Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/0376(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0391/2017

Ingediende teksten :

A8-0391/2017

Debatten :

PV 15/01/2018 - 12
CRE 15/01/2018 - 12
PV 12/11/2018 - 14
CRE 12/11/2018 - 14

Stemmingen :

PV 17/01/2018 - 10.5
CRE 17/01/2018 - 10.5
Stemverklaringen
PV 13/11/2018 - 4.3
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0010
P8_TA(2018)0442

Aangenomen teksten
PDF 699kWORD 93k
Woensdag 17 januari 2018 - Straatsburg
Energie-efficiëntie ***I
P8_TA(2018)0010A8-0391/2017

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 17 januari 2018 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (COM(2016)0761 – C8-0498/2016 – 2016/0376(COD))(1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Matiging van de energievraag is een van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie, die op 25 februari 2015 is vastgesteld. Het verbeteren van de energie-efficiëntie zal gunstig zijn voor het milieu, de broeikasgasemissies doen afnemen, de voorzieningszekerheid verbeteren door de afhankelijkheid van de invoer van energie van buiten de Unie te doen afnemen, de energiekosten voor huishoudens en ondernemingen doen dalen, helpen de energiearmoede te verminderen, en leiden tot meer werkgelegenheid en economische activiteit in de gehele economie. Dit ligt in de lijn van de verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van de energie-unie en de mondiale klimaatagenda die in het akkoord van Parijs van december 2015 is vastgelegd door de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.
(1)  Matiging van de energievraag is een van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie, die op 25 februari 2015 is vastgesteld. Het verbeteren van de energie-efficiëntie in de hele energieketen, met inbegrip van opwekking, transmissie, distributie en eindgebruik van energie, zal gunstig zijn voor het milieu, de luchtkwaliteit en de volksgezondheid verbeteren, de broeikasgasemissies doen afnemen, de voorzieningszekerheid verbeteren door de afhankelijkheid van de invoer van energie van buiten de Unie te doen afnemen, de energiekosten voor huishoudens en ondernemingen doen dalen, helpen de energiearmoede te verminderen, en leiden tot meer concurrentievermogen, werkgelegenheid en economische activiteit in de gehele economie, en bijgevolg de levenskwaliteit van de burgers verbeteren. Dit ligt in de lijn van de verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van de energie-unie en de mondiale klimaatagenda die is vastgesteld door de Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) in Parijs in december 2015 ("de Overeenkomst van Parijs"), waarin is bepaald dat de gemiddelde mondiale temperatuurstijging moet worden beperkt tot beduidend minder dan 2 °C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en dat de inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C moeten worden voortgezet.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad9 is een stap op weg naar de verwezenlijking van de energie-unie, waarbij energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een op zichzelf staande bron van energie. Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moet rekening worden gehouden met het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie". De Commissie moet ervoor zorgen dat energie-efficiëntie en vraagrespons onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met productiecapaciteit. Telkens wanneer besluiten over de planning of financiering van energiesysteem worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie. De energie-efficiëntie moet worden verbeterd wanneer dit kosteneffectiever is dan gelijkwaardige oplossingen aan de aanbodzijde. Dit moet de vele voordelen van energie-efficiëntie voor de maatschappij helpen benutten, met name voor de burgers en de bedrijven.
(2)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad9 is een stap op weg naar de verwezenlijking van de energie-unie, waarbij energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een op zichzelf staande bron van energie. Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moet rekening worden gehouden met het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie". De Commissie moet ervoor zorgen dat energie-efficiëntie en vraagrespons voorrang krijgen op meer productiecapaciteit. Telkens wanneer besluiten over de planning en financiering van energiesystemen worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie. Er moet worden geïnvesteerd in een betere efficiëntie van eindenergie wanneer dit kosteneffectiever is dan gelijkwaardige oplossingen aan de aanbodzijde. Dit moet de vele voordelen van een betere energie-efficiëntie in alle stadia van de energieketen helpen benutten en zo bijdragen aan meer welvaart in de Europese samenleving. Voor een optimale benutting van die voordelen en een geslaagde implementatie van de beoogde beleidsmaatregelen, moeten de Commissie en de lidstaten samenwerken met de plaatselijke en regionale overheden, de steden, het bedrijfsleven en de burgers in de hele Unie om ervoor te zorgen dat de toename van de energie-efficiëntie als gevolg van technologische, gedrags- en economische veranderingen hand in hand gaat met een toename van de economische groei.
__________________
__________________
9 Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
9 Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Bij alle vormen van primaire energie (zowel niet-hernieuwbare als hernieuwbare) moet rekening worden gehouden met de bijkomende energieonkosten die vereist zijn om deze energie te verkrijgen en energie-installaties te bouwen, te exploiteren en te ontmantelen, met inbegrip van de processen in verband met het wegnemen van de risico's voor het milieu.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 ter (nieuw)
(2 ter)  De maatregelen van de lidstaten moeten worden ondersteund door goed ontworpen en efficiënte financiële instrumenten van de Unie, zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen, het Europees Fonds voor strategische investeringen en de Europese Investeringsbank, die investeringen in energie-efficiëntie in alle stadia van de energieketen ondersteunen en uitgaan van een omvattende kosten-batenanalyse op grond van een model van gedifferentieerde discontopercentages. De financiële steun moet gericht zijn op kosteneffectieve methoden om de energie-efficiëntie te verbeteren, wat moet leiden tot een daling van het energieverbruik. Om een ambitieuze energie-efficiëntiedoelstelling te verwezenlijken, moeten obstakels uit de weg worden geruimd, zoals ook blijkt uit de recente verduidelijking van Eurostat over de boeking van energieprestatiecontracten in de nationale rekeningen om investeren in energie-efficiëntiemaatregelen te vergemakkelijken.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft het streefcijfer voor energie-efficiëntie vastgesteld op 27 % voor 2030; dit streefcijfer moet worden herzien tegen 2020, "waarbij op het niveau van de Unie een streefcijfer van 30 % voor ogen moet worden gehouden". In december 2015 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht om te onderzoeken of een energie-efficiëntiestreefcijfer van 40 % haalbaar is voor dezelfde periode. Het is dan ook wenselijk om over te gaan tot evaluatie en vervolgens herziening van de richtlijn om deze aan te passen met het oog op 2030.
(3)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft zijn steun uitgesproken voor een streefcijfer voor energie-efficiëntie van 27 % voor 2030; dit streefcijfer moet worden herzien tegen 2020, "waarbij op het niveau van de Unie een streefcijfer van 30 % voor ogen moet worden gehouden". In december 2015 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht om te onderzoeken of een energie-efficiëntiestreefcijfer van 40 % haalbaar is voor dezelfde periode. Het is dan ook wenselijk om over te gaan tot evaluatie en vervolgens herziening van de richtlijn om deze aan te passen met het oog op 2030.
Amendement 102
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Het perspectief voor 2030 voorziet niet in bindende streefcijfers op nationaal niveau. De noodzaak voor de Unie om haar streefcijfers inzake energie-efficiëntie op EU-niveau, uitgedrukt in primair energieverbruik en eindenergieverbruik, in 2020 en 2030 te behalen, moet duidelijk worden uiteengezet in de vorm van een bindend streefcijfer van 30 %. Deze verduidelijking op het niveau van de Unie mag geen beperkingen opleggen aan de lidstaten; het staat hun nog steeds vrij om hun nationale bijdragen vast te stellen op basis van primair energieverbruik of eindenergieverbruik, primaire energiebesparing of eindenergiebesparing, dan wel op basis van energie-intensiteit. Bij de vaststelling van hun nationale indicatieve bijdragen aan energie-efficiëntie moeten de lidstaten er rekening mee houden dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie mag bedragen. Dit betekent da het primaire energieverbruik in de Unie moet afnemen met 23 % en het eindenergieverbruik met 17 % in vergelijking met het niveau van 2005. De voortgang op weg naar het behalen van het streefcijfer voor 2030 moet regelmatig worden beoordeeld; het wetgevingsvoorstel inzake de governance van de energie-unie voorziet in een dergelijke beoordeling.
(4)  Het perspectief voor 2030 voorziet niet in bindende streefcijfers op nationaal niveau. De noodzaak voor de Unie om haar streefcijfers inzake energie-efficiëntie op EU-niveau, uitgedrukt in primair energieverbruik en eindenergieverbruik, in 2020 en 2030 te behalen, moet duidelijk worden uiteengezet in de vorm van een indicatief streefcijfer van 30 %. Deze verduidelijking op het niveau van de Unie mag geen beperkingen opleggen aan de lidstaten; het staat hun nog steeds vrij om hun nationale bijdragen vast te stellen op basis van primair energieverbruik of eindenergieverbruik, primaire energiebesparing of eindenergiebesparing, dan wel op basis van energie-intensiteit. Bij de vaststelling van hun nationale indicatieve bijdragen aan energie-efficiëntie moeten de lidstaten er rekening mee houden dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie mag bedragen. Dit betekent dat het primaire energieverbruik in de Unie moet afnemen met 23 % en het eindenergieverbruik met 17 % in vergelijking met het niveau van 2005. De voortgang op weg naar het behalen van het streefcijfer voor 2030 moet regelmatig worden beoordeeld; het wetgevingsvoorstel inzake de governance van de energie-unie voorziet in een dergelijke beoordeling.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Bij de vaststelling van de nationale streefcijfers op het gebied van energie-efficiëntie moet het beginsel van billijkheid tussen de lidstaten worden toegepast. Energie is een basisvoorziening en minimale energieverbruiksniveaus zijn daarom onvermijdelijk. Hiermee moet op passende wijze rekening worden gehouden bij het vaststellen van de nationale streefcijfers. Over het algemeen zouden de landen met een lager energieverbruik per inwoner dan het gemiddelde van de Unie meer flexibiliteit moeten krijgen bij het vaststellen van hun streefcijfers.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)  De punctuele operationele efficiëntie van energiesystemen wordt beïnvloed door het vermogen om stroom die afkomstig is van verschillende bronnen, met een verschillende mate van inertie- en opstarttijden, vlot en flexibel aan het net te leveren; het verbeteren van deze efficiëntie zal een aanzet geven om beter gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen, zoals windenergie in combinatie met gasturbines, ter voorkoming van overbelasting van het net dat wordt gevoed door traditionele grote stroomgeneratoren met energie-units met een aanzienlijke thermische inertie.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 quater (nieuw)
(4 quater)  De Commissie en de lidstaten moeten ervoor zorgen dat de vermindering van het energieverbruik het resultaat is van een hogere energie-efficiëntie en niet van macro-economische omstandigheden.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 quinquies (nieuw)
(4 quinquies)  De lidstaten moeten nagaan wat de kosteneffectieve mogelijkheden voor energie-efficiëntie zijn op basis van een bottom-upberekening voor elke sector afzonderlijk, aangezien deze afhankelijk zijn van de energiemix, de structuur van de economie en het tempo van de economische ontwikkeling.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  De verplichting voor de lidstaten om langetermijnstrategieën vast te stellen voor het vrijmaken van investeringen in de renovatie van hun gebouwenbestand en deze mee te delen aan de Commissie moet worden geschrapt uit Richtlijn 2012/27/EU en worden toegevoegd aan Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad10, waar het beter aansluit bij de langetermijnplannen voor bijna-energieneutrale gebouwen en het koolstofvrij maken van gebouwen.
(5)  De verplichting voor de lidstaten om langetermijnstrategieën vast te stellen ter bevordering van de renovatie van hun gebouwenbestand en deze mee te delen aan de Commissie moet worden geschrapt uit Richtlijn 2012/27/EU en worden toegevoegd aan Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad10, waar het beter aansluit bij de langetermijnplannen voor bijna-energieneutrale gebouwen en het koolstofvrij maken van gebouwen.
__________________
__________________
10 Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).
10 Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  In het licht van het klimaat- en energiekader voor 2030 moet de verplichting inzake energiebesparing worden verlengd tot na 2020. De verplichtingsperiode verlengen tot na 2020 zou zorgen voor meer stabiliteit voor investeerders en zal derhalve investeringen en maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn, zoals de renovatie van gebouwen, bevorderen.
