Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2139(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0122/2018

Ingediende teksten :

A8-0122/2018

Debatten :

PV 18/04/2018 - 10
CRE 18/04/2018 - 10

Stemmingen :

PV 18/04/2018 - 12.21

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0126

Aangenomen teksten
PDF 288kWORD 58k
Woensdag 18 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Kwijting 2016: Algemene begroting EU - Hof van Justitie
P8_TA(2018)0126A8-0122/2018
Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling IV - Hof van Justitie (2017/2139(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0356 – C8-0250/2017)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Raadsverordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0122/2018),

1.  verleent de griffier van het Hof van Justitie van de Europese Unie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Hof van Justitie van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de Rekenkamer, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB L 48 van 24.2.2016.
(2) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(3) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 1.
(4) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.


2. Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling IV – Hof van Justitie (2017/2139(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling IV - Hof van Justitie,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0122/2018)),

1.  stelt vast dat de Rekenkamer in haar jaarverslag 2016 opmerkt dat er geen significante tekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten in verband met personeelsbeheer en aanbestedingen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna "HvJ-EU");

2.  stelt vast dat de Rekenkamer op basis van haar controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2016 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve en andere uitgaven van de instellingen en organen geen materiële fouten vertonen;

3.  is ingenomen met het over het algemeen zorgvuldige en gezonde financieel beheer van het HvJ-EU in de begrotingsperiode 2016; spreekt zijn steun uit voor de geslaagde paradigmaverschuiving naar prestatiegericht begroten in de begrotingsplanning van de Commissie, zoals die in september 2015 door vicevoorzitter Kristalina Georgieva werd geïntroduceerd als onderdeel van het initiatief voor een resultaatgerichte EU-begroting; moedigt het HvJ-EU aan om de methode toe te passen op zijn eigen procedure voor begrotingsplanning;

4.  merkt op dat volgens de huidige kwijtingsprocedure de jaarlijkse activiteitenverslagen door het HvJ-EU in juni aan de Rekenkamer worden toegestuurd, in oktober door de Rekenkamer aan het Europees Parlement worden doorgezonden en in stemming worden gebracht in de plenaire vergadering van mei; wijst erop dat er, wanneer de kwijting wordt afgesloten (als die niet wordt uitgesteld), minstens 17 maanden zijn verstreken sinds het afsluiten van de jaarrekeningen; wijst erop dat er in de particuliere sector veel kortere termijnen gelden voor audits; benadrukt dat de kwijtingsprocedure moet worden gestroomlijnd en versneld; verzoekt het HvJ-EU en de Rekenkamer de beste praktijken in de particuliere sector te volgen; stelt in dit verband voor de termijn voor de indiening van de jaarlijkse activiteitenverslagen vast te stellen op 31 maart van het jaar volgende op het boekjaar en de termijn voor de indiening van de verslagen van de Rekenkamer vast te stellen op 1 juli; stelt ook voor het tijdschema voor de kwijtingsprocedure als vastgesteld in bijlage IV, punt 5 van het Reglement van het Parlement te herzien, zodat de stemming over de kwijting kan worden gehouden in de plenaire vergadering van november, waarmee de kwijtingsprocedure wordt afgesloten binnen het jaar volgende op het boekjaar waarop zij betrekking heeft;

5.  merkt op dat het HvJ-EU in 2016 beschikte over kredieten ten belope van 380 002 000 EUR (357 062 000 EUR in 2015) en dat de uitvoeringsgraad 98,2 % bedroeg; neemt kennis van dit hoge bestedingspercentage; stelt evenwel vast dat dit percentage lichtjes gedaald is ten opzichte van de vorige jaren;

6.  stelt vast dat de geraamde ontvangsten van het HvJ-EU voor het begrotingsjaar 2016 in totaal 51 505 000 EUR bedroegen, terwijl de vastgestelde rechten 3,1 % lager waren dan geraamd (49 886 228 EUR); merkt op dat het verschil van 1,62 miljoen EUR voornamelijk toe te schrijven is aan de late komst in 2016 van 16 van de 19 aanvullende rechters bij het Gerecht;

