Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2086(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0403/2017

Ingediende teksten :

A8-0403/2017

Debatten :

PV 15/01/2018 - 18
CRE 15/01/2018 - 18

Stemmingen :

PV 16/01/2018 - 5.5
CRE 16/01/2018 - 5.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0005

Aangenomen teksten
PDF 208kWORD 57k
Dinsdag 16 januari 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Vrouwen, gendergelijkheid en klimaatrechtvaardigheid
P8_TA(2018)0005A8-0403/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2018 over vrouwen, gendergelijkheid en klimaatrechtvaardigheid (2017/2086(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens, die op 10 december 1948 aangenomen werd, en de VN-verdragen over de rechten van de mens en de facultatieve protocollen hierbij,

–  gezien het VN-Verdrag van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking, die uit de vierde Wereldvrouwenconferentie van 1995 zijn voortgekomen, en vooral het kritieke aandachtspunt K (Vrouwen en het milieu),

–   gezien de door het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA) ontwikkelde "Demographic Exploration for Climate Adaptation", die bevolkingsgegevens koppelt aan de geografie van klimaatgerelateerde gevaren en zo een beleidsinstrument biedt voor het verminderen van het risico van rampen,

–   gezien het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming (UNCCD), dat in december 1996 in werking is getreden, en met name artikel 5 van de algemene bepalingen,

–  gezien de 18e Conferentie van de Partijen (COP 18) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), gehouden in Qatar van 26 november tot 8 december 2012 (Besluit 23/CP.18),

–  gezien de 20e Conferentie van de Partijen (COP 20) bij het UNFCCC, gehouden in Lima, Peru, van 1 tot 12 december 2014, en vooral het werkprogramma van Lima inzake gender (Besluit 18/CP.20),

–  gezien de 21e Conferentie van de Partijen (COP 21) bij het UNFCCC, gehouden in Parijs, Frankrijk, van 30 november tot 11 december 2015,

–   gezien artikel 8 van de Overeenkomst van Parijs,

–  gezien de 22e Conferentie van de Partijen (COP 22) bij het UNFCCC, gehouden in Marrakech, Marokko, van 7 tot 18 november 2016, en vooral het besluit inzake gender en klimaatverandering tot verlenging van het werkprogramma van Lima inzake gender 2014 (Besluit 21/CP.22),

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die in september 2015 werd aangenomen en die op 1 januari 2016 van kracht werd, en met name duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) 1, 4, 5 en 13 daarvan,

–  gezien Resolutie 35/20 van de VN‑Mensenrechtenraad van 22 juni 2017 over mensenrechten en klimaatverandering,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, leden 2 en 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 juni 2012 over gendergelijkheid en het milieu: verbetering van de besluitvorming, de kwalificaties en het concurrentievermogen op het gebied van het klimaatmitigatiebeleid in de EU,

–  gezien het Genderactieplan 2016-2020 van de EU, dat op 26 oktober 2015 door de Raad werd aangenomen,

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2014 over de VN-Conferentie over klimaatverandering 2014 – COP 20 in Lima, Peru (1-12 december 2014)(1),

–  gezien zijn resolutie van 14 oktober 2015 getiteld "Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs"(2),

–   gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over vrouwen en klimaatverandering(3),

–  gezien de standpuntnota over het nieuwe klimaatakkoord van 2015 ("Position Paper on the 2015 New Climate Agreement"), die op 1 juni 2015 door de organisatie Women and Gender Constituency gepubliceerd werd(4),

–  gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) van 26 januari 2017, getiteld "Gender in environment and climate change"(5),

–  gezien de verplichtingen van Genève betreffende mensenrechten en klimaatactie,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8‑0403/2017),

A.  overwegende dat klimaatverandering een wereldwijd fenomeen is, dat meer schade veroorzaakt in de landen en gemeenschappen die het minst verantwoordelijk zijn voor de aardopwarming; overwegende dat de gevolgen groter zijn voor het deel van de bevolking dat het meest afhankelijk is van natuurlijke hulpbronnen voor levensonderhoud en/of dat het minst weerstand kan bieden aan natuurrampen, zoals droogte, landverschuivingen, overstromingen en orkanen; overwegende dat diegenen die beschikken over minder middelen om zich aan te passen, het hardst zullen worden getroffen en het meest zullen lijden onder het effect van de klimaatverandering;

B.  overwegende dat de gevolgen van de klimaatverandering door vrouwen en mannen anders worden ervaren; overwegende dat vrouwen kwetsbaarder zijn en meer met risico's en lasten geconfronteerd worden, onder meer door ongelijke toegang tot hulpmiddelen, onderwijs, carrièremogelijkheden en landrechten, maar ook door maatschappelijke en culturele normen en verschillende intersectionele ervaringen;

