Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 14 december 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Vrijheid van meningsuiting in Vietnam, met name het geval van Nguyen Van Hoa
 Cambodja: het verbod op de oppositie
 El Salvador: gevallen van vrouwen die worden vervolgd wegens een miskraam
 Situatie in Afghanistan
 Situatie van de Rohingya
 Tenuitvoerlegging van de richtlijn ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie
 Beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften in 2016
 Een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit

Vrijheid van meningsuiting in Vietnam, met name het geval van Nguyen Van Hoa
PDF 169kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2017 over de vrijheid van meningsuiting in Vietnam, met name de zaak van Nguyen Van Hoa (2017/3001(RSP))
P8_TA(2017)0496RC-B8-0685/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Vietnam,

–  gezien de zevende mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam op 1 december 2017,

–  gezien de op 27 juni 2012 ondertekende partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Vietnam,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenactivisten van 2008,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten waarbij Vietnam partij is sinds 1982,

–  gezien de beslissing van de Europese Ombudsman van 26 februari 2016 in zaak 1409/2014/MHZ over het niet uitvoeren door de Europese Commissie van een voorafgaande effectbeoordeling inzake mensenrechten voor de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU Vietnam als een belangrijke partner in Azië beschouwt; overwegende dat het in 2015 25 jaar geleden is dat de betrekkingen tussen de EU en Vietnam zijn aangeknoopt; overwegende dat deze betrekkingen zich snel hebben uitgebreid van handel en hulp naar andere beleidsterreinen;

B.  overwegende dat de 22 jaar oude videograaf en blogger Nguyen Van Hoa op 11 januari 2017 door zijn familie als vermist werd gemeld en dat later werd ontdekt dat hij zonder officieel arrestatiebevel door de politie werd vastgehouden;

C.  overwegende dat Nguyen Van Hoa aanvankelijk werd gearresteerd op grond van artikel 258 van het Vietnamese wetboek van strafrecht en werd beschuldigd van "misbruik van democratische vrijheden om inbreuk te maken op de belangen van de staat"; overwegende dat deze beschuldigingen in april 2017 werden opgewaardeerd tot overtredingen van artikel 88; overwegende dat artikel 88 van het wetboek van strafrecht op grote schaal is gebruikt tegen mensenrechtenverdedigers die misstanden in Vietnam aan het licht hebben gebracht;

D.  overwegende dat Nguyen Van Hoa op 27 november 2017 is veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens verspreiding van online-informatie, waaronder video's, over de milieuramp in de provincie Ha Tinh in april 2016, toen Formosa Ha Tinh, een Taiwanese staalonderneming, een illegale lozing van giftig industrieel afval in de oceaan heeft veroorzaakt met verwoestende milieueffecten langs 200 kilometer kustlijn, met sterfte van het mariene leven en ziekte onder de bevolking tot gevolg;

E.  overwegende dat deze ramp heeft geleid tot brede verontwaardiging onder de Vietnamese bevolking, een omvangrijke mobilisatie op sociale netwerken en massale vreedzame demonstraties in alle grote steden van Vietnam; overwegende dat de arrestatie van Nguyen Van Hoa deel uitmaakte van een reeks arrestaties door de Vietnamese autoriteiten in de dagen voor de Vietnamese nieuwjaarsviering;

F.  overwegende dat de Volksrechtbank van de provincie Ha Tinh Nguyen Van Hoa na een proces van tweeënhalf uur schuldig heeft bevonden aan het produceren van propaganda tegen de staat op grond van artikel 88 van het wetboek van strafrecht; overwegende dat Nguyen Van Hoa geen toegang heeft gekregen tot een advocaat om hem tijdens de hoorzitting te vertegenwoordigen;

G.  overwegende dat de veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf van een andere blogger, Nguyen Ngoc Nhu Quynh, voor anti-staatspropaganda omdat zij kritische berichten had gepubliceerd over milieuvervuiling, politiek en sterfgevallen tijdens hechtenis door de politie, door een Vietnamese rechtbank op 30 november 2017 is bekrachtigd;

H.  overwegende dat het VN-Mensenrechtenbureau en de speciale procedures en mechanismen van de VN artikel 88 van het wetboek van strafrecht, samen met diverse andere bepalingen van dat wetboek, herhaaldelijk hebben veroordeeld als zijnde in strijd met de internationale mensenrechtenwetgeving;

I.  overwegende dat de meeste mediakanalen eigendom zijn van en gecontroleerd worden door de staat; overwegende dat de persvrijheid ernstig wordt beperkt; overwegende dat de wereldpersvrijheidindex 2017 van Verslaggevers zonder Grenzen 180 landen omvat en dat Vietnam op plaats 175 staat; overwegende dat als reactie op de brede verontwaardiging onder de Vietnamese bevolking na de ramp in de provincie Ha Tinh, de autoriteiten de toegang tot sociale netwerken tijdelijk hebben geblokkeerd, demonstraties met geweld hebben onderdrukt en demonstranten hebben gearresteerd;

J.  overwegende dat Vietnam in april 2016 een wet inzake de toegang tot informatie en een gewijzigde perswet heeft aangenomen die de vrijheid van meningsuiting beperken en de censuur versterken, alsmede bepalingen die demonstraties buiten de rechtbank tijdens rechtszaken verbieden;

K.  overwegende dat de vrijheid van godsdienst en overtuiging wordt onderdrukt en de katholieke kerk en niet-erkende godsdiensten, zoals de Verenigde Boeddhistische Kerk van Vietnam, verschillende protestante kerken en andere groeperingen, waaronder de etnische minderheidsgroep de Montagnards (Degar), nog steeds het slachtoffer zijn van ernstige vervolgingen op grond van religie;

L.  overwegende dat tijdens de zevende mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam de vrijheid van meningsuiting, vereniging, vergadering, godsdienst en overtuiging en de toegang tot informatie werden besproken; overwegende dat de EU de verslechtering van de burgerrechten en politieke rechten in Vietnam heeft benadrukt; overwegende dat de EU Vietnam heeft aangemoedigd om permanente uitnodigingen te richten aan de speciale VN-procedures;

1.  hekelt de veroordeling van Nguyen Van Hoa tot zeven jaar gevangenisstraf; onderstreept dat Nguyen Van Hoa zijn recht op vrijheid van meningsuiting heeft uitgeoefend; dringt er bij de Vietnamese autoriteiten op aan Nguyen Van Hoa onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten;

2.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de toename van het aantal opsluitingen, arrestaties en veroordelingen van Vietnamese burgers omdat zij hun mening geuit hebben;

3.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de steeds restrictievere aanpak van de autoriteiten met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting en andere vrijheden; veroordeelt in dit verband het gebruik door de autoriteiten van fysieke en psychologische intimidatie, buitengerechtelijk huisarrest, druk op advocaten, werkgevers, verhuurders en familieleden van activisten en opdringerige controle; uit voorts zijn bezorgdheid over de beperkingen van het vrije verkeer om te voorkomen dat bloggers en activisten deelnemen aan openbare evenementen zoals mensenrechtendiscussies en het bijwonen van processen tegen medeactivisten;

4.  vraagt de Vietnamese autoriteiten alle burgers vrij te laten die worden vastgehouden omdat zij hun vrijheid van meningsuiting op vreedzame wijze hebben uitgeoefend;

5.  verzoekt de Vietnamese autoriteiten alle beperkingen voor en intimidatie van mensenrechtenverdedigers te beëindigen en in alle omstandigheden te garanderen dat zij hun legitieme mensenrechtenactiviteiten kunnen uitvoeren zonder angst voor represailles en zonder enige beperking, met inbegrip van gerechtelijke intimidatie;

6.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de verreikende toepassing van de nationale veiligheidsbepalingen in het Vietnamese wetboek van strafrecht;

7.  veroordeelt Vietnam voor het toepassen van de doodstraf voor bepaalde misdrijven tegen de nationale veiligheid, zoals vastgelegd in het gewijzigde wetboek van strafrecht, alsmede voor het blijven uitspreken van veroordelingen tot de doodstraf; herhaalt dat de EU sterk gekant is tegen de doodstraf, in alle gevallen en zonder uitzondering; herhaalt de oproep aan de Vietnamese autoriteiten om een moratorium op de doodstraf in te stellen als eerste stap naar de afschaffing van de doodstraf voor alle wetsovertredingen;

8.  dringt er bij de Vietnamese regering op aan de artikelen van het wetboek van strafrecht te wijzigen, met inbegrip van artikel 88 over propaganda en artikel 79 over activiteiten om de overheid omver te werpen, die door het OHCHR zijn veroordeeld als zijnde in strijd met de internationale mensenrechtenwetgeving, en ervoor te zorgen dat nationale veiligheidsoverwegingen niet worden gebruikt als voorwendsel voor de onderdrukking van de mensenrechten, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en overtuiging; geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de nieuwe wet inzake verenigingen en de wet inzake geloof en godsdienst, die onverenigbaar zijn met de internationale normen;

9.  dringt er bij Vietnam op aan een permanente uitnodiging te richten aan de speciale procedures van de VN, met name aan de speciale rapporteur voor vrijheid van meningsuiting en de speciale rapporteur voor de situatie van mensenrechtenverdedigers, en hen vrije en onbelemmerde toegang te verlenen tot alle partijen die zij willen raadplegen;

10.  is verheugd over de ratificatie door Vietnam van het VN-Verdrag tegen foltering en dringt er bij Vietnam op aan zich op zinvolle wijze in te zetten en regelmatig gedetailleerde informatie te verstrekken overeenkomstig de bepalingen van het VN-Verdrag; dringt erop aan dat geen enkele verklaring die onder foltering of andere vormen van mishandeling is ingewonnen als bewijs wordt aangevoerd tegen veroordeelden die worden beschuldigd van propaganda of andere politiek gemotiveerde beschuldigingen;

11.  is ingenomen met het versterkte partnerschap en de mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam en herinnert aan het belang van de mensenrechtendialoog als een belangrijk instrument dat op efficiënte wijze kan worden gebruikt om Vietnam te begeleiden en aan te moedigen bij de tenuitvoerlegging van de noodzakelijke hervormingen;

12.  is ingenomen met het feit dat de EU tijdens de zevende mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam de kwestie van de vrijheid van meningsuiting en vereniging, alsmede het toenemende aantal opsluitingen, arrestaties en veroordelingen aan de orde heeft gesteld; dringt er bij de Commissie sterk op aan de vooruitgang in het kader van de dialoog te volgen door de invoering van benchmarks en toezichtmechanismen; dringt er bij de Commissie en de VV/HV op aan de kwestie van de vrijheid van meningsuiting in haar regelmatige dialoog met Vietnam aan de orde te blijven stellen, onder meer tijdens de volgende bijeenkomst van de top Azië-Europa (ASEM) in 2018 in Brussel;

13.  roept de Vietnamese autoriteiten op de milieuramp in de provincie Ha Tinh aan te pakken, die heeft geleid tot massale sterfte van vis in de regio en gevolgen heeft gehad voor de levens van duizenden mensen, door middel van wetgevende maatregelen die gericht zijn op herstel en wederopbouw van de lokale economie;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN) en de regering en de Nationale Assemblee van Vietnam.


Cambodja: het verbod op de oppositie
PDF 173kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2017 over Cambodja: naar aanleiding van de ontbinding van de CNRP-partij (2017/3002(RSP))
P8_TA(2017)0497RC-B8-0686/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Cambodja, met name die van 14 september 2017(1),

–  gezien het bezoek van de delegatie van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN) aan het Europees Parlement van 30 t/m 31 oktober 2017,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers van 2008,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op 16 november 2017 over de ontbinding van de Nationale Reddingspartij van Cambodja (CNRP),

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Cambodja van 1997,

–  gezien de plaatselijke EU-verklaring van 22 februari 2017 over de politieke situatie in Cambodja, en de verklaringen van de woordvoerder van de EU-delegatie van 3 september 2017 en van 25 augustus 2017 over de inperking van de politieke ruimte in Cambodja,

–  gezien de door de Algemene Vergadering van de VN op 8 maart 1999 aangenomen resolutie (A/RES/53/144) betreffende het recht en de verantwoordelijkheid van personen, groeperingen en maatschappelijke instanties voor de bevordering en bescherming van universeel erkende mensenrechten en fundamentele vrijheden,

–  gezien de vredesakkoorden van Parijs van 1991, waar de toezegging tot eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Cambodja, ook door de internationale ondertekenaars, is verankerd in artikel 15,

–  gezien het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht,

–  gezien de grondwet van Cambodja, met name artikel 41 waarin de rechten en vrijheden van meningsuiting en vergadering zijn verankerd, artikel 35 over het recht van politieke participatie en artikel 80 over parlementaire onschendbaarheid,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de mensenrechtensituatie in Cambodja in 2017 verder is verslechterd, omdat een toenemend aantal leden van de politieke oppositie, mensenrechtenactivisten en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties in Cambodja is gearresteerd;

B.  overwegende dat het Cambodjaanse parlement in 2017 twee reeksen repressieve amendementen op de wet inzake politieke partijen heeft goedgekeurd, met daarin talrijke restricties om oppositiepartijen te dwarsbomen;

C.  overwegende dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken op 6 oktober 2017 een verzoek heeft ingediend bij het Hooggerechtshof om de Nationale Reddingspartij van Cambodja (CNRP) te ontbinden op grond van de wet inzake politieke partijen;

D.  overwegende dat het Hooggerechtshof de ontbinding van de CNRP op 16 november 2017 heeft aangekondigd aan het eind van een eendaagse hoorzitting; overwegende dat het Hooggerechtshof ook 118 leden van de CNRP heeft verboden om in de komende vijf jaar politiek actief te worden; overwegende dat de regering door dit besluit, dat gebaseerd was op twee reeksen controversiële amendementen op de wet inzake politieke partijen, geen concurrentie te duchten heeft in de aanloop naar de algemene verkiezingen die gepland staan voor juli 2018;

E.  overwegende dat leden van oppositiepartijen al jaren worden vervolgd en geïntimideerd door de autoriteiten van Cambodja; overwegende dat minder dan 40% van de parlementsleden van de CNRP in Cambodja is achtergebleven nadat anderen waren gedwongen te vluchten, omdat ze met arrestatie waren bedreigd;

F.  overwegende dat het Cambodjaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken over uitgebreide bevoegdheden beschikt om politieke partijen op grond van vage criteria op te schorten; overwegende dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken op 2 oktober 2017 20 politieke partijen heeft ontbonden op grond van de artikelen 19 en 20 van de wet inzake politieke partijen;

G.  overwegende dat Kem Sokha, de voorzitter van de CNRP, op 3 september 2017 is gearresteerd en dat hem verraad ten laste is gelegd krachtens artikel 443 van het Cambodjaanse wetboek van strafrecht, ondanks het feit dat hij parlementaire onschendbaarheid geniet; overwegende dat Kem Sokha's verzoek om op borgtocht te worden vrijgelaten op 26 september 2017 is verworpen, toen hij een hoorzitting niet kon bijwonen omdat de gevangenisautoriteiten hadden gezegd dat ze niet konden instaan voor zijn veiligheid; overwegende dat hij volgens mensenrechtenorganisaties op 24 november 2017 is verhoord, hoewel hij niet op adequate wijze toegang had tot juridische adviseurs of persoonlijke medische verzorging; overwegende dat zijn wettelijke status onduidelijk is; overwegende dat zijn verzoek om op borgtocht te worden vrijgelaten nu in behandeling is bij het Hooggerechtshof; overwegende dat hij tot 30 jaar gevangenisstraf kan worden veroordeeld als hij schuldig wordt bevonden; overwegende dat de president van het Hooggerechtshof, Dith Munty, een lid is van de permanente commissie van de regeringspartij;

H.  overwegende dat het probleem van de landroof een bron van ernstige bezorgdheid blijft in Cambodja; overwegende dat er een gestage toename is van het aantal arrestaties en detenties van leden van oppositiepartijen, politieke commentatoren, vakbondsactivisten, mensenrechtenactivisten, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties in Cambodja, inclusief de ADHOC 5; overwegende dat mensenrechtenverdediger Tep Vanny van de Boeung Kak-gemeenschap nog steeds in de gevangenis zit om een gevangenisstraf van twee-en-een-half jaar uit te zitten wegens een vreedzaam protest in 2013; overwegende dat het Hooggerechtshof op 8 december 2017 het vonnis tegen Tep Vanny heeft bekrachtigd;

I.  overwegende dat de vorige voorzitter van de CNRP, Sam Rainsy, gedwongen werd zijn ontslag in te dienen na juridische intimidatie; overwegende dat hij bij verstek werd veroordeeld wegens smaad en nu in ballingschap leeft; overwegende dat sinds de ontbinding van de oppositie, een toenemend aantal parlementsleden van de CNRP Cambodja is ontvlucht; overwegende dat mensenrechtenorganisaties berichten dat sommigen van hen politiek asiel hebben aangevraagd;

J.  overwegende dat de invloed van China een belangrijke rol speelt in het politieke leven in Cambodja en in de Cambodjaanse regering;

K.  overwegende dat Cambodja profiteert van het gunstigste stelsel dat beschikbaar is binnen het EU-stelsel van algemene preferenties (SAP), namelijk het Everything But Arms-stelsel (EBA); overwegende dat de EU voor de financiële periode 2014-2020 wel 410 miljoen EUR heeft toegewezen aan Cambodja, waarvan 10 miljoen EUR is bestemd voor ondersteuning van de hervorming van het verkiezingsproces in Cambodja;

L.  overwegende dat het recht op politieke participatie is verankerd in artikel 41 van de Cambodjaanse grondwet; overwegende dat het besluit om de CNRP te ontbinden een significante afwijking is van de weg naar pluralisme en democratie, als verankerd in de grondwet van Cambodja;

M.  overwegende dat 55 ngo's hebben aangedrongen op een nieuwe conferentie van Parijs over Cambodja om van gedachten te wisselen over de rechtsstaat en de democratie teneinde de Cambodjaanse regering aan te moedigen haar beleid ten aanzien van oppositiepartijen te heroverwegen;

1.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de ontbinding van de CNRP; betreurt het verbod van de partij ten zeerste, dat het zoveelste bewijs is van het autocratisch bewind van minister-president Hun Sen; dringt er bij de regering op aan het besluit om de CNRP te ontbinden terug te draaien, om de verkozen leden van het nationale parlement en de gemeenteraden hun posities opnieuw te laten innemen, de oppositiepartijen toe te staan volledig deel te nemen aan het openbare leven en ervoor te zorgen dat media en maatschappelijke organisaties zich vrij kunnen bewegen en een einde te maken aan het klimaat van angst en intimidatie, omdat dit alle voorwaarden zijn voor vrije, inclusieve en transparante verkiezingen;

2.  herhaalt zijn ernstige bezorgdheid die het in eerdere resoluties heeft geuit over de verdere verslechtering van het klimaat voor politici van oppositiepartijen, mensenrechtenactivisten en leden van maatschappelijke organisaties in Cambodja;

3.  sluit zich aan bij het standpunt van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties dat de beschuldigingen tegen de CNRP en zijn leden vaag waren, evenals de wettelijke bepalingen waarop het besluit gebaseerd was om de partij te ontbinden;

4.  is van mening dat het Hooggerechtshof in Phnom Penh op onaanvaardbare wijze morrelt aan het recht van Cambodjaanse burgers om vrijelijk hun politieke vertegenwoordigers te kiezen en op hen te stemmen in de nationale verkiezingen in 2018; betreurt de afwezigheid van een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke macht in het land;

5.  dringt er bij de regering van Cambodja op aan alle recente amendementen op de wet inzake politieke partijen en de kieswetten waarin de vrijheid van meningsuiting en politieke vrijheden worden ingeperkt, in te trekken;

6.  veroordeelt de arrestatie van Kem Sokha en andere politieke activisten ten zeerste; dringt er bij de Cambodjaanse autoriteiten op aan om het arrestatiebevel tegen oppositieleider Sam Rainsy onmiddellijk in te trekken en alle aanklachten tegen hem, en om Kem Sokha onvoorwaardelijk vrij te laten uit de gevangenis en alle aanklachten tegen hem en leden van de oppositie in te trekken;

7.  uit zijn ernstige bezorgdheid over het houden van geloofwaardige en transparante verkiezingen in Cambodja in 2018 na het besluit van het Hooggerechtshof om de CNRP te ontbinden; benadrukt dat een verkiezingsproces waarbij de belangrijkste oppositiepartij is uitgesloten van deelname niet legitiem is, en dat het houden van transparante en open verkiezingen een belangrijke voorwaarde is om de vrede en de stabiliteit in het land en in de gehele regio te waarborgen;

8.  is verheugd over het EU-besluit om alle verkiezingssteun in te trekken totdat Cambodja hervormingen doorvoert in overeenstemming met internationale verkiezingsnormen om de democratie te bevorderen en het maatschappelijk middenveld te beschermen;

9.  dringt er bij de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, en de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten op aan om alles in het werk te stellen om de grondrechten van het Cambodjaanse volk om kandidaten te kiezen en om te worden verkozen te beschermen en om het pluralisme en de democratische beginselen te waarborgen in overeenstemming met de Cambodjaanse grondwet;

10.  herinnert de Cambodjaanse regering eraan dat zij haar verplichtingen en verbintenissen met betrekking tot de democratische beginselen en de fundamentele mensenrechten moet nakomen, die een essentieel onderdeel vormen van de samenwerkingsovereenkomst;

11.  benadrukt dat eerbiediging van de fundamentele mensenrechten een voorwaarde voor Cambodja is om te blijven profiteren van het preferentiële EBA-stelsel van de EU; dringt er bij de VV/HV en commissaris Malmström op aan om de verplichtingen van Cambodja overeenkomstig de bepalingen in artikel 19 van de EBA-verordening onmiddellijk aan een nader onderzoek te onderwerpen; benadrukt dat als Cambodja in strijd met zijn verplichtingen krachtens de EBA-verordening handelt, de tariefpreferenties waar het land momenteel van profiteert tijdelijk moeten worden opgeschort;

12.  dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan een lijst op te stellen van individuen die verantwoordelijk zijn voor de ontbinding van de oppositie en andere ernstige mensenrechtenschendingen in Cambodja om mogelijke visumbeperkingen op te leggen en banktegoeden te bevriezen;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de secretaris-generaal van de ASEAN, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en de Nationale Assemblee van Cambodja.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0348.


El Salvador: gevallen van vrouwen die worden vervolgd wegens een miskraam
PDF 191kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2017 over El Salvador: de gevallen van vrouwen die vervolgd worden voor een miskraam (2017/3003(RSP))
P8_TA(2017)0498RC-B8-0695/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 8, 19, 157 en 216 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a),

–  gezien hoofdstuk 7 van het actieplan EU-Celac (Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische Staten) 2015-2017 inzake gender,

–  gezien de Verklaring en het Actieprogramma van Peking, die op 15 september 1995 werden goedgekeurd tijdens de vierde Wereldvrouwenconferentie, en de latere slotdocumenten die werden aangenomen tijdens de speciale bijeenkomsten van de Verenigde Naties Peking +5 (2000), Peking +10 (2005), Peking +15 (2010) en Peking +20 (2015),

–  gezien de verklaring van 19 juli 2017 van het EU-voorzitterschapstrio bestaande uit Estland, Bulgarije en Oostenrijk over de gelijkheid van man en vrouw,

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2016 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1567/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende steun voor beleid en maatregelen op het gebied van reproductieve en seksuele gezondheid en rechten in ontwikkelingslanden(2),

–  gezien de vijfde doelstelling van de VN-millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (het verbeteren van de gezondheid van moeders),

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979,

–  gezien de toetsing van de rechten van vrouwen in El Salvador door het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen in februari 2017 en zijn slotopmerkingen,

–  gezien de artikelen 6, 24 en 39 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Verdrag tegen foltering, waarbij El Salvador partij is sinds 1996,

–  gezien artikel 144 van de grondwet van de Republiek El Salvador, waarin wordt bepaald dat internationale verdragen met andere staten of internationale organisaties wetten van de republiek vormen en dat wanneer er een conflict bestaat tussen het verdrag en de wet, het verdrag voorrang heeft,

–  gezien het kader voor gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: Het leven van meisjes via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien de verklaring van de werkgroep van de VN inzake discriminatie van vrouwen in de wet en in de praktijk van 11 mei 2015,

–  gezien het Inter-Amerikaanse Verdrag ter voorkoming, bestraffing en uitbanning van geweld tegen vrouwen (Verdrag van Belém do Pará),

–  gezien het Salvadoraanse wetgevingsdecreet nr. 520 ("Speciale alomvattende wet inzake een geweldloos leven voor vrouwen"),

–  gezien de artikelen 133, 135 en 136 van de Salvadoraanse strafwet,

–  gezien de verklaring van Zeid Ra'ad Al Hussein, de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, aan het einde van zijn werkbezoek aan El Salvador van 17 november 2017,

–  gezien artikel 1 van de grondwet van de Republiek El Salvador,

–  gezien de wet van El Salvador inzake gelijkheid, billijkheid en uitbanning van discriminatie jegens vrouwen die in 2016 is aangenomen, de wet inzake een geweldloos leven voor vrouwen die in 2012 is aangenomen, en de wet inzake de alomvattende bescherming van kinderen en adolescenten die in april 2009 is aangenomen en die aan het Ministerie van Onderwijs een mandaat geeft om onderwijs over gender en reproductieve gezondheid te verstrekken en discriminatie van vrouwen in het onderwijssysteem aan te pakken,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat gendergelijkheid een fundamentele waarde van de EU is; overwegende dat het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie een grondrecht is dat verankerd is in de Verdragen en het Europees Handvest van de grondrechten, en dat dit recht volledig moet worden geëerbiedigd, gestimuleerd en toegepast in de wetgeving, de praktijk, de jurisprudentie en het dagelijks leven;

B.  overwegende dat het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen in artikel 36 en 37 van zijn slotopmerkingen over zijn toetsing van de rechten van vrouwen in El Salvador vraagt dat de strafwetten inzake abortus in El Salvador worden ingetrokken;

C.  overwegende dat in El Salvador sinds 2000 minstens 120 vrouwen werden vervolgd voor abortus of doodslag wanneer de foetus overleed in de laatste maanden van de zwangerschap, en dat 26 van hen werden veroordeeld voor doodslag en 23 voor abortus en dat alle vrouwen die veroordeeld werden, extreem lange straffen uitzitten, hoewel zij volgens internationale normen geen criminelen zijn; overwegende dat de meeste van deze vrouwen jong, arm, laagopgeleid en van afgelegen gemeenschappen zijn; overwegende dat er momenteel twee zaken hangende zijn; overwegende dat de zaak van Teodora del Carmen Vásquez, die de voorbije tien jaar in de gevangenis heeft doorgebracht, op 13 december 2017 werd herzien door de rechtbank van tweede aanleg en haar beroep werd verworpen, terwijl de veroordeling van Evelyn Beatriz Hernandez Cruz in oktober 2017 werd bevestigd;

D.  overwegende dat "Las 17" de zwaarst gestrafte vrouwen zijn en dat zij tussen 2000 en 2011 tot decennialange gevangenisstraffen zijn veroordeeld; overwegende dat een aantal van hen werd vrijgelaten nadat rechtbanken vorige vonnissen hadden nietig verklaard;

E.  overwegende dat gendergerelateerd geweld een belangrijk probleem is in El Salvador en dat uit gegevens blijkt dat elke drie uur een vrouw het slachtoffer is van seksueel geweld, dat verkrachting vaak tot een ongewenste zwangerschap leidt, dat het aantal vrouwenmoorden gruwelijk hoog is en dat slechts 5 % van deze moorden het voorwerp hebben uitgemaakt van een gerechtelijke procedure;

F.  overwegende dat ambtenaren van een overheidsdienst, waaronder ziekenhuizen en klinieken, verplicht zijn patiënten die noodgevallen van verloskundige aard ondergaan te melden, hetgeen het recht van de patiënt op vertrouwelijkheid schendt en een omgeving schept waarin vrouwen lijden onder stigmatisering; overwegende dat de verplichting om patiënten te melden tot gevolg heeft dat vrouwen die tijdens hun zwangerschap serieuze complicaties hebben, ervoor kiezen geen bijstand van de gezondheidszorg te zoeken uit vrees voor vervolging en een celstraf; overwegende dat het niet melden van een patiënt als een algemeen strafbaar feit wordt beschouwd;

G.  overwegende dat de proportie van gendergebaseerde moorden van vrouwen en meisjes in El Salvador afschuwelijk hoog is; overwegende dat in 2015 en 2016 1 097 vrouwen werden vermoord en tussen januari en juni 2017 201 vrouwen; overwegende dat volgens de Salvadoraanse vrouwenorganisatie voor vrede (ORMUSA) de nationale civiele politie van El Salvador vorig jaar 3 947 klachten van seksueel geweld heeft geregistreerd, waarvan 1 049 gevallen van verkrachting, ook intrafamiliaal, en waarbij 1 873 van de slachtoffers minderjarig of "onbekwaam verklaard" waren;

H.  overwegende dat het aantal tienerzwangerschappen in El Salvador hoog ligt, hetgeen ook te wijten valt aan het gebrek aan seksuele voorlichting op school; overwegende dat seksueel misbruik en verkrachting de voornaamste factoren van een zwangerschap op jonge leeftijd zijn; overwegende dat volgens het Ministerie van Volksgezondheid 1 445 van de zwangere meisjes in 2015 tussen 10 en 14 jaar oud waren;

