Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2015(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0023/2018

Ingediende teksten :

A8-0023/2018

Debatten :

PV 12/03/2018 - 15
CRE 12/03/2018 - 15

Stemmingen :

PV 13/03/2018 - 7.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0066

Aangenomen teksten
PDF 261kWORD 74k
Dinsdag 13 maart 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU
P8_TA(2018)0066A8-0023/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2018 over gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU (2017/2015(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 8 en 10, artikel 153, leden 1 en 2, en de artikelen 157 en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 23 en 33 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie uit 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2016 over gendergelijkheid (00337/2016),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 juli 2015 over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten (SWD(2015)0144),

–  gezien het aan de conclusies van de Raad van 7 maart 2011 gehechte Europees pact voor gendergelijkheid voor de periode 2011-2020 (07166/2011),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 over het strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 (SWD(2015)0278),

–  gezien het verslag van de Commissie van 2017 over de gelijkheid van mannen en vrouwen in de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2015 getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2017 getiteld "Verslag over de uitvoering van de strategie voor handelsbeleid Handel voor iedereen – Zorgen voor een vooruitstrevend handelsbeleid om de mondialisering in goede banen te leiden" COM(2017)0491,

–  gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad(1),

–  gezien de verordening inzake conflictmineralen (Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden(2)),

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met name artikel 4, lid 1, inzake het verbod op slavernij en dwangarbeid, en artikel 14 inzake het verbod op discriminatie,

–  gezien het VN-verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979,

–  gezien de Verklaring en het Actieprogramma van Peking die op 15 september 1995 tijdens de vierde wereldvrouwenconferentie werden aangenomen, alsmede de daaruit voortkomende documenten die tijdens de bijzondere VN-zittingen Peking +5 (2000), Peking +10 (2005) en Peking +15 (2010) werden aangenomen,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), en artikel 3 daarvan dat "gender" definieert als "de sociaal geconstrueerde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die een bepaalde maatschappij passend acht voor vrouwen en mannen", en het Inter-Amerikaans Verdrag ter voorkoming, bestraffing en uitbanning van geweld tegen vrouwen (Verdrag van Belém do Pará) van 1994,

–  gezien de gemeenschappelijke strategie van 2007 van de EU en haar lidstaten "Hulp voor handel: een sterkere EU-ondersteuning voor handelsgerelateerde behoeften in ontwikkelingslanden" en de mededeling van de Commissie van 13 november 2017 "Welvaart via handel en investeringen – Actualisering van de gezamenlijke EU‑strategie inzake hulp voor handel van 2007" (COM(2017)0667),

–  gezien de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde resolutie getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development",

–  gezien de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen,

–  gezien het OESO-richtsnoer inzake de zorgvuldigheidseisen voor verantwoorde bevoorradingsketens van bodemschatten uit door conflicten getroffen gebieden en risicogebieden,

–  gezien het investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling (2015) van UNCTAD,

–  gezien de belangrijke verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake gendergelijkheid, waaronder het Verdrag betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde (nr. 100), het Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep) (nr. 111), het Verdrag betreffende arbeiders met gezinsverantwoordelijkheid (nr. 156) en het Verdrag inzake de bescherming van het moederschap (nr. 183),

–  gezien hoofdstuk 7 van het actieplan 2015-2017 van de top van de staatshoofden van de EU en de Celac, dat in juni 2015 in Brussel is vastgesteld,

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2006 over de clausule inzake mensenrechten en democratie in EU-overeenkomsten(3),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(4),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden(5),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over de rol van vrouwen in de groene economie(6),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(7),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU(8),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief(9),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014-2015(10),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen(11),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2017 inzake de gevolgen van de internationale handel en het handelsbeleid van de EU voor mondiale waardeketens(12),

–  gezien zijn aanbeveling van 14 september 2017 aan de Raad, de Commissie en de EDEO voor de onderhandelingen over de modernisering van de handelspijler van de Associatieovereenkomst EU-Chili(13),

–  gezien de verklaring van het voorzitterschapstrio over de gelijkheid van vrouwen en mannen, die op 19 juli 2017 werd afgelegd door Estland, Bulgarije en Oostenrijk, de lidstaten die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie bekleden tijdens de periode van l8 maanden van juli 2017 tot en met december 2018,

–  gezien de studie van het International Centre for Research on Women, getiteld "Trade liberalisation & women's reproductive health: linkages and pathways",

–  gezien het Africa Human Development Report 2016 getiteld "Accelerating Gender Equality and Women's Empowerment in Africa"(14),

–  gezien het verslag van de OESO van 2014 "Enhancing Women's Economic Empowerment through Entrepreneurship and Business Leadership in OECD Countries"(15),

–  gezien de resultaten van de recentste internationale debatten op hoog niveau over gender en handel, met bijzondere aandacht voor die welke zijn georganiseerd onder de auspiciën van de EU en de WTO/UNCTAD/ITC, onder meer, in omgekeerde chronologische volgorde, het door de Europese Commissie en het Internationaal Handelscentrum gezamenlijk georganiseerde "International Forum on Women and Trade" (Brussel, juni 2017)(16), de jaarlijkse plenaire vergadering van de Parlementaire Conferentie van de WTO over "Trade as a vehicle of social progress: The gender perspective" (Genève, juni 2016)(17) en de plenaire vergadering van de WTO over "What future for the WTO? Trade and Gender: Empowering Women through Inclusive Supply Chains" (Genève, juli 2015)(18),

–  gezien de toenemende internationale inspanningen om gendergelijkheid te bevorderen met behulp van het handelsbeleid, zoals het programma van UNCTAD inzake gender en ontwikkeling(19) (dat onderzoek omvat over de effecten van handel op vrouwen, een educatief pakket over handel en gender, en onlineopleiding over de creatie van het statuut van "Gender Champions") en de werkterreinen van de Wereldbank, die sinds 2016 alle 14 een genderstrategie omvatten,

–  gezien de discussienota van het Internationaal Centrum voor handel en duurzame ontwikkeling (ICTSD) over "The Gender Dimensions of Global Value Chains" (september 2016)(20),

–  gezien de discussienota van het ICTSD over "The Gender Dimensions of Services" (september 2016)(21),

–  gezien het verslag van VN-Vrouwen uit 2015 getiteld "Progress of the world's women 2015-2016: Transforming economies, realizing rights"(22),

–  gezien de standpuntnota van WIDE+ van 2017 over gendergelijkheid en het EU-handelsbeleid, getiteld "How to transform EU trade policy to protect women’s rights"(23),

–  gezien de studie uit 2016 in opdracht van de getiteld "Gender Equality in Trade Agreements"(24),

–  gezien de studie uit 2015 in opdracht van de Commissie internationale handel van het Parlement en getiteld "The EU's Trade Policy: from gender-blind to gender-sensitive?"(25),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie internationale handel en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0023/2018),

A.  overwegende dat in artikel 8 VWEU is bepaald dat de Europese Unie ernaar streeft bij elk optreden de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden discriminatie, onder meer op grond van geslacht, tegen te gaan;

B.  overwegende dat het handelsbeleid als instrument kan dienen om mondiale en Europese waarden, waaronder gendergelijkheid, te bevorderen; overwegende dat de handels- en investeringsovereenkomsten van de EU en het desbetreffende beleid niet genderneutraal zijn, in die zin dat ze wegens structurele ongelijkheden andere gevolgen hebben voor vrouwen dan voor mannen; overwegende dat vrouwen worden geconfronteerd met genderspecifieke beperkingen zoals beperkte toegang tot en zeggenschap over middelen, wettelijke discriminatie, en overbelasting doordat ze als gevolg van traditionele genderrollen de onbetaalde zorg voor hun rekening nemen;

