Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/0375(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0402/2017

Ingediende teksten :

A8-0402/2017

Debatten :

PV 15/01/2018 - 12
CRE 15/01/2018 - 12
PV 12/11/2018 - 14
CRE 12/11/2018 - 14

Stemmingen :

PV 17/01/2018 - 10.6
CRE 17/01/2018 - 10.6
Stemverklaringen
PV 13/11/2018 - 4.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0011
P8_TA(2018)0443

Aangenomen teksten
PDF 1008kWORD 175k
Woensdag 17 januari 2018 - Straatsburg
Governance van de energie-unie ***I
P8_TA(2018)0011A8-0402/2017

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 17 januari 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de governance van de energie-unie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (COM(2016)0759 – C8-0497/2016 – 2016/0375(COD)(1))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Deze verordening bevat de noodzakelijke wettelijke basis voor een betrouwbare en transparante governance die garandeert dat de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie worden gehaald door complementaire, coherente en ambitieuze inspanningen van de Unie en de lidstaten, en die tegelijk de beginselen van de Unie op het gebied van betere regelgeving bevordert.
(1)  Deze verordening bevat de noodzakelijke wettelijke basis voor een betrouwbare, inclusieve, kostenefficiënte, transparante en voorspelbare governance die garandeert dat de doelstellingen en streefcijfers voor 2030 en voor de lange termijn van de energie-unie worden gehaald overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs van 2015 inzake klimaatverandering, die na de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP 21) is gesloten (de "Overeenkomst van Parijs") door complementaire, coherente en ambitieuze inspanningen van de Unie en de lidstaten, terwijl de administratieve complexiteit beperkt blijft.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Het doel van een veerkrachtige energie-unie met een ambitieus klimaatbeleid als kernelement is om de consumenten in de Unie, zowel gezinnen als bedrijven, zekere, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te geven; dit vereist een fundamentele transformatie van het Europees energiesysteem. Dat doel kan alleen worden bereikt door gecoördineerd optreden waarbij wetgevende en niet-wetgevende maatregelen op EU- en nationaal niveau worden gecombineerd.
(3)  Het doel van een veerkrachtige energie-unie met een ambitieus klimaatbeleid als kernelement is om de consumenten in de Unie, zowel gezinnen als bedrijven, zekere, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te geven en onderzoek en innovatie te bevorderen door investeringen aan te trekken; dit vereist een fundamentele transformatie van het Europees energiesysteem. Dat doel kan alleen worden bereikt door gecoördineerd optreden waarbij wetgevende en niet-wetgevende maatregelen op Unie-, macroregionaal, regionaal, nationaal en lokaal niveau worden gecombineerd.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Een volledig functionele en veerkrachtige energie-unie zou de Unie omvormen tot een toonaangevende regio voor innovatie, investeringen, groei en sociale en economische ontwikkeling, wat op zijn beurt een goed voorbeeld zou zijn van hoe het nastreven van hoge ambities op het vlak van mitigatie van de klimaatverandering hand in hand gaat met maatregelen ter bevordering van innovatie, investeringen en groei.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Het voorstel van de Commissie is parallel met een reeks initiatieven inzake sectoraal energiebeleid opgesteld, met name op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en marktontwerp, en is samen met deze initiatieven vastgesteld. Deze initiatieven vormen een pakket onder het overkoepelende thema "energie-efficiëntie eerst", het mondiale leiderschap van de Unie op het vlak van hernieuwbare energie, en een eerlijke deal voor energieconsumenten.
(4)  Het voorstel van de Commissie is parallel met een reeks initiatieven inzake sectoraal energiebeleid opgesteld, met name op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie (met inbegrip van de energieprestaties van gebouwen) en marktontwerp, en is samen met deze initiatieven vastgesteld. Deze initiatieven vormen een pakket onder het overkoepelende thema "energie-efficiëntie eerst", het mondiale leiderschap van de Unie op het vlak van hernieuwbare energie, en een eerlijke deal voor energieconsumenten, onder meer door het tegengaan van energiearmoede en het bevorderen van eerlijke concurrentie op de interne markt.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  De Europese Raad heeft op 24 oktober 2014 overeenstemming bereikt over het kader voor klimaat en energie voor 2030, op basis van vier belangrijke streefcijfers: een afname van de broeikasgasemissies in de gehele economie met minstens 40 %, een verbetering van de energie-efficiëntie met minstens 27 % met het oog op een niveau van 30 %, een aandeel van minstens 27 % hernieuwbare energie in de Unie en ten minste 15 % voor de koppeling van elektriciteitsnetten. De Raad heeft gepreciseerd dat het streefcijfer voor hernieuwbare energie bindend is op het niveau van de Unie en moet worden bereikt door bijdragen van de lidstaten, geleid door de noodzaak om gezamenlijk het streefcijfer van de Unie te halen.
(5)  De Europese Raad heeft op 24 oktober 2014 een kader voor klimaat en energie voor 2030 voorgesteld op basis van vier belangrijke streefcijfers: een afname van de broeikasgasemissies in de gehele economie met minstens 40 %, een verbetering van de energie-efficiëntie met minstens 27 % met het oog op een niveau van 30 %, een aandeel van minstens 27 % hernieuwbare energie in de Unie en ten minste 15 % voor de koppeling van elektriciteitsnetten. De Raad heeft gepreciseerd dat het streefcijfer voor hernieuwbare energie bindend is op het niveau van de Unie en moet worden bereikt door bijdragen van de lidstaten, geleid door de noodzaak om gezamenlijk het streefcijfer van de Unie te halen. Niettemin beantwoordt deze verordening aan de streefcijfers die in de sectorale wetgeving zijn overeengekomen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  De Europese Raad is op 24 oktober 2014 overeengekomen dat de Commissie met steun van de lidstaten voortvarend maatregelen zal nemen om zo spoedig mogelijk een minimumstreefcijfer van 10 % op het gebied van interconnectie van elektriciteit te halen, zulks uiterlijk in 2020 voor ten minste de lidstaten die nog geen minimumniveau van integratie in de interne energiemarkt hebben bereikt.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Met de Overeenkomst van Parijs is de mondiale ambitie om de klimaatverandering te beperken, aanzienlijk verhoogd: de ondertekenaars hebben zich ertoe verbonden om "de mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 °C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en te streven naar een maximale stijging van 1,5°C boven het pre-industriële niveau". De Unie moet zich voorbereiden op veel grotere en snellere emissiereducties dan eerder gepland. Daar staat tegenover dat deze reducties haalbaar zijn tegen lagere kosten dan eerder was ingeschat, gezien het tempo waaraan hernieuwbare-energietechnologieën worden ontwikkeld en uitgerold.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)  In overeenstemming met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om in de tweede helft van de 21e eeuw een evenwicht te bereiken tussen antropogene emissies uit bronnen van broeikasgassen en de verwijdering daarvan door broeikasgasputten, moet de Unie ernaar streven om op billijke wijze uiterlijk tegen 2050 klimaatneutraliteit in de Unie te bereiken, gevolgd door een periode van negatieve emissies.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 quater (nieuw)
(6 quater)  Voor het klimaatsysteem zijn het de cumulatieve totale antropogene emissies in de loop van de tijd die relevant zijn voor de totale concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer. Om de toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs gestand te doen, moet worden geanalyseerd welk mondiaal koolstofbudget verenigbaar is met het voortzetten van de inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, en moet het billijke aandeel van de Unie in het resterende mondiale koolstofbudget worden bepaald. De klimaat- en energiestrategieën op lange termijn moeten stroken met dat koolstofbudget.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 quinquies (nieuw)
(6 quinquies)  De Unie en de lidstaten moeten de klimaat- en energiedoelstellingen regelmatig evalueren en de doelstellingen zo nodig naar boven bijstellen om rekening te houden met de opeenvolgende toetsingen in het kader van het UNFCCC-proces en met de recentste wetenschappelijke gegevens over het tempo en de effecten van de klimaatverandering.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 sexies (nieuw)
(6 sexies)  Hoewel de Unie heeft beloofd om tegen 2030 veruit de meest ambitieuze broeikasgasemissiereducties te verwezenlijken, kan zij de bedreiging van de klimaatverandering niet in haar eentje bestrijden. De Commissie en de lidstaten moeten elke gelegenheid benutten om met name landen die van de internationale handel met de Unie profiteren, te overtuigen om een evenredig deel van de wereldwijde verantwoordelijkheid op zich te nemen en hun ambitie te verhogen tot het niveau van die van de Unie.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  De Europese Raad heeft op 24 oktober 201414 ook besloten dat een betrouwbaar en transparant governancesysteem zonder onnodige administratieve rompslomp moet worden ontwikkeld dat ertoe moet bijdragen dat de EU haar energiebeleidsdoelstellingen kan halen, en tegelijk de lidstaten de nodige flexibiliteit kan bieden en volledig recht kan doen aan hun vrijheid om zelf hun energiemix te bepalen. De Raad benadrukte dat deze governance moet berusten op de voorhanden bouwstenen, zoals nationale klimaatprogramma's en nationale plannen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, en dat de planning en rapportering, waar deze nog gescheiden verlopen, moeten worden gestroomlijnd en gebundeld. De Raad stemde er ook mee in de rol en de rechten van de consument, en de transparantie en voorspelbaarheid voor investeerders te vergroten, onder meer dankzij een systematische monitoring van belangrijke indicatoren voor een betaalbaar, veilig, concurrerend, zeker en duurzaam energiesysteem, de coördinatie van nationaal energiebeleid te vergemakkelijken en regionale samenwerking tussen lidstaten te bevorderen.
(7)  De Europese Raad heeft op 24 oktober 201414 ook besloten dat een betrouwbaar en transparant governancesysteem, zonder onnodige administratieve rompslomp en met voldoende flexibiliteit voor de lidstaten, moet worden ontwikkeld dat ertoe moet bijdragen dat de Unie haar energiebeleidsdoelstellingen kan halen en tegelijk volledig recht kan doen aan de vrijheid van de lidstaten om zelf hun energiemix te bepalen. De Raad benadrukte dat deze governance moet berusten op de voorhanden bouwstenen, zoals nationale klimaatprogramma's en nationale plannen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, en dat de planning en rapportering, waar deze nog gescheiden verlopen, moeten worden gestroomlijnd en gebundeld. De Raad stemde er ook mee in de rol en de rechten van de consument, en de transparantie en voorspelbaarheid voor investeerders te vergroten, onder meer dankzij een systematische monitoring van belangrijke indicatoren voor een betaalbaar, veilig, concurrerend, zeker en duurzaam energiesysteem, de coördinatie van nationaal klimaat- en energiebeleid te vergemakkelijken en regionale samenwerking tussen lidstaten te bevorderen.
__________________
__________________
14 Conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 (EUCO 169/14).
14 Conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 (EUCO 169/14).
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  In de conclusies van de Raad van 26 november 201516 wordt onderkend dat de governance van de energie-unie een essentieel instrument zal zijn bij het doelmatig en doeltreffend opzetten van de energie-unie en bij het verwezenlijken van de doelstellingen ervan. De Raad benadrukte dat het governancesysteem moet worden gebaseerd op de beginselen van integratie van strategische planning en rapportering van de tenuitvoerlegging van klimaat- en energiebeleid en op coördinatie tussen de actoren die op EU-, regionaal en nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor het energie- en klimaatbeleid. De Raad beklemtoonde ook dat de governance ervoor moet zorgen dat de overeengekomen energie- en klimaatstreefcijfers voor 2030 worden gehaald, en dat de collectieve vooruitgang van de Unie op weg naar de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen in de vijf dimensies van de energie-unie wordt gemonitord.
(10)  In de conclusies van de Raad van 26 november 201516 wordt onderkend dat de governance van de energie-unie een essentieel instrument zal zijn bij het doelmatig en doeltreffend opzetten van de energie-unie en bij het verwezenlijken van de doelstellingen ervan. De Raad benadrukte dat het governancesysteem moet worden gebaseerd op de beginselen van integratie van strategische planning en rapportering van de tenuitvoerlegging van klimaat- en energiebeleid en op coördinatie tussen de actoren die op Unie-, regionaal en nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor het energie- en klimaatbeleid. De Raad beklemtoonde ook dat de governance ervoor moet zorgen dat de overeengekomen energie- en klimaatstreefcijfers voor 2030 worden gehaald, en dat de vooruitgang van elke lidstaat en de collectieve vooruitgang van de Unie op weg naar de verwezenlijking van de streefcijfers en doelstellingen in de vijf dimensies van de energie-unie wordt gemonitord.
__________________
__________________
16 Conclusies van de Raad van 26 november 2015 (14632/15).
16 Conclusies van de Raad van 26 november 2015 (14632/15).
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Daarom moet de governance van de energie-unie er in de eerste plaats op gericht zijn de doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken, en met name de streefcijfers van het klimaat- en energiekader voor 2030. Deze verordening is derhalve gekoppeld aan sectorale wetgeving ter uitvoering van de klimaat- en energiestreefcijfers voor 2030. Hoewel de lidstaten flexibiliteit nodig hebben om beleidsmaatregelen te kiezen die het beste passen bij hun energiemix en voorkeuren, moet die flexibiliteit verenigbaar moeten zijn met verdere marktintegratie, grotere concurrentie, de verwezenlijking van klimaat- en energiedoelstellingen en de geleidelijke omschakeling naar een koolstofarme economie.
(12)  Daarom moet de governance van de energie-unie er in de eerste plaats op gericht zijn de doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken, met name de streefcijfers van het klimaat- en energiekader voor 2030 wat betreft de vermindering van de broeikasgasemissies, hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie. Deze verordening is derhalve gekoppeld aan sectorale wetgeving ter uitvoering van de klimaat- en energiestreefcijfers voor 2030. Hoewel de lidstaten flexibiliteit nodig hebben om beleidsmaatregelen te kiezen die het beste passen bij hun energiemix en voorkeuren, moet die flexibiliteit verenigbaar moeten zijn met verdere marktintegratie, grotere concurrentie, de verwezenlijking van klimaat- en energiedoelstellingen en de geleidelijke omschakeling naar een duurzame, koolstofarme economie op basis van een zeer energie-efficiënt en op hernieuwbare energiebronnen gebaseerd energiesysteem. Er moet een verplicht model voor de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn worden ingevoerd om de kwaliteit en de vergelijkbaarheid daarvan te garanderen.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Voor de omschakeling naar een koolstofarme economie zijn veranderingen in het investeringsgedrag en stimuleringsmaatregelen op alle beleidsgebieden noodzakelijk. Om de broeikasgasemissies te doen dalen, moeten de efficiëntie en de innovatie van de Europese economie een boost krijgen; deze daling zal met name leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit.
(13)  Voor de maatschappelijk aanvaardbare omschakeling naar een duurzame, koolstofarme economie zijn aanzienlijke veranderingen in het investeringsgedrag, met name wat openbare en particuliere investeringen betreft, en stimuleringsmaatregelen op alle beleidsgebieden alsook regionale markthervormingen noodzakelijk. Om de broeikasgasemissies te doen dalen, moeten de efficiëntie en de innovatie van de Europese economie een boost krijgen; deze daling zal met name leiden tot duurzame werkgelegenheid en een verbetering van de luchtkwaliteit.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  De Unie en de lidstaten moeten concrete maatregelen nemen om energiesubsidies, ten minste voor fossiele brandstoffen, te verbieden teneinde de internationale toezeggingen in het kader van de G7, de G20 en de Overeenkomst van Parijs gestand te doen.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Aangezien broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen grotendeels afkomstig zijn uit dezelfde bronnen, kan beleid ter beperking van broeikasgassen ook voordelen hebben voor de luchtkwaliteit, waardoor op korte termijn sommige of alle kosten van de beperking van broeikasgasemissies kunnen worden gecompenseerd. Aangezien de gegevens die worden gerapporteerd uit hoofde van Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad18 een belangrijke input vormen voor de opstelling van de BKG-inventaris en de nationale plannen, moet het belang van het verzamelen en rapporteren van consistente gegevens tussen Richtlijn 2001/81/EG en de BKG-inventaris worden erkend.
(14)  Aangezien broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen grotendeels afkomstig zijn uit dezelfde bronnen, kan beleid ter beperking van broeikasgassen ook voordelen hebben voor de volksgezondheid en de luchtkwaliteit, met name in stedelijke gebieden, waardoor op korte termijn de kosten van de beperking van broeikasgasemissies kunnen worden gecompenseerd. Aangezien de gegevens die worden gerapporteerd uit hoofde van Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad18 een belangrijke input vormen voor de opstelling van de BKG-inventaris en de nationale plannen, moet het belang van het verzamelen en rapporteren van consistente gegevens tussen Richtlijn 2001/81/EG en de BKG-inventaris worden erkend.
__________________
__________________
18 Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22).
18 Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22).
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Overeenkomstig het streven van de Commissie naar betere regelgeving moet de governance van de energie-unie leiden tot een aanzienlijke daling van de administratieve rompslomp voor de lidstaten, de Commissie en de andere instellingen van de Unie, en moet ze bijdragen tot de coherentie en toereikendheid van het beleid en de maatregelen op het niveau van de Unie en de lidstaten met betrekking tot de omschakeling van het energiesysteem naar een koolstofarme economie.
(16)  Overeenkomstig het streven van de Commissie naar betere regelgeving en in overeenstemming met een beleid voor onderzoek, innovatie en investeringen, moet de governance van de energie-unie leiden tot een aanzienlijke daling van de administratieve complexiteit voor de lidstaten en relevante belanghebbenden, de Commissie en de andere instellingen van de Unie, en moet ze bijdragen tot de coherentie en toereikendheid van het beleid en de maatregelen op Unie-, macroregionaal, regionaal, nationaal en lokaal niveau met betrekking tot de omschakeling van het energiesysteem naar een duurzame koolstofarme economie.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  De doelstellingen van de energie-unie moeten worden verwezenlijkt via een combinatie van initiatieven van de Unie en coherente nationale beleidslijnen in geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. De sectorale wetgeving van de Unie op het gebied van energie en klimaat bevat eisen inzake planning, die nuttige instrumenten zijn om veranderingen teweeg te brengen op nationaal niveau. De invoering van deze eisen op verschillende tijdstippen heeft geleid tot overlappingen en gebrek aan aandacht voor synergieën en interacties tussen beleidsgebieden. De huidige afzonderlijke planning, rapportering en monitoring op de gebieden klimaat en energie moet daarom zoveel mogelijk worden gestroomlijnd en geïntegreerd.
(17)  De streefcijfers en doelstellingen van de energie-unie moeten worden verwezenlijkt via een combinatie van initiatieven van de Unie en coherente nationale beleidslijnen in geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. De sectorale wetgeving van de Unie op het gebied van energie en klimaat bevat eisen inzake planning, die nuttige instrumenten zijn om veranderingen teweeg te brengen op nationaal niveau. De invoering van deze eisen op verschillende tijdstippen heeft geleid tot overlappingen en gebrek aan aandacht voor synergieën en interacties tussen beleidsgebieden, ten nadele van de kostenefficiëntie. De huidige afzonderlijke planning, rapportering en monitoring op de gebieden klimaat en energie moet daarom zo nodig worden gestroomlijnd en geïntegreerd.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)  Er moet een beoordeling worden gemaakt van de interacties tussen bestaande en geplande beleidsinitiatieven en maatregelen om decarbonisatie te bewerkstelligen, en de lidstaten moeten een kwantitatieve of kwalitatieve evaluatie verrichten.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 ter (nieuw)
(17 ter)  De lidstaten moeten zorgen voor beleidssamenhang tussen hun nationale energie- en klimaatplannen en hun langetermijnstrategieën voor lage emissies enerzijds en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN anderzijds.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen moeten gelden voor een periode van tien jaar en een overzicht bieden van het huidige energiesysteem en de beleidssituatie. Deze plannen moeten nationale doelstellingen bevatten voor elk van de vijf essentiële dimensies van de energie-unie en bijbehorende beleidsmaatregelen om deze doelstellingen te behalen; de plannen moeten ook gebaseerd zijn op analyses. In de nationale plannen voor de eerste periode van 2021 tot en met 2030 moet bijzondere aandacht worden besteed aan de 2030-streefcijfers voor de vermindering van broeikasgasemissies, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en interconnectie van elektriciteit. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de nationale plannen consistent zijn met en bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling.
(18)  De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen moeten gelden voor een periode van tien jaar en een overzicht bieden van het huidige energiesysteem en de beleidssituatie. Deze plannen moeten nationale streefcijfers of doelstellingen bevatten voor elk van de vijf essentiële dimensies van de energie-unie en bijbehorende beleidsmaatregelen om deze doelstellingen te behalen; de plannen moeten ook gebaseerd zijn op analyses. In de nationale plannen voor de eerste periode van 2021 tot en met 2030 moet bijzondere aandacht worden besteed aan de 2030-streefcijfers voor de vermindering van broeikasgasemissies, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en interconnectie van elektriciteit. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de nationale plannen consistent zijn met en bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 bis (nieuw)
(18 bis)  Bij het opstellen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan moeten de lidstaten nagaan hoeveel huishoudens met energiearmoede kampen, rekening houdend met de huishoudelijke energiediensten die nodig zijn om in de relevante nationale context een basislevensstandaard te garanderen, die zij zich misschien niet kunnen veroorloven als gevolg van een combinatie van een laag inkomen, hoge energie-uitgaven en de gebrekkige energie-efficiëntie van hun woning. De lidstaten moeten de bestaande en geplande beleidsmaatregelen en maatregelen ter bestrijding van energiearmoede schetsen en zo nodig een nationale doelstelling opnemen om het aantal huishoudens in energiearmoede terug te dringen. De Commissie moet een gemeenschappelijke methodologie vaststellen aan de hand waarvan de lidstaten energiearmoede moeten definiëren, en elke lidstaat moet huishoudens in energiearmoede definiëren overeenkomstig hun specifieke nationale omstandigheden.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 ter (nieuw)
(18 ter)  De lidstaten moeten erop toezien dat de Uniefinanciering uit het meerjarig financieel kader 2014-2020 wordt opgenomen in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. De nationale toewijzingen uit het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020 moeten actief bijdragen tot de verwezenlijking van de streefcijfers en doelstellingen van de energie-unie, met name in de sectoren broeikasgasemissiereducties met inbegrip van verwijderingen per put, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Daartoe moet het programmeringsproces op nationaal en lokaal niveau voor het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020 plaatsvinden in combinatie met een beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen door de Commissie teneinde rekening te houden met een hoge ambitie, met name in het licht van de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  De lidstaten moeten een permanent platform voor energiedialoog op verschillende niveaus met de lokale overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, investeerders en andere relevante belanghebbenden opzetten om de verschillende overwogen opties voor het energie- en klimaatbeleid te bespreken. De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de energie- en klimaatstrategieën op lange termijn moeten in het kader van dat platform worden besproken.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  De uitvoering van beleidslijnen en maatregelen op het gebied van energie en klimaat heeft gevolgen voor het milieu. Daarom moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak krijgt bij de voorbereiding van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, indien van toepassing overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad24 en het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE) van 25 juni 1998 (hierna het "Verdrag van Aarhus"). De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de sociale partners worden betrokken bij de opstelling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen.
(20)  De uitvoering van beleidslijnen en maatregelen op het gebied van energie en klimaat heeft gevolgen voor het milieu. Daarom moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot actieve inspraak en raadpleging krijgt bij de voorbereiding van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn, indien van toepassing overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad24 en het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE) van 25 juni 1998 (hierna het "Verdrag van Aarhus"). De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de sociale partners, de lokale overheden en alle relevante belanghebbenden van in de eerste fasen worden betrokken bij de plannings- en rapporteringsprocessen en bij de opstelling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de langetermijnstrategieën.
__________________
__________________
24 Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).
24 Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  Regionale samenwerking is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van de energie-unie op doeltreffende wijze worden verwezenlijkt. De lidstaten moeten de gelegenheid krijgen opmerkingen te maken over de plannen van andere lidstaten alvorens deze definitief worden vastgesteld, teneinde tegenstrijdigheden en mogelijke negatieve gevolgen voor andere lidstaten te vermijden en ervoor te zorgen dat de gemeenschappelijke doelstellingen collectief worden bereikt. Regionale samenwerking bij het opstellen en voltooien van nationale plannen en bij de latere uitvoering van de nationale plannen is van essentieel belang om de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de maatregelen te verbeteren en de marktintegratie en energiezekerheid te bevorderen.
(21)  Macroregionale en regionale samenwerking is noodzakelijk opdat de lidstaten gezamenlijk uitvoering geven aan bepaalde beleidslijnen en maatregelen die de gemeenschappelijke streefcijfers en doelstellingen op kostenoptimale wijze helpen verwezenlijken. De Commissie moet dergelijke samenwerking tussen de lidstaten faciliteren. De lidstaten moeten de gelegenheid krijgen opmerkingen te maken over de plannen van andere lidstaten alvorens deze definitief worden vastgesteld, teneinde tegenstrijdigheden en mogelijke negatieve gevolgen voor andere lidstaten te vermijden en ervoor te zorgen dat de gemeenschappelijke doelstellingen collectief worden bereikt. Macroregionale en regionale samenwerking bij het opstellen en voltooien van nationale plannen en bij de latere uitvoering van de nationale plannen is van essentieel belang om de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de maatregelen te verbeteren en de marktintegratie en energiezekerheid te bevorderen.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  De nationale plannen moeten stabiel zijn, d.w.z. dat de nationale beleidslijnen en maatregelen transparant en voorspelbaar moeten zijn, teneinde te zorgen voor investeringszekerheid. Om de lidstaten de kans te geven zich aan te passen aan sterk gewijzigde omstandigheden, moeten zij één keer tijdens de tienjarige periode de gelegenheid krijgen hun plannen te actualiseren. Voor de plannen voor de periode van 2021 tot en met 2030 moeten de lidstaten de kans krijgen hun plannen te actualiseren tegen 1 januari 2024. Streefcijfers, doelstellingen en bijdragen mogen alleen worden gewijzigd als dit tot hogere ambities leidt, met name wat betreft de energie- en klimaatstreefcijfers voor 2030. In het kader van deze actualiseringen moeten de lidstaten inspanningen leveren om eventuele negatieve gevolgen voor het milieu, die duidelijk worden in het kader van de geïntegreerde rapportering, te beperken.