I.  overwegende dat El Salvador in 1998 abortus in alle omstandigheden strafbaar heeft gesteld, ook wanneer de zwangerschap levensbedreigende complicaties heeft voor de vrouw of het meisje, en in gevallen van verkrachting, incest of een niet-levensvatbare foetus; overwegende bovendien dat in 1999 een grondwetswijziging werd goedgekeurd waarin een embryo als menselijk wezen wordt erkend vanaf "het moment van conceptie"; overwegende dat elke persoon die een abortus verricht of zelf inleidt, zelfs voor het foetale stadium, daarvoor bestraft kan worden met een gevangenisstraf van twee tot acht jaar, maar dat in veel gevallen de openbare aanklagers de aanklacht hebben verzwaard tot "moord met verzwarende omstandigheden", dat met een gevangenisstraf tot 50 jaar kan worden bestraft; overwegende dat wetgeving die abortus onder die omstandigheden mogelijk maakt, sinds oktober 2016 in het nationaal parlement wordt tegengehouden, maar dat er momenteel debatten worden gevoerd om verdere vorderingen te maken;

J.  overwegende dat El Salvador vrouwen en meisjes wegens religieuze, culturele en andere redenen toegang tot een veilige en legale abortus blijft ontzeggen, waardoor hun recht op gezondheid, leven en lichamelijke en psychische integriteit wordt geschonden;

K.  overwegende dat het Ministerie van Onderwijs recent materiaal heeft voorbereid om seksuele en reproductieve gezondheid te integreren in het nationale onderwijsprogramma, maar dat het uiteindelijke materiaal wegens verzet van verschillende krachten daarentegen focust op seksuele onthouding, ondanks het feit dat 42 % van de vrouwen voor de leeftijd van 20 jaar zwanger is geweest;

L.  overwegende dat het risico op moedersterfte in Latijns-Amerika vier keer hoger is bij adolescenten onder 16 jaar; overwegende dat 65 % van de gevallen van obstetrische fistels voorkomt bij zwangerschappen bij jongeren, met ernstige gevolgen voor hun leven, met inbegrip van ernstige gezondheidsproblemen en sociale uitsluiting; overwegende dat zwangerschappen op jonge leeftijd ook gevaarlijk zijn voor de baby's en dat het sterftecijfer bij deze baby's 50 % hoger ligt dan het gemiddelde; overwegende dat tot wel 40 % van de vrouwen in de regio slachtoffer is geweest van seksueel geweld; overwegende dat 95 % van de in Latijns-Amerika uitgevoerde abortussen onveilig is;

M.  overwegende dat het Ministerie van Volksgezondheid meldt dat tussen 2011 en 2015 14 vrouwen zijn gestorven aan complicaties in verband met een abortus, 13 vrouwen zijn overleden ten gevolge van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap en 63 vrouwen zijn overleden wegens de huidige abortuswetgeving; overwegende dat zelfmoord de doodsoorzaak is van 57 % van de sterfgevallen van zwangere vrouwen tussen de 10 en 19 jaar oud; overwegende dat veel vrouwen bij complicaties in verband met hun zwangerschap bang zijn om medische hulp te vragen, hetgeen meer sterfgevallen veroorzaakt die vermeden hadden kunnen worden; overwegende dat dit in het bijzonder vrouwen met beperkte economische middelen treft die geen toegang hebben tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg;

N.  overwegende dat Amnesty International en Human Rights Watch melden dat vrouwen die in El Salvador een miskraam of een doodgeboren kind hebben, vaak worden vervolgd op verdenking van een abortus te hebben ondergaan; overwegende dat in dergelijke gevallen vrouwen vaak worden gemeld door medisch personeel en vervolgens in het ziekenhuis worden gearresteerd;

O.  overwegende dat VN-deskundigen hebben gewaarschuwd dat dit besluit van de Salvadoraanse autoriteiten een grove schending inhoudt van het recht van meisjes op leven, gezondheid en lichamelijke en psychische integriteit, waardoor hun economische vooruitzichten en maatschappelijke kansen in gevaar worden gebracht;

P.  overwegende dat het VN-comité inzake economische, sociale en culturele rechten El Salvador in maart 2015 heeft verzocht de abortuswetgeving van het land te herzien en aan te passen en ervoor te zorgen dat deze wetgeving verenigbaar is met andere rechten, zoals het recht op gezondheid en leven; overwegende dat fysiek, seksueel of psychologisch geweld tegen vrouwen een schending van de mensenrechten inhoudt;

Q.  overwegende dat El Salvador actief heeft deelgenomen aan de 61e vergadering van de Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw; overwegende dat alle partijen de verklaring van Peking en het bijbehorende actieprogramma moeten blijven bevorderen, onder meer met betrekking tot toegang tot onderwijs en gezondheidszorg als fundamentele mensenrechten, en seksuele en reproductieve rechten;

R.  overwegende dat toezichthoudende instanties van het VN-Verdrag, waaronder het Mensenrechtencomité (HRC) en het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen er bij diverse Latijns-Amerikaanse staten op hebben aangedrongen uitzonderingen toe te staan op hun strenge abortuswetgeving voor gevallen waarin zwangerschap gevaar oplevert voor het leven of de gezondheid van de zwangere vrouw, gevallen waarin de foetus ernstig beschadigd is en gevallen waarin de zwangerschap het gevolg is van verkrachting of incest;

S.  overwegende dat Zeid Ra'ad Al Hussein, de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, na zijn bezoek aan El Salvador in november 2017 zijn ernstige bezorgdheid heeft geuit over de situatie van vrouwen en meisjes in het land; overwegende dat hij El Salvador heeft gevraagd een moratorium in te stellen op de toepassing van artikel 133 van het strafwetboek en de gevallen van vrouwen die worden vastgehouden voor misdaden in verband met een abortus, te herzien;

T.  overwegende dat het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het comité inzake economische, sociale en culturele rechten het verband tussen een onveilige illegale abortus en een hoog moedersterftecijfer expliciet hebben erkend; overwegende dat in het Verdrag tegen foltering wordt gesteld dat staten die een absoluut verbod hebben op abortus in alle omstandigheden, vrouwen en meisjes blootstellen aan omstandigheden waarin zij worden vernederd en wreed worden behandeld;

U.  overwegende dat de universele periodieke doorlichting van de VN aan de Salvadoraanse staat tien aanbevelingen heeft gedaan om zijn abortuswetgeving in overeenstemming te brengen met internationale mensenrechtennormen, die allemaal door de regering werden afgewezen;

V.  overwegende dat volgens de VN-regels voor de behandeling van vrouwelijke gevangenen en niet tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen voor vrouwelijke daders (de regels van Bangkok) vrouwen met kinderen en zwangere vrouwen, indien mogelijk en gepast, niet tot vrijheidsbeneming strekkende straffen moeten krijgen;

W.  overwegende dat het voorkomen van ongeplande zwangerschappen en het terugdringen van het aantal tienermoeders via universele toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg een van de doelstellingen in de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) is;

1.  uit zijn grote bezorgdheid over de situatie van de mensenrechten van meisjes en vrouwen in El Salvador, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en veroordeelt alle vormen van geweld tegen vrouwen; herinnert eraan dat er sprake is van een ernstige schending van de mensenrechten en waardigheid van vrouwen en meisjes; benadrukt dat artikel 7 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (dat El Salvador op 3 maart 2016 geratificeerd) gedwongen zwangerschap als een misdrijf tegen de menselijkheid en een vorm van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen definieert, hetgeen een ernstige schending van de mensenrechten en de waardigheid van vrouwen en meisjes vormt;

2.  verwerpt zeer streng de veroordeling en opsluiting van vrouwen en meisjes die een miskraam of een doodgeboren kind hebben gehad, en vraagt hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating; is van mening dat niemand mag worden bestraft op basis van deze veroordelingen;

3.  veroordeelt de vervolging van vrouwen voor abortus, de lange perioden in voorlopige hechtenis en disproportionele strafrechtelijke sancties voor vrouwen die een abortus wensen, alsook de opsluiting van vrouwen kort nadat zij op zoek naar zorg naar het ziekenhuis zijn gegaan, nadat gezondheidswerkers hen bij de autoriteiten melden uit angst om zelf bestraft te worden;

4.  veroordeelt de absolute strafbaarstelling van abortus volgens artikelen 133, 135 en 136 van het strafwetboek en de ernstige en discriminerende gevolgen voor vrouwen die gedwongen zijn hun toevlucht te nemen tot onveilige abortusmethoden, waardoor hun gezondheid en leven ernstig gevaar lopen; vraagt de wetgevende vergadering van El Salvador de aanbevelingen van Zeid Ra'ad Al Hussein, de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, en de aanbeveling van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen om een moratorium in te stellen op de toepassing ervan, te volgen;

5.  vraagt El Salvador ervoor te zorgen dat vrouwen en meisjes toegang hebben tot veilige en legale abortus; vraagt de wetgevende vergadering van El Salvador in dit verband het wetsvoorstel tot wijziging van artikelen 133, 135 en 136 van het strafwetboek te steunen om abortus te decriminaliseren, minstens in gevallen waarin de zwangerschap een gevaar vormt voor het leven of de fysieke of mentale gezondheid van de vrouw of het meisje, waarin de foetus ernstig of fataal beschadigd is of waarin de zwangerschap het resultaat is van verkrachting of incest;

6.  vraagt de autoriteiten van El Salvador een moratorium in te stellen op de handhaving van de huidige wetgeving en de opsluiting van vrouwen die beschuldigd worden van een miskraam, doodgeboorte of misdaden in verband met abortus, te herzien teneinde hun vrijlating te garanderen, een eerlijk proces te waarborgen in abortusgerelateerde procedures zodat verdachte vrouwen hun proces buiten de gevangenis kunnen afwachten, en professionele geheimhouding voor alle gezondheidswerkers en vertrouwelijkheid voor patiënten te garanderen; veroordeelt alle strafmaatregelen tegen vrouwen en meisjes die een abortus wensen, alsook voor gezondheidswerkers en anderen die helpen de procedure te verkrijgen en uit te voeren, en dringt aan op de afschaffing van dergelijke maatregelen;

7.  herinnert aan de plicht van de Salvadoraanse regering om de rechten van haar burgers te beschermen en de rechtsstaat te respecteren met betrekking tot het beginsel van het vermoeden van onschuld, namelijk dat personen in staat van beschuldiging moeten worden behandeld als onschuldig tot het tegendeel bewezen is, en dat de bewijslast op de vervolgende autoriteiten rusten en niet op de individuele verweerster, in overeenstemming met het Statuut van Rome, dat door El Salvador werd geratificeerd; verzoekt de autoriteiten van El Salvador om genderopleidingen te verlenen aan ambtenaren, waaronder leden van de rechterlijke macht; vraagt de EDEO en de Commissie dergelijke inspanningen te steunen en te financieren;

8.  veroordeelt onmenselijke omstandigheden in gevangenissen, zoals foltering, gevangenen in isolatie plaatsen en familiebezoek opschorten; vraagt de Salvadoraanse regering om het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering te ratificeren als maatregel ter voorkoming van foltering en onmenselijke en vernederende behandeling in alle gevangenissen en detentiecentra; vraagt dat onafhankelijke internationale organisaties toegang krijgen tot de gevangenissen; dringt er bij de Salvadoraanse autoriteiten op aan de voorwaarden te verbeteren van gedetineerde vrouwen, onder meer door hen toegang te verlenen tot hygiëneproducten, en daarmee hun fundamentele mensenrechten te eerbiedigen;

9.  herinnert de regering en de rechterlijke macht eraan dat zij gebonden zijn internationale normen van gelijke toegang tot de rechter en de beginselen voor een eerlijk proces voor iedereen na te leven, en dat schuld pas kan worden vastgesteld na het bekijken van concrete en voldoende bewijsmateriaal; verzoekt de regering voldoende overheidsmiddelen ter beschikking te stellen ter ondersteuning van de vertegenwoordiging in rechte van degenen die zich dit niet kunnen veroorloven;

10.  verzoekt de rechterlijke macht om te zorgen voor een eerlijk proces met alle garanties voor Teodora del Carmen Vásquez en Evelyn Beatriz Hernández Cruz en hun beslissingen te vernietigen; uit zijn solidariteit met de campagne "Las 17", vrouwen die onterecht gevangen zijn gezet voor straffen tot 40 jaar voor wat neerkomt op miskramen, doodgeboorten en andere verloskundige complicaties; betuigt zijn solidariteit met alle Salvadoraanse vrouwen die om soortgelijke redenen worden vervolgd of wegens "moord met verzwarende omstandigheden" werden veroordeeld; vraagt de bevoegde autoriteiten alle gevallen te herzien met het oog op de verlening van gratie;

11.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over het grote aantal zwangerschappen bij kinderen in El Salvador; dringt er bij de Salvadoraanse autoriteiten op aan hun internationale verplichtingen na te komen en de mensenrechten te beschermen door te waarborgen dat alle meisjes toegang hebben tot alle mogelijke informatie en medische diensten ten behoeve van risicozwangerschappen ten gevolge van verkrachting;

12.  vindt het betreurenswaardig dat de lichamen van vrouwen en meisjes, met name als het gaat om hun seksuele gezondheid en reproductieve rechten, nog altijd een ideologisch slagveld vormen, en verzoekt El Salvador om het onvervreemdbare recht van vrouwen en meisjes op lichamelijke integriteit en autonome besluitvorming, onder meer ten aanzien van het recht op vrijwillige gezinsplanning en het recht op veilige en wettige abortus, te erkennen; is van oordeel dat het algemene verbod op therapeutische abortus en abortus in geval van zwangerschappen die het gevolg zijn van verkrachting of incest, alsmede de weigering om te zorgen voor gratis gezondheidszorg in geval van verkrachting, neerkomt op foltering;

13.  looft de goedkeuring van de Speciale alomvattende wet inzake een geweldloos leven voor vrouwen na een verenigde, partijoverschrijdende stemming door vrouwelijke leden van de Salvadoraanse wetgevende vergadering, en herinnert de Salvadoraanse autoriteiten eraan dat deze wet volledig moet worden ten uitvoer gelegd, in het bijzonder wat de bescherming van vrouwen en meisjes tegen geweld betreft;

14.  is ingenomen met de recente invoering van het beleid van El Salvador op het vlak van seksuele en reproductieve gezondheid en het nieuwe programma "Ciudad Mujer", dat over het hele land diensten heeft ontwikkeld voor 1,5 miljoen mensen, in het bijzonder via bewustmaking en voorlichting over seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, steunt haar inspanningen en dringt er bij de regering van El Salvador op aan te zorgen voor toegang tot moderne contraceptie-informatie en -diensten en inspanningen te leveren om alomvattende seksuele voorlichting te verstrekken op openbare scholen;

15.  dringt er bij de Raad op aan vaart te zetten achter zijn werkzaamheden zodat de EU het Verdrag van Istanbul kan ratificeren en uitvoeren ter garantie van coherentie tussen de interne en de externe maatregelen van de EU op het gebied van geweld tegen kinderen, vrouwen en meisjes;

16.  verzoekt de Raad om het onderwerp "veilige en legale abortus" op te nemen in de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes; benadrukt dat universele toegang tot gezondheid, in het bijzonder tot seksuele en reproductieve gezondheid en tot de daarmee verband houdende rechten, een fundamenteel mensenrecht is;

17.  vraagt de staatshoofden en regeringsleiders van de EU-Celac tijdens hun top het hoofdstuk over gendergerelateerd geweld in het actieplan EU-Celac te versterken teneinde een duidelijk tijdschema voor actie op te stellen en maatregelen te nemen ter waarborging van zorgvuldigheid in verband met de preventie van en het onderzoek naar en de bestraffing voor alle daden van geweld tegen vrouwen en de slachtoffers passende compensatie te bieden;

18.  is ingenomen met de inspanningen van de delegatie van de EU in El Salvador om het gesprek aan te gaan met de nationale autoriteiten over vrouwenrechten, waaronder de strafbaarstelling van abortus; dringt erop aan deze kwestie als een hoge prioriteit te beschouwen en vraagt de EDEO regelmatig aan het Parlement verslag uit te brengen over werkzaamheden op dit vlak; dringt erop dat de EU-delegatie alle passende steun verleent aan de vrouwen die in de gevangenis zitten voor abortusgerelateerde misdaden, waaronder regelmatige bezoeken, steun aan hun familieleden en het bieden van rechtsbijstand;

19.  herinnert de EU aan haar engagement binnen het kader voor gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen via de externe betrekkingen van de EU 2016-2020; vraagt de EDEO de herziening van de zaken ter plaatse nauwgezet te volgen en verzoekt de Commissie te waarborgen dat in het kader van de Europese ontwikkelingssamenwerking een op de mensenrechten gebaseerde aanpak wordt gevolgd, met bijzondere aandacht voor gendergelijkheid en de bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes; vraagt de EU-lidstaten en -instellingen meer steun te verlenen aan lokale mensenrechtenactivisten en ngo's die ijveren voor de rechten van vrouwen en meisjes, in het bijzonder seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en familieplanning in El Salvador, met inbegrip van de financiering;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de overheidsinstanties van El Salvador, het Bureau van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten van de VN, het Centraal-Amerikaanse Parlement, het Latijns-Amerikaanse Parlement, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering en de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0502.
(2) PB L 224 van 6.9.2003, blz. 1.


Situatie in Afghanistan
PDF 192kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2017 over de situatie in Afghanistan (2017/2932(RSP))
P8_TA(2017)0499RC-B8-0678/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de resultaten van de internationale conferentie over Afghanistan, die op 5 oktober 2016 in Brussel is gehouden onder medevoorzitterschap van de Europese Unie,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Afghanistan, in het bijzonder die van 26 november 2015 over Afghanistan - met name de moorden in de provincie Zabul(1), en die van 13 juni 2013 over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Afghanistan(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 oktober 2017 over Afghanistan,

–  gezien de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad van 14 september 2016 over de situatie in Afghanistan,

–  gezien resolutie 2210(2015) en resolutie 2344 (2017) van de VN-Veiligheidsraad en het mandaat van de VN-Bijstandsmissie in Afghanistan (Unama),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 24 juli 2017 van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Bouwstenen voor een EU-strategie ten aanzien van Afghanistan" (JOIN(2017)0031),

–  gezien het rapport van Human Rights Watch (HRW) van 13 februari 2017 getiteld "Pakistan Coercion, UN Complicity: The Mass Forced Return of Afghan Refugees",

–  gezien het kwartaalverslag van de speciale inspecteur-generaal van de VS voor de wederopbouw van Afghanistan (SIGAR) aan het Congres van de Verenigde Staten van 30 januari 2017,

–  gezien de op 3 oktober 2016 ondertekende gezamenlijke koersbepaling van de EU en Afghanistan inzake migratie,

–  gezien de op 18 februari 2017 ondertekende samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de EU en Afghanistan,

–  gezien het VN-verslag van april 2017 over de behandeling van conflictgerelateerde gedetineerden in Afghanistan,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten sinds 2001 hebben samengewerkt met Afghanistan en met de ruimere internationale gemeenschap om terrorisme en extremisme te bestrijden, en tegelijkertijd duurzame vrede en ontwikkeling te bevorderen; overwegende dat deze doelstellingen en de reeds geboekte grote vorderingen verloren dreigen te gaan door de toenemende druk van opstandelingen en terroristen, een haperende economie, en politieke instabiliteit;

B.  overwegende dat de EU en haar lidstaten sinds 2002 al miljarden euro's aan humanitaire en ontwikkelingshulp en bijstand voor Afghanistan hebben bijgedragen; overwegende dat de EU de grootste partner inzake ontwikkelingssamenwerking van Afghanistan is en naar verwachting zal instaan voor maximaal 5 miljard EUR van de in totaal 13,6 miljard EUR die tijdens de internationale conferentie in Brussel over Afghanistan van oktober 2016 is toegezegd aan Afghanistan voor de periode 2017-2020;

C.  overwegende dat het verzekeren van de democratie, de mensenrechten, de rechtsstaat en goed bestuur tijdens de overgangsperiode in Afghanistan en in het tijdperk van transformatie daarna (2015-2024) essentieel is om een stabiele en welvarende staat tot stand te brengen;

D.  overwegende dat de levensstandaard de afgelopen 15 jaar sterk is gestegen, omdat dankzij toegang tot elementaire gezondheidszorg, onderwijs, en empowerment van vrouwen, het bbp per hoofd van de bevolking nu vijf keer hoger is dan in 2001 en de gemiddelde levensverwachting met 15 jaar is toegenomen; overwegende dat volgens de speciale inspecteur-generaal van de VS voor de wederopbouw van Afghanistan (SIGAR) het aantal schoolgaande kinderen sinds de val van de Taliban in 2001 gestegen is van één miljoen leerlingen, waarvan de meerderheid jongens, tot bijna negen miljoen in 2015, waarvan 39 % meisjes;

E.  overwegende dat de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op 24 juli 2017 een gezamenlijke mededeling over een EU-strategie ten aanzien van Afghanistan hebben gepubliceerd; overwegende dat de EU vier prioritaire gebieden heeft vastgesteld, die cruciaal zijn om in Afghanistan vooruitgang te boeken: a) bevordering van vrede, stabiliteit en regionale veiligheid; b) versterking van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten en bevordering van behoorlijk bestuur en verbetering van de positie van de vrouw; c) ondersteuning van economische en menselijke ontwikkeling; d) aanpak van migratievraagstukken;

F.  overwegende dat de regering van nationale eenheid sinds de crisis bij de presidentsverkiezingen van 2014 geen vorderingen meer heeft kunnen maken met betrekking tot haar hervormingsprogramma, met een steeds instabielere politieke situatie tot gevolg; overwegende dat het werkloosheidspercentage in Afghanistan 39 % bedraagt en meer dan 39 % van de bevolking in armoede leeft;

G.  overwegende dat de wijdverbreide corruptie, het diepgewortelde nepotisme en het onvermogen van de politiek verdeelde Afghaanse regering om vorderingen te boeken met de hervormingen de vooruitgang dreigen te vertragen en reeds behaalde resultaten ongedaan dreigen te maken;

H.  overwegende dat de in 2002 opgerichte Bijstandsmissie van de Verenigde Naties in Afghanistan (Unama) de Afghaanse regering steunt bij haar inspanningen om vrede, de bescherming van de mensenrechten en goed bestuur te bereiken; overwegende dat het mandaat van de Unama jaarlijks door de VN-Veiligheidsraad wordt verlengd en onlangs met eenparigheid van stemmen tot 2018 werd verlengd;

I.  overwegende dat de laatste jaren weliswaar enige sociaal-economische en politieke vooruitgang is geboekt, maar dat de instabiliteit dreigt uit te groeien tot een conflict van grotere schaal als gevolg van de heropleving van de Taliban en Al Qaida en recent ook de aanwezigheid van Islamitische Staat (IS) in Afghanistan, met onder meer de recent opkomende lokale tak ISKP (Islamitische Staat van de provincie Khorasan); overwegende dat in het onlangs verschenen verslag van de Unama het hoogste aantal slachtoffers sinds 2009 wordt gemeld, met 11 318 burgerslachtoffers in 2016, terwijl er tussen januari en september 2017 sprake was van reeds 8 019 slachtoffers; overwegende dat dit ook tot een toename van de migratie naar Europa heeft geleid;

J.  overwegende dat 4 000 extra militairen het reeds aanwezige contingent van 8 400 Amerikaanse militairen zullen versterken in het kader van de nieuwe strategie van de VS voor Afghanistan en Zuid-Azië; overwegende dat in de nieuwe strategie van de VS wordt geëist dat Pakistan stopt met het verlenen van onderdak en ondersteuning aan terroristen, en wordt opgeroepen tot meer betrokkenheid van India om de regio te helpen stabiliseren; overwegende dat het aantal manschappen van de NAVO-missie Resolute Support van 13 000 tot 16 000 zal worden uitgebreid; overwegende dat bij de ontwikkeling van de nieuwe strategie van de VS de voorkeur gegeven zal worden aan een aan voorwaarden gebonden aanpak, waarbij diplomatieke en economische akkoorden opgenomen zullen worden in het kader van de militaire inspanning;

K.  overwegende dat Afghanistan wordt geconfronteerd met een ongekende toevloed van terugkerende Afghaanse onderdanen, met en zonder papieren, vooral uit Pakistan; overwegende dat ongeveer twee miljoen Afghanen zonder papieren en een miljoen Afghanen met vluchtelingstatus in Iran verblijven en naar Afghanistan zullen terugkeren; overwegende dat er volgens de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten van intern ontheemden sprake is van meer dan 1,8 miljoen intern ontheemden in Afghanistan als gevolg van het conflict, en dat in 2016 een recordaantal werd bereikt toen 650 000 mensen – oftewel gemiddeld 1 500 mensen per dag – naar andere delen van het land vluchtten op zoek naar veiligheid; overwegende dat in de tweede helft van 2016 een tienjarige piek werd opgetekend in het aantal Afghaanse vluchtelingen die terugkeerden uit Pakistan (370 000 tegenover 55 000 in 2015);

L.  overwegende dat India de grootste regionale donor is voor Afghanistan, met ongeveer 3 miljard USD aan steun sinds de afzetting van de Taliban-regering in 2001; overwegende dat deze steun onder meer gebruikt werd voor de bouw van meer dan 200 scholen in Afghanistan, voor meer dan 1 000 beurzen voor Afghaanse studenten, en om aan ongeveer 16 000 Afghaanse studenten de mogelijkheid te bieden in India te gaan studeren; overwegende dat India ook steun heeft verleend voor de bouw van kritieke infrastructuur, zoals de aanleg van ongeveer 4 000 km aan wegen in Afghanistan, met name de snelweg tussen Zaranj en Delaram, de Salma-dam en elektriciteitsleidingen, en de bouw van het Afghaanse parlement;

M.  overwegende dat de instabiliteit in Afghanistan negatieve gevolgen heeft voor de economie en de veiligheid in Iran en in de ruimere omgeving; overwegende dat de economie van Afghanistan sterk afhankelijk is van de productie van papaver, die de afgelopen jaren sterk toegenomen is, met een stijging van het drugsgebruik in buurland Iran als gevolg; overwegende dat deze illegale drugshandel door de Taliban gebruikt wordt om haar operaties te financieren; overwegende dat de beperking van deze handel en het vinden van economische alternatieven voordelig zou zijn voor zowel Iran als Afghanistan; overwegende dat opium uit Afghanistan de belangrijkste grondstof is van heroïne in de EU; overwegende dat samenwerking met Iran en andere buurlanden, zoals Tadzjikistan, Turkmenistan en Oezbekistan, noodzakelijk is om de opiumstroom naar Russische en Europese markten verder te beperken;

N.  overwegende dat een nieuwe infrastructuurdimensie van cruciaal belang is voor de toekomst van Afghanistan, om een volledig nieuwe realiteit met economische en sociale kansen voor een van de armste landen ter wereld mogelijk te maken; overwegende dat een nieuw nationaal programma voor infrastructuurontwikkeling positieve en toenemende regionale investeringen zal aantrekken in het kader van de nieuwe zijderoute;

O.  overwegende dat bepaalde bronnen melden dat Afghanistan nog tussen één en drie biljoen dollar aan onontgonnen minerale reserves heeft; overwegende dat illegale mijnbouw een groot probleem is, dat een potentiële motor voor ontwikkeling in Afghanistan tot een bron van conflict en instabiliteit dreigt te maken; overwegende dat mijnbouw de op een na grootste bron van inkomsten is voor de Taliban;

1.  erkent dat Afghanistan, ondanks de reeds geruime tijd geleverde grote internationale inspanningen, nog steeds kampt met een ernstig conflict dat de economische en sociale ontwikkeling van het land hindert; herinnert eraan dat Afghanistan verscheurd is door bijna 40 jaar conflict en oorlog; herinnert aan de doelstellingen van de Europese Unie, namelijk de bevordering van vrede, stabiliteit en veiligheid in de regio, de versterking van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, het stimuleren van goed bestuur en empowerment van vrouwen, de ondersteuning van de economische en menselijke ontwikkeling, en het aanpakken van de uitdagingen met betrekking tot migratie;

2.  herinnert eraan dat Afghanistan de laatste vijftien jaar vooruitgang heeft geboekt op het gebied van politiek, veiligheid, economie en ontwikkeling; benadrukt dat het bbp per hoofd van de bevolking vervijfvoudigd is, dat de levensverwachting met bijna 15 jaar is gestegen, en dat het aantal meisjes dat naar school gaat aanzienlijk is toegenomen ten opzichte van 2001, aangezien hun aandeel nu ongeveer 40 % van de in totaal 8 à 9 miljoen schoolgaande kinderen bedraagt; benadrukt dat niets van het bovenstaande mogelijk zou zijn geweest zonder de toewijding van de Afghaanse bevolking, de inzet van de internationale gemeenschap, en de verstrekte middelen, knowhow en medewerkers ter plaatse; wijst erop dat de behaalde vooruitgang nog erg kwetsbaar is en ongedaan kan worden gemaakt; beklemtoont dat verdere hervormingen en stabiele betrekkingen met de buurlanden nodig zijn en het vereiste niveau van veiligheid en stabiliteit gewaarborgd moet blijven om nog meer vooruitgang te boeken;

