Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 8 februari 2018 - Straatsburg
Rusland, de zaak van Oyub Titiev en het mensenrechtencentrum Memorial
 Executies in Egypte
 Kinderslavernij in Haïti
 Garantiefonds voor extern optreden ***I
 EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen van projecten buiten de Unie ***I
 Jaarverslag over de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank
 De huidige mensenrechtensituatie in Turkije
 Situatie in Venezuela
 Situatie van de UNRWA
 Het verzetten van de klok

Rusland, de zaak van Oyub Titiev en het mensenrechtencentrum Memorial
PDF 176kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over Rusland, de zaak van Ojoeb Titiev en het mensenrechtencentrum Memorial (2018/2560(RSP))
P8_TA(2018)0034RC-B8-0096/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland, in het bijzonder zijn resoluties van 13 juni 2013 over de rechtsstaat in Rusland(1), van 13 maart 2014 over Rusland: veroordeling van demonstranten die betrokken waren bij de protesten op het Bolotnaya-plein(2), en van 23 oktober 2014 over de ontbinding van Memorial (Sacharovprijs 2009) in Rusland(3), van 12 maart 2015 over de moord op de Russische oppositieleider Boris Nemtsov en de toestand van de democratie in Rusland(4), van 24 november 2016 over de zaak van Ildar Dadin, gewetensgevangene in Rusland(5), en van 6  april 2017 over Rusland, de arrestatie van Aleksej Navalny en andere demonstranten(6),

–  gezien de mededeling van de voorzitters van de Commissie buitenlandse zaken en de Subcommissie mensenrechten van het Parlement van 12 januari 2018, waarin wordt opgeroepen tot de onmiddellijke vrijlating van mensenrechtenactivist Ojoeb Titiev,

–  gezien artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die er beide in voorzien dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en waarbij de Russische Federatie partij is,

–  gezien de mededeling van de EU van 19 januari 2018 over mensenrechtenschendingen met betrekking tot het mensenrechtencentrum Memorial in Rusland, en de mededeling van de woordvoeder van de EDEO (11 januari 2018) over de gevangenneming van de directeur van het mensenrechtencentrum Memorial in de Tsjetsjeense Republiek, Ojoeb Titiev,

–  gezien het bezoek van het Comité inzake de voorkoming van folteringen van de Raad van Europa aan de Tsjetsjeense Republiek in de Russische Federatie in november-december 2017,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien de VN-verklaring over mensenrechtenverdedigers, aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN op 9 december 1998,

–  gezien de bestaande partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarmee een partnerschap tot stand is gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, en gezien de geschorste onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland,

–  gezien het zevende periodieke verslag van de Russische Federatie dat de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties tijdens haar 3136e en 3137e vergadering op 16 en 17 maart 2015 heeft bestudeerd,

–  gezien de richtsnoeren van de Europees Raad van 24 juni 2013 voor de bevordering en de bescherming van het genot van alle mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI),

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Russische Federatie, als volwaardig lid van de Raad van Europa, en ondertekenaar van de Universele Verklaring van de rechten van de Mens en van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, zich heeft verplicht om de beginselen van de democratie en de rechtsstaat na te leven en de fundamentele vrijheden en mensenrechten te eerbiedigen; overwegende dat Rusland de verplichting en de middelen heeft om de misdaden van de Tsjetsjeense autoriteiten te onderzoeken; overwegende dat de Russische Federatie 11 van de 18 internationale mensenrechtenverdragen heeft geratificeerd;

B.  overwegende dat Ojoeb Titiev, de Tsjetsjeense directeur van het mensenrechtencentrum Memorial, de mensenrechtenorganisatie die in 2009 de Sacharovprijs gewonnen heeft, op 9 januari 2018 door de Tsjetsjeense politie gevangengenomen werd en beschuldigd werd van drugsbezit; overwegende dat deze beschuldigen door de heer Titiev worden ontkend en door ngo's en andere mensenrechtenactivisten vals worden genoemd;

C.  overwegende dat het Hooggerechtshof van de Tsjetsjeense Republiek op 25 januari 2018 de beslissing van de stadsrechtbank van Shalinsky om Ojoeb Titiev in voorlopige hechtenis te nemen heeft bevestigd;

D.  overwegende dat het strafrecht in de Russische Federatie is gewijzigd en dat een nieuw artikel 212.1 is ingevoerd, inhoudende dat een persoon kan worden aangeklaagd voor overtreding van de wet betreffende publieke bijeenkomsten, wat echter een beperking betekent van de vrijheid van meningsuiting en vergadering;

E.  overwegende dat de Russische autoriteiten de neiging blijken te hebben om de vrijheid van vergadering niet te respecteren, en dat zij alleen al in de stad Moskou meer dan 1 000 demonstranten hebben opgepakt, en nog veel meer in verschillende andere steden in de Russische Federatie, na de vreedzame demonstraties op 26 maart 2017;

F.  overwegende dat het aantal politieke gevangenen in het land de afgelopen jaren aanzienlijk is gestegen, tot 102 in 2016, volgens het mensenrechtencentrum Memorial;

G.  overwegende dat de ngo-wet van 2012 de mogelijkheden voor ngo's om onafhankelijk te werken en op een doeltreffende manier te werk te gaan, sterk heeft beperkt; overwegende dat het Russische Ministerie van Justitie uit hoofde van deze wet het Memorial als een "buitenlandse agent" heeft bestempeld;

H.  overwegende dat Yuri Dmitriev, een historicus bij het Memorial, deel uitmaakte van het team dat in Sandarmokh een massagraf ontdekte van meer dan 9 000 mensen, waaronder vele Sovjet-intellectuelen; overwegende dat het Memorial de afgelopen jaren de laatste onafhankelijke mensenrechtenorganisatie is geworden die nog actief is in de Tsjetsjeense Republiek; overwegende dat de aanvallen op mensenrechtenactivisten in de Tsjetsjeense Republiek, met inbegrip van de valse beschuldigingen aan het adres van Ojoeb Titiev en de gevallen van brandstichting in naburige republieken, waarschijnlijk georkestreerde wraakacties waren tegen het Memorial wegens het aan het licht brengen en aanklagen van de mensenrechtenschendingen in Tsjetsjenië;

I.  overwegende dat het Parlement de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken in 2009 aan de mensenrechtengroep Memorial heeft toegekend;

J.  overwegende dat Rusland in de democratie-index 2017 van de Economist Intelligence Unit op een 135e plaats staat, van 167 landen, wat een aanzienlijke achteruitgang betekent ten opzichte van 2016, toen het land 102e was;

K.  overwegende dat er grote bezorgdheid is over de mensenrechtenschendingen van LGBTI-personen in Tsjetsjenië; overwegende dat de Russische Federatie verschillende internationale mensenrechtenverdragen heeft ondertekend, en, als lid van de Raad van Europa, ook het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en dus de plicht heeft om de veiligheid van alle personen die mogelijk gevaar lopen, te verzekeren; overwegende dat de Europese Unie herhaaldelijk aanvullende bijstand en expertise heeft aangeboden om Rusland te helpen met de modernisering en de naleving van zijn constitutionele en juridische stelsel, overeenkomstig de normen van de Raad van Europa; overwegende dat Rusland de verplichting en de middelen heeft om de misdaden van de Tsjetsjeense autoriteiten te onderzoeken; overwegende dat homoseksualiteit in de Russische Federatie in 1993 uit het strafrecht is gehaald;

1.  roept op tot de onmiddellijke vrijlating van de directeur van het mensenrechtencentrum Memorial in de Tsjetsjeense Republiek, Ojoeb Titiev, die op 9 januari 2018 gevangen werd genomen en daarna officieel aangeklaagd en in voorlopige hechtenis genomen werd op grond van valse beschuldigingen van drugsbezit en -aankoop; dringt er bij de Russische autoriteiten op aan om de juridische en mensenrechten van de heer Titiev volledig te eerbiedigen, met inbegrip van toegang tot een advocaat en medische zorg, fysieke integriteit en waardigheid, en bescherming tegen gerechtelijke intimidatie, criminalisering en willekeurige arrestaties;

2.  betreurt de verklaring van de Tsjetsjeense autoriteiten, waarin het werk van mensenrechtenactivisten en -organisaties wordt aangeklaagd; stelt met bezorgdheid vast dat de gevangenneming plaatsvond kort na de publieke opmerkingen van de heer Magomed Daudov, voorzitter van het Tsjetsjeens Parlement, die geweld tegen mensenrechtenactivisten schijnt goed te keuren;

3.  is van oordeel dat de gevangenneming van de heer Titiev kadert in een zorgwekkende tendens van arrestaties, aanvallen, intimidatie en ondermijning van de geloofwaardigheid van onafhankelijke journalisten en mensenrechtenverdedigers in Tsjetsjenië; wijst erop dat ook de arrestatie van de voorzitter van de Assemblee van de volkeren van de Kaukasus, Ruslan Kutaev, en van de journalist Zhalaudi Geriev, die allebei op twijfelachtige gronden in verband met drugs veroordeeld werden, respectievelijk in 2014 en 2016, deel uitmaken van deze zorgwekkende tendens;

4.  betreurt ten zeerste dat tot op heden niemand werd berecht voor de moord op Natalia Estemirova, voorgangster van Ojoeb Titiev in het Memorial en mensenrechtenactiviste in Tsjetsjenië, die net buiten haar huis in Grozny werd ontvoerd in juli 2009, en die dezelfde dag doodgeschoten werd teruggevonden in de buurt van het dorp Gazi-Yurt in het naburige Ingoesjetië; spoort de autoriteiten aan om deze zaak grondig te onderzoeken; herinnert er in dit verband aan dat nog een andere mensenrechtenadvocaat en -activist, Stanislav Markelov, gekend voor zijn werk rond gevallen van mishandeling in Tsjetsjenië, in 2009 doodgeschoten werd in het centrum van Moskou;

5.  dringt er bij de Russische autoriteiten op aan om onmiddellijk een einde te maken aan de zorgwekkende tendens van arrestaties, aanvallen, intimidatie en ondermijning van de geloofwaardigheid van onafhankelijke journalisten en mensenrechtenactivisten die in die regio van de Russische federatie werken, wat een schending van hun recht op vrije meningsuiting inhoudt; veroordeelt de aanvallen op mensenrechtenactivisten door de Tsjetsjeense autoriteiten en spoort Moskou aan om een einde te stellen aan deze aanvallen, en een normaal werkklimaat voor mensenrechtenactivisten en -organisaties in Tsjetsjenië en andere delen van de Russische Federatie te bevorderen;

6.  is ernstig bezorgd over de verslechterende omstandigheden voor kritische maatschappelijke organisaties in Rusland, in het bijzonder organisaties die zich inzetten voor het bevorderen van de mensenrechten en de democratische vrijheden, en die kritiek uiten op het overheidsbeleid in dit verband; benadrukt dat het Memorial, de winnaar van de Sacharovprijs in 2009, nog steeds een van de meest gezaghebbende stemmen over de mensenrechten in Rusland is, alsook de laatste onafhankelijke mensenrechtenorganisatie die nog in de Tsjetsjeense Republiek actief is; drukt zijn solidariteit en sterke steun uit voor dit specifieke werk;

7.  vraagt de Russische autoriteiten om alle Russische burgers te beschermen tegen wederrechtelijke mishandeling; verzoekt de Russische autoriteiten om onmiddellijk op te houden met de onderdrukking van de vrije meningsuiting in Tsjetsjenië, en effectieve veiligheid te bieden aan slachtoffers en toeschouwers van mishandeling, en de daders van mishandeling voor het gerecht te brengen; onderstreept dat Rusland en de Russische regering de uiteindelijke verantwoordelijkheid hebben om deze daden te onderzoeken, de daders te berechten en alle Russische burgers te beschermen tegen wederrechtelijke mishandeling;

8.  wijst erop dat ook de brandstichting op 17 januari 2018 in de kantoren van het Memorial in de nabijgelegen Republiek Ingoesjetië, en de aanval op 22 januari 2018, toen ongekende brandstichters een auto in brand hebben gestoken die behoorde tot het lokale kantoor van het Memorial in Dagestan, tekens zijn van de vervolging en de intimidatie van mensenrechtenorganisaties in de noordelijke Kaukasus; veroordeelt deze aanvallen, en dringt er bij de Russische overheden op aan om deze en andere aanvallen op de eigendommen van het Memorial, en de bedreigingen jegens het personeel, effectief te onderzoeken, en te verzekeren dat de verantwoordelijken aansprakelijk worden gesteld;

9.  roept de Russische autoriteiten op om dringend te zorgen voor onmiddellijke, onafhankelijke, objectieve en grondige onderzoeken naar de betreurenswaardige ontwikkelingen in Tsjetsjenië; verzoekt de Tsjetsjeense en Russische autoriteiten om de nationale wetgeving en internationale afspraken na te leven, de rechtsstaat en de universele mensenrechtennormen te eerbiedigen, en de veiligheid en democratische vrijheden van alle personen die mogelijk gevaar lopen te verzekeren;

10.  neemt kennis van het verzoek van het Memorial om de zaak-Titiev buiten Tsjetsjenië te onderzoeken;

11.  veroordeelt de aanvallen tegen andere maatschappelijke organisaties en ngo's in Tsjetsjenië, met inbegrip van de aanvallen en lastercampagne tegen de Gezamenlijke mobiele groep van mensenrechtenactivisten in Tsjetsjenië (JMG), die ertoe geleid hebben dat de groep zich in 2016 om veiligheidsredenen uit Tsjetsjenië heeft teruggetrokken;

12.  toont zich diep verontrust over de berichten van willekeurige gevangenneming en foltering van personen die voor LGBTI worden aangezien in de Republiek Tsjetsjenië; vraagt de autoriteiten een einde te maken aan deze campagne van vervolging en internationale mensenrechtenorganisaties toe te laten een geloofwaardig onderzoek naar de vermoedelijke misdrijven te verrichten; veroordeelt eveneens het doden van personen door familieleden bij zogenaamde "eremoorden" en betreurt dat de Tsjetsjeense autoriteiten deze misdaden ondersteunen en aanmoedigen;

13.  verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten om vluchtelingen uit Tsjetsjenië te ondersteunen en om deze campagne van misbruik aan het licht te brengen; verneemt met instemming dat een aantal EU-lidstaten al asiel heeft toegekend aan deze slachtoffers, en roept alle lidstaten op om de asielaanvraagprocedures voor slachtoffers, journalisten en mensenrechtenactivisten overeenkomstig de Europese en nationale wetgeving voort te zetten of te versterken;

14.  roept de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op te waarborgen dat alle zaken met om politieke redenen vervolgde personen ter sprake worden gebracht bij het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland, wanneer dit hervat wordt, en dat de Russische vertegenwoordigers bij dit overleg formeel om reacties op elke zaak worden verzocht; vraagt om verslag uit te brengen bij het Parlement over de uitwisselingen met de Russische autoriteiten;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, alsmede de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie, en de Tsjetsjeense autoriteiten.

