Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2116(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0121/2018

Ingediende teksten :

A8-0121/2018

Debatten :

PV 16/04/2018 - 25
CRE 16/04/2018 - 25

Stemmingen :

PV 17/04/2018 - 6.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0095

Aangenomen teksten
PDF 293kWORD 62k
Dinsdag 17 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Een Europese strategie voor de bevordering van eiwithoudende gewassen
P8_TA(2018)0095A8-0121/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 17 april 2018 over een Europese strategie voor de bevordering van eiwithoudende gewassen – Aanmoediging van de productie van eiwithoudende en peulgewassen in de Europese landbouwsector (2017/2116(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over het proteïnetekort in de EU: welke oplossing voor een allang bestaand probleem?(1),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, de zogeheten "Omnibusverordening" (COM(2016)0605), en het amendement daarop om in het voorstel een verzoek aan de Commissie op te nemen om voor eind 2018 een "eiwittenplan" te publiceren(2),

–  gezien de "Europese verklaring inzake soja" die op 12 juni 2017 door Duitsland en Hongarije is voorgesteld aan de Raad Landbouw en vervolgens door 14 lidstaten is ondertekend(3),

–  gezien Besluit 93/355/EEG van de Raad van 8 juni 1993 inzake de sluiting van een Memorandum van Overeenstemming betreffende bepaalde oliehoudende zaden tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika in het kader van de GATT(4),

–  gezien het document "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development", dat op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is goedgekeurd, en meer in het bijzonder de duurzameontwikkelingsdoelstellingen 2, 12 en 15 daarin,

–  gezien het besluit van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties tijdens haar 68e zitting om het jaar 2016 officieel uit te roepen tot "Internationaal Jaar van de peulvrucht", onder auspiciën van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO)(5),

–  gezien de studie, die de Beleidsondersteunende afdeling B van het Parlement op verzoek van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling heeft laten uitvoeren, over de ecologische rol van eiwithoudende gewassen in het nieuwe gemeenschappelijke landbouwbeleid(6),

–  gezien de hoorzitting die in het Europees Parlement werd gehouden over het verbeteren van de voorziening van Europa met eiwithoudende gewassen,

–  gezien de verklaring van Donau Soja van 19 januari 2013,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0121/2018),

A.  overwegende dat de Europese Unie met een groot tekort aan plantaardige eiwitten kampt wegens de behoeften van haar veehouderijsector, die afhankelijk is van de invoer van veevoeder uit derde landen, een situatie die jammer genoeg niet veel is verbeterd, ondanks de vele voornemens en initiatieven die de afgelopen 15 jaar rond dit thema zijn aangekondigd en ondanks het gebruik van nevenproducten van de productie van biobrandstoffen in diervoeder; overwegende dat de huidige situatie in de EU, die gekenmerkt wordt door de invoer van plantaardige eiwitten (voornamelijk soja) uit Zuid-Amerika, onhoudbaar is en aantoont dat we daadkrachtiger moeten optreden, met name om deze invoer duurzamer te maken;

B.  overwegende dat het belangrijk is dat de Unie minder afhankelijk wordt van de invoer van eiwithoudende gewassen, die hoofdzakelijk worden gebruikt als diervoeder; overwegende dat de huidige situatie, naast het milieueffect in sojaproducerende regio's, voornamelijk voor de veehouderijsector van de EU zeer risicovol is, aangezien de prijsvolatiliteit op de internationale markten aanzienlijk is gestegen;

C.  overwegende dat het Parlement zich meermaals heeft uitgesproken over eiwitten en over de noodzaak van een Europees eiwittenplan, maar dat zijn initiatieven niet echt een verandering hebben kunnen teweegbrengen wat betreft Europa's afhankelijkheid van anderen voor de voorziening met plantaardige eiwitten;

D.  overwegende dat er ten gevolge van het uitbreken van de BSE-crisis terecht een Europees verbod op het gebruik van diermeel in diervoeders is gekomen(7), maar dat dit ervoor heeft gezorgd dat de invoer van soja uit Latijns-Amerika sterk is gestegen;

E.  overwegende dat de Europese Unie bijgevolg slechts 3 % van haar bouwland voor de teelt van eiwithoudende gewassen gebruikt en meer dan 75 % van haar behoefte aan plantaardige eiwitten voornamelijk uit Brazilië, Argentinië en de Verenigde Staten invoert;

F.  overwegende dat de veehouderijsectoren in de Unie uiterst gevoelig zijn voor prijsvolatiliteit en verstoring van de mededinging en afhankelijk zijn van de invoer van betaalbare en hoogwaardige plantaardige eiwitten, wat een echte uitdaging voor de Europese landbouwbedrijven is;