3.  erkent de inspanningen en prijst de opofferingsgezindheid van de internationale gemeenschap, die meer dan tien jaar lang heeft gezorgd voor veiligheid in Afghanistan in het kader van de operatie Enduring Freedom en de ISAF-missie in Afghanistan, waarbij bijna 3 500 militairen het leven lieten; is ingenomen met de door de NAVO geleide missie Resolute Support, waaraan 39 landen deelnemen en die sinds 1 januari 2015 belast is met het opleiden, adviseren en ondersteunen van de Afghaanse veiligheidstroepen en instellingen; prijst de grote opofferingsgezindheid van de ANSF, die jaarlijks zware verliezen lijden in de strijd tegen opstandelingen; herinnert eraan dat de internationale gemeenschap jaarlijks bij benadering 1 miljard USD bijdraagt om de financiering van de ANSF tot 2020 te verzekeren;

4.  is ingenomen met de inspanningen van de Afghaanse regering voor een nationale strategie die gericht is op een politiek, sociaal, economisch en veilig milieu dat een vreedzaam, veilig en duurzaam Afghanistan mogelijk zal maken, zoals bepaald in de conclusies van de ministerconferentie over Afghanistan in Brussel op 5 oktober 2016; dringt erop aan de functie van eerste minister op te nemen in de Afghaanse grondwet, om meer politieke stabiliteit in Afghanistan mogelijk te maken; roept de Afghaanse regering op om te zorgen voor een transparante verkiezingsprocedure in 2018; verzoekt de Afghaanse president Ashraf Ghani zijn krachtige publieke toezeggingen inzake de bescherming van rechten en vrijheden te koppelen aan een snelle en solide uitvoering van wetgeving daartoe;

5.  benadrukt dat de enige weg voorwaarts een door Afghanen geleid en vormgegeven vredesproces is, waarbij het volledige maatschappelijke middenveld en alle partijen in het conflict zonder voorwaarden betrokken moeten worden; herinnert de Afghaanse regering eraan dat, om ontwikkeling mogelijk te maken en vrede en stabiliteit te bevorderen, de politieke machtsstrijd moet stoppen; roept de EU op om actief ondersteuning te bieden bij een door de Afghanen geleide ontwapening en demobilisatie van en een re-integratieprogramma voor voormalige opstandelingen;

6.  onderstreept het belang van Afghanistan voor de regionale stabiliteit; beklemtoont dat een veilig, stabiel en welvarend Afghanistan essentieel is voor vrede en stabiliteit in de hele regio; herhaalt in dit verband het belang van de regionale partners, zoals de landen van Centraal-Azië, Iran, China, India en Pakistan; spoort deze aan om constructief en onvoorwaardelijk samen te werken aan een oprecht en resultaatgericht onderhandelingsproces; neemt kennis van de werkzaamheden van de quadrilaterale coördinatiegroep over Afghanistan, bestaande uit de VS, China, Afghanistan en Pakistan, die in december 2015 is opgericht;

7.  merkt met grote bezorgdheid op dat de veiligheidssituatie in Afghanistan er ondanks het politieke akkoord na de presidentsverkiezingen van 2014 op achteruit is gegaan, en het aantal terroristische aanvallen is vermenigvuldigd; is gealarmeerd door de aanhoudende territoriale expansie van de Taliban en de recente opkomst van terroristische groeperingen rond IS en Al Qaida; wijst erop dat, volgens de speciale inspecteur-generaal van de VS voor de wederopbouw van Afghanistan, van januari tot en met november 2016 bij de Afghaanse strijdkrachten 6 785 doden en 11 777 gewonden zijn gevallen, en dat de Unama bovendien meldt dat het aantal burgerslachtoffers in 2016 (3 498 doden en 7 920 gewonden) met 3 % gestegen is ten opzichte van het voorgaande jaar; betreurt de verslechterende veiligheidssituatie, waardoor criminele groepen zowel Afghaanse burgers als buitenlanders, onder wie humanitaire hulpverleners, kunnen ontvoeren;

8.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de opkomst van IS als nieuwste factor waardoor het veiligheidsklimaat in Afghanistan steeds fragieler wordt; onderstreept dat IS niet alleen een bolwerk in handen heeft in het oosten van het land (Nangarhar), maar ook tracht zich in het noorden van het land te laten gelden met steun van de Islamitische Beweging van Oezbekistan (IMU); benadrukt dat als IS daarin slaagt, het gebied zal kunnen uitgroeien tot een toevluchtsoord voor buitenlandse strijders en militanten uit Irak en Syrië, nu IS in die twee landen militaire nederlagen heeft geleden;

9.  onderstreept het belang van een oprecht binnenlands verzoeningsproces; onderstreept de noodzaak om radicalisering, extremisme en werving door terroristische organisaties te bestrijden; onderstreept dat de bestrijding van terrorisme en terrorismefinanciering van cruciaal belang is om een veiligheidsbevorderend klimaat in Afghanistan te scheppen;

10.  waarschuwt dat de gebrekkige capaciteit van de Afghaanse nationale veiligheidstroepen (ANSF) en de landelijke politie nog steeds een van de grootste bedreigingen is voor de veiligheid en heropbouw van Afghanistan; is ingenomen met de continue focus van de EU op de versterking van de rol en rechten van Afghaanse vrouwen en erkent dat er vrouwelijke politieagenten moeten worden opgeleid; verneemt met instemming de inspanningen van India om Afghanistan te ondersteunen door in december 2015 materieel voor het Afghaanse leger te leveren en door militaire training te geven aan duizenden Afghaanse veiligheidsfunctionarissen, wat aanzienlijk geholpen heeft om de militaire capaciteit van het land te versterken, in overeenstemming met de doelstelling van de in januari 2015 gelanceerde en door de NAVO geleide missie "Resolute Support" om de Afghaanse veiligheidstroepen en instellingen te adviseren en assisteren; voelt zich aangemoedigd door het werk dat reeds verricht is door en de samenwerking tussen India en Afghanistan met betrekking tot infrastructuurprojecten en humanitaire steun;

11.  is van oordeel dat de strijd tegen corruptie in de Afghaanse overheidsinstellingen een permanente hoofdprioriteit moet zijn, gezien de rechtstreekse negatieve gevolgen van corruptie voor de kwaliteit van het bestuur van het land; verzoekt de regering van Afghanistan de politieke inclusie te vergroten, de verantwoordingsplicht te versterken en de cultuur van corruptie en nepotisme actief te bestrijden; is in dit verband met name verheugd over de oprichting van het justitieel centrum voor corruptiebestrijding in juni 2016; wijst bovendien op de oproep van de Unama aan de internationale gemeenschap om de inspanningen van de Afghaanse regering op het gebied van corruptiebestrijding te blijven steunen;

12.  vraagt de Afghaanse regering en haar regionale partners, met name Iran, om de strijd aan te gaan tegen illegale drugshandel en illegale mijnbouw, en samen te werken om deze illegale praktijken, die nefast zijn voor de stabiliteit in de regio, tegen te gaan; herinnert alle partijen eraan dat dit de belangrijkste financieringsbronnen zijn voor terreurorganisaties in de regio; erkent dat elke verdere ontwikkeling van de mijnbouw duurzaam moet zijn en de brede bevolking ten goede moet komen, in overeenstemming met internationale normen; veroordeelt de repressie, illegale drugshandel, landroof, onrechtmatige inbeslagname en afpersing door krijgsheren; herinnert eraan dat de productie van en handel in opium in Afghanistan desastreuze gevolgen heeft voor de lokale bevolking en de algemene veiligheid van het land;

13.  is verheugd over het lidmaatschap van Afghanistan van het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën; dringt er bij de Afghaanse regering op aan de transparantie in de mijnbouwsector te verhogen en strenge eisen voor vergunningen en toezicht vast te stellen om voor een duurzame winningsindustrie te zorgen; dringt er bij de regering op aan meer inspanningen te leveren om vitale publieke hulpbronnen zoals grond en mineralen te beschermen tegen exploitatie door netwerken van criminelen en opstandelingen;

14.  steunt de Afghaanse bevolking en dringt erop aan dat alle bij het conflict betrokken partijen zich houden aan het internationaal humanitair recht, en respect opbrengen voor de rechten van alle leden van de samenleving, in het bijzonder minderheden, vrouwen en kinderen, die onevenredig zwaar getroffen worden door de situatie; verzoekt de Afghaanse autoriteiten om vast te houden aan het op 30 januari 2011 in Kabul ondertekende actieplan van de VN en Afghanistan over de praktijk van "bacha bazi" en de rehabilitatie van kinderen die het slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik; veroordeelt de aanvallen op ziekenhuizen en gezondheidscentra, scholen en humanitaire operaties; veroordeelt met klem de aanhoudende schendingen van de mensenrechten en het barbaarse geweld tegen de Afghaanse bevolking van de Taliban, IS en Al Qaida; vestigt de aandacht op de risico's die verbonden zijn aan de terugkeer van voormalige oorlogsmisdadigers, met name Gulbuddin Hekmatyar, de stichter van Hizb-e-Islami, die in 2003 door de VS als terrorist werd aangemerkt en die in verband wordt gebracht met de toegenomen aanwezigheid van IS in Afghanistan;

15.  is gealarmeerd door het oplaaiende geweld tegen vrouwen, de flagrante schending van de vrouwenrechten en de erbarmelijke leefomstandigheden van vrouwen in de gebieden van Afghanistan die onder controle staan van de Taliban; herhaalt zijn oproep aan het Afghaanse parlement en de Afghaanse regering om alle wetten in te trekken die elementen bevatten van vrouwendiscriminatie, wat indruist tegen de internationale verdragen die Afghanistan heeft ondertekend; is ingenomen met de nadruk op de emancipatie van vrouwen en gendermainstreaming in de bijstand van de EU aan Afghanistan, met name het feit dat 53 % van de EU-programma's gendergelijkheid als belangrijke doelstelling heeft; staat volledig achter de onverkorte tenuitvoerlegging van resolutie 1325(2000) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, en van andere interne maatregelen ter bevordering van gendergelijkheid en de emancipatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan, alsmede ter bestrijding van geweld tegen vrouwen;

16.  roept de regeringen van regionale partners zoals de landen in Centraal-Azië, Iran, India, Rusland en Pakistan op om samen te werken met het oog op een vredesregeling in Afghanistan, langdurige sociaal-economische ontwikkeling en meer nationale stabiliteit, en om samen te werken voor veiligheids- en terrorismekwesties; spoort tevens aan tot het delen van inlichtingen en tot samenwerking om terroristen en extremisten aan beide kanten van de grens te bestrijden; spoort alle Afghaanse regionale actoren aan om zich onvoorwaardelijk en op een transparante manier in te zetten in de strijd tegen terrorisme;

17.  herhaalt dat de internationale gemeenschap zich in Afghanistan moet blijven inzetten en moet bijdragen aan de wederopbouw van het land, de ontwikkeling van zijn economie en de strijd tegen terrorisme; is ingenomen met de financiële toezeggingen die de EU en de lidstaten op de conferentie in Brussel hebben bevestigd; verzoekt met name om steun voor initiatieven die zich richten op de prioritaire behoeften van intern ontheemden en terugkerende vluchtelingen;

18.  erkent dat de EU en haar lidstaten de verantwoordelijkheid hebben om respect op te brengen voor het recht om internationale bescherming te zoeken en deel te nemen aan hervestigingsprogramma's van de UNHCR; benadrukt dat het recht en de mogelijkheid om op veilige en wettelijke manieren toevlucht te zoeken cruciaal zijn om overlijdens onder asielzoekers te voorkomen;

19.  neemt kennis van het sluiten van de gezamenlijke koersbepaling van de EU en Afghanistan inzake een informele terugkeerovereenkomst; betreurt het gebrek aan parlementair toezicht en democratische controle op de sluiting van deze overeenkomst; roept de regeringen in de regio op niet mee te werken aan de repatriëring van Afghanen; wijst erop dat dit een rechtstreekse schending van het internationaal humanitair recht is en dat het groeiende aantal vluchtelingen dat op deze manier behandeld wordt de terroristische groeperingen alleen maar sterker maakt en de instabiliteit in de regio vergroot; benadrukt dat de repatriëring naar Afghanistan het leven van repatrianten ernstig in gevaar brengt, in het bijzonder van alleenstaanden zonder een netwerk van familie of vrienden in Afghanistan, die weinig kans maken om te overleven; onderstreept dat EU-ontwikkelingshulp en -samenwerking toegespitst moet zijn op het verwezenlijken van ontwikkeling en groei in derde landen en op de terugdringing en uiteindelijke uitbanning van armoede, en niet op het aanzetten van derde landen om mee te werken aan het opnemen van irreguliere migranten, mensen sterk te ontmoedigen om te verhuizen of stromen richting Europa te stoppen (resolutie van het Parlement van 5 april 2017 over de aanpak van de vluchtelingen- en migrantenbewegingen: de rol van het externe optreden van de EU(3));

20.  wijst op het besluit van de aanklager van het Internationaal Strafhof om een onderzoek in te stellen naar mogelijke misdaden tegen de menselijkheid in Afghanistan sinds 2003;

21.  verzoekt de Afghaanse autoriteiten alle doodvonnissen om te zetten en opnieuw een moratorium op executies in te stellen in het vooruitzicht van een definitieve afschaffing van de doodstraf; dringt er bij de regering van Afghanistan op aan haar nationale plan voor de uitbanning van foltering onverkort uit te voeren en betreurt de gerapporteerde foltering en mishandeling van conflictgerelateerde gedetineerden door alle partijen in Afghanistan;

22.  is uiterst bezorgd over de explosieve stijging van het aantal intern ontheemde personen in 2016, met meer dan 600 000 nieuwe gevallen van ontheemding, wat kan leiden tot een enorme humanitaire crisis; moedigt alle betrokken partijen aan om deze kwetsbare Afghanen te ondersteunen, en roept de Afghaanse regering op om hen te helpen re-integreren in de Afghaanse samenleving; benadrukt dat volgens ramingen van de Afghaanse autoriteiten, VN-organisaties en andere humanitaire organisaties meer dan 9,3 miljoen mensen tegen eind 2017 humanitaire hulp nodig zullen hebben gehad;

23.  is verheugd dat de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de Europese Unie en Afghanistan op 1 december 2017 voorlopig in werking is getreden als eerste juridisch bindend kader voor de betrekkingen tussen beide partijen; dringt voorts aan op een spoedige bekrachtiging van de overeenkomst door de EU-lidstaten, zodat ze volledig in werking kan treden;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Afghanistan.

(1) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 129.
(2) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 133.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0124.


Situatie van de Rohingya
PDF 182kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2017 over de situatie van de Rohingya (2017/2973(RSP))
P8_TA(2017)0500RC-B8-0668/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Myanmar en de situatie van Rohingya-moslims, met name die van 14 september 2017(1), 7 juli 2016(2) en 15 december 2016(3), en van 13 juni 2017 over staatloosheid in Zuid- en Zuidoost-Azië(4),

–  gezien de conclusies van de Raad over Myanmar/Birma van 16 oktober 2017,

–  gezien de uitspraken die de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, op 19 november 2017 heeft gedaan in Cox's Bazar, Bangladesh,

–  gezien de verklaring van de VV/HV van 6 september 2017 over de situatie in de deelstaat Rakhine, de verklaring van de VV/HV van 11 september 2017 over de laatste ontwikkelingen in de deelstaat Rakhine, Myanmar en het grensgebied in Bangladesh, de verklaring van de VV/HV van 20 november 2017 namens de Europese Unie over Myanmar/Birma en de verklaring van de VV/HV van 23 november 2017 over de ondertekening van een bilaterale repatriëringsovereenkomst tussen de regeringen van Myanmar en Bangladesh,

–  gezien het bezoek van de EU-commissaris voor Humanitaire Hulp en Crisisbeheersing, Christos Stylianides, aan het noorden van de deelstaat Rakhine in mei 2017,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV aan het Europees Parlement en de Raad van 1 juni 2016, getiteld "Elementen voor een strategie van de EU ten aanzien van Myanmar/Birma: een speciaal partnerschap voor democratie, vrede en welvaart" (JOIN(2016)0024),

–  gezien het gezamenlijke persbericht van 25 november 2016 over de derde mensenrechtendialoog EU-Myanmar,

–  gezien de conclusies van de Raad over staatloosheid van 4 december 2015,

–  gezien het memorandum van overeenstemming tussen Myanmar en Bangladesh over de repatriëring van Rohingya van Bangladesh naar Myanmar, dat werd ondertekend op 23 november 2017,

–  gezien de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad over geweld in de deelstaat Rakhine van 6 november 2017,

–  gezien de ontwerpresolutie over de mensenrechtensituatie in Myanmar die door de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de VN is goedgekeurd op 16 november 2017,

–  gezien het verslag van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten van 20 juni 2016 met als titel "Situation of human rights of Rohingya Muslims and other minorities in Myanmar" (Situatie van de mensenrechten van Rohingya-moslims en andere minderheden in Myanmar) en het verslag van de Speciaal Rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Myanmar van 18 maart 2016,

–  gezien de 27e speciale zitting van de VN-Mensenrechtenraad over de mensenrechtensituatie van de minderheid van Rohingya-moslims en andere minderheden in de deelstaat Rakhine in Myanmar,

–  gezien het VN-verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het aanvullende protocol hierbij van 1967,

–  gezien het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954 en het Verdrag tot beperking der staatloosheid van 1961,

–  gezien het mondiale actieplan 2014-2024 van de Hoge Commissaris van de VN voor de Vluchtelingen (UNHCR) om een einde te maken aan staatloosheid,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het eindverslag van de Adviescommissie inzake de deelstaat Rakhine,

–  gezien het Internationale Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, beide van 1966,

–  gezien het Handvest van de ASEAN,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er in de deelstaat Rakhine in Myanmar ongeveer één miljoen Rohingya wonen, een overwegend islamitische minderheid die het slachtoffer is van onderdrukking en aanhoudende ernstige schendingen van de mensenrechten, zoals bedreiging van hun leven en veiligheid, het ontzeggen van het recht op gezondheid en onderwijs, ondervoeding en voedselonzekerheid, dwangarbeid, seksueel geweld en beperkingen van hun politieke rechten;

B.  overwegende dat de Rohingya een van de meest vervolgde minderheden ter wereld zijn, en overwegende dat zij geen gebruik kunnen maken van hun volledige burgerrechten en staatloos zijn geworden op grond van de Birmese wet op het staatsburgerschap van 1982; overwegende dat het grootste deel van de Rohingya gedwongen in kampen woont, met ernstige beperkingen op het vrije verkeer binnen en buiten de deelstaat Rakhine;

C.  overwegende dat de meest recente aanvallen op beveiligingsposten in augustus 2017 een zwaar overtrokken reactie van het leger van Myanmar hebben uitgelokt: het begaan van ernstige mensenrechtenschendingen jegens de Rohingya;

D.  overwegende dat sinds augustus 2017 meer dan 646 000 Rohingya gevlucht zijn naar buurland Bangladesh om zichzelf in veiligheid te brengen, maar daar in erbarmelijke omstandigheden verkeren; overwegende dat het totale aantal Rohingya-vluchtelingen in Bangladesh tegen het einde van 2017 naar verwachting meer dan een miljoen zal bedragen; overwegende dat tientallen mensen, onder wie vrouwen en kinderen, onderweg zijn omgekomen en dat meer dan 400 000 mensen gezondheidszorg en voedselhulp nodig hebben; overwegende dat Rohingya worden vermoord, verkracht en gemarteld en dat hun dorpen worden platgebrand met als doel de sociale structuur van de Rohingya blijvend te beschadigen en de bevolking te traumatiseren;

E.  overwegende dat de grens tussen Myanmar en Bangladesh gemilitariseerd gebied is en dat er landmijnen zijn geplaatst om te voorkomen dat mensen de grens oversteken;

F.  overwegende dat volgens VN-agentschappen de toegang van humanitaire organisaties sterk beperkt blijft, zo ook voor de verstrekking van voedsel, water en medicijnen aan de Rohingya;

G.  overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Zeid Ra'ad Al-Hussein, op 10 september 2017 heeft verklaard dat de situatie in Myanmar "een schoolvoorbeeld van etnische zuiveringen lijkt te zijn" en op 5 december 2017 dat genocide van de Rohingya-moslims door strijdkrachten in Myanmar niet kan worden uitgesloten; overwegende dat Amnesty International de situatie van de minderheden in de deelstaat Rakhine als "apartheid" heeft bestempeld en dat de VN-Mensenrechtenraad "de naar alle waarschijnlijkheid tegen de menselijkheid gepleegde misdaden" in Myanmar heeft veroordeeld;

H.  overwegende dat op de donorconferentie die op 23 oktober 2017 in Genève is gehouden door de UNHCR, het OCHA, de IOM, de Europese Unie en de regering van Koeweit toezeggingen voor hulp aan Bangladesh en Myanmar zijn gedaan voor een totaal bedrag van 344 miljoen USD, waarvan meer dan de helft afkomstig was van de EU;

I.  overwegende dat de regeringen van Myanmar en Bangladesh een niet-bindend memorandum van overeenstemming hebben ondertekend dat de veilige terugkeer moet garanderen van Rohingya-vluchtelingen die naar Bangladesh zijn gevlucht; overwegende dat de VV/HV de ondertekening van het memorandum van overeenstemming een belangrijke stap heeft genoemd bij de aanpak van een van de ernstigste humanitaire en mensenrechtencrises van deze tijd; overwegende dat het onduidelijk is hoeveel potentiële gerepatrieerde Rohingya er in kampen en tijdelijke opvanglocaties zullen worden ondergebracht; overwegende dat er geen duidelijk tijdschema is voor een terugkeer naar een veilige leef- en woonsituatie of voor de erkenning van hun burgerschapsrechten;

1.  is sterk gekant tegen de aanhoudende gewelddadigheden en moorden, het stelselmatige gebruik van geweld en het verlies van levens, bestaansmiddelen en onderdak in de deelstaat Rakhine; drukt zijn ernstige bezorgdheid uit over de humanitaire en mensenrechtensituatie, en geeft blijk van oprecht medeleven met en hartgrondige steun voor de Rohingya; herinnert eraan dat de autoriteiten van Myanmar de plicht hebben alle burgers zonder onderscheid te beschermen tegen geweld, onderzoeken in te stellen naar ernstige schendingen van de mensenrechten en de schuldigen te vervolgen, in overeenstemming met de normen en verplichtingen op het gebied van de mensenrechten;

2.  roept een onmiddellijke halt toe aan het geweld tegen, het vermoorden, intimideren en verkrachten van Rohingya en aan het platbranden van hun huizen door de veiligheidstroepen van Myanmar;

3.  dringt er bij de autoriteiten van Myanmar op aan samen te werken met internationale hulporganisaties, de EU en de VN om onmiddellijk ongehinderde internationale humanitaire toegang tot de deelstaat Rakhine te verlenen, inclusief specifieke steun voor kwetsbare groepen als kinderen, ouderen en slachtoffers van seksueel geweld; dringt er bij de regering van Myanmar op aan maatregelen uit te voeren overeenkomstig Resolutie 2106 (2013) van de VN-Veiligheidsraad om gevallen van seksueel geweld te voorkomen en daarop te reageren;

4.  verzoekt de autoriteiten van Myanmar onafhankelijke waarnemers toe te laten, met name de VN-onderzoeksmissie die in maart 2017 is ingesteld door de VN-Mensenrechtenraad, om toe te zien op onafhankelijke en onpartijdige onderzoeken naar de beschuldigingen van ernstige mensenrechtenschendingen door alle partijen; dringt er bij alle partijen op aan erop toe te zien dat mensenrechtenschendingen niet ongestraft blijven; is van oordeel dat als er bewijs is voor mensenrechtenschendingen de daders een eerlijk proces moeten krijgen, berecht moeten worden door een onafhankelijke, niet-militaire rechtbank zonder de doodstraf opgelegd te krijgen; dringt aan op permanent optreden van de VN-Veiligheidsraad, met inbegrip van een verwijzing naar het Internationale Strafhof, als Myanmar niet in staat is tot vervolging over te gaan of een zaak naar een eigen rechtbank te verwijzen of dat niet wil;

5.  verzoekt de regering van Myanmar om nationale en internationale mediaorganisaties volledige, ongehinderde toegang te verschaffen tot de deelstaat Rakhine en de veiligheid en beveiliging van hun werknemers te waarborgen;

6.  herhaalt zijn oproep aan de regering van Myanmar om onmiddellijk te stoppen met het inzetten van landmijnen en alle bestaande landmijnen te verwijderen, zo ook de landmijnen die onlangs aan de grens met Bangladesh zijn geplaatst; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan daartoe de nodige technische bijstand te verlenen; looft de inspanningen van Bangladesh tijdens de humanitaire crisis in een van zijn buurlanden; is ingenomen met de bescherming die Bangladesh aan Rohingya-vluchtelingen heeft geboden, en spoort het land aan samen met de UNHCR steun te blijven bieden; verzoekt Bangladesh humanitaire operaties door internationale ngo's verder te faciliteren door de administratieve rompslomp te beperken, het registratieproces te vereenvoudigen en de beperkingen van het vrije verkeer te verminderen;

7.  neemt kennis van het memorandum van overeenstemming tussen Myanmar en Bangladesh over repatriëring; dringt er bij de partijen op aan de vrijwillige, veilige en waardige terugkeer van de Rohingya naar hun plaatsen van herkomst ten volle te eerbiedigen zonder enige vorm van discriminatie en met volledig toezicht door de VN; dringt erop aan dat de autoriteiten van Myanmar geloofwaardige garanties bieden dat teruggekeerde personen niet zullen worden vervolgd of onder dwang zullen worden ondergebracht in aparte kampen op basis van etnische of religieuze gronden, en dat zij onafhankelijk en onpartijdig toezicht door mensenrechtenorganisaties waarborgen; bevestigt het beginsel van non-refoulement en verwijst naar de beoordeling van de UNHCR van 24 november 2017 dat "de omstandigheden in de Birmese deelstaat Rakhine momenteel geen veilige en duurzame terugkeer mogelijk maken"; verzoekt de EU om door middel van een intergouvernementele top samen met de VN het voortouw te nemen bij de internationale inspanningen; stelt voor om tijdens deze top de voortgang te evalueren van de repatriëring van de Rohingya en het herstel van hun burgerrechten, en de procedure in gang te zetten voor een onafhankelijk onderzoek naar misdaden tegen de menselijkheid;

8.  verzoekt de EU en haar lidstaten de financiële en materiële steun voor de opvang van vluchtelingen te verhogen, en er tegelijk voor te zorgen dat deze bijstand geen onaanvaardbare oplossingen voor vluchtelingen en repatrianten tot gevolg heeft; verzoekt de internationale actoren financiële steun op poten te zetten waarmee een duurzaam antwoord wordt geformuleerd voor de noden van ontheemde Rohingya en de gemeenschappen waar zij worden opgevangen, via toegang tot passende en verbeterde diensten; vestigt in het bijzonder de aandacht op de dringende behoefte aan financiering ter hoogte van het geschatte bedrag van 10 miljoen USD, van gespecialiseerde medische en geestelijke gezondheidszorg voor slachtoffers van verkrachting en gendergerelateerd geweld; dringt er bij de Commissie op aan een diepgaand onderzoek in te stellen naar de omvang van het seksuele geweld en andere misdaden tegen de Rohingya;

9.  is uiterst bezorgd vanwege de meldingen dat er in Myanmar en Bangladesh Rohingya-vrouwen en -meisjes worden verhandeld, en dringt er bij de autoriteiten van beide landen op aan samen te werken met de UNHCR en met mensenrechtenorganisaties om een einde te maken aan de mensenhandel en de getroffen vrouwen en meisjes bescherming en ondersteuning te bieden;

10.  dringt er bij de regering van Myanmar op aan de aanhoudende en stelselmatige discriminatie aan te pakken; benadrukt dat het onmogelijk is een eind te maken aan hun benarde situatie als de diepere oorzaken niet worden aangepakt; merkt in verband hiermee op dat de ontzegging van rechten aan minderheden in Myanmar verder reikt dan de Rohingya en ook andere etnische groepen treft, waaronder in de deelstaten Kachin en Shan;

11.  is ingenomen met het eindverslag van de Adviescommissie inzake de deelstaat Rakhine, die is opgericht op verzoek van de staatsadviseur; dringt er bij de autoriteiten van Myanmar op aan zo spoedig mogelijk een uitvoeringsorgaan in het leven te roepen om de aanbevelingen van Annan volledig uit te voeren; spoort de EU, de VN en andere internationale actoren ertoe aan het proces te steunen;

12.  benadrukt de aanbeveling van de Adviescommissie met betrekking tot de noodzaak om de wettelijke bepalingen inzake burgerschap in overeenstemming te brengen met internationale normen en verdragen waarbij Myanmar partij is; dringt er bij de regering van Myanmar op aan de wet op het staatsburgerschap te wijzigen en de Rohingya-ingezetenen van wettelijk erkende burgerschapsdocumenten te voorzien waarmee zij worden aanvaard als een etnische minderheid en hun recht op zelfidentificatie gerespecteerd wordt; dringt er bij de regering op aan identiteitskaarten af te geven zonder vermelding van religieuze overtuiging;

13.  benadrukt dat de segregatie van de Rohingya in Myanmar moet worden beëindigd; wenst dat de avondklok voor de Rohingya wordt opgeheven en alle onnodige controlepunten worden ontmanteld; dringt er bij de regering van Myanmar op aan erop toe te zien dat de Rohingya vrij kunnen reizen in de deelstaat Rakhine en de rest van het land en dat met name hun recht op toegang tot gezondheidszorg, voeding, onderwijs en werkgelegenheid wordt gehandhaafd;

14.  roept alle partijen op om doeltreffende democratische instellingen op te bouwen, te werken aan een sterk maatschappelijk middenveld, de fundamentele rechten en vrijheden te eerbiedigen en goed bestuur, de rechtsstaat en een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke macht te bevorderen;

15.  verzoekt de EU en haar lidstaten dringend gerichte sancties op te leggen aan personen bij de militaire en veiligheidsdiensten die verantwoordelijk zijn voor de voortduring van de wijdverbreide schendingen van de mensenrechten in Myanmar;

16.  betreurt het dat de VN-Veiligheidsraad geen overeenstemming heeft weten te bereiken over krachtige maatregelen, en verzoekt de EU en haar lidstaten de druk op te voeren op de landen die concrete maatregelen tegenhouden, waaronder China en Rusland;

17.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan het huidige wapenembargo tegen Myanmar uit te breiden; verzoekt de VN-Veiligheidsraad verder om een mondiaal, alomvattend wapenembargo tegen Myanmar, waarmee alle directe en indirecte leveringen, de verkoop of overdracht, met inbegrip van doorvoer en overlading van alle wapens, munitie en andere militaire en veiligheidsuitrusting, alsmede de verstrekking van opleidingen of andere vormen van bijstand op militair en veiligheidsgebied, worden opgeschort;

18.  verzoekt de regering van Myanmar, zo ook staatsadviseur Aung San Suu Kyi, om elke aansporing tot godsdienst- of rassenhaat ondubbelzinnig te veroordelen en maatschappelijke discriminatie en vijandigheden jegens de Rohingya-minderheden te bestrijden, en om het universele recht van vrijheid van godsdienst of geloofsovertuiging te eerbiedigen;

19.  verzoekt de ASEAN en de regionale regeringen actie te blijven ondernemen en meer druk uit te oefenen op de regering van Myanmar en het leger van het land om een einde te maken aan alle rechtenschendingen en alle burgers in de deelstaat Rakhine en in heel Myanmar te beschermen;

20.  herinnert eraan dat de Sacharovprijs wordt toegekend aan personen die onder andere de mensenrechten verdedigen, de rechten van minderheden beschermen en het internationaal recht eerbiedigen; wijst erop dat overwogen kan worden de Sacharovprijs in te trekken wanneer winnaars na de toekenning van de prijs die criteria schenden;

21.  spoort de belangrijkste internationale en regionale spelers, met name China, aan om via alle beschikbare bilaterale, multilaterale en regionale platforms aan te dringen op beëindiging van de wreedheden en een vreedzame oplossing tot stand te brengen;

22.  verzoekt de VV/HV en de lidstaten de druk op de autoriteiten van Myanmar en veiligheidsdiensten beduidend op te voeren om een einde te maken aan het geweld en de discriminatie tegen de Rohingya en samen te werken met de VN, ASEAN en regionale overheden om de segregatie in Myanmar een halt toe te roepen;

23.  verzoekt de VV/HV het Parlement te informeren over het optreden van de EU-delegatie op de bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de ASEM in Nay Pyi Taw op 21 november 2017; dringt erop aan dat de mensenrechtendialoog tussen de EU en Myanmar nieuw leven wordt ingeblazen om met name kwesties met betrekking tot de Rohingya-gemeenschap te bespreken;

24.  verzoekt de Commissie na te denken over de consequenties in de context van de aan Myanmar toegekende handelspreferenties, en onder andere te overwegen een onderzoek in te stellen met behulp van de mechanismen die zijn voorzien in de regeling "alles behalve wapens";

25.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan steun te verlenen aan het mondiale actieplan 2014-2024 van de UNHCR om een einde te maken aan staatloosheid;

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Myanmar, de regering en het parlement van Bangladesh, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de ASEAN, de intergouvernementele mensenrechtencommissie van de ASEAN, de Speciaal Rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Myanmar, de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen en de VN-Mensenrechtenraad.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0351.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0316.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0506.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0247.