(1) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 150.
(2) PB C 378 van 9.11.2017, blz. 250.
(3) PB C 274 van 27.7.2016, blz. 21.
(4) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 126.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0446.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0125.


Executies in Egypte
PDF 183kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over executies in Egypte (2018/2561(RSP))
P8_TA(2018)0035RC-B8-0109/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Egypte, met name die van 10 maart 2016 over Egypte, met name de zaak Giulio Regeni(1), van 17 december 2015 over Ibrahim Halawa, die mogelijk ter dood veroordeeld wordt(2) en van 15 januari 2015 over de situatie in Egypte(3), zijn resoluties van 16 februari 2017 over executies in Koeweit en Bahrein (4) en van 8 oktober 2015 over de doodstraf(5), en zijn resolutie van 7 oktober 2010 over de Werelddag tegen de doodstraf(6),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, foltering, vrijheid van meningsuiting en mensenrechtenactivisten,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Egypte van augustus 2013 en februari 2014,

–  gezien de associatieovereenkomst EU-Egypte van 2001, die in 2004 in werking is getreden en geschraagd is door het actieplan van 2007, gezien de prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte voor de periode 2017-2020, die op 25 juli 2017 werden goedgekeurd, en de gezamenlijke verklaring die werd afgelegd na de Associatieraad EU‑Egypte,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 10 oktober 2017 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv), Federica Mogherini, en de secretaris-generaal van de Raad van Europa over de Europese en Werelddag tegen de doodstraf,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 26 januari 2018 van VN-deskundigen, onder wie Nils Melzer, speciaal rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, waarin de Egyptische autoriteiten worden opgeroepen om de op handen zijnde executies te stoppen;

–  gezien de grondwet van Egypte, met name artikel 93 over het bindende karakter van het internationaal mensenrechtenrecht,

–  gezien de waarborgen van de Verenigde Naties ter bescherming van de rechten van ter dood veroordeelden,

–  gezien de Afrikaanse beginselen en richtsnoeren inzake het recht op een eerlijk proces en rechtsbijstand, die militaire processen tegen burgers onder alle omstandigheden verbieden,

–  gezien de slotverklaring van het zesde Wereldcongres tegen de doodstraf dat van 21 tot 23 juni 2016 in Oslo werd gehouden,

–  gezien het nieuwe strategisch kader en actieplan inzake mensenrechten van de EU, dat erop gericht is de bescherming van en het toezicht op de mensenrechten centraal te stellen in alle beleidsterreinen van de EU,

–  gezien artikel 2 van het Europese Mensenrechtenverdrag en de bijbehorende protocollen 6 en 13,

–  gezien de zes resoluties van de Algemene Vergadering van de VN waarin gepleit wordt voor een moratorium op de doodstraf,

–  gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Arabisch Handvest inzake mensenrechten, die alle door Egypte geratificeerd zijn,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), waarbij Egypte partij is, met name artikel 18 en het tweede facultatieve protocol betreffende de doodstraf, alsook artikel 14,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de doodstraf de ultieme inhumane en onterende bestraffing is, die een schending vormt van het recht op leven zoals verankerd in de Universele verklaring van de rechten van de mens; overwegende dat de Europese Unie fel en principieel gekant is tegen de doodstraf en een universeel moratorium met het oog op de wereldwijde afschaffing ervan als een van de belangrijkste doelstellingen van het mensenrechtenbeleid van de Unie beschouwt;

B.  overwegende dat er in Egypte sinds januari 2014 naar verluidt ten minste 2 116 personen ter dood zijn veroordeeld; overwegende dat er tijdens het bewind van de voormalige presidenten Mohamed Morsi en Adly Mansour geen doodvonnissen werden goedgekeurd; overwegende dat er sinds 1 januari 2014 minstens 81 doodvonnissen zijn voltrokken;

C.  overwegende dat de Egyptische rechtbanken in 2017 minstens 186 doodvonnissen hebben uitgesproken en dat 16 mensen terechtgesteld werden; overwegende dat er in de afgelopen weken en sinds eind december 2017 een alarmerende toename te zien was; overwegende dat alle recente executies werden uitgevoerd zonder dat de slachtoffers en hun families vooraf waren ingelicht; overwegende dat 24 andere Egyptenaren het gevaar lopen terechtgesteld te worden, aangezien alle beroepswegen zijn uitgeput;

D.  overwegende dat er momenteel in Egypte minstens 891 mensen berecht worden of hun vonnis afwachten voor tenlasteleggingen waarop de doodstraf kan staan; overwegende dat ten minste 38 personen die jonger waren dan 18 jaar toen het hun ten laste gelegde misdrijf gepleegd werd, samen met volwassen medebeklaagden berecht werden wegens aanklachten waarop de doodstraf staat; overwegende dat rechtbanken initiële doodvonnissen hebben aanbevolen voor tenminste zeven van hen; overwegende dat het opleggen en voltrekken van de doodstraf tegen personen die op het moment van het misdrijf jonger waren dan 18 jaar een schending betekent van het internationaal recht, waaronder het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, alsook van artikel 111 van de Egyptische kinderwet; overwegende dat Egypte partij is bij talrijke internationale verdragen inzake politieke en burgerrechten, foltering, rechten van kinderen en jongeren, en rechtspraak;

E.  overwegende dat het militair wetboek een groter aantal misdrijven kent waarop de doodstraf staat dan het burgerlijk wetboek en dat de Egyptische wetgeving de militaire rechtsmacht geleidelijk heeft uitgebreid; overwegende dat het aantal burgers dat door Egyptische militaire rechtbanken ter dood veroordeeld werd is gestegen van 60 in 2016 tot ten minste 112 in 2017; overwegende dat de afgelopen maanden minstens 23 Egyptenaren terecht werden gesteld, waarvan er 22 veroordeeld waren door militaire rechtbanken in processen die bij lange na niet voldeden aan de normen voor een eerlijk proces; overwegende dat er tussen oktober 2014 en september 2017 naar verluidt in totaal minstens 15 000 burgers, waaronder tientallen kinderen, voor militaire aanklagers moesten verschijnen;

F.  overwegende dat een verontrustend hoog aantal getuigenissen en bekentenissen die bij de processen werden gebruikt, met inbegrip van die voor militaire rechtbanken, werden verkregen nadat de beschuldigden volgens berichten in gewelddadige omstandigheden verdwenen waren en gefolterd of mishandeld waren; overwegende dat de strijd tegen foltering van oudsher een mensenrechtenprioriteit van de EU is en een gemeenschappelijke doelstelling van het VN-Verdrag tegen foltering, dat door Egypte is ondertekend;

G.  overwegende dat alle recente en ophanden zijnde executies volgens de berichten het resultaat zijn van processen waarbij de regels inzake een eerlijk proces en een eerlijke rechtsbedeling niet werden nageleefd; overwegende dat de waarborgen van de Verenigde Naties ter bescherming van de rechten van ter dood veroordeelden strikt verbieden dat doodstraffen die worden uitgesproken in oneerlijke processen worden voltrokken; overwegende dat talrijke mensenrechtendeskundigen van de VN Egypte herhaaldelijk hebben opgeroepen alle geplande terechtstellingen op te schorten naar aanleiding van beschuldigingen van oneerlijke processen;

H.  overwegende dat het van belang is dat alle noodzakelijke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat dergelijke processen plaatsvinden onder voorwaarden die daadwerkelijk de volledige garanties bieden die zijn vastgelegd in artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Egypte partij is; overwegende dat processen, wanneer die tot een doodvonnis leiden, moeten voldoen aan de hoogste normen inzake eerlijkheid en eerlijke rechtsbedeling;

I.  overwegende dat de Afrikaanse Commissie voor de rechten van mensen en volkeren op 29 november 2017 bij de Egyptische regering heeft aangedrongen op onmiddellijke opschorting van de doodvonnissen in vijf verschillende zaken; overwegende dat de beklaagden in een van die zaken, de zaak-Kafr el-Sheikh, desondanks op 2 januari 2018 terecht werden gesteld;

J.  overwegende dat Egypte sinds de revolutie van 2011 met diverse moeilijke politieke situaties te kampen heeft gehad en dat de internationale gemeenschap het land steunt bij het oplossen van zijn economische, politieke en veiligheidsproblemen;

K.  overwegende dat Egypte met ernstige veiligheidsproblemen kampt, met name in de Sinaï, waar terroristische groeperingen aanslagen hebben gepleegd op veiligheidstroepen; overwegende dat er in Egypte een aantal vernietigende terreuraanslagen zijn gepleegd, waaronder de recente aanslag op de soefi-moskee, waarbij 311 burgers om het leven kwamen en ten minste 128 gewonden vielen; overwegende dat op 9 april 2017 een dubbele zelfmoordaanslag plaatsvond in de Mar-Girgiskerk in Tanta en de koptisch-orthodoxe Sint-Marcuskathedraal, waarbij ten minste 47 doden vielen;

L.  overwegende dat in Egypte al sinds april 2017 de noodtoestand heerst, die verlengd werd met drie maanden vanaf 13 januari 2018, volgens de staatsmedia om het hoofd te helpen bieden aan de "dreiging en de financiering van terrorisme", maar dat daarmee de fundamentele vrijheden ondermijnd worden en de president en degenen die namens hem optreden tijdens die drie maanden de bevoegdheid hebben om burgers voor noodrechtbanken voor staatsveiligheid te dagen;

M.  overwegende dat de algehele mensenrechtensituatie in Egypte steeds slechter wordt; overwegende dat de campagne tegen terrorisme door de Egyptische autoriteiten als rechtvaardiging wordt gebruikt voor grootschalige repressie;

N.  overwegende dat de anti-terrorismewet uit 2015 de doodstraf oplegt aan ieder die schuldig wordt bevonden aan het oprichten of leiden van een terroristische groepering, waarbij een brede definitie van terrorisme wordt gehanteerd die onder meer "verstoring van de openbare orde, het in gevaar brengen van de veiligheid, de belangen of de beveiliging van de samenleving, het blokkeren van wettelijke of grondwettelijke bepalingen of het toebrengen van schade aan de nationale eenheid, de sociale vrede of de nationale veiligheid" omvat, waardoor alle burgers, inclusief mensenrechtenverdedigers, het risico lopen als terrorist te worden aangemerkt en ter dood te worden veroordeeld;

O.  overwegende dat er gerichte repressieve maatregelen zijn getroffen tegen Egyptische mensenrechtenverdedigers die doodstraffen, folteringen en gedwongen verdwijningen documenteren en aan de kaak stellen, zoals de sluiting van het El Nadim-centrum in 2017 en de poging van de Egyptische autoriteiten om het kantoor van de Egyptische Commissie voor rechten en vrijheden (ECRF) te Caïro te sluiten; overwegende dat Egypte het afgelopen jaar een juridisch front heeft geopend tegen ngo's, met een wet op grond waarvan staatsveiligheidsinstanties de binnen- of buitenlandse financiering van ngo's moeten goedkeuren, wat er in feite op neerkomt dat zij verboden worden; overwegende dat de hoogste Egyptische beroepsinstantie op 5 april 2018 uitspraak zal doen in de zogenaamde buitenlandse-financieringszaak, waarbij internationale ngo's zijn betrokken;

P.  overwegende dat een gezamenlijke gehechtheid aan de universele waarden van democratie, rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten een leidend beginsel zijn van de in juli 2017 goedgekeurde nieuwe prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte voor de periode 2017-2020 en dat die prioriteiten een hernieuwd kader vormen voor politieke inzet en nauwere samenwerking op gebieden als veiligheid, hervorming van de rechtspraak en terrorismebestrijding, met inachtneming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; overwegende dat het Subcomité politieke aangelegenheden, mensenrechten en democratie van de associatieovereenkomst tussen Egypte en de Europese Unie op 10 en 11 januari 2018 in Caïro zijn vijfde bijeenkomst heeft gehouden, waarop de samenwerking op het gebied van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat werd besproken;

Q.  overwegende dat de EU de belangrijkste economische partner van Egypte is en de voornaamste bron van buitenlandse investeringen; overwegende dat de bilaterale bijstand van de EU aan Egypte op grond van het Europees nabuurschapsinstrument voor de periode 2017-2020 ongeveer 500 miljoen EUR bedraagt; overwegende dat de Raad buitenlandse zaken op 21 augustus 2013 hoge vertegenwoordiger heeft belast met de herziening van de EU-bijstand aan Egypte; overwegende dat de Raad besloot dat de EU‑samenwerking met Egypte zal worden bijgesteld naar gelang van de ontwikkelingen ter plaatse;

R.  overwegende dat bedrijven uit diverse EU-lidstaten bewakingsapparatuur en militaire uitrusting zijn blijven exporteren naar Egypte;

1.  veroordeelt met klem het gebruik van de doodstraf en roept op tot opschorting van alle ophanden zijnde executies in Egypte; is groot voorstander van een onmiddellijk moratorium op de doodstaf in Egypte als stap in de richting van de afschaffing ervan; veroordeelt in deze context alle executies, waar die ook voltrokken worden, en benadrukt eens te meer dat de afschaffing van de doodstraf bijdraagt aan de versterking van de menselijke waardigheid, zoals vastgesteld in de beleidsprioriteiten van de EU op mensenrechtengebied; verzoekt de Egyptische autoriteiten alle zaken waarin nog niet uitgevoerde doodvonnissen zijn uitgesproken te herzien om te waarborgen dat personen die in gebrekkige processen veroordeeld werden een eerlijk nieuw proces krijgen; herinnert eraan dat executies niet mogen worden gebruikt om terrorisme te bestrijden, ook al kampt Egypte met veiligheidsproblemen;

