondelementen te controleren en flexibele controle over het vereiste gezichtsveld;
c)  gebruik zonder waarneming van kleur:
wanneer het product visuele bedieningswijzen aanbiedt, biedt deze minstens één bedieningswijze die geen waarneming van kleur vereist;
d)  gebruik zonder gehoor:
wanneer het product auditieve bedieningswijzen aanbiedt, biedt het minstens één bedieningswijze die geen gehoor vereist;
e)  gebruik met beperkt gehoor:
wanneer het product auditieve bedieningswijzen aanbiedt, biedt deze minstens één bedieningswijze met versterkte audiokenmerken; dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door de mogelijkheid voor gebruikers om de geluidssterkte aan te passen en flexibele methoden om het onderscheid tussen voorgrond- en achtergrondgeluid te controleren met spraak en achtergrond die beschikbaar zijn als afzonderlijke audiostromen;
f)  gebruik zonder spreekvaardigheden:
wanneer het product gesproken input van gebruikers vereist, biedt deze minstens één bedieningswijze die niet vereist dat gebruikers gesproken output produceren; gesproken output omvat alle met de mond geproduceerde geluiden zoals spraak, fluit- of klikgeluiden;
g)  gebruik met beperkte handgreep of kracht:
wanneer het product manuele handelingen vereist, biedt het minstens één bedieningswijze die gebruikers in staat stelt het te gebruiken door middel van alternatieve acties die geen besturing en bediening met fijne motoriek, handgreep of gelijktijdige bediening van meer dan één besturingselement vereisen;
h)  gebruik met beperkte reikwijdte:
wanneer de producten vrijstaand of geïnstalleerd zijn, zijn de bedieningselementen binnen het bereik van alle gebruikers;
i)  beperking van het risico op het ontstaan van lichtgevoelige aanvallen tot een minimum:
wanneer het product visuele bedieningswijzen aanbiedt, worden bedieningswijzen vermeden waarvan bekend is dat zij lichtgevoelige aanvallen veroorzaken;
j)  gebruik met beperkt cognitief vermogen:
het product biedt minstens één bedieningswijze met kenmerken die deze eenvoudiger en gebruiksvriendelijker maken;
k)  privacy:
wanneer het product kenmerken opneemt ten behoeve van de toegankelijkheid, biedt deze minstens één bedieningswijze die de privacy van gebruikers waarborgt bij het gebruik van deze productkenmerken ten behoeve van de toegankelijkheid.
Amendement 182
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling I – deel D (nieuw)
D.  Ondersteunende diensten
Ondersteunende diensten, indien beschikbaar, verstrekken informatie over de toegankelijkheid van het product en de compatibiliteit ervan met hulptechnologieën, via toegankelijke communicatiemethoden voor personen met een handicap.
Amendementen 183 en 291
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling II – titel
Zelfbedieningsterminals: geldautomaten, kaartautomaten, incheckautomaten
Zelfbedieningsterminals: geldautomaten, kaartautomaten, incheckautomaten en betaalterminals
Amendementen 184, 291, 299 en 342
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling II – punt 1
1.  Ontwerp en productie:
1.  Ontwerp en productie:
Om het te verwachten gebruik van de producten door personen met een functionele beperking (waaronder personen met een handicap of leeftijdsgerelateerde beperkingen) zoveel mogelijk te bevorderen, worden bij het ontwerp en de productie de volgende elementen toegankelijk gemaakt:
Om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de producten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, wordt bij het ontwerp en de productie voldaan aan de in afdeling I, deel C, vastgestelde functioneleprestatie-eisen. In verband hiermee vereisen producten niet dat een toegankelijkheidskenmerk wordt ingeschakeld om de gebruiker die het kenmerk nodig heeft, in staat te stellen het te gebruiken.
Bij het ontwerp en de productie van producten wordt gezorgd voor toegankelijkheid, inclusief met betrekking tot de volgende elementen:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies, waarschuwingen), die:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies en waarschuwingen), die
i)  via meer dan één zintuiglijk kanaal wordt aangeboden;
ii)  begrijpelijk is;
iii)  goed zichtbaar is;
iv)  groot genoeg is afgedrukt voor te verwachten gebruiksomstandigheden;
b)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer) overeenkomstig punt 2;
b)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer);
c)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een functionele beperking, overeenkomstig punt 2;
c)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een handicap; dit moet worden gerealiseerd door het gebruik mogelijk te maken van een persoonlijke hoofdtelefoon, wanneer een tijdgebonden respons vereist is, door de gebruiker te waarschuwen via meer dan één zintuiglijk kanaal, door de mogelijkheid te bieden de toegestane responstijd te verlengen en door voldoende contrast te bieden en voorzien te zijn van sleutels en bedieningen die te onderscheiden zijn via tast;
d)  de interface om het product met hulpmiddelen te combineren.
d)  wanneer relevant, de compatibiliteit van het product met hulpmiddelen en -technologieën die binnen de Unie beschikbaar zijn, met inbegrip van gehoortechnologieën zoals gehoorapparaten, luisterspoelen, cochleaire implantaten en apparatuur voor ondersteund horen.
Amendement 185
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling II – punt 2
[....]
Schrappen
Amendement 186
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling III – titel
Telefoniediensten, waaronder noodhulpdiensten en gerelateerde eindapparatuur met geavanceerde computerfuncties voor consumenten
Telefoniediensten, waaronder noodhulpdiensten en gerelateerde eindapparatuur voor consumenten
Amendementen 187, 292 en 300
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling III – deel A – punt 1
1.  Het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, wordt zo veel mogelijk bevorderd door:
1.  Om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de diensten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, voldoet de dienstverlening aan de in afdeling I, deel C, vastgestelde functioneleprestatie-eisen en omvat zij:
a)  de toegankelijkheid te waarborgen van de producten die zij bij de dienstverlening gebruiken, in overeenstemming met de regels van punt B over "Gerelateerde eindapparatuur met geavanceerde computerfuncties voor gebruik door consumenten";
a)  de producten die de dienstverleners bij de dienstverlening in kwestie gebruiken, in overeenstemming met de regels van deel B van deze afdeling;
b)  op de volgende manieren informatie te verstrekken over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst:
b)  informatie over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst in kwestie;
i)  de informatie is beschikbaar in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze door de gebruikers op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kan worden weergegeven;
ii)  er worden alternatieven geboden voor niet-tekstuele content;
iii)   de elektronische informatie, inclusief de bijbehorende onlinetoepassingen die nodig zijn voor de dienstverlening, wordt verstrekt in overeenstemming met punt c);
b bis)   elektronische informatie, inclusief de bijbehorende onlinetoepassingen die nodig zijn voor de dienstverlening in kwestie.
c)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
c)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
c bis)  apps voor mobiele apparaten;
d)  toegankelijke informatie te verstrekken om het gebruik in aanvulling op ondersteunende diensten te vereenvoudigen;
d)  informatie om het gebruik in aanvulling op ondersteunende diensten te vereenvoudigen;
e)  in de uitvoering van de dienst functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen te integreren die gericht zijn op de behoeften van mensen met een functionele beperking.
e)  in de uitvoering van de dienst functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen te integreren die gericht zijn op de behoeften van mensen met een handicap en zorgen voor interoperabiliteit; dit moet worden gerealiseerd door het ondersteunen van spraak-, video- en realtimetekstcommunicatie, afzonderlijk of in een combinatie (totale conversatie), tussen twee gebruikers of tussen een gebruiker en een noodhulpdienst.
Amendement 344
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling III – deel A – punt 1 bis (nieuw)
1 bis.   Ondersteunende diensten
Ondersteunende diensten (helpdesks, belcentrales, technische ondersteuning, relaydiensten en opleidingsdiensten), indien beschikbaar, verstrekken informatie over de toegankelijkheid van de dienst en de compatibiliteit ervan met hulptechnologieën, via toegankelijke communicatiemethoden voor gebruikers met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap.
Amendementen 188 en 292
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling III – deel B –titel
B.  Gerelateerde eindapparatuur met geavanceerde computerfuncties voor gebruik door consumenten:
B.  Gerelateerde eindapparatuur voor gebruik door consumenten:
Amendementen 189, 292 en 301
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling III – deel B – punt 1
1.  Ontwerp en productie:
1.  Ontwerp en productie:
Om het te verwachten gebruik van de producten door personen met een functionele beperking (waaronder personen met een handicap of leeftijdsgerelateerde beperkingen) zoveel mogelijk te bevorderen, worden bij het ontwerp en de productie de volgende elementen toegankelijk gemaakt:
Om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de producten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, wordt bij het ontwerp en de productie voldaan aan de in afdeling I, deel C, vastgestelde functioneleprestatie-eisen en omvat het ontwerp en de productie het volgende:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies, waarschuwingen), die:
a)   de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies en waarschuwingen);
i)  via meer dan één zintuiglijk kanaal wordt aangeboden;
ii)  begrijpelijk is;
iii)  goed zichtbaar is;
iv)  groot genoeg is afgedrukt voor te verwachten gebruiksomstandigheden;
b)  de verpakking van het product, inclusief de informatie die erop vermeld staat (openen, afsluiten, gebruik, wegwerpen);
b)  de verpakking van het product, inclusief de informatie die erop vermeld staat (openen, afsluiten, gebruik, wegwerpen);
c)  de aanwijzingen voor gebruik, installatie en onderhoud, opslag en verwijdering van het product, die aan de volgende voorwaarden voldoen:
c)  de aanwijzingen voor gebruik, installatie en onderhoud, opslag en verwijdering van het product;
i)  de instructies zijn weergegeven in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kunnen worden aangeboden; en
ii)  de instructies bieden alternatieven voor niet-tekstuele content;
d)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer) overeenkomstig punt 2;
d)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer);
e)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een functionele beperking, overeenkomstig punt 2;
e)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een handicap en voor interoperabiliteit zorgen; dit moet worden gerealiseerd door het ondersteunen van hifi-audio, een videoresolutie die communicatie mogelijk maakt door middel van gebarentaal, realtimetekst, afzonderlijk of in combinatie met spraak en videocommunicatie, of door te zorgen voor een effectieve draadloze koppeling met hoortechnologieën;
f)  de interface om het product met hulpmiddelen te combineren.
f)  de interface om het product met hulpmiddelen te combineren.
Amendement 190
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling III – deel B – punt 2
[....]
Schrappen
Amendement 346/rev
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling III – deel B – punt 2 bis (nieuw)
2 bis.   Ondersteunende diensten:
Ondersteunende diensten (helpdesks, belcentrales, technische ondersteuning, relaydiensten en opleidingsdiensten), indien beschikbaar, verstrekken informatie over de toegankelijkheid van het product en de compatibiliteit ervan met hulptechnologieën, via toegankelijke communicatiemethoden voor gebruikers met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap.
Amendement 191
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling IV – titel
Audiovisuele mediadiensten en de gerelateerde consumentenapparatuur met geavanceerde computerfuncties
Websites en onlinetoepassingen van audiovisuele mediadiensten en de gerelateerde consumentenapparatuur
Amendement 192
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling IV – deel A –titel
A.  Diensten:
A.  Websites en onlinetoepassingen
Amendement 193
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling IV – deel A – punt 1
1.  Het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, wordt zo veel mogelijk bevorderd door:
1.   Om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de diensten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, voldoet de dienstverlening aan de in afdeling I, deel C, vastgestelde functioneleprestatie-eisen en omvat zij:
a)   de toegankelijkheid te waarborgen van de producten die zij bij de dienstverlening gebruiken, in overeenstemming met de regels van punt B over "Gerelateerde eindapparatuur met geavanceerde computerfuncties voor gebruik door consumenten";
a)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
b)   op de volgende manieren informatie te verstrekken over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst:
b)   toepassingen voor mobiele apparaten;
i)  de informatie is beschikbaar in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze door de gebruikers op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kan worden weergegeven;
ii)  er worden alternatieven geboden voor niet-tekstuele content;
iii)  de elektronische informatie, inclusief de bijbehorende onlinetoepassingen die nodig zijn voor de dienstverlening, wordt verstrekt in overeenstemming met punt c);
c)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
d)  toegankelijke informatie te verstrekken om het gebruik in aanvulling op ondersteunende diensten te vereenvoudigen;
e)  in de uitvoering van de dienst functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen te integreren die gericht zijn op de behoeften van mensen met een functionele beperking.
Amendement 194
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling IV – deel B –titel
B.  Gerelateerde consumentenapparatuur met geavanceerde computerfuncties:
B.  Gerelateerde consumentenapparatuur:
Amendementen 195 en 293
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling IV – deel B – punt 1
1.  Ontwerp en productie:
1.  Ontwerp en productie:
Om het te verwachten gebruik van de producten door personen met een functionele beperking (waaronder personen met een handicap of leeftijdsgerelateerde beperkingen) zoveel mogelijk te bevorderen, worden bij het ontwerp en de productie de volgende elementen toegankelijk gemaakt:
Om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de producten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, wordt bij het ontwerp en de productie voldaan aan de in afdeling I, deel C, vastgestelde functioneleprestatie-eisen en omvat het ontwerp en de productie het volgende:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies, waarschuwingen), die:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies en waarschuwingen);
i)  via meer dan één zintuiglijk kanaal wordt aangeboden;
ii)  begrijpelijk is;
iii)  goed zichtbaar is;
iv)  groot genoeg is afgedrukt voor te verwachten gebruiksomstandigheden;
b)  de verpakking van het product, inclusief de informatie die erop vermeld staat (openen, afsluiten, gebruik, wegwerpen);
b)  de verpakking van het product, inclusief de informatie die erop vermeld staat (openen, afsluiten, gebruik, wegwerpen);
c)  de aanwijzingen voor gebruik, installatie en onderhoud, opslag en verwijdering van het product, die aan de volgende voorwaarden voldoen:
c)  de aanwijzingen voor gebruik, installatie en onderhoud, opslag en verwijdering van het product;
i)  de instructies zijn weergegeven in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kunnen worden aangeboden; en
ii)  de instructies bieden alternatieven voor niet-tekstuele content;
d)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer) overeenkomstig punt 2;
d)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer);
e)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een functionele beperking, overeenkomstig punt 2;
e)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een handicap; dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door de mogelijkheid te ondersteunen om toegangsdiensten als ondertiteling voor doven en slechthorenden, audiodescriptie, gesproken ondertiteling en vertolking in gebarentaal te selecteren, te personaliseren en te activeren, door een effectieve draadloze koppeling met hoortechnologieën mogelijk te maken of door de gebruiker gebruikersbesturing om toegangsdiensten voor audiovisuele diensten te starten op hetzelfde niveau aan te bieden als de primaire mediabesturing;
f)  de interface om het product met hulpmiddelen te combineren.
f)  de interface om het product met hulpmiddelen te combineren.
Amendement 196
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling IV – deel B – punt 2
[....]
Schrappen
Amendementen 197 en 308
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling V – titel
Diensten voor personenvervoer met vliegtuig, bus, trein en over water; websites die voor de levering van personenvervoerdiensten worden gebruikt; diensten voor mobiele apparaten, slimme kaartsystemen en realtime-informatie; zelfbedieningsterminals, kaartautomaten en incheckautomaten die voor de levering van personenvervoerdiensten worden gebruikt;
Diensten voor personenvervoer met vliegtuig, bus, touringcar, trein en over water; websites die voor de levering van personenvervoerdiensten worden gebruikt; diensten voor mobiele apparaten, slimme kaartsystemen en realtime-informatie; Zelfbedieningsterminals, inclusief betaalterminals, kaartautomaten en incheckautomaten die voor de levering van personenvervoer-, mobiliteits- en toeristische diensten worden gebruikt:
Amendementen 198, 294/rev, 303, 311, 315 en 316
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling V – deel A – punt 1
1.  Het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, wordt zo veel mogelijk bevorderd door:
1.   Om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de diensten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, voldoet de dienstverlening aan de in afdeling I, deel C, vastgestelde functioneleprestatie-eisen en omvat zij:
a)  op de volgende manieren informatie te verstrekken over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst:
a)  informatie over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de betreffende dienst;
i)  de informatie is beschikbaar in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze door de gebruikers op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kan worden weergegeven;
ii)  er worden alternatieven geboden voor niet-tekstuele content;
a bis)   informatie over hoe de toegankelijkheidskenmerken van de dienst moeten worden gebruikt, met inbegrip van de toegankelijkheid van voertuigen en de gerelateerde infrastructuur en gebouwde omgeving, en er wordt informatie verstrekt over assistentie, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2006, Verordening (EU) nr. 1177/2010, Verordening (EG) nr. 1371/2007 en Verordening (EU) nr. 181/2011 wordt verleend;
iii)   de elektronische informatie, inclusief de bijbehorende onlinetoepassingen die nodig zijn voor de dienstverlening, wordt verstrekt in overeenstemming met punt b);
a ter)   elektronische informatie, inclusief de bijbehorende onlinetoepassingen die nodig zijn voor de dienstverlening in kwestie, wordt verstrekt in overeenstemming met punt b);
b)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden kaangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
b)  websites, met inbegrip van onlinetoepassingen die nodig zijn voor het aanbieden van personenvervoer-, toerisme-, accommodatie- en cateringdiensten, op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief, en wel op een robuuste manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
b bis)  op mobiele apparaten gebaseerde diensten, met inbegrip van mobiele toepassingen die nodig zijn voor het leveren van de dienst, op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op een robuuste manier die interoperabiliteit mogelijk maakt met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
c)  in de uitvoering van de dienst functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen te integreren die gericht zijn op de behoeften van mensen met een functionele beperking.
c)  in de uitvoering van de dienst functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen te integreren die gericht zijn op de behoeften van mensen met een handicap, zoals op mobiele apparaten gebaseerde diensten, met inbegrip van mobiele toepassingen die nodig zijn voor het leveren van de dienst, op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op een robuuste manier die interoperabiliteit mogelijk maakt met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn.
Het gaat hier om diensten zoals slimme kaartsystemen (elektronische reservering, boeken van tickets enz.), realtime-informatie voor reizigers (dienstregelingen, informatie over verkeersstoringen, verbindingsdiensten, aansluiting op andere vervoermiddelen enz.) en aanvullendedienstinformatie (bijvoorbeeld stationspersoneel, liften die buiten werking zijn of diensten die tijdelijk niet beschikbaar zijn).
c bis)  diensten voor mobiele apparaten, slimme kaartsystemen en realtime-informatie.
Amendement 199
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling V – deel B
B.  Websites die voor de levering van personenvervoerdiensten worden gebruikt:
Schrappen
a)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn.
Amendement 200
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling V – deel C
C.   diensten voor mobiele apparaten, slimme kaartsystemen en realtime-informatie;
Schrappen
1.  Het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, wordt zo veel mogelijk bevorderd door:
a)  op de volgende manieren informatie te verstrekken over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst:
i)  de informatie is beschikbaar in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze door de gebruikers op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kan worden weergegeven;
ii)  er worden alternatieven geboden voor niet-tekstuele content;
iii)  de elektronische informatie, inclusief de bijbehorende onlinetoepassingen die nodig zijn voor de dienstverlening, wordt verstrekt in overeenstemming met punt b);
b)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
Amendement 201
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling V – deel D – titel
D.  zelfbedieningsterminals, kaartautomaten en incheckautomaten die voor de levering van personenvervoerdiensten worden gebruikt;
D.  Zelfbedieningsterminals, inclusief betaalterminals, kaartautomaten en incheckautomaten die voor de levering van personenvervoerdiensten worden gebruikt:
Amendementen 202 en 327
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling V – deel D – punt 1
1.  Ontwerp en productie:
1.  Ontwerp en productie:
Om het te verwachten gebruik van de producten door personen met een functionele beperking (waaronder personen met een handicap of leeftijdsgerelateerde beperkingen) zoveel mogelijk te bevorderen, worden bij het ontwerp en de productie de volgende elementen toegankelijk gemaakt:
Om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de producten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, wordt bij het ontwerp en de productie voldaan aan de in afdeling I, deel C, vastgestelde functioneleprestatie-eisen en omvat het ontwerp en de productie het volgende:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies, waarschuwingen), die:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies en waarschuwingen);
i)  via meer dan één zintuiglijk kanaal wordt aangeboden;
ii)  begrijpelijk is;
iii)  goed zichtbaar is;
iv)  groot genoeg is afgedrukt voor te verwachten gebruiksomstandigheden;
b)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer) overeenkomstig punt 2;
b)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer);
c)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een functionele beperking, overeenkomstig punt 2;
c)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een handicap;
d)  de interface om het product met hulpmiddelen te combineren.
d)  de compatibiliteit van het product met hulpmiddelen en -technologieën, met inbegrip van hoortechnologieën zoals hoorapparaten, luisterspoelen, cochleaire implantaten en apparatuur voor ondersteund horen; het product maakt ook het gebruik van een persoonlijke koptelefoon mogelijk.
Amendement 352
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling V – deel D – punt 1 bis (nieuw)
1 bis.  Ondersteunende diensten
Ondersteunende diensten (helpdesks, belcentrales, technische ondersteuning, relaydiensten en opleidingsdiensten), indien beschikbaar, verstrekken informatie over de toegankelijkheid van het product en de compatibiliteit ervan met hulptechnologieën, via toegankelijke communicatiemethoden voor gebruikers met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap.

Amendement 203
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling V – deel D – punt 2
[....]
Schrappen
Amendement 204
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VI – titel
Bankdiensten; websites die voor de levering van bankdiensten worden gebruikt; bankdiensten voor mobiele apparaten; zelfbedieningsterminals, waaronder geldautomaten die voor het verlenen van bankdiensten worden gebruikt
Bankdiensten voor consumenten; websites die voor de levering van bankdiensten worden gebruikt; bankdiensten voor mobiele apparaten; zelfbedieningsterminals, waaronder betaalterminals en geldautomaten die voor het verlenen van bankdiensten worden gebruikt
Amendementen 205, 295 en 304
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VI – deel A – punt 1
1.  Het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, wordt zo veel mogelijk bevorderd door:
1.  Om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de diensten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, voldoet de dienstverlening aan de in afdeling I, deel C, vastgestelde functioneleprestatie-eisen en omvat zij:
a)  de toegankelijkheid te waarborgen van de producten die zij bij de dienstverlening gebruiken, in overeenstemming met de regels van punt D;
a)  de producten die de dienstverleners bij de dienstverlening in kwestie gebruiken, in overeenstemming met de regels van deel D van deze afdeling;
b)  op de volgende manieren informatie te verstrekken over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst:
b)  informatie over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst; de informatie is begrijpelijk, met een complexiteitsniveau dat niet hoger is dan niveau B2 (middelhoog) van het gemeenschappelijk Europees referentiekader voor talen van de Raad van Europa;
i)  de informatie is beschikbaar in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze door de gebruikers op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kan worden weergegeven;
ii)  er worden alternatieven geboden voor niet-tekstuele content;
iii)  de elektronische informatie, inclusief de bijbehorende onlinetoepassingen die nodig zijn voor de dienstverlening, wordt verstrekt in overeenstemming met punt c);
b bis)  elektronische informatie, inclusief de bijbehorende websites en onlinetoepassingen die nodig zijn voor de dienstverlening in kwestie en informatie over elektronische identificatie-, beveiligings- en betalingsmethoden;
c)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
d)  in de uitvoering van de dienst functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen te integreren die gericht zijn op de behoeften van mensen met een functionele beperking.
d)  functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen in de uitvoering van de dienst die gericht zijn op de behoeften van mensen met een handicap;
d bis)  bankdiensten voor mobiele apparaten.
Amendement 206
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VI – deel B
B.  websites die voor de levering van bankdiensten worden gebruikt;
Schrappen
Het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, wordt zo veel mogelijk bevorderd door:
a)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
Amendement 207
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VI – deel C
C.   Bankdiensten voor mobiele apparaten:
Schrappen
1.  Het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, wordt zo veel mogelijk bevorderd door:
a)  op de volgende manieren informatie te verstrekken over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst:
i)  de informatie is beschikbaar in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze door de gebruikers op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kan worden weergegeven;
ii)er worden alternatieven geboden voor niet-tekstuele content;
iii)  de elektronische informatie, inclusief de bijbehorende onlinetoepassingen die nodig zijn voor de dienstverlening, wordt verstrekt in overeenstemming met punt b);
b)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
Amendement 208
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VI – deel D – titel
D.  Zelfbedieningsterminals, inclusief geldautomaten waarop bankdiensten worden verleend:
D.  Zelfbedieningsterminals, inclusief betaalterminals, geldautomaten waarop bankdiensten aan consumenten worden verleend:
Amendement 209
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VI – deel D – punt 1
1.  Ontwerp en productie:
1.  Ontwerp en productie:
Om het te verwachten gebruik van de producten door personen met een functionele beperking (waaronder personen met een handicap of leeftijdsgerelateerde beperkingen) zoveel mogelijk te bevorderen, worden bij het ontwerp en de productie de volgende elementen toegankelijk gemaakt:
Om het te verwachten gebruik van de producten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, wordt bij het ontwerp en de productie voldaan aan de in afdeling I, deel C, vastgestelde functioneleprestatie-eisen en omvat het ontwerp en de productie het volgende:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies, waarschuwingen), die:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies en waarschuwingen);
i)  via meer dan één zintuiglijk kanaal wordt aangeboden;
ii)  begrijpelijk is;
iii)  goed zichtbaar is;
iv)  groot genoeg is afgedrukt voor te verwachten gebruiksomstandigheden;
b)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer) overeenkomstig punt 2;
b)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer);
c)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een functionele beperking, overeenkomstig punt 2;
c)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een handicap;
d)  de interface om het product met hulpmiddelen te combineren.
d)  de interface om het product met hulpmiddelen te combineren.
Amendement 356
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VI – deel D – punt 1 bis (nieuw)
1 bis.  Ondersteunende diensten
Ondersteunende diensten (helpdesks, belcentrales, technische ondersteuning, relaydiensten en opleidingsdiensten), indien beschikbaar, verstrekken informatie over de toegankelijkheid van het product en de compatibiliteit ervan met hulptechnologieën, via toegankelijke communicatiemethoden voor gebruikers met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap.

Amendement 210
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VI – deel D – punt 2
[....]
Schrappen
Amendement 211
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VII – titel
elektronische boeken;
Elektronische boeken en bijbehorende apparatuur
Amendement 305
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VII – deel A – punt 1
1.  Het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een functionele beperking (waaronder personen met een handicap) wordt zoveel mogelijk bevorderd door:
1.  Om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de diensten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, voldoet de dienstverlening aan de in deze richtlijn vastgestelde functioneleprestatie-eisen en omvat zij:
a)   de toegankelijkheid te waarborgen van de producten die zij bij de dienstverlening gebruiken, in overeenstemming met de regels van punt B "Producten";
a)   de producten die de dienstverleners bij de dienstverlening in kwestie gebruiken, in overeenstemming met de regels van deel B van deze afdeling;
b)   op de volgende manieren informatie te verstrekken over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst:
b)  informatie over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en -functies van de dienst, die beschikbare informatie (metadata) verstrekt over toegankelijkheidskenmerken van producten en diensten;
i)  de informatie is beschikbaar in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze door de gebruikers op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kan worden weergegeven;
ii)  er worden alternatieven geboden voor niet-tekstuele content;
iii)  de elektronische informatie, inclusief de bijbehorende onlinetoepassingen die nodig zijn voor de dienstverlening, wordt verstrekt in overeenstemming met punt c);
b bis)   elektronische informatie, inclusief de bijbehorende onlinetoepassingen en de e-reader die nodig zijn voor de dienstverlening in kwestie;
c)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief;
c)  het op een consistente en geschikte manier toegankelijk maken van websites en toepassingen voor mobiele apparaten om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
d)  toegankelijke informatie te verstrekken om het gebruik in aanvulling op ondersteunende diensten te vereenvoudigen;
d)  het verstrekken van toegankelijke informatie om het gebruik in aanvulling op ondersteunende diensten te vereenvoudigen;
e)  in de uitvoering van de dienst functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen te integreren die gericht zijn op de behoeften van mensen met een functionele beperking.
e)  het integreren, in de uitvoering van de dienst, van functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen te integreren die gericht zijn op de behoeften van mensen met een handicap; dit moet worden gerealiseerd door te zorgen voor navigatie door het document, onder meer door middel van dynamische opmaak, de mogelijkheid om tekst en audio-inhoud te synchroniseren en technologie voor het omzetten van tekst in spraak, zodat alternatieve weergave-opties voor de inhoud mogelijk worden gemaakt, alsook interoperabiliteit met uiteenlopende hulptechnologieën, op zodanige wijze dat de dienst waarneembaar, begrijpelijk en bedienbaar is en compatibel is met zoveel mogelijk gebruikersagenten.
Amendement 358
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VII – deel B – punt 1
1.  Ontwerp en productie: Om het te verwachten gebruik van de producten door personen met een functionele beperking (waaronder personen met een handicap of leeftijdsgerelateerde beperkingen) zoveel mogelijk te bevorderen, worden bij het ontwerp en de productie de volgende elementen toegankelijk gemaakt:
1.  Ontwerp en productie: Om het te verwachten gebruik van de producten door personen met een functionele beperking (waaronder personen met een handicap) zoveel mogelijk te bevorderen, wordt bij het ontwerp en de productie aan de volgende toegankelijkheidseisen voldaan:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies, waarschuwingen), die:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies, waarschuwingen), die in veelvoudige toegankelijke vormen wordt verstrekt en:
i)  via meer dan één zintuiglijk kanaal wordt aangeboden;
i)  via meer dan één zintuiglijk kanaal wordt aangeboden;
ii)  begrijpelijk is;
ii)  begrijpelijk is;
iii)  goed zichtbaar is;
iii)  goed zichtbaar is;
iv)  groot genoeg is afgedrukt voor te verwachten gebruiksomstandigheden;
iv)  een passende lettergrootte heeft met voldoende contrast tussen de lettertekens en hun achtergrond, teneinde een maximale leesbaarheid in te verwachten gebruiksomstandigheden te waarborgen;
b)  de verpakking van het product, inclusief de informatie die erop vermeld staat (openen, afsluiten, gebruik, wegwerpen);
b)  de verpakking van het product, inclusief de informatie die erop vermeld staat (openen, afsluiten, gebruik, wegwerpen) en een aanduiding van het merk, de naam en het type van het product die:
i)  voldoet aan de vereisten van punt a);
ii)  de gebruikers op eenvoudige en precieze wijze in kennis stelt van de wijze waarop het product toegankelijkheidskenmerken omvat en van de hulptechnologieën waarmee het compatibel is;
c)  de aanwijzingen voor gebruik, installatie en onderhoud, opslag en verwijdering van het product, die aan de volgende voorwaarden voldoen:
c)  de aanwijzingen voor gebruik, installatie en onderhoud, opslag en verwijdering van het product, die, ongeacht of zij afzonderlijk of geïntegreerd in het product worden verstrekt, aan de volgende voorwaarden voldoen:
i)  de instructies zijn weergegeven in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kunnen worden aangeboden;
i)  de aanwijzingen worden beschikbaar gesteld in toegankelijk webformaat en elektronisch niet-webdocumentformaat dat zowel waarneembaar als bedienbaar is; en
ii)  de instructies bieden alternatieven voor niet-tekstuele content;
ii)  de fabrikant vermeldt en legt uit hoe de toegankelijkheidskenmerken van het product gebruikt moeten worden en met welke hulptechnologieën ze compatibel zijn;
d)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer) overeenkomstig punt 2;
d)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer) overeenkomstig punt 2;
e)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een functionele beperking, overeenkomstig punt 2;
e)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een functionele beperking, overeenkomstig punt 2;
f)  de interface om het product met hulpmiddelen te combineren.
f)   indien relevant, compatibiliteit met hulpmiddelen en -technologieën.
Amendement 214
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VII – deel B – punt 2
[...]
Schrappen
Amendementen 215, 296, 306 en 359
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VIII – deel A – punt 1
1.  Het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, wordt zo veel mogelijk bevorderd door:
1.  Om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de diensten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, voldoet de dienstverlening aan de in afdeling I, deel C, vastgestelde functioneleprestatie-eisen en omvat zij:
a)  op de volgende manieren informatie te verstrekken over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst:
a)  informatie over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst in kwestie;
i)  de informatie is beschikbaar in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze door de gebruikers op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kan worden weergegeven;
ii)  er worden alternatieven geboden voor niet-tekstuele content;
iii)  de elektronische informatie, inclusief de bijbehorende onlinetoepassingen die nodig zijn voor de dienstverlening, wordt verstrekt in overeenstemming met punt b);
a bis)   elektronische informatie, inclusief de bijbehorende online- en mobiele toepassingen en websites, met informatie over elektronische identificatie-, beveiligings- en betalingsmethoden, die nodig zijn voor de dienstverlening, wordt verstrekt in overeenstemming met punt b);
b)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
b)  websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
b bis)  diensten voor mobiele apparaten op het gebied van elektronische handel.
Amendement 360
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VIII – deel A – punt 1 bis (nieuw)
1 bis.  Ondersteunende diensten: ondersteunende diensten (helpdesks, belcentrales, technische ondersteuning, relaydiensten en opleidingsdiensten), indien beschikbaar, verstrekken informatie over de toegankelijkheid van de dienst en de compatibiliteit ervan met hulptechnologieën, via toegankelijke communicatiemethoden voor gebruikers met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap.
Amendement 335
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling VIII bis (nieuw)
AFDELING VIII bis
Accommodatiediensten
Diensten
1.  Het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, wordt zo veel mogelijk bevorderd door:
a)  op de volgende manieren informatie te verstrekken over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst:
i)  deze diensten beschikbaar te stellen in een toegankelijk webformaat en door ze waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust te maken, overeenkomstig letter b);
ii)  te vermelden en uit te leggen hoe de toegankelijkheidskenmerken van de dienst gebruikt moeten worden en met welke hulptechnologieën ze complementair zijn.
b)  websites en onlinetoepassingen die nodig zijn voor het leveren van de dienst op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op een robuuste manier die interoperabiliteit mogelijk maakt met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
c)  op mobiele apparaten gebaseerde diensten, met inbegrip van mobiele toepassingen die nodig zijn voor het leveren van diensten op het gebied van elektronische handel, op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op een robuuste manier die interoperabiliteit mogelijk maakt met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
d)  elektronische identificatie-, beveiligings- en betalingsmethoden die nodig zijn voor het leveren van de dienst begrijpelijk, waarneembaar, bedienbaar en robuust te maken zonder de beveiliging en de privacy van de gebruiker in gevaar te brengen;
e)  de gebouwde omgeving toegankelijk te maken voor personen met een handicap, overeenkomstig de voorschriften van afdeling X, waaronder:
i)  alle gemeenschappelijke ruimten (receptie, ingang, vrijetijdsfaciliteiten, conferentiezalen enz.);
ii)  ruimten, overeenkomstig de bepalingen van afdeling X; het minimumaantal toegankelijke ruimten per gebouw bedraagt:
–  één toegankelijke ruimte voor gebouwen met minder dan twintig ruimten;
–  twee toegankelijke ruimten voor gebouwen met tussen de twintig en vijftig ruimten;
–  één extra toegankelijke ruimte voor elke vijftig ruimten meer.
2.  Ondersteunende diensten
Ondersteunende diensten (helpdesks, belcentrales, technische ondersteuning, relaydiensten en opleidingsdiensten), indien beschikbaar, verstrekken informatie over de toegankelijkheid van de dienst en de compatibiliteit ervan met hulptechnologieën en -diensten, via toegankelijke communicatiemethoden voor gebruikers met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap.