Tenuitvoerlegging van de richtlijn ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie
PDF 206kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2017 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie (2015/2129(INI))
P8_TA(2017)0501A8-0368/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 3 en 6 van het Verdrag van de Europese Unie (VEU), artikel 82, lid 2, en artikel 83, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU),

–  gezien de artikelen 7, 8, 24, 47, 48 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, en de protocollen daarbij,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van 25 oktober 2007,

–  gezien het Verdrag inzake cybercriminaliteit van de Raad van Europa van 23 november 2001,

–  gezien de aanneming van een strategie voor de rechten van het kind (2016-2021) door de Raad van Europa,

–  gezien Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad(2),

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind(3),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen op internet(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 mei 2012 over een Europese strategie voor een beter internet voor kinderen (COM(2012)0196) en gezien het verslag van de Commissie van 6 juni 2016 getiteld "Definitieve evaluatie van het meerjarenprogramma van de EU betreffende de bescherming van kinderen die het internet en andere communicatietechnologieën gebruiken (programma veiliger internet)" (COM(2016)0364),

–  gezien het verslag van de Commissie van 16 december 2016 waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om te voldoen aan Richtlijn 2011/93/EU (COM(2016)0871), en het verslag van de Commissie van 16 december 2016 waarin de tenuitvoerlegging wordt beoordeeld van de maatregelen bedoeld in artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU (COM(2016)0872),

–  gezien de dreigingsevaluatie van Europol van 2016 inzake door internet gefaciliteerde georganiseerde criminaliteit (Internet Organised Crime Threat Assessment, iOCTA),

–  gezien het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten van 27 februari 2017 getiteld "Kindvriendelijke justitie: vooruitzichten en ervaringen van kinderen die bij gerechtelijke procedures betrokken waren als slachtoffer, getuige of partij in negen EU-lidstaten",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 april 2017 getiteld "De bescherming van migrerende kinderen" (COM(2017)0211),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0368/2017),

A.  overwegende dat seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen ernstige schendingen vormen van de grondrechten, in het bijzonder van het recht van kinderen op de voor hun welzijn noodzakelijke bescherming en zorg, zoals vastgelegd in het VN‑Verdrag van 1989 inzake de rechten van het kind en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

B.  overwegende dat bij de implementatie van maatregelen ter bestrijding van deze misdrijven, overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, de belangen van het kind op de eerste plaats moeten komen;

C.  overwegende dat Richtlijn 2011/93/EU een alomvattend juridisch instrument betreft waarvan de bepalingen inzake materieel strafrecht en strafrechtelijke procedures, maatregelen voor hulp aan en bescherming van slachtoffers en voor de preventie, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, en de uitvoering ervan een nauwe samenwerking vereisen met actoren uit verschillende sectoren zoals de rechtshandhavingsinstanties, het gerechtelijk apparaat, ouder- en gezinsverenigingen die zich inzetten voor de bescherming van minderjarigen, niet-gouvernementele organisaties, internetproviders en dergelijke;

D.  overwegende dat het uitvoeringsverslag van de Commissie geen statistieken bevat met betrekking tot de verwijdering en blokkering van websites die beelden van seksueel misbruik van kinderen bevatten of verspreiden, met name statistieken betreffende de snelheid waarmee inhoud wordt verwijderd, de frequentie waarmee meldingen worden opgevolgd door rechtshandhavingsinstanties, de vertragingen bij verwijdering als gevolg van de noodzaak om verstoring van lopende onderzoeken te vermijden, of de frequentie waarmee dergelijke opgeslagen gegevens feitelijk door gerechtelijke of rechtshandhavingsinstanties worden gebruikt;

E.  overwegende dat het feit dat slachtoffers misbruik niet vaak genoeg melden de belangrijkste uitdaging is bij het onderzoeken van seksueel misbruik van kinderen; overwegende dat jongens waarschijnlijk minder melding maken van misbruik;

F.  overwegende dat kinderen die slachtoffer zijn van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting aan meerdere en langdurige fysieke en/of psychologische trauma's lijden die zij ook als volwassene nog met zich kunnen meedragen;

G.  overwegende dat seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen online een evoluerend verschijnsel is en er nieuwe vormen van criminaliteit, zoals "wraakpornografie" en seksuele afpersing, zijn ontstaan op het internet en dat deze door de lidstaten met concrete maatregelen moeten worden aangepakt;

H.  overwegende dat de rechtshandhavingsautoriteiten worden geconfronteerd met uitdagingen door het bestaan van peer‑to‑peer- en private netwerken waarop materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat, uitgewisseld wordt; overwegende dat zowel jongens als meisjes in een vroeg stadium bewust moeten worden gemaakt van de risico's en van het belang van de inachtneming van de waardigheid en de privacy van anderen in het digitale tijdperk;

I.  overwegende dat migrantenkinderen, met name meisjes, maar ook een aanzienlijk percentage jongens(5), op de reis naar en na binnenkomst in Europa door toedoen van mensenhandelaars, smokkelaars, drugsdealers, prostitutienetwerken en andere personen of bendes die misbruik maken van hun kwetsbaarheid, in het bijzonder blootgesteld zijn aan seksueel misbruik en seksuele uitbuiting;

J.  overwegende dat grote aantallen kinderen, met name meisjes, maar ook een aanzienlijk percentage jongens, werkzaam zijn in de sector sekstoerisme;

K.  overwegende dat, om in overeenstemming te zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, maatregelen die worden genomen in het kader van overweging 47 van Richtlijn 2011/93/EU over het blokkeren en verwijderen van internetsites, de in artikel 25 van deze richtlijn bedoelde waarborgen moeten bieden;

L.  overwegende dat uit stelselmatige evaluatie en meta-analyse is gebleken dat kinderen met een handicap ongeveer drie keer zo vaak met lichamelijk of seksueel geweld te maken hebben als kinderen zonder handicap;

M.  overwegende dat de term "kinderpornografie" niet geschikt is om de in artikelen 5 en 2, letter c, van Richtlijn 2011/93/EU bedoelde strafbare feiten te omschrijven en schade kan toebrengen aan de minderjarige slachtoffers;

Belangrijkste conclusies en aanbevelingen

1.  veroordeelt krachtig alle vormen van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting van kinderen, alsmede geweld tegen en misbruik van kinderen op alle niveaus; is ingenomen met de aanneming van de strategie voor de rechten van het kind (2016-2021) door de Raad van Europa; roept alle EU-instellingen en lidstaten op passende maatregelen te nemen om alle vormen van lichamelijk en psychologisch geweld, inclusief lichamelijk en seksueel misbruik en seksuele uitbuiting, te voorkomen en kinderen daartegen te beschermen; roept alle EU-instellingen en lidstaten op gezamenlijk en doelgericht op te treden om seksueel misbruik en seksuele uitbuiting en in het algemeen alle seksuele misdrijven tegen kinderen uit te bannen; roept de EU-instellingen en de lidstaten op de bescherming van kinderen expliciet als prioriteit te beschouwen bij de programmering en uitvoering van beleidsmaatregelen, die nadelig zouden kunnen zijn voor hen;

2.  is van oordeel dat Richtlijn 2011/93/EU een degelijk en integraal wettelijk kader vormt voor de bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen; merkt op dat de lidstaten aanzienlijke problemen hebben gehad bij de omzetting en uitvoering van de richtlijn, met name wat betreft de bepalingen inzake preventie, onderzoek en vervolging, alsmede bij bescherming van en bijstand aan slachtoffers en dat het volledige potentieel van de richtlijn nog niet is benut; verzoekt de lidstaten dringend extra inspanningen te leveren om de richtlijn volledig en effectief om te zetten; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de wettelijke omzetting wordt vertaald in doeltreffende uitvoering, om de bescherming van en bijstand voor minderjarige slachtoffers en nultolerantie voor seksueel misbruik van kinderen te waarborgen;

3.  betreurt het dat de Commissie haar uitvoeringsverslagen niet heeft kunnen indienen binnen de termijn die is vastgesteld in artikel 28 van Richtlijn 2011/93/EU en dat de twee door de Commissie ingediende verslagen alleen ingingen op de omzetting in nationale wetgeving door de lidstaten en geen volledige beoordeling van de naleving van de richtlijn bevatten; verzoekt de lidstaten samen te werken en alle relevante gegevens over de tenuitvoerlegging van de richtlijn, onder meer statistische gegevens, aan de Commissie door te geven;

4.  onderstreept dat de term "materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat" passender is dan "kinderpornografie" voor dergelijke misdrijven tegen kinderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de term "materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat" te gebruiken in plaats van de term "kinderpornografie"; benadrukt echter dat de nieuwe terminologie in geen geval mag leiden tot een beperking van de misdrijven die worden aangeduid als "kinderpornografie" in artikel 5 van Richtlijn 2011/93/EU in verband met artikel 2, letter c);

5.  betreurt het dat in het uitvoeringsverslag van de Commissie niet wordt vermeld of zij de doeltreffendheid van het INHOPE-systeem bij het overdragen van meldingen naar vergelijkbare meldpunten in derde landen heeft beoordeeld;

6.  betreurt het dat de Commissie geen gegevens heeft verzameld over de soorten blokkering die zijn gebruikt; betreurt het dat er geen gegevens zijn bekendgemaakt over het aantal websites dat in elk land op blokkeringslijsten staat; betreurt het dat er geen beoordeling is van het gebruik van beveiligingsmethoden zoals encryptie om te vermijden dat blokkeringslijsten lekken en zodoende een ernstige averechtse werking krijgen; is verheugd over het feit dat de Commissie, nadat zij in 2011 verplichte blokkering voorstond, dit standpunt uitdrukkelijk heeft opgegeven;

Materieel strafrecht (artikelen 3, 4 en 5 van de richtlijn)

7.  neemt nota van het feit dat de materiële strafbepalingen van Richtlijn 2011/93/EU zijn omgezet door de lidstaten; vindt het niettemin zorgwekkend dat sommige lidstaten niet zijn overgegaan tot een volledige omzetting van de bepalingen inzake strafbare feiten op het gebied van seksuele uitbuiting (artikel 4), strafbare feiten op het gebied van seksueel misbruik, wanneer misbruik wordt gemaakt van een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed (artikel 3, lid 5, onder i), of wanneer misbruik wordt gemaakt van de bijzonder kwetsbare situatie van het kind (artikel 3, lid 5, onder ii), en op het gebied van de aansprakelijkheid van rechtspersonen (artikel 12);

8.  is met name van mening dat de lidstaten alles in het werk moeten stellen om te strijden tegen de straffeloosheid van daders van seksueel misbruik van kinderen en van natuurlijke of rechtspersonen die betrokken zijn bij hulp of medeplichtigheid aan of aansporen tot eender welke vorm van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van kinderen; acht het van het grootste belang dat de lidstaten ervoor zorgen dat zowel natuurlijke als rechtspersonen aansprakelijk worden gesteld, wanneer het gebrek aan toezicht of controle van een persoon die deel uitmaakt van die rechtspersoon het plegen van misdrijven mogelijk heeft gemaakt of vergemakkelijkt heeft;

9.  maakt zich in het bijzonder zorgen over de gevaren en risico’s die kinderen lopen in de onlineomgeving, in het bijzonder wat betreft de rekrutering van kinderen online, alsook grooming en andere vormen van aansporing; is van mening dat daarom manieren moeten worden gevonden om deze gevaarlijke praktijken op te sporen, te melden en te onderzoeken; benadrukt de noodzaak van het verhogen van het beschermingsniveau van kinderen op internet en vindt dat tegelijkertijd bewustmakings- en voorlichtingsprogramma's inzake de gevaren op het internet moeten worden opgezet;

10.  herinnert de Commissie eraan dat restricties voor online-inhoud in de wet moeten worden verankerd, naar behoren moeten worden gedefinieerd, evenredig en legitiem moeten zijn en een duidelijk doel moeten nastreven;

11.  is bezorgd over het opkomende verschijnsel van livestreaming van seksueel misbruik van kinderen en het feit dat de daders zeer onderlegd en innovatief zijn in het gebruik van geavanceerde technologie; is van mening dat alle lidstaten zich daarom moeten inspannen om innovatieve technische toepassingen te ontwikkelen om toegang tot deze inhoud op te sporen en te blokkeren en dat zij daarnaast de betaling voor dergelijke diensten aan banden moeten leggen;

12.  onderstreept de noodzaak van de aanpak van nieuwe vormen van onlinecriminaliteit, zoals wraakporno en seksuele afpersing, waarvan veel jongeren, met name tienermeisjes, het slachtoffer zijn; verzoekt de rechtshandhavingsinstanties en het gerechtelijk apparaat van de lidstaten concrete maatregelen vast te stellen ter bestrijding van deze nieuwe vorm van criminaliteit en vraagt dat de internetsector, de meldpunten, de ngo's en alle betrokken diensten hun deel van de verantwoordelijkheid op zich nemen bij het zoeken naar oplossingen om deze misdrijven aan te pakken, onder meer een beter gebruik van de beschikbare technologie en de ontwikkeling van nieuwe technologieën om personen die online misdrijven begaan, gemakkelijker te identificeren;

13.  wijst eens te meer op het recht van eenieder om over het lot van zijn of haar persoonsgegevens te beschikken, met name het exclusieve recht op de controle over het gebruik en de bekendmaking van persoonsgegevens en het recht om te worden vergeten, oftewel de mogelijkheid om inhoud die nadelig kan zijn voor zijn of haar eigen waardigheid, direct te laten verwijderen;

14.  benadrukt de noodzaak voor de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan om naast "online grooming" ook cyberpredatie en kinderlokking op het internet strafbaar te stellen; herinnert eraan dat de term cyberpredatie betrekking heeft op een situatie waarin een volwassene online communiceert met een minderjarige of iemand waarvan hij denkt dat die minderjarig is, met als doel vervolgens een misdrijf te plegen ten aanzien van deze persoon;

15.  betreurt het dat er geen statistieken zijn verstrekt over de toepassing van strafrechtelijke procedures om in desbetreffende gevallen materiaal in beslag te nemen;

Onderzoek en vervolging

16.  stelt vast dat verscheidene lidstaten de vereiste om misdrijven te vervolgen binnen een voldoende lange periode nadat het slachtoffer meerderjarig is geworden, niet in nationaal recht hebben omgezet; moedigt de lidstaten dan ook aan ervoor te zorgen dat de wettelijke termijnen waarbinnen deze misdrijven gemeld en vervolgd kunnen worden voldoende lang zijn en op zijn minst ingaan vanaf de meerderjarigheid van het kind, om te garanderen dat het misdrijf kan worden vervolgd;

17.  benadrukt het belang van de uitvoering van artikel 17 om ervoor te zorgen dat de rechtsmacht van lidstaten zich uitstrekt tot strafbare feiten die gepleegd zijn door middel van informatie- en communicatietechnologie (ICT) waartoe toegang werd verkregen vanaf hun grondgebied, ongeacht of die technologie zich op hun grondgebied bevindt; onderstreept dat een concrete basis moet worden ontwikkeld voor een gemeenschappelijke EU-aanpak op het gebied van rechterlijke bevoegdheid in cyberspace, zoals gesteld tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van 26 januari 2016;

18.  betreurt het dat niet alle in Richtlijn 2011/93/EU genoemde misdrijven in de nationale wetgeving van de lidstaten zijn opgenomen wat extraterritoriale bevoegdheid betreft; betreurt het dat sommige lidstaten garanderen dat strafbare feiten van seksueel misbruik die in het buitenland worden gepleegd, zonder aanklacht van het slachtoffer zullen worden vervolgd; roept de lidstaten op deze tekortkomingen efficiënt aan te pakken;

19.  roept de lidstaten op passende financiële en personele middelen aan rechtshandhavings- en justitiële instanties toe te wijzen om seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen te bestrijden, onder andere via specifieke opleiding van politiefunctionarissen en opsporingsambtenaren; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer middelen uit te trekken voor de identificatie van slachtoffers en verzoekt de negen lidstaten die artikel 15, lid 4, van Richtlijn 2011/93/EU betreffende de identificatie van slachtoffers nog niet hebben omgezet, dit onverwijld te doen en deze bepaling ten uitvoer te leggen door onderzoeksteams samen te stellen die over passende instrumenten en middelen beschikken;

20.  betreurt het dat er nog steeds geen nauwkeurige statistieken en gegevens zijn over het aantal strafbare feiten dat wordt gepleegd met name op het gebied van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen, als gevolg van het hoge percentage gevallen dat niet wordt gemeld, de nieuwe vorm die de strafbare feiten aannemen en de verschillen in definities en methoden die in de verschillende lidstaten worden gehanteerd;

21.  benadrukt dat een aantal van de grootste problemen waarmee de rechtshandhavings- en gerechtelijke instanties kampen bij het onderzoek naar en de vervolging van strafbare feiten van seksueel misbruik online, met name voortvloeien uit het grensoverschrijdend karakter van de onderzoeken en de afhankelijkheid van elektronisch bewijsmateriaal; wijst in het bijzonder op de noodzaak om de digitale opsporingstechnieken te verbeteren teneinde het hoge tempo van de technologische ontwikkelingen bij te benen;

22.  verzoekt de lidstaten de samenwerking tussen hun rechtshandhavingsinstanties te versterken, onder meer door meer gebruik te maken van gezamenlijke onderzoeksteams; vraagt de autoriteiten dat zij erkennen dat, wanneer al te veel wordt teruggevallen op meldpunten en de industrie, dit een averechts effect kan hebben en dat de strijd tegen materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat, op die manier alleen maar wordt uitbesteed;

23.  verzoekt de lidstaten de bepalingen van Richtlijn 2011/93/EU op een toekomstbestendige manier toe te passen; dringt er bij de industrie en de aanbieders van internetdiensten op aan gebruik te maken van moderne technologie en te investeren in innovatieve oplossingen om meer mogelijkheden te creëren om daders te identificeren en te vervolgen, criminele netwerken online te ontmantelen en slachtoffers te beschermen;

24.  is bezorgd over het gebruik van Carrier Grade NAT (CGNAT) door de aanbieders van internettoegang, waarmee één IP-adres door verscheidene gebruikers tegelijk kan worden gedeeld en waardoor afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid online en het vermogen om de aansprakelijkheid vast te stellen; nodigt de lidstaten uit de aanbieders van internettoegang en de netwerkbeheerders ertoe aan te zetten de nodige maatregelen te nemen om het aantal gebruikers per IP-adres te beperken, het gebruik van CGNAT geleidelijk stop te zetten en de nodige investeringen te doen om de volgende generatie IP-adressen, namelijk versie 6 (IPv6), met spoed in te voeren;

25.  dringt er bij de lidstaten op aan hun politiële en gerechtelijke samenwerking te intensiveren en ten volle gebruik te maken van de bestaande samenwerkingsinstrumenten van Europol, met name in het kader van Analysis Project (AP) Twins en het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit en Eurojust, teneinde succesvolle opsporing en vervolging van daders te waarborgen; benadrukt dat Europol en Eurojust over de nodige middelen dienen te beschikken om hun taak op dit gebied te vervullen en moedigt de lidstaten aan om beste praktijken te delen;

26.  verzoekt de lidstaten de politiële en gerechtelijke samenwerking te intensiveren bij de bestrijding van de smokkel van en handel in migrantenkinderen, die bijzonder kwetsbaar zijn voor mensenhandel en seksuele uitbuiting, vooral meisjes, maar ook jongens; verzoekt om een versterkte samenwerking en snelle uitwisseling van informatie tussen autoriteiten met het oog op het opsporen van vermiste kinderen en de interoperabiliteit van databases; verzoekt alle lidstaten een holistische aanpak te hanteren waarbij alle belanghebbenden worden betrokken en de samenwerking met rechtshandhavingsinstanties, sociale diensten en de burgermaatschappij te versterken; erkent de belangrijke rol van het maatschappelijk middenveld bij het identificeren van kwetsbare kinderen, aangezien is gebleken dat migrantenkinderen weinig vertrouwen hebben in de rechtshandhavingsinstanties;

27.  spoort de lidstaten aan zich meer in te spannen voor de bestrijding van kindersekstoerisme en de daders en medeplichtigen te vervolgen, waarbij de verantwoordelijkheid van alle betrokken actoren in aanmerking wordt genomen;

28.  is van mening dat de lidstaten moeten worden aangemoedigd om een gespecialiseerd internationaal netwerk op te zetten om sekstoerisme te bestrijden in combinatie met maatregelen van de overheid, zoals de invoering van financieringsprogramma's om gezinnen en kinderen die in gevaarlijke gebieden wonen bij te staan;

Preventie (artikelen 22, 23 en 24 van de richtlijn)

29.  verzoekt de lidstaten om invoering van doeltreffende preventie- en interventieprogramma's, met inbegrip van reguliere opleidingsprogramma's voor alle ambtenaren, opvoeders, ouderverenigingen en belanghebbenden die in contact komen met kinderen om het risico op delicten beter te kunnen beoordelen;

30.  roept alle lidstaten op passende maatregelen uit te voeren, zoals bewustmaking van het publiek, preventiecampagnes, opleiding en specifieke onderwijsprogramma's voor de autoriteiten, ouders, leraren, kinderen en minderjarigen – tevens in samenwerking met ouderverenigingen die zich inzetten voor de bescherming van kinderen en minderjarigen, alsook met relevante maatschappelijke organisaties –, om de aandacht te vestigen op mediageletterdheid, online veiligheid en het belang van familiewaarden (bijvoorbeeld wederzijdse verantwoordelijkheid, eerbied en zorg), menselijke waardigheid, zelfrespect en geweldloosheid en in het algemeen het recht van kinderen om tegen alle vormen van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting te worden beschermd;

31.  roept de EU-instellingen en de lidstaten op een kinderbeschermingsstelsel in meerdere fasen op te richten dat uitgaat van het belang van het kind en de volledige eerbiediging van zijn of haar grondrechten, teneinde een duidelijke boodschap uit te zenden dat alle vormen van lichamelijk, seksueel en emotioneel misbruik van kinderen onaanvaardbaar en wettelijk strafbaar zijn;

32.  moedigt de lidstaten aan beste praktijken te delen inzake onderwijsmateriaal en opleidingsprogramma's voor alle betrokken spelers, bijvoorbeeld leraren, ouders, opvoeders en rechtshandhavingsinstanties, om de bekendheid met grooming en andere risico's voor de veiligheid van kinderen online te vergroten; moedigt de lidstaten aan ambitieuze onderwijsprogramma's op te zetten die op zowel ouders als minderjarigen zijn gericht, om hen mondiger te maken door hen bewust te maken van de gevaren van het internet en hen aan te moedigen feiten waarvan zij getuige of slachtoffer zijn te melden, met name via telefonische meldpunten die speciaal voor kinderen zijn opgezet; vindt het zeer belangrijk ouders richtsnoeren te geven om te beoordelen welke risico's hun kinderen kunnen lopen en de vroege tekenen van potentieel seksueel misbruik online te herkennen; nodigt de dienstverleners uit hun sensibiliseringsactiviteiten inzake de risico's op het internet te versterken, in het bijzonder met betrekking tot kinderen, door interactieve tools en informatief materiaal te ontwikkelen;

33.  dringt er bij de lidstaten op aan om in hun wetgeving verplichte strafbladcontroles te introduceren voor personen die solliciteren naar een baan of zich opgeven als vrijwilliger voor activiteiten waarbij zij toegang tot of gezag over kinderen hebben en om stelselmatig informatie uit te wisselen over personen die een risico vormen voor kinderen;

34.  spoort de lidstaten aan om informatie uit te wisselen over daders van seksueel misbruik van kinderen om te voorkomen dat zij zich ongemerkt van de ene lidstaat naar de andere verplaatsen voor werk of vrijwilligerswerk met kinderen of in instellingen voor kinderen; moedigt de lidstaten aan om de uitwisseling van informatie over strafrechtelijke veroordelingen en verboden te intensiveren en er ook voor te zorgen dat de gegevens van daders systematisch en coherent in nationale registers worden verzameld; spoort de lidstaten aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 22 van Richtlijn 2011/93/EU na te komen en te zorgen voor doeltreffende academisch getoetste interventieprogramma's en maatregelen voor personen die vrezen dat zij strafbare feiten van seksueel misbruik van kinderen en andere in artikelen 3 tot 7 van de richtlijn genoemde strafbare feiten zouden kunnen plegen;

35.  stelt vast dat sommige lidstaten specifieke operationele systemen en forensische capaciteiten voor het onderzoek naar seksueel misbruik van kinderen hebben ontwikkeld; stelt evenwel vast dat de meeste lidstaten geen gespecialiseerde onderzoeksdiensten hebben en evenmin over de financiële middelen beschikken om forensische materialen te verwerven, zoals specifieke software die online onderzoek mogelijk maakt; beveelt de EU daarom aan deze diensten te ondersteunen door waar nodig de passende middelen ter beschikking te stellen;

36.  neemt nota van het feit dat de meeste gevallen van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen niet bij de rechtshandhavingsinstanties worden gemeld; verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige stappen te ondernemen om de procedures voor de melding van deze strafbare feiten te verbeteren en aan te scherpen en te overwegen systematische mechanismen voor directe melding in te stellen;