2.  verzoekt het Egyptische parlement het Egyptische wetboek van strafrecht, het wetboek van strafvordering, de wetgeving inzake terrorismebestrijding en het militair wetboek te herzien en verzoekt de regering de desbetreffende wetsbesluiten te herzien en te waarborgen dat burgers die beschuldigd worden van misdrijven waarop de doodstraf staat niet door militaire of noodrechtbanken worden berecht, aangezien deze niet voldoen aan de normen inzake een eerlijk proces waartoe Egypte zich uit hoofde van het internationaal recht heeft verbonden en die het in zijn grondwet heeft gewaarborgd; verzoekt de Egyptische autoriteiten geen burgers meer te laten berechten door militaire rechtbanken;

3.  verzoekt de Egyptische autoriteiten met klem de fysieke en psychologische veiligheid van alle in gevangenschap verkerende beklaagden te waarborgen; laakt het gebruik van foltering en mishandeling; verzoekt de Egyptische autoriteiten ervoor te zorgen dat gevangen alle nodige medische zorg krijgen; roept de EU op haar exportcontroles ten aanzien van Egypte volledig uit te voeren, vooral waar het gaat om goederen die kunnen worden gebruikt voor foltering of terechtstellingen;

4.  moedigt Egypte aan tot het ondertekenen en ratificeren van het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf, en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning; moedigt de Egyptische regering aan een open uitnodiging te richten tot relevante speciaal rapporteurs van de VN om het land te bezoeken;

5.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de massaprocessen voor Egyptische rechtbanken en het grote aantal hierbij gevelde doodvonnissen; verzoekt de Egyptische gerechtelijke autoriteiten het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat door Egypte is ondertekend, en met name artikel 14 van dat verdrag dat betrekking heeft op het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, op basis van een duidelijke tenlastelegging en waarbij de rechten van de verdachte zijn gewaarborgd, te eerbiedigen en in praktijk te brengen;

6.  verzoekt de vv/hv het alarmerende aantal recente executies in Egypte te veroordelen en verzoekt de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten het gebruik van de doodstraf te blijven bestrijden; verzoekt de EDEO met klem zich te buigen over de recente ontwikkelingen in Egypte en al zijn invloed aan te wenden om ophanden zijnde executies te stoppen en de Egyptische autoriteiten aan te moedigen hun verplichtingen op het gebied van internationale normen en wetten na te komen;

7.  dringt er bij de vv/hv en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de mensenrechten niet worden ondergraven door migratiebeheer en terrorismebestrijdingsacties in het kader van de prioriteiten van het partnerschap tussen de EU en Egypte; benadrukt het belang dat de Europese Unie hecht aan haar samenwerking met Egypte als belangrijk buur- en partnerland; verzoekt Egypte met klem zich te houden aan de toezeggingen die het in de op 27 juli 2017 goedgekeurde prioriteiten van het partnerschap tussen de EU en Egypte heeft gedaan om de democratie, de fundamentele vrijheden en de mensenrechten te bevorderen overeenkomstig zijn grondwet en de internationale normen;

8.  veroordeelt de terreuraanslagen in Egypte; betuigt zijn oprechte medeleven met de nabestaanden van de slachtoffers van terrorisme; is solidair met het Egyptische volk en bevestigt nogmaals dat het zal blijven strijden tegen de verspreiding van radicale ideologieën en terreurgroepen;

9.  wijst de Egyptische regering erop dat de welvaart van Egypte en zijn bevolking op lange termijn staat of valt met de bescherming van de universele rechten van de mens en het creëren en bestendigen van democratische en transparante instellingen die zich inzetten voor de bescherming van de fundamentele rechten van de burgers;

10.  ondersteunt het verlangen van de meerderheid van de Egyptische bevolking naar een vrij, stabiel, welvarend, inclusief en democratisch land dat zijn nationale en internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden nakomt;

11.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de voortdurende beperkingen van fundamentele democratische rechten, met name de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering, politiek pluralisme en de rechtsstaat in Egypte; roept op tot onmiddellijke beëindiging van alle uitingen van geweld, opruiing, haatzaaiende taal, pesterijen, intimidatie, gedwongen verdwijningen en censuur jegens politieke tegenstanders, demonstranten, journalisten, bloggers, studenten, vrouwenrechtenactivisten, actoren uit het maatschappelijk middenveld, LGBTI's en minderheden, waaronder de Nubiërs, door overheidsinstanties, veiligheidstroepen en -diensten en andere groeperingen in Egypte; veroordeelt het gebruik van buitensporig geweld tegen betogers; verzoekt om onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van al degenen die gevangen zitten omdat zij vreedzaam gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrije meningsuiting, samenkomst en vereniging, en verzoekt om een onafhankelijk en transparant onderzoek naar alle mensenrechtenschendingen;

12.  is nog steeds verontwaardigd over het folteren en vermoorden van de Italiaanse onderzoeker Giulio Regeni en laakt opnieuw het gebrek aan vorderingen in het onderzoek naar deze brute moord; benadrukt dat het bij de Europese autoriteiten zal blijven aandringen om stappen te ondernemen bij hun Egyptische homologen totdat de waarheid in deze zaak aan het licht is gebracht en de daders ter verantwoording zijn geroepen;

13.  verzoekt president al-Sisi en zijn regering concreet te laten zien dat zij gehecht zijn aan echte politieke hervormingen en aan de eerbiediging van de mensenrechten; benadrukt dat geloofwaardige en transparante verkiezingen essentieel zijn voor een democratie, zoals gewaarborgd in de grondwet van 2014 en overeenkomstig de internationale verplichtingen van Egypte;

14.  verzoekt de EU en haar lidstaten een duidelijk, krachtig en gezamenlijk standpunt in te nemen ten aanzien van Egypte in de komende zittingen van de VN-Mensenrechtenraad en zolang het land geen significante verbeteringen laat zien in zijn prestaties op het gebied van de mensenrechten;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Egypte.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0084.
(2) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 130.
(3) PB C 300 van 18.8.2016, blz. 34.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0044.
(5) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 41.
(6) PB C 371 E van 20.12.2011, blz. 5.


Kinderslavernij in Haïti
PDF 175kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over kinderslavernij in Haïti (2018/2562(RSP))
P8_TA(2018)0036RC-B8-0100/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Haïti,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de commissaris voor Ontwikkeling van 12 juni 2017 ter gelegenheid van de Werelddag tegen kinderarbeid,

–  gezien het jaarverslag van de VN-Mensenrechtenraad, waarin de vorderingen en uitdagingen op het gebied van de mensenrechten in Haïti in 2017 worden belicht,

–  gezien de in het kader van de ACS-EU-migratieactie verrichte studie van 20 juli 2017 over mensenhandel in Haïti,

–  gezien het uitvoeringsverslag van Haïti dat op 15 januari 2016 door het VN-Comité voor de rechten van het kind is besproken,

–  gezien de universele periodieke doorlichting van Haïti die van 31 oktober tot en met 11 november 2016 is verricht door de UNHCR,

–  gezien het Facultatief Protocol van de VN bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

–  gezien het Internationaal Verdrag van de VN inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gelet op het Aanvullend Verdrag van de VN inzake de afschaffing van de slavernij, de slavenhandel en met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken van 7 september 1956, en met name artikel 1, onder d),

–  gelet op Verdrag 182 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de ergste vormen van kinderarbeid en Verdrag 138 van de IAO betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces,

–  gezien de 34e zitting van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van december 2017 in Port-au-Prince (Haïti),

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Haïti een van de armste landen ter wereld is en dat ernstige corruptie, slechte infrastructuur, gebrek aan gezondheidszorg, lage opleidingsniveaus en historische politieke instabiliteit de voornaamste oorzaken zijn van zijn verlammende armoede;

B.  overwegende dat het gebruik van kinderen als huishoudelijk personeel, in het creools vaak "restavek" genoemd, in heel Haïti systematisch voorkomt en voornamelijk te wijten is aan barre economische omstandigheden en culturele attitudes ten aanzien van kinderen;

C.  overwegende dat "restavek" een vorm van binnenlandse mensenhandel en moderne slavernij is, waarvan ongeveer 400 000 kinderen in Haïti het slachtoffer zijn, waarvan 60 % meisjes; overwegende dat veel Haïtiaanse kinderen geen geboorteakte hebben en het risico lopen het slachtoffer te worden van mensenhandel en misbruik; overwegende dat de blootstelling van kinderen aan geweld en misbruik, waaronder lijfstraffen en gendergerelateerd geweld, volgens Unicef een groot probleem is; overwegende dat een op de vier vrouwen en een op de vijf mannen vóór hun 18e het slachtoffer zijn van seksueel misbruik; overwegende dat 85 % van de kinderen tussen 2 en 14 jaar thuis met geweld wordt getuchtigd, 79 % het slachtoffer is van lijfstraffen en 16 % het slachtoffer is van extreme lijfstraffen; overwegende dat naar schatting 30 000 kinderen in ongeveer 750 meestal door particulieren gerunde en gefinancierde weeshuizen wonen;

D.  overwegende dat restavek-kinderen meestal worden geboren in arme gezinnen op het platteland die weinig of geen bestaansmiddelen hebben en een kind aan een ander gezin verkopen in ruil voor voedsel of geld;

E.  overwegende dat de regering van Haïti enige inspanningen heeft gedaan om de uitbuiting van restavek-kinderen tegen te gaan, zoals de vaststelling van een alomvattende wet ter bestrijding van mensenhandel, maatregelen om kinderen in huishoudelijke slavernij te identificeren en te helpen, en bewustmaking; overwegende dat het de plicht van de staat is ouders te steunen zodat zij hun verantwoordelijkheden kunnen vervullen;

F.  overwegende dat veel Haïtiaanse kinderen onvoldoende onderwijs en scholing krijgen; overwegende dat volgens Unicef 18 % van de kinderen tussen 6 en 11 jaar in Haïti niet naar de basisschool gaat; overwegende dat ongeveer de helft van alle Haïtianen van 15 jaar en ouder analfabeet is omdat 85 % van de scholen door particuliere organisaties wordt bestuurd en onbetaalbaar is voor gezinnen met een laag inkomen; overwegende dat orkaan Matthew zware gevolgen heeft gehad voor de toegang tot onderwijs en in de zwaarst getroffen gebieden 1 633 van de 1 991 scholen heeft beschadigd;

G.  overwegende dat ruim 175 000 mensen, onder wie tienduizenden kinderen, die in oktober 2016 door orkaan Matthew ontheemd zijn geraakt, nog steeds in uiterst precaire en onveilige omstandigheden leven; overwegende dat bij de aardbeving van 2010 meer dan 220 000 mensen zijn omgekomen en ongeveer 800 000 kinderen ontheemd zijn geraakt, waardoor veel van hen tot slavernij zijn gedwongen;

H.  overwegende dat Haïti een land van herkomst, transitland en land van bestemming is voor gedwongen arbeid en kinderhandel; overwegende dat het restavek-fenomeen ook een internationale dimensie heeft, aangezien veel Haïtiaanse kinderen naar de naburige Dominicaanse Republiek worden gesmokkeld;

I.  overwegende dat Haïti door de recente verkiezings- en politieke impasse na de presidentsverkiezingen van 2016 de grootste moeite had om belangrijke wetten en een nationale begroting aan te nemen om de dringende sociale en economische uitdagingen het hoofd te bieden;

J.  overwegende dat de straffeloosheid in Haïti wordt veroorzaakt door een gebrek aan verantwoordingsplicht van overheidsfunctionarissen, en met name het uitblijven van systematische onderzoeken naar het gebruik van geweld en wijdverbreide wederrechtelijke of willekeurige arrestaties door de politie; overwegende dat Haïti op plaats 159 van de 176 landen op de corruptie-index van Transparency International staat;

K.  overwegende dat Haïti op de menselijke ontwikkelingsindex van de UNDP op de 163e plaats staat en voortdurend behoefte heeft aan humanitaire hulp en ontwikkelingshulp;

L.  overwegende dat het Haïtiaanse parlement in september 2017 zijn goedkeuring heeft gehecht aan een nationale begroting voor het jaar 2018 met een onevenredige belastingverhoging voor de toch al verarmde bevolking, wat heeft geleid tot gewelddadige demonstraties en rellen in de hoofdstad Port-au-Prince; overwegende dat de minister van Economische Zaken en Financiën, Patrick Salomon, een begroting heeft ingediend waarin bijvoorbeeld prioriteit wordt gegeven aan het schoonmaken van overheidsinstellingen boven volksgezondheidsprogramma's;

M.  overwegende dat de EU in het kader van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds 420 miljoen EUR aan Haïti heeft toegewezen, met bijzondere nadruk op voeding voor kinderen en onderwijs om kinderen in hun ontwikkeling te steunen;

N.  overwegende dat de EU in 2017 een oproep tot het indienen van voorstellen onder de Franse titel "La promotion des droits des enfants et la protection des enfants victimes d'exploitation, de discrimination, de violence et d'abandon" heeft gedaan, die voornamelijk tot doel had kinderen in gevangenschap naar hun biologische familie terug te brengen of in pleeggezinnen te plaatsen;

1.  betreurt dat grote aantallen kinderen in Haïti in de context van het restavek-fenomeen onder dwang bij hun familie worden weggehaald en gedwongen arbeid moeten verrichten; vraagt dat er een eind wordt gemaakt aan deze praktijk;

2.  is zeer bezorgd over de aanhoudende schendingen van de mensenrechten in Haïti, waaronder gendergerelateerd geweld, illegale detentie en restavek-kinderslavernij; vraagt de Haïtiaanse regering prioriteit te geven aan wetgevingsmaatregelen – met name een hervorming van het wetboek van strafrecht – om deze kwesties aan te pakken, en belangrijke instellingen in het land die door de recente politieke impasse zijn vastgelopen, een doorstart te laten maken om dringende hervormingen door te voeren;

3.  vraagt de regering van Haïti dringend maatregelen te nemen om de zwakke punten die tot huishoudelijke kinderslavernij leiden, aan te pakken, onder meer door kinderen te beschermen die het slachtoffer zijn van verwaarlozing, misbruik, geweld en kinderarbeid;

4.  vraagt de EU en haar lidstaten Haïti verder te helpen bij de uitvoering van maatregelen om kinderen te beschermen, zoals programma's en partnerschappen ter bestrijding van geweld, misbruik en uitbuiting van kinderen; vraagt de regering van Haïti het beëindigen van de restavek-praktijken tot prioriteit te maken en daartoe in de nodige procedures en voldoende middelen te voorzien, onder meer door sociale diensten op te leiden zodat ze restavek-kinderen kunnen helpen weghalen bij families waar ze misbruikt worden, en hun rehabilitatieprogramma's kunnen aanbieden om in hun fysieke en psychologische behoeften te voorzien;