Amendement 216
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling IX – deel A – punt 1
1.  Ontwerp en productie:
1.  Ontwerp en productie:
Om het te verwachten gebruik van de producten door personen met een functionele beperking (waaronder personen met een handicap of leeftijdsgerelateerde beperkingen) zoveel mogelijk te bevorderen, worden bij het ontwerp en de productie de volgende elementen toegankelijk gemaakt:
Om het te verwachten gebruik van de producten door personen met een handicap of leeftijdsgerelateerde beperkingen zoveel mogelijk te bevorderen, voldoen het ontwerp en de productie aan de in afdeling I, deel C, vastgestelde functioneleprestatie-eisen en strekken zij zich uit tot:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies, waarschuwingen), die:
a)  de informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies, waarschuwingen);
i)  via meer dan één zintuiglijk kanaal wordt aangeboden;
ii)  begrijpelijk is;
iii)  goed zichtbaar is;
iv)  groot genoeg is afgedrukt voor te verwachten gebruiksomstandigheden;
b)  de verpakking van het product, inclusief de informatie die erop vermeld staat (openen, afsluiten, gebruik, wegwerpen);
b)  de verpakking van het product, inclusief de informatie die erop vermeld staat (openen, afsluiten, gebruik, wegwerpen);
c)  de aanwijzingen voor gebruik, installatie en onderhoud, opslag en verwijdering van het product, die aan de volgende voorwaarden voldoen:
c)  de aanwijzingen voor gebruik, installatie en onderhoud, opslag en verwijdering van het product;
i)  de instructies zijn weergegeven in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kunnen worden aangeboden; en
ii)  de instructies bieden alternatieven voor niet-tekstuele content;
d)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer) overeenkomstig punt 2;
d)  de gebruikersinterface van het product (omgang met het product, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer);
e)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een functionele beperking, overeenkomstig punt 2;
e)  de werking van het product, door functies aan te bieden die zijn gericht op de behoeften van personen met een handicap;
f)  de interface om het product met hulpmiddelen te combineren.
f)  de interface om het product met hulpmiddelen te combineren.
Amendementen 217 en 297/rev
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling IX – deel A – punt 2
[...]
Schrappen
Amendement 218
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling IX – deel B – punt 1
1.  Het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een functionele beperking, waaronder personen met een handicap, wordt zo veel mogelijk bevorderd door:
1.  Om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de diensten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, voldoet de dienstverlening aan de in afdeling I, deel C, vastgestelde functioneleprestatie-eisen en omvat zij:
a)  de gebouwde omgeving waar de dienst wordt verleend, met inbegrip van de vervoersinfrastructuur, toegankelijk te maken overeenkomstig deel C, onverminderd de nationale en EU-wetgeving inzake de bescherming van het nationale artistieke, historische of archeologische erfgoed;
a)  de gebouwde omgeving waar de dienst wordt verleend, met inbegrip van de vervoersinfrastructuur, overeenkomstig deel C, onverminderd de nationale en EU-wetgeving inzake de bescherming van het nationale artistieke, historische of archeologische erfgoed;
b)  de voorzieningen, inclusief de voertuigen, vaartuigen en apparatuur die nodig zijn voor de levering van de diensten, als volgt toegankelijk te maken:
b)  de voorzieningen, inclusief de voertuigen, vaartuigen en apparatuur die nodig zijn voor de levering van de diensten, als volgt:
i)  het ontwerp van de gebouwde ruimte ervan voldoet aan de eisen van deel C met betrekking tot het instappen, uitstappen, vervoer en gebruik;
i)  het ontwerp van de gebouwde ruimte ervan voldoet aan de eisen van deel C met betrekking tot het instappen, uitstappen, vervoer en gebruik;
ii)  de informatie is op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal beschikbaar;
iii)  er worden alternatieven geboden voor niet-tekstuele visuele content;
c)  de toegankelijkheid te waarborgen van de producten die bij de dienstverlening worden gebruikt, in overeenstemming met de regels van deel A;
c)  de producten die bij de dienstverlening worden gebruikt, in overeenstemming met de regels van deel A;
d)  op de volgende manieren informatie te verstrekken over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst:
d)  informatie over de werking en over de toegankelijkheidskenmerken en functies van de dienst;
i)  de informatie is beschikbaar in tekstformaten die in alternatieve formaten kunnen worden omgezet, zodat ze door de gebruikers op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kan worden weergegeven;
ii)  er worden alternatieven geboden voor niet-tekstuele content;
iii)  de elektronische informatie, inclusief de bijbehorende onlinetoepassingen die nodig zijn voor de dienstverlening, wordt verstrekt in overeenstemming met punt e);
e)   websites op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
e)  websites en mobiele apparaten op een consistente en geschikte manier toegankelijk te maken om door de gebruikers te worden waargenomen, gebruikt en begrepen, onder meer door ervoor te zorgen dat de weergave van de inhoud en de interactie met de website kunnen worden aangepast, indien nodig via een toegankelijk elektronisch alternatief; en wel op zo'n manier dat interoperabiliteit mogelijk is met uiteenlopende gebruikersagenten en hulptechnologieën die binnen de Unie en internationaal beschikbaar zijn;
f)  toegankelijke informatie te verstrekken om het gebruik in aanvulling op ondersteunende diensten te vereenvoudigen;
f)  informatie om het gebruik in aanvulling op ondersteunende diensten te vereenvoudigen;
g)  in de uitvoering van de dienst functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen te integreren die gericht zijn op de behoeften van mensen met een functionele beperking.
g)  functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen in de uitvoering van de dienst die gericht zijn op de behoeften van mensen met een handicap.
Amendement 219
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – Afdeling IX – deel C – punt 1 – inleidende formule
1.  Met het oog op het te voorziene zelfstandige gebruik van de gebouwde omgeving heeft de toegankelijkheid voor mensen met een functionele beperking (waaronder personen met een handicap) onder meer betrekking op de volgende aspecten van ruimten die bedoeld zijn voor openbare toegang:
1.  Met het oog op het te voorziene zelfstandige gebruik van de gebouwde omgeving heeft de toegankelijkheid voor mensen met een handicap onder meer betrekking op de volgende aspecten van ruimten die bedoeld zijn voor openbare toegang:
Amendement 220
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – afdeling X – punt 1 – inleidende formule
Met het oog op het te voorziene zelfstandige gebruik van de gebouwde omgeving waar de dienst wordt verleend, zoals bedoeld in artikel 3, lid 10, heeft de toegankelijkheid voor mensen met een functionele beperking (waaronder personen met een handicap) onder meer betrekking op de volgende aspecten van ruimten die bedoeld zijn voor openbare toegang:
Met het oog op het te voorziene zelfstandige gebruik van de gebouwde omgeving waar de dienst wordt verleend, zoals bedoeld in artikel 3, lid 10, heeft de toegankelijkheid voor mensen met een handicap onder meer betrekking op de volgende aspecten van ruimten die bedoeld zijn voor openbare toegang:
Amendement 221
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage II – lid 4 – punt 4.1
4.1.  De fabrikant brengt de in deze richtlijn bedoelde CE-markering aan op elk afzonderlijk product dat aan de toepasselijke eisen van deze richtlijn voldoet.
Schrappen

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0188/2017).


Cambodja, met name de zaak Kem Sokha
PDF 172kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over Cambodja, en met name de zaak van Kem Sokha (2017/2829(RSP))
P8_TA(2017)0348RC-B8-0506/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Cambodja,

–  gezien de lokale verklaringen van de EU van 5 september 2017 over de sluiting van de krant Cambodia Daily, van 30 juni 2017 over de vrijlating van vijf mensenrechtenverdedigers en van 22 februari 2017 over de politieke situatie in Cambodja, en de verklaringen van de woordvoerder van de delegatie van de EU van 3 september 2017 en 25 augustus 2017 over de beperkingen van de politieke vrijheid in Cambodja,

–  gezien het verslag van 5 september 2016 en de verklaring van 18 augustus 2017 van de speciale rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Cambodja,

–  gezien de slotopmerkingen van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties van 27 april 2015 over het tweede periodieke verslag over Cambodja,

–  gezien het verslag van maart 2017 van de ASEAN-parlementsleden voor mensenrechten,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers van 2008,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Cambodja van 1997,

–  gezien het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht,

–  gezien de door de Algemene Vergadering van de VN op 8 maart 1999 aangenomen resolutie betreffende het recht en de verantwoordelijkheid van personen, groeperingen en maatschappelijke instanties voor de bevordering en bescherming van universeel erkende mensenrechten en fundamentele vrijheden,

–  gezien de vredesakkoorden van Parijs van 1991, waar de toezegging tot eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Cambodja, ook door de internationale ondertekenaars, is verankerd in artikel 15,

–  gezien de grondwet van Cambodja, met name artikel 41 waarin de rechten en vrijheden van meningsuiting en vergadering zijn verankerd, artikel 35 over het recht van politieke participatie en artikel 80 over parlementaire onschendbaarheid,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er in Cambodja steeds meer arrestaties plaatsvinden van politieke oppositieleden, mensenrechtenactivisten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld;

B.  overwegende dat de Cambodjaanse oppositieleider Kem Sokha op 3 september 2017 werd gearresteerd en dat daarbij blijkbaar geen waarborgen voor een eerlijk proces, met inbegrip van de eerbiediging van zijn parlementaire onschendbaarheid, in acht zijn genomen;

C.  overwegende dat Kem Sokha wordt beschuldigd van "samenzwering met buitenlanders" op grond van artikel 443 van het Cambodjaanse strafwetboek, wat door de stedelijke rechtbank van Phnom Penh als een daad van verraad wordt beschouwd; overwegende dat hij tot 30 jaar gevangenisstraf kan worden veroordeeld;

D.  overwegende dat Kem Sokha naar verluidt zonder aanhoudingsbevel is gearresteerd en geen toegang heeft gehad tot een advocaat; overwegende dat hij is aangeklaagd op basis van een video van een toespraak die hij in 2013 heeft gehouden en die sindsdien voor iedereen toegankelijk is; overwegende dat mensenrechtenorganisaties hun bezorgdheid hebben geuit over het feit dat verklaringen van de Cambodjaanse regering zijn recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld in gevaar brengen;

E.  overwegende dat Hun Sen, de voormalige bevelhebber van het Rode Khmer-leger en de huidige premier, al meer dan 30 jaar aan de macht is; overwegende dat Sam Rainsy, de voormalige voorzitter van de belangrijkste oppositiepartij, de Cambodia National Rescue Party (CNRP), zich nog steeds in een zelfopgelegde ballingschap bevindt als gevolg van eerdere vervolgingen op grond van verzonnen, politiek geïnspireerde beschuldigingen;

F.  overwegende dat de CNRP bij de gemeenteraadsverkiezingen van 4 juni 2017 aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt ten opzichte van 2012, ondanks fundamentele tekortkomingen in het verkiezingsproces, met name de intimidatie van vrije media en kritische burgers, het ontbreken van eerlijke toegang tot radio en televisie voor de oppositie, controle van verkiezingsgerelateerde instellingen door de regeringspartij, doodsbedreigingen tegen oppositiekandidaten en het ontbreken van een onafhankelijk mechanisme voor geschillenbeslechting; overwegende dat de parlementsverkiezingen gepland zijn voor juli 2018;

G.  overwegende dat twee andere parlementsleden van de oppositie eveneens gevangen zijn genomen en ten minste acht anderen strafrechtelijk worden vervolgd; overwegende dat elf leden en aanhangers van de oppositiepartij momenteel een gevangenisstraf uitzitten van zeven tot twintig jaar wegens verzonnen aanklachten betreffende het leiden van of deelnemen aan een opstand in het kader van een demonstratie in juli 2014;

H.  overwegende dat het Cambodjaanse parlement in 2017 amendementen heeft aangenomen op de wet inzake politieke partijen, op grond waarvan partijen kunnen worden ontbonden als hun leiders strafrechtelijk zijn veroordeeld; overwegende dat het Cambodjaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken over uitgebreide bevoegdheden beschikt om politieke partijen op grond van vage criteria op te schorten; overwegende dat de Cambodjaanse premier Hun Sen er op 11 september 2017 heeft mee gedreigd de CNRP te ontbinden als zij haar gevangen leider Kem Sokha blijft steunen;

I.  overwegende dat er een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd voor de leider van de jongerenafdeling van de CNRP;

J.  overwegende dat de arrestatie van Kem Sokha heeft plaatsgevonden tegen de achtergrond van toenemende beperkingen voor ngo's, mensenrechtenorganisaties en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van fiscale en regelgevende steekproeven, intimidatie en bedreigingen van geweld; overwegende dat de internationale gemeenschap zware kritiek heeft geuit op de wet inzake verenigingen en niet-gouvernementele organisaties (LANGO) van 2015 omwille van de ruime en willekeurige bevoegdheden om ngo's te onderdrukken;

K.  overwegende dat de afgelopen weken een aanzienlijk aantal radiostations die programma's van andere gerenommeerde radiostations uitzenden, is gesloten; overwegende dat deze stations door de regering zijn gesloten wegens schendingen zoals "het uitzenden van externe programma's zonder hiervoor toestemming te hebben gevraagd"; overwegende dat de sluiting ervan de toegang tot onafhankelijke media-uitzendingen, met name buiten Phnom Penh, sterk beperkt; overwegende dat deze onafhankelijke mediakanalen berichten over politiek gevoelige onderwerpen zoals corruptie, illegale houtkap en schendingen van de mensenrechten;

L.  overwegende dat in april 2016 vijf mensenrechtenverdedigers van de Cambodjaanse mensenrechten- en ontwikkelingsvereniging (ADHOC) meer dan 400 dagen werden vastgehouden op beschuldiging van omkoping in verband met een zaak tegen Kem Sokha, en dat zij momenteel hun proces afwachten; overwegende dat de landeigendomsrechtenactivist Tep Vanny herhaaldelijk door de autoriteiten is aangevallen en lastiggevallen en momenteel een gevangenisstraf uitzit wegens politiek gemotiveerde aanklachten;

M.  overwegende dat de Cambodia Daily, een onafhankelijke krant die in 1993 werd opgericht, op 4 september 2017 noodgedwongen moest sluiten nadat zij een belastingaanslag van 6,3 miljoen USD had ontvangen;

N.  overwegende dat de Cambodjaanse regering op 23 augustus 2017 de uitzetting op grond van de LANGO-wet heeft aangekondigd van het niet-gouvernementele, in de VS gevestigde Nationaal Democratisch Instituut (NDI), en zijn internationaal personeel heeft bevolen het land binnen de zeven dagen te verlaten;

O.  overwegende dat de Cambodjaanse regering onlangs de Situation Room, een consortium van ngo's die als verkiezingswaarnemer hebben samengewerkt, aan een onderzoek heeft onderworpen wegens vermeende schending van de nieuwe wet inzake niet-gouvernementele groepen en omdat het als basis zou dienen voor een mogelijke "kleurrevolutie" om de regering omver te werpen;

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het verslechterende klimaat voor politici van de oppositie en mensenrechtenactivisten in Cambodja en veroordeelt alle daden van geweld en politiek gemotiveerde aanklachten tegen hen en de willekeurige detenties, ondervragingen, vonnissen en veroordelingen van deze personen;

2.  veroordeelt met klem de arrestatie van de voorzitter van de CNRP, Kem Sokha, op grond van een aantal beschuldigingen die politiek gemotiveerd lijken te zijn; dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van Kem Sokha, op de intrekking van alle aanklachten tegen hem en op het beëindigen van de bedreigingen van arrestatie tegen andere parlementsleden van de oppositie;

3.  betreurt de publieke verklaringen van de premier en hoge ambtenaren over de vermeende schuld van Kem Sokha, die het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijk proces, waarop hij volgens de Cambodjaanse en internationale mensenrechtenwetgeving recht heeft, schenden; roept de premier op om de parlementaire onschendbaarheid van parlementsleden te beschermen;

4.  dringt er bij de Cambodjaanse autoriteiten op aan het aanhoudingsbevel en alle aanklachten tegen oppositieleider en parlementslid Sam Rainsy in te trekken, alsook andere oppositieleiders en mensenrechtenverdedigers die zijn veroordeeld, aangeklaagd en opgesloten, met name parlementslid Um Sam An, senator Hong Sok Hour en landeigendomsrechtenactivist Tep Vanny, vrij te laten en de aanklachten tegen hen in te trekken;

5.  dringt er bij de Cambodjaanse regering op aan de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid in het land te waarborgen, waarbij alle fiscale of andere kwesties via een eerlijke rechtsbedeling moeten worden opgelost; dringt er bij de regering op aan de gesloten radiostations weer in gebruik te nemen; spreekt zijn bezorgdheid uit over de sluiting, zonder een eerlijke rechtsbedeling, van het Nationaal Democratisch Instituut (NDI);

6.  dringt er bij de Cambodjaanse regering op aan bij alle genomen maatregelen een eerlijke rechtsbedeling te waarborgen, met inbegrip van het recht om beroep in te stellen, en het recht op vrijheid van vereniging en meningsuiting te eerbiedigen;

7.  verzoekt de Cambodjaanse regering te werken aan de versterking van de democratie en de rechtsstaat, en de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen, wat ook inhoudt dat de grondwettelijke bepalingen die pluralisme en vrijheid van vereniging en meningsuiting garanderen, ten volle moeten worden nageleefd;

8.  herinnert de Cambodjaanse regering eraan dat zij haar verplichtingen en verbintenissen met betrekking tot de democratische beginselen en de fundamentele mensenrechten moet nakomen, die een essentieel onderdeel vormen van de samenwerkingsovereenkomst;

9.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de aanhoudende landroof en de recente invoering door de Cambodjaanse regering van een beperkte en gedeeltelijke compensatieregeling; roept de Cambodjaanse regering op de dialoog met partners, waaronder de Europese Unie en het maatschappelijk middenveld, te hervatten teneinde een alomvattende en inclusieve compensatie vast te stellen;

10.  benadrukt dat een geloofwaardig democratisch proces in de aanloop naar de parlementsverkiezingen van juli 2018 een klimaat vergt waarin politieke partijen, het maatschappelijk middenveld en de media hun legitieme rol zonder angst en zonder te worden blootgesteld aan bedreigingen of willekeurige beperkingen kunnen vervullen;

11.  dringt er bij de Cambodjaanse regering op aan de aanbevelingen van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN uit te voeren en zich op zinvolle wijze in te zetten voor het komende verslag van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Cambodja;

12.  benadrukt het belang van EU- en internationale verkiezingswaarnemingsmissies en de bijdrage die deze leveren aan eerlijke en vrije verkiezingen; verzoekt de Cambodjaanse nationale kiescommissie (NEC) en de bevoegde overheidsinstanties ervoor te zorgen dat alle kiesgerechtigden, met inbegrip van arbeidsmigranten en gedetineerden, toegang hebben tot en voldoende tijd hebben om gebruik te maken van de registratiemogelijkheden;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Cambodja.


Gabon, onderdrukking van de oppositie
PDF 175kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over Gabon: onderdrukking van de oppositie (2017/2830(RSP))
P8_TA(2017)0349RC-B8-0512/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Gabon, met name de resolutie van 2 februari 2017 over de crisis van de rechtsstaat in de Democratische Republiek Congo en in Gabon(1),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) en de commissaris voor internationale samenwerking en ontwikkeling, Neven Mimica, van 24 september 2016 naar aanleiding van de bekendmaking door het Grondwettelijk Hof van Gabon van de officiële resultaten van de presidentsverkiezingen van 2016,

–  gezien de persmededeling van de Afrikaanse Unie van 1 september 2016 waarin het geweld wordt veroordeeld en wordt opgeroepen tot vreedzame oplossing van het conflict dat na de verkiezingen in Gabon is uitgebroken,

–  gezien de conclusies van de Raad van juni 2017 over een vernieuwde impuls voor het partnerschap Afrika-EU,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de woordvoerders van de VV/HV, Federica Mogherini, en de commissaris voor Internationale Samenwerking en Ontwikkeling, Neven Mimica, van 11 september 2016 over Gabon,

–  gezien de verklaring die de EU op 9 maart 2017 tijdens de 34e vergadering van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties heeft afgelegd onder punt 2 van de interactieve dialoog met de Hoge Commissaris,

–  gezien Resolutie 359 (LIX) 2016 van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en de volkeren over de mensenrechtensituatie in de Republiek Gabon van 4 november 2016,

–  gezien de grondwet van Gabon,

–  gezien de herziene Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van juni 1981,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van december 1966,

–  gezien het eindverslag van de EU-verkiezingswaarnemingsmissie,

–  gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het vermoeden is geuit dat bij de presidentiële verkiezingen in Gabon in 2016 fraude is gepleegd; overwegende dat in de dagen na de verkiezingen het parlement van Congo in brand werd gestoken, diverse demonstranten zijn gedood en honderden personen zijn gearresteerd; overwegende dat de veiligheidssituatie momenteel weer redelijk stabiel is, maar dat er in het hele land nog altijd sprake is van grote politieke en maatschappelijke spanningen en dat de economische situatie bovendien slecht is;

B.  overwegende dat eerbiediging van de grondwet een van de beginselen is waarop een democratie gebaseerd is, en dat dit beginsel de grondslag vormt van de staat, overheidsinstellingen en de rechtsstaat; overwegende dat vreedzame, geloofwaardige en transparante verkiezingen in Gabon een belangrijke bijdrage hadden kunnen leveren aan het realiseren van democratische vooruitgang en wisseling van de macht in de Centraal-Afrikaanse regio; overwegende dat de parlementsverkiezingen in Gabon, die aanvankelijk gepland stonden voor december 2016, al twee keer zijn uitgesteld, en nu gepland staan voor april 2018, na de daarvoor in de grondwet gestelde termijn;

C.  overwegende dat in Gabon met name tijdens de gewelddadigheden na de verkiezingen in augustus 2016 arrestaties, moorden en gedwongen verdwijningen plaatsvonden, zoals gemeld door verschillende internationale en non-gouvernementele organisaties; overwegende dat er in Gabon sprake is van een toename van politiek geweld, met name in de hoofdstad Libreville, waar volgens berichten diverse huizen van leden van de politieke oppositie zijn aangevallen;

D.  overwegende dat de autoriteiten zich schuldig maken aan onderdrukking van leden van de oppositie en maatschappelijke organisaties die zich tegen de heersende macht verzetten; overwegende dat mensenrechtengroeperingen onophoudelijk berichten over de verslechterende situatie op het gebied van de mensenrechten, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering en daarbij onder meer melding maken van excessief geweld tegen vreedzame demonstranten, willekeurige arrestaties en opsluiting, en rechtszaken om politieke redenen;

E.  overwegende dat het regime van Ali Bongo er zowel voor als na de verkiezingen van 2016 veelvuldig van is beschuldigd zich schuldig te maken aan mensenrechtenschendingen, zoals willekeurige arrestaties, het langdurig gevangen houden van mensen in onmenselijke omstandigheden, martelingen, buitengerechtelijke executies en gedwongen verdwijningen van burgers en journalisten die zich verzetten tegen het regime of de herverkiezing van president Ali Bongo;

F.  overwegende dat Gabon partij is bij het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, bezig is de bepalingen van dit verdrag in nationaal recht om te zetten en gehouden is om de Verenigde Naties in te lichten over de vooruitgang die sinds de ratificatie van het verdrag in 2011 is geboekt en over de gebeurtenissen na de verkiezingen van 2016; overwegende dat het VN-Comité inzake gedwongen verdwijningen de situatie in Gabon momenteel evalueert en onderzoekt of het land op het gebied van de tenuitvoerlegging van het verdrag vooruitgang boekt;

G.  overwegende dat president Ali Bongo in het kader van de aanpak van de crisis naar aanleiding van zijn herverkiezing het startschot heeft gegeven voor een nationale dialoog, waaraan volgens premier Emmanuel Issoze Ngondet wordt deelgenomen door vertegenwoordigers van 1 200 groepen uit het maatschappelijk middenveld en ongeveer 50 politieke partijen; overwegende dat de besprekingen in dit kader worden geboycot door Jean Ping en andere vooraanstaande oppositieleiders;

H.  overwegende dat presidentskandidaat Jean Ping op 18 augustus 2017 een oproep heeft gedaan tot burgerlijke ongehoorzaamheid en de Gabonese bevolking heeft aangespoord de president af te zetten;

I.  overwegende dat de laatste weken tientallen mensen gevangen zijn genomen wegens deelname aan vreedzame niet-toegestane demonstraties ter ondersteuning van Jean Ping, en dat een aantal van hen nog altijd gevangen zit;

J.  overwegende dat op 2 september 2017 werd besloten dat de leider van de politieke oppositie en oud-presidentskandidaat Jean Ping en de leiders van meer dan twintig oppositiepartijen het land niet mochten verlaten, zonder dat zij van deze beperking op de hoogte werden gesteld en zonder dat er een lijst werd gepubliceerd van de namen van de personen waarop dit besluit betrekking had; overwegende dat deze maatregel op 8 september 2017 weer werd ingetrokken;

K.  overwegende dat de regering het politieke tegenstanders die de overwinning van Ali Bongo betwisten, heeft verboden in het openbaar en via particuliere media te spreken;

L.  overwegende dat er bij Franse rechtbanken zaken aanhangig zijn gemaakt tegen een aantal vooraanstaande Gabonezen wegens mensenrechtenschendingen en wederrechtelijke verrijking;

M.  overwegende dat het Franse openbaar ministerie onlangs een onderzoek heeft afgerond naar investeringen van onrechtmatig verkregen vermogensbestanddelen uit Gabon in Frankrijk en in dat kader goederen in beslag heeft genomen ter waarde van tussen de 50 en 60 miljoen EUR, een en ander na klachten die waren ingediend door de Franse tak van Transparency International en een Gabonees; overwegende dat uit dit onderzoek is gebleken dat er ook op een bankrekening die door de familie Bongo werd gebruikt om spullen mee te kopen 1,3 miljoen EUR is overgemaakt;

N.  overwegende dat de EU-verkiezingswaarnemingsmissie (EOM), die door de Gabonese regering was uitgenodigd om toezicht te houden op de presidentsverkiezingen, in haar eindverslag heeft geconcludeerd dat het tijdens het verkiezingsproces, en met name bij de consolidatie van de verkiezingsuitslag en tijdens de beroepsprocedure, heeft ontbroken aan transparantie; overwegende dat de EOM heeft vastgesteld dat deze misstanden twijfel oproepen over de integriteit van het consolidatieproces van de verkiezingsuitslag en de einduitslag van de verkiezingen;

1.  herinnert eraan dat Gabon zich er in het kader van de overeenkomst van Cotonou toe heeft verbonden de democratie, de beginselen van de rechtsstaat en de mensenrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering en toegang tot de media, behoorlijk bestuur en transparantie met betrekking tot politieke functies, te eerbiedigen;

2.  wijst Gabon op zijn plichten en verantwoordelijkheden als partij, waaronder de verplichting om duidelijke en concrete informatie te verstrekken over de hervormingen die sinds de ratificatie zijn doorgevoerd, over het geweld na de verkiezingen en over maatregelen die getroffen zijn om de waarheid boven tafel te krijgen en te waarborgen dat de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn voor de rechter moeten verschijnen;

3.  wijst op de belangrijke rol van de oppositie in een democratische samenleving; veroordeelt ten zeerste de druk en intimidatie waaronder de oppositie in Gabon te lijden heeft; acht het onacceptabel dat een aantal leiders van de Gabonese oppositie, waaronder Jean-Ping die kandidaat was tijdens de verkiezingen van 2016, tijdelijk het recht om het land te verlaten is ontzegd; wijst erop dat deze maatregel volgens de Gabonese wet alleen mag worden opgelegd aan personen tegen wie een strafrechtelijk onderzoek loopt; vindt deze maatregel daarom arbitrair;

4.  spreekt zijn afkeuring uit over het feit dat de oppositie, mensenrechtenactivisten en journalisten voortdurend te maken hebben met bedreigingen, aanvallen, geweld, ernstige beperkingen en intimidaties; dringt er bij de autoriteiten op aan het recht van de oppositie op het voeren van vreedzaam protest te eerbiedigen en alle personen die nog ten onrechte gevangen zitten vrij te laten, een eind te maken aan de vijandelijkheden, intimidatie en vervolging van de oppositie en concrete maatregelen te nemen om de vrijheid van meningsuiting te waarborgen;

5.  spoort de regering van Gabon aan om het kiesstelsel zo snel mogelijk grondig te hervormen en daarbij rekening te houden met de aanbevelingen van de EU-EOM, om te komen tot een beter en volledig transparant en geloofwaardig kiesstelsel; benadrukt dat de Gabonese autoriteiten volledig en oprecht moeten samenwerken met alle relevante nationale en internationale belanghebbenden, om ervoor te zorgen dat de volgende parlementsverkiezingen, die al lang hadden moeten plaatsvinden, volledig transparant en geloofwaardig zijn en gehouden worden in een vrije, democratische, inclusieve en vreedzame omgeving;

6.  is ervan op de hoogte dat er momenteel tussen de EU en Gabon een intensieve politieke dialoog wordt gevoerd, overeenkomstig de bepalingen van de Overeenkomst van Cotonou; dringt er bij alle betrokken partijen op aan in dit kader ten volle samen te werken en te streven naar tastbaar succes;

7.  heeft bedenkingen ten aanzien van de inclusiviteit en dus van de geloofwaardigheid en relevantie van de nationale dialoog waartoe de regering de aanzet heeft gegeven; merkt op dat Jean Ping en zijn partij "Coalition pour la Nouvelle République" niet aan de dialoog willen deelnemen;

8.  gelooft dat een duidelijk politiek antwoord op de huidige grote politieke en maatschappelijke verdeeldheid in Gabon nodig is om de stabiliteit van het land te bewaren, het vertrouwen van de Gabonese burgers te versterken en de overheidsinstanties daadwerkelijk legitimiteit te verlenen; dringt aan op een internationaal onderzoek, onder leiding van de VN, naar de verkiezingen en de misstanden die sindsdien hebben plaatsgevonden, om te bepalen hoe er een politieke dialoog tot stand kan worden gebracht aan de hand waarvan de crisissituatie tot een einde kan worden gebracht en de democratische rechten van het Gabonese volk kunnen worden gewaarborgd;

9.  dringt er, vanwege de sterke en historische banden van dat land met Gabon, met name bij Frankrijk op aan om zijn politieke en economische invloed te gebruiken om druk uit te oefenen op de Gabonese regering en binnen de EU-instellingen in dit kader een constructieve rol te spelen;

10.  verzoekt de delegatie van de Europese Unie in Gabon alle ontwikkelingen in Gabon nauw te blijven volgen en gebruik te maken van alle passende middelen en instrumenten en de intensieve politieke dialoog om de tenuitvoerlegging van de belangrijkste elementen van de overeenkomst van Cotonou te bevorderen en pro-democratische krachten te steunen;

11.  verzoekt de VV/HV, de Commissie en de lidstaten om hun beleid ten aanzien van Gabon te heroverwegen en na te denken over gerichte sancties voor de personen die verantwoordelijk zijn voor de verkiezingsfraude en de gewelddadigheden die in de nasleep daarvan in Gabon hebben plaatsgevonden;

12.  dringt er nogmaals bij de regering van Gabon op aan een gerechtelijk en strafrechtelijk stelsel te realiseren dat waarborgt dat arrestaties en veroordelingen evenredig zijn aan het gepleegde strafbare feit;

13.  verzoekt de regering om concrete maatregelen te nemen naar aanleiding van de bezorgdheid van de internationale gemeenschap en een snel werkend, daadwerkelijk inclusief, transparant en onpartijdig adviesforum voor dialoog in het leven te roepen; verzoekt ook de oppositie de haalbaarheid daarvan te onderzoeken;

14.  dringt er bij alle politieke actoren op aan zich verantwoordelijk op te stellen en zich te beheersen en zich met name te onthouden van het aanzetten tot geweld;

15.  verzoekt de deelnemers van de volgende top EU-Afrika in Abidjan om de situatie in Gabon op de agenda te plaatsen en Gabon te wijzen op zijn verplichtingen op het gebied van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat;

16.  is tevreden over het onderzoek dat in Frankrijk loopt naar de onrechtmatig verkregen vermogensbestanddelen uit Gabon en hoopt dat alle personen die zich bezig hebben gehouden met illegale activiteiten voor de rechter zullen moeten verschijnen; dringt aan op maximale transparantie met betrekking tot de 1,3 miljoen EUR die is overgemaakt naar een Franse bankrekening die gekoppeld kan worden aan de familie Bongo;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de president en het parlement van Gabon, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0017.


Laos, met name de zaken Somphone Phimmasone, Lod Thammavong en Soukane Chaithad
PDF 167kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over Laos, met name de zaken Somphone Phimmasone, Lod Thammavong en Soukane Chaithad (2017/2831(RSP))
P8_TA(2017)0350RC-B8-0513/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Laos,

–  gezien de uitkomst van de achtste bijeenkomst van het Gemengd Comité EU-Democratische Volksrepubliek Laos, die op 17 februari 2017 in Vientiane plaatsvond,

–  gezien de verklaring die de delegatie van de Europese Unie bij de Democratische Volksrepubliek Laos op 3 mei 2017, Wereldpersvrijheiddag, in Vientiane heeft afgelegd,

–  gezien de verklaring van de VN over mensenrechtenverdedigers van 1998,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en de Democratische Volksrepubliek Laos van 1 december 1997,

–  gezien het Handvest van de ASEAN,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in maart 2017 drie Laotiaanse werknemers, de heer Somphone Phimmasone, de heer Soukane Chaithad en mevrouw Lod Thammavong, tot gevangenisstraffen van 12 tot 20 jaar en tot boetes ten belope van het equivalent van duizenden euro's zijn veroordeeld vanwege het op sociale media uiten van kritiek op de regering in verband met vermeende gevallen van corruptie, ontbossing en mensenrechtenschendingen, terwijl zij werkten in Thailand; overwegende dat de drie er ook van werden beschuldigd in december 2015 voor de ambassade van Laos in Thailand aan een antiregeringsdemonstratie te hebben deelgenomen;

B.  overwegende dat de staatstelevisie op 25 mei 2016 beelden van Phimmasone, Chaithad en Thammavong op het hoofdbureau van politie in Vientiane heeft laten zien; overwegende dat de nieuwsberichten zeiden dat de drie waren gearresteerd voor het in gevaar brengen van de nationale veiligheid door sociale media te gebruiken om de reputatie van de regering schade toe te brengen;

C.  overwegende dat de heer Sombath Somphone, een activist van het maatschappelijk middenveld, in 2012 door de politie van Vientiane werd opgepakt en dat sindsdien niets meer van hem is vernomen; overwegende dat ook omtrent het lot van ondernemer Sompawn Khantisouk, een in 2017 verdwenen milieuactivist, sindsdien volledige radiostilte heerst; overwegende dat de heer Bounthanh Thammavong, een Pools staatsburger, in 2015 tot vier-en-een-halfjaar gevangenisstraf is veroordeeld voor het online uiten van kritiek op de regering;

D.  overwegende dat de handelingsvrijheid van het maatschappelijk middenveld in Laos sterk ingeperkt is; overwegende dat Laos in 2016 voorzitter van ASEAN was, maar weigerde de traditionele parallelle bijeenkomst van organisaties van het maatschappelijk middenveld toe te staan, waardoor het People's Forum van ASEAN gedwongen was in plaats daarvan in Oost-Timor te vergaderen;

E.  overwegende dat de regering van Laos nauwelijks iets heeft gedaan om verbetering aan te brengen in de slechte mensenrechtensituatie, waaronder in de behandeling van minderheden, en de vrijheid van meningsuiting, van vereniging en van vreedzame vergadering ernstig blijft inperken; overwegende dat de regels inzake een eerlijke procesgang nog altijd met voeten worden getreden, dat het justitieel apparaat onverminderd corrupt is en dat mensenrechtenschendingen nog steeds ongestraft blijven;

F.  overwegende dat de Laotiaanse autoriteiten doorgaan met het intimideren en onderdrukken van religieuze minderheden, met name christenen; overwegende dat er talrijke gevallen bekend zijn van inbeslagname van eigendommen, van het in brand steken van kerken en woningen, alsook van fysiek geweld tegen christenen in verband met het vieren van Kerstmis, en om mensen te dwingen het christelijke geloof af te zweren;

G.  overwegende dat Laos het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning weliswaar ondertekend, maar niet geratificeerd heeft;

H.  overwegende dat het in Laos aan mediapluriformiteit ontbreekt en dat de media onder strikt overheidstoezicht staan; overwegende dat de mediawet van 2008 in november 2016 is gewijzigd, waarbij de mogelijkheden om in de media kritiek te uiten op het beleid van de regering verder werden ingeperkt, en journalisten werden verplicht hun werk vóór publicatie aan een regeringscensor voor te leggen;

I.  overwegende dat de regering van Laos in 2014 een decreet heeft uitgevaardigd houdende een verbod op het online uiten van kritiek op de regering en de regerende Revolutionaire Volkspartij van Laos;

1.  veroordeelt met klem de aan Somphone Phimmasone, Soukane Chaithad en Lod Thammavong opgelegde gevangenisstraffen, en dringt aan op hun onmiddellijke invrijheidstelling;

2.  stelt bezorgd vast dat hun veroordeling kan worden toegevoegd aan een lijst van arrestaties en gedwongen verdwijningen van activisten en demonstranten die kritiek hadden op kwesties uiteenlopend van landgeschillen tot vermeende gevallen van corruptie en machtsmisbruik;

3.  roept de regering van Laos nogmaals op een eind te maken aan de intimidatie, willekeurige arrestatie en detentie van mensenrechtenverdedigers, onafhankelijke journalisten en activisten van het maatschappelijk middenveld, en het recht van vrijheid van meningsuiting en van vereniging te eerbiedigen, en de rechten van minderheden te respecteren; herinnert Laos aan zijn internationale verplichtingen uit hoofde van de door dat land geratificeerde mensenrechtenverdragen;

4.  verzoekt de regering van Laos met klem zich aan haar internationale verplichtingen te houden en het recht van vrijheid van meningsuiting en van vreedzame vergadering te vrijwaren, en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, dat het land in 2008 heeft ondertekend, te ratificeren;

5.  maakt zich ernstige zorgen over de grote aantallen mensenrechtenschendingen, waaronder de gedwongen verdwijningen en het feit dat de regels inzake een eerlijke procesgang vaak niet in acht worden genomen; verzoekt de Laotiaanse autoriteiten hun internationale mensenrechtenverplichtingen te eerbiedigen door onverwijld duidelijkheid te verschaffen over hetgeen er gebeurd is met ten minste tien vermiste personen, waaronder Sombath Somphone en Sompawn Khantisouk, en in detail uitleg te geven over hetgeen gevangengenomen activisten ten laste wordt gelegd en wat er voor bewijs tegen hen voorligt;

6.  dringt aan op transparante, grondige en onpartijdige onderzoeken naar alle onopgeloste gedwongen verdwijningen, de openbaarmaking van informatie betreffende hun verblijfplaats, alsook op vervolging van de verantwoordelijken;

7.  veroordeelt de vervolging van religieuze minderheden, met name christenen; verzoekt de regering alle tegen christenen gerichte activiteiten onmiddellijk te stoppen, en degenen die voor de brandstichtingen en het geweld verantwoordelijk zijn voor het gerecht te brengen;

8.  verzoekt de autoriteiten van Laos gespecialiseerde VN-agentschappen en vertegenwoordigers van humanitaire organisaties onvoorwaardelijke toegang tot het land te verlenen, zodat zij politieke gevangenen kunnen bezoeken en alle etnische en religieuze minderheden kunnen ontmoeten;

9.  verzoekt de regering van Laos maatregelen te nemen voor het bevorderen van een uit meerdere partijen bestaand politiek systeem, en de weg vrij te maken voor individuen die zich zonder de goedkeuring van de Revolutionaire Volkspartij van Laos verkiesbaar willen stellen;

10.  steunt de inspanningen gericht op het vergroten van de toegang tot het internet in Laos; spoort de regering van Laos aan een voor de vrijheid van meningsuiting gunstig klimaat tot stand te brengen, en te stoppen met het monitoren en controleren van individuen online; verzoekt de regering in dit verband met klem de wet op het voorkomen en bestrijden van cybercriminaliteit van 2015 van zijn repressieve elementen te ontdoen;

11.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de regering van Laos op zo kort mogelijke termijn aan te spreken op het lot van Somphone Phimmasone, Lod Thammavong en Soukane Chaithad; verzoekt de EU-delegatie bij de Democratische Volksrepubliek Laos de mensenrechtensituatie in het land nauw in de gaten te houden en, in concreto, aanwezig te zijn bij eventuele processen tegen Phimmasone, Thammavong en Chaithad, en de gevallen van zich in gevangenschap bevindende en vermiste individuen bij de autoriteiten van Laos onder de aandacht te blijven brengen;

12.  verzoekt de EDEO deze kwesties hoog op de agenda te zetten van de toekomstige bijeenkomsten van het Gemengd Comité EU-Democratische Volksrepubliek Laos, alsmede van de volgende bijeenkomst van de top Azië-Europa (ASEM), die in 2018 in Brussel zal plaatsvinden;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Laos, de secretaris-generaal van ASEAN, en de VN-Mensenrechtenraad.