G.  overwegende dat Europese eiwithoudende gewassen oliehoudende nevenproducten opleveren die kunnen bijdragen tot de circulaire economie en van nut kunnen zijn voor menselijke consumptie, hernieuwbare energie of de aanmaak van groene chemicaliën; overwegende dat de coproductie van eiwitten en bijproducten in Europa het mogelijk maakt de invoer van ggo-eiwitten en biobrandstoffen die bijdragen tot ontbossing, te beperken;

H.  overwegende dat het probleem van plantaardige eiwitten die in diervoeders worden gebruikt, al te vaak louter vanuit de invalshoek van eiwitrijke voedermiddelen is bekeken, gekoppeld aan ons tekort aan plantaardige eiwitten en het onderzoek naar grondstoffen om het voeder van landbouwhuisdieren aan te vullen;

I.  overwegende dat een meer holistische benadering van het vraagstuk van plantaardige eiwitten in Europa nodig is om over een strategie op de lange termijn en over zoveel mogelijk instrumenten te kunnen beschikken om onze afhankelijkheid van ingevoerde plantaardige eiwitten op doeltreffender wijze te beperken; overwegende dat deze strategie een instrument is bij de overgang naar duurzamer agrolevensmiddelen- en landbouwsystemen;

J.  overwegende dat eiwitten, net als energie, een onontbeerlijk bestanddeel van onze voeding vormen en zowel plantaardig als dierlijk van oorsprong kunnen zijn;

K.  overwegende dat plantaardige eiwitten een centrale rol spelen in de uitdagingen op het gebied van voedselzekerheid en voedselsoevereiniteit (voor levensmiddelen en diervoeders), milieubescherming, de opwarming van de aarde en hernieuwbare energie; overwegende dat zij levensnoodzakelijk zijn en voorkomen in alle voeding van mens en dier;

L.  overwegende dat de totale Europese productie van eiwitrijke grondstoffen tussen 1994 en 2014 is toegenomen van 24,2 tot 36,3 miljoen ton (+50 %), maar dat tegelijkertijd de totale consumptie is toegenomen van 39,7 tot 57,1 miljoen ton (+44 %); overwegende dat het nominale eiwittekort van de Unie (20,8 miljoen ton in 2014) dus toeneemt; overwegende dat de mondiale plantaardige-eiwittenmarkt, die gekoppeld is aan de markt voor soja en sojaschroot, de afgelopen vijftig jaar een sterke evolutie heeft doorgemaakt, en dat de consumptie van deze grondstoffen in alle lidstaten aanzienlijk is toegenomen – de sojaconsumptie is gestegen van 2,42 miljoen ton in 1960 naar bijna 36 miljoen ton vandaag; overwegende dat de veeteeltsector in de EU zeer sterk afhankelijk is van de invoer van sojabonen en sojaschroot uit derde landen, voornamelijk uit Zuid-Amerika; overwegende dat, om aan de sojavraag in de EU te voldoen, bijna 15 miljoen ha nodig is, waarvan 13 miljoen ha in Zuid-Amerika ligt;

M.  overwegende dat de teelt van eiwithoudende gewassen een aanzienlijke meerwaarde voor het milieu oplevert, ook al gaat dat gepaard met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen;

N.  overwegende dat China de afgelopen jaren 's werelds grootste importeur van soja is geworden en zijn eigen echte en ondoorzichtige strategie heeft opgezet om zijn voorziening veilig te stellen, waarbij het geen gebruik maakt van de klassieke marktmechanismen, maar zijn toevlucht neemt tot productiecontracten met de grootste sojaleverancier ter wereld, namelijk Brazilië, en massale investeringen ter plaatse in de infrastructuur voor productie, verwerking (vermaling) en havenvervoer, wat ten koste gaat van het milieu; overwegende dat deze internationaliseringsstrategie van de Chinese agrovoedingsindustrie van invloed zou kunnen zijn op de huidige bevoorrading van de EU met soja en oliehoudende zaden, en de markten van de Unie zou kunnen destabiliseren aangezien ook de Unie een belangrijke klant van Brazilië is;

O.  overwegende dat het grootste deel van de ingevoerde soja, met name uit Noord- en Zuid-Amerika, afkomstig is van genetisch gemodificeerde gewassen en dat de Europese consumenten geen vertrouwen hebben in deze technologie; overwegende dat plaatselijke ggo-vrije producten steeds meer interesse wekken en dat de koolstofvoetafdruk van ingevoerde producten steeds meer zorgen baart; overwegende dat in de EU veel producenten en verwerkers van sojabonen, producenten van diervoeder, vertegenwoordigers van de levensmiddelenindustrie (vleesproducenten, melk- en eierproducenten en andere gebruikers van sojabonen), handelsketens en andere relevante instellingen duurzame, gecertificeerd ggo-vrije systemen voor de productie van sojabonen ondersteunen;