(6)  In het licht van het klimaat- en energiekader voor 2030 moet de verplichting inzake energiebesparing worden verlengd tot na 2020. De verplichtingsperiode verlengen tot na 2020 zou zorgen voor meer stabiliteit voor investeerders en zal derhalve bevorderlijk zijn voor investeringen en maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn, zoals de grondige renovatie van gebouwen, met als doel op de lange termijn te komen tot een bijna-energieneutraal gebouwenbestand (BENG). De verplichting tot energiebesparing heeft een essentiële rol gespeeld in het creëren van plaatselijke groei en banen en moet worden voortgezet zodat de Unie haar energie- en klimaatdoelstellingen kan bereiken door nog meer mogelijkheden te creëren en groei minder afhankelijk te maken van energieverbruik. Samenwerking met de particuliere sector is belangrijk om te beoordelen onder welke voorwaarden toegang kan worden verkregen tot particuliere investeringen voor energie-efficiëntieprojecten en om nieuwe inkomstenmodellen te ontwikkelen voor innovatie op het gebied van energie-efficiëntie.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Verbeteringen van de energie-efficiëntie hebben ook een positief effect op de luchtkwaliteit, aangezien energie-efficiëntere gebouwen de vraag naar verwarmingsbrandstoffen, met name ook vaste verwarmingsbrandstoffen, doen dalen. Energie-efficiëntiemaatregelen dragen derhalve bij tot de verbetering van de luchtkwaliteit binnen en buiten, en helpen de doelstellingen van het luchtkwaliteitsbeleid van de Unie, zoals met name vastgesteld bij Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad1 bis, op een kostenefficiënte wijze te verwezenlijken. De afname van de energievraag in gebouwen moet worden beschouwd als een element van het luchtkwaliteitsbeleid in het algemeen en met name in lidstaten waar het moeilijk is om de Uniegrenswaarden voor emissies van luchtverontreinigende stoffen te behalen. Energie-efficiëntie zou kunnen helpen om deze doelstellingen te verwezenlijken.
__________________
1 bis Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1).
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindverbruik verwezenlijken voor de volledige verplichtingsperiode, die gelijk staat aan "nieuwe" besparingen ten belope van 1,5 % van de jaarlijkse energieverkoop. Aan deze eis kan worden voldaan door nieuwe beleidsmaatregelen die worden vastgesteld tijdens de nieuwe verplichtingsperiode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2030 of door nieuwe individuele acties als gevolg van beleidsmaatregelen die vóór of tijdens de vorige periode zijn vastgesteld, maar die geleid hebben tot afzonderlijke energiebesparende acties tijdens de nieuwe periode.
(7)  De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindverbruik verwezenlijken voor de volledige verplichtingsperiode, die gelijk staat aan "nieuwe" besparingen ten belope van ten minste 1,5 %. Aan deze eis kan worden voldaan door energiebesparingen die voortvloeien uit beleidsmaatregelen, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die maatregelen resulteren in individuele acties die na 2020 verifieerbare energiebesparingen opleveren. De besparingen in elke periode moeten cumulatief voortbouwen op de besparingen die in de voorgaande periode(n) moesten worden gerealiseerd.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  De nieuwe besparingen moeten een aanvulling vormen op het basisscenario, zodat besparingen die toch al zouden plaatsvinden, niet kunnen worden geclaimd. Om het effect van de maatregelen te berekenen, mogen alleen nettobesparingen, gemeten als wijziging van het energieverbruik die rechtstreeks is toe te schrijven aan de energie-efficiëntiemaatregel in kwestie, worden meegerekend. Voor de berekening van de nettobesparingen moeten de lidstaten een basisscenario opstellen dat weergeeft hoe de situatie zou evolueren zonder het beleid in kwestie. De beleidsmaatregelen dienen te worden geëvalueerd in vergelijking met dit basisscenario. De lidstaten moeten rekening houden met het feit dat in dezelfde periode andere beleidsmaatregelen kunnen worden genomen die ook een invloed kunnen hebben op energiebesparing, zodat niet alle veranderingen die sinds de invoering van het beleid zijn waargenomen, kunnen worden toegeschreven aan die beleidsmaatregel alleen. De acties van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij moeten daadwerkelijk bijdragen tot de verwezenlijking van de geclaimde besparingen om te voldoen aan de materialiteitsvereiste.
(9)  De nieuwe energiebesparingen moeten een aanvulling vormen op het basisscenario, zodat besparingen die toch al zouden plaatsvinden, niet kunnen worden geclaimd. Om het effect van de maatregelen te berekenen, mogen alleen nettobesparingen, gemeten als wijziging van het energieverbruik die rechtstreeks is toe te schrijven aan de energie-efficiëntiemaatregel in kwestie, worden meegerekend. Voor de berekening van de nettobesparingen moeten de lidstaten een basisscenario opstellen dat weergeeft hoe de situatie zou evolueren zonder het beleid in kwestie. De beleidsmaatregelen dienen te worden geëvalueerd in vergelijking met dit basisscenario. De lidstaten moeten rekening houden met het feit dat in dezelfde periode andere beleidsmaatregelen kunnen worden genomen die ook een invloed kunnen hebben op energiebesparing, zodat niet alle veranderingen die sinds de invoering van het beleid zijn waargenomen, kunnen worden toegeschreven aan die beleidsmaatregel alleen. De acties van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij moeten daadwerkelijk bijdragen tot de verwezenlijking van de geclaimde besparingen om te voldoen aan de materialiteitsvereiste.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Het is belangrijk alle stappen in de energieketen mee te nemen in de berekening van de besparingen teneinde het energiebesparingspotentieel in de transmissie en distributie van elektriciteit te vergroten.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  Energiebesparingen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van Uniewetgeving mogen alleen worden geclaimd als de maatregel in kwestie verder reikt dan het bij de Uniewetgeving vereiste minimum, hetzij door ambitieuzere energie-efficiëntie-eisen vast te stellen op nationaal niveau, hetzij door de mate waarin de maatregel ingang vindt, te vergroten. Erkennende dat de renovatie van gebouwen op lange termijn een essentieel element is om tot grotere energiebesparing te komen, moet worden verduidelijkt dat alle energiebesparingen die voortvloeien uit maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen kunnen worden geclaimd als ze een aanvulling vormen op ontwikkelingen die ook zonder de beleidsmaatregel zouden hebben plaatsgevonden en als de lidstaat aantoont dat de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij daadwerkelijk heeft bijgedragen tot de totstandbrenging van de besparingen die worden geclaimd uit hoofde van de maatregel in kwestie.
(10)  Energiebesparingen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van Uniewetgeving mogen alleen worden geclaimd als de maatregel in kwestie verder reikt dan het bij de Uniewetgeving vereiste minimum, hetzij door ambitieuzere energie-efficiëntie-eisen vast te stellen op nationaal niveau, hetzij door de mate waarin de maatregel ingang vindt, te vergroten. Gebouwen beschikken over een aanzienlijk potentieel om de energie-efficiëntie verder te vergroten, en de renovatie van gebouwen is op lange termijn een essentieel element met schaalvoordelen om tot grotere energiebesparing te komen. Daarom moet worden verduidelijkt dat alle energiebesparingen die voortvloeien uit maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen kunnen worden geclaimd als ze een aanvulling vormen op ontwikkelingen die ook zonder de beleidsmaatregel zouden hebben plaatsgevonden en als de lidstaat aantoont dat de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij daadwerkelijk heeft bijgedragen tot de totstandbrenging van de besparingen die worden geclaimd uit hoofde van de maatregel in kwestie.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Het doeltreffende beheer van water kan een significante bijdrage leveren aan de energiebesparingen. De sector water en afvalwater is verantwoordelijk voor 3,5 % van het elektriciteitsgebruik in de Unie1 bis. Bovendien zal de vraag naar water tegen 2040 naar schatting met 25 % stijgen, voornamelijk in de steden. Tezelfdertijd maken waterlekken 24 % uit van het totale waterverbruik in de Unie, met energie- en waterverlies tot gevolg. Alle maatregelen die een doeltreffender waterbeheer en een vermindering van het watergebruik beogen kunnen bijgevolg een significante bijdrage leveren aan de energie-efficiëntiedoelstelling van de Unie1 ter.
__________________
1 bis World Energy Outlook 2016, International Energy Agency, 2016.
1 ter World Energy Outlook 2016, International Energy Agency, 2016.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 ter (nieuw)
(10 ter)  Deze herziening omvat bepalingen met betrekking tot het behandelen van energie-efficiëntie als een infrastructuurprioriteit, vanuit het inzicht dat energie-efficiëntie aan de door het IMF en andere economische instellingen gebruikte definitie van infrastructuur voldoet, evenals het feit dat dit mogelijk een centraal aspect en een prioritaire overweging wordt bij de toekomstige besluitvorming over investeringen in energie-infrastructuur in de Unie1 bis.
__________________
1 bis Tekst uit het verslag van het Europees Parlement van 2 juni 2016 over de uitvoering van de energie-efficiëntierichtlijn (2012/27/EU) - (2015/2232(INI)).
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 quater (nieuw)
(10 quater)  De energiesector is de grootste waterverbruiker in de Unie, aangezien deze sector 44 % van het waterverbruik voor zijn rekening neemt1 bis. Het gebruik van slimme technologieën en processen voor doeltreffend waterbeheer kan potentieel significante energiebesparingen genereren en tegelijk het concurrentievermogen van de ondernemingen verbeteren.
__________________
1 bis Werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Landbouw en duurzaam waterbeheer in de EU" van 28 april 2017.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 quinquies (nieuw)
(10 quinquies)  De sector water en afvalwater kan ook bijdragen aan de productie van hernieuwbare energie en het verminderen van fossiele-energievoorziening. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk ter plaatse energie te produceren door energiewinning uit slib dat door afvalwaterbewerking ontstaat.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  De verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen zal met name voordelen opleveren voor consumenten die te kampen hebben met energiearmoede. De lidstaten kunnen aan verplichtingen gebonden partijen al verplichten om sociale doelstellingen op te nemen in hun energiebesparende maatregelen, met betrekking tot energiearmoede, en deze mogelijkheid moet nu worden uitgebreid tot alternatieve maatregelen en omgevormd tot een verplichting, waarbij de lidstaten volledige flexibiliteit behouden ten aanzien van de omvang, werkingssfeer en inhoud van dergelijke maatregelen. Overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag moet het beleid van de Unie op het gebied van energie-efficiëntie inclusief zijn en dus ook garanderen dat energiearme verbruikers toegang krijgen tot maatregelen inzake energie-efficiëntie.