C.  overwegende dat vrouwen bijzonder kwetsbaar zijn voor de klimaatverandering, en de effecten daarvan in onevenredige mate ondervinden als gevolg van hun sociale rol, die onder meer de voorziening van water, voedsel en brandstoffen voor het gezin en de zorg voor anderen omvat; overwegende dat vrouwen wereldwijd verantwoordelijk zijn voor meer dan 70 % van de taken die gerelateerd zijn aan water en waterbeheer; overwegende dat in de regio's die het meest getroffen worden door de klimaatverandering 70 % van alle vrouwen in de landbouwsector werkt, maar dat deze vrouwen desondanks zelden worden betrokken bij de ontwikkeling van klimaatbeleid;

D.  overwegende dat de VN schat dat 781 miljoen mensen van boven de 15, waarvan bijna twee derde vrouwen, nog steeds analfabeet zijn(6), terwijl de toegang tot informatie en onderwijs door middel van passende communicatiekanalen essentieel is voor het waarborgen de autonomie van vrouwen, met name tijdens rampen;

E.  overwegende dat in de landbouwsector in Afrika vrouwen meer dan 90 % van het basisvoedsel produceren maar slechts 1 % van het bouwland bezitten;

F.  overwegende dat rampen grote gevolgen hebben voor onderwijs, volksgezondheid, structurele armoede en volkerenontheemding;

G.  overwegende dat de VN schat dat van de 1,3 miljard mensen die in armoede leven, 70 % vrouw is; overwegende dat arme mensen vaker in marginale gebieden wonen die kwetsbaar zijn voor overstromingen, een stijgende zeespiegel en stormen; overwegende dat vrouwen en kinderen een 14 keer grotere kans hebben dan mannen om bij natuurrampen om het leven te komen;

H.  overwegende dat de klimaatverandering leidt tot meer ongelijkheid tussen vrouwen en mannen op het vlak van discriminatie, gevaren voor de gezondheid, verlies van bestaansmiddelen, ontheemding, migratie, armoede, mensensmokkel, geweld, seksuele uitbuiting, voedselonzekerheid en toegang tot infrastructuur en essentiële diensten; overwegende dat er behoefte is aan een genderbewuste aanpak, waarbij een analyse van de gevolgen voor het klimaat gekoppeld wordt aan een kritische reflectie over consumptiepatronen en de gevolgen daarvan voor de klimaatverandering;

I.  overwegende dat de ongelijke participatie van vrouwen aan besluitvormingsprocedures en aan de arbeidsmarkt zorgt voor meer ongelijkheid, en vaak verhindert dat vrouwen ten volle bijdragen en deelnemen aan klimaatbeleidsvorming en -planning, en de tenuitvoerlegging daarvan; overwegende dat vrouwen niet enkel slachtoffer zijn, maar ook doeltreffende veranderingsactoren bij de ontwikkeling van strategieën voor de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering binnen hun gemeenschappen en in besluitvormingsfuncties, en dat zij in staat moeten worden gesteld om dat te doen;

J.  overwegende dat het in actieprogramma van Peking in 1995 duidelijk het verband is vastgesteld tussen gender, het milieu en duurzame ontwikkeling en is verklaard dat voor vrouwen een strategische rol is weggelegd in de ontwikkeling van duurzame en ecologisch verantwoorde consumptie- en productiepatronen, en dat vrouwen op gelijke voet moeten deelnemen aan besluitvorming over het milieu op alle niveaus;

K.  overwegende dat het UNCCD in artikel 5 van zijn algemene bepalingen de rol van vrouwen in plattelandsgemeenschappen en de meest door woestijnvorming en droogte getroffen regio's erkent, en gelijke participatie van mannen en vrouwen in de bestrijding van woestijnvorming en de gevolgen van droogte aanmoedigt;

L.  overwegende dat het bereiken van genderevenwicht en de betekenisvolle deelname van vrouwen aan welk proces dan ook er uiteindelijk van afhankelijk is dat de structurele fundamenten van gendergebaseerde ongelijkheid worden gecorrigeerd;

M.  overwegende dat de partijen van het UNFCCC tijdens de COP 18 (ingevolge besluit 23/CP.18) overeen zijn gekomen te streven naar genderevenwicht binnen instanties die zijn opgericht krachtens het klimaatverdrag en het Protocol van Kyoto, teneinde de participatie van vrouwen te verbeteren, te komen tot een doeltreffender klimaatveranderingsbeleid dat evenzeer tegemoetkomt aan de behoeften van vrouwen als aan die van mannen, en te monitoren hoeveel vooruitgang er met de bevordering van een genderresponsief klimaatbeleid is geboekt in de richting van de doelstelling van genderevenwicht;