P.  overwegende dat de Europese landbouw in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) grondige veranderingen heeft ondergaan om aan de voedselbehoeften van de EU te voldoen; overwegende dat de landbouw is geïntensiveerd en dat de markten van landbouwproducten en grondstoffen zijn opengesteld, waardoor de afhankelijkheid van de EU van de invoer van plantaardige eiwitten uit Noord- en Zuid-Amerika is toegenomen; overwegende dat de mondialisering een convergentie van de voedingsgewoonten en een specialisatie van landbouwbedrijven heeft teweeggebracht, wat ertoe heeft geleid dat productiemiddelen om eiwitten te produceren, zoals synthetische stikstofmeststoffen of eiwitrijke grondstoffen voor veevoeder, over grote afstanden moeten worden vervoerd, met alle gevolgen van dien voor het milieu en het klimaat;

Q.  overwegende dat de teelt van eiwithoudende gewassen, met name voor de productie van diervoeders ingevoerde soja, een van de belangrijkste oorzaken van verandering in landgebruik is en in aanzienlijke mate bijdraagt aan de mondiale ontbossing in vele regio's buiten Europa; overwegende dat een versterkte aanplant van eiwithoudende gewassen in Europa een belangrijke aanvulling kan vormen op de maatregelen ter bevordering van ontbossingsvrije toeleveringsketens voor landbouwgrondstoffen; overwegende dat het aanpakken van de wereldwijde uitdaging van ontbossing en aantasting van bossen nog belangrijker is geworden in het licht van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering;

R.  overwegende dat de stikstofbehoefte voor de voeding van planten en de productie van plantaardige eiwitten, met uitzondering van peulvruchten, tegenwoordig hoofdzakelijk wordt ingevuld met synthetische stikstofhoudende meststoffen, waarvan de productie duur is en veel energie vergt, die het water en de lucht verontreinigen en die een grote ecologische voetafdruk hebben omdat voor de productie ervan grote hoeveelheden fossiele brandstoffen nodig zijn; overwegende dat dit niet bijdraagt aan de doelstelling van een circulaire economie en een efficiënter gebruik van onze hulpbronnen en afvalstromen; overwegende dat in die omstandigheden opnieuw moet worden bekeken hoe de productiviteit en de milieuprestaties van eiwitten, van productie tot consumptie, kunnen worden verbeterd door de stikstofcyclus sluitender te maken, met inbegrip van het gebruik en de ontwikkeling van organische stikstofhoudende meststoffen, zoals gerecycleerde nutriënten uit organische afvalstromen zoals dierlijke mest;

S.  overwegende dat het streven naar een kleinere afhankelijkheid van de invoer van plantaardige eiwitten in de EU betekent dat we ons in de eerste plaats moeten richten op eiwitrijke gewassen die de behoeften van herkauwers en niet-herkauwers invullen, maar ook op alle andere gewassen (met inbegrip van voedergewassen en grassen) die, ondanks hun beperkte eiwitgehalte, overal in de Unie op grote schaal worden verbouwd; overwegende dat grazen op weiden door herkauwers veel voordelen heeft, zoals lagere kosten van productiemiddelen voor boerderijen;

T.  overwegende dat de productie van plantaardige eiwitten niet zal toenemen als het rendement van dergelijke gewassen niet verbetert en dat een doeltreffend en ambitieus strategisch plan voor de plantaardige-eiwitvoorziening moet worden toegepast om een duurzame ontwikkeling van de Europese landbouw te ondersteunen; overwegende dat voor een dergelijk plan meerdere beleidslijnen van de Unie moeten worden aangesproken, en in de eerste plaats het GLB;

U.  overwegende dat de Unie in de afgelopen decennia gebruik heeft gemaakt van drie belangrijke hefbomen om Europese eiwitonafhankelijkheid tot stand te brengen, namelijk vrijwillige gekoppelde steun voor de teelt van eiwithoudende en oliehoudende gewassen, Europees beleid op het gebied van biobrandstoffen en de bij de jongste hervorming van het GLB ingevoerde voorwaarde om 30 % van de rechtstreekse steun te besteden aan vergroeningsmaatregelen, waaronder de verplichting om 5 % bouwland als ecologisch aandachtsgebied (EAG) te gebruiken en het besluit om de teelt van stikstofbindende planten en tussengewassen toe te staan;

V.  overwegende dat de interesse van landbouwers in stikstofbindende en eiwitrijke gewassen sterk is toegenomen omdat zij landbouwers helpen te voldoen aan de eisen die gesteld worden in het kader van de vergroening, en dat deze interesse veredelaars zal aanmoedigen om hun activiteiten rond deze gewassen te hervatten of op te drijven;