7.  maakt er zich zorgen over dat het HvJ-EU de vastleggingen voor dienstreizen stelselmatig overschat, aangezien in 2016 342 000 EUR werd vastgelegd voor dienstreizen en de betalingen slechts 157 974 EUR bedroegen; roept het HvJ-EU op een deugdelijke financiële planning te waarborgen, om een soortgelijk verschil in de toekomst te voorkomen;

8.  wijst erop dat de begroting van het HvJ-EU grotendeels administratief is en dat ongeveer 75 % gebruikt wordt voor uitgaven met betrekking tot het personeel dat voor de instelling werkzaam is en de rest voor gebouwen, meubilair, uitrusting en speciale taken van de instelling; merkt op dat naar aanleiding van het verzoek van het Parlement, het HvJ-EU zijn administratieve diensten heeft gevraagd het beginsel van de op resultaten gebaseerde budgettering te introduceren in hun werkzaamheden; vraagt dat het HvJ-EU dit beginsel blijft toepassen in zijn dagelijkse administratieve werkzaamheden, en aan de kwijtingsautoriteit verslag uitbrengt van zijn ervaringen en de bereikte resultaten;

9.  is blij dat het HvJ-EU voornemens is om tegen 26 december 2020 een verslag op te stellen over de werking van het Gerecht, dat daarvoor een externe consultant zal worden aangetrokken en dat het verslag zal worden ingediend bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

10.  neemt kennis van de gerechtelijke activiteiten van het HvJ-EU in 2016, met 1604 zaken die bij de drie gerechtelijke instanties aanhangig zijn gemaakt en 1628 afgesloten zaken in dat jaar, een cijfer dat lager ligt dan in 2015 met 1775 afgesloten zaken; stelt ook vast dat de gemiddelde duur van de procedures 16,7 maanden bedroeg, iets langer dan in 2015 (16,1 maand); is ermee ingenomen dat dankzij de hervorming van het HvJ-EU de tijd voor het wijzen van arresten in 2017 gemiddeld 16 maanden bedroeg; herinnert eraan dat de kwaliteit en de snelheid waarmee het HvJ-EU arresten wijst, gewaarborgd moet worden om te voorkomen dat de betrokken partijen aanzienlijke kosten moeten betalen die voortvloeien uit de buitensporige procesduur; herhaalt dat het belangrijk is het aantal openstaande zaken te verminderen teneinde de fundamentele rechten van de EU-burgers te eerbiedigen;

11.  wijst erop dat het Hof van Justitie in 2016 704 zaken heeft afgesloten (tegenover 616 afgesloten zaken in 2015) en dat er 692 nieuwe zaken aanhangig zijn gemaakt (tegenover 713 in 2015), met een toename van prejudiciële verwijzingen en hogere voorzieningen;

12.  neemt ter kennis dat bij het Gerecht in 2016 974 nieuwe zaken aanhangig zijn gemaakt (tegenover 831 in 2015) en dat 755 zaken werden behandeld (tegenover 987 in 2015), met een toename van het aantal hangende zaken in vergelijking met vorige jaren;

13.  stelt vast dat het Gerecht voor ambtenarenzaken op 1 september 2016 heeft opgehouden te bestaan en dat zijn werkzaamheden over een periode van slechts acht maanden moeten worden bekeken; stelt vast dat het 169 zaken heeft afgesloten en dat 77 nieuwe zaken aanhangig zijn gemaakt, met een aanzienlijke stijging van het aantal hangende zaken (tegenover 231 en 2015 en 139 in 2016); is ingenomen met de informatie in de voorstellen van het HvJ-EU voor de hervorming van het Statuut van het Hof, die onder meer een beoordeling van de werking van het Gerecht voor ambtenarenzaken bevatten en die zijn voorgelegd aan het Parlement in 2011 en 2014 en gepresenteerd als een bijlage bij het antwoord op de vragenlijst betreffende de kwijting 2016; verzoekt nogmaals om een grondige beoordeling van de werking van het Gerecht voor ambtenarenzaken gedurende zijn tienjarige bestaan;