(12)  De verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen zal voordelen opleveren voor alle consumenten, met name voor huishoudens met een laag inkomen, met inbegrip van deze die te kampen hebben met energiearmoede. Elke lidstaat kan overeenkomstig zijn specifieke nationale omstandigheden bepalen wat onder energiearmoede en een huishouden met een laag inkomen wordt verstaan. De lidstaten kunnen aan verplichtingen gebonden partijen al verplichten om in hun energiebesparende maatregelen sociale doelstellingen op te nemen met betrekking tot energiearmoede. Deze mogelijkheid moet nu worden uitgebreid tot alternatieve maatregelen en worden omgevormd tot een verplichting, waarbij de lidstaten volledige flexibiliteit behouden ten aanzien van de omvang, werkingssfeer en inhoud van dergelijke maatregelen. Overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag moet het beleid van de Unie op het gebied van energie-efficiëntie inclusief zijn en dus ook garanderen dat energieverbruikers in energiearmoede en met een laag inkomen toegang krijgen tot maatregelen inzake energie-efficiëntie.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  Tegemoetkomen aan de vraag naar elektriciteit overdag en 's nachts is een belangrijk instrument om de efficiëntie van primaire energie te verhogen, omdat dit consumenten beduidend meer mogelijkheden biedt om energie te besparen door middel van besluiten op basis van informatie die aangeeft dat het energieverbruik kan worden geoptimaliseerd wanneer er vraag is naar energie, ook tijdens piekuren, zodat transmissienetwerken en opwekkingsbronnen beter kunnen worden gebruikt.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 ter (nieuw)
(12 ter)  Om tot lage energierekeningen te komen, moeten consumenten hulp krijgen om hun energieverbruik te verminderen door middel van het reduceren van de energiebehoefte van gebouwen, het verbeteren van de efficiëntie van toestellen en de beschikbaarheid van in het openbaar vervoer geïntegreerde energiezuinige vervoerswijzen en fietsen. Verbetering van de bouwschillen en vermindering van de energiebehoeften zijn van fundamenteel belang voor het verbeteren van de gezondheid van lage-inkomensgroepen.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 quater (nieuw)
(12 quater)  Het is van essentieel belang om het publiek bewust te maken en alle burgers in de Unie accurate informatie te verstrekken over de voordelen van verhoogde energie-efficiëntie en de mogelijke toepassing ervan. Verhoogde energie-efficiëntie is ook cruciaal voor de geopolitieke positie en de veiligheid van de Unie omdat dit haar minder afhankelijk maakt van de invoer van brandstoffen uit derde landen.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 quinquies (nieuw)
(12 quinquies)  Ongeveer 50 miljoen huishoudens in de Unie hebben met energiearmoede te kampen. Energie-efficiëntiemaatregelen moeten dan ook de kern uitmaken van een kostenefficiënte strategie voor het aanpakken van energiearmoede en kwetsbaarheid van consumenten. Deze maatregelen moeten complementair zijn met het socialezekerheidsbeleid op lidstaatniveau. Teneinde te waarborgen dat energie-efficiëntiemaatregelen huurders op duurzame wijze een vermindering van energiearmoede opleveren, moet rekening worden gehouden met de kosteneffectiviteit van dergelijke maatregelen, evenals met de mate van betaalbaarheid voor de eigenaars en huurders, naast het feit dat passende financiële ondersteuning voor die maatregelen op het niveau van de lidstaten gegarandeerd moet zijn. Het gebouwenbestand van de Unie moet op de lange termijn bijna-energieneutraal (BEN) worden, overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Het huidige renovatietempo volstaat niet en de gebouwen die bewoond worden door burgers met een laag inkomen die in energiearmoede leven, zijn het moeilijkst aan te pakken. De in deze verordening vastgestelde maatregelen met betrekking tot verplichte energiebesparingen, verplichte energie-efficiëntieregelingen en alternatieve beleidsmaatregelen zijn daarom bijzonder belangrijk.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 sexies (nieuw)
(12 sexies)  De kosten en baten van alle energie-efficiëntiemaatregelen, waaronder ook de terugverdienperiodes, moeten volledig transparant worden gemaakt voor de consumenten.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  Energie die op of in gebouwen wordt opgewekt met technologieën voor hernieuwbare energie vermindert de afhankelijkheid van aangeleverde fossiele energie. De beperking van het energiegebruik en het gebruik van energie uit duurzame bronnen in de bouwsector zijn belangrijke maatregelen om de energieafhankelijkheid van de Unie en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, met name in het licht van de ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de mondiale verbintenis die is aangegaan tijdens de Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21), die in december 2015 plaatsvond in Parijs. Om te voldoen aan hun verplichtingen inzake energiebesparing moeten de lidstaten dan ook de mogelijkheid krijgen om rekening te houden met een bepaalde hoeveelheid hernieuwbare energie die op of in gebouwen is opgewekt voor eigen gebruik. Hiertoe moeten de lidstaten toestemming krijgen om gebruik te maken van de berekeningsmethoden die in het kader van Richtlijn 2010/31/EU zijn vastgesteld.
(13)  Energie die op of in gebouwen wordt opgewekt met technologieën voor hernieuwbare energie vermindert de afhankelijkheid van aangeleverde fossiele energie. De beperking van het energiegebruik en het gebruik van energie uit duurzame bronnen in de bouwsector zijn belangrijke maatregelen om de energieafhankelijkheid van de Unie en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, met name in het licht van de ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de mondiale verbintenis die is aangegaan in de Overeenkomst van Parijs.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  De energiebalans van bedrijven en industriesectoren in de lidstaten kan worden verbeterd door de beginselen van de circulaire economie toe te passen, onder meer door een passend gebruik van industrieel afval als secundaire grondstof, op voorwaarde dat het energiepotentieel ervan hoger is dan dat van alternatieve primaire grondstoffen.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)  De lidstaten moeten profiteren van de nieuwe bedrijfsmodellen en technologieën en ernaar streven de marktopname van energie-efficiëntiemaatregelen te bevorderen en te faciliteren, onder meer door middel van innovatieve energiediensten voor grote en kleine klanten.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 quater (nieuw)
(13 quater)  De lidstaten moeten veel flexibiliteit aan de dag leggen bij het ontwerpen en uitvoeren van alternatieve maatregelen voor het vaststellen van hun nationale prioriteiten op het vlak van energie-efficiëntie, met inbegrip van energie-efficiënte producten en energie-efficiënte productieprocessen. Er moet steun worden verleend aan acties die gericht zijn op streefcijfers in verband met het efficiënt gebruik van natuurlijke rijkdommen of met de behoefte om een circulaire economie in te voeren.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  In het kader van maatregelen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie "Een 'new deal' voor energieconsumenten", in de context van de energie-unie en de strategie betreffende verwarming en koeling, moeten de minimumrechten van de consumenten op duidelijke en tijdige informatie over hun energieverbruik worden versterkt. De artikelen 9, 10 en 11 en bijlage VII van Richtlijn 2012/27/EU moeten dan ook worden gewijzigd om te zorgen voor frequente en betere feedback over energieverbruik. Voorts moet worden verduidelijkt dat de rechten in verband met facturering en factureringsinformatie ook gelden voor verbruikers van uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water, ook al hebben zij geen rechtstreekse, individuele contractuele relatie met een leverancier. Met het oog op de toepassing van deze bepalingen moet het begrip "eindgebruiker" worden verstaan als alle eindafnemers die verwarming/koeling/warm water kopen voor eigen gebruik en alle bewoners van individuele wooneenheden in appartementengebouwen of multifunctionele gebouwen, wanneer de levering aan deze eenheden vanuit een centrale bron gebeurt. Het begrip "individuele bemetering" moet betrekking hebben op het meten van het verbruik in individuele eenheden van dergelijke gebouwen. Uiterlijk op 1 januari 2020 moeten nieuw geïnstalleerde warmtemeters en warmtekostenverdelers op afstand leesbaar zijn om te zorgen voor kostenefficiënte en frequente verstrekking van informatie over het verbruik. Het is de bedoeling dat het nieuwe artikel 9 bis alleen geldt voor uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water.
(14)  In het kader van maatregelen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie "Een 'new deal' voor energieconsumenten", in de context van de energie-unie en de strategie betreffende verwarming en koeling, moeten de minimumrechten van de consumenten op accurate, betrouwbare, duidelijke en tijdige informatie over hun energieverbruik worden versterkt. Terwijl individuele meters vereist moeten blijven indien dit technisch haalbaar en kostenefficiënt is, omdat het in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, moeten de artikelen 9 tot en met 11 en bijlage VII bij Richtlijn 2012/27/EU dan ook worden gewijzigd om te zorgen voor frequente en betere feedback over energieverbruik, rekening houdend met de beschikbaarheid en de mogelijkheden van de meetapparatuur, met als doel het energiegebruik te optimaliseren. De lidstaten moeten ook rekening houden met het feit dat de succesvolle toepassing van nieuwe technologieën om het energieverbruik te meten grote investeringen in voorlichting en vaardigheden vergen, zowel voor gebruikers als voor leveranciers van energie. Voorts moet worden verduidelijkt dat de rechten in verband met facturering en facturerings- of verbruiksinformatie ook gelden voor verbruikers van uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water, ook al hebben zij geen rechtstreekse, individuele contractuele relatie met een energieleverancier. Met het oog op de toepassing van deze bepalingen moet het begrip "eindgebruiker", naast eindafnemers die verwarming/koeling/warm water kopen voor eigen eindgebruik, tevens bewoners van individuele wooneenheden in appartementengebouwen of multifunctionele gebouwen omvatten, wanneer de levering aan deze eenheden vanuit een centrale bron gebeurt en zij geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier hebben. Het begrip "individuele bemetering" moet betrekking hebben op het meten van het verbruik in individuele eenheden van dergelijke gebouwen. Uiterlijk op 1 januari 2020 moeten nieuw geïnstalleerde warmtemeters en warmtekostenverdelers op afstand leesbaar zijn om te zorgen voor kostenefficiënte en frequente verstrekking van informatie over het verbruik. Het is de bedoeling dat het nieuwe artikel 9 bis alleen geldt voor uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Factureringsinformatie en jaarlijkse financiële overzichten zijn een belangrijk middel om afnemers te informeren. Gegevens over verbruik en kosten kunnen ook andere informatie bevatten die consumenten helpt hun huidige contract te vergelijken met dat van andere aanbieders en gebruik te maken van procedures voor klachtenafhandeling en geschillenbeslechting. Aangezien geschillen over rekeningen echter een zeer gebruikelijke bron van klachten van consumenten vormen, een factor die bijdraagt tot permanent lage niveaus van consumententevredenheid en betrokkenheid bij de energiesector, moeten rekeningen eenvoudiger, duidelijker en gemakkelijker te begrijpen zijn, en moet ervoor worden gezorgd dat de afzonderlijke instrumenten, zoals factureringsinformatie, informatietechnologieën en jaarlijkse overzichten, alle informatie bevatten die nodig is om consumenten in staat te stellen hun energieverbruik te reguleren, het aanbod te vergelijken en over te stappen op een andere leverancier.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 ter (nieuw)
(14 ter)  Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) die onder deze richtlijn vallen, zijn ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt, overeenkomstig artikel 2, punt 1, van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie1 bis.
_______________
1 bis. Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 ter (nieuw)
(15 ter)  De verhoging van de energie-efficiëntie is een rechtstreeks gevolg van de volgende stappen bij de opwekking en omzetting van energie: efficiënte omzetting van primaire energie naar eindenergie, efficiënte transmissie van deze energie naar de verbruikers in de vorm van elektriciteit, warmte of brandstof, en zuinig gebruik ervan door de eindgebruikers; het besparingseffect op de consumentenmarkt mag niet worden beschouwd als het enige doel van deze efficiëntie, aangezien dit effect kan voortvloeien uit ongunstige energieprijzen.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  Om recht te doen aan de technologische vooruitgang en het groeiende aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de sector elektriciteitsopwekking moet de standaardcoëfficiënt voor elektriciteitsbesparing in kWh opnieuw worden geëvalueerd, om rekening te houden met veranderingen in de primaire energiefactor voor elektriciteit (PEF). Berekeningen van de PEF voor elektriciteit worden gebaseerd op jaarlijkse gemiddelden. De boekhoudkundige methode op basis van de fysieke energie-inhoud wordt gebruikt voor opwekking van elektriciteit en warmte door middel van kernenergie, en de methode op basis van technische omzettingsefficiëntie voor de opwekking van elektriciteit en warmte uit fossiele brandstoffen en biomassa. De methode voor niet-brandbare vormen van hernieuwbare energie is het directe equivalent op basis van de totale primaire energie. Voor de berekening van het primaire energieaandeel voor elektriciteit uit WKK wordt de methode van bijlage II van Richtlijn 2012/27/EU toegepast. Er wordt gebruik gemaakt van een gemiddelde marktpositie in plaats van een marginale marktpositie. Het energieomzettingsrendement wordt geraamd op 100 % voor niet-brandbare hernieuwbare energiebronnen, 10 % voor geothermische centrales en 33 % voor kerncentrales. De totale efficiëntie van warmtekrachtkoppeling wordt berekend op basis van de meest recente gegevens van Eurostat. Wat systeemgrenzen betreft, bedraagt de PEF voor alle energiebronnen 1. De berekeningen zijn gebaseerd op de meest recente versie van het PRIMES-referentiescenario. De PEF is gebaseerd op de prognose voor 2020. De analyse heeft betrekking op de EU-lidstaten en Noorwegen. De gegevensreeks voor Noorwegen is gebaseerd op gegevens van het ENTSO-E.