W.  overwegende dat de maatregelen in het kader van het GLB in de periode 2000‑2013 niet volstonden om de tendens van afname of stagnatie van de eiwitproductie in Europa te keren, maar dat sinds 2013 de combinatie van deze steunmaatregelen met de vergroeningsmaatregel die de teelt van eiwithoudende gewassen in ecologische aandachtsgebieden toestaat, heeft geleid tot een sterke toename van de productie van eiwithoudende gewassen in de EU;

X.  overwegende dat het politieke akkoord over het GLB dat het Parlement, de Raad en de Commissie in 2013 hebben gesloten, de mogelijkheid omvat om in ecologische aandachtsgebieden stikstofbindende gewassen te verbouwen;

Y.  overwegende dat veevoederfabrikanten blijkens onderzoek vaak meer eiwitten aan veevoeder toevoegen dan nodig geacht, en dat er door een nauwkeuriger bepaling van het eiwitgehalte dat het doeldier nodig heeft, efficiëntiewinst kan worden geboekt;

Z.  overwegende dat vanwege het lage percentage eiwithoudende gewassen dat in de Unie wordt geteeld, het aantal onderzoeksprogramma's op het gebied van plantaardige eiwitten afneemt, wat ook tot uiting komt op het vlak van opleiding, innovatie en het opdoen van praktijkervaring in de EU; overwegende dat de innovatie doeltreffender moet worden en dat het onderzoeksbeleid ten gunste van eiwitten verruimd moet worden, maar dat dit alleen maar vruchten zal afwerpen als het deel uitmaakt van politieke verbintenissen op de middellange tot lange termijn; overwegende dat het onderzoeksbeleid ten gunste van eiwitten ook eigen geteelde, aan de lokale omstandigheden aangepaste peulgewassen moet omvatten;

AA.  overwegende dat het ondersteunen van veredeling belangrijk zal zijn voor de ontwikkeling van nieuwe variëteiten van eiwithoudende gewassen die de productie van eiwitten in de EU kunnen aanzwengelen; overwegende dat voor een doeltreffende veredeling een voldoende gefinancierd onderzoeksbeleid op de lange termijn en een passend, innovatiestimulerend rechtskader nodig zijn;

AB.  overwegende dat de Commissie al een aantal desbetreffende projecten heeft gefinancierd of nog financiert, zoals de projecten onder de titel "SFS‑44‑2016 – Een gezamenlijk veredelingsprogramma om de afhankelijkheid van de EU en China van de invoer van eiwitten te beperken"; overwegende dat moet worden verzekerd dat de resultaten van dergelijke projecten goed worden gecommuniceerd, verspreid en gebruikt zodat toekomstige beleidsbeslissingen op dit gebied gebaseerd zijn op wetenschappelijk bewijs;

AC.  overwegende dat de nominale kostprijs van soja sinds 2007 ongeveer is verdubbeld;

1.  is van mening dat er een omvattend Europees strategisch plan voor de productie van en de voorziening in plantaardige eiwitten moet worden uitgevoerd, dat moet uitgaan van de duurzame ontwikkeling van alle gewassen die in de gehele Unie worden verbouwd; is van mening dat die verandering een aanzienlijke aanpassing van onze productiestelsels vergt om te voldoen aan de behoeften van landbouwers op het vlak van levensonderhoud en de vereisten van de circulaire economie en duurzame landbouwproductie, uitgaande van beginselen als agro-ecologie en andere milieuvriendelijke praktijken, met inbegrip van strategieën inzake het voederen van herkauwers met weinig productiemiddelen, op basis van zowel blijvend grasland als tijdelijk grasland op bouwland;

2.  verzoekt de Commissie onmiddellijk maatregelen te nemen om te voorkomen dat het huidige productieniveau van eiwithoudende gewassen zou dalen, en daarbij de milieuvoordelen van de traditionele teelt van stikstofbindende gewassen in ecologische aandachtsgebieden naar behoren in acht te nemen;

3.  merkt op dat eiwithoudende gewassen milieuvoordelen kunnen opleveren door hun vermogen om stikstof uit de atmosfeer te binden; voegt daaraan toe dat deze voordelen onder andere bestaan uit een geringer gebruik van op fossiele brandstoffen gebaseerde meststoffen, de verbetering van de bodemkwaliteit en ‑vruchtbaarheid, en – bij wisselteelt – de beperking van ziekteniveaus vanwege de langdurige verbouw van één gewas en de bescherming van de biodiversiteit; benadrukt voorts dat biologische stikstofbinding door deze gewassen de kosten van productiemiddelen en de mogelijke negatieve milieu-effecten die met het overmatige gebruik van meststoffen gepaard gaan, kan helpen terugdringen;