14.  merkt op dat 2015 het jaar was waarin de hervorming van de gerechtelijke structuur van het Hof van Justitie werd aangenomen en dat deze hervorming vergezeld moest gaan van de opstelling van een nieuw Reglement voor de procesvoering van het Gerecht; begrijpt dat deze hervorming het Hof van Justitie in staat zal stellen om, dankzij een verdubbeling van het aantal rechters (een proces dat in drie fasen verloopt en in 2019 afgerond zal zijn), de stijging van het aantal zaken op te vangen; kijkt ernaar uit om de resultaten van die hervorming ook daadwerkelijk te kunnen vaststellen, in die zin dat het Hof van Justitie in staat zal zijn om zaken binnen een redelijke termijn en in overeenstemming met het recht op een eerlijke procesgang te behandelen;

15.  stelt vast dat in 2016 na de hervorming van de gerechtelijke structuur van het HvJ-EU personeelszaken qua frequentie op de derde plaats stonden van de soorten procedures voor het Gerecht; vraagt dat het HvJ-EU statistieken over zijn gerechtelijke activiteiten blijft geven;

16.  neemt kennis van de gemiddeld korter geworden duur van de afhandeling van zaken in 2016, als genoemd door de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 14/2017(1), met gemiddeld 0,9 maanden bij het Hof van Justitie en met 1,9 maanden bij het Gerecht, ten opzichte van 2015; neemt kennis van de organisatorische en procedurele maatregelen van het HvJ-EU ter verbetering van de efficiëntie en verzoekt het Hof hiermee door te gaan om deze stijgende lijn vast te houden en ervoor te zorgen dat alle zaken binnen een redelijke termijn worden afgerond; stelt met bezorgdheid vast dat gerechtelijke vakanties een van de meest voorkomende factoren zijn die de tijdsduur van de behandeling van zaken beïnvloeden; wijst erop dat er 14 weken aan gerechtelijke vakanties waren vastgesteld in 2016;

17.  neemt kennis van het van kracht worden van de gedragscode voor de leden en voormalige leden van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin regels worden vastgelegd betreffende een aantal punten van zorg van het Parlement inzake belangenverklaringen en externe activiteiten; steunt het HvJ-EU bij de tenuitvoerlegging van zijn besluit om in 2018 regels inzake "draaideuren" op te stellen;

18.  verzoekt het HvJ-EU een meer doelgerichte en prestatiegerichte benadering te hanteren voor de externe activiteiten van rechters met het oog op de verspreiding van EU-recht, aangezien het nu gebruikte criterium tamelijk algemeen lijkt en de gevolgen van deze activiteiten niet duidelijk worden gemeten;

19.  dringt nogmaals aan op meer transparantie met betrekking tot de externe activiteiten van alle rechters; verzoekt het HvJ-EU informatie over andere posten en betaalde externe activiteiten van de rechters te verstrekken op zijn website en in zijn jaarlijks activiteitenverslag, met inbegrip van de naam en de locatie van het evenement, de rol van de betrokken rechters en de reis- en verblijfkosten, en daarbij tevens aan te geven of deze betaald zijn door het HvJ-EU dan wel door een derde partij;

20.  dringt er bij het HvJ-EU op aan dat het van al zijn leden cv's, belangenverklaringen en lidmaatschappen van andere organisaties publiceert;

21.  betreurt het ontbreken van regels inzake "draaideuren" en dringt er bij het HvJ-EU op aan op dit gebied strenge regels te formuleren en in te voeren;

22.  is van mening dat het HvJ-EU moet overwegen notulen op te stellen van de vergaderingen met lobbyisten, beroepsverenigingen en maatschappelijke organisaties, wanneer dit de vertrouwelijkheid van hangende zaken niet in het gedrang brengt;

23.  verzoekt het HvJ-EU de vergaderingen met beroepsverenigingen en met vertegenwoordigers van de lidstaten te publiceren;

24.  betreurt dat de inspanningen van de lidstaten om genderevenwicht op hoge posities te bereiken onvoldoende zijn en stelt vast dat het Europees Parlement en de Raad zich ten doel hebben gesteld bij de benoeming van rechters in het Hof van Justitie tot een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen te komen (op dit moment werken er aan het Hof van Justitie vijf vrouwelijke rechters en twee vrouwelijke advocaten-generaal en aan het Gerecht tien vrouwelijke rechters); is van oordeel dat de instellingen van de Unie representatief moeten zijn voor de burgers; benadrukt daarom de door het Parlement en de Raad vastgestelde doelstelling;