5.  vraagt de Haïtiaanse regering een administratief systeem op te zetten dat ervoor zorgt dat alle nieuwgeboren kinderen bij de geboorte worden geregistreerd, en maatregelen te nemen om mensen die niet bij de geboorte zijn geregistreerd, te registreren met vermelding van hun verblijfplaats;

6.  moedigt de Haïtiaanse autoriteiten en donoren aan om aanzienlijke middelen die momenteel aan dure, maar kwalitatief slechte weeshuizen worden besteed, over te hevelen naar gemeenschapsgerichte diensten die gezinnen en gemeenschappen beter in staat stellen adequaat voor hun eigen kinderen te zorgen;

7.  vraagt de regering van Haïti en de resterende EU-lidstaten, indien van toepassing, de volgende verdragen, die essentieel zijn voor de bestrijding van kinderhandel en kinderslavernij, zonder voorbehoud te ratificeren:

   Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en opt‑in voor de onderzoeksprocedures en procedures tussen staten,
   Internationaal Verdrag ter bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning,
   Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,
   Statuut van Rome;

8.  vraagt dat de EU bij haar ontwikkelingshulp bijzondere aandacht besteedt aan bijstand bij de dringende hervorming van het gerechtelijk apparaat en het opleiden van openbare aanklagers en rechters om gevallen van verkrachting en seksueel geweld te behandelen, waarbij politie en justitie moeten leren onpartijdig om te gaan met vrouwen en meisjes die gendergerelateerd geweld melden;

9.  neemt er nota van dat het Haïtiaanse parlement in september 2017 een jaarlijkse begroting heeft aangenomen; wijst op de vooruitgang die onlangs is geboekt wat het recht op onderwijs betreft, met name dankzij het programma voor gratis en verplicht onderwijs voor iedereen, waarvoor zowel een systeem van effectieve monitoring en handhaving als een aanhoudende financiële inspanning uit de nationale begroting van Haïti en de ontwikkelingshulp van de EU nodig is; vraagt dat er in het kader van het volgende Europees Ontwikkelingsfonds en het nationale indicatieve programma voor Haïti meer aandacht wordt besteed aan het welzijn en de rehabilitatie van restavek-kinderen, ook de meest kansarme, die met een handicap, die met leermoeilijkheden en die in plattelandsgebieden, onder andere door middel van een regelmatig gezamenlijk voortgangsverslag over de maatregelen die zijn genomen en de doeltreffendheid daarvan bij de bestrijding van het restavek-fenomeen;

10.  verwacht dat de EU en haar lidstaten, die na orkaan Matthew hulp hebben toegezegd aan Haïti, hun beloften nakomen en het land helpen de uitdagingen op lange termijn het hoofd te bieden;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de ACS-EU-Raad van ministers, de instellingen van het Cariforum, de regering en het parlement van Haïti en de Dominicaanse Republiek en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.


Garantiefonds voor extern optreden ***I
PDF 241kWORD 42k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 tot instelling van een Garantiefonds (COM(2016)0582 – C8-0374/2016 – 2016/0274(COD))
P8_TA(2018)0037A8-0132/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0582),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 209 en 212 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0374/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 1 december 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie internationale handel (A8-0132/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 8 februari 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad tot instelling van een Garantiefonds

P8_TC1-COD(2016)0274


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/409.)


EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen van projecten buiten de Unie ***I
PDF 243kWORD 47k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 466/2014/EU tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen van projecten buiten de Unie (COM(2016)0583 – C8-0376/2016 – 2016/0275(COD))
P8_TA(2018)0038A8-0135/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0583),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 209 en 212 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0376/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de tussentijdse evaluatie van de toepassing van Besluit nr. 466/2014/EU met betrekking tot de EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen van projecten buiten de Unie (COM(2016)0584),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 1 december 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0135/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie haar voorstel vervangt, er ingrijpende wijzigingen in aanbrengt of voornemens is er ingrijpende wijzigingen in aan te brengen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 8 februari 2018 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 466/2014/EU tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen ter ondersteuning van investeringsprojecten buiten de Unie

P8_TC1-COD(2016)0275


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2018/412.)


Jaarverslag over de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank
PDF 311kWORD 66k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over het jaarverslag over de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank (2017/2071(INI))
P8_TA(2018)0039A8-0013/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 15, 126, 175, 177, 208, 209, 271, 308 en 309 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en Protocol nr. 5 betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank (EIB),

–  gezien het activiteitenplan 2017-2019 van de EIB-groep, dat op de website van de EIB is gepubliceerd,

–  gezien het activiteitenverslag 2016 van de EIB,

–  gezien het financieel verslag 2016 en het statistisch verslag 2016 van de EIB,

–  gezien de EIB-evaluatie van de werking van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) van september 2016,

–  gezien de Overeenkomst die op 2 mei 2017 door het Europees Parlement en de EIB is gesloten over de informatie die moet worden uitgewisseld in het kader van Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(1),

–  gezien Verordening (EU) 2017/2396 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) 2015/1017 wat betreft de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen en wat betreft de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub(2),

–  gezien het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 466/2014/EU tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen van projecten buiten de Unie (COM(2016)0583),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 tot instelling van een Garantiefonds (COM(2016)0582),

–  gezien het EIB-initiatief voor economische veerkracht,

–  gezien Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 tot instelling van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds(3),

–  gezien de eerste vergadering van de strategische raad van bestuur van het EFDO op 28 september 2017 in Brussel,

–  gezien de Sociale Top voor eerlijke banen en groei die op 17 november 2017 heeft plaatsgevonden in Göteborg en de Europese pijler van sociale rechten,

–  gezien de strategie van de EIB-groep inzake gendergelijkheid en economische empowerment van vrouwen,

–  gezien het verslag over de uitvoering van het transparantiebeleid van de EIB in 2015 en het verslag van de EIB over corporate governance van 2016,

–  gezien het Handboek milieu- en sociale praktijken van de EIB,

–  gezien de lopende herziening van de klachtenregeling van de EIB – Beginselen, uitgangspunten en reglement van 2010,

–  gezien het beleid van de EIB ten aanzien van zwak gereglementeerde, niet-transparante en niet-coöperatieve rechtsgebieden (NCJ's) van 15 december 2010 en het addendum daarbij van 8 april 2014,

–  gezien de goedkeuring door de EIB van de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs door de EU op 4 oktober 2016,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de VN‑doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling,

–  gezien de toespraak over de staat van de Unie van voorzitter Juncker tijdens de plenaire vergadering van het Parlement van 13 september 2017 in Straatsburg,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie regionale ontwikkeling (A8‑0013/2018),

A.  overwegende dat de Europese Investeringsbank (EIB) wordt beschouwd als de "financiële arm van de EU" en als een belangrijke instelling bij het ondersteunen van openbare en particuliere investeringen in de EU, en ook buiten de EU een belangrijke rol speelt door haar externe leenactiviteiten;

B.  overwegende dat de financiële activiteiten van de EIB-groep zowel het verlenen van leningen met eigen middelen omvatten als het uitvoeren van de verschillende opdrachten die haar met steun uit de EU‑begroting en van derde partijen zoals de EU‑lidstaten zijn toevertrouwd;

C.  overwegende dat er voortdurend aandacht moet zijn voor de ontwikkeling van optimale werkmethodes met betrekking tot het prestatiebeleid en ‑beheer, het bestuur en de transparantie van de EIB‑groep;

D.  overwegende dat de EIB in 2016, overeenkomstig de prognose voor dat jaar, een solide financiële situatie heeft gehandhaafd, met een jaarlijks netto-overschot van 2,8 miljard EUR;

E.  overwegende dat de EIB haar inspanningen om haar leningactiviteiten effectief uit te breiden, moet blijven opvoeren door technische bijstand en advies te geven, met name in regio's met een lage investeringsniveaus, om regionale kloven te dichten, en dat zij daarnaast de administratieve rompslomp voor aanvragers moet verminderen;

F.  overwegende dat de EIB, als instelling die verantwoordelijk is voor het beheer van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), verder moet streven naar een geografisch evenwichtige activaportefeuille van hoge kwaliteit, met economische voordelen op lange termijn die kwaliteitsbanen opleveren, en dit overal in de EU tot haar voornaamste prioriteit moet maken;

G.  overwegende dat het Europees Investeringsfonds (EIF), in aanvulling op de verrichtingen van de EIB, een belangrijke rol moet spelen als gespecialiseerd EU‑instrument voor durfkapitaal en garanties waarmee vooral kmo's worden ondersteund, zodat de Europese integratie en de economische, sociale en territoriale cohesie verder kunnen worden bevorderd;

H.  overwegende dat er waarborgen tegen fraude, waaronder belastingfraude en het witwassen van geld, en tegen het risico van terrorismefinanciering zijn vervat in de contractuele bepalingen van de EIB-groep die zijn opgenomen in de door de EIB-groep en haar tegenpartijen gesloten overeenkomsten; overwegende dat de EIB-groep van haar tegenpartijen moet verlangen dat zij alle toepasselijke wetgeving naleven; overwegende dat de EIB-groep op basis van de resultaten van zorgvuldig onderzoek aanvullende, specifiek op transparantie en integriteit gerichte contractbepalingen moet opleggen;

I.  overwegende dat de EIB-groep uit hoofde van het Verdrag verplicht is bij te dragen aan de integratie, de economische en sociale cohesie en de regionale ontwikkeling in de EU door middel van specifieke investeringsinstrumenten zoals leningen, aandelen, garanties, risicodelingsfaciliteiten en adviesdiensten;

J.  overwegende dat de EIB-groep een hoge kredietwaardigheid moet behouden als fundamentele troef van haar bedrijfsmodel, evenals een kwalitatief hoogwaardige, solide activaportefeuille met degelijke investeringsprojecten in het kader van het EFSI en alle financieringsinstrumenten in haar portefeuille;

Wereldwijde uitdagingen en belangrijkste beleidslijnen

1.  benadrukt dat de economische crisis de economische groei in de EU aanzienlijk heeft verzwakt en dat een van de voornaamste gevolgen de daling van de investeringen in de EU is; onderstreept dat de daling van de openbare en particuliere investeringen in de landen die het zwaarst onder de crisis te lijden hebben, alarmerende niveaus heeft bereikt, zoals blijkt uit de bevindingen van Eurostat; is bezorgd over de macro-economische onevenwichtigheden en de werkloosheidscijfers, die in sommige lidstaten nog steeds aanzienlijk zijn;

2.  verwacht van de EIB dat ze met de Commissie en de lidstaten blijft samenwerken om de systemische tekortkomingen aan te pakken die het bepaalde regio's of landen beletten optimaal gebruik te maken van de financiële activiteiten van de EIB;

3.  is verheugd dat de EIB-groep bereid is om het concurrentievermogen van de EU te versterken, reële steun te verlenen voor groei en het scheppen van banen en bij te dragen tot het oplossen van de sociaal-economische uitdagingen binnen en buiten de EU door haar overkoepelende beleidsdoelstellingen op het gebied van innovatie, financiering van kmo's en midcaps, infrastructuur, milieu, economische en sociale cohesie en het klimaat na te streven; herinnert eraan dat deze doelstellingen ook vereisen dat er collectieve goederen worden geleverd; benadrukt dat, om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie met succes te verwezenlijken, alle activiteiten van de EIB-groep niet alleen economisch haalbaar moeten zijn, maar ook moeten bijdragen aan een slimmere, groenere en meer inclusieve EU; verzoekt de EIB in dit verband om samen te werken met kleine marktspelers en gemeenschapscoöperaties om kleinschalige projecten op het gebied van hernieuwbare energie te hergroeperen opdat zij in aanmerking komen voor EIB-financiering; benadrukt dat er sprake moet zijn van coherentie tussen de instrumenten die nodig zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken;

4.  verwelkomt in dit opzicht de aanpak van de Commissie om verschillende bronnen van financiering, waaronder het EFSI, centraal beheerde financiële instrumenten op EU‑niveau en middelen van de door de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) ondersteunde programma's, evenals middelen van de lidstaten en middelen van nationale stimuleringsinstellingen, te combineren, wat het mogelijk heeft gemaakt risicovollere projecten en projecten met een beperkte toegang tot financiering te bedienen, hetgeen gunstig is voor kmo's;

5.  is verheugd dat de EIB haar toezegging om de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs te steunen, heeft bevestigd; is van mening dat de voor 2018 geplande herziening van de criteria met betrekking tot kredietverlening voor energie van de EIB voor de bank een gelegenheid zal zijn om de steun die zij aan de sector fossiele brandstoffen verleent, te inventariseren en om uitgebreide relevante en aanverwante informatie te publiceren; dringt er in dit verband bij de bank op aan om de concrete actieplannen te publiceren die uit haar klimaatstrategie voor 2015 voortvloeien, en haar portefeuille af te stemmen op de doelstelling om de wereldwijde gemiddelde temperatuurstijging op 1,5 °C te houden, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, door projecten voor fossiele brandstoffen snel en volledig uit te faseren en prioriteit te geven aan projecten voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie; is ingenomen met de conclusies van de Raad van 10 oktober 2017 over klimaatfinanciering(4) en benadrukt dat het van belang is dat er voldoende financiering beschikbaar wordt gesteld voor duurzame, groene investeringen, waaronder voor biogebaseerde industrieën(5); verzoekt de EIB financiële steun te blijven verstrekken aan duurzame, lokale energiebronnen om Europa minder afhankelijk te maken van externe leveranciers en de bevoorradingszekerheid te waarborgen; verzoekt de EIB te overwegen de Rio‑klimaatindicatoren van de OESO over te nemen om klimaatgerelateerde uitgaven uit hoofde van de ESI-fondsen te traceren en te controleren, zodat in het kader van de beoordeling van de rol van de ESI-fondsen bij de aanpak van de klimaatverandering beter rekening kan worden gehouden met de EIB-activiteiten in verband met het cohesiebeleid;

6.  benadrukt dat de EIB zeer uiteenlopende resultaten behaalt op het gebied van klimaatactie, ondanks het feit dat ze haar algemene doelstelling van 25 % met een kleine marge heeft behaald; is bezorgd dat in 16 lidstaten de EIB-steun voor klimaatactie niet eens 20 % bedroeg en dat de klimaatactie-investeringen in 2016 voornamelijk naar de sterkere economieën in de EU gingen, waarbij 70 % van de EFSI‑steun voor hernieuwbare energie naar slechts één land ging, namelijk België, en 80 % van de EFSI-investeringen voor energie-efficiëntie werd toegekend aan Frankrijk, Finland en Duitsland;