C.  overwegende dat gendergelijkheid mannen en vrouwen evenzeer moet aangaan; overwegende dat verbintenissen en partnerschappen tussen belanghebbenden uit de openbare en particuliere sector, op internationaal en lokaal niveau, cruciaal zijn om de nodige synergieën ten gunste van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen te bevorderen en het bewustzijn te vergroten over onderwerpen als: eigendomsrechten; toegang tot financiering, onderwijs en beroepsopleiding; het gedrag van ondernemingen; overheidsopdrachten; de digitale kloof; en culturele vooroordelen;

D.  overwegende dat het handelsbeleid onder andere erop gericht is de duurzame en billijke economische groei en ontwikkeling te bewerkstelligen die nodig zijn voor armoedebestrijding, sociale rechtvaardigheid, fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en betere levensomstandigheden voor vrouwen en mannen, en het beschermen van de rechten van de vrouw; overwegende dat gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen en meisjes niet alleen in alle duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de VN moeten worden geïntegreerd maar ook een op zichzelf staande doelstelling zijn; overwegende dat in de SDG-agenda wordt erkend dat handel bijdraagt tot de bevordering van duurzame en billijke ontwikkeling en kan bijdragen tot de bevordering van de hoogste internationale arbeids- en milieunormen en de mensenrechten; overwegende dat het EU-handelsbeleid een belangrijk onderdeel van het SDG-kader is en dat een krachtig genderperspectief een essentieel element van dat kader is, dat tot doel heeft eerlijkere en gunstigere resultaten voor iedereen te waarborgen; overwegende dat het handelsbeleid vrouwen ook meer kansen kan bieden inzake ondernemerschap, toegang tot leerlingplaatsen en werkgelegenheid;

E.  overwegende dat de complexe verhouding tussen internationale handel en gender een diepgaand inzicht in de werkzame krachten vergt, waarbij de economische en sociale dynamiek in kaart gebracht, geanalyseerd en in de gaten gehouden moet worden om een doeltreffend handelsbeleid met het oog op economische ontwikkeling uit te tekenen waarbij ook de emancipatie van vrouwen en gendergelijkheid worden bevorderd; overwegende dat in het handelsbeleid daarom rekening moet worden gehouden met de directe en indirecte gevolgen op het vlak van gender, alsook met de specifieke lokale context, om de bestaande genderkloven en stereotypen niet groter te maken of te verergeren en de gendergelijkheid proactief te versterken; overwegende dat het succes van het handelsbeleid ook moet worden beoordeeld volgens het criterium of het al dan niet positieve en gelijke gevolgen heeft voor zowel vrouwen als mannen;

F.  overwegende dat economische ontwikkeling en gendergelijkheid vaak gepaard gaan; overwegende dat er een brede consensus over bestaat dat samenlevingen met minder genderongelijkheid meestal sneller groeien;

G.  overwegende dat de gevolgen van de handelsliberalisering voor personen ook afhangen van de geografische plaats waar ze zich bevinden en van de economische sector waarin ze actief zijn; overwegende dat er zowel tussen als binnen landen grote verschillen bestaan op het gebied van productiestructuren, het percentage vrouwen in de beroepsbevolking en welzijnsstelsels; overwegende dat in sectoren als de kleding- en textielproductie, telecommunicatie, toerisme, de zorgeconomie en de landbouw de meeste werknemers van het vrouwelijk geslacht zijn, waar zij vaker dan mannen terechtkomen in vormen van formeel en informeel werk met een laag loon of een lage status; overwegende dat dit kan leiden tot misbruik op de werkplek, discriminatie, gendersegregatie wat het soort werk en activiteiten betreft, genderkloven qua loon en arbeidsvoorwaarden, alsook genderspecifieke beperkingen in de toegang tot productiefactoren, infrastructuur en diensten; overwegende dat vrijhandelsovereenkomsten tot verschuivingen in de werkgelegenheid en banenverlies kunnen leiden, met name in exportgerelateerde sectoren, waarin de meeste werknemers vaak vrouwen zijn; overwegende dat land- en sectorspecifieke genderbeoordelingen daarom een hoge toegevoegde waarde hebben bij het opstellen van handelsovereenkomsten;

H.  overwegende dat de van export afhankelijke werkgelegenheid in de EU in 2011 goed was voor ongeveer 11 % van de banen (1 op 9 banen) waarin vrouwen tewerkgesteld zijn;

I.  overwegende dat volgens een studie van de Commissie uit 2017 nagenoeg 12 miljoen vrouwen in de EU banen hebben die afhangen van de uitvoer van goederen en diensten naar de rest van de wereld(26);

J.  overwegende dat de UNCTAD op grond van op feiten gebaseerde onderzoeken met klem wijst op de beperkingen waarmee vrouwen worden geconfronteerd als zij de door handel geboden kansen grijpen – beperkingen die voortvloeien uit factoren zoals een gebrek aan technische opleiding voor betere banen, een gebrek aan openbare diensten die de huishoudelijke verantwoordelijkheden kunnen verlichten, en beperkte toegang tot en zeggenschap over middelen, waaronder krediet en grond, informatie en netwerken; overwegende dat de UNCTAD op grond hiervan aanbeveelt dat evaluaties rekening moeten houden met de mogelijke gevolgen van het handelsbeleid voor gendergelijkheid en de zelfbeschikking van vrouwen, op terreinen zoals werkgelegenheid, kleine ondernemingen, prijzen, productiviteit in de landbouw, zelfvoorzieningslandbouw en migratie(27);

K.  overwegende dat het huidige EU-handelsbeleid en de strategie "Handel voor iedereen" gebaseerd zijn op drie belangrijke beginselen, namelijk doeltreffendheid, transparantie en waarden, maar geen gendergelijkheidsperspectief bevatten; overwegende dat de Commissie haar engagement inzake gendergelijkheid en de economische empowerment van vrouwen heeft herhaald en uitgebreid in haar evaluatie van de strategie "Hulp voor handel", waarin ze verklaarde dat gendergelijkheid niet alleen een fundamenteel mensenrecht is, maar ook essentieel is voor economische ontwikkeling, en daarnaast het brede scala EU-beleidsinstrumenten merendeels beschikbaar stelde om het totale effect ervan op groei en armoedebestrijding te vergroten; overwegende dat de EU volgens de bepalingen in het CEDAW de grondslag moet leggen voor de verwezenlijking van gendergelijkheid door ervoor te zorgen dat vrouwen gelijke toegang krijgen tot en gelijke kansen krijgen in het politieke, economische en openbare leven, alsook het onderwijs, de gezondheidszorg en tewerkstelling;

L.  overwegende dat vrouwen door handel en handelsovereenkomsten worden getroffen als mogelijke ondernemers, consumenten en (informele) werknemers; overwegende dat er een cruciale behoefte bestaat aan het erkennen en beter begrijpen van genderspecifieke gevolgen van het handelsbeleid teneinde passend te kunnen reageren vanuit het beleid; overwegende dat daartoe een passende methode moet worden uitgewerkt om ervoor te zorgen dat altijd wordt beoordeeld welke gevolgen het handelsbeleid en de handelsovereenkomsten van de EU kunnen hebben voor gendergelijkheid en de rechten van de vrouw; overwegende dat de Commissie kwantitatief, naar gender uitgesplitst onderzoek moet verrichten in sectoren zoals het bedrijfsleven, wetenschap en technologie; overwegende dat de EU tot dusver handelsovereenkomsten heeft gesloten zonder daarbij de effecten op vrouwen en gendergelijkheid te beoordelen; overwegende dat de Commissie heeft aangekondigd dat een gemoderniseerde associatieovereenkomst tussen Chili en de EU voor het eerst voor de EU een speciaal hoofdstuk over gender en handel zal bevatten;

M.  overwegende dat in de duurzaamheidseffectbeoordelingen van handelsovereenkomsten onvoldoende rekening wordt gehouden met gendervraagstukken en vrouwenrechten;