N.  overwegende dat vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd zijn in besluitvormingsorganen voor klimaatverandering op nationaal niveau in de EU‑lidstaten, maar niet in de desbetreffende DG's van de Commissie, zoals het DG Klimaat en het DG Energie, waar 40 % van de functies door vrouwen wordt bekleed;

O.  overwegende dat het werkprogramma van Lima inzake gender, dat tijdens de COP 20 aangenomen werd (ingevolge Besluit 18/CP.20), de partijen oproept genderevenwicht in hun vertegenwoordiging te stimuleren en gendersensitiviteit tijdens de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van klimaatveranderingsbeleid te bevorderen; overwegende dat de partijen worden aangemoedigd opleiding en bewustmaking van vrouwelijke en mannelijke afgevaardigden te steunen met betrekking tot kwesties die verband houden met genderevenwicht en klimaatverandering;

P.  overwegende dat in de Overeenkomst van Parijs (COP 21) is bepaald dat de partijen hun respectieve verplichtingen betreffende, onder meer, mensenrechten en gendergelijkheid in aanmerking dienen te nemen bij hun optreden om klimaatverandering tegen te gaan bij de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst;

Q.  overwegende dat mechanismen voor de financiering van aanpassings- en bestrijdingsmaatregelen, om verlies, schade of klimaatontheemding aan te pakken, efficiënter zullen zijn wanneer zij zodanig zijn ontworpen dat de volledige participatie van vrouwen in ontwerpprocedures, besluitvorming en tenuitvoerlegging is ingebouwd, met inbegrip van de participatie van vrouwen aan de basis; overwegende dat het benutten van de kennis van vrouwen, met inbegrip van lokale en inheemse kennis, tot doorbraken inzake rampenbeheer kan leiden, de biodiversiteit stimuleert, het waterbeheer verbetert, de voedselzekerheid vergroot, verwoestijning voorkomt, bosbescherming verzekert, een vlotte overgang naar hernieuwbare energietechnologieën waarborgt en de volksgezondheid ondersteunt;

R.  overwegende dat de partijen bij de Overeenkomst van Parijs hebben erkend dat klimaatverandering een gemeenschappelijke zorg voor de mensheid is; overwegende dat de Partijen bij hun optreden om klimaatverandering tegen te gaan hun respectieve verplichtingen betreffende mensenrechten, het recht op gezondheid, de rechten van inheemse volken, lokale gemeenschappen, migranten, kinderen, personen met een handicap en mensen in kwetsbare situaties, en het recht op ontwikkeling, alsmede de gendergelijkheid, de empowerment van vrouwen en de intergenerationele solidariteit dienen te eerbiedigen, te bevorderen en in aanmerking te nemen;

S.  overwegende dat klimaatrechtvaardigheid nauw samenhangt met mensenrechten en ontwikkeling, aangezien zij de rechten van de meest kwetsbaren beschermt en een eerlijke verdeling van de lasten en voordelen van klimaatverandering en de gevolgen daarvan verzekert;

T.  overwegende dat in de SDG's erkend is dat er een verband bestaat tussen het bereiken van gendergelijkheid en het bereiken van alle SDG's, met inbegrip van doelstelling 13 inzake klimaatverandering, waarin voorzien wordt in de mogelijkheid om de grondoorzaken van de zwakkere sociaal-economische positie van vrouwen aan te pakken en dus hun bestendigheid tegen klimaatverandering te versterken;

U.  overwegende dat de klimaatverandering in regio's zoals Sub-Saharaans Afrika en Zuid‑Azië kan leiden tot extreme armoede voor meer dan 100 miljoen mensen tegen 2030, wat conflicten en ontheemding in de hand zal werken; overwegende dat in het UNCCD wordt geschat dat woestijnvorming tegen 2045 kan leiden tot de ontheemding van 135 miljoen mensen; overwegende dat de Internationale Organisatie voor Migratie van de VN in haar beoordeling van bewijsmateriaal opmerkt dat het aantal als gevolg van het klimaat ontheemden tegen 2050 kan variëren van 25 miljoen tot 1 miljard, waarbij het getal van 200 miljoen mensen de meest geciteerde schatting is;

V.  overwegende dat gendergelijkheid, sociale rechtvaardigheid en het recht op ontwikkeling inherent zijn aan het concept van klimaatrechtvaardigheid; overwegende dat de klimaatverandering de samenleving als geheel treft, maar dat het vooral vrouwen zijn die het meest geconfronteerd worden met klimaatontheemding;