(16)  Uitsluitend voor de doelstellingen van deze richtlijn en om recht te doen aan de technologische vooruitgang en het groeiende aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de sector elektriciteitsopwekking, zou de coëfficiënt voor elektriciteitsbesparing in kWh zorgvuldig moeten worden geanalyseerd en eventueel worden herzien om rekening te houden met veranderingen in de primaire energiefactor voor elektriciteit (PEF), waarbij de energiemix van de betrokken lidstaat wordt weergegeven aan de hand van een vergelijkbare en transparante methode.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Gezien het feit dat de Europese Raad in zijn conclusies van 10 juni 2011 over het energie-efficiëntieplan heeft benadrukt dat 40 % van de primaire energie in de Unie wordt gebruikt in gebouwen, wat neerkomt op 50 % van het eindenergieverbruik, en teneinde economische groei mogelijk te maken en de werkgelegenheid te bevorderen in sectoren waar specifieke kwalificaties vereist zijn, zoals de bouwsector en de sector vervaardiging van bouwmaterialen, alsook in sectoren als architectuur en stadsplanning en adviesdiensten op het gebied van verwarmings- en koeltechnologie, moeten de lidstaten een langetermijnstrategie op deze gebieden vaststellen voor de periode na 2020.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 ter (nieuw)
(16 ter)  De primaire-energiefactor (PEF) moet worden gebruikt als een instrument om het verbruik en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen en de energie-efficiëntie te verhogen, alsook om de hernieuwbare energiebronnen verder te ontwikkelen. In dit verband moet de standaardcoëfficiënt voor elektriciteitsbesparing in kWh worden aangepast wanneer technologische, economische of sociale ontwikkelingen aantonen dat een lagere standaardcoëfficiënt noodzakelijk is. De Commissie moet onderzoek verrichten en indien nodig een wetgevingsvoorstel indienen om de standaardcoëfficiënt van de PEF tegen 2024 te wijzigen.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  Om te garanderen dat de bijlagen bij de richtlijn en de in artikel 14, lid 10, vermelde geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden kunnen worden geactualiseerd, is het noodzakelijk de aan de Commissie verleende bevoegdheidsdelegatie te verlengen.
Schrappen
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  Om de effectiviteit van Richtlijn 2012/27/EU te kunnen beoordelen, moet een eis tot algemene herziening van de richtlijn en tot indiening van een verslag aan het Europees Parlement en de Raad op uiterlijk 28 februari 2024 worden ingevoerd.
(18)  Om de effectiviteit van Richtlijn 2012/27/EU te kunnen beoordelen, moet een eis tot algemene herziening van de richtlijn en tot indiening van een verslag aan het Europees Parlement en de Raad uiterlijk 28 februari 2024 worden ingevoerd. Deze datum valt na de algemene inventarisatie door het UNFCCC in 2023 om noodzakelijke afstemmingen op dit proces toe te laten, waarbij ook rekening wordt gehouden met economische en innovatieve ontwikkelingen.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  Lidstaten met een bbp per hoofd van de bevolking dat lager is dan het gemiddelde in de Unie moeten het verbruik van primaire energie kunnen verhogen, op voorwaarde dat bij de omzetting ervan in eindenergie, de verdere transmissie en distributie en nuttige besparingen op de consumentenmarkt rekening wordt gehouden met een aanzienlijke toename van de energie-efficiëntie in elke fase van het technologisch proces dat erin bestaat de stroom vrijgegeven primaire energie te beheersen.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19 ter (nieuw)
(19 ter)  De lokale en regionale autoriteiten moeten een leidende rol krijgen bij de ontwikkeling en het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van de in de richtlijn vastgelegde maatregelen, zodat zij op adequate wijze kunnen inspelen op de specifieke kenmerken van hun klimaat, cultuur en samenleving.
Amendementen 110/rev en 100
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 1 – lid 1
1.  Bij deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld met maatregelen voor de bevordering van energie-efficiëntie binnen de Unie, om ervoor te zorgen dat de Unie haar centraal streefcijfer inzake energie-efficiëntie van 20 % voor 2020 en haar bindend centraal streefcijfer van 30 % voor 2030 haalt; de richtlijn effent ook de weg voor verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie na deze data. De richtlijn stelt regels vast om belemmeringen op de energiemarkt weg te nemen en om markttekortkomingen te overwinnen die de efficiëntie in energievoorziening en -gebruik belemmeren en voorziet in de opstelling van indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers en bijdragen voor 2020 en 2030.
1.  Bij deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld met maatregelen voor de bevordering van energie-efficiëntie binnen de Unie, waarbij het beginsel wordt toegepast van voorrang voor energie-efficiëntie in de hele energieketen, met inbegrip van opwekking, transmissie, distributie en eindgebruik van energie, om ervoor te zorgen dat de Unie haar centraal streefcijfer inzake energie-efficiëntie van 20 % voor 2020 en haar bindend centraal streefcijfer van minimum 35 % voor 2030 haalt; de richtlijn effent ook de weg voor verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie na 2030, overeenkomstig de langetermijndoelstellingen van de Unie inzake energie en klimaat voor 2050 en de Overeenkomst van Parijs. De richtlijn stelt regels vast om belemmeringen op de energiemarkt weg te nemen en om markttekortkomingen te overwinnen die de efficiëntie in energievoorziening en -gebruik belemmeren en voorziet in de opstelling van indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers voor 2020 en nationale energie-efficiëntiestreefcijfers voor 2030.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 1 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Deze richtlijn helpt het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie" toepassen en zorgt ervoor dat energie-efficiëntie en vraagrespons onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met opwekkingscapaciteit. Telkens wanneer besluiten over de planning of financiering van energiesystemen worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 1 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  Om particuliere financiering voor energie-efficiëntiemaatregelen en energierenovaties aan te trekken, gaat de Commissie een dialoog aan met zowel openbare als particuliere financiële instellingen teneinde potentiële beleidsmechanismen in kaart te brengen. Gezien het enorme potentieel om in de bouwsector energie-efficiëntiewinst te boeken, zal met name moeten worden ingezet op investeringen in deze sector, met bijzondere aandacht voor woningen van mensen met een laag inkomen die het risico lopen in energiearmoede terecht te komen. Om investeringen in energie-efficiëntieprojecten financieel interessanter en haalbaarder te maken voor investeerders, overweegt de Commissie mogelijkheden om kleine projecten tot grotere te bundelen. De Commissie verschaft uiterlijk op 1 januari 2019 richtsnoeren aan de lidstaten over het aanboren van particuliere investeringen.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 3 – leden 1, 2 en 3
Artikel 3
Artikel 3
Energie-efficiëntiedoelstellingen
Energie-efficiëntiedoelstellingen
1.  Elke lidstaat stelt een indicatief nationaal energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2020 vast, op basis van primair of eindenergieverbruik, primaire of eindenergiebesparingen of energie-intensiteit. De lidstaten delen die streefcijfers mee aan de Commissie overeenkomstig artikel 24, lid 1, en bijlage XIV, deel 1. Daarbij drukken zij die streefcijfers ook uit als absoluut verbruiksniveau van primaire en eindenergie in 2020 en leggen zij uit hoe en op basis van welke gegevens dit is berekend.
1.  Elke lidstaat stelt een indicatief nationaal energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2020 vast, op basis van primair of eindenergieverbruik, primaire of eindenergiebesparingen of energie-intensiteit. De lidstaten delen die streefcijfers mee aan de Commissie overeenkomstig artikel 24, lid 1, en bijlage XIV, deel 1. Daarbij drukken zij die streefcijfers ook uit als absoluut verbruiksniveau van primaire en eindenergie in 2020 en leggen zij uit hoe en op basis van welke gegevens dit is berekend.
Bij het bepalen van deze streefcijfers zien de lidstaten er op toe dat:
Bij het bepalen van deze streefcijfers zien de lidstaten er op toe dat:
a)  het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie mag bedragen;
a)  het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie of niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie mag bedragen;
b)  rekening wordt gehouden met de in deze richtlijn vastgelegde maatregelen;
b)  rekening wordt gehouden met de in deze richtlijn vastgelegde maatregelen;
c)  rekening wordt gehouden met de maatregelen die zijn vastgesteld om de nationale energiebesparingsstreefcijfers te bereiken als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2006/32/EG; en
c)  rekening wordt gehouden met de maatregelen die zijn vastgesteld om de nationale energiebesparingsstreefcijfers te bereiken als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2006/32/EG; en
d)  rekening wordt gehouden met andere maatregelen om energie-efficiëntie binnen de lidstaten en op Unieniveau te bevorderen.
d)  rekening wordt gehouden met andere maatregelen om energie-efficiëntie binnen de lidstaten en op Unieniveau te bevorderen.
Bij het vaststellen van die streefcijfers kunnen de lidstaten ook rekening houden met nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden, zoals:
Bij het vaststellen van die streefcijfers kunnen de lidstaten ook rekening houden met nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden, zoals:
a)  het resterende kostenefficiënte energiebesparingspotentieel;
a)  het resterende kostenefficiënte energiebesparingspotentieel;
b)  de evolutie en prognoses van het BBP;
b)  de evolutie en prognoses van het bbp;
c)  de wijzigingen van energie-invoer en -uitvoer;
c)  de wijzigingen van energie-invoer en -uitvoer;
d)  de ontwikkeling van alle hernieuwbare energiebronnen, kernenergie, het afvangen en opslaan van kooldioxide; en
d)  de ontwikkeling van alle hernieuwbare energiebronnen, kernenergie, het afvangen en opslaan van kooldioxide; en
e)  vroegtijdige maatregelen.
e)  vroegtijdige maatregelen.
2.  Uiterlijk op 30 juni 2014 gaat de Commissie na of vooruitgang is geboekt en of het waarschijnlijk is dat de Unie tegen 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie zal verbruiken.
2.  Uiterlijk op 30 juni 2014 gaat de Commissie na of vooruitgang is geboekt en of het waarschijnlijk is dat de Unie tegen 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en/of niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie zal verbruiken.
3.  Bij het uitvoeren van de in lid 2 bedoelde evaluatie zal de Commissie:
3.  Bij het uitvoeren van de in lid 2 bedoelde evaluatie zal de Commissie:
a)  de door de lidstaten meegedeelde nationale indicatieve energie-efficiëntiestreefcijfers samentellen;
a)  de door de lidstaten meegedeelde nationale indicatieve energie-efficiëntiestreefcijfers samentellen;
b)  nagaan of de som van die streefcijfers als een betrouwbaar richtsnoer kan worden beschouwd om te bepalen of de Unie in haar geheel op de goede weg is, rekening houdende met de evaluatie van het eerste jaarverslag overeenkomstig artikel 24, lid 1, en de evaluatie van de nationale actieplannen inzake energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 24, lid 2;
b)  nagaan of de som van die streefcijfers als een betrouwbaar richtsnoer kan worden beschouwd om te bepalen of de Unie in haar geheel op de goede weg is, rekening houdende met de evaluatie van het eerste jaarverslag overeenkomstig artikel 24, lid 1, en de evaluatie van de nationale actieplannen inzake energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 24, lid 2;
c)  rekening houden met aanvullende analyses die voortvloeien uit:
c)  rekening houden met aanvullende analyses die voortvloeien uit:
(i)  een beoordeling van de evolutie van het energieverbruik en het energieverbruik in verhouding tot de economische activiteit, op het niveau van de Unie, met inbegrip van de evolutie van de efficiëntie van de energievoorziening in lidstaten die hun nationale indicatieve streefcijfers hebben gebaseerd op eindenergieverbruik of eindenergiebesparingen, met inbegrip van de voorgang die het gevolg is van de naleving van hoofdstuk III van deze richtlijn door de lidstaten;
(i)  een beoordeling van de evolutie van het energieverbruik en het energieverbruik in verhouding tot de economische activiteit, op het niveau van de Unie, met inbegrip van de evolutie van de efficiëntie van de energievoorziening in lidstaten die hun nationale indicatieve streefcijfers hebben gebaseerd op eindenergieverbruik of eindenergiebesparingen, met inbegrip van de voortgang die het gevolg is van de naleving van hoofdstuk III van deze richtlijn door de lidstaten;
(ii)  resultaten van simulaties van toekomstige tendensen in het energieverbruik op het niveau van de Unie.
(ii)  resultaten van simulaties van toekomstige tendensen in het energieverbruik op het niveau van de Unie.
d)  de resultaten van de punten a), b) en c) vergelijken met het energieverbruik dat nodig zou zijn om tegen 2020 het primair energieverbruik tot hoogstens 1 483 Mtoe en het eindenergieverbruik tot hoogstens 1 086 Mtoe te beperken.
d)  de resultaten van de punten a), b) en c) vergelijken met het energieverbruik dat nodig zou zijn om tegen 2020 het primair energieverbruik tot hoogstens 1 483 Mtoe en/of het eindenergieverbruik tot hoogstens 1 086 Mtoe te beperken.