25.  stelt vast dat de Rekenkamer geen toegang had tot bepaalde voor de prestatiebeoordeling van het HvJ-EU relevante documenten(2); roept het HvJ-EU op om te blijven samenwerken met de Rekenkamer en haar toegang te verlenen tot alle documenten die zij nodig heeft voor haar controles, voor zover dit geen schending inhoudt van de plicht tot geheimhouding van de beraadslagingen;

26.  is zich ervan bewust dat de referendarissen tot taak hebben de leden van het Hof en de Gerechten bij te staan bij het onderzoek van zaken en onder hun toezicht juridische documenten, zoals vonnissen, beschikkingen, adviezen of memoranda op te stellen; stelt vast dat hun gedragscode door het HvJ-EU in 2009 is goedgekeurd; stelt tevens vast dat de referendarissen worden geselecteerd door de leden voor wie zij zullen werken en dat er minimumcriteria voor de aanwerving gelden; roept het HvJ-EU op om een beleid te voeren dat een flexibeler inzet van de reeds aanwezige referendarissen mogelijk maakt, om problemen inzake beheer van middelen of organisatorische kwesties te helpen verlichten(3);

27.  stelt met bezorgdheid vast dat het HvJ-EU de capaciteit van rechters en referendarissen om zaken te behandelen niet kon beoordelen omdat het HvJ-EU geen informatie verzamelt over de tijd die een rechter of een referendaris aan een bepaalde zaak besteedt; merkt op dat er een studie zal worden uitgevoerd om na te gaan in hoeverre de invoering van een systeem voor toezicht op het gebruik van de middelen nuttige gegevens kan opleveren; verzoekt het HvJ-EU de resultaten van de studie aan het Parlement voor te leggen;

28.  acht het antwoord van het HvJ-EU op de vraag van het Parlement over de kosten van hun zaken (vraag nr. 50) ontoereikend; vraagt het HvJ-EU een toezichtsysteem te overwegen om de kosten van elke zaak te berekenen;

29.  wijst op het permanente toezicht op de ontwikkeling van potentiële achterstanden en vertragingen binnen de kamers; betreurt het dat het HvJ-EU het Parlement niet heeft ingelicht over gegevens inzake de niet-inachtneming van indicatieve termijnen, omdat het gaat om de interne organisatie van de rechtbanken;

30.  is erover bezorgd dat de ontvangst en verwerking van processtukken door de griffie de factor is die het vaakst de duur van de schriftelijke procedure bij het Gerecht beïnvloedt(4); wijst erop dat de zaken voor het Gerecht gekenmerkt worden door het hoge volume aan documenten; verzoekt het Gerecht het aantal en de complexiteit van de zaken nader in het oog te houden om te waarborgen dat de griffie over voldoende middelen beschikt;

31.  onderstreept de aanbeveling van de Rekenkamer in Speciaal verslag nr. 14/2017 om de prestaties per rechtszaak te meten aan de hand van een zaakspecifieke termijn, waarbij rekening wordt gehouden met de daadwerkelijk ingezette personele middelen;

32.  merkt op dat na de hervorming van de gerechtelijke structuur van het HvJ-EU de toewijzing van rechters aan de kamers geschiedt overeenkomstig de werklast op de verschillende gebieden; wil graag weten hoe deze toewijzing tot stand komt en of gespecialiseerde kamers voor bepaalde gebieden zijn ingesteld, en verzoekt een analyse op te stellen over de mate waarin de toewijzing van invloed is op de snelheid waarmee de zaken worden afgehandeld;

33.  neemt kennis van het toewijzingsproces van zaken die aan de rechtsprekende instanties zijn voorgelegd; merkt op dat in 2016, net als in voorgaande jaren, ongeveer 40 % van de zaken bij het Gerecht buiten het toerbeurtsysteem werd toegewezen, wat vragen doet rijzen over het systeem op zich; verzoekt het HvJ-EU de regels van de toewijzingsprocedure voor beide rechtsprekende instanties te verstrekken;