7.  is ermee ingenomen dat de EIB op de crisis heeft gereageerd met een aanzienlijke uitbreiding van haar activiteiten, ook in de zwaarst getroffen landen; verzoekt de EIB de EU-landen verder te steunen om bij te dragen tot hun economisch herstel;

8.  herinnert eraan dat de invloed van de brexit op de huidige begroting van de EIB en haar activiteiten zo spoedig mogelijk moet worden verduidelijkt, opdat de instelling haar taken kan blijven vervullen; merkt op dat het VK voorzag in 16,11 % van het kapitaal van de EIB, wat neerkomt op 3,5 miljard EUR van het gestorte kapitaal en 35,7 miljard EUR van het opvraagbare kapitaal van de bank; benadrukt dat het van belang is dat er duidelijkheid wordt verschaft over de hoogte van de bijdrage van het VK aan de begroting van de EIB en de toekomstige economische participatie van het VK; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat het vertrek van het VK niet tot gevolg heeft dat de EIB de EU-economie in mindere mate kan ondersteunen; benadrukt in dit verband dat er zo snel mogelijk rechtszekerheid moet worden gecreëerd omtrent de lopende projecten in het VK die de EIB medefinanciert; is van mening dat het VK op het gebied van investeringen moet worden behandeld zoals elke andere lidstaat zolang het de Unie niet formeel heeft verlaten, maar dat de EIB gegronde redenen heeft om investeringen te onderwerpen aan de voorwaarde dat tijdens de volledige duur van de investeringen wordt voldaan aan de subsidiabiliteitscriteria ervan, met name op het gebied van milieunormen;

9.  benadrukt het belang van de financieringsactiviteiten van de EIB in de oostelijke en zuidelijke nabuurschap, waar zij de landen ondersteunt die moeilijke economische en democratische hervormingen moeten doorvoeren als onderdeel van hun weg naar toetreding tot de EU; wijst erop dat de belangrijkste financieringsactiviteiten tevens gericht moeten zijn op de aanpak van zowel dringende behoeften als uitdagingen voor de langere termijn, zoals de heropbouw van infrastructuur, het garanderen van toereikende huisvesting en infrastructuur van noodhulpdiensten en de bestrijding van jeugdwerkloosheid; benadrukt dat het voor de EIB noodzakelijk is externe operaties uit te voeren, zodat zij haar activiteiten specifiek kan richten op gebieden die van groot belang zijn voor de EU; benadrukt in dit verband dat het mandaat van de EIB voor externe leningen is uitgebreid ter uitbreiding van het aantal activiteiten in de zuidelijke buurlanden, het Middellandse Zeegebied, Latijns-Amerika en Azië; onderstreept verder de grote mogelijkheden voor de EIB om verbetering te brengen in de economische situatie in regio's die van groot geopolitiek belang zijn, in het bijzonder Oekraïne, waar sprake is van grote economische stress als gevolg van het aanhoudende gewapende conflict in het oosten van dat land;

10.  meent dat de EIB, als "de EU-bank", die in de Verdragen en het desbetreffende daaraan gehechte protocol is opgenomen en verankerd, deze unieke status, die unieke rechten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt, moet waarmaken; stelt vast dat de EIB een cruciale rol vervult bij de implementatie van een groeiend aantal financieringsinstrumenten die de begrotingsmiddelen van de EU een hefboomeffect geven;

11.  merkt op dat de waarde van de ondertekende EIB-leningen volgens het activiteitenplan 2017-2019 in 2019 naar verwachting opnieuw zal stijgen (tot 76 miljard EUR, na een daling van 77 miljard EUR in 2014 tot 73 miljard EUR in 2016); wijst erop dat de huidige context de bank ertoe moet aansporen ambitieuzere doelstellingen vast te stellen en meer leningen te ondertekenen; herinnert eraan dat de EIB een fundamentele rol moet spelen bij de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie via instrumenten als Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen;

12.  prijst de EIB voor haar inzet om de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken en op te treden in de landen die door de migratiecrisis zwaar op de proef worden gesteld, onder meer door het versterken en aanvullen van humanitaire acties en het ondersteunen van economische groei, de ontwikkeling van en de nodige investeringen in moderne en duurzame stedelijke, gezondheids-, onderwijs- en sociale infrastructuur, het stimuleren van de economische activiteit om banen te scheppen en het bevorderen van grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten en derde landen; verwacht dat de EIB-groep daartoe haar inspanningen opvoert om haar initiatief inzake economische veerkracht en het herziene mandaat voor externe leningen te coördineren met het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO); verzoekt om een verhoging van de financiële steun aan projecten die de economische kosten van de migratiecrisis verlichten en een positief effect hebben op de burgers, vluchtelingen en andere migranten in lidstaten met de grootste vluchtelingen- en migranteninstroom;

13.  verwelkomt in dit verband het crisisrespons- en veerkrachtinitiatief van de EIB, dat tot doel heeft de steun aan de zuidelijke buurlanden van de EU en de Balkanlanden met 6 miljard EUR te verhogen; verlangt dat dit initiatief echte additionaliteit oplevert wat de huidige EIB-activiteiten in de regio betreft;

14.  neemt kennis van het voorstel van de EIB om, binnen de Groep, een dochtermaatschappij op te richten, naar het voorbeeld van het EIF, die gericht zal zijn op financiering buiten Europa; verwacht tijdig op de hoogte te worden gehouden over eventuele ontwikkelingen met betrekking tot deze kwestie;

15.  is ingenomen met de strategie van de EIB-groep inzake gendergelijkheid en economische empowerment van vrouwen die in 2017 werd gepubliceerd; is van mening dat op alle financiële verrichtingen van de EIB-groep een genderperspectief moet worden toegepast; verwacht dat spoedig een genderactieplan met ambitieuze doelstellingen en concrete indicatoren ten uitvoer wordt gelegd;

16.  is ingenomen met de overeenstemming die is bereikt over de verlenging en aanpassing van het EFSI en verwacht dat het herziene fonds en de verbeterde Europese investeringsadvieshub het mogelijk zullen maken de in de huidige regeling vastgestelde problemen te verhelpen, met name wat betreft additionaliteit, duurzaamheid, klimaatactie, geografisch evenwicht en de activiteiten van de advieshub; benadrukt het belang van het vermijden van geografische onevenwichtigheden in de leningsactiviteiten van de EIB om zo een bredere geografische en sectorale toewijzing te verzekeren, zonder dat dit ten koste gaat van de uitstekende kwaliteit van de projecten; roept de EIB op haar samenwerking met nationale stimuleringsbanken en ‑instellingen (NPBI's) verder te versterken om het bereik te vergroten, en haar activiteiten op het gebied van advies en technische bijstand verder uit te breiden om de kwestie van geografische onevenwichtigheden op lange termijn aan te pakken; constateert dat er sprake is van een breed scala aan ervaringen met betrekking tot EFSI-projecten; ondersteunt en stimuleert een verdere uitwisseling van optimale werkwijzen tussen de EIB en de lidstaten om de economische doeltreffendheid en toereikende hefboomwerking van het plan-Juncker te waarborgen, wat een verschil zal maken voor het leven van EU-burgers;

17.  stelt vast dat de EIB in de sociale sector jaarlijks gemiddeld 1 miljard EUR aan leningen verstrekt voor socialehuisvestingsprojecten (waar de afgelopen jaren sprake was van een sterke toename en een verdere diversificatie van de promotoren en kredietnemers), 1,5 miljard EUR voor gezondheidsinfrastructuur en 2,4 miljard EUR voor projecten op het gebied van onderwijsinfrastructuur; onderstreept dat de verdere ontwikkeling van de EIB-financiering in deze sector een afspiegeling zou zijn van de vooruitgang die momenteel wordt geboekt als het erop aankomt de EU-pijler van sociale rechten te handhaven en ervoor te zorgen dat de EIB-groep, overeenkomstig de verwachtingen, prioriteit geeft aan de projecten die het meeste effect hebben op het scheppen van duurzame lokale banen;

18.  is verheugd dat, volgens het overzicht van de afdeling Economische zaken van de EIB van 28 september 2017, de cumulatieve investeringen die de EIB-groep in 2015 en 2016 heeft goedgekeurd het bbp van de EU tegen 2020 met 2,3 % zullen verhogen en tot 2,25 miljoen nieuwe banen zullen leiden, wat erop wijst dat de EIB een aanzienlijk macro-economisch effect heeft; moedigt de EIB aan haar macro-economische analysecapaciteit, met inbegrip van onderzoek naar het macro-economische effect van haar activiteiten, haar algemene analytische werkzaamheden en sectorale studies en haar reeks empirische papers en publicaties uit te breiden en op die manier ook een "kennisbank" te worden; verzoekt de EIB om de beoordeling van projecten te blijven verbeteren door gebruik te maken van rijkere, nauwkeurigere en verfijnde effectindicatoren;

19.  erkent het belang van de anticyclische rol die de EIB de afgelopen jaren heeft gespeeld; is van mening dat de EIB zich, zodra de economie zich weer op het investeringsniveau van voor de crisis bevindt, hoofdzakelijk zou moeten richten op het dichten van investeringskloven op gebieden waar de markten tekortschieten (bijvoorbeeld vanwege hun aanhoudende focus op de korte termijn en hun onvermogen de prijs van externe factoren op de lange termijn correct in te schatten), teneinde duurzame investeringen, technologische vooruitgang en tot duurzame groei leidende innovatie te stimuleren; onderstreept de noodzaak om prioriteit te verlenen aan innovatiegerichte projecten met een duidelijke toegevoegde waarde voor de EU, alsook aan projecten die regionale ontwikkeling ondersteunen, zoals de stimulering van plattelandsgebieden en andere slecht toegankelijke en onderontwikkelde gebieden;

20.  onderstreept de positieve rol die de EIB heeft gespeeld en blijft spelen in het verkleinen van de overheidsinvesteringskloof; benadrukt dat investeringen, verantwoorde en duurzame structurele hervormingen en een solide begroting een wezenlijk onderdeel moeten vormen van een algemene strategie; dringt erop aan de activiteiten van de EIB in de lidstaten waar mogelijk af te stemmen met de activiteiten, beleidsmaatregelen en doelstellingen van de overheden die zijn vastgesteld in de nationale hervormingsprogramma's en in de landspecifieke aanbevelingen;

21.  onderstreept dat er op EU-niveau belangrijke structurele oorzaken zijn voor de groeiende investeringskloven tussen de lidstaten; verzoekt de EIB haar technische bijstand op te voeren om de lage projectuitwerkingscapaciteit in sommige lidstaten aan te pakken; verzoekt de EIB meer gedetailleerde informatie te verstrekken over de directe en indirecte banen die door elk gefinancierd project gecreëerd worden;

22.  onderstreept dat de EIB krachtens het Verdrag via haar primaire leenactiviteiten moet bijdragen aan de evenwichtige en gestage ontwikkeling van de interne markt en projecten voor de ontwikkeling van minder ontwikkelde regio's en projecten van grensoverschrijdende aard moet ondersteunen, in samenspel met de ESI-fondsen; benadrukt dan ook het potentieel van de belangrijke complementaire rol van de EIB bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid, die altijd op prestaties gebaseerd en resultaatgericht moet blijven, onder andere door middel van activiteiten die zijn opgezet met het oog op een grotere capaciteit om projecten voor te bereiden, betere consultancy- en analysediensten en meer leningen voor de nationale medefinanciering van de ESI‑fondsen; verzoekt de Commissie en de EIB hun inspanningen beter op elkaar af te stemmen om de uitwisseling van beproefde werkwijzen verder te bevorderen en investeringsmogelijkheden te verspreiden in alle Europese regio's, met inbegrip van de regio's die niet onder het Cohesiefonds vallen, teneinde de doelstellingen van de economische, sociale en territoriale cohesie beter te verwezenlijken;

23.  benadrukt dat de EIB, als openbare financiële instelling die projecten financiert om EU‑beleid en ‑prioriteiten uit te voeren, moet bijdragen aan economische, sociale en territoriale cohesie, ook in minder ontwikkelde regio's, zoals bepaald is in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; stelt echter tot zijn spijt vast dat, volgens de geografische uitsplitsing van leningen per land waar projecten worden uitgevoerd, vijf lidstaten, en wel de grootste economieën van de EU, 54,11 % van alle in 2016 toegekende leningen hebben ontvangen; verzoekt de EIB en de Commissie te onderzoeken welke omstandigheden tot deze situatie hebben geleid en vóór medio 2018 verslag uit te brengen aan het Parlement; benadrukt dat er een bredere geografische spreiding van middelen nodig is, ook wat betreft de middelen uit het EFSI, die te allen tijde complementair moeten zijn met de ESI-fondsen, om de doelstelling regionale ongelijkheden te verminderen te verwezenlijken; benadrukt dat er een grotere rol is weggelegd voor de EIB bij de financiering van sociaal ondernemerschap en start‑ups, een versnelde groei van de sociale infrastructuur, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en projecten op het vlak van de kringloopeconomie; wijst er in dit verband op dat de EIB ook een belangrijke investeerder in niet-EU-landen is;

24.  neemt kennis van de tussentijdse evaluatie van alle door de EIB-groep beheerde financieringsinstrumenten (InnovFin) van Horizon 2020 en de 15 aanbevelingen die daarin worden gedaan; verwacht van de EIB-groep dat zij een gedetailleerde strategie uitstippelt voor de wijze waarop zij die aanbevelingen wil uitvoeren;

Naleving

25.  herhaalt zijn standpunt dat het Europese rechtskader, met inbegrip van de statuten van de EIB, de EFSI-verordening, de vier verordeningen inzake het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en de vijf ESI-fondsen (het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij), het gebruik moet verbieden van EU-financiering die uiteindelijk naar begunstigden of financiële tussenpersonen gaat van wie bewezen is dat zij betrokken zijn bij belastingontduiking of belastingfraude;