4.  vraagt om een Europees platform op te zetten, ondersteund door de waarnemingspost voor de gewassenmarkt van de EU, om het eiwitareaal per categorie gewas en per locatie in Europa te identificeren, technische referenties uit te werken die voor alle landbouwers toegankelijk zijn, de Europese eiwitproductiecapaciteit te bepalen om de verkoop ervan te bevorderen, en alle openbare en particuliere studies naar eiwitten in kaart te brengen;

5.  beveelt aan om aandacht te schenken aan alle plantaardige eiwitbronnen, dus aan gewassen die zowel voor levensmiddelen als voor diervoeders worden gebruikt, alsook aan regelgevende steun voor de ontwikkeling en verkoop van nieuwe, op gewassen gebaseerde eiwitten; is bovendien van mening dat er meer onderzoek moet worden gedaan naar alternatieve eiwitbronnen;

6.  erkent dat de sojaproductie in Zuid-Amerika een belangrijke rol speelt bij de verandering in het landgebruik, en tal van milieuproblemen veroorzaakt, zoals de verontreiniging van het grondwater met pesticiden, bodemerosie, afnemende watervoorraden en ontbossing, met een enorm verlies aan biodiversiteit als gevolg; erkent dat de sojaproductie in de producerende landen negatieve sociale en gezondheidsgevolgen heeft, die nog worden verergerd door zwakke landeigendomsrechten, landroof, gedwongen uitzetting en andere mensenrechtenschendingen;

7.  herinnert eraan dat de BSE-crisis in de jaren negentig van de twintigste eeuw en het verbod op het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten in diervoeders, zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 999/2001, de vraag naar plantaardige eiwitten in Europa heeft doen stijgen; merkt op dat alternatieve Europese eiwitbronnen voor voeders, zoals vismeel, worden gebruikt in de Europese viskwekerijsector;

De verschillende doelstellingen van het plan

8.  is van mening dat met het plan de duurzame productie van biomassa op relevante landbouwgrond moet worden gemaximaliseerd door werk te maken van permanente bodembedekking, waarvan een deel kan worden gebruikt voor de eiwitvoorziening;

9.  acht het noodzakelijk om bijzondere aandacht te schenken aan het potentieel van peulgewassen, ongeacht of het om graangewassen of om voedergewassen gaat, aangezien deze familie verscheidene landbouwkundige, economische en milieuvoordelen biedt, voornamelijk omdat deze gewassen dankzij hun symbiotisch systeem stikstof uit de lucht binden, waardoor ze minder synthetische stikstofhoudende meststoffen nodig hebben, en omdat ze zeer weinig pesticiden vergen; benadrukt dat peulgewassen een goede bodemstructuur nalaten voor het volggewas door de nalevering van stikstof die een meeropbrengst van 10 tot 20 % kan opleveren; wijst erop dat wisselteelt de bodemkwaliteit ten goede komt, de ziekteniveaus verlaagt en de biodiversiteit ondersteunt;

10.  benadrukt ook dat in gewasrotatiesystemen die peulgewassen bevatten de reproductiecycli van plaagorganismen en ziekteverwekkers worden onderbroken, waardoor plantenziekteniveaus worden beperkt en minder pesticiden hoeven te worden gebruikt; merkt op dat de biodiversiteit ook toeneemt door het opbreken van monoculturen, wat een aanvullend voordeel is;

11.  beveelt aan om, met name in het kader van het GLB, de sojateelt in de EU te ondersteunen door deze rendabel en concurrerend te maken, aangezien nieuwe variëteiten tegenwoordig nieuwe mogelijkheden bieden voor bepaalde regio's waar het gewas kan gedijen, maar voegt daaraan toe dat dit geen afbreuk mag doen aan de teelt van andere eiwithoudende graangewassen (lupine, veldbonen, erwten, kikkererwten, aardnoten, tuinbonen, enz.); is van mening dat het dankzij deze grote soortenvariëteit mogelijk zou zijn in alle Europese regio's, afhankelijk van de plaatselijke klimaatomstandigheden, zo veel mogelijk eiwitten te produceren;

12.  vraagt om meer aandacht te schenken aan het beheer van grasland en klaver, die gezien de oppervlakte die ze beslaan, een grote bijdrage leveren aan de eiwitbehoefte in diervoeders (alleen voor herkauwers); merkt op dat peulgewassen zoals klaver goed gedijen op grasland;

13.  beveelt aan om plantaardige-eiwitteelten zoals soja, luzerne, veldbonen en erwten en teelten zoals klaver, hanenkammetjes en talrijke andere peulgewassen opnieuw op te nemen in de stelsels van akkerbouwgewassen en voedergewassen;