Amendement 101
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 3 – lid 4
4.  Elke lidstaat stelt indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdragen vast om de in artikel 1, lid 1, vermelde doelstelling van de Unie voor 2030 te bereiken, overeenkomstig de artikelen [4] en [6] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]. Bij het vaststellen van die bijdragen houden de lidstaten er rekening mee dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie mag bedragen. De lidstaten delen deze bijdragen mee aan de Unie in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, overeenkomstig de procedure van artikel [3] en de artikelen [7] tot en met [11] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie].
4.  Elke lidstaat stelt indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers vast om de in artikel 1, lid 1, vermelde doelstelling van de Unie voor 2030 te bereiken, overeenkomstig de artikelen [4] en [6] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]. Bij het vaststellen van die bijdragen houden de lidstaten er rekening mee dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie mag bedragen. De lidstaten delen deze bijdragen mee aan de Unie in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, overeenkomstig de procedure van artikel [3] en de artikelen [7] tot en met [11] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie].
Amendementen 54, 105 en 107
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7
Artikel 7
Artikel 7
Verplichting tot energiebesparing
Verplichting tot energiebesparing
1.  De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindenergieverbruik bereiken die minstens gelijk is aan:
1.  De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindenergieverbruik bereiken die minstens gelijk is aan:
a)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2013;
a)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2013;
b)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019;
b)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030 minstens 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019;
De lidstaten moeten gedurende tien jaar na 2030 nieuwe jaarlijkse besparingen van 1,5 % per jaar blijven behalen, tenzij de Commissie in haar evaluatie van 2027 en om de tien jaar daarna tot de conclusie komt dat dit niet nodig is om de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2050 te halen.
De lidstaten moeten gedurende tien jaar na 2030 nieuwe jaarlijkse besparingen van 1,5 % per jaar blijven behalen, tenzij de Commissie in haar evaluatie van 2027 en om de tien jaar daarna tot de conclusie komt dat dit niet nodig is om de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2050 te halen.
De besparingen in elke periode bouwen cumulatief voort op de besparingen die in de voorgaande periode(n) moesten worden gerealiseerd. Indien eerdere beleidsmaatregelen, programma's en/of individuele acties niet langer besparingen opleveren, wordt het verlies van deze besparingen in aanmerking genomen bij de berekening van de totale besparing die aan het einde van elke periode moet worden gerealiseerd, en wordt het verlies vervangen door nieuwe besparingen.
Voor de toepassing van het bepaalde onder b), en onverminderd leden 2 en 3, mogen de lidstaten alleen die energiebesparingen meetellen die voortvloeien uit nieuwe beleidsmaatregelen die na 31 december 2020 zijn ingevoerd of beleidsmaatregelen die tijdens de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 zijn ingevoerd, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die maatregelen resulteren in individuele acties die worden ondernomen na 31 december 2020 en een besparing opleveren.
De vereiste besparingen voor de onder b) bedoelde periode zijn cumulatief en komen bovenop de vereiste besparingen voor de onder a) bedoelde periode. Hiertoe, en onverminderd leden 2 en 3, mogen de lidstaten energiebesparingen meetellen die voortvloeien uit nieuwe beleidsmaatregelen die na 31 december 2020 zijn ingevoerd of daarvóór, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die maatregelen resulteren in nieuwe individuele acties die worden ondernomen na 31 december 2020 en een nieuwe besparing opleveren. De lidstaten mogen ook besparingen meetellen van individuele acties die worden ondernomen tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020, op voorwaarde dat deze verifieerbare energiebesparingen na 2020 blijven opleveren.
De verkoop van energie, per volume, die gebruikt wordt voor vervoer, mag geheel of gedeeltelijk buiten de berekening blijven.
Enkel voor de toepassing van de onder a) bedoelde periode mag de verkoop van energie, per volume, die gebruikt wordt voor vervoer, geheel of gedeeltelijk buiten de berekening blijven. De verkoop van energie die gebruikt wordt voor vervoer wordt volledig meegeteld bij de berekeningen voor de onder b) bedoelde periode en daarna.
De lidstaten mogen beslissen hoe de berekende hoeveelheid nieuwe besparingen wordt gespreid over elke onder a) en b) vermelde periode, op voorwaarde dat de vereiste totale cumulatieve besparingen aan het einde van elke periode worden bereikt.
De lidstaten mogen beslissen hoe de berekende hoeveelheid nieuwe besparingen wordt gespreid over elke onder a) en b) vermelde periode, op voorwaarde dat de vereiste totale cumulatieve besparingen aan het einde van elke periode worden bereikt.
2.  Onverminderd lid 3, kan elke lidstaat:
2.  Onverminderd lid 3, kan elke lidstaat:
a)  de bij lid 1, onder a), voorgeschreven berekening uitvoeren met waarden van 1 % in 2014 en 2015; 1,25 % in 2016 en 2017; en 1,5 % in 2018, 2019 en 2020;
a)  de bij lid 1, onder a), voorgeschreven berekening uitvoeren met waarden van 1 % in 2014 en 2015; 1,25 % in 2016 en 2017; en 1,5 % in 2018, 2019 en 2020;
b)  de verkoop, per volume, van de energie die gebruikt wordt in de industriële activiteiten die in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG zijn vermeld, geheel of gedeeltelijk buiten de berekening houden;
b)  de verkoop, per volume, van de energie die gebruikt wordt in de industriële activiteiten die in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG zijn vermeld, geheel of gedeeltelijk buiten de berekening houden;
c)  toestaan dat energiebesparingen die gerealiseerd zijn in de sectoren omzetting, distributie en transmissie van energie, met inbegrip van infrastructuur voor efficiënte stadsverwarming en -koeling, en die voortvloeien uit de naleving van de voorschriften van artikel 14, lid 4, artikel 14, lid 5, onder b), en artikel 15, leden 1 tot en met 6 en lid 9, worden meegenomen bij de berekening van de energiebesparingen die vereist zijn uit hoofde van lid 1;
c)  toestaan dat energiebesparingen die gerealiseerd zijn in de sectoren omzetting, distributie en transmissie van energie, met inbegrip van infrastructuur voor efficiënte stadsverwarming en -koeling, en die voortvloeien uit de naleving van de voorschriften van artikel 14, lid 4, artikel 14, lid 5, onder b), en artikel 15, leden 1 tot en met 6 en lid 9, worden meegenomen bij de berekening van de energiebesparingen die vereist zijn uit hoofde van lid 1, onder a) en b), en
d)  besparingen die voortvloeien uit afzonderlijke maatregelen die voor het eerst zijn uitgevoerd na 31 december 2008 en die in 2020 en daarna nog steeds een effect hebben, en die meetbaar en verifieerbaar zijn, meenemen bij de berekening van de in lid 1 vermelde energiebesparingen; en
d)  besparingen die voortvloeien uit afzonderlijke maatregelen die voor het eerst zijn uitgevoerd na 31 december 2008 en die in 2020 nog steeds een effect hebben, en die meetbaar en verifieerbaar zijn, meenemen bij de berekening van de in lid 1, onder a), vermelde energiebesparingen.
e)  de verifieerbare hoeveelheid energie die op of in gebouwen wordt opgewekt voor eigen gebruik als gevolg van beleidsmaatregelen ter bevordering van nieuwe installaties van hernieuwbare energietechnologieën, uitsluiten van de berekening van de in lid 1 vermelde energiebesparingseis.
3.  Alle overeenkomstig lid 2 gekozen opties mogen samen niet meer bedragen dan 25 % van de in lid 1 vermelde energiebesparingen. De lidstaten berekenen het effect van de gekozen opties voor de in lid 1, onder a) en b), vermelde perioden afzonderlijk en passen dit toe:
3.  Alle overeenkomstig lid 2 gekozen opties mogen samen niet meer bedragen dan 25 % van de in lid 1 vermelde energiebesparingen. De lidstaten berekenen het effect van de gekozen opties voor de in lid 1, onder a) en b), vermelde perioden afzonderlijk en passen dit toe:
a)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder a), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder a), b), c) en d);
a)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder a), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder a), b), c) en d);
b)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder b), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder b), c), d) en e), mits individuele acties in de zin van punt d) een verifieerbaar en meetbaar effect blijven hebben na 31 december 2020.
b)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder b), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder b), c), d) en e), mits individuele acties in de zin van punt d) een verifieerbaar en meetbaar effect blijven hebben na 31 december 2020.
4.  Energiebesparingen die na 31 december 2020 zijn gerealiseerd, mogen niet worden meegenomen bij de berekening van de cumulatieve besparingen die vereist zijn voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.
4.  Energiebesparingen die na 31 december 2020 zijn gerealiseerd, mogen niet worden meegenomen bij de berekening van de cumulatieve besparingen die vereist zijn voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.
5.  De lidstaten zien erop toe dat de besparingen die voortvloeien uit de in de artikelen 7 bis en 7 ter en artikel 20, lid 6, bedoelde beleidsmaatregelen worden berekend overeenkomstig bijlage V.
5.  De lidstaten zien erop toe dat de besparingen die voortvloeien uit de in de artikelen 7 bis en 7 ter en artikel 20, lid 6, bedoelde beleidsmaatregelen worden berekend overeenkomstig bijlage V.
6.  De lidstaten verwezenlijken de uit hoofde van lid 1 vereiste besparingen door een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 7 bis vast te stellen of door alternatieve beleidsmaatregelen, zoals bedoeld in artikel 7 ter, vast te stellen. De lidstaten mogen een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie combineren met alternatieve beleidsmaatregelen.
6.  De lidstaten verwezenlijken de uit hoofde van lid 1 vereiste besparingen door een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 7 bis vast te stellen of door alternatieve beleidsmaatregelen, zoals bedoeld in artikel 7 ter, vast te stellen. De lidstaten mogen een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie combineren met alternatieve beleidsmaatregelen.
7.  De lidstaten zien erop toe dat energiebesparingen niet dubbel worden geteld wanneer beleidsmaatregelen of afzonderlijke acties een overlappende werking hebben.";
7.  De lidstaten zien erop toe dat energiebesparingen niet dubbel worden geteld wanneer beleidsmaatregelen of afzonderlijke acties een overlappende werking hebben.";
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 1
1.  Wanneer lidstaten beslissen hun verplichting om de bij artikel 7, lid 1, vereiste besparing te verwezenlijken, na te komen aan de hand van een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie, zien zij erop toe dat de in lid 2 bedoelde, aan verplichtingen gebonden partijen die actief zijn op het grondgebied van elke lidstaat, de in artikel 7, lid 1, uiteengezette cumulatieve eindenergiebesparing bereiken, onverminderd artikel 7, lid 2.
1.  Wanneer lidstaten beslissen hun verplichting om de bij artikel 7, lid 1, vereiste besparing te verwezenlijken, na te komen aan de hand van een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie, zien zij erop toe dat de in lid 2 bedoelde, aan verplichtingen gebonden partijen die actief zijn op het grondgebied van elke lidstaat, de in artikel 7, lid 1, uiteengezette cumulatieve eindenergiebesparing bereiken, onverminderd artikel 7, lid 2, of staan zij toe dat de aan verplichtingen gebonden partijen jaarlijkse bijdragen storten in het nationaal fonds voor energie-efficiëntie, overeenkomstig artikel 20, lid 6.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 2
2.  Op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria wijzen de lidstaten aan verplichtingen gebonden partijen aan onder de energiedistributeurs en/of detailhandelaars in energie die op hun grondgebied actief zijn; daaronder kunnen begrepen zijn distributeurs en detailhandelaars van vervoersbrandstof die op hun grondgebied actief zijn. De energiebesparing die nodig is om aan de verplichting te voldoen, wordt door de aan verplichtingen gebonden partijen gerealiseerd onder de eindafnemers, die door de lidstaat, onafhankelijk van de in artikel 7, lid 1, bedoelde berekening, zijn aangewezen, of, indien de lidstaten hiertoe besluiten, door middel van gecertificeerde besparingen afkomstig van andere partijen, als omschreven in lid 5, onder b).