26.  herinnert eraan dat het beleid van de EIB inzake rechtsgebieden die zich niet aan de regels houden ambitieus moet zijn; merkt op dat het gebruik van de gemeenschappelijke EU-lijst van rechtsgebieden in derde landen die zich niet aan de normen inzake goed fiscaal bestuur houden, die op 5 december 2017 door de Raad van de EU werd goedgekeurd en die in geval van geschillen zal prevaleren boven lijsten van andere leidende organisaties, een positieve maar onvoldoende stap is, en vraagt dat verslaglegging per land zonder uitzondering een prominent onderdeel van de strategie van de EIB inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt; verzoekt de EIB om: te voldoen aan de relevante normen en toepasselijke wetgeving inzake de voorkoming van witwassen en de bestrijding van terrorisme, belastingfraude en belastingontduiking; geen gebruik te maken van of deel moet nemen aan constructies voor belastingontwijking, in het bijzonder agressieve regelingen en praktijken op het gebied van fiscale planning die niet voldoen aan de criteria voor goed fiscaal bestuur zoals uiteengezet in de rechtshandelingen van de Unie, conclusies van de Raad, mededelingen van de Commissie en alle aanmaningen van de Commissie; en geen zakelijke betrekkingen te onderhouden met entiteiten die verweven zijn met of gevestigd zijn in rechtsgebieden die niet met de Unie samenwerken voor de toepassing van de internationaal overeengekomen belastingnormen inzake transparantie en uitwisseling van informatie; dringt er bij de EIB op aan om, na een raadpleging met de Commissie en belanghebbenden, haar beleid inzake niet-coöperatieve jurisdicties te herzien en actualiseren, in het licht van de goedkeuring van bovengenoemde Unielijst van niet‑coöperatieve rechtsgebieden; dringt er bij de Commissie op aan jaarlijks een verslag bij het Europees Parlement en bij de Raad in te dienen over de tenuitvoerlegging van dat beleid;

27.  merkt op dat de Commissie in het verleden een aantal door de internationale financiële instellingen(6) ingediende projecten heeft geblokkeerd, omdat deze projecten ongerechtvaardigd complexe belastingregelingen omvatten waarbij gebruik werd gemaakt van schadelijke of ontbrekende belastingbeleidsmaatregelen in derde landen; verzoekt de Commissie en de EIB informatie in hun jaarverslagen op te nemen over projecten waarbij middelen zijn overgemaakt naar offshore-jurisdicties; benadrukt dat het voor internationale financiële instellingen noodzakelijk is het risico uit te sluiten dat EU‑middelen belastingontwijking of belastingfraude direct of indirect in de hand werken;

28.  wijst erop dat zorgen zijn geuit over door de EIB gefinancierde projecten waarbij offshoreconstructies en niet-coöperatieve rechtsgebieden betrokken zijn; verzoekt de Commissie jaarlijks een openbaar verslag te publiceren over het gebruik van EU‑middelen in verband met offshoreconstructies en transfers van de EIB en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) naar deze constructies, inclusief het aantal en de aard van de geblokkeerde projecten, een toelichting betreffende de redenen voor de blokkering van projecten en follow‑upmaatregelen die zijn genomen om ervoor te zorgen dat EU-middelen niet rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot belastingontwijking en belastingfraude;

29.  is verheugd over het feit dat de EIB rekening houdt met de fiscale gevolgen in de landen waar geïnvesteerd wordt en de wijze waarop deze investeringen bijdragen tot economische ontwikkeling, het scheppen van banen en het verminderen van ongelijkheid;

30.  is van mening dat de EIB, als bank van de Europese Unie, zich meer moet inspannen om ervoor te zorgen dat de financiële tussenpersonen met wie zij in zee gaan geen gebruikmaken van en zich niet inlaten met belastingontwijkingsconstructies, en met name agressieve fiscale planningsregelingen of praktijken die niet stroken met de beginselen inzake goede fiscale governance, zoals vastgelegd in de EU-wetgeving en in aanbevelingen en mededelingen van de Commissie; benadrukt dat de EIB zich er ook van moet vergewissen dat financiële tussenpersonen niet betrokken zijn bij corruptie, witwassen van geld, georganiseerde misdaad of terrorisme;

31.  benadrukt dat het voor de EIB van belang is over betrouwbare en volledige informatie te beschikken inzake de uiteindelijk begunstigden van de middelen van de EIB, ook wanneer de financiering gebaseerd is op particuliere aandelenfondsen; dringt er daarom bij de EIB op aan haar zorgvuldigheidsprocedure en transparantie te versterken wanneer ze met financiële tussenpersonen werkt; is van mening dat het gebruik van criteria voor de selectie van financiële intermediairs en het beschikken over actuele informatie over de uiteindelijke eigendom van ondernemingen – met inbegrip van trusts, stichtingen en belastingparadijzen – optimale werkwijzen zijn die permanent moeten worden nagevolgd; wijst op het feit dat de EIB tijdens het due diligence-proces vaststelt wie de uiteindelijke begunstigden van dergelijke bedrijven zijn; verzoekt de EIB-groep om, teneinde integriteits- en reputatierisico's te beperken, haar contractvoorwaarden te versterken door daarin een bepaling betreffende of een verwijzing naar goed bestuur op te nemen; dringt erop aan dat de EIB een strikte, openbare lijst van criteria voor de selectie van de financiële tussenpersonen opstelt om de EU-inzet voor de bestrijding van belastingmisbruik te versterken en de risico's van corruptie en infiltratie van de georganiseerde misdaad doeltreffender te voorkomen;

32.  is ingenomen met de inspanningen van de EIB om due diligence toe te passen op de tegenpartijen en verrichtingen van de EIB-groep, zoals doorlopende monitoring en controles, om te voorkomen dat de EIB zonder het te weten corruptie, fraude, collusie, dwang, witwassen van geld, belastingfraude, schadelijke belastingpraktijken of terrorismefinanciering faciliteert, met name door de publicatie van regelmatige activiteitenverslagen door de dienst Compliance (Office of the Chief Compliance Officer, OCCO) en nauwe samenwerking met de Algemene Inspectie van de EIB; verzoekt de EIB zich te conformeren aan het nieuwe systeem voor vroegtijdige waarschuwing en uitsluiting van de Europese Commissie;

33.  is verheugd over de samenwerking en uitwisselingen tussen de EIB-groep en de verschillende diensten van de Commissie met betrekking tot de maatregelen in het pakket bestrijding belastingontwijking teneinde duidelijkheid te verschaffen over het toepassingsgebied en de belangrijkste elementen van het wetgevingspakket, de rol en betrokkenheid van de EIB-groep en haar deelname aan overleg met maatschappelijke organisaties over deze kwesties, zowel op het niveau van de raad van bestuur van de EIB‑groep als op het niveau van de diensten van de EIB, zoals de OCCO; roept de EIB op om belastingontwijking aan te pakken in haar due diligence-controles;

Verantwoordingsplicht

34.  is van mening dat de versterkte economische rol van de EIB-groep, haar toegenomen investeringscapaciteit en het gebruik van de EU-begroting om garant te staan voor haar verrichtingen, vergezeld moeten gaan van meer transparantie en meer verantwoording met het oog op een daadwerkelijk democratische controle van haar activiteiten, projectselectie en financieringsprioriteiten;

35.  erkent dat de EIB jaarlijks drie verslagen over haar activiteiten indient bij het Parlement en dat de president en personeelsleden van de EIB regelmatig hoorzittingen bijwonen op verzoek van het Parlement en zijn commissies; herinnert echter aan zijn verzoek om een hoger niveau van parlementaire verantwoording en transparantie van de EIB; herhaalt in dit verband zijn verzoek om de ondertekening van een interinstitutionele overeenkomst tussen de EIB en het Parlement over de uitwisseling van informatie, waarbij de leden de mogelijkheid krijgen om schriftelijke vragen aan de president van de EIB te stellen;

36.  herinnert eraan dat een transparante uitvoering van EU-beleid niet alleen dient tot versterking van de algehele verantwoording door en geloofwaardigheid van de Europese Investeringsbank‑groep, met een duidelijk overzicht van het type financiële intermediairs en eindbegunstigden, maar ook bijdraagt aan een verbeterde doeltreffendheid en duurzaamheid van de gefinancierde projecten, en een nultolerantiebeleid garandeert ten aanzien van fraude en corruptie in haar leningenportefeuille;

37.  is ingenomen met het feit dat het transparantiebeleid van de EIB-groep is gebaseerd op een openbaarmakingspresumptie, waardoor iedereen toegang heeft tot documenten en informatie van de EIB-groep; herhaalt zijn aanbeveling om niet-vertrouwelijke documenten, zoals interinstitutionele akkoorden en memoranda, op de website van de EIB te publiceren, en vraagt de EIB-groep het daar niet bij te laten, maar te blijven zoeken naar manieren om het nog beter te doen;

38.  stelt voor dat de EIB-groep het voorbeeld volgt van de Internationale Financieringsmaatschappij van de Wereldbankgroep en informatie bekend begint te maken over door haar via handelsbanken (de belangrijkste intermediairs/financiële instrumenten die de EIB-groep gebruikt om kmo's te financieren) gefinancierde risicovolle subprojecten;

39.  is verheugd over het feit dat alle projectdocumenten die de EIB-groep aanhoudt op verzoek openbaar worden gemaakt; verzoekt de EIB-groep richtsnoeren te formuleren voor niet-gevoelige en elementaire informatie die bekend zou kunnen worden gemaakt naar aanleiding van eisen inzake proactieve bekendmaking op projectniveau;

40.  verzoekt de EIB-groep in haar openbaarmakingsbeleid te zorgen voor een steeds grotere mate van transparantie met betrekking tot de beginselen van haar prijsbeleid en bestuursorganen; is in dit verband verheugd over de openbaarmaking van de notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur van de EIB-groep in januari 2017, het openbaar register van documenten en de publicatie van projectgegevens via het Internationaal Initiatief inzake transparantie van ontwikkelingshulp (IATI)(7); roept op tot publicatie van de notulen van de bijeenkomsten van het directiecomité;

41.  neemt kennis van de lopende herziening van het klokkenluidersbeleid van de EIB‑groep; dringt er bij de EIB-groep op aan de onafhankelijkheid, legitimiteit, toegankelijkheid, voorspelbaarheid, billijkheid en transparantie van haar klachtenmechanisme te versterken, onder andere door bestuurders erbij te betrekken en klagers beter te beschermen; is van mening dat dergelijke maatregelen duidelijk in het belang zijn van de bank, de belanghebbenden en de EU-instellingen;

42.  merkt op dat van de 120 zaken die in 2016 aan de afdeling Fraude-onderzoeken van het Inspectoraat-generaal (IG/IN) werden gemeld, 53 % werd voorgelegd door personeel van de EIB-groep; is verheugd dat het frauderapporteringsmechanisme op de website van de EIB nu beschikbaar is in dertig talen(8); is van mening dat de EIB de lopende werkzaamheden op EU-niveau inzake de bescherming van klokkenluiders nauwgezet moet volgen en dienovereenkomstig haar rapporteringsmogelijkheden moet verbeteren;

43.  verzoekt de EIB-groep voortdurend nadruk te leggen op het monitoren van haar prestaties door middel van prestatiebeoordelingen en het vaststellen van bewezen effecten; spoort de EIB-groep aan om haar monitoringindicatoren, en met name haar additionaliteitsindicatoren, verder te blijven ontwikkelen teneinde de effecten in een zo vroeg mogelijk stadium van de projectgeneratiefase te kunnen beoordelen, en de raad van bestuur voldoende informatie te verstrekken over het beoogde effect, met name wat betreft de bijdrage van projecten aan het EU-beleid, bijvoorbeeld het effect ervan op de werkgelegenheid (zowel tijdens de uitvoering als tijdens het beheer); wijst er voorts op dat de prestaties van financiering door de EIB-groep niet alleen kunnen worden geëvalueerd op basis van een beoordeling van de financiële gevolgen ervan, en vraagt daarom dat het juiste evenwicht wordt behouden tussen de operationele doelstellingen, die in termen van omvang van de verrichtingen worden vastgesteld, en de niet-financiële doelstellingen van het personeel van de EIB-groep; dringt er bijvoorbeeld op aan dat in de prestatiebeoordelingen wordt aangegeven welke specifieke doelen in het kader van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) door het project worden nagestreefd en in welke mate het heeft bijgedragen tot de verwezenlijking ervan; acht het van essentieel belang dat de inwoners van de gebieden die grenzen aan gefinancierde infrastructuurprojecten actief worden betrokken bij de beoordeling ervan;

44.  is verheugd dat de EIB blijft werken aan het verfijnen van haar methodologie voor effectrapportage, bijvoorbeeld om de investeringen die via diverse intermediaire kredietverleningsstructuren en nieuwe producten worden gegenereerd, nauwkeurig in kaart te brengen, en de gezamenlijke stappen die samen met andere multilaterale ontwikkelingsbanken zijn genomen om belangrijke aspecten van de effectrapportage te harmoniseren, zoals in het onlangs samengestelde verslag over de rapportage van klimaatfinanciering en het verslag dat wordt opgesteld over kredietverlening in alle sectoren;

45.  is verheugd over het feit dat resultatenmeting (ReM+) geleidelijk leidt tot een "cultuuromslag" in de EIB-groep; dringt er op aan dat deze exercitie wordt geharmoniseerd en veralgemeend, waarbij ook de indicatoren van Addis Abeba en Parijs zoveel mogelijk worden geïntegreerd; is van mening dat een verdere aanpassing van deze indicatoren door de integratie van lokale standpunten ze minder afstandelijk zou maken zonder afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid;

46.  verzoekt de EIB rekening te houden met de plaatselijke context wanneer ze investeert in derde landen; herinnert eraan dat investeringen in derde landen niet alleen gebaseerd mogen zijn op winstmaximalisatie, maar ook gericht moeten zijn op de totstandbrenging van door de private sector geleide duurzame economische groei op lange termijn en op de beperking van armoede door het scheppen van banen en een betere toegang tot productieve hulpmiddelen;

47.  merkt op dat in veel van de landen waar de EIB actief is mensenrechten, en dan in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging, op verschillende manieren worden geschonden, waarbij het gaat om voorvallen variërend van met geweld neergeslagen protesten en de criminalisering van vrije meningsuiting tot willekeurige arrestaties en de gevangenneming van mensenrechtenverdedigers en het opleggen van beperkingen aan organisaties van het maatschappelijk middenveld; roept de EIB op een actieplan voor mensenrechten aan te nemen teneinde de doelstellingen van het strategisch EU‑kader en ‑actieplan voor mensenrechten en democratie, en de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN ten uitvoer te leggen en zo eventuele negatieve effecten van EIB-projecten op de mensenrechten te voorkomen, te garanderen dat EIB-projecten bijdragen aan de verbetering en verwezenlijking van mensenrechten en rechtsmiddelen te bieden in het geval van mensenrechtenschendingen;