(22)  De nationale plannen moeten stabiel zijn, d.w.z. dat de nationale beleidslijnen en maatregelen transparant en voorspelbaar moeten zijn, teneinde te zorgen voor investeringszekerheid. De regelmatige indiening van nationale plannen over voortschrijdende perioden van tien jaar geeft de lidstaten de kans om zich aan te passen aan sterk gewijzigde omstandigheden. Streefcijfers en doelstellingen mogen alleen worden gewijzigd als dit tot hogere ambities leidt, met name wat betreft de energie- en klimaatstreefcijfers voor 2030. In het kader van die plannen moeten de lidstaten inspanningen leveren om eventuele negatieve gevolgen voor het milieu, die duidelijk worden in het kader van de geïntegreerde rapportering, te beperken.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Stabiele lage-emissiestrategieën op lange termijn zijn van cruciaal belang om bij te dragen tot economische transformatie, werkgelegenheid, groei en de verwezenlijking van bredere doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling, en om op billijke en kosteneffectieve wijze te werken aan de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Overeenkomst van Parijs. De partijen bij de Overeenkomst van Parijs worden bovendien verzocht om uiterlijk in 2020 hun strategieën voor de afname van broeikasgasemissies op lange termijn (tegen het midden van deze eeuw) mee te delen.
(23)  Stabiele klimaat- en energiestrategieën op lange termijn zijn van cruciaal belang om bij te dragen tot economische transformatie, werkgelegenheid, groei en de verwezenlijking van bredere doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling, en om op billijke en kosteneffectieve wijze te werken aan de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Overeenkomst van Parijs. De partijen bij de Overeenkomst van Parijs worden bovendien verzocht om uiterlijk in 2020 hun strategieën voor de afname van broeikasgasemissies op lange termijn (tegen het midden van deze eeuw) mee te delen.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)  De lidstaten moeten klimaat- en energiestrategieën op lange termijn (voor 2050 en daarna) ontwikkelen waarin wordt aangegeven welke transformaties in de verschillende sectoren nodig zijn om over te schakelen op een hernieuwbare-energiesysteem en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken. De strategieën moeten stroken met het billijke aandeel van de Unie in het resterende mondiale koolstofbudget en moeten op open en transparante wijze en met volledige betrokkenheid van de belanghebbenden worden ontwikkeld. De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen moeten op de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn zijn gebaseerd en daarmee stroken.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 ter (nieuw)
(23 ter)  De sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) is sterk blootgesteld aan en zeer kwetsbaar voor de klimaatverandering. Tegelijkertijd beschikt de sector over een enorm potentieel om voor klimaatvoordelen op de lange termijn te zorgen en een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van de internationale en Unieklimaatdoelstellingen op de lange termijn. Deze sector kan op verschillende manieren tot mitigatie van klimaatverandering bijdragen, met name door emissiereducties te verwezenlijken, putten en koolstofvoorraden in stand te houden en uit te breiden, en door biomaterialen te leveren die fossiele en koolstofintensieve materialen kunnen vervangen. Voor de doeltreffendheid van maatregelen die in het bijzonder gericht zijn op het vergroten van de koolstofvastlegging, is het van essentieel belang dat hulpbronnen duurzaam beheerd worden en dat koolstofreservoirs langdurig stabiel en aanpasbaar zijn. Langetermijnstrategieën zijn essentieel om duurzame investeringen op de lange termijn mogelijk te maken.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 quater (nieuw)
(23 quater)  Bij de ontwikkeling van verdere interconnecties is het belangrijk een volledige beoordeling te maken van de kosten en baten, met inbegrip van alle technische, sociaal-economische en milieueffecten daarvan, zoals vereist door de TEN-E-verordening, en rekening te houden met de positieve externe effecten van interconnecties, zoals de integratie van hernieuwbare energiebronnen, de continuïteit van de energievoorziening en de toegenomen concurrentie op de interne markt.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  De sectorale Uniewetgeving op het gebied van energie en klimaat bevat niet alleen eisen inzake planning, maar ook inzake rapportering; vele daarvan zijn geschikte instrumenten gebleken om veranderingen op nationaal niveau teweeg te brengen, maar zijn op uiteenlopende tijdstippen ingevoerd, wat geleid heeft tot overlappingen en gebrek aan aandacht voor synergieën en interacties tussen beleidsterreinen zoals beperking van broeikasgasemissies, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en marktintegratie. Om een juist evenwicht te vinden tussen enerzijds de noodzaak om te zorgen voor een goede follow-up van de uitvoering van nationale plannen en anderzijds de noodzaak om de administratieve rompslomp te verminderen, moeten de lidstaten tweejaarlijkse voortgangsverslagen opstellen over de uitvoering van de actieplannen en andere ontwikkelingen in het energiesysteem. Sommige verslagen, met name uit hoofde van de rapporteringseisen op klimaatgebied die voortvloeien uit het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de regelgeving van de Unie, moeten echter nog steeds op jaarbasis worden opgesteld.
(24)  De sectorale Uniewetgeving op het gebied van energie en klimaat bevat niet alleen eisen inzake planning, maar ook inzake rapportering; vele daarvan zijn geschikte instrumenten gebleken om veranderingen op nationaal niveau teweeg te brengen in aanvulling op markthervormingen, maar zijn op uiteenlopende tijdstippen ingevoerd, wat geleid heeft tot overlappingen, kosteninefficiëntie en gebrek aan aandacht voor synergieën en interacties tussen beleidsterreinen zoals beperking van broeikasgasemissies, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en marktintegratie. Om een juist evenwicht te vinden tussen enerzijds de noodzaak om te zorgen voor een goede follow-up van de uitvoering van nationale plannen en anderzijds de noodzaak om de administratieve complexiteit te verminderen, moeten de lidstaten tweejaarlijkse voortgangsverslagen opstellen over de uitvoering van de actieplannen en andere ontwikkelingen in het energiesysteem. Sommige verslagen, met name uit hoofde van de rapporteringseisen op klimaatgebied die voortvloeien uit het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de regelgeving van de Unie, moeten echter nog steeds op jaarbasis worden opgesteld.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  De geïntegreerde voortgangsverslagen van de lidstaten moeten een weerspiegeling vormen van de elementen die zijn uiteengezet in het model voor de nationale plannen. Gezien het technische karakter van de geïntegreerde voortgangsverslagen en het feit dat de eerste in 2021 moeten worden ingediend, moet een model voor deze verslagen worden opgesteld. De voortgangsverslagen moeten worden opgesteld om te zorgen voor transparantie ten aanzien van de Unie, andere lidstaten en marktdeelnemers, met inbegrip van de consumenten. Ze moeten betrekking hebben op elk van de vijf dimensies van de energie-unie en, voor de eerste periode, tegelijk ook de nadruk leggen op de gebieden die onder de streefcijfers van het klimaat- en energiekader voor 2030 vallen.
(25)  De geïntegreerde voortgangsverslagen van de lidstaten moeten een weerspiegeling vormen van de elementen die zijn uiteengezet in het model voor de nationale plannen. Gezien het technische karakter van de geïntegreerde voortgangsverslagen en het feit dat de eerste in 2021 moeten worden ingediend, moet een model voor deze verslagen worden opgesteld. De voortgangsverslagen moeten worden opgesteld om te zorgen voor transparantie ten aanzien van de Unie, andere lidstaten, regionale en lokale overheden, marktdeelnemers, eventuele andere relevante belanghebbenden en het grote publiek. Ze moeten betrekking hebben op elk van de vijf dimensies van de energie-unie en, voor de eerste periode, tegelijk ook de nadruk leggen op de gebieden die onder de streefcijfers van het klimaat- en energiekader voor 2030 vallen.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  Uit de ervaring die is opgedaan met de uitvoering van Verordening (EU) nr. 525/2013 is het belang gebleken van transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, volledigheid en vergelijkbaarheid van informatie. Voortbouwend op die ervaring moet deze verordening ervoor zorgen dat de lidstaten verslag uitbrengen over hun beleidslijnen en maatregelen en prognoses, als een essentieel onderdeel van de voortgangsverslagen. De informatie in die verslagen is van essentieel belang om de tijdige naleving van de verbintenissen uit hoofde van Verordening [ ] [ESR] aan te tonen. De toepassing en voortdurende verbetering van systemen op het niveau van de Unie en de lidstaten, gekoppeld aan betere begeleiding bij de rapportering, zou aanzienlijk moeten bijdragen tot een aanhoudende versterking van de informatie die nodig is om de vooruitgang in de dimensie "koolstofarm maken" te volgen.
(28)  Uit de ervaring die is opgedaan met de uitvoering van Verordening (EU) nr. 525/2013 is het belang gebleken van transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, volledigheid en vergelijkbaarheid van informatie. Voortbouwend op die ervaring moet deze verordening ervoor zorgen dat de lidstaten betrouwbare en consistente gegevens en aannames over alle vijf de dimensies gebruiken en de gegevens die bij het opstellen van scenario's en modellen worden gebruikt, openbaar maken en verslag uitbrengen over hun beleidslijnen en maatregelen en prognoses, als een essentieel onderdeel van de voortgangsverslagen. De informatie in die verslagen is van essentieel belang om de tijdige naleving van de verbintenissen uit hoofde van Verordening [ ] [ESR] aan te tonen. De toepassing en voortdurende verbetering van systemen op het niveau van de Unie en de lidstaten, gekoppeld aan betere begeleiding bij de rapportering, zou aanzienlijk moeten bijdragen tot een aanhoudende versterking van de informatie die nodig is om de vooruitgang in de dimensie "koolstofarm maken" te volgen.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  Om de administratieve rompslomp voor de lidstaten en de Commissie te beperken, moet de Commissie een online-rapporteringsplatform opzetten om de communicatie te vergemakkelijken en de samenwerking te bevorderen. Dat zal zorgen voor een tijdige indiening van verslagen en voor meer transparantie over de nationale rapportering. Het elektronisch rapporteringsplatform moet voortbouwen op bestaande rapporteringsprocessen databanken en elektronische hulpmiddelen, deze aanvullen en er profijt van trekken, zoals die van het Europees Milieuagentschap, Eurostat, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en de lessen die zijn getrokken uit het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie.
(30)  Om de beleidsvorming op het gebied van energie en klimaat transparanter te maken en de administratieve complexiteit voor de lidstaten en de Commissie te beperken, moet de Commissie een publiek onlineplatform opzetten om het publiek makkelijker toegang te geven tot informatie en om de communicatie tussen de Commissie en de lidstaten en de samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken. Dat zal zorgen voor een tijdige indiening van verslagen en voor meer transparantie over de nationale rapportering. Het elektronisch rapporteringsplatform moet voortbouwen op bestaande rapporteringsprocessen databanken en elektronische hulpmiddelen, deze aanvullen en er profijt van trekken, zoals die van het Europees Milieuagentschap, Eurostat, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en de lessen die zijn getrokken uit het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  Wat betreft de gegevens die aan de Commissie moeten worden verstrekt via nationale planning en rapportering, mag de informatie van de lidstaten niet dezelfde zijn als de informatie die al in dezelfde vorm beschikbaar is gesteld via Eurostat, in de context van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad27, en nog steeds beschikbaar is bij Eurostat met dezelfde waarden. De gerapporteerde gegevens en prognoses in de nationale energie- en klimaatplannen moeten, voor zover beschikbaar en passend wat de timing ervan betreft, voortbouwen op en samenhangend zijn met de gegevens van Eurostat en de methode die gebruikt wordt voor de rapportering van Europese statistieken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 223/2009.
(31)  Om te voorkomen dat er op EU-niveau te laat wordt opgetreden, moet de Commissie de door het Europees Milieuagentschap verstrekte jaarlijkse ramingen van de broeikasgasemissies, hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie gebruiken om de vooruitgang in de richting van de doelstellingen voor 2030 te beoordelen. Wat betreft de gegevens die aan de Commissie moeten worden verstrekt via nationale planning en rapportering, mag de informatie van de lidstaten niet dezelfde zijn als de informatie die al in dezelfde vorm beschikbaar is gesteld via Eurostat, in de context van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad27, en nog steeds beschikbaar is bij Eurostat met dezelfde waarden. De gerapporteerde gegevens en prognoses in de nationale energie- en klimaatplannen moeten, voor zover beschikbaar en passend wat de timing ervan betreft, voortbouwen op en samenhangend zijn met de gegevens van Eurostat en de methode die gebruikt wordt voor de rapportering van Europese statistieken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 223/2009.
__________________
__________________
27 Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).
27 Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 32
(32)  Het is van cruciaal belang dat de Commissie nationale plannen en de tenuitvoerlegging ervan beoordeelt aan de hand van voortgangsverslagen, teneinde de collectieve doelstellingen van de strategie voor de energie-unie te verwezenlijken. Voor de eerste periode van tien jaar heeft dit met name betrekking op de 2030-streefcijfers voor energie en klimaat op het niveau van de Unie en de nationale bijdragen aan deze streefcijfers. Deze beoordeling dient om de twee jaar te worden uitgevoerd, en alleen indien nodig om het jaar, en dient te worden geconsolideerd in de verslagen van de Commissie over de stand van de energie-unie.
(32)  Het is van cruciaal belang dat de Commissie het ontwerp van nationale plannen en de tenuitvoerlegging van aangemelde nationale plannen beoordeelt aan de hand van voortgangsverslagen, teneinde de collectieve doelstellingen van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie te verwezenlijken, met name het creëren van een volledig functionele en veerkrachtige energie-unie. Dit geldt met name voor de 2030-streefcijfers voor energie en klimaat op het niveau van de Unie voor de eerste periode van tien jaar. Deze beoordeling dient om de twee jaar te worden uitgevoerd, en indien nodig om het jaar, en dient te worden geconsolideerd in de verslagen van de Commissie over de stand van de energie-unie.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  De luchtvaart heeft effecten op het mondiale klimaat door de uitstoot van CO2 en andere emissies, zoals stikstofoxiden, en door mechanismen zoals de bevordering van cirruswolken. In het licht van het snel ontwikkelende wetenschappelijke inzicht in deze effecten, voorziet Verordening (EU) nr. 525/2013 reeds in een geactualiseerde beoordeling van de niet-CO2 gerelateerde effecten van de luchtvaart op het klimaat. De in dit verband gebruikte modellen moeten aan de wetenschappelijke vooruitgang worden aangepast. Op basis van haar evaluatie van deze effecten zou de Commissie ter zake dienende beleidsopties voor het aanpakken van die gevolgen in overweging kunnen nemen.
(33)  De luchtvaart heeft effecten op het mondiale klimaat door de uitstoot van CO2 en andere emissies, zoals stikstofoxiden, en door mechanismen zoals de bevordering van cirruswolken. In het licht van het snel ontwikkelende wetenschappelijke inzicht in deze effecten, voorziet Verordening (EU) nr. 525/2013 reeds in een geactualiseerde beoordeling van de niet-CO2 gerelateerde effecten van de luchtvaart op het klimaat. De in dit verband gebruikte modellen moeten aan de wetenschappelijke vooruitgang worden aangepast. Op basis van haar evaluatie van deze effecten moet de Commissie tegen 1 maart 2020 ter zake dienende beleidsopties voor het aanpakken van die gevolgen in overweging nemen en zo nodig een wetgevingsvoorstel indienen.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 33 bis (nieuw)
(33 bis)  Volgens de bestaande UNFCCC-richtsnoeren inzake broeikasgasrapportage wordt bij de berekening en de rapportage van methaanemissies uitgegaan van aardopwarmingspotentiëlen (GWP) over een periode van 100 jaar. Gezien de hoge GWP-waarde en de relatief korte atmosferische levensduur van methaan, waardoor het op korte en middellange termijn een aanzienlijk effect op het klimaat heeft, moet de Commissie nagaan welke implicaties de vaststelling van een periode van 20 jaar voor methaan zou hebben voor het beleid en de maatregelen. Op basis van haar analyse moet de Commissie geschikte beleidsopties overwegen om de methaanemissies door middel van een Unie-methaanstrategie aan te pakken, waarbij prioriteit moet worden gegeven aan methaanemissies die verband houden met energie en afval.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 34
(34)  Om de samenhang tussen het nationale en EU-beleid en de doelstellingen van de energie-unie te helpen garanderen, moet permanent overleg plaatsvinden tussen de Commissie en de lidstaten. In voorkomend geval moet de Commissie aanbevelingen doen aan de lidstaten, onder meer ook over het ambitieniveau van het ontwerp van de nationale plannen, over de verdere tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen van de aangemelde nationale plannen, en over andere nationale beleidslijnen en maatregelen die van belang zijn voor de tenuitvoerlegging van de energie-unie. De lidstaten dienen zoveel mogelijk rekening te houden met die aanbevelingen en moeten in de daaropvolgende voortgangsverslagen toelichten hoe de aanbevelingen zijn gevolgd.
(34)  Om de samenhang tussen het nationale en Unie-beleid en de doelstellingen van de energie-unie te helpen garanderen, moet permanent overleg plaatsvinden tussen de Commissie en de lidstaten en zo nodig tussen de lidstaten onderling. In voorkomend geval moet de Commissie aanbevelingen doen aan de lidstaten, onder meer ook over het ambitieniveau van het ontwerp van de nationale plannen, over de verdere tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen van de aangemelde nationale plannen, en over andere nationale beleidslijnen en maatregelen die van belang zijn voor de tenuitvoerlegging van de energie-unie. De lidstaten dienen rekening te houden met die aanbevelingen en moeten in de daaropvolgende voortgangsverslagen toelichten hoe de aanbevelingen zijn gevolgd.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 35
(35)  Indien het ambitieniveau van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen of de actualiseringen daarvan niet volstaat om de collectieve doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken en, tijdens de eerste periode, met name de 2030-streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, dan moet de Commissie maatregelen op het niveau van de Unie nemen om te garanderen dat deze doelstellingen en streefcijfers collectief worden bereikt (zij moet dus de ambities bijstellen). Indien de Unie onvoldoende vooruitgang zou boeken om deze doelstellingen en streefcijfers te bereiken, dient de Commissie niet alleen aanbevelingen uit te vaardigen, maar ook maatregelen te nemen op het niveau van de Unie, of moeten de lidstaten aanvullende maatregelen nemen om te garanderen dat die doelstellingen en streefcijfers worden gehaald (het gebrek aan tastbare resultaten moet dus worden weggewerkt). Bij het verdelen van de inspanningen die moeten worden geleverd om de collectieve streefcijfers te bereiken, moet rekening worden gehouden met vroegtijdige ambitieuze bijdragen van lidstaten aan de 2030-streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Op het gebied van hernieuwbare energie kunnen dergelijke maatregelen ook betrekking hebben op financiële bijdragen van lidstaten aan een financieringsplatform dat wordt beheerd door de Commissie en dat zal worden gebruikt om bij te dragen tot projecten op het gebied van hernieuwbare energie in de gehele Unie. De nationale streefcijfers van lidstaten voor hernieuwbare energie voor 2020, moeten dienst doen als referentieaandeel hernieuwbare energie vanaf 2021. Op het gebied van energie-efficiëntie kunnen aanvullende maatregelen met name tot doel hebben de energie-efficiëntie van producten, gebouwen en vervoer te verbeteren.
(35)  Indien de in de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen beschreven ambitie, streefcijfers, beleidslijnen en maatregelen niet volstaan om de collectieve doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken en, tijdens de eerste periode, met name de 2030-streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, dan moet de Commissie maatregelen op het niveau van de Unie nemen om te garanderen dat deze doelstellingen en streefcijfers collectief worden bereikt en moeten de lidstaten hun nationale doelstellingen inzake hernieuwbare energiebronnen uiterlijk op 31 december 2020 naar boven bijstellen (en dus de ambities bijstellen). Indien de Unie onvoldoende vooruitgang zou boeken om deze doelstellingen en streefcijfers te bereiken, kan de Commissie, naast het uitvaardigen van aanbevelingen, ook maatregelen op het niveau van de Unie nemen of aanvullende maatregelen van de lidstaten vragen om te garanderen dat de doelstellingen en streefcijfers worden gehaald (het gebrek aan tastbare resultaten moet dus worden weggewerkt). Bij het verdelen van de inspanningen die moeten worden geleverd om de collectieve streefcijfers te bereiken, moet rekening worden gehouden met vroegtijdige ambitieuze inspanningen van lidstaten aan de 2030-streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Op het gebied van hernieuwbare energie kunnen dergelijke maatregelen ook betrekking hebben op vrijwillige financiële bijdragen van lidstaten aan een financieringsplatform dat wordt beheerd door de Commissie en dat zal worden gebruikt om bij te dragen tot projecten op het gebied van hernieuwbare energie in de gehele Unie, waaronder projecten die van belang zijn voor de energie-unie. De nationale streefcijfers van lidstaten voor hernieuwbare energie voor 2020 moeten dienst doen als referentieaandeel hernieuwbare energie vanaf 2021 en moeten gedurende de hele periode worden gehandhaafd. Op het gebied van energie-efficiëntie kunnen aanvullende maatregelen met name tot doel hebben de energie-efficiëntie van producten, gebouwen en vervoer te verbeteren.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  De lidstaten en de Commissie moeten nauw samenwerken op alle gebieden die betrekking hebben op de uitvoering van de energie-unie en de onderhavige verordening; ook het Europees Parlement moet hier van nabij bij betrokken worden. Waar nodig moet de Commissie de lidstaten bijstaan bij de tenuitvoerlegging van deze verordening, met name met de opstelling van de nationale plannen en bijbehorende capaciteitsopbouw.
(38)  De lidstaten en de Commissie moeten nauw samenwerken op alle gebieden die betrekking hebben op de uitvoering van de energie-unie en de onderhavige verordening; ook het Europees Parlement moet hier van nabij bij betrokken worden. De Commissie moet de lidstaten bijstaan bij de tenuitvoerlegging van deze verordening, met name met de opstelling, uitvoering en monitoring van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn en de bijbehorende capaciteitsopbouw door het inzetten van interne middelen van het Europees Milieuagentschap, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, interne modelleringscapaciteiten en, waar nodig, externe expertise.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Overweging 41 bis (nieuw)
(41 bis)  Deze verordening bevat bepalingen om energie-efficiëntie te behandelen als een infrastructuurprioriteit, vanuit het inzicht dat energie-efficiëntie aan de door het IMF en andere economische instellingen gebruikte definitie van infrastructuur voldoet, en hiervan een centraal aspect en een prioritaire overweging te maken bij de toekomstige besluitvorming over investeringen in de energie-infrastructuur van de Unie1 bis.
__________________
1 bis Verslag van het Europees Parlement van 2 juni 2016 inzake de uitvoering van de energie-efficiëntierichtlijn (2012/27/EU) (2015/2232(INI)).
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Overweging 43
(43)  De Commissie moet in haar taken in het kader van deze verordening worden bijgestaan door een Comité van de energie-unie, om uitvoeringshandelingen op te stellen. Dit comité vervangt het Comité klimaatverandering en, indien passend, andere comités en neemt hun taken over.
(43)  De Commissie moet in haar taken in het kader van deze verordening worden bijgestaan door een Comité energie en klimaat, om uitvoeringshandelingen op te stellen. Wat aangelegenheden in verband met de tenuitvoerlegging van klimaatspecifieke bepalingen betreft, moet de Commissie worden bijgestaan door het bij Verordening (EU) nr. 525/2013 ingestelde Comité klimaatverandering.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Overweging 44 bis (nieuw)
(44 bis)  Ter voorbereiding van een toekomstige herziening van deze verordening en in het kader van de Uniestrategie inzake cyberveiligheid moet de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten beoordelen of het noodzakelijk zou kunnen zijn om aanvullende uniforme plannings- en rapporteringseisen toe te voegen betreffende de inspanningen van de lidstaten om kritieke infrastructuur van het energiesysteem van de Unie beter te beschermen tegen elke vorm van cyberdreigingen, met name omdat het aantal potentieel kritieke cyberaanvallen de afgelopen tien jaar is toegenomen, teneinde de energiezekerheid in alle omstandigheden te garanderen. Zo'n betere coördinatie binnen de Unie mag echter geen afbreuk doen aan de nationale veiligheidsbelangen van de lidstaten door gevoelige informatie te onthullen.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
Onderwerp en toepassingsgebied
1.  Bij deze verordening wordt een governancemechanisme opgezet om:
1.  Bij deze verordening wordt een governancemechanisme opgezet om:
(-a)  uitvoering te geven aan klimaat- en energiestrategieën en -maatregelen op lange termijn die ontworpen zijn om de verbintenissen van de Unie inzake broeikasgasemissies na te komen in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs;
(a)  uitvoering te geven aan strategieën en maatregelen die ontworpen zijn om de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie te bereiken, en voor de eerste tienjarige periode van 2021 tot en met 2030 met name de 2030-streefcijfers voor energie en klimaat van de Unie;
(a)  uitvoering te geven aan strategieën en maatregelen die ontworpen zijn om de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie te bereiken, en voor de eerste tienjarige periode van 2021 tot en met 2030 met name de 2030-streefcijfers voor energie en klimaat van de Unie;
(a bis)  partnerschappen en samenwerking op macroregionaal en regionaal niveau tussen de lidstaten op te zetten die ontworpen zijn om de streefcijfers, doelstellingen en verbintenissen van de energie-unie te verwezenlijken;
(b)  de tijdige uitvoering, transparantie, nauwkeurigheid, samenhang, vergelijkbaarheid en volledigheid van de rapportering door de Unie en haar lidstaten aan het secretariaat van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs te waarborgen.