2.  Op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria wijzen de lidstaten aan verplichtingen gebonden partijen aan onder de energiedistributeurs, detailhandelaars in energie en distributeurs of detailhandelaars van vervoersbrandstof die op hun grondgebied actief zijn. De energiebesparing die nodig is om aan de verplichting te voldoen, wordt door de aan verplichtingen gebonden partijen gerealiseerd onder de eindafnemers, die door de lidstaat, onafhankelijk van de in artikel 7, lid 1, bedoelde berekening, zijn aangewezen, of, indien de lidstaten hiertoe besluiten, door middel van gecertificeerde besparingen afkomstig van andere partijen, als omschreven in lid 5, onder b).
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Indien detailhandelaars in energie worden aangewezen als aan verplichtingen gebonden partijen overeenkomstig lid 2, zien de lidstaten erop toe dat deze handelaars bij de naleving van hun verplichtingen geen barrières opwerpen voor consumenten om van de ene leverancier naar de andere over te stappen.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 5 – letter b
b)  mogen de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen toestaan de gecertificeerde energiebesparingen die zijn behaald door leveranciers van energiediensten of andere derde partijen, mee te laten tellen voor hun verplichting, onder meer ingeval de aan verplichtingen gebonden partijen via andere officieel goedgekeurde instanties of overheidsinstanties maatregelen propageren die al dan niet formele partnerschappen kunnen inhouden en gecombineerd kunnen worden met andere financieringsbronnen. Wanneer lidstaten zulks toestaan, zien zij erop toe dat er een goedkeuringsprocedure van kracht is die helder en transparant is, openstaat voor alle marktdeelnemers en de certificatiekosten zo laag mogelijk probeert te houden;
b)  mogen de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen toestaan de gecertificeerde energiebesparingen die zijn behaald door leveranciers van energiediensten of andere derde partijen, mee te laten tellen voor hun verplichting, onder meer ingeval de aan verplichtingen gebonden partijen via andere officieel goedgekeurde instanties of overheidsinstanties maatregelen propageren die al dan niet formele partnerschappen kunnen inhouden en gecombineerd kunnen worden met andere financieringsbronnen. Wanneer lidstaten zulks toestaan, zien zij erop toe dat er een geaccrediteerde goedkeuringsprocedure van kracht is die helder, transparant en participatief is, openstaat voor alle marktdeelnemers en de certificatiekosten zo laag mogelijk probeert te houden;
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 5 – letter c bis (nieuw)
c bis)  mogen de lidstaten toestaan dat aanvullende besparingen die worden bereikt door duurzamere technologieën op het gebied van stadsverwarmings- en -koelingssystemen in stedelijke gebieden (die eveneens leiden tot verminderingen van de vervuilende stoffen en deeltjes) worden meegerekend voor de hoeveelheid energiebesparingen die vereist zijn uit hoofde van lid 1;
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 5 – letter c ter (nieuw)
c ter)  mogen de lidstaten de goedkeuring bevorderen van maatregelen die gericht zijn op het verwarmings- en koelingspotentieel voor energiebesparingen, met als mogelijk doel aanvullende beloningen te bieden voor maatregelen die resulteren in minder vervuiling;
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 5 – letter c quater (nieuw)
c quater)  mogen de lidstaten instrumenten invoeren die energiebesparingen certificeren uit energiecontroles of vergelijkbare energiebeheersystemen zoals genoemd in artikel 8, met als doel deze besparingen mee te rekenen in de hoeveelheid energiebesparingen die vereist is uit hoofde van lid 1;
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 5 – letter c quinquies (nieuw)
c quinquies)  mogen de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen toestaan hun verplichting mee te rekenen voor de energiebesparingen op het eindgebruik die zijn bereikt op het gebied van efficiënte infrastructuur voor verwarming en koeling;
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 5 – letter c septies (nieuw)
c septies)  beoordelen de lidstaten het effect van de directe en indirecte kosten van deze regelingen op het concurrentievermogen van energie-intensieve industrieën die blootstaan aan internationale concurrentie, en nemen zij maatregelen om dit effect te minimaliseren.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.  In het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen informeren de lidstaten de Commissie over de door hen beoogde beleidsmaatregelen overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder c). Het effect van deze maatregelen wordt in deze plannen berekend en verwerkt. De door de lidstaten gehanteerde berekening wordt gebaseerd op objectieve, niet-discriminerende criteria, die uiterlijk 1 januari 2019 in samenspraak met de Commissie worden opgesteld.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 ter – lid 1
1.  Wanneer de lidstaten besluiten hun verplichtingen om de bij artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing door middel van alternatieve beleidsmaatregelen te verwezenlijken, zorgen zij ervoor dat de krachtens artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing wordt gerealiseerd onder de eindafnemers.
1.  Wanneer de lidstaten besluiten hun verplichtingen om de bij artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing door middel van alternatieve beleidsmaatregelen te verwezenlijken, zorgen zij ervoor dat de krachtens artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing volledig wordt gerealiseerd onder de eindafnemers.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 ter – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Daarnaast komen alle mogelijkheden om de energie-efficiëntie te vergroten, met inbegrip van beter presterende brandstof in het vervoer, in aanmerking voor het vereiste voor de cumulatieve besparingen op het energie-eindverbruik zoals opgenomen in artikel 7, lid 1.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 ter – lid 2
2.  Bij het plannen van alternatieve beleidsmaatregelen om energie te besparen, houden de lidstaten rekening met de gevolgen voor huishoudens die met energiearmoede kampen.
2.  Bij het plannen van alternatieve beleidsmaatregelen om energie te besparen, houden de lidstaten rekening met de gevolgen voor huishoudens met een laag inkomen, met inbegrip van die welke met energiearmoede kampen, en zorgen ze ervoor dat deze maatregelen bij voorrang worden uitgevoerd in deze huishoudens en in sociale woningen.
De lidstaten berekenen de gerealiseerde besparingen in deze huishoudens ten opzichte van de totale gerealiseerde besparingen in alle huishoudens uit hoofde van dit artikel.
Deze besparingen worden gepubliceerd en opgenomen in de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen inzake energie en klimaat overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie].
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 quater (nieuw)
(4 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 7 quater
Verlening van energie-efficiëntiediensten
De Commissie moet in nauwe samenwerking met de lidstaten garanderen dat de verlening van diensten op het gebied van energie-efficiëntie plaatsvindt in een concurrentiegericht en transparant kader, zodat wanneer energie-efficiëntiediensten worden verleend de eindverbruiker van de laagste kosten voor de beste kwaliteit kan genieten. Daartoe garanderen de lidstaten aan de verschillende ondernemers, en in het bijzonder aan kmo's, non-discriminatoire toegang tot de markt van de energie-efficiëntiediensten, waarbij de deelname onder gelijke voorwaarden voor de verticaal geïntegreerde ondernemers wordt bevorderd en de concurrentievoordelen van ondernemers in de distributie en de verkoop van energie worden tenietgedaan. De lidstaten stellen met het oog daarop alle benodigde wetgevingshandelingen vast, zodat de geïntegreerde ondernemers aan derden dezelfde voorwaarden en dezelfde instrumenten ter beschikking stellen die zij gebruiken om energie-efficiëntiediensten te verlenen."
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 9 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van aardgas, voor zover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over het werkelijke tijdstip van het verbruik.
De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van aardgas, voor zover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, voor wat betreft de geselecteerde technologie en functionaliteit tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters en verwarmingsbedieningssystemen die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over het werkelijke tijdstip van het verbruik en overige functies, zoals van toepassing overeenkomstig de bepalingen inzake elektriciteitsmeting in de artikelen 19 tot en met 22 van Richtlijn (EU) .../... [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking)].
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter c – punt ii bis (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 9 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
Het slimme meetsysteem biedt de eindconsument toegang tot diens eindverbruikgegevens en de tijdreeksen voor de afrekeningstermijnen van de markt.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter d
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 9 – lid 3
d)  lid 3 wordt geschrapt;
d)  lid 3 wordt vervangen door:
"3. Ten aanzien van het gegevensformaat en de functionaliteit worden de bepalingen waar passend afgestemd op de artikelen 18 t/m 21 van Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad1bis. Consumentengegevens worden behandeld overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad1ter. Er worden aan eindafnemers geen kosten in rekening gebracht voor toegang tot hun gegevens in een voor hen nuttig formaat.
__________________
1bis Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55).
1ter Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1)."
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 9 bis
Artikel 9 bis
Artikel 9 bis
Meting, individuele bemetering en warmtekostenverdeling voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden
Meting, individuele bemetering en warmtekostenverdeling voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven.
Ingeval de verwarming en koeling of warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient of door een netwerk voor stadsverwarming of -koeling, wordt altijd een warmtemeter of een warmwatermeter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt.
Ingeval de verwarming, koeling of warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient of door een netwerk voor stadsverwarming of -koeling, wordt een meter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt.
2.  In appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die over een centrale verwarmings- of koelingsbron beschikken of die zijn aangesloten op een systeem voor stadsverwarming of -koeling, worden individuele meters geïnstalleerd om het warmte- of koelingsverbruik of warmwaterverbruik voor iedere eenheid van het gebouw te meten.
2.  In appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die over een centrale verwarmings- of koelingsbron beschikken of die zijn aangesloten op een systeem voor stadsverwarming of -koeling, worden individuele meters geïnstalleerd om het warmte- of koelingsverbruik of warmwaterverbruik voor iedere eenheid van het gebouw te meten, indien dit technisch haalbaar en kostenefficiënt is, omdat het in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen.
Als het gebruik van individuele meters technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om het warmte- of koelingsverbruik in elke eenheid van het gebouw te meten, worden individuele warmtekostenverdelers gebruikt om het warmteverbruik van elke radiator te meten, tenzij de desbetreffende lidstaat aantoont dat de installatie van dergelijke warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is. In die gevallen kunnen alternatieve kostenefficiënte methoden voor de meting van het warmteverbruik worden overwogen. De voorwaarden van technische onhaalbaarheid en niet-kosteneffectiviteit worden door elke lidstaat duidelijk vastgesteld en gepubliceerd.
Als het gebruik van individuele meters technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om het warmte- of koelingsverbruik in elke eenheid van het gebouw te meten, worden individuele warmtekostenverdelers gebruikt om het warmteverbruik van elke radiator te meten, tenzij de desbetreffende lidstaat aantoont dat de installatie van dergelijke warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is. In die gevallen kunnen alternatieve kostenefficiënte methoden voor de meting van het warmteverbruik worden overwogen. Na overleg met de Commissie worden de algemene criteria, methoden en/of procedures ter bepaling van technische onhaalbaarheid en niet-kosteneffectiviteit door elke lidstaat duidelijk vastgesteld en gepubliceerd.
In nieuwe gebouwen als bedoeld in de eerste alinea, of wanneer een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd, zoals bepaald in Richtlijn 2010/31/EU, worden altijd individuele meters geïnstalleerd.
Indien nieuwe appartementengebouwen en het residentiële gedeelte van nieuwe multifunctionele gebouwen beschikken over een centrale verwarmingsbron voor warm water of op stadsverwarming zijn aangesloten, wordt, niettegenstaande de eerste en tweede alinea, voorzien in individuele meters voor warm water.
3.  In het geval van appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of waar een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, voeren de lidstaten, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante regels in voor de verdeling van de kosten van verwarming, koeling en warmwaterverbruik in dergelijke gebouwen, zoals:
3.  In het geval van appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of waar een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, voeren de lidstaten, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante regels in voor de verdeling van de kosten van verwarming, koeling en warmwaterverbruik in dergelijke gebouwen, zoals:
a)  warm water voor huishoudelijk gebruik;
a)  warm water voor huishoudelijk gebruik;
b)  warmte uit de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten (wanneer trappenhuizen en gangen voorzien zijn van radiatoren);
b)  warmte uit de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten (wanneer trappenhuizen en gangen voorzien zijn van radiatoren);
c)  voor het verwarmen of koelen van appartementen.
c)  voor het verwarmen of koelen van appartementen.
4.  Met het oog op de toepassing van dit artikel moeten meters en kostenverdelers die met ingang van 1 januari 2020 worden geïnstalleerd, op afstand leesbaar zijn.