Myanmar, met name de situatie van de Rohingya
PDF 176kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over Myanmar, met name de situatie van de Rohingya (2017/2838(RSP))
P8_TA(2017)0351RC-B8-0525/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Myanmar en over de situatie van de Rohingya-moslims, met name die van 7 juli 2016(1) en 15 december 2016(2), en zijn resoluties van 16 maart 2017 over de prioriteiten van de EU voor de zittingen van de VN-Mensenrechtenraad in 2017(3) en 13 juni 2017 over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over de EU-strategie voor Myanmar/Birma,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 1 juni 2016 van de Commissie en vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv) aan het Europees Parlement en de Raad, getiteld "Elementen voor een strategie van de EU ten aanzien van Myanmar/Birma: een speciaal partnerschap voor democratie, vrede en welvaart" (JOIN(2016)0024),

–  gezien de verklaring van de vv/hv, Federica Mogherini, van 30 maart 2016 over de aantreding van de nieuwe regering van de Unie van Myanmar,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de vv/hv van 2 december 2016 over de recente escalatie van geweld in Myanmar en de verklaring van 6 september 2017 van de vv/hv over de situatie in de deelstaat Rakhine,

–  gezien het gezamenlijke persbericht van 25 november 2016 over de derde mensenrechtendialoog EU-Myanmar,

–  gezien de conclusies van de Raad van 4 december 2015 over staatloosheid,

–  gezien de recente briefings van het bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten (OHCHR) en de Speciaal Rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Myanmar van respectievelijk 29 en 18 november 2016, over de verslechterende mensenrechtensituatie in de noordelijke deelstaat Rakhine,

–  gezien het verslag van de OHCHR van 20 juni 2016 getiteld "Situatie van de mensenrechten van Rohingya-moslims en andere minderheden in Myanmar" en het verslag van de Speciaal Rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Myanmar van 18 maart 2016,

–  gezien het VN-verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het aanvullende protocol hierbij van 1967,

–  gezien het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954 en het Verdrag tot beperking der stateloosheid van 1961,

–  gezien het mondiaal actieplan 2014-2024 van november 2014 van het vluchtelingenagentschap van de VN (UNHCR) om een einde te maken aan stateloosheid,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) van 1948,

–  gezien het eindrapport van de missie van de Speciaal Rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Myanmar, Yanghee Lee, van 20 januari 2017, waarin geconcludeerd wordt dat "de situatie momenteel slechter is dan op enig ander moment in de afgelopen paar jaar",

–  gezien het eindrapport van de Adviescommissie inzake de deelstaat Rakhine van augustus 2017,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, beide van 1966,

–  gezien het Handvest van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN),

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat volgens het vluchtelingenagentschap van de VN (UNHCR) meer dan 300 000 Rohingya-moslims de afgelopen twee weken gevlucht zijn voor het geweld in de deelstaat Rakhine en hun toevlucht hebben gezocht in Bangladesh;

B.  overwegende dat er in de deelstaat Rakhine in Myanmar ongeveer een miljoen Rohingya's wonen, een overwegend islamitische minderheid die het slachtoffer is van onderdrukking en aanhoudende ernstige schendingen van de mensenrechten, zoals bedreiging van hun leven en veiligheid, het ontzeggen van het recht op gezondheid en onderwijs, dwangarbeid, seksueel geweld en beperking van hun politieke rechten;

C.  overwegende dat de Rohingya's officieel staatloos zijn sinds de Birmese staatsburgerschapswet van 1982, die heeft geleid tot een ernstige inperking van hun bewegingsvrijheid en hen ertoe dwingt om in kampen te wonen;

D.  overwegende dat een groep Rohingya-opstandelingen op 25 augustus 2017 politieposten en een militaire basis in de deelstaat Rakhine hebben aangevallen; overwegende dat dit heeft geleid tot een groot militair tegenoffensief, met ernstige en grootschalige schendingen van de mensenrechten, zoals moord, verkrachting en foltering; overwegende dat mensenrechtenorganisaties, met name Human Rights Watch, aan de hand van satellietbeelden hebben gerapporteerd dat er grootschalige vernielingen van huizen en andere gebouwen hebben plaatsgevonden in delen van de noordelijke deelstaat Rakhine, die momenteel ontoegankelijk is voor ngo's en onafhankelijke waarnemers;

E.  overwegende dat het leger volgens de huidige grondwet van Myanmar niet aan civiel toezicht is onderworpen en veel macht heeft over de regering en op het gebied van nationale veiligheid;

F.  overwegende dat de mensen die wegvluchten uit Myanmar, waaronder veel vrouwen en kinderen, via verraderlijke routes moeten reizen, waarbij zij beschoten worden, over gevaarlijke paden moeten trekken, honger lijden en geen medische bijstand krijgen; overwegende dat tientallen mensen tijdens de reis zijn omgekomen; overwegende dat personeel van de kustwacht van Bangladesh minstens 20 lijken van vluchtelingen heeft gevonden;

G.  overwegende dat Bangladesh een klacht heeft ingediend tegen de autoriteiten van Myanmar wegens het leggen van landmijnen over een deel van de grens met Bangladesh, om te voorkomen dat Rohingya-moslims die het geweld ontvluchten, kunnen terugkeren;

H.  overwegende dat internationaal personeel van de VN en internationale ngo's geen toegang krijgen tot de door het conflict getroffen gebieden en dat de VN-agentschappen niet in staat zijn om de Rohingya's humanitaire hulp te verstrekken, zoals voedsel, water en medicijnen;

I.  overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Zeid Ra'ad Al-Hussein, op 10 september 2017 heeft verklaard dat de situatie in Myanmar "een schoolvoorbeeld van etnische zuiveringen lijkt";

J.  overwegende dat China en Rusland in maart 2017 de aanneming van een verklaring van de VN-Veiligheidsraad over de situatie van de Rohingya-minderheid in Myanmar geblokkeerd hebben;

1.  veroordeelt met klem alle aanslagen in de deelstaat Rakhine; maakt zich ernstig zorgen over de toenemende ernst en omvang van de mensenrechtenschendingen, zoals moorden, felle botsingen, vernietiging van civiel eigendom en de ontheemding van honderdduizenden burgers;

2.  dringt er bij de militaire en veiligheidstroepen met klem op aan onmiddellijk te stoppen met het vermoorden, intimideren en verkrachten van Rohingya en het platbranden van hun huizen;

3.  herinnert eraan dat de autoriteiten van Myanmar de plicht hebben om zonder onderscheid alle burgers te beschermen tegen geweld, een onderzoek in te stellen naar ernstige schendingen van de mensenrechten en de schuldigen te vervolgen, in overeenstemming met de normen en verplichtingen op het gebied van de mensenrechten;

4.  verzoekt de autoriteiten van Myanmar onmiddellijk ongehinderde toegang te verlenen aan onafhankelijke waarnemers, internationale mensenrechtenorganisaties, journalisten en andere internationale waarnemers, alsook aan de Verenigde Naties, met name de VN-onderzoeksmissie die de UNHRC in maart heeft ingesteld, opdat beschuldigingen van ernstige mensenrechtenschendingen door alle partijen op onafhankelijke en onpartijdige wijze kunnen worden onderzocht;

5.  verzoekt dringend om humanitaire hulporganisaties toegang te verlenen tot alle conflictgebieden en ontheemden, zonder onderscheid, zodat hulpverleners mensen die in gevaar verkeren kunnen bijstaan;

6.  verzoekt de regering van Myanmar onmiddellijk alle landmijnen op de grens met Bangladesh op te ruimen;

7.  verzoekt de regering van Myanmar, en staatsadviseur Aung San Suu Kyi in het bijzonder, om elke aansporing tot godsdienst- of rassenhaat ondubbelzinnig te veroordelen en maatschappelijke discriminatie en vijandigheid jegens de Rohingya-minderheden te bestrijden; verzoekt de regering van Myanmar voorts om het universele recht van vrijheid van godsdienst of geloofsovertuiging te eerbiedigen; herinnert de staatsadviseur eraan om aan te dringen op tenuitvoerlegging van de aanbevelingen uit het eindverslag van de Adviescommissie inzake Rakhine, die op haar eigen verzoek werd ingesteld; betreurt de dramatische verslechtering van de situatie sinds de woordvoerder van de partij van mevrouw Suu Kyi op 18 mei 2015 verklaarde dat de regering van Myanmar het staatsburgerschap van de Rohingya-minderheid zou herstellen;

8.  herinnert de winnares van de Sacharovprijs 1990, Aung San Suu Kyi, eraan dat die prijs wordt toegekend aan personen die onder meer de mensenrechten verdedigen, de rechten van minderheden beschermen en het internationaal recht eerbiedigen; wijst erop dat moet overwogen of de Sacharovprijs kan worden ingetrokken wanneer de winnaar ervan na de toekenning van de prijs die criteria schendt;

9.  erkent dat Bangladesh zich bij deze humanitaire ramp inspant om de bescherming van honderdduizenden Rohingya-vluchtelingen te faciliteren; moedigt de autoriteiten van Bangladesh en andere buurlanden krachtig aan om alle mensen die het geweld in de deelstaat Rakhine ontvluchten toe te laten en het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer financiële en materiële steun te verlenen aan die vluchtelingen;

10.  herinnert aan zijn aanbeveling dat de regeringen van de landen die Rohingya-vluchtelingen opnemen nauw samenwerken met de UNHCR, die de technische expertise heeft om vluchtelingenstatus te screenen en het mandaat om vluchtelingen en stateloze burgers te beschermen; verzoekt de EU en de VN om de buurlanden daarbij te helpen;

11.  roept de ASEAN en de regeringen van de landen in de regio ertoe op onmiddellijk actie te ondernemen om meer druk uit te oefenen op de regering van Myanmar om een einde te maken aan alle rechtenschendingen en alle burgers in de deelstaat Rakhine te beschermen, en steun te verlenen aan allen die op de vlucht zijn;

12.  steunt de pogingen om een intensiever politiek proces van de grond te krijgen dat gebaseerd is op de uitvoering van de aanbevelingen van Annan; verzoekt de Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering van de VN doeltreffende diplomatieke en politieke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de regering van Myanmar haar verplichtingen jegens de Rohingya-minderheid nakomt door bescherming en toegang tot hulp te waarborgen; verzoekt in dit verband om een resolutie van de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad waarin de rechtenschendingen veroordeeld worden, aangedrongen wordt op toegang tot Rakhine en gevraagd wordt dat alle partijen verantwoording afleggen over de ernstige schendingen van het internationaal recht; dringt er tevens op aan dat in de VN-Mensenrechtenraad van september 2017 een resolutie wordt aangenomen waarbij het mandaat van de onderzoeksmissie wordt verlengd;

13.  verzoekt China en andere internationale en regionale spelers alle kanalen aan te wenden om aan te dringen op beëindiging van de gruweldaden en op een vreedzame oplossing;

14.  verzoekt de vv/hv en de lidstaten van de EU hun druk op de regering en het leger van Myanmar fors op te voeren opdat zij een eind maken aan de rechtenschendingen, volledig samenwerken met de onderzoekers van de VN en met internationale humanitaire agentschappen en zorgen dat er verantwoording wordt afgelegd voor ernstige schendingen van het internationaal recht; verzoekt de vv/hv en de lidstaten van de EU een actieve rol te spelen bij het ondersteunen van onmiddellijk ingrijpen op VN-niveau en duidelijk te maken dat de EU klaarstaat om gerichte sancties te treffen tegen personen en entiteiten en te denken over consequenties in de context van de aan Myanmar toegekende handelspreferenties, als de ernstige schendingen van het internationaal recht ongestraft doorgaan;

15.  verzoekt de vv/hv verslag uit te brengen aan het Europees Parlement over EU-initiatieven in de VN en in de context van de Raad Buitenlandse Zaken van de EU;

16.  verzoekt de EU en haar lidstaten rapporten en verklaringen van vertegenwoordigers van de Rohingya over de situatie ter plaatse te verwelkomen;

17.  steunt inspanningen om onafhankelijke waarnemers onder leiding van de VN ter plaatse te hebben om de humanitaire crisis te verlichten; verzoekt de autoriteiten van Myanmar onmiddellijk ongehinderde toegang te verlenen aan onafhankelijke waarnemers, met name de VN-onderzoeksmissie die de VN-Mensenrechtenraad in maart 2017 heeft ingesteld;

18.  steunt de oprichting van een kantoor van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten in Myanmar met een volledig mandaat;

19.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan steun te verlenen aan het mondiaal actieplan 2014-2024 van de UNHCR om een einde te maken aan stateloosheid;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Myanmar, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten, de secretaris-generaal van de ASEAN, de intergouvernementele mensenrechtencommissie van de ASEAN, de speciaal rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Myanmar, de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen en de VN-Mensenrechtenraad.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0316.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0506.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0089.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0247.


Overeenkomst tussen de EU en Chili inzake de handel in biologische producten ***
PDF 239kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Chili inzake de handel in biologische producten (05530/2017 – C8-0144/2017 – 2016/0383(NLE))
P8_TA(2017)0352A8-0257/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05530/2017),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Chili inzake de handel in biologische producten (05551/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, eerste alinea, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0144/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0257/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Chili.


Protocol bij de associatie-overeenkomst tussen de EU en Chili (toetreding van Kroatië) ***
PDF 243kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van het derde aanvullende protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (06750/2017 – C8-0225/2017 – 2017/0042(NLE))
P8_TA(2017)0353A8-0277/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06750/2017),

–  gezien het derde aanvullende protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds en de Republiek Chili, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië, tot de Europese Unie (06905/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 217 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), i), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0225/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A8-0277/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Chili.


Modernisering van de handelspijler van de Associatieovereenkomst EU-Chili
PDF 268kWORD 63k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 14 september 2017 aan de Raad, de Commissie en de EDEO voor de onderhandelingen over de modernisering van de handelspijler van de Associatieovereenkomst EU-Chili (2017/2057(INI))
P8_TA(2017)0354A8-0267/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, die in 2002 werd gesloten, en de handelspijler die op 1 februari 2003 in werking is getreden(1) (hierna "de associatieovereenkomst"),

–  gezien de resultaten van de zesde zitting van de Associatieraad EU-Chili die in april 2015 plaatsvond(2),

–  gezien de slotverklaring van het gemengd raadgevend comité van 5 oktober 2016(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497) en de discussienota's van de Commissie van mei 2017 over het in goede banen leiden van de mondialisering(4) en van april 2017 over de sociale dimensie van Europa(5),

–  gezien de arresten en adviezen van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-350/12 P, 2/13, 1/09) en het besluit van de Europese ombudsman van 6 januari 2015 om haar onderzoek op eigen initiatief OI/10/2014/RA inzake het omgaan met informatie en toegang tot documenten(6), en gezien advies 2/15 van het Hof van Justitie van 16 mei 2017,

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 inzake de aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Commissie voor de onderhandelingen over de Overeenkomst betreffende de handel in diensten(7),

–  gezien de amendementen die het op 4 juli 2017(8) heeft aangenomen op het voorstel voor een richtlijn inzake de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren,

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen(9), en zijn resolutie van 25 november 2010 over internationaal handelsbeleid in de context van de klimaatveranderingsvereisten(10),

–  gezien de studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS) getiteld "The effects of human rights related clauses in the EU-Mexico Global Agreement and the EU-Chile Association Agreement"(11),

–  gezien de richtsnoeren betreffende multinationale ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN, de tripartiete beginselverklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid en de Agenda voor fatsoenlijk werk van de IAO,

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (overeenkomst van Parijs) dat op 4 november 2016 in werking is getreden(12), en dat ook door Chili is geratificeerd,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Chili van 3 november 2016(13),

–  gezien artikel 21 van het Verdrag van de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 207, lid 3, en 217 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU),

–  gezien de op 24 mei 2017 door de Commissie vastgestelde ontwerp-onderhandelingsrichtsnoeren,

–  gezien het artikel over Chili in het jaarboek van de Internationale werkgroep voor vraagstukken in verband met inheemse bevolkingsgroepen (International Work Group for Indigenous Affairs - IWGIA), getiteld "The Indigenous World 2016"(14),

–  gezien artikel 108, lid 4, en artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0267/2017),

A.  overwegende dat in de strategie "Handel voor iedereen" wordt gesteld dat de "Commissie [een beleid moet] voeren dat de samenleving als geheel ten goede komt en dat zowel de Europese en universele normen en waarden als de zuiver economische belangen bevordert, door meer nadruk te leggen op duurzame ontwikkeling, mensenrechten, belastingontwijking, consumentenbescherming en verantwoorde en eerlijke handel";

B.   overwegende dat de EU en Chili hechte partners met gemeenschappelijke waarden zijn die zich beide inzetten voor de bevordering van effectieve multilaterale handel en de eerbiediging van mensenrechten, evenals gedeelde welvaart en veiligheid binnen een op regels gebaseerd mondiaal systeem; overwegende dat de Unie de op twee na grootste handelspartner van Chili is; overwegende dat Chili op zijn beurt een belangrijke regionale speler is en de afgelopen decennia een van de snelst groeiende economieën van Zuid-Amerika was, terwijl de hervormingsinspanningen in het land nog steeds voortduren;

C.  overwegende dat de huidige associatieovereenkomst, inclusief de bijbehorende handelspijler, in 2002 werd gesloten en sinds de tenuitvoerlegging ervan in 2003 beide partijen veel voordeel heeft gebracht, met een verdubbeling van de handel in goederen en een toename van de handel in diensten en investeringen(15); overwegende dat zowel de EU als Chili sindsdien modernere en ambitieuzere handelsovereenkomsten heeft afgesloten;

D.  overwegende dat de EU in 2016 goederen naar Chili exporteerde met een waarde van meer dan 8,6 miljard EUR, terwijl Chili goederen naar de EU exporteerde ter waarde van 7,4 miljard EUR; overwegende dat de waarde van handel in diensten van de EU met Chili in 2015 3,8 miljard EUR bedroeg, en die van Chili met de EU 2 miljard EUR; overwegende dat het percentage buitenlandse directe investeringen in Chili 42,8 miljard EUR bedroeg(16);

E.  overwegende dat de huidige associatieovereenkomst onder meer geen afzonderlijke hoofdstukken bevat inzake investeringen, kmo's, intellectuele-eigendomsrechten of energie en gender, noch een hoofdstuk Handel en duurzame ontwikkeling met verplichtingen om arbeids- en milieunormen op te leggen en de bevordering van goede praktijken op het gebied van bijvoorbeeld maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) of het verzekeren van duurzaamheid;

F.  overwegende dat tijdens EU-handelsbesprekingen aan alle regeringen het recht en de mogelijkheid voorbehouden moeten blijven om regels op te stellen in het algemeen belang, zoals de bescherming en bevordering van de volksgezondheid, sociale dienstverlening, sociale en consumentenbescherming, openbaar onderwijs, veiligheid, milieu, dierenwelzijn, publieke moraal, privacy en gegevensbescherming, en de bevordering en bescherming van culturele diversiteit;

G.  overwegende dat bij EU-handelsbesprekingen de hoogste niveaus van de door de partijen verwezenlijkte sociale, arbeids- en milieubescherming moeten worden gegarandeerd, en dat zij als instrument kunnen fungeren om een agenda van sociale rechtvaardigheid en duurzame ontwikkeling te bevorderen, zowel in de EU als in de rest van de wereld; overwegende dat de modernisering van de associatieovereenkomst moet worden beschouwd als een gelegenheid voor de EU en haar lidstaten om in hun handelsovereenkomsten gemeenschappelijke hoge normen en afspraken verder te bevorderen, met name op het gebied van arbeidsrechten, milieubescherming, consumentenrechten en publiek welzijn; overwegende dat de Commissie heeft aangekondigd te zullen kijken naar verschillende manieren om deze afspraken te handhaven, waarbij ook de optie van een op sancties gebaseerd mechanisme zal worden overwogen;

H.  overwegende dat het gemengd raadgevend comité EU-Chili, waar maatschappelijke organisaties van beide partijen in zitten, op 4 en 5 oktober 2016 zijn eerste vergadering heeft gehouden teneinde de tenuitvoerlegging van de bestaande associatieovereenkomst en de onderhandelingen over de actualisering ervan te monitoren, door de bijdragen vanuit het maatschappelijk middenveld te kanaliseren en de dialoog en samenwerking tussen de EU en Chili buiten de overheidskanalen om te bevorderen; overwegende dat de aanzienlijke vertraging bij het oprichten van het gemengd raadgevend comité zich niet opnieuw mag voordoen met betrekking tot de gemoderniseerde overeenkomst; overwegende dat vanaf moment dat de gemoderniseerde overeenkomst in werking treedt, de deelname van het maatschappelijk middenveld op duidelijke structuren, evenwichtig lidmaatschap en verslagleggingsmandaten moet zijn gebaseerd;

I.  overwegende dat de EU en Chili betrokken zijn bij multilaterale onderhandelingen om de handel in diensten (TiSA) verder te liberaliseren;

J.  overwegende dat Chili geen partij maar waarnemer is bij de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten, en niet deelneemt aan de multilaterale onderhandelingen over een overeenkomst inzake milieugoederen;

K.  overwegende dat artikel 45 van de associatieovereenkomst EU-Chili van 2002 in het hoofdstuk inzake samenwerking bepalingen bevat waarin staat dat "de samenwerking bijdraagt tot de versterking van beleid dat en programma's die de gelijkwaardige participatie van mannen en vrouwen in alle sectoren van het politieke, economische, maatschappelijke en culturele leven beogen te verbeteren, te garanderen en te verbreden";

L.  overwegende dat Chili zijn handtekening heeft gezet onder de trans-Pacifische partnerschapsovereenkomst (TPP), waarvan de toekomst op dit moment onzeker is, en dat Chili vrijhandelsverdragen heeft ondertekend met alle ondertekenaars van de TPP en breed wordt beschouwd als een stabiele en betrouwbare partner;

M.  overwegende dat Chili in 2010 als eerste Zuid-Amerikaanse land lid werd van de OESO en een gedegen macro-economisch kader heeft;

N.  overwegende dat het belangrijk is om de mogelijkheden die worden geboden door de modernisering van de handelspijler van de associatieovereenkomst op een zo inclusief mogelijke manier te benutten voor ondernemingen, in het bijzonder kmo's, en burgers zowel in de EU als Chili; overwegende dat in dit opzicht meer kan worden gedaan, onder meer door de verspreiding van toegankelijke informatie, wat een aanzienlijk multipliereffect voor de partijen van de associatieovereenkomst in de hand zou kunnen werken;

O.  overwegende dat Chili met 17 EU-lidstaten bilaterale investeringsovereenkomsten heeft, waarvan de inhoud geen recht doet aan de laatste ontwikkelingen en beste praktijken op het gebied van investeringsbeleid, en die zouden kunnen worden vervangen en niet langer toegepast zodra een overeenkomst met een investeringshoofdstuk tussen de Unie en Chili in werking treedt;

P.  overwegende dat onevenredig strenge voorwaarden in de Chileense wetgeving, waar vissersvaartuigen uit de EU aan moeten voldoen, deze vaartuigen ervan weerhouden de havenfaciliteiten in Chili te gebruiken om aan te leggen, over te laden, brandstof te tanken of vistuig aan boord te halen;

Q.  overwegende dat het huidige Chileense exportpatroon in scherp contrast staat met het Europese, aangezien het Chileense patroon sterk gedomineerd wordt door de export van grondstoffen zoals koper, groente en fruit;

1.  beveelt de Raad, de Commissie en de EDEO het volgende aan:

   (a) ervoor te zorgen dat het Europees Parlement gedurende de onderhandelingen volledige, onmiddellijke en accurate informatie ontvangt, zodat het kan besluiten al dan niet toestemming te verlenen voor de sluiting van de gemoderniseerde associatieovereenkomst met Chili, inclusief de handelspijler van de overeenkomst; rekening te houden met het feit dat, hoewel associatieovereenkomsten die overeenkomstig artikel 217 VWEU worden gesloten traditioneel van gemengde aard zijn en ook terreinen buiten gemeenschappelijk handelsbeleid bestrijken, het na het advies van het Hof van Justitie betreffende de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore noodzakelijk is het pad naar de modernisering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Chili grondig tegen het licht te houden, teneinde de terreinen van exclusieve en gedeelde bevoegdheden op het gebied van handel te scheiden en te waarborgen, en de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en haar lidstaten ten volle te respecteren gedurende het volledige onderhandelingsproces, alsook met betrekking tot het sluiten en ondertekenen van de overeenkomsten; derhalve twee afzonderlijke overeenkomsten te sluiten waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen een handels- en investeringsovereenkomst die enkel zaken bevat die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, en een tweede overeenkomst die aangelegenheden bestrijkt waarvoor gedeelde bevoegdheden met de lidstaten gelden;
   (b) nota te nemen van het feit dat de EU en Chili sinds de inwerkingtreding van hun bilaterale associatieovereenkomst modernere, ambitieuzere en uitgebreidere handelsovereenkomsten hebben gesloten, en dat de associatieovereenkomst nog steeds geen betrekking heeft op een aantal gebieden die belangrijk zijn om ervoor te zorgen dat de overeenkomst ten behoeve van burgers aan beide zijden gedeelde groei, gelijke kansen, fatsoenlijke banen en duurzame groei genereert, inclusief de eerbiediging en bevordering van arbeids- en milieunormen, dierenwelzijn en gendergelijkheid;
   (c) het belangrijk en noodzakelijk te achten om in de geest van wederkerigheid, wederzijds voordeel en evenwicht te streven naar modernisering van de associatieovereenkomst EU-Chili, met name de handelscomponent ervan, om rekening te houden met de economische en politieke ontwikkelingen gedurende de voorbije vijftien jaar, en nota te nemen van de consistente steun voor deze modernisering van de gemengde parlementaire commissie EU-Chili en het feit dat het gemengd raadgevend comité verheugd is over de genomen stappen in de richting van een actualisering;
   d) niet te vergeten dat in Europa en elders recentelijk fel is gediscussieerd over de globalisering en het handelsbeleid, vanwege de oneerlijke verdeling van de winsten ervan; te overwegen dat het noodzakelijk is om op trends en mogelijke gevolgen te anticiperen, te zorgen voor een inclusievere verdeling van de voordelen van handel en te voorzien in een adequate bescherming van degenen die niet van de overeenkomst profiteren en wellicht nadelen van het daaropvolgende proces ondervinden; derhalve primair op nationaal maar ook op Unieniveau beleidsmaatregelen op te stellen op andere gebieden die buiten de bepalingen van de handelsovereenkomsten vallen, variërend van industrieel tot begrotings- en sociaal beleid;
   e) oog te houden voor het belang van de multilaterale agenda en het feit dat bilaterale onderhandelingen de ambitie om multilateraal vooruitgang te boeken niet mogen ondermijnen; te overwegen dat sterkere bilaterale betrekkingen en gemeenschappelijke samenwerking de EU en Chili kunnen helpen om meer samenwerking en synergieën te bewerkstelligen tussen de partijen van multilaterale en plurilaterale samenwerkingsverbanden; in dit verband aan te sturen op de volledige deelname van Chili aan de onderhandelingen over de WTO-overeenkomst inzake milieugoederen en de herziening van de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten;
   (f) gedeelde normen centraal te stellen in het moderniseringsproces en een mensenrechtenclausule in de overeenkomst op te nemen zoals in alle andere associatieovereenkomsten;
   (g) te waarborgen dat in een gemoderniseerde associatieovereenkomst, in de gehele tekst, expliciet en onherroepelijk, het recht en de mogelijkheid van de partijen wordt gegarandeerd en vastgelegd om, in het openbaar belang, hun eigen wetten en regels vast te stellen en toe te passen, teneinde legitieme doelen van het overheidsbeleid te verwezenlijken, zoals de bescherming en de bevordering van de mensenrechten, inclusief de toegang tot water, de volksgezondheid, sociale diensten, openbaar onderwijs, veiligheid, het milieu, openbare zeden, sociale of consumentenbescherming, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van gegevens en de bevordering en bescherming van culturele diversiteit; ervoor te zorgen dat claims van investeerders deze doelstellingen niet kunnen ondermijnen; in dat opzicht te benadrukken dat de vrijhandelsovereenkomsten van de EU niet zijn gericht op de beperking van de legitieme belangen van de Unie, haar lidstaten of subfederale entiteiten om regels in het openbaar belang vast te stellen;
   (h) bij de onderhandelingen over handel in goederen te streven naar ambitieuze verbeteringen ten aanzien van de markttoegang over tarieflijnen heen, waarbij onnodige obstakels worden weggenomen, onder meer wat betreft de toegang tot havenfaciliteiten voor EU-vaartuigen, terwijl wordt geëerbiedigd dat een aantal gevoelige landbouw- en industriële producten een passende behandeling behoeven, bijvoorbeeld door middel van tariefcontingenten of de instelling van passende overgangsperioden, of zo nodig dienen te worden uitgesloten; een werkbare en doeltreffende bilaterale vrijwaringsclausule in de overeenkomst op te nemen die tijdelijke opschorting van preferenties mogelijk maakt indien, als gevolg van de inwerkingtreding van de gemoderniseerde associatieovereenkomst, een toename van de invoer ernstige schade berokkent of dreigt te berokkenen aan gevoelige sectoren;
   i) in de onderhandelingsrichtsnoeren de doelstelling op te nemen om de oorsprongsregels en douaneprocedures te vereenvoudigen, en deze aan te passen aan de realiteit van in toenemende mate complexe mondiale waardeketens; te waarborgen dat in een gemoderniseerde associatieovereenkomst fraudebestrijdingsbepalingen en -maatregelen worden opgenomen, evenals afspraken om douaneregels- en praktijken te standaardiseren, teneinde de transparantie, doeltreffendheid, rechtszekerheid en samenwerking tussen douaneautoriteiten te verbeteren, en de procedures te moderniseren en te vereenvoudigen, als vastgelegd in de WTO-overeenkomst inzake handelsfacilitatie en de herziene overeenkomst van Kyoto;
   (j) wat betreft de handel in diensten in aanmerking te nemen dat het potentieel van de dienstensector in de huidige associatieovereenkomst niet volledig wordt benut en dat een gemoderniseerde associatieovereenkomst onnodige obstakels voor markttoegang en nationale behandeling moet aanpakken; te overwegen dat bij het maken van afspraken moet worden voortgebouwd op de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS) en dat regels moeten worden gemoderniseerd om rekening te kunnen houden met nieuwe ontwikkelingen; de audiovisuele diensten uit te sluiten van het toepassingsgebied van de overeenkomst; te waarborgen en expliciet te bepalen dat de gemoderniseerde associatieovereenkomst geen belemmering vormt voor het vermogen van de partijen om in het openbaar belang publieke diensten te definiëren, reguleren en te ondersteunen, regeringen op geen enkele manier dwingt diensten te privatiseren en het regeringen niet belet openbare diensten te verlenen die voorheen door private dienstverleners werden verstrekt of voorheen door regeringen geprivatiseerde diensten opnieuw onder overheidsbeheer te plaatsen, en het regeringen niet belemmert hun dienstverlening aan het publiek uit te breiden door middel van clausules, bepalingen of afspraken die de flexibiliteit ondermijnen die nodig is om huidige en toekomstige diensten van algemeen economisch belang weer onder overheidsbeheer te brengen;
   (k) te waarborgen dat in een gemoderniseerde overeenkomst de stappen worden vastgelegd die nodig zijn om meer transparantie ten aanzien van de regelgeving en wederzijdse erkenning te bewerkstelligen, met inbegrip van bepalingen om onpartijdigheid en eerbiediging van de hoogste beschermingsnormen te waarborgen met betrekking tot vereisten, kwalificaties en vergunningen, en, in dit verband, te zorgen voor institutionele raadplegingsmechanismen waarbij diverse belanghebbenden zoals kmo's en maatschappelijke organisaties worden betrokken;
   (l) te waarborgen dat bij het maken van afspraken over de vereenvoudiging van de toegang en het verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden, buitenlandse dienstverleners moeten voldoen aan de sociale en arbeidswetgeving van de EU en de lidstaten, alsook aan toepasselijke collectieve overeenkomsten wanneer het werknemers betreft die onder de verbintenissen van Modus 4 van de GATS vallen;
   (m) ervoor te zorgen dat ambitieuze samenwerking inzake regelgeving en de harmonisatie van normen van vrijwillige aard blijven, waarbij de autonomie van de regelgevende instanties wordt geëerbiedigd, en uitsluitend gebaseerd worden op een verbetering van de uitwisseling van informatie en administratieve samenwerking teneinde onnodige obstakels en administratieve lasten te identificeren, met inachtneming van het voorzorgsbeginsel; niet te vergeten dat bij samenwerking op regelgevingsgebied gestreefd moet worden naar een beter beheer van de mondiale economie door middel van sterkere convergentie en samenwerking inzake internationale normen, waarbij het hoogste niveau van consumenten-, milieu- en arbeidsbescherming en sociale bescherming wordt gegarandeerd;
   (n) te overwegen in de associatieovereenkomst een prudentiële uitzonderingsbepaling voor financiële diensten op te nemen, naar het voorbeeld van een dergelijke bepaling in de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen de EU en Canada, teneinde de beleidsruimte vast te leggen die de partijen hebben om hun financiële en bankensector te reguleren om de stabiliteit en integriteit van het financiële systeem te waarborgen; vrijwaringsmaatregelen en algemene uitzonderingen in de overeenkomst op te nemen ten aanzien van kapitaalverkeer en betalingen, die kunnen worden toegepast wanneer deze ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor de soepele werking van de economische en monetaire unie of de betalingsbalans van de EU;
   (o) bepalingen inzake goed fiscaal bestuur en tranparantienormen in de overeenkomst op te nemen die inhouden dat de partijen zich ertoe verplichten om internationale normen inzake de bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking ten uitvoer te leggen, in het bijzonder de desbetreffende aanbevelingen van de OESO inzake grondslaguitholling en winstverschuiving, en die verplichtingen bevatten inzake automatische uitwisseling van inlichtingen en de oprichting van openbare registers van uiteindelijke begunstigden voor trusts, evenals concrete bepalingen in de hoofdstukken over financiële diensten, kapitaalverkeer en -vestiging, met het oog op het uitsluiten van niet-opgemerkte fiscale planning van ondernemingen;
   (p) niet te vergeten dat corruptie mensenrechten, gelijkheid, sociale rechtvaardigheid, handel en eerlijke concurrentie ondermijnt en aldus de economische groei belemmert; expliciet van de partijen te eisen, en hiertoe een specifieke sectie met duidelijke en krachtige verplichtingen en maatregelen op te stellen, dat zij corruptie in al haar vormen zullen bestrijden en internationale normen en multilaterale anticorruptieovereenkomsten ten uitvoer zullen leggen;
   (q) in overweging te nemen dat krachtige bepalingen inzake het openstellen van openbare aanbestedingen, waarbij het principe van de economisch voordeligste inschrijving wordt bevorderd, inclusief sociale, milieu- en innovatieve criteria, vereenvoudigde procedures en transparantie voor inschrijvers, met inbegrip van toegang voor inschrijvers uit andere landen, eveneens doeltreffende instrumenten kunnen zijn om corruptie te bestrijden en de integriteit van het openbaar bestuur te bevorderen, terwijl zij er eveneens voor zorgen dat belastingbetalers waar voor hun geld krijgen; in een gemoderniseerde associatieovereenkomst te zorgen voor betere toegang tot aanbestedingsmarkten, ook op subcentraal niveau, en transparante procedures gebaseerd op nationale behandeling, onpartijdigheid en eerlijkheid;
   (r) te waarborgen dat investeringsbeleid onder meer goed bestuur en bevordering van investeringen omvat en verplichtingen voor investeerders vastlegt, terwijl de bescherming van investeerders wordt verbeterd;
   (s) te waarborgen dat in de onderhandelingsrichtsnoeren de Commissie opdracht wordt gegeven om middels onderhandelingen te komen tot een modern investeringshoofdstuk, waarbij rekening wordt gehouden met internationale beste praktijken, zoals het investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) en het laatste advies van het Hof van Justitie inzake de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore;
   (t) vooruitgang te boeken ten aanzien van een noodzakelijke internationale hervorming van de regeling voor de beslechting van geschillen; van alle partijen te vragen prioriteit te geven aan rechtspraak door bevoegde rechtbanken en de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten (ISDS) te vervangen door een publiek stelsel van investeringsgerechten (Investment Court System, ICS), met een beroepsmechanisme, strikte regels inzake belangenconflicten en een afdwingbare gedragscode; rekening te houden met de verplichtingen van de investeerders en het recht te waarborgen om regelgeving op te stellen om legitieme openbare beleidsdoelstellingen te realiseren, bijvoorbeeld in verband met gezondheidszorg en watervoorziening, evenals arbeids- en milieubescherming; ernaar te streven lichtvaardig aangespannen rechtsgedingen te voorkomen en alle democratische procedurele waarborgen te garanderen, zoals het recht op non-discriminatoire toegang tot de rechter (met name voor kmo's) en onafhankelijke, transparante en verantwoordelijke rechtspraak, waarbij wordt toegewerkt naar de oprichting van een multilateraal investeringshof (MIC);
   (u) ervoor te zorgen dat de gemoderniseerde associatieovereenkomst een krachtig en ambitieus hoofdstuk Handel en duurzame ontwikkeling omvat waarin bindende en afdwingbare bepalingen zijn opgenomen die onder passende en effectieve mechanismen voor geschillenbeslechting vallen, in het kader waarvan, naast diverse andere handhavingsmethoden, een op sancties gebaseerd mechanisme wordt overwogen, en die de sociale partners en het maatschappelijk middenveld op een adequate manier in staat stellen deel te nemen; in overweging te nemen dat het hoofdstuk Handel en duurzame ontwikkeling onder meer de verplichting van de partijen moet omvatten om in hun nationale wet- en regelgeving de in de belangrijkste IAO-verdragen vastgelegde beginselen op te nemen, en geactualiseerde IAO-instrumenten doeltreffend ten uitvoer te leggen, in het bijzonder de verdragen inzake governance, de agenda voor waardig werk, IAO-verdrag nr. 169 inzake de rechten van inheemse volkeren, het Verdrag betreffende gelijke kansen voor en gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke arbeiders, het verdrag inzake huishoudelijk personeel, evenals het Verdrag betreffende arbeiders met gezinsverantwoordelijkheid, de arbeidsnormen voor migrerende werknemers, en maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), inclusief de toepassing van sectorale OESO-richtsnoeren en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en een procedure waarmee de in het gemengd raadgevend comité verenigde sociale partners en het maatschappelijk middenveld om openbare raadplegingen door de regering kunnen vragen;
   (v) te waarborgen, onder verwijzing naar de vooruitgang die Chili heeft geboekt in bilaterale handelsbesprekingen met Uruguay en Canada, dat de partijen een speciaal hoofdstuk in de overeenkomst opnemen over handel en gendergelijkheid, waarin, naast de naleving en eerbiediging door de partijen van de internationale mensenrechten en de arbeids- en sociale normen, actieve maatregelen worden vastgelegd ter bevordering van de mogelijkheid van vrouwen om de door de associatieovereenkomst geboden kansen te benutten; te voorzien in maatregelen die onder meer zijn gericht op de bevordering van een beter evenwicht tussen werk en privéleven en op toegang tot sociale en gezondheidsdiensten; onder meer te waarborgen dat de partijen zich inzetten voor de verzameling van uitgesplitste gegevens die het mogelijk maken om vooraf en achteraf een grondige analyse uit te voeren van het effect van de gemoderniseerde associatieovereenkomst op gendergelijkheid; te streven naar een grotere deelname van vrouwelijke ondernemers (in het bijzonder micro-ondernemingen en kmo's) aan openbare aanbestedingen, waarbij wordt voortgebouwd op de ervaringen van het Chileense ministerie van Gendergelijkheid dat in 2015 een steunprogramma heeft opgezet om de deelname van vrouwelijke ondernemers aan de openbare aanbestedingsmarkt van "ChileCompras" te vergroten; zich in te zetten voor de internationalisering van door vrouwen geleide ondernemingen en de deelname van vrouwen in het kader van mogelijkheden uit hoofde van WTO-modus 4; ervoor te zorgen dat in de onderhandelingsteams expertise op het gebied van gendergelijkheid aanwezig is en te waarborgen dat binnen het gemengd raadgevend comité, waarin ook organisaties moeten worden opgenomen die zich inzetten voor gendergelijkheid, geregeld wordt gediscussieerd over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk;
   (w) voorts een speciaal hoofdstuk in de overeenkomst op te nemen inzake micro-ondernemingen en kmo's met het oog op aanzienlijke vooruitgang wat betreft handelsbevordering, het wegnemen van handelsbelemmeringen en onnodige administratieve lasten, evenals actieve maatregelen om ervoor te zorgen dat de gegenereerde mogelijkheden voldoende toegankelijk zijn voor en bekend zijn aan alle belangrijke en mogelijke actoren (d.w.z. door de oprichting van speciale loketten, specifieke websites en de publicatie van richtsnoeren per sector met informatie over de procedures en nieuwe handels- en investeringsmogelijkheden);
   (x) in de overeenkomst een hoofdstuk inzake energie op te nemen dat onder meer hernieuwbare energie en grondstoffen bestrijkt; te erkennen dat het noodzakelijk is om multilaterale milieuovereenkomsten ten uitvoer te leggen, met name de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, om handelsgerelateerde bepalingen en afspraken op te nemen teneinde deel te nemen aan internationale instrumenten, onderhandelingen en handels- en milieubeleidsmaatregelen die elkaar versterken in antwoord op de doelstellingen van de circulaire economie, met inbegrip van verplichtingen op het gebied van groene groei, en handel en investeringen in milieugoederen en -diensten en hernieuwbare energie evenals klimaatvriendelijke technologie, verder te bevorderen;
   (y) onderhandelingsrichtlijnen aan te nemen die de bepalingen inzake dierenwelzijn versterken die in de huidige associatieovereenkomst zijn opgenomen, door het invoeren van effectieve bilaterale samenwerking op dat gebied, en voorwaardelijke liberalisering wanneer het dierenwelzijn gevaar loopt tijdens de productie van bepaalde producten;
   (z) onderhandelingsrichtsnoeren vast te stellen waarin de eis is opgenomen om de naleving van mededingingsrecht en bepalingen betreffende sanitaire en fytosanitaire maatregelen af te dwingen, teneinde de beginselen van transparantie, procedurele rechtvaardigheid en non-discriminatie evenals de regels inzake subsidies te eerbiedigen;
   (aa) in gedachte te houden dat in iedere handelsovereenkomst het welzijn van consumenten als een van de overkoepelende doelstellingen verankerd moet zijn, en te waarborgen dat de associatieovereenkomst de partijen verplicht een hoog niveau van consumentenveiligheid en -bescherming te garanderen, zich te houden aan de hoogste internationale normen, en coherente beste praktijken te ontwikkelen, in het bijzonder wat betreft de bescherming van consumenten op het gebied van financiële diensten, productetikettering en e-handel;
   (ab) te aanvaarden dat de onderhandelingen moeten resulteren in krachtige en afdwingbare bepalingen met betrekking tot de erkenning en de bescherming van alle vormen van intellectuele-eigendomsrechten, inclusief ambitieuze bepalingen inzake geografische aanduidingen, waarbij wordt voortgebouwd op de desbetreffende bepalingen in de huidige associatieovereenkomst, en deze worden uitgebreid, en wordt gezorgd voor betere toegang tot de markt, sterkere naleving en de mogelijkheid nieuwe geografische aanduidingen toe te voegen; te waarborgen dat in de herziene associatieovereenkomst een hoofdstuk inzake intellectuele-eigendomsrechten wordt opgenomen dat de noodzakelijke flexibiliteit garandeert, en dat de bepalingen inzake intellectuele-eigendomsrechten de toegang tot betaalbare elementaire geneesmiddelen en medische behandelingen in het kader van binnenlandse openbare gezondheidszorgprogramma's niet ondermijnen; ervoor te zorgen dat dit hoofdstuk verder gaat dan de bepalingen van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom ("TRIPS-overeenkomst");
   (ac) ervoor te zorgen dat de partijen een maximaal niveau van transparantie en deelname waarborgen, en er daarbij voor zorgen dat de doelstellingen van de onderhandelingen worden verwezenlijkt, onder meer door middel van voortdurende en op voldoende informatie gebaseerde dialogen met alle betrokken partijen, waaronder belanghebbenden zoals zakelijke partners en vakbonden, en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van vertegenwoordigers van inheemse volkeren; in dit verband structureel samen te werken met de bevoegde parlementaire organen, in het bijzonder het gemengd raadgevend comité EU-Chili en de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Chili, gedurende de volledige levenscyclus van de associatieovereenkomst, van de onderhandelingen tot de tenuitvoerlegging en de evaluatie, en, met het oog op de uitvoeringsfase, steun te verlenen aan de oprichting van een officieel Chileens orgaan voor de deelname van het maatschappelijk middenveld dat een afspiegeling vormt van de pluriforme Chileense samenleving, met bijzondere aandacht voor de inheemse volkeren van Chili; er hiertoe samen met Chili en zonder de onderhandelingsstrategie van de EU te ondermijnen, voor te zorgen dat alle relevante informatie op een voor het publiek zo toegankelijk mogelijke manier wordt gepubliceerd, onder meer via brochures in het Spaans, als gemeenschappelijke officiële taal;
   (ad) rekening te houden met de oproep van het Parlement om mandaten voor handelsbesprekingen openbaar te maken, en om de onderhandelingsrichtsnoeren voor de modernisering van de associatieovereenkomst onmiddellijk na de vaststelling ervan te publiceren;
   (ae) te waarborgen dat de associatieovereenkomst voorziet in de noodzakelijke mechanismen om ervoor te zorgen dat ze tijdens de tenuitvoerlegging in de praktijk wordt nageleefd, met inbegrip van een modern, effectief geschillenbeslechtingsmechanisme tussen staten;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EDEO, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Chili.