N.  overwegende dat een beoordeling vooraf van de genderimplicaties van het handelsbeleid een bijdrage kan leveren tot de zelfbeschikking en het welzijn van vrouwen en dat dit tegelijkertijd de bestaande ongelijkheden kan verkleinen en kan voorkomen dat de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen toeneemt;

O.  overwegende dat uit een evaluatie van de huidige multilaterale en bilaterale overeenkomsten van de EU blijkt dat in 20 % van de overeenkomsten met niet-Europese handelspartners gewag wordt gemaakt van de rechten van vrouwen, en dat 40 % van deze overeenkomsten verwijzingen ter bevordering van gendergelijkheid bevat; overwegende dat de verwijzingen naar de bevordering van de zelfbeschikking van vrouwen in deze overeenkomsten meestal vrijblijvend zijn en, wanneer ze bindend zijn, in de praktijk niet afdwingbaar zijn; overwegende dat uit een recente studie van de Commissie blijkt dat er tussen mannen en vrouwen nog steeds een kloof bestaat op het gebied van kansen op toegang tot werk; overwegende dat uit het onderzoek blijkt dat door vrouwen meer zeggenschap te geven het mondiale bbp tegen 2025 met 28 miljard USD zou kunnen toenemen en dat dit essentieel is, zowel vanuit economisch perspectief als vanuit sociaal perspectief en vanuit het perspectief van de uitbanning van armoede, gezien de rol die vrouwen vervullen in gemeenschappen;

P.  overwegende dat micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (mkmo's) zowel in de ontwikkelingslanden als in de ontwikkelde landen het leeuwendeel van de particuliere sector vormen en de meeste werkgelegenheid verschaffen; overwegende dat mkmo's volgens het Internationaal Handelscentrum (ITC) samen 95 % van alle bedrijven ter wereld uitmaken, ongeveer 50 % van het mondiale bbp realiseren en meer dan 70 % van de totale werkgelegenheid opleveren; overwegende dat tot wel 40 % van alle mkmo's in handen van vrouwen is, terwijl slechts 15 % van de exportbedrijven geleid wordt door vrouwen; overwegende dat uit cijfers van de OESO echter blijkt dat vrouwelijke ondernemers nog altijd vaak 30 tot 40 % minder verdienen dan hun mannelijke tegenhangers(28);

Q.  overwegende dat het openbaar debat en de reacties in heel Europa betreffende onderhandelingen over handelsovereenkomsten zoals het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP), de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen de EU en Canada en de overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA) hebben aangetoond dat er behoefte is aan transparante en inclusieve onderhandelingen waarbij rekening wordt gehouden met de grote bezorgdheid van Europese burgers in vele landen; overwegende dat geen enkele norm van de EU mag worden verlaagd in het kader van het handelsbeleid van de EU, en dat openbare diensten altijd van handelsbesprekingen moeten worden uitgesloten; overwegende dat elke regeling inzake geschillenbeslechting zo moet worden opgezet dat afzonderlijke regeringen het vermogen behouden om in het openbaar belang regelgeving op te stellen en de doelstellingen van het overheidsbeleid te dienen; overwegende dat vooruitgang te verwachten valt op andere kritieke aandachtsgebieden, zoals het vergroten van de verplichtingen van bedrijven inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen met betrekking tot de mensenrechten; overwegende dat in de context van mondiale waardeketens een mondiale holistische aanpak van de aansprakelijkheid van ondernemingen voor schendingen van de mensenrechten nodig is;

R.  overwegende dat de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven, handel en mensenrechten bindend zijn voor alle staten en alle ondernemingen, ongeacht hun omvang, sector, locatie, eigendom of structuur;

S.  overwegende dat in de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie, vastgesteld door de Raad in 2016, wordt bekrachtigd dat de mensenrechten systematisch moeten worden opgenomen in alle beleidssectoren en instellingen, met inbegrip van internationale handel en het handelsbeleid;

T.  overwegende dat het stelsel van algemene preferenties (SAP) onder meer tot doel heeft tot armoedebestrijding bij te dragen en duurzame ontwikkeling en goed bestuur te bevorderen; overwegende dat SAP+ voorwaarden omvat om te waarborgen dat in aanmerking komende ontwikkelingslanden 27 internationale verdragen inzake mensen- en arbeidsrechten, milieubescherming en goed bestuur ratificeren en ten uitvoer leggen; overwegende dat het van cruciaal belang is regelmatig toezicht te houden op de tenuitvoerlegging ervan, zo nodig maatregelen te nemen en bijzondere aandacht te besteden aan gendergelijkheid; overwegende dat het CEDAW een van de relevante overeenkomsten in het kader van SAP+ is;

U.  overwegende dat meer dan 40 % van de landbouwwerkzaamheden op het zuidelijk halfrond wordt uitgevoerd door vrouwen;

V.  overwegende dat de groei van de wereldhandel en de integratie van de ontwikkelingslanden in de mondiale waardeketens het risico kunnen inhouden dat er genderongelijkheden ontstaan wanneer deze worden gebruikt om concurrerende producten goedkoper te vervaardigen; overwegende dat dit tevens veel vrouwelijke arbeidskrachten in staat heeft gesteld om van de informele naar de formele sector over te stappen; overwegende dat oorsprongsregels steeds belangrijker zijn geworden in de context van mondiale waardeketens, waarbij de productie in verschillende landen gebeurt; overwegende dat duidelijker en nauwkeuriger omschreven oorsprongsregels een kader kunnen scheppen om volledige transparantie en verantwoording in de gehele toeleveringsketen tot stand te brengen, en dat dit positieve gevolgen kan hebben voor vrouwen, vooral als ze in de kledingsector werken;

W.  overwegende dat deze nieuwe handelsgerelateerde werkgelegenheidskansen voor vrouwen in ontwikkelingslanden een belangrijke bijdrage leveren aan het gezinsinkomen en het terugdringen van de armoede;

X.  overwegende dat de kledingsector vooral vrouwen tewerkstelt; overwegende dat eraan moet worden herinnerd dat in september 2012 bij een vuurzee in Karachi, Pakistan, 289 mensen zijn omgekomen, dat in hetzelfde jaar bij een brand in de Tazreen Fashions-fabriek in Bangladesh 117 doden vielen en meer dan 200 werknemers gewond raakten, en dat het Rana Plaza-gebouw, eveneens in Bangladesh, in 2013 ten gevolge van constructiefouten is ingestort, waardoor 1 129 mensen om het leven kwamen en ongeveer 2 500 mensen gewond raakten; overwegende dat in al deze gevallen sprake was van kledingfabrieken;

Y.  overwegende dat de meeste arbeidskrachten in exportproductiezones vrouwen zijn; overwegende dat in de exportproductiezones van bepaalde landen uitzonderingen op de toepassing van de plaatselijke arbeidswetgeving gelden, vakbondsactiviteiten verboden zijn of beperkt worden en geen verhaalmogelijkheden bestaan voor werknemers, hetgeen duidelijk indruist tegen de fundamentele IAO-normen;

Z.  overwegende dat de openbare en particuliere sector, het maatschappelijk middenveld (en met name vrouwenrechtenorganisaties), sociale partners en vakbonden over de kennis en het potentieel beschikken om een cruciale rol te vervullen bij het opstellen en monitoren van het handelsbeleid en het verzamelen van gegevens die informatie kunnen verschaffen over de problemen waarmee vrouwen te kampen hebben met betrekking tot handelsliberalisering, teneinde de rechten en de economische positie van vrouwen te versterken en vrouwelijk ondernemerschap te stimuleren;

AA.  overwegende dat evenementen zoals het door de Commissie op 20 juni 2017 georganiseerde Internationaal forum over vrouwen en handel tal van marktdeelnemers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld de gelegenheid bieden om van gedachten te wisselen en initiatieven op te starten over de gevolgen van de handel voor de gendergelijkheid;