W.  overwegende dat de klimaatverandering de omvang en frequentie van natuurrampen doet toenemen, wat kan leiden tot het verlies van bezit, het verlies van economische inkomstengenererende activiteiten, het verlies van toegang tot essentiële gezondheidsdiensten en een verhoogd risico op gendergerelateerd geweld; overwegende dat de bestendigheid van vrouwen tegen de gevolgen van natuurrampen vaak belemmerd wordt door aanhoudende ongelijkheid; overwegende dat de klimaatverandering deze ongelijkheid waarschijnlijk zal vergroten, wat nog meer gevallen van kwetsbaarheid en ontheemding zal creëren;

X.  overwegende dat deze gevolgen voor een groot deel vermeden kunnen worden door een snelle, inclusieve en genderresponsieve ontwikkelingsagenda ten uitvoer te leggen, die gericht is op bestrijding van en aanpassing aan de veranderende klimaatomstandigheden;

Y.  overwegende dat de klimaatverandering naar verwachting zal leiden tot een dusdanige toename van de ontheemding dat zij niet past binnen de parameters van de huidige internationale kaders; overwegende dat het aanpakken van de ontheemding ten gevolge van de klimaatverandering een belangrijke uitdaging zal zijn, waarvoor een complexe en alomvattende globale strategie vereist is die gebaseerd is op de eerbiediging van mensenrechten;

Z.  overwegende dat de aanneming van het document "Key Messages on Human Rights and Climate Change" (Kernpunten inzake mensenrechten en klimaatverandering) door de VN-Raad voor de mensenrechten in 2017 een belangrijke stap in de goede richting is voor het aanpakken van de negatieve gevolgen voor het ten volle en daadwerkelijk genieten van mensenrechten; overwegende dat de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de Overeenkomst van Parijs de mondiale leiders een transversale normatieve basis geven voor de ontwikkeling van een kader dat klimaatontheemding effectief kan aanpakken door voort te bouwen op de bestaande VN-instrumenten;

AA.  overwegende dat de EU een duidelijk rechtskader heeft dat haar verplicht gendergelijkheid en mensenrechten in haar intern en extern beleid te respecteren en te bevorderen; overwegende dat het EU-klimaatbeleid een aanzienlijke impact kan hebben op de bescherming van de mensenrechten en de bevordering van genderresponsieve klimaatbeleidsmaatregelen wereldwijd;

AB.  overwegende dat de EU, in lijn met de bevoegdheden overeenkomstig de Verdragen, de juridische en beleidsomgeving effectief kan verbeteren, teneinde de klimaatrechtvaardigheid te ondersteunen en actief bij te dragen aan de ontwikkeling van een internationaal kader ter bescherming van de mensenrechten van door het klimaat ontheemde personen; merkt op dat de EU en de lidstaten toegezegd hebben een genderperspectief te integreren in het toekomstige mondiaal pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie;

AC.  overwegende dat "klimaatvluchtelingen" niet in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 zijn opgenomen;

1.  erkent dat gendergelijkheid een voorwaarde is voor duurzame ontwikkeling en het efficiënte beheer van de klimaatuitdagingen; benadrukt dat vrouwen niet alleen slachtoffers zijn, maar ook krachtige actoren voor verandering, die, wanneer zij ten volle participeren, efficiënte klimaatstrategieën en/of oplossingen met betrekking tot de aanpassing en bestrijding kunnen formuleren en uitvoeren, en die klimaatbestendigheid kunnen opbouwen als een product van de verschillende domeinen waarin zij ervaring en praktische kennis hebben, in verschillende sectoren, gaande van landbouw, bosbouw en visserij tot energie-infrastructuur en duurzame steden;

2.  stelt vast dat de participatie van vrouwen in de arbeidsmarkt in plattelandsgebieden betrekking heeft op een breed scala aan banen die verder gaan dan de conventionele landbouw, en benadrukt in dit verband dat vrouwen in plattelandsgebieden actoren van verandering kunnen zijn, in de zin dat zij de overgang naar duurzame en ecologisch verantwoorde landbouw kunnen bevorderen en een belangrijke rol kunnen vervullen bij het scheppen van groene banen;

3.  verzoekt de Commissie programma's op te zetten voor de overdracht van moderne technologieën en kennis waarmee gemeenschappen en regio's in ontwikkelingslanden zich aan de klimaatverandering kunnen aanpassen, en vrouwen hierbij te betrekken, aangezien zij in de risicolanden tot 70 % van de arbeidskrachten in de landbouwsector vormen;

4.  is ervan overtuigd dat meer inspraak van vrouwen in plattelandsgebieden essentieel is met betrekking tot toegang tot land, kredieten en duurzame landbouwmethodes voor het opbouwen van klimaatbestendigheid, met inbegrip van de bescherming van ecosystemen, watervoorraden en bodemvruchtbaarheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten om deze aspecten in hun ontwikkelingsbeleid te beschermen, onder meer door middel van plannen voor publieke investeringen en ondersteuning van verantwoorde particuliere investeringen aan de hand van kaders zoals de "Guiding Principles on Business and Human Rights" uit het mondiaal pact van de VN en het actieplan voor investeringen in de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van UNCTAD;