48.  is verheugd over de publicatie van het raamwerk voor resultaatmeting (ReM), maar is van mening dat de resultaten van dergelijke beoordelingen voor alle verrichtingen bekend moeten worden gemaakt, met inbegrip van de milieu- en sociale effecten op het niveau van projecten of subprojecten; is ingenomen met de tussentijdse evaluatie van het mandaat voor externe leningen, in het kader waarvan de EIB nu, op verzoek, de ReM-formulieren voor projecten die onder de EU-begrotingsgarantie vallen aan het Parlement zal doen toekomen; roept de EIB niettemin op eveneens de ReM-formulieren te publiceren voor individuele projecten buiten de EU en de formulieren voor de beoordeling op basis van de drie pijlers voor projecten binnen de EU, dit om de transparantie van de bank te vergroten;

49.  dringt er bij de EIB op aan alle relevante documenten openbaar te maken met betrekking tot leningen aan de automobielsector voor de ontwikkeling van dieseltechnologie, met inbegrip van het respectievelijke verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en zijn aanbevelingen inzake EIB-leningen aan Volkswagen; verzoekt de EIB meer in het algemeen toe te lichten in welke mate leningen werden verstrekt aan autofabrikanten waarvan is vastgesteld dat zij emissies hebben gemanipuleerd, en een overzicht te geven met betrekking tot de vraag hoeveel van deze leningen werden meegeteld als klimaatactie; verlangt in dit verband opheldering over de huidige controlemechanismen die met betrekking tot recentere leningovereenkomsten met autofabrikanten moeten waarborgen dat daadwerkelijk sprake is van een schone technologie-benadering, bijvoorbeeld ter ondersteuning van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten op het gebied van connectiviteit, efficiënte olie-elektrische hybride motoren, elektrische auto's met een groter bereik en geavanceerde hulpsystemen voor bestuurders;

50.  is verheugd over de goedkeuring door de EIB-groep van normen voor een hoog niveau van transparantie en verantwoordingsplicht met betrekking tot haar leenactiviteiten aan kmo's, alsook over het feit dat financiële intermediairs in hun verplichte verslaglegging over elke kmo die steun van de EIB-groep ontvangt, rekening zullen houden met deze resultaten wanneer vervolgtransacties met dezelfde intermediair worden overwogen;

51.  onderstreept dat het EOM, na de inwerkingtreding van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt(9) en van Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (het "EOM")(10) onderzoek zal verrichten naar EIB-verrichtingen in de lidstaten wanneer de nationale autoriteiten of het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) reden hebben te vermoeden dat er in dit verband een strafbaar feit is gepleegd;

52.  wijst op de beperkte informatie over de mate waarin de kredietverlening van de EIB bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid; verzoekt de EIB dan ook speciale hoofdstukken in zijn jaarverslag te wijden aan de evaluatie van de effecten van de activiteiten van de EIB die bedoeld zijn om de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid te ondersteunen, met inbegrip van activiteiten in het kader van Interreg, en om gedetailleerde informatie te verschaffen over het gebruik van leningen voor projecten en programma's in het kader van het cohesiebeleid, onder verwijzing naar onder andere de geografische spreiding van de steun, de daadwerkelijk bijdrage ervan aan de doelstellingen van het cohesiebeleid, met inbegrip van horizontale beginselen en de Europa 2020-strategie, en het concrete vermogen om particuliere investeringen in te zetten; benadrukt in dit verband dat de EIB de verantwoordelijkheid heeft om voldoende gegevens te verstrekken aan het Europees Parlement, de Rekenkamer e.a., onder meer over de kosten en het beheer van zijn producten, en staat tevens stil bij de meerwaarde van uitgesplitste gegevens op EU-niveau over de combinatie van investeringen uit hoofde van het cohesiebeleid en van de EIB;

Financiële activiteiten van de EIB-groep

53.  vraagt de EIB-groep actief met de Commissie samen te werken bij het rationaliseren van het aantal en de soorten financieringsinstrumenten in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) en op dit proces te anticiperen door in een eerste fase op basis van haar eigen ervaring de aandacht te vestigen op bestaand dubbel werk en overlappingen;

54.  is van mening dat de financieringsinstrumenten van de EIB-groep moeten dienen voor projecten die zijn geselecteerd op basis van hun eigen merites, hun potentieel om toegevoegde waarde te genereren voor de hele EU en effectieve additionaliteit, met name in gebieden waar markten projecten niet financieren en ondersteunen, waarbij het juiste evenwicht moet worden gevonden tussen een mogelijk hoger risicoprofiel en de fundamentele noodzaak om haar hoge kredietwaardigheid te behouden;

55.  waarschuwt er in dit verband voor dat marktgestuurde instrumenten de aandacht van de EU-begroting dreigen af te leiden van openbare collectieve goederen van de EU, en moedigt de EIB-groep aan in haar rapportage aan de Commissie meer de nadruk te leggen op de kwaliteit dan op de kwantiteit van haar financiering in het kader van financiële instrumenten;

56.  merkt op dat de EIB-groep, om volledig gebruik te maken van de additionele risicocapaciteit, verschillende nieuwe producten heeft ontwikkeld die het nemen van hogere risico's mogelijk maken (bijvoorbeeld in de vorm van achtergestelde schulden, aandelen, risicodeling met banken), en haar kredietrisicobeleid en de criteria voor het aanmerking komen van leningen heeft herzien om een grotere flexibiliteit mogelijk te maken;

57.  vraagt de EIB-groep haar risicocultuur verder te ontwikkelen om haar effectiviteit alsook de complementariteit en de synergieën tussen haar optreden en diverse beleidsgebieden van de EU te verbeteren, met name door steun te verlenen aan innovatieve bedrijven, infrastructuurprojecten en kmo's die risico's nemen of zich ontwikkelen in regio's met een economische achterstand of een gebrek aan stabiliteit, in overeenstemming met de terugkerende langetermijndoelstelling om kmo's makkelijker toegang te geven tot financiering, zonder echter afbreuk te doen aan de beginselen van goed beheer of de zeer goede kredietwaardigheid van de EIB in gevaar te brengen; herinnert eraan dat instrumenten die gebaseerd zijn op overdracht van risico niet risicoloos kunnen zijn als zij moeten bijdragen aan de economische ontwikkeling van de EU en de economische, sociale en territoriale cohesie; benadrukt dat de EIB en haar aandeelhouders zich hier volledig bewust van moeten zijn; moedigt de EIB aan de mogelijkheid te onderzoeken om de rechtstreekse aankoop van EIB-obligaties aan te bieden;

58.  merkt op dat de steun van de EIB-groep aan kmo's en midcaps in 2016 33,6 miljard euro bedroeg en heeft bijgedragen aan het scheppen van 4,4 miljoen banen; benadrukt hoe belangrijk het is dat de EIB-groep kmo's en midcaps voortdurende steun blijft bieden door hun toegang tot financiering te verbeteren; benadrukt dat kmo's de ruggengraat van de Europese economie zijn en de belangrijkste doelgroep moeten blijven vormen van de leenactiviteiten van de EIB-groep, hetgeen kan worden bereikt door de verdere versterking van financieringsinstrumenten voor kmo's en midcaps;

59.  herinnert eraan dat meer dan 90 % van de kmo's in de EU micro-ondernemingen zijn die voorzien in bijna 30 % van de werkgelegenheid in de private sector; wijst erop dat micro-ondernemingen kwetsbaarder zijn voor economische schokken dan grotere bedrijven en wellicht benadeeld worden als het op kredietverstrekking aankomt, met name als ze gevestigd zijn in een regio met een ongunstig economisch en bankklimaat; verzoekt de EIB een strategie op te stellen om de problemen op te lossen die kmo's in dergelijke omstandigheden ondervinden bij de toegang tot projectfinanciering;

60.  erkent dat toegang tot financiering nog steeds een van de grootste obstakels vormt voor de groei van de culturele en creatieve sector; benadrukt dat er dringend financieringsinitiatieven nodig zijn om deze sector te versterken; benadrukt de mogelijkheden van de EIB en het EFSI om de creatieve sector te ondersteunen, voornamelijk door middel van de financiering van kmo's; verzoekt de EIB het gebrek aan EFSI-financiering van de culturele en creatieve sector aan te pakken door mogelijke samenwerkingsvormen met Creatief Europa te onderzoeken;

61.  roept de EIB-groep op meer samen te werken met financieel deugdelijke intermediairs zoals nationale stimuleringsbanken en ‑instellingen voor de uitvoering van bepaalde soorten projecten, hetgeen haar zeer goede kredietwaardigheid niet in zal gevaar brengen;

62.  is van mening dat veel bestuursregels van de EIB-groep zijn ontworpen om haar zeer goede kredietwaardigheid te waarborgen, maar dat er erg weinig informatie beschikbaar is over hoe ver de EIB-groep is verwijderd van een lagere rating;

63.  onderstreept dat de due diligence met betrekking tot door de EIB-groep gefinancierde investeringsprojecten gebaseerd moet zijn op zowel factoren die verband houden met het financiële rendement als factoren die geen verband houden met het financiële rendement, maar met de verwezenlijking van andere soorten doelstellingen, zoals de bijdrage van het project aan opwaartse economische convergentie en cohesie in de EU of de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen of de SDG's; is van mening dat de EIB-groep deze niet-financiële criteria op passende wijze aan institutionele en particuliere beleggers (bijvoorbeeld pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen) moet uitleggen, zodat de aandacht voor sociaal-economische en milieueffecten in de gehele financiële sector toeneemt;

64.  is van mening dat de EIB-groep, als een gespannen situatie op de financiële markten de verwezenlijking van een levensvatbaar project in de weg staan of als het noodzakelijk is bij te dragen tot de oprichting van investeringsplatformen of de financiering van projecten in sectoren of gebieden waar sprake is van ernstig marktfalen of suboptimale investeringssituaties, wijzigingen – met name in de vergoeding van de EU-garantie aan de EIB – moet doorvoeren en documenteren om bij te dragen tot een verlaging van de financieringskosten van de actie die door de begunstigde van de financiering van de EIB-groep worden gedragen via financieringsinstrumenten, teneinde de projectuitvoering te vergemakkelijken; is van mening dat waar nodig soortgelijke inspanningen moeten worden geleverd om ervoor te zorgen dat financieringsinstrumenten kleine projecten ondersteunen en dat als het gebruik van lokale of regionale intermediairs een verlaging van de kosten van de financiering van kleine projecten via financieringsinstrumenten mogelijk maakt, ook deze vorm van inzet moet worden overwogen;

65.  is ingenomen met de onlangs goedgekeurde eigenvermogenstrategie, die voorziet in een betere beoordeling van verrichtingen van het type eigen vermogen om iets te doen aan het tekort aan aandelenfinanciering op de prioritaire gebieden innovatie en infrastructuur in de EU, met name op twee marktgebieden: indirecte aandelenfinanciering (kapitaaldeelname in infrastructuurfondsen en co‑investeringsprogramma's) en directe aandelenfinanciering (achtergestelde leningen aan vennootschappen en aan midcaps), met een combinatie van directe en indirecte instrumenten (aandelenfondsen en participatieleningen);

66.  is verheugd over de steun van het EIF die al wordt verleend aan crowdfundingplatforms die binnen het toepassingsgebied van bestaande activiteiten vallen, over de bereidheid om selectief steun te blijven verlenen aan platforms die binnen het toepassingsgebied vallen, of de uitbreiding van bestaande programma's, en over de werkzaamheden die samen met de Commissie worden uitgevoerd met het oog op een mogelijk proefproject voor crowdfunding met vreemd en eigen vermogen; stelt voor dat het EIF onderzoekt hoe op fintech gestoelde financiële intermediairs die steun nodig hebben, kunnen worden geïdentificeerd en bereikt;

67.  verzoekt de Commissie om de kosten van de mandaten van de EIB vast te stellen en er zorgvuldig toezicht op te houden; herinnert eraan dat de administratieve kosten die hiermee gepaard gaan van invloed kunnen zijn op de algemene prestaties van de EIB, gezien het huidige niveau van haar financiële en personele middelen;

68.  onderstreept dat de EIB een steeds grotere rol speelt in het cohesiebeleid, voornamelijk vanwege het toegenomen gebruik van financieringsinstrumenten in combinatie met subsidies; wijst er echter op dat die financieringsinstrumenten nog steeds zeer moeilijk toegankelijk zijn voor de eindbegunstigden en dat de lidstaten en regio's dit wijten aan de complexe procedures zoals die zijn neergelegd in het Financieel Reglement en de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (GBV), onder andere op het vlak van onevenredige kosten en tarieven, en aan de concurrentie met aantrekkelijkere nationale of regionale instrumenten; is in dit verband ingenomen met de invoering van het adviesplatform fi‑compass als centraal loket voor adviesdiensten over financieringsinstrumenten in het kader van het cohesiebeleid; verzoekt desondanks om meer technische bijstand, vereenvoudiging van de bestaande procedures, en meer nadruk op de capaciteitsopbouw ten opzichte van financiële tussenpersonen, en wijst erop dat beheerskosten en vergoedingen beter moeten worden gekoppeld aan de prestaties van de fondsbeheerder van financieringsinstrumenten uit de ESI-fondsen; wijst er niettemin op dat subsidies een doeltreffende vorm van ondersteuning zijn in talrijke domeinen van overheidsinterventie en daarom het hoofdinstrument van het cohesiebeleid moeten blijven vormen, en dat financieringsinstrumenten geconcentreerd moeten worden in sectoren waarin zij meerwaarde hebben ten opzichte van subsidies, en dat de beheersautoriteiten zelf moeten kunnen besluiten over het gebruik ervan; wijst erop dat een sterker samenwerkingsverband tussen het EIB en het Europees Parlement moet worden bevorderd, om beter toezicht op de activiteiten van de EIB mogelijk te maken;

Communicatie- en adviesactiviteiten van de EIB-groep

69.  betreurt dat de potentiële begunstigden van financiering van de EIB-groep over het algemeen onvoldoende op de hoogte zijn van de door de EIB-groep ontwikkelde producten; vraagt zich af of de toeleveringsketen van de EIB-groep wel voldoende divers en inclusief is;

70.  is van mening dat de EIB-groep in samenwerking met haar desbetreffende nationale partners haar communicatie moet verbeteren, opdat kmo's zich meer bewust worden van hun financieringsmogelijkheden en burgers beter geïnformeerd worden over de lokale, concrete projecten die door de EU worden gefinancierd;

71.  is in dit verband verheugd over de partnerschappen die momenteel met internationale en nationale instellingen worden gesloten om te zorgen voor complementariteit met de adviesdiensten van de EIB;

72.  betreurt het gebrek aan beschikbare gegevens over de rol van de EIB in elk stadium van de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid en de beperkte informatie over de mate waarin de kredietverlening van de EIB bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid; benadrukt de noodzaak van en pleit voor meer inspanningen om meer transparantie te bewerkstelligen en betere communicatie tot stand te brengen zodat de informatie de eindbegunstigden op regionaal en lokaal niveau bereikt en de zichtbaarheid van projecten groter wordt;

73.  verwacht dat de Commissie, de EIB-groep en nationale, regionale en lokale overheden in een geest van complementariteit blijven samenwerken met NPBIs en deze samenwerking intensiveren om meer synergieën tot stand te brengen tussen de ESI‑fondsen en de financieringsinstrumenten en leningen van de EIB, de administratieve lasten terug te dringen, procedures te vereenvoudigen, de administratieve capaciteit te vergroten, territoriale ontwikkeling en cohesie te stimuleren en het inzicht in de ESI-fondsen en financiering van de EIB te verbeteren, aangezien NPBIs een grondige kennis hebben van hun respectieve grondgebied en in staat zijn om op maat gemaakte financieringsinstrumenten lokaal te implementeren;

o
o   o

74.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EIB en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 128 van 19.5.2017, blz. 1.
(2) PB L 345 van 27.12.2017, blz. 34.
(3) PB L 249 van 27.9.2017, blz. 1.
(4) http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2017/10/10/conclusions-climate-change/pdf
(5) Bijvoorbeeld kwalitatieve, solide projecten die niet gefinancierd worden door de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën.
(6) De EIB, het EIF en het Wereldfonds voor energie-efficiency en hernieuwbare energie.
(7) Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2016 over de Europese Investeringsbank (EIB) – Jaarverslag 2014 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0200).
(8) http://www.eib.org/attachments/general/reports/ig_fraud_investigations_activity_report_2016_en.pdf
(9) PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29.
(10) PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.