AB.  overwegende dat multilaterale platformen en intergouvernementele fora, zoals de SDG's van de VN en Women20 (W20), cruciaal zijn voor de bevordering van gendergerelateerde discussies en acties onder deskundigen en voor het verschaffen van een goede grondslag voor consensusopbouw;

AC.  overwegende dat openbare diensten, bestaande of toekomstige diensten van algemeen belang, en diensten van algemeen economisch belang moeten worden uitgesloten van de onderhandelingen over en het toepassingsgebied van alle handelsovereenkomsten die door de EU worden gesloten (waaronder onder meer water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg, zorgverlening, sociale diensten, socialezekerheidsstelsels, onderwijs, afvalbeheer en openbaar vervoer); overwegende dat de Commissie heeft toegezegd ervoor te zullen zorgen dat deze diensten de bevoegdheid van de lidstaten blijven en dat regeringen niet kunnen worden verplicht diensten te privatiseren, noch op enig moment mogen worden belet diensten van algemeen belang te definiëren, te reguleren, te verlenen en te ondersteunen;

AD.  overwegende dat de handel in diensten alsook overheidsopdrachten vrouwen onevenredig kunnen treffen, en dat overheidsopdrachten een instrument blijven waarmee regeringen een positieve invloed kunnen uitoefenen op benadeelde groepen, vooral vrouwen; overwegende dat de privatisering van gezondheids- en opvangdiensten de ongelijkheid dreigt te vergroten en negatieve gevolgen kan hebben voor de arbeidsvoorwaarden van tal van vrouwen; overwegende dat een bovengemiddeld aantal vrouwen tewerkgesteld zijn in openbare diensten of in de openbaredienstensector en dat vrouwen, als gebruikers van die diensten, sterker dan mannen afhankelijk zijn van betaalbare, toegankelijke, vraaggestuurde openbare diensten van goede kwaliteit, vooral als het gaat om sociale diensten zoals kinderopvang en de zorg voor personen ten laste; overwegende dat bezuinigingen op de nationale begroting en beperkingen in de openbare dienstverlening, alsook prijsverhogingen, deze zorglast doorgaans vrijwel uitsluitend naar vrouwen doorschuiven, hetgeen bijgevolg de gendergelijkheid in de weg staat;

AE.  overwegende dat het stelsel van intellectuele-eigendomsrechten (IER) bijdraagt tot de kenniseconomie van de EU; overwegende dat IER-bepalingen in verband met octrooien die de productie van generieke geneesmiddelen tegenhouden, van grote invloed kunnen zijn op de specifieke gezondheidseisen van vrouwen; overwegende dat vrouwen meer dan mannen vertrouwen op betaalbare toegang tot gezondheidszorg en op geneesmiddelen en hun beschikbaarheid, vooral met betrekking tot hun seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; overwegende dat de toegang tot geneesmiddelen in niet-EU-landen niet mag worden belemmerd op grond van de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten;

AF.  overwegende dat besluiten inzake handel en handelsovereenkomsten slechts in geringe mate worden genomen door vrouwen aangezien onderhandelingsteams, parlementen en regeringen nog lang geen genderevenwicht hebben bereikt; overwegende dat genderevenwicht in die instellingen niet alleen zou kunnen leiden tot een betere integratie van de gendergelijkheidsproblematiek, maar ook de democratische legitimiteit van de besluitvorming zou verhogen;

AG.  overwegende dat er in de Commissie en de EDEO onvoldoende personeel wordt ingezet om ervoor te zorgen dat een genderperspectief wordt geïntegreerd in het handelsbeleid van de EU en met name in het hele handelsoverleg;

AH.  overwegende dat de Commissie, wanneer zij werkt aan het wettelijke kader van relatief nieuwe handelsbeleidsterreinen zoals elektronische handel, van meet af aan de effecten daarvan op genderrollen, de balans tussen werk en privéleven en de hoeveelheid onbetaald werk moet incalculeren;

AI.  overwegende dat bewezen is dat de handel in conflictmineralen rechtstreeks gekoppeld is aan wijdverspreide mensenrechtenschendingen, waaronder verkrachting en seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes, kinder- en slavenarbeid en gedwongen verplaatsingen van de bevolking;

I.De gendergelijkheid in de handel verbeteren: algemene overwegingen en doelstellingen

1.  benadrukt dat de EU verplicht is een op waarden gebaseerd handelsbeleid te voeren dat onder andere garant staat voor een hoog niveau van bescherming van de arbeids- en milieurechten en de eerbiediging van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten, met inbegrip van gendergelijkheid; wijst erop dat alle EU-handelsovereenkomsten een ambitieus en afdwingbaar hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling moeten bevatten; benadrukt dat handelsverbintenissen in de overeenkomsten van de EU de mensenrechten, vrouwenrechten of milieubescherming nooit terzijde mogen schuiven, en rekening moeten houden met de plaatselijke sociale en economische situatie;

2.  wijst er nogmaals op dat gendergelijkheid stevig verankerd is in alle beleidsmaatregelen van de EU, zoals bepaald bij artikel 8 van het VWEU; merkt op dat dit artikel als volgt luidt: "Bij elk optreden streeft de Unie ernaar de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen."; verzoekt de Commissie de beleidssamenhang tussen verschillende beleidsterreinen, zoals handel, ontwikkeling, landbouw, werkgelegenheid, migratie en gendergelijkheid, te vergroten;

3.  benadrukt dat voor een eerlijk en inclusief internationaal handelsbeleid een duidelijk kader vereist is dat ertoe bijdraagt de zelfbeschikking van vrouwen en hun levens- en arbeidsomstandigheden te verbeteren, de gendergelijkheid te versterken, het milieu te beschermen en de sociale rechtvaardigheid, internationale solidariteit en internationale economische ontwikkeling te bevorderen;

4.  beklemtoont dat de bevordering van wederzijds voordelige economische groei de overkoepelende doelstelling van het handelsbeleid moet zijn; herinnert eraan dat het handelsbeleid weliswaar andere waarden kan bevorderen die de Europese Unie op multilateraal niveau naar voren schuift, maar dat er grenzen zijn aan het oplossen van wereldproblemen via het handelsbeleid en handelsovereenkomsten;

5.  benadrukt dat de nieuwe generatie handelsovereenkomsten relevante internationale normen en rechtsinstrumenten, ook inzake gendergelijkheid, moet bevorderen, zoals het CEDAW, het actieprogramma van Peking, de belangrijkste IAO-verdragen en de SDG's;

6.  benadrukt dat handelsverbintenissen in de overeenkomsten van de EU de mensenrechten nooit terzijde mogen schuiven; is ingenomen met de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en verzoekt de lidstaten overeenkomstig de leidende beginselen van de VN nationale actieplannen vast te stellen en uit te werken, rekening houdend met vrouwenrechten en de noodzaak om gendergerelateerd geweld aan te pakken; vraagt de Commissie handelsbesprekingen aan te wenden om de handelspartners van de EU aan te moedigen zelf nationale actieplannen vast te stellen; steunt de lopende onderhandelingen om een bindend VN‑instrument inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten in het leven te roepen; beklemtoont hoe belangrijk het is dat de EU actief bij dit intergouvernementele proces betrokken is, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de handelspartners aan te moedigen zich constructief in te zetten voor deze onderhandelingen;

7.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat de handelspartners van de EU de artikelen 16 en 17 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens ten volle eerbiedigen, als een middel om gendergerelateerde ongelijkheden op het gebied van sociale en economische rechten tegen te gaan;

8.  merkt op dat alleen de lidstaten bevoegd zijn om de liberalisering van diensten van algemeen belang te regelen en terug te draaien, en verzoekt ze daarom fundamentele doelstellingen zoals gendergelijkheid, mensenrechten en fundamentele vrijheden, volksgezondheid en sociale en milieunormen te beschermen;

