Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 12 december 2017 - Straatsburg
Duurzaam beheer van externe vissersvloten ***II
 Amendementen op verschillende verordeningen betreffende landbouw en plattelandsontwikkeling ***I
 Emissiehandelssysteem van de EU (EU-ETS): voorzetting van de huidige beperkingen van het toepassingsgebied voor luchtvaartactiviteiten en voorbereiding van de tenuitvoerlegging van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel vanaf 2021 ***I
 Verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen ***I
 Verzoek om verdediging van de voorrechten en van de immuniteit van Eleonora Forenza
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Ingeborg Gräßle
 Douanerechten op de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit de VS ***I
 Overeenkomst EG/VS over luchtvervoer ***
 Overeenkomst EU-Zwitserland inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten ***
 Versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Kazachstan (goedkeuring) ***
 Versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Kazachstan (resolutie)
 Verlenging van het mandaat van de voorzitter van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
 Verslag over het EU-burgerschap 2017: Versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering
 Naar een digitale handelsstrategie

Duurzaam beheer van externe vissersvloten ***II
PDF 117kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2017 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (11382/2/2017 – C8-0358/2017 – 2015/0289(COD))
P8_TA(2017)0475A8-0374/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (11382/2/2017 – C8‑0358/2017),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 mei 2016(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0636),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord,

–  gezien artikel 67 bis van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie visserij (A8-0374/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat de handeling is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter de handeling samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal de handeling te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 303 van 19.8.2016, blz. 116.
(2) Aangenomen teksten van 2.2.2017, P8_TA(2017)0015.


Amendementen op verschillende verordeningen betreffende landbouw en plattelandsontwikkeling ***I
PDF 288kWORD 63k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0605 – C8-0404/2017 – 2016/0282B(COD))
P8_TA(2017)0476A8-0380/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0605),

–  gezien het besluit van de Conferentie van voorzitters van 16 november 2017 om het voorstel van de Commissie te splitsen en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling toestemming te geven een afzonderlijk wetgevingsverslag op te stellen in verband met de bepalingen die onder haar bevoegdheden vallen, te weten de artikelen 267 tot en met 270 en artikel 275 van het voorstel van de Commissie,

–  gezien artikel 294, leden 2 en 3, artikel 42, artikel 43, lid 2, en artikel 168, lid 4, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies nr. 1/2017 van de Rekenkamer van 26 januari 2017(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 december 2016(2),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 11 mei 2017(3),

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A8‑0211/2017);

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 november 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0380/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan zijn verklaring die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlagen bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

4.  benadrukt dat de splitsing van het voorstel van de Commissie bedoeld is om ervoor te zorgen dat de bepalingen die onder de bevoegdheden van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling vallen, met ingang van 1 januari 2018 van toepassing kunnen worden, en onderstreept dat het resterende deel van het voorstel van de Commissie(4) in een later stadium zal worden behandeld;

5.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 december 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), (EU) nr. 1306/2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1307/2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en (EU) nr. 652/2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal

P8_TC1-COD(2016)0282B


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2393.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN HET EUROPEES ParlEment

De nieuwe regels inzake producentenorganisaties en het mededingingsrecht (GMO)

Het Europees Parlement herinnert eraan dat de mededingingsregels volgens artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) slechts in zoverre op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten van toepassing zijn als door het Europees Parlement en de Raad wordt bepaald, rekening houdend met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), zoals bepaald in artikel 39 van dat Verdrag.

Zoals in het Verdrag is bepaald, en in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie(5), prevaleren de doelstellingen van het GLB boven die van het Europese mededingingsbeleid. De landbouwmarkten zijn echter niet vrijgesteld van de toepassing van het mededingingsrecht. De aanpassing van de mededingingsregels aan de specifieke landbouwspecifieke kenmerken is het prerogatief van de medewetgevers, het Europees Parlement en de Raad.

In dit verband stelt het Europees Parlement door middel van deze verordening een verduidelijking voor van het verband tussen de GLB-regels, met name de rol en de taken van producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties, en de toepassing van het Europese mededingingsrecht. Een dergelijke verduidelijking is noodzakelijk vanwege de bestaande onzekerheden met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze voorschriften en is essentieel voor het bereiken van de doelstelling van de Unie om de positie van de landbouwers in de voedselvoorzieningsketen te versterken. De voorstellen van het Europees Parlement zijn gebaseerd op de aanbevelingen in het verslag van de Agri-Market Task Force (AMTF) van 14 november 2016. Deze aanbevelingen waren gebaseerd op een reeks hoorzittingen en bijdragen van alle actoren in de voedselvoorzieningsketen: producenten, verwerkers en kleinhandelaren.

Het Europees Parlement streeft naar vereenvoudiging en verduidelijking van de voorwaarden waaronder producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties in alle in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 genoemde sectoren namens hun leden activiteiten mogen verrichten op het gebied van productieplanning, in de handel brengen, onderhandelingen over contracten voor de levering van landbouwproducten en optimalisering van de productiekosten. Deze taken vereisen in wezen het bestaan van bepaalde praktijken, waaronder intern overleg en de uitwisseling van commerciële informatie binnen deze entiteiten. Daarom wordt voorgesteld dat deze praktijken buiten het toepassingsgebied vallen van het verbod op mededingingsbeperkende overeenkomsten als bedoeld in artikel 101, lid 1, VWEU en dat producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties die ten minste één economische activiteit uitoefenen, een afwijking van de toepassing van dit artikel kunnen genieten. Deze afwijking is echter niet absoluut: de mededingingsautoriteiten behouden de mogelijkheid om tussenbeide te komen indien zij van mening zijn dat dergelijke activiteiten de mededinging kunnen uitsluiten of de doelstellingen van het GLB in gevaar kunnen brengen.

De rol en de taken van producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties en hun relatie met het mededingingsrecht worden aldus verduidelijkt. Zonder afbreuk te doen aan de institutionele prerogatieven van de Europese Commissie, is het Europees Parlement van mening dat de nieuwe regels geen verdere verduidelijking in de vorm van richtsnoeren van de Europese Commissie behoeven.

VERKLARINGEN VAN DE COMMISSIE

Ad Article 1 - Plattelandsontwikkeling

—  Verlenging van de looptijd van plattelandsontwikkelingsprogramma’s

Uitgaven voor de overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 goedgekeurde plattelandsontwikkelingsprogramma's in de periode 2014‑2020 blijven in aanmerking komen voor ELFPO-bijdragen indien zij uiterlijk op 31 december 2023 aan de begunstigden worden betaald. De Commissie zal zich in het kader van haar voorstel voor het volgende MFK buigen over de voortzetting van de steun voor plattelandsontwikkeling na 2020.

—  Risicobeheer

De Commissie bevestigt haar voornemen om de werking en efficiëntie van de instrumenten voor risicobeheer die momenteel in Verordening (EU) nr. 1305/2013 zijn opgenomen, te evalueren in het kader van haar voorstel voor de modernisering en vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

—  Sancties voor Leader

De Commissie bevestigt haar voornemen om de doeltreffendheid en evenredigheid van de in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie opgenomen sancties voor LEADER te evalueren.

Ad Article 2 - Horizontale verordening

—  Crisisreserve

De Commissie bevestigt dat de werking van de reserve voor crisissituaties in de landbouwsector en de terugbetaling van kredieten in verband met de financiële discipline als bedoeld in artikel 25 en artikel 26, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in het kader van de voorbereidingen voor het volgende MFK zullen worden herzien om een efficiënte en tijdige interventie in tijden van marktcrisis mogelijk te maken.

—  Eén enkele audit

De Commissie steunt de single audit-benadering, zoals wordt bevestigd in haar voorstel voor artikel 123 van het nieuwe Financieel Reglement. De Commissie bevestigt ook dat het huidige wettelijke kader voor het beheer en de controle van de landbouwuitgaven, dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, reeds een dergelijke aanpak mogelijk maakt en dat dit is opgenomen in haar auditstrategie voor de periode 2014‑2020. Met name wanneer het advies van de overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 uitgebrachte certificeringsinstantie betrouwbaar wordt geacht, houdt de Commissie rekening met dit advies wanneer zij de noodzaak van audits van het betrokken betaalorgaan beoordeelt.

Ad Article 3 - Rechtstreekse betalingen

—  Eiwitplan

De Commissie bevestigt haar voornemen om de vraag- en aanbodsituatie voor plantaardige eiwitten in de EU te herzien en de mogelijkheid te overwegen om een "Europese strategie voor plantaardige eiwitten" te ontwikkelen om de productie van plantaardige eiwitten in de EU op een economisch en ecologisch verantwoorde wijze verder te stimuleren.

Ad Article 4 - GMO

—  Vrijwillige regeling ter vermindering van de productie

De Commissie bevestigt dat de artikelen 219 en 221 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten reeds voorzien in de noodzakelijke rechtsgrondslag op basis waarvan de Commissie, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen, marktverstoringen en andere specifieke problemen kan aanpakken, ook op regionaal niveau, met de mogelijkheid om rechtstreekse financiële bijstand aan landbouwers te verlenen. Voorts zal het Commissievoorstel waarbij een sectorspecifiek inkomensstabiliseringsinstrument wordt toegevoegd aan Verordening (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling, de lidstaten in staat stellen om in het kader van hun programma's voor plattelandsontwikkeling landbouwers uit een specifieke sector te compenseren bij aanzienlijk inkomensverlies.

Verder bevestigt de Commissie dat zij op grond van artikel 219 van het Verdrag in geval van marktverstoring of dreigende marktverstoring regelingen kan invoeren op grond waarvan EU-steun wordt verleend aan producenten die zich ertoe verbinden hun productie op vrijwillige basis te verminderen, met inbegrip van de nodige bijzonderheden voor de toepassing van een dergelijke regeling (voorbeeld: Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2016/1612 van de Commissie, PB L 242 van 9.9.2016, blz. 4).

—  Erkenning van transnationale IBO's

De Commissie herinnert eraan dat de regels inzake producentencoöperatie voor de erkenning van transnationale producentenorganisaties, transnationale unies van producentenorganisaties of transnationale brancheorganisaties, met inbegrip van de noodzakelijke administratieve samenwerking tussen de betrokken lidstaten, momenteel zijn vastgesteld in gedelegeerde Verordening (EU) 2016/232 van de Commissie. De werking en de toereikendheid van deze regels zullen worden geëvalueerd in het kader van het lopende proces voor de modernisering en vereenvoudiging van het GLB.

—  Oneerlijke handelspraktijken

De Commissie bevestigt dat zij een initiatief heeft gelanceerd voor de voedselvoorzieningsketen, dat nu de verschillende fasen doorloopt die de richtsnoeren voor betere regelgeving voorschrijven. Zij zal een besluit nemen over een eventueel wetgevingsvoorstel zodra deze procedure is afgerond, zo mogelijk in de eerste helft van 2018.

—  Samenwerking tussen producenten

De Commissie neemt nota van het akkoord tussen het Parlement en de Raad over de amendementen op de artikelen 152, 209, 222 en 232. De Commissie merkt op dat de door het Parlement en de Raad goedgekeurde amendementen van substantiële aard zijn en zijn opgenomen zonder effectbeoordeling, zoals echter is voorgeschreven in punt 15 van het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven". Dit leidt tot een ongewenste mate van juridische en procedurele onzekerheid waarvan de gevolgen en implicaties niet bekend zijn.

Aangezien de wijzigingen in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie samen tot een ingrijpende wijziging van het rechtskader leiden, stelt de Commissie met bezorgdheid vast dat sommige van de nieuwe bepalingen ten gunste van producentenorganisaties tot gevolg kunnen hebben dat de levensvatbaarheid en het welzijn van kleine landbouwbedrijven en het belang van de consumenten in gevaar worden gebracht. De Commissie bevestigt haar toezegging dat zij een daadwerkelijke mededinging in de landbouwsector zal handhaven en dat zij de doelstellingen van het GLB, zoals vastgelegd in artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, volledig zal verwezenlijken. In dit verband merkt de Commissie op dat de door de medewetgevers overeengekomen amendementen slechts een zeer beperkte rol voor zowel de Commissie als de nationale mededingingsautoriteiten voorzien om op te treden met het oog op de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging.

Het algemene akkoord van de Commissie over het "Omnibus" -voorstel, met inbegrip van de door het Parlement en de Raad overeengekomen amendementen, loopt niet vooruit op eventuele toekomstige voorstellen van de Commissie op deze gebieden in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode na 2020 en andere initiatieven die specifiek bedoeld zijn om een aantal van de kwesties aan te pakken die in de thans door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurde tekst aan de orde worden gesteld.

De Commissie betreurt het dat de kwestie van de zeer beperkte rol van zowel de Commissie als de nationale mededingingsautoriteiten bij het nemen van maatregelen om een daadwerkelijke mededinging in stand te houden, door de medewetgevers niet op bevredigende wijze is aangepakt, en spreekt haar bezorgdheid uit over de mogelijke gevolgen van deze beperking voor landbouwers en consumenten. De Commissie merkt op dat de wetstekst moet worden geïnterpreteerd in overeenstemming met het Verdrag, met name wat betreft de mogelijkheid voor de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten om op te treden wanneer een producentenorganisatie, die een groot deel van de markt bestrijkt, de handelingsvrijheid van haar leden tracht te beperken. De Commissie betreurt het dat deze mogelijkheid in de wetstekst niet duidelijk wordt gewaarborgd.

(1) PB C 91 van 23.3.2017, blz. 1.
(2) PB C 75 van 10.3.2017, blz. 63.
(3) PB C 306 van 15.9.2017, blz. 64.
(4) Procedurenummer 2016/0282A(COD).
(5) Arrest Maizena, 139/79, EU:C:1980:250, punt 23; Arrest Duitsland v Raad, C-280/93, EU:C:1994:367, punt 61.


Emissiehandelssysteem van de EU (EU-ETS): voorzetting van de huidige beperkingen van het toepassingsgebied voor luchtvaartactiviteiten en voorbereiding van de tenuitvoerlegging van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel vanaf 2021 ***I
PDF 254kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2017 over een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG om de huidige beperkingen van het toepassingsgebied voor luchtvaartactiviteiten voort te zetten en de tenuitvoerlegging van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel vanaf 2021 voor te bereiden (COM(2017)0054 – C8-0028/2017 – 2017/0017(COD))
P8_TA(2017)0477A8-0258/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0054),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0028/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 27 oktober 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie vervoer en toerisme (A8-0258/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 december 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG om de huidige beperkingen van het toepassingsgebied voor luchtvaartactiviteiten voort te zetten en de tenuitvoerlegging van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel vanaf 2021 voor te bereiden

P8_TC1-COD(2017)0017


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2392.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE

Het resultaat van de werkzaamheden van de ICAO met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel is van essentieel belang voor de doeltreffendheid ervan en voor de toekomstige bijdrage van de luchtvaartsector aan de verwezenlijking van de doelstellingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs. Het is belangrijk dat ICAO-lidstaten, exploitanten van luchtvaartuigen en het maatschappelijk middenveld betrokken blijven bij de werkzaamheden van de ICAO. In deze context zal het voor de ICAO noodzakelijk zijn in volledige transparantie te handelen en aansluiting te zoeken bij alle belanghebbenden om hen tijdig in te lichten over de geboekte vooruitgang en de besluiten.

(1) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 75.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 13 september 2017 (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0338).


Verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen ***I
PDF 252kWORD 49k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) 2015/1017 wat betreft de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen en wat betreft de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub (COM(2016)0597 – C8-0375/2016 – 2016/0276(COD))
P8_TA(2017)0478A8-0198/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0597),

–  gezien artikel 294, lid 2, de artikelen 172 en 173, artikel 175, derde alinea, en artikel 182, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0375/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van donderdag 15 december 2016(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 7 december 2016(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 8 november 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0198/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de bij deze resolutie gevoegde verklaring van de Commissie;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 december 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1316/2013 en Verordening (EU) 2015/1017 wat betreft de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen en wat betreft de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub

P8_TC1-COD(2016)0276


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2396.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie over de verhoging van 225 miljoen EUR van het Connecting Europe Facility-programma

Als gevolg van het politieke akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad over de financiering van EFSI 2.0 zal een bedrag van 275 miljoen EUR, afkomstig van CEF-financieringsinstrumenten, worden herschikt, hetgeen neerkomt op een vermindering van 225 miljoen EUR ten opzichte van het voorstel van de Commissie.

De Commissie bevestigt dat de financiële programmering zal worden herzien om rekening te houden met de dienovereenkomstige verhoging van het CEF-programma ten belope van 225 miljoen EUR.

In het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedures voor de jaren 2019-2020 zal de Commissie de nodige voorstellen doen om te zorgen voor een optimale toewijzing van dit bedrag binnen het CEF-programma.

(1) PB C 75 van 10.3.2017, blz. 57.
(2) PB C 185 van 9.6.2017, blz. 62.