5.  erkent dat vrouwen en meisjes de beste informatiebronnen zijn wat betreft hun eigen omstandigheden en behoeften, en dat zij daarom bij alle kwesties die hun aangaan geraadpleegd moeten worden; erkent dat, volgens het EIGE, vrouwen statistisch gezien bezorgder zijn over de klimaatverandering; erkent dat vrouwen als vernieuwers, leiders, organisatoren, opvoeders en zorgverleners door de eeuwen heen in moeilijke omstandigheden manieren hebben gevonden om te zorgen voor hun families en in hun behoeften te voorzien, en dat zij een enorm potentieel hebben om ook voor de toekomst vernieuwers te zijn;

6.  roept de Commissie op rekening te houden met de sociale en ecologische gevolgen van de beleidsinitiatieven die zij in het kader van haar handels- en extern ontwikkelingsbeleid neemt, met inbegrip van de impact ervan op vrouwen; dringt er tevens bij de Commissie op aan om de sociale en milieunormen in de hoofdstukken over duurzame ontwikkeling van haar handelsovereenkomsten bindend te maken;

7.  erkent dat ontwikkelingsbeleid met betrekking tot gezondheid, onderwijs en emancipatie, naast milieubeleid, van fundamenteel belang is voor duurzame ontwikkeling en het uiteindelijk vinden van een oplossing voor de klimaatverandering; erkent dat de wijze waarop dit beleid wordt geïntegreerd om stijgende trends zoals verstedelijking aan te pakken van grote invloed zal zijn op de klimaatverandering;

8.  wijst erop dat SDG 13 ("Neem dringend actie om klimaatverandering en haar impact te bestrijden") ingaat op de participatie van vrouwen in klimaatmaatregelen via streefdoel 13.b, namelijk "Zorg ervoor dat de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten in ontwikkeling meer capaciteit hebben om doeltreffend beleid te voeren rond klimaatverandering, onder meer gericht op vrouwen, jongeren, en plaatselijke en achtergestelde gemeenschappen";

9.  betreurt dat alle bijdragen met betrekking tot gender door de partijen bij het UNFCCC op vrijwillige basis zijn; spoort de Commissie, samen met de lidstaten, aan om hun steun voor de ontwikkeling, aanname en financiering van het Genderactieplan van het UNFCCC te herhalen, en aan te vullen met een alomvattend en meerjarig werkprogramma dat financiering, prioritaire actiegebieden, tijdslijnen, cruciale prestatie-indicatoren, een definitie van de verantwoordelijke actoren, en monitorings- en toezichtmechanismen omvat;

10.  roept de Commissie en de lidstaten op het goede voorbeeld te geven en streefdoelen en tijdlijnen vast te stellen met het oog op het verwezenlijken van de doelstelling van genderevenwicht in delegaties bij het UNFCCC;

11.  onderstreept de noodzaak tijdelijke bijzondere maatregelen te nemen om het doel van genderevenwicht te bevorderen in formele en informele organen die zijn opgericht in het kader van het UNFCCC en het Protocol van Kyoto;

12.  roept de Commissie en de lidstaten op ervoor te zorgen, in overeenstemming met de beloften van de EU ten aanzien van gendergelijkheid en mensenrechten, dat de volgende nationaal vastgestelde bijdragen van de EU consistente verslaglegging bevatten over gendergelijkheid en mensenrechten;

13.  roept de lidstaten op om zich te houden aan besluit 21/CP.22 inzake gender en klimaatverandering, dat partijen "uitnodigt om een nationaal contactpunt voor genderkwesties bij klimaatonderhandelingen, tenuitvoerlegging en monitoring aan te duiden en hiervoor in ondersteuning te voorzien", en contactpunten voor genderkwesties in derde landen en/of partnerlanden te ondersteunen;

14.  erkent dat vrouwen niet alleen het merendeel van de onbetaalde huishoudelijke en zorgtaken verrichten, maar ook in meerderheid de dagelijkse consumentenbeslissingen nemen en dat zij daarom, voorzien van nauwkeurige informatie en opties, via hun keuzen invloed kunnen uitoefenen op de duurzaamheid; stelt vast dat onderzoek bijvoorbeeld heeft uitgewezen dat consumenten hun broeikasgasemissies met tot 5 % kunnen verlagen door lokaal geproduceerd voedsel te kiezen;

15.  herinnert aan zijn resolutie van 16 november 2011 over de Conferentie over klimaatverandering in Durban (COP 17)(7) en aan de daarin opgenomen belofte om "te streven naar een vrouwelijke participatiegraad van minimaal 40 % in alle relevante organen" voor de financiering van het klimaatbeleid;