9.  benadrukt dat overheden hun vermogen moeten behouden om middelen toe te kennen voor de verwezenlijking van vrouwenrechten en gendergelijkheid om een inclusieve en duurzame toekomst voor gemeenschappen te waarborgen; benadrukt in dit verband het cruciale belang van de eerbiediging, overeenkomstig SDG 17.15, van de democratische beleidsruimte van partnerlanden om regelgeving op te stellen en beslissingen te nemen die passen bij hun eigen nationale context, tegemoet te komen aan de behoeften van hun bevolking en hun verplichtingen op het gebied van mensenrechten en andere internationale verbintenissen na te komen, onder meer op het gebied van gendergelijkheid;

10.  herinnert eraan dat het de Commissie verzocht heeft een einde te maken aan het systeem voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten (ISDS), en onderstreept dat een geschillenbeslechtingsregeling zo moet worden opgezet dat afzonderlijke regeringen het vermogen behouden om in het openbaar belang regelgeving op te stellen en de doelstellingen van het overheidsbeleid na te streven, met inbegrip van maatregelen om gendergelijkheid en sterkere arbeids-, milieu- en consumentenrechten te bevorderen;

11.  merkt op dat bepalingen inzake intellectuele-eigendomsrechten in de handel vaak van invloed zijn op de volksgezondheid en op de specifieke gezondheidseisen van vrouwen; verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat bepalingen inzake intellectuele-eigendomsrechten in handelsovereenkomsten naar behoren rekening houden met vrouwenrechten, met name wat betreft hun invloed op de gezondheid van vrouwen, waaronder toegang tot betaalbare gezondheidszorg en geneesmiddelen; verzoekt de Commissie en de Raad de bescherming van geografische aanduidingen te bevorderen als een bijzonder belangrijk instrument voor de versterking van de positie van plattelandsvrouwen; verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten bovendien de uitbreiding van de bescherming naar niet-landbouwproducten te heroverwegen, aangezien de EU reeds overeengekomen is om niet-landbouwproducten met een geografische aanduiding te beschermen in vrijhandelsovereenkomsten;

12.  herinnert eraan dat er ten behoeve van de SDG's naar gender uitgesplitste gegevens vereist zijn om de voortgang bij de verwezenlijking van alle doelstellingen, ook SDG 5 inzake gendergelijkheid, te kunnen volgen; benadrukt dat er geen adequate gegevens over de gevolgen van handel voor de gendergelijkheid voorhanden zijn, en vraagt om voldoende en adequate naar gender uitgesplitste gegevens over de gevolgen van handel te verzamelen; beklemtoont dat dergelijke gegevens het mogelijk zouden maken een methode met duidelijke en meetbare indicatoren op regionaal, nationaal en sectoraal niveau uit te werken, de analyse te verbeteren en te bepalen welke doelstellingen bereikt en welke maatregelen genomen moeten worden om vrouwen en mannen in gelijke mate voordelen te laten halen uit het handelsverkeer; onderstreept dat bijzondere aandacht moet uitgaan naar de kwantitatieve en kwalitatieve, naar gender uitgesplitste analyse van de arbeidsontwikkelingen, de eigendom van activa en financiële inclusie in sectoren waarop handel van invloed is; spoort de Commissie aan tot samenwerking met Europese en internationale organisaties zoals de Wereldbank, de Verenigde Naties, de OESO en het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), alsook met nationale bureaus voor statistiek, om de verzameling en beschikbaarheid van dergelijke gegevens te verbeteren; verzoekt de EU en haar lidstaten in effectbeoordelingen vooraf en achteraf ook rekening te houden met de land- en sectorspecifieke gendereffecten van het handelsbeleid en de handelsovereenkomsten van de EU; benadrukt dat bij handelsbesprekingen rekening moet worden gehouden met de resultaten van de gendergerichte analyse – met aandacht voor de positieve en negatieve effecten gedurende het hele proces, van de onderhandelingsfase tot de uitvoering – en dat zij gepaard moeten gaan met maatregelen om mogelijke negatieve gevolgen te voorkomen of te compenseren;

II.De gendergelijkheid in de handel verbeteren: sectorspecifieke overwegingen en doelstellingen

13.  onderstreept dat diensten van algemeen belang en diensten van algemeen economisch belang – waaronder onder meer water, sociale diensten, socialezekerheidsstelsels, onderwijs, afvalbeheer, openbaar vervoer en gezondheidszorg – buiten het kader van handelsbesprekingen moeten blijven vallen en tot de bevoegdheid van nationale regeringen moeten blijven behoren; dringt er bij de EU op aan te waarborgen dat handels- en investeringsovereenkomsten niet leiden tot de privatisering van openbare diensten waardoor vrouwen als verleners en afnemers van diensten getroffen kunnen worden en de genderongelijkheid kan toenemen; benadrukt dat de publieke voorziening van sociale diensten met name van groot belang is voor gendergelijkheid, aangezien veranderingen met betrekking tot de toegang tot en de gebruiksvergoedingen voor dergelijke diensten, en de kwaliteit daarvan, kunnen leiden tot een genderonevenwichtige verdeling van onbetaalde zorgtaken; herinnert eraan dat overheden en nationale en lokale autoriteiten het recht en de mogelijkheid moeten behouden om alle maatregelen betreffende de aansturing, organisatie, financiering en verlening van universele toegang tot diensten van algemeen belang en diensten van algemeen economisch belang in te voeren, te reguleren, goed te keuren, te handhaven of af te schaffen;

14.  onderstreept dat het handelsbeleid gevolgen kan hebben voor de toegang tot elementaire gezondheidsdiensten en daardoor van invloed kan zijn op de doelstellingen inzake de toegang tot en de verbetering van reproductieve en seksuele gezondheid en rechten in beleidsmaatregelen, programma's en dienstverlening; benadrukt daarom dat elementaire gezondheidszorg – met name toegang tot diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten – van het handelsoverleg uitgesloten is en onder de bevoegdheid van de lidstaten valt;

15.  dringt aan op bindende, afdwingbare en doeltreffende maatregelen ter bestrijding van de uitbuiting, en ter verbetering van de arbeids- en levensomstandigheden, van vrouwen in exportgerichte sectoren, in overeenstemming met de doelstelling om de levens- en arbeidsomstandigheden van vrouwen in zorgwekkende landen en sectoren te verbeteren, met name in de kleding-, de textiel- en de landbouwsector, om te voorkomen dat de handelsliberalisering bijdraagt tot precaire arbeidsrechten en grotere loonverschillen tussen mannen en vrouwen; meent dat dergelijke maatregelen en de vaststelling van gemeenschappelijke definities een duidelijker en beter gecoördineerde samenwerking met internationale organisaties zoals de VN, de WTO, de IAO en de OESO mogelijk moeten maken; beschouwt het Duurzaamheidspact Bangladesh als een goed voorbeeld en als een stap voorwaarts met het oog op de invoering van een toezichtmechanisme, en dringt aan op volledige naleving van de bepalingen ervan; verzoekt de Commissie, alle internationale actoren en alle betrokken bedrijven in dit verband de nieuwe OESO-richtsnoeren inzake zorgvuldigheidsverplichtingen voor verantwoorde toeleveringsketens in de kleding- en schoenensector te erkennen en na te leven;

16.  vraagt meer aandacht te besteden aan vrouwen die in de informele sector werken, en te erkennen dat er behoorlijker arbeidsnormen voor vrouwelijke arbeidskrachten in deze sector moeten komen;

17.  onderstreept dat vrouwen en meisjes hieronder doorgaans het ergst lijden, aangezien mensenhandel met het oog op uitbuiting door werk sterk gekoppeld is aan mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting;