(b)  de tijdige uitvoering, transparantie, nauwkeurigheid, samenhang, vergelijkbaarheid en volledigheid van de rapportering door de Unie en haar lidstaten aan het secretariaat van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs te waarborgen;
(b bis)  bij te dragen tot meer regelgevingszekerheid en meer zekerheid voor investeerders en te helpen ten volle te gebruik te maken van de mogelijkheden voor economische ontwikkeling, stimulering van investeringen, banencreatie en sociale samenhang;
(b quater)  een rechtvaardige transitie te steunen voor burgers en regio's die negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de overgang naar een koolstofarme economie.
Het governancemechanisme wordt gebaseerd op geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die betrekking hebben op perioden van tien jaar, beginnende met de periode van 2021 tot en met 2030, op de bijbehorende geïntegreerde nationale voortgangsverslagen van de lidstaten over energie en klimaat, en op geïntegreerde regelingen voor monitoring door de Europese Commissie. Het betreft een gestructureerd, iteratief proces tussen de Commissie en de lidstaten met het oog op de voltooiing van de nationale plannen en de uitvoering ervan, ook met betrekking tot regionale samenwerking, en de desbetreffende maatregelen van de Commissie.
Het governancemechanisme wordt gebaseerd op geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die betrekking hebben op perioden van tien jaar, beginnende met de periode van 2021 tot en met 2030, op de bijbehorende geïntegreerde nationale voortgangsverslagen van de lidstaten over energie en klimaat, en op geïntegreerde regelingen voor monitoring door de Europese Commissie. Het betreft een gestructureerd, transparant, iteratief proces tussen de Commissie en de lidstaten, dat volledige participatie van het grote publiek en lokale overheden waarborgt, met het oog op de voltooiing van de nationale plannen en de uitvoering ervan, ook met betrekking tot macroregionale en regionale samenwerking, en de desbetreffende maatregelen van de Commissie.
2.  Deze verordening is van toepassing op de volgende vijf dimensies van de energie-unie:
2.  Deze verordening is van toepassing op de volgende vijf dimensies van de energie-unie:
(a)  de continuïteit van de energievoorziening,
(a)  de continuïteit van de energievoorziening,
(b)  de energiemarkt,
(b)  de interne energiemarkt,
(c)  energie-efficiëntie,
(c)  energie-efficiëntie,
(d)  koolstofarm maken en
(d)  koolstofarm maken en
(e)  onderzoek, innovatie en concurrentievermogen.
(e)  onderzoek, innovatie en concurrentievermogen.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG, zoals voorgesteld bij COM(2016)0767], Richtlijn 2010/31/EU en Richtlijn 2012/27/EU.
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG, zoals voorgesteld bij COM(2016)0767], [herschikking van Richtlijn 2009/72/EG, zoals voorgesteld bij COM(2016)XXXX], Richtlijn 2010/31/EU en Richtlijn 2012/27/EU.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 2 – punt 3
(3)  "vastgestelde beleidslijnen en maatregelen": beleidslijnen en maatregelen waarvoor van overheidswege een officieel besluit is genomen op de datum van indiening van het nationale plan of het voortgangsverslag, en waarvoor er een duidelijke wil aanwezig is om tot implementatie over te gaan;
(3)  "vastgestelde beleidslijnen en maatregelen": beleidslijnen en maatregelen waarvoor door de centrale of subnationale overheid een officieel besluit is genomen op de datum van indiening van het nationale plan of het voortgangsverslag, en waarvoor er een duidelijke wil aanwezig is om tot implementatie over te gaan;
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 2 – punt 9
(9)  "de 2030-streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie": het Uniebrede bindende streefcijfer om de broeikasgasemissies in de hele economie van de Unie uiterlijk in 2030 met minstens 40 % te doen dalen in vergelijking met 1990, het Uniebrede bindende streefcijfer om in 2030 minstens 27 % hernieuwbare energie te verbruiken in de Unie, het Uniebrede bindende streefcijfer om de energie-efficiëntie in 2030 met minstens 27 % te verbeteren, dat uiterlijk in 2020 opnieuw moet worden geëvalueerd, waarbij een EU-streefcijfer van 30% voor ogen moet worden gehouden, en het streefcijfer om in 2030 een elektriciteitsinterconnectie van minstens 15 % te bereiken, en alle verdere streefcijfers in dit verband die door de Europese Raad of de Raad en het Europees Parlement voor het jaar 2030 worden overeengekomen.
Schrappen
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 2 – punt 11 bis (nieuw)
(11 bis)  "vroege inspanningen": vroege vooruitgang die een lidstaat vanaf 2021 heeft geboekt in de richting van zijn bindende streefcijfer voor hernieuwbare energie, zoals bedoeld in artikel 3 van [herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie] en zijn streefcijfer voor de verbetering van de energie-efficiëntie, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU;
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 2 – punt 17 bis (nieuw)
(17 bis)  "energie-efficiëntie eerst": dat bij alle beslissingen over energieplanning, ‑beleid en ‑investeringen prioriteit wordt gegeven aan maatregelen om de vraag naar energie en de energievoorziening efficiënter te maken door middel van kostenoptimale besparingen op het eindgebruik van energie, vraagresponsinitiatieven en efficiëntere omzetting, transmissie en distributie van energie;
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 3
Artikel 3
Artikel 3
Geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen
Geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen
1.  Uiterlijk op 1 januari 2019 en vervolgens om de tien jaar dient elke lidstaat een geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan in bij de Commissie. De plannen bevatten de elementen die zijn vermeld in lid 2 en bijlage I. Het eerste plan heeft betrekking op de periode van 2021 tot en met 2030. De daaropvolgende plannen hebben betrekking op de tienjarige periode die onmiddellijk volgt op het einde van de door het vorige plan bestreken periode.
1.  Uiterlijk op 1 januari 2019 en vervolgens om de tien jaar dient elke lidstaat een geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan in bij de Commissie. De plannen bevatten de elementen die zijn vermeld in lid 2 en bijlage I. Het eerste plan heeft betrekking op de periode van 2021 tot en met 2030. De daaropvolgende plannen hebben betrekking op de tienjarige periode die onmiddellijk volgt op het einde van de door het vorige plan bestreken periode.
2.  De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen bestaan uit de volgende delen:
2.  De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen bestaan uit de volgende delen:
(a)  een overzicht van de procedure voor de vaststelling van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, bestaande uit een samenvatting, een beschrijving van de raadpleging en betrokkenheid van belanghebbenden en de resultaten daarvan, en de regionale samenwerking met andere lidstaten bij de voorbereiding van het plan;
(a)  een overzicht van de procedure voor de vaststelling van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, bestaande uit:
(1)   een samenvatting;
(2)   een beschrijving van de raadpleging en betrokkenheid van lokale overheden, het maatschappelijk middenveld, het bedrijfsleven, de sociale partners en de burgers en de resultaten daarvan;
(3)  een beschrijving van de macroregionale en regionale samenwerking met andere lidstaten bij de voorbereiding van het plan;
(b)  een beschrijving van de nationale doelstellingen, streefcijfers en bijdragen voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie
(b)  een beschrijving van de nationale doelstellingen en streefcijfers voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie;
(c)  een beschrijving van de beleidslijnen en maatregelen die voorzien zijn om de onder (b) bedoelde doelstellingen, streefcijfers en bijdragen te bereiken;
(c)  een beschrijving van de geplande beleidslijnen, maatregelen en investeringsstrategieën die voorzien zijn om de onder (b) bedoelde doelstellingen en streefcijfers te bereiken;
(d)  een beschrijving van de bestaande situatie op het gebied van de vijf dimensies van de energie-unie, ook met betrekking tot het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen, alsmede prognoses met betrekking tot de onder (b) bedoelde doelstellingen, met reeds bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen;
(d)  een beschrijving van de bestaande situatie op het gebied van de vijf dimensies van de energie-unie, ook met betrekking tot het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen, prognoses met betrekking tot de onder b) bedoelde doelstellingen en streefcijfers, met reeds bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen, en een beschrijving van de regelgevende en niet-regelgevende barrières en hinderpalen voor de verwezenlijking van de streefcijfers en doelstellingen;
(e)  een beoordeling van de effecten van de geplande beleidslijnen en maatregelen om de onder (b) bedoelde doelstellingen te verwezenlijken;
(e)  een beoordeling van de effecten van de afzonderlijke en gecombineerde geplande beleidslijnen en maatregelen om de in de artikelen 1, 4, 13 bis en 14 bedoelde streefcijfers en doelstellingen te verwezenlijken op het milieu, met inbegrip van de luchtkwaliteit en natuurbescherming, op de volksgezondheid, op macro-economisch vlak en op sociaal gebied;
(e bis)   een beoordeling van de effecten van de geplande beleidslijnen en maatregelen op het concurrentievermogen in verband met de vijf dimensies van de energie-unie;
(e ter)  een beoordeling van de potentiële effecten van de klimaatverandering in de lidstaat, waaronder de directe en indirecte effecten, en de weerbaarheidsstrategieën om met de klimaateffecten om te gaan, zoals nationale aanpassingsplannen;
(e quater)  na de ontwikkeling van een investeringsstrategie, een raming van de publieke en particuliere investeringen die nodig zijn voor de uitvoering van de geplande beleidslijnen en maatregelen;
(f)  een bijlage, opgesteld overeenkomstig de in bijlage II bij deze verordening vastgestelde eisen en structuur, waarin is uiteengezet welke methode en beleidsmaatregelen de lidstaat toepast om de overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761] en bijlage V vastgestelde energiebesparingen te verwezenlijken.
(f)  een bijlage, opgesteld overeenkomstig de in bijlage II bij deze verordening vastgestelde eisen en structuur, waarin is uiteengezet welke methode en beleidsmaatregelen de lidstaat toepast om de overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761] en bijlage V vastgestelde energiebesparingen te verwezenlijken.
3.  Bij de opstelling van de in lid 1 bedoelde nationale plannen houden de lidstaten rekening met de onderlinge verbanden tussen de vijf dimensies van de energie-unie en maken zij gebruik van samenhangende gegevens en veronderstellingen in de vijf dimensies, voor zover relevant.
3.  Bij het organiseren van de in lid 1 bedoelde concurrerende inschrijvingsprocedure gaan de lidstaten als volgt te werk:
(a)  zij beperken de administratieve complexiteit en de kosten voor alle relevante belanghebbenden;
(b)   zij houden rekening met de onderlinge verbanden tussen de vijf dimensies van de energie-unie, in het bijzonder het beginsel "energie-efficiëntie eerst";
(c)   zij gebruiken geloofwaardige en samenhangende gegevens en veronderstellingen in de vijf dimensies, voor zover relevant, en maken de voor modelberekeningen gebruikte gegevens openbaar;
(d)  zij zorgen voor consistentie met de in artikel 1 bedoelde doelstellingen en met de nationale klimaat- en energiestrategieën op lange termijn als bedoeld in artikel 14;
(e)  zij gaan na hoeveel huishoudens met energiearmoede kampen, rekening houdend met de huishoudelijke energiediensten die nodig zijn om in de relevante nationale context een basislevensstandaard te garanderen, en schetsen de bestaande en geplande beleidsmaatregelen en maatregelen ter bestrijding van energiearmoede, met inbegrip van sociale beleidsmaatregelen en andere relevante nationale programma's.
Indien uit de beoordeling op basis van verifieerbare gegevens, waarbij geografische verspreidingsindicatoren worden gebruikt, blijkt dat een lidstaat een aanzienlijk aantal huishoudens in energiearmoede heeft, neemt hij in zijn plan een nationale indicatieve doelstelling op om de energiearmoede te verminderen;
(f)  zij nemen bepalingen op om eventuele negatieve milieueffecten die bij de geïntegreerde rapportering overeenkomstig de artikelen 15 tot en met 22 aan het licht komen, te voorkomen, te beperken of, indien het een project van algemeen belang betreft en er geen alternatieven voorhanden zijn, te compenseren;
(g)  zij houden rekening met de meest recente landspecifieke aanbevelingen die in het kader van het Europees semester zijn gedaan.
3 bis.  Na hun eerste geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen zorgen de lidstaten ervoor dat in elk van hun volgende plannen die overeenkomstig lid 1 bij de Commissie worden ingediend, hun nationale streefcijfers en doelstellingen als bedoeld in artikel 4 worden gewijzigd om blijk te geven van een grotere ambitie dan die welke in hun voorgaande geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan aan de dag is gelegd.
3 ter.  De lidstaten maken de plannen die zij krachtens dit artikel bij de Commissie indienen, openbaar.
4.  De Commissie is gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 36 om bijlage I te wijzigen teneinde ze aan te passen aan de wijzigingen van het beleidskader voor energie en klimaat van de Unie, marktontwikkelingen en nieuwe eisen uit hoofde van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs.
4.  De Commissie is gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 36 om bijlage I te wijzigen teneinde ze aan te passen aan de wijzigingen van het beleidskader voor energie en klimaat van de Unie, marktontwikkelingen en nieuwe eisen uit hoofde van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – titel
Nationale doelstellingen, streefcijfers en bijdragen voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie
Streefcijfers en doelstellingen voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1
In hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan stellen de lidstaten de volgende in deel A.2 van bijlage I gespecificeerde hoofddoelstellingen, streefcijfers en bijdragen vast:
In hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan stellen de lidstaten de volgende in deel A.2 van bijlage I gespecificeerde hoofddoelstellingen en streefcijfers vast:
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 1 – punt ii bis (nieuw)
ii bis.  de trajecten die de lidstaat van plan is te volgen om de verwijderingen per put te handhaven en te verbeteren overeenkomstig de in artikel 14 bedoelde klimaat- en energiestrategieën op lange termijn;
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 1 – punt iii
iii.  andere nationale doelstellingen en streefcijfers die samenhangend zijn met de bestaande langetermijnstrategieën voor de vermindering van emissies, voor zover van toepassing;
iii.  andere nationale doelstellingen en streefcijfers die samenhangend zijn met de Overeenkomst van Parijs en de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn;
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt i
i.  teneinde het bindende streefcijfer van de Unie van minstens 27 % hernieuwbare energie in 2030 te bereiken, zoals vermeld in artikel 3 van [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG, zoals voorgesteld in COM(2016)0767], een bijdrage tot dit streefcijfer in termen van het aandeel hernieuwbare energie van de lidstaat in het bruto-eindverbruik van energie in 2030, met een lineair traject voor die bijdrage vanaf 2021;
i.  teneinde het bindende streefcijfer van de Unie van minstens 35 % hernieuwbare energie in 2030 te bereiken, zoals vermeld in artikel 3 van [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG, zoals voorgesteld in COM(2016)0767], een bijdrage tot dit streefcijfer;
Amendement 291
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt i bis (nieuw)
i bis.   het nationale streefcijfer voor energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindenergieverbruik van de lidstaat in 2030 als vastgesteld overeenkomstig artikel 3 en bijlage I bis bij Richtlijn (EU) .../... [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG zoals voorgesteld bij COM(2016)0767], met een progressief traject dat zorgt voor een regelmatige uitrol van hernieuwbare energie vanaf 2021 als vermeld in bijlage I bis bij deze verordening;
Amendement 292
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt i ter (nieuw)
i ter.   het in punt i bis bedoelde traject:
(i)  begint bij het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in 2020 als vermeld in de derde kolom van de tabel in deel A van bijlage I bij Richtlijn (EU) .../... [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG zoals voorgesteld bij COM(2016)0767]. Als een lidstaat zijn bindende nationale streefcijfer voor 2020 overtreft, mag zijn traject beginnen op het niveau dat in 2020 is bereikt;
(ii)  bestaat uit minstens drie referentiepunten, berekend als een gemiddelde van de twee of drie voorgaande jaren als vermeld in bijlage I bis;
(iii)  bereikt ten minste zijn nationaal streefcijfer voor 2030;
AAmendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt i quater (nieuw)
i quater.  de in de punten i bis en i ter bedoelde trajecten van de lidstaat dragen samen bij tot het bindende lineaire traject van de Unie en bereiken in 2030 het bindende streefcijfer van de Unie van ten minste 35 % energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie;
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt i quinquies (nieuw)
i quinquies.  de trajecten van de lidstaat voor het totale aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie vanaf 2031 stroken met de energie- en klimaatstrategieën op lange termijn.
Amendementen 69 en 287
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt ii
ii.  trajecten voor het sectorale aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie van 2021 tot en met 2030 in de sectoren verwarming en koeling, elektriciteit en vervoer;
ii.  de indicatieve trajecten van de lidstaat voor het sectorale aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie van 2021 tot en met 2030 in de sectoren verwarming en koeling, elektriciteit en vervoer;
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt iii
iii.  trajecten voor elke technologie voor hernieuwbare energie die de lidstaat van plan is te gebruiken om de algemene en sectorale trajecten voor hernieuwbare energie van 2021 tot en met 2030 te verwezenlijken, met inbegrip van het verwachte totale bruto-eindverbruik van energie per technologie en sector in Mtoe en de geplande totale geïnstalleerde capaciteit per technologie en sector in MW;
iii.  indicatieve trajecten voor elke technologie voor hernieuwbare energie die de lidstaat van plan is te gebruiken om de algemene en sectorale trajecten voor hernieuwbare energie van 2021 tot en met 2030 te verwezenlijken, met inbegrip van het verwachte totale bruto-eindverbruik van energie per technologie en sector in Mtoe en de geplande totale geïnstalleerde capaciteit per technologie en sector, met inbegrip van capaciteitsverhoging, in MW;
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt iii bis (nieuw)
iii bis.  het aandeel van en de doelstellingen en trajecten voor hernieuwbare energie die in de lidstaat van 2021 tot en met 2030 wordt geproduceerd door steden, hernieuwbare-energiegemeenschappen en prosumenten, met inbegrip van het verwachte bruto-eindverbruik van energie in Mtoe.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 1
(1)  de indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdrage tot het bereiken van het bindende energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie van 30 % in 2030, zoals vermeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU [als gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761], op basis van het primair energieverbruik of eindenergieverbruik, de besparing van primaire energie of eindenergie, of energie-intensiteit.
(1)  het bindende indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfer voor het bereiken van het bindende energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie van 40 % in 2030, zoals vermeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU [als gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761], op basis van het primair energieverbruik of eindenergieverbruik, de besparing van primaire energie of eindenergie, of energie-intensiteit, met een lineair traject voor dat streefcijfer vanaf 2021.
De lidstaten drukken hun bijdrage uit in termen van een absoluut niveau van primair energieverbruik en eindenergieverbruik in 2020 en 2030, met een lineair traject voor die bijdrage vanaf 2021. Zij lichten hun onderliggende methodologie en de omrekeningsfactoren toe;
De lidstaten drukken hun energie-efficiëntiestreefcijfers uit in termen van een absoluut niveau van primair energieverbruik en eindenergieverbruik in 2020 en 2030. Zij lichten hun onderliggende methodologie en de omrekeningsfactoren toe overeenkomstig de bijlagen IV en V bij [de versie als gewijzigd overeenkomstig voorstel COM(2016)0761];
Het traject als bedoeld in de eerste alinea bestaat uit tweejaarlijkse tussentijdse streefcijfers, te beginnen in 2022 en vervolgens om de twee jaar;
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 2
(2)  het cumulatieve bedrag aan energiebesparingen dat in de periode 2021-2030 moet worden bereikt volgens artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761];
(2)  het cumulatieve bedrag aan extra energiebesparingen dat in de periode 2021-2030 en daarna moet worden bereikt volgens artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761];
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 3
(3)  de doelstellingen voor de renovatie op lange termijn van het nationale bestand van woningen en bedrijfsgebouwen (zowel publieke als particuliere);
(3)  op basis van een analyse van het bestaande gebouwenbestand, de mijlpalen voor 2030 en 2040 voor de langetermijnstrategieën voor de renovatie van het nationale bestand van al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen, zowel openbare als particuliere, om de vooruitgang in de richting van de doelstelling voor 2050 overeenkomstig artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0765] te meten;
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 3 bis (nieuw)
(3 bis)  de geplande beleidslijnen en maatregelen en de geboekte vooruitgang bij het omvormen van het nationale gebouwenbestand tot een zeer energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand, met een empirisch onderbouwde raming van de verwachte energiebesparingen en voordelen in ruimere zin die van 2020 tot en met 2030 moet worden bereikt;
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 4
(4)  de totale vloeroppervlakte die moet worden gerenoveerd of het equivalent aan jaarlijkse energiebesparingen dat van 2020 tot en met 2030 moet worden bereikt overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2012/27/EU, dat betrekking heeft op de voorbeeldfunctie van de centrale overheid bij de renovatie van haar gebouwen;
(4)  de totale vloeroppervlakte die moet worden gerenoveerd en de overeenkomstige energiebesparingen die door de renovatie moeten worden gerealiseerd of het equivalent aan uit de alternatieve benadering voortvloeiende jaarlijkse energiebesparingen die van 2020 tot en met 2030 moeten worden bereikt overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761];
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 4 bis (nieuw)
(4 bis)  het vastgestelde potentieel voor energiebesparingen bij verwarming en koeling, met inbegrip van de uitkomst van een uitgebreide beoordeling van het potentieel voor de toepassing van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming en ‑koeling;
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 5
(5)  andere nationale doelstellingen inzake energie-efficiëntie, met inbegrip van langetermijnstreefcijfers of -strategieën en sectorale streefcijfers op terreinen als vervoer, verwarming en koeling;
(5)  andere nationale doelstellingen inzake energie-efficiëntie, met inbegrip van langetermijnstreefcijfers of -strategieën en sectorale streefcijfers op terreinen als vervoer, de maakindustrie en water en afvalwater, of beleid om sectoren te koppelen, alsook efficiëntie in andere sectoren met een hoog energie-efficiëntiepotentieel in de gehele energieketen, van primaire energie tot eindverbruikers, of bijvoorbeeld datacentra;
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter c – punt 1
(1)  nationale doelstellingen met betrekking tot het vergroten van de diversificatie van energiebronnen en met betrekking tot leveranciers uit derde landen;
(1)  nationale doelstellingen met betrekking tot het vergroten van de diversificatie van energiebronnen en met betrekking tot leveranciers uit derde landen met het oog op het vergroten van de veerkracht van de macroregionale, regionale en nationale energiesystemen;
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter c – punt 2
(2)  nationale doelstellingen om de afhankelijkheid van de invoer van energie uit derde landen te verminderen;
(2)  nationale doelstellingen om de afhankelijkheid van de invoer van energie uit derde landen te verminderen met het oog op het vergroten van de veerkracht van de macroregionale, regionale en nationale energiesystemen;
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter c – punt 4
(4)  nationale doelstellingen met betrekking tot de inzet van binnenlandse energiebronnen (met name hernieuwbare energie);
(4)  nationale doelstellingen met betrekking tot het vergroten van de flexibiliteit van het nationale energiesysteem, met name door de inzet van energie-efficiëntiemaatregelen, binnenlandse en regionale hernieuwbare energiebronnen, vraagrespons en opslag;
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d – punt 1
(1)  het niveau van interconnectiviteit op elektriciteitsgebied waar de lidstaat naar streeft in 2030, met inachtneming van het interconnectiestreefcijfer voor elektriciteit van ten minste 15 % in 2030. De lidstaten lichten de gebruikte onderliggende methodologie toe;
(1)  het niveau van interconnectiviteit op elektriciteitsgebied waar de lidstaat naar streeft in 2030, met inachtneming van het indicatieve interconnectiestreefcijfer voor elektriciteit van ten minste 15% in 2030, rekening houdend met het interconnectiestreefcijfer van 10 % in 2020, de nationale en regionale marktomstandigheden en het nationale en regionale potentieel, alle aspecten van kosten-batenanalyses, de daadwerkelijke mate van uitvoering van projecten van gemeenschappelijk belang, en maatregelen om de verhandelbare capaciteit van bestaande interconnecties te verhogen. De lidstaten lichten de gebruikte onderliggende methodologie toe, rekening houdend met de door de Commissie voorgestelde methodologie;
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d – punt 2
(2)  de belangrijkste nationale doelstellingen voor elektriciteits- en gastransmissie-infrastructuur die nodig zijn voor het behalen van de doelstellingen en streefcijfers in om het even welke van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie;
(2)  de belangrijkste nationale doelstellingen voor elektriciteits- en gastransmissie- en distributie-infrastructuur en de modernisering daarvan die nodig zijn voor het behalen van de doelstellingen en streefcijfers in om het even welke van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie. Voor elk gepland groot infrastructuurproject, een voorafgaande beoordeling van de verenigbaarheid daarvan met en de bijdrage daarvan aan de vijf dimensies van de energie-unie, met name wat de continuïteit van de energievoorziening en mededinging betreft;
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d – punt 3
(3)  nationale doelstellingen met betrekking tot andere aspecten van de interne energiemarkt, zoals marktintegratie en koppeling, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
(3)  nationale doelstellingen met betrekking tot andere aspecten van de interne energiemarkt, zoals het vergroten van de flexibiliteit van het systeem, met name door het verwijderen van belemmeringen voor vrije prijsvorming, door marktintegratie en koppeling, slimme netten, aggregatie, vraagrespons, opslag, gedistribueerde opwekking, mechanismen voor dispatching, redispatching en beperking, en realtime prijssignalen, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d – punt 3 bis (nieuw)
(3 bis)  nationale doelstellingen met betrekking tot de niet-discriminerende participatie van hernieuwbare energie, vraagrespons en opslag, onder meer via aggregatie, in alle energiemarkten, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d – punt 3 ter (nieuw)
(3 ter)  nationale doelstellingen om ervoor te zorgen dat consumenten participeren in het energiesysteem en profijt trekken van zelfopwekking en nieuwe technologieën, waaronder slimme meters;
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d – punt 4
(4)  nationale doelstellingen met betrekking tot het waarborgen van de toereikendheid van het elektriciteitssysteem en de flexibiliteit van het energiesysteem met betrekking tot de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
(4)  nationale doelstellingen met betrekking tot het waarborgen van de toereikendheid van het elektriciteitssysteem, die ervoor zorgen dat er geen capaciteitsmechanismen worden toegepast of, wanneer dat wel gebeurt met het oog op de continuïteit van de energievoorziening, dat deze zo beperkt mogelijk blijven, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter e – punt 1
(1)  nationale doelstellingen en financieringsstreefcijfers voor openbaar en particulier onderzoek en innovatie op het gebied van de energie-unie; indien van toepassing, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt. Deze streefcijfers en doelstellingen moeten stroken met die in de strategie voor de energie-unie en het SET-plan;
(1)  nationale doelstellingen en financieringsstreefcijfers voor openbare steun voor onderzoek en innovatie op het gebied van de energie-unie en het verwachte hefboomeffect daarvan op particulier onderzoek; indien van toepassing, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt. Deze streefcijfers en doelstellingen moeten stroken met die in de strategie voor de energie-unie en het SET-plan;
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter e – punt 2
(2)  nationale doelstellingen voor 2050 voor de invoering van koolstofarme technologieën;
(2)  nationale doelstellingen voor 2050 met betrekking tot de bevordering van duurzame technologieën;
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter e – punt 3
(3)  nationale doelstellingen met betrekking tot het concurrentievermogen.