16.  vraagt de Commissie en de lidstaten om een genderresponsieve en op de mensenrechten gebaseerde benadering te hanteren bij de werkzaamheden van de taskforce van Warschau over ontheemding, die van het UNFCCC (COP 22) een mandaat kreeg om aanbevelingen te ontwikkelen voor geïntegreerde benaderingen om ontheemding door de schadelijke gevolgen van de klimaatverandering te voorkomen, te beperken en op te lossen, waarbij erkend wordt dat vrouwen en meisjes behoren tot de kwetsbaarste groepen die door de klimaatverandering ontheemd worden bijgevolg zeer kwetsbaar zijn voor mensenhandel en gendergerelateerd geweld;

17.  verzoekt de Commissie klimaatverandering in alle ontwikkelingsprogramma's op alle niveaus op te nemen; vraagt bovendien dat inheemse plattelandsvrouwen meer worden betrokken bij de besluitvorming en bij het plannen, uitvoeren en opstellen van beleidsinitiatieven en ontwikkelingsprogramma's met betrekking tot klimaatverandering;

18.  verzoekt de Commissie om, samen met de lidstaten, te zorgen voor een genderbewuste benadering in het kader van haar activiteiten voor het Platform voor ontheemding door rampen (het Nanseninitiatief) en haar "Agenda voor de bescherming van personen die buiten de eigen landsgrenzen ontheemd werden door rampen en klimaatverandering";

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten indicatoren te ontwikkelen en naar geslacht uitgesplitste gegevens te verzamelen bij het plannen, uitvoeren, monitoren en evalueren van beleidsmaatregelen, programma's en projecten met betrekking tot de klimaatverandering, onder meer aan de hand van instrumenten zoals genderanalyses, gendereffectbeoordelingen, genderbudgettering en de milieu- en gendergelijkheidsindex (EGI), waarbij ook het EIGE versterkt moet worden;

20.  vraagt de Commissie en de lidstaten om bij te dragen tot het mondiaal pact inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie, teneinde klimaatrechtvaardigheid te verzekeren door te erkennen dat de klimaatverandering een aanjager van migratie is, op de mensenrechten gebaseerde input te waarborgen, en gendergelijkheid in het hele pact te integreren, in overeenstemming met de behoeften van mensen die als gevolg van het klimaat ontheemd zijn;

21.  herinnert aan kerntoezegging 4 van de toezeggingen van de EU voor de wereldtop over humanitaire hulp, namelijk ervoor te zorgen dat de programmering van humanitaire bijstand genderresponsief is; roept de Commissie op erop toe te zien dat deze verbintenis tot uitdrukking komt in de tenuitvoerlegging van het ECHO-programma voor rampenparaatheid (DIPECHO) en in de tenuitvoerlegging van het Actieplan 2013‑2020 voor weerbaarheid in landen die gevoelig zijn voor crisis en de "Resilience Marker";

22.  veroordeelt scherp het gebruik van seksueel geweld tegen vrouwelijke ontheemden en migranten; is van mening dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de vrouwen en meisjes onder de migranten die op hun route aan geweld zijn blootgesteld, en dat hun toegang moet worden geboden tot medische verzorging en psychologische bijstand;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de relevante programma's te richten op de gebieden die door rampen zijn getroffen, hun inspanningen op te voeren om hulp te verlenen aan deze regio's, en op te treden om de door rampen veroorzaakte problemen ter plaatse op te lossen, en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de situatie van vrouwen en kinderen, die het meest lijden onder de gevolgen van rampen;

24.  verzoekt alle belanghebbenden de emancipatie van vrouwen en hun bewustwording aan te moedigen door hun kennis te verbeteren over de bescherming voor, tijdens en na met het klimaat verband houdende rampen en hen actief te betrekken bij de voorbereiding op rampen, systemen voor vroegtijdige waarschuwing en risicopreventie, aangezien dit een belangrijk onderdeel is van hun rol bij de vergroting van de weerbaarheid bij rampen;

25.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, in samenwerking met de organisaties uit het maatschappelijk middenveld ter plaatse, controlemechanismen te ondersteunen, te versterken en in te voeren in opvangcentra voor ontheemden of migranten waar niet altijd de minimumvoorwaarden heersen om genderspecifiek geweld te voorkomen, teneinde alle vormen van intimidatie van vrouwen en meisjes te voorkomen;

26.  vraagt de Commissie om, met het maatschappelijk middenveld en de mensenrechtenorganisaties samen te werken om voor vluchtelingen en ontheemden, met name voor kwetsbare vrouwen en meisjes, opvang te garanderen die de mensenrechten eerbiedigt;