18.  benadrukt dat de toenemende uitvoer van landbouwproducten doorgaans minder gunstige gevolgen heeft voor vrouwen dan voor mannen, daar uit opkomende trends blijkt dat kleine landbouwers, onder wie vele vrouwen, de concurrentie op overzeese markten vaak niet aankunnen wegens erfrecht en onvoldoende toegang tot krediet, informatie, grond en netwerken, alsook door een gebrek aan mogelijkheden om aan nieuwe regels en normen te voldoen; merkt op dat er bijzondere inspanningen moeten worden geleverd om de positieve gevolgen van handel te verbeteren voor vrouwen in de landbouwsector, waar zij als bijzonder kwetsbaar zijn aangemerkt maar waar zij ook een duidelijk potentieel voor zelfbeschikking hebben; beklemtoont dat bedrijven waarvan een vrouw eigenaar is, baat zouden hebben bij de uitbanning van genderstereotypen, betere markttoegang, vlottere toegang tot financiering, marketingorganisatie en netwerken, en betere capaciteitsopbouw en opleiding; merkt op dat handelsliberalisering een negatieve invloed op vrouwen kan hebben in sectoren zoals landbouw en voedselverwerking; benadrukt dat hoewel vrouwelijke arbeidskrachten de overhand hebben in de wereldvoedselproductie (goed voor 50 % tot 80 % van de wereldwijde beroepsbevolking), zij minder dan 20 % van het land bezitten, en dat de toenemende commerciële eisen aan en voor land het voor armere vrouwen bijgevolg moeilijk maken om zekere en eerlijke toegang tot land te krijgen of te behouden; wijst erop dat moet worden voorkomen dat IER-bepalingen in handelsovereenkomsten, bijvoorbeeld inzake de privatisering van zaaigoed, mogelijk negatieve gevolgen hebben voor de voedselsoevereiniteit;

19.  benadrukt dat vrouwen die in zelfvoorzieningslandbouw werken geconfronteerd worden met bijkomende hindernissen om voedselsoevereiniteit te behouden als gevolg van de sterke bescherming van kweekproducten in het kader van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten (UPOV-verdrag) in handelsovereenkomsten;

20.  onderstreept dat de EU-invoer van landbouwproducten traditionele kleinschalige landbouwbedrijven kan ondermijnen en zodoende het levensonderhoud van vrouwen in gevaar kan brengen;

21.  wijst op het belang van mkmo's in de economische structuur van de EU; verzoekt de Commissie haar inspanningen ter ondersteuning van mkmo's voort te zetten, met bijzondere aandacht en maatregelen voor mkmo's die in handen van vrouwen zijn; verzoekt de EU en haar lidstaten bij de oprichting van uitvoer-helpdesks bijzondere aandacht te schenken aan de bijzondere omstandigheden van door vrouwen geleide mkmo's, gebruik te maken van de mogelijkheden die vrijhandelsovereenkomsten bieden, en diensten, technologieën en infrastructuur (zoals internettoegang) te versterken die bijzonder belangrijk zijn voor de economische emancipatie van vrouwen en door vrouwen geleide mkmo's; verzoekt de Commissie partnerschappen tot stand te helpen brengen tussen vrouwelijke ondernemers in de EU en hun tegenhangers in de ontwikkelingslanden;

III.De gendergelijkheid in de handel verbeteren: maatregelen die op EU-niveau nodig zijn

22.  beklemtoont dat bepaalde elementen van het EU-handelsbeleid, zoals hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling en het SAP+-stelsel en het toezicht daarop, kunnen bijdragen aan de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de gendergelijkheid, het arbeidsrecht en milieubescherming; beklemtoont dat er in EU-handelsovereenkomsten bindende en afdwingbare bepalingen nodig zijn om de eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van gendergelijkheid en milieu- en arbeidsbescherming, te waarborgen en ervoor te zorgen dat het EU-handelsbeleid strookt met de overkoepelende doelstellingen van de Unie inzake duurzame ontwikkeling, armoedebestrijding en gendergelijkheid;

23.  vraagt de EU en de lidstaten ervoor te zorgen dat de doelstellingen van de SDG's, met name doelstelling 5 inzake gendergelijkheid, alsook de doelstellingen van het Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 volledig worden opgenomen in het handelsbeleid van de EU;

24.  betreurt dat de handelsstrategie van de EU "Handel voor iedereen" geen gendergelijkheidsperspectief bevat; is verheugd dat het verslag over de uitvoering van de strategie voor handelsbeleid "Handel voor iedereen" van 13 september 2017 het vraagstuk van de gendergelijkheid in de handel aansnijdt en aangeeft dat de EU-beleidmakers zich meer bewust moeten worden van de invloed van handelsinstrumenten op gendergelijkheid; verzoekt de Commissie hiermee rekening te houden bij de tussentijdse evaluatie van de strategie "Handel voor iedereen" en ervoor te zorgen dat het genderperspectief wordt opgenomen en geïntegreerd in het handels- en investeringsbeleid van de EU, omdat dit de algemene voordelen uit handelskansen voor iedereen zou optimaliseren; wijst erop dat het handelsbeleid kan bijdragen tot de bevordering van gendergelijkheid op het internationale toneel en gebruikt moet worden als een instrument dat de levens- en arbeidsomstandigheden van vrouwen verbetert en gelijkmaakt aan die van mannen, bijvoorbeeld door de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten door banen van betere kwaliteit voor vrouwen te scheppen;

25.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten ervoor te zorgen dat wanneer in de handelsovereenkomsten van de EU bepalingen inzake overheidsopdrachten worden opgenomen, deze een positief effect sorteren, vooral vanuit genderperspectief; verzoekt de Commissie zich te blijven inspannen om de toegang van mkmo's tot overheidsopdrachten te ondersteunen en specifieke maatregelen te ontwikkelen voor mkmo's die in handen van vrouwen zijn; dringt aan op de opname van bepalingen die erop gericht zijn de procedures te vereenvoudigen en de transparantie voor inschrijvers, ook die uit niet-EU-landen, te vergroten; vraagt om maatschappelijk en ecologisch verantwoorde overheidsopdrachten verder te bevorderen, rekening houdend met de doelstelling om te zorgen voor de gelijke behandeling van vrouwen en mannen, gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers en de bevordering van gendergelijkheid, voortbouwend op de ervaring met de regels voor duurzame overheidsopdrachten van "Chile Compras";

26.  verzoekt de Commissie en de Raad in handelsovereenkomsten de toezegging te bevorderen om daadwerkelijk wet- en regelgeving en beleid inzake gendergelijkheid vast te stellen, te handhaven en uit te voeren, met inbegrip van de nodige actieve maatregelen om gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen te bevorderen;

27.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om ervoor te zorgen dat het handelsoverleg om de huidige associatieovereenkomst EU-Chili te moderniseren voor het eerst in de EU een speciaal hoofdstuk over gender en handel zal bevatten; dringt er sterk op aan op de hoogte te worden gesteld van de inhoud van dit hoofdstuk; verzoekt de Commissie en de Raad te bevorderen en ertoe bij te dragen dat in handels- en investeringsovereenkomsten van de EU een speciaal genderhoofdstuk wordt opgenomen, waarin wordt voortgebouwd op bestaande voorbeelden zoals de vrijhandelsovereenkomsten tussen Chili en Uruguay en Chili en Canada, en ervoor te zorgen dat dit hoofdstuk specifieke toezeggingen bevat om de gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen te bevorderen; dringt aan op de bevordering van internationale toezeggingen inzake vrouwenrechten, gendergelijkheid, gendermainstreaming en de versterking van de positie van vrouwen in alle handelsovereenkomsten van de EU, op basis van het actieprogramma van Peking en de SDG's; dringt er tevens op aan in deze handelsovereenkomsten bepalingen op te nemen om ervoor te zorgen dat hun institutionele structuren periodieke nalevingsbeoordelingen, diepgaande discussies en de uitwisseling van informatie en beste praktijken over gendergelijkheid en handel garanderen, onder meer door op alle niveaus van de betrokken overheidsdiensten vrouwen en deskundigen inzake gendergelijkheid op te nemen, ook in de handelsoverlegteams, gemengde comités, deskundigengroepen, interne adviesgroepen, gemengde raadgevende comités en geschillenbeslechtingsorganen;