Schrappen
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – titel
Het proces van de lidstaten om bijdragen op het gebied hernieuwbare energie vast te stellen
Het proces van de lidstaten om streefcijfers op het gebied hernieuwbare energie vast te stellen
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  Bij het vaststellen van hun bijdrage voor het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto eindverbruik van energie in 2030 en het laatste jaar van de verslagperiode voor de latere nationale plannen, overeenkomstig artikel 4, onder (a), punt (2), onder i, houden de lidstaten rekening met het volgende:
1.  Bij het vaststellen van hun streefcijfer voor het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto eindverbruik van energie in 2030 en het laatste jaar van de verslagperiode voor de latere nationale plannen, overeenkomstig artikel 4, onder (a), punt (2), onder i, houden de lidstaten rekening met het volgende:
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1 – letter d – punt i
(i)  billijke verdeling van de uitrol in de gehele Europese Unie;
(i)  billijke en kosteneffectieve verdeling van de uitrol in de gehele Europese Unie;
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1 – letter d bis (nieuw)
(d bis)  het basisaandeel energie uit hernieuwbare bronnen in hun bruto-eindverbruik van energie, als vermeld in artikel 3, lid 3, van Richtlijn (EU) .../... [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG];
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  De lidstaten zorgen er samen voor dat de som van hun bijdragen ertoe leidt dat in 2030 minstens 27 % van de geproduceerde energie in het bruto-eindverbruik van energie afkomstig is uit hernieuwbare bronnen.
2.  De lidstaten zorgen er samen voor dat de som van hun streefcijfers leidt tot een lineair traject dat ervoor zorgt dat in 2030 minstens 35 % van het bruto-eindverbruik van energie afkomstig is uit hernieuwbare energiebronnen.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – titel
Het proces van de lidstaten om bijdragen op het gebied energie-efficiëntie vast te stellen
Het proces van de lidstaten om bindende streefcijfers op het gebied energie-efficiëntie vast te stellen
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – inleidende formule
1.  Bij de vaststelling van hun indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdrage voor 2030 en het laatste jaar van de verslagperiode voor de latere nationale plannen in de zin van artikel 4, onder (b), punt (1), zorgen de lidstaten ervoor dat:
1.  Bij de vaststelling van hun bindende nationale energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2030 en het laatste jaar van de verslagperiode voor de latere nationale plannen in de zin van artikel 4, onder (b), punt (1), zorgen de lidstaten ervoor dat:
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – letter a
(a)  het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer bedraagt dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie, en het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer bedraagt dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie aan het einde van de eerste periode van 10 jaar;
(a)  het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer bedraagt dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie, en het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer bedraagt dan 1 132 Mtoe primaire energie en niet meer dan 849 Mtoe eindenergie aan het einde van de eerste periode van 10 jaar;
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2 – inleidende formule
2.  Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde bijdrage kunnen de lidstaten rekening houden met omstandigheden die een invloed hebben op het primaire en het eindverbruik van energie, zoals:
2.  Bij de vaststelling van het in lid 1 bedoelde streefcijfer kunnen de lidstaten rekening houden met omstandigheden die een invloed hebben op het primaire en het eindverbruik van energie, zoals:
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 7
Artikel 7
Artikel 7
Nationale beleidslijnen en maatregelen voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie
Nationale beleidslijnen, maatregelen en investeringsstrategieën voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie
De lidstaten beschrijven, in overeenstemming met bijlage I van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, de belangrijkste bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen om met name de in het nationale plan uiteengezette doelstellingen te bereiken, met inbegrip van maatregelen om te zorgen voor regionale samenwerking en passende financiering op nationaal en regionaal niveau.
De lidstaten beschrijven, in overeenstemming met bijlage I van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, de belangrijkste bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen om met name de in het nationale plan uiteengezette doelstellingen te bereiken, met inbegrip van maatregelen om te zorgen voor regionale samenwerking en passende financiering op nationaal, regionaal en lokaal niveau, onder meer met behulp van Unieprogramma's en instrumenten.
De beschrijving van de voornaamste bestaande en geplande beleidslijnen en maatregelen om de in de nationale plannen vermelde doelstellingen te behalen gaat vergezeld van een algemeen overzicht van de investeringen die nodig zijn om die doelstellingen te halen.
De lidstaten behandelen energie-efficiëntie als infrastructuurprioriteit. Zij nemen energie-efficiëntieprogramma's op in hun infrastructuurplanning en merken de renovatie van gebouwen aan als een prioritaire investering.
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1
1.  De lidstaten beschrijven, in overeenstemming met de structuur en het formaat in bijlage I, de huidige situatie voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie, met inbegrip van het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen op het ogenblik van de indiening van het nationale plan of op basis van de laatste beschikbare informatie. De lidstaten stellen ook prognoses op voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie voor de eerste periode van tien jaar tot ten minste 2040 (inclusief voor het jaar 2030) die naar verwachting zullen voortvloeien uit bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen.
1.  De lidstaten beschrijven, in overeenstemming met de structuur en het formaat in bijlage I, de huidige situatie voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie, met inbegrip van het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen op het ogenblik van de indiening van het nationale plan of op basis van de laatste beschikbare informatie. De lidstaten stellen ook prognoses op voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie voor de eerste periode van tien jaar tot ten minste 2030 (inclusief voor het jaar 2030) die naar verwachting zullen voortvloeien uit bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen. De lidstaten maken de veronderstellingen, parameters en methoden die voor prognoses en scenario's worden gebruikt, openbaar.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – letter a
(a)  de effecten op de ontwikkeling van het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen voor de eerste periode van tien jaar tot ten minste 2040 (inclusief voor het jaar 2030) in het kader van de geplande beleidslijnen en maatregelen, met inbegrip van een vergelijking met de prognoses op basis van bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen, als bedoeld in lid 1;
(a)  de effecten op de ontwikkeling van het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen voor de eerste periode van tien jaar tot ten minste 2040 (inclusief voor het jaar 2030) in het kader van de geplande beleidslijnen en maatregelen, met inbegrip van een vergelijking met de prognoses op basis van bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen, als bedoeld in lid 1. Dit omvat een beoordeling van de synergieën die voortvloeien uit sectorkoppeling, digitalisering en een betere marktopzet en van de voordelen in termen van luchtkwaliteit en de continuïteit van de energievoorziening;
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – letter b
(b)  het macro-economisch en sociaal effect en het effect op vaardigheden en het milieu van de geplande beleidsinitiatieven en maatregelen, zoals vermeld in artikel 7 en verder gespecificeerd in bijlage I, gedurende de eerste periode van tien jaar en ten minste tot het jaar 2030, met inbegrip van een vergelijking met de prognoses op basis van bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen, als bedoeld in lid 1;
(b)  het macro-economisch, gezondheids- en sociaal effect en het effect op vaardigheden en het milieu van de afzonderlijke en gecombineerde geplande beleidsinitiatieven en maatregelen, zoals vermeld in artikel 7 en verder gespecificeerd in bijlage I, gedurende de eerste periode van tien jaar en ten minste tot het jaar 2030, met inbegrip van een vergelijking met de prognoses van bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen, als bedoeld in lid 1. De methodologie die wordt gebruikt om deze effecten te beoordelen, wordt openbaar gemaakt en het gebruik van kosten-batenanalyse wordt aangemoedigd;
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – letter c
(c)  de interacties tussen bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen binnen een beleidsdimensie en tussen bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen in andere dimensies voor de eerste periode van tien jaar en ten minste tot het jaar 2030. Prognoses betreffende de continuïteit van de bevoorrading, infrastructuur en marktintegratie moeten worden gekoppeld aan robuuste energie-efficiëntiescenario’s.
(c)  de interacties tussen bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen binnen een beleidsdimensie en tussen bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen in andere dimensies voor de eerste periode van tien jaar en ten minste tot het jaar 2030. De beoordeling omvat een kwantitatieve of kwalitatieve evaluatie van alle gedocumenteerde interacties tussen nationale beleidslijnen en maatregelen en klimaat- en energiebeleidsmaatregelen van de Unie. Prognoses betreffende de continuïteit van de bevoorrading, infrastructuur en marktintegratie moeten worden gekoppeld aan robuuste energie-efficiëntiescenario’s;
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  de wijze waarop de afzonderlijke en gecombineerde bestaande en geplande beleidslijnen en maatregelen naast de openbare financiering ook particuliere investeringen zullen aantrekken die nodig zijn voor de uitvoering ervan.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 9
Artikel 9
Artikel 9
Ontwerp van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen
Ontwerp van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen
1.  Uiterlijk op 1 januari 2019 en daarna om de tien jaar stellen de lidstaten een ontwerp van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan op, als bedoeld in artikel 3, lid 1, en dienen zij dit in bij de Commissie.
1.  Uiterlijk op 1 juni 2018 stelt elke lidstaat een ontwerp van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan op, als bedoeld in artikel 3, lid 1, en dient hij dit in bij de Commissie. Het ontwerp van het tweede plan wordt uiterlijk op 1 januari 2023 door elke lidstaat opgesteld en bij de Commissie ingediend, en de volgende ontwerpplannen vervolgens om de vijf jaar.
2.  Overeenkomstig artikel 28 kan de Commissie aan de lidstaten aanbevelingen doen over de ontwerpplannen. In deze aanbevelingen wordt met name het volgende vastgesteld:
2.  Overeenkomstig artikel 28 beoordeelt de Commissie de ontwerpplannen en doet zij uiterlijk drie maanden vóór de in artikel 3, lid 1, genoemde uiterste datum voor de indiening van het plan landspecifieke aanbevelingen aan de lidstaten om:
(a)  het ambitieniveau van de doelstellingen, streefcijfers en bijdragen met het oog op de collectieve verwezenlijking van de doelstellingen van de energie-unie en met name de 2030-streefcijfers inzake hernieuwbare energie en energie-efficiëntie;
(a)  ervoor te zorgen dat de lidstaten de doelstellingen en streefcijfers van alle dimensies van de energie-unie collectief verwezenlijken;
(a bis)  ervoor te zorgen dat de lidstaten hun nationale doelstellingen en streefcijfers verwezenlijken;
(b)  beleidslijnen en maatregelen die verband houden met de doelstellingen op het niveau van de lidstaten en de Unie, en andere beleidslijnen en maatregelen met potentiële grensoverschrijdende gevolgen;
(b)  de afzonderlijke in de nationale energie- en klimaatplannen opgenomen bestaande en geplande beleidslijnen en maatregelen te verbeteren, met inbegrip van die met potentiële grensoverschrijdende gevolgen;
(b bis)  suggesties te doen voor de vaststelling van aanvullende beleidslijnen en maatregelen in de nationale energie- en klimaatplannen;
(c)  wisselwerkingen tussen en samenhang van bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen die zijn opgenomen in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan binnen één dimensie en tussen verschillende dimensies van de energie-unie.
(c)  te zorgen voor de samenhang van bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen die zijn opgenomen in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan binnen één dimensie en tussen verschillende dimensies van de energie-unie;
(c bis)  te zorgen voor samenhang tussen de investeringsstrategieën en ‑instrumenten enerzijds en de beleidslijnen en maatregelen van de lidstaten om de bijbehorende streefcijfers en doelstellingen te verwezenlijken anderzijds;
3.  Bij de opstelling van hun definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen houden de lidstaten zoveel mogelijk rekening met eventuele aanbevelingen van de Commissie.
3.  Bij de opstelling van hun definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen houden de lidstaten zoveel mogelijk rekening met eventuele aanbevelingen van de Commissie. Als het standpunt van de betrokken lidstaat afwijkt van de aanbeveling van de Commissie, geeft die lidstaat de redenen voor zijn standpunt op en maakt hij die openbaar.
3 bis.  De lidstaten geven het publiek inzage in de ontwerpplannen als bedoeld in lid 1.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1
Onverminderd eventuele andere eisen van de wetgeving van de Unie, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het publiek in een vroeg stadium effectieve kansen krijgt om deel te nemen aan de opstelling van de in artikel 9 bedoelde ontwerpplannen en moeten zij een samenvatting van de standpunten van het publiek bij het ontwerp van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan voegen. Voor zover de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG van toepassing zijn, wordt overleg in overeenstemming met die richtlijn geacht te voldoen aan de verplichtingen tot raadpleging van het publiek uit hoofde van deze verordening.
Onverminderd eventuele andere eisen van de wetgeving van de Unie, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het publiek in een vroeg stadium effectieve kansen krijgt om deel te nemen aan de opstelling van de in artikel 9 bedoelde ontwerpplannen en de in artikel 14 bedoelde langetermijnstrategieën, wanneer alle opties open zijn en effectieve raadpleging kan plaatsvinden.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De lidstaten stellen redelijke tijdschema's vast die het publiek voldoende tijd gunnen om zich op de hoogte te stellen en om zich effectief voor te bereiden op en deel te nemen aan de fasen van de planning. De lidstaten houden naar behoren rekening met gelijke deelname en zorgen ervoor dat het publiek, hetzij door openbare bekendmaking, hetzij met andere passende middelen, zoals elektronische media, indien beschikbaar, in kennis wordt gesteld van alle praktische regelingen voor deelname van het publiek en dat het inzage krijgt in alle betreffende documenten.
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  Wanneer zij het ontwerp en de definitieve versie hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan en hun langetermijnstrategieën bij de Commissie indienen, voegen de lidstaten een overzicht toe van de standpunten van het publiek en de wijze waarop daarmee rekening is gehouden.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 quater (nieuw)
1 quater.  Voor zover de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG van toepassing zijn, wordt overleg in overeenstemming met die richtlijn geacht te voldoen aan de verplichtingen tot raadpleging van het publiek uit hoofde van deze verordening.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 quinquies (nieuw)
1 quinquies.  Bij de uitvoering van dit artikel beperken de lidstaten de administratieve complexiteit.
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Platform voor klimaat- en energiedialoog op verschillende niveaus
1.  In een geest van partnerschap zetten de lidstaten een permanent platform voor klimaat- en energiedialoog op verschillende niveaus op ter ondersteuning van actieve betrokkenheid van lokale overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, investeerders, andere relevante belanghebbenden en het grote publiek bij het beheer van de energietransitie.
2.  De lidstaten leggen verschillende te overwegen opties en scenario's voor hun energie- en klimaatbeleid op korte, middellange en lange termijn, alsmede een kosten-batenanalyse van elke optie, voor aan hun nationale platform voor klimaat- en energiedialoog. De platforms voor klimaat- en energiedialoog zijn fora waar plannen, strategieën en verslagen overeenkomstig artikel 10 worden besproken en uitgewerkt.
3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de platforms voor klimaat- en energiedialoog over voldoende personele en financiële middelen beschikken en op transparante wijze functioneren.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 11
Artikel 11
Artikel 11
Regionale samenwerking
Macroregionale en regionale samenwerking
1.  De lidstaten werken samen op regionaal niveau om op doeltreffende wijze de streefcijfers, doelstellingen en bijdragen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen te bereiken.
1.  De lidstaten werken samen op macroregionaal en regionaal niveau, terdege rekening houdend met alle bestaande en potentiële vormen van samenwerking, om op doeltreffende wijze de streefcijfers en doelstellingen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen te bereiken.
2.  Geruime tijd vóór de indiening van het ontwerp van hun geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan bij de Commissie, overeenkomstig artikel 9, lid 1, identificeren de lidstaten mogelijkheden voor regionale samenwerking en raadplegen zij naburige lidstaten en andere lidstaten die belangstelling tonen. De lidstaten vermelden in het ontwerp van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen de resultaten van dergelijk regionaal overleg, in voorkomend geval met inbegrip van de wijze waarop rekening is gehouden met opmerkingen.
2.  Geruime tijd vóór de indiening van het ontwerp van hun geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan bij de Commissie, overeenkomstig artikel 9, lid 1, identificeren de lidstaten mogelijkheden voor macroregionale en regionale samenwerking, rekening houdend met bestaande macroregionale samenwerkingsverbanden, met name het Interconnectieplan voor de energiemarkt in het Oostzeegebied (BEMIP), Connectiviteit in Midden- en Zuidoost-Europa (CESEC), de Centraal-westelijke regionale energiemarkt (CWREM), het Offshorenetwerkinitiatief van landen aan de noordelijke zeeën (NSCOGI) en het Europees-mediterraan partnerschap, en raadplegen zij naburige lidstaten en andere lidstaten die belangstelling tonen, overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU en het Verdrag van Espoo. De lidstaten vermelden in het ontwerp van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen de resultaten van dergelijk regionaal overleg, in voorkomend geval met inbegrip van de wijze waarop rekening is gehouden met opmerkingen. Wanneer zij macroregionale samenwerking aangaan, komen de lidstaten een bestuursstructuur overeen die het mogelijk maakt ten minste eenmaal per jaar op ministerieel niveau bijeen te komen.
2 bis.  Op verzoek van twee of meer lidstaten faciliteert de Commissie de gezamenlijke opstelling van delen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, onder meer door de vaststelling van een machtigingskader. Wanneer lidstaten macroregionaal of regionaal samenwerken, vermelden zij de resultaten in hun ontwerp van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en leggen zij deze aan de Commissie voor. Het resultaat van dergelijke macroregionale of regionale samenwerking kan in de plaats komen van de overeenkomstige onderdelen van het betreffende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan.
2 ter.  Om marktintegratie en kostenefficiënt beleid te bevorderen, identificeert de Commissie mogelijkheden voor macroregionale of regionale samenwerking die betrekking hebben op een of meer van de vijf dimensies van de energie-unie en met dit artikel stroken, met een langetermijnvisie en op basis van de bestaande marktomstandigheden. Op basis van deze mogelijkheden kan de Commissie overeenkomstig artikel 28 aanbevelingen aan de lidstaten doen om doeltreffende samenwerking, partnerschappen en overleg te vergemakkelijken.
3.  De Commissie vergemakkelijkt de samenwerking en het overleg tussen de lidstaten over de ontwerpplannen die bij haar zijn ingediend in het kader van artikel 9, met het oog op de definitieve vaststelling van die plannen.
3.  De Commissie vergemakkelijkt de samenwerking en het overleg tussen de lidstaten over de ontwerpplannen die bij haar zijn ingediend in het kader van artikel 9, met het oog op de definitieve vaststelling van die plannen.
4.  De lidstaten houden rekening met de opmerkingen van andere lidstaten uit hoofde van de leden 2 en 3 in hun definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan en leggen uit hoe met deze opmerkingen rekening is gehouden.
4.  De lidstaten houden rekening met de opmerkingen van andere lidstaten uit hoofde van de leden 2 en 3 in hun definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan en leggen uit hoe met deze opmerkingen rekening is gehouden.
5.  Met het oog op lid 1 blijven de lidstaten op regionaal niveau samenwerken bij de tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen van hun plannen.
5.  Met het oog op lid 1 blijven de lidstaten op regionaal niveau samenwerken bij de tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen van hun plannen.
5 bis.  De lidstaten overwegen ook samen te werken met leden van de Energiegemeenschap en derde landen die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte.
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – alinea 1 – inleidende formule
De Commissie evalueert de krachtens de artikelen 3 en 13 ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de actualiseringen daarvan. Zij gaat met name na of:
De Commissie evalueert de krachtens artikel 3 ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. Zij gaat met name na of:
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – alinea 1 – letter a
(a)  de streefcijfers, doelstellingen en bijdragen volstaan om de collectieve doelstellingen van de energie-unie te bereiken, en voor de eerste periode van tien jaar met name de streefcijfers van het klimaat- en energiekader van de Unie voor 2030;
(a)  de streefcijfers en doelstellingen volstaan om de collectieve doelstellingen van de energie-unie te bereiken, en voor de eerste periode van tien jaar met name de streefcijfers van het klimaat- en energiekader van de Unie voor 2030;
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
(a bis)  de bestaande beleidslijnen, de beleidslijnen waarin is voorzien en de maatregelen en de betreffende investeringsstrategieën volstaan om de in artikel 4 bedoelde nationale streefcijfers te bereiken;
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 13
Artikel 13
Schrappen
Actualisering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen
1.  Uiterlijk op 1 januari 2023, en daarna om de 10 jaar, dienen de lidstaten bij de Commissie een ontwerp in van de actualisering van het laatst ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, zoals bedoeld in artikel 3, of bevestigen zij aan de Commissie dat het plan geldig blijft.
2.  Uiterlijk op 1 januari 2024, en daarna om de 10 jaar, dienen de lidstaten bij de Commissie een actualisering in van het laatst ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, zoals bedoeld in artikel 3, tenzij zij, overeenkomstig lid 1 van dit artikel, aan de Commissie hebben bevestigd dat het plan geldig blijft.
3.  De lidstaten mogen de streefcijfers, doelstellingen en bijdragen die zijn uiteengezet in de in lid 2 bedoelde actualisering alleen wijzigen om het ambitieniveau te verhogen in vergelijking met het laatst aangemelde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan.
4.  De lidstaten trachten eventuele negatieve effecten op het milieu die duidelijk worden in het kader van de geïntegreerde rapportering overeenkomstig de artikelen 15 tot en met 22, te beperken in het geactualiseerde plan.
5.  Bij de voorbereiding van de in lid 2 bedoelde actualisering houden de lidstaten rekening met de meest recente landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees semester.
6.  De procedures van artikel 9, lid 2, en artikel 11 zijn van toepassing op de opstelling en evaluatie van de geactualiseerde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen.
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – titel
Lage-emissiestrategieën op lange termijn
Klimaat- en energiestrategieën op lange termijn
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 bis (nieuw)
Artikel 13 bis
Samenhang met de algemene klimaatdoelstelling
De Commissie brengt uiterlijk op 1 juli 2018 verslag uit over het resterende mondiale koolstofbudget dat strookt met het voortzetten van de inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 °C, en met name 1,5 °C, in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en publiceert een analyse van een billijk aandeel van de Unie voor 2050 en 2100.
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 14
Artikel 14
Artikel 14
Lage-emissiestrategieën op lange termijn
Klimaat- en energiestrategieën op lange termijn
1.  Uiterlijk op 1 januari 2020 en daarna om de 10 jaar stellen de lidstaten hun lage-emissiestrategieën op lange termijn op, met een perspectief van 50 jaar, en dienen ze deze in bij de Commissie, teneinde bij te dragen tot:
1.  Uiterlijk op 1 januari 2019 en daarna om de vijf jaar stellen de lidstaten en de Commissie namens de Unie hun klimaat- en energiestrategieën op lange termijn met een perspectief van 30 jaar vast, teneinde bij te dragen tot:
(a)  de naleving van de verbintenissen van de Unie en de lidstaten in het kader van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs om de antropogene broeikasgasemissies te beperken en de verwijderingen per put te verbeteren;
(a)  de naleving van de verbintenissen van de Unie en de lidstaten in het kader van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs om de antropogene broeikasgasemissies te beperken en de verwijderingen per put te verbeteren in stappen van tien jaar;
(b)  de verwezenlijking van de doelstelling om de mondiale temperatuursstijging te beperken tot beduidend minder dan 2°C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en om te streven naar een maximale stijging van 1,5°C boven het pre-industriële niveau;
(b)  de verwezenlijking van de doelstelling om de mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2°C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en om te streven naar een maximale stijging van 1,5°C boven het pre-industriële niveau door de broeikasgasemissies van de Unie onder haar billijke aandeel in het resterende mondiale koolstofbudget te houden;
(c)  de verwezenlijking van de broeikasgasemissiebeperkingen op lange termijn en de verbetering van verwijderingen per put in alle sectoren, overeenkomstig de doelstelling van de Unie om, in het kader van de volgens het IPCC noodzakelijke geachte reducties voor de ontwikkelde landen als geheel, de emissies uiterlijk in 2050 op kosteneffectieve wijze met 80 tot 95 % te verminderen in vergelijking met de niveaus van 1990.
(c)  de verwezenlijking van de broeikasgasemissiebeperkingen op lange termijn en de verbetering van verwijderingen per put in alle sectoren, overeenkomstig de doelstelling van de Unie om, in het kader van de volgens het IPCC noodzakelijke geachte reducties voor de ontwikkelde landen als geheel, de broeikasgasemissies van de Unie op kosteneffectieve wijze te verminderen en de verwijderingen per put te verbeteren met het oog op de temperatuurdoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, teneinde tegen 2050 broeikasgasneutraliteit in de Unie te verwezenlijken en spoedig daarna tot negatieve emissies te komen;
(c bis)  uiterlijk in 2050 een zeer energie-efficiënt en op hernieuwbare energiebronnen gebaseerd energiesysteem in de Unie te verwezenlijken.