Verzoek om verdediging van de voorrechten en van de immuniteit van Eleonora Forenza
PDF 161kWORD 45k
Besluit van het Europees Parlement van 12 december 2017 over het verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Eleonora Forenza (2017/2199(IMM))
P8_TA(2017)0479A8-0398/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek van Gabriele Zimmer van 20 juli 2017, ter plenaire vergadering medegedeeld op 11 september 2017, met het oog op de verdediging van de voorrechten en immuniteiten van Eleonora Forenza in verband met een incident waarvan zij het slachtoffer is geworden bij een demonstratie die plaatsvond in het kader van de G20‑top in Hamburg op 8 juli 2017,

–  na Eleonora Forenza te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 5, lid 2, en de artikelen 7 en 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8‑0398/2017),

A.  overwegende dat Gabriele Zimmer, lid van het Europees Parlement en voorzitter van de GUE/NGL-Fractie, op grond van de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7, heeft verzocht om de verdediging van de parlementaire immuniteit van Eleonora Forenza, lid van dezelfde groep, die gefouilleerd en vervolgens in detentie geplaatst is door de Duitse politie samen met een groep andere activisten tijdens een demonstratie die plaatsvond in het kader van de G20‑top in Hamburg op 8 juli 2017; dat de fouillering en de aanhouding hebben plaatsgevonden na de genoemde demonstratie, terwijl mevrouw Forenza en haar groep op weg waren om samen te gaan lunchen;

B.  overwegende dat het Parlement over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt met betrekking tot de richting die het wil geven aan een besluit op een verzoek van een lid om verdediging van de immuniteit(2);

C.  overwegende dat de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie elkaar uitsluiten(3); dat de zaak in kwestie geen betrekking heeft op een mening die door een lid van het Europees Parlement is geuit, maar veeleer op gedrag dat een verondersteld gevaar voor de openbare orde heeft opgeleverd (vermoedelijke betrokkenheid bij rellen); dat derhalve artikel 9 van Protocol nr. 7 van toepassing is;

D.  overwegende dat artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaalt dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend en op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook; dat mevrouw Forenza, Italiaans lid van het Europees Parlement dat zich in Duitsland bevond, derhalve onder deze vrijstelling valt;

E.  overwegende dat, volgens het verzoek om verdediging van de immuniteit, mevrouw Forenza al in een vroeg stadium de Duitse politie heeft medegedeeld dat zij lid was van het Europees Parlement; dat zij onmiddellijk de documenten heeft getoond die haar status bevestigen; dat zij er zelfs in is geslaagd om de Italiaanse consul in Hamburg in contact te brengen met de politiefunctionaris die aan de operaties leiding gaf;

F.  overwegende dat de Duitse politie mevrouw Forenza, ondanks haar status van lid van het Europees Parlement, toch aan een grondige fouillering heeft onderworpen om haar vervolgens meer dan vier uur in detentie te plaatsen;

G.  overwegende de Duitse politie, gezien hetgeen vooraf is gegaan, bewust was van het feit dat zij een lid van het Europees Parlement arresteerde; dat dit een schending betreft van de bepalingen van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, met name artikel 9, eerste alinea, onder b);

H.  overwegende dat, gezien de omstandigheden van het geval, het evident is dat mevrouw Forenza niet op heterdaad betrapt is, en de uitzondering vermeld in artikel 9, derde alinea, van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie niet van toepassing is en mevrouw Forenza volledig recht heeft op parlementaire immuniteit;

1.  besluit de voorrechten en immuniteiten van Eleonora Forenza te verdedigen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Bondsrepubliek Duitsland en aan Eleonora Forenza.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T‑345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T‑42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T‑346/11 en T‑347/11, ECLI:EU:T:2013:23.
(2) Zaak T‑42/06, Gollnisch/Parlement (reeds aangehaald), punt 101.
(3) Gevoegde zaken C‑200/07 en C‑201/07, Marra/De Gregorio en Clemente, reeds aangehaald, punt 45.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Ingeborg Gräßle
PDF 162kWORD 45k
Besluit van het Europees Parlement van 12 december 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Ingeborg Gräßle (2017/2220(IMM))
P8_TA(2017)0480A8-0397/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Ingeborg Gräßle, ingediend op 27 juli 2017 door het openbaar ministerie van Ellwangen (Duitsland), in het kader van een strafprocedure onder nummer 21 Js 11263/17 en ter plenaire vergadering medegedeeld op 2 oktober 2017,

–  gezien het feit dat Ingeborg Gräßle afstand heeft gedaan van haar recht om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 46 van de Grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8‑0397/2017),

A.  overwegende dat het openbaar ministerie van Ellwangen een verzoek heeft ingediend tot opheffing van de immuniteit van Ingeborg Gräßle, lid van het Europees Parlement verkozen voor de Bondsrepubliek Duitsland, in verband met een strafbaar feit in de zin van artikel 229 van het Duitse Wetboek van Strafrecht; overwegende met name dat de vervolging betrekking heeft op een vermoeden van ongewilde verwondingen;

B.  overwegende dat op 10 juni 2017 mevrouw Gräßle, als bestuurder van een personenwagen, in Heidenheim op de kruizing Brenzstrasse/Ploucquetstrasse, door rood licht is gereden, wat tot een ongeval met verwondingen aan de schouder van een persoon heeft geleid; overwegende dat een klacht met burgerlijke partijstelling is ingediend;

C.  overwegende dat artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaalt dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

D.  overwegende dat artikel 46 van de Grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland bepaalt dat een lid slechts ter verantwoording mag worden geroepen of worden gearresteerd op grond van een strafbaar feit als de Bondsdag daarvoor toestemming verleent, behalve in gevallen waarin hij op heterdaad of de dag volgend op het strafbare feit wordt aangehouden;

E.  overwegende dat het Parlement als enige het recht heeft in een specifiek geval al dan niet te besluiten de immuniteit op te heffen; dat het Parlement redelijkerwijze rekening kan houden met het standpunt van het lid bij zijn besluit om zijn immuniteit al dan niet op te heffen(2);

F.  overwegende dat het vermoede strafbare feit niet duidelijk of rechtstreeks verband houdt met de uitoefening door mevrouw Gräßle van haar ambt van lid van het Europees Parlement, en evenmin met de mening of de stem die zij in de uitoefening van haar ambt heeft uitgebracht, in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

G.  overwegende dat in het onderhavige geval voor het Parlement niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van fumus persecutionis, dat wil zeggen een voldoende ernstig en nauwkeurig vermoeden dat de procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van het lid van het Parlement te schaden;

1.  besluit de immuniteit van Ingeborg Gräßle op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Bondsrepubliek Duitsland en aan Ingeborg Gräßle.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T‑345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T‑42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T‑346/11 en T‑347/11, ECLI:EU:T:2013:23.
(2) Zaak T‑345/05, Mote/Europees Parlement (bovengenoemd), punt 28.


Douanerechten op de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit de VS ***I
PDF 242kWORD 38k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2017 over het gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende aanvullende douanerechten op de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (codificatie) (COM(2017)0361 – C8-0226/2017 – 2014/0175(COD))
P8_TA(2017)0481A8-0331/2017

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0361),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0226/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8‑0331/2017),

A.  overwegende dat het voorstel in kwestie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie louter een codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 december 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende aanvullende douanerechten op de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (codificatie)

P8_TC1-COD(2014)0175


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/196.)

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Overeenkomst EG/VS over luchtvervoer ***
PDF 244kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2017 betreffende het ontwerpbesluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Verenigde Staten van Amerika anderzijds (13419/2016 – C8-0100/2017 – 2006/0058(NLE))
P8_TA(2017)0482A8-0376/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (13419/2016),

–  gezien de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Verenigde Staten van Amerika anderzijds(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 100, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0100/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0376/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika.

(1) PB L 134 van 25.5.2007, blz. 4.


Overeenkomst EU-Zwitserland inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten ***
PDF 241kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten (13076/2017 – C8-0415/2017 – 2017/0193(NLE))
P8_TA(2017)0483A8-0386/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (13076/2017),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de koppeling van hun regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten (13073/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 192, lid 1, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0415/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0386/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Zwitserse Bondsstaat.


Versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Kazachstan (goedkeuring) ***
PDF 243kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2017 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kazachstan, anderzijds (12409/2016 – C8-0469/2016 – 2016/0166(NLE))
P8_TA(2017)0484A8-0325/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12409/2016),

–  gezien het ontwerp van de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kazachstan, anderzijds (09452/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 37 en artikel 31, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en krachtens artikel 91, artikel 100, lid 2, artikelen 207 en 209, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0469/2016),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 12 december 2017(1) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A8-0325/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Kazachstan.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0485.


Versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Kazachstan (resolutie)
PDF 300kWORD 63k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 december 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kazachstan, anderzijds (12409/2016 – C8-0469/2016 – 2016/0166(NLE)2017/2035(INI))
P8_TA(2017)0485A8-0335/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12409/2016),

–  gezien het ontwerp van de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kazachstan, anderzijds (09452/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 31, lid 1, en artikel 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en artikel 91, artikel 100, lid 2, en de artikelen 207 en 209 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 218, lid 6, onder a) (C8-0469/2016),

–  gezien de ondertekening van de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (EPCA) op 21 december 2015 in Astana, in aanwezigheid van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini,

–  gezien de voorlopige toepassing, met ingang van 1 mei 2016, van de delen van de EPCA die onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen,

–  gezien de lopende uitvoering, sinds de inwerkingtreding ervan op 1 juli 1999, van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de EU en Kazachstan, die op 23 januari 1995 werd ondertekend,

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 met de aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden over de onderhandelingen voor een versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Kazachstan(1),

–  gezien zijn eerdere resoluties over Kazachstan, waaronder die van 10 maart 2016(2), 18 april 2013(3), 15 maart 2012(4) en 17 september 2009 over de zaak Yevgeny Zhovtis in Kazachstan(5),

–  gezien zijn resoluties van 15 december 2011 over de staat van de uitvoering van de EU-strategie voor Centraal-Azië(6) en van 13 april 2016 over de tenuitvoerlegging en herziening van de EU-strategie voor Centraal-Azië(7),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 19 januari 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tot voortzetting van het Internationaal Centrum voor wetenschap en technologie(8), gevestigd in Astana, Kazachstan,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 12 december 2017 over het ontwerp van besluit(9),

–  gezien de conclusies van de Raad van 22 juni 2015 en 19 juni 2017 over de EU-strategie voor Centraal-Azië,

–  gezien het vierde voortgangsverslag van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de diensten van de Commissie van 13 januari 2015 over de tenuitvoerlegging van de in 2007 aangenomen EU-strategie voor Centraal-Azië,

–  gezien de jaarlijkse mensenrechtendialogen tussen de EU en Kazachstan,

–  gezien de diverse vergaderingen tussen de EU en Centraal-Azië,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A8-0335/2017),

A.  overwegende dat de EPCA moet leiden tot een waarneembare verdieping en versterking van de politieke en economische banden tussen beide partijen, waarbij de bestaande verschillen en de specifieke politieke, economische en sociale omstandigheden van de partijen in overweging moeten worden genomen en moeten worden geëerbiedigd, ten behoeve van de inwoners van Kazachstan en de EU;

B.  overwegende dat de EPCA (artikel 1) het kader voor de naleving van een aantal reeds in de PSO genoemde essentiële elementen, zoals de eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van de markteconomie, zou kunnen versterken, mits de tenuitvoerlegging van alle bepalingen wordt onderworpen aan een strikt en effectief toezichtsmechanisme gebaseerd op duidelijke criteria en termijnen; overwegende dat de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens is toegevoegd als nieuw essentieel element (artikel 11);

C.  overwegende dat Kazachstan het eerste Centraal-Aziatische land is dat een EPCA met de EU heeft ondertekend; overwegende dat de EPCA, zodra ze is geratificeerd door alle lidstaten en het Europees Parlement, de PSO van 1999 zal vervangen, en dat de tekst van de EPCA op 15 juli 2015 openbaar werd gemaakt;

D.  overwegende dat in de EPCA een brede reeks aan nieuwe samenwerkingsterreinen is vastgelegd, hetgeen niet alleen in het politieke en economische belang van de EU is, doch ook ten goede komt aan de ondersteuning van Kazachstan gedurende de volgende moderniseringsfase die het land nastreeft, terwijl tegelijkertijd wordt gezorgd voor samenwerking op het gebied van de aanpak van mondiale uitdagingen, in het bijzonder wat betreft duurzame sociale en economische ontwikkeling voor alle burgers, behoud van culturele diversiteit, milieubeheer en beheersing van de gevolgen van de klimaatverandering, overeenkomstig de vereisten van de Overeenkomst van Parijs, en de waarborging van vrede en regionale samenwerking;

E.  overwegende dat twee derde van de EPCA sinds mei 2016 voorlopig wordt toegepast;

F.  overwegende dat het Europees Parlement bereid is om, binnen het kader van zijn bevoegdheden, actief mee te werken aan de ontwikkeling en uitwerking van de specifieke samenwerkingsterreinen met Kazachstan, inclusief parlementaire samenwerking;

G.  overwegende dat Kazachstan op 1 januari 2016 is toegetreden tot de WTO;

H.  overwegende dat Kazachstan in maart 2012 is toegetreden tot de Europese Commissie voor democratie middels het recht (Commissie van Venetië);

Algemene bepalingen inzake de betrekkingen tussen de EU en Kazachstan en inzake de EPCA

1.  benadrukt dat de versterking van de politieke, economische en culturele betrekkingen tussen de EU en Kazachstan gebaseerd moet zijn op gemeenschappelijke inzet voor universele waarden, in het bijzonder met betrekking tot democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en de eerbiediging van mensenrechten, en geleid moet worden door wederzijds belangen;

2.  merkt op dat Kazachstan een consistente strategie van toenadering tot de EU hanteert; wijst op de essentiële bijdrage van het land aan de uitvoering van de EU-strategie voor Centraal-Azië, die in 2019 aan een grondige herziening zal worden onderworpen;

3.  is ingenomen met het feit dat met de EPCA een solide basis wordt gelegd voor een verdieping van de betrekkingen; merkt op dat Kazachstan het eerste Centraal-Aziatische partnerland is waarmee de EU over een EPCA heeft onderhandeld en waarmee de EU een EPCA heeft ondertekend; is van mening dat deze overeenkomst van een nieuwe generatie een goed model is dat in de toekomst ook in andere landen in de regio kan worden toegepast;

4.   is ingenomen met het in de EPCA verwoorde streven naar intensivering van de samenwerking en naar een aanzienlijke versterking van de economische betrekkingen tussen de EU en Kazakstan op diverse gebieden van zorg en gemeenschappelijk belang, zoals democratie en de rechtsstaat, de mensenrechten en fundamentele vrijheden, duurzame ontwikkeling, buitenlands en veiligheidsbeleid, handel, justitie, vrijheid en veiligheid, alsook 29 andere belangrijke sectorale beleidsgebieden, zoals economische en financiële samenwerking, energie, vervoer, milieu en klimaatverandering, werkgelegenheid en sociale zaken, cultuur, onderwijs en onderzoek; spoort beide zijden aan hun afspraken actief na te komen;

5.  verwacht dat de EPCA zal bijdragen tot versterking van de rechtsstaat, democratische participatie door alle burgers, een diverser politiek landschap, een beter functionerende, onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke macht, meer transparantie en verantwoordingsplicht van de regering, verbetering van de arbeidswetgeving in overeenstemming met de IAO-vereisten, meer bedrijfskansen voor kleine en middelgrote ondernemingen en duurzame ontwikkeling van het milieu, het waterbeheer en andere hulpbronnen, zoals efficiënt energiegebruik en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen;

6.  benadrukt het belang en de blijvende geldigheid van de aanbevelingen van het Parlement van 22 november 2012 voor de onderhandelingen over een EPCA tussen de EU en Kazachstan;

7.  herinnert eraan dat het Parlement heeft benadrukt dat de vorderingen van de onderhandelingen over de EPCA moeten worden gekoppeld aan de vooruitgang die met de politieke hervormingen wordt geboekt en aan de werkelijke vooruitgang met betrekking tot de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat, goed bestuur en democratisering, waarbij de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de Commissie van Venetië een bevorderende rol zou kunnen spelen; vindt het zeer zorgwekkend dat de rechten op vrijheid van meningsuiting, vreedzame vergadering en vereniging nog altijd beperkt zijn; dringt er bij het land op aan volledige uitvoering te geven aan de aanbevelingen die de speciale rapporteur van de VN voor de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging heeft gedaan in het slotverslag van zijn bezoek aan Kazachstan in januari 2015;

8.  benadrukt dat verdere stappen moeten worden gebaseerd op de toepassing van een "meer-voor-meer"-beginsel;

9.  is verheugd dat met de EPCA de mogelijkheid is geïntroduceerd om onderhandelingen te voeren over een visumversoepelingsovereenkomst tussen de EU en Kazachstan, parallel met de mogelijke onderhandelingen over een overeenkomst inzake de specifieke verplichtingen met betrekking tot terug- en overname; wijst erop dat het met name van belang is uitwisselingen, in het bijzonder tussen jongeren en op academisch niveau, te intensiveren, en dringt in dit verband aan op een wezenlijke uitbreiding van het Erasmus+-programma voor Kazachstan;

10.  herhaalt zijn oproep aan de Raad, de Commissie en de VV/HV:

   om ervoor te zorgen dat beide zijden de essentiële elementen van de EPCA eerbiedigen, aangezien niet-eerbiediging ervan zou leiden tot geschillenbeslechting (artikel 278) of zelfs schorsing in het geval van ernstige schendingen (artikel 279);
   om benchmarks en termijnen voor de uitvoering van de EPCA te ontwikkelen;
   om, zodra de EPCA volledig in werking treedt, te voorzien in een omvattend controlemechanisme waarbinnen het Parlement en de EDEO samenwerken, met inbegrip van de in zijn resolutie van 22 november 2012 vermelde elementen;

11.  wijst er nogmaals op dat artikel 218, lid 10, VWEU en de relevante arresten van het Hof van Justitie met betrekking tot de onmiddellijke en volledige toegang van het Parlement tot alle onderhandelingsdocumenten en daarmee verband houdende informatie nog steeds maar ten dele worden geëerbiedigd door de VV/HV, de Raad en de Commissie;

12.  verzoekt de parlementaire samenwerkingscommissie (PSC) EU-Kazachstan haar reglement te actualiseren om te zorgen voor democratische controle van de voorlopige toepassing op de gebieden die reeds in werking zijn getreden, haar bevoegdheden aan te wenden om aanbevelingen aan te nemen en de controle van de volledige EPCA voor te bereiden zodra deze ten volle in werking treedt;

Politieke dialoog en samenwerking, democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en fundamentele vrijheden

13.   dringt er bij de EU op aan in haar politieke dialoog met Kazachstan consequent prioriteit te geven aan de problemen met betrekking tot de rechtsstaat en de democratie, de fundamentele vrijheden en de mensenrechten;

14.  vraagt Kazachstan om, in het licht van de soms gewelddadige sociale protesten, bij de tenuitvoerlegging van het "Kazachstan 2050"-programma proactieve en concrete stappen te nemen op het gebied van politieke, democratische en sociale hervormingen, onder meer in de vorm van een duidelijke scheiding van bevoegdheden tussen de uitvoerende en de wetgevende macht en de invoering van meer checks-and-balances in het constitutionele bestel, in overeenstemming met de internationale verbintenissen van het land in het kader van diverse instrumenten van de VN, de OVSE en de Raad van Europa; benadrukt opnieuw dat de transitie die Kazachstan nastreeft, naar een nieuw soort groei met een intensief wetenschappelijk element, niet mogelijk lijkt te zijn zonder kwalitatief hoogwaardig onderwijs, toegang voor het merendeel van de bevolking tot essentiële moderne diensten, een inclusief sociaal beleid en een systeem van gereguleerde sociale betrekkingen, met name in de economie; is ingenomen met het honderdstappenprogramma, waarmee getracht wordt in te spelen op de dringende noodzaak om hervormingen door te voeren in het land;

15.  is ingenomen met een aantal recente positieve ontwikkelingen op het gebied van constitutionele en bestuurlijke hervormingen en met de oprichting van een raadgevingsplatform voor het maatschappelijk middenveld; is evenwel ernstig bezorgd over de beperkende gevolgen van het wetboek van strafrecht en het wetboek bestuursrecht, die in 2015 in werking zijn getreden, voor maatschappelijke organisaties en hun activiteiten;