(1) PB L 352 van 30.12.2002, blz. 3.
(2) Persbericht 197/15 van de Raad van 21.4.2015.
(3) http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.events-and-activities-eu-chile-jcc-01-declaration
(4) https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/reflection-paper-globalisation_en.pdf
(5) https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/reflection-paper-social-dimension-europe_en.pdf
(6) https://www.ombudsman.europa.eu/en/cases/decision.faces/en/58668/html.bookmark
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0041.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0284.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0298.
(10) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 94.
(11) http://www.europarl.europa.eu/thinktank/en/document.html?reference=EPRS_STU%282017%29558764
(12) http://unfccc.int/files/essential_background/convention/application/pdf/english_paris_agreement.pdf
(13) http://www.europarl.europa.eu/cmsdata/113103/1107500EN.pdf
(14) http://www.iwgia.org/publications/search-pubs?publication_id=740
(15) http://ec.europa.eu/trade/policy/countries-and-regions/countries/chile/
(16) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2006/september/tradoc_113364.pdf


Verlenging van het Europees statistisch programma tot 2020 ***I
PDF 244kWORD 41k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 99/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees statistisch programma 2013-2017, door verlenging tot 2018-2020 (COM(2016)0557 – C8-0367/2016 – 2016/0265(COD))
P8_TA(2017)0355A8-0158/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0557),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0367/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 1 van de Verdragen betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 van de Verdragen betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 december 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0158/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 september 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 99/2013 betreffende het Europees statistisch programma 2013-2017, door verlenging tot 2020

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1951.)

(1) PB C 75 van 10.3.2017, blz. 53.


Europese durfkapitaalfondsen en Europese sociaalondernemerschapsfondsen ***I
PDF 243kWORD 42k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 345/2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen en Verordening (EU) nr. 346/2013 betreffende Europese sociaalondernemerschapsfondsen (COM(2016)0461 – C8-0320/2016 – 2016/0221(COD))
P8_TA(2017)0356A8-0120/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0461),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0320/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 12 september 2016(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 december 2016(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0120/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 september 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 345/2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen en Verordening (EU) nr. 346/2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1991.)

(1) PB C 394 van 26.10.2016, blz. 2.
(2) PB C 75 van 10.3.2017, blz. 48.


Meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
PDF 546kWORD 75k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 september 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad (COM(2016)0493 – C8-0336/2016 – 2016/0238(COD))(1)
P8_TA(2017)0357A8-0263/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, de voorzorgsbenadering toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.
(4)  Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, de voorzorgsbenadering toe te passen bij het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat bestanden van geoogste soorten worden hersteld en gehandhaafd boven een niveau dat MSY kan opleveren, en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  In het kader van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt er uitdrukkelijk naar gestreefd dat de levende biologische rijkdommen van de zee dusdanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de geoogste soorten worden hersteld en gehandhaafd boven een niveau dat MSY kan opleveren. Daarom moet, in overeenstemming met artikel 2, lid 2, van die verordening, het corresponderende exploitatieniveau waar mogelijk tegen 2015 worden bereikt, en, op basis van een geleidelijke toename, uiterlijk 2020 voor alle bestanden, en van dan af worden gehandhaafd.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen moeten instandhoudingsmaatregelen als meerjarenplannen, technische maatregelen en vangstmogelijkheden (vaststelling en toewijzing), zo nodig met elkaar gecombineerd, worden vastgesteld.
(5)  Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen moeten instandhoudingsmaatregelen als meerjarenplannen, technische maatregelen en vangstmogelijkheden (vaststelling en toewijzing), zo nodig met elkaar gecombineerd, worden vastgesteld in volledige overeenstemming met het best beschikbare wetenschappelijke advies.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten meerjarenplannen gebaseerd zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen en moeten ze doelstellingen, kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten en vrijwaringsmaatregelen bevatten.
(6)  Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten meerjarenplannen gebaseerd zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen en moeten ze doelstellingen, kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten, doelstellingen en vrijwaringsmaatregelen bevatten, en doelen voor de met het oog op het verwezenlijken van de in artikel 15 van die verordening uiteengezette streefdoelen te nemen instandhoudingsmaatregelen en technische maatregelen en maatregelen die beogen ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)   Voorts kan de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 in het kader van een meerjarenplan de bevoegdheid worden toegekend gebieden voor herstel van bestanden in te stellen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   Sommige bestanden van gemeenschappelijk belang worden tevens geëxploiteerd door derde landen, waardoor het van groot belang is dat de Unie met die derde landen overleg pleegt om ervoor te zorgen dat die bestanden op duurzame wijze worden beheerd. Bij gebreke van een formeel akkoord zal de Unie alles in het werk moeten stellen om tot gemeenschappelijke regelingen voor bevissing van deze bestanden te komen teneinde duurzaam beheer mogelijk te maken, waarbij gelijke voorwaarden voor de marktdeelnemers van de Unie worden afgedwongen, gehandhaafd en bevorderd.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Dit plan moet erop gericht zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het GVB, en met name het bereiken en behouden van MSY voor de betrokken bestanden, door bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting voor demersale bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden en door bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer.
(10)  Dit plan moet erop gericht zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het GVB, en met name het herstellen en behouden van visbestanden boven een niveau van biomassa dat MSY kan opleveren, door bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting voor demersale bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden, alsmede tot de tenuitvoerlegging en verwezenlijking van de sociaal-economische aspecten van het GVB en door bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer door het tot een minimum beperken van de negatieve gevolgen van visserij voor het mariene ecosysteem.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)   Dit plan moet ook bijdragen aan het bereiken van een goede milieutoestand zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/56/EG en aan een gunstige staat van instandhouding voor leefgebieden en soorten zoals vereist door respectievelijk Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad1 ter.
_____________
1 bis Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
1 ter Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Krachtens artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden worden vastgesteld overeenkomstig de in de meerjarenplannen bepaalde streefdoelen.
(11)  Krachtens artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden worden vastgesteld overeenkomstig de doelstellingen opgenomen in artikel 2, lid 2, Verordening (EU) nr. 1380/2013 en overeenstemmen met de streefdoelen, tijdschema's en marges in de meerjarenplannen.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)   Overeenkomstig artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen bestanden die samen met derde landen worden beheerd voor zover mogelijk in het kader van gezamenlijke overeenkomsten, conform de in artikel 2, lid 2, daarvan neergelegde doelstellingen te worden beheerd. Voorts moeten de in de artikelen 1 en 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 uiteengezette doelstellingen, alsmede de in artikel 4 daarvan neergelegde definities op dergelijke overeenkomsten van toepassing zijn.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Bij gebrek aan streefdoelen in verband met MSY moet de voorzorgsbenadering worden toegepast.
(14)  Bij gebrek aan streefdoelen in verband met de maximale duurzame opbrengst moeten in het meerjarenplan maatregelen worden vastgesteld op basis van de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Deze maatregelen moeten een niveau van instandhouding waarborgen dat ten minste vergelijkbaar is met exploitatieniveaus die de maximale duurzame opbrengst opleveren, zoals uiteengezet in artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Recreatievisserij kan een significante impact hebben op visbestanden. De lidstaten moeten vangstgegevens van de recreatievisserij verzamelen overeenkomstig de wettelijke vereisten inzake gegevensverzameling. Wanneer dergelijke visserij een significante negatieve impact heeft op bestanden moet het plan in de mogelijkheid voorzien van specifieke beheersmaatregelen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. Alle beheers- en technische maatregelen inzake recreatievisserij op Unieniveau dienen in verhouding te staan tot de beoogde doelstellingen.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Voor functionele eenheden langoustines moeten, waar die beschikbaar zijn, de volgende triggerniveaus voor abundantie worden gebruikt: minimale abundantie (Abundancebuffer) die overeenstemt met het Bbuffer-referentiepunt als gedefinieerd door de adviesraad voor de Noordzee in het langetermijnbeheersplan voor Noordzee-Nephrops42, en grensabundantie (Abundancelimit) die overeenstemt met MSY Btrigger voor abundantie (gelijkwaardig aan Blim) als gedefinieerd door de ICES7.
(16)  Voor functionele eenheden langoustines moeten, waar die beschikbaar zijn, door ICES aanbevolen minimale abundantie (Abundancebuffer) en grensabundantie (Abundancelimit) als triggerniveaus voor abundantie worden gebruikt.
_________________
42 A Long Term Management Plan for North Sea Nephrops
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Wanneer de bestandsomvang tot onder die niveaus daalt, moeten passende vrijwaringsmaatregelen worden overwogen. Vrijwaringsmaatregelen moeten onder meer inhouden dat de vangstmogelijkheden worden gereduceerd en dat er specifieke instandhoudingsmaatregelen worden genomen wanneer luidens wetenschappelijk advies herstelmaatregelen vereist zijn. Deze maatregelen moeten worden aangevuld met alle andere passend geachte maatregelen, zoals maatregelen van de Commissie overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 of maatregelen van de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
(17)  Wanneer de bestandsomvang tot onder die niveaus daalt, moeten passende vrijwaringsmaatregelen worden overwogen. Vrijwaringsmaatregelen moeten onder meer inhouden dat de vangstmogelijkheden worden gereduceerd en dat er specifieke instandhoudingsmaatregelen worden genomen wanneer luidens het best beschikbare wetenschappelijk advies herstelmaatregelen vereist zijn. Deze maatregelen moeten worden aangevuld met alle andere passend geachte maatregelen, zoals maatregelen van de Commissie overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 of maatregelen van de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  De TAC voor langoustine in de ICES-zones IIa en IV dient te worden vastgesteld als de som van de vangstbeperkingen voor elke functionele eenheid en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden in dat TAC-gebied. Dit sluit het vaststellen van maatregelen ter bescherming van specifieke functionele eenheden evenwel niet uit.
(19)  Voor elke functionele eenheid moet, indien mogelijk, een eigen TAC voor langoustine worden vastgesteld. Eventueel worden ter bescherming van de betreffende functionele eenheid afzonderlijke maatregelen vastgesteld.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Met het oog op de naleving van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen.
(20)  Met het oog op de naleving van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting dient het plan te voorzien in andere instandhoudingsmaatregelen, in het bijzonder maatregelen om teruggooi met inachtneming van het best beschikbare wetenschappelijke advies geleidelijk tot nul terug te brengen, of om de negatieve impact van de visserij op het ecosysteem tot een minimum te beperken, in voorkomend geval nader uit te werken krachtens artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Vastgesteld moet worden boven welke drempelwaarde een vissersvaartuig zijn vangsten uit demersale bestanden overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 in een aangewezen haven of op een plaats dicht bij de kust moet aanlanden. Bovendien moeten de lidstaten bij de aanwijzing van die havens of plaatsen dicht bij de kust de criteria van artikel 43, lid 5, van die verordening op zodanige wijze toepassen dat een doeltreffende controle op de onder deze verordening vallende bestanden gewaarborgd is.
(25)  Vastgesteld moet worden boven welke drempelwaarde een vissersvaartuig zijn vangsten uit demersale bestanden overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 in een aangewezen haven of op een plaats dicht bij de kust moet aanlanden. Bovendien moeten de lidstaten bij de aanwijzing van die havens of plaatsen dicht bij de kust de criteria van artikel 43, lid 5, van die verordening op zodanige wijze toepassen dat een doeltreffende controle op het aanlanden van de vangsten waarop deze verordening van toepassing is, gewaarborgd is.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten bepalingen worden vastgesteld inzake de periodiciteit waarmee de Commissie de toereikendheid en doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening dient te evalueren. Voorafgaand aan deze evaluatie moet het plan op basis van wetenschappelijk advies periodiek worden geëvalueerd: die laatstbedoelde evaluatie dient om de vijf jaar plaats te vinden. Een dergelijke periode biedt voldoende ruimte om de aanlandingsverplichting volledig ten uitvoer te leggen, om geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren en om zicht te krijgen op de gevolgen voor de bestanden en de visserij. Het is tevens de tijd die de wetenschappelijke instanties op zijn minst nodig hebben.
(26)  Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten bepalingen worden vastgesteld inzake de periodiciteit waarmee de Commissie de toereikendheid en doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening dient te evalueren. Voorafgaand aan deze evaluatie moet het plan op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies periodiek worden geëvalueerd: de evaluatie van het plan moet uiterlijk ... [drie jaar na inwerkingtreding van deze verordening] plaatsvinden, en daarna om de vijf jaar. Een dergelijke periode biedt voldoende ruimte om de aanlandingsverplichting volledig ten uitvoer te leggen, om geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren en om zicht te krijgen op de gevolgen voor de bestanden en de visserij. Het is tevens de tijd die de wetenschappelijke instanties op zijn minst nodig hebben.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1
1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna "het plan") vastgesteld voor de demersale bestanden in wateren van de Unie van de ICES-zones IIa, IIIa en IV (hierna "de Noordzee") en de visserijen die deze bestanden exploiteren.
1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna "het plan") vastgesteld voor de demersale bestanden in wateren van de Unie van de ICES-zones IIa, IIIa en IV ("de Noordzee" heeft betrekking op deze drie zones) en de visserijen, waaronder recreatievisserij, die deze bestanden exploiteren.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Wanneer de Commissie op basis van wetenschappelijk advies of op verzoek van de betrokken lidstaten van oordeel is dat de in lid 2 bedoelde lijst moet worden gewijzigd, kan zij een voorstel tot herziening van die lijst indienen.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter Deze verordening bevat ook nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor alle soorten die in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden genoemd, andere dan de reeds in de lid 1 van dit artikel genoemde bestanden.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1
(1)  "demersale bestanden": de rondvis- en platvisssoorten en langoustines die op of in de nabijheid van de bodem van de waterkolom leven;
(1)  "demersale bestanden": de rondvis-, platvis- en kraakbeenvissoorten en langoustines ((Nephrops norvegicus) en Noordse garnalen (Pandalus borealis) die op of in de nabijheid van de bodem van de waterkolom leven;
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
(1 bis)  "best beschikbare wetenschappelijke advies": wetenschappelijk advies dat door de ICES of WTECV getoetst is en ondersteund wordt door de meest recente beschikbare gegevens die voldoen aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 1380/2013, met name artikel 25 daarvan;
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 ter (nieuw)
(1 ter)   "FMSY-bandbreedte": brandbreedte berekend door de ICES die zo bepaald is dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 procent lager is dan MSY. De adviesregel van de ICES, die inhoudt dat, wanneer de paaibiomassa onder het referentiepunt voor de minimale paaibiomassa (MSY Btrigger) belandt, F moet worden verminderd tot een waarde die niet hoger is dan een bovengrens gelijk aan de FMSY-puntwaarde vermenigvuldigd met de paaibiomassa in het TAC-jaar, gedeeld door MSY Btrigger;
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 quater (nieuw)
(1 quater)   "MSY Flower" en "MSY Fupper": de laagste respectievelijk hoogste waarde binnen de FMSY-bandbreedte;
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
(2)  "groep 1": de volgende demersale bestanden waarvoor in dit plan FMSY-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake biomassa zijn vastgesteld:
(2)  de volgende demersale bestanden waarvoor in dit plan FMSY-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake biomassa zijn vastgesteld, als opgesomd in bijlagen I en II:
a)  kabeljauw (Gadus morhua) in deelgebied IV en de sectoren VIId en IIIa West (Noordzee, oostelijk deel van het Kanaal, Skagerrak) (hierna "Noordzeekabeljauw");
a)  kabeljauw (Gadus morhua) in deelgebied IV (Noordzee) en de sectoren VIId (oostelijk deel van het Kanaal) en IIIa West (Skagerrak), (hierna "Kabeljauw in deelgebied IV en in de sectoren VIId en IIIa West");
b)  schelvis (Melanogrammus aeglefinus) in deelgebied IV en de sectoren VIa en IIIa West (Noordzee, gebied ten westen van Schotland, Skagerrak) (hierna "schelvis");
b)  schelvis (Melanogrammus aeglefinus) in deelgebied IV (Noordzee) en de sectoren VIa (gebied ten westen van Schotland) en IIIa West (Skagerrak) (hierna "schelvis" in deelgebied IV en in de sectoren VIa en IIa West");
c)  schol (Pleuronectes platessa) in deelgebied IV (Noordzee) en sector IIIa (Skagerrak) (hierna "Noordzeeschol");
c)  schol (Pleuronectes platessa) in deelgebied IV (Noordzee) en sector IIIa (Skagerrak) (hierna "schol in deelgebied IV en in deelgebied IIIa");
d)  zwarte koolvis (Pollachius virens) in de deelgebieden IV en VI en sector IIIa (Noordzee, Rockall en gebied ten westen van Schotland, Skagerrak en Kattegat) (hierna "zwarte koolvis");
d)  zwarte koolvis (Pollachius virens) in de deelgebieden IV (Noordzee) en VI (gebied ten westen van Schotland en Rockall) en sector IIIa (Skagerrak en Kattegat), (hierna "zwarte koolvis in de deelgebieden IV en VI en sector IIIa");
e)  tong (Solea solea) in deelgebied IV (Noordzee) (hierna "Noordzeetong");
e)  tong (Solea solea) in deelgebied IV (Noordzee) (hierna "tong in deelgebied IV");
f)  tong (Solea solea) in sector IIIa en de subsectoren 22–24 (Skagerrak en Kattegat, westelijk deel van de Oostzee) (hierna "Kattegattong");
f)  tong (Solea solea) in sector IIIa (Skagerrak en Kattegat) de subsectoren 22–24 (westelijk deel van de Oostzee) (hierna "tong in deelgebied IIIa en subsectoren 22-24");
g)  wijting (Merlangius merlangus) in deelgebied IV en sector VIId (Noordzee, oostelijk deel van het Kanaal) (hierna "Noordzeewijting");
g)  wijting (Merlangius merlangus) in deelgebied IV (Noordzee) en sector VIId (oostelijk deel van het Kanaal) (hierna "wijting in deelgebied IV en in sector VIId");
g bis)  Zeeduivel (Lophius piscatorius) in sector IIIa (Skagerrak en Kattegat) en deelgebieden IV (Noordzee) en VI (gebied ten westen van Schotland en Rockall);
g ter)  Noordse garnaal (Pandalus borealis) in sectoren IVa Oost en IIIa;
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 18 van de onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van de lijst van bestanden in groep 1, zoals vermeld in de eerste alinea van dit punt, en in de bijlagen I en II bij deze verordening, in overeenstemming met het beste beschikbare wetenschappelijke advies.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 3 – inleidende formule
(3)  "groep 2": de volgende functionele eenheden (FU) langoustine (Nephrops norvegicus) waarvoor in dit plan streefdoelen zijn bepaald als FMSY-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake abundantie:
(3)  "groep 2": de volgende functionele eenheden (FU) langoustine (Nephrops norvegicus) waarvoor in dit plan streefdoelen zijn bepaald als FMSY-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake abundantie, zoals vermeld in bijlagen I en II:
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 8 bis (nieuw)
(8 bis)   De betreffende bestanden worden uitsluitend gewijzigd op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 10
10.  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn MSY kan opleveren.
10.  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 10 bis (nieuw)
(10 bis)   "recreatievisserij": niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de mariene levende biologische rijkdommen worden geëxploiteerd voor vrijetijdsbesteding, toerisme of sport;
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1
1.  Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door middel van de toepassing van de voorzorgsbenadering bij het visserijbeheer, en beoogt ervoor te zorgen dat de levende mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de geoogste soorten worden hersteld en gehandhaafd boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.
1.  Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door middel van de toepassing van de voorzorgsbenadering bij het visserijbeheer, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, alsook tot een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, met aandacht voor de sociaaleconomische aspecten, en beoogt ervoor te zorgen dat de levende mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de geoogste soorten worden hersteld en gehandhaafd boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Het exploitatieniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, wordt zo spoedig mogelijk en uiterlijk 2020, onder alle omstandigheden en geleidelijk toenemend voor alle bestanden waarop deze verordening van toepassing is, verwezenlijkt, en vanaf die datum gehandhaafd. In geval van bestanden waarvoor geen wetenschappelijke advies en gegevens beschikbaar zijn, worden de in artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgelegde streefdoelen verwezenlijkt. Die streefdoelen waarborgen de instandhouding van de betrokken bestanden op een niveau dat ten minste met de streefdoelen voor de maximale duurzame opbrengst vergelijkbaar is.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 3
3.  Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het is in overeenstemming met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG vastgestelde doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken.
3.  Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem, in het bijzonder voor bedreigde habitats en beschermde soorten, waaronder zeezoogdieren en zeevogels, tot een minimum worden beperkt. Het plan is een aanvulling op en is in overeenstemming met de ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer in de zin van artikel 4, lid 1, punt 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG vastgestelde doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken, alsook met de streefdoelen en voorschriften van de Richtlijnen 2009/147/EG en 92/43/EEG. Daarnaast voorziet het plan ook in maatregelen om nadelige sociaaleconomische gevolgen te verzachten en exploitanten in staat stellen meer economische zichtbaarheid op de lange termijn te verkrijgen.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Het plan draagt ertoe bij dat de in de zin van artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 samen met derde landen beheerde bestanden overeenkomstig de doelstellingen vermeld in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden beheerd en de vangstmogelijkheden de in bijlage I van deze verordening vastgestelde bandbreedtes niet overschrijden.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.   Het plan houdt rekening met de bilaterale betrekkingen met derde landen. In toekomstige bilaterale overeenkomsten met derde landen wordt rekening gehouden met het plan.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 4 – letter b
b)  bij te dragen tot de vervulling van de beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, in verhouding tot de rol die visserijen voor de vervulling ervan spelen.
b)  dat andere relevante beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG worden vervuld, in verhouding tot de rol die visserijen voor de vervulling ervan spelen.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   Alle maatregelen in het kader van het plan worden op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies in de zin van artikel 2, inleidende zin, punt 1 bis, van deze verordening getroffen. Het best beschikbare wetenschappelijke advies wordt openbaar gemaakt uiterlijk op de datum dat de maatregelen overeenkomstig de artikelen 4, 5, 6 en 18 van deze verordening en artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 door de Commissie worden voorgesteld.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.  De visserijsterfte voor de bestanden van de groepen 1 en 2 bereikt het streefdoel zo spoedig mogelijk en, op basis van een geleidelijke toename, uiterlijk in 2020 en wordt van dan af gehandhaafd binnen de in bijlage I vermelde bandbreedtes.
1.  De visserijsterfte voor de bestanden van de groepen 1 en 2 bereikt het streefdoel zo spoedig mogelijk en, op basis van een geleidelijke toename, uiterlijk in 2020 en wordt vanaf dan gehandhaafd binnen de in bijlage I vermelde bandbreedtes en overeenkomstig de in artikel 3, lid 1, vermelde doelstellingen.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2
2.  Conform artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 zijn de vangstmogelijkheden in overeenstemming met de streefbandbreedtes voor de visserijsterfte die zijn opgenomen in kolom A van bijlage I bij de onderhavige verordening.
2.  Conform artikel 16, lid 4, en artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden de vangstmogelijkheden in overeenstemming met de in het plan vermelde doelstellingen en streefdoelen, alsook het best beschikbare wetenschappelijke advies, vastgelegd en komen zij overeen met de streefbandbreedtes voor de visserijsterfte die zijn opgenomen in kolom A van bijlage I bij de onderhavige verordening.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 3
3.  Onverminderd de leden 1 en 2 kunnen de vangstmogelijkheden worden vastgesteld op niveaus die overeenkomen met lagere visserijsterfteniveaus dan die welke in kolom A van bijlage I zijn opgenomen.
3.  Onverminderd leden 1 en 2 kunnen de vangstmogelijkheden worden vastgesteld op niveaus die overeenkomen met lagere visserijsterfteniveaus dan die welke in bijlage I zijn opgenomen.
Amendementen 83 en 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4
4.  Onverminderd de leden 2 en 3 kunnen de vangstmogelijkheden voor een bestand worden vastgesteld in overeenstemming met de bandbreedtes voor de visserijsterfte als opgenomen in kolom B van bijlage I, mits het betrokken bestand zich bevindt boven het in kolom A van bijlage II opgenomen referentiepunt voor minimale paaibiomassa:
Schrappen
(a)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserijen;
(b)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te beperken, of
(c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   De vangstmogelijkheden worden in elk geval zodanig vastgesteld dat de waarschijnlijkheid dat de paaibiomassa onder het grensreferentiepunt voor biomassa (Blim) vermeld in kolom B van bijlage II belandt, minder dan 5 % bedraagt.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.   Wanneer de Commissie op grond van het best beschikbare wetenschappelijk advies van mening is dat de doelstellingen van dit plan niet langer op een correcte manier tot uiting komen in de bandbreedtes voor de visserijsterfte in bijlage I, kan zij met spoed een voorstel voor de herziening van die bandbreedtes indienen.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  De vangstmogelijkheden voor de bestanden van de groepen 3 en 4 zijn in overeenstemming met wetenschappelijk advies over de maximale duurzame opbrengst.
1.  De vangstmogelijkheden voor de bestanden van de groepen 3 en 4 zijn in overeenstemming met de best beschikbare wetenschappelijk adviezen over de maximale duurzame opbrengst.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  Bij gebrek aan wetenschappelijk advies over een visserijsterfte die in overeenstemming is met de maximale duurzame opbrengst, zijn de vangstmogelijkheden in overeenstemming met wetenschappelijk advies ter waarborging van de duurzaamheid van de bestanden overeenkomstig de voorzorgsbenadering.
2.  Bij gebrek aan wetenschappelijk advies en gegevens over de visserijsterfte die in overeenstemming is met de maximale duurzame opbrengst, worden de vangstmogelijkheden en maatregelen vastgesteld overeenkomstig de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer in de zin van artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en in overeenstemming met de in artikel 3, lid 1 van deze verordening vermelde streefdoelen.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1
De bestanden van groep 5 worden beheerd op basis van de voorzorgsbenadering overeenkomstig wetenschappelijk advies.
De bestanden van groep 5 worden beheerd op basis van de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, overeenkomstig het best beschikbare wetenschappelijk advies en de in artikel 3, leden 1 en 3, van onderhavige verordening vastgestelde doelstellingen. Het ontbreken van adequate wetenschappelijke informatie mag niet als reden worden aangevoerd om beheersmaatregelen voor de instandhouding van de mariene biologische hulpbronnen uit te stellen of achterwege te laten.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1
1.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa van een bestand van groep 1 voor een bepaald jaar lager is dan MSY Btrigger of dat de abundantie van een functionele eenheid in groep 2 lager is dan Abundancebuffer als opgenomen in kolom A van bijlage II, worden alle passende herstelmaatregelen vastgesteld om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, lid 2, de vangstmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht op een waarde onder de in kolom A van bijlage I opgenomen bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa of de abundantie.
1.  Wanneer het best beschikbare wetenschappelijke advies erop wijst dat de paaibiomassa van een bestand van groep 1 voor een bepaald jaar lager is dan MSY Btrigger of dat de abundantie van een functionele eenheid in groep 2 lager is dan Abundancebuffer als opgenomen in kolom A van bijlage II, worden alle passende herstelmaatregelen vastgesteld om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, lid 2, de vangstmogelijkheden, rekening houdend met de afname van de biomassa of de abundantie, op een niveau vastgesteld dat overeenkomt met een visserijsterfte, die in verhouding tot de afname van de biomassa en overeenkomstig de adviesregel van de ICES, op een waarde onder de in kolom A van bijlage I opgenomen bandbreedte is teruggebracht. De adviesregel van de ICES als bedoeld in artikel 2, inleidende zin, punt 1 ter, is van toepassing.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa van een betrokken bestand lager is dan Blim of dat de abundantie van een functionele eenheid langoustine lager is dan Abundancelimit als opgenomen in kolom B van bijlage II, worden aanvullende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. In het bijzonder houden deze herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden 2 en 4, in dat de gerichte visserij op het betrokken bestand wordt opgeschort en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.
2.  Wanneer het best beschikbare wetenschappelijke advies erop wijst dat de paaibiomassa van een betrokken bestand lager is dan Blim of dat de abundantie van een functionele eenheid langoustine lager is dan Abundancelimit als opgenomen in kolom B van bijlage II, worden aanvullende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. In het bijzonder houden deze herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden 2 en 4, in dat de gerichte visserij op het betrokken bestand wordt opgeschort en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Wanneer het best beschikbare wetenschappelijke advies erop wijst dat de paaibiomassa van een bestand waarop deze verordening van toepassing is voor een bepaald jaar lager is dan MSY Btrigger worden alle passende herstelmaatregelen vastgesteld om te waarborgen dat het betrokken bestand snel terugkeert boven het niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, en wordt de visserijsterfte in verhouding tot de afname van de biomassa en overeenkomstig de adviesregel van de ICES lineair teruggebracht. De adviesregel van de ICES als bedoeld in artikel 2, inleidende zin, punt 1 ter, is van toepassing.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.   Wanneer het best beschikbare wetenschappelijke advies erop wijst dat de paaibiomassa van een bestand waarop deze verordening van toepassing is, lager is dan Blim of een vergelijkbaar referentiepunt, worden bijkomende herstelmaatregelen vastgesteld om te waarborgen dat het bestand snel terugkeert boven de niveaus die de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. In het bijzonder kunnen deze herstelmaatregelen een passende verlaging van de vangstmogelijkheden alsook de opschorting van gerichte visserij op het betrokken bestand inhouden.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 quater (nieuw)
2 quater.   De in dit artikel bedoelde herstelmaatregelen kunnen onder meer bestaan in:
a)  noodmaatregelen van de lidstaten overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013;
b)  maatregelen krachtens artikelen 11 en 11 bis van deze verordening.
De keuze van in dit artikel bedoelde maatregelen wordt bepaald door de aard, de ernst, de duur en de herhaling van de situatie waarin de paaibiomassa zich onder de in lid 1 bedoelde niveaus bevindt.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – titel
Specifieke instandhoudingsmaatregelen voor de groepen 3 tot en met 7
Specifieke instandhoudingsmaatregelen
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 – inleidende formule
Wanneer luidens wetenschappelijk advies herstelmaatregelen nodig zijn voor de instandhouding van een demersaal bestand van de groepen 3 tot en met 7 of wanneer de paaibiomassa van een bestand van groep 1 of de abundantie van een functionele eenheid van groep 2 voor een bepaald jaar lager is dan de in kolom A van bijlage II bij de onderhavige verordening opgenomen instandhoudingsreferentiepunten, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 18 van de onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
Wanneer luidens wetenschappelijk advies aanvullende maatregelen nodig zijn om te waarborgen dat alle visserijen waarop deze verordening van toepassing is, overeenkomstig artikel 3 van deze verordening beheerd worden, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 18 van de onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen. Onverminderd het bepaalde in artikel 18, leden 1 en 3, kan de Commissie gedelegeerde handelingen vaststellen bij gebreke van een in die leden bedoelde gemeenschappelijke aanbeveling. Die gedelegeerde handelingen omvatten maatregelen met betrekking tot:
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 – letter a
a)  de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de haakgrootte, de constructie van het vistuig, de twijndikte en de afmetingen van het vistuig of het gebruik van voorzieningen voor selectiviteit, om de selectiviteit te waarborgen of te verbeteren;
a)  de vaststelling van de kenmerken en specificaties van het vistuig, met name de maaswijdte, de haakgrootte, de constructie van het vistuig, de twijndikte en de afmetingen van het vistuig of het gebruik van voorzieningen voor selectiviteit, om de selectiviteit te waarborgen of te verbeteren, in het bijzonder met het oog op de beperking van ongewenste bijvangsten;
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 bis (nieuw)
Artikel 9 bis
Aanwijzing van paaigronden en gebieden voor herstel van de bestanden
Tot uiterlijk 2020 wijzen de lidstaten paaigronden en gebieden aan, waarvoor er duidelijke aanwijzingen zijn dat zich daar grote concentraties bevinden van vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, en stellen zij overeenkomstig artikel 12, lid 2, van deze verordening gemeenschappelijke aanbevelingen op voor de inrichting van gebieden voor herstel van bestanden waarop deze verordening van toepassing is.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – titel
Totale toegestane vangsten
Vangstmogelijkheden
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 maken de lidstaten bij de toewijzing van de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden gebruik van objectieve en transparante criteria.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.   Overeenkomstig artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 maken de lidstaten bij het gemeenschappelijke beheer van met derde landen gedeelde bestanden de uitwisseling van vangstmogelijkheden mogelijk.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2
2.  Onverminderd artikel 8 is de TAC voor het langoustinebestand in de ICES-zones IIa en IV de som van de vangstbeperkingen voor de functionele eenheden en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden.
2.  Voor het langoustinebestand in de ICES-zones IIa en IV worden vangstbeperkingen voor de afzonderlijke functionele eenheden alsook een gemeenschappelijke TAC voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden, vastgesteld.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Impact van de recreatievisserij
1.  Alle beschikbare gegevens over vangsten door de recreatievisserij worden bestudeerd om de mogelijke impact daarvan op de bestanden van gereglementeerde soorten te beoordelen.
2.  De Raad neemt de in lid 1 bedoelde beoordeling in aanmerking. De Raad houdt met betrekking tot die bestanden waarop de vangsten in de recreatievisserij worden geacht een aanmerkelijke impact te hebben, bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden rekening met de vangsten in de recreatievisserij onder meer:
a)  door de som van de ramingen van de vangsten door de recreatievisserij op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies, en het best beschikbare wetenschappelijke advies over de commerciële vangstmogelijkheden, als totale vangst te beschouwen die overeenstemt met het streefdoel voor de visserijsterfte;
b)  door beperkingen op te leggen aan recreatievisserij, inclusief vangstlimieten per dag en gesloten seizoenen, of
c)  door andere middelen die nodig worden geacht.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – titel
Bepalingen in verband met de aanlandingsverplichting voor de groepen 1 tot en met 7
Bepalingen in verband met de aanlandingsverplichting
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – alinea 1 – letter a
a)  vrijstellingen van de toepassing van de aanlandingsverplichting voor soorten waarvan wetenschappelijk vaststaat dat zij een hoge overlevingskans hebben, rekening houdend met de kenmerken van het vistuig, van de visserijpraktijken en van het ecosysteem, om de uitvoering van de aanlandingsverplichting te faciliteren; en
a)  vrijstellingen van de toepassing van de aanlandingsverplichting voor soorten met een door het best beschikbare wetenschappelijk advies aangetoonde hoge overlevingskans, rekening houdend met de kenmerken van het vistuig, van de visserijpraktijken en van het ecosysteem, om de uitvoering van de aanlandingsverplichting te faciliteren, en
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – alinea 1 – letter c
c)  bijzondere bepalingen betreffende het documenteren van vangsten, in het bijzonder met het oog op het toezicht op de uitvoering van de aanlandingsverplichting; en
c)  bijzondere bepalingen betreffende het documenteren van vangsten, in het bijzonder met het oog op het toezicht en controle, teneinde door het waarborgen van volledige naleving van de aanlandingsverplichting voor een gelijk speelveld te zorgen, en
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – alinea 1 bis (nieuw)
De in lid 1 van dit artikel genoemde maatregelen dragen bij aan de verwezenlijking van de in artikel 3 van deze verordening vermelde doelstellingen, met name de bescherming van jonge vissen en paaiende vissen.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 bis (nieuw)
Artikel 11 bis
Technische maatregelen
1.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 18 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de volgende technische maatregelen:
a)  de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;
b)  de specificatie van aanpassingen van of aanvullende hulpmiddelen voor vistuig, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;
c)  de beperking van of het verbod op het gebruik van bepaald vistuig en visserijactiviteiten in bepaalde gebieden of perioden, om paaiende vis, vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of niet-doelvissoorten te beschermen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken, en
d)  de vaststelling van minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, om de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen te waarborgen.
2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.   Voor de toepassing van lid 1 van het onderhavige artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 17. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer de toestand van een van de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, plotseling verandert. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend.
2.  Voor de toepassing van lid 1 van het onderhavige artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 17. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer de toestand van een van de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, plotseling verandert. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend.
Onverminderd het bepaalde in artikel 18, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 kan de Commissie gedelegeerde handelingen ook vaststellen wanneer een in die leden bedoelde gemeenschappelijke aanbeveling ontbreekt.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1
Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en daarna om de vijf jaar ziet de Commissie erop toe dat een evaluatie plaatsvindt van de gevolgen van het plan voor de onder deze verordening vallende bestanden en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren. Zij legt de resultaten van deze evaluatie over aan het Europees Parlement en de Raad.
Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en daarna om de vijf jaar ziet de Commissie erop toe dat een evaluatie plaatsvindt van de gevolgen van het plan voor de onder deze verordening vallende bestanden en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, alsook van de mate waarin de doelstellingen van deze verordening zijn bereikt, met inbegrip van het herstel van visbestanden boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, en de voortgang naar een goede milieutoestand. Zij legt de resultaten van deze evaluatie over aan het Europees Parlement en de Raad. De Commissie kan, waar dit noodzakelijk wordt geacht, op een vroegere datum verslag uitbrengen.
De Commissie brengt jaarlijks, zo vroeg mogelijk na de vaststelling van de jaarlijkse verordening van de Raad tot vaststelling van de vangstmogelijkheden in de Uniewateren en in bepaalde niet-Uniewateren, bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de vorderingen bij het verwezenlijken van de doelstellingen van deze verordening en over de situatie van de visbestanden in de wateren en voor de bestanden die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Dit verslag wordt gevoegd bij het jaarverslag als bedoeld in artikel 50 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Dit verslag omvat:
(a)  het wetenschappelijk advies op grond waarvan de vangstmogelijkheden zijn vastgesteld, en
(b)  een wetenschappelijke onderbouwing van de overeenstemming van de vastgestelde vangstmogelijkheden met de doelstellingen en de bepalingen van onderhavige verordening, met name de streefdoelen voor de visserijsterfte.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 bis (nieuw)
Artikel 18 bis
Steun van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij
Maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken, worden voor de toepassing van artikel 33, lid 1, onder a) en c), van Verordening (EU) nr. 508/2014 als tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten beschouwd.
(Dit artikel moet in hoofdstuk X opgenomen worden.)
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Bijlage I