2.  De lage-emissiestrategieën op lange termijn hebben betrekking op:
2.  De klimaat- en energiestrategieën op lange termijn omvatten de in bijlage II bis vermelde elementen en hebben betrekking op:
(a)  de totale vermindering van broeikasgasemissies en de verbetering van verwijderingen per put;
(a)  de totale vermindering van broeikasgasemissies en de verbetering van verwijderingen per put, met een afzonderlijk streefcijfer voor de verbetering van verwijderingen per put dat strookt met het voortzetten van de inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot de in de Overeenkomst van Parijs genoemde doelstellingen;
(b)  de vermindering van broeikasgasemissies en de verbetering van verwijderingen per put in individuele sectoren, waaronder elektriciteit, industrie, vervoer, de bouwsector (residentieel en tertiair), landbouw en landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF);
(b)  met het oog op decarbonisatie, de vermindering van broeikasgasemissies en de verbetering van verwijderingen per put in individuele sectoren, onder andere elektriciteit, industrie, vervoer, de sectoren verwarming en koeling en de bouwsector (residentieel en tertiair), landbouw en landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF);
(c)  de verwachte vooruitgang bij de overgang naar een economie met geringe emissies van broeikasgassen, met inbegrip van broeikasgasintensiteit, CO2-intensiteit van het bruto binnenlands product en aanverwante onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatiestrategieën;
(c)  de verwachte vooruitgang bij de overgang naar een economie met geringe emissies van broeikasgassen, met inbegrip van broeikasgasintensiteit, CO2-intensiteit van het bruto binnenlands product en aanverwante strategieën op het gebied van langetermijninvesteringen, onderzoek, ontwikkeling en innovatie;
(c bis)  de verwachte vooruitgang bij de energietransitie, waaronder energiebesparingen, het totale aandeel hernieuwbare energie en de geplande geïnstalleerde capaciteit aan hernieuwbare energie;
(c ter)  de verwachte bijdrage van een grondige decarbonisatie van de economie op de macro-economische ontwikkeling, de sociale ontwikkeling, de risico's en voordelen voor de volksgezondheid en de bescherming van het milieu;
(d)  links naar andere nationale planning op lange termijn.
(d)  links naar andere nationale langetermijndoelstellingen, planning en andere beleidslijnen, maatregelen en investeringen.
2 bis.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 36 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage II bis te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de wijzigingen van het beleidskader voor energie en klimaat van de Unie, marktontwikkelingen en nieuwe eisen uit hoofde van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs.
3.  De lage-emissiestrategieën op lange termijn en de in artikel 3 bedoelde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen moeten onderling samenhangend zijn.
3.  De in artikel 3 bedoelde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen stroken met de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn.
4.  De lidstaten maken hun lage-emissiestrategieën op lange termijn en de actualiseringen ervan onverwijld toegankelijk voor het publiek.
4.  De lidstaten en de Commissie ontwikkelen hun strategieën op open en transparante wijze, zorgen ervoor dat het publiek, de sociale partners, het bedrijfsleven, investeerders, het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden in een vroeg stadium effectieve kansen krijgen om deel te nemen aan de opstelling van de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn, en maken de strategieën en eventuele ondersteunende analyses en gegevens openbaar, onder meer via het in artikel 24 bedoelde eplatform.
4 bis.  De Commissie helpt de lidstaten bij de opstelling van hun langetermijnstrategieën door informatie te verstrekken over de stand van de onderliggende wetenschappelijke kennis en technologische ontwikkelingen die relevant zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 1 bedoelde doelstellingen. De Commissie biedt de lidstaten en andere belanghebbenden ook mogelijkheden om aanvullende informatie te verstrekken en hun zienswijzen te bespreken, en reikt de lidstaten best practices en richtsnoeren aan die zij kunnen gebruiken bij de ontwikkeling en uitvoering van hun strategieën.
4 ter.  De Commissie beoordeelt of de nationale langetermijnstrategieën geschikt zijn om de in artikel 1 vermelde Uniedoelstellingen collectief te verwezenlijken. De Commissie kan de lidstaten aanbevelingen doen om dit te vergemakkelijken en hen te helpen bij hun inspanningen om hun langetermijnstrategieën op te stellen en uit te voeren.
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2 – letter a
(a)  informatie over de geboekte vooruitgang bij het behalen van de streefcijfers, doelstellingen en bijdragen die zijn uiteengezet in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, en bij de tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen die nodig waren om ze te behalen;
(a)  informatie over de geboekte vooruitgang bij het behalen van de streefcijfers en doelstellingen die zijn uiteengezet in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, en bij de financiering en tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen die nodig waren om ze te behalen;
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2 – letter a bis (nieuw)
(a bis)  de resultaten van de openbare raadplegingen overeenkomstig artikel 10;
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2 – letter a ter (nieuw)
(a ter)  informatie over de geboekte vooruitgang bij de ondersteuning van actieve betrokkenheid overeenkomstig artikel 10 bis;
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2 – letter a quater (nieuw)
(a quater)  de in artikel 14 bedoelde informatie en de de geboekte vooruitgang bij de verwezenlijking van de streefcijfers, doelstellingen en toezeggingen die in de energie- en klimaatstrategieën op lange termijn in artikel 14 zijn vermeld;
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5
5.  Wanneer de Commissie aanbevelingen heeft opgesteld overeenkomstig artikel 27, lid 2 of 3, neemt de betrokken lidstaat in haar in lid 1 van dit artikel bedoelde verslag informatie op over de beleidslijnen en maatregelen die zij heeft vastgesteld of die zij voornemens is vast te stellen en uit te voeren om tegemoet te komen aan die aanbevelingen. Die informatie omvat een gedetailleerd tijdschema voor de tenuitvoerlegging.
5.  Wanneer de Commissie aanbevelingen heeft opgesteld overeenkomstig artikel 27, lid 2 of 3, neemt de betrokken lidstaat in haar in lid 1 van dit artikel bedoelde verslag informatie op over de beleidslijnen en maatregelen die zij heeft vastgesteld of die zij voornemens is vast te stellen en uit te voeren om tegemoet te komen aan die aanbevelingen. Die informatie omvat een gedetailleerd tijdschema voor de tenuitvoerlegging. Indien de betrokken lidstaat afwijkt van een aanbeveling, verstrekt hij een goed onderbouwde motivering op basis van betrouwbare gegevens en objectieve criteria, en maakt hij die motivering openbaar.
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  De lidstaten stellen de op grond van dit artikel bij de Commissie ingediende verslagen ter beschikking van het publiek.
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – alinea 1 – letter a – punt 4
(4)   de trajecten voor de vraag naar bio-energie, uitgesplitst tussen de vraag naar verwarming, elektriciteit en vervoer, en voor de levering van biomassa, per grondstof en herkomst (waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen binnenlandse productie en invoer). Voor bosbiomassa afkomstig van bossen, een beoordeling van de bron en de gevolgen voor de emissieput van de LULUCF;
(4)   de trajecten voor de vraag naar bio-energie, uitgesplitst tussen de vraag naar verwarming, elektriciteit en vervoer, met inbegrip van het aandeel van biobrandstoffen, het aandeel van geavanceerde biobrandstoffen en het aandeel van biobrandstoffen geproduceerd uit op landbouwgrond geteelde gewassen, en voor de levering van biomassa, per grondstof en herkomst (waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen binnenlandse productie en invoer). Voor bosbiomassa afkomstig van bossen, een beoordeling van de bron en de gevolgen voor de emissieput van de LULUCF;
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – alinea 1 – letter a – punt 4 bis (nieuw)
(4 bis)  doelstellingen en trajecten voor hernieuwbare energie die wordt geproduceerd door regio's, steden, energiegemeenschappen en prosumenten;
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – alinea 1 – letter a – punt 5
(5)  indien van toepassing, andere nationale trajecten en doelstellingen, met inbegrip van sectorale trajecten en doelstellingen op lange termijn (zoals het aandeel van biobrandstoffen, het aandeel van geavanceerde biobrandstoffen, het aandeel van biobrandstoffen geproduceerd uit op landbouwgrond geteelde hoofdgewassen, het aandeel van elektriciteit uit biomassa zonder productie van warmte, het aandeel van hernieuwbare energie in stadsverwarming, het gebruik van hernieuwbare energie in gebouwen, hernieuwbare energie geproduceerd door steden, energiegemeenschappen en prosumenten);
(5)  indien van toepassing, andere nationale trajecten en doelstellingen, met inbegrip van sectorale trajecten en doelstellingen op lange termijn (zoals het aandeel van elektriciteit uit biomassa zonder productie van warmte, het aandeel van hernieuwbare energie in stadsverwarming, het gebruik van hernieuwbare energie in gebouwen, en energie die wordt teruggewonnen uit het slib dat wordt verkregen bij de verwerking van afvalwater);
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – alinea 1 – letter b – punt 1
(1)  uitgevoerde, vastgestelde en geplande beleidslijnen en maatregelen ter verwezenlijking van de nationale bijdrage aan het bindende 2030-streefcijfer voor hernieuwbare energie op het niveau van de Unie, zoals vermeld in artikel 4, onder (a), punt (2), onder i, met inbegrip van sector- en technologiespecifieke maatregelen, met een specifieke evaluatie van de uitvoering van maatregelen die zijn vastgesteld in de artikelen 23, 24 en 25 van [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG, zoals voorgesteld bij COM(2016)0767];
(1)  uitgevoerde, vastgestelde en geplande beleidslijnen en maatregelen ter verwezenlijking van de nationale streefcijfers om te voldoen aan het bindende 2030-streefcijfer voor hernieuwbare energie op het niveau van de Unie, zoals vermeld in artikel 4, onder (a), punt (2), onder i, met inbegrip van sector- en technologiespecifieke maatregelen, met een specifieke evaluatie van de uitvoering van maatregelen die zijn vastgesteld in de artikelen 23, 24 en 25 van [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG, zoals voorgesteld bij COM(2016)0767];
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – alinea 1 – letter b – punt 4 bis (nieuw)
(4 bis)  specifieke maatregelen om de behoefte aan capaciteit die altijd moet draaien – die kan leiden tot een vermindering van hernieuwbare energiebronnen – te beoordelen, transparant te maken en te verminderen;
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – alinea 1 – letter a – punt 1
(1)  het traject voor het primaire en het eindverbruik van energie tussen 2020 en 2030, als de nationale energiebesparingsbijdrage tot het behalen van het 2030-streefcijfer op het niveau van de Unie, met inbegrip van de onderliggende methodologie;
(1)  het traject voor het primaire en het eindverbruik van energie tussen 2020 en 2030, als de bindende nationale energiebesparingsstreefcijfers met het oog op het behalen van het 2030-streefcijfer op het niveau van de Unie, met inbegrip van de onderliggende methodologie;
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – alinea 1 – letter a – punt 2
(2)  doelstellingen voor de renovatie op lange termijn van de nationale openbare en particuliere woningen en bedrijfsgebouwen;
(2)  doelstellingen van de langetermijnstrategie voor de renovatie van het nationale bestand van woningen en openbare en particuliere niet voor bewoning bestemde gebouwen;
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – alinea 1 – letter b – punt 1
(1)  uitgevoerde, vastgestelde en geplande beleidslijnen, maatregelen en programma’s ter verwezenlijking van de indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdrage voor 2030 en andere in artikel 6 uiteengezette doelstellingen, inclusief de geplande maatregelen en instrumenten (ook van financiële aard) om de energieprestaties van gebouwen te verbeteren, maatregelen om gebruik te maken van het energie-efficiëntiepotentieel van de gas- en elektriciteitsinfrastructuur en andere maatregelen ter bevordering van energie-efficiëntie;
(1)  uitgevoerde, vastgestelde en geplande beleidslijnen, maatregelen en programma’s ter verwezenlijking van het bindende nationale energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2030 en andere in artikel 6 uiteengezette doelstellingen, inclusief de geplande maatregelen en instrumenten (ook van financiële aard) om de energieprestaties van gebouwen te verbeteren, maatregelen om gebruik te maken van het energie-efficiëntiepotentieel van de gas- en elektriciteitsinfrastructuur en andere maatregelen ter bevordering van energie-efficiëntie;
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – alinea 1 – letter b – punt 3
(3)  nationale verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie en alternatieve maatregelen overeenkomstig de artikelen 7 bis en 7 ter van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761], overeenkomstig bijlage II bij deze verordening;
(3)  nationale verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie en alternatieve maatregelen overeenkomstig de artikelen 7 bis en 7 ter van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761], overeenkomstig bijlage II bij deze verordening, met inbegrip van de energiebesparingen die zijn gerealiseerd door nationale energie-efficiëntieverplichtingen en/of andere maatregelen uit hoofde van de artikelen 7 bis en 7 ter en artikel 20, lid 6, van artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761] en het effect op de factuur voor de consument, en met inbegrip van eisen met een sociale doelstelling;
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – alinea 1 – letter b – punt 4
(4)  langetermijnstrategieën voor de renovatie van het nationale bestand van openbare en particuliere woningen en bedrijfsgebouwen, inclusief beleidslijnen en maatregelen ter stimulering van kosteneffectieve grondige renovatie en gefaseerde grondige renovatie;
(4)  langetermijnstrategieën voor de renovatie van het nationale bestand van openbare en particuliere woningen en bedrijfsgebouwen, inclusief beleidslijnen en maatregelen om investeringen ter stimulering van kosteneffectieve grondige renovatie en gefaseerde grondige renovatie te sturen, met name rekening houdend met een empirisch onderbouwde raming van de verwachte energiebesparing en van de voordelen in ruimere zin overeenkomstig artikel 2 bis van Richtlijn (EU) .../... [EPBD, COD 0381/16];
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – alinea 1 – letter b – punt 5 bis (nieuw)
(5 bis)  beleidslijnen en maatregelen voor de ontwikkeling van het economische potentieel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte verwarmings- en koelingssystemen overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Richtlijn (EU) .../... [Richtlijn 2012/27/EU zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761];
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – alinea 1 – letter b – punt 5 ter (nieuw)
(5 ter)  indien van toepassing, geboekte vooruitgang met andere uitgevoerde, vastgestelde en geplande beleidslijnen, maatregelen en acties die resulteren uit de langetermijnstrategieën inzake renovatie overeenkomstig artikel 2 bis, van Richtlijn (EU) ... /... [EPBD, COD 0381/16], waaronder die welke gericht zijn op de minst energie-efficiënte segmenten van het nationale gebouwenbestand en die betreffende toegang tot informatie en financiering.
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – alinea 1 – letter a
(a)  nationale doelstellingen voor de diversificatie van energiebronnen en leverende landen, opslag, vraagrespons;
(a)  nationale doelstellingen voor betere energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen en een diversificatie van de voorziening, de aanvoerroutes en de leverende landen, opslag, vraagrespons;
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – alinea 1 – letter b
(b)  nationale doelstellingen om de afhankelijkheid van de invoer van energie te verminderen;
(b)  nationale doelstellingen en maatregelen om de afhankelijkheid van de invoer van energie te verminderen, die geen obstakel vormen voor een succesvolle tenuitvoerlegging van de energie-unie;
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – alinea 1 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  nationale indicatieve doelstellingen met betrekking tot het vergroten van de flexibiliteit van het nationale energiesysteem, met name door de inzet van energie-efficiëntiemaatregelen, binnenlandse hernieuwbare energiebronnen, vraagrespons en opslag;
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1 – letter a
(a)  het niveau van interconnectiviteit op elektriciteitsgebied waar de lidstaat naar streeft in 2030, met inachtneming van het interconnectiestreefcijfer voor elektriciteit van ten minste 15 %;
(a)  het niveau van interconnectiviteit op elektriciteitsgebied waar de lidstaat naar streeft in 2030, met inachtneming van het indicatieve interconnectiestreefcijfer voor elektriciteit van ten minste 15 %;
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1 – letter b
(b)  de belangrijkste nationale doelstellingen voor elektriciteits- en gastransmissie-infrastructuur die nodig zijn voor het behalen van de doelstellingen en streefcijfers in elk van de vijf kerndimensies van de energie-unie;
(b)  de belangrijkste nationale doelstellingen voor elektriciteits- en gastransmissie- en distributie-infrastructuur en de modernisering daarvan die nodig zijn voor het behalen van de doelstellingen en streefcijfers in elk van de vijf kerndimensies van de energie-unie;
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1 – letter d
(d)  nationale doelstellingen met betrekking tot andere aspecten van de interne energiemarkt, zoals marktintegratie en koppeling, voor zover van toepassing;
(d)  nationale doelstellingen en maatregelen met betrekking tot de flexibiliteit van het systeem, met name door het verwijderen van belemmeringen voor vrije prijsvorming, door marktintegratie en koppeling, slimme netten, aggregatie, vraagrespons, opslag, verspreide opwekking, mechanismen voor dispatching, redispatching en beperking, en realtime prijssignalen;
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1 – letter e
(e)  nationale doelstellingen met betrekking tot energiearmoede, met inbegrip van het aantal gezinnen dat geconfronteerd wordt met energiearmoede;
Schrappen
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1 – letter e bis (nieuw)
(e bis)  nationale doelstellingen en maatregelen met betrekking tot de niet-discriminerende bijdrage van hernieuwbare energie, vraagrespons en opslag, onder meer via aggregatie, in alle energiemarkten;
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1 – letter e ter (nieuw)
(e ter)  nationale doelstellingen en maatregelen om ervoor te zorgen dat consumenten participeren in het energiesysteem en profijt trekken van zelfopwekking en nieuwe technologieën, waaronder slimme meters;
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1 – letter f
(f)  nationale doelstellingen met betrekking tot het waarborgen van de toereikendheid van het elektriciteitssysteem, indien van toepassing,
(f)  nationale doelstellingen met betrekking tot het waarborgen van de toereikendheid van het elektriciteitssysteem, die ervoor zorgen dat er geen capaciteitsmechanismen worden toegepast of, wanneer dat wel gebeurt met het oog op de continuïteit van de energievoorziening, dat deze zo beperkt mogelijk blijven;
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1 – letter f bis (nieuw)
(f bis)  nationale maatregelen om biedzones vast te stellen of te herzien teneinde structurele congestie aan te pakken, de economische efficiëntie en grensoverschrijdende handel te maximaliseren en de continuïteit van de energievoorziening te waarborgen;
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1 – letter g
(g)  uitgevoerde, vastgestelde en geplande beleidslijnen en maatregelen ter verwezenlijking van de onder (a) tot en met (f) bedoelde doelstellingen;
(g)  uitgevoerde, vastgestelde en geplande beleidslijnen en maatregelen ter verwezenlijking van de onder (a) tot en met (f bis) bedoelde doelstellingen;
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 bis (nieuw)
Artikel 21 bis
Geïntegreerde rapportering over energie-efficiëntie
Indien van toepassing neemt een lidstaat in het geïntegreerde nationale voortgangsverslag over energie en klimaat kwantitatieve informatie op over het aantal huishoudens dat met energiearmoede wordt geconfronteerd, alsook informatie over beleidslijnen en maatregelen ter bestrijding van energiearmoede overeenkomstig artikel 3, lid 3, onder v).
Wanneer artikel 3, lid 3, onder v), tweede alinea, van toepassing is, neemt de betrokken lidstaat in het geïntegreerde nationale voortgangsverslag over energie en klimaat informatie op over de tenuitvoerlegging van zijn nationale indicatieve doelstelling om het aantal huishoudens in energiearmoede terug te dringen.
De Commissie deelt de gegevens die de lidstaten op grond van dit artikel meedelen met de Europese Waarnemingspost voor energiearmoede.
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – alinea 1 – letter b
(b)  nationale doelstellingen met betrekking tot de totale (publieke en private) uitgaven voor onderzoek en innovatie op het gebied van technologieën voor schone energie, en met betrekking tot de kosten van dergelijke technologieën en de ontwikkeling van de prestaties ervan;
(b)  nationale doelstellingen met betrekking tot de totale publieke en, indien beschikbaar, private uitgaven voor onderzoek en innovatie op het gebied van technologieën voor schone energie, en met betrekking tot de kosten van dergelijke technologieën en de ontwikkeling van de prestaties ervan;
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – alinea 1 – letter d
(d)  nationale doelstellingen voor de geleidelijke afbouw van energiesubsidies;
(d)  nationale doelstellingen voor de geleidelijke afbouw van energiesubsidies, in het bijzonder voor fossiele brandstoffen;
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – alinea 1 – letter g
(g)  financiële maatregelen, met inbegrip van steun van de Unie en het gebruik van financiële middelen van de Unie, op dit gebied op nationaal niveau, indien van toepassing.
(g)  financiële maatregelen, met inbegrip van steun van de Unie en het gebruik van financiële middelen van de Unie, op dit gebied op nationaal niveau, indien van toepassing. Als er gebruik wordt gemaakt van een financiële bijdrage van de Commissie aan financieringsinstrumenten waaraan lidstaten gezamenlijk nationale middelen toewijzen, wordt dat bekendgemaakt.
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1 – letter a
(a)  de geschatte broeikasgasinventarissen voor het jaar X-1;
Schrappen
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  het geraamde bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen en het geraamde bruto-, primaire en eindenergieverbruik voor het jaar X-1.
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1 – alinea 2
Met het oog op de toepassing van het bepaalde onder (a) maakt de Commissie jaarlijks, op basis van de geschatte broeikasgasinventarissen van de lidstaten of, indien een lidstaat zijn geschatte inventaris uiterlijk op die datum niet heeft ingediend, op basis van haar eigen ramingen, een geschatte broeikasgasinventaris van de Unie op. Uiterlijk op 30 september van elk jaar maakt de Commissie deze informatie openbaar.
Daartoe maakt de Commissie jaarlijks, op basis van de geschatte broeikasgasinventarissen van de lidstaten of, indien een lidstaat zijn geschatte inventaris uiterlijk op die datum niet heeft ingediend, op basis van haar eigen ramingen, een geschatte broeikasgasinventaris van de Unie op. Uiterlijk op 30 september van elk jaar maakt de Commissie deze informatie openbaar.
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Uiterlijk op 31 juli 2021 en daarna elk jaar (jaar X) rapporteren de lidstaten de geschatte broeikasgasinventarissen voor het jaar X–1 aan de Commissie;
Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Artikel 24
Artikel 24
Artikel 24
Elektronisch rapporteringsplatform
E-platform
1.  De Commissie zet een online-rapporteringsplatform op om de communicatie tussen de Commissie en de lidstaten te vergemakkelijken en om de samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen.
1.  Met het oog op kostenefficiëntie zet de Commissie een openbaar online-platform op om de communicatie tussen de Commissie en de lidstaten te vergemakkelijken, de samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen en het publiek toegang te geven tot informatie.
2.  De lidstaten maken gebruik van het online-platform om de in dit hoofdstuk vermelde verslagen bij de Commissie in te dienen, zodra het platform operationeel is.
2.  De lidstaten maken gebruik van het online-platform om de in dit hoofdstuk vermelde verslagen bij de Commissie in te dienen, zodra het platform operationeel is. De lidstaten maken deze verslagen openbaar.
2 bis.  De Commissie gebruikt van het e-platform om het publiek gemakkelijker online toegang te geven tot het ontwerp en de definitieve versie van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de nationale klimaat- en energiestrategieën op lange termijn als bedoeld in de artikelen 3, 9 en 14.
Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – inleidende formule
1.  Uiterlijk op 31 oktober 2021 en daarna om de twee jaar evalueert de Commissie, met name op grond van de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen inzake energie en klimaat, andere krachtens deze verordening verstrekte informatie, de indicatoren en, voor zover beschikbaar, Europese statistieken:
1.  Uiterlijk op 31 oktober 2021 en daarna om de twee jaar evalueert de Commissie, met name op grond van de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen inzake energie en klimaat, andere krachtens deze verordening verstrekte informatie, gegevens van het Europees Milieuagentschap, de indicatoren en, voor zover beschikbaar, Europese statistieken:
Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – letter a
(a)  de vooruitgang op EU-niveau bij het verwezenlijken van de doelstellingen van de energie-unie, waaronder voor de eerste periode van tien jaar de 2030-streefcijfers van de Unie voor energie en klimaat, met name om te vermijden dat er een kloof ontstaat ten opzichte van de 2030-streefcijfers van de Unie voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie;
(a)  de vooruitgang op Unieniveau bij het verwezenlijken van de doelstellingen van de energie-unie, waaronder voor de eerste periode van tien jaar de 2030-streefcijfers van de Unie voor energie en klimaat, met name om te vermijden dat er een kloof ontstaat ten opzichte van de 2030-streefcijfers van de Unie voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie en met het oog op de eventuele herziene klimaat- en energiemaatregelen van de EU, zoals omschreven in artikel 38;
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – letter a bis (nieuw)
(a bis)  de vooruitgang op Unieniveau bij de diversificatie van haar energiebronnen en -leveranciers, als bijdrage tot een volledig functionerende en veerkrachtige energie-unie die is gebaseerd op energiezekerheid, solidariteit en vertrouwen;
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – letter b
(b)  de vooruitgang die elke lidstaat maakt bij het bereiken van zijn streefcijfers, doelstellingen en bijdragen en bij de uitvoering van de beleidslijnen en maatregelen die zijn uiteengezet in zijn geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan;
(b)  de vooruitgang die elke lidstaat maakt bij het bereiken van zijn streefcijfers en doelstellingen en bij de uitvoering van de beleidslijnen en maatregelen die zijn uiteengezet in zijn geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan;
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  het algemene effect van de beleidslijnen en maatregelen van de geïntegreerde nationale plannen op de werking van de klimaat- en energiebeleidsmaatregelen van de Unie, met het oog op de herziening van de nationaal vastgestelde bijdrage van de Unie en de verhoging van de ambitie overeenkomstig de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs;
Amendement 168
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – letter c ter (nieuw)
(c ter)  het algemene effect van de beleidslijnen en maatregelen van de geïntegreerde nationale plannen op de werking van het Unie-ETS;
Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – letter c quater (nieuw)
(c quater)  de nauwkeurigheid van de ramingen van de lidstaten van het effect van overlappende beleidslijnen en maatregelen op nationaal niveau op de verhouding tussen vraag en aanbod binnen het ETS-EU, of verricht zij, bij het ontbreken van dergelijke schattingen, een eigen beoordeling van dat effect;
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   De Commissie maakt vooraf de indicatoren bekend die zij wil gebruiken om deze beoordelingen te verrichten.