28.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten te werken aan overeenkomsten op multilateraal niveau teneinde de bescherming die wordt verleend door genderbewuste EU-wetgeving, zoals de verordening betreffende conflictmineralen, uit te breiden;

29.  vraagt de Europese Investeringsbank (EIB) te waarborgen dat bedrijven die deelnemen aan door de EIB medegefinancierde projecten verplicht worden zich aan het beginsel van gelijke beloning en betalingstransparantie te houden alsmede aan het beginsel van gendergelijkheid zoals beschreven in Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad(29);

30.  is ervan overtuigd dat het CEDAW van groot belang is voor alle beleidsterreinen, met inbegrip van handel; benadrukt dat alle lidstaten tot het CEDAW zijn toegetreden; verzoekt de Commissie daarom in handelsovereenkomsten een verwijzing naar het CEDAW op te nemen en stappen te ondernemen met het oog op de toetreding van de EU tot het verdrag en de ratificatie ervan door de EU; verzoekt de lidstaten het beginsel van gendergelijkheid in hun rechtsstelsels op te nemen, en daarbij alle discriminerende wetten af te schaffen en passende wetten aan te nemen die de discriminatie van vrouwen verbieden;

31.  verzoekt de EU ervoor te zorgen dat handelsovereenkomsten bepalingen bevatten die gebaseerd zijn op de fundamentele arbeidsnormen en verdragen van de IAO; verzoekt de Commissie samen met de lidstaten te werken aan de ratificatie en tenuitvoerlegging van deze verdragen, met name Verdrag nr. 189 inzake fatsoenlijk werk voor huishoudelijk personeel en Verdrag nr. 156 betreffende arbeiders met gezinsverantwoordelijkheid, omdat hierin de behoeften van werknemers overal ter wereld aan bod komen, en ervoor te zorgen dat sociale rechten, non-discriminatie en gelijke behandeling in handelsovereenkomsten worden opgenomen; verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten om binnen de IAO verder te werken aan de tenuitvoerlegging van deze verdragen en de versterking van internationale arbeidsnormen voor fatsoenlijk werk in mondiale waardeketens, met bijzondere aandacht voor vrouwen; wijst erop dat de daadwerkelijke toepassing van deze normen en verdragen positieve gevolgen heeft voor de arbeidsomstandigheden van vrouwen in de EU en in niet-EU-landen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat handelsovereenkomsten tussen de EU en andere partners bijdragen tot de uitbanning van praktijken zoals de uitbuiting van werknemers, met name vrouwen;

32.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat sociale en milieunormen, met name de arbeidsrechten die worden onderschreven in vrijhandelsovereenkomsten en autonome regelingen, gelden op het gehele grondgebied van de handelspartners, en met name in exportproductiezones;

33.  onderstreept het belang van het toezicht op de tenuitvoerlegging van het EU-stelsel van algemene preferenties (SAP) en het SAP+-stelsel, met name wat betreft de toepassing van de belangrijkste verdragen; wijst erop dat tot de verdragen in het kader van de SAP+-regeling het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979 behoort, alsook Verdrag nr. 111 betreffende discriminatie in arbeid en beroep en Verdrag nr. 100 betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde; onderstreept dat de naleving en tenuitvoerlegging van dit soort verdragen bijdragen tot de verbetering van de gendergelijkheid; erkent dat het SAP- en het SAP+-stelsel waardevolle instrumenten zijn ter bevordering van de eerbiediging van de mensenrechten; verzoekt de Commissie manieren te zoeken om deze stelsels te verbeteren, bijvoorbeeld door er strengere voorwaarden inzake de afschaffing van wettelijke discriminatie van vrouwen aan te verbinden, en economische stimulansen te blijven koppelen aan de daadwerkelijke goedkeuring, toepassing en passende monitoring van de belangrijkste verdragen inzake mensenrechten, arbeidsrechten en milieubescherming die met name relevant zijn voor vrouwen; is in dit verband ingenomen met de tussentijdse evaluatie van de SAP-stelsels door de Commissie;

34.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten bij onderhandelingen op WTO-niveau ervoor te zorgen: dat bij het opstellen van nieuwe voorschriften en overeenkomsten en bij de uitvoering en herziening van bestaande overeenkomsten die zijn opgenomen in de Regeling inzake toetsing van het handelsbeleid van de WTO, voldoende aandacht wordt besteed aan gendergelijkheid; dat het hele WTO-onderhandelingsproces transparanter wordt; en dat de genderproblematiek wordt meegenomen in alle huidige en toekomstige onderhandelingen op gebieden zoals landbouw, visserij, dienstverlening en elektronische handel; verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten voorts een betere positie van vrouwen in mondiale waardeketens te verdedigen en te bevorderen (door optimaal gebruik te maken van WTO-instrumenten zoals de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie), programma's voor capaciteitsopbouw te ontwikkelen en regelmatig besprekingen met deskundigen en de uitwisseling van goede praktijken te organiseren, steun te verlenen aan de goedkeuring van gendergerelateerde maatregelen in de bestuursstructuur van de WTO en er met name voor te zorgen dat het secretariaat van de WTO beschikt over de technische capaciteit om een genderanalyse van de handelsvoorschriften te verrichten (met inbegrip van de middelen om in alle stadia van zijn werkzaamheden gendereffectbeoordelingen uit te voeren, zoals kwantitatieve onderzoeken betreffende het aantal vrouwen dat technische bijstand ontvangt); verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten ten slotte WTO-instrumenten te benutten om genderkwesties aan de orde te stellen, zowel in de rechtspraak als in lopende handelsbesprekingen, en tevens steun te verlenen aan een betere samenwerking tussen de WTO en andere internationale organisaties, zoals de UNCTAD, UN Women en de IAO, bij inspanningen ter bevordering van een inclusieve internationale handel, vrouwenrechten en gelijke kansen;

35.  verzoekt de Commissie ondersteuning te verlenen aan internationale inspanningen ter bevordering van de opname van een genderperspectief in het handelsbeleid en in programma's zoals het initiatief "She Trades" van het Internationaal Handelscentrum (ITC), dat ten doel heeft tegen 2020 één miljoen vrouwelijke ondernemers met de markten in verbinding te stellen(30), en moedigt in dit verband de internationale uitwisseling van beste praktijken inzake genderbewuste beleidsmaatregelen en programma's binnen organisaties en organen als de WTO, het ITC en de VN aan;

36.  verzoekt de Commissie maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en zorgvuldigheidsverplichtingen in vrijhandelsovereenkomsten te versterken, overeenkomstig de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en de OESO-richtsnoeren inzake zorgvuldigheidsverplichtingen; dringt er bij de EU op aan in vrijhandelsovereenkomsten maatschappelijk verantwoord ondernemen te versterken en rekening te houden met zorgvuldigheidsverplichtingen, en spoort de WTO ertoe aan gendergelijkheid in haar handelsbeleid op te nemen; onderstreept dat het belangrijk is dit onderwerp ook in andere internationale en multilaterale organisaties en fora, zoals de VN, de Wereldbank en de OESO, te behandelen; wijst erop dat het Parlement in 2010 heeft gevraagd dat bedrijven hun MVO-balans zouden bekendmaken, dat voor alle ondernemingen zorgvuldigheidsvoorschriften zouden worden ingevoerd en dat het MVO-concept zou worden geconsolideerd; is dan ook verheugd dat grote ondernemingen krachtens de richtlijn niet-financiële verslaglegging sinds 2017 niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit moeten bekendmaken;

37.  benadrukt dat gedragscodes en regelingen inzake keurmerken en eerlijke handel moeten worden verbeterd en dat moet worden gezorgd voor overeenstemming met internationale normen zoals de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN, het "Global Compact"-initiatief van de VN en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen;