4.  Met het oog op de toepassing van dit artikel moeten nieuwe meters en warmtekostenverdelers die met ingang van 1 januari 2020 worden geïnstalleerd, op afstand leesbaar zijn. De voorwaarden betreffende technische haalbaarheid en kosteneffectiviteit zoals bedoeld in de eerste en tweede alinea van lid 2 blijven van toepassing.
Meters en kostenverdelers die al zijn geïnstalleerd maar nog niet op afstand kunnen worden gelezen, worden uiterlijk op 1 januari 2027 met deze mogelijkheid uitgerust of vervangen, tenzij de lidstaat in kwestie aantoont dat dit niet kostenefficiënt is.
Meters en warmtekostenverdelers die al zijn geïnstalleerd maar nog niet op afstand kunnen worden gelezen, worden uiterlijk op 1 januari 2027 met deze mogelijkheid uitgerust of vervangen, tenzij de lidstaat in kwestie aantoont dat dit niet kostenefficiënt is.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 10 – lid 1
1.  In de gevallen waarin de eindgebruiker niet beschikt over een slimme meter als bedoeld in Richtlijn 2009/73/EG, zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2014 de factureringsinformatie nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik, overeenkomstig punt 1.1 van bijlage VII, voor gas, mits zulks technisch mogelijk en economisch verantwoord is.
1.  In de gevallen waarin de eindgebruiker niet beschikt over een slimme meter als bedoeld in Richtlijn 2009/73/EG, zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2014 de factureringsinformatie betrouwbaar en nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik, overeenkomstig punt 1.1 van bijlage VII, voor gas, mits zulks technisch mogelijk en economisch verantwoord is.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter c
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 10 – lid 2 – alinea 1
Meters die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met Richtlijn 2009/73/EG maken accurate factureringsinformatie op basis van het werkelijke verbruik mogelijk. De lidstaten zorgen ervoor dat de eindafnemer gemakkelijk toegang krijgt tot aanvullende informatie over het verbruiksverleden, aan de hand waarvan hij zelf tot controle kan overgaan.
Meters die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met Richtlijn 2009/73/EG bieden accurate factureringsinformatie op basis van het werkelijke verbruik. De lidstaten zorgen ervoor dat de eindafnemer gemakkelijk toegang krijgt tot aanvullende informatie over het verbruiksverleden, aan de hand waarvan hij zelf tot controle kan overgaan.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 10 bis
Artikel 10 bis
Artikel 10 bis
Facturering en verbruiksinformatie voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik
Facturering en verbruiksinformatie voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de facturering en verbruiksinformatie nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik van alle eindgebruikers waar meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, in overeenstemming met de punten 1 en 2 van bijlage VII bis.
1.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, de facturerings- en verbruiksinformatie overeenkomstig de punten 1 en 2 van bijlage VII bis nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers voor alle eindgebruikers, namelijk voor natuurlijke of rechtspersonen die verwarming, koeling of warm water voor hun eigen eindgebruik aankopen, of natuurlijke of rechtspersonen die bewoners zijn van een afzonderlijk gebouw of een eenheid in een appartementengebouw of multifunctioneel gebouw dat is uitgerust met verwarming, koeling of warm water van een centrale bron en die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier hebben.
Behalve in het geval van individuele meters zoals bepaald in artikel 9 bis, lid 2, kan aan deze verplichting worden voldaan door een systeem waarbij de eindafnemer regelmatig zelf de meter afleest en de metergegevens meedeelt aan de energieleverancier. Alleen indien de eindafnemer voor een bepaalde factureringsperiode geen metergegevens heeft verstrekt, wordt de facturering gebaseerd op het geschatte verbruik of op een vast tarief.
Aan deze verplichting kan, indien een lidstaat daartoe besluit, en behalve in het geval van verbruik via individuele meters op basis van warmtekostenverdelers overeenkomstig artikel 9 bis, lid 2, worden voldaan met een systeem waarbij de eindafnemer of eindgebruiker regelmatig zelf de meter afleest en de metergegevens meedeelt. Alleen indien de eindafnemer of eindgebruiker voor een bepaalde factureringsperiode geen metergegevens heeft verstrekt, wordt de facturering gebaseerd op het geschatte verbruik of op een vast tarief.
2.  De lidstaten:
2.  De lidstaten:
a)  schrijven voor dat, indien er informatie beschikbaar is over de energiefacturering en het verbruiksverleden van de eindgebruiker, deze op zijn verzoek ter beschikking worden gesteld van een aanbieder van energiediensten die door de eindgebruiker is aangewezen;
a)  schrijven voor dat, indien er informatie beschikbaar is over de energiefacturering en het verbruiksverleden of de meetgegevens van de warmtekostenverdelers van de eindgebruiker, deze op zijn verzoek ter beschikking worden gesteld van een aanbieder van energiediensten die door de eindgebruiker is aangewezen;
b)  zorgen ervoor dat eindafnemers kunnen kiezen voor elektronische factureringsinformatie en facturering en dat zij op verzoek een duidelijke en begrijpelijke uitleg krijgen over de wijze waarop de factuur is opgesteld, in het bijzonder als de factuur niet gebaseerd is op het werkelijke verbruik;
b)  zorgen ervoor dat eindafnemers kunnen kiezen voor elektronische factureringsinformatie en facturering;
c)  zien erop toe dat passende informatie wordt verstrekt bij de factuur die gebaseerd is op het werkelijke verbruik van alle eindgebruikers, in overeenstemming met punt 3 van bijlage VII;
c)  zien erop toe dat duidelijke en begrijpelijke informatie wordt verstrekt bij de factuur van alle eindgebruikers, in overeenstemming met punt 3 van bijlage VII bis;
d)  mogen bepalen dat, op verzoek van de eindafnemer, de bij de factuur gevoegde informatie niet als een betalingsverzoek mag worden beschouwd. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten ervoor dat flexibele regelingen voor de werkelijke betaling worden aangeboden.
d)  mogen bepalen dat, op verzoek van de eindafnemer, de bij de factuur gevoegde informatie niet als een betalingsverzoek mag worden beschouwd. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten ervoor dat flexibele regelingen voor de werkelijke betaling worden aangeboden;
d bis)  bevorderen cyberbeveiliging en waarborgen de bescherming van de privacy en de gegevens van eindgebruikers overeenkomstig het desbetreffende Unierecht.
2 bis.  De lidstaten beslissen wie verantwoordelijk moet zijn voor het verstrekken van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie aan de eindgebruikers die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met een energieleverancier hebben.
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter -a (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 15 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
-a)  Aan lid 4 wordt de volgende alinea toegevoegd:
"Door de Commissie wordt in overleg met de relevante belanghebbenden een gemeenschappelijke methode gedefinieerd teneinde netwerkexploitanten te stimuleren verliezen te reduceren, een kosten-/energie-efficiënt investeringsprogramma voor infrastructuur uit te voeren en de energie-efficiëntie en de flexibiliteit van het net naar behoren te berekenen. Uiterlijk … [12 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling ter aanvulling van deze richtlijn vast, waarin deze methode nader wordt omschreven."
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a – punt ii
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 15 – lid 5 – alinea 3
Transmissie- en de distributiesysteembeheerders moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage XII.
Transmissie- en distributiesysteembeheerders moeten bij het aansluiten rekening houden met de noodzaak om te zorgen voor continuïteit van de warmtevoorziening, teneinde zo de toegang te waarborgen tot het netwerk en hoogrenderende warmtekrachtkoppeling te leveren, en moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage XII.
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 bis (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 19 bis (nieuw)
(11 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 19 bis
Financiering van energie-efficiëntie door Europese banken
De Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) passen hun beleidsdoelstellingen aan met het oog op erkenning van energie-efficiëntie als op zichzelf staande energiebron en van investeringen in energie-efficiëntie als onderdeel van de investeringsportefeuille voor infrastructuur.
De EIB en de EBWO ontwerpen, genereren en financieren, in samenspraak met nationale bevorderingsbanken, programma's en projecten die gericht zijn op de efficiëntiesector, met inbegrip van energiearme huishoudens.
De lidstaten maken volledig gebruik van de mogelijkheden en middelen die zijn voorgesteld in het kader van het initiatief "Slimme financiering voor slimme gebouwen"."
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 bis (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 23 – lid 3 bis (nieuw)
(12 bis)  In artikel 23 wordt volgend lid ingevoegd:
"3 bis. Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven."
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 ter (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 24 – lid 4 bis (nieuw)
(12 ter)  In artikel 24 wordt volgend lid ingevoegd:
"4 bis. In het kader van het verslag over de stand van de energie-unie brengt de Commissie verslag uit over de werking van de koolstofmarkt, overeenkomstig artikel 29, lid 1 en lid 2, onder c), van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie], rekening houdend met de gevolgen van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn."
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 24 – lid 12
12.  De Commissie evalueert deze richtlijn uiterlijk op 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar, en brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen.
12.  De Commissie evalueert deze richtlijn uiterlijk op 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar, en brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de algemene doeltreffendheid van de richtlijn en de noodzaak om het energie-efficiëntiebeleid van de Unie verder aan te passen aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en aan de economische en innovatieve ontwikkelingen. Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen.
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13 bis (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 24 – lid 12 bis (nieuw)
(13 bis)   In artikel 24 wordt volgend lid ingevoegd:
"12 bis. Uiterlijk 31 december 2019 verricht de Commissie een afzonderlijke diepgaande analyse van het potentieel voor energie-efficiëntie met betrekking tot:
a)  de conversie en transformatie van energie;
b)  de transmissie en distributie van energie;
c)  de productie en het daaropvolgende vervoer van energievoorraden, namelijk energie gebruikt tijdens de winning van fossiele brandstoffen en het vervoer ervan naar de plaats van gebruik.
d)  de opslag van energie.
De Commissie dient, indien toepasselijk, op basis van haar bevindingen uiterlijk 31 januari 2021 bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel voor een wetgevingshandeling in die zin in."
Amendement 114
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 1 – letter a
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage IV – voetnoot 3
a)  in bijlage IV wordt voetnoot 3 vervangen door: "(3) Van toepassing wanneer de energiebesparing wordt berekend in termen van primaire energie aan de hand van een benadering van onderaf gebaseerd op eindenergieverbruik. Voor besparingen in kWh elektriciteit kunnen de lidstaten een standaardcoëfficiënt van 2,0 gebruiken. De lidstaten kunnen een afwijkende coëfficiënt gebruiken indien zij dat kunnen rechtvaardigen."
a)  in bijlage IV wordt voetnoot 3 vervangen door: "(3) Uitsluitend van toepassing ten behoeve van deze richtlijn en wanneer de energiebesparing wordt berekend in termen van primaire energie aan de hand van een benadering van onderaf gebaseerd op eindenergieverbruik. Voor besparingen in kWh elektriciteit gebruiken de lidstaten een coëfficiënt die is vastgesteld aan de hand van een transparante en voor alle lidstaten vergelijkbare methode, op basis van nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden. Deze omstandigheden moeten naar behoren worden onderbouwd, meetbaar en verifieerbaar zijn en uitgaan van objectieve en niet-discriminerende criteria. Voor besparingen in kWh elektriciteit kunnen de lidstaten een standaardcoëfficiënt van 2,3 gebruiken of een afwijkende coëfficiënt indien zij dat kunnen rechtvaardigen. Hierbij houden de lidstaten rekening met hun elektriciteitsmix die is opgenomen in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die aan de Commissie moeten worden meegedeeld overeenkomstig artikel [3] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]. De standaardcoëfficiënt wordt om de vijf jaar herzien op basis van werkelijk waargenomen gegevens."