34.  merkt op dat kwesties op het gebied van intellectuele eigendomsrechten een belangrijk deel van de zaken van beide instanties uitmaken; spoort het HvJ-EU aan na te denken over manieren om de procedures voor deze zaken te vereenvoudigen en een vooronderzoek te overwegen door de diensten voor onderzoek en documentatie van het Hof;

35.  stelt vast dat het HvJ-EU blijft voldoen aan voorwaarden van de interinstitutionele overeenkomst inzake de vermindering van het personeelsbestand met 5% over een periode van vijf jaar, ondanks de creatie van 137 nieuwe posten die verband houden met de verhoging van het aantal rechters en advocaten-generaal;

36.  wijst op de hoge bezettingsgraad van posten (bijna 98 %) ondanks het grote personeelsverloop; wijst erop dat het HvJ-EU naar eigen zeggen moeilijkheden heeft om vast personeel op beginnersniveau aan te werven; vraagt het HvJ-EU om een beoordeling van de redenen van het hoge personeelsverloop en de maatregelen die zijn genomen of zullen worden genomen om de situatie te verbeteren;

37.  neemt kennis van de maatregelen die het HvJ-EU in 2016 heeft genomen om het genderevenwicht in het hoger en middenkader te verbeteren maar onderstreept dat verbetering op dit punt een streefdoel moet blijven; spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan geografisch evenwicht op kader- en topmanagementniveau en verzoekt, ook in dit verband, het HvJ-EU te werken aan verbetering op dit punt;

38.  merkt op dat het HvJ-EU in 2016 in totaal 245 stageplaatsen had; betreurt dat 188 stages in kabinetten onbetaald waren; roept het HvJ-EU op een oplossing te vinden om alle stagiairs die bij de instelling werken een fatsoenlijke beloning te bieden, teneinde gelijke kansen te waarborgen;

39.  is ingenomen met de uitwisseling van personeel tussen het HvJ-EU en de Europese Centrale Bank en met het project om een kader in te stellen voor de uitwisseling van juristen-vertalers tussen de diverse instellingen;

40.  verwelkomt de samenwerking met de vertolkingsdiensten van de Commissie en het Parlement binnen het Interinstitutioneel Comité voor vertaling en vertolking (ICTI);

41.  stelt met waardering vast dat het HvJ-EU volwaardig lid is geworden van de interinstitutionele werkgroep voor interinstitutionele kernactiviteit- en prestatie-indicatoren en kennis heeft gegeven van de kosten van vertalingen met gebruikmaking van de geharmoniseerde methodologie zoals overeengekomen in de werkgroep;

42.  neemt kennis van de investeringen van het HvJ-EU in IT-instrumenten om het beheer van zaken te verbeteren; vraagt dat het HvJ-EU gedetailleerde kwantitatieve en kwalitatieve financiële informatie verstrekt over IT-projecten binnen het HvJ-EU sedert 2014; roept het HvJ-EU op een volledig geïntegreerd IT-systeem te ontwikkelen ter ondersteuning van het beheer van rechtszaken;

43.  wijst op de voortdurende groei van het aantal toegangsaccounts voor de applicatie "e-Curia" (in 2016 bedroeg het aantal toegangsaccounts 3 599; in 2015 waren het er 2 914) en merkt op dat in 2016 alle lidstaten gebruikmaakten van "e-Curia", waaruit blijkt dat meer burgers de applicatie kennen en op de hoogte zijn van de voordelen ervan;

44.  dringt er bij het Hof van Justitie op aan om zijn communicatieactiviteiten te verbeteren zodat het toegankelijker wordt voor de burgers van de Unie, bijvoorbeeld door middel van het organiseren van bijscholingscursussen voor journalisten of het ontwikkelen van producten voor communicatie over de werkzaamheden van het Hof van Justitie, en daarbij de burger centraal te stellen; is verheugd over het feit dat het HvJ-EU heeft besloten zijn website te actualiseren om deze gebruiksvriendelijker te maken en verzoekt het HvJ-EU zich in te spannen om zijn databank te verbeteren door deze meer op de gebruikers te richten; erkent de inspanningen van het HvJ-EU op het gebied van onlinecommunicatiekanalen en moedigt het aan om hiermee door te gaan;