27.  erkent de mogelijkheden voor het integreren van de bestrijding van en aanpassing aan de klimaatverandering met de doelstellingen voor de economische emancipatie van vrouwen, met name in ontwikkelingslanden; roept de Commissie en de lidstaten op om in relevante projecten en mechanismen, zoals het samenwerkingsprogramma van de VN ter reductie van broeikasgasemissies ten gevolge van ontbossing en bosdegradatie in ontwikkelingslanden (UN‑REDD), te onderzoeken hoe vrouwen kansen kunnen krijgen in de vorm van betaald werk om de milieudiensten te verrichten die zij nu op vrijwillige basis doen, bijvoorbeeld herbebossing, bebossing van ontgonnen grond en de instandhouding van natuurlijke hulpbronnen;

28.  roept de EU en de lidstaten op om, met het oog op de verdere bevordering van de vertegenwoordiging van vrouwen in de UNFCCC-onderhandelingen, te voorzien in financiering voor opleiding en deelname van vertegenwoordigers van het vrouwelijke geslacht; roept de Commissie ertoe op het vormen van netwerken van vrouwenorganisaties en activiteiten van het maatschappelijk middenveld met betrekking tot de ontwikkeling van klimaatveranderingsbeleid te bevorderen en te ondersteunen; verzoekt de Commissie te verzekeren dat vrouwen op gelijke voet deelnemen aan en begunstigde zijn van alle met EU-steun georganiseerde besprekingen, programma's en financiering met betrekking tot klimaatverandering op nationaal en lokaal niveau;

29.  verzoekt de Commissie en de DG's die voor gendergelijkheid, ontwikkeling en energie en klimaat bevoegd zijn, om gendergelijkheid structureel en systematisch op te nemen in hun klimaatveranderings- en energiebeleid voor de EU, en niet uitsluitend aandacht te besteden aan de externe dimensie; spoort met name het DG Justitie en Consumentenzaken en het DG Internationale Samenwerking en Ontwikkeling (DEVCO) aan om zich meer bewust te worden van en zich sterker in te spannen voor gendergelijkheid en emancipatie van de vrouw met betrekking tot klimaatrechtvaardigheid; benadrukt dat het DG Klimaat middelen moet toekennen zodat personeel voor het contactpunt voor gender kan worden aangeworven; roept de EU en haar lidstaten op om een beginsel van "klimaatrechtvaardigheid" te ontwikkelen; wijst er nadrukkelijk op dat kan worden gesteld dat het grootste onrecht van ons falen om klimaatverandering effectief aan te pakken, de schadelijke gevolgen voor arme landen en bevolkingsgroepen, en in het bijzonder voor vrouwen zijn;

30.  roept de Commissie en de lidstaten op in hun universele periodieke toetsingsverslagen aan de VN-Raad voor de mensenrechten verslag te doen van de gevolgen voor gender en mensenrechten en van klimaatactie;

31.  stelt vast dat de financiële verbintenissen van de EU voor gendergelijkheid en emancipatie van de vrouw zijn toegenomen, maar dat er niet voorzien is in meer personeelscapaciteit om het toegenomen werk uit te voeren; benadrukt dat de EU een sterke betrokkenheid van de instellingen op het vlak van gendergelijkheid en emancipatie van de vrouw in verband met de klimaatverandering moet laten zien, met name wat bepaald is in de overkoepelende beleidsmaatregelen voor ontwikkelingssamenwerking, namelijk de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen en het EU-genderactieplan;

32.  betreurt dat gendergelijkheid en klimaatverandering in het tweede EU-actieplan inzake gendergelijkheid en emancipatie van de vrouw (GAP II) geen prioriteiten zijn; merkt op dat onvoldoende genderbewuste indicatoren werden ontwikkeld of opgenomen in de verslaglegging, en dat de interne verantwoordingsplicht en financiering voor resultaten op het vlak van gendergelijkheid en klimaatverandering ondermaats blijven; merkt op dat de minste vooruitgang is geboekt met betrekking tot doelstelling 20 van GAP II, over de gelijke rechten van vrouwen om deel te nemen aan en invloed uit te oefenen op besluitvormingsprocedures met betrekking tot klimaat en milieu, en roept de Commissie op om meer te doen om deze doelstelling ten uitvoer te leggen; herinnert eraan dat GAP II voorziet in een EU-agenda voor buitenlands beleid met vier thematische pijlers, waaronder de horizontale pijler waarmee beoogd wordt de institutionele cultuur van de Commissiediensten en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) te veranderen met het oog op een meer doeltreffende uitvoering van de beloften van de EU, met volledige inachtneming van het beginsel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen;

33.  erkent dat verbeterde technische richtsnoeren op zichzelf niet voldoende zullen zijn om de doeltreffendheid van de EU inzake gendergelijkheid en emancipatie van de vrouw te vergroten;