37.  verzoekt de lidstaten kinderhulplijnen te ontwikkelen of te versterken die hulp en steun bieden voor kinderen die slachtoffer zijn van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting en die zorgen voor de eerbiediging van het fundamentele recht van het kind om gehoord te worden; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat deze hulplijnen 24 uur per dag beschikbaar zijn, via verschillende communicatiemiddelen toegankelijk zijn, vertrouwelijk zijn, kosteloos zijn voor de kinderen maar ook voor de hulplijnen zelf, een duidelijke positie hebben binnen de nationale systemen voor bescherming van kinderen en verzekerd zijn van structurele financiering op lange termijn;

Bijstand aan en bescherming van slachtoffers (artikelen 18, 19 en 20 van de richtlijn)

38.  roept de lidstaten op volledig uitvoering te geven aan Richtlijn 2012/29/EU inzake de rechten van slachtoffers van strafbare feiten, specifieke maatregelen te nemen om minderjarige slachtoffers te beschermen en beste praktijken uit te wisselen teneinde te waarborgen dat kinderen passende bijstand en ondersteuning krijgen gedurende de gehele strafprocedure en daarna;

39.  is ingenomen met de beste praktijken inzake de bescherming van kinderen die in sommige lidstaten worden gevolgd, zoals onder andere de kinderhuizen (Barnahus) in Zweden; verzoekt de lidstaten zich te richten op het verlenen van rechtsbijstand, psychologische ondersteuning en bijstand, en de secundaire victimisatie van kinderen te voorkomen; moedigt de lidstaten aan bewustmakingscampagnes te lanceren op zowel regionaal als nationaal niveau om de ondersteuning van minderjarige slachtoffers te bevorderen en om een culturele omslag in de publieke opinie teweeg te brengen om te voorkomen dat de slachtoffers de schuld wordt gegeven, hetgeen het trauma voor slachtoffers van kindermisbruik kan verergeren;

Verwijdering en blokkering (artikel 25)

40.  is ingenomen met het feit dat de lidstaten wetgeving en bestuurlijke maatregelen hebben ingevoerd om webpagina's met materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat die op hun grondgebied zijn gehost, te verwijderen; verzoekt de lidstaten volledige uitvoering te geven aan artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU en prioriteit te verlenen aan de snelle verwijdering bij de bron van materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat, waarbij de relevante waarborgen zijn ingebouwd; betreurt het dat slechts de helft van de lidstaten bepalingen in de wetgeving hebben opgenomen die het mogelijk maken de toegang tot dergelijke webpagina's te blokkeren voor gebruikers op hun grondgebied; wijst er eens te meer op dat bij de strijd tegen de verspreiding van materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat, maatregelen voor verwijdering doeltreffender zijn dan blokkering, aangezien bij blokkering de inhoud niet wordt verwijderd;

41.  stelt tot zijn spijt en met bezorgdheid vast dat de Commissie weliswaar heeft vermeld dat sommige lidstaten 16 jaar na de inwerkingtreding van Richtlijn 2000/31/EG (richtlijn e-handel) nog geen functionele procedures voor kennisgeving en verwijdering hebben, maar dat zij niet heeft aangegeven dat maatregelen zullen worden genomen om deze lidstaten te verplichten de EU-wetgeving na te leven;

42.  verzoekt de Commissie verdere stappen te ondernemen om de noodzakelijke informatie te verzamelen om vast te stellen welke procedures worden gevolgd in de lidstaten waar geen functionele procedure voor kennisgeving en verwijdering is en waar niet in strafrechtelijke sancties is voorzien, en vraagt haar inbreukprocedures in te leiden tegen de lidstaten waarvan wordt vastgesteld dat zij de in Richtlijn 2000/31/EG ter zake vastgestelde verplichtingen niet nakomen;

43.  betreurt het dat de Commissie geen evaluatie heeft gemaakt van de veiligheid van blokkeringslijsten, de technologieën die voor blokkering worden gebruikt in de landen die de maatregelen hebben uitgevoerd en de uitvoering van veiligheidsmaatregelen, zoals encryptie, voor de opslag en verstrekking van blokkeringslijsten, en dat zij ook geen degelijke analyse heeft verricht van de doeltreffendheid van deze maatregel;

44.  stelt vast dat Richtlijn 2011/93/EU geen verplichte blokkering voorschrijft; erkent dat blokkering niet uit één technologie bestaat en ook niet betrouwbaar is; pleit voor de verwijdering bij de bron van materiaal dat kindermisbruik, kinderuitbuiting en seksueel misbruik van kinderen bevat, binnen een kader van doeltreffende gerechtelijke en rechtshandhavingsacties;

45.  spoort de lidstaten aan in samenwerking met de internetsector de procedures voor kennisgeving en verwijdering, die nog steeds te lang zijn, te versnellen en partnerschappen met de onlinesector, Europol en Eurojust op te zetten om te voorkomen dat netwerken en systemen worden gehackt en misbruikt voor het verspreiden van materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat;

46.  vraagt dat de lidstaten in gevallen waarin de inhoud in derde landen wordt gehost, hun samenwerking met de betrokken derde landen en met Interpol intensiveren om ervoor te zorgen dat de inhoud in kwestie terstond wordt verwijderd;

47.  pleit ervoor dat zwarte lijsten van webpagina's met materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat, op gezette tijden worden bijgewerkt door de betreffende autoriteiten en worden doorgegeven aan aanbieders van internetdiensten om bijvoorbeeld over-blocking te vermijden en evenredigheid te waarborgen; beveelt aan dat de lidstaten dergelijke zwarte lijsten van websites onderling delen via Europol en het Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit van Europol, en via Interpol; is in dit verband van mening dat recent ontwikkelde hashingtechnologie die gebruik maakt van automatische beelddetectie en -herkenning, kan worden toegepast; benadrukt dat elke toegepaste technologie rigoureus moet worden getest om het risico op hacking, misbruik of averechtse effecten te elimineren of ten minste tot een minimum te beperken;

48.  moedigt het INHOPE-netwerk aan met zijn leden samen te werken om een beveiligd mechanisme voor anonieme melding op te zetten op "deep web"-netwerken, zoals de darknetnetwerken op het Tor-netwerk, dat een even hoge norm voor anonimiteit biedt als de mechanismen van persorganisaties voor klokkenluiders om de gebruikers van deze netwerken de mogelijkheid te bieden informatie of verklaringen te verstrekken over materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat;

49.  dringt er bij de lidstaten op aan internetaanbieders te verplichten materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat en dat zij in hun infrastructuur hebben aangetroffen, proactief te melden aan rechtshandhavingsinstanties alsook aan nationale meldpunten; verzoekt de Commissie haar financiering in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) voort te zetten om meldpunten passende middelen te verstrekken zodat zij kunnen voldoen aan hun opdracht om illegale online inhoud te bestrijden;

50.  erkent de actieve en ondersteunende rol die maatschappelijke organisaties spelen in de bestrijding van materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat op het internet, zoals het IINHOPE-netwerk van meldpunten, met inbegrip van de Internet Watch Foundation in het Verenigd Koninkrijk; roept de Commissie op in samenwerking met INHOPE beste praktijken vast te stellen en toe te passen, met name ten aanzien van statistische verslaglegging en doeltreffende interactie met de rechtshandhaving; dringt er bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, op aan om dergelijke meldpunten in te stellen en is van mening dat zij het recht moeten hebben om proactief te zoeken naar online materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat;

51.  dringt er bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan op aan om onverwijld veilige en kindvriendelijke meldings- en adviessystemen op te zetten, zoals telefonische of computermeldpunten met e‑mailadressen, of tablet- of smartphoneapplicaties, waarmee internetgebruikers melding kunnen maken – ook anoniem – van materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat dat zij online aantreffen, en waarmee deze gemelde inhoud snel kan worden geanalyseerd met het oog op de uitvoering van directe procedures voor kennisgeving en verwijdering en de verwijdering van inhoud die buiten hun grondgebied wordt gehost; vraagt dat deze meldpunten duidelijk worden erkend en versterkt en moedigt de lidstaten aan deze meldpunten voldoende middelen te geven, onder meer passende begrotingen en opgeleide medewerkers met kennis van zaken; is van mening dat deze meldpunten naast het ontvangen van meldingen van het publiek de bevoegdheid moeten hebben proactief te zoeken naar online materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat;

52.  benadrukt dat het noodzakelijk is voorlichtingsprogramma's van de EU te bevorderen en te ondersteunen om burgers de mogelijkheid te bieden online-inhoud die illegaal is of schadelijk voor kinderen, bij de autoriteiten te melden;

53.  verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig op de hoogte te houden van de stand van zaken met betrekking tot de naleving van de richtlijn door de lidstaten, door te voorzien in uitgesplitste en vergelijkbare gegevens betreffende de prestaties van de lidstaten bij de preventie en bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen offline en online; verzoekt de Commissie een meer omvattend verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn over te leggen, dat bijkomende informatie en statistieken moet bevatten over het verwijderen en blokkeren van websites met materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat, statistieken over de snelheid waarmee illegale inhoud na 72 uur wordt verwijderd en over de opvolging van de gemelde strafbare feiten door de rechtshandhavingsinstanties, de vertragingen bij verwijdering als gevolg van de noodzaak om verstoring van lopende onderzoeken te vermijden, informatie over het gebruik van de opgeslagen gegevens door gerechtelijke of rechtshandhavingsinstanties en over de acties die meldpunten, nadat zij de rechtshandhavingsinstanties hebben ingelicht, hebben ondernomen om de hostingdienstverleners te contacteren; verzoekt zijn bevoegde commissie een hoorzitting te houden over de stand van zaken in verband met de tenuitvoerlegging en eventueel te overwegen een aanvullend verslag over de follow-up van de tenuitvoerlegging van de richtlijn goed te keuren;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.
(2) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(3) PB C 289 van 9.8.2016, blz. 57.
(4) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 109.
(5) Uit onderzoeken blijkt dat jongens minder snel geneigd zijn seksueel misbruik te melden, onder andere om redenen die verband houden met de verwachtingen die de samenleving heeft ten aanzien van mannen. Zie bijvoorbeeld de studie van de afdeling Effectbeoordeling achteraf van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement, PE 598.614, blz. 16 en Schaefer, G.A., Mundt, I.A., Ahlers, C.J. en Bahls, C, ‘Child sexual abuse and psychological impairment in victims: results of an online study initiated by victims’, Journal of Child Sex Abuse, Vol. 21, nr. 3, 2012, blz. 343-360.


Beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften in 2016
PDF 298kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2017 over de beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften in 2016 (2017/2222(INI))
P8_TA(2017)0502A8-0387/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de uitkomst van de beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften,

–  gezien het jaarverslag van de Europese Ombudsman voor 2016,

–  gezien de artikelen 10 en 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 24 en 227 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 228 van het VWEU,

–  gezien artikel 44 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie inzake het recht om verzoekschriften in te dienen bij het Europees Parlement,

–  gezien de bepalingen van het VWEU met betrekking tot de inbreukprocedure, en met name de artikelen 258 en 260,

–   gezien artikel 52 en artikel 216, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A8‑0387/2017),

A.  overwegende dat in 2016 1 569 verzoekschriften zijn ontvangen – tegenover 1 431 in 2015 – waarvan 1 110 verzoekschriften (70,8 %) ontvankelijk zijn verklaard;

B.  overwegende dat het webportaal voor verzoekschriften van het Parlement in 2016 6 132 gebruikers telde die een of meerdere verzoekschriften medeondertekend hebben, tegenover 902 in 2015, en dat het aantal medeondertekeningen per verzoekschrift en per gebruiker 18 810 bedroeg in 2016, tegenover 1 329 in 2015;

C.  overwegende dat het aantal ontvangen verzoekschriften eerder bescheiden is in vergelijking met de totale bevolking van de EU; overwegende dat dit aantal aangeeft dat een deel van de burgers van de EU zich bewust is van het recht om verzoekschriften in te dienen en dat recht ook gebruiken en via de verzoekschriftenprocedure verwachten de aandacht van de EU-instellingen te vestigen op kwesties waarover zij zich zorgen maken en die binnen het kader van de bevoegdheden van de EU vallen; overwegende dat evenwel meer inspanningen nodig zijn om het recht om verzoekschriften in te dienen bij het Europees Parlement meer bekendheid te geven en te bevorderen;

D.  overwegende dat het recht om een verzoekschrift te richten tot het Europees Parlement EU‑burgers en ‑ingezetenen de mogelijkheid geeft om rechtstreeks een officieel verzoek te richten tot hun vertegenwoordigers, en dat dit recht derhalve naar behoren moet worden beschermd en benut; overwegende dat dit recht van essentieel belang is om de actieve participatie van EU‑burgers en ‑ingezetenen in de werkzaamheden van de Europese Unie te verzekeren;

E.  overwegende dat het Europees Parlement lang een voorloper is geweest in de internationale ontwikkeling van het verzoekschriftenproces en nog steeds beschikt over het meest open en transparante systeem in Europa, dat met name de volledige deelname van de indieners aan zijn activiteiten mogelijk maakt;

F.  overwegende dat de commissie een essentiële rol speelt bij het emanciperen van de Europese burgers en zodoende helpt om het imago en de autoriteit van het Parlement in de ogen van de kiezers te versterken, door het Parlement in staat te stellen om zich rekenschap te geven van en beter toezicht te houden op de wijze waarop het EU‑recht door de lidstaten en de andere EU‑instellingen ten uitvoer wordt gelegd;

G.  overwegende dat actieve participatie alleen mogelijk is op basis van een democratisch en transparant proces bij alle EU‑instellingen dat het Parlement en de Commissie verzoekschriften in staat stelt om hun werk burgervriendelijk en zinvol te maken;

H.  overwegende dat verzoekschriften worden ingediend en ondersteund door betrokken burgers, die op hun beurt verwachten dat de EU‑instellingen een meerwaarde bieden bij het wegnemen van hun bezorgdheid; overwegende dat het verzuim om naar behoren gevolg te geven aan verzoekschriften waarschijnlijk leidt tot frustratie en bijgevolg tot onvrede over de Unie;

I.  overwegende dat wordt geconstateerd dat burgers zich vaak in laatste instantie tot de Commissie verzoekschriften wenden, wanneer andere organen en instellingen op regionaal en nationaal niveau hun bezorgdheid niet kunnen wegnemen;

J.  overwegende dat verzoekschriften het Parlement in staat stellen om te luisteren naar de burgers en een bijdrage te leveren aan het oplossen van de problemen waarmee zij worden geconfronteerd; overwegende dat de effecten van de EU-wetgeving op het dagelijks leven van degenen die in de EU wonen moeten worden beoordeeld aan de hand van die verzoekschriften;

K.  overwegende dat het vergroten van de directe betrokkenheid van de burgers bij, en het verbeteren van de kwaliteit van de besluitvormingsprocessen op EU-niveau alleen mogelijk zijn op basis van een democratisch bestuur dat transparantie, doeltreffende bescherming van de grondrechten en opneming van de zorgen van de burgers op de politieke agenda van de EU kan garanderen;

L.  overwegende dat verzoekschriften onder andere een nuttige bron van informatie zijn om inbreuken op het EU-recht op te sporen, alsook de hiaten en tegenstrijdigheden in het EU-recht wat betreft de doelstelling om de grondrechten van alle burgers volledig te beschermen;

M.  overwegende dat verzoekschriften een grote hoeveelheid relevante informatie geven over verschillende domeinen die nuttig zijn voor andere parlementaire commissies, ook in verband met hun wetgevende activiteiten; overwegende dat het de verantwoordelijkheid van het Parlement als geheel is om het grondrecht om verzoekschriften in te dienen, te verwezenlijken door verzoekschriften naar behoren te behandelen;

N.  overwegende dat elk verzoekschrift zorgvuldig moet worden beoordeeld en behandeld en dat elke indiener het recht heeft om een eerste antwoord te krijgen van de Commissie verzoekschriften waarin alle aangehaalde kwesties worden beantwoord, met volledige inachtneming van het recht op behoorlijk bestuur dat is vastgelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; overwegende dat er vaak nadere uitwisselingen en antwoorden nodig zijn naar aanleiding van de eerste beoordeling van verzoekschriften of dat er interactie met de Commissie en de nationale autoriteiten nodig is om verder te zoeken naar een oplossing;

O.  overwegende dat in de criteria voor de ontvankelijkheid van verzoekschriften in overeenstemming met artikel 227 VWEU en artikel 215 van het Reglement van het Parlement is bepaald dat verzoekschriften moeten voldoen aan de formele ontvankelijkheidsvoorwaarden, met andere woorden dat zij betrekking moeten hebben op een kwestie die binnen het kader van de werkzaamheden van de Europese Unie valt en indiener rechtstreeks aangaat, en dat indieners burger moeten zijn van de Europese Unie of er moeten verblijven; overwegende dat hieruit kan worden afgeleid dat deze werkzaamheden veel verdergaan dan de loutere samenvoeging van exclusieve EU-bevoegdheden; overwegende dat 459 verzoekschriften niet‑ontvankelijk zijn verklaard omdat ze niet aan deze formele voorwaarden voldeden;

P.  overwegende dat de behandeling van ongefundeerde of niet-ontvankelijke verzoekschriften met het oog op een efficiënte werking van de Commissie verzoekschriften moet worden afgesloten en uitgelegd aan de indiener; overwegende dat de procedure voor de behandeling van verzoekschriften altijd moet uitgaan van de belangen van de indieners;

Q.  overwegende dat de specifieke, interactieve aard van het verzoekschriftenproces en de cruciale rol die burgers daarin spelen ervoor zorgen dat elk geval uniek is en een vooraf bepaald tijdpad uitsluiten; overwegende dat dergelijke procedures grote flexibiliteit en pr-vaardigheden vereisen aan bestuurlijke zijde;

R.  overwegende dat een aanzienlijk aantal verzoekschriften publiekelijk wordt besproken in vergaderingen van de Commissie verzoekschriften; overwegende dat indieners het recht hebben om hun verzoekschriften te presenteren en vaak volwaardig deelnemen aan de discussie en zo actief bijdragen aan het werk van de commissie; overwegende dat in 2016 201 indieners van verzoekschriften aanwezig waren bij vergaderingen van de commissie, en dat 61 indieners actief deelnamen door het woord te voeren;

S.  overwegende dat de informatie die burgers in verzoekschriften en tijdens commissievergaderingen verstrekken – aangevuld met de deskundigheid van de Commissie, de lidstaten of andere organen – van cruciaal belang is voor de werkzaamheden van de commissie;

T.  overwegende dat de voornaamste bronnen van zorg die in 2016 in verzoekschriften werden aangekaart, betrekking hadden op de interne markt (in het bijzonder de verrichting van diensten en het vrije verkeer van personen), de grondrechten (in het bijzonder de rechten van kinderen en personen met een handicap), sociale aangelegenheden (arbeidsomstandigheden), milieukwesties (afvalbeheer, verontreiniging en milieubescherming) en de specifieke kwestie van de brexit (verlies van verworven rechten en het mandaat van het referendum);

U.  overwegende dat het webportaal voor verzoekschriften van het Parlement, dat eind 2014 werd gelanceerd, operationeel is; overwegende dat in 2016 1 067 verzoekschriften (68 % van de ontvangen verzoekschriften) via het webportaal werden ingediend, in vergelijking met 992 in 2015; overwegende dat er technische verbeteringen zijn aangebracht, onder meer in de zoekfunctie, die zowel de gebruikers als de beheerders van het portaal ten goede komen; overwegende dat samenvattingen van verzoekschriften kort na de goedkeuring ervan worden geüpload; overwegende dat de vertrouwelijkheidsinstellingen en privacyverklaringen zijn herzien en een reeks vaak gestelde vragen (FAQ's) is opgenomen; overwegende dat samenvattingen van verzoekschriften uit 2015 en 2016 zijn geüpload met behulp van een nieuwe migratietool; overwegende dat er een SEO-proces (zoekmachineoptimalisatie) is uitgevoerd; overwegende dat een groot aantal individuele ondersteuningsaanvragen van gebruikers met succes is behandeld; overwegende dat verdere projectfasen in uitvoering zijn, waardoor functies beschikbaar worden zoals de automatische elektronische kennisgeving wanneer een verzoekschrift in de agenda van de commissie wordt opgenomen, met een link naar de webstream van die vergadering, alsook wanneer de desbetreffende notulen en video's van de debatten worden geüpload, voor zowel de indieners als de medeondertekenaars;

V.  overwegende dat het Europees burgerinitiatief (EBI) een belangrijk instrument is om de deelname van burgers aan het politieke besluitvormingsproces van de EU te versterken, dat volledig moet worden benut om het vertrouwen van de burgers in de EU‑instellingen te vergroten en bij te dragen aan een echte en inclusieve Europese Unie; overwegende dat het wetgevingsvoorstel dat de Commissie op 13 september 2017 heeft ingediend voor een herziening van de huidige Verordening (EU) nr. 211/2011 over het EBI (COM(2017)0482), het startpunt betekent van een broodnodige herziening om dit instrument toegankelijker en nuttiger te maken voor de EU‑burgers;

W.  overwegende dat er vier onderzoeksmissies zijn gepland in overeenstemming met artikel 216 bis van het Reglement van het Parlement; overwegende dat onderzoeksmissies een belangrijk instrument zijn voor de Commissie verzoekschriften: ze bieden een unieke gelegenheid om informatie over complexe aangelegenheden te verzamelen bij verschillende betrokkenen en tegelijkertijd helpen ze om het werk van het Parlement concreet te laten zien aan burgers in verschillende delen van Europa; overwegende dat twee onderzoeksmissies hebben plaatsgevonden, een naar Spanje nadat meerdere verzoekschriften van EU‑burgers werden ontvangen over mogelijke inbreuken op de kaderrichtlijn water, en een naar Slowakije inzake het gebruik van structuurfondsen van de EU in woonzorgcentra voor personen met een handicap; overwegende dat de overige twee onderzoeksmissies, naar Ierland en naar Italië, zijn geannuleerd;

X.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften verantwoordelijk is voor de betrekkingen met het bureau van de Europese Ombudsman, dat klachten van EU‑burgers over mogelijk wanbeheer binnen EU‑instellingen en ‑organen moet onderzoeken;

Y.  overwegende dat Emily O'Reilly, de Europese ombudsvrouw, haar jaarverslag voor 2015 aan de Commissie verzoekschriften heeft voorgesteld tijdens de vergadering van 20 juni 2016 en overwegende dat het jaarverslag van de Commissie verzoekschriften op zijn beurt gedeeltelijk gebaseerd is op het jaarverslag van de Ombudsman;

Z.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften lid is van het Europese netwerk van ombudsmannen, waar ook de Europese Ombudsman, nationale en regionale ombudsmannen en soortgelijke instanties van de lidstaten, de kandidaat-landen en andere landen van de Europese Economische Ruimte deel van uitmaken en dat de uitwisseling van informatie over het recht en het beleid van de EU en het delen van beste praktijken moet bevorderen;

AA.  overwegende dat 147 ontvangen verzoekschriften (waarvan 120 in 2016) betrekking hebben op diverse vraagstukken – in het bijzonder de bescherming van de burgerrechten – die het referendum in het Verenigd Koninkrijk over de uitstap uit de Europese Unie heeft opgeworpen;

AB.  overwegende dat de richtsnoeren van de Commissie verzoekschriften, die in januari 2016 zijn aangenomen en sindsdien worden toegepast, voor duidelijkheid en structuur hebben gezorgd in de werkzaamheden van de commissie en de verwerking van verzoekschriften;

AC.  overwegende dat de herziening van het Reglement van het Parlement (die in december 2016 door de plenaire vergadering is aangenomen) ook veranderingen en een verduidelijking van de verzoekschriftenprocedure inhoudt;

AD.  overwegende dat een louter formalistische benadering van de behandeling van verzoekschriften inzake milieubeoordelingen de correcte tenuitvoerlegging van het EU‑milieurecht in de lidstaten en de geloofwaardigheid van de Commissie om er doeltreffend op toe te zien dat de grondrechten van de burgers volledig worden geëerbiedigd, in gevaar brengt;

1.  wijst erop dat de Commissie verzoekschriften een essentiële rol te spelen heeft als aanspreekpunt voor EU-burgers en -ingezeten om hun klachten in te dienen over inbreuken op en tekortkomingen in de toepassing van het EU-recht in de lidstaten, alsook over hiaten en tegenstrijdigheden in de EU-regelgeving; onderstreept dat volledig moet worden gegarandeerd dat de aan de orde gestelde kwesties tijdig en op uitvoerige, onpartijdige en billijke wijze worden behandeld door de instellingen;

2.  onderkent dat verzoekschriften een belangrijke bron van informatie uit de eerste hand zijn, niet alleen over schendingen en lacunes bij de toepassing van het EU‑recht in de lidstaten, maar ook over mogelijke mazen in de EU‑wetgeving en suggesties van burgers voor nieuw aan te nemen wetgeving of voor mogelijke verbeteringen in vigerende wetteksten;

3.  herinnert eraan dat verzoekschriften het Parlement en andere EU-instellingen in staat stellen om opnieuw aansluiting te vinden bij EU-burgers die op verschillende bestuursniveaus de gevolgen ondervinden van de toepassing van het EU-recht; is van mening dat het vermogen om te zorgen voor transparantie, directe betrokkenheid van de burgers, volledige bescherming van de grondrechten, een duidelijke verbetering van de wijze waarop de EU-instellingen reageren op en komen met oplossingen voor de problemen die door de burgers aan hen zijn voorgelegd, alsook een nauwere samenwerking van EU-instellingen en andere EU-organen met nationale, regionale en plaatselijke overheden van cruciaal belang zijn om de democratische legitimiteit van en verantwoording binnen het besluitvormingsproces van de Unie te versterken;

4.  bevestigt dat het vermogen van de Commissie en het Parlement om te reageren op problemen in verband met de omzetting en onjuiste toepassing van wetgeving, en deze op te lossen, door de effectieve behandeling van verzoekschriften op de proef wordt gesteld en uiteindelijk wordt versterkt; merkt op dat de Commissie overweegt om de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving als prioriteit te beschouwen, zodat burgers ervan kunnen profiteren in hun dagelijks leven;

5.  roept op tot de vaststelling van een duidelijk onderscheid tussen de status en de rechten van indieners en van hun ondersteuners dat in overeenstemming is met de transparantiebeginselen;

6.  blijft het als een bijzondere verplichting beschouwen dat niet-ontvankelijke of ongegronde verzoekschriften niet onevenredig lang niet als niet‑ontvankelijk worden aangemerkt of niet worden afgesloten; onderstreept in dit verband dat tegenover de indieners de niet-ontvankelijkheid respectievelijk het afsluiten van de behandeling van een verzoekschrift wegens ongegrondheid zorgvuldig moet worden gemotiveerd;

7.  onderkent dat de effectieve toepassing van het EU‑recht een positief effect heeft op de geloofwaardigheid van de EU‑instellingen; herinnert eraan dat het in het Verdrag van Lissabon vastgelegde recht om een verzoekschrift in te dienen een belangrijk aspect van het Europees burgerschap is en een echte lakmoesproef vormt voor het toezicht op de toepassing van het EU‑recht en voor de opsporing van mogelijke mazen in de wetgeving; vraagt de Commissie verzoekschriften regelmatige vergaderingen met haar ambtgenoten op nationaal niveau te organiseren om de zorgen van de Europese burgers beter bekend te maken in de EU en in de lidstaten en om hun rechten te versterken door betere Europese wetgeving en een betere toepassing daarvan; roept derhalve op tot een sterke inzet van alle betrokken autoriteiten op nationaal en Europees niveau door prioriteit te geven aan de verwerking en oplossing van verzoekschriften;

8.  herinnert de Commissie eraan dat verzoekschriften een uniek middel zijn om situaties waarin het EU‑recht niet wordt geëerbiedigd, aan de orde te stellen en te onderzoeken met behulp van de politieke controle van het Europees Parlement; herinnert de Commissie eraan dat verzoeken om hulp van de Commissie verzoekschriften het nodige gevolg moeten krijgen, en herhaalt zijn oproep aan het adres van de Commissie om de kwaliteit van haar antwoorden, ook tijdens vergaderingen van de Commissie verzoekschriften, zowel wat de inhoud als wat de diepgang betreft, te verbeteren om te verzekeren dat de zorgen van Europese burgers de nodige aandacht krijgen en op een transparante manier behandeld worden; brengt in herinnering dat de wijze waarop de in de verzoekschriften aan de orde gestelde kwesties worden behandeld, een doorslaggevende impact heeft op de burgers wat betreft de daadwerkelijke eerbiediging van het bij het EU‑recht verleende recht om verzoekschriften in te dienen en op hun oordeel over de Europese instellingen; dringt er bij de Commissie op aan om manieren te vinden om beter samen te werken met de overheden in de lidstaten om een antwoord te geven op vragen over de tenuitvoerlegging en de naleving van het EU‑recht;

9.  meent dat het feit dat de nationale rechtbanken primair verantwoordelijk zijn voor een behoorlijke tenuitvoerlegging van de EU‑wetgeving in de lidstaten de Commissie geenszins belet om in haar hoedanigheid van hoedster van de Verdragen een proactievere rol te spelen bij het waarborgen van de naleving van het EU‑recht, met name in zaken die betrekking hebben op bescherming van milieu en volksgezondheid, waarin het voorzorgsbeginsel voorrang moet krijgen;

10.  beklemtoont dat er vertegenwoordigers van de Raad en de Commissie van een zo hoog mogelijk niveau aanwezig moeten zijn bij vergaderingen en hoorzittingen van de Commissie verzoekschriften, wanneer de inhoud van de besproken kwesties de betrokkenheid van deze instellingen vereist;