Door de Commissie voorgestelde tekst

1.  Groep 1

Bestand

Streefbandbreedte voor de visserijsterfte die in samenhang is met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY)

Kolom A

Kolom B

Noordzeekabeljauw

0.22  – 0.33

0.33  – 0.49

Schelvis

0.25  – 0.37

0.37  – 0.52

Noordzeeschol

0.13  – 0.19

0.19  – 0.27

Zwarte koolvis

0.20  – 0.32

0.32  – 0.43

Noordzeetong

0.11  – 0.20

0.20  – 0.37

Kattegattong

0.19  – 0.22

0.22  – 0.26

Noordzeewijting

Niet gedefinieerd

Niet gedefinieerd

2.  Groep 2

Functionele eenheid langoustine (FU)

Streefbandbreedte voor de visserijsterfte die in samenhang is met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY) (als vangstniveau)

Kolom A

Kolom B

Sector IIIa FU 3 en 4

0.056  – 0.079

0.079  – 0.079

Farn Deeps FU 6

0.07  – 0.081

0.081  – 0.081

Fladen Ground FU 7

0.066  – 0.075

0.075  – 0.075

Firth of Forth FU 8

0.106  – 0.163

0.163  – 0.163

Moray Firth FU 9

0.091  – 0.118

0.118  – 0.118

Amendement

1.  Groep 1

Cijfers in de tabel zijn overgenomen uit het meest recente ICES-advies op bijzonder verzoek, het "Verzoek van de EU aan de ICES om FMSY-brandbreedtes te verstrekken voor bepaalde Noordzee- en Oostzeebestanden".

Bestand

Streefbandbreedtes voor de visserijsterfte die consistent zijn met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY)

Kabeljauw in deelgebied IV en in de sectoren VIId en IIIa West

FMSY lower - FMSY

 

Schelvis in deelgebied IV en in de sectoren VIa en IIIa West

FMSY lower - FMSY

 

Schol in deelgebied IV en in sector IIIa

FMSY lower - FMSY

 

Zwarte koolvis in de deelgebieden IV en VI en in sector IIIa

FMSY lower - FMSY

 

Tong in deelgebied IV

FMSY lower - FMSY

 

Tong in sector IIIa en in de subsectoren 22-24

FMSY lower - FMSY

 

Wijting in deelgebied IV en in sector VIId

FMSY lower - FMSY

 

Zeeduivel in sector IIIa en deelgebieden IV en VI

FMSY lower - FMSY

 

Noordse garnaal in sectoren IVa Oost en IIIa

FMSY lower - FMSY

 

2.  Groep 2

Cijfers in de tabel zijn overgenomen uit het meest recente ICES-advies op bijzonder verzoek, het "Verzoek van de EU aan de ICES om FMSY-brandbreedtes te verstrekken voor bepaalde Noordzee- en Oostzeebestanden".

Functionele eenheid langoustine (FU)

Streefbandbreedtes voor de visserijsterfte die consistent zijn met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY) (als vangstniveau)

 

Kolom A

 

Sector IIIa FU 3 en 4

FMSY lower - FMSY

 

Farn Deeps FU 6

FMSY lower - FMSY

 

Fladen Ground FU 7

FMSY lower - FMSY

 

Firth of Forth FU 8

FMSY lower - FMSY

 

Moray Firth FU 9

FMSY lower - FMSY

 

Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Bijlage II
Bijlage II
Bijlage II
Instandhoudingsreferentiepunten
Instandhoudingsreferentiepunten
(als bedoeld in artikel 7)
(als bedoeld in artikel 7)
1.  Groep 1
1.  Groep 1
Bestand
Referentiepunt voor de minimale paaibiomassa (MSY Btrigger)
Referentiepunt voor de grensbiomassa (ton) (Blim)

Bestand
Referentiepunt voor de minimale paaibiomassa (MSY Btrigger)
Referentiepunt voor de grensbiomassa (ton) (Blim)




Kolom A
Kolom B

Noordzeekabeljauw
165 000
118 000

Kabeljauw in deelgebied IV en in de sectoren VIId en IIIa West
165 000
118 000

Schelvis
88 000
63 000

Schelvis in deelgebied IV en in de sectoren VIa en IIIa West
88 000
63 000

Noordzeeschol
230 000
160 000

Schol in deelgebied IV en in de sectoren VIId en IIIa West
230 000
160 000

Zwarte koolvis
200 000
106 000

Zwarte koolvis in de deelgebieden IV en VI en in sector IIIa
150 000
106 000

Noordzeetong
37 000
26 300

Tong in deelgebied IV
37 000
26 300

Kattegattong
2 600
1 850

Tong in sector IIIa en in de subsectoren 22-24
2 600
1 850

Noordzeewijting
Niet gedefinieerd
Niet gedefinieerd

Wijting in deelgebied IV en in sector VIId
Niet gedefinieerd
Niet gedefinieerd





Zeeduivel in sector IIIa en deelgebieden IV en VI
Niet gedefinieerd
Niet gedefinieerd





Noordse garnaal in sectoren IVa Oost en IIIa
Niet gedefinieerd
Niet gedefinieerd

2.  Groep 2
2.  Groep 2
Functionele eenheid langoustine (FU)
Referentiepunt voor de minimale abundantie (miljoen) (Abundancebuffer)
Referentiepunt voor de grensabundantie (miljoen) (Abundancelimit)

Functionele eenheid langoustine (FU)
Referentiepunt voor de minimale abundantie (miljoen) (Abundancebuffer)
Referentiepunt voor de grensabundantie (miljoen) (Abundancelimit)




Kolom A
Kolom B

Sector IIIa FU 3 en 4
n.v.t.
n.v.t.

Sector IIIa FU 3 en 4
n.v.t.
n.v.t.

Farn Deeps FU 6
999
858

Farn Deeps FU 6
999
858

Fladen Ground FU 7
3 583
2 767

Fladen Ground FU 7
3 583
2 767

Firth of Forth FU 8
362
292

Firth of Forth FU 8
362
292

Moray Firth FU 9
262
262

Moray Firth FU 9
262
262

Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Bijlage II bis (nieuw)
Bijlage II bis
Verboden soorten
a)   sterrog (Amblyraja radiata)
b)   de volgende zaagrogsoorten:
i)   mestandzaagrog (Anoxypristis cuspidata);
ii)   dwergzaagrog (Pristis clavata);
iii)   kleintandzaagrog (Pristis pectinata);
iv)   gewone zaagrog (Pristis pristis);
v)   groene zaagrog (Pristis zijsron);
c)   reuzenhaai (Cetorhinus maximus) en witte haai (Carcharodon carcharias);
d)   vleetsoorten-complex (Dipturus batis) beide soorten (Dipturus cf. flossada en Dipturus cf. intermedia);
e)   gladde lantaarnhaai (Etmopterus pusillus) in de Uniewateren van ICES-sector IIIa en -deelgebied IV;
f)   rifmanta (Manta alfredi);
g)   reuzenmanta (Manta birostris);
h)   de volgende soorten roggen van het geslacht Mobula:
i)   duivelsrog (Mobula mobular);
ii)   Mobula rochebrunei;
iii)   gestekelde duivelsrog (Mobula japanica);
iv)   gladstaartduivelsrog (Mobula thurstoni);
v)   langvinduivelsrog (Mobula eregoodootenkee);
vi)   dwergduivelsrog (Mobula munkiana);
vii)   sikkelvinduivelsrog (Mobula tarapacana);
viii)   kortvinduivelsrog (Mobula kuhlii);
ix)   Atlantische duivelsrog (Mobula hypostoma);
i)   stekelrog (Raja clavata) in de Uniewateren van ICES-sector IIIa;
j)   gitaarroggen (Rhinobatidae);
k)   zee-engel (Squatina squatina);
l)   zalm (Salmo salar) en zeeforel (Salmo trutta) wanneer wordt gevist met een sleepnet in de wateren buiten de 6-mijlszone vanaf de basislijnen van de lidstaten in de ICES-deelgebieden II en IV (Uniewateren);
m)   vrouwelijke rivierkreeften met eitjes (Palinuridae spp.) en vrouwelijke kreeft met eitjes (Homarus gammarus) behalve wanneer zij worden gebruikt voor rechtstreekse uitzetting of voor overbrenging;

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissies op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0263/2017).


Transparantie, verantwoordelijkheid en integriteit in de EU-instellingen
PDF 377kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over transparantie, verantwoordelijkheid en integriteit in de EU-instellingen (2015/2041(INI))
P8_TA(2017)0358A8-0133/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit van 15 april 2014 over de wijziging van het Interinstitutioneel akkoord over het transparantieregister(1),

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 9 en 10,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 mei 2008 over de ontwikkeling van het kader voor de activiteiten van de belangenvertegenwoordigers (lobbyisten) bij de instellingen van de Europese Unie(2),

–  gezien het besluit van de Commissie van 25 november 2014 om geen lobbyisten te ontmoeten die niet zijn geregistreerd en om informatie over lobbybijeenkomsten openbaar te maken,

–  gezien zijn resolutie van dinsdag 11 maart 2014 over de toegang van het publiek tot documenten (artikel 104, lid 7) voor de periode 2011‑2013(3),

–  gezien de beginselen van transparantie en integriteit voor lobbyisten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO),

–  gezien zijn besluit van 13 december 2016 over de algemene herziening van het Reglement van het Europees Parlement(4),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie juridische zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0133/2017),

A.  overwegende dat de Unie "in al haar activiteiten het beginsel van gelijkheid van haar burgers, die gelijke aandacht genieten van haar instellingen [eerbiedigt]" (artikel 9 van het VEU); overwegende dat "iedere burger het recht [heeft] aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen" en "de besluitvorming [plaatsvindt] op een zo open mogelijke wijze, en zo dicht bij de burgers als mogelijk" (artikel 10, lid 3, van het VEU en op soortgelijke wijze geformuleerd in overweging 13 van de preambule hierbij en in de artikel 1, lid 2, en artikel 9 hiervan); overwegende dat "de instellingen, organen en instanties van de Unie in een zo groot mogelijke openheid [werken]" (artikel 15, lid 1, van het VWEU);

B.  overwegende dat EU-instellingen al voortgang hebben geboekt en opener zijn geworden en in veel opzichten reeds voorlopen op nationale en regionale politieke instellingen wat betreft transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit;

C.  overwegende dat de dialoog tussen wetgevers en de samenleving een essentieel onderdeel van democratie vormt, net als de vertegenwoordiging van belangen, en overwegende dat de adequate vertegenwoordiging van verschillende belangen in het wetgevingsproces parlementsleden informatie en deskundigheid verschaft en cruciaal is voor de correcte werking van pluralistische samenlevingen;

D.  overwegende dat de EU-instellingen, gezien de groeiende afstand tussen de EU en haar burgers, en de noodzaak om de media-aandacht voor EU-aangelegenheden te bevorderen, moeten streven naar de hoogst mogelijke normen op het gebied van transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit; overwegende deze beginselen van essentieel belang zijn en elkaar aanvullen om goed bestuur in de EU-instellingen te bevorderen en voor meer openheid te zorgen ten aanzien van de werking van de EU en haar besluitvormingsproces; overwegende dat zij moeten gelden als de leidende beginselen voor de cultuur binnen de instellingen;

E.  overwegende dat het vertrouwen van de burgers in de EU-instellingen van fundamenteel belang is voor de democratie, goed bestuur en doeltreffende beleidsvorming; overwegende dat leemten in de verantwoordingsplicht binnen de EU moeten worden weggewerkt en dat werk moet worden gemaakt van toezichtsmethoden die meer op samenwerking zijn gestoeld en waarbij democratisch toezicht, controles en auditactiviteiten worden gecombineerd alsook meer transparantie wordt betracht;

F.  overwegende dat niet-transparant, eenzijdig lobbyisme een risico op corruptie met zich mee kan brengen en een aanzienlijke bedreiging en serieuze uitdaging kan vormen voor de integriteit van beleidsmakers, het openbaar belang en het vertrouwen van burgers in EU-instellingen; overwegende dat corruptie grote financiële gevolgen heeft en een ernstige bedreiging vormt voor de democratie, de rechtsstaat en overheidsinvesteringen;

G.  overwegende dat een rechtshandeling als nieuwe basis voor een verplicht transparantieregister een juridische definitie vereist van de activiteiten die onder het toepassingsgebied van het register vallen, hetgeen zou helpen om de bestaande vage definities en interpretaties van transparantie, integriteit en verantwoordingsplicht te verduidelijken;

H.  overwegende dat in sommige lidstaten reeds nationale transparantieregisters zijn opgezet;

I.  overwegende dat alle burgers van de Unie op grond van het in artikel 15, lid 3, van het VWEU verankerde transparantievereiste in combinatie met artikel 42 van het Handvest van de grondrechten en de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ‑EU) recht op toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie hebben(5);

Het transparantieregister zo verplicht mogelijk maken

1.  is ingenomen met het besluit van het Bureau om zijn bestuur te vragen een model te ontwikkelen voor alle rapporteurs en rapporteurs voor advies om een vrijwillige wetgevingsvoetafdruk op te stellen, waaruit blijkt welke lobbyisten en organisaties zij hebben geraadpleegd; dit model zou eveneens als IT-tool moeten worden verstrekt;

2.  herinnert aan zijn herziening van het Reglement van 13 december 2016, op grond waarvan de leden als vaste praktijk dienen te hanteren dat zij slechts belangenvertegenwoordigers ontmoeten die in het transparantieregister zijn ingeschreven, en dringt erop aan dat dit ook betrekking heeft op ontmoetingen tussen belangenvertegenwoordigers en secretarissen-generaal, directeuren-generaal en secretarissen-generaal van fracties; verzoekt de leden en hun medewerkers na te gaan of de belangenvertegenwoordigers die zij voornemens zijn te ontmoeten geregistreerd zijn en om, indien dit niet het geval is, hen te verzoeken dit zo snel mogelijk en vóór de ontmoeting te doen; dringt er bij de Raad op aan een soortgelijke bepaling in te voeren die ook betrekking heeft op permanente vertegenwoordigingen; acht het noodzakelijk om personen die in het transparantieregister worden geregistreerd ertoe te verplichten documenten over te leggen die staven dat de verstrekte informatie correct is;

3.  herinnert aan de definities van een "bijeenkomst met belangenvertegenwoordigers" die zijn opgenomen in het besluit van de Commissie van 25 november 2014 over de publicatie van informatie over vergaderingen; herinnert aan de bepalingen inzake de vraag welke informatie mag worden achtergehouden krachtens Verordening (EG) nr. 1049/2001; is van mening dat de bepalingen inzake dergelijke bijeenkomsten niet beperkt moeten blijven tot "bilaterale" ontmoetingen, maar ook betrekking moeten hebben op ontmoetingen met internationale organisaties;

4.  is van mening dat rapporteurs, schaduwrapporteurs en commissievoorzitters hun bijeenkomsten met belangenbehartigers die onder het toepassingsgebied van het Transparantieregister vallen over dossiers die onder hun bevoegdheden ressorteren openbaar moeten maken door middel van een wetgevingsvoetafdruk, en dat eventuele uitzonderingen in dienst moeten staan van de bescherming van het leven en de vrijheid van informanten die te goeder trouw handelen;

5.  dringt er bij het Bureau op aan te zorgen voor de noodzakelijke middelen om leden in staat te stellen om, indien zij dit wensen, hun vergaderingen met belangenvertegenwoordigers op hun onlineprofiel van het Parlement te publiceren;

6.  dringt er bij de Commissie op aan om de praktijk om uitsluitend organisaties of als zelfstandige werkzame personen te ontmoeten die in het transparantieregister zijn geregistreerd, uit te breiden naar alle relevante medewerkers van de Commissie (vanaf de rang van eenheidshoofd en daarboven);

7.  dringt er bij de Commissie op aan om de ontmoetingen van alle relevante Commissiemedewerkers die betrokken zijn bij het beleidsvormingsproces van de EU met externe organisaties openbaar te maken, en daarbij de noodzakelijke gegevensbeschermingsregels in acht te nemen; wijst erop dat voor andere bij deze ontmoetingen aanwezige personeelsleden de eenheid of dienst openbaar moet worden gemaakt;

8.  ondersteunt de oproep van de Commissie aan de EU-instellingen en hun personeelsleden en de agentschappen, om geen niet-geregistreerde belangenvertegenwoordigers, die onder het toepassingsgebied van het transparantieregister vallen, als spreker uit te nodigen, geen beschermheerschap te verlenen aan hun evenementen of deze evenementen te organiseren in de gebouwen van de EU, en hen evenmin te laten deelnemen aan adviesorganen van de Commissie;

9.  dringt er bij de Commissie op aan alle informatie over belangenvertegenwoordiging bij de EU-instellingen, belangenverklaringen, vastgestelde belangenconflicten en deskundigengroepen gemakkelijk toegankelijk te maken voor het publiek door middel van één centraal online-informatiepunt;

10.  spoort de Commissie aan maatregelen te ontwikkelen om een beter evenwicht te bereiken door de positie van ondervertegenwoordigde belangen te verbeteren;

11.  is van mening dat leden van het Europees Parlement die worden benoemd tot rapporteur, schaduwrapporteur, of commissievoorzitter gezien hun rol bij de EU-wetgeving een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om transparantie te betrachten over hun contacten met belangenvertegenwoordigers;

12.  is van mening dat in het transparantieregister geregistreerde entiteiten verplicht moeten worden om de informatie in het register over uitgaven voor activiteiten die binnen de bevoegdheid van het register vallen tijdig te actualiseren, wanneer deze uitgaven het voor de desbetreffende categorie vastgestelde niveau overschrijden;

13.  is van mening dat alle geregistreerde entiteiten verplicht moeten worden om in het transparantieregister een lijst te publiceren van alle donoren en hun desbetreffende donaties van meer dan 3 000 euro, waarbij zowel de aard als de waarde van de jaarlijkse individuele donaties moeten worden vermeld; wijst erop dat individuele donaties van meer dan 12 000 euro onmiddellijk moeten worden vermeld;

14.  herinnert aan zijn reeds lang geleden uitgesproken wens om het EU-transparantieregister te baseren op een rechtshandeling indien het niet mogelijk is alle mazen af te dekken en een volledig verplicht register voor alle belangenvertegenwoordigers tot stand te brengen in het kader van een interinstitutioneel akkoord; is van mening dat in het voorstel voor deze rechtshandeling rekening kan worden gehouden met de vooruitgang die is geboekt als gevolg van wijzigingen van het interinstitutioneel akkoord en de gedragscode van het Parlement; herinnert de Commissie eraan dat het in zijn besluit van 15 april 2014 de wens heeft uitgesproken dat de Commissie uiterlijk eind 2016 met een op artikel 352 VWEU gebaseerd wetgevingsvoorstel voor een bindend transparantieregister komt;

15.  herhaalt zijn oproep aan de Raad en zijn voorbereidende organen om zo spoedig mogelijk mee te werken aan het transparantieregister; dringt er bij de lidstaten op aan wetgeving door te voeren om de transparantie met betrekking tot belangenvertegenwoordiging te bevorderen; verzoekt de lidstaten regels in te voeren om belangenvertegenwoordigers te verplichten transparant te zijn over hun contacten met nationale politici en overheidsinstanties die gericht zijn op beïnvloeding van Europese wetgeving;

Transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit bij de omgang met belangenvertegenwoordigers

16.  herinnert aan zijn besluit van 13 december 2016 om de privileges in te trekken van degenen die niet bereid zijn mee te werken aan onderzoeken of hoorzittingen en vergaderingen van commissies die een onderzoeksmissie uitvoeren; dringt er bij de Commissie op aan de gedragscode voor geregistreerde entiteiten verder aan te passen teneinde hen te stimuleren om gedurende dergelijke hoorzittingen of commissievergaderingen, te goeder trouw, geen onvolledige of misleidende informatie te verstrekken; is van mening dat het de in het transparantieregister geregistreerde entiteiten in de gedragscode moet worden verboden om individuen of organisaties in te huren met als doel de belangen of partijen die zij dienen te verhullen;

17.  is van mening dat professionele adviesbureaus, advocatenkantoren en zelfstandige adviseurs moeten vermelden wat de precieze omvang is van de activiteiten die onder het register vallen, waarbij onderkend moet worden dat bepaalde personen wegens nationale wetgeving in sommige lidstaten niet in staat zijn om aan de vereisten van het transparantieregister te voldoen;

18.  benadrukt dat geregistreerde entiteiten, met inbegrip van advocatenkantoren en adviesbureaus, in het transparantieregister alle cliënten dienen te vermelden voor wie zij onder het register vallende belangenvertegenwoordigingsactiviteiten verrichten; is ingenomen met de besluiten van de diverse ordes van advocaten en juristen waarin de verschillen worden erkend tussen gerechtelijke activiteiten van advocaten en overige activiteiten die onder het toepassingsgebied van het transparantieregister vallen; verzoekt de Raad van de balies van de Europese Unie bovendien om zijn leden aan te sporen soortgelijke maatregelen te treffen, waarbij onderkend moet worden dat bepaalde personen wegens nationale wetgeving in sommige lidstaten niet in staat zijn om aan de vereisten van het transparantieregister te voldoen;

19.  stelt vast dat in een aantal lidstaten wettelijk voorgeschreven beroepscodes gelden die het met name advocatenkantoren objectief onmogelijk maken zich in het transparantieregister in te schrijven vanwege de informatie die zij daartoe over hun cliënten zouden moeten prijsgeven; constateert echter ook dat het gevaar bestaat dat deze wettelijke bepalingen ten onrechte worden ingeroepen om de voor een correcte inschrijving in het register vereiste informatie niet openbaar te maken; is in dit kader verheugd over de bereidheid van beroepsverenigingen van advocaten mee te helpen waarborgen dat het achterhouden van dergelijke informatie, in het belang van de beroepsgroep, beperkt zal blijven tot wat de wet objectief toestaat; verzoekt de Commissie en de Voorzitter van het Europees Parlement deze bereidheid in een concrete vorm te gieten en dit resultaat zo snel mogelijk op te nemen in het gewijzigde akkoord;

20.  verzoekt het Bureau om overeenkomstig artikel 15 van het VWEU en artikel 11 van het VEU niet-geregistreerde organisaties of personen die activiteiten ontplooien die onder het transparantieregister vallen, te verplichten zich te registreren alvorens zij toegang tot gebouwen van het Parlement krijgen; is van mening dat bezoekersgroepen hiervan uitgezonderd moeten worden; benadrukt dat het Parlement, als de kamer die de Europese burgers vertegenwoordigt, een opendeurbeleid voor burgers moet handhaven en dat er geen onnodige obstakels moeten worden opgeworpen die burgers ervan kunnen weerhouden de gebouwen van het Parlement te bezoeken;

21.  betreurt dat volgens Transparency International meer dan de helft van de vermeldingen in het EU-lobbyregister in 2015, onnauwkeurig, onvolledig of niet-relevant was;

22.  verzoekt zijn Bureau en zijn secretaris-generaal het reactiveringsproces dat nodig is voor toegangspasjes van lobbyisten te vergemakkelijken door een speciale faciliteit voor het reactiveren in te richten teneinde buitensporige wachttijden om de gebouwen binnen te komen, te vermijden; verzoekt de beperking tot maximaal vier houders van toegangspasjes die tegelijk toegang kunnen krijgen tot de gebouwen van het Parlement, te schrappen;

23.  herinnert aan zijn besluit van 13 december 2016 inzake "Entourage"-pasjes, en verzoekt zijn secretaris-generaal de regels inzake toegangspasjes en toegangsrechten voor de gebouwen van het Europees Parlement van 13 december 2013 te wijzigen zodat eenieder die ouder is dan 18 en die een aanvraag indient voor een "Entourage"-pasje een document moet ondertekenen waarin hij verklaart geen activiteiten te verrichten die onder het transparantieregister vallen;

24.  acht het noodzakelijk om zo snel mogelijk een deugdelijk systeem op te zetten voor de controle van de vermeldingen, teneinde ervoor te zorgen dat de door geregistreerde personen verstrekte informatie betekenisvol, nauwkeurig, actueel en alomvattend is; dringt er in dit verband op aan de middelen van de afdeling Transparantie binnen het Europees Parlement en het gezamenlijke secretariaat voor het transparantieregister aanzienlijk te verhogen;

25.  is van mening dat de verklaringen van geregistreerde entiteiten jaarlijks door de afdeling Transparantie en het gezamenlijke secretariaat voor het transparantieregister moeten worden geverifieerd op basis van steekproeven van toereikende omvang zodat betekenisvolle, nauwkeurige, actuele en alomvattende gegevens worden verstrekt;

26.  is van mening dat, onder verwijzing naar artikel 4, lid 2, en artikel 5, lid 2, VEU, democratische gekozen en gecontroleerde overheidsinstellingen op nationaal, regionaal en lokaal niveau en hun vertegenwoordigingen bij de EU-instellingen, alsook hun interne organen en formele en informele federaties en overkoepelende organisaties, die uitsluitend daaruit zijn samengesteld, niet onder het EU-transparantieregister moeten vallen wanneer zij in het openbaar belang optreden, aangezien zij deel uitmaken van het meerlagig bestuur van de EU;

Integriteit beschermen tegen belangenconflicten

27.  roept die EU-instellingen en -organen die nog steeds geen gedragscode hebben dringend op zo spoedig mogelijk alsnog een dergelijk document op te stellen; betreurt het dat de Raad en de Europese Raad nog steeds geen gedragscode voor hun leden hebben aangenomen; dringt er bij de Raad op aan een specifieke gedragscode in te voeren, waarin ook sancties zijn opgenomen, voor de aanpak van de specifieke risico's die samenhangen met de leden van nationale delegaties; stelt met klem dat de Raad even verantwoordingsplichtig en transparant moet zijn als de overige instellingen; dringt voorts aan op een gedragscode voor de leden en medewerkers van de twee adviesorganen van de EU, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité; verzoekt de EU‑agentschappen richtsnoeren vast te stellen voor een coherent beleid inzake de voorkoming van en de omgang met belangenconflicten bij leden van raden van bestuur, directeuren, deskundigen in wetenschappelijke comités en leden van raden van beroep, en een helder beleid vast te stellen en ten uitvoer te leggen inzake belangenconflicten, conform de routekaart van de Commissie voor de follow‑up van de gemeenschappelijke aanpak van gedecentraliseerde EU-agentschappen;

28.  is van mening dat alle EU-ambtenaren, met inbegrip van tijdelijke functionarissen, geaccrediteerde parlementaire medewerkers, arbeidscontractanten en nationale deskundigen, moeten worden aangemoedigd een opleiding te volgen in de omgang met belangenvertegenwoordigers en belangenconflicten;

29.  onderstreept dat de integriteit moet worden vergroot en het ethische kader moet worden versterkt via duidelijke, versterkte gedragscodes en ethische beginselen, om zo de ontwikkeling van een gedeelde en effectieve cultuur van integriteit voor alle instellingen en agentschappen van de EU mogelijk te maken;

30.  erkent dat het draaideur-effect schadelijk kan zijn voor betrekkingen tussen de instellingen en belangenvertegenwoordigers; dringt er bij de EU‑instellingen op aan om een systematische en evenredige aanpak van dit probleem te ontwikkelen; is van mening dat alle regelgeving inzake "draaideur-constructies" ook van toepassing moet zijn op de voorzitter van de Raad;

31.  dringt erop aan de beperkingen voor oud-Commissarissen aan te scherpen door de "afkoelperiode" uit te breiden tot drie jaar en deze te laten gelden voor ten minste alle activiteiten die onder het transparantieregister vallen;

32.  is van mening dat besluiten met betrekking tot de nieuwe taken van hoge ambtenaren en oud-commissarissen moeten worden genomen door een autoriteit die is aangewezen met de grootst mogelijke onafhankelijkheid ten aanzien van degenen op wie haar besluiten betrekking hebben;

33.  verlangt dat alle EU-instellingen, overeenkomstig de gegevensbeschermingsregels van de EU, jaarlijks informatie bekend moeten maken over hoge ambtenaren die het EU‑bestuur hebben verlaten en de taken die zij sindsdien vervullen;

34.  is van mening dat moet worden overwogen een afkoelperiode van 18 maanden te hanteren na afloop van de benoeming van externe en ad-hocleden van de Raad voor regelgevingstoetsing in het kader van betere wetgeving, en van directieleden van de Europese Investeringsbank, gedurende welke zij geen lobbyactiviteiten mogen verrichten bij de leden van de bestuursorganen van de EIB en het bankpersoneel, ten behoeve van hun bedrijf, hun cliënt of hun werkgever;

Integriteit en een evenwichtige samenstelling van deskundigengroepen

35.  is verheugd over het voornemen van de Commissie om gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Ombudsman ter voorkoming van belangenconflicten in deskundigengroepen en steunt uitdrukkelijk de openbaarmaking van een voldoende gedetailleerd cv en een belangenverklaring van iedere op persoonlijke titel benoemde deskundige in het deskundigengroepsregister;

36.  steunt de oproep van de Ombudsman om inschrijving in het transparantieregister als voorwaarde te stellen voor benoeming als lid in een deskundigengroep, voor die leden die geen regeringsfunctionarissen zijn en niet hun gehele salaris of het merendeel daarvan van staatsinstellingen zoals universiteiten ontvangen, ervan uitgaande dat laatstgenoemden geen financiering ontvangen van belangenvertegenwoordigers en economische en commerciële belanghebbenden;

37.  is van mening dat een bepaling met algemene criteria voor de afbakening van economische en niet‑economische belangen, zoals aanbevolen door de Ombudsman, en gebaseerd op de belangenverklaringen van deskundigen, de Commissie zou helpen bij de selectie van deskundigen die de verschillende belangen in een betere verhouding vertegenwoordigen;

38.  dringt er bij de Commissie op aan alle notulen van deskundigengroepsvergaderingen op haar website openbaar te maken, met inbegrip van de verschillende vertegenwoordigde standpunten;

39.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat bij raadplegingen open vragen worden onderzocht in plaats van dat zij uitsluitend uitnodigen tot bevestiging van een reeds gekozen beleidsrichting;

Integriteit van de Europese verkiezingen

40.  is van mening dat uit hoofde van het Europese kiesrecht, de kandidaten binnen een partij in een geheime stemming en met voldoende inspraak van de leden moeten worden voorgedragen, en dat personen die bij een definitieve rechterlijke beslissing zijn veroordeeld voor corruptie die de financiële belangen van de EU schaadt of voor corruptie in een lidstaat, gedurende een gezien de ernst van het strafbare feit passende periode het passief kiesrecht moeten verliezen; wijst erop dat deze uitsluitingsprocedure reeds in enkele lidstaten wordt toegepast; is van mening dat middels een nieuw instrument, zoals een richtlijn, gemeenschappelijke minimumnormen kunnen worden vastgesteld voor verschillende praktijken en rechtskaders in de diverse lidstaten met betrekking tot uitsluiting wegens corruptie;

Versterking van de verantwoordingsplicht van commissarissen

41.  verzoekt de Commissie om, naar het voorbeeld van lidstaten met een wet inzake ministers, met een wetgevingsvoorstel te komen tot vaststelling van de transparantieverplichtingen en ‑rechten van commissarissen, in overeenstemming met de medebeslissingsprocedure;

42.  verlangt dat de vergoedingen van de commissarissen, waaronder hun bezoldiging, die sinds de oprichting van de Europese Gemeenschappen uitsluitend door de Raad worden bepaald, voortaan via de medebeslissingsprocedure worden vastgesteld;

43.  wijst erop dat het in sommige lidstaten ontbreekt aan een wet inzake ministers, waarin wordt uitgesloten dat ambtsdragers een gehele onderneming of delen daarvan bezitten;

Belangenconflicten bij gedeeld beheer en in derde landen bij het beheer van EU‑gelden

44.  ziet een ernstig belangenconflict in de mogelijkheid dat ondernemingen die eigendom zijn van EU‑ambtsdragers EU‑middelen kunnen aanvragen of deze middelen als onderaannemer kunnen ontvangen, terwijl de eigenaar en ambtsdrager zelf tegelijkertijd verantwoordelijk is voor de behoorlijke besteding van deze middelen en de controle daarop;

45.  dringt er bij de Commissie op aan voortaan in alle EU‑wetgeving inzake subsidies de bepaling op te nemen dat ondernemingen in een EU‑lidstaat of een derde land die eigendom van ambtsdragers zijn, geen EU‑middelen kunnen aanvragen of ontvangen;

Verwezenlijking van de doelstelling van volledige toegang tot documenten en transparantie met het oog op verantwoordingsplicht in het wetgevingsproces