Amendement 171
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 2
2.  Op het gebied van hernieuwbare energie evalueert de Commissie, als onderdeel van de in lid 1 bedoelde evaluatie, de geboekte vooruitgang met betrekking tot het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto eindverbruik van de Unie aan de hand van een lineair traject beginnend bij 20 % in 2020 en oplopend tot minstens 27 % in 2030, zoals vastgesteld in artikel 4, onder a), punt (2), onder i.
2.  Op het gebied van hernieuwbare energie evalueert de Commissie, als onderdeel van de in lid 1 bedoelde evaluatie, de geboekte vooruitgang met betrekking tot het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto eindverbruik van de Unie aan de hand van een bindend lineair traject beginnend bij 20 % in 2020 en oplopend tot minstens 35 % in 2030, zoals vastgesteld in artikel 4, onder (a), punt (2), onder i quater.
Amendement 172
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 3 – alinea 1
Op het gebied van energie-efficiëntie evalueert de Commissie, als onderdeel van de in lid 1 bedoelde evaluatie, de vooruitgang op weg naar een collectief verbruik op het niveau van de Unie van hoogstens 1 321 Mtoe primaire energie en 987 Mtoe eindenergie in 2030, zoals vastgesteld in artikel 6, onder (1), punt (a).
Op het gebied van energie-efficiëntie evalueert de Commissie, als onderdeel van de in lid 1 bedoelde evaluatie, de vooruitgang op weg naar een collectief verbruik op het niveau van de Unie van hoogstens 1 132 Mtoe primaire energie en 849 Mtoe eindenergie in 2030, zoals vastgesteld in artikel 6, onder (1), punt (a).
Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 3 – alinea 2 – letter a
(a)  zij gaat na of de mijlpaal van hoogstens 1 483 Mtoe primaire energie en hoogstens 1 086 Mtoe eindenergie in 2020 is bereikt;
(a)  zij beoordeelt of de afzonderlijke lidstaten op schema liggen om hun nationale bindende streefcijfer te halen en of het Uniestreefcijfer van hoogstens 1 483 Mtoe primaire energie en hoogstens 1 086 Mtoe eindenergie in 2020 is bereikt;
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 5
5.  Uiterlijk op 31 oktober 2019, en vervolgens om de vier jaar, evalueert de Commissie de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/31/EG.
Schrappen
Amendementen 175 en 307
Voorstel voor een verordening
Artikel 26
Artikel 26
Artikel 26
Follow-up in het geval van inconsistenties met overkoepelende doelstellingen van de energie-unie en streefcijfers in het kader van de verordening inzake de verdeling van de inspanningen
Follow-up in het geval van inconsistenties met overkoepelende doelstellingen van de energie-unie en streefcijfers in het kader van de verordening inzake de verdeling van de inspanningen
1.  Op grond van de evaluatie uit hoofde van artikel 25 doet de Commissie aanbevelingen aan een lidstaat op grond van artikel 28 als de beleidsontwikkelingen in die lidstaat niet sporen met de overkoepelende doelstellingen van de energie-unie.
1.  Op grond van de evaluatie uit hoofde van artikel 25 doet de Commissie aanbevelingen aan een lidstaat op grond van artikel 28 als de beleidsontwikkelingen in die lidstaat niet sporen met de overkoepelende doelstellingen van de energie-unie en met de langetermijnstreefcijfers van de Unie voor het terugdringen van de broeikasgasemissies.
1 bis.  Een lidstaat die voornemens is gebruik te maken van de flexibiliteit op grond van artikel 7 van Verordening (EU) .../... [verdeling van de inspanningen] vermeldt in het plan overeenkomstig artikel 3 van deze verordening de mate van het voorgenomen gebruik en de geplande beleidslijnen en maatregelen om de vereisten van artikel 4 van Verordening (EU) .../... [LULUCF] voor de periode van 2021 tot 2030 in de nodige mate te overschrijden.
2.  De Commissie kan advies uitbrengen over de door de lidstaten ingediende actieplannen overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening [ ] [ESR].
2.  De Commissie kan advies uitbrengen over de door de lidstaten ingediende actieplannen overeenkomstig artikel 7 en artikel 8, lid 1, van verordening [ ] [ESR].
2 bis.  De Commissie kan de mogelijkheid van lidstaten om jaarlijks emissierechten aan andere lidstaten over te dragen tijdelijk opschorten.
2 ter.  Gezien het hoge aardopwarmingspotentieel en de relatief korte atmosferische levensduur van methaan gaat de Commissie na welke impact op het beleid de vaststelling van een periode van 20 jaar voor methaan zou hebben. De Commissie onderzoekt beleidsopties voor een snelle aanpak van de methaanemissies en komt met een Unie-methaanstrategie, rekening houdend met de doelstellingen van de circulaire economie, waarbij prioriteit wordt gegeven aan methaanemissies die verband houden met energie en afval.
2 quater.  De Commissie brengt in 2027, voor de periode 2021-2025, en in 2032, voor de periode 2026-2030, verslag uit over de totale emissies en verwijderingen van broeikasgassen in de Unie voor elk van de in artikel 2 van Verordening (EU) .../... [LULUCF] bedoelde boekhoudkundige categorieën land, berekend als de totale gerapporteerde emissies en verwijderingen voor de periode verminderd met de waarde die is verkregen door de gemiddelde jaarlijkse gerapporteerde emissies en verwijderingen in de Unie voor de periode 2000-2009 met vijf te vermenigvuldigen. Op basis van de bevindingen van het verslag doet de Commissie zo nodig voorstellen om de integriteit van het algemene 2030-streefcijfer van de Unie voor broeikasgasemissiereductie en haar bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te waarborgen.
Amendement 309
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid -1 (nieuw)
-1.   Indien de Commissie op basis van de beoordeling van het ontwerp van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig artikel 9 tot de conclusie komt dat de doelstellingen van de lidstaten niet volstaan om de bindende algemene 2030-streefcijfers van de Unie voor hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie collectief te bereiken, kan zij de lidstaten waarvan zij de streefcijfers ontoereikend acht, verzoeken hun ambitieniveau te verhogen om het relevante collectieve ambitieniveau te waarborgen.
Amendement 310
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid -1 bis (nieuw)
-1 bis.   Op het gebied van hernieuwbare energie hanteert de Commissie de in artikel 5, lid 1, genoemde omstandigheden als de in artikel 12 bedoelde objectieve criteria voor de evaluatie. De lidstaten waarvan het streefcijfer lager ligt dan wanneer de in bijlage I bis vastgestelde formule wordt toegepast, verhogen hun streefcijfer dienovereenkomstig.
Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1
1.  Indien de Commissie op basis van de evaluatie van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de actualiseringen daarvan overeenkomstig artikel 12 concludeert dat de streefcijfers, doelstellingen en bijdragen van de nationale plannen of de actualiseringen daarvan niet volstaan om de collectieve doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken, en in het bijzonder, voor de eerste periode van tien jaar, de 2030-streefcijfers van de Unie inzake hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, neemt zij maatregelen op het niveau van de Unie om te garanderen dat deze doelstellingen en streefcijfers collectief worden bereikt. Wat hernieuwbare energie betreft, houden dergelijke maatregelen rekening met het ambitieniveau van de bijdragen tot het 2030-streefcijfer van de Unie die de lidstaten in hun nationale plannen en de actualiseringen daarvan hebben uiteengezet.
1.  Indien de Commissie op basis van de evaluatie van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig artikel 12 concludeert dat de streefcijfers en doelstellingen van de nationale plannen niet volstaan, neemt zij maatregelen op het niveau van de Unie om te garanderen dat deze doelstellingen en streefcijfers collectief worden bereikt.
Wat hernieuwbare energie betreft, wordt het nationale streefcijfer van de lidstaten voor 2030, onverminderd andere maatregelen van de lidstaten, uiterlijk op 31 december 2020 herzien overeenkomstig artikel 3, lid 2, en bijlage I bis bij Richtlijn (EU) .../... [herschikking richtlijn hernieuwbare energie].
Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2
2.  Indien de Commissie op basis van haar evaluatie overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder (b), concludeert dat een lidstaat onvoldoende vooruitgang boekt bij de verwezenlijking van de streefcijfers, doelstellingen en bijdragen of bij de uitvoering van de beleidslijnen en maatregelen die zijn uiteengezet in zijn geïntegreerd nationaal klimaat- en energieplan, doet zij aanbevelingen aan de betrokken lidstaat op grond van artikel 28. In deze aanbevelingen houdt de Commissie rekening met ambitieuze vroege inspanningen van lidstaten om bij te dragen aan het 2030-streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie.
2.  Indien de Commissie op basis van haar evaluatie overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder (b), concludeert dat een lidstaat onvoldoende vooruitgang boekt bij de verwezenlijking van hun trajecten, streefcijfers en doelstellingen of bij de uitvoering van de beleidslijnen en maatregelen die zijn uiteengezet in zijn geïntegreerd nationaal klimaat- en energieplan, doet zij aanbevelingen aan de betrokken lidstaat op grond van artikel 28.
Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3
3.  Indien de Commissie, op basis van de globale evaluatie van de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen van de lidstaten inzake energie en klimaat overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder (a), en ondersteund door andere informatiebronnen, concludeert dat de Unie het risico loopt de doelstellingen van de energie-unie niet te halen, en met name, voor de eerste periode van tien jaar, het streefcijfer van het klimaat- en energiekader van de Unie voor 2030, kan zij aanbevelingen doen aan alle lidstaten overeenkomstig artikel 28 om dit risico te beperken. Naast de aanbevelingen neemt de Commissie in voorkomend geval maatregelen op het niveau van de Unie om te garanderen dat met name de 2030-streefcijfers van de Unie voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie worden bereikt. Wat hernieuwbare energie betreft, houden dergelijke maatregelen rekening met ambitieuze vroege inspanningen van lidstaten om bij te dragen aan het 2030-streefcijfer van de Unie.
3.  Indien de Commissie, op basis van de evaluatie van de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen van de lidstaten inzake energie en klimaat of ondersteund door andere informatiebronnen overeenkomstig artikel 25 concludeert dat de Unie het risico loopt de doelstellingen van de energie-unie niet te halen, en met name, voor de eerste periode van tien jaar, het streefcijfer van het klimaat- en energiekader van de Unie voor 2030, doet zij aanbevelingen aan alle lidstaten overeenkomstig artikel 28 om dit risico te beperken. In deze aanbevelingen houdt de Commissie rekening met het ambitieniveau van de lidstaten om bij te dragen aan de 2030-streefcijfers van de Unie. Naast de aanbevelingen neemt de Commissie in voorkomend geval maatregelen op het niveau van de Unie om te garanderen dat met name de 2030-streefcijfers van de Unie voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie worden bereikt. Dergelijke maatregelen houden rekening met ambitieuze vroege inspanningen van lidstaten, met name vanaf 2021, om bij te dragen aan de 2030-streefcijfers van de Unie, met de mate waarin de lidstaten zich aan hun nationale streefcijfers en trajecten houden en met alle bijdragen aan het financieringsplatform overeenkomstig lid 4, onder (c).
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)
Op het gebied van energie-efficiëntie kunnen deze aanvullende maatregelen met name leiden tot de verbetering van de energie-efficiëntie van:
(a)  producten, uit hoofde van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU;
(b)  gebouwen, uit hoofde van de Richtlijnen 2010/31/EU en 2012/27/EU; en
(c)  vervoer.
Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Indien de Commissie, op basis van haar evaluatie overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder (a), concludeert dat een infrastructuurproject potentieel de ontwikkeling van een veerkrachtige energie-unie in de weg staat, maakt zij een voorlopige beoordeling van de verenigbaarheid van het project met de langetermijndoelstellingen van de interne energiemarkt, met name rekening houdend met de langetermijndoelstelling, en doet zij de betrokken lidstaat aanbevelingen overeenkomstig artikel 28. Alvorens een dergelijke beoordeling aan de betrokken lidstaat te doen toekomen, kan de Commissie andere lidstaten raadplegen.
Amendement 293
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4 – inleidende formule
Indien de Commissie, onverminderd de maatregelen op het niveau van de Unie die zijn vastgesteld in punt 3, op het gebied van hernieuwbare energie in het jaar 2023 concludeert, op basis van haar beoordeling uit hoofde van artikel 25, leden 1 en 2, dat het in artikel 25, lid 2 bedoelde lineaire traject niet collectief wordt gehaald, zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk in het jaar 2024 aanvullende maatregelen worden genomen om elke opdoemende kloof te dichten, zoals:
Indien de Commissie, onverminderd de maatregelen op het niveau van de Unie die zijn vastgesteld in punt 3, op het gebied van hernieuwbare energie concludeert, op basis van haar beoordeling uit hoofde van artikel 25, leden 1 en 2, dat een lidstaat onvoldoende vooruitgang boekt om zijn nationale streefcijfer voor 2030 te halen, met name door zich in 2022, 2025 en 2027 niet aan zijn in bijlage I bis vermelde referentiepunten te houden, zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat er aanvullende maatregelen worden genomen om elke opdoemende kloof met zijn traject binnen een jaar te dichten, zoals:
Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4 – letter b bis (nieuw)
(b bis)   actie om het aandeel door hernieuwbare energie opgewekte elektriciteit te vergroten op basis van de criteria vermeld in artikel 4 van Richtlijn (EU) .../... [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG];
Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4 – letter c
(c)  een financiële bijdrage tot een financieringsplatform op het niveau van de Unie, dat bijdraagt tot projecten voor hernieuwbare energie onder direct of indirect beheer van de Commissie;
(c)  een vrijwillige financiële bijdrage tot een financieringsplatform op het niveau van de Unie, dat bijdraagt tot projecten voor hernieuwbare energie, in het bijzonder projecten die van belang zijn voor de energie-unie, onder direct of indirect beheer van de Commissie;
Amendement 184
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4 – letter c bis (nieuw)
(c bis)   gebruik van samenwerkingsmechanismen zoals vastgesteld in Richtlijn (EU) .../... [herschikking richtlijn hernieuwbare energiebronnen];
Amendement 185
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 4 – alinea 2
Bij dergelijke maatregelen wordt rekening gehouden met het niveau van ambitie van vroegtijdige bijdragen tot het 2030-streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie door de betrokken lidstaat.
Bij dergelijke maatregelen wordt rekening gehouden met de mate waarin de lidstaat zich aan zijn nationale streefcijfer en traject voor hernieuwbare energie houdt.
Zo nodig neemt de Commissie maatregelen op het niveau van de Unie ter aanvulling van maatregelen op nationaal niveau om ervoor te zorgen dat het bindende lineaire traject van de Unie en het bindende 2030-streefcijfer voor hernieuwbare energie van de Unie worden bereikt.
Amendement 186
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 5
5.  Indien de Commissie op basis van haar evaluatie krachtens artikel 25, leden 1 en 3, onverminderd andere maatregelen op het niveau van de Unie uit hoofde van punt 3, concludeert dat de vooruitgang in het jaar 2023 niet volstaat om het in de eerste alinea van artikel 25, lid 3, vermelde collectieve streefcijfer inzake energie-efficiëntie te halen, neemt zij in het jaar 2024 maatregelen ter aanvulling van de maatregelen die in Richtlijn 2010/31/EU [als gewijzigd bij voorstel COM(2016)0765] en Richtlijn 2012/27/EU [als gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761] zijn vastgesteld om te garanderen dat de bindende energiestreefcijfers van de Unie voor 2030 worden gehaald. Deze aanvullende maatregelen kunnen met name leiden tot de verbetering van de energie-efficiëntie van:
5.  Indien de Commissie op basis van haar evaluatie krachtens artikel 25, leden 1 en 3, in het jaar 2023 en vervolgens om de twee jaar, op het gebied van hernieuwbare energie, onverminderd andere maatregelen op het niveau van de Unie uit hoofde van punt 3, concludeert dat een lidstaat onvoldoende vooruitgang boekt om zijn nationale bindende streefcijfer en traject voor 2030 te halen, zorgt de betrokken lidstaat er respectievelijk uiterlijk in het jaar 2024 en vervolgens om de twee jaar voor dat er aanvullende maatregelen worden genomen om elke opdoemende kloof met zijn traject binnen een jaar te dichten.
(a)  producten, uit hoofde van Richtlijn 2010/30/EU en Richtlijn 2009/125/EG;
(b)  gebouwen, uit hoofde van Richtlijn 2010/31/EU [als gewijzigd bij voorstel COM(2016)0765] en Richtlijn 2012/27/EU [als gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761];
(c)  vervoer.
Amendement 187
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Elke betrokken lidstaat als bedoeld in lid 4 of 5 beschrijft in het kader van zijn volgende voortgangsverslag als bedoeld in artikel 15 tot in de details de aanvullende uitgevoerde, vastgestelde en geplande maatregelen om de kloof met zijn nationale streefcijfers en trajecten voor 2030 te dichten.
Amendement 188
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 2 – letter b
(b)  in zijn geïntegreerde nationale voortgangsverslag inzake energie en klimaat dat is opgesteld in het jaar volgend op het jaar dat de aanbeveling werd gedaan, zet de lidstaat uiteen hoe hij zoveel mogelijk rekening heeft gehouden met de aanbeveling en hoe hij deze heeft uitgevoerd of voornemens is uit te voeren. Als de lidstaat afwijkt van de aanbeveling, motiveert hij dit.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 189
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 2 – letter c
(c)  De aanbevelingen moeten complementair zijn met de meest recente landspecifieke aanbevelingen die zijn gedaan in het kader van het Europees semester.
(c)  De aanbevelingen moeten complementair zijn met de meest recente landspecifieke aanbevelingen die overeenkomstig artikel 9, lid 2, zijn gedaan in het kader van het Europees semester.
Amendement 190
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De Commissie maakt de aanbevelingen aan alle lidstaten onverwijld openbaar.
Amendement 191
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2 – letter j bis (nieuw)
(j bis)  een algemene evaluatie van de vooruitgang die is geboekt met de volledige integratie van de beginselen "energie-efficiëntie eerst" en "een billijke behandeling van energieverbruikers";
Amendement 192
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2 – letter j ter (nieuw)
(j ter)  een voortgangsverslag over het concurrentievermogen;
Amendement 193
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2 – letter j quater (nieuw)
(j quater)  de vooruitgang die de lidstaten hebben geboekt met het geleidelijk afbouwen van directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen tegen 2020;
Amendement 194
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2 – letter k bis (nieuw)
(k bis)  een financiële evaluatie van de kosten voor de eindverbruiker van elektriciteit op basis van indicatoren voor de feitelijke uitgaven aan de vijf dimensies van de energie-unie.
Amendement 195
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1
1.  Uiterlijk op 1 januari 2021 zorgen de lidstaten voor de vaststelling, werking en permanente verbetering van nationale inventarisatiesystemen om een raming te maken van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen zoals vermeld in deel 2 van bijlage III bij deze verordening en om de tijdige voltooiing, transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid van hun broeikasgasinventarissen te garanderen.
1.  Uiterlijk op 1 januari 2021 zorgen de lidstaten voor de vaststelling, werking en permanente verbetering van nationale inventarisatiesystemen in overeenstemming met de UNFCCC-vereisten om een raming te maken van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen zoals vermeld in deel 2 van bijlage III bij deze verordening en om de tijdige voltooiing, transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid van hun broeikasgasinventarissen te garanderen.
Amendement 196
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1
1.  In 2027 en 2032 voert de Commissie een algehele evaluatie uit van de nationale inventarisgegevens die overeenkomstig artikel 23, lid 3, van deze verordening door de lidstaten zijn ingediend, met het oog op het bewaken van de vermindering of beperking van broeikasgassen op grond van de artikelen 4, 9 en 10, van Verordening [ ] [ESR] en de vermindering van emissies en toename van verwijderingen per put ingevolge de artikelen 4 en 12 van Verordening [ ] [LULUCF] en alle andere streefcijfers voor de vermindering of beperking van broeikasgassen die in de wetgeving van de Unie zijn vastgesteld. De lidstaten nemen ten volle deel aan dit proces.
1.  De Commissie voert een algehele evaluatie uit van de nationale inventarisgegevens die overeenkomstig artikel 23, lid 3, van deze verordening door de lidstaten zijn ingediend, met het oog op het bewaken van de vermindering of beperking van broeikasgassen op grond van de artikelen 4, 9 en 10, van Verordening [ ] [ESR] en de vermindering van emissies en toename van verwijderingen per put ingevolge de artikelen 4 en 12 van Verordening [ ] [LULUCF] en alle andere streefcijfers voor de vermindering of beperking van broeikasgassen die in de wetgeving van de Unie zijn vastgesteld. De lidstaten nemen ten volle deel aan dit proces.
Amendement 197
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 6
6.  De gegevens die één maand na de in punt 5 van dit artikel bedoelde controle van de naleving van verordening [ ] [LULUCF] voor elke lidstaat zijn ingeschreven in de registers die zijn opgezet krachtens artikel 11 van verordening [ ] [ESR], worden gebruikt voor de nalevingscontrole overeenkomstig artikel 9 van Verordening [ ] [ESR] voor de jaren 2021 en 2026. De nalevingscontrole overeenkomstig artikel 9 van verordening [ ] [ESR] voor elk van de jaren 2022 tot en met 2025 en 2027 tot en met 2030 wordt één maand na de datum van de nalevingscontrole voor het voorgaande jaar verricht. Deze controle heeft ook betrekking op wijzigingen van die gegevens omdat de betrokken lidstaat gebruik maakt van de flexibiliteit waarin voorzien wordt bij de artikelen 5, 6 en 7 van Verordening [ ] [ESR].
6.  De gegevens die één maand na de in punt 5 van dit artikel bedoelde controle van de naleving van verordening [ ] [LULUCF] voor elke lidstaat zijn ingeschreven in de registers die zijn opgezet krachtens artikel 11 van verordening [ ] [ESR], worden gebruikt voor de nalevingscontrole overeenkomstig artikel 9 van Verordening [ ] [ESR]. De nalevingscontrole overeenkomstig artikel 9 van verordening [ ] [ESR] voor elk van de jaren [die overeenkomen met die van de nalevingscyclus als bedoeld in artikel 9 van Verordening (EU) .../... [ESR] wordt één maand na de datum van de nalevingscontrole voor het voorgaande jaar verricht. Deze controle heeft ook betrekking op wijzigingen van die gegevens omdat de betrokken lidstaat gebruik maakt van de flexibiliteit waarin voorzien wordt bij de artikelen 5, 6 en 7 van Verordening [ ] [ESR].
Amendement 198
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.  Als laatste nalevingscontrole als bedoeld in lid 6 van dit artikel voert de Commissie, na een verzoek van een lidstaat om gebruik te maken van de reserve, een controle uit van de vereisten van [artikel 9 bis, reserve voor vroegtijdige maatregelen] [ESR]. Deze controle kan worden gevolgd door wijzigingen van de datums voor elke in aanmerking komende lidstaat indien de vereisten van [artikel 9 bis, reserve voor vroegtijdige maatregelen] [ESR] zijn vervuld.
Amendement 199
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – alinea 1 – inleidende formule
Overeenkomstig zijn jaarlijks werkprogramma staat het Europees Milieuagentschap de Commissie bij in haar werkzaamheden met betrekking tot de dimensies koolstofarm maken en energie-efficiëntie, teneinde te voldoen aan de artikelen 14, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 24, 25, 29, 30, 31, 32 en 34. Dit omvat bijstand bij:
Overeenkomstig zijn jaarlijks werkprogramma staat het Europees Milieuagentschap de Commissie bij in haar werkzaamheden met betrekking tot de dimensies koolstofarm maken en energie-efficiëntie, teneinde te voldoen aan de artikelen 13 bis, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 23, 24, 25, 29, 30, 31, 32 en 34. Dit omvat bijstand bij:
Amendement 200
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – alinea 1 – letter j bis (nieuw)
(j bis)  het compileren van het geraamde aandeel hernieuwbare energiebronnen in het eindenergieverbruik en het geraamde primaire en eindenergieverbruik in de Unie.
Amendement 201
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – titel
Comité van de energie-unie
Comité energie en klimaatverandering
Amendement 202
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 1
1.  De Commissie wordt bijgestaan door een Comité van de energie-unie. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 en is werkzaam in de respectieve sectorale samenstellingen die relevant zijn voor deze verordening.
1.  Bij de tenuitvoerlegging van deze verordening wordt de Commissie bijgestaan door een Comité energie en klimaatverandering. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
Amendement 203
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 2
2.  Dit comité vervangt het comité dat is ingesteld bij artikel 8 van Besluit 93/389/EEG, artikel 9 van Besluit 280/2004/EG en artikel 26 van Verordening (EU) nr. 525/2013. Verwijzingen naar het comité dat uit hoofde van die rechtshandelingen is opgericht, worden verstaan als verwijzingen naar het bij deze verordening opgerichte comité.
2.  Niettegenstaande lid 1 van dit artikel wordt de Commissie wat de uitvoering van de artikelen 15, 17, 23, 31 en 32 van deze verordening betreft, bijgestaan door het bij artikel 26 van Verordening (EU) nr. 525/2013 ingestelde Comité klimaatverandering.