16.  dringt er bij Kazachstan op aan volledig uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de internationale OVSE/ODIHR-waarnemingsmissie bij de verkiezingen van 20 maart 2016, volgens welke het land nog een lange weg te gaan heeft bij het nakomen van zijn OVSE-verbintenissen ten aanzien van democratische verkiezingen; dringt er bij de Kazachse autoriteiten op aan te voorkomen dat de activiteiten van onafhankelijke kandidaten worden ingeperkt; verlangt voorts dat de kiesrechten van burgers worden geëerbiedigd;

17.  is verheugd over de Kazachse samenwerking met de Commissie van Venetië en verzoekt om volledige tenuitvoerlegging van de relevante door haar gedane aanbevelingen, met name op het gebied van democratische hervormingen en hervormingen van het gerechtelijk apparaat;

18.  is ingenomen met de lopende bestuurlijke hervormingen en pleit voor verdere hervormingen om te zorgen voor een daadwerkelijk onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke macht en efficiëntere inspanningen in de strijd tegen corruptie op alle niveaus; dringt niettemin aan op een sterker bestuur en hervormingen, met een daadwerkelijk onafhankelijke rechterlijke macht die vrij is van corruptie en die het recht op een eerlijk proces en verdedigingsrechten waarborgt, en op meer en efficiëntere inspanningen om corruptie, georganiseerde misdaad en drugshandel te bestrijden; dringt aan op de verbetering en modernisering van en investeringen in belangrijke sociale sectoren; wijst erop dat meer aandacht voor de economische en sociale ontwikkeling in de perifere regio's buiten de belangrijkste steden van belang zal zijn voor de stabiliteit van het land op de lange termijn;

19.  wijst op het bestaan van dialoogplatforms van het maatschappelijk middenveld; spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over de wetgeving inzake ngo's, waardoor hun onafhankelijkheid en capaciteit om activiteiten te ontplooien worden ondermijnd; benadrukt nogmaals hoe belangrijk een actief en onafhankelijk maatschappelijk middenveld is voor de duurzame toekomst van Kazachstan; dringt er bij de Kazachse overheid op aan in alle omstandigheden te waarborgen dat alle mensenrechtenactivisten en ngo's in Kazachstan hun legitieme mensenrechtenactiviteiten kunnen uitvoeren zonder wraakacties te moeten vrezen en vrij van alle beperkingen, en aldus kunnen bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van de samenleving en de versterking van de democratie; is van mening dat de EPCA eveneens meer steun inhoudt voor de ontwikkeling van een daadwerkelijk maatschappelijk middenveld en roept de Kazachse autoriteiten op dienovereenkomstig te handelen; verzoekt de Commissie haar programma's gericht op de versterking en consolidering van het optreden van onafhankelijke ngo's te intensifiëren;

20.  merkt op dat de gerechtelijke vervolging, intimidatie en gevangenneming van onafhankelijke journalisten, maatschappelijke activisten, vakbondsleiders, verdedigers van de mensenrechten, politici die tot de oppositie behoren en andere uitgesproken personen als vergelding voor hun uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en andere fundamentele vrijheden, de afgelopen jaren zijn toegenomen, en dringt erop aan deze praktijken een halt toe te roepen; dringt aan op volledig eerherstel en onmiddellijke vrijlating van alle activisten en politieke gevangenen die momenteel vastzitten alsook op de opheffing van de beperkingen van de bewegingsvrijheid van anderen; verlangt dat er een einde komt aan het misbruik van de uitwijzingsprocedures van Interpol en aan de intimidatie van leden van de politieke oppositie in het buitenland;

21.  is ingenomen met de voorwaardelijke vrijlating van de prominente Kazachse activist en leider van oppositiepartij Alga!, Vladimir Kozlov, in augustus 2016;

22.  is bezorgd over de inperking van de vrijheid van de media, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vergadering en vereniging en de vrijheid van godsdienst, die onder meer tot uiting komt in restrictieve wetgeving, druk, censuur en strafrechtelijke vervolging van activisten; wijst erop dat vrijheid van meningsuiting voor onafhankelijke media, bloggers en individuele burgers een universele waarde is die moet worden geëerbiedigd; beveelt Kazachstan aan de normen van de Raad van Europa toe te passen in zijn rechtsstelsel; neemt kennis van de inspanningen van Kazachstan om het internationale imago van het land te verbeteren, zoals bleek tijdens de recente opening van de EXPO-2017 in Astana; wijst er niettemin op dat deze inspanningen teniet worden gedaan door de onderdrukking van dissidente geluiden en de druk op het maatschappelijk middenveld die de afgelopen maanden onverminderd zijn voortgegaan;

23.  vreest dat een aantal bepalingen van het onlangs hervormde wetboek van strafrecht en wetboek van strafvordering de vrijheid van meningsuiting inperken; spoort Kazachstan aan deze bepalingen te herzien, met name voor wat de strafbaarstelling van smaad betreft;

24.  benadrukt dat de vrijheid van de media en de vrijheid van meningsuiting van essentieel belang zijn voor de totstandbrenging en consolidatie van democratie, de rechtstaat en mensenrechten; betreurt dat het klimaat voor de onafhankelijke mediakanalen nog vijandiger is geworden; spreekt zijn zorgen uit over de ontwerpmediawetgeving die uitvoeringsvoorschriften bevat op grond waarvan journalisten hun informatie bij overheidsautoriteiten moeten verifiëren; dringt er bij de Kazachse autoriteiten op aan dergelijke wijzigingen uit de ontwerpwetgeving te schrappen en te waarborgen dat journalisten volledig onafhankelijk onderzoek kunnen doen en onafhankelijk kunnen berichten; dringt er voorts bij de Kazachse autoriteiten op aan de toegang tot overheidskritische online- en offlinemedia in het land zelf en in het buitenland, niet te beperken; betreurt het dat smaad eveneens strafbaar blijft in Kazachstan, en onderstreept dat dit een probleem is geworden gezien de vrijheid van meningsuiting in het land; is bezorgd over het grote aantal smaadrechtszaken dat tegen een paar nieuwsmedia en andere websites – die op ongunstige wijze over overheidsbeleid berichten en routinematig worden geblokkeerd – is aangespannen door overheidsfunctionarissen en andere publieke persoonlijkheden die bijzondere bescherming genieten en die, wegens artikelen inzake aantijgingen van corruptie, vermeend wangedrag of andere zaken die hen onwelgevallig zijn, grote sommen geld eisen voor morele genoegdoening;

25.  dringt aan op ombuiging van de negatieve tendensen op het gebied van de vrijheid van de media, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vergadering en vereniging en de vrijheid van godsdienst; beveelt Kazachstan aan de normen van de Raad van Europa toe te passen in zijn wetgeving; neemt in dit verband kennis van het feit dat alle Kazachse ngo's sinds 2016 wettelijk verplicht zijn zich bij de autoriteiten te registreren en jaarlijks informatie over hun activiteiten te verstrekken, die wordt opgenomen in een databank van de regering inzake ngo's; onderstreept dat deze stap wellicht kan leiden tot meer transparantie in de sector; vindt het echter zorgwekkend dat de nieuwe bepalingen bovenop de reeds uitgebreide rapportageverplichtingen van de non-gouvernementele sector aan de staat komen, en dat terwijl het transparantiebeleid disproportioneel wordt toegepast op de non-profitsector en de non-gouvernementele sector, en niet van toepassing is op andere wettelijke entiteiten; is bezorgd over het feit dat betrokkenheid bij niet-geregistreerde verenigingen strafbaar is en dat het niet-verstrekken van informatie voor de nieuwe databank of het verstrekken van "incorrecte" informatie kan leiden tot sancties voor organisaties; betreurt dat de activiteiten van geregistreerde publieke verenigingen wegens een schending van de nationale wetgeving, hoe klein ook, door de rechter kunnen worden opgeschort of beëindigd;

26.  stelt bezorgd vast dat de goedkeuring van recente antiterrorismewetten, met inbegrip van een wetsvoorstel tot intrekking van het burgerschap van terreurverdachten, kan leiden tot het verdwijnen van de vreedzame en legitieme politieke oppositie; vraagt de Kazachse autoriteiten met klem om uit te sluiten dat deze wetgeving wordt gebruikt om de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst of overtuiging of de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te beperken of de activiteiten van de oppositie te verbieden;

27.  neemt kennis van het feit dat de VN-Mensenrechtenraad in zijn in de zomer van 2016 aangenomen concluderende opmerkingen over Kazachstan uiting gaf aan zijn bezorgdheid over breed geformuleerde bepalingen in artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht, waarin "het aanzetten" tot sociale, nationale of andersoortige verdeeldheid wordt verboden, en over artikel 274, dat "de verspreiding van informatie waarvan het bekend is dat zij vals is" verbiedt, alsook over het gebruik van deze artikelen om de vrijheid van meningsuiting en andere krachtens het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) beschermde rechten op ongeoorloofde wijze te beperken; betreurt dat verschillende maatschappelijke activisten en journalisten in staat van beschuldiging zijn gesteld en gevangen zijn gezet op grond van bovengenoemde artikelen van het Wetboek van Strafrecht; merkt op dat het onder meer Maks Bokayev en Talgat Ayan betreft, die een gevangenisstraf van vijf jaar uitzitten wegens hun rol in de vreedzame landhervormingsprotesten die in de lente van 2016 in Kazachstan plaatsvonden; dringt er bij de regering van Kazachstan op aan hen allemaal vrij te laten en de aanklachten tegen hen te laten vallen;

28.  verzoekt Kazachstan zijn vakbondswet van 2014 en de arbeidswet van 2015 te herzien om deze in overeenstemming te brengen met de IAO-normen; herinnert Kazachstan aan zijn verplichting om volledig te voldoen aan de (in 2017, 2016 en 2015) door het IAO-comité inzake de toepassing van normen aangenomen conclusies;

29.  keurt het af dat de Confederatie van Onafhankelijke Vakbonden van Kazachstan (CITUK) op bevel van de rechter in januari 2017 haar activiteiten moest staken omdat zij haar status niet zou hebben bevestigd, terwijl dit verplicht is op grond van de restrictieve wet van het land inzake vakbonden uit 2014; herinnert de Kazachse autoriteiten aan de noodzaak om te zorgen voor een onafhankelijk en onpartijdig gerechtelijk apparaat en om een daadwerkelijke sociale dialoog mogelijk te maken, onder meer door het bestaan en het functioneren van onafhankelijke vakbonden, zoals de CITUK en daaraan gelieerde organisaties, te stimuleren; verwijst naar de conclusies van het IAO-comité inzake de toepassing van normen over de situatie in Kazachstan in juni 2017; betreurt dat Larisa Kharkova, voorzitter van de CITUK, op 25 juli 2017 door een rechtbank schuldig werd bevonden aan verduistering en fraude in verband met het gebruik van middelen van de vakbond, een aanklacht die naar verluidt op politieke motieven berustte; betreurt dat zij willekeurig werd veroordeeld tot vier jaar door de rechtbank opgelegde beperkingen van haar bewegingsvrijheid, naast een taakstraf van 100 uur en een verbod op het bekleden van leidende functies in openbare verenigingen voor de duur van vijf jaar; dringt er bij Kazachstan op aan de veroordeling jegens haar nietig te verklaren en de aanklachten te laten vallen;

30.  betreurt dat in april en mei 2017 twee andere vakbondsleiders, Nurbek Kushakbayev en Amin Yeleusinov, tot twee jaar en tweeënhalf jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld op grond van beschuldigingen die eveneens als politiek gemotiveerd worden beschouwd; wijst erop dat de veroordeling van de drie vakbondsleiders een zware klap is voor de onafhankelijke vakbondsactiviteiten in het land;

31.  wijst op het multi-etnische en multireligieuze karakter van Kazachstan en benadrukt dat minderheden en hun rechten moeten worden beschermd, met name wat betreft het gebruik van talen, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, non-discriminatie en gelijke kansen; is verheugd over de vreedzame co-existentie van verschillende gemeenschappen in Kazachstan;

32.  dringt aan op een wezenlijke herziening van de jaarlijkse mensenrechtendialoog tussen de EU en Kazachstan teneinde deze effectiever en resultaatgerichter te maken; verzoekt de Kazachse autoriteiten volledig deel te nemen aan deze mensenrechtendialogen en alle andere fora teneinde concrete vooruitgang te boeken met betrekking tot de mensenrechtensituatie in het land, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan individuele gevallen; herinnert eraan dat de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij deze dialogen en raadplegingen moet worden gewaarborgd;

33.  wijst op de noodzaak van voortdurende inzet voor de cyclus van het universeel periodiek herzieningsmechanisme van de Mensenrechtenraad van de VN (UNHRC), met name ten aanzien van de daadwerkelijke uitvoeringen van de aanbevelingen ervan;

34.  dringt er bij Kazachstan op aan te voldoen aan de aanbevelingen van het VN-Comité tegen foltering en de aanbevelingen uit 2009 van de speciale VN-rapporteur voor foltering;

35.  betreurt dat Kazachstan tot dusver heeft geweigerd een onafhankelijk internationaal onderzoek in te stellen naar de gebeurtenissen in Zjanaozen van 2011, ondanks de oproepen van de UNHRC;

36.  is verheugd over het verzoek van het land om toetreding tot diverse verdragen van de Raad van Europa;

37.  betreurt dat Kazachstan geen partij is bij noch zijn handtekening heeft gezet onder het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, en roept het land op dit statuut alsnog te ondertekenen en toe te treden;

Internationale betrekkingen, regionale samenwerking en mondiale uitdagingen

38.  is ingenomen met de constructieve houding van Kazachstan als het gaat om samenwerking op het gebied van internationale betrekkingen en is van mening dat het land op zowel regionaal als mondiaal niveau een belangrijke bijdrage levert aan vrede en stabiliteit, bijvoorbeeld door de onderhandelingen over een nucleair akkoord met Iran in goede banen te leiden, evenals de onderhandelingen in Astana om een alomvattende oplossing voor de oorlog in Syrië te vinden, door diplomatieke inspanningen te leveren met betrekking tot het conflict in Oekraïne en door het initiatief te nemen voor de conferentie inzake interactie en vertrouwenwekkende maatregelen in Azië; spoort Kazachstan aan op internationaal vlak een constructieve rol te blijven spelen; is in dit verband ingenomen met zijn oproep tot de geleidelijke uitbanning van gewapende conflicten door middel van nucleaire non-proliferatie en ontwapening en tot de opstelling van een Universele Verklaring voor een atoomwapenvrije wereld; is in het bijzonder verheugd over het besluit van Kazachstan niet mee te doen aan de Russische boycot van landbouwproducten uit de EU, en ziet dit als een concreet en bemoedigend teken van de bereidheid van dit land om zijn dialoog en samenwerking met de EU te intensifiëren;

39.  wijst op het geostrategisch belang van Kazachstan en uit begrip voor het veelzijdige buitenlandse beleid van het land, dat gericht is op de bevordering van vriendschappelijke en voorspelbare betrekkingen, met inbegrip van de ontwikkeling en het in balans brengen, als prioriteit, van goede nabuurschapsbetrekkingen met Rusland, China, de Centraal-Aziatische landen waarmee het een grens deelt en andere partners, waaronder de VS en de EU;

40.  erkent dat Kazachstan een belangrijke speler is op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid, niet in de laatste plaats vanwege de grote rol die het land speelt bij wereldwijde nucleaire ontwapening en veiligheid, en vanwege zijn niet-permanente lidmaatschap van de VN-Veiligheidsraad in 2017-2018;

41.  erkent dat Kazachstan zich voor een veiligheidsprobleem gesteld ziet als gevolg van Da'esh en andere door de VN-Veiligheidsraad als zodanig aangeduide terreurorganisaties; merkt op dat een groot aantal Kazachse burgers is gerekruteerd als buitenlandse strijders in het Midden-Oosten; erkent dat het voortdurende conflict in Afghanistan tot verdere destabilisering van Kazachstan zou kunnen leiden, onder meer via religieus extremisme, drugshandel en terrorisme; dringt aan op nauwere samenwerking in de strijd tegen gewelddadig extremisme en terrorisme, en onderstreept dat voorrang moet worden gegeven aan de aanpak van de onderliggende oorzaken van radicalisering; wijst erop dat artikel 13 van de EPCA betrekking heeft op terreurbestrijdingsmaatregelen en een belangrijke rol speelt, met name gezien het huidige internationale klimaat;

42.  wijst erop dat Kazachstan deel uitmaakt van alle belangrijke regionale organisaties; beschouwt de internationale reputatie die Kazachstan zeer recent heeft opgebouwd als voorzitter van internationale organisaties variërend van de OVSE, de Organisatie van Islamitische Samenwerking (OIS), het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), de Shanghai-samenwerkingsorganisatie en de Organisatie van het verdrag voor collectieve veiligheid, als een goed uitgangspunt voor gezamenlijke activiteiten met het oog op de stabilisatie van de veiligheidssituatie in de Centraal-Aziatische regio en de totstandbrenging van multilaterale oplossingen voor mondiale problemen; is in dit verband ingenomen met de duidelijke boodschap van Kazachstan dat zijn lidmaatschap van de Euraziatische Economische Unie (EEU) de versterking van de betrekkingen met de EU niet in de weg zal staan;

43.  beveelt de EU aan haar steun voor de regionale samenwerking in Centraal-Azië voort te zetten, met name wat betreft de rechtsstaat, vertrouwenwekkende maatregelen, water- en hulpbronnenbeheer, grensbeheer, stabiliteit en veiligheid; steunt in dit verband de inspanningen van Kazachstan om goede betrekkingen met de buurlanden te bevorderen en zich te ontwikkelen tot hoeder van de stabiliteit in de regio; dringt aan op een duurzame Centraal-Aziatische regeling inzake waterbeheer en energie- en veiligheidsvraagstukken, waarin alle belangen tot uitdrukking komen;

44.  erkent dat Kazachstan een toonaangevende mogendheid in de Centraal-Aziatische regio is; dringt er bij Kazachstan op aan deze positie aan te wenden als basis om op een positieve manier met de buurlanden in de regio samen te werken en stappen te zetten op het gebied van verdere regionale samenwerking;

Duurzame ontwikkeling, energie en milieu

45.  is verheugd over de derde moderniseringsstrategie van Kazachstan die in januari 2017 is aangekondigd en die ten doel heeft van Kazachstan een van de 30 meest ontwikkelde landen ter wereld te maken;