45.  stelt vast dat het HvJ-EU gefaseerd uitvoering heeft gegeven aan de aanbeveling van het Parlement in de kwijtingsresolutie 2015(5) inzake het gebruik van dienstvoertuigen; vindt dat de maatregelen die zijn genomen om het beheer van het wagenpark te rationaliseren in de juiste richting gaan; verwelkomt de nieuwe interinstitutionele oproep tot inschrijving voor een aanbestedingsprocedure voor autoleasing die in 2016 is gelanceerd om op dit gebied kosten te besparen; stelt met bezorgdheid vast dat in 2016 21 vluchten zijn geboekt voor een bedrag van 3 998,97 EUR om chauffeurs op dienstreis te sturen om leden van het Hof van Justitie of het Gerecht voor ambtenarenzaken te vervoeren in de lidstaten van herkomst van deze leden;

46.  is ingenomen met de belofte van het HvJ-EU om ambitieuze milieudoelstellingen na te streven en dringt erop aan dat deze doelen tijdig worden bereikt; moedigt de instellingen aan om de beginselen van groene overheidsopdrachten toe te passen en dringt aan op de invoering van een compensatieregeling voor CO2-emissies en op toewijzing van voldoende begrotingsmiddelen in dit kader;

47.  wijst op de gedetailleerde informatie over het gebouwenbeleid, met name over de bouw van een vijfde uitbreiding van het huidige gebouwencomplex;

48.  neemt nota van de verdere ervaring die is opgedaan met kantoortuinen; vreest dat de voordelen, zoals een verminderde behoefte aan kantoorruimte, een betere communicatie en meer flexibiliteit, teniet kunnen worden gedaan door een verminderde vertrouwelijkheid, het bemoeilijken van het werken aan dossiers die een hoge concentratie vereisen en een verminderde privacy; roept het HvJ-EU op de positieve en negatieve gevolgen voor de arbeidsomstandigheden te evalueren, rekening houdend met de behoeften van het personeel, en het Parlement te informeren over het resultaat van deze evaluatie;

49.  is blij dat het HvJ-EU de richtsnoeren inzake informatie voor en bescherming van klokkenluiders begin 2016 heeft goedgekeurd en herinnert eraan dat de bescherming van klokkenluiders een kwestie is die serieus wordt genomen binnen de instellingen van de Unie en die onder alle omstandigheden zorgvuldig moet worden benaderd; roept het HvJ-EU op om zijn personeel aan te moedigen om kennis te nemen van de richtsnoeren van 2016, met specifieke aandacht voor de cruciale rol die klokkenluiders spelen bij het aan het licht brengen van misstanden; roept het HvJ-EU op zijn personeel aan te moedigen om in voorkomende gevallen gebruik te maken van de richtsnoeren van 2016; vraagt het HvJ-EU tijdig details te verschaffen over klokkenluiderszaken en hoe deze zijn afgehandeld en opgelost;

50.  merkt op dat er een onafhankelijk onthullings-, advies- en verwijzingsorgaan met voldoende begrotingsmiddelen nodig is om klokkenluiders te helpen de juiste kanalen te gebruiken om hun informatie over mogelijke onregelmatigheden met betrekking tot de financiële belangen van de Unie te onthullen en tegelijkertijd hun geheimhouding te beschermen en de nodige ondersteuning en advies te bieden;

51.  stelt vast dat de benoeming van de leden van het HvJ-EU tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort overeenkomstig artikelen 253 en 254 VWEU; benadrukt dat het voor de prestaties van het HvJ-EU van belang is tijdig rechters voor te dragen en te benoemen; dringt aan op een nieuwe regel tot vaststelling van een specifieke termijn voor de (her)benoeming van rechters, ruim voor het verstrijken van hun mandaat, en verzoekt de Raad de kosten tegen de baten af te wegen bij de benoeming van nieuwe rechters van het HvJ-EU; uit kritiek op de onregelmatige benoeming, zonder oproep tot het indienen van sollicitaties, van twee rechters bij het Gerecht voor ambtenarenzaken, voor een mandaat dat slechts liep van 14 april 2016 tot en met 31 augustus 2016;