34.  verzoekt de Commissie om het initiatief te nemen om een brede mededeling op te stellen met de titel "Gendergelijkheid en klimaatverandering – opbouwen van de herstelcapaciteit en bevorderen van klimaatrechtvaardigheid in bestrijdings- en aanpassingsstrategieën" teneinde haar sterke institutionele inspanningen voor gendergelijkheid en emancipatie van de vrouw kracht bij te zetten en de huidige tekortkomingen inzake institutionele coördinatie aan te pakken;

35.  verzoekt de parlementaire commissies om gendermainstreaming te versterken als zij binnen het kader van hun bevoegdheden werken aan de grensoverschrijdende kwesties klimaatverandering, duurzame ontwikkeling en mensenrechten;

36.  benadrukt de noodzaak om bij de financiering van zowel de aanpassing aan klimaatverandering als de bestrijding van de effecten ervan rekening te houden met het genderperspectief; verwelkomt de recente vooruitgang in genderbeleid op het vlak van multilaterale financieringsmechanismen; verwelkomt bovendien initiatieven uit de particuliere sector die erop gericht zijn om de sociale verantwoordelijkheid als ondernemer te vergroten door een premie te betalen voor projecten waarin duurzaamheidscriteria worden opgenomen, inclusief het bevorderen van inkomens en onderwijsmogelijkheden voor vrouwen; stelt echter vast dat volgens het VN‑ontwikkelingsprogramma (UN Development Programme, UNDP) slechts 0,01 % van alle wereldwijde financiering projecten ondersteunt die zowel klimaatverandering als vrouwenrechten aanpakken; verzoekt de EU en haar lidstaten ervoor te zorgen dat hun klimaatprogramma's in overeenstemming zijn met de hoogste internationale mensenrechtenstandaarden en gendergelijkheid niet ondermijnen;

37.  is van mening dat de drie financiële mechanismen onder het UNFCCC – het Groen Klimaatfonds (GCF), de Mondiale Milieufaciliteit (GEF) en het adaptatiefonds (AF) – aanvullende fondsen moeten vrijmaken voor een meer op gender gericht investeringsbeleid voor het klimaat;

38.  dringt er bij de EU met name op aan om ontwikkelingshulp voorwaardelijk te stellen aan criteria gebaseerd op mensenrechten, en nieuwe genderbewuste criteria voor klimaatbeleid vast te stellen;

39.  roept op om ervoor te zorgen dat vrouwen bij gendergeoriënteerde acties niet alleen worden aangemerkt als begunstigden van klimaatmaatregelen, maar ook als ondernemers die schone technologieën toepassen; verwelkomt de oproep van de Commissie tot het indienen van voorstellen over "Vrouwen en Duurzame Energie", waarbij 20 miljoen EUR wordt vrijgemaakt om activiteiten van vrouwelijk ondernemerschap in de duurzame energiesector in ontwikkelingslanden te bevorderen en stimuleert de Commissie om dit bedrag te verhogen in de toekomst;

40.  verzoekt om op gendergelijkheid gerichte opleidingen voor EU-ambtenaren, specifiek voor degenen die te maken hebben met ontwikkelings- en klimaatbeleid;

41.  dringt erop aan dat door het klimaat veroorzaakte ontheemding serieus wordt genomen; staat open voor een debat over de invoering van een bepaling inzake "klimaatmigratie"; dringt erop aan dat er een panel van deskundigen wordt samengesteld om deze kwestie op internationaal niveau te verkennen en spoort ertoe aan het vraagstuk van klimaatmigratie op de internationale agenda te plaatsen; dringt aan op meer internationale samenwerking om veerkracht voor klimaatverandering te waarborgen;

42.  is ingenomen met de vlaggenschipprogrammeringsinitiatieven voor vrouwen van de VN en met de projecten en programma's van het Wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering die een horizontaal verband leggen tussen gender en klimaatverandering;

43.  is ingenomen met de werkzaamheden van de speciale vertegenwoordiger van de VN voor de mensenrechten en het milieu en van de VN-Mensenrechtenraad op dit gebied, en verzoekt de Commissie en de lidstaten deze inspanningen te steunen, onder meer via financiële bijstand;

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 289 van 9.8.2016, blz. 27.
(2) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 67.
(3) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 91.
(4) http://womengenderclimate.org/wp-content/uploads/2015/06/WGC_FINAL_1June.pdf
(5) http://eige.europa.eu/rdc/eige-publications/gender-environment-and-climate-change
(6) "The World's Women 2015" van de Verenigde Naties, https://unstats.un.org/unsd/gender/chapter3/chapter3.html
(7) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 83.

Laatst bijgewerkt op: 27 september 2018Juridische mededeling