46.  is ingenomen met het uitgebreide hoofdstuk over samenwerking op het gebied van grondstoffen en energie, dat in grote mate kan bijdragen aan de energiezekerheid van de EU; herinnert eraan dat Kazachstan een belangrijke rol speelt als energieleverancier van de EU; wenst dat de EU op het gebied van energie actiever gaat samenwerken met Kazachstan en andere Centraal-Aziatische landen en haar dialoog met deze landen versterkt, teneinde de energiezekerheid van de EU te verbeteren;

47.  is verheugd dat in de EPCA een hoofdstuk over samenwerking op het gebied van klimaatverandering is opgenomen; verzoekt de EU met de regering van Kazachstan te blijven samenwerken en haar bij te staan bij het afbakenen en ontwikkelen van innoverend en duurzaam ecologisch en milieubeleid; herinnert eraan dat Kazachstan zwaar is getroffen door de gevolgen van twee van de meest vernietigende door de mens veroorzaakte milieurampen ter wereld, namelijk het opdrogen van het Aralmeer en de nucleaire testlocatie van Semey/Semipalatinsk die uit de Sovjettijd dateert; dringt er bij de Commissie op aan de Kazachse autoriteiten meer technische en financiële steun te bieden teneinde het waterbeheer en waterbehoud met betrekking tot het Aralmeer aanzienlijk te verbeteren in het kader van het actieprogramma van het Internationale Fonds voor het behoud van het Aralmeer, en een effectief actieplan op te stellen om het voormalige nucleaire testgebied op te ruimen; is verheugd over de deelname van Kazachstan aan het vrijwillige partnerschapsprogramma "Green Bridge"; is van mening dat dit programma een stabiele langetermijnbasis kan bieden voor groene investeringen, de overdracht van nieuwe technologieën en innovaties en de totstandbrenging van een koolstofvrije samenleving;

48.  benadrukt dat de beginselen van ecologisch duurzame ontwikkeling in Kazachstan met betrekking tot de winning en verwerking van zijn omvangrijke natuurlijke rijkdommen moeten worden toegepast; juicht het in dit verband toe dat het land voldoet aan de normen van het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI);

Handel en economie

49.  herinnert eraan dat de EU de belangrijkste handels- en investeringspartner van het land is en dat Kazachstan de belangrijkste handelspartner van de EU in Centraal-Azië is; wenst te dien einde dat deze betrekkingen verder worden ondersteund; wijst erop dat 80% van de Kazachse export naar de EU olie en gas betreft; herinnert aan het belang van meer diversificatie van de handel van het land met de EU; benadrukt dat handel en mensenrechten elkaar op een positieve manier kunnen versterken mits de rechtsstaat wordt gewaarborgd; herinnert eraan dat het bedrijfsleven een belangrijke rol heeft te vervullen waar het gaat om het bieden van positieve prikkels om mensenrechten, democratie en maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen; wijst erop dat de mondiale waardeketens bijdragen aan de versterking van de fundamentele internationale arbeids-, milieu-, sociale en mensenrechtennormen, en de vaststelling en handhaving van maatregelen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk, onderwijskansen, onpartijdige instellingen en bestrijding van corruptie;

50.  is verheugd dat Kazachstan op 1 januari 2016 is toegetreden tot de WTO, hetgeen de economische en bestuurlijke modernisering van het land heeft bevorderd; wijst erop dat de economie van Kazachstan grotendeels is gebaseerd op de exploitatie en uitvoer van grondstoffen en koolwaterstoffen; wenst dat het ambitieuze programma inzake de diversificatie van de economie en de hervorming van het land, dat onder andere voorziet in de professionalisering van het openbaar bestuur en de invoering van maatregelen ter bestrijding van de corruptie, en waarin de EU een belangrijke rol zou kunnen vervullen, volledig en daadwerkelijk wordt uitgevoerd; dringt er in het bijzonder bij de Commissie op aan Kazachstan te ondersteunen bij het milieuvriendelijk en duurzaam maken van zijn economie;

51.  wijst op de inzet van Kazachstan om het verkeer van kapitaal in de vorm van directe investeringen volledig te liberaliseren, en betreurt dat het Handel en Bedrijven-deel van de EPCA geen anticorruptiebepalingen bevat; is van mening dat bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst met name aandacht moet worden besteed aan ondernemingsbestuur en corruptie, teneinde het groeiende risico op witwaspraktijken te voorkomen;

52.  is verheugd dat Kazachstan, zoals tijdens het eerste jaar van de toepassing van de EPCA is gebleken, vastberaden is om zijn verbintenissen in het kader van de EPCA en de WTO na te komen; vraagt Kazachstan zijn verbintenissen in het kader van de EPCA met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten (IER) na te komen op basis van een regionale-uitputtingsregeling;

53.  vraagt Kazachstan zijn invoerrechten volledig af te stemmen op zijn verplichtingen uit hoofde van de WTO en de EPCA, ongeacht zijn deelname aan de Euraziatische Economische Unie (EEU), teneinde dure compensatiebetalingen aan zijn WTO-handelspartners te vermijden;

54.  verzoekt Kazachstan zich bij het geïntegreerd veterinair computersysteem (Traces) aan te sluiten om doeltreffende sanitaire en fytosanitaire controles mogelijk te maken, en de bilaterale sanitaire en fytosanitaire certificaten van de EU en Kazachstan te gebruiken;

55.  neemt kennis van de algemene overgangsperiode van vijf jaar voor overheidsopdrachten en de overgangsperiode van acht jaar voor de bouwsector waarin de EPCA voorziet, en kijkt uit naar een intensievere handel na afloop van deze perioden; wijst erop dat overheidsopdrachten in Kazachstan een belangrijk beleidsinstrument van de overheid vormen;

o
o   o

56.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor Centraal-Azië, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Kazachstan.

(1) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 159.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0083.
(3) PB C 45 van 5.2.2016, blz. 85.
(4) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 93.
(5) PB C 224 E van 19.8.2010, blz. 30.
(6) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 91.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0121.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0007.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0484.


Verlenging van het mandaat van de voorzitter van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
PDF 245kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 12 december 2017 over het voorstel van de Commissie tot verlenging van het mandaat van de voorzitter van het bestuur van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (N8-0092/2017 – C8-0425/2017 – 2017/0901(NLE))
P8_TA(2017)0486A8-0393/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 29 november 2017 tot verlenging van mandaat van de voorzitter van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (N8‑0092/2017),

–  gezien artikel 56, lid 6, derde alinea, en artikel 56, lid 7, van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010(1),

–  gezien artikel 122 bis van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8‑0393/2017),

A.  overwegende dat de Raad op 19 december 2014 Elke König heeft benoemd tot voorzitter van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) voor een ambtstermijn van drie jaar met ingang van 23 december 2014(2);

B.  overwegende dat de ambtstermijn van de eerste voorzitter van de GAR uit hoofde van artikel 56, lid 7, van Verordening (EU) nr. 806/2014, eenmaal kan worden verlengd met vijf jaar;

C.  overwegende dat de Commissie op 29 november 2017 een voorstel tot verlenging van het mandaat van Elke König als voorzitter van de GAR heeft aangenomen en dit voorstel aan het Parlement heeft toegezonden;

D.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken van het Parlement de kwalificaties van de voor de functie van voorzitter van de GAR voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name met het oog op de vereisten in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014;

E.  overwegende dat de commissie Elke König op 4 december 2017 heeft gehoord, waarbij zij een openingsverklaring heeft afgelegd en vervolgens heeft geantwoord op vragen van commissieleden;

1.  hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie tot verlenging van het mandaat van Elke König als voorzitter van de GAR;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.
(2) PB L 367 van 23.12.2014, blz. 97.


Verslag over het EU-burgerschap 2017: Versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering
PDF 333kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2017 over het verslag over het EU-burgerschap 2017: versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering (2017/2069(INI))
P8_TA(2017)0487A8-0385/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het verslag van de Commissie van 24 januari 2017 getiteld "Versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering – Verslag over het EU-burgerschap 2017" (COM(2017)0030),

–  gezien het overeenkomstig artikel 25 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) door de Commissie opgestelde verslag van 24 januari 2017 over vorderingen op weg naar een echt EU-burgerschap 2013-2016 (COM(2017)0032),

–  gezien de resultaten van de door de Commissie uitgevoerde openbare raadpleging van 2015 inzake EU-burgerschap, en de resultaten van de Eurobarometer-enquêtes van 2015 inzake kiesrecht en burgerschap,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien de artikelen 2, 6 en 9 t/m 12 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), de artikelen 18 t/m 25 van het VWEU en de artikelen 11, 21 en 39 t/m 46 van het Handvest van de grondrechten van de EU,

–  gezien de eerbied voor de rechtsstaat, verankerd in artikel 2 van het VEU,

–  gezien artikel 3, lid 2, van het VEU, waarin het recht op het vrije verkeer van personen is verankerd,

–  gezien het petitierecht, verankerd in artikel 44 van het Handvest van de grondrechten van de EU,

–  gezien artikel 165 van het VWEU,

–  gezien het petitierecht, verankerd in artikel 227 van het VWEU,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de conclusies van de Raad van 29 februari 2016 over de strategie voor de eengemaakte markt(1) en met name het document over de uitkomsten van de informele bijeenkomst van de Solvit-centra in Lissabon op 18 september 2015(2),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 betreffende het "Verslag over het EU-burgerschap 2013. EU-burgers: uw rechten, uw toekomst"(3),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over het leren over de EU op school(4),

–  gezien zijn resolutie van 6 oktober 2016 inzake de controle op de toepassing van het Unierecht: jaarverslag 2014(5),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2017 over aanbevelingen aan de Commissie over grensoverschrijdende aspecten van adopties(6),

–  gezien zijn resolutie van 2 maart 2017(7) over de uitvoering van het programma "Europa voor de burger",

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (COM(2016)0411),

–  gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften over de activiteiten van de Werkgroep van de commissie over kwesties in verband met kinderwelzijn(8), en in het bijzonder haar conclusies,

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2016 over de activiteiten van de Commissie verzoekschriften in 2015(9),

–  gezien het advies van de Commissie verzoekschriften van 23 maart 2017(10) en het advies van de Commissie constitutionele zaken van 1 juni 2017(11) over het verslag van de Commissie inzake de controle op de toepassing van het EU-recht 2015,

–  gezien de hoorzittingen die de Commissie verzoekschriften in 2016 en 2017 heeft gehouden, en in het bijzonder gezien de gezamenlijke openbare hoorzitting van 11 mei 2017, mede georganiseerd door LIBE, PETI en EMPL, getiteld "De situatie en rechten van EU-burgers in het Verenigd Koninkrijk"; de openbare hoorzitting van 11 oktober 2016 getiteld "Belemmeringen voor het vrij verkeer van EU-burgers en voor hun recht te werken in de interne markt"; de openbare hoorzitting van 4 mei 2017 getiteld "Bestrijding van discriminatie en bescherming van minderheden"; de gezamenlijke openbare hoorzitting van 15 maart 2016, georganiseerd door het directoraat-generaal Justitie en Consumenten van de Commissie en de Commissies LIBE, PETI, AFCO en JURI van het Europees Parlement, getiteld "Burgerschap van de Unie in de praktijk"; en de gezamenlijke hoorzitting over staatloosheid die op 29 juni 2017 werd georganiseerd door de Commissies LIBE en PETI,

–  gezien de hoorzitting van de Commissie PETI van 23 februari 2016 getiteld "het toepassingsgebied van het Handvest van de grondrechten van de EU (artikel 51) verruimen", de hoorzitting van 21 juni 2016 getiteld "Transparantie en vrijheid van informatie binnen de EU-instellingen" en de hoorzitting van 22 juni 2017 getiteld "Herstellen van het vertrouwen van de burger in het Europees project", tezamen met de eerdere hoorzittingen tijdens deze zittingsperiode, te weten "Het recht van petitie"" (23 juni 2015) en "Het Europees burgerinitiatief" (26 februari 2015),

–  gezien de studies die door de Beleidsafdeling C van het Parlement in 2016 en 2017 op verzoek van de Commissie verzoekschriften zijn aangevraagd, getiteld "Obstacles to the right of free movement and residence for EU citizens and their families", "Discrimination(s) as emerging from the petitions received", "The impact of Brexit in relation to the right to petition and on the competences, responsibilities and activities of the Committee on Petitions" en "The protection role of the Committee on Petitions in the context of the implementation of the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften en de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0385/2017),

A.  overwegende dat het EU-burgerschap en de daarmee verband houdende rechten aanvankelijk in 1992 door het Verdrag van Maastricht werden geïntroduceerd en verder werden versterkt door het Verdrag van Lissabon, dat in december 2009 in werking trad, alsmede door het Handvest van de grondrechten van de EU;

B.  overwegende dat de uitoefening van het burgerschap vereist dat eerst alle mensenrechten worden gewaarborgd en geëerbiedigd, met name de economische, sociale en culturele rechten;

C.  overwegende dat een holistische aanpak gericht op de verwezenlijking van de in de EU-Verdragen vastgestelde doelstellingen, zoals volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, essentieel is om ervoor te zorgen dat daadwerkelijk van de rechten en vrijheden in verband met het EU-burgerschap gebruik kan worden gemaakt;

D.  overwegende dat toegang tot EU-burgerschap wordt verkregen middels de nationaliteit van een lidstaat, hetgeen geregeld is door nationale wetgeving; overwegende dat tegelijkertijd rechten en plichten uit deze institutie voortvloeien die door EU-wetgeving zijn vastgesteld en niet afhankelijk zijn van de lidstaten; overwegende dat om bovengenoemde reden het evenzeer waar is dat deze rechten en verplichtingen niet op ongerechtvaardigde wijze door de lidstaten kunnen worden beperkt, ook niet door de lagere overheden; overwegende dat de lidstaten in verband met de toegang tot nationaal burgerschap moeten uitgaan van de beginselen van het Unierecht, zoals evenredigheid en non-discriminatie, die beide goed zijn uitgewerkt in de jurisprudentie van het HvJ; overwegende dat volgens de Verdragen elke EU-burger gelijke aandacht moet genieten van de EU-instellingen;

E.  overwegende dat de burgers van de Unie erop vertrouwen dat de lidstaten, inclusief de lagere overheden, zowel het communautaire recht als hun nationale wetgeving toepassen, wat een noodzakelijke voorwaarde is voor de doeltreffende uitoefening van alle rechten die voortvloeien uit hun Europese burgerschap;

F.  overwegende dat de benutting van het EU-burgerschap verband houdt met de verbetering van de kwaliteit van de democratie op Unieniveau, het daadwerkelijke genot van de grondrechten en de fundamentele vrijheden en de mogelijkheid van iedere burger om deel te nemen aan het democratische leven van de Unie;

G.  overwegende dat iedere eenzijdige wijziging van de grenzen van een lidstaat op zijn minst een schending vormt van artikel 2, artikel 3, lid 2, en artikel 4, lid 2, van het VEU, alsook de uitoefening in gevaar brengt van de rechten die voortvloeien uit het burgerschap van de Europese Unie;

H.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon de onvervreemdbare rechten en garanties van EU-burgerschap heeft geconsolideerd, waaronder de vrijheid om in andere EU-landen te reizen, werken en studeren, om deel te nemen aan het Europese politieke leven, om gelijkheid en respect voor diversiteit te bevorderen en om beschermd te worden tegen discriminatie, met name discriminatie op grond van nationaliteit; overwegende dat het toenemende gebruik van het recht op vrij verkeer binnen de EU de afgelopen decennia heeft geleid tot het ontstaan van gezinnen met verschillende nationaliteiten, vaak met kinderen; overwegende dat hoewel deze tendens gunstig is voor de consolidatie van het EU-burgerschap als op zichzelf staande institutie, zij ook specifieke behoeften en uitdagingen inhoudt op verschillende gebieden, inclusief juridische aspecten;

I.  overwegende dat het vooruitzicht van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU (brexit) het belang van EU-burgerschapsrechten en hun cruciale rol in het dagelijks leven van miljoenen EU-burgers heeft benadrukt, en het bewustzijn in de EU heeft vergroot met betrekking tot het mogelijke verlies van rechten als gevolg van de brexit aan beide kanten, met name voor de 3 miljoen EU-burgers die in het Verenigd Koninkrijk leven en de 1,2 miljoen burgers van het Verenigd Koninkrijk die in de EU wonen;

J.  overwegende dat de laatste ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk, alsook de humanitaire gevolgen van de vluchtelingencrisis, de hoge werkloosheids- en armoedepercentages, en de toename van vreemdelingenhaat en racisme in de Europese Unie het vertrouwen in het EU-systeem en het Europese project in zijn geheel hebben ondergraven;

K.  overwegende dat het recht op vrij verkeer en de uitvoering ervan centraal staan in het EU-burgerschap en een aanvulling vormen op de andere vrijheden van de interne markt van de EU; overwegende dat jonge Europeanen met name veel waarde hechten aan vrij verkeer, dat door EU-burgers, wat betreft erkenning en populariteit, als de meest positieve prestatie van de EU wordt beschouwd, na waarborging van vrede;

L.  overwegende dat, zoals is gebleken uit diverse ingediende verzoekschriften, het recht op vrij verkeer en de uitoefening daarvan zijn geschonden door verschillende lidstaten, die Europese burgers hebben uitgezet of gedreigd hebben dit te zullen doen;

M.  overwegende dat, zoals uit aan de Commissie en Solvit gerichte verzoekschriften en klachten is gebleken, EU-burgers geconfronteerd worden met aanzienlijke moeilijkheden bij de uitoefening van hun grondrechten en fundamentele vrijheden vanwege aanzienlijke economische problemen en werkloosheid, vanwege de administratieve lasten en bureaucratie in lidstaten, en verkeerde informatie en/of een gebrek aan samenwerking van de zijde van de autoriteiten van een lidstaat;

N.  overwegende dat het beginsel van non-discriminatie op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, als verankerd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de EU, de primaire uiting is van EU-burgerschap; overwegende dat het eveneens een cruciaal onderdeel vormt van de succesvolle uitoefening van het vrij verkeer, zoals uit verzoekschriften is gebleken;

O.  overwegende dat eerbiediging van de rechten van personen die tot minderheden behoren een van de fundamentele waarden van de EU is die in de Verdragen verankerd zijn; overwegende dat ongeveer 8 % van alle EU-burgers tot een nationale minderheid behoort en dat ongeveer 10 % een regionale of minderheidstaal spreekt; overwegende dat de doeltreffende bescherming van minderheden versterkt moet worden;

P.  overwegende dat de versterking van de rechten van de burgers en democratische instituties de bestrijding van discriminatie en genderongelijkheid omvat, in overeenstemming met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling;

Q.  overwegende dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen in besluitvormingsfuncties, met name op politiek vlak en op bestuursniveau bij bedrijven, de ontwikkeling van capaciteiten belemmert en de deelname van vrouwen aan het democratische leven van de EU verzwakt;