14.  acht het noodzakelijk plaatselijke en regionale ketens voor de productie en verwerking van eiwitten op te zetten door de landbouwers te verenigen en de akkerbouwers en veehouders dichter bij elkaar te brengen (leverings- en handelsovereenkomsten, bouwen van decentrale kleine tot middelgrote bio-raffinage-installaties voor "groene eiwitten") zodat ze kennis over geschikte peulgewasrassen, wisselteelten en de daarvoor geschikte bodems kunnen uitwisselen; acht het daartoe nuttig om, via het GLB, bijstand te verlenen aan spelers die risico's nemen door mee te werken aan korte toeleveringsketens voor menselijke voeding en diervoeders op basis van eiwitten; benadrukt het belang van rechtstreekse overeenkomsten tussen telers en diervoederproducenten;

15.  pleit voor het bevorderen van de productie van kwaliteitsvolle variëteiten ggo-vrije plantaardige eiwitten met een duidelijke traceerbaarheid en etikettering (met betrekking tot zowel de plaats van productie als de gebruikte methoden), om in te spelen op de groeiende belangstelling van de Europese consument voor ggo-vrije producten;

16.  acht het noodzakelijk een grotere zelfvoorziening van landbouwbedrijven in diervoeder te ondersteunen, op zowel bedrijfs- als regionaal niveau en voor zowel herkauwers als niet-herkauwers, onder meer door het vervaardigen van voeder op de boerderij;

17.  acht het wenselijk de oogstverliezen en reststromen tot een minimum te beperken en de voedingswaarde te verhogen door de oogst-, bewaar- en verwerkingssystemen (drogen, baalvorming enz.) te verbeteren;

18.  is van mening dat het om de productie van plantaardige eiwitten te verhogen noodzakelijk is de winstgevendheid van dergelijke gewassen te vergroten, praktijken te ontwikkelen zoals gewasrotatie (met een minimumduur van drie jaar) en onderzaaien voor peulgewassen, en meer in te zetten op de combinatie van soorten en gewassen in de graansector (klaver/koolzaad, triticale/erwten, enz.) en in de sector voedergewassen (grassen, klaver, mengkoren, enz.) met het oog op de overgang naar een duurzamer agrolevensmiddelensysteem, waarmee de overstap van arbeids- en kapitaalintensieve gewasmonocultuur binnen en buiten de EU naar een gediversifieerd agro-ecologisch systeem wordt ondersteund;

19.  vraagt om onderzoek te verrichten naar de geschiktheid voor gebruik in de wissel- en gemengde teelt, naar de selectie van nieuwe rassen en soorten die landbouwers de flexibiliteit geven om zich aan te passen aan de klimaatverandering, naar stressbestendigheid, bijmenging, het verbeteren van de opbrengsten, het eiwitgehalte en de verteerbaarheid van diervoeders (gekiemde zaden, koolzaad, enz.), het verhogen van de weerstand van planten tegen ziekten, de kiemingsbiologie van onkruiden in het kader van onkruidbeheersing, veevoederconversie en naar biostimulanten; benadrukt dat de landbouwers over samenhangende instrumenten, waaronder beheerpraktijken, technieken en gewasbeschermingsmiddelen, moeten beschikken ter bestrijding van plaagorganismen en andere factoren die de opbrengst en groei van gewassen negatief kunnen beïnvloeden;

20.  dringt aan op forse investeringen in onderzoek, inclusief naar rassen, om de agronomische prestaties van deze gewassen te verbeteren, eiwithoudende gewassen economisch weer aantrekkelijk te maken aangezien een vergelijking van hun winstmarge met die van andere gewassen in hun nadeel kan spelen, meer gewassoorten te kweken om de opbrengsten veilig te stellen, de agronomische problemen op te lossen die de teelt van eiwithoudende gewassen beperken, en voldoende volumes te garanderen die noodzakelijk zijn voor de structurering van de productie- en distributieketens; wijst erop dat het ook nodig is eiwithoudende gewassen te ontwikkelen die beter zijn aangepast aan het Europese klimaat, hun eiwitgehalte te verhogen en investeringszekerheid te bieden om onderzoek te bevorderen;

21.  beveelt aan meer gebruik te maken van precisielandbouw, met name via digitalisering, om de productiemiddelen voor planten en de rantsoenen voor dieren te optimaliseren om verspilling en verontreiniging te voorkomen, alsook meer in te zetten op systemen voor mechanische onkruidbestrijding;

22.  is voornemens de verwerving van nieuwe kennis, kennisoverdracht, initiële en voortgezette opleiding en ondersteuning voor alle vormen van innovatie en toegepast onderzoek naar zowel menselijk voedsel als diervoeder te stimuleren;