46.  herinnert aan zijn oproep aan de Commissie en de Raad in zijn resolutie van 28 april 2016 over de publieke toegankelijkheid van documenten voor de periode 2014-2015(6), waarin het:

   opriep om het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1049/2001 uit te breiden tot alle Europese instellingen die daar nog niet onder vallen, zoals de Europese Raad, de Europese Centrale Bank, het Hof van Justitie, en alle organen en agentschappen van de EU,
   aandrong op de volledige naleving van de verplichting van de instellingen, agentschappen en andere organen om een register van alle documenten bij te houden, overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van Verordening (EG) nr. 1049/2001,
   erop wees dat documenten die in het kader van trialogen worden opgesteld, zoals agenda's, overzichten van resultaten, notulen en algemene oriëntaties in de Raad, verband houden met wetgevingsprocedures en in beginsel niet anders dan andere wetgevingsdocumenten mogen worden behandeld, en rechtstreeks toegankelijk moeten worden gemaakt via de website van het Parlement,
   aandrong op een gemeenschappelijk interinstitutioneel register, met inbegrip van een gezamenlijke databank over de stand van zaken met betrekking tot wetgevingsdossiers, waar aan wordt gewerkt zoals overeengekomen in het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven,
   de Raad opriep de notulen van de vergaderingen van de werkgroepen van de Raad en andere documenten openbaar te maken,
   er bij de Commissie op aandrong een uniek register van alle niveau 2-wetgeving op te zetten, met name voor gedelegeerde handelingen, en erop wees dat daar aan wordt gewerkt zoals overeengekomen in het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven,
   de overtuiging uitsprak dat een onafhankelijke toezichtsautoriteit belast moet worden met het toezicht op de classificatie en declassificatie van documenten,
   verzocht de agenda's en feedbacknota's van de vergaderingen van de coördinatoren, het Bureau en de Conferentie van voorzitters van het Parlement openbaar te maken, evenals, in beginsel, alle documenten waarnaar wordt verwezen in deze agenda's, door deze op de website van het Parlement te publiceren;

Transparantie van de externe vertegenwoordiging en onderhandelingen van de EU

47.  is verheugd over de recente jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie waarmee het recht van het Parlement op informatie over internationale overeenkomsten wordt versterkt, en over de toezegging van de instellingen om gevolg te geven aan punt 40 van het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven door te onderhandelen over betere samenwerking en deling van informatie; wijst erop dat de onderhandelingen eind 2016 van start zijn gegaan en dringt er in dit verband bij de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden op aan zich oprecht in te zetten en al het nodige te doen om zo snel mogelijk een overeenkomst met het Parlement te bereiken voor de volledige duur van internationale overeenkomsten, aangezien dit de legitimiteit van en democratische controle op het extern optreden van de EU zou vergroten;

48.  merkt op dat, hoewel er een interinstitutionele samenwerkingsovereenkomst bestaat tussen het Parlement en de Commissie, er geen overeenkomstige regeling bestaat tussen het Parlement en de Raad;

49.  onderstreept de recente inspanningen van de Commissie voor meer transparantie bij handelsbesprekingen; is er desondanks van overtuigd dat de Raad en de Commissie hun werkmethodes nog moeten verbeteren om beter met het Parlement samen te werken wat betreft toegang tot documenten, informatie en besluitvorming over alle thema's en onderhandelingen die te maken hebben met het gemeenschappelijk handelsbeleid (zoals informatie over de onderhandelingen – bijvoorbeeld over de verkennende fase, de mandaten en het verloop van de onderhandelingen – de gemengde of exclusieve aard van handelsovereenkomsten en de voorlopige toepassing van ervan, activiteiten en besluiten van organen die in het kader van handels- en/of investeringsovereenkomsten opgericht zijn, vergaderingen van deskundigen, en gedelegeerde en uitvoeringshandelingen); betreurt in dit verband dat de Raad de leden van het Europees Parlement en het publiek nog steeds geen inzage heeft gegeven in de onderhandelingsmandaten voor alle op dit moment lopende onderhandelingen, maar is verheugd over het feit dat er, nadat de Commissie en het Parlement een jaar hebben onderhandeld over toegang tot documenten over de onderhandelingen over het Trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP), eindelijk een operationeel akkoord is bereikt om alle EP-leden inzagerecht te geven, zodat de onderhandelingen over het TTIP de tot dusver meest transparante onderhandelingen ooit zijn; is in dit verband ingenomen met de ambitie van het directoraat-generaal Handel van de Commissie om het huidige transparantie-initiatief voor het TTIP als model voor alle handelsbesprekingen te gebruiken, zoals aangekondigd in de handelsstrategie "Handel voor iedereen", en dit te verwezenlijken;

50.  benadrukt in navolging van het Europees Hof van Justitie dat vanwege de democratische aard van het bestuur in de EU transparantie een vereiste is, en dat wanneer vertrouwelijke informatie niet publiekelijk vrijgegeven mag worden, zoals bij handelsbesprekingen, de informatie wel beschikbaar moet zijn voor parlementsleden die namens de burgers toezicht houden op het handelsbeleid; is daarom van mening dat toegang tot vertrouwelijke informatie cruciaal is voor het toezicht door het Parlement, dat op zijn beurt ook de verplichting moet naleven om correct met deze informatie om te gaan; is van mening dat er duidelijke voorwaarden moeten zijn om documenten als "vertrouwelijk" te beschouwen, teneinde ambiguïteit en willekeurige besluitvorming te voorkomen, en dat anderzijds het document moet worden vrijgegeven zodra er geen noodzaak tot geheimhouding meer bestaat; dringt er bij de Commissie op aan te beoordelen of een onderhandelingsdocument openbaar gemaakt kan worden zodra het document in kwestie intern is afgehandeld; merkt op dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie duidelijk blijkt dat wanneer voor een document van een EU‑instelling een uitzondering op het recht op toegang voor het publiek geldt, de instelling duidelijk moet uitleggen in welk opzicht de toegang tot dat document een concrete en daadwerkelijke ondermijning zou vormen van het belang dat door de uitzondering wordt beschermd, en dat dit risico redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch moet zijn; roept de Commissie op om de aanbevelingen van de Europese Ombudsman van juli 2014 te implementeren, met bijzondere aandacht voor toegang tot documenten voor alle besprekingen, en de openbaarmaking van de agenda's en de notulen van vergaderingen met personen en organisaties die onder het transparantieregister vallen; dringt er bij de Commissie op aan om ten behoeve van het Parlement en het publiek voorafgaand aan de onderhandelingen gedetailleerde agenda's van de onderhandelingsronden en gedetailleerde verslagen van de ronden na afloop ervan te publiceren;

51.  meent dat de EU het voortouw moet nemen bij het bevorderen van transparantie rond handelsbesprekingen, niet alleen bij bilaterale maar, waar mogelijk, ook bij plurilaterale en multilaterale besprekingen, met ten minste evenveel transparantie als de onderhandelingen die in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) worden georganiseerd; benadrukt echter dat de Commissie ook haar onderhandelingspartners ervan moet overtuigen om van hun kant voor meer transparantie te zorgen, teneinde een wederkerig proces te waarborgen waarbij de onderhandelingspositie van de EU niet wordt ondermijnd, en vraagt haar om het nagestreefde transparantieniveau aan te kaarten in de verkennende gesprekken met potentiele onderhandelingspartners; onderstreept dat meer transparantie in het belang van alle onderhandelingspartners van de EU en belanghebbende partijen overal ter wereld is en de mondiale steun voor op regels gebaseerde handel kan versterken;

52.  brengt in herinnering dat het voor het wetgevingsproces van het gemeenschappelijk handelsbeleid belangrijk is om rekening te houden met de EU-statistieken overeenkomstig artikel 338, lid 2, VWEU, en met effect- en duurzaamheidsbeoordelingen die beantwoorden aan de hoogste normen voor neutraliteit en betrouwbaarheid, een beginsel dat zou moeten gelden voor alle betreffende herzieningen in het kader van het beleid van de Commissie voor "betere regelgeving"; meent dat de handelsovereenkomsten van de EU door effectbeoordelingen per sector aan betrouwbaarheid en legitimiteit zouden winnen;

53.  herinnert aan zijn oproep aan de Commissie in zijn resolutie van 12 april 2016(7) om een Europese gedragscode inzake transparantie, integriteit en verantwoordingsplicht op te stellen, die moet dienen als richtsnoer voor het optreden van EU‑vertegenwoordigers in internationale organisaties/organen; dringt aan op betere beleidscoherentie en coördinatie tussen de mondiale instellingen door middel van de invoering van veelomvattende normen voor democratische legitimiteit, transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit; is van mening dat de EU haar afvaardiging in multilaterale organisaties/organen moet stroomlijnen en codificeren om de betrokkenheid en de invloed van de Unie in deze organen, evenals de wetgeving die zij via democratische weg heeft aangenomen, transparanter te maken en de integriteit en verantwoordingsplicht te vergroten; dringt aan op de vaststelling van een interinstitutioneel akkoord ter formalisering van de dialogen tussen EU-vertegenwoordigers en het Parlement met als doel richtsnoeren op te stellen voor de vaststelling en coherentie van de Europese standpunten in de aanloop naar grote internationale onderhandelingen;

Transparantie en verantwoordingsplicht op het gebied van overheidsuitgaven

54.  is van mening dat de gegevens over de begroting en uitgaven binnen de EU transparant en controleerbaar moeten zijn door ze openbaar te maken, onder meer op het niveau van de lidstaten wat betreft gedeeld beheer;

Transparantie en verantwoordingsplicht inzake economische governance in de eurozone

55.  is van mening dat besluiten die worden genomen in het kader van de Eurogroep, het Economisch en Financieel Comité, "informele" vergaderingen van de Ecofin-Raad en Eurotoppen waar nodig moeten worden geïnstitutionaliseerd, transparanter moeten worden en dat hierover meer verantwoording moet worden afgelegd, onder meer door publicatie van de desbetreffende agenda's en notulen, waarbij een evenwicht wordt bewerkstelligd tussen de gewenste transparantie en de noodzakelijke bescherming van het financiële, monetaire of economische beleid van de Unie of een lidstaat;

Transparantie en verantwoordingsplicht betreffende de EU-begroting

56.  wijst erop dat in 2014 in het totaal 40 zaken met betrekking tot EU-medewerkers en leden van de instellingen werden afgerond; onderstreept dat dit een gering aantal is waaruit blijkt dat fraude en corruptie binnen de EU-instellingen niet endemisch van aard is(8);

57.  wijst erop dat het grootste aantal door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) gemelde mogelijke fraudezaken in 2014 betrekking hebben op het gebruik van Europese structuurfondsen (549 van de 1 417 aantijgingen); onderstreept dat OLAF in 2014 de financiële terugvordering heeft aanbevolen van 476,5 miljoen EUR aan structuurfondsen; wijst erop dat naar aanleiding van OLAF's aanbevelingen in 2014 22,7 miljoen EUR door de bevoegde autoriteiten werd teruggevorderd; roept de lidstaten op prioriteit te geven aan de deugdelijke toewijzing van EU-middelen en er alles aan te doen om deze middelen terug te vorderen wanneer zij niet correct zijn toegewezen(9);

58.  dringt er bij de Commissie op aan met een herziening van de zogenoemde sixpack en twopack te komen teneinde het Parlement meer controlebevoegdheden toe te kennen met betrekking tot de goedkeuring van de belangrijkste documenten van het Europees Semester, en in het bijzonder doeltreffende middelen om te waarborgen dat het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel worden geëerbiedigd;

59.  dringt er bij de Eurogroep op aan het Parlement te betrekken bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de contractuele voorwaarden die zijn overeengekomen met begunstigden van door het Europees Stabiliteitsmechanisme verstrekte financiële bijstand;

Bescherming van klokkenluiders en corruptiebestrijding

60.  is ingenomen met het onderzoek dat de Europese Ombudsman heeft verricht om na te gaan of de EU-instellingen voldoen aan de verplichting om interne regels betreffende klokkenluiders in te voeren; betreurt de bevinding van de Ombudsman dat enkele EU‑instellingen de regels ter bescherming van klokkenluiders nog niet naar behoren ten uitvoer hebben gelegd; wijst erop dat tot op heden alleen het Parlement, de Commissie, de Ombudsman en de Europese Rekenkamer dergelijke regels hebben vastgesteld; dringt aan op een studie door het Parlement naar een mechanisme om geaccrediteerde parlementaire medewerkers te beschermen wanneer zij klokkenluiders worden;

61.  is van mening dat een doeltreffende bescherming van klokkenluiders een belangrijk wapen in de strijd tegen corruptie vormt en herinnert derhalve aan zijn oproep van 25 november 2015(10) aan de Commissie "om uiterlijk in juni 2016 met een voorstel te komen voor een EU-wetgevingskader om klokkenluiders en dergelijke doeltreffend te beschermen"(11), rekening houdend met de evaluatie van de regels op nationaal niveau, teneinde tot minimumregels voor de bescherming van klokkenluiders te komen;

62.  dringt er bij de Commissie op aan om de maatregelen ten aanzien van discretie en uitsluiting met betrekking tot openbare aanbestedingen strikt toe te passen, waarbij telkens een grondig antecedentenonderzoek dient te worden verricht, en om de uitsluitingscriteria toe te passen om ondernemingen te weren als er sprake is van een belangenconflict, aangezien dit van essentieel belang is om de geloofwaardigheid van de instellingen te beschermen;

63.  is van mening dat klokkenluiders zelfs binnen de EU-instellingen te vaak met vervolging werden geconfronteerd in plaats van steun te ontvangen; dringt er bij de Commissie op aan een wijziging van de regelgeving betreffende de Ombudsman voor te stellen en haar eveneens de taak toe te kennen als een contactpunt te fungeren voor klokkenluiders die het slachtoffer van slechte behandeling zijn; verzoekt de Commissie met een voorstel te komen om de begroting van de Ombudsman op passende wijze te verhogen om de uitvoering van deze nieuwe veeleisende taak mogelijk te maken;

64.  verzoekt de EU om zo spoedig mogelijk het lidmaatschap aan te vragen van de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) van de Raad van Europa, en het Parlement voortdurend op de hoogte te houden van de stand van zaken met betrekking tot dit toetredingsverzoek; verzoekt de Commissie in het verslag een overzicht op te nemen van de grootste problemen op corruptiegebied in de lidstaten, beleidsaanbevelingen voor de aanpak ervan en follow-upmaatregelen die door de Commissie moeten worden genomen, met name rekening houdend met de schadelijke impact van corruptieactiviteiten op de werking van de gemeenschappelijke markt;

65.  is van mening dat personen die in de EU rechtsgeldig zijn veroordeeld voor corruptie, of ondernemingen die worden geleid door of in het bezit zijn van personen die zich in het belang van hun onderneming schuldig hebben gemaakt aan corruptie of verduistering van publieke middelen en die daarvoor rechtsgeldig zijn veroordeeld, gedurende ten minste drie jaar effectief moeten worden uitgesloten van overheidsopdrachten van de Europese Unie en geen EU-subsidies mogen ontvangen; verzoekt de Commissie haar systeem van uitsluiting te herzien; benadrukt dat ondernemingen die door de Commissie worden uitgesloten van mededinging naar EU-middelen automatisch op een openbare lijst moeten komen te staan teneinde de financiële belangen van de EU beter te beschermen en controle door het brede publiek mogelijk te maken;

66.  wijst erop dat de Europese Unie, sinds zij op 12 november 2008 is toegelaten als lid van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC), niet heeft deelgenomen aan de evaluatie van het in het verdrag voorziene mechanisme noch de eerste stap heeft gezet om een zelf-evaluatie uit te voeren met betrekking tot de vraag hoe zij haar uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen vervult; dringt er bij de Europese Unie op aan de verplichtingen uit hoofde van het UNCAC na te komen door een zelf‑evaluatie uit te voeren over de vraag hoe zij haar uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen vervult en door deel te nemen aan het mechanisme voor collegiale toetsing; dringt er bij de Commissie op aan haar volgende EU‑corruptiebestrijdingsverslag zo spoedig mogelijk te publiceren en in de EU‑corruptiebestrijdingsverslagen een hoofdstuk over de EU‑instellingen op te nemen; vraagt de Commissie om meer analyses te verrichten van het klimaat waarbinnen beleid wordt uitgevoerd, zowel in de EU‑instellingen als in de lidstaten, om inherente kritieke factoren, kwetsbare domeinen en risicofactoren die tot corruptie kunnen leiden te identificeren;

67.  herinnert aan zijn standpunt van 16 april 2014 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt(12) en dringt aan op een spoedige beslissing in dit verband;

Integriteit in EU‑wetgeving

68.  verzoekt de Commissie op zoek te gaan naar systematische waarborgen om belangenconflicten op het gebied van beleidshandhaving en de regulering van industriële producten te voorkomen; verzoekt de Commissie iets te doen aan het huidige structurele belangenconflict bij de risicobeoordeling van overheidswege van gereguleerde producten, namelijk de situatie waarin de beoordeling van deze producten grotendeels of volledig op studies berust die door de aanvragers zelf of door hen betaalde derden zijn uitgevoerd, terwijl onafhankelijk onderzoek maar al te vaak wordt veronachtzaamd of terzijde wordt geschoven; houdt eraan vast dat producenten nog wel studies moeten blijven aanleveren, waarbij de kosten eerlijkheidshalve tussen grote ondernemingen en kmo's naargelang hun relatief marktaandeel moeten worden verdeeld, maar dat alle beoordelaars moeten worden verplicht ook intercollegiaal getoetst, onafhankelijk onderzoek volledig in hun beoordeling te betrekken; verzoekt de Commissie in het bijzonder om een herziening van haar mededeling van 2002 over algemene beginselen en normen voor raadpleging van betrokken partijen; oppert dat voorafgaande registratie van wetenschappelijke studies en proeven, met vermelding van hun onderzoeksterrein en de verwachte datum van voltooiing, als voorwaarde kan worden gesteld om die studies in het regelgevings- en beleidsvormingsproces te laten meewegen, als manier om het probleem van het selectief weglaten van ongunstige onderzoeksresultaten aan te pakken; benadrukt, in het belang van betrouwbaar en onafhankelijk wetenschappelijk advies voor de beleidsvorming, hoe cruciaal het is afdoende middelen uit te trekken voor de ontwikkeling van eigen deskundigheid binnen de gespecialiseerde EU-agentschappen, met daarbij de gelegenheid om publiceerbaar onderzoek en publiceerbare proeven te verrichten, wat een overheidsfunctie voor advies inzake regelgeving aantrekkelijker kan maken zonder dat het de academische loopbaan van wetenschappers hoeft te verstoren;

Versterking van de verantwoordingsplicht van de Commissie en haar agentschappen jegens het Parlement

69.  dringt er bij de Commissie op aan een voorstel voor een verordening met betrekking tot alle EU-agentschappen op te stellen, op grond waarvan het Parlement medebeslissingsbevoegdheid krijgt inzake de benoeming of het ontslag van de directeuren van dergelijke agentschappen en een rechtstreeks recht om hen te ondervragen en te horen;

70.  wijst erop dat er onafhankelijke deskundigen nodig zijn in de EU‑agentschappen en dat het wegnemen van belangenconflicten binnen het bestuur van die agentschappen meer gewicht moet krijgen; wijst erop dat deskundigen van een aantal agentschappen, met inbegrip van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), momenteel niet worden betaald; dringt erop aan dat deskundigen in regelgevende agentschappen die bijvoorbeeld non-profitorganisaties of academici vertegenwoordigen een toereikende vergoeding ontvangen; benadrukt hoe belangrijk het is toereikende middelen uit te trekken voor de ontwikkeling van eigen deskundigheid binnen de gespecialiseerde EU‑agentschappen;

71.  roept de EFSA, het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) op om zo spoedig mogelijk hun onafhankelijkheidsbeleid te herzien teneinde hun strikte onafhankelijkheid ten opzichte van de economische sectoren waar zij regelgeving voor opstellen expliciet te waarborgen en belangenconflicten onder medewerkers en deskundigen te voorkomen;

72.  is er voorstander van dat nationale parlementen commissarissen uitnodigen om hen te ondervragen;

73.  brengt in herinnering dat de bevoegdheid om enquêtecommissies in te stellen een kenmerk is van parlementaire systemen wereldwijd, en dat het Verdrag van Lissabon, met name in artikel 226, lid 3, VWEU, voorziet in een bijzondere wetgevingsprocedure voor de goedkeuring van een verordening betreffende het enquêterecht; benadrukt dat, krachtens het beginsel van loyale samenwerking, het Parlement, de Raad en de Commissie hun goedkeuring moeten hechten aan de invoering van een nieuwe verordening;

74.  dringt aan op een spoedig besluit van de Raad en de Commissie betreffende het voorstel van het Parlement van 23 mei 2012 voor een verordening van het Europees Parlement tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Parlement(13);

o
o   o

75.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0376.
(2) PB C 271 E van 12.11.2009, blz. 48.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0203.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0484.
(5) Arrest van het Hof van Justitie van 21 september 2010, Koninkrijk Zweden tegen Association de la presse internationale ASBL (API) en Europese Commissie (C-514/07 P), Association de la presse internationale ASBL (API) tegen Europese Commissie (C-528/07 P) en Europese Commissie tegen Association de la presse internationale ASBL (API) (C-532/07 P), Gezamenlijke zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, ECLI:EU:C:2010:541.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0202.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0108.
(8) Het verslag van OLAF 2014, Vijftiende verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding, 1 januari tot en met 31 december 2014.
(9) Ibid.
(10) Zie resolutie van 25 november 2015 over over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0408).
(11) Ibid., par. 144.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0427.
(13) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 41.


De toekomst van het Erasmus+-programma
PDF 177kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over de toekomst van het programma Erasmus+ (2017/2740(RSP))
P8_TA(2017)0359B8-0495/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 14,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(1),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(2),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren– een concept van levenslang leren(3),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(4),

–  gezien de vraag aan de Commissie over de toekomst van het programma Erasmus+ (O‑000062/2017–B8-0326/2017),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat, in de huidige context, de 30e verjaardag van het programma Erasmus+ niet alleen een moment van viering moet zijn, maar ook aangegrepen moet worden om na te denken over de vraag hoe het programma toegankelijker en inclusiever kan worden gemaakt, en hoe het kan bijdragen aan verbetering van de ontwikkeling van Europese burgers en organisaties die actief zijn op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport;

B.  overwegende dat onderwijs een grondrecht is en een publiek goed, dat toegankelijk moet zijn voor eenieder, in het bijzonder studenten met een lager inkomen;

1.  beklemtoont dat Erasmus één van de meest succesvolle EU-programma's is, én een uiterst belangrijk instrument voor het ondersteunen van activiteiten op de gebieden onderwijs, opleiding, jeugd en sport, en voor het reduceren van de kloof tussen Europa en haar burgers; erkent de enorme positieve impact die het programma de afgelopen 30 jaar heeft gehad op het persoonlijke en beroepsleven van de meer dan 90 000 deelnemers in Europa en in derde landen, waaronder buur- en kandidaat-landen;

2.  onderstreept de rol van het programma Erasmus+, dat middels mobiliteit en strategische samenwerking heeft bijgedragen aan verbetering van de kwaliteit van onderwijs- en opleidingsinstellingen in de EU, vergroting van het concurrentievermogen van de Europese onderwijssector, totstandbrenging van een sterke Europese kenniseconomie en verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020;

3.  is van oordeel dat het programma Erasmus+ en zijn opvolger met name gericht moeten zijn op een leven lang leren en mobiliteit in formeel, niet-formeel en informeel onderwijs, en dat zij daarmee van betekenis kunnen zijn voor de ontwikkeling van vaardigheden en sleutelcompetenties voor persoonlijke, sociale en professionele vervulling, hetgeen samengaat met de bevordering van democratische waarden, sociale samenhang, actief burgerschap, en de integratie van migranten en vluchtelingen door middel van het scheppen van een kader voor interculturele dialoog;

4.  beklemtoont het belang van een coherente benadering van het beleid op de gebieden onderwijs, opleiding, jeugd en sport in alle leersectoren, in het bijzonder via het creëren van transversale kansen en synergie-effecten met andere EU-fondsen en -programma's; wijst er in dit verband op dat de geplande vernieuwing van het kader voor Europese samenwerking op het gebied van jeugdbeleid een ideale gelegenheid is om de prioriteiten van de opvolger van het programma Erasmus+ af te stemmen op die van de nieuwe jeugdstrategie van de EU en andere programma's die met EU-middelen worden gefinancierd;

5.  is van oordeel dat Erasmus+ ook moet worden gezien als een sleutelinstrument van de EU-strategie voor het in de hele wereld promoten van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen;

6.  vindt dat de brexit-onderhandelingen, gezien de omvang en het betekenisvolle karakter van de mobiliteit tussen onderwijsinstellingen en -organisaties op het continent en in het VK, moeten uitmonden in een voor beide partijen bevredigend akkoord over de status van EU-studenten en -onderwijzers die aan mobiliteitsregelingen in het kader van Erasmus+ deelnemen, en andersom;

Jeugdwerkloosheid, en persoonlijke en sociale vervulling

7.  is van oordeel dat het Erasmus+-programma een aanzienlijke ontwikkeling heeft doorgemaakt, waardoor meer deelnemers ervan hebben kunnen profiteren en in de gelegenheid zijn gesteld hun kennis te vergroten en hun vaardigheden- en competentieskloof te dichten, in het bijzonder door de uitbreiding van Erasmus+ tot de sectoren vrijwillig, informeel en niet-formeel onderwijs en opleiding, en de uitbreiding van het geografische toepassingsgebied tot derde landen;

8.  neemt er kennis van dat mobiele hogeronderwijsstudenten een jaar na hun afstuderen twee keer zo vaak een baan hebben dan hun 'collega's' die niet aan een mobiliteitsprogramma hebben deelgenomen, en dat bijna 90%(5) van alle personen die beroepsonderwijs of een beroepsopleiding (VET) volgen en in een mobiliteitsprogramma participeren aangeven dat hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt door de mobiliteitservaring in kwestie is toegenomen; stelt overigens bezorgd vast dat jongeren de grootste kans maken in armoede terecht te komen of werkloos te worden; vindt dan ook dat Erasmus+ robuuste ondersteuning moet geven aan acties gericht op het tot stand brengen van betere kansen op werk;

9.  beklemtoont dat vrijwilligerswerk bijdraagt tot de ontwikkeling van burgerparticipatie en actief burgerschap, en dat het ook helpt bij het vergroten van de kans op het vinden van werk; vindt het dan ook van bijzonder belang dat financiering in het kader van Erasmus+ past in een bredere beleidsstrategie gericht op het in Europa tot stand brengen van een voor vrijwilligerswerk gunstig klimaat, waarbij bestaande succesvolle initiatieven niet moeten worden gedupliceerd, maar versterkt; wijst er overigens op dat potentiële kwaliteitsbanen nooit kunnen worden vervangen door onbetaald vrijwilligerswerk;

10.  geeft aan dat Erasmus+ zich moet richten op innovatie en ontwikkeling, en meer aandacht moet besteden aan het vergroten van sleutelvaardigheden en -competenties, zoals zelfvertrouwen, creativiteit, ondernemerschap, aanpassingsvermogen, kritisch denkvermogen, communicatieve vaardigheden, teamwork en het vermogen te leven en te werken in een multiculturele omgeving; beklemtoont dat die competenties vollediger kunnen worden ontwikkeld door een uitgewogen combinatie van formeel, niet-formeel en infomeel leren, en dat de verwerving van sleutelvaardigheden essentieel is vanaf een zeer jonge leeftijd en verder moet worden versterkt door meer investeringen in acties gericht op mobiliteit gedurende de vroege stadia van onderwijs en opleiding;

11.  geeft aan dat Erasmus+ moet resulteren in sterkere banden tussen onderwijs- en opleidingsinstellingen enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds, teneinde de vaardigheden en de inzetbaarheid van de deelnemers aan het programma te vergroten en het concurrentievermogen van de Europese economie naar een hoger plan te tillen;

12.  beklemtoont de rol van Erasmus+ VET bij het helpen ontwikkelen van de vaardigheden en het opdoen van de ervaring waar op de arbeidsmarkt vraag naar is, resulterend in een betere inzetbaarheid en een grotere sociale integratie; dringt aan op verbeteringen aan Erasmus+ VET, teneinde het programma moderner, toegankelijker en eenvoudiger te maken, en geschikt voor het digitale tijdperk;

13.  stelt vast dat er nog veel rek zit in de mogelijkheden voor personen die beroepsonderwijs of een beroepsopleiding volgen om voor zowel korte als lange perioden aan een mobiliteitsprogramma deel te nemen (Erasmus Pro), en aldus de bijdrage van de EU aan de strijd tegen de jeugdwerkloosheid te vergroten; verzoekt de Commissie en de lidstaten om - voor personen die beroepsonderwijs of een beroepsopleiding volgen - de mogelijkheden voor mobiliteit en beroepsstages in het kader van het programma te verruimen, zowel in de onderkenning van de inherente waarde van stages alsook ter aanzwengeling van nationale hervormingen gericht op het verder ontwikkelen van beroepsopleidingen en -kwalificaties, en het bevorderen van de erkenning daarvan; geeft tegelijkertijd aan dat een stage een vormende ervaring is, en geen vervanging van betaald werk;

Sociale integratie en toegankelijkheid,

14.  betreurt het dat minder dan 5% van alle jonge Europeanen van het programma gebruik maken als gevolg van sociaal-economische factoren, zoals onvoldoende financiering, een toenemende ongelijkheid tussen en binnen lidstaten, en ingewikkelde aanmeldingsprocedures en administratieve rompslomp; verzoekt de Commissie en de lidstaten het programma opener en toegankelijker te maken, de voordelen voor de uiteindelijke begunstigden te vergroten en de ondersteuning te maximaliseren, met name voor mensen in een achterstandspositie en met bijzondere behoeften;

15.  spoort de Commissie en de lidstaten aan Erasmus+ nog inclusiever te maken, teneinde via uiteenlopende - met name digitale - instrumenten en via diverse organisaties - waaronder instellingen voor formeel en niet-formeel onderwijs op allerlei niveaus, jongerenorganisaties, culturele en sportverenigingen, vrijwilligersorganisaties en andere partijen van het maatschappelijk middenveld - en middels mainstreaming van de strategie voor inclusie en diversiteit, meer jonge mensen te bereiken, en met name diegenen met speciale behoeften en geringere kansen;

16.  herinnert eraan dat de tekortschietende coördinatie en meeneembaarheid van rechten tussen de verschillende socialezekerheidsstelsels in de EU de mobiliteit van mensen met een handicap ernstig belemmert, ondanks de inspanningen om het programma Erasmus+ en andere mobiliteitsinitiatieven inclusiever te maken; verzoekt de Commissie en de lidstaten beter samen te werken en aldus de mobiliteit van kwetsbare groepen te vergroten;

17.  onderkent dat één van de voornaamste obstakels voor een grotere mobiliteit van studenten in het hoger onderwijs het gebrek aan duidelijkheid en consistentie bij de erkenning van tijdens de mobiliteitsperiode verworven studiepunten via het Europees studiepuntenoverdrachtsysteem is; verzoekt de lidstaten en de bevoegde autoriteiten, in het bijzonder de instellingen voor hoger onderwijs, volledig uitvoering te geven aan leerovereenkomsten als verplicht onderdeel van het mobiliteitsproces, en te zorgen voor een soepele erkenning - middels het Europees studiepuntenoverdrachtsysteem - van studiepunten die tijdens mobiliteitsperiodes in het kader van Erasmus+ voor het hoger onderwijs zijn verworven;

18.  is van oordeel dat de jongere generaties meer in de gelegenheid moeten worden gesteld betrokken te zijn bij de opzet van het programma in de toekomst, aangezien zij bij uitstek geschikt zijn die te verbeteren en het programma naar een hoger plan te tillen, rekening houdend met hun huidige en toekomstige behoeften, en met de uitdagingen waarmee zij in hun werk, bij vrijwilligersactiviteiten en in hun studie mee worden geconfronteerd;

19.  dringt aan op een bepaalde mate van flexibiliteit bij het ontwikkelen van het nieuwe programma, teneinde ervoor te zorgen dat het snel kan inspelen op nieuwe uitdagingen en strategische prioriteiten op Europees en internationaal niveau; beklemtoont dat alle nieuwe initiatieven een aanvulling op bestaande initiatieven moeten zijn, en over voldoende financiële middelen moeten beschikken om doeltreffend te kunnen zijn;

Europese identiteit en actief burgerschap

20.  is vast de mening toegedaan dat het programma Erasmus+ door moet gaan met het bevorderen van actief burgerschap, burgerschapszin en intercultureel begrip, en met het ontwikkelen van een gevoel van Europese identiteit; vindt dan ook dat alle door Erasmus+ gefinancierde activiteiten voor mobiliteit in het kader van onderwijs en opleiding, en formeel en niet-formeel leren, ook gericht moeten zijn op het vergroten van het bewustzijn onder jongeren van de toegevoegde waarde van Europese samenwerking op het gebied van onderwijs, en hen ertoe moeten aanzetten zich betrokken te tonen bij Europese vraagstukken;

21.  denkt dat, in voorkomend geval, het in de programma's voor hoger en beroepsonderwijs integreren van onderwijsmobiliteit van nut kan zijn voor zowel de persoonlijke en de loopbaanontwikkeling van studenten, als voor de bevordering van intercultureel begrip;

22.  verzoekt de Commissie een Europese eCard voor studenten te ontwikkelen die studenten in heel Europa toegang geeft tot diensten;

Financiering van het programma

23.  vreest dat het geringe succes van de projecten in het kader van een aantal Erasmus+-acties, de beperkte beurzen en de grote belangstelling voor deelname aan het programma het succes van Erasmus+ als een vlaggenschipprogramma van de EU in gevaar zouden kunnen brengen; vindt dat Erasmus+ zich uiteindelijk op alle jongeren moet richten en dat voor dit ambitieuzere doel voor de volgende programmeringsperiode van Erasmus+ significant meer geld ter beschikking moet worden gesteld, dat wil zeggen in een groter budget moet worden voorzien, teneinde het volledige potentieel van het programma tot wasdom te laten komen; verzoekt de lidstaten, de Commissie en de belanghebbende partijen dan ook meer en meer zichtbare ondersteuning te geven aan het Erasmus-programma, in de aanloop naar de aanstaande onderhandelingen over het meerjarig financieel kader (MFK);

24.  onderstreept het belang van een soepele introductie van het nieuwe Erasmus+-programma, met vanaf het begin een strategisch gepland budget; vindt dat regionale en sociale fondsen moeten worden gebruikt ter vergroting van de financiële bijdrage van de lidstaten aan de mobiliteitsbeurzen van Erasmus+; wijst er nog eens op dat een stelselmatige toepassing van de regels van het programma door de nationale agentschappen, met inbegrip van de inachtneming van de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen en de projectevaluatie- en administratieve procedures, essentieel is voor een coherente implementatie van het programma Erasmus+;

o
o   o

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0018.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0107.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0005.
(5) Dashboard Erasmus+, gegevens van 28 maart 2017; zie: http://www.ecvet-secretariat.eu/en/system/files/documents/3727/eu-vet-policy-context.pdf, blz. 29.


Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa
PDF 283kWORD 75k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa (2017/2002(INI))
P8_TA(2017)0360A8-0276/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 14 en 15,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat door de EU is geratificeerd in 2010,

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020)(1),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling(2),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 19 december 2016 met als titel "Bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen"(3),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 15 februari 2016 betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over een doeltreffende lerarenopleiding,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over kwaliteitsborging in onderwijs en opleiding,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie(5),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(6),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011 inzake beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten(7),

–  gezien de resolutie van de Raad van 28 november 2011 over een nieuwe agenda voor volwasseneneducatie(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 juni 2011 over opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen,

–  gezien de resolutie van de Raad van 15 november 2007 over nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen(9),

–  gezien de conclusies van de Raad inzake het terugdringen van voortijdig schoolverlaten en het bevorderen van goede schoolresultaten(10),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 februari 2013 over investeren in onderwijs en opleiding, een antwoord op "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten" en de jaarlijkse groeianalyse voor 2013(11),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren(12) (EQF-LLL),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(13),

–  gezien de verwijzing naar digitale vaardigheden in de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld "De digitalisering van het Europese bedrijfsleven - De voordelen van een eengemaakte digitale markt ten volle benutten" (COM(2016)0180),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 november 2012 getiteld "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten" (COM(2012)0669),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren – een concept van levenslang leren(14),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over op vaardigheden gerichte beleidsmaatregelen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid(15),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over het initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten(16),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over jong ondernemerschap bevorderen door middel van onderwijs en opleiding(17),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende arbeidsmarkt in de EU voor de 21ste eeuw: het afstemmen van vaardigheden en kwalificaties op vraag en werkgelegenheid, als een manier om de crisis te boven te komen(18),

–  gezien de conclusies van de Raad over het Europees Pact voor gendergelijkheid voor de periode 2011-2020(19),

–  gezien de conclusies van de Raad over de rol van voor- en vroegschoolse educatie en primair onderwijs bij het bevorderen van creativiteit, innovatie en digitale competentie,

–  gezien de ontwerpconclusies van de Raad van 20 februari 2017 over "De vaardigheden van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt van de EU verbeteren"(20),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(21),

–  gezien de "Social Europe Guide" van de Commissie van maart 2013 getiteld "Social Economy and Social Enterprises"(22),

–  gezien de agenda voor waardig werk van de Internationale Arbeidsorganisatie IAO),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020(23),

–  gezien advies SOC/546 van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 februari 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0276/2017),

A.  overwegende dat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie de toegang tot beroepsopleidingen en een leven lang leren is vastgelegd;

B.  overwegende dat vaardigheden van strategisch belang zijn voor inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, groei, innovatie en sociale cohesie, en overwegende dat de complexiteit van banen in alle sectoren en beroepen toeneemt en dat er inflatie is wat de relatieve vraag naar vaardigheden betreft, zelfs voor laaggekwalificeerde banen;

C.  overwegende dat welvaart en het behoud van onze sociale verworvenheden uitsluitend berusten op de bekwaamheden en de knowhow waarover onze samenleving beschikt;

D.  overwegende dat laagopgeleiden een hoger risico lopen op werkloosheid en sociale exclusie;

E.  overwegende dat landen met het grootste aandeel volwassenen met geringe basisvaardigheden en digitale vaardigheden een lagere arbeidsproductiviteit en uiteindelijk minder gunstige vooruitzichten hebben voor groei en concurrentievermogen;

F.  overwegende dat het Europees Parlement de inspanningen van de Commissie inzake investeringen in menselijk kapitaal onderschrijft en ondersteunt als essentiële voorwaarde voor het concurrentievermogen van de EU, en overwegende dat de kwaliteit van leerkrachten onlosmakelijk verbonden is met de kwaliteit van het onderwijs;

G.  overwegende dat vele laaggekwalificeerde banen nu een grotere geletterdheid, een grotere numerieke onderlegdheid en grotere andere basisvaardigheden vereisen en dat zelfs laaggekwalificeerde banen in de dienstensector in toenemende mate veeleisender niet-routinetaken omvatten(24);

H.  overwegende dat volgens de recentste PIAAC-studie van de OESO (PIAAC = Programme for the International Assessment of Adult Competencies) ongeveer 70 miljoen Europese volwassenen basisvaardigheden ontberen als lezen, schrijven en rekenen, hetgeen het voor hen moeilijk maakt om een behoorlijke baan te vinden en een behoorlijke levensstandaard te realiseren;

I.  overwegende dat tegen 2025, 49 % van alle vacatures in de EU (zowel nieuwe banen als banen die in de plaats komen van andere) een hoog kwalificatieniveau zal vereisen, 40 % een gemiddeld kwalificatieniveau en slechts 11 % een laag kwalificatieniveau of geen kwalificaties(25);

J.  overwegende dat uitbreiding van de toegang tot een leven lang leren de weg vrij kan maken voor nieuwe mogelijkheden ten aanzien van actieve integratie en verhoogde maatschappelijke participatie, met name voor mensen die laaggekwalificeerd of werkloos zijn, speciale behoeften hebben, op leeftijd zijn, en migranten;

K.  overwegende dat lidstaten manieren moeten vinden om investeringen voor de langere termijn in onderwijs, onderzoek, innovatie, energie en klimaatactie te beschermen of bevorderen, en moeten investeren in het moderniseren van onderwijs- en opleidingsstelsels, met inbegrip van een leven lang leren;

L.  overwegende dat de EU het platform bij uitstek is om beste praktijken te delen en wederzijdse leerprocessen tussen de lidstaten te bevorderen;

M.  overwegende dat de verantwoordelijkheid voor het algemeen onderwijs, met inbegrip van universitair onderwijs en beroepsonderwijs, overeenkomstig de artikelen 165 en 166 VWEU bij de lidstaten berust;

N.  overwegende dat Europese samenwerking op onderwijsgebied een vrijwillig proces is en dat het onderwijsbeleid in dit opzicht fundamenteel verschilt van het werkgelegenheidsbeleid, dat in veel grotere mate gecommunautariseerd is;

O.  overwegende dat vaardigheden en competenties hand in hand gaan en de relatie hiertussen derhalve in de agenda voor nieuwe vaardigheden nader dient te worden aangescherpt;

P.  overwegende dat de ontwikkeling van toekomstgerichte sectoren een doorslaggevende rol speelt wat betreft het soort benodigde vaardigheden;

Q.  overwegende dat uit een Europese vaardigheden- en banenenquête is gebleken dat ongeveer 45 % van de volwassen werknemers in de EU van mening is dat zijn vaardigheden op het werk beter ontwikkeld of gebruikt kunnen worden;

R.  overwegende dat volgens de IAO tussen 25 en 45 procent van de Europese arbeidskrachten te laag of te hoog geschoold is voor het werk dat ze doen; overwegende dat deze situatie grotendeels te wijten is aan de snel veranderende structuur van de economieën van de lidstaten;

S.  overwegende dat het bestaan van discrepanties tussen de vraag naar en het aanbod van vaardigheden een zorgwekkend verschijnsel is dat personen en bedrijven treft, met vaardighedenkloven en vaardighedentekorten als gevolg, en een van de oorzaken is van werkloosheid(26); overwegende dat 26 procent van alle volwassen werknemers niet over de voor hun werk benodigde vaardigheden beschikt;

T.  overwegende dat meer dan 30 procent van de hooggekwalificeerde jongeren een baan heeft die niet met hun talenten en ambities overeenstemt, terwijl 40 procent van de Europese werkgevers aangeeft geen mensen met de juiste vaardigheden te kunnen vinden om te kunnen groeien en innoveren;

U.  overwegende dat momenteel bijna 23 procent van de bevolking in de leeftijdscategorie van 20 tot 64 jaar een laag opleidingsniveau heeft (voorschools, lager of lager middelbaar onderwijs); overwegende dat laaggekwalificeerde personen minder mogelijkheden voor een baan hebben en dat zij ook meer het gevaar lopen van een onzekere baan en twee keer zo veel als hooggekwalificeerde personen het risico lopen van langdurige werkloosheid(27);

V.  overwegende dat laagopgeleiden niet alleen minder arbeidskansen hebben, maar ook kwetsbaarder zijn voor langdurige werkloosheid, moeilijker toegang krijgen tot diensten en minder gemakkelijk volledig deelnemen in de samenleving;

W.  overwegende dat mensen vaak over vaardigheden beschikken die niet worden herkend, benut of naar behoren worden beloond; overwegende dat buiten de formele context opgedane vaardigheden, bijvoorbeeld door middel van werkervaring, vrijwilligerswerk, maatschappelijke betrokkenheid of andere relevante ervaringen, niet per definitie tot uiting komen in een diploma of niet worden geregistreerd, en derhalve worden ondergewaardeerd;

X.  overwegende dat de culturele en creatieve sector bijdraagt aan het sociaal welzijn, innovatie, werkgelegenheid, de bevordering van de economische ontwikkeling van de EU, en tegelijkertijd werkgelegenheid verschaft aan meer dan 12 miljoen mensen in de EU, ofwel 7,5 % van alle in de totale economie werkzame mensen, en 5,3 % vertegenwoordigen van de totale bruto toegevoegde waarde van de EU en nog eens 4 % van het door de luxegoederenindustrie gegenereerde nominale bbp van de EU(28);

Y.  overwegende dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een fundamenteel principe is van de EU dat is vastgesteld in de Verdragen en een van de doelstellingen en verantwoordelijkheden is van de Unie; overwegende dat mainstreaming van het principe van gelijkheid tussen vrouwen en mannen in al haar activiteiten, met inbegrip van toegang tot onderwijs en opleidingen, een specifieke missie is van de Unie;

Z.  overwegende dat op EU-niveau NEET's (personen die geen baan hebben en ook geen onderwijs of opleiding volgen) worden beschouwd als een van de meest kwetsbare groepen in de context van jeugdwerkloosheid; overwegende dat vrouwen gemiddeld 1,4(29) keer zo veel risico lopen NEET te worden als mannen, een gegeven dat de problemen met betrekking tot discriminatie op grond van geslacht en gelijkheid vanaf jonge leeftijd benadrukt;

AA.  overwegende dat sociale en emotionele vaardigheden in combinatie met cognitieve vaardigheden van belang zijn voor persoonlijk welzijn en succes;

AB.  overwegende dat toegang tot formele, informele en niet-formele onderwijs-, en leer- en opleidingsmogelijkheden een recht moet zijn voor iedereen in elke levensfase, zodat personen transversale vaardigheden kunnen verwerven als numerieke onderlegdheid, digitale en mediavaardigheden, kritisch denken, sociale vaardigheden, beheersing van vreemde talen en algemene redzaamheid; overwegende dat het in dit verband nodig is werkenden tijd te geven voor persoonlijke ontwikkeling en opleiding in het kader van een leven lang leren;

AC.  overwegende dat het van essentieel belang is dat vaardigheden niet alleen zijn gericht op het verhogen van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, maar ook op het vergroten van de mogelijkheid tot burgerparticipatie en het respect voor democratische waarden en tolerantie, niet in de laatste plaats als instrument voor het voorkomen van radicalisering en iedere vorm van onverdraagzaamheid;

AD.  overwegende dat in de huidige snel veranderende en steeds verder geglobaliseerde en gedigitaliseerde wereld transversale en overdraagbare vaardigheden, zoals sociale, interculturele en digitale vaardigheden, probleemoplossend vermogen, ondernemerschap en creatief denken van cruciaal belang zijn;

AE.  overwegende dat de digitale transformatie nog niet is voltooid en dat de maatschappelijke omgeving en arbeidsmarkt voortdurend aan verandering onderhevig zijn;

AF.  overwegende dat een goede beheersing van digitale vaardigheden en zelfvertrouwen belangrijke voorwaarden zijn voor het opbouwen van sterke samenlevingen en het bevorderen van de eenheid en de integratie binnen de EU;

AG.  overwegende dat onze onderwijs- en opleidingsstelsels momenteel te maken hebben met een grote digitale transformatie, die een effect heeft op de onderwijs- en leerprocessen; overwegende dat het bieden van digitale vaardigheden absoluut noodzakelijk is om te waarborgen dat de beroepsbevolking is voorbereid op de huidige en toekomstige technologische veranderingen;

AH.  overwegende dat, ondanks een recente toename van het aantal mensen dat in de EU digitaal onderwijs volgt of een digitale opleiding geniet, er nog veel moet gebeuren om de Europese economie aan te laten sluiten op het nieuwe digitale tijdperk en de kloof te dichten tussen het aantal werkzoekenden en het aantal openstaande vacatures;

AI.  overwegende dat nieuwe digitale transformaties in de onderwijsstelsels moeten worden opgenomen om mensen zo te leren kritisch, zelfverzekerd en onafhankelijk te denken; overwegende dat dit evenwel op symbiotische wijze moet worden uitgevoerd in samenhang met vakken die al worden onderwezen;

AJ.  overwegende dat een toekomstbestendige agenda voor vaardigheden in een bredere context van beroepsgerelateerde geletterdheid moet worden geplaatst in het kader van de toenemende digitalisering en robotisering van de Europese samenlevingen;

AK.  overwegende dat transversale competenties, zoals civiele en sociale competenties, alsook burgerschapsvorming, benadrukt moeten worden naast taalvaardigheden, digitale vaardigheden en ondernemerschapsvaardigheden;

AL.  overwegende dat ondernemerschapsvaardigheden moeten worden begrepen in ruimere context, als zin voor initiatief met betrekking tot participatie in sociale acties en ondernemersmentaliteit, en overwegende dat er daarom meer nadruk op moet worden gelegd in de agenda voor nieuwe vaardigheden, als algemene vaardigheden die personen in hun privé- en beroepsleven, evenals gemeenschappen, ten goede komen;

AM.  overwegende dat wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) in de EU moeten worden bevorderd, teneinde slimme, duurzame en inclusieve economische groei en banen voor jonge mensen te waarborgen;

AN.  overwegende dat de vraag naar STEM-professionals en daarbij betrokken professionals naar verwachting tussen nu en 2025 met ongeveer 8 procent zal toenemen, ofwel veel meer dan de gemiddelde groeiprognose van 3 procent voor alle beroepen; overwegende dat de werkgelegenheid in de STEM-gerelateerde bedrijfstakken tussen nu en 2025 naar verwachting ook met circa 6,5 % zal toenemen(30);

AO.  overwegende dat het slechte imago en de afnemende aantrekkelijkheid van beroepsonderwijs en -opleiding, in combinatie met de lage kwaliteit van dit onderwijs en deze opleiding, in sommige lidstaten studenten ervan weerhoudt een loopbaan te kiezen in veelbelovende beroepen en bedrijfstakken met een tekort aan arbeidskrachten;

AP.  overwegende dat bij het aanpakken van problemen ten aanzien van vaardigheden, met name discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden, en kansen op de arbeidsmarkt, rekening moet worden gehouden met de specifieke uitdagingen die in plattelandsgebieden spelen;

AQ.  overwegende dat de groene sector tijdens de recessie een van de belangrijkste banenscheppers in Europa was en deze sector verder moet worden gestimuleerd in de agenda voor nieuwe vaardigheden;

AR.  overwegende dat de vergrijzende bevolking in Europa tot een verhoogde vraag naar gezondheidswerkers, sociale zorg en medische diensten leidt;

AS.  overwegende dat gezinnen een essentiële schakel zijn om de beheersing van de basisvaardigheden door kinderen te bevorderen;

Ontwikkeling van vaardigheden voor het leven en vaardigheden voor banen

1.  is tevreden met de mededeling van de Commissie getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen", die is goedgekeurd in juni 2016;

2.  erkent dat onderwijs en opleiding onder de bevoegdheden van de lidstaten vallen en dat de EU maatregelen van de lidstaten enkel kan ondersteunen, coördineren of aanvullen;

3.  is van mening dat de EU behoefte heeft aan een paradigmaverschuiving waar het de doelstellingen en de werking van de onderwijssector betreft; is het eens met de focus op het feit dat de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels moeten worden geüpdatet om ze aan te passen aan de snel veranderende economische, technologische en maatschappelijke omgeving, met waarborging van toegang tot hoogwaardig onderwijs in alle stadia;

4.  merkt op dat de behoeften op het gebied van vaardigheden dynamisch zijn, maar dat de belangrijkste focus van het vaardighedenpakket de onmiddellijke behoeften zijn van de arbeidsmarkt; wijst in verband hiermee op het feit dat een nauwe samenwerking met het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) belangrijk is voor het anticiperen op de behoeften op het gebied van vaardigheden en het ontwikkelen van een Europees instrument voor het voorspellen van de behoefte aan vaardigheden en een leven lang leren, teneinde aan te passen aan nieuwe situaties op de arbeidsmarkt en het aanpassingsvermogen van het individu, actief burgerschap en sociale integratie te vergroten;

5.  verzoekt de lidstaten zich in hun onderwijs- en opleidingsprogramma's niet alleen te richten op de ontwikkeling van vaardigheden ten behoeve van inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, leesvaardigheid, numerieke vaardigheden, en digitale en mediavaardigheden, maar ook op vaardigheden die in bredere zin relevant zijn voor de samenleving, zoals overdraagbare, transversale en zachte vaardigheden (bijvoorbeeld leiderschap, sociale en interculturele vaardigheden, leiderschap, ondernemerschap, financiële onderlegdheid, vrijwilligerswerk, beheersing van vreemde talen, onderhandelingstechnieken), en prioriteit te verlenen aan de verdere ontwikkeling van programma's op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding, naast het bevorderen van Europees vakmanschap;

6.  vraagt om daadwerkelijke toegang voor eenieder tot vaardigheden in elke levensfase, om fundamentele vaardigheden voor de 21e eeuw te verwerven;

7.  erkent de waarde van de internationalisering van het onderwijs en het toenemende aantal studenten en medewerkers dat aan mobiliteitsprogramma's deelneemt; beklemtoont in dit verband de waarde van Erasmus+;

8.  wijst erop dat uit meerdere studies blijkt dat mobiliteit mensen specifieke beroepsvaardigheden bijbrengt, alsook transversale en overdraagbare vaardigheden, zoals kritisch denkvermogen en ondernemerschap, en hen betere loopbaanmogelijkheden oplevert; erkent dat het huidige deel van de voor de leermobiliteit bestemde EU-begroting mogelijk niet voldoende is om het streefcijfer van 6 procent leermobiliteit tegen 2020 te behalen;

9.  moedigt de lidstaten aan de mogelijkheden van intersectorale mobiliteit verder uit te bouwen tussen scholen als geheel; beklemtoont dat er meer steun moet komen voor mobiliteit op het gebied van onderwijs en opleiding en dat bijzondere aandacht nodig is voor grensoverschrijdende mobiliteit;

10.  wijst op het feit dat onderwijs en opleiding de persoonlijke ontwikkeling en groei van jonge mensen moeten bevorderen, zodat zij kunnen uitgroeien tot proactieve en verantwoordelijke burgers die zijn voorbereid op een leven en loopbaan in een technologisch geavanceerde en geglobaliseerde economie en zijn uitgerust met de belangrijkste competenties voor een leven lang leren, bestaande uit een combinatie van kennis, vaardigheden en gedragingen die nodig zijn voor zelfontplooiing en persoonlijke ontwikkeling, actief burgerschap en werk;

11.  benadrukt dat opvang en onderwijs voor jonge kinderen (OOJK) essentiële voorwaarden zijn voor het ontwikkelen van vaardigheden;

12.  wijst erop dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het aanbieden van onderwijs en zorg, en verzoekt hen de kwaliteit en de toegang tot OOJK te verbeteren en iets te doen aan het gebrek aan infrastructuur op het gebied van hoogwaardige en toegankelijke kinderzorg voor alle inkomensniveaus, en te overwegen de toegang gratis te maken voor arme gezinnen en sociaal uitgesloten gezinnen;

13.  onderstreept het feit dat creativiteit en innovatie tot drijvende factoren in de economie van de EU aan het uitgroeien zijn en in nationaal en EU-beleid moeten worden geïntegreerd;

14.  is ingenomen met de doelstellingen van de agenda voor nieuwe vaardigheden, die erop zijn gericht beroepsonderwijs en -opleiding tot een eerste, vraaggestuurde keus te maken voor lerenden op basis van de toekomstige werkvereisten door werkgevers te betrekken bij het ontwerpen en aanbieden van cursussen;

15.  moedigt de lidstaten ertoe aan verder te gaan dan het bevorderen van de "juiste beroepsvaardigheden" en ook te focussen op onderwijsaspecten die meer gebaseerd zijn op werk en praktischer zijn, en die ondernemersgeest, innovatiekracht en creativiteit bevorderen, mensen in staat stellen kritisch te denken, inspelen op het concept duurzaamheid, waarden als menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, tolerantie en respect te eerbiedigen, en ten volle te participeren in het democratische proces en het sociale leven als breeddenkende burgers;

16.  is overigens van oordeel dat een holistische aanpak vereist is ten aanzien van onderwijs en de ontwikkeling van vaardigheden die de lerende centraal stelt in het proces, en dat voldoende moet worden geïnvesteerd in een leven lang leren; is daarnaast van mening dat de toegang tot onderwijs en opleiding en het verwerven van vaardigheden voor iedereen soepel en betaalbaar moet zijn, en dat er meer inspanningen moeten worden verricht om ook de kwetsbaarste groepen in het proces te laten deelnemen;

17.  de lidstaten aanmoedigen om het maatschappelijk middenveld, deskundigen en gezinnen met praktische ervaring sterker te betrekken bij de reflectie over levensnoodzakelijke vaardigheden;

18.  moedigt de lidstaten aan zich ook te richten op het aanpakken van genderstereotypen nu 60 procent van de nieuwe afgestudeerden vrouw is; onderstreept dat de arbeidsparticipatie van vrouwen overigens nog altijd lager is dan die van mannen, en dat vrouwen in veel bedrijfstakken ondervertegenwoordigd zijn;

19.  moedigt de lidstaten ertoe aan de vaardigheden beter af te stemmen op de banen op de arbeidsmarkt en met name hoogwaardige bedrijfsstages in te voeren die mensen helpen flexibel te zijn in hun onderwijstraject en nadien op de arbeidsmarkt;

20.  erkent de waarde van duale onderwijssystemen(31), maar wijst erop dat een systeem dat in een bepaalde lidstaat wordt gebruikt, niet blindelings in een andere lidstaat kan worden overgenomen; spoort aan tot de uitwisseling van modellen inzake beste praktijken, waarbij de sociale partners dienen te worden betrokken;

21.  herinnert in verband hiermee aan het feit dat nauwere samenwerking nodig is tussen de lidstaten om te leren van beste praktijken die leiden tot lagere werkloosheidscijfers, zoals stages en een leven lang leren;

22.  wijst op de rol van Cedefop, dat als één van zijn hoofdopdrachten heeft het bijeenbrengen van politiek verantwoordelijken, sociale partners, onderzoekers en beroepsbeoefenaren met het oog op het uitwisselen van ideeën en ervaringen, waaronder middels de ontwikkeling van sectorspecifieke platforms;

23.  onderstreept het feit dat cultuur, creativiteit en de kunsten een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan persoonlijke ontwikkeling, werkgelegenheid en groei in de hele EU door het realiseren van innovaties, het stimuleren van cohesie, het verstevigen van interculturele relaties en onderling begrip en het behouden van de Europese identiteit, cultuur en waarden; roept de Commissie en de lidstaten op hun steun aan de culturele en creatieve sector te intensiveren teneinde hun potentieel te ontsluiten en volop te benutten;

24.  onderstreept dat de huidige instroom van migranten, vluchtelingen en asielzoekers in de EU een langetermijnbenadering vereist voor het omgaan met onderdanen van derde landen, onder meer bestaand uit een beoordeling van hun vaardigheden, bekwaamheden en kennis, die zichtbaar moeten worden gemaakt, en de ontwikkeling van een mechanisme voor de erkenning en validering van vaardigheden;

25.  herinnert eraan dat nieuwkomers nieuwe vaardigheden en kennis meebrengen, en dringt erop aan instrumenten te ontwikkelen om meertalige informatie over de bestaande mogelijkheden op het gebied van formeel en informeel leren, beroepsopleidingen, stages en vrijwilligerswerk; vindt het belangrijk de interculturele dialoog te bevorderen om het voor migranten, vluchtelingen en asielzoekers eenvoudiger te maken toegang tot de arbeidsmarkt te krijgen en in de samenleving te integreren;

26.  verwelkomt het voorstel van de Commissie met betrekking tot het instrument voor het opstellen van een vaardigheidsprofiel van onderdanen van derde landen en hoopt dat er snel vooruitgang wordt geboekt ten aanzien van dit streven; pleit ervoor dat de nieuwe vaardighedenagenda voor Europa, wat de benadering ten aanzien van de vaardigheden van migranten betreft, consistent is met het actieplan voor de integratie van onderdanen van derde landen; bepleit een bredere benadering ten aanzien van de bijscholing van migranten, onder meer door middel van sociaal ondernemerschap, burgerschapsvorming en informeel onderwijs, en benadrukt dat hierbij verder moet worden gekeken dan transparantie, vergelijkbaarheid en het vroegtijdig in kaart brengen van de vaardigheden en kwalificaties van migranten;

27.  benadrukt dat een gecoördineerd optreden noodzakelijk is om de braindrain tegen te gaan en dat daarbij geschikte maatregelen moeten worden vastgesteld om de beschikbare vaardigheden te benutten om een verarming van het menselijk kapitaal in de diverse landen van Europa te voorkomen;

28.  herinnert eraan dat investeringen in de mogelijkheden van het onderwijsstelsel anno 2017 de kwaliteit van zowel bestaande als toekomstige banen bepaalt, evenals de kwalificaties van de werknemers, hun sociaal welzijn en hun democratische participatie in de maatschappij;

29.  verzoekt de lidstaten het hoofd te bieden aan de vergrijzing van de bevolking door specifieke vaardigheden te ontwikkelen voor gezondheid, welzijn en ziektebestrijding;

De rol van onderwijs voor het aanpakken van werkloosheid, sociale exclusie en armoede

30.  is van mening dat het concurrentievermogen, de economische groei en de sociale cohesie van de EU sterk afhankelijk zijn van onderwijs- en opleidingsstelsels die voorkomen dat mensen in een achterstandspositie belanden;

31.  benadrukt het feit dat onderwijs en opleiding niet alleen sleutelfactoren zijn voor het bevorderen van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, maar ook voor het stimuleren van persoonlijke ontwikkeling, sociale inclusie en cohesie en actief burgerschap, en is daarom van mening dat gelijke toegang tot hoogwaardig onderwijs en passende investeringen in vaardigheden en competenties cruciaal zijn voor het aanpakken van het hoge werkloosheidscijfer en sociale exclusie, met name onder de kwetsbaarste en meest achtergestelde groepen mensen (NEET's, langdurig werklozen, laagopgeleiden, vluchtelingen en mensen met een handicap); herinnert eraan dat een echte inschatting van de toekomstige behoeften op het gebied van vaardigheden in verband hiermee buitengewoon belangrijk is;

32.  betreurt het feit dat investeringen in onderwijs nog steeds achterblijven en dat de opeenvolgende bezuinigingen op onderwijs studenten en volwassenen met een kansarme sociaaleconomische achtergrond het zwaarst treffen;

33.  vindt het zeer zorgwekkend dat de investeringen in onderwijs en opleiding in de EU in haar geheel tussen 2010 en 2014 met 2,5 % zijn gedaald(32); benadrukt het feit dat naar behoren ingerichte openbare onderwijsstelsels zijn vereist om het onderwijs in staat te stellen werkloosheid, sociale exclusie en armoede te bestrijden;

34.  benadrukt het feit dat, zoals vermeld door de OESO(33), beter opgeleide mensen bijdragen tot de totstandbrenging van meer democratische samenlevingen en duurzamere economieën, minder afhankelijk zijn van overheidssteun en minder kwetsbaar zijn voor economische recessies; wijst er derhalve op dat investeringen in hoogwaardig onderwijs en innovaties niet alleen van essentieel belang zijn voor het bestrijden van werkloosheid, armoede en sociale exclusie, maar ook van cruciaal belang zijn voor de EU om succesvol te kunnen concurreren op de mondiale markten; roept de Commissie en de lidstaten op het niveau van de openbare investeringen in voor- en vroegschoolse educatie, primair onderwijs en secundaire educatie voor iedereen terug te brengen naar minstens het niveau van voor de crisis, met name waar het kinderen uit kansarme milieus betreft;

35.  wijst op het feit dat toegang tot onderwijs- en opleidingsmogelijkheden een recht moet zijn voor iedereen, in elke levensfase, om transversale vaardigheden te verwerven als numerieke onderlegdheid, digitale en mediavaardigheden, kritisch denken, sociale vaardigheden en vaardigheden voor het leven; is van mening dat de agenda voor nieuwe vaardigheden hierbij een stap in de juiste richting is, doordat een gedeeld engagement wordt aangemoedigd voor het realiseren van een gemeenschappelijke visie inzake het cruciale belang van een leven lang leren;

36.  benadrukt de rol die externe verenigingen en ngo's spelen bij het kinderen aanleren van andere vaardigheden en sociale competenties, bijvoorbeeld in de kunsten of manuele activiteiten, door bij te dragen aan hun integratie, een beter begrip van hun omgeving, solidariteit bij het leren en in het leven en het verbeteren van de leervaardigheden van hele klassen;

37.  wijst erop dat personen met een handicap speciale behoeften hebben en daarom de juiste ondersteuning moeten krijgen bij de ontwikkeling van hun vaardigheden; vraagt de Commissie en de lidstaten bij de implementatie van de agenda voor nieuwe vaardigheden een inclusieve benadering te volgen voor het ontwerpen van hun onderwijs- en opleidingsbeleid, waaronder middels onderwijsondersteunend personeel, alsook middels het aanbieden van informatie over de beschikbare vaardigheden-, opleidings- en financieringsmogelijkheden, en het toegankelijk maken van deze mogelijkheden voor zoveel mogelijk mensen, rekening houdend met de hele waaier van handicaps; is van mening dat, teneinde deelname aan de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, voor veel mensen met een handicap het ondernemerschap een haalbare optie is; wijst in dit opzicht op het belang van het verbeteren van de digitale vaardigheden van mensen met een handicap, en op het enorme belang van de rol van toegankelijke technologie;

38.  wijst op het feit dat, hoewel steeds meer het potentieel wordt erkend van kwalitatief hoogstaand onderwijs en kwalitatief hoogstaande opvang voor jonge kinderen voor het verminderen van het vroegtijdig schoolverlaten en het leggen van stevige fundamenten voor verdere leeractiviteiten, de agenda voor nieuwe vaardigheden een toekomstgerichte visie voor de vroegste onderwijsfasen ontbeert; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan te investeren in zowel hoogwaardig OOJK, teneinde de kwaliteit te verhogen en de toegankelijkheid te vergroten, en maatregelen vast te stellen ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten;

39.  vraagt de lidstaten in het bijzonder goedkeuring te hechten aan het kwaliteitskader 2014 voor OOJK(34), en is van mening dat er relevante programma's beschikbaar moeten zijn om een nieuwe kans te bieden aan al die jongeren die de basis- of middelbare school voortijdig hebben verlaten; is van mening dat voltooiing van de middelbare school wenselijk is;

40.  wijst erop dat onderwijs niet alleen vaardigheden en competenties moet bieden die relevant zijn voor de behoeften van de arbeidsmarkt, maar ook moet bijdragen tot de persoonlijke ontwikkeling en groei van jongeren om zich als actieve en verantwoordelijke burgers te ontwikkelen;

41.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat er wordt geïnvesteerd in inclusief onderwijs dat reageert op maatschappelijke uitdagingen en waarborgt dat iedereen gelijke toegang en gelijke kansen krijgt, inclusief jongeren met verschillende sociaal-economische achtergronden, alsmede kwetsbare en benadeelde groepen;

42.  roept de lidstaten op tweedekansonderwijs en -opleidingsmogelijkheden uit te breiden met als doel risicogroepen beter te integreren op de arbeidsmarkt;

43.  is ingenomen met de voorstellen van de Commissie voor maatregelen op het gebied van ontwikkeling van vaardigheden om de ongelijkheid in het onderwijs en de nadelen die een persoon gedurende de levensloop ondervindt, te verminderen, waardoor Europese burgers zich effectief tegen werkloosheid teweer kunnen stellen en de concurrentiekracht en de innovatie in Europa gewaarborgd wordt, maar wijst op een aantal administratieve knelpunten die de vooruitgang in het bereiken van deze doelstellingen wat betreft mobiliteit van vakmensen, erkenning van kwalificaties en het onderricht van beroepskwalificaties, vertragen;

44.  pleit daarom ervoor dat de lidstaten voor de juiste werking van het Informatiesysteem interne markt (IMI) zorgen die een betere uitwisseling van gegevens mogelijk maakt en een betere administratieve samenwerking versterkt zonder onnodige administratieve lasten te creëren, eenvoudigere en snellere procedures invoeren voor de erkenning van beroepskwalificaties en permanente professionele ontwikkeling van gekwalificeerde vakmensen die in een andere lidstaat willen gaan werken, en elke vorm van discriminatie voorkomen;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten, in het bijzonder, de toegang van kwetsbare burgers tot de ontwikkeling van vaardigheden te vereenvoudigen door de behoefte te beoordelen aan de invoering van speciale instrumenten, zoals lokale EU-informatiecentra en specifieke indicatoren binnen het Kader voor sleutelcompetenties, en zodoende rekening te houden met de behoeften van kansarme groepen;

Bevordering van mogelijkheden op het gebied van een leven lang leren voor iedereen

46.  onderstreept het belang van een leven lang leren voor de zelfontwikkeling van werknemers, met inbegrip van het op de hoogte blijven van de continu veranderende arbeidsomstandigheden(35), en van het creëren van kansen voor iedereen teneinde een cultuur van leren op alle leeftijden in Europa te bevorderen; spoort de Commissie en de lidstaten aan het concept van een leven lang leren te bevorderen en hierin te investeren, met name in landen met een deelnamepercentage onder de benchmark van 15 procent;

47.  neemt met grote bezorgdheid kennis van de onaanvaardbare situatie van 70 miljoen Europeanen zonder basisvaardigheden; is derhalve ingenomen met de oprichting van het initiatief 'bijscholingstrajecten' (Upskilling pathways'), en benadrukt het feit dat een snelle tenuitvoerlegging en toezicht nodig zijn; roept de Commissie en de lidstaten verder op in te zetten op een continubenadering van bijscholing, herscholing en een leven lang leren door te kiezen voor releingen voor eenvoudiger toegang en motivering, toegespitst op de individuele behoeften van de lidstaten, voor zowel mensen met een baan als voor werklozen;

48.  is van mening dat het initiatief 'bijscholingstrajecten' (Upskilling pathways') mede de individuele beoordeling moet omvatten van de leerbehoeften, evenals een kwalitatief hoogwaardig leeraanbod en systematische validatie van verworven vaardigheden en competenties, zodat ze eenvoudig kunnen worden erkend op de arbeidsmarkt; wijst erop dat algemene toegang moet worden gegarandeerd tot breedband om digitale geletterdheid mogelijk te maken; betreurt het feit dat het Europees Parlement niet betrokken is geweest bij het vormgeven van het initiatief;

49.  beklemtoont dat de ontwikkeling van sectorale en specifieke vaardigheden een gedeelde verantwoordelijkheid is van onderwijsaanbieders, werkgevers en vakbonden, en dat de lidstaten derhalve voor een enge dialoog met de sociale partners moeten zorgen; benadrukt het feit dat alle relevante partijen op de arbeidsmarkt betrokken moeten worden bij het opleidingsproces en -ontwerp en de levering van opleidingen om mensen gedurende de hele loopbaan te voorzien van de nodige vaardigheden, om ervoor te zorgen dat bedrijven concurrerend zijn en tegelijk de persoonlijke ontwikkeling, hoogwaardige werkgelegenheid, en loopbaankansen en -ontwikkeling te bevorderen;

50.  onderstreept dat het van belang is complexe onderwijs- en opleidingsstelsels te ontwikkelen om lerenden verschillende soorten vaardigheden te laten opdoen: basisvaardigheden (geletterdheid, numerieke onderlegdheid en digitale vaardigheden); geavanceerde algemene vaardigheden (zoals probleemoplossing, leren enz.); professionele, technische, beroepsspecifieke of sectorspecifieke vaardigheden; sociaal-emotionele vaardigheden;

51.  onderstreept dat het voor het ontwerpen van doeltreffende opleidingsprogramma's van essentieel belang is inzicht te verkrijgen in de specifieke behoeften van laaggekwalificeerden en hen te voorzien van op maat gemaakte opleidingen; herinnert eraan dat in het licht van opgedane ervaring en veranderende omstandigheden, slagvaardigheid en aanpassingsvermogen cruciale aspecten zijn voor een doeltreffend onderwijsproces;

52.  benadrukt het feit dat de actieve benadering en begeleiding van mensen die in een achterstandspositie verkeren, met inbegrip van mensen met een handicap, langdurig werklozen en ondervertegenwoordigde groepen mensen, die zich mogelijk niet bewust zijn van de voordelen van het vergroten van hun vaardigheden of van de mogelijkheden tot herscholing of bijscholing, van essentieel belang zijn voor het succes van dergelijke initiatieven;

53.  roept de Commissie en de lidstaten op gerichte maatregelen te nemen ten aanzien van het herscholen en valideren van de vaardigheden van ouders die weer aan het werk gaan na een periode van zorg van hulpbehoevende gezinsleden;

54.  roept op tot een actieve betrokkenheid van en dialoog tussen alle belanghebbenden, niet alleen op nationaal en Europees niveau maar ook op lokaal en regionaal niveau, om tegemoet te komen aan de daadwerkelijke omstandigheden en behoeften van de arbeidsmarkt;

55.  wijst nogmaals op de noodzaak om het concept van een leven lang leren te integreren in de bredere context van professionele geletterdheid;

De banden aanhalen tussen onderwijs en werk

56.  brengt in herinnering dat het dichten van de vaardigheidskloof, het beter afstemmen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en het stimuleren van mogelijkheden voor sociale mobiliteit, met inbegrip van beroepsopleiding en stageregelingen, essentieel zijn om duurzame groei, sociale cohesie, nieuwe banen, innovatie en ondernemerschap te bevorderen, vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen en ambachten; moedigt de lidstaten daarom aan beroepsgericht leren te bevorderen in overeenstemming met de economische vraag;

57.  benadrukt het feit dat gestreefd moet worden naar een flexibelere, individuelere en persoonlijkere(36) aanpak van loopbaanontwikkeling en een leven lang leren gedurende het persoonlijke loopbaantraject en erkent de rol die publieke maar ook private partijen hierbij kunnen spelen, en erkent dat begeleiding en advisering waarbij de individuele behoeften en voorkeuren worden aangepakt en op de evaluatie en uitbreiding wordt gefocust van individuele vaardigheden, kernelementen moeten zijn van het beleid inzake onderwijs en vaardigheden;

58.  roept de lidstaten op om samen met de sociale partners beleid te ontwikkelen en in te voeren dat voorziet in onderwijs- en opleidingsverlof en in scholing op de werkvloer; verzoekt hen om leren op de werkvloer en daarbuiten, met inbegrip van betaald opleidingsverlof, toegankelijk te maken voor alle werknemers, in het bijzonder voor werknemers die in een achterstandspositie verkeren en met name vrouwelijke werknemers;

59.  benadrukt het feit dat op vaardigheden gerichte beleidsmaatregelen niet alleen rekening moeten houden met de huidige transformaties op de arbeidsmarkt, maar er ook op moeten toezien dat ze universeel genoeg zijn om de leercapaciteit van werknemers te ontwikkelen en ze in staat te stellen zich voor te bereiden op toekomstige uitdagingen;

60.  benadrukt het feit dat de ontwikkeling van vaardigheden een gedeelde verantwoordelijkheid moet zijn tussen onderwijsaanbieders en werkgevers; benadrukt het feit dat de industrie/werkgevers erbij betrokken moeten worden om mensen te voorzien van en op te leiden tot de nodige vaardigheden, om ervoor te zorgen dat bedrijven concurrerend zijn en tegelijk het zelfvertrouwen van mensen te bevorderen;

61.  herinnert eraan dat voor het bevorderen van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, innovaties en actief burgerschap, met inbegrip van ecoburgerschap, de basisvaardigheden hand in hand moeten gaan met andere sleutelcompetenties en gedragingen: creativiteit, milieubewustzijn, zin voor initiatief, beheersing van vreemde talen, kritisch denken, onder meer door middel van digitale geletterdheid en mediavaardigheden, en vaardigheden die specifiek op groeiende sectoren zijn gericht;

62.  benadrukt het enorme innovatie- en werkgelegenheidspotentieel van hernieuwbare energiebronnen en het streven naar meer hulpbronnen- en energie-efficiëntie; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, met het oog op onderwijs- en werkgelegenheidsmogelijkheden, bij de tenuitvoerlegging van de nieuwe vaardighedenagenda rekening te houden met energie- en milieugerelateerde kwesties;

63.  onderstreept het belang van de totstandbrenging van op maat gemaakte ondersteuning voor lerenden op de werkplek, stagiairs en werknemers, om de integratie van alle mensen op de arbeidsmarkt te waarborgen;

64.  onderkent dat het belangrijk is op werk gebaseerde stages te bevorderen, als een van de instrumenten om de integratie van personen op de arbeidsmarkt verder te faciliteren, bijvoorbeeld door het tot stand brengen van overbruggingen/de uitwisseling van competenties tussen verschillende generaties;

65.  wijst erop dat stages, leerlingplaatsen en opleidingen tot specifieke vaardigheden als de meest doeltreffende methoden worden beschouwd om te voorkomen dat jonge mensen weer in de NEET-status vervallen; constateert dat is vastgesteld dat het hanteren van een duaal systeem van beroepsonderwijs en academische opleidingen en vorming de omvang van de NEET-groep doet afnemen door meer jonge mensen in staat te stellen het onderwijs/de opleiding te blijven volgen waardoor ze beter inzetbaar zijn en eerder naar een baan/carrière kunnen doorgroeien; beklemtoont dat uit macro-economische analyses blijkt dat een combinatie van een duaal onderwijs- en opleidingsstelsel en een actief arbeidsmarktbeleid de beste resultaten oplevert;

66.  verzoekt de lidstaten op werk gebaseerde beroepsopleidingen en de ontwikkeling van vaardigheden voor kmo's te ondersteunen;

67.  vraagt dat concrete maatregelen worden genomen om de transitie van jongeren van onderwijs naar werk te faciliteren, door te zorgen voor kwalitatief hoogstaande en betaalde stages en leerlingplaatsen, waar ze praktijkervaring kunnen opdoen, of zelfs grensoverschrijdende uitwisselingsprogramma's zoals Erasmus voor jonge ondernemers, en jongeren de mogelijkheid te bieden hun kennis en talenten in praktijk te brengen en te beschikken over een passende reeks sociale en economische rechten en over toegang tot passend werk en sociale bescherming, zoals bedoeld in de nationale wetgevingen en praktijken, op voet van gelijkheid met volwassen werkenden; vraagt de lidstaten in het bijzonder steun te verlenen aan het mkb, zodat ook daar stagiaires en jongeren in een (alternerende) opleiding terecht kunnen;