R.  overwegende dat de deelname en het leiderschap van vrouwen bij politieke besluitvorming nog steeds worden gehinderd door diverse obstakels, zoals hardnekkige genderstereotypen en de effecten van de recente economische crisis en de negatieve gevolgen daarvan voor gendergelijkheidskwesties;

S.  overwegende dat er nog steeds sprake is van grote leemten wat betreft de bescherming van slachtoffers van gendergerelateerd geweld en huiselijk geweld in de EU in gevallen van grensoverschrijdende gezinsconflicten;

T.  overwegende dat de discriminatie van vrouwen in de hele EU een obstakel is voor gelijkheid; overwegende dat vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd zijn als kiezers en in leidinggevende functies, zowel in verkozen ambten als bij de overheid en in de academische wereld, de media of de particuliere sector; overwegende dat de wijdverbreide meervoudige discriminatie van vrouwen en het onevenredige aantal vrouwen dat met armoede en sociale uitsluiting wordt geconfronteerd belemmeringen vormen voor de volledige uitoefening van hun burgerschapsrechten;

U.  overwegende dat het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zoals bepaald in de artikelen 20 en 227 van het VWEU en in artikel 44 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie, een van de pijlers van EU-burgerschap en het op een na bekendste recht van EU-burgers is, en een verbinding moet creëren tussen burgers en de Europese instellingen via een open, democratisch en transparant proces;

V.  overwegende dat de grondrechten van EU-burgers kunnen worden gewaarborgd middels een nieuwe benadering ten aanzien van de uitlegging van artikel 51 van het Handvest van de grondrechten;

W.  overwegende dat Europese burgers rechtstreeks vertegenwoordigd worden in het Europees Parlement en een democratisch recht hebben om actief en passief aan de Europese verkiezingen deel te nemen, zelfs als zij in een andere lidstaat wonen; overwegende dat het stemrecht bij Europese en gemeenteraadsverkiezingen voor Europese burgers die hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend, niet in alle lidstaten in dezelfde mate wordt gefaciliteerd en bevorderd; overwegende dat in diverse verzoekschriften is gewezen op het bestaan van bureaucratische belemmeringen en tekortkomingen van administratieve of andere aard ten aanzien van de uitoefening van het stemrecht bij nationale of regionale verkiezingen in de lidstaat van herkomst door personen die in een andere lidstaat wonen; overwegende dat sommige burgers bij de uitoefening van dit democratische recht worden gehinderd, zoals personen met een handicap in lidstaten die het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) hebben geratificeerd, maar niet aan de verplichting hebben voldaan om hun verkiezingswetgeving te herzien om zo de uitoefening van het stemrecht door personen met een handicap mogelijk te maken;

X.  overwegende dat burgers het recht hebben om, samen met andere EU-burgers uit alle lidstaten, een Europees burgerinitiatief (EBI) te organiseren of te ondersteunen, hetgeen hen in staat zou moeten stellen te helpen de wetgevingsagenda van de EU te bepalen; overwegende dat het EBI een belangrijk instrument van directe democratie is, dat burgers de mogelijkheid biedt actief betrokken te zijn bij de ontwikkeling van EU-beleid en -wetgeving; overwegende dat dit instrument transparant en doeltreffend moet zijn; overwegende dat de uitoefening van dit recht tot nu toe niet bevredigend is geweest;

Y.  overwegende dat de totstandbrenging van het Schengengebied en de integratie van het Schengenacquis in het EU-kader de bewegingsvrijheid binnen de EU sterk hebben vergroot en een van de grootste verworvenheden van het Europese integratieproces vormen; overwegende dat de Raad van de Europese Unie in zijn conclusies nrs. 9166/3/11 en 9167/3/11 van 9 juni 2011 de geslaagde voltooiing van het evaluatieproces en de technische paraatheid van Bulgarije en Roemenië voor de toetreding tot het Schengengebied heeft bevestigd;

Z.  overwegende dat veiligheid een van de grootste zorgen van de EU-burgers is; overwegende dat de Unie ervoor moet zorgen dat haar burgers het gevoel hebben dat hun vrijheid wordt beschermd en hun veiligheid op het hele grondgebied van de Unie wordt gewaarborgd, waarbij tegelijkertijd wordt gegarandeerd dat hun vrijheden, rechten en privacy eveneens worden geëerbiedigd en beschermd; overwegende dat terrorisme een mondiale bedreiging vormt die op lokaal, nationaal en EU-niveau doeltreffend moet worden aangepakt om de veiligheid van Europese burgers te waarborgen;

AA.  overwegende dat volgens de effectbeoordeling van de Commissie (SEC(2011)1556) bij het voorstel dat tot de vaststelling van Richtlijn (EU) 2015/637 van 20 april 2015 heeft geleid betreffende de coördinatie- en samenwerkingsmaatregelen ter vergemakkelijking van de consulaire bescherming van niet-vertegenwoordigde burgers van de Unie in derde landen(12), bijna 7 miljoen EU-burgers reizen naar of wonen in plaatsen buiten de EU waar hun eigen land geen ambassade of consulaat heeft; overwegende dat het aantal niet-vertegenwoordigde EU-burgers tegen 2020 naar verwachting zal stijgen tot minstens 10 miljoen; overwegende dat EU-burgers die op het grondgebied van een niet-EU-land wonen waar hun lidstaat van herkomst niet is vertegenwoordigd, recht hebben op de bescherming van de diplomatieke en consulaire autoriteiten van elke andere lidstaat en onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;

1.  neemt kennis van het verslag over het EU-burgerschap 2017 van de Commissie, waarin per activiteitsgebied nieuwe prioriteiten voor komende jaren worden opgesomd; herinnert eraan dat de juiste toepassing van het EU-recht een verantwoordelijkheid is die de lidstaten en de EU-instellingen delen; benadrukt in dit verband de doorslaggevende rol van de Commissie als hoedster van de Verdragen bij de tenuitvoerlegging van de artikelen 258 t/m 260 van het VWEU; benadrukt dat het noodzakelijk is prioriteiten te stellen om doeltreffend in te springen op zorgen van burgers en om met goed gedefinieerde, concrete toezeggingen en maatregelen voor de komende drie jaar te komen; dringt er bij de Commissie op aan haast te maken met haar EU-rechtshandhavingsbeleid door gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten en mechanismen;

2.  merkt op dat het petitierecht, het recht zich tot de Europese Ombudsman te wenden en het recht op toegang tot documenten en registers fundamentele en concrete onderdelen van het EU-burgerschap vormen en de transparantie van de besluitvorming vergroten; spreekt in dit verband de wens uit dat in het verslag van de Commissie over het EU-burgerschap terdege aandacht aan deze rechten wordt besteed en dat zij als essentiële onderdelen worden bevorderd en benadrukt;

3.  benadrukt het feit dat de doeltreffende uitoefening van het petitierecht is bevorderd dankzij de verbeterde verwerking van verzoekschriften in het Europees Parlement en de lancering van het portaal van de Commissie verzoekschriften eind 2014, waardoor verzoekschriften op een eenvoudige manier kunnen worden ingediend en efficiënter beheerd kunnen worden, zoals elders blijkt uit de respectieve jaarverslagen van de Commissie verzoekschriften; dringt aan op de onverwijlde voltooiing van de tenuitvoerlegging van de volgende geplande stappen van het project, aangezien dit het mogelijk maakt indieners en hun medestanders op een veel interactievere manier te betrekken bij de follow-up van het verzoekschriftenproces;

4.  onderstreept dat de succesvolle uitoefening van burgerschapsrechten pas kan plaatsvinden wanneer alle in het EU-Handvest van de grondrechten vastgelegde rechten en vrijheden door de lidstaten worden gewaarborgd; benadrukt dat de instelling van een democratisch en participatief bestuursmodel, de grootst mogelijke transparantie en de rechtstreekse betrokkenheid van alle burgers in het besluitvormingsproces het EU-burgerschap uiteindelijk versterken; roept de lidstaten op de Europese burgers beter te informeren over hun rechten en plichten, en een gelijke toegang tot en een gelijke eerbiediging van deze rechten in zowel hun land van herkomst als in een andere lidstaat te bevorderen; wijst op de bestaande opt-outs van sommige lidstaten ten aanzien van onderdelen van de EU-verdragen die de facto leiden tot verschillen in de rechten van burgers;

5.  betreurt ten zeerste dat er nu bijna tien jaar lang geen noemenswaardige vooruitgang is geboekt bij de aanneming van de EU-brede antidiscriminatierichtlijn; dringt er bij alle EU-instellingen en de lidstaten op aan absolute prioriteit te geven aan de hervatting van de desbetreffende onderhandelingen; wijst op de toezegging van de Commissie om de voltooiing van deze onderhandelingen actief te ondersteunen;

6.  is van oordeel dat de doeltreffendheid van het EU-beleid op antidiscriminatiegebied dient te worden vergroot en dat de resterende belemmeringen moeten worden weggenomen; beveelt aan dat de Commissie de eerste twee antidiscriminatierichtlijnen bijwerkt, te weten Richtlijn 2000/43/EG van de Raad en Richtlijn 2000/78/EG van de Raad, om deze in overeenstemming te brengen met de huidige versie van de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de EU;

7.  dringt erop aan dat op EU- en lidstaatniveau een doeltreffend regelgevingskader en coördinatiemaatregelen worden vastgesteld om te zorgen voor een hoog niveau van sociale bescherming en voor stabiele banen met een passende beloning; is van mening dat deze aanpak van doorslaggevend belang is om de grondrechten en de fundamentele vrijheden in verband met het EU-burgerschap te versterken;

8.  onderstreept dat de op EU- en lidstaatniveau vastgestelde bezuinigingsmaatregelen de economische en sociale verschillen hebben verergerd, waardoor de daadwerkelijke uitoefening van de grondrechten en de fundamentele vrijheden in verband met het EU-burgerschap ernstig is beperkt;

9.  herinnert aan zijn amendementen aangenomen op 14 september 2017(13) en het voorstel van de Commissie inzake een alomvattende richtlijn betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten wat betreft de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten (COM(2015)0615), waaronder verschillende vervoerswijzen; roept wetgevers op om hun werkzaamheden met betrekking tot de aanneming van een Europese toegankelijkheidswet te bespoedigen; is verheugd over de bereikte interinstitutionele overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Marrakesh inzake het auteursrecht van de EU, waar de Commissie verzoekschriften sinds 2011 op heeft aangedrongen, en herhaalt zijn oproep aan de EU en de lidstaten om het Verdrag van Marrakesh spoedig te ratificeren; roept alle lidstaten op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) te ratificeren en het protocol hierbij te ondertekenen; ondersteunt de verspreiding van het gebruik van de wederzijds erkende EU-gehandicaptenkaart naar zo veel mogelijk lidstaten; spoort de lidstaten aan de mobiliteit van personen met een handicap en functionele beperkingen in de EU te verbeteren; onderstreept de noodzaak om EU-websites toegankelijker te maken voor personen met een handicap;

10.  verzoekt de Commissie om actiever maatregelen te nemen tegen LGBTI-discriminatie en om homofobie te bestrijden door op nationaal en Europees niveau concrete acties vast te stellen; roept de EU-instellingen tegelijkertijd op om LGBTI-rechten nauwlettend te volgen en om de erkenning van grensoverschrijdende rechten voor LGBTI-personen en hun families in de EU te bevorderen;

11.  herinnert eraan dat het beginsel van gelijkheid tussen vrouwen en mannen alleen ten uitvoer kan worden gelegd via strategische integratie van de genderdimensie op alle EU-beleidsterreinen, onder meer via het "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" van de Commissie; dringt er bij de Commissie op aan volledige toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten in alle lidstaten te bevorderen; verzoekt de Commissie doeltreffende maatregelen te treffen om een einde te maken aan de discriminatie van vrouwen in de Unie en aan discriminerende uitlatingen jegens vrouwen, die genderstereotypen in de hand werken; wijst opnieuw op de noodzaak van investeringen in burgerschapseducatie en -vorming en onderwijs inzake gendergelijkheid in heel Europa; wijst op de loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen in de EU die de mogelijkheid van echte economische autonomie voor miljoenen vrouwen ondermijnen; benadrukt het belang van politieke participatie van jongeren, met name vrouwen en meisjes, en dring aan op meer maatregelen van de zijde van de Commissie en de lidstaten om hun participatie te bevorderen;

12.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor toetreding van de EU tot en ondertekening van het Verdrag van Istanbul; betreurt echter dat de beperking tot twee gebieden – namelijk kwesties in verband met justitiële samenwerking in strafzaken, en asiel en non-refoulement – zorgt voor rechtsonzekerheid met betrekking tot de reikwijdte van de toetreding van de EU; dringt er bij de lidstaten op aan om de onderhandelingen over de ratificering en tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul te versnellen; dringt er bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan op aan dit verdrag met spoed te ratificeren, en verzoekt de Commissie met een voorstel te komen voor een richtlijn betreffende de bestrijding van geweld tegen vrouwen; is ingenomen met de indiening door de Commissie van het pakket inzake het combineren van werk en privéleven en roept alle instellingen op deze maatregelen zo snel mogelijk ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de toetreding en vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies te bevorderen en specifieke maatregelen te nemen om te voorzien in de behoeften van kwetsbare burgers die worden geconfronteerd met intersectionele meervoudige discriminatie die het hen belet hun rechten uit te oefenen, bijvoorbeeld via passende strategieën; verzoekt de Raad zijn inspanningen te intensiveren om de richtlijn vrouwelijke bestuurders te deblokkeren; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om haar "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" in de vorm van een mededeling vast te stellen;

13.  herinnert eraan dat traditionele minderheden op het Europese continent eeuwenlang hebben samengeleefd met de meerderheidsculturen; benadrukt dat de EU-instellingen een actievere rol moeten spelen bij de bescherming van minderheden, bijvoorbeeld door het bevorderen van voorlichtingsbijeenkomsten, seminars en resoluties alsook door middel van concrete administratieve maatregelen binnen de EU-instellingen; is van mening dat de EU strenge normen ter bescherming van minderheden moet vaststellen, te beginnen met de normen die in internationale rechtsinstrumenten, zoals die van de Raad van Europa, zijn gecodificeerd, en dat deze normen stevig moeten worden verankerd in een wettelijk kader dat de democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de hele EU garandeert; moedigt alle lidstaten aan om het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden onverwijld volledig te ratificeren en de Verdragen te goeder trouw ten uitvoer te leggen; herinnert voorts aan de noodzaak om de beginselen die in het kader van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) zijn ontwikkeld, ten uitvoer te leggen; betreurt iedere vorm van retoriek die aanzet tot discriminatie op grond van nationaliteit; moedigt nationale regeringen aan om duurzame oplossingen te vinden en de cultuur van taaldiversiteit in de lidstaten en de EU als geheel te bevorderen, ook wanneer het niet-officiële talen van de EU betreft, aangezien zowel de Verdragen als het Handvest van de grondrechten van de EU verwijzingen bevatten naar de bescherming van nationale minderheden en discriminatie op grond van taal;

14.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de aantallen Roma in Europa, die slachtoffer zijn van discriminerende geboorteregistratie en derhalve geen identiteitspapieren hebben en geen toegang hebben tot essentiële diensten in het land van verblijf, hetgeen ook leidt tot de ontzegging van toegang tot hun rechten in de EU; roept de lidstaten op onmiddellijk corrigerende maatregelen te treffen in dit verband teneinde de uitoefening van hun fundamentele mensenrechten en alle rechten uit hoofde van het EU-burgerschap te waarborgen; verzoekt de Commissie de situatie in de lidstaten te beoordelen en te monitoren, en de identificatie en bescherming te initiëren van personen wier nationaliteit niet is erkend en die geen toegang tot identiteitsdocumenten hebben;

15.  verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke maatregelen voor te stellen om belemmeringen van het vrije verkeer weg te nemen naar aanleiding van de resolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2017 over belemmeringen voor het vrij verkeer van EU-burgers en voor hun recht te werken in de interne markt(14) en de resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2016 over het veiligstellen van de belangen van het kind in de gehele EU op basis van verzoekschriften die gericht zijn aan het Europees Parlement(15);

16.  verzoekt de Commissie stelselmatig toezicht te houden op de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG in de lidstaten en passende maatregelen te treffen om potentiële belemmeringen van het vrije verkeer weg te nemen; is ingenomen met het e-leermiddel over het recht van EU-burgers op vrij verkeer, dat lokale overheden helpt om de rechten en plichten die met vrij verkeer gepaard gaan, beter te begrijpen;

17.  prijst de inspanningen van de Commissie om diverse informatie- en bijstandscentra over de EU en de rechten die zij haar burgers verleent, zoals het netwerk Europe Direct, de portaalsite Uw Europa en het e-justitieportaal, beschikbaar en toegankelijker te maken, teneinde burgers beter te informeren over de uitoefening van hun rechten als EU-burgers; neemt nota van het voorstel van de Commissie voor één digitale toegangspoort om burgers online eenvoudige toegang tot informatie, bijstand en probleemoplossende diensten te verschaffen met betrekking tot de uitoefening van rechten op de interne markt;

18.  verzoekt de Commissie het Solvit-netwerk te versterken door de interactie tussen zijn diensten en nationale centra te verbeteren teneinde de kwaliteit van de follow-up in verband met onopgeloste en vaker voorkomende zaken te vergroten en de verschillende rechtshandhavingsinstrumenten van de EU, zoals EU Pilot en CHAP, beter op elkaar te laten aansluiten; verzoekt de lidstaten tegelijkertijd het Solvit-netwerk en zijn diensten, evenals andere verhaal- en inspraakmechanismen onder EU-burgers te bevorderen, zowel op Unie-niveau (bv. via de Commissie verzoekschriften van het Parlement, de Europese Ombudsman of het Europese burgerinitiatief) als op nationaal niveau (bv. via de regionale of lokale ombudsman, verzoekschriftencommissies en wetgevingsinitiatieven van burgers);

19.  ondersteunt de toezegging van de Commissie in het verslag over het EU-burgerschap 2017 om een EU-brede informatie- en bewustmakingscampagne over de rechten van EU-burgerschap te organiseren teneinde ervoor te helpen zorgen dat burgers beter begrijpen wat hun rechten inhouden; wijst erop dat burgers toegang moeten krijgen tot alle noodzakelijke informatie teneinde het Europese burgerschap daadwerkelijk te versterken, en dat dergelijke informatie op duidelijke en begrijpelijke wijze moet worden verstrekt, zodat burgers op informatie berustende beslissingen kunnen nemen over de uitoefening van hun uit het Verdrag en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voortvloeiende rechten; pleit voor de bevordering van transparantie en proactieve consulaire bijstand als de meest geschikte instrumenten daarvoor, evenals openbaarmaking van de informatie die noodzakelijk is om nieuwkomers op weg te helpen;