52.  stelt vast dat aan een van de twee rechters van het Gerecht voor ambtenarenzaken die van 1 april tot en met 31 augustus 2016 zijn benoemd, een inrichtingsvergoeding is betaald (18 962,25 EUR), overeenkomstig artikel 4, onder a), van Verordening (EU) 2016/300 van de Raad(6), alsmede reiskosten (493,10 EUR) overeenkomstig artikel 4, onder c), van die verordening en verhuiskosten (2 972,91 EUR) overeenkomstig artikel 4, onder d), van die verordening; stelt bovendien vast dat dezelfde rechter voor zes maanden een overbruggingstoelage van in totaal 47 070 EUR heeft ontvangen aan het einde van het mandaat; neemt met bezorgdheid kennis van de onevenredige kosten die zijn gemaakt voor een van deze rechters bij het aanvangen en beëindigen zijn "mandaat voor vier maanden" ten belope van 69 498,25 EUR bovenop het salaris dat de rechter ontving; verzoekt het HvJ-EU bij de benoeming van toekomstige rechters na te gaan of de duur van het mandaat in verhouding staat tot bovengenoemde toelagen; verzoekt de Raad de voorwaarden en hoogtes van deze vergoedingen opnieuw te bezien en Verordening (EU) 2016/300 van de Raad dienovereenkomstig te herzien; veroordeelt deze verspilling van geld van de belastingbetalers van de Unie;

53.  stelt bovendien vast dat het Gerecht (Kamer voor hogere voorzieningen, arrest van 23 januari 2018 in zaak T-639/16 P)(7) heeft geoordeeld dat een Tweede kamer van het Gerecht voor ambtenarenzaken, waaraan een van de rechters met een "mandaat voor vier maanden" was toegevoegd, onregelmatig was samengesteld, waardoor het besluit in hoger genoemd arrest alsook alle verdere besluiten van de Tweede kamer in deze samenstelling nietig zijn; vraagt het HvJ-EU voor welke besluiten van de Tweede kamer in deze samenstelling dit arrest van het Gerecht gevolgen heeft; verzoekt de Raad om commentaar over deze fout en vraagt te verduidelijken waar de verantwoordelijkheid hiervoor ligt;

54.  verzoekt het HvJ-EU te overwegen de talen van beraadslaging van het HvJ-EU uit te breiden tot andere talen dan het Frans, met name bij het Gerecht; is verheugd dat de president van het Gerecht in februari 2016 verzocht heeft om een effectbeoordeling van een verandering van de taal van beraadslaging, die echter nog niet is afgerond;

55.  betreurt het besluit van het Verenigd Koninkrijk om zich terug te trekken uit de Unie; merkt op dat op dit moment niet kan worden voorspeld welke financiële, bestuurlijke, menselijke en andere gevolgen die terugtrekking zal hebben, en verzoekt de Raad en de Rekenkamer effectbeoordelingen uit te voeren en het Parlement vóór eind 2018 in kennis te stellen van de resultaten;

(1) Speciaal verslag nr. 14/2017 van de Rekenkamer "Doelmatigheidsonderzoek van het beheer van rechtszaken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie".
(2) Zie paragraaf 14 van Speciaal verslag nr. 14/2017.
(3) Zie paragraaf 98, punt C) van het Speciaal verslag nr. 14/2017, waar de Rekenkamer wijst op de volgende aspecten: onbeschikbaarheid van referendarissen, werkbelasting van rechters, advocaten-generaal en hun referendarissen, hertoewijzing van zaken vanwege het verstrijken van de ambtstermijn van rechters.
(4) Zie paragraaf 38, figuur 6 van het Speciaal verslag nr. 14/2017.
(5) PB L 252 van 29.9.2017, blz. 116.
(6) Verordening (EU) 2016/300 van de Raad van 29 februari 2016 tot vaststelling van de geldelijke regeling voor hoge ambtsdragers van de EU (PB L 58 van 4.3.2016, blz. 1).
(7) ECLI:EU:T:2018:22.

Laatst bijgewerkt op: 4 december 2018Juridische mededeling - Privacybeleid