11.  verzoekt de functionarissen van de Commissie die de vergaderingen van de Commissie verzoekschriften bijwonen, zich bereid te tonen om een echte dialoog aan te gaan met de indieners en zich niet te beperken tot het lezen van het reeds vastgestelde, voorafgaand aan de vergadering rondgestuurde antwoord;

12.  roept ertoe op onderzoek te doen naar de mogelijkheid om teleconferentiediensten te gebruiken; moedigt het gebruik van nieuwe audiovisuele technologieën aan om de indieners in staat te stellen een grotere rol te spelen in de werkzaamheden van de commissie door in realtime deel te nemen aan de beraadslagingen over hun verzoekschrift;

13.  is het oneens met de door de Commissie herhaalde interpretatie van het 27e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2009) dat zij gemachtigd zou zijn dossiers waarvoor nog geen officiële maatregelen in de richting van een inbreukprocedure zijn genomen, te sluiten, of actieve inbreukprocedures met betrekking tot bij nationale rechtbanken lopende rechtszaken, op te schorten; herinnert eraan dat het Parlement in artikel 11 van zijn jaarlijkse resolutie van 15 december 2016(1) over de activiteiten van de Commissie verzoekschriften herhaalde het oneens te zijn met de oorspronkelijke benadering van de Commissie in het genoemde verslag, zoals het reeds meldde in zijn resolutie van 14 september 2011(2), waarin de Commissie met name in de artikelen 1, 23 en 32 werd verzocht meer inspanningen te leveren om een consequente tenuitvoerlegging van de EU‑wetgeving te waarborgen, voor zover dat in haar macht ligt, en gebruik te maken van inbreukmechanismen, ongeacht de vraag of er op nationaal niveau rechtszaken lopen;

14.  neemt, verwijzend naar het jaarlijkse verslag van de Commissie van 6 juli 2017 over de controle op de toepassing van het EU-recht 2016 (COM(2017)0370), met bezorgdheid nota van de aanzienlijke stijging van het aantal lopende inbreukzaken ten opzichte van 2015 met 21 %; verzoekt de Commissie om gevolg te geven aan de oproepen van het Parlement om informatie te delen over de stand van zaken omtrent lopende inbreukprocedures; wijst op de belangrijke rol van verzoekschriften bij het identificeren van een gebrekkige tenuitvoerlegging of laattijdige omzetting van Europese wetgeving; herinnert de Commissie eraan dat de Commissie verzoekschriften zich ervoor inspant om tijdig en op verantwoorde wijze tegemoet te komen aan de verwachtingen van burgers en om tegelijkertijd te zorgen voor de democratische controle op en de behoorlijke toepassing van het EU-recht;

15.  vraagt de Commissie om gedetailleerde statistieken te verstrekken over het aantal verzoekschriften dat heeft geleid tot het starten van een EU Pilot- of inbreukprocedure; vraagt daarnaast op de hoogte gehouden te worden van zaken in verband met lopende gerechtelijke en/of andere procedures en vraagt om, wanneer EU Pilot- en inbreukprocedures door toepassing van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie werden afgesloten, de documenten te ontvangen die in de loop van de procedures uitgewisseld werden, teneinde een gestructureerde dialoog te faciliteren en de tijd die nodig is voor geschillenbeslechting te beperken; verzoekt de Commissie deze verslagen te bespreken met de Commissie verzoekschriften en op proactieve wijze de ondervoorzitter die verantwoordelijk is voor vereenvoudiging en de toepassing van wetgeving hierbij te betrekken;

16.  dringt er bij de Commissie op aan haar bevoegdheden in verband met haar rol als hoedster van de Verdragen naar behoren te gebruiken, aangezien die rol van cruciaal belang is voor de werking van de EU voor de burgers en de Europese wetgevers; roept op tot een tijdige behandeling van inbreukprocedures om onverwijld een einde te maken aan situaties waarin het EU-recht niet wordt geëerbiedigd;

17.  acht samenwerking met andere parlementaire commissies van essentieel belang; verwijst in dat verband naar de aanname van de richtsnoeren van de Commissie verzoekschriften, waarin het beginsel van de oprichting van een verzoekschriftennetwerk met de andere commissies is opgenomen; is ermee ingenomen dat er richtsnoeren voor een dergelijk netwerk zijn aangenomen; vestigt de aandacht op de vragenlijst die aan alle commissies is voorgelegd om meer inzicht te krijgen in hun procedures voor de behandeling van verzoekschriften die ter advies of ter informatie worden doorgestuurd; merkt tot zijn tevredenheid op dat de eerste vergadering van het netwerk op het niveau van de ambtenaren in 2016 heeft plaatsgevonden en dat in 2017 twee vergaderingen op het niveau van de leden hebben plaatsgevonden; is ingenomen met de vorderingen die zijn geboekt met de coördinatie tussen de Commissie verzoekschriften en andere commissies en met de thematische onderverdeling in beleidsterreinen binnen iedere betrokken commissie, die een betere follow-up van de naar andere commissies verzonden verzoekschriften mogelijk maakt; roept op tot het versterken van het PETI-netwerk teneinde verzoekschriften te stroomlijnen in lopende wetgevingswerkzaamheden; beveelt aan om de medewerkers van de leden van het Europees Parlement specifieke richtsnoeren te verstrekken over het recht om verzoekschriften in te dienen opdat zij de betrokken kiezers beter kunnen ondersteunen in de procesgang;

18.  betreurt het feit dat het Handvest van de grondrechten uitsluitend van toepassing is op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer leggen; herhaalt dat veel burgers de tenuitvoerlegging ervan onduidelijk en ontoereikend vinden; betreurt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie artikel 51 van het Handvest van de grondrechten op een terughoudende manier heeft uitgelegd, maar evenwel toelaat dat het toepassingsgebied van het Handvest wordt uitgebreid naar nationale bepalingen waarmee het EU-recht ten uitvoer wordt gelegd en nationale maatregelen die de effectieve toepassing van EU-bepalingen verzekeren; meent dat de verwachtingen van de meeste EU-burgers met betrekking tot de bij het Handvest aan hen toegekende rechten veel verder strekken dan het huidige toepassingsgebied; benadrukt dat een te enge of onsamenhangende uitlegging van artikel 51 burgers van de EU vervreemdt; dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat het toepassingsgebied van artikel 51 zo samenhangend en zo ruim mogelijk wordt uitgelegd; is ingenomen met de invoering door het Bureau voor de grondrechten van een interactieve tool die eenvoudig toegang geeft tot informatie over de autoriteit waarbij men in elke lidstaat terechtkan met vragen over de grondrechten;

19.  merkt op dat indieners bezorgd zijn over hun toekomstige rechten na het referendum in het Verenigd Koninkrijk over de uitstap uit de Europese Unie, hetgeen is gebleken uit het grote aantal verzoekschriften met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk; herinnert aan zijn resolutie van 5 april 2017(3) waarin het Parlement onderstreept dat het terugtrekkingsakkoord alleen met toestemming van het Europees Parlement kan worden gesloten, en het een "must" noemt dat burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen of hebben gewoond, en burgers van het Verenigd Koninkrijk die in de EU-27 wonen of hebben gewoond, billijk worden behandeld, en is van mening dat hun respectieve rechten en belangen de hoogste prioriteit moeten krijgen in de onderhandelingen; wijst op de niet-opgeloste zorgen van ingezetenen van het VK die meer dan vijftien jaar elders in de EU wonen over hun stemrecht en de ontneming van rechten; herinnert eraan dat de Commissie verzoekschriften een actieve rol speelt bij de bescherming van de rechten van EU-burgers en Britse burgers door een actieve bijdrage te leveren aan de resoluties van het Europees Parlement van 5 april 2017 en 3 oktober 2017(4) over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen om zich uit de EU terug te trekken, door opdracht te geven tot een studie naar de impact van de brexit op het recht om verzoekschriften in te dienen en op de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en activiteiten van de Commissie verzoekschriften, en door de verzoekschriften over de brexit en de burgerrechten te behandelen tijdens haar vergadering van 21 juni 2017; schaart zich achter het streven van de Commissie om de rechten van Europese burgers die in het Verenigd Koninkrijk wonen volledig te waarborgen in de onderhandelingen over de brexit en nadat het VK de EU heeft verlaten en verzoekt de Commissie de verworven rechten van ingezetenen van het VK die buiten het VK in de Europese Unie woonachtig zijn, volledig te garanderen, teneinde ervoor te zorgen dat burgers niet als wisselgeld worden gebruikt en dat hun rechten niet afbrokkelen als gevolg van de onderhandelingen;

20.  wijst op de belangrijke werkzaamheden die door de Commissie verzoekschriften worden verricht rond verzoekschriften inzake vraagstukken in verband met handicaps, en onderstreept dat de commissie zich wil blijven inzetten om de rechten van personen met een handicap te versterken; verzoekt de Europese instellingen om in dit verband het goede voorbeeld te geven en ervoor te zorgen dat de door de nationale autoriteiten vastgestelde uitvoeringsmaatregelen volledig en op samenhangende wijze in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD); benadrukt dat er op 22 en 23 september 2016 een onderzoeksmissie naar Slowakije heeft plaatsgevonden om informatie te verzamelen over de zaak rond het gebruik van investeringen in instellingen voor personen met een handicap, en dat de Commissie werd aanbevolen onderzoek te doen naar de huidige situatie; benadrukt dat de politieke participatie van personen met een handicap verbeterd moet worden, met name bij de voorbereiding van de volgende Europese verkiezingen, en dat het recht van alle personen met een handicap om te stemmen erkend moet worden, overeenkomstig de artikelen 12 en 29 van het CRPD;

21.  wijst nogmaals op de werkzaamheden van de commissie om de ratificatie en snelle tenuitvoerlegging van het Verdrag van Marrakesh van 2013 tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind of visueel gehandicapt zijn of anderszins een leeshandicap hebben te ondersteunen; onderstreept in dit verband het belang van zijn korte resolutie van 3 februari 2016(5) over de ratificatie van het Verdrag van Marrakesh, waarin werd verzocht om een spoedige reactie van alle betrokken partijen om de langdurige patstelling open te breken teneinde de ratificatie op EU‑niveau te vergemakkelijken; merkt op dat het Parlement en de Raad een overeenkomst hebben bereikt over de wetgevingsvoorstellen van de Commissie inzake de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Marrakesh (COM(2016)0595 en COM(2016)0596), die bindend zijn geworden(6);

22.  vestigt de aandacht op twee jaarverslagen, het jaarverslag over de activiteiten van de Commissie verzoekschriften in 2015(7) en het jaarverslag over de werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2015(8), en op diverse adviezen van de commissie, zoals dat over grensoverschrijdende aspecten van adopties(9), over EU-opties voor een betere toegang tot geneesmiddelen, over de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap(10), met speciale aandacht voor de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap(11), inzake de controle op de toepassing van het Unierecht: jaarverslag 2014(12) en over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2015(13);

23.  wijst erop dat de commissie het Europese burgerinitiatief steunt; neemt nota van het voorstel van de Commissie om de verordening te herzien opdat zij een nog belangrijker instrument voor democratische participatie zou worden; betreurt dat de Commissie heeft verzuimd om terdege rekening te houden met de recente activiteiten in verband met een niet-wetgevende resolutie over het EBI, met name het advies van de Commissie verzoekschriften, en bijgevolg ook inbreuk pleegt op het interinstitutioneel akkoord; verzoekt de Commissie om rekening te houden met het advies van de Commissie verzoekschriften tijdens de komende wetgevingsprocedure, teneinde de EU-burgers volledig en daadwerkelijk bij het besluitvormingsproces op EU-niveau te betrekken via het EBI;

24.  betreurt dat de Commissie niet op vastberaden wijze haar controlebevoegdheden heeft uitgeoefend om te voorkomen dat er vervuilende dieselvoertuigen op de interne markt worden gebracht die er sterk toe bijdragen dat de uitstoot van NO2 in de atmosfeer de grenswaarden overschrijdt en die niet blijken te voldoen aan de EU-normen op het gebied van typegoedkeuring en emissies van personenvoertuigen en lichte bedrijfsvoertuigen; herinnert eraan dat dit aspect integraal deel uitmaakt van de bezorgdheid van burgers die hun recht om verzoekschriften in te dienen hebben uitgeoefend om te vragen om de doeltreffende bescherming van de volksgezondheid, het milieu en de consumentenrechten;

25.  onderstreept dat transparantie en toegang tot de documenten van de EU-instellingen voor de burgers de regel moet zijn teneinde het hoogste niveau van bescherming van de democratische rechten van de burgers te waarborgen; meent dat snel een wijziging van Verordening (EG) nr. 1049/2001 in deze richting moet worden voorgesteld;

26.  benadrukt de nauwe samenwerking van het Parlement met de Europese Ombudsman en zijn betrokkenheid bij het Europese netwerk van ombudsmannen; onderstreept de uitstekende betrekkingen binnen het institutionele kader tussen de Ombudsman en de Commissie verzoekschriften; waardeert in het bijzonder de regelmatige bijdragen die de Ombudsman in de loop van het jaar heeft geleverd aan de werkzaamheden van de commissie; onderstreept de cruciale rol die de Ombudsman speelt om de bestuurlijke en besluitvormingsprocessen op EU-niveau te helpen verbeteren, processen die zo snel mogelijk volledig transparant en onpartijdig moeten worden gemaakt en moeten worden gericht op de effectieve en doeltreffende bescherming van de rechten van de burgers; ondersteunt de werkzaamheden van de huidige Ombudsman in haar verschillende bevoegdheidsgebieden, waaronder haar op eigen initiatief ontplooide en strategische onderzoeken, die niet alleen ten goede komen van goed bestuur, maar ook van een betere democratische werking van de Unie; is ingenomen met de initiatieven van de Europese Ombudsman om het potentieel van het netwerk beter te benutten en het meer zichtbaarheid te geven;

27.  is ingenomen met de prijs voor goed bestuur die in 2016 door het bureau van de Europese Ombudsman in het leven werd geroepen om ambtenaren, agentschappen en organen van EU-instellingen die zich in hun dagelijkse taken inzetten voor goed bestuur te erkennen; roept ertoe op de huidige Europese Code van goed administratief gedrag op te waarderen tot een bindende verordening en daarin onder meer concrete bepalingen op te nemen om belangenvermenging op alle niveaus binnen de EU‑instellingen, ‑agentschappen en ‑organen te voorkomen;

28.  wijst erop dat in de ingediende verzoekschriften de meest uiteenlopende onderwerpen aan bod komen, van de interne markt, justitie, energie en vervoer tot grondrechten, gezondheid, milieurecht, handicaps en dierenwelzijn en de verschillende gevolgen van de brexit voor burgers; onderstreept de stijging van het aantal ontvangen verzoekschriften in 2016 met 10 % (1 569 exemplaren) en verzoekt de Europese instellingen om de diensten die belast zijn met de verwerking van de verzoekschriften, met name het secretariaat van de Commissie verzoekschriften, van voldoende personeel te voorzien;

29.  dringt er bij de Commissie op aan uitgebreid te analyseren of de door de lidstaat uitgevoerde milieueffectbeoordelingen inzake de goedkeuring van de verwezenlijking van infrastructuurprojecten waarbij burgers door middel van verzoekschriften hebben gewezen op ernstige risico's voor de volksgezondheid en het milieu, voldoen aan het EU‑recht; dringt erop aan dat deze analyses en eventuele daaruit voortvloeiende acties door de Commissie proactief en op voorhand uitgevoerd moeten worden, om onomkeerbare schade aan het milieu te voorkomen, in lijn met het voorzorgsbeginsel;

30.  vestigt de aandacht op talrijke verzoekschriften over de praktijken van autoriteiten voor kinderwelzijnszorg en de bescherming van de rechten van kinderen, in het bijzonder in grensoverschrijdende situaties; erkent het werk dat is geleverd door de werkgroep kinderwelzijn van de commissie; vestigt de aandacht op de korte ontwerpresolutie "Bescherming (over de grenzen heen) van de belangen van kinderen in Europa" die in maart 2016 is aangenomen; neemt kennis van het voorstel voor een herschikking van de verordening Brussel II bis betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en betreffende de internationale ontvoering van kinderen, en merkt op dat een groot aantal kwesties die in verzoekschriften worden aangekaart, zoals kwesties met betrekking tot de procedures en praktijken die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden toegepast bij besluiten met een grensoverschrijdend effect die betrekking hebben op minderjarigen en de efficiëntie van de terugkeerprocedures na grensoverschrijdende ontvoeringen van kinderen door ouders, grondig moeten worden onderzocht met het oog op het oplossen van de bestaande problemen;

31.  onderstreept het constant hoge aantal verzoekschriften op het gebied van dierenwelzijn en herhaalt zijn treurnis over de opgelopen vertraging bij de tenuitvoerlegging van de strategie van de Europese Unie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012‑2015; acht het essentieel om een nieuwe strategie op EU-niveau te lanceren om alle bestaande tekortkomingen weg te werken en de volledige en doeltreffende bescherming van het dierenwelzijn te garanderen door middel van een helder en uitputtend wetgevingskader dat volledig voldoet aan de vereisten van artikel 13 VWEU;

32.  betreurt dat er geen noemenswaardige vooruitgang is geboekt in de zaak met betrekking tot het stemrecht van niet-ingezetenen in Estland en Letland naar aanleiding van verzoekschrift nr. 0747/2016; benadrukt dat onnodige vertragingen wantrouwen in de Europese instellingen kunnen wekken;

33.  wijst op de belangrijke rol van het SOLVIT-netwerk, dat burgers en bedrijven de mogelijkheid geeft om hun bezorgdheid te uiten over mogelijke inbreuken op het EU‑recht door overheidsinstanties in andere lidstaten; verzoekt de Commissie en de lidstaten zelf om SOLVIT te promoten om het nuttiger en zichtbaarder te maken voor de burgers; is in dat opzicht ingenomen met het actieplan om het SOLVIT-netwerk te versterken dat de Commissie in mei 2017 heeft gepubliceerd; verzoekt de Commissie om de spoedige tenuitvoerlegging van dit actieplan te verzekeren en aan het Parlement verslag uit te brengen over de behaalde resultaten;

34.  wijst op de verbeteringen die zijn aangebracht in het webportaal voor verzoekschriften; onderstreept dat verdere technische verbeteringen van het webportaal nodig zijn om ervoor te zorgen dat de Commissie verzoekschriften goed voorbereid is om in te spelen op onverwachte situaties, zoals een plotse toename van het aantal ingediende verzoekschriften; acht de verdere technische ontwikkeling en grotere technische capaciteit van het portaal van essentieel belang voor het vlotte verloop van het verzoekschriftenproces; onderstreept het belang van het portaal als eenvoudig toegankelijk communicatiekanaal voor burgers en indieners, ook voor gebruikers van mobiele telefoons en personen met een handicap; ziet uit naar de spoedige tenuitvoerlegging van de resterende projectfasen, om zo indieners en personen die verzoekschriften ondersteunen meer interactie te bieden en meer realtime-informatie te verstrekken;

35.  roept op tot een gerichtere en actievere pers- en communicatiedienst en tot een actievere aanwezigheid op de sociale media, opdat de werkzaamheden van de commissie beter inspelen op de zorgen die leven bij het publiek;

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, en het verslag van de Commissie verzoekschriften, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Ombudsman, de regeringen en parlementen van de lidstaten, hun verzoekschriftencommissies en hun nationale ombudsman of soortgelijke bevoegde organen.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0512.
(2) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 66.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0102.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0361.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0037.
(6) PB L 242 van 20.9.2017, blz. 1 en blz. 6.
(7) Advies aangenomen op 30 november 2016.
(8) Advies aangenomen op 11 november 2016.
(9) Advies aangenomen op 21 april 2016.
(10) Advies aangenomen op 15 november 2016.
(11) Advies aangenomen op 27 april 2016.
(12) Advies aangenomen op 22 april 2016.
(13) Advies aangenomen op 12 oktober 2016.


Een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit
PDF 275kWORD 76k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2017 over een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit (2016/2327(INI))
P8_TA(2017)0503A8-0356/2017

Het Europees Parlement,

—  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

—  gezien de mededeling van de Commissie van 20 juli 2016 getiteld "Een Europese Strategie voor emissiearme mobiliteit" (COM(2016)0501),

—  gezien het witboek van de Commissie van 28 maart 2011 getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 1998 getiteld "Vervoer en CO2, – de uitwerking van een gemeenschappelijke benadering" (COM(1998)0204), die werd gepubliceerd na de goedkeuring van het Kyotoprotocol maar niet werd omgezet in afdoende maatregelen,

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 inzake de tenuitvoerlegging van het Witboek over vervoer uit 2011: inventarisatie en te nemen maatregelen voor duurzame mobiliteit"(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 februari 2017 over de mededeling van de Commissie van 20 juli 2016 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Een Europese Strategie voor emissiearme mobiliteit",

—  gezien Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU(3),

—  gezien Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken(4) en Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken(5),

—  gezien Richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's(6),

—  gezien Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG(7),

—  gezien Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, rapportage en verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG(8),

—  gezien Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad(9),

—  gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van de Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG(10),

—  gezien Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad(11),

—  gezien Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 november 2016 getiteld "Een Europese strategie betreffende ITS, op weg naar de introductie van coöperatieve, communicerende en geautomatiseerde voertuigen" (COM(2016)0766),

—  gezien het Masterplan voor de introductie van interoperabele coöperatieve intelligente vervoerssystemen in de EU,

—  gezien Richtlijn 1999/52/EG van de Commissie van 26 mei 1999 houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 96/96/EG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens(13),

—  gezien Richtlijn 2004/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer in de Gemeenschap(14) en Beschikking 2009/750/EG van de Commissie van 6 oktober 2009 tot definiëring van de Europese elektronische tolheffingsdienst en de bijbehorende technische onderdelen(15),

—  gezien Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer(16),

—  gezien Richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten(17),

—  gezien Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006(18),

—  gezien Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen(19),

—  gezien Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen(20),

–  gezien de resultaten van de 39e zitting van de vergadering van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) van 2016 te Montreal,

—  gezien Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken(21), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2009/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009(22),

–  gezien het verslag van de Enquêtecommissie emissiemetingen in de automobielsector over de resultaten van het werk van die commissie (A8-0049/2017),

–  gezien zijn resolutie van 2 december 2015 over duurzame stadsmobiliteit(23),

–  gezien zijn resolutie van 23 juni 2016 over het voortgangsverslag hernieuwbare energie(24),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG(25),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad en de Commissie van 4 april 2017 naar aanleiding van het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector(26),

–  gezien zijn mandaat voor interinstitutionele onderhandelingen betreffende de herziening van typegoedkeuringen en markttoezicht, zoals aangenomen op 4 april 2017(27),

–  gezien het Pakket circulaire economie, goedgekeurd door de Commissie op 2 december 2015,

—  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

—  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0356/2017),

A.  overwegende dat alle 151 partijen bij de Overeenkomst van Parijs, die op 4 november 2016 door de EU werd geratificeerd en op diezelfde dag in werking trad, zich eraan hebben gecommitteerd de stijging van de wereldwijde temperatuur te beperken tot ruim onder de 2°C ten opzichte van het pre-industriële tijdperk en ernaar te blijven streven om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5°C ten opzichte van het pre-industriële tijdperk;

B.  overwegende dat het wegvervoer de oorzaak is van meer dan 70 % van de broeikasgasemissies van het vervoer en een groot deel van de luchtverontreiniging en dat daarom actie voornamelijk op dat gebied nodig is, ofschoon in alle vervoerssectoren meer inspanningen moeten worden geleverd om de uitstoot te verminderen;

C.  overwegende dat aardgas, in het bijzonder gecomprimeerd aardgas (CNG) en vloeibaar aardgas (LNG), en met name biomethaan en synthetisch methaan en vloeibaar petroleumgas (LPG), kunnen bijdragen tot het koolstofvrij maken van de vervoerssector, met name wat betreft het zeevervoer en de zware bedrijfsvoertuigen;

D.  overwegende dat de Commissie in haar witboek van 2011 verklaart dat zij ernaar streeft om tussen nu en 2050 de broeikasgasemissies van de vervoerssector met ten minste 60 % te verlagen ten opzichte van 1990; overwegende dat het, om de Overeenkomst van Parijs na te leven, noodzakelijk zal zijn om de broeikasgasemissies van het vervoer tegen midden deze eeuw drastisch te verminderen;

E.  overwegende dat een betrouwbaar emissiebeperkingstraject voor de lange termijn autofabrikanten de nodige planningszekerheid kan bieden om te investeren in nieuwe technologieën;

F.  overwegende dat er om de vervoerssector koolstofarm te maken op brede schaal gebruik moet worden gemaakt van hernieuwbare energiebronnen, te diversifiëren naar gelang de verschillende vervoerswijzen;

G.  overwegende dat elektrische vervoerssystemen, zowel private als openbare, ertoe kunnen bijdragen dat ernstige problemen op het gebied van stedelijke mobiliteit worden aangepakt doordat zij duurzaam de CO2-emissies verminderen en vervuilende stoffen en lawaai volledig elimineren; overwegende dat de mate van duurzaamheid van elektrische voertuigen ook afhangt van het gebruik van hernieuwbare elektriciteit;

H.  overwegende dat het vervoer verantwoordelijk is voor meer dan 25 % van de broeikasgasemissies in de EU, waarvan het wegvervoer meer dan 70 % voor zijn rekening neemt; overwegende dat het vervoer de belangrijkste oorzaak is van luchtverontreiniging in stedelijke gebieden; overwegende dat die luchtverontreiniging in de EU jaarlijks meer dan 400 000 vroegtijdige sterfgevallen veroorzaakt(28) en gezondheidskosten genereert die oplopen tot een bedrag tussen 330 en 940 miljard EUR(29), ofwel tussen 3 % en 9 % van het bnp van de EU; overwegende dat fijnstof en stikstofoxide een uiterst negatief effect hebben op de volksgezondheid;

I.  overwegende dat de vervoerssector de minst koolstofarme sector is en nog steeds voor meer dan 94 % van zijn energiebehoefte afhankelijk is van fossiele brandstoffen; overwegende dat de broeikasgasemissies van de vervoerssector bijna een kwart uitmaken van de totale CO2-emissies in de EU en nog steeds blijven stijgen;

J.  overwegende dat de ontwikkeling van het passagiers- en vrachtvervoer in hoge mate afhangt van een doeltreffend gebruik van verschillende vervoerswijzen, en dat het Europees vervoersbeleid gebaseerd moet zijn op een efficiënte co-modaliteit, waarbij het gebruik van de energiezuinigste en duurzaamste vervoerswijzen waar mogelijk de voorkeur moet krijgen;

K.  overwegende dat modal shift zal leiden tot een optimaal evenwicht tussen verschillende wijzen van vervoer en interoperabiliteit mogelijk zal maken binnen en tussen de verschillende wijzen van vervoer, duurzamere vervoers- en logistieke ketens zal bevorderen en voor vlottere afwikkeling van het verkeer tussen verschillende vervoerswijzen en knooppunten zal zorgen;

L.  overwegende dat volgens de speciale Eurobarometer nr. 406 uit 2013 ongeveer 50 % van de burgers van de EU dagelijks hun privé-auto gebruiken, slechts 16 % het openbaar vervoer en maar 12 % de fiets;

M.  overwegende dat voor zeevervoer gebruikte bunkerolie tot de meest vervuilende brandstofsoorten behoort en dat deze sector zijn emissies dus fors zou kunnen reduceren door alternatieve aandrijfsystemen te bevorderen en te integreren;

N.  overwegende dat de bescherming van de volksgezondheid en het milieu een gedeelde maatschappelijke zorg en verantwoordelijkheid moet zijn, waarbij alle belanghebbenden een belangrijke rol te spelen hebben;

O.  overwegende dat in het zevende milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap duidelijk de rol van het vervoer wordt erkend bij het realiseren van de visie 2050 van de Unie: "goed leven binnen de grenzen van onze planeet";

P.  overwegende dat het wetgevingskader sinds de vaststelling van de biobrandstoffenrichtlijn in 2003 herhaaldelijk is gewijzigd; overwegende dat een zekere stabiliteit van de wetgevingsaanpak nodig is om investeringen in geavanceerde biobrandstoffen aan te trekken;

Q.  overwegende dat de overgang naar een circulaire economie ook inhoudt dat consumenten meer en meer gebruikers van diensten zullen worden, en dat deze verschuiving naar nieuwe bedrijfsmodellen belangrijke gevolgen kan hebben voor het efficiënte gebruik van hulpbronnen in de vervoerssector;

R.  overwegende dat meer dan 100 miljoen Europeanen worden blootgesteld aan geluidsniveaus die hoger zijn dan de EU-drempel van 55 decibel (dB), waarvan er 32 miljoen worden blootgesteld aan "zeer hoge" geluidsniveaus, d.w.z. hoger dan 65 dB;

S.  overwegende dat volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) lawaai afkomstig van het wegverkeer de op een na schadelijkste milieugerelateerde stressfactor is in Europa, net na luchtverontreiniging, en dat minstens 9 000 vroegtijdige sterfgevallen per jaar kunnen worden toegeschreven aan hartaandoeningen ten gevolge van verkeerslawaai;

T.  overwegende dat toepassing van de WHO-richtsnoeren voor menselijke blootstelling aan PM2,5 de gemiddelde levensverwachting van de burgers met ongeveer 22 maanden zou doen stijgen, en een besparing van liefst 31 miljard EUR per jaar zou opleveren;