20.  wijst erop dat EU-burgers vaak moeilijkheden ondervinden op het gebied van toegang tot gezondheidsdiensten, coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en erkenning van beroepskwalificaties in andere lidstaten en pleit voor een krachtige handhaving door de Commissie om dergelijke situaties recht te zetten;

21.  toont zich bezorgd over de toenemende politieke onverschilligheid van burgers; benadrukt dat voorrang moet worden gegeven aan de bestrijding van vreemdelingenhaat, racisme, discriminatie en haatzaaiende uitlatingen;

22.  erkent dat het verhogen van de opkomst van kiezers bij Europese verkiezingen een gedeelde verantwoordelijkheid is van de EU en de lidstaten; moedigt de lidstaten aan democratische participatie te bevorderen door burgers via verschillende kanalen en in een toegankelijke taal beter te informeren over hun recht om actief en passief aan lokale en Europese verkiezingen deel te nemen, en door alle belemmeringen voor hun deelname, zoals economische, sociale en taalkundige discriminatie, oneerlijke praktijken of corruptie, weg te nemen; dringt er bij de lidstaten op aan om toegankelijkheidsbelemmeringen weg te nemen voor burgers met een handicap en stemmen bij alle verkiezingen voor burgers die niet op hun gebruikelijke stemlocatie verblijven, werken of studeren mogelijk te maken door middel van elektronische identificatie en stemoplossingen;

23.  is van mening dat de hervorming van de Verkiezingsakte een kans kan zijn voor de Unie om democratischer te worden; wijst erop dat duizenden Europeanen dit standpunt delen; herhaalt dat de participatie in Europese verkiezingen moet worden vergroot door meer zichtbaarheid te geven aan politieke partijen op Europees niveau, en dat de EU en de lidstaten samen verantwoordelijk zijn voor het versterken van het Europese karakter van de verkiezingen voor het Europees Parlement; spoort de Raad aan om genderbewuste en genderevenwichtige lijsten op te nemen in de herziening van bovengenoemde akte; verzoekt de Commissie maatregelen te nemen naar aanleiding van klachten betreffende de uitoefening van het recht om te stemmen bij de Europese en gemeenteraadsverkiezingen, zo snel mogelijk een concreet actieplan op te stellen voor de invoering van elektronisch stemmen bij de verkiezingen van het Europees Parlement en dat systeem open te stellen voor alle burgers; dringt er bij de lidstaten op aan er alles aan te doen om personen die geen nationaliteit bezitten en die permanent in de EU-lidstaten verblijven, aan te moedigen de nationaliteit van de gastlidstaat aan te nemen, zodat zij volledig gebruik kunnen maken van hun EU-burgerschapsrechten; is van mening dat EU-burgers die verhuizen naar en wonen in een andere lidstaat, de mogelijkheid moeten hebben om hun stemrecht uit te oefenen bij de nationale verkiezingen in hun land van herkomst; vraagt de lidstaten die hun onderdanen hun stemrecht ontnemen als zij ervoor kiezen om voor een langere tijd in een andere lidstaat te gaan wonen, de voorwaarden voor deze onderdanen te versoepelen en hen hun stemrecht bij nationale verkiezingen te laten behouden; verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te treffen om personen met een handicap in staat te stellen hun stemrecht uit te oefenen, zonder enige vorm van discriminatie; is voorstander van de mogelijkheid om een Europese identiteitskaart in te voeren in aanvulling op nationale identiteitsdocumenten;

24.  neemt kennis van de recentste mededeling van de Commissie (COM(2017)0482) betreffende het Europees burgerinitiatief waarin zij een herziening voorstelt van Verordening (EU) nr. 211/2011 van 16 februari 2011 teneinde de werking van het burgerinitiatief te verbeteren; heeft de hoop dat de herziening van de verordening zal leiden tot een transparanter, doeltreffender en gebruiksvriendelijker EBI-instrument en tegelijkertijd zal zorgen voor een democratische en bredere deelname van burgers aan het Europees debat en de vaststelling van de agenda; benadrukt de aanzienlijke wetgevende rol die het Parlement zal spelen en de noodzaak van goede samenwerking met de Commissie bij de herziening van de verordening; dringt er bij de Commissie op aan ook bepalingen voor te stellen ter herziening van de voorwaarden inzake juridische ontvankelijkheid, de vereisten voor registratie en de behandelingsprocedures van een EBI;

25.  is van mening dat de Commissie in het belang van het burgerschap van de Unie maatregelen moet treffen om de Europese culturele dimensie te versterken; roept op om het programma "Europa voor de burger" te gebruiken voor de financiering van projecten die innovatiever zijn en mogelijk systemische effecten hebben; stelt voor om het programma "Ontdek Europa" op te zetten, naast en als aanvulling op "Europa van de burger";

26.  stelt met het oog op de versterking van het burgerschap van de Unie en de uitoefening daarvan voor dat de Commissie gemeenten aanspoort om wethouders aan te wijzen die verantwoordelijk zijn voor Europese aangelegenheden, aangezien dit het bestuursniveau is dat het dichtst bij de burgers staat;

27.  adviseert de Commissie een register voor het indienen van verzoekschriften op te zetten bij al haar vestigingen, inclusief haar vertegenwoordigingen in de lidstaten, zodat burgers zich schriftelijk, in persoon en met de nodige garanties tot iedere willekeurige instelling van de Unie kunnen wenden;

28.  adviseert de Commissie om in samenwerking met de postbedrijven die verantwoordelijk zijn voor de universele postdienst een berichtensysteem in te voeren waarbij zowel de inhoud als de datum en de afzender gecertificeerd worden, om burgers de mogelijkheid te bieden zich schriftelijk, niet in persoon en met de nodige garanties tot de Europese instellingen te wenden;

29.  spreekt zijn overtuiging uit dat het grondrecht op vrijheid van meningsuiting en informatie, als vastgelegd in artikel 11 van het EU-Handvest van de grondrechten, vrije media en toegang tot een verscheidenheid van stemmen in de maatschappij en in de media een onmisbaar onderdeel zijn van een gezonde democratie en derhalve een grondwettelijke grondslag vormen voor EU-lidmaatschap zoals neergelegd in de artikelen 2 en 6 VEU; onderstreept de noodzaak van een duidelijk gedefinieerd EU-beleid om anti-Europese propaganda en valse informatie aan te pakken, en om de onafhankelijkheid van de openbare media ten opzichte van de overheid te bevorderen; stelt voor dat er een minimale tijdsduur wordt vastgesteld waarbinnen de openbare omroepmedia van alle lidstaten aandacht besteden aan zaken die samenhangen met de EU; pleit ervoor dat dat EU-instellingen van start gaan met de oprichting van een Europese televisiezender die in alle lidstaten en in alle officiële talen van de EU uitzendt, alsook met het van jongs af aan bevorderen van mediageletterdheid; ondersteunt de verspreiding van pers- en multimediaproducties in alle officiële EU-talen; wijst in dit verband op de noodzaak van verdere bewustmaking van Europese journalisten;

30.  herhaalt dat taalkundige diversiteit en transparantie belangrijke instrumenten zijn om burgers dichter bij de EU te brengen en hen bij haar activiteiten te betrekken; merkt op dat 30 % van de onderzoeken die de Europese Ombudsman in 2016 heeft afgesloten toegang tot documenten betrof, en pleit daarom voor de bevordering van het recht op toegang tot documenten en de vertaling van zoveel mogelijk documenten in alle officiële EU-talen; steunt de intensivering van de dialoog met burgers en pleit voor publieke debatten om het begrip onder EU-burgers van het effect dat de EU op hun dagelijks leven heeft te verbeteren en om hen in staat te stellen deel te nemen aan gedachtewisselingen, via speciale zendtijd in televisieprogramma's voor gerichte doelgroepen; pleit voor een horizontale richtlijn inzake klokkenluiden waarin passende kanalen en procedures voor de melding van gevallen worden vastgesteld;

31.  steunt de bevordering van een dienstverleningscultuur onder EU- en nationale instellingen en is van oordeel dat de EU het goede voorbeeld moet geven door de hoogste administratieve en transparantienormen te stellen, overeenkomstig artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de EU; stelt voor dat lokale EU-kantoren in de lidstaten worden omgezet in "one-stop shops" die uitgebreide diensten bieden voor EU-burgers, teneinde bureaucratie te verminderen en de belemmeringen voor de uitoefening van EU-burgerschapsrechten te beperken; onderstreept het belang van het "eenmalige" project, dat onnodige lasten wegneemt voor Europese bedrijven die gevraagd worden om herhaaldelijk dezelfde gegevens en documenten te tonen in hun grensoverschrijdende activiteiten;

32.  benadrukt dat toegankelijk onderwijs een cruciale rol vervult in de voorlichting van toekomstige EU-burgers over hun rechten; benadrukt hoe belangrijk het is dat via het Erasmus+-programma de ontwikkeling van overdraagbare vaardigheden wordt bevorderd die voor meer intercultureel begrip en actieve participatie in een diverse samenleving zorgen; moedigt de lidstaten aan in hun schoolcurricula meer ruimte te geven aan burgerschapsvorming, met name gericht op EU-burgerschap, alsook aan EU-zaken, en om de opleiding van leraren dienovereenkomstig aan te passen; herinnert aan de noodzaak om docenten en ander onderwijspersoneel te helpen informatie over EU-rechten en ‑burgerschap in hun onderwijs op te nemen; onderstreept in dit verband de noodzaak om onlineplatforms te promoten en te ontwikkelen, zodat onderwijspersoneel toegang krijgt tot innoverend meertalig onderwijsmateriaal dat kan helpen om scholieren en studenten te inspireren en te motiveren kennis over de EU te vergaren; dringt er bij de Commissie op aan een strategie te ontwikkelen voor het onderwijzen van Europees burgerschap, inclusief richtsnoeren om een curriculum te ontwikkelen dat bezoeken van scholen aan EU-instellingen omvat;

33.  herinnert eraan dat overeenkomstig de huidige EU-wetgeving vertrek van een lidstaat uit de Unie voor de burgers van die lidstaat gelijk staat aan het verlies van het Europees burgerschap; betreurt dat met de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU burgers voor het eerst in de geschiedenis van de EU de rechten die zij krachtens de EU-Verdragen hebben verworven, zullen verliezen; onderstreept dat dit verlies van rechten naar verwachting ernstige gevolgen zal hebben voor hun dagelijks leven; benadrukt dat iedere eventuele overeenkomst moet zijn gebaseerd op de beginselen van gelijkheid, symmetrie, eerlijke behandeling, wederkerigheid en non-discriminatie, alsook op de volledige eerbiediging van de integriteit van de EU-wetgeving, waaronder het Handvest van de grondrechten en het handhavingskader daarvan. spoort beide onderhandelende partijen aan om prioriteit te geven aan alle burgers die het betreft en hun rechten te waarborgen; dringt er bij de onderhandelende partijen op aan alle afgeleide sociale, economische en familierechten, en met name de rechten op het gebied van gezondheidszorg, na de uittreding van het Verenigd Koninkrijk zoveel mogelijk te handhaven;

34.  pleit voor de invoering van een Europese feestdag op 9 mei om het gevoel in Europa te versterken tot de Europese familie te behoren;

35.  dringt er bij de lidstaten op te garanderen dat hun nationale wetgeving voldoende duidelijk en gedetailleerd is om te waarborgen dat het recht op vrij verkeer van burgers en hun gezinnen wordt geëerbiedigd, de bevoegde nationale instanties in dit verband adequaat op te leiden en op zorgvuldige wijze nauwkeurige informatie te verstrekken aan de belanghebbende partijen, en daarnaast goede samenwerking en een snelle uitwisseling van informatie met andere nationale instanties te bevorderen, met name wanneer het grensoverschrijdende verzekeringen en ouderdomspensioenen betreft; pleit voor een betere samenwerking tussen de ontvangende lidstaten en de desbetreffende consulaten om te zorgen voor een netwerk dat passende bijstand verleent en een eerlijke behandeling in grensoverschrijdende gevallen te waarborgen, met name wanneer de voogdij over kinderen in het geding is; vraagt de Commissie met klem een wetgevingsvoorstel in te dienen betreffende de grensoverschrijdende erkenning van adoptiebeschikkingen;

36.  verzoekt de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad alle landen die aan de noodzakelijke technische criteria voldoen, de mogelijkheid te bieden lid te worden van het Schengengebied, zodat alle EU-burgers van hun recht op vrij verkeer gebruik kunnen maken, niet gehinderd door grenscontroles;

37.  wijst erop dat de EU-wetgeving inzake veiligheid actueel en efficiënt moet zijn en op doeltreffende wijze moet kunnen bijdragen aan het voorkomen en opsporen van en het inspelen op de steeds veranderende veiligheidsdreigingen; dringt aan op een spoedige uitvoering van de Europese veiligheidsagenda, een betere handhaving van de bestaande EU-rechtsinstrumenten op dit gebied en een betere informatie-uitwisseling en coördinatie tussen de lidstaten en met EU-agentschappen; is ingenomen met de initiatieven van de Commissie om de veiligheidssamenwerking tussen de lidstaten te versterken; benadrukt dat het van belang is om bij terrorismebestrijding de grondrechten ten volle te eerbiedigen; benadrukt dat de harmonisering van het interne en externe optreden van de EU op het vlak van veiligheid essentieel is voor een doeltreffende bescherming van de EU-burgers;

38.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten meer inspanningen te leveren om een effectieve en daadwerkelijke veiligheidsunie te ontwikkelen die alle aspecten van de terroristische dreiging aanpakt;

39.  is van oordeel dat deradicalisering en het voorkomen van radicalisering voor de EU absolute prioriteiten zijn en pleit met klem voor een versterking van specifieke sectoroverschrijdende programma's die zich richten op onderwijs, vrijwilligerswerk, culturele activiteiten, jeugdwerk en deradicaliseringsprogramma's in instellingen, lokale gemeenschappen, het maatschappelijk middenveld, religieuze gemeenschappen en regionale overheden; is van mening dat een alomvattend beleid op dit gebied gepaard moet gaan met proactieve deradicaliseringsprocessen op de lange termijn in de justitiële sfeer; benadrukt dat er strategieën met betrekking tot sociale insluiting en beleid tegen discriminatie moeten worden ontwikkeld; verzoekt de lidstaten radicalisering op een holistische manier aan te pakken en gebruik te maken van de deskundigheid van het netwerk voor voorlichting over radicalisering dat op initiatief van de Commissie is opgericht; onderstreept dat het voorkomen van radicalisering eveneens kan worden ondersteund door acties die worden gefinancierd door EU-programma's zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en Europa voor de burger;

40.  dringt erop aan dat Richtlijn (EU) 2015/637 volledig en effectief wordt uitgevoerd teneinde consulaire bescherming te waarborgen voor EU-burgers in derde landen waar hun lidstaat niet vertegenwoordigd is;

41.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een nieuw, veiliger uniform EU-noodreisdocument voor niet-vertegenwoordigde EU-burgers buiten de EU, wier paspoort gestolen, verloren, vernietigd of tijdelijk niet beschikbaar is, teneinde ervoor te zorgen dat zij veilig naar huis kunnen terugkeren;

42.  wijst erop dat voor de slachtoffers van criminaliteit en terrorisme in de hele EU een passend niveau van rechten moet worden gewaarborgd en dat ervoor moet worden gezorgd dat deze personen niet worden gediscrimineerd, dat zij met respect en waardigheid worden behandeld en dat zij op passende wijze en in overeenstemming met hun individuele behoeften en die van hun gezinsleden worden ondersteund; benadrukt dat een toenemend aantal Europese burgers is geconfronteerd met terreuraanslagen in een land dat niet hun eigen land is, en dringt er daarom op aan dat in de lidstaten protocollen worden vastgesteld om niet-Europese onderdanen te helpen in geval van een terreuraanslag, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding; benadrukt dat er een specifieke richtlijn ter bescherming van slachtoffers van terrorisme moet komen;

43.  betreurt het bestaan van grensoverschrijdende obstakels in burger- en sociale zaken, zoals familierecht en pensioenen, waardoor veel burgers hun EU-burgerschap niet volledig kunnen uitoefenen;

44.  betreurt dat ouders en kinderen niet in alle lidstaten over dezelfde rechtsmiddelen beschikken in geval van een scheiding of echtscheiding, als gevolg waarvan honderden ouders in Europa de Commissie verzoekschriften hebben verzocht hierin een actievere rol te spelen ondanks haar beperkte bevoegdheden ter zake;

45.  pleit voor nauwere samenwerking tussen de lidstaten om de bescherming van slachtoffers van gendergerelateerd geweld te waarborgen en ervoor te zorgen dat het belang van het kind in acht wordt genomen in geval van grensoverschrijdende gezinsconflicten;

46.  is ingenomen met de oprichting van het Europees Solidariteitskorps voor jonge Europese burgers en dringt erop aan dat het initiatief naar behoren wordt gefinancierd zodat hoogwaardige banen niet worden ingevuld door onbetaalde vrijwilligers;

47.  roept de lidstaten op maatregelen te treffen om hun werkzaamheden te coördineren en samen te werken teneinde de problemen van dubbele belastingheffing en belastingdiscriminatie in een grensoverschrijdende context doeltreffend aan te pakken, en om beter rekening te houden met de realiteit van grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit; is van mening dat kwesties van dubbele belastingheffing momenteel onvoldoende worden aangepakt, voor zover zij worden aangepakt in het kader van de bestaande bilaterale belastingovereenkomsten of eenzijdige maatregelen van lidstaten, en dat er behoefte is aan een gecoördineerd en tijdig optreden op EU-niveau;

48.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de Europese Ombudsman en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Raadsdocument 6622/16
(2) Raadsdocument 14268/15
(3) PB C 378 van 9.11.2017, blz. 146.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0106.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0385.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0013.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0063.
(8) PE 601.177v04-00.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0512.
(10) Zie ook verslag A8-0265/2017.
(11) Zie ook verslag A8-0265/2017.
(12) PB L 106 van 24.4.2015, blz. 1.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0347.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0083.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0142.