38.  verzoekt de EU ervoor te zorgen dat de secretariaten van de EU-instellingen die voor het handelsbeleid en het handelsoverleg bevoegd zijn, beschikken over de kennis en de technische capaciteit om een genderperspectief op te nemen in het gehele overlegproces, van bij de aanvang tot bij de toepassing en beoordeling; is blij dat in de structuur van DG Handel een contactpunt voor genderkwesties in het leven is geroepen dat tot taak heeft erop toe te zien of er in handelsovereenkomsten van de EU rekening wordt gehouden met genderaspecten, en te zorgen voor gendermainstreaming in het handelsbeleid van de EU; verzoekt de Commissie genderopleiding te verstrekken, of gebruik te maken van de opleiding die bijvoorbeeld door de UNCTAD wordt verstrekt, om te waarborgen dat ambtenaren en onderhandelaars zich bewust zijn van vraagstukken in verband met gendergelijkheid en handel; vraagt de lidstaten op alle niveaus in hun ministeries van Handel vrouwen aan te werven; vraagt internationale organisaties zoals de WTO, de Wereldbank, het IMF en de IAO de gelijke aanwezigheid van vrouwen in hun interne structuren, en met name in leidinggevende functies, te bevorderen; verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten zich actief in te zetten en inspanningen te ondersteunen voor de organisatie van regelmatige discussies en acties inzake gender en handel;

39.  verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te ijveren dat in handelsovereenkomsten wordt toegezegd om te zorgen voor een betere deelname van vrouwen aan besluitvormingsorganen, zowel in de openbare als in de particuliere sector;

40.  verzoekt de Commissie en de Raad op transparante wijze handelsbesprekingen te voeren, daarbij ten volle rekening te houden met de optimale werkwijzen uit andere onderhandelingen en ervoor te zorgen dat het Parlement in alle stadia van de onderhandelingen tijdig en regelmatig op de hoogte wordt gehouden; pleit voor onderhandelingsteams met een evenwichtige deelneming van mannen en vrouwen zodat zij alle genderaspecten van handelsovereenkomsten volledig in aanmerking kunnen nemen; verzoekt de EU en de lidstaten bij raadplegingen op het vlak van handel, op zowel EU- als WTO-niveau, te zorgen voor brede inspraak, onder meer van vrouwenrechtenorganisaties, vakbonden, bedrijven, het maatschappelijk middenveld en ontwikkelingsorganisaties, en de transparantie voor de Europese burgers te verhogen door met initiatieven te komen en inlichtingen te verstrekken die relevant zijn voor de onderhandelingen;

41.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de doelstelling van gendergelijkheid bijzondere aandacht krijgt bij hun ontwikkelingssamenwerking en dat zij wordt geïntegreerd in de bijstandsprogramma's, met name de programma's in verband met de strategie "Hulp voor handel"; verzoekt de EU meer middelen beschikbaar te stellen voor samenwerkingsprogramma's in verband met gendergelijkheid en beroepsopleiding voor vrouwen; verzoekt de Commissie de minst ontwikkelde landen financieel en door middel van capaciteitsopbouw te ondersteunen, in een poging om de samenhang tussen handel, ontwikkeling en mensenrechten, met inbegrip van gendergelijkheid, te vergroten; beklemtoont dat lagere belastinginkomsten ten gevolge van tariefverlagingen moeten worden aangepakt in het kader van de agenda voor duurzame ontwikkeling en de financiering daarvan;

42.  verzoekt de Commissie vrouwelijk ondernemerschap in ontwikkelingslanden te bevorderen, met bijzondere aandacht voor die landen waar vrouwen sterker dan mannen beperkt zijn qua toegang tot krediet, infrastructuur en productiestructuren;

43.  verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is opleidingsprogramma's ter voorbereiding van het leerlingwezen in te richten voor dienstverleners, werkgevers, beroepsbeoefenaars en andere belanghebbenden uit de sector zodat zij met hun collega's uit de hele EU kunnen netwerken en kennis kunnen opdoen uit een hele reeks succesvolle programmamodellen, om uiteindelijk gunstige omstandigheden tot stand te brengen voor de deelname van vrouwen aan de kansen die door vrijhandelsovereenkomsten worden geboden;

44.  verzoekt de Commissie en de lidstaten hun krachten te bundelen om het beleid aan te passen op terreinen zoals onderwijs en beroepsopleiding, ter bevordering van een grotere gendergelijkheid bij de verdeling van de arbeidskansen die door de export worden geboden;

45.  verzoekt de Commissie en de Raad in handelsovereenkomsten te ijveren voor de toezegging om bilaterale samenwerkingsactiviteiten te verrichten ter verbetering van de capaciteit van en de voorwaarden voor vrouwen om ten volle voordeel te halen uit de kansen die deze overeenkomsten bieden, en om met dit doel voor ogen en ter verwezenlijking en bevordering van samenwerking een gemengd comité inzake handel en gender op te zetten en toe te zien op de toepassing daarvan, en daarbij een passende deelname van particuliere belanghebbenden te waarborgen, waaronder deskundigen en maatschappelijke organisaties die actief zijn op het gebied van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen, met een brede vertegenwoordiging volgens gemeenschap en sector, via toegankelijke raadplegingsmiddelen (zoals onlinediscussies) die verder gaan dan een gestructureerde dialoog;

46.  verzoekt de Commissie verder te onderzoeken hoe het beleid en de handelsovereenkomsten van de EU de economische empowerment van vrouwen en hun deelname op terreinen zoals wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) kunnen bevorderen en hoe de genderkloof inzake de toegang tot en het gebruik van nieuwe technologieën kan worden gedicht;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1.
(3) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.
(4) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 31.
(5) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 94.
(6) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 38.
(7) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.
(8) PB C 66 van 21.2.2018, blz. 30.
(9) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0073.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0298.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0330.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0354.
(14) UNDP, Africa Human Development Report 2016, http://www.undp.org/content/dam/undp/library/corporate/HDR/Africa%20HDR/AfHDR_2016_lowres_EN.pdf?download.
(15) Technisch verslag van de OESO, http://www.oecd.org/gender/Enhancing%20Women%20Economic%20Empowerment_Fin_1_Oct_2014.pdf
(16) http://trade.ec.europa.eu/doclib/press/index.cfm?id=1632
(17) https://www.wto.org/english/forums_e/parliamentarians_e/ipuconf2016_e.htm
(18) https://www.wto.org/english/tratop_e/devel_e/a4t_e/global_review15prog_e/global_review15prog_e.htm
(19) http://unctad.org/en/Pages/DITC/Gender-and-Trade/Trade,-Gender-and-Development.aspx
(20) https://www.ictsd.org/sites/default/files/research/the_gender_dimensions_of_global_value_chains_0.pdf
(21) https://www.ictsd.org/sites/default/files/research/the_gender_dimensionsof_services.pdf
(22) http://progress.unwomen.org/en/2015/pdf/unw_progressreport.pdf
(23) https://wideplus.org/2017/06/25/wide-gender-and-trade-position-paper-is-available/
(24) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2016/571388/IPOL_STU(2016)571388_EN.pdf
(25) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2015/549058/EXPO_IDA(2015)549058_EN.pdf
(26) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2017/june/tradoc_155632.pdf
(27) Implementing gender-aware ex ante evaluations to maximize the benefits of trade reforms for women, http://unctad.org/en/PublicationsLibrary/presspb2016d7_en.pdf.
(28) Achtergrondverslag van de OESO "Enhancing Women's Economic Empowerment through Entrepreneurship and Business Leadership in OECD Countries" (2014), http://www.oecd.org/gender/Enhancing%20Women%20Economic%20Empowerment_Fin_1_Oct_2014.pdf.
(29) Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).
(30) http://www.intracen.org/itc/women-and-trade/SheTrades/

Laatst bijgewerkt op: 6 november 2018Juridische mededeling