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie "Een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit" en beaamt dat een overgang naar emissiearme mobiliteit essentieel is voor een meer algemene overgang naar een duurzame, koolstofarme en circulaire economie; verzoekt de Commissie en de bevoegde autoriteiten in de lidstaten zich volledig achter de strategie te scharen;

2.  onderstreept dat om de Overeenkomst van Parijs na te leven, de van het vervoer afkomstige broeikasgasemissies tegen midden deze eeuw zo goed als tot nul moeten zijn teruggebracht, en dat de emissies van luchtverontreinigende stoffen afkomstig van vervoer drastisch moeten worden verminderd om ten minste onverwijld te voldoen aan de volksgezondheidsrichtsnoeren van de WHO;

3.  merkt op dat de overgang naar emissiearme mobiliteit niet alleen de volksgezondheid en het milieu ten goede komt, maar ook grote uitdagingen en kansen inhoudt voor fabrikanten en toeleveranciers in de voertuigen-, spoorweg-, zeevervoer- en luchtvaartsector, alsook voor innovaties op het gebied van energie, vervoer en logistiek en voor dienstenaanbieders, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's); benadrukt dat de op een kosteneffectieve benadering stoelende bevordering van nieuwe technologieën en bedrijfsmodellen waarbij innoverende partnerschappen tussen grote bedrijven, kmo's en start-ups worden aangemoedigd, op gepaste wijze moet worden ondersteund om de broeikasgasemissies in de vervoerssector daadwerkelijk terug te dringen;

4.  onderkent dat er ingrijpende veranderingen moeten worden doorgevoerd in het beheer van de vervoersvraag en de ruimtelijke ordening om de noodzakelijke verschuiving naar een multimodale aanpak te kunnen realiseren; herhaalt dat transport moet worden gezien als een belangrijke dienstverrichting en niet als doel op zich; steunt daartoe de tenuitvoerlegging van de trans-Europese vervoersnetten (TEN-V); herhaalt dat de overgang naar een duurzame, circulaire en koolstofarme vervoerssector betekent dat de gebruikers van diensten zich meer bewust moeten worden van hulpbronnenefficiëntie; is van mening dat een van de belangrijkste factoren om te bewerkstelligen dat de mensen hun gedrag veranderen en voor duurzamere vervoerswijzen kiezen een betaalbaar, goed ontwikkeld, multimodaal openbaarvervoerssysteem is dat stedelijke knooppunten afdekt en aansluit op landelijke gebieden;

5.  herinnert eraan dat het Parlement met betrekking tot het witboek over vervoer uit 2011 heeft benadrukt dat een duurzaam Europees mobiliteitsbeleid moet steunen op een breed scala aan beleidsinstrumenten om op kosteneffectieve wijze een verschuiving teweeg te brengen naar de minst vervuilende en meest energie-efficiënte wijzen van vervoer; wijst erop dat het verplaatsen van het zwaartepunt tussen verschillende wijzen van vervoer noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat mobiliteit niet noodzakelijkerwijs leidt tot de negatieve effecten die het huidige vervoersstelsel meebrengt, zoals verkeerscongestie, luchtvervuiling, lawaai, ongevallen en klimaatverandering; erkent in dit verband dat het modal-shiftbeleid tot nu toe geen bevredigende resultaten heeft opgeleverd;

6.  spoort de Commissie ertoe aan een leidende rol te spelen op het gebied van mondiale, geharmoniseerde maatregelen met betrekking tot duurzamer en efficiënter vervoer;

7.  vraagt de Commissie toe te zien op de volledige tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving en indien nodig aanvullende maatregelen in de vervoerssector voor te stellen om de overeengekomen EU-klimaatdoelstellingen te verwezenlijken, en wel voor alle vervoerswijzen, met inbegrip van stedelijke mobiliteit, op een wijze die het concurrentievermogen van de vervoerssector niet in het gedrang brengt; vraagt de Commissie eveneens de marktopname te ondersteunen van technologieën die bijdragen aan een emissiearme mobiliteit doordat zij de efficiëntie van voertuigen vergroten met behoud van de veiligheid ervan; verzoekt de Commissie om in de context van de naleving van de Overeenkomst van Parijs het witboek van 2011 over vervoer te actualiseren;

8.  is ervan overtuigd dat bij de beoordeling van de duurzaamheid moet worden gekeken naar de volledige voetafdruk van de voertuigen, van de fabricage en het gebruik tot en met de verwijdering, en naar de vereiste infrastructuur, en benadrukt daarom dat alleen een technologisch neutrale energiemix realistische, werkelijk duurzame oplossingen kan bieden;

9.  merkt op dat een duurzame overgang op het gebied van vervoer systematisch handelen vereist van alle belanghebbenden, d.w.z. het maatschappelijk middenveld, de consumenten, de sociale partners, kmo's, innovatieve start-ups, grote bedrijven die wereldwijd actief zijn en politici en overheidsinstanties op alle bestuursniveaus;

10.  roept de Commissie op het toenemende belang van ingebedde emissies te erkennen door stimulansen in te bouwen voor emissieboekhouding tijdens de hele levenscyclus;

11.  verzoekt de Commissie te erkennen dat het steeds belangrijker wordt om emissies gedurende de hele levenscyclus te meten, d.w.z. de emissies van energievoorziening van de fabricage tot en met de sloop, door holistische voorstellen te doen die fabrikanten naar optimale oplossingen leiden, om ervoor te zorgen dat de upstream- en downstreamemissies de voordelen van het verbeterde operationele gebruik van energie door voertuigen niet uithollen;

12.  roept de Commissie op om dringend CO2-normen voor alle wegvervoer in te voeren en te verbeteren, aangezien kosteneffectieve voertuignormen naar alle waarschijnlijkheid de efficiëntste maatregel zijn voor het verbeteren van de energie-efficiëntie in de EU in de periode tot 2030;

13.  wijst erop dat energie-efficiëntie als het beste energie-alternatief moet worden beschouwd en dat derhalve alle maatregelen die de energie-efficiëntie op een kostenefficiënte manier verbeteren en de vraag naar energie doen dalen voorrang moeten krijgen, moeten worden bevorderd en naar behoren in het vervoersbeleid en de Europese klimaatactie moeten worden ingepast;

Optimalisering van het vervoerssysteem

Vergroting van de efficiëntie

14.  vraagt de Commissie en de lidstaten om de verbindingen tussen verschillende regio's in de EU te verbeteren, ook wat betreft afgelegen, achtergebleven en grensregio's van de Unie; vraagt de Commissie in dit verband de EU-benadering van de connectiviteit in de luchtvaart te herzien en de mogelijkheid te verkennen om een connectiviteitsindex uit te werken, waarbij ook het samenspel met andere vervoerswijzen in aanmerking wordt genomen; onderstreept dat dit gepaard moet gaan met investeringen in en bevordering van duurzame alternatieven;

15.  moedigt de lidstaten met klem aan de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim te versnellen, aangezien de huidige versnippering tot langere vluchttijden, vertragingen, extra brandstofverbruik en meer CO2-emissies leidt; wijst erop dat dit zou bijdragen aan een emissievermindering met 10 %;

16.  verzoekt de Commissie zeer ambitieus te blijven inzake innovatie, door onderzoek naar het gebruik van fotovoltaïsche energie in de luchtvaartsector (zoals Solar Impulse 2) en naar alternatieve hernieuwbare vloeibare brandstoffen aan te moedigen;

Eerlijke en efficiënte prijsstelling

17.  stelt dat duidelijker prijssignalen voor alle vervoerswijzen die meer recht doen aan de beginselen van de vervuiler respectievelijk de gebruiker betaalt, essentieel zijn voor eerlijkheid en om een gelijk speelveld te creëren voor de verschillende vervoerswijzen in Europa; wijst erop dat bestaand beleid vanuit dat gezichtspunt moet worden heroverwogen;

18.  wijst erop dat elke vervoerswijze de eigen marginale kosten zou moeten dekken, zowel voor slijtage van de infrastructuur ("de gebruiker betaalt") als voor externe kosten voor bijvoorbeeld luchtverontreiniging en geluidsoverlast ("de vervuiler betaalt"); meent dat de toepassing van deze twee beginselen in de gehele EU de huidige lastendiscrepantie tussen vervoerswijzen zal helpen wegnemen;

19.  onderstreept dat regelgeving inzake vervoersprijzen geen oneerlijke concurrentie mag veroorzaken ten nadele van duurzamere vervoerswijzen, zoals het spoor, en dringt er bij de Commissie op aan om met voorstellen te komen om eerlijke concurrentie op dit gebied te waarborgen;

20.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om normen voor interoperabele elektronische tolsystemen in de EU op te stellen, alsook met de komende herziening van de eurovignetrichtlijn, die moet voorzien in op afstand gebaseerde tolprijzen en differentiatie op basis van CO2-emissies, alsook in de mogelijkheid om heffingen te differentiëren op basis van geactualiseerde Euro-normen; is van mening dat de uitbreiding van op afstand gebaseerde tolprijzen moet gelden voor alle personenauto's en bestelwagens en tegelijkertijd een bepaalde vorm van flexibiliteit mogelijk moet maken voor afgelegen en dunbevolkte gebieden;

21.  benadrukt dat een modal shift in het vervoer bevordering van en investeringen in multimodaliteit en openbaar vervoer vereist;

22.  vraagt de Commissie om haar "handleiding inzake de externe kosten van transport" met spoed bij te werken, rekening houdend met gegevens over de emissies onder reële rijomstandigheden;

23.  benadrukt dat de luchtvaart de vervoerswijze is waarbij de externe kosten nog het minst geïnternaliseerd worden, en verzoekt de Commissie derhalve de Overeenkomst van Parijs in de praktijk te brengen en de mogelijkheden te verkennen voor geharmoniseerde, internationale maatregelen voor een heffing op kerosine in de luchtvaart en afschaffing van de btw-vrijstelling op vliegtickets;

Logistiek en digitalisering

24.  erkent dat logistiek een cruciale rol kan spelen in het terugdringen van de koolstofimpact van het vervoer door middel van milieuvriendelijke samenwerkingsstrategieën waarin aandacht wordt besteed aan de integratie van de toeleveringsketen, multimodaal vervoer, groepagevervoer en retourlogistiek; is van mening dat digitale technologieën doorslaggevend zijn om deze doelen te bereiken;

25.  is van mening dat intelligente vervoerssystemen, "platooning" en autonome en geconnecteerde voertuigen een belangrijke troef kunnen zijn voor de verbetering van de efficiëntie van zowel het individuele als het commerciële weg-, spoorweg-, zee- en luchtvervoer;

26.  erkent dat geconnecteerde-autotechnologie niet alleen de verkeersveiligheid zal verbeteren, maar ook aanzienlijke gevolgen zal hebben voor het milieu, en wijst op de dichte netwerkinfrastructuur die nodig is om hoge capaciteit en korte latentietijd te waarborgen voor een 5G-netwerk, zodat optimaal gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheden die geconnecteerde en autonome voertuigen bieden om de mobiliteit in de stedelijke omgeving te verbeteren; erkent dat veel bedrijven, gezien het meer algemene digitaliseringsproces dat in het hele Europese bedrijfsleven gaande is, hun transformatiestrategie zullen moeten doen steunen op mobiliteit, waardoor er grote kansen ontstaan voor kmo's en start-ups in de vervoerssector, en is van mening dat dit moet worden ondersteund;

27.  benadrukt dat openbaar vervoer, als onderdeel van het concept van mobiliteit als dienstverrichting, een groot potentieel heeft om de verkeersintensiteit en de daarmee samenhangende emissies te beperken, en verzoekt de Commissie de digitalisering en de connectiviteit van openbaarvervoerssystemen te stimuleren om de barrières tussen vervoerswijzen en -systemen weg te nemen en het gebruik ervan aan te moedigen; is tevens van mening dat de genomen maatregelen toegespitst moeten zijn op de specifieke kenmerken van de betrokken - stedelijke of rurale - gebieden, bedenkend dat economische levensvatbaarheid in plattelandsgebieden moeilijker te verwezenlijken is; vraagt de Commissie en de lidstaten derhalve om specifieke initiatieven op touw te zetten voor een efficiënter vervoer in rurale en moeilijk bereikbare omgevingen en daarbij ook rekening te houden met de openbaredienstverplichtingen;

28.  steunt initiatieven voor mobiliteitsbeheer voor het bereiken van efficiëntere en milieuvriendelijker intermodale vervoersdiensten en slimme mobiliteit, wat essentieel kan zijn voor de bevordering van de concepten van mobiliteit als dienstverrichting en gesynchroniseerde intermodaliteit ("synchromodaliteit"); is van mening dat, om mobiliteit als dienstverrichting verder te vergroten, in de toekomstige regelgeving passende aandacht moet worden besteed aan de bijdrage van intelligente vervoersbeheerssystemen (ITS), de ontwikkeling van ict-capaciteiten, de interoperabiliteit van systemen, het delen van diensten en geïntegreerde multimodale ticketing;

29.  merkt op dat voertuigen die worden gebruikt voor vrachtvervoer in stedelijke gebieden, verhoudingsgewijs zeer sterk bijdragen tot de luchtvervuiling en geluidsoverlast en negatieve gevolgen hebben voor de verkeersdrukte; roept op tot een betere optimalisatie van de toeleveringsketen in stedelijke gebieden; verzoekt de Commissie om het gebruik van lichte, emissievrije bestelwagens, emissievrije bussen, vuilniswagens en taxi's en bakfietsen in de "logistiek van de laatste kilometer" aan te moedigen;

30.  wijst op de potentiële voordelen van het gebruik van lichtere voertuigen en van een efficiënter gebruik van de bestaande infrastructuur, zoals een betere spreiding van het verkeer en verbeterde intermodale oplossingen;

31.  verzoekt de Commissie in het kader van de wetgeving voor de digitale eengemaakte markt het potentieel van veiligere, slimmere en groenere vervoersmiddelen in het wegvervoer te benadrukken en projecten te bevorderen voor V2V- (vehicle-to-vehicle) en V2R (vehicle-to-road)-apparatuur als een van de maatregelen om innovatie-economie voor innovatie te stimuleren en Europese ict-bedrijven nieuwe zakelijke mogelijkheden te bieden;

32.  wijst op het belang van investeringen in optimale achterlandverbindingen om zo de ecologische voetafdruk van achterlandvervoer te verkleinen door gebruikmaking van multimodale verbindingen, duurzaam spoorwegvervoer, binnenvaart, realtimegegevens over het vervoer en IT-toepassingen aan te moedigen langs de corridors van de trans-Europese vervoersnetten;

33.  is ervan overtuigd dat het bevorderen van initiatieven voor mobiliteitsbeheer in regio's en steden, instellingen en bedrijven aanzienlijke mogelijkheden biedt voor het verminderen van de verplaatsingsbehoeften van burgers, zowel qua afstand als qua snelheid;

34.  verzoekt de lidstaten om proefprojecten te ondersteunen die ertoe aanzetten om meer gebruik te maken van elektrische en op alternatieve geavanceerde biobrandstoffen rijdende voertuigen;

35.  benadrukt dat er behoefte is aan een alomvattende EU-aanpak om een snelle digitalisering van het vervoer mogelijk te maken die, samen met betere vervoersplanning en de overstap naar "mobiliteit als dienstverrichting", in hoge mate zal bijdragen aan de verbetering van de efficiëntie en ingrijpende gevolgen zal hebben voor de samenleving;

36.  is van mening dat betere vervoersplanning, beter gebruik van digitalisering en logistiek domeinen zijn met een enorm potentieel voor emissiereductie en dat talrijke goedkope en eenvoudige maatregelen zeer snel zouden kunnen worden ingevoerd met een meetbaar effect, zoals verkeersstromen- en ladingoptimalisatie en e-Freight; verzoekt de Commissie derhalve een lijst te maken van dergelijke maatregelen en deze te benoemen, teneinde ze in de nabije toekomst te promoten; verzoekt om een samenhangend wetgevingskader en normen die het mogelijk maken om innoverende oplossingen op het gebied van logistiek en transport in heel Europa uit te rollen;

37.  moedigt de Commissie en de vervoersondernemers ertoe aan projecten uit te werken die consistente informatie over de verschillen in CO2-voetafdruk van verschillende vervoerswijzen bevatten op basis van publicaties, informatie, reserveringen en ticketing;

38.  benadrukt dat het beleid inzake ICT-standaardisering absoluut moet worden aangepast aan de markt en de beleidsontwikkelingen om interoperabiliteit voor e-Freight en intelligente vervoerssystemen tot stand te brengen;

39.  wijst op het belang van interoperabiliteit voor het terugdringen van de emissies van zware voertuigen, zowel in het stads- als het streekvervoer;

Emissiearme alternatieve energie

40.  benadrukt dat elektrische mobiliteit op basis van duurzame energiebronnen grote mogelijkheden biedt voor het koolstofvrij maken van het vervoer; is echter van oordeel dat de optimalisering van de technologie en de grootschalige uitrol van de infrastructuurvoorzieningen pas na 2030 te verwachten zijn; dringt nogmaals aan op technologische innovaties;

41.  verwelkomt de inspanningen om tot een omvattende en interoperabele infrastructuur te komen om voertuigen met alternatieve aandrijving van hernieuwbare energie en/of duurzame alternatieve brandstoffen te voorzien; verzoekt de Commissie in dit verband om er in coördinatie met de lidstaten voor te zorgen dat de desbetreffende bepalingen van Richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en artikel 8 van Richtlijn 2010/31/EU inzake de energie-efficiëntie van gebouwen zoals gewijzigd door Richtlijn (EU) …/… (procedure 2016/0381(COD)) volledig worden toegepast;

42.  dringt er bij de Commissie op aan een ambitieus actieplan vast te stellen voor de marktopname van elektrische voertuigen en richtinggevende aanbevelingen te doen aan de lidstaten om fiscale stimuleringsmaatregelen in te voeren voor emissievrije en emissiearme voertuigen; benadrukt dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van oplaad-en tankinfrastructuur, inclusief in particuliere en overheidsgebouwen in overeenstemming met de richtlijn energieprestatie van gebouwen (Richtlijn 2010/31/EU, EPBD), en het concurrentievermogen van elektrische voertuigen essentieel zijn om de aanvaarding door de consument te verhogen; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat elektriciteit voor elektrische voertuigen afkomstig is van duurzame energiebronnen; verzoekt in dat verband om een Europees langetermijninitiatief betreffende accu's van de volgende generatie en om de ontwikkeling van de nodige infrastructuur om duurzame productienormen voor emissiearme energie en voertuigen te bevorderen;

43.  verzoekt de Commissie om onverwijld haar evaluatie van de tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende schone energie voor het vervoer (Richtlijn 2014/94/EU) over de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen door de lidstaten voor te leggen en maatregelen te treffen jegens die lidstaten die nog geen nationale strategie hebben voorgesteld;

44.  stelt dat een verplichting voor brandstofleveranciers om de broeikasgasemissies van de geleverde energie te reduceren door gebruik te maken van hernieuwbare elektriciteit, waterstof, duurzame conventionele en geavanceerde biobrandstof, synthetische brandstoffen of andere koolstofarme brandstoffen (zoals CNG of LNG) een van de meest effectieve middelen zou zijn om de klimaatimpact van het wegvervoer te verkleinen;

45.  herinnert de Commissie eraan hoe dringend het is om, als concrete maatregel om de overstap van de hele samenleving op duurzame energie te bewerkstelligen, de economische prikkels die nu nog steeds naar fossiele brandstoffen gaan naar alternatieve en duurzame energievormen over te hevelen;

46.  dringt aan op een ambitieuzere benadering van hernieuwbare energie in de vervoerssector dan is voorgesteld in de herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie om de vervoerssector op de lange termijn koolstofvrij te maken;

47.  dringt erop aan om specifieke stimuleringsmaatregelen in te voeren voor de uitrol van duurzame alternatieve brandstoffen voor vervoerswijzen waarvoor momenteel geen alternatieven voor vloeibare brandstof bestaan; is van mening dat dergelijke stimuleringsmaatregelen moeten worden opgenomen in de nieuwe richtlijn hernieuwbare energie en in de geïntegreerde nationale actieplannen voor energie en klimaat, overeenkomstig het voorstel voor een verordening inzake de governance van de energie-unie;

48.  herinnert eraan dat 94 % van het Europees vervoer afhankelijk is van olieproducten en is van oordeel dat duurzame nationaal geproduceerde biobrandstoffen de afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen verminderen en op die manier de energiezekerheid van de EU versterken;

49.  roept de Commissie op de directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen tussen nu en 2020 af te bouwen;

50.  roept de Commissie en de lidstaten op het potentieel van LNG om mobiliteit, economie en werkgelegenheid te verduurzamen, te ondersteunen(30);

51.  benadrukt de rol die aardgas (bv. CNG en LNG) en met name biomethaan, synthetisch methaan en LPG, zouden kunnen spelen in de overgang naar een koolstofarme vervoerssector, met name met betrekking tot de scheepvaart, zware bedrijfsvoertuigen en stadsbussen;

52.  neemt kennis van de grenswaarden die zijn voorgesteld in de herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie om de eerste generatie biobrandstoffen tegen 2030 uit te faseren en de vervoerssector op de lange termijn koolstofarm te maken; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan een onderscheid te maken tussen biobrandstoffen van de eerste generatie met een hoge broeikasgasefficiëntie en een laag risico van indirecte veranderingen in het landgebruik en biobrandstoffen die niet aan deze criteria voldoen, en zo spoedig mogelijk maatregelen te treffen om het gebruik van grondstoffen, waaronder palmolie, die ontbossing of het gebruik van veengrond in de hand werken, uit te faseren; benadrukt het belang van een stabiel en voorspelbaar wetgevingskader waarin naar behoren rekening wordt gehouden met investeringscycli om de nodige investeringen in geavanceerde biobrandstoffen aan te trekken; neemt kennis van de potentiële klimaatvoordelen van de EU-landbouwproductie die gebaseerd is op biobrandstoffen met een hoge broeikasgasefficiëntie en een laag risico van indirecte veranderingen in het landgebruik, met name ten aanzien van emissies van massale invoer van dierlijke eiwitten uit niet-EU-landen;

53.  spoort de Commissie aan objectieve criteria te ontwikkelen voor de erkenning van geavanceerde biobrandstoffen om innovatie en de marktopname ervan te stimuleren;

54.  benadrukt dat het van belang is om de vervoerssector op de lange termijn koolstofarm te maken, en verzoekt de Commissie een hogere marktpenetratie van geavanceerde biobrandstoffen met een hoge broeikasgasefficiëntie aan te moedigen, die voldoen aan de afvalhiërarchie als onderdeel van de circulaire economie en aan strenge ecologische en sociale duurzaamheidscriteria, teneinde het gebruik van fossiele brandstoffen en broeikasgasemissies terug te dringen; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de eisen inzake broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen aan te scherpen zodat deze blijven bijdragen aan de verwezenlijking van de EU-klimaatdoelstellingen; benadrukt het belang van een degelijke en geloofwaardige verrekening van emissies en verwijderingen als gevolg van bio-energie krachtens het voorstel voor een verordening inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) (COM(2016)0479);

55.  benadrukt dat alleen biobrandstoffen op basis van gewassen die aan de duurzaamheidscriteria voldoen, mogen meetellen voor de klimaatdoelstellingen van de lidstaten krachtens het verordeningsvoorstel inzake de verdeling van de inspanningen (COM(2016)0482);

56.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling van waterstoftechnologie uit hernieuwbare energiebronnen op de voet te volgen en zich ertoe te verbinden een haalbaarheidsstudie te verrichten naar de rol en de mogelijkheden van waterstof in het Europese vervoerssysteem;

57.  beklemtoont dat (vloeibare en gasvormige) synthetische brandstoffen die afkomstig zijn van een overschot aan energie uit duurzame bronnen, met name zonne- en windenergie bij piekproductie, dat anders verloren zou gaan, vanuit het perspectief van de levenscyclus kunnen bijdragen tot een broeikasgasemissiereductie van de bestaande voertuigparken en tegelijk het rendement van hernieuwbare energie kunnen vergroten;

58.  verzoekt Commissie en lidstaten in het kader van de circulaire economie, het emissie- en klimaatbeleid en de hernieuwbare-energiedoelstellingen van de Unie de productie van groen biogas middels mestverwerking uit te breiden en volledig te steunen;

59.  is ingenomen met het feit dat ondernemingen uit de EU momenteel wereldwijd koplopers zijn in synthetische-brandstoffentechnologieën en ziet dit als een kans om de economische groei en hoogwaardige werkgelegenheid in de EU te versterken; beklemtoont derhalve dat er een kader moet worden gecreëerd dat de verdere ontwikkeling en uitrol van die technologieën aanmoedigt;

60.  is van mening dat bevordering van garanties van oorsprong te bevorderen zou kunnen leiden tot een aanzienlijke stijging van het aandeel hernieuwbare energie in de vervoerssector;

61.  merkt op dat de EU duurzame energie technologisch neutraal dient te benaderen en dat haar duurzaamheidsbeleid moet zijn gericht op de beperking van emissies die schadelijk zijn voor klimaat en gezondheid;

62.  vraagt de Commissie de mogelijkheden van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (GCO) ten volle te benutten om onderzoek naar schone energie voor het vervoer te verrichten;

63.  is ingenomen met de steun die momenteel in het kader van Horizon 2020 wordt verleend aan onderzoek, ontwikkeling en innovatie op het gebied van schoon vervoer en duurzame energie, en verlangt dat deze steun in het volgende MFK (meerjarig financieel kader) wordt voortgezet;

64.  onderstreept het belang van onderzoek en ontwikkeling om de technologische uitdagingen met betrekking tot een emissiearme mobiliteit het hoofd te bieden; dringt er bij de Commissie op aan dat zij onderzoeksprogramma's als Clean Sky en Sesar (Onderzoek naar het beheer van het luchtverkeer in het gemeenschappelijke Europese luchtruim) krachtig blijft steunen;

Vervoersinfrastructuur en investeringen

65.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de medefinanciering door de EU van vervoersprojecten die bijdragen aan de klimaatactie en de luchtkwaliteit en aan de minimalisering van andere externe kosten te verruimen in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en de TEN-V;

66.  is van mening dat projecten in het kader van de Connecting Europe Facility (CEF) van groot belang zijn voor de Europese strategie voor emissiearme mobiliteit, en betreurt dat de CEF-begroting werd gebruikt om het EFSI te spekken; verlangt derhalve dat de CEF-begroting wordt hersteld, en herhaalt dat EFSI II met andere middelen moet worden gefinancierd; is voorts van mening dat financiering door het EFSI van projecten die voor CEF-steun in aanmerking komen vermeden moet worden;

67.  wijst uitdrukkelijk op het belang van een succesvol gebruik van het EFSI of een combinatie van het EFSI met de ESI-fondsen; is van mening dat de lidstaten meer in hun spoorwegnetten moeten investeren en ernaar moeten streven de absorptiepercentages van cohesiefondsen voor spoorwegprojecten te vergroten;

68.  herinnert eraan dat de goede staat en hoge kwaliteit van het infrastructuurnet moeten worden gewaarborgd, aangezien dat de doorstroming van het verkeer bevordert en verkeersopstoppingen en daarmee ook de CO2- en andere verontreinigende emissies beperkt;

69.  dringt er bij de Commissie op aan om meer financiële middelen ter beschikking te stellen voor steden, zodat zij gezamenlijk aanbestedingen kunnen uitschrijven voor infrastructuur of technologieën die kunnen bijdragen tot het koolstofarm maken van het stedelijk vervoer en het verminderen van de luchtvervuiling door wegvoertuigen; wijst erop dat het hierbij onder meer gaat om openbare laadpunten voor elektrische voertuigen, deelsystemen voor auto's en fietsen en de ontwikkeling van het openbaar vervoer;

70.  benadrukt het belang van financiële steunmaatregelen voor innovatie in de sector en voor milieubehoud tijdens infrastructuurwerkzaamheden;

Burgers en besluitvormers helpen bij gedragsverandering

71.  spoort de stedelijke overheden aan in hun mobiliteitsplannen (zoals de duurzame stedelijke mobiliteitsplanning) streefcijfers voor broeikasgasreductie en strategieën voor schone lucht op te nemen en verzoekt de Commissie om EU-cofinanciering bij voorrang toe te wijzen voor projecten voor stedelijke mobiliteit die bijdragen tot het halen van die streefcijfers, onder meer door steun te verlenen voor innovaties die de steden daartoe in staat stellen;

72.  is van mening dat de bevordering van het collectief openbaar vervoer een van de meest efficiënte manieren is om de emissies terug te dringen en het vervoer efficiënter te maken; acht het belangrijk om de rol van openbaarvervoersdiensten te versterken; verzoekt de Commissie en de lidstaten ook om de aankoop van schonere, minder vervuilende voertuigen door zowel overheidsinstanties al particuliere wagenparkbeheerders aan te moedigen en met premies te stimuleren;

73.  wijst nadrukkelijk op de mogelijkheden van groene overheidsopdrachten voor duurzamer vervoer, met name voor het busvervoer in steden en voorsteden;