Naar een digitale handelsstrategie
PDF 210kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2017 over "Naar een digitale handelsstrategie" (2017/2065(INI))
P8_TA(2017)0488A8-0384/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 207, lid 3, en artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS),

–  gezien de informatietechnologieovereenkomst (ITA) van de Wereldhandelsorganisatie (WTO),

–  gezien het WTO-werkprogramma betreffende e-commerce,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring die de ministers van ICT van de G7 hebben afgelegd tijdens de bijeenkomst in Takamatsu, Kagawa, van 29 en 30 april 2016,

–  gezien de ministeriële verklaring van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) betreffende de digitale economie in Cancun in 2016,

–  gezien de dynamische coalitie betreffende handel op het Forum voor internetbeheer,

–  gezien de lopende handelsbesprekingen tussen de EU en derde landen,

–  gezien het door de Commissie op 6 juli 2017 aangekondigde beginselakkoord over de economische partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Japan,

–  gezien Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt ("richtlijn inzake elektronische handel")(1),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld "Handel voor iedereen: Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld "De digitalisering van het Europese bedrijfsleven" (COM(2016)0180),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld "Europees cloudinitiatief – Bouwen aan een concurrentiële data- en kenniseconomie in Europa" (COM(2016)0178),

–  gezien het verslag van de Commissie van 23 juni 2017 over handels- en investeringsbelemmeringen (COM(2017)0338),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 januari 2017 getiteld "Bouwen aan een Europese data-economie" (COM(2017)0009),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens in elektronische communicatie, en tot intrekking van Richtlijn 2002/58/EG (verordening inzake privacy en elektronische communicatie) (COM(2017)0010),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 13 september 2017 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake een kader voor het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de Europese Unie (COM(2017)0495),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 2 mei 2017 getiteld "Digital4Development: de mainstreaming van digitale technologieën en diensten in het EU-ontwikkelingsbeleid" (SWD(2017)0157),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen(3),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 houdende aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Commissie voor de onderhandelingen over de Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA)(4),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 met de aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Commissie betreffende de onderhandelingen over het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap (TTIP)(5),

–  gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering goedgekeurde slotdocument getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development", en de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's),

–  gezien de komende elfde ministeriële conferentie van de WTO, die van 10 tot en met 13 december 2017 in Buenos Aires, Argentinië, zal worden gehouden en waar e-handel waarschijnlijk aan de orde zal komen,

–  gezien de initiatieven van de Internationale Telecommunicatie-unie van de VN ter ondersteuning van ontwikkelingslanden (ITU-D),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 8, lid 1, van het EU-Handvest van de grondrechten en artikel 16, lid 1, van het VWEU,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien de verslagen van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor de bescherming van de vrijheid van meningsuiting inzake de vrijheid van meningsuiting en de particuliere sector in het digitale tijdperk (A/HRC/32/38) en de rol van telecomproviders (A/HRC/35/22),

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake de vrijheid van meningsuiting online en offline, die op 12 mei 2014 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn vastgesteld,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens van de Raad van Europa (European Treaty Series nr. 108) en het aanvullende protocol daarbij,

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over trans-Atlantische gegevensstromen(6),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de uitvoering van de strategie voor handelsbeleid Handel voor iedereen – Zorgen voor een vooruitstrevend handelsbeleid om de mondialisering in goede banen te leiden (COM(2017)0491),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0384/2017),

A.  overwegende dat ondernemingen, met name startende ondernemingen, micro-ondernemingen en kmo's, dankzij technologische ontwikkelingen, toegang tot het open internet en de digitalisering van de economie, die een drijvende kracht zijn voor groei, nieuwe kansen kunnen creëren voor wat betreft het ontwikkelen, bestellen, produceren, in de handel brengen of leveren van producten en diensten, en sneller en goedkoper dan ooit tevoren overal ter wereld klanten kunnen bereiken; overwegende dat opkomende technologieën, zoals de "distributed ledger"-technologie, het potentieel hebben om digitale handel te bevorderen door de transparantie van internationale contracten te vergroten en de waardeoverdracht te versnellen; overwegende dat de handel in fysieke goederen is vervangen door een toenemende mate van grensoverschrijdende overdracht van digitale inhoud, waarbij het onderscheid tussen goederen en diensten soms vervaagt;

B.  overwegende dat gegevensverzameling, gegevensaggregatie en de mogelijkheid van grensoverschrijdende overdracht van gegevens een belangrijke motor kunnen zijn voor innovatie, productiviteit en het economisch concurrentievermogen;

C.  overwegende dat de globalisering en digitalisering van onze economieën en van de internationale handel ondernemingen in staat hebben gesteld zich te ontwikkelen en burgers economische mogelijkheden hebben geboden; overwegende dat de digitalisering van traditionele industrieën invloed heeft op toeleveringsketens, productieprocessen en dienstmodellen, hetgeen niet alleen zou kunnen leiden tot werkgelegenheid in nieuwe industrieën, maar ook zou kunnen resulteren in verstoring van de huidige arbeidsmarkt en precaire arbeidsomstandigheden, aangezien steeds meer van oudsher door mensen uitgevoerde taken worden geautomatiseerd dan wel gedelokaliseerd of beide; benadrukt in dit verband dat er de nodige begeleidende sociale maatregelen moeten worden getroffen, zoals krachtig onderwijs- en opleidingsbeleid, actief arbeidsmarktbeleid en maatregelen om de digitale kloof te overbruggen, opdat zij de gehele samenleving ten goede komen;

D.  overwegende dat voor een digitale economie een op regels gebaseerd kader nodig is, met inbegrip van moderne handelsvoorschriften die de snelle marktontwikkelingen en de consumentenrechten met elkaar in overeenstemming kunnen brengen en voorzien in de beleidsruimte voor nieuwe regelgevingsinitiatieven die regeringen nodig hebben om de bescherming van de mensenrechten te handhaven en te versterken;

E.  overwegende dat toegang tot een vrij, open en veilig internet een voorwaarde is voor op regels gebaseerde handel en vooruitgang op het gebied van de digitale economie; overwegende dat het beginsel van netneutraliteit een essentieel onderdeel van de digitale handelsstrategie van de EU moet vormen om eerlijke mededinging en innovatie op het gebied van de digitale economie mogelijk te maken terwijl de vrijheid van meningsuiting online wordt gewaarborgd;

F.  overwegende dat investeringen in infrastructuur en toegang tot vaardigheden belangrijke uitdagingen blijven voor connectiviteit en bijgevolg ook voor de digitale handel;

G.  overwegende dat in de doelstellingen van de VN inzake duurzame ontwikkeling wordt benadrukt dat het met het oog op de bevordering van ontwikkeling van essentieel belang zal zijn om de bevolking van de minst ontwikkelde landen tegen 2020 te verzekeren van universele en betaalbare toegang tot het internet, aangezien de ontwikkeling van een digitale economie een stimulans zou kunnen zijn voor werkgelegenheid en groei, waarbij e-handel een van de mogelijkheden zou zijn om het aantal kleine exporteurs, de exportvolumes en de diversificatie van de export te vergroten;

H.  overwegende dat vrouwen als ondernemers en als werknemers van een betere toegang tot wereldmarkten en als consumenten van lagere prijzen kunnen profiteren, maar dat nog steeds tal van uitdagingen en ongelijkheden de deelname van vrouwen aan de wereldeconomie in de weg staan, aangezien veel vrouwen in lage- en middeninkomenslanden nog steeds geen toegang tot het internet hebben;

I.  overwegende dat de e-handel ook in ontwikkelingslanden een hoge vlucht neemt;

J.  overwegende dat er overal ter wereld regeringen zijn die zich inlaten met digitaal protectionisme door belemmeringen op te werpen die de toegang tot de markt en directe investeringen verhinderen of oneerlijke voordelen creëren voor ondernemingen uit eigen land; overwegende dat een aantal brede maatregelen die in derde landen zijn getroffen in het kader van de nationale (cyber)veiligheid, een steeds grotere negatieve impact hebben op de handel in ICT-producten;

K.  overwegende dat buitenlandse bedrijven momenteel van een veel uitgebreidere toegang tot de Europese markt profiteren dan Europeanen in derde landen; overwegende dat veel van onze handelspartners in toenemende mate hun binnenlandse markt sluiten en terugvallen op digitaal protectionisme; overwegende dat de EU haar digitale handelsstrategie moet stoelen op de beginselen van wederkerigheid, eerlijke mededinging, slimme regelgeving en transparantie, teneinde het vertrouwen van de consumenten te herstellen en opnieuw een gelijk speelveld voor bedrijven te scheppen;

L.  overwegende dat geoblocking moet worden afgeschaft en er in de toekomst geen sprake mag zijn van vormen van ongerechtvaardigde discriminatie op grond van de nationaliteit, verblijfplaats of vestigingsplaats van een consument binnen de interne markt;

M.  overwegende dat de bouwstenen die het open internet binnen de digitale interne markt van de EU in stand houden, met inbegrip van beginselen zoals eerlijke mededinging, netneutraliteit en vrijwaring van aansprakelijkheid van tussenpersonen, in alle handelsbesprekingen moeten worden bevorderd; overwegende dat de WTO vanwege de internationale dimensie van digitale handel het aangewezen forum is voor de onderhandeling over een op regels gebaseerd multilateraal kader; overwegende dat de 11e ministeriële conferentie van de WTO in december 2017 voorziet in het platform voor de introductie van een dergelijk proces;

N.  overwegende dat de Europese Unie gebonden is aan het Handvest van de grondrechten van de EU, met inbegrip van artikel 8 betreffende het recht op de bescherming van persoonsgegevens, aan artikel 16 VWEU betreffende hetzelfde grondrecht, en aan artikel 2 VEU; overwegende dat het recht op privacy een universeel mensenrecht is; overwegende dat strenge normen op het gebied van gegevensbescherming het vertrouwen van Europese burgers in de digitale economie helpen vergroten en zodoende bijdragen aan de ontwikkeling van de digitale handel; overwegende dat strenge normen op het gebied van gegevensbescherming, met name met betrekking tot gevoelige gegevens, in het digitale tijdperk hand in hand moeten gaan met de bevordering van de internationale handel, teneinde e-handel, encryptie en de vrijheid van meningsuiting en informatie te ondersteunen en digitaal protectionisme, grootschalige controle, cyberspionage en onlinecensuur te verwerpen;

O.  overwegende dat de digitale handel bedreigde wilde planten- en diersoorten moet beschermen en dat onlinemarkten de verkoop van wilde planten en dieren en producten op basis van wilde planten en dieren op hun platforms moeten verbieden;

P.  overwegende dat particuliere ondernemingen binnen de digitale economie steeds meer de normen bepalen, wat op zowel burgers en consumenten als de interne en internationale handel een direct effect zal hebben en tegelijkertijd de ontwikkeling van technologische oplossingen ter bescherming van zakelijke activiteiten en klanten versnelt;

Q.  overwegende dat in de aanbevelingen van de OESO tegen grondslaguitholling en winstverschuiving en de plannen van de EU voor een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting is benadrukt dat verschillende uitdagingen op het gebied van belastingen moeten worden aangepakt, waaronder de door de digitale economie gestelde uitdagingen; overwegende dat belasting daar moet worden betaald waar ook de winst wordt gemaakt; overwegende dat een transparanter, efficiënter en eerlijker systeem voor de berekening van de heffingsgrondslag van grensoverschrijdende bedrijven winstverschuiving en belastingontwijking moet voorkomen; overwegende dat er een coherente EU-benadering inzake de heffing van belasting binnen de digitale economie nodig is om een gelijk speelveld te creëren en ervoor te zorgen dat op een eerlijke en effectieve wijze belastingen worden opgelegd aan ondernemingen; herinnert eraan dat handelsovereenkomsten een clausule van goed bestuur op fiscaal gebied moeten bevatten waarin de verbintenis van de partijen ten aanzien van de uitvoering van overeengekomen internationale normen in de strijd tegen belastingontduiking en -ontwijking nogmaals wordt bevestigd;

R.  overwegende dat volgens de OESO maar liefst 5% van de in de EU ingevoerde goederen is nagemaakt, met een aanzienlijk verlies aan arbeidsplaatsen en belastinginkomsten als gevolg;

S.  overwegende dat over gevoelige sectoren zoals audiovisuele diensten en over grondrechten zoals de bescherming van persoonsgegevens geen handelsbesprekingen zouden mogen plaatsvinden;

T.  overwegende dat de digitale handel ook de bevordering van de groei van kmo's en startende ondernemingen zou moeten nastreven, niet alleen die van multinationals;

U.  overwegende dat Mexico aan de voorwaarden voor toetreding tot Verdrag nr. 108 van de Raad van Europa betreffende de bescherming van persoonsgegevens voldoet;

V.  overwegende dat bij de sluiting van handelsovereenkomsten niet over de bescherming van persoonsgegevens mag worden onderhandeld en dat gegevensbescherming altijd is uitgesloten van EU-mandaten voor handelsbesprekingen;

W.  overwegende dat handelsovereenkomsten een hefboom kunnen zijn voor de verbetering van digitale rechten; overwegende dat het opnemen van bepalingen inzake netneutraliteit en een verbod op gedwongen ongerechtvaardigde gegevenslokaliseringsvereisten, gegevensbeveiliging, beveiliging van gegevensverwerking en -opslag, versleuteling en aansprakelijkheid van tussenpersonen in handelsovereenkomsten in het bijzonder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting kan verbeteren;

1.  onderstreept dat de EU, als gemeenschap van waarden en 's werelds grootste exporteur van diensten, de normen zou moeten bepalen van internationale regelingen en overeenkomsten inzake digitale handelsstromen, en wel op basis van drie elementen: (1) de markttoegang van digitale goederen en diensten in derde landen waarborgen, (2) ervoor zorgen dat handelsregelingen concrete voordelen opleveren voor de consument en (3) de eerbiediging van de grondrechten waarborgen en bevorderen;

2.  benadrukt dat, hoewel middels de strategie voor de digitale interne markt tal van problemen waarmee de digitale handel te kampen heeft worden aangepakt, EU-bedrijven nog steeds aanlopen tegen ernstige mondiale belemmeringen, zoals niet-transparante regelgeving, overheidsbemoeienis en ongerechtvaardigde gegevenslokalisering en -opslag; wijst erop dat bepaalde belangrijke maatregelen in het kader van de strategie voor de digitale interne markt, waaronder het EU-cloudinitiatief en de hervorming van het auteursrecht, een internationale dimensie hebben die in een Europese strategie voor de digitale handel aan de orde kan worden gesteld;

3.  benadrukt dat de digitale kloof moet worden overbrugd om mogelijke negatieve gevolgen op sociaal en ontwikkelingsvlak tot een minimum te beperken; onderstreept in dit opzicht hoe belangrijk het is om de participatie van vrouwen aan STEM (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) te bevorderen, barrières voor levenslang leren weg te nemen en de verschillen tussen mannen en vrouwen wat betreft de toegang tot en het gebruik van nieuwe technologieën te verkleinen; roept de Commissie op verder te onderzoeken hoe het huidige handelsbeleid en de gelijkheid van mannen en vrouwen met elkaar samenhangen en hoe handel de economische positie van vrouwen kan bevorderen;

4.  merkt op dat het netwerkeffect van de digitale economie het mogelijk maakt dat één onderneming of een klein aantal ondernemingen een aanzienlijk marktaandeel in handen heeft en stelt dat dit buitensporige marktconcentratie tot gevolg zou kunnen hebben; benadrukt hoe belangrijk het is om in handelsovereenkomsten eerlijke en effectieve mededinging te bevorderen, met name tussen digitale dienstverleners zoals onlineplatforms en gebruikers zoals micro-ondernemingen, kmo's en startende ondernemingen, en om de keuze van de consument te bevorderen, niet-discriminerende behandeling van alle marktdeelnemers te waarborgen en het ontstaan van machtsposities die de markten ontwrichten, te vermijden; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is dat netneutraliteit een essentieel onderdeel wordt van zijn digitale handelsstrategie; is van mening dat een digitale handelsstrategie moet worden aangevuld met een versterkt en effectief internationaal kader voor mededingingsbeleid, met inbegrip van een nauwere samenwerking tussen mededingingsautoriteiten en hoofdstukken over sterke concurrentie in handelsovereenkomsten; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat bedrijven en ondernemingen aan de mededingingsregels voldoen en dat van discriminatie van concurrenten ten koste van de belangen van consumenten geen sprake is;

5.  benadrukt dat toegang tot een veilige breedbandinternetverbinding en digitale betaalmethodes, doeltreffende consumentenbescherming (in het bijzonder verhaalmechanismen voor grensoverschrijdende onlineverkoop) en voorspelbare douaneregelingen noodzakelijk zijn om digitale handel, duurzame ontwikkeling en inclusieve groei mogelijk te maken;

6.  is van mening dat handelsovereenkomsten de samenwerking tussen agentschappen voor consumentenbescherming moeten bevorderen en is ingenomen met initiatieven ter bevordering van maatregelen om het consumentenvertrouwen in handelsbesprekingen te vergroten, zoals regelingen inzake elektronische handtekeningen en contracten en inzake ongewenste communicatie; benadrukt dat de rechten van consumenten moeten worden beschermd en in geen geval mogen worden ondermijnd;

7.  onderstreept dat kmo's in ontwikkelingslanden het merendeel van de bedrijven uitmaken en de meeste werknemers in de industrie- en dienstensector in dienst hebben; brengt in herinnering dat de bevordering van grensoverschrijdende e-handel rechtstreeks van invloed kan zijn op het verbeteren van de levensomstandigheden, het bevorderen van een hogere levensstandaard en het stimuleren van de economische ontwikkeling;

8.  verlangt dat niets in handelsovereenkomsten de EU en haar lidstaten ervan weerhoudt hun regels inzake gegevensbescherming te handhaven, te verbeteren en toe te passen; herinnert eraan dat, wanneer aan de thans en in de toekomst in hoofdstuk IV van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(7) vastgelegde eisen en de in hoofdstuk V van Verordening (EU) 2016/679 vastgelegde eisen wordt voldaan, persoonsgegevens naar derde landen kunnen worden overgedragen zonder gebruik te maken van algemene regelingen in handelsovereenkomsten; erkent dat adequaatheidsbesluiten, waaronder gedeeltelijke en sectorspecifieke adequaatheidsbesluiten, fundamentele mechanismen zijn voor het waarborgen van een veilige overdracht van persoonsgegevens van de EU naar een derde land; merkt op dat de EU alleen adequaatheidsbesluiten heeft vastgesteld ten aanzien van vier van haar twintig grootste handelspartners; onderstreept het belang van het waarborgen, in het bijzonder door middel van adequaatheidsdialogen, van de overdracht van gegevens van derde landen naar de EU;

9.  verzoekt de Commissie prioriteit te geven aan en vaart te zetten achter de vaststelling van adequaatheidsbesluiten, mits derde landen, uit hoofde van hun nationale wetgeving of hun internationale verbintenissen, voor een beschermingsniveau zorgen dat "wezenlijk gelijkwaardig" is aan het in de EU gegarandeerde niveau; roept de Commissie op actuele en gedetailleerde bindende procedures vast te stellen en openbaar te maken, en een specifieke termijn te stellen om tot deze besluiten te komen, een en ander met volledige inachtneming van de bevoegdheden van nationale toezichthoudende autoriteiten en het advies van het Parlement;