23.  verzoekt om alle vormen van innovatie en toegepast onderzoek te ondersteunen door ervaringen en kennis te delen en met name te steunen op de actoren op het terrein die over innovatieve oplossingen beschikken;

24.  vraagt om duurzaamheidscriteria voor de invoer van diervoeders om te garanderen dat eiwithoudende gewassen in derde landen op een duurzame manier worden geproduceerd, zonder nadelige milieu- en sociale effecten;

25.  benadrukt de belangrijke rol die voorlichting over voeding kan spelen bij het beïnvloeden van de vraag naar voedsel; beklemtoont dat op het niveau van de EU of de lidstaten richtsnoeren over voeding moeten worden vastgesteld die gericht zijn op de bevordering van een gezond eetpatroon en waarin tevens wordt ingegaan op de milieuproblemen waarmee de productie van voedsel gepaard gaat;

26.  is van mening dat er meer technische ondersteuning en advies moet worden verstrekt aan landbouwers om de duurzame productie van eiwithoudende graan- en voedergewassen te bevorderen;

De instrumenten van het plan

27.  is van mening dat het plan meerdere beleidslijnen van de Unie moet benutten en met elkaar in verbinding moet brengen: het GLB, het onderzoeksbeleid, het milieu- en klimaatactiebeleid, het energiebeleid, het nabuurschapsbeleid en het handelsbeleid;

28.  acht het belangrijk dat het GLB de teelt van eiwithoudende gewassen ondersteunt met behulp van verschillende maatregelen, zoals vrijwillige gekoppelde betalingen – die niet mogen worden beperkt tot teelten en regio's die in moeilijkheden verkeren, om het mogelijk te maken om meer te verwezenlijken – en vergroeningsbetalingen, maar ook met behulp van de tweede pijler, in het bijzonder via de agromilieumaatregelen inzake biologische landbouw en andere landbouwpraktijken, investeringen, kwaliteit, het bedrijfsadviseringssysteem, opleiding en innovatie in het kader van het EIP; benadrukt dat de invoering van een gekoppelde betaling heeft geleid tot een grotere productie van eiwithoudende gewassen in sommige lidstaten;

29.  is van mening dat er lering moet worden getrokken uit het onlangs ingestelde verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen in ecologische aandachtsgebieden, ook al beslaan zij, in 2016, 15 % van de Europese landbouwgrond (8 miljoen hectare) en bestaat 40 % van deze gebieden uit stikstofbindende of tussengewassen; is van mening dat in het kader van de algemene beschikbaarstelling van alle bruikbare landbouwgrond als voorzien in het plan inzake zelfvoorziening op het gebied van plantaardige eiwitten, de ecologische aandachtsgebieden kunnen worden ingezet voor de productie van eiwitten, zowel in de traditionele landbouwsector – met geïntegreerde gewasbescherming, rekening houdend met het feit dat landbouwers die deze gewassen in de traditionele landbouw telen in ecologische aandachtsgebieden niet altijd de garantie hebben dat ze kunnen inspelen op de uitbraak van plagen – als in de biologische landbouwsector, aangezien voor de vervanging van de invoer van soja in de Unie het equivalent van bijna 17 miljoen hectare sojagewassen nodig zou zijn in de Unie; is van mening dat ecologische aandachtsgebieden overigens onontbeerlijk zijn voor de versterking van de momenteel bedreigde biodiversiteit en van onze voedselzekerheid, aangezien die biodiversiteit met name via een betere bestuiving de opbrengsten van naburige gewassen, zoals eiwithoudende gewassen, met 20 % kan doen stijgen;

30.  beveelt aan de vergroeningsregeling voor de instandhouding van blijvend grasland aan te passen, zodat in bepaalde regio's beter rekening wordt gehouden met de luzerne of met luzerne in combinatie met grasachtigen op tijdelijke graslanden die meer dan vijf jaar worden gebruikt, waarna ze volgens de wetgeving blijvend grasland worden; merkt op dat in de wetgeving immers is bepaald dat ze na deze periode van vijf jaar niet mogen worden omgeploegd, terwijl ze, indien ze opnieuw zouden worden ingezaaid, meer eiwithoudende voedergewassen zouden kunnen produceren en de eiwitonafhankelijheid van de betrokken landbouwbedrijven zouden kunnen vergroten;

31.  is verheugd dat het Parlement in het kader van de "omnibus"-herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de aanpassing van de omrekeningsfactor voor stikstofbindende gewassen van 0,7 naar 1 heeft bewerkstelligd, ter compensatie van het verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen in ecologische aandachtsgebieden;