68.  verzoekt de lidstaten toe te zien op het hanteren van een kwaliteitskader op basis waarvan stagiairs en leerlingen niet als goedkope of gratis arbeidskrachten mogen worden ingezet; wijst op het feit dat goed inzicht in de belangrijkste gezondheids- en veiligheidsnormen en -rechten op de werkplek ook van belang is voor het ontwikkelen van hoogwaardige werkgelegenheid en het voorkomen van uitbuiting; verzoekt de lidstaten op nationaal niveau juridische kaders van hoge kwaliteit in het leven te roepen met het oog op stages en leerlingplaatsen, welke kaders met name in passende arbeidsbescherming en sociale zekerheid voorzien;

69.  vraagt de Commissie een kwaliteitskader voor stages te presenteren, en de lidstaten dit goed te keuren(37);

70.  is van mening dat, om te anticiperen op toekomstige behoeften op het gebied van vaardigheden, het maatschappelijk middenveld, en met name jongeren- en grassrootorganisaties, de sociale partners, en de aanbieders van onderwijs en opleiding, evenals gespecialiseerde ondersteunende diensten, actief betrokken moeten worden op alle niveaus, met name bij de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en evaluatie van programma's voor beroepsopleiding, die een daadwerkelijke en effectieve transitie bieden van formeel onderwijs naar leren op basis van werk en kwalitatief hoogwaardig werk;

71.  benadrukt dat het van belang is kwalificaties van nut te laten zijn voor werkgevers door de actoren op de arbeidsmarkt te betrekken bij het opstellen van de kwalificaties;

Sleutelrol van niet-formeel en informeel leren

72.  benadrukt het feit dat het belangrijk is niet-formeel en informeel leren te valideren, om de hand te reiken en lerenden het heft in eigen handen te geven; merkt op dat dit met name evident is voor mensen in een kwetsbare of achterstandspositie, zoals laaggekwalificeerde werknemers of vluchtelingen, die prioritaire toegang nodig hebben tot validatieregelingen;

73.  betreurt het feit dat werkgevers en aanbieders van formeel onderwijs niet voldoende de waarde en relevantie erkennen van vaardigheden, competenties en kennis die zijn verworven via niet-formeel en informeel leren; benadrukt in dit opzicht het feit dat het gebrek aan bewustzijn met betrekking tot validatie onder alle relevante belanghebbenden moet worden aangepakt;

74.  erkent het feit dat het gebrek aan vergelijkbaarheid en coherentie tussen de validatieaanpakken van de EU-landen, met name voor beroepsonderwijs en -opleiding, een bijkomende belemmering is; onderkent daarnaast dat het leveren van daadwerkelijke toegang, erkenning en financiële ondersteuning blijft een ware uitdaging, met name voor achtergestelde groepen, zoals laaggekwalificeerden, die prioritaire toegang nodig hebben tot validatieregelingen;

75.  roept de Commissie en de lidstaten op het bewustzijn inzake de mogelijkheden voor validatie te vergroten; is in dit opzicht ingenomen met de in de laatste paar jaren geboekte vooruitgang in het kader van de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Raad betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren tegen 2018; is echter van mening dat aanvullende inspanningen nodig zijn bij het tot stand brengen van relevante juridische kaders en uitgebreide validatiestrategieën teneinde validatie mogelijk te maken;

76.  herinnert eraan dat tal van bestaande Europese transparantie-instrumenten, zoals het Europees kwalificatiekader (EKK) en het Europees studiepuntensysteem voor beroepsonderwijs en -opleiding (Ecvet), als op zichzelf staande instrumenten zijn ontwikkeld; benadrukt dat deze instrumenten, om personen in staat te stellen hun vooruitgang en mogelijkheden beter in kaart te brengen en profijt te trekken van de in verschillende contexten opgedane leerresultaten, beter moeten worden gecoördineerd en ondersteund door kwaliteitsborgingssystemen en moeten worden opgenomen in een kader van nationale kwalificaties om vertrouwen te kweken tussen sectoren en actoren, met inbegrip van werkgevers;

77.  benadrukt het feit dat opnieuw gefocust moet worden op de rol van niet-formeel onderwijs, dat essentieel is om mensen het heft in eigen handen te geven, met name kwetsbare en kansarme mensen, met inbegrip van mensen met speciale behoeften en mensen met een handicap, diegenen die laaggekwalificeerd zijn en beperkte mogelijkheden hebben inzake toegang tot formeel onderwijs; is van mening dat aanbieders van niet-formeel onderwijs en ngo's zich op de juiste positie bevinden om achtergestelde groepen buiten het formele onderwijsstelsel de hand te reiken, en dat zij beter moeten worden ondersteund bij de uitvoering van hun taken teneinde te waarborgen dat de mensen die hier het meeste behoefte aan hebben, daadwerkelijk van de agenda voor nieuwe vaardigheden kunnen profiteren;

78.  erkent het belang van vrijwilligerswerk als een van de instrumenten voor het opdoen van kennis, ervaring en vaardigheden voor het verhogen van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het verkrijgen van beroepskwalificaties;

79.  benadrukt het feit dat niet-formeel leren, inclusief vrijwilligerswerk, een cruciale rol te spelen heeft bij het stimuleren van de ontwikkeling van overdraagbare kennis, interculturele competenties en algemene redzaamheid, met vaardigheden als teamwerk, creativiteit en zin voor initiatief, terwijl tegelijk het gevoel van eigenwaarde en de motivatie om te leren worden versterkt;

80.  Benadrukt bovendien het belang van informele onderwijsprogramma's, kunst en sportactiviteiten en interculturele dialoog, om zo burgers actief te betrekken bij maatschappelijke en democratische processen en ze minder gevoelig te maken voor propaganda die tot radicalisering leidt; beklemtoont dat informele en niet-formele leeromgevingen een sleutelrol vervullen bij de inclusie van mensen die het meest kwetsbaar zijn en het meest van de arbeidsmarkt worden uitgesloten; verzoekt de lidstaten in dit verband de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren volledig en tijdig ten uitvoer te leggen;

81.  wijst met nadruk op de waarde van transversale vaardigheden die door middel van sport worden opgedaan als onderdeel van niet-formeel en informeel leren, en op het verband tussen inzetbaarheid in de sport, onderwijs en opleiding;

82.  onderstreept het feit dat informele en niet-formele kaders ook kansen bieden voor de actieve bevordering van de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en niet-discriminatie, en voor het opdoen van kennis over burgerschap, duurzaamheid en mensenrechten, met inbegrip van de rechten van vrouwen en kinderen;

83.  verzoekt de lidstaten procedures in te richten voor de erkenning van informeel en niet-formeel onderwijs, waarbij zij gebruikmaken van de beste praktijken in de lidstaten waar deze instrumenten al zijn ingevoerd, om ervoor te zorgen dat de bijscholingstrajecten een succes zijn(38); benadrukt in dit opzicht het belang van een beleidsmaatregel gericht op de groepen die het verst van de arbeidsmarkt afstaan;

84.  benadrukt het feit dat informele en niet-formele kaders, die op grote schaal worden toegepast binnen communautaire programma's voor onderwijs en voor groepen die zijn ondervertegenwoordigd binnen het regulier academisch onderwijs en volwassenenonderwijs, een belangrijke rol spelen voor de integratie van gemarginaliseerde en kwetsbare groepen; bevestigt in dit kader dat rekening moet worden gehouden met de standpunten en behoeften van vrouwen en meisjes, mensen met een handicap, leden van de LHBTI-gemeenschap, migranten en vluchtelingen en etnische minderheden;

85.  benadrukt het belang van loopbaanbegeleiding voor laaggekwalificeerden; wijst in dit opzicht op het belang van de capaciteit en kwaliteit van de openbare en private diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten;

86.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de invoering in overweging te nemen van gemeenschappelijke instrumenten gericht op de beoordeling van vaardigheden als onderdeel van de Europass-regeling;

87.  roept de lidstaten op hun validatieregelingen verder uit te bouwen en het bewustzijn inzake de validatiediensten te vergroten; moedigt de lidstaten aan toegankelijkere, aantrekkelijkere en meer open trajecten voor voortgezet onderwijs tot stand te brengen, bijvoorbeeld in de vorm van voortgezet beroepsonderwijs;

Bevordering van digitale, STEM- en ondernemerschapsvaardigheden

88.  benadrukt het feit dat digitale basisvaardigheden vandaag de dag een essentiële vereiste zijn voor persoonlijke en professionele ontplooiing, maar is van mening dat er aanvullende inspanningen nodig zijn om mensen met specifiekere digitale competenties uit te rusten, zodat zij digitale technologieën op een innovatieve en creatieve manier kunnen inzetten;

89.  wijst erop dat moet worden beoordeeld welke vaardigheden geschikt zijn voor de nieuwe technologieën en dat de ontwikkeling moet worden bevorderd van toereikende digitale vaardigheden die kunnen worden benut in midcap-, micro- en kleine en middelgrote ondernemingen; wijst met name op het feit dat de ontwikkeling van vaardigheden in het digitale tijdperk plaatsvindt tegen een snel veranderende en mogelijk destabiliserende achtergrond voor wat de werkgelegenheid betreft; acht het om die reden gepast te kiezen voor een concept van levenslang leren dat op deze veranderingen inspeelt;

90.  is van mening dat er met het oog op betere digitale leer- en onderwijsprocessen meer belang moet worden gehecht aan STEM-onderwijs; benadrukt de nauwe band tussen creativiteit en innovatie, en dringt derhalve aan op de opname van de kunsten en creatieve leerprocessen in de leeragenda voor STEM-onderwijs, en is verder van oordeel dat meisjes en jonge vrouwen reeds vanaf jeugdige leeftijd moeten worden aangemoedigd STEM-onderwerpen te studeren;

91.  benadrukt dat nieuwe technologieën moeten worden opgenomen in het onderwijs- en leerproces, en dat onderwijs middels 'hands-on'- en 'real-life'-ervaringen moet worden bevorderd, rekening houdend met aan de leeftijd aangepaste ICT en mediaprogramma's die rekening houden met de ontwikkeling en het welzijn van het kind, en die adviseren over het verantwoorde gebruik van technologie en aanzetten tot kritisch nadenken, om mensen uit te rusten met het juiste pakket aan vaardigheden, kwalificaties en kennis, en te zorgen voor de ontwikkeling van het volledige gamma aan digitale vaardigheden die individuen en bedrijven nodig hebben in een steeds verder gedigitaliseerde economie; herhaalt dat meisjes en jonge vrouwen moeten worden aangemoedigd om ICT-studies te volgen;

92.  benadrukt bovendien de noodzaak van een meer op samenwerking gestoelde, gecoördineerde en gerichte aanpak voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van strategieën voor digitale vaardigheden;

93.  moedigt daarom de Commissie aan de financiering uit hoofde van de Europese kaderprogramma's te verhogen, alsook het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), en inclusieve, innovatieve en reflexieve Europese samenlevingen te bevorderen waardoor alle burgers, met name degenen met een kwetsbare sociaal-economische achtergrond of wonend in afgelegen gebieden, personen met een handicap, de ouderen en de werklozen volwaardig aan de samenleving en de arbeidsmarkt te laten deelnemen;

94.  is tevreden met het voorstel van de Commissie om er bij de lidstaten op aan te dringen algemene nationale strategieën voor digitale vaardigheden op te stellen, met bijzondere aandacht voor het dichten van de digitale kloof, vooral bij oudere mensen; wijst er overigens op dat, willen deze strategieën effectief zijn, er mogelijkheden voor een leven lang leren moeten komen voor onderwijzend personeel, alsook moet worden gewerkt aan sterk pedagogisch leiderschap en innovatie op alle onderwijsniveaus, toegespitst op elk niveau, op basis van een duidelijke, aan de leeftijd en ontwikkeling aangepaste visie inzake media-educatie, evenals passende initiële en voortgezette opleidingen en bijscholing voor leraren en de uitwisseling van goede praktijken;

95.  onderstreept dat mediageletterdheid burgers in staat stelt een kritisch begrip van de verschillende mediavormen te ontwikkelen, met als gevolg een vermeerdering en verbetering van de middelen en mogelijkheden die door "digitale geletterdheid" worden geboden;

96.  roept de lidstaten op hun inspanningen op te voeren om mediageletterdheid in schoolprogramma's en instellingen voor cultuuronderwijs te verbeteren en op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau initiatieven te ontplooien voor alle niveaus van formele, informele en niet-formele onderwijs- en opleidingsstelsels;

97.  herhaalt dat het pakket digitale vaardigheden digitale en mediageletterdheid moet omvatten, alsook kritisch en creatief denkvermogen, teneinde te voorkomen dat lerenden uitsluitend gebruikers van technologieën worden, maar ook actieve creatoren, innoveerders en verantwoorde burgers in een digitale wereld;

98.  roept de lidstaten op mogelijkheden te creëren voor ICT-opleidingen en de ontwikkeling van digitale vaardigheden en mediageletterdheid op alle onderwijsniveaus; onderstreept in dit opzicht het belang van open leermiddelen die waarborgen dat onderwijs toegankelijk is voor iedereen;

99.  benadrukt het feit dat elementen van het leren van ondernemerschap, met inbegrip van sociaal ondernemerschap, moeten worden opgenomen op alle onderwijsniveaus en in verschillende vakken, omdat het stimuleren onder jongeren van een ondernemersgeest in een vroeg stadium de inzetbaarheid zal vergroten, bij zal dragen tot de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, en ook creativiteit, kritisch denken en leiderschapsvaardigheden bevordert, die van nut kunnen zijn voor het ontwikkelen van sociale projecten en een bijdrage kunnen leveren aan plaatselijke gemeenschappen; benadrukt veder het belang van het leren van ervaringen en het concept van "positief falen" in deze context;

100.  is van mening dat ondernemerschapsonderwijs een sociale dimensie moet omvatten, aangezien dit onderwijs een stimulans voor de Europese economie vormt en tegelijkertijd kansarmoede, sociale exclusie en andere maatschappelijke problemen doet afnemen, en onderwerpen aankaart zoals eerlijke handelspraktijken, sociale ondernemingen en alternatieve bedrijfsmodellen, met inbegrip van coöperatieve bedrijven, teneinde een socialere, inclusievere en duurzamere economie te realiseren;

101.  wijst er andermaal op dat de creatieve bedrijfstakken tot de ondernemendste en snelst groeiende sectoren behoren, en dat creatief onderwijs overdraagbare vaardigheden ontwikkelt zoals creatief denken, probleemoplossend vermogen, teamwork en vindingrijkheid; onderkent dat de kunst- en mediasector grote aantrekkingskracht uitoefenen op jongeren;

102.  wijst erop dat ondernemerschap de ontwikkeling van horizontale vaardigheden vereist, zoals creativiteit, kritisch denkvermogen, teamwork en initiatiefrijkheid, die bijdragen tot de persoonlijke en professionele ontwikkeling van jongeren en hun overstap naar de arbeidsmarkt vergemakkelijken; is dan ook van mening dat de deelname van ondernemers aan het onderwijsproces moet worden vergemakkelijkt en aangemoedigd;

103.  dringt aan op actieve dialoog, het uitwisselen van gegevens en samenwerking tussen de academische gemeenschap, andere onderwijs- en opleidingsinstellingen of actoren, de sociale partners en de arbeidswereld, om onderwijsprogramma's te ontwikkelen die jongeren uitrusten met de vereiste vaardigheden en competenties en kennis;

Modernisering van beroepsonderwijs en -opleiding en focus op de waarde van leren op basis van werk

104.  roept de Commissie, de lidstaten en de sociale partners ertoe op beleidsmaatregelen uit te werken en in te voeren voor educatief verlof en scholingsverlof voor werknemers, alsmede beroepsopleiding en een leven lang leren op het werk, ook in andere lidstaten dan die van henzelf; roept ertoe op leren binnen en buiten het kader van het werk, met inbegrip van betaalde studiemogelijkheden, toegankelijk te maken voor alle werknemers, met name werknemers in achtergestelde situaties, met speciale aandacht voor vrouwelijke werknemers in sectoren waarin vrouwen structureel ondervertegenwoordigd zijn(39);

105.  wijst nogmaals op het belang van beroepsonderwijs en -opleiding (BOO) als een relevante vorm van onderwijs die niet alleen de kansen op de arbeidsmarkt kan verbeteren en de weg naar beroepskwalificaties kan openen, maar ook kan leiden tot gelijke kansen voor alle burgers, met inbegrip van sociaal kwetsbare en achtergestelde groepen mensen;

106.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat naar behoren wordt geïnvesteerd in beroepsonderwijs en -opleiding, teneinde de relevantie hiervan voor lerenden, werkgevers en de maatschappij op basis van een holistische en participatieve aanpak te verhogen en deze toe te spitsen op de behoeften van de arbeidsmarkt, door er een integrerend onderdeel van te maken van het onderwijssysteem via een participatieve, geïntegreerde en gecoördineerde benadering, en strenge kwalificatienormen en kwaliteitsborging op dit gebied te garanderen; onderstreept dat het van belang is dat er nauwer wordt samengewerkt tussen BOO en aanbieders van hoger onderwijs om zo de succesvolle overgang van afgestudeerden van beroepsonderwijs en -opleiding naar het hoger onderwijs te waarborgen;

107.  acht het noodzakelijk om universitaire en beroepsopleiding beter op elkaar te doen aansluiten;

108.  onderstreept dat het van belang is de praktijken op het gebied van beroepsonderwijs en loopbaanbegeleiding aan te scherpen, door zowel in het onderwijsstelsel als het volwassenenonderwijs voor een betere afstemming te zorgen van de vaardigheden en competenties waar in bepaalde bedrijfstakken en sectoren met een hoge toegevoegde waarde en hoog investeringspotentieel op het niveau van de lidstaten behoefte aan is;

109.  is ingenomen met de initiatieven van de Commissie om beroepsonderwijs en -opleiding te bevorderen; erkent dat het potentieel van de mobiliteit op het vlak van beroepsonderwijs nog niet is verwezenlijkt; is van oordeel dat aanvullende financiering voor instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding zou kunnen bijdragen aan de vergroting van de mobiliteit in beroepsonderwijs en aan de toename van de kwaliteit, relevantie en inclusiviteit van beroepsonderwijs en -opleiding;

110.  merkt op dat de mogelijkheid moet worden onderzocht van intersectorale mobiliteit, niet alleen voor lesgevers in het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding, maar ook tussen scholen als geheel;

111.  stelt dat de voornaamste verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van beroepsonderwijs- en opleiding ligt bij de lidstaten en op regionaal niveau; vraagt dat de Commissie beroepsonderwijs bevordert en de uitwisseling van goede praktijken faciliteert;

112.  roept de lidstaten op BOO een nieuwe invulling te geven met passende investeringen en gekwalificeerd personeel teneinde de koppeling met de arbeidsmarkt en werkgevers te versterken en het bewustzijn inzake de BOO als een waardevolle opleidingsvorm en loopbaan te vergroten;

113.  roept de Commissie en de lidstaten op de aantrekkelijkheid en status van beroepsonderwijs en -opleiding en de beroepsonderwijs- en opleidingsmobiliteit te vergroten als een belangrijke keuze in iemands persoonlijke loopbaantraject, door ervoor te zorgen dat jongeren en hun gezinnen toegang hebben tot informatie over de opties op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding, dat voldoende wordt geïnvesteerd in het vergroten van de kwaliteit en de relevantie van BOO, dat het toegankelijk en betaalbaar is voor eenieder, en dat meer bruggen worden geslagen tussen academisch onderwijs en BOO, en te werken aan de bevordering van genderevenwicht en non-discriminatie in BOO-programma's;

114.  vraagt om specifieke doelstellingen, zoals de tenuitvoerlegging van een volledig operationeel systeem voor de overdracht en erkenning van studiepunten met behulp van Ecvet;

115.  vraagt de Commissie en de lidstaten, met het oog op het terugdringen van het aantal mensen dat stopt met onderwijs en opleiding, en het reduceren van het aantal NEET's, goede ervaringen op het gebied van partnerschappen tussen onderwijs en beroepsopleiding bijeen te brengen en te vergelijken; beveelt aan dit te doen middels samenwerking tussen middelbare scholen en ondernemingen, ook via stages, teneinde tweedekansopleidingen aan te bieden, de stelsels beter op elkaar af te stemmen en de vaardigheden aan de werkelijke behoeften aan te passen;

116.  spoort de lidstaten aan in overleg met lokale en regionale economische spelers kwalitatief hoogwaardige systemen voor duaal onderwijs en beroepsopleiding op te zetten, na een uitwisseling van optimale werkmethoden en rekening houdend met de specifieke aard van elk onderwijssysteem, teneinde de bestaande en toekomstige discrepanties tussen de vraag naar en het aanbod aan vaardigheden op te heffen;

117.  roept de lidstaten op de gegevensverzameling te verbeteren waarbij de loopbaantrajecten van lerenden in het beroepsonderwijs in kaart worden gebracht, om beter te kunnen inspelen op hun werkgelegenheidsvooruitzichten, de kwaliteit van het beroepsonderwijs beter te kunnen beoordelen en studenten te informeren over beroepskeuzen;

118.  herinnert eraan dat er meer steun nodig is voor de mobiliteit van lerenden en lesgevers; roept de lidstaten derhalve op steun voor mobiliteit in hun nationale programma's op te nemen, teneinde een groot deel van de jongeren te helpen ervaring in het buitenland op te doen;

Lesgevers en opleiders

119.  gelooft dat lesgevers en opleiders een belangrijke rol spelen bij de prestaties van lerenden; benadrukt derhalve dat geïnvesteerd moet worden in en steun moet worden verleend voor de initiële en permanente professionele ontwikkeling van lesgevers in alle onderwijssectoren, alsook dat voor kwaliteitsbanen moet worden gezorgd en dat diensten voor levenslang loopbaanadvies moeten worden opgericht, hetgeen een continue prioriteit in de gehele EU moet zijn;

120.  benadrukt dat het opwaarderen van de status en het vergroten van de vaardigheden van alle onderwijzers, opleiders, mentoren en opvoeders een voorwaarde is voor de realisatie van de agenda voor nieuwe vaardigheden, en dat bijkomende inspanningen moeten worden geleverd om jonge mensen voor het onderwijs te doen kiezen en om leraren te motiveren voor het beroep te behouden, waaronder middels speciaal hiervoor ontwikkelde beleidsmaatregelen; merkt op dat dit vereist dat er rekening wordt gehouden met lesgevers en dat zij naar waarde worden geschat, evenals aantrekkelijke vergoedingen en arbeidsomstandigheden, betere toegang tot vervolgopleidingen onder werktijd, met name op het gebied van digitale didactiek, en maatregelen ter bescherming tegen en ter voorkoming van geweld en intimidatie op onderwijsinstellingen; roept de lidstaten op de gendergelijkheid in het onderwijs meer te bevorderen; benadrukt dat het verbeteren van innovatieve onderwijs- en leerpraktijken alsmede het vergemakkelijken van mobiliteit en de uitwisseling van goede praktijken een eerste stap op weg naar verwezenlijking van dit doel zou kunnen zijn;

121.  brengt in herinnering dat in sommige lidstaten de opleiding van lesgevers aanzienlijk getroffen is door de economische en financiële crisis; onderstreept dat het van belang is te investeren in lesgevers, opleiders en educatoren, en hen uit te rusten met nieuwe vaardigheden en lestechnieken overeenkomstig de technologische en sociale ontwikkelingen;

122.  roept de lidstaten op prioriteit toe te kennen aan investeringen in een leven lang leren voor onderwijzers, waaronder in het opdoen van praktijkervaring in het buitenland, en te zorgen voor bij- en nascholing op professioneel vlak, en hen te helpen nieuwe vaardigheden op te doen, zoals ICT-vaardigheden, ondernemerschapsvaardigheden of kennis over inclusief onderwijs; beklemtoont in dit verband dat moet worden voorzien in voldoende betaalde opleidingsdagen voor de bij- en nascholing van alle onderwijzenden;

123.  benadrukt dat het van belang is de competenties van lesgevers in het beroepsonderwijs en de beroepsopleidingen te ontwikkelen, teneinde de lerenden met ondernemerschapsvaardigheden uit te rusten in nauwe samenwerking met de kmo's; benadrukt in dit opzicht dat het van belang is flexibele aanwervingspraktijken te stimuleren (bijvoorbeeld lesgevers met sectorspecifieke ervaring);

124.  beveelt de lidstaten aan te zorgen voor stimuleringsmaatregelen om kandidaten met vaardigheden op hoog niveau te werven voor het beroep van lesgever en om effectieve lesgevers te belonen;

Tenuitvoerlegging van de agenda voor nieuwe vaardigheden: uitdagingen en aanbevelingen

125.  verzoekt de Commissie nauw samen te werken met Cedefop om de toekomstige behoeften op het gebied van vaardigheden te kunnen ramen en er beter te kunnen op inspelen en de vaardigheden beter te kunnen afstemmen op de banen die beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt;

126.  benadrukt dat de agenda voor nieuwe vaardigheden nader moet worden ontwikkeld, uitgevoerd en gecontroleerd in samenwerking met alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van de sociale partners, maatschappelijke organisaties en aanbieders van niet-formeel onderwijs, diensten voor arbeidsvoorziening en lokale overheden; roept de Commissie op zich in te zetten voor de bevordering van bredere partnerschappen met deze belanghebbenden;

127.  verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de uitvoering van dit initiatief veel nadruk te leggen op de coördinatie van de verschillende organisaties die direct of indirect bij de ontwikkeling van vaardigheden zijn betrokken, zoals ministeries, lokale autoriteiten, openbare diensten voor arbeidsvoorziening en andere instellingen, onderwijs- en opleidingsinstituten, en niet-gouvernementele organisaties enz.;

128.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ermee voort te gaan beroepsonderwijs en -opleiding zichtbaarder te maken en de kwaliteit en attractiviteit ervan te vergroten; verzoekt de Commissie de lidstaten ertoe aan te moedigen bijkomende doelstellingen te bepalen om leren op basis van werk in de programma's van beroepsonderwijs en -opleiding aan te moedigen;

129.  pleit voor een betere samenwerking tussen aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding en aanbieders van hoger onderwijs om de bestaande kloof te overbruggen om te zorgen voor een succesvolle transitie van afgestudeerden van het beroepsonderwijs naar het hoger onderwijs; beveelt in dit opzicht aan om te leren van de beste praktijken die aanwezig zijn in verschillende lidstaten die reeds over efficiënte duale onderwijssystemen beschikken;

130.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het sociaal, onderwijs- en werkgelegenheidsbeleid op een gecoördineerde en geïntegreerde manier aan te pakken zodat beroepsonderwijs en -opleiding zich permanent kunnen aanpassen en leerlingen die dit traject hebben gevolgd, naar hogere onderwijs- en opleidingsniveaus kunnen doorstromen;

131.  benadrukt het belang om het inzicht in en de vergelijkbaarheid van de verschillende kwalificaties tussen lidstaten te verbeteren; verwelkomt de voorgestelde herziening en nadere ontwikkeling van het EKK en roept op tot betere samenwerking tussen de lidstaten en alle belanghebbenden; pleit voor grotere consistentie tussen de kwalificatie-instrumenten van de EU, namelijk het EKK, het Ecvet en het Eqavet;

132.  verzoekt de lidstaten zich te blijven focussen op het bieden van mogelijkheden aan hun burgers van alle leeftijden om hun digitale vaardigheden en competenties te ontwikkelen, en om tegelijk de digitale transformatie van de economie en de samenleving, en de nieuwe manier waarop mensen leren, werken en zaken doen, alsmede de bredere maatschappelijke gevolgen van deze veranderingen, te bevorderen; roept de lidstaten in dit verband op kennis te nemen van de intentie van de Commissie om te focussen op de positieve aspecten van deze transformatie via de EU-strategie voor e-vaardigheden; vraagt om nadere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners in de coalitie voor digitale vaardigheden en banen;

133.  staat achter de blauwdruk voor sectorale samenwerking op het gebied van vaardigheden dat door de Commissie is opgesteld in het kader van het proefprogramma voor zes sectoren en pleit voor de voortzetting ervan;

134.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te blijven focussen op digitale vaardigheden, met name in verband met de digitale transformatie van de economie en de nieuwe manier waarop mensen werken en zaken doen, en neemt kennis van de intentie van de Commissie om te focussen op de positieve aspecten van deze transformatie via de EU-strategie voor e-vaardigheden;

135.  vraagt de lidstaten vroegtijdig onderwijs op het gebied van ondernemerschap, inclusief sociaal ondernemerschap, op te nemen in het curriculum(40), om een individuele ondernemersmentaliteit in hun burgers te ontwikkelen als een belangrijke competentie ter ondersteuning van persoonlijke ontwikkeling, actief burgerschap, sociale inclusie en inzetbaarheid;

136.  spoort de Commissie aan op een vergelijkbare manier als voor digitale en ondernemerschapsvaardigheden equivalente vaardighedenkaders te ontwikkelen voor andere kernvaardigheden zoals de vaardigheid van financiële geletterdheid;

137.  is van mening dat, om het voorgestelde initiatief 'bijscholingstrajecten' ('Upskilling Pathways') een tastbaar verschil te laten opleveren, er rekening moet worden gehouden met de lessen die zijn getrokken uit de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie; is in het bijzonder van oordeel dat de Commissie moet inzetten op een snellere tenuitvoerlegging, dat voor een geïntegreerde benadering met de hierbij betrokken sociale diensten moet worden gekozen en dat de samenwerking met de sociale partners, zoals vakbonden en werkgeversorganisaties, alsook andere betrokken partijen, moet worden verbeterd;

138.  is van mening dat het uitrusten van mensen met een reeks minimumvaardigheden belangrijk is, maar niet voldoende en dat het van cruciaal belang is ervoor te zorgen dat elk individu ertoe wordt aangemoedigd geavanceerde vaardigheden en competenties te verwerven om zich beter voor te bereiden op de toekomst, met name in het geval van kwetsbare groepen die het risico lopen op onzeker werk;

139.  betreurt het gebrek aan specifieke financiering voor de tenuitvoerlegging van de voorstellen, hetgeen een aanzienlijke belemmering kan zijn voor het ondernemen van acties die een reëel verschil maken op nationaal niveau, en is van oordeel dat de lidstaten moeten worden aangemoedigd volledig profijt te trekken uit de bestaande financieringsbronnen die beschikbaar zijn voor ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de agenda, met name het Europees Sociaal Fonds; beklemtoont dat de voorgestelde financieringsbronnen, namelijk het ESF en Erasmus+, reeds op nationaal niveau worden vastgelegd; roept de Commissie derhalve op de lidstaten te verzoeken zelf meer in vaardigheden te investeren, en anderen ertoe aan te zetten hetzelfde te doen, als belangrijke investeringen in menselijk kapitaal, die niet alleen sociale maar ook economische voordelen met zich meebrengen;

140.  verzoekt de Commissie en de lidstaten financiering ter beschikking te stellen om de bestaande technologische en digitale kloof te dichten tussen onderwijs- en opleidingsinstellingen die goed en niet goed uitgerust zijn en om de bijscholing van lesgevers en opleiders op het gebied van technologie te ondersteunen, teneinde gelijke tred te houden met de steeds digitaler wordende wereld van vandaag de dag, in het kader van de nationale strategieën voor digitale vaardigheden;

141.  beveelt ten zeerste aan dat de digitale kloof wordt aangepakt en dat aan iedereen gelijke kansen worden geboden voor toegang tot digitale technologieën, evenals tot de competenties, attitudes en de motivatie die nodig zijn voor digitale participatie;

142.  vraagt de Commissie en de lidstaten om tevens samen te werken aan vraagstukken zoals ondermaatse prestaties van leerlingen in sommige vakgebieden, de lage deelnamepercentages binnen het volwassenenonderwijs, vroegtijdig schoolverlaten, sociale inclusie, burgerlijke betrokkenheid, ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en cijfers met betrekking tot de inzetbaarheid van afgestudeerden;

143.  verzoekt de lidstaten samenwerking te bevorderen en de synergieën te versterken tussen aanbieders van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs, regio's en lokale autoriteiten, werkgevers en maatschappelijke organisaties, in overleg met de sociale partners, om een ruimere groep te bereiken van laaggekwalificeerde werkenden, teneinde beter rekening te houden met hun specifieke behoeften;

144.  vraagt om te zorgen voor grotere flexibiliteit qua leren met betrekking tot locatie, levering en lesmethoden die er ertoe dienen om een divers scala aan lerenden aan te trekken en aan hun behoeften tegemoet te komen, en aldus de leerkansen voor alle mensen te vergroten;

145.  is tevreden met het voorstel voor een herziening van het kader voor sleutelcompetenties, dat een waardevolle referentie is en algemene informatie biedt voor de ontwikkeling van transversale vaardigheden en roept op het effect ervan op nationaal niveau, ook in de curricula en lerarenopleidingen, te versterken; roept de Commissie op te waarborgen dat het kader voor sleutelcompetenties wordt gekoppeld aan de aanbeveling van de Raad van 2012 over de validatie van niet-formeel en informeel leren;

146.  is verheugd over de geplande herziening van het Europees kwalificatiekader, die de leesbaarheid van bestaande vaardigheden en kwalificaties in de diverse landen van de EU zal verbeteren; beklemtoont dat een dergelijk instrument essentieel is voor de ontwikkeling van beroepsmobiliteit, met name in grensstreken, en benadrukt dat moet worden gezorgd voor meer zichtbaarheid van vaardigheden, competenties en kennis die zijn verworven door middel van niet-formeel en informeel leren;

147.  roept de lidstaten op een brede aanpak te hanteren bij de uitvoering van de bijscholingstrajecten, zodat wordt voorzien in uiteenlopende mogelijkheden waarbij rekening wordt gehouden met de concrete behoeften op lokaal, regionaal en sectoraal niveau (bijvoorbeeld interculturele, burgerschaps- ecologische, taalkundige, gezondheids- en gezinsvaardigheden) en waarbij verder moet worden gegaan dan het bieden van basisvaardigheden;

148.  roept de Commissie op de inspanningen van de lidstaten te ondersteunen door middel van wederzijdse leeractiviteiten en de uitwisseling van goede beleidspraktijken;

149.  verwelkomt en dringt aan op de herziening van het Europees kader, in het bijzonder de overstap van het gebruik van Europass als een op een document gebaseerde faciliteit naar een op diensten stoelend platform, en de inspanningen om de verschillende typen van leren en vaardigheden zichtbaarder te maken, in het bijzonder diegene die buiten het formele onderwijs zijn verworven;

150.  is van mening dat de herziening ervoor moet zorgen dat achtergestelde groepen, zoals mensen met een handicap, laaggeschoolden, ouderen of langdurig werklozen, van deze instrumenten kunnen profiteren, en acht het van cruciaal belang dat mensen met een handicap er toegang toe hebben;

151.  gelooft dat de genderongelijkheden met betrekking tot de ontwikkeling van vaardigheden beter moeten worden weergegeven in de nieuwe vaardighedenagenda;

152.  verwelkomt het initiatief om een systeem te introduceren voor het volgen van afgestudeerden, teneinde te zorgen voor een beter onderbouwde en relevante benadering voor het opzetten van curricula en opleidingsaanbod; pleit voor een vergelijkbaar systeem voor het op grootschalige wijze volgen van afgestudeerden van beroepsonderwijs en -opleiding;

153.  pleit voor voortdurende en geïntensiveerde ondersteuning van het mobiliteitsprogramma Earsmus+ dat inclusieve leer- en opleidingsmogelijkheden voor jongeren, opleiders, vrijwilligers, leerlingen, stagiairs en jongere werknemers biedt en bevordert;

154.  roept de Commissie op de nationale beroepskwalificatieregelingen te analyseren en stelt voor deze aan te passen aan de veranderende behoeften van nieuwe opkomende beroepen; verzoekt de lidstaten het lerarenberoep te ondersteunen door de toegang tot informatie over geavanceerde technologieën te vergemakkelijken en herinnert in dat verband aan het eTwinning-platform dat door de Commissie ontwikkeld is;

155.  verzoekt de Commissie een Europees Jaar voor volwasseneneducatie aan te kondigen, dat zal helpen het bewustzijn te vergroten van de waarde van volwasseneneducatie en actief ouder worden in heel Europa en ervoor te zorgen dat er genoeg tijd is om dit op EU- en nationaal niveau voor te bereiden;

156.  vraagt de Commissie om jaarlijks een "Europees vaardighedenforum" te organiseren om relevante autoriteiten, onderwijsinstellingen, beroepsbeoefenaars, studenten, werkgevers en werknemers in staat te stellen beste praktijken inzake het voorspellen, ontwikkelen en valideren van vaardigheden uit te wisselen;

o
o   o

157.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(2) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 29.
(3) PB C 484 van 24.12.2016, blz. 1.
(4) PB C 67 van 20.2.2016, blz. 1.
(5) PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.
(6) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(7) PB C 191 van 1.7.2011, blz. 1.
(8) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 1.
(9) PB C 290 van 4.12.2007, blz. 1.
(10) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 36.
(11) PB C 64 van 5.3.2013, blz. 5.
(12) PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0107.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0008.
(16) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 48.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0292.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0321.
(19) http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52011XG0525(01)&from=SK
(20) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6268-2017-INIT/nl/pdf
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0005.
(22) Directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale zaken en Inclusie (ISBN: 978-92-79-26866-3); http://www.euricse.eu/wp-content/uploads/2015/03/social-economy-guide.pdf.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0411.
(24) Europese Commissie (2016b), Analytical underpinning for a New Skills Agenda for Europe (SWD(2016)0195).
(25) Cedefop, te verschijnen in Commissie, 2016.
(26) http://www.cedefop.europa.eu/en/events-and-projects/projects/assisting-eu-countries-skills-matching
(27) Zie SWD(2016)0195.
(28) Boosting the competitiveness of cultural and creative industries for growth and jobs, 2015.
(29) Society at a Glance 2016 – OECD Social Indicators.
(30) Cedefop, Rising STEMs Database, maart 2014.
(31) Een duaal onderwijssysteem combineert bedrijfsstages met beroepsonderwijs in een instelling voor beroepsonderwijs in één curriculum.
(32) Onderwijs- en opleidingenmonitor 2016.
(33) https://www.oecd.org/education/school/50293148.pdf
(34) Eurofound (2015) Opvang voor jonge kinderen: arbeidstoegankelijkheid en kwaliteit van de dienstverlening – een overzicht.
(35) Zie aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.
(36)De verschuiving naar leerresultaten - Beleid en praktijken in Europa – Cedefop.
(37) Hiervoor zal worden voortgebouwd op het advies van het Raadgevend Comité voor de beroepsopleiding "A Shared Vision for Quality and Effective Apprenticeships and Work-based Learning", goedgekeurd op 2 december 2016.
(38) Aanbeveling van de Raad van 19 december 2016.
(39) Zie aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.
(40) Europese Commissie/EACEA/Eurydice, 2016. Entrepreneurship Education at School in Europe. Rapport Eurydice.

Juridische mededeling - Privacybeleid