Amendement 204
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – alinea 1
Uiterlijk op 28 februari 2026 en daarna om de vijf jaar brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, de bijdrage ervan tot de governance van de energie-unie en de overeenstemming van de plannings-, rapporterings- en monitoringbepalingen van deze verordening met andere wetgeving van de Unie of toekomstige besluiten met betrekking tot het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs. De Commissie kan voorstellen doen, voor zover passend.
Binnen zes maanden na de faciliterende dialoog die in 2018 in het kader van het UNFCCC zal plaatsvinden om de balans op te maken van de collectieve inspanningen van de partijen met betrekking tot de vorderingen in de richting van de mondiale langetermijndoelstelling, en binnen zes maanden na de algemene inventarisatie in 2023 en de daaropvolgende algemene inventarisaties, brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, de bijdrage ervan tot de governance van de energie-unie en de overeenstemming van de plannings-, rapporterings- en monitoringbepalingen van deze verordening met andere wetgeving van de Unie of toekomstige besluiten met betrekking tot het UNFCCC en de adequaatheid van haar bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. De verslagen gaan zo nodig vergezeld van voorstellen om de energie- en klimaatmaatregelen van de Unie te verbeteren.
Amendement 205
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – alinea 1 bis (nieuw)
Binnen zes maanden nadat de Unie een nieuwe of herziene nationaal vastgestelde bijdrage overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs heeft ingediend, dient de Commissie zo nodig de nodige wetgevingsvoorstellen in om alle relevante rechtshandelingen van de Unie te wijzigen.
Amendement 206
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 98/70/EG
Artikel 7 bis – lid 1 – alinea 3 – punt a
(2)  in artikel 7 bis, lid 1, derde alinea, wordt punt a) vervangen door:
Schrappen
"het totale volume van iedere soort geleverde brandstof of energie; en";
Amendement 207
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 18 – lid 1 – punt e
(2)  in artikel 18, lid 1, wordt punt e) geschrapt;
Schrappen
Amendement 208
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn (EU) 2015/652
Bijlage I – deel 2 – punten 2, 3, 4 en 7
(1)  in bijlage I, deel 2, worden de punten 2, 3, 4 en 7 geschrapt.
(1)  in bijlage I, deel 2, worden de punten 4 en 7 geschrapt.
Amendement 209
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Richtlijn (EU) 2015/652
Bijlage III – punt 1
"1. De lidstaten rapporteren de in punt 3 vermelde gegevens. Die gegevens moeten voor alle in elke lidstaat in de handel gebrachte brandstoffen en energie worden gerapporteerd. Wanneer verschillende biobrandstoffen bij de fossiele brandstoffen worden gemengd, moeten de gegevens voor elke biobrandstof worden opgegeven."
"1. De lidstaten rapporteren jaarlijks de in punt 3 vermelde gegevens. Die gegevens moeten voor alle in elke lidstaat in de handel gebrachte brandstoffen en energie worden gerapporteerd. Wanneer verschillende biobrandstoffen bij de fossiele brandstoffen worden gemengd, moeten de gegevens voor elke biobrandstof worden opgegeven."
Amendement 210
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – alinea 1 – punt 2 – letter b
Richtlijn (EU) 2015/652
Bijlage III – punt 3
(b)  in punt 3 wordt het bepaalde onder e) en f) geschrapt.
Schrappen
Amendement 211
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 bis (nieuw)
Artikel 49 bis
EEA
1.  Binnen... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] dient de Commissie bij het Gemengd Comité van de EER een ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER betreffende deze verordening in om de EER- en EFTA-landen in staat te stellen de bepalingen van deze verordening volledig ten uitvoer te leggen en op die manier bij te dragen tot de verwezenlijking van de doeleinden van de energie-unie.
2.  Zodra ze bij besluit van het Gemengd Comité zijn opgenomen in de EER/EFTA strekken de verplichtingen van de lidstaten ten aanzien van andere lidstaten uit hoofde van deze verordening zich ook uit tot de EER- en EFTA-landen die de verordening op hun grondgebied ten uitvoer hebben gelegd.
Amendement 212
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 bis (nieuw)
Artikel 50 bis
Energiegemeenschap
Binnen... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] dient de Commissie een voorstel in om de verordening op te nemen in de energiegemeenschap op grond van artikel 79 van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap. Na de opneming bij besluit van de ministerraad van de energiegemeenschap, en onder voorbehoud van eventuele wijzigingen overeenkomstig artikel 24 van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap, strekken de verplichtingen van de lidstaten ten aanzien van andere lidstaten uit hoofde van deze verordening zich ook uit tot de overeenkomstsluitende partijen bij de energiegemeenschap die de verordening op hun grondgebied ten uitvoer hebben gelegd.
Amendement 213
Voorstel voor een verordening
Artikel 51
Artikel 51
Artikel 51
Overgangsbepalingen
Overgangsbepalingen
In afwijking van artikel 50 van deze verordening, blijven artikel 7 en artikel 17, lid 1, onder a) en d), van Verordening (EU) nr. 525/2013 van toepassing op de verslagen met de gegevens die op grond van die artikelen vereist zijn voor de jaren 2018, 2019 en 2020.
In afwijking van artikel 50 van deze verordening, blijven artikel 7 en artikel 17, lid 1, onder a) en d), van Verordening (EU) nr. 525/2013 van toepassing op de verslagen met de gegevens die op grond van die artikelen vereist zijn voor de jaren 2018, 2019 en 2020.
Artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) nr. 525/2013 blijft van toepassing wat de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto betreft.
Artikel 19 van Verordening (EU) nr. 525/2013 blijft van toepassing op de evaluaties van de broeikasgasinventarisatiegegevens voor de jaren 2018, 2019 en 2020.
Artikel 19 van Verordening (EU) nr. 525/2013 blijft van toepassing op de evaluaties van de broeikasgasinventarisatiegegevens voor de jaren 2018, 2019 en 2020.
Artikel 22 van Verordening (EU) nr. 525/2013 blijft van toepassing op de indiening van het verslag dat uit hoofde van dat artikel is vereist.
Artikel 22 van Verordening (EU) nr. 525/2013 blijft van toepassing op de indiening van het verslag dat uit hoofde van dat artikel is vereist.
Artikel 26, lid 1, van Verordening (EU) nr. 525/2013 blijft van toepassing voor de toepassing van de artikelen 15, 17, 23, 31 en 32 van deze verordening alsook wanneer er in andere rechtshandelingen van de Unie naar wordt verwezen.
Amendement 214
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 1 – punt 1.3 – punt iii
iii.  raadpleging van belanghebbenden, waaronder de sociale partners, en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld;
iii.  raadpleging van belanghebbenden, waaronder de sociale partners, en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en het grote publiek;
Amendement 215
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 1 – punt 1.4 – titel
1.4.  Regionale samenwerking bij de opstelling van het plan
1.4.  Macroregionale en regionale samenwerking bij de opstelling van het plan
Amendement 216
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 1 – punt 1.4 – punt ii
ii.  toelichting van de wijze waarop de resultaten van die regionale samenwerking zijn meegenomen in het plan
ii.  toelichting van de wijze waarop de resultaten van die macroregionale en regionale samenwerking zijn meegenomen in het plan
Amendement 217
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.1 – punt 2.1.1 – titel
2.1.1.  BKG-emissies en -verwijderingen (plan voor de periode 2021-2030, kaderregeling 2030 met een streefcijfer van ten minste 40 % voor de reductie van de uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990)1
2.1.1.  BKG-emissies en -verwijderingen1
__________________
__________________
1 De samenhang moet worden gewaarborgd met de lage-emissiestrategieën op lange termijn overeenkomstig artikel 14.
1 De samenhang moet worden gewaarborgd met de lage-emissiestrategieën op lange termijn overeenkomstig artikel 14.
Amendement 218
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.1 – punt 2.1.1 – punt i bis (nieuw)
i bis.  De nationale trajecten van de lidstaat vanaf 2021 voor het handhaven en verbeteren van de koolstofverwijderingen per put overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs
Amendement 219
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.1 – punt 2.1.1 – punt ii
ii.  Indien van toepassing, andere nationale doelstellingen en streefcijfers die overeenstemmen met de bestaande lage-emissiestrategieën op lange termijn. Indien van toepassing, andere doelstellingen en streefcijfers, m.i.v. sectorale doelstellingen en adaptatiedoelstellingen
ii.  Andere nationale doelstellingen en streefcijfers die stroken met de Overeenkomst van Parijs en de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn. Indien van toepassing, andere doelstellingen en streefcijfers, m.i.v. sectorale doelstellingen en adaptatiedoelstellingen
Amendement 220
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.1 – punt 2.1.2 – punt i
i.  het geplande aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto eindenergieverbruik van de lidstaat in 2030 als zijn nationale bijdrage tot het bereiken van het bindende EU-streefcijfer van ten minste 27 % in 2030
i.  het nationale streefcijfer voor energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindenergieverbruik van de lidstaat in 2030
Amendement 221
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.1 – punt 2.1.2 – punt iii
iii.  trajecten voor het sectorale aandeel hernieuwbare energie in het eindenergieverbruik van 2021 t.e.m. 2030 in de sectoren vervoer, elektriciteit, verwarming en koeling;
iii.  trajecten van de lidstaat voor het sectorale aandeel hernieuwbare energie in het eindenergieverbruik van 2021 t.e.m. 2030 in de sectoren vervoer (uitgesplitst in weg-, spoor- en luchtvervoer), elektriciteit, verwarming en koeling;
Amendement 222
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.1 – punt 2.1.2 – punt iv
iv.  trajecten voor elke hernieuwbare-energietechnologie die de lidstaten willen gebruiken om de algemene en de sectorale trajecten voor hernieuwbare energie van 2021 t.e.m. 2030 te halen, m.i.v. het verwachte totale bruto-eindverbruik van energie in Mtoe per technologie en per sector en de totale geïnstalleerde capaciteit (gedeeld door de nieuwe capaciteit en capaciteitsverhoging) per technologie en sector in MW;
iv.  trajecten voor elke hernieuwbare-energietechnologie die de lidstaten willen gebruiken om de algemene en de sectorale trajecten voor hernieuwbare energie van 2021 t.e.m. 2030 te halen, m.i.v. het verwachte totale bruto-eindverbruik van energie in Mtoe per technologie en per sector en de totale geïnstalleerde nettocapaciteit (gedeeld door de nieuwe capaciteit en capaciteitsverhoging) per technologie en sector in MW;
Amendement 223
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.1 – punt 2.1.2 – punt v
v.  trajecten voor de vraag naar bio-energie, uitgesplitst tussen verwarming, elektriciteit en vervoer, en voor het aanbod van biomassa uitgesplitst op basis van grondstof en oorsprong (binnenlandse productie vs. invoer). Voor bosbiomassa afkomstig van bossen, een beoordeling van de bron en de gevolgen voor de emissieput van de LULUCF;
v.  Trajecten van de lidstaten voor bio-energie, uitgesplitst tussen verwarming, elektriciteit en vervoer, en voor het aanbod van biomassa uit grondstoffen, binnenlandse productie vs. invoer. Voor bosbiomassa afkomstig van bossen, een beoordeling van de bron en de gevolgen voor de emissieput van de LULUCF;
Amendement 224
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.1 – punt 2.1.2 – punt v bis (nieuw)
v bis.  Het aandeel van de lidstaat in en de trajecten en doelstellingen voor energie uit hernieuwbare bronnen geproduceerd door steden, energiegemeenschappen en prosumenten in 2030 en trajecten voor hernieuwbare energie van 2021 tot en met 2030, met inbegrip van het verwachte totale bruto-eindverbruik van energie
Amendement 225
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.1 – punt 2.1.2 – punt vi
vi.  Indien van toepassing, andere nationale trajecten en doelstellingen, ook op lange termijn of per sector (b.v. het aandeel geavanceerde biobrandstoffen, het aandeel hernieuwbare energie in stadsverwarming, het gebruik van hernieuwbare energie in gebouwen, hernieuwbare energie die wordt geproduceerd door steden, energie-gemeenschappen en zelfverbruikers)
vi.  Indien van toepassing, andere nationale trajecten en doelstellingen, ook op lange termijn of per sector (b.v. het aandeel geavanceerde biobrandstoffen, het aandeel hernieuwbare energie in stadsverwarming, het gebruik van hernieuwbare energie in gebouwen, en energie die wordt teruggewonnen uit het slib dat wordt verkregen bij de verwerking van afvalwater)
Amendement 226
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.2 – punt i
i.  de indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdrage tot het behalen van de bindende EU-doelstelling van 30 % meer energie-efficiëntie in 2030, als bedoeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU [versie als gewijzigd overeenkomstig voorstel COM(2016)0761] op basis van het primaire of eindenergieverbruik, de primaire of eindenergiebesparing, of de energie-intensiteit; uitgedrukt als absoluut niveau van primair energieverbruik en eindenergieverbruik in 2020 en 2030, met een lineair traject voor die bijdrage vanaf 2021; m.i.v. de onderliggende methodologie en de gebruikte omrekeningsfactoren;
i.   het bindende streefcijfer van de lidstaat voor energie-efficiëntie in 2030, als bedoeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU [versie als gewijzigd overeenkomstig voorstel COM(2016)0761], uitgedrukt als absoluut niveau van primair energieverbruik en eindenergieverbruik in 2020 en 2030, met een lineair traject voor dat streefcijfer vanaf 2021; m.i.v. de onderliggende methodologie en de gebruikte omrekeningsfactoren;
Amendement 227
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.2 – punt ii
ii.  het cumulatieve bedrag aan energiebesparingen dat in de periode 2021-2030 moet worden bereikt op grond van artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [versie als gewijzigd overeenkomstig voorstel COM(2016)0761];
ii.  het cumulatieve bedrag aan extra energiebesparingen dat in de periode en de daarop volgende perioden moet worden bereikt op grond van artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [versie als gewijzigd overeenkomstig voorstel COM(2016)0761];
Amendement 228
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.2 – punt iii
iii.  de langetermijndoelstellingen voor de renovatie van het nationale bestand van woningen en bedrijfsgebouwen (zowel publieke als particuliere gebouwen);
iii.  de doelstellingen voor 2030 en 2040 voor de langetermijnrenovatie van het nationale bestand van woningen en niet voor bewoning bestemde gebouwen (zowel publieke als particuliere gebouwen), in overeenstemming met de 2050-doelstelling van een bijna-energieneutraal en koolstofvrij gebouwenbestand;
Amendement 229
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.2 – punt iv
iv.  de totale vloeroppervlakte die moet worden gerenoveerd of het equivalent aan jaarlijkse energiebesparingen dat van 2021 t.e.m. 2030 moet worden bereikt overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2012/27/EU inzake de voorbeeldfunctie van overheidsgebouwen;
iv.  de totale vloeroppervlakte die moet worden gerenoveerd en de overeenkomstige energiebesparingen of het equivalent aan jaarlijkse energiebesparingen die van 2021 t.e.m. 2030 moeten worden bereikt overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2012/27/EU inzake de voorbeeldfunctie van overheidsgebouwen;
Amendement 230
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.3 – punt i
i.  de nationale doelstellingen met betrekking tot de diversificatie van energiebronnen en leveranciers uit derde landen, vraagrespons en opslag;
i.  de nationale doelstellingen met betrekking tot de diversificatie van energiebronnen en leveranciers uit derde landen, de toepassing van energiebesparingsmaatregelen, vraagrespons en opslag;
Amendement 231
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.3 – punt ii
ii.  nationale doelstellingen met betrekking tot het terugschroeven van de afhankelijkheid van energie-invoer uit derde landen;
ii.  nationale doelstellingen met betrekking tot het terugschroeven van de afhankelijkheid van energie-invoer uit derde landen, met name wat fossiele brandstoffen (olie, steenkool en gas) en, indien van toepassing, andere brandstoffen betreft;
Amendement 232
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.3 – punt iv
iv.  nationale doelstellingen voor de uitbouw van binnenlandse energiebronnen (met name hernieuwbare energie).
iv.  nationale doelstellingen voor het vergroten van de flexibiliteit van het nationale energiesysteem.
Amendement 233
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.4 – punt 2.4.1 – punt i
i.  het niveau van elektriciteitsinterconnectie waar de lidstaten tegen 2030 naar streven ten opzichte van de doelstelling van de Europese Raad van oktober 2014.
i.   het niveau van elektriciteitsinterconnectie van minstens 15 % waar de lidstaat tegen 2030 naar streeft, rekening houdend met het streefcijfer van 10 % interconnectiviteit tegen 2020.
Amendement 234
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.4 – punt 2.4.2 – punt i
i.  de belangrijkste nationale doelstellingen voor elektriciteits- en gastransmissie-infrastructuur die essentieel zijn voor het behalen van de doelstellingen en streefcijfers van de verschillende dimensies van de strategie voor de energie-unie;
i.  de belangrijkste nationale doelstellingen voor elektriciteits- en gastransmissie- en distributie-infrastructuur en de modernisering daarvan die nodig zijn voor het behalen van de doelstellingen en streefcijfers in het kader van een van de in punt 2 genoemde dimensies van de energie-unie;
Amendement 235
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.4 – punt 2.4.3 – punt i
i.  nationale doelstellingen met betrekking tot andere aspecten van de interne energiemarkt, zoals marktintegratie en -koppeling, m.i.v. een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
i.  nationale doelstellingen met betrekking tot andere aspecten van de interne energiemarkt, zoals het vergroten van de flexibiliteit van het systeem, door marktintegratie en -koppeling, slimme netten, aggregatie, vraagrespons, opslag, verspreide opwekking, mechanismen voor dispatching, redispatching en beperking, en realtime prijssignalen, m.i.v. een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
Amendement 236
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.4 – punt 2.4.3 – punt i bis (nieuw)
i bis.  nationale doelstellingen met betrekking tot de niet-discriminerende participatie van hernieuwbare energie, vraagrespons en opslag, onder meer via aggregatie, in alle energiemarkten, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
Amendement 237
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.4 – punt 2.4.3 – punt i ter (nieuw)
i ter.  nationale doelstellingen om ervoor te zorgen dat consumenten participeren in het energiesysteem en profijt trekken van zelfopwekking en nieuwe technologieën, waaronder slimme meters;
Amendement 238
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.4 – punt 2.4.3 – punt iii
iii.  nationale doelstellingen inzake consumentenbescherming en het concurrentievermogen van de kleinhandel in de energiesector.
iii.  nationale doelstellingen inzake consumentenbescherming, een grotere transparantie, het aanmoedigen om van leverancier te veranderen en het verhogen van het concurrentievermogen van de kleinhandel in de energiesector.
Amendement 240
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.5 – punt i
i.  nationale doelstellingen en streefcijfers voor de openbare en particuliere financiering van onderzoek en innovatie in verband met de energie-unie, waaronder, in voorkomend geval, een termijn waarbinnen de doelstellingen moeten worden verwezenlijkt; conform de prioriteiten van de strategie voor de energie-unie en het SET-plan;
i.  nationale doelstellingen en streefcijfers voor openbare steun voor onderzoek en innovatie in verband met de energie-unie en het verwachte hefboomeffect op particuliere financiering van onderzoek, waaronder, in voorkomend geval, een termijn waarbinnen de doelstellingen moeten worden verwezenlijkt; conform de prioriteiten van de strategie voor de energie-unie en het SET-plan;
Amendement 241
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 2 – punt 2.5 – punt ii
ii.  voor zover passend, nationale doelstellingen, waaronder langetermijndoelstellingen (2050) voor de uitrol van koolstofarme technologieën, o.a. voor het koolstofvrij maken van de energie- en koolstofintensieve industriesectoren en, indien van toepassing, voor de daarmee samenhangende infrastructuur voor het transport en de opslag van koolstof;
ii.  nationale doelstellingen voor 2050 met betrekking tot de bevordering van duurzame technologieën;
Amendement 242
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.1 – punt 3.1.1
3.1.1.  BKG-emissies en -verwijderingen (voor het plan voor 2021-2030, de kaderdoelstelling 2030)
3.1.1.  BKG-emissies en -verwijderingen
i.  Beleidsinitiatieven en maatregelen ter verwezenlijking van de op grond van Verordening [ ] [ESR] vastgestelde doelstellingen, als bedoeld in 2.1.1 en beleidsinitiatieven en maatregelen voor de naleving van Verordening [ ] [LULUCF ], voor alle belangrijke emissiesectoren en sectoren waar de verwijdering moet worden opgevoerd, in het licht van de langetermijndoelstelling om over een periode van 50 jaar te evolueren naar een koolstofarme economie met een evenwicht tussen emissies en verwijderingen conform de Overeenkomst van Parijs
i.  Beleidsinitiatieven en maatregelen ter verwezenlijking van de op grond van Verordening [ ] [ESR] vastgestelde doelstellingen, als bedoeld in 2.1.1 en beleidsinitiatieven en maatregelen voor de naleving van Verordening [ ] [LULUCF ], en de trajecten voor het handhaven en verbeteren van de verwijderingen per put als bedoeld in 2.1.1, voor alle belangrijke emissiesectoren en sectoren waar de verwijdering moet worden opgevoerd, in het licht van de langetermijndoelstelling om uiterlijk in 2050 broeikasgasneutraliteit in de Unie te verwezenlijken en spoedig daarna tot negatieve emissies te komen
ii.  regionale samenwerking op dit gebied;
ii.  regionale samenwerking op dit gebied;
iii.  indien van toepassing, onverminderd de toepasselijkheid van de regels inzake staatssteun, financieringsmaatregelen op dit gebied op nationaal niveau, waaronder EU-steun en het gebruik van EU-fondsen.
iii.  onverminderd de toepasselijkheid van de regels inzake staatssteun, financieringsmaatregelen op dit gebied op nationaal niveau, waaronder EU-steun en het gebruik van EU-fondsen, indien van toepassing.
Amendement 243
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.1 – punt 3.1.2 – punt i
i.  beleid en de maatregelen ter verwezenlijking van de nationale bijdrage aan de bindende EU-doelstelling 2030 op het gebied van hernieuwbare energie en de trajecten zoals voorgesteld in 2.1.2 m.i.v. sector- en technologiespecifieke maatregelen6;
i.  beleid en de maatregelen ter verwezenlijking van het nationale streefcijfer voor 2030 en de bindende EU-doelstelling voor 2030 op het gebied van hernieuwbare energie en de trajecten zoals voorgesteld in 2.1.2 m.i.v. sector- en technologiespecifieke maatregelen6;
__________________
__________________
6 Bij het plannen van die maatregelen houden de lidstaten rekening met het einde van de levensduur van bestaande installaties en de mogelijkheden voor capaciteitsverhoging.
6 Bij het plannen van die maatregelen houden de lidstaten rekening met het einde van de levensduur van bestaande installaties en de mogelijkheden voor capaciteitsverhoging.
Amendement 244
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.1 – punt 3.1.2 – punt iii
iii.  specifieke maatregelen voor financiële steun, m.i.v. EU-steun en het gebruik van EU-fondsen, ter bevordering van de productie en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor elektriciteit, verwarming en koeling, alsmede vervoer;
iii.  specifieke nationale maatregelen voor financiële steun en begrotingsmaatregelen, ook met EU-steun en het gebruik van EU-fondsen, ter bevordering van de productie en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor elektriciteit, verwarming en koeling, alsmede vervoer;
Amendement 245
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.1 – punt 3.1.2 – punt iv
iv.  specifieke maatregelen voor de invoering van een éénloketsysteem, het stroomlijnen van administratieve procedures, het verstrekken van informatie en opleiding, en de bewustmaking van zelfverbruikers en gemeenschappen;
iv.  specifieke maatregelen voor het wegnemen van buitensporige kosten en belemmeringen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in de weg staan en voor de invoering van een éénloketsysteem, het stroomlijnen van administratieve procedures, en het verstrekken van informatie en opleiding; verwacht effect op het gebied van nieuw ontstane capaciteit aan hernieuwbare energie;
Amendement 246
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.1 – punt 3.1.2 – punt iv bis (nieuw)
iv bis.  specifieke maatregelen om alle verbruikers het recht te verlenen en aan te moedigen om verbruikers van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie te worden, zowel individueel als collectief, door hernieuwbare energie te produceren, op te slaan, zelf te verbruiken en te verkopen, en het verwachte effect op het gebied van nieuw ontstane capaciteit aan hernieuwbare energie;
Amendement 247
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.1 – punt 3.1.2 – punt vi bis (nieuw)
vi bis.  andere geplande of vastgestelde maatregelen om hernieuwbare energie te bevorderen, met name, maar niet beperkt tot:
(a)  maatregelen om ervoor te zorgen dat alle overheidsdiensten (op nationaal, regionaal en lokaal niveau) bij hun activiteiten gebruikmaken van hernieuwbare energie;
(b)  bepalingen in de wetgeving betreffende overheidsopdrachten om ervoor te zorgen dat overheidsdiensten (op nationaal, regionaal en lokaal niveau) groene gunningscriteria voor overheidsopdrachten opnemen teneinde rechtspersonen die voor overheidsdiensten willen werken, aan te moedigen om hernieuwbare energiebronnen te gebruiken, ongeacht het te gunnen product of de te gunnen dienst;
(c)  bepalingen betreffende het gebruik van hernieuwbare energie als vereiste voor het ontvangen van overheidssubsidies of -steun, indien van toepassing.
Amendement 248
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.1 – punt 3.1.3 – punt iv bis (nieuw)
iv bis.  geplande nationale beleidslijnen, tijdschema's en maatregelen voor de geleidelijke afbouw van directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen tegen 2020.