32.  is van mening dat in een Europese eiwitstrategie rekening moet worden gehouden met de herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie, de aanwending van eiwitten voor tweeërlei gebruik en de rol van hun bijproducten, afvalstoffen en residuen in de circulaire economie, en dat met deze strategie wisselbouw, gewasdiversificatie en de benutting van braakland volgens de vergroeningsmaatregelen van het GLB moeten worden aangemoedigd;

33.  vindt het belangrijk dat voor het toekomstige GLB rekening wordt gehouden met aanvullende voorstellen om de teelt van eiwithoudende gewassen te ondersteunen, zoals voorstellen voor een minimale rotatie van 3 jaar met één peulgewas op bouwland; benadrukt in dat verband dat in lidstaten met ziekten als gevolg van vochtige weersomstandigheden een langere rotatieperiode nodig kan zijn; acht het ook bijzonder belangrijk een ecosysteembetaling uit te werken die flexibeler is dan de vergroeningsbetaling, om de voordelen van peulgewassen en oliehoudende gewassen voor de biodiversiteit en als voedsel voor bestuivers te erkennen, te voorzien in instrumenten om het nemen van risico's door innovatoren te ondersteunen, en een subprioriteit "eiwitten" in het beleid inzake plattelandsontwikkeling op te nemen;

34.  benadrukt dat er nieuwe instrumenten moeten worden ingevoerd om de voorziening met plantaardige eiwitten, met name soja, te vergroten en een billijke uitvoering in alle lidstaten te verzekeren;

35.  is van mening dat het huidige onderzoek met het oog op een strategie voor eiwithoudende gewassen gefragmenteerd en te weinig doelgericht is; vraagt om de inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, en in het bijzonder van publiek onderzoek, te intensiveren voor weinig ontwikkelde teelten van eiwithoudende gewassen die zowel voor menselijk voedsel als voor diervoeder geschikt zijn, waarvoor weinig of geen belangstelling bestaat bij particuliere investeerders, alsook voor alternatieve eiwitbronnen, zoals eiwitten uit insecten en algen; vraagt om een betere samenwerking tussen publieke en particuliere onderzoeksinstellingen; benadrukt de behoefte aan een regelgevingskader dat onderzoeks- en innovatieprogramma's voor een grotere, concurrerende eiwitproductie ondersteunt;

36.  beveelt aan meer te investeren in industriële en landbouwonderzoeksprojecten die zijn gericht op de bevordering van de kwaliteit en diversiteit van functionele eiwitten voor menselijke consumptie;

37.  acht het noodzakelijk onze zelfvoorziening in soja veilig te stellen door nauwer samen te werken met de ons omringende landen, en de herkomst van de eiwitten die buiten de EU worden geproduceerd duurzaam te diversifiëren, en dan met name in de buurlanden van de EU die voor Europa hebben gekozen en soja produceren die over de Donau tot in de Unie kan worden gebracht; vraagt dat voor deze invoer dezelfde sociale en milieunormen gelden als voor de intra-Europese productie en erkent dat een ggo-vrije sojateelt wordt toegejuicht om aan de vraag van de consumenten te voldoen;

38.  erkent dat de huidige landbouwpraktijken ondenkbaar zijn zonder soja, dat dit zeer belangrijke peulgewas in de recente geschiedenis van de Europese teelt bijna in de vergetelheid was geraakt, en dat de sojateelt is gestegen van 17 miljoen ton in 1960 naar 319 miljoen ton in 2015;

39.  dringt aan op aanpassingen van de tweede pijler van het GLB om de bijdrage van gewassen die voedsel bieden aan bestuivers op kritieke momenten in het seizoen (vroegbloeiende planten in de lente) en hun rol in de strijd tegen het verdwijnen van bestuivers beter te erkennen en te belonen;

40.  is voorstander van de totstandbrenging van transparante systemen voor productetikettering op basis van normen inzake gecertificeerde productie, zoals de "Donau Soja Standard" en "Europe Soya";

41.  is van mening dat het Blair House-akkoord van 1992 weliswaar nog steeds van kracht is maar de facto achterhaald is en de duurzame ontwikkeling van de teelt van eiwithoudende gewassen in Europa niet mag belemmeren;

o
o   o

42.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 58.
(2) Zie het verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2012/2002, (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1308/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad en Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad (A8-0211/2017).
(3) Secretariaat-generaal van de Raad 10055/17, Brussel, 7 juni 2017.
(4) PB L 147 van 18.6.1993, blz. 25.
(5) Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), "The International Year of Pulses: Nutritious seeds for a sustainable future".
(6) IP/B/AGRI/IC/2012-067 (PE 495.856).
(7) Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 3 december 2018Juridische mededeling - Privacybeleid