74.  roept de Commissie op het netwerk tussen vooroplopende steden die in hun stadsplanning voorrang geven aan duurzame vervoerswijzen, zoals lopen, fietsen, uitbreiding van het openbaar vervoer, carpooling en autodelen, te versterken en lokale, regionale en nationale autoriteiten in staat te stellen om beste praktijken op het gebied van broeikasgas-emissiereducties en schone-luchtstrategieën uit te wisselen; roept de Commissie op de lokale, regionale en nationale overheden aan te sporen de behoeften en procedures voor de planning van vervoer, huisvesting en ruimtelijke ordening volledig te integreren teneinde de doelstellingen van het klimaatbeleid beter te verwezenlijken;

75.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om, rekening houdend met het feit dat de Europese normen voor lichte voertuigen de emissies in reële rijomstandigheden niet weerspiegelen, de voordelen te onderzoeken van invoering van een keurmerk of norm voor voertuigen met extreem lage emissies die in reële rijomstandigheden aan de emissiegrenswaarden voldoen;

76.  is van mening dat er meer aandacht moet worden besteed aan verdergaande integratie en de verhoging van de aantrekkelijkheid van niet-gemotoriseerde vervoerswijzen, aangezien particuliere vormen van vervoer daardoor veel minder aantrekkelijk zouden worden;

77.  verzoekt de Commissie de vervoersbehoeften van burgers in rurale en afgelegen gebieden op te nemen in haar strategieën voor emissiearme mobiliteit;

78.  spoort alle overheidsinstellingen aan om duurzaamheidscriteria op te nemen in openbare aanbestedingen;

79.  steunt de Commissie, de lidstaten en de regio's wanneer zij meer investeren in het combineren en integreren van het Europees fietsroutenetwerk EuroVelo met het TEN-V-spoorwegnet;

80.  beklemtoont dat het hoog tijd is voor een voorstel tot herziening van de verordening algemene veiligheid, en verzoekt de Commissie vóór einde 2017 met een dergelijk voorstel te komen; is van mening dat de technologie voor "intelligente snelheidsaanpassing" voldoende is ontwikkeld en veel levens kan redden en daarom zonder verder uitstel moet worden ingevoerd voor alle voertuigen; onderstreept dat "rechtstreeks zicht" voor vrachtwagens een zeer doeltreffende oplossing vormt om ongevallen met kwetsbare weggebruikers te voorkomen en dat verplichte normen daarvoor deel moeten uitmaken van het voorstel;

Sectorspecifieke verlangens

Motoren, auto's en bestelwagens

81.  verzoekt de Commissie met een voorstel te komen voor normen die in 2025 moeten gelden voor alle personenwagens en bestelwagens, in overeenstemming met het standpunt dat het Parlement heeft ingenomen ten aanzien van de procedures inzake twee wetgevingshandelingen in 2013(31) en dat bevestigd werd in de verklaringen over de 2025-doelstelling van de Commissie dienaangaande(32); benadrukt dat deze gemiddelde vlootnormen moeten worden berekend op basis van de nieuwe wereldwijde testprocedure voor lichte voertuigen (WLTP) en het langetermijntraject voor emissievermindering moeten weerspiegelen zoals dat is vastgesteld in het klimaat- en energiekaderprogramma 2030 van de EU en de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

82.  verwelkomt de invoering van de nieuwe WLTP; onderstreept echter dat er in aanvulling op de WLTP een gerichte ex-post-RDE-methode (RDE: real driving emissions - emissies onder reële rijomstandigheden) voor CO2 moet worden ontwikkeld, aangezien onderzoek uitwijst dat er in de nieuwe WLTP-laboratoriumtestcyclus nog een verschil van ongeveer 20 % zal zijn met emissies onder reële rijomstandigheden en dat de testcyclus vatbaar zal blijven voor testoptimalisatie en -manipulatie; merkt op dat deze methode gebaseerd kan zijn op meetinstrumenten die al in het voertuig aanwezig zijn, zoals de brandstofmeter; merkt daarnaast op dat met het oog daarop en om betrouwbare gegevens te verkrijgen een standaardaanpak voor het verzamelen, opslaan, gebruiken en communiceren van het brandstofverbruikwaarden moet worden ontwikkeld, waarbij maximaal gebruik wordt gemaakt van sensoren die al in het voertuig aanwezig zijn en waarbij de privacyregels volledig moeten worden gerespecteerd; roept de Commissie op bijkomende oplossingen te overwegen om CO2-emissies in de vervoerssector te beteugelen, en in het bijzonder meer rekening te houden met de bijdrage van het gebruik van lichtere voertuigen om de CO2-emissies van voertuigen rechtstreeks te beperken;

83.  herinnert eraan dat de RDE-tests de verschillen tussen de emissies die in het laboratorium en op de weg worden gemeten alleen daadwerkelijk zullen kunnen verkleinen indien met zorgvuldig ontwikkelde testspecificaties en beoordelingsprocedures wordt gewerkt en indien een breed scala aan rijomstandigheden wordt bestreken, waaronder de verschillende temperaturen, motorbelastingen, voertuigsnelheden, hoogtes, wegtypes en andere parameters die een rol spelen bij het rijden in de Unie;

84.  dringt aan op de spoedige vaststelling van een geharmoniseerd, verplicht en transparant EU-etiketteringssysteem, dat consumenten voorziet van correcte, degelijke en vergelijkbare gegevens over het brandstofverbruik, de levenscyclus, de CO2-emissies en de emissies van luchtverontreinigende stoffen van voertuigen die op de markt worden gebracht; verzoekt om een herziening van de richtlijn etikettering personenauto's (Richtlijn 1999/94/EG), die geamendeerd zou kunnen worden om een verplichting op te nemen om informatie over andere luchtverontreinigende emissies, zoals NOx en fijnstof, te verstrekken;

85.  verzoekt de Commissie om de richtlijn betreffende schone energie voor het vervoer (Richtlijn 2014/94/EU) te herzien en met een verordeningsvoorstel te komen inzake CO2-normen voor voertuigen die vanaf 2025 in de handel worden gebracht, teneinde nieuwe CO2-uitstotende auto's uit te faseren;

86.  vraagt de Commissie een minimale doelstelling te formuleren voor het aandeel aan emissievrije auto's voor alle fabrikanten;

87.  beklemtoont de voordelen voor de Europese economie van een vroege overgang naar voertuigen die volgens de bevindingen van de levenscyclusanalyse (LCA) de geringste klimaatimpact hebben; benadrukt dat die overgang de concurrentiekracht van de Europese autofabrikanten op de wereldmarkt zal garanderen, zodat bestaande banen behouden blijven en er nieuwe werkgelegenheid wordt gecreëerd;

88.  hoopt dat er almaar meer financiële middelen worden vrijgemaakt voor technologisch onderzoek in verband met de productie, de behandeling en de verwijdering van accu's van elektromotoren, opdat die steeds milieuvriendelijker worden;

89.  stelt vast dat de Commissie een aantal inbreukprocedures heeft ingeleid tegen lidstaten die inbreuk hebben gepleegd op Richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit door de NO2- en PM10-grenswaarden voortdurend te overschrijden; dringt er bij de Commissie op aan haar controlebevoegdheden uit te oefenen om te voorkomen dat vervuilende dieselwagens op de markt worden gebracht die aanzienlijk bijdragen aan de uitstoot van NO2 en PM10 in de atmosfeer en die niet voldoen aan de EU-regels inzake de typegoedkeuring en emissies van personenwagens en lichte bedrijfsvoertuigen;

90.  beklemtoont dat brede deelname van kmo's aan de productie van voertuigen en onderdelen moet worden bevorderd om een gelijk speelveld in de vervoersmarkt te garanderen en onderzoek en ontwikkeling aan te moedigen;

91.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat er in de CO2-regelgeving voor de periode na 2020 zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met alle technologische benaderingen om CO2-emissies op de weg terug te dringen; is van mening dat bij de regelgeving met name rekening moet worden gehouden met de nieuwste alternatieve brandstoffen (bijvoorbeeld e-brandstoffen, synthetische brandstoffen en omzetting van elektriciteit in gas (power to gas) of in vloeistof (power to liquid));

Zware voertuigen

92.  stelt vast dat zware voertuigen verantwoordelijk zullen zijn voor 40 % van de totale CO2-emissies van het wegvervoer indien er voor 2030 geen aanvullende maatregelen worden genomen; dringt er derhalve bij de Commissie op aan om eind 2017 met een voorstel te komen betreffende de certificering, monitoring en rapportering van zware voertuigen en om tegen 2018 met ambitieuze CO2-normen voor 2025 te komen, op basis van de beste beschikbare gegevens; verwelkomt de vrachtefficiëntiesimulator van VECTO (Vehicle Energy Consumption Calculation Tool) en onderstreept de noodzaak om toegang te houden tot transparante, realistische en bijgewerkte monitoringgegevens;

93.  verzoekt de Commissie een begin te maken met de ontwikkeling van een Europese strategie voor koolstofarm vrachtwagenverkeer op basis van een vergelijkende studie, teneinde de marktopname van energie-efficiënte en emissievrije bussen en vrachtwagens te faciliteren; wijst erop dat bepaalde lidstaten reeds initiatieven ontplooien voor emissievrij vrachtvervoer over de weg;

94.  is van mening dat het toenemende gebruik van schone motoren voor zware voertuigen, zoals elektrische of op LNG rijdende voertuigen, moet worden ondersteund en dat daarvoor omvangrijke en strategische infrastructuurinvesteringen vereist zijn;

95.  verzoekt de Commissie om maatregelen vast te stellen en de lidstaten toe te staan maatregelen in te voeren om de transito van emissiearme of emissievrije voertuigen te stimuleren en deze voertuigen voorrang te geven in het verkeer binnen alle TEN-V-netwerken;

96.  benadrukt dat emissiearme en emissievrije stadsbussen de uitstoot van vervuilende stoffen in stedelijke gebieden aanzienlijk kunnen helpen verminderen; dringt derhalve aan op de invoering van emissievrije stadsbussen door de opneming van Europese groene aanbestedingscriteria voor overheidsopdrachten in de richtlijn schone wegvoertuigen (Richtlijn 2009/33/EG), die momenteel wordt herzien; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan het gebruik van EU-middelen, zoals de ESI-fondsen, te faciliteren en te bevorderen om de desbetreffende maatregelen te ondersteunen;

97.  beklemtoont dat het belangrijk is de juiste voorwaarden te scheppen om emissiearme, alternatieve energie voor vervoer te stimuleren, en merkt op dat dit kan worden bevorderd door ervoor te zorgen dat de sector beschikt over een duidelijk en langdurig kader voor investeringen in het koolstofvrij maken van brandstoffen en andere nieuwe technologieën; verzoekt de Commissie te overwegen een haalbaarheidsstudie te verrichten van de mogelijke bestaande oplossingen waarop een koolstofarme strategie voor het vrachtvervoer over de weg kan worden gebaseerd;

98.  steunt het plan van de Commissie voor een platform voor schone bussen dat busbedrijven, lokale overheden, busfabrikanten en energieleveranciers samenbrengt om hen ertoe aan te sporen om sneller schonere voertuigen in te voeren, en vraagt de Commissie om de bus te promoten als milieuvriendelijke en duurzame vorm van openbaar vervoer;

99.  merkt op dat er tal van nieuwe technologieën en op bestaande technologieën gebaseerde innovaties bestaan die aanzienlijke milieuvoordelen kunnen opleveren, zoals betere banden, betere smeermiddelen, doeltreffendere transmissies en hybride motoren, en dat Europa moet streven naar een leidende rol in de technologie op dit gebied; vraagt de Commissie te onderzoeken welke rol dergelijke technologieën spelen voor de verbetering van zowel de doeltreffendheid als de milieuprestaties;

100.  benadrukt het belang van verbetering van de luchtkwaliteit in de EU en naleving van EU-luchtkwaliteitsdrempels en de door de WHO aanbevolen niveaus; dringt er, in dit verband, bij de Commissie op aan om de grenswaarden als vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 715/2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, te herzien en met passende voorstellen te komen voor nieuwe technologieneutrale "Euro 7"-emissiegrenzen die uiterlijk 2025 moeten gelden voor alle lichte voertuigen die onder deze verordening vallen;

101.  benadrukt dat emissievermindering en doelstellingen inzake de luchtkwaliteit maatregelen vereisen die ook betrekking hebben op oudere voertuigen en herinnert er in dat verband aan dat retrofitting de snelste en meest kosteneffectieve wijze is om emissies en de vervuilende stoffen van oudere voertuigen te verminderen, aangezien door het systematisch aanbrengen van geavanceerde nabehandelingssystemen voor dieseluitlaatgassen oudere zware bedrijfsvoertuigen zoals bussen en vrachtwagens op milieuvriendelijke wijze kunnen functioneren, waarbij ze zelfs aan de strengste emissievoorschriften kunnen voldoen en een maximale vermindering van NOx, NO2 en PM kunnen bereiken; vraagt de Commissie daarom te komen met gemeenschappelijke EU-richtlijnen om de lidstaten aan te sporen de mogelijke retrofitoplossingen ten volle te benutten en tevens te zorgen voor de subsidiabiliteit in het kader van financiële instrumenten van de EU die zijn gericht op het koolstofarm maken van het vervoerssysteem;

Typegoedkeuring en markttoezicht

102.  dringt aan op een meer omvattend en gecoördineerd typegoedkeuring- en markttoezichtsysteem op EU-niveau, met strikt en betrouwbaar toezicht door de EU en een systeem van controles om de tekortkomingen en de mazen in de wetgeving aan te pakken die aan het licht zijn gekomen in de nasleep van de "dieselgate"-affaire; benadrukt het belang van een snelle goedkeuring van het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (COM(2016)0031) en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd; herinnert in dit verband aan het onderhandelingsmandaat van het Parlement dat op 4 april 2017 is goedgekeurd; bevestigt dat de toekomstige vaststelling van die verordening moet zorgen voor een consistent en transparanter speelveld voor alle betrokkenen in de vervoerssector, effectieve regels moet vaststellen om consumenten te beschermen en moet zorgen voor volledige tenuitvoerlegging van het nieuwe typegoedkeurings- en markttoezichtkader;

103.  is verheugd over het richtsnoer inzake de beoordeling van aanvullende emissiestrategieën en de aanwezigheid van manipulatie-instrumenten, dat de Commissie op 26 januari 2017 heeft gepubliceerd teneinde de lidstaten en bevoegde instanties te helpen bij het opsporen van manipulatie-instrumenten;

104.  betreurt dat er hoge conformiteitsfactoren zijn vastgesteld voor NOx-emissies die als maas in de regelgeving fungeren waardoor er nog steeds buitensporig hoge emissies mogelijk zijn, ook in voertuigen van na 2020; dringt er bij de Commissie op aan de conformiteitsfactor voor RDE-tests van NOx-emissies in 2017 te herzien – zoals vastgesteld in het tweede RDE-pakket – en die daarna jaarlijks te blijven herzien, in overeenstemming met de technologische ontwikkelingen, opdat die factor uiterlijk 2021 gelijk is aan 1;

105.  dringt erop aan het RDE-vierde pakket snel goed te keuren om het regelgevingskader voor de nieuwe typegoedkeuringsprocedure te completeren en dit regelgevingskader snel ten uitvoer te leggen;

Spoorwegen

106.  steunt de nieuwe oproepen van de Commissie tot het indienen van voorstellen voor de ontbrekende spoorverbindingen op regionaal niveau en verwelkomt het perspectief van minimalisering of vermindering van het klimaateffect; verzoekt de Commissie rekening te blijven houden met deze projecten en oproepen tot het indienen van voorstellen te lanceren in het kader van de Connecting Europe Facility, alsook in het kader van de herziening van Verordening (EU) nr. 913/2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer, opdat meer rekening wordt gehouden met de werkelijke doeltreffendheid van de verschillende soorten spoorwegvervoer voor wat betreft hun impact op de energie-efficiëntie in de vervoerssector;

107.  staat achter de voorrang die de Commissie verleent aan investeringen in spoorweginfrastructuur, in het bijzonder voor ontbrekende schakels en in grensoverschrijdende verbindingen; herinnert er in dit verband aan dat het spoor met name voor goederen een efficiënte en duurzame vorm van massavervoer is;

108.  is er voorstander van dat de overstap van wegvervoer naar spoorwegvervoer (Shift2Rail) bereikt wordt door de interoperabiliteit van de verschillende vervoerswijzen te vergroten;

109.  dringt aan op ambitieuze voorstellen voor een richtlijn gecombineerd vervoer die efficiënt vrachtvervoer beter bevorderen en een modal shift naar spoor- en binnenvaart aanmoedigen, teneinde de voor 2030 en 2050 vastgestelde modal-shiftdoelstellingen zoals vermeld in de "tien doelstellingen voor een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" uit het witboek vervoer van 2011 te verwezenlijken;

110.  verzoekt de lidstaten, de Commissie en alle bij de spoorwegen betrokken partijen alle nodige maatregelen te treffen voor de tenuitvoerlegging van de Gemeenschappelijke Onderneming Shift2Rail, teneinde de integratie van geavanceerde technologieën in innovatieve spoorproductoplossingen te versnellen, de aantrekkelijkheid van het spoorwegvervoer te verhogen en de positie van de Europese spoorwegsector te versterken;

111.  vraagt de lidstaten om Richtlijn 2012/34/EU, Uitvoeringsverordening (EU) 2015/909 van de Commissie en het vierde spoorwegpakket onverwijld grondig en effectief ten uitvoer te leggen om te garanderen dat de spoortoegangsrechten zo worden vastgesteld dat een eerlijke concurrentie tussen de verschillende vervoerswijzen mogelijk is;

112.  vraagt de Commissie de nadelen van personenvervoer per trein ten opzichte van andere vervoerswijzen te onderzoeken (bijv. nadelen die verband houden met belastingen, heffingen voor spoortrajecten en directe en indirecte subsidies) en een gelijk speelveld tot stand te brengen;

113.  wijst nogmaals op het belang van interoperabiliteit en coördinatie met de andere vervoerswijzen, van grotere betrouwbaarheid en lawaaivermindering, en van naadloos multimodaal vervoer;

114.  benadrukt de behoefte aan een volledige, effectieve en eenvormige tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 913/2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer, hetgeen zowel het goederenvervoer als het bedrijfsleven ten goede zal komen;

Luchtvaart

115.  verzoekt de Commissie de efficiëntie van de luchtvaart te vergroten, onder meer door erop toe te zien dat de lidstaten het gemeenschappelijk Europees luchtruim met spoed ten uitvoer leggen, door actief deel te nemen aan het werk van de ICAO om te zorgen voor ambitieuze internationale CO2-normen en door te voorzien in passende financiering van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het onderzoek naar het beheer van het luchtverkeer in het gemeenschappelijke Europese luchtruim (Sesar) en de gezamenlijke technologie-initiatieven "Clean Sky";

116.  herinnert eraan dat het luchtruim ook deel uitmaakt van de interne markt van de EU, en dat iedere versnippering ervan als gevolg van inefficiënt gebruik of van uiteenlopende nationale praktijken (op gebieden als vluchtuitvoeringsprocedures, belastingen, heffingen, enz.) niet alleen tot langere vluchttijden, vertragingen, extra brandstofverbruik en meer CO2-emissies leidt, maar ook negatieve gevolgen heeft voor de rest van de markt en een belemmering vormt voor het concurrentievermogen van de EU;

117.  benadrukt dat de luchtvaartsector een adequate, billijke en effectieve bijdrage moet leveren aan de verwezenlijking van de klimaatdoelen voor 2030 en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en bijgevolg aan de verwezenlijking van de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG) inzake klimaatactie;

118.  neemt akte van het besluit van de 39e zitting van de algemene vergadering van de ICAO om een wereldwijde marktgebaseerde maatregel (MBM) te ontwikkelen voor de internationale luchtvaart; verzoekt de Commissie om het besluit te beoordelen, met inbegrip van de vrijwillige verbintenissen en de voorbehouden van de landen, en om de vooruitgang te monitoren die wordt geboekt bij de tenuitvoerlegging van het besluit, zowel nationaal als internationaal, in de 67 landen die vrijwillig willen deelnemen aan de wereldwijde MBM; vraagt de Commissie tijdig een beoordeling te verrichten van de geschiktheid van de bepalingen van de regeling, die in een koolstofneutrale groei voorziet, teneinde de toename van emissies in de luchtvaartsector een halt toe te roepen, in overeenstemming met de doelstellingen van Parijs; merkt op dat het de bedoeling is de ICAO-regeling om de drie jaar te herzien, wat ruimte moet bieden om de regeling ambitieuzer en sterker te maken;

119.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie van 3 februari 2017 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG om de huidige beperkingen van het toepassingsgebied voor luchtvaartactiviteiten voort te zetten en de tenuitvoerlegging van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel vanaf 2021 voor te bereiden (COM(2017)0054), waarin wordt voorgesteld om het beperkte geografische toepassingsgebied van het EU-emissiehandelssysteem (EU-ETS) voor de luchtvaart aan te houden; dringt er bij de Commissie op aan het EU-ETS voor de periode na-2020 verder te evalueren en te herzien zodra er meer duidelijkheid bestaat over de tenuitvoerlegging van de wereldwijde MBM;

120.  wijst erop dat het van belang is stimuleringsmaatregelen in te voeren voor het gebruik van de beste en kortste vluchtroutes om brandstof te besparen en de schadelijke emissies te verminderen ten opzichte van langere routes die worden gekozen om duurdere luchtruimen te vermijden;

121.  beklemtoont dat het onderzoek in deze sector verder moet worden gestimuleerd, ook via de ontwikkeling van publiek-private partnerschappen, om de investeringen in technologieën voor de ontwikkeling van een duurzame luchtvaart te versnellen door het ontwerp van lichtere vliegtuigen, het gebruik van digitale en satelliettechnologie voor een efficiënter trajectbeheer en de productie en het gebruik van alternatieve brandstoffen en brandstoffen van een nieuwe generatie te promoten, met name omdat er in deze sector weinig alternatieven voor de traditionele vloeibare brandstoffen voorhanden zijn;

122.  verzoekt de Commissie nieuwe manieren te verkennen om het gebruik van hernieuwbare vliegtuigbrandstoffen te ondersteunen teneinde de broeikasgasemissies in de luchtvaart te verminderen;

123.  verzoekt de lidstaten en de luchtvaartindustrie de ontwikkeling aan te moedigen van verdere maatregelen om slimme initiatieven te bevorderen die tot doel hebben de emissies in de luchtvaartsector – van, naar en in luchthavens – terug te dringen;

Maritiem vervoer

124.  merkt op dat er op het niveau van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) wordt gestreefd naar beperking van de emissies van de internationale zeevaart en moedigt de IMO derhalve aan duidelijke doelstellingen en maatregelen voor de vermindering van broeikasgasemissies vast te stellen; beklemtoont echter dat, bij gebrek aan een vergelijkbare regeling binnen het kader van de IMO, CO2-emissies afkomstig van havens van de Unie en van reizen naar en vanuit havens van de Unie met ingang van 2023 onderworpen moeten worden aan het EU-ETS; dringt er bij de Commissie op aan de voorwaarden te scheppen om het gebruik van alternatieve brandstoffen zoals aardgas, LPG en waterstof te bevorderen en om de toepassing van hernieuwbare technologieën (bv. zeilen, accu's, zonnepanelen en windgeneratoren) in de maritieme sector aan te moedigen; benadrukt in dit verband dat er op het niveau van de lidstaten en de EU financiële instrumenten moeten worden overwogen om de investeringen in groene vloten te versnellen;

125.  benadrukt dat om een doeltreffende wereldwijde reductie van broeikasgasemissies door het internationale scheepvaartverkeer te garanderen, teneinde het "ruim onder de 2°C"-streefcijfer van de Klimaatovereenkomst van Parijs te halen en de huidige marktbelemmeringen voor scheepsontwerp en operationele efficiëntie aan te pakken, het EU-systeem voor monitoring, rapportage en verificatie (MRV) moet worden gewijzigd om het op één lijn te brengen met het onlangs door de IMO ingevoerde Data Collection System (DCS), waarbij de transparantie, de verificatie en de verzameling van werkelijke vervoerswerkgegevens bewaard moeten blijven;

126.  onderstreept dat het belangrijk is de richtlijn (Richtlijn 2014/94/EU) betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen volledig om te zetten en ten uitvoer te leggen, met inbegrip van de LNG-tankpunten langs de TEN-V-corridors en in zeehavens; is van mening dat een breder gebruik van LNG in het vrachtvervoer zou kunnen bijdragen aan emissiearme mobiliteit, gezien de internationale langetermijndoelen inzake klimaat en energie;

127.  meent dat er een Europese macroregio Zwarte Zee moet worden gevormd om ervoor te zorgen dat de kansen die uit grensoverschrijdende samenwerking in deze regio voortvloeien kunnen worden benut;

128.  onderstreept dat innovatieve financieringsoplossingen en het gebruik van de EU-voorzieningen voor investeringssteun die beschikbaar zijn bij de Europese Investeringsbank (EIB), nuttige instrumenten dienen te verschaffen om scheepseigenaren te helpen de initiële kosten van maatregelen om de broeikasgasemissies te verminderen te dragen en/of te dekken;

129.  is verheugd dat de IMO onlangs een mondiale zwavelgrenswaarde van 0,5 % heeft aangenomen, waardoor wereldwijd naar schatting 250 000 vroegtijdige sterfgevallen zullen worden voorkomen;

130.  is voorstander van een groter aantal beheersgebieden voor zwavelemissies en NOx-emissies in heel Europa;

131.  herinnert eraan dat de roetemissies van het zeevervoer, met name in het Noordpoolgebied, absoluut moeten worden verlaagd om de opwarming van de aarde te beperken;

132.  wijst op de bijzondere rol die gecombineerd vervoer kan spelen bij het reduceren van de emissies; neemt nota van de voorstellen van de Commissie voor de modernisering van de richtlijn gecombineerd vervoer (COM(2017)0648), waarmee een overstap naar vrachtvervoer over spoor en binnenwateren zou moeten worden gestimuleerd;

Binnenwateren

133.  is van mening dat er bijkomende maatregelen nodig zijn om de binnenvaart klimaatvriendelijk en efficiënt te maken; wijst er nogmaals op dat financiële ondersteuningsmaatregelen belangrijk zijn om de sector te innoveren teneinde de energie-efficiëntie van de vaartuigen te vergroten en het milieu tijdens infrastructuurwerkzaamheden te beschermen;

134.  vraagt de Commissie in 2018 een herziening van de richtlijn inzake informatiediensten voor de binnenvaart (River Information Services, RIS)(33) voor te stellen teneinde het gebruik van RIS voor het reduceren van de emissies van de binnenvaart te promoten, en een EU-brede rechtsgrondslag vast te stellen voor grensoverschrijdende gegevensuitwisseling, zodat de volledige tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende RIS en de digitale integratie met andere vervoerswijzen mogelijk wordt;

135.  beklemtoont dat het vervoer over de Europese binnenwateren moet worden aangemoedigd en benut en verzoekt de Commissie financiële middelen toe te wijzen voor het bergen van gezonken vaartuigen, gezien de hoge kosten van dergelijke ondernemingen, alsook met het oog op regionale ontwikkeling en de uitbreiding van de binnenvaart en vervoersverrichtingen in de interne markt;

136.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan maatregelen voor te stellen voor het gebruik van wind- en zonne-energie, evenals voor het milieuvriendelijker maken van de motoren en brandstoffen van binnenschepen, onder meer door te wijzen op de goede praktijken van voorlopers en door de financiering van schone binnenwateren te steunen via het bestaande sloopfonds en de EFSI/EIB-instrumenten;

137.  beklemtoont dat, gezien de huidige marktbehoeften, sterke steun op Europees, nationaal en regionaal niveau nodig is om ervoor te zorgen dat voldoende binnenvaarthavens van het TEN-V-kernnetwerk binnen passende afstanden zijn uitgerust met infrastructuur voor alternatieve energie en openbaar toegankelijke tank- en opslagpunten voor vervoer over de binnenwateren;

o
o   o

138.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 155.
(2) PB L 120 van 15.5.2009, blz. 5.
(3) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1.
(5) PB L 145 van 31.5.2011, blz. 1.
(6) PB L 12 van 18.1.2000, blz. 16.
(7) PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1.
(8) PB L 123 van 19.5.2015, blz. 55.
(9) PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.
(10) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.
(11) PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58.
(12) PB L 239 van 15.9.2015, blz. 1.
(13) PB L 142 van 5.6.1999, blz. 26.
(14) PB L 166 van 30.4.2004, blz. 124.
(15) PB L 268 van 13.10.2009, blz. 11.
(16) PB L 276 van 20.10.2010, blz. 22.
(17) PB L 368 van 17.12.1992, blz. 38.
(18) PB L 300 van 14.11.2009, blz. 88.
(19) PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1.
(20) PB L 332 van 28.12.2000, blz. 81.
(21) PB L 255 van 30.9.2005, blz. 11.
(22) PB L 280 van 27.10.2009, blz. 52.
(23) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 10.
(24) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0292.
(25) PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1.
(26) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0100.
(27) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0097.
(28) https://www.eea.europa.eu/soer-2015/europe/air
(29) https://www.eea.europa.eu/publications/air-quality-in-europe-2015/download
(30) Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 over een EU-strategie voor vloeibaar aardgas en gasopslag (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0406).
(31) PB L 103 van 5.4.2014, blz. 15; PB L 84 van 20.3.2014, blz. 38.
(32) Zie dokumenten van de Raad 5584/14 en 6642/14.
(33) Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 152).

Juridische mededeling - Privacybeleid