10.  herinnert eraan dat het voor elk type bedrijf dat op internationaal niveau producten en diensten levert, steeds belangrijker wordt om over grenzen heen gegevens te kunnen verkrijgen, verzamelen, verwerken en doorgeven; merkt op dat dit geldt voor zowel persoonsgegevens als niet-persoonsgebonden gegevens en ook communicatie van machine naar machine omvat;

11.  dringt er bij de Commissie op aan zo spoedig mogelijk regels voor grensoverschrijdende gegevensoverdracht op te stellen die volledig in overeenstemming zijn met de huidige en toekomstige Europese regelgeving op het gebied van gegevensbescherming en privacy; vraagt de Commissie voorts om in EU-handelsovereenkomsten een horizontale bepaling op te nemen waardoor een partij ten volle het recht behoudt om persoonsgegevens en de privacy te beschermen, met als enige voorwaarde dat dit recht niet ten onrechte wordt gebruikt om regels voor grensoverschrijdende gegevensoverdracht te omzeilen om andere redenen dan de bescherming van persoonsgegevens; is van mening dat dergelijke regels en bepalingen deel moeten uitmaken van alle nieuwe en onlangs gestarte handelsbesprekingen met derde landen; wijst erop dat regelingen in dit opzicht moeten worden vrijgesteld van het toepassingsgebied van toekomstige hoofdstukken over de bescherming van investeringen;

12.  verzoekt de Commissie om ongerechtvaardigde gegevenslokalisatievereisten in vrijhandelsovereenkomsten strikt te verbieden; meent dat de afschaffing van dergelijke vereisten een topprioriteit moet zijn en benadrukt dat de toepasselijke wetgeving inzake gegevensbescherming in acht moet worden genomen; betreurt alle pogingen om dergelijke vereisten in te zetten als een soort non-tarifaire handelsbelemmering en een vorm van digitaal protectionisme; is van mening dat dergelijk protectionisme een ernstige belemmering vormt voor de kansen van Europese bedrijven op de markten van derde landen en de efficiëntievoordelen van de digitale handel ondermijnt;

13.  verzoekt de Commissie haar standpunt inzake grensoverschrijdende gegevensoverdracht, ongerechtvaardigde gegevenslokalisatievereisten en waarborgen voor gegevensbescherming in handelsbesprekingen zo spoedig mogelijk kenbaar te maken, overeenkomstig het standpunt van het Parlement, zodat het in alle nieuwe en onlangs gestarte onderhandelingen kan worden opgenomen en tegelijkertijd wordt voorkomen dat de EU in internationale handelsbesprekingen buiten spel wordt gezet;

14.  verzoekt de Commissie om maatregelen van derde landen – zoals beleid ter bevordering van lokale aankopen, vereisten met betrekking tot lokale inhoud en gedwongen technologieoverdracht – te bestrijden, voor zover zij niet zijn gerechtvaardigd op grond van door de VN geleide programma's voor het dichten van de digitale kloof of aan TRIPS gerelateerde uitzonderingen, om zodoende te waarborgen dat Europese bedrijven in een eerlijke, voorspelbare omgeving kunnen opereren;

15.  benadrukt dat de EU haar inspanningen op bilateraal, plurilateraal en multilateraal niveau moet voortzetten om te waarborgen dat derde landen een vergelijkbare mate van openheid voor buitenlandse investeringen bieden als de EU en een gelijk speelveld behouden voor marktdeelnemers uit de EU; is verheugd over het voorstel van de EU voor een verordening tot vaststelling van een kader voor beoordeling van directe buitenlandse investeringen in de Unie en steunt de doelstellingen voor een betere bescherming van kritieke infrastructuur en technologieën;

16.  onderstreept dat een digitale handelsstrategie volledig in overeenstemming moet zijn met het beginsel van netneutraliteit en de gelijke behandeling van het internetverkeer moet waarborgen, zonder discriminatie, beperkingen of inmenging en ongeacht zender, ontvanger, soort, inhoud, voorziening, dienst of toepassing; herinnert eraan dat maatregelen inzake verkeersbeheer alleen in uitzonderlijke gevallen mogen worden toegestaan wanneer zij absoluut noodzakelijk zijn, en niet langer dan noodzakelijk, teneinde aan juridische eisen te voldoen, de integriteit en veiligheid van het netwerk te behouden en dreigende netwerkcongestie te voorkomen;

17.  onderstreept dat de aanleg van en de toegang tot infrastructuur, met name in landelijke gebieden, berggebieden en afgelegen gebieden, die qua dekking, kwaliteit en veiligheid adequaat zijn en netneutraliteit ondersteunen, cruciaal zijn voor de digitalisering van de Europese industrie en de uitbreiding van e-governance;

18.  betreurt ten zeerste de praktijken van derde landen die markttoegang afhankelijk maken van het aan staatsautoriteiten bekendmaken en overdragen van broncodes van de software die bedrijven willen verkopen; is van mening dat dergelijke maatregelen onevenredig zijn als algemene eis voor markttoegang; verzoekt de Commissie om regeringen die vrijhandelsovereenkomsten ondertekenen te verbieden zich in te laten met dit soort praktijken; wijst erop dat het voorgaande staatsautoriteiten er niet van mag weerhouden transparantie van software te bevorderen, de openbaarmaking van broncodes middels kosteloze en vrij toegankelijke software te stimuleren en gegevens te delen middels licenties voor open gegevens;

19.  herinnert eraan dat in sommige gevallen vereisten inzake lokale aanwezigheid nodig zijn om effectief bedrijfseconomisch toezicht of toezicht en handhaving inzake regelgeving te waarborgen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om daarom beperkte verbintenissen aan te gaan in modus 1, teneinde regelgevingsarbitrage te vermijden;

20.  is van mening dat de digitale handel meer gestimuleerd moet worden in het openbare aanbestedingsbeleid, onder andere door gebruik te maken van de mogelijkheid om diensten op afstand te verlenen en door ervoor te zorgen dat de Europese ondernemingen, met name kmo's, eerlijke toegang hebben tot particuliere en overheidsopdrachten;

21.  merkt op dat vereisten inzake overdracht van op ontwikkelingen gerichte technologie niet door regelingen over digitale handel mogen worden uitgesloten;

22.  wenst dat de Commissie autoriteiten van derde landen verbiedt om bedrijven, als voorwaarde voor de productie, verkoop of distributie van producten, te verplichten gegevens met betrekking tot de (cryptografische) technologie die zij in hun producten gebruiken openbaar te maken of over te dragen;

23.  merkt op dat de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten en investeringen in onderzoek en ontwikkeling een eerste vereiste zijn voor de kenniseconomie van de EU, en dat internationale samenwerking van essentieel belang is om de handel in namaakgoederen in de gehele waardeketen te bestrijden; moedigt de Commissie daarom aan te streven naar de wereldwijde tenuitvoerlegging van internationale normen, zoals de TRIPS-overeenkomst van de WTO en de WIPO-internetverdragen; herinnert eraan dat juridische bescherming, zowel online als offline, in de hele EU is vereist voor nieuwe creaties, aangezien dit investeringen zal stimuleren en tot verdere innovaties zal leiden; benadrukt evenwel dat handelsovereenkomsten niet het aangewezen middel zijn om het beschermingsniveau van houders van rechten uit te breiden door te voorzien in ruimere handhavingsbevoegdheden inzake auteursrecht; benadrukt dat de toegang tot medicijnen in derde landen niet mag worden belemmerd op grond van de bescherming van intellectuele eigendom; benadrukt dat de handel in namaakgoederen een duidelijk andere aanpak vergt van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten in de digitale economie;

24.  dringt er bij de Commissie op aan het gTLD-programma van ICANN, dat domeinnamen naar duizenden generieke namen uitbreidt, nauwlettend in de gaten te houden en overeenkomstig haar verbintenis inzake een vrij en open internet de bescherming van rechthebbenden te waarborgen, met name met betrekking tot geografische aanduidingen;

25.  verzoekt de Commissie handelsovereenkomsten te gebruiken om partijen te beletten buitenlandse aandelenplafonds op te leggen en om concurrentiebevorderende regelgeving voor algemene toegang tot netwerken van gevestigde aanbieders vast te stellen, transparante en niet-discriminerende regels en vergoedingen voor licentieverlening te verstrekken en de toegang tot aansluitingsinfrastructuren in exportmarkten voor EU-telecomaanbieders daadwerkelijk veilig te stellen; herinnert eraan dat op regels gebaseerde mededinging in de telecommunicatiesector tot kwaliteitsvollere diensten en lagere prijzen leidt;

26.  dringt erop aan dat de Commissie inspanningen blijft leveren om een reeks bindende multilaterale regels inzake e-handel in de WTO op te stellen en zich blijft richten op concrete en realistische resultaten;

27.  wenst dat de Commissie, conform de door het Parlement aangenomen aanbevelingen, met spoed de TiSA-onderhandelingen hervat; deelt de mening dat de EU de kans om het voortouw te nemen bij de vaststelling van moderne internationale digitale normen, moet aangrijpen;

28.  herinnert eraan dat de leden van de WTO sinds 1998 een moratorium handhaven op de tarieven voor elektronische overdrachten; benadrukt dat dergelijke tarieven voor zowel bedrijven als consumenten tot onnodige extra kosten zouden leiden; verzoekt de Commissie het moratorium om te zetten in een permanente overeenkomst om tarieven voor elektronische overdrachten te verbieden na zorgvuldige analyse van de gevolgen op het gebied van 3D-printing;

29.  neemt kennis van de inspanningen van de WTO om haar werkprogramma inzake e-handel verder te ontwikkelen; verzoekt de Commissie ernaar te streven meer producten en WTO-leden op te nemen in de informatietechnologieovereenkomst van de WTO en neemt kennis van de ministeriële conferentie van de WTO in Buenos Aires die gepland staat voor december 2017; wenst dat de Commissie, met het oog op het waarborgen van een gemeenschappelijk Europees standpunt, zo snel mogelijk overleg pleegt met Europese bedrijven en lidstaten over haar standpunt met betrekking tot e-handel en andere kwesties inzake digitale handel waarover op de conferentie overeenstemming moet worden bereikt;

30.  verzoekt de Commissie om handelsovereenkomsten in te zetten voor het bevorderen van de interoperabiliteit van ICT-normen die zowel consumenten als producenten ten goede komen, met name in het kader van een veilig internet der dingen, 5G en cyberveiligheid, zonder echter de legitieme forums voor governance van diverse belanghebbenden te omzeilen die zeer nuttig zijn geweest voor het open internet;

31.  schaart zich achter de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 over normalisatieprioriteiten op ICT-gebied voor de digitale eengemaakte markt (COM(2016) 0176); benadrukt dat een duidelijkere reeks prioriteiten voor de normalisatie in de ICT-sector, gecombineerd met politieke steun op hoog niveau, het concurrentievermogen zal versterken, hoewel normalisatie in de ICT-sector ook in de toekomst hoofdzakelijk door de sector dient te worden aangestuurd, vrijwillig dient te zijn en gebaseerd dien te zijn op consensus en op de beginselen van transparantie, openheid, onpartijdigheid, consensus, doeltreffendheid, relevantie en samenhang; merkt op dat de instrumenten van het Europees normalisatiesysteem bij dit proces moeten worden ingezet en dat er een breed scala van belanghebbenden, zowel binnen de EU als op internationaal niveau, bij moet worden betrokken, met het doel betere normaliseringsprocessen te ontwikkelen, in overeenstemming met het gezamenlijke initiatief voor normalisatie; verzoekt de Commissie om de ontwikkeling van mondiale industrienormen voor essentiële 5G-technologie en netwerkarchitectuur onder leiding van de EU te stimuleren, in het bijzonder door belangrijke Europese en internationale normalisatie-instanties de resultaten van het publiek-private partnerschap inzake 5G (5G PPP) te laten benutten;

32.  benadrukt het belang van internationale normen inzake digitale apparatuur en diensten, in het bijzonder op het gebied van cyberbeveiliging; verzoekt de Commissie zich in te zetten voor de invoering van essentiële maatregelen voor cyberbeveiliging in producten van het internet der dingen en cloudgebaseerde diensten;

33.  meent dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de toenemende aantallen consumenten en particulieren die artikelen kopen en verkopen via internet en verwikkeld zijn geraakt in omslachtige douaneprocedures in verband met goederen die via internet zijn aangeschaft; brengt in herinnering dat er een vereenvoudigde, belastingvrije en douanerechtenvrije douanebehandeling van online verkochte en ongebruikte geretourneerde artikelen moet worden ingevoerd; herinnert eraan dat de handelsfacilitatieovereenkomst van de WTO erop gericht is om douaneprocedures te versnellen en om de verantwoordingsplicht en transparantie ervan te bevorderen; wijst op de noodzaak douane-informatie en -beheer te digitaliseren via onlineregistratie en -informatiegebruik, hetgeen inklaring aan de grens, samenwerking op het gebied van fraudeopsporing, corruptiebestrijdingsmaatregelen en transparantie van prijzen op douanegebied moet bevorderen; is van mening dat een breder gebruik van instrumenten zoals onlinegeschillenbeslechting nuttig zou zijn voor consumenten;

34.  roept de Commissie op ondertekenaars van handelsovereenkomsten aan te moedigen in het hoofdstuk over telecommunicatie van vrijhandelsovereenkomsten bepalingen op te nemen om de kosten voor zowel internationale roaming als voor internationaal bellen en sms'en transparant, billijk, redelijk en consumentgericht te maken; verzoekt de Commissie om beleid te ondersteunen dat kostprijs-georiënteerde retailprijzen voor roamingdiensten bevordert met het oog op prijsverlaging, dat transparantie bevordert en dat handelspraktijken voorkomt die oneerlijk zijn of negatieve gevolgen hebben voor de consument;

35.  erkent dat de beginselen van de richtlijn inzake elektronische handel (Richtlijn 2000/31/EG) vanwege het creëren van gunstige voorwaarden voor innovaties en het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van ondernemerschap van essentieel belang zijn geweest voor de ontwikkeling van de digitale economie; herinnert eraan dat de Commissie bij haar handelsbesprekingen gebonden is aan het EU-acquis;

36.  wenst dat de Commissie digitale technologieën en diensten nog meer tot een algemeen onderdeel van het EU-ontwikkelingsbeleid maakt, zoals onder meer uiteengezet in de Digital4Development-agenda; verzoekt de Commissie handelsovereenkomsten in te zetten voor de verbetering en bevordering van digitale rechten; erkent dat wereldwijd slechts 53,6% van alle huishoudens toegang tot het internet heeft; betreurt dat er nog altijd een aanzienlijke digitale kloof bestaat; roept de Commissie op deze kloof te dichten door het aantal investeringen in digitale infrastructuur op het zuidelijk halfrond te verhogen, onder meer door publiek-private partnerschappen te bevorderen, evenwel met inachtneming van de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking; wijst in dit verband op de bijdrage van de ITU-D van de VN aan het creëren, ontwikkelen en verbeteren van telecommunicatie en ICT-apparatuur en -netwerken; roept de Commissie op ervoor te zorgen dat investeringen in breedbandinfrastructuur in ontwikkelingslanden een integrale bijdrage leveren aan en afhankelijk worden gesteld van vrij, open en veilig internet en wenst dat de Commissie passende oplossingen ontwikkelt om mobiele internettoegang te bevorderen; wijst erop dat, om digitaal met multinationale ondernemingen te kunnen interageren en toegang te krijgen tot wereldwijde waardeketens, dergelijke investeringen van bijzonder belang zijn voor lokale micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, met name in ontwikkelingslanden; herinnert eraan dat de bevordering van grensoverschrijdende e-handel rechtstreeks van invloed kan zijn op het verbeteren van de levensomstandigheden, het bevorderen van een hogere levensstandaard en het stimuleren van de economische ontwikkeling; brengt in herinnering dat dergelijke inspanningen kunnen bijdragen tot de bevordering van gendergelijkheid, aangezien een groot aantal van deze ondernemingen in eigendom is van en beheerd wordt door vrouwen; benadrukt dat de digitale handel ook voor overheidsdiensten een hulpmiddel kan zijn en zo kan bijdragen aan de ontwikkeling van de elektronische overheid;

37.  benadrukt dat digitale handelsstrategieën volledig in overeenstemming moeten zijn met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling en met name startende ondernemingen en micro-, kleine en middelgrote ondernemingen in staat moeten stellen deel te nemen aan grensoverschrijdende e-handel, verwijzend naar de bijdrage die dit zou leveren aan de gelijkheid van mannen en vrouwen;

38.  is van mening dat digitale kwesties ook nadrukkelijker aanwezig moeten zijn in het EU-beleid betreffende hulp voor handel om de groei van de e-handel te bevorderen middels versterking van de steun voor innovatie en infrastructuur en de toegang tot financiering, met name via microfinancieringsinitiatieven en bijstand voor het vergroten van de onlinezichtbaarheid van e-commercebedrijven in ontwikkelingslanden, het vergemakkelijken van toegang tot platforms en het bevorderen van de beschikbaarheid van elektronische betalingsoplossingen en de toegang tot kostenefficiënte logistieke en leveringsdiensten;

39.  wijst erop dat digitale handelsstrategieën, inclusief de begeleidende maatregelen, volledig in overeenstemming moeten zijn met en moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de agenda voor duurzame ontwikkeling voor 2030; merkt op dat SDG 4 (inzake kwaliteitsvol onderwijs voor gratis, onpartijdig en kwaliteitsvol basis- en voortgezet onderwijs voor alle meisjes en jongens), SDG 5 (inzake het verwezenlijken van gendergelijkheid en het versterken van de positie van alle vrouwen en meisjes), SDG 8.10. (inzake het bevorderen van inclusieve en duurzame economische groei, met name middels versterkte capaciteit van binnenlandse financiële instellingen en toegang tot financiële diensten), SDG 9.1. (inzake het ontwikkelen van betrouwbare en veerkrachtige infrastructuur gericht op gelijke toegang voor iedereen) en SDG 9.3. (inzake het vergroten van de toegang van kleine ondernemingen, met name in ontwikkelingslanden, tot financiële diensten, met inbegrip van betaalbaar krediet, en de integratie ervan in waardeketens en markten) bijzonder relevant zijn in dit opzicht;

40.  verbindt zich ertoe zijn digitale handelsstrategie om de vijf jaar te actualiseren;

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de EDEO.

(1) PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0299.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0041.
(5) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 35.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0233.
(7) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

Juridische mededeling - Privacybeleid