Amendement 249
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.2 – inleidende formule
Geplande beleidsinitiatieven, maatregelen en programma’s ter verwezenlijking van de indicatieve nationale energie-efficiëntiedoelstelling 2030 en andere in punt 2.2 voorgestelde doelstellingen, m.i.v. de geplande maatregelen en instrumenten (ook van financiële aard) om de energieprestaties van gebouwen te verbeteren, met name wat betreft het volgende:
Geplande beleidsinitiatieven, maatregelen en programma’s ter verwezenlijking van de bindende nationale energie-efficiëntiedoelstelling 2030 en andere in punt 2.2 voorgestelde doelstellingen, m.i.v. de geplande maatregelen en instrumenten (ook van financiële aard) om de energieprestaties van gebouwen te verbeteren, met name wat betreft het volgende:
Amendement 250
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.2 – punt ii
ii.  de langetermijnstrategie voor de renovatie van het nationale bestand van woningen en bedrijfsgebouwen (zowel publieke als particuliere)7 m.i.v. beleid en maatregelen ter stimulering van kosteneffectieve ingrijpende renovaties en gefaseerde ingrijpende renovaties;
ii.  de langetermijnstrategie voor de renovatie van het nationale bestand van woningen en bedrijfsgebouwen (zowel publieke als particuliere)7 m.i.v. energie-efficiëntie- en energiebesparingsbeleid, ‑maatregelen en acties ter stimulering van kosteneffectieve ingrijpende renovaties en gefaseerde ingrijpende renovaties, alsook ten behoeve van de slechtst presterende gebouwen en huishoudens in energiearmoede;
__________________
__________________
7 Overeenkomstig artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU [versie als gewijzigd overeenkomstig voorstel COM(2016)0765].
7 Overeenkomstig artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU [versie als gewijzigd overeenkomstig voorstel COM(2016)0765].
Amendement 251
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.2 – punt iv
iv.  andere geplande beleidsinitiatieven, maatregelen en programma’s ter verwezenlijking van de indicatieve nationale energie-efficiëntiedoelstelling 2030 en andere in punt 2.2 voorgestelde doelstellingen (bv. het promoten van de voorbeeldfunctie van openbare gebouwen en energie-efficiënte overheidsaankopen, het promoten van energie-audits en energiemanagementsystemen9, het opleiden en informeren van consumenten10 en andere maatregelen om energie-efficiëntie te promoten11);
iv.  andere geplande beleidsinitiatieven, maatregelen en programma’s ter verwezenlijking van de bindende nationale energie-efficiëntiedoelstelling 2030 en andere in punt 2.2 voorgestelde doelstellingen (bv. het promoten van de voorbeeldfunctie van openbare gebouwen en energie-efficiënte overheidsaankopen, het promoten van energie-audits en energiemanagementsystemen9, het opleiden en informeren van consumenten10 en andere maatregelen om energie-efficiëntie te promoten11);
__________________
__________________
9 Overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2012/27/EU.
9 Overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2012/27/EU.
10 Overeenkomstig de artikelen 12 en 17 van Richtlijn 2012/27/EU.
10 Overeenkomstig de artikelen 12 en 17 van Richtlijn 2012/27/EU.
11 Overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2012/27/EU.
11 Overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2012/27/EU.
Amendement 252
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.2 – punt iv bis (nieuw)
iv bis.  beschrijving van de beleidslijnen en maatregelen om de rol van lokale energiegemeenschappen bij de uitvoering van de in de punten i, ii, iii en iv genoemde beleidslijnen en maatregelen te bevorderen.
Amendement 253
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.4 – punt 3.4.3 – punt ii
ii.  maatregelen om het energiesysteem flexibeler te maken ten aanzien van de productie van hernieuwbare energie, m.i.v. de uitrol van intraday-marktkoppeling en grensoverschrijdende balanceringsmarkten;
ii.  maatregelen om het energiesysteem flexibeler te maken ten aanzien van de productie van hernieuwbare energie, m.i.v. de uitrol van intraday-marktkoppeling en grensoverschrijdende balanceringsmarkten, de uitrol van slimme netten en opslag, de toename van vraagrespons en gedistribueerde opwekking, en de aanpassing van de prijsvorming, onder meer door realtime prijssignalen;
Amendement 254
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.4 – punt 3.4.3 – punt ii bis (nieuw)
ii bis.  maatregelen ter waarborging van de niet-discriminerende participatie van energie uit hernieuwbare bronnen, vraagrespons en opslag, onder meer via aggregatie, in alle energiemarkten;
Amendement 255
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.4 – punt 3.4.3 – punt iii
iii.  maatregelen om de prioritaire toegang en de verdeling van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en hoogrenderende warmtekrachtkoppeling te waarborgen en te voorkomen dat die elektriciteit wordt beperkt of teruggestuurd18;
iii.  maatregelen met betrekking tot de aanpassing van regels en praktijken op het gebied van systeembeheer met het oog op een grotere systeemflexibiliteit; maatregelen met betrekking tot de toepassing van dispatchingregels die in overeenstemming zijn met de nationale streefcijfers voor hernieuwbare energie en voor de vermindering van broeikasgasemissies; maatregelen met betrekking tot de toepassing van regels die redispatching en beperking van hernieuwbare energie zo klein mogelijk houden en compenseren; maatregelen om aggregatie te bevorderen18;
__________________
__________________
18 Overeenkomstig [herschikking van Richtlijn 2009/72/EG, als voorgesteld in COM(2016)0864 en herschikking van Verordening (EG) nr. 714/2009 als voorgesteld bij COM(2016)0861]
18 Overeenkomstig [herschikking van Richtlijn 2009/72/EG, als voorgesteld in COM(2016)0864 en herschikking van Verordening (EG) nr. 714/2009 als voorgesteld bij COM(2016)0861]
Amendement 256
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling A – punt 3 – punt 3.5 bis (nieuw)
3.5.  bis. Het beginsel "energie-efficiëntie eerst"
beschrijving van de wijze waarop in de dimensies en de beleidslijnen en maatregelen rekening wordt gehouden met het beginsel "energie-efficiëntie eerst"
Amendement 257
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling B – punt 4 – punt 4.4 – punt i
i.  de huidige energiemix, binnenlandse energiebronnen en afhankelijkheid van invoer, m.i.v. relevante risico’s;
i.  de huidige energiemix, binnenlandse energiebronnen, m.i.v. vraagrespons, en afhankelijkheid van invoer, m.i.v. relevante risico’s;
Amendement 258
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling B – punt 4 – punt 4.6 – punt iii bis (nieuw)
iii bis.  een overzicht van nationale subsidies voor fossiele brandstoffen.
Amendement 259
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling B – punt 4 – punt 4.6 – punt iv
iv.  prognoses van de ontwikkelingen in i) t.e.m. iii) met bestaande beleidslijnen en maatregelen tot ten minste 2040 (m.i.v. het jaar 2030).
iv.  prognoses van de ontwikkelingen in i) t.e.m. iii bis) met bestaande beleidslijnen en maatregelen tot ten minste 2040 (m.i.v. het jaar 2030).
Amendement 260
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling B – punt 4 – punt 4.6 bis (nieuw)
4.6.  bis. Het beginsel "energie-efficiëntie eerst"
beschrijving van de wijze waarop in de dimensies en de beleidslijnen en maatregelen rekening wordt gehouden met het beginsel "energie-efficiëntie eerst"
Amendement 261
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling B – punt 5 – titel
5.  EFFECTBEOORDELING VAN GEPLANDE BELEIDSINITIATIEVEN EN MAATREGELEN29
5.  EFFECTBEOORDELING VAN GEPLANDE BELEIDSINITIATIEVEN, MAATREGELEN EN INVESTERINGSSTRATEGIEËN29
__________________
__________________
29 Beleidslijnen en maatregelen zijn opties waarover overleg wordt gepleegd en die een realistische kans maken om te worden goedgekeurd en uitgevoerd na de datum van indiening van het nationaal plan. De resulterende voorspellingen overeenkomstig 5.1, punt i), omvatten dan ook niet alleen ingevoerde en vastgestelde beleidslijnen en maatregelen (prognoses met bestaande beleidslijnen en maatregelen), maar ook geplande initiatieven en maatregelen.
29 Beleidslijnen en maatregelen zijn opties waarover overleg wordt gepleegd en die een realistische kans maken om te worden goedgekeurd en uitgevoerd na de datum van indiening van het nationaal plan. De resulterende voorspellingen overeenkomstig 5.1, punt i), omvatten dan ook niet alleen ingevoerde en vastgestelde beleidslijnen en maatregelen (prognoses met bestaande beleidslijnen en maatregelen), maar ook geplande initiatieven en maatregelen.
Amendement 262
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling B – punt 5 – punt 5.1
5.1.  Gevolgen van geplande beleidslijnen en de in deel 3 beschreven maatregelen op het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen, m.i.v. vergelijkingen met prognoses met bestaande initiatieven en maatregelen (als beschreven in deel 4).
5.1.  Gevolgen van geplande beleidslijnen en de in deel 3 beschreven maatregelen en investeringsstrategieën op het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen, m.i.v. vergelijkingen met prognoses met bestaande initiatieven en maatregelen (als beschreven in deel 4).
Amendement 263
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling B – punt 5 – punt 5.1 – punt ii
ii.  beoordeling van de beleidsinteracties (tussen bestaande en geplande beleidsinitiatieven en maatregelen binnen een beleidsdimensie en tussen bestaande en geplande initiatieven en maatregelen van verschillende dimensies) minstens tot het laatste jaar van de looptijd van het plan.
ii.  beoordeling van de beleidsinteracties (tussen bestaande en geplande beleidsinitiatieven en maatregelen binnen een beleidsdimensie en tussen bestaande en geplande initiatieven en maatregelen van verschillende dimensies) minstens tot het laatste jaar van de looptijd van het plan, met name om een duidelijk inzicht te krijgen in de effecten van energie-efficiëntie-/energiebesparingsbeleid op de omvang van het energiesysteem en om het risico van mislukte investeringen in energieopwekking te voorkomen.
Amendement 264
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling B – punt 5 – punt 5.1 – punt ii bis (nieuw)
ii bis.  beoordeling van interacties tussen bestaande en geplande nationale beleidslijnen en maatregelen en de klimaat- en energiebeleidsmaatregelen van de Unie.
Amendement 265
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling B – punt 5 – punt 5.2 bis (nieuw)
5.2  bis. Gezondheid en welzijn
i.  Effecten op de luchtkwaliteit en verwante gezondheidseffecten
ii.  Andere effecten op gezondheid en welzijn (bv. waterverontreiniging, geluidsoverlast of andere vormen van verontreiniging, meer verplaatsingen te voet of met de fiets, woon-werkverkeer of andere wijzigingen op het gebied van vervoer, enz.).
Amendement 266
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling B – punt 5 – punt 5.2 ter (nieuw)
5.2  ter. Milieueffecten
i.  Details van strategische milieubeoordelingen of milieu-effectbeoordelingen van de strategie of de nationale plannen
ii.  Aspecten op het gebied van water, bv. vraag naar water of waterwinning (met inachtneming van de mogelijke toekomstige klimaatverandering), effecten van waterkracht- of getijdenenergie op water- en mariene habitats, enz.;
iii.  milieueffecten (en klimaateffecten) van een groter gebruik van bio-energie (biobrandstoffen uit gewassen, bosbiomassa enz.) en verband met de strategie voor verwijderingen in de landgebruiksector.
Amendement 267
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – deel 1 – afdeling B – punt 5 – punt 5.2 quater (nieuw)
5.2.  quater. Effecten op het vlak van investeringen
i.  bestaande investeringsstromen;
ii.  toekomstige geplande investeringen voor de geplande beleidslijnen en maatregelen, m.i.v. het risicoprofiel van de geplande beleidslijnen en maatregelen;
iii.  risicofactoren van de betreffende sector of markt of belemmeringen op nationaal (of macroregionaal) gebied;
iv.  analyse van aanvullende financiële overheidssteun of overheidsmiddelen om de onder iii vastgestelde tekortkomingen te verhelpen;
v.  kwalitatieve beoordeling van het investeerdersvertrouwen, m.i.v. zichtbaarheid van een projectenpijplijn en haalbaarheid of aantrekkelijkheid van investeringsmogelijkheden;
vi.  beoordeling van het voorgaande jaar ten aanzien van de prognoses, vooruitzichten, m.i.v. belangrijke factoren waarmee investeerders te maken hebben.
Amendement 294/rev
Voorstel voor een verordening
Bijlage I bis (nieuw)
Bijlage I bis
NATIONALE TRAJECTEN VOOR HET AANDEEL ENERGIE UIT HERNIEUWBARE BRONNEN IN HET BRUTO-EINDVERBRUIK VAN ENERGIE TUSSEN 2020 EN 2030
Het in artikel 4, onder a), punt 2, tweede alinea, bedoelde traject bestaat uit de volgende twee referentiepunten:
S2020 + 0,20 (S2030 – S2020), als gemiddelde voor de periode 2021 tot en met 2022;
S2020 + 0,45 (S2030 – S2020), als gemiddelde voor de periode 2023 tot en met 2025; en
S2020 + 0,70 (S2030 – S2020), als gemiddelde voor de periode 2025 tot en met 2027;
Waarbij:
S2020 = het streefcijfer voor die lidstaat in 2020 overeenkomstig artikel 3 en bijlage I, deel A van Richtlijn .../... [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG als voorgesteld bij COM(2016)0767]
en
S2030 = het streefcijfer voor die lidstaat in 2030.
Amendement 270
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 1 – letter b
(b)  omvang van de verkoop van energie voor vervoer die buiten de berekening wordt gehouden [in ktoe];
(b)   omvang van de verkoop van energie voor vervoer die buiten de berekening wordt gehouden, in voorkomend geval [in ktoe];
Amendement 271
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 1 – letter c
(c)  hoeveelheid energie die wordt opgewekt voor eigen gebruik en die buiten de berekening wordt gehouden [in ktoe];
(c)  hoeveelheid energie die wordt opgewekt voor eigen gebruik en die buiten de berekening wordt gehouden, in voorkomend geval [in ktoe];
Amendement 272
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 1 – letter f – inleidende formule
(f)  toepassing van vrijstellingen b), c), d) en e) als bedoeld in artikel 7, leden 2 en 3, van Richtlijn 2012/27/EU:
(f)  de omvang van de verkoop van energie of de hoeveelheid energiebesparingen [in ktoe] die is vrijgesteld krachtens artikel 7, leden 2 en 3, van Richtlijn 2012/27/EU;
Amendement 274
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 1 – letter f – punt ii
(ii)  hoeveelheid energiebesparingen [in ktoe] die in de omzetting, de distributie en het transport van energie zijn bereikt overeenkomstig punt c),
Schrappen
Amendement 275
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 1 – letter f – punt iii
(iii)  hoeveelheid energiebesparingen [in ktoe] die voortvloeien uit afzonderlijke maatregelen die zijn uitgevoerd sedert 31 december 2008 en die in 2020 en daarna nog steeds een effect hebben, en overeenkomstig punt d);
Schrappen
Amendement 276
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 1 – letter f – punt iv
(iv)  de hoeveelheid op of in gebouwen opgewekte energie voor eigen gebruik dankzij beleidsmaatregelen ter bevordering van nieuwe installatie van hernieuwbare energietechnologieën overeenkomstig punt e) [in ktoe].
Schrappen
Amendement 277
Voorstel voor een verordening
Bijlage II bis (nieuw)
Bijlage II bis
ALGEMEEN KADER VOOR KLIMAAT- EN ENERGIESTRATEGIEËN OP LANGE TERMIJN
1.  OVERZICHT EN PROCEDURE VOOR DE ONTWIKKELING VAN DE STRATEGIEËN
1.1.  Samenvatting
1.2.  Context
1.2.1.  Nationale, EU- en internationale beleidscontext van de langetermijnstrategieën
1.2.2.  Wettelijk kader
1.3.  Raadplegingen
1.3.1.  Raadpleging van het publiek en de belanghebbenden (nationaal parlement, lokaal en regionaal, publieke en andere relevante belanghebbenden)
1.3.2.  Raadpleging van andere lidstaten, derde landen en EU-instellingen
2.  NATIONALE KLIMAAT- EN ENERGIESTRATEGIEËN OP LANGE TERMIJN
2.1.  TOTALE BROEIKASGASEMISSIEREDUCTIE EN VERBETERINGEN VAN VERWIJDERINGEN PER PUT
2.1.1.  Koolstofbudget tot 2100 in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs
2.1.2.  Traject om tegen 2050 op kosteneffectieve wijze broeikasgasneutraliteit tot stand te brengen en spoedig daarna tot negatieve emissies te komen
2.1.3.  nationaal streefcijfer voor 2030 en mijlpalen voor ten minste 2040 en 2050 in overeenstemming met het in punt 2.1.2 bedoelde traject
2.1.4.  Internationale dimensie
2.1.5.  Doelstellingen voor aanpassing op lange termijn
2.2.  HERNIEUWBARE ENERGIE
2.2.1.  Traject om tegen 2050 een op hernieuwbare energiebronnen gebaseerd energiesysteem te verwezenlijken wat het bruto-eindverbruik van energie betreft
2.2.2.  Nationaal streefcijfer voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in 2030 en mijlpalen voor ten minste 2035, 2040 en 2045 in overeenstemming met het in punt 2.1.2 bedoelde traject
2.3.  ENERGIE-EFFICIËNTIE
2.3.1.  Traject voor het verwezenlijken van de meest energie-efficiënte economie tegen 2050 in overeenstemming met de in de punten 2.1.2 en 2.2.1 bedoelde doelstellingen
2.3.2.  Nationaal streefcijfer voor energie-efficiëntie, uitgedrukt als absoluut niveau van primair energieverbruik en eindenergieverbruik in 2030 en mijlpalen voor ten minste 2035, 2040 en 2045
3.  SECTORALE STRATEGIEËN
3.1.  Energiesysteem
3.1.1.  Waarschijnlijke toekomstige vraag, per energiedrager
3.1.2.  Waarschijnlijke toekomstige opwekkingscapaciteit, m.i.v. centrale en gedistribueerde opslag, per technologie
3.1.3.  Geplande of waarschijnlijke toekomstige emissietrajecten of bereik
3.1.4.  Beschrijving van de belangrijkste drijvende factoren achter energie-efficiëntie, flexibiliteit aan de vraagzijde en energieverbruik en de ontwikkeling daarvan vanaf 2021 en daarna
3.1.5.  Overzicht van de geplande beleidslijnen en maatregelen om tegen 2050 het in punt 2.2.1 bedoelde op hernieuwbare energiebronnen gebaseerd energiesysteem te verwezenlijken wat het bruto-eindverbruik van energie betreft en de meest energie-efficiënte en flexibele economie tot stand te brengen, met de trajecten per technologie
3.2.  Industrie
3.2.1.  Verwachte emissietrajecten per sector en energievoorzieningsbronnen
3.2.2.  Opties en beleidsbenaderingen voor decarbonisatie en bestaande streefcijfers, plannen of strategieën, m.i.v. elektrificatie, alternatieve brandstoffen, energie-efficiëntiemaatregelen enz.
3.3.  Gebouwen
3.3.1.  Waarschijnlijke toekomstige energievraag in gebouwen, uitgesplitst per categorie gebouwen, waaronder bedrijfsgebouwen, woningen en overheidsgebouwen
3.3.2.  Toekomstige energievoorzieningsbron
3.3.3.  Potentiële vermindering van de vraag naar energie door de renovatie van bestaande gebouwen en daarmee samenhangende maatschappelijke, economische en milieuvoordelen
3.3.4.  Beleidsmaatregelen om de renovatie van het bestaande gebouwenbestand te bevorderen
3.4.  Vervoer
3.4.1.  Verwachte emissies en energiebronnen per vervoerstype (bv. auto's en bestelwagens, vrachtwagens, scheepvaart, luchtvaart, spoor)
3.4.2.  Opties en beleidsbenaderingen voor decarbonisatie
3.5.  Landbouw en landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF)
3.5.1.  Huidige emissies van alle bronnen en van afzonderlijke broeikasgassen
3.5.2.  Opties en beleidsmaatregelen voor emissiereductie om de verwijderingen per put te handhaven en te verbeteren, met nationale streefcijfers of doelstellingen
3.5.3.  Verbanden met landbouw- en plattelandsontwikkelingsbeleid
3.6.  Sectoroverschrijdende strategie-elementen en andere relevante sectoren
4.  FINANCIERING
4.1.  Ramingen van de benodigde investeringen
4.2.  Beleidslijnen en maatregelen met betrekking tot het gebruik van overheidsfinanciering en stimulansen voor particuliere investeringen
4.3.  Strategieën voor gerelateerd(e) onderzoek, ontwikkeling en innovatie
5.  ANALYTISCHE BASIS EN SOCIAAL-ECONOMISCHE EFFECTEN
5.1.  Modellen, scenario's of analyses waarop de ontwikkeling van de strategie is gebaseerd
5.2.  Concurrentievermogen en economische effecten
5.3.  Gezondheids-, milieu- en sociale effecten
5.4.  Strategie om de veerkracht van de in punt 3 genoemde sectoren op lange termijn te waarborgen
6.  Bijlagen (indien nodig)
6.1.  Ondersteunende analyses
6.1.1.  Nadere gegevens over modellen voor 2050 (m.i.v. aannames) en/of andere kwantitatieve analyses, indicatoren enz.
6.1.2.  Gegevenstabellen of andere technische bijlagen
6.2.  Andere bronnen
Amendement 278
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – deel 1 – letter n
(n)  informatie over de eventuele voornemens van de lidstaat om gebruik te maken van de flexibele instrumenten in artikel 5, leden 4 en 5, van Verordening [ ] [ESR].
(n)  informatie over de eventuele voornemens van de lidstaat om gebruik te maken van de flexibele instrumenten in artikel 5, leden 4 en 5, en artikel 7, van Verordening [ESR] en over het gebruik van inkomsten overeenkomstig artikel 5, lid 5 bis, van Verordening [ ] [ESR].
Amendement 279
Voorstel voor een verordening
Bijlage VII – deel 1 – letter m – punt 1 - letter a
(a)  primaire biomassa uit bossen die rechtstreeks worden gebruikt voor energieproductie:
(a)  primaire biomassa uit bossen die rechtstreeks wordt gebruikt voor energieproductie of voor de productie van verwerkte brandstof op basis van hout:
Amendement 280
Voorstel voor een verordening
Bijlage VII – deel 1 – letter m – punt 1 – letter a – punt iii
iii)  rondhout (opgesplitst in industrieel rondhout en rondhout als brandstof);
iii)   rondhout (opgesplitst in industrieel rondhout, precommercieel dunningshout en rondhout als brandstof);
Amendement 281
Voorstel voor een verordening
Bijlage VII – deel 1 – letter m – punt 2 – letter b bis (nieuw)
(b bis)  mest;
Amendement 282
Voorstel voor een verordening
Bijlage VII – deel 2 – letter b
(b)  de energiebesparing die is behaald middels artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [versie als gewijzigd overeenkomstig voorstel COM(2016)0761] in de jaren X-3 en X-2;
(b)  de totale energiebesparing die is behaald middels artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [als gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761] in het jaar X-3 en X-2, alsook:
i)  de energiebesparing die is behaald met elke beleidslijn, maatregel en individuele actie;
ii)  uitleg over hoe en op basis waarvan deze besparingen zijn geraamd;
iii)  uitleg over de vraag of de lidstaat al dan niet op de goede weg is om de vereiste totale energiebesparing aan het einde van de in artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [als gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761] vastgestelde periode te behalen. Lidstaten die niet op de goede weg zijn, geven aanvullende toelichting bij de corrigerende maatregelen die ze van plan zijn te nemen om de besparingen te realiseren;
iv)  een motivering indien de maatregelen in het voortgangsverslag afwijken van de maatregelen in de kennisgeving van de lidstaat;
Amendement 283
Voorstel voor een verordening
Bijlage VIII – letter b
(b)  het effect van de productie en het gebruik van biomassa op de duurzaamheid in de Unie en in derde landen, waaronder de gevolgen voor de biodiversiteit;
(b)  het effect van de productie en het gebruik van biomassa op de duurzaamheid in de Unie en in derde landen, waaronder de gevolgen voor de biodiversiteit, de water- en luchtkwaliteit en grondgebruiksrechten, rekening houdend met de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG;
Amendement 284
Voorstel voor een verordening
Bijlage VIII – letter f
(f)  ten aanzien van zowel derde landen als lidstaten die een belangrijke bron zijn voor in de Unie verbruikte biobrandstoffen, vloeibare biomassa en brandstoffen uit biomassa, informatie over nationale maatregelen die zijn genomen om te voldoen aan de criteria inzake duurzaamheid en de reductie van broeikasgasemissies die zijn vastgesteld in artikel 26, leden 2 tot en met 7, van [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG als voorgesteld bij COM(2016)0767], voor de bescherming van bodem, water en lucht.
(f)  ten aanzien van zowel derde landen als lidstaten die een bron zijn van grondstoffen voor en van in de Unie verbruikte biobrandstoffen, vloeibare biomassa en brandstoffen uit biomassa, informatie over nationale maatregelen die zijn genomen om te voldoen aan de criteria inzake duurzaamheid en de reductie van broeikasgasemissies die zijn vastgesteld in artikel 26, leden 2 tot en met 7, van [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG als voorgesteld bij COM(2016)0767], voor de bescherming van bodem, water en lucht.
Amendement 285
Voorstel voor een verordening
Bijlage VIII – letter f bis (nieuw)
(f bis)  een evaluatie van de doeltreffendheid van duurzaamheidscriteria inzake bio-energie als vermeld in Richtlijn (EU) .../... [richtlijn hernieuwbare energie] voor de reductie van broeikasgasemissies en de bescherming van koolstofputten, de biodiversiteit, de voedselzekerheid en de grondgebruiksrechten van mensen.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0402/2017).

Laatst bijgewerkt op: 27 september 2018Juridische mededeling - Privacybeleid