Amendement 87
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage V – punt 2 – letter a
a)  het moet worden aangetoond dat de besparing een aanvulling vormt op de besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden. Om te bepalen welke besparingen als aanvullend kunnen worden geclaimd, stellen de lidstaten een basisscenario op waarin wordt beschreven hoe het energieverbruik zou evolueren zonder de beleidsmaatregel in kwestie. In dit basisscenario moet rekening worden gehouden met minstens de volgende factoren: tendensen in het energieverbruik, veranderingen in het gedrag van de consumenten, technologische vooruitgang en veranderingen die zijn veroorzaakt door andere maatregelen die op nationaal en EU-niveau ten uitvoer worden gelegd;
a)  het moet worden aangetoond dat de besparing een aanvulling vormt op de besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden. Om te bepalen welke besparingen als aanvullend kunnen worden geclaimd, stellen de lidstaten een basisscenario op waarin wordt beschreven hoe het energieverbruik zou evolueren zonder de desbetreffende beleidsmaatregel en de daaruit voortvloeiende nieuwe individuele actie. In dit basisscenario moet rekening worden gehouden met minstens de volgende factoren: tendensen in het energieverbruik, veranderingen in het gedrag van de consumenten, technologische vooruitgang en veranderingen die zijn veroorzaakt door andere maatregelen die op nationaal en Unieniveau ten uitvoer worden gelegd;
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage V – punt 2 – letter b
b)  besparingen die voortvloeien uit de toepassing van verplichte Uniewetgeving worden beschouwd als besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden, en kunnen dus niet worden geclaimd uit hoofde van artikel 7, lid 1, behalve besparingen die verband houden met de renovatie van bestaande gebouwen, voor zover het in punt 3, onder h), vermelde oorzakelijk verband is aangetoond;
b)  besparingen die voortvloeien uit de toepassing van verplichte Uniewetgeving worden beschouwd als besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden, en kunnen dus niet worden geclaimd uit hoofde van artikel 7, lid 1, behalve besparingen die verband houden met maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen, voor zover het in punt 3, onder h), vermelde oorzakelijk verband is aangetoond;
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage V – punt 2 – letter h
h)  bij de berekening van energiebesparingen wordt rekening gehouden met de levensduur van de maatregelen; dit kan geschieden door berekening van de besparingen die elke afzonderlijke actie tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030 zal opleveren. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten een andere methode kiezen die wordt geacht ten minste dezelfde totale hoeveelheid aan besparingen op te leveren. Bij gebruikmaking van andere methoden zorgen de lidstaten ervoor dat de totale energiebesparingen die met deze andere methoden zijn berekend niet hoger zijn dan de energiebesparingen die het resultaat zouden zijn geweest van hun berekening als zij de besparingen meerekenen die elke individuele actie zou opleveren tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030. De lidstaten geven in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen in het kader van de governance van de energie-unie aan welke andere methoden zij hebben gebruikt en welke bepalingen zijn vastgesteld om te garanderen dat zij deze bindende berekeningsvereiste nakomen.
h)  bij de berekening van energiebesparingen wordt rekening gehouden met de levensduur van de maatregelen en met het percentage waarmee het effect van de besparingen met de tijd afneemt. Deze berekening gebeurt aan de hand van de telling van de besparingen die elke afzonderlijke actie tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030 zal opleveren. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten een andere methode kiezen die wordt geacht ten minste dezelfde totale hoeveelheid aan besparingen op te leveren. Bij gebruikmaking van andere methoden zorgen de lidstaten ervoor dat de totale energiebesparingen die met deze andere methoden zijn berekend niet hoger zijn dan de energiebesparingen die het resultaat zouden zijn geweest van hun berekening als zij de besparingen meerekenen die elke individuele actie zou opleveren tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030. De lidstaten geven in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen uit hoofde van de verordening betreffende de governance van de energie-unie aan welke andere methoden zij hebben gebruikt en welke bepalingen zijn vastgesteld om te garanderen dat zij deze bindende berekeningsvereiste nakomen.
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage V – punt 3 – letter d
d)  de in de beleidsmaatregel vereiste of op grond van die maatregel te behalen hoeveelheid energiebesparingen moet worden uitgedrukt in eindverbruik dan wel primair verbruik van energie, waarbij de conversiefactoren zoals vastgelegd in bijlage IV worden gebruikt;
d)  de in de beleidsmaatregel vereiste of op grond van die maatregel te behalen hoeveelheid energiebesparingen moet worden uitgedrukt in eindverbruik en primair verbruik van energie, waarbij de conversiefactoren zoals vastgelegd in bijlage IV worden gebruikt;
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage V – punt 3 – alinea 2
Voor beleidsmaatregelen die worden genomen overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder e), mogen de lidstaten gebruikmaken van de berekeningsmethode die is vastgesteld in Richtlijn 2010/31/EU, voor zover dit in overeenstemming is met de eisen van artikel 7 van deze richtlijn en deze bijlage.
Schrappen
Amendement 92
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 2 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage VII bis
Bijlage VII bis
Bijlage VII bis
Minimumeisen voor informatie over facturen en verbruik, op basis van werkelijk verbruik van verwarming, koeling en warm water
Minimumeisen voor informatie over facturen en verbruik voor verwarming, koeling en warm water
1.  Facturering op basis van werkelijk verbruik
1.  Facturering op basis van werkelijk verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers
Om eindafnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik worden gefactureerd.
Om eindafnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers worden gefactureerd.
2.  Minimumfrequentie van informatie over facturen of verbruik
2.  Minimumfrequentie van informatie over facturen of verbruik
Wanneer op afstand leesbare meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf [Please insert here …. the entry into force] minstens elk kwartaal, wanneer de eindafnemer daarom vraagt of wanneer hij gekozen heeft voor elektronische facturering, of anders tweemaal per jaar informatie over facturen of verbruik worden verstrekt op basis van het werkelijke verbruik.
Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf ... [datum van omzetting] minstens elk kwartaal, wanneer de eindafnemer daarom vraagt of wanneer hij gekozen heeft voor elektronische facturering, of anders tweemaal per jaar informatie over facturen of verbruik aan de eindafnemers worden verstrekt op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers.
Wanneer op afstand leesbare meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 1 januari 2022 minstens maandelijks informatie over facturen of verbruik worden verstrekt. Verwarming en koeling kunnen hiervan worden uitgesloten buiten het verwarmings-/koelingsseizoen.
Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 1 januari 2022 minstens maandelijks informatie over facturen of verbruik op basis van het werkelijke verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers aan alle eindafnemers worden verstrekt. Deze informatie wordt ook permanent via het internet beschikbaar gesteld en zo vaak bijgewerkt als de gebruikte meetapparatuur en -systemen toelaten. Verwarming en koeling kunnen hiervan worden uitgesloten buiten het verwarmings-/koelingsseizoen.
3.  Minimuminformatie op de factuur op basis van werkelijk verbruik
3.  Minimuminformatie op de factuur
De lidstaten zorgen ervoor dat de eindgebruikers in of bij hun factuur, in duidelijke en begrijpelijke taal de volgende informatie krijgen:
De lidstaten zorgen ervoor dat de eindgebruikers in of bij hun factuur, in duidelijke en begrijpelijke taal de volgende nauwkeurige informatie krijgen op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van de warmtekostenverdeler:
a)  de huidige actuele prijzen en het daadwerkelijke verbruik van energie;
a)  de huidige actuele prijzen en het daadwerkelijke verbruik van energie of de totale warmtekosten en meetgegevens van warmtekostenverdelers;
b)  informatie over de gebruikte brandstofmix, ook voor eindgebruikers van stadsverwarming of stadskoeling;
b)  informatie over de gebruikte brandstofmix en de bijbehorende uitstoot van broeikasgassen, ook voor eindgebruikers van stadsverwarming of stadskoeling, en uitleg bij de verschillende belastingen, heffingen en toegepaste tarieven;
c)  vergelijkingen van het huidige energieverbruik van de eindgebruikers met hun verbruik over dezelfde periode van het voorgaande jaar, in grafiekvorm, met een klimaatcorrectie voor verwarming en koeling;
c)  vergelijkingen van het huidige energieverbruik van de eindgebruikers met hun verbruik over dezelfde periode van het voorgaande jaar, in grafiekvorm, met een klimaatcorrectie voor verwarming en koeling;
d)  contactinformatie voor eindafnemersorganisaties, energieagentschappen of soortgelijke organen, met inbegrip van webadressen, waar informatie kan worden verkregen over de beschikbare maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie, vergelijkende eindverbruikersprofielen en objectieve technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur.
d)  contactinformatie voor eindafnemersorganisaties, energieagentschappen of soortgelijke organen, met inbegrip van webadressen, waar informatie kan worden verkregen over de beschikbare maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie, vergelijkende eindverbruikersprofielen en objectieve technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur;
d bis)  informatie over de desbetreffende klachtenprocedures, de diensten van de ombudsman of mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting;
Voorts zorgen de lidstaten ervoor dat in, bij of als verwijzing in rekeningen in duidelijke en begrijpelijke taal vergelijkingen met een gemiddelde genormaliseerde of benchmark-eindafnemer van dezelfde verbruikerscategorie aan de eindafnemers beschikbaar worden gesteld.
d ter)  vergelijkingen met een gemiddelde genormaliseerde of benchmark-eindafnemer van dezelfde verbruikerscategorie.
Rekeningen die niet gebaseerd zijn op het werkelijke verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers bevatten een duidelijke en begrijpelijke uitleg over de wijze waarop het in de rekening genoemde bedrag is berekend, en ten minste de informatie als bedoeld in de punten d) en d bis).
Amendement 93
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage IX – Deel 1 – alinea 4 – letter g
(2 bis)  In de vierde alinea van Deel 1 van Bijlage IX wordt letter g) vervangen door:
g)  Economische analyse: Inventaris van effecten
"g) Economische analyse: Inventaris van effecten
Bij de economische analyse wordt rekening gehouden met alle relevante economische effecten.
Bij de economische analyse wordt rekening gehouden met alle relevante economische effecten.
De lidstaten kunnen de kosten en de energiebesparingen ten gevolge van de toegenomen flexibiliteit van de energievoorziening en van een optimaler beheer van de elektriciteitsnetten, met inbegrip van de vermeden kosten en de besparingen vanwege minder investeringen in infrastructuur, in de geanalyseerde scenario's beoordelen en er rekening mee houden in de besluitvorming.
De lidstaten beoordelen de kosten en de energiebesparingen ten gevolge van de toegenomen flexibiliteit van de energievoorziening en van een optimaler beheer van de elektriciteitsnetten, met inbegrip van de vermeden kosten en de besparingen vanwege minder investeringen in infrastructuur, in de geanalyseerde scenario's en houden er rekening mee in de besluitvorming.
Ten minste de volgende kosten en baten worden in aanmerking genomen:
Ten minste de volgende kosten en baten worden in aanmerking genomen:
i)  Baten
i)  Baten
—  Outputwaarde voor de consument (verwarming en elektriciteit)
—  Outputwaarde voor de consument (verwarming en elektriciteit)
—  Externe baten zoals milieu- en gezondheidsvoordelen, voor zover mogelijk.
—  Externe baten zoals milieu-, broeikasgasemissie-, gezondheids- en veiligheidsvoordelen
—  Arbeidsmarkteffecten, energievoorzieningszekerheid enconcurrentievermogen
ii)  Kosten
ii)  Kosten
—  Kapitaalkosten van installaties en apparatuur
—  Kapitaalkosten van installaties en apparatuur
—  Kapitaalkosten van de betrokken energienetten
—  Kapitaalkosten van de betrokken energienetten
—  Variabele en vaste beheerskosten
—  Variabele en vaste beheerskosten
—  Energiekosten
—  Energiekosten
—  Milieu- en gezondheidskosten, voor zover mogelijk
—  Milieu-, gezondheids- en veiligheidskosten
—  Arbeidsmarktkosten, energievoorzieningszekerheid en concurrentievermogen"
Amendement 94
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage – punt 2 ter (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage XII – alinea 1 – letter a
(2 ter)  In de eerste alinea van Bijlage XII wordt letter a) vervangen door:
"a) stellen hun gestandaardiseerde regels op voor de vergoeding van de kosten van technische aanpassingen, zoals netaansluitingen en -verzwaringen, een verbeterde werking van het net en regels voor de niet-discriminerende uitvoering van netcodes die nodig zijn om nieuwe producenten die elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan het net wensen te leveren, op het koppelnet aan te sluiten; ze maken deze regels bekend;
"a) stellen hun gestandaardiseerde regels op voor de vergoeding van de kosten van technische aanpassingen, zoals netaansluitingen, netverzwaringen en de invoering van nieuwe netten, een verbeterde werking van het net en regels voor de niet-discriminerende uitvoering van netcodes die nodig zijn om nieuwe producenten die elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan het net wensen te leveren, op het koppelnet en andere verspreide bronnen aan te sluiten; ze maken deze regels bekend;"

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0391/2017).

Laatst bijgewerkt op: 27 september 2018Juridische mededeling - Privacybeleid