De huidige mensenrechtensituatie in Turkije
PDF 183kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over de huidige mensenrechtensituatie in Turkije (2018/2527(RSP))
P8_TA(2018)0040RC-B8-0082/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije(1),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over het voortgangsverslag van de Commissie over Turkije uit 2016(2),

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie, Federica Mogherini, en de commissaris voor Europees nabuurschapsbeleid en uitbreidingsonderhandelingen, Johannes Hahn, van 2 februari 2018 over de meest recente ontwikkelingen in Turkije, hun verklaring van 14 juli 2017 – een jaar na de couppoging in Turkije, en hun verklaring van 13 maart 2017 over het advies van de Commissie van Venetië over de amendementen op de grondwet van Turkije en de recente gebeurtenissen,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 8 juni 2017 over de gemelde detentie van het hoofd van Amnesty International Turkije, Taner Kılıç, de verklaring van 8 juli 2017 over de detentie van mensenrechtenactivisten op het eiland Büyükada in Turkije, en de verklaring van 26 oktober 2017 over lopende mensenrechtenprocessen in Turkije,

–  gezien de politieke dialoog op hoog niveau tussen de EU en Turkije van 25 juli 2017,

–  gezien de schriftelijke opmerkingen van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, die waren ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens: van 2 november 2017 met betrekking tot een cluster van twaalf verzoeken in verband met de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid en veiligheid van parlementsleden in Turkije, en van 10 oktober 2017 met betrekking tot een cluster van tien verzoeken in verband met de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van journalisten in Turkije,

–  gezien resolutie 2156 (2017) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de werking van de democratische instellingen in Turkije,

–  gezien het feit dat de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten tot de fundamentele waarden van de EU behoren, waarden die ook voor alle kandidaat-lidstaten van de EU gelden,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij Turkije partij is,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Parlement de couppoging van 15 juli 2016 krachtig heeft veroordeeld; overwegende dat het Turkse parlement op 18 januari 2018 de noodtoestand in Turkije met nog eens drie maanden heeft verlengd; overwegende dat de noodtoestand momenteel wordt gebruikt om kritische geluiden de kop in te drukken en veel verder gaat dan legitieme maatregelen om bedreigingen voor de nationale veiligheid af te wenden; overwegende dat krachtens het internationale recht noodmaatregelen noodzakelijk en evenredig moeten zijn in reikwijdte en duur;

B.  overwegende dat Turkije een belangrijke partner van de EU is en dat van Turkije als kandidaat-land verwacht wordt dat het de strengste democratische normen naleeft, met inbegrip van de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat, de fundamentele vrijheden en het universele recht op een eerlijk proces;

C.  overwegende dat 148 ondertekenaars van de petitie "Academici voor vrede" een tenlastelegging boven het hoofd hangt voor het verspreiden van "terroristische propaganda", in afwachting van een rechtszaak in mei 2018;

D.  overwegende dat volgens de Europese Federatie van Journalisten sinds de couppoging nog 148 journalisten in de gevangenis verblijven; overwegende dat het brute optreden tegen afwijkende politieke standpunten via sociale media voortduurt; overwegende dat 449 personen gevangen werden genomen omdat zij commentaren hadden gepost op sociale media met kritiek op het militair ingrijpen van de Turkse regering in de Syrische enclave Afrin; overwegende dat de Turkse autoriteiten volgens Amnesty International honderden middenveldorganisaties hebben opgedoekt en de kantoren van meer dan 160 omroepen, kranten, tijdschriften, uitgeverijen en distributiemaatschappijen hebben gesloten;

E.  overwegende dat de Turkse autoriteiten 107 000 mensen hebben ontslagen sinds juli 2016; overwegende dat de "onderzoekscommissie voor praktijken tijdens een noodtoestand", die is opgericht op aanbeveling van de Raad van Europa sinds 18 januari 2018 al 104 789 aanvragen heeft ontvangen en tot nu slechts in 3 110 zaken besluiten heeft uitgevaardigd die echter niet openbaar zijn gemaakt;

F.  overwegende dat de afgelopen jaren de controle van de uitvoerende macht over het gerechtelijk apparaat en vervolging is uitgebreid, dat arrestaties, ontslagen en de willekeurige overplaatsing van rechters en aanklagers zijn toegenomen en dat advocaten stelselmatig worden aangevallen;

G.  overwegende dat volgens gegevens van de Human Rights Association (HRA) in de eerste elf maanden van 2017 in totaal 2 278 mensen te maken kregen met marteling of mishandeling;

H.  overwegende dat de situatie in het zuidoosten van het land zeer verontrustend blijft; overwegende dat er naar schatting 2 500 slachtoffers zijn gevallen bij veiligheidsoperaties en naar schatting een half miljoen mensen ontheemd zijn geraakt sinds juli 2015; overwegende dat 68 Koerdische burgemeesters nog altijd gevangen worden gehouden;

I.  overwegende dat zich onder de gevangen gehouden journalisten onder meer bevinden de Duits-Turkse journalist Deniz Yücel, de academicus en columnist Mehmet Altan, de journalist Şahin Alpay, alsmede talloze journalisten en medewerkers van het dagblad Cumhuriyet, waaronder Ahmet Şık;

J.  overwegende dat na de opheffing van de parlementaire onschendbaarheid van een groot aantal parlementsleden veel oppositieleden voor de rechter zijn gedaagd en gevangen zijn gezet; overwegende dat tien parlementsleden nog steeds gevangen zitten, onder wie de medevoorzitters van de HDP Figen Yüksekdağ en Selahattin Demirtaş, die om veiligheidsredenen niet voor de rechtbank mocht verschijnen, en dat CHP-parlementslid Enis Berberoğlu en zes andere parlementsleden na een stemming in het Turkse parlement zijn ontheven uit hun ambt, onder wie de winnares van de Sacharovprijs Leyla Zana;

K.  overwegende dat de Turkse autoriteiten in juli 2017 tien mensenrechtenactivisten (de "tien van Istanbul") hebben gearresteerd, die later op borgtocht zijn vrijgelaten; overwegende dat het gerechtshof van Istanbul zijn eigen besluit om Taner Kılıç, de voorzitter van Amnesty International in Turkije, vrij te laten op 1 februari 2018 heeft herzien en hem voor de duur van zijn proces gevangenhoudt;

L.  overwegende dat een van de vooraanstaande leden van het maatschappelijk middenveld in Turkije, Osman Kavala, op 18 oktober 2017 werd gearresteerd en sindsdien gevangen wordt gehouden op beschuldiging van "een poging om de regering omver te werpen" door zich aan te sluiten bij de protesten in Gezi Park in december 2013;

M.  overwegende dat het gouverneursbureau van Ankara op 19 november 2017 besloot een verbod van onbepaalde duur op te leggen voor elk evenement van LGBTI-organisaties;

N.  overwegende dat, ondanks het feit dat de Turkse grondwet voorziet in de vrijheid van geloof, eredienst en verspreiding van religieuze ideeën en discriminatie op religieuze gronden verbiedt, religieuze minderheden nog steeds kampen met haatmisdrijven, verbale en fysieke agressie, stigmatisering en sociale druk op school en in het openbaar, discriminatie en problemen bij het legaal oprichten van plaatsen voor de eredienst;

O.  overwegende dat, gezien de situatie in Turkije met betrekking tot de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de persvrijheid, de pretoetredingssteun voor Turkije met 105 miljoen EUR is verlaagd ten opzichte van het aanvankelijke voorstel van de Commissie voor de EU-begroting 2018, terwijl nog eens 70 miljoen EUR in reserve wordt gehouden totdat het land op deze gebieden "meetbare voldoende vorderingen" maakt;

P.  overwegende dat het Parlement er in november 2016 op aandrong het toetredingsproces van Turkije te bevriezen en in juli 2017 verzocht dit proces op te schorten indien de grondwetswijzigingen ongewijzigd zouden worden doorgevoerd;

1.  geeft opnieuw blijk van zijn krachtige veroordeling van de couppoging van 16 juli 2016, en spreekt zijn solidariteit uit met de burgers van Turkije; erkent het recht en de verantwoordelijkheid van de Turkse regering om in actie te komen door plegers van misdrijven te berechten, onder waarborging van de eerbiediging van de rechtsstaat en het recht op een eerlijk proces; benadrukt echter dat de mislukte militaire staatsgreep momenteel wordt gebruikt om de legitieme en vreedzame oppositie verder te muilkorven en de media en het maatschappelijk middenveld door middel van onevenredige en onwettige acties en maatregelen te beletten hun recht op vrije meningsuiting op vreedzame wijze uit te oefenen;

2.  toont zich uiterst bezorgd over de verdere teloorgang van de grondrechten, vrijheden en de rechtsstaat in Turkije, en het gebrek aan rechterlijke onafhankelijkheid; veroordeelt het gebruik van willekeurige detentie en juridische en administratieve intimidatie om tienduizenden personen te vervolgen; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan onmiddellijk en onvoorwaardelijk alle personen vrij te laten die alleen gevangen zijn genomen omdat zij hun legitieme werk deden en gebruik maakten van de vrijheid van meningsuiting en vereniging, en die nu worden vastgehouden zonder dwingend bewijs van criminele activiteiten; dringt aan op de opheffing van de noodtoestand in het land en de intrekking van de nooddecreten;

3.  dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te eerbiedigen, onder meer door een duidelijke afwijzing van de doodstraf, alsmede de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, met inbegrip van het beginsel van het vermoeden van onschuld;

4.  dringt er bij de Turkse regering op al degenen tegen wie restrictieve maatregelen zijn getroffen passende en effectieve vormen van beroep en rechterlijke toetsing te bieden, overeenkomstig de rechtsstaat; benadrukt dat het vermoeden van onschuld een grondbeginsel is in elke constitutionele staat; verzoekt Turkije met klem de "onderzoekscommissie voor praktijken tijdens de noodtoestand" op zodanige wijze te herzien dat het een robuuste, onafhankelijke commissie wordt die alle dossiers individueel kan behandelen, en die de enorme aantallen aanvragen die zij ontvangt op effectieve wijze kan verwerken en die er zorg voor kan dragen dat de rechterlijke toetsing geen onnodige vertraging oploopt; dringt er bij de onderzoekscommissie op aan haar besluiten openbaar te maken; verzoekt de Turkse autoriteiten vakbonden toe te staan om legitieme vakbondsactiviteiten te ontplooien;

5.  onderstreept dat terrorisme een rechtstreekse bedreiging blijft vormen voor burgers in Turkije; wijst er echter op dat de breed gedefinieerde Turkse anti-terrorismewetgeving niet mag worden gebruikt om burgers en de media te straffen voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting; veroordeelt in dat opzicht de detentie van en het proces tegen ten minste 148 academici van openbare en particuliere universiteiten die de petitie "Academici voor vrede" hebben ondertekend, en veroordeelt tevens de meest recente arrestaties van journalisten, activisten, artsen en gewone burgers wegens het uiten van hun onvrede over de Turkse militaire operatie in Afrin; is ernstig verontrust over de humanitaire consequenties van de militaire interventie in deze in meerderheid Koerdische regio van Syrië en waarschuwt voor voortzetting van onevenredige acties;

6.  is ten zeerste verontrust over meldingen van mishandeling en marteling van gevangenen en verzoekt de Turkse autoriteiten een grondig onderzoek in te stellen naar deze aantijgingen; herhaalt zijn oproep om publicatie van het verslag van het Comité ter voorkoming van foltering (CTP report) van de Raad van Europa;

7.  veroordeelt met kracht het besluit van het Turkse parlement om de immuniteit van een groot aantal parlementsleden op ongrondwettige wijze op te heffen, waardoor de weg werd vrijgemaakt voor de recente arrestatie van tien oppositieleden, onder wie de medevoorzitters van de Democratische Volkspartij (HDP), Figen Yüksekdağ en Selahattin Demirtaş, en voor de intrekking van het mandaat van zes oppositieleden, onder wie onlangs de winnares van de Sacharovprijs Leyla Zana; veroordeelt de gevangenhouding van 68 Koerdische burgemeesters; veroordeelt de willekeurige vervanging van plaatselijk verkozen vertegenwoordigers, die het democratische bestel van Turkije verder ondermijnt;

8.  vindt het zeer verontrustend dat 160 mediabedrijven bij uitvoeringsdecreet hun deuren moesten sluiten vanwege de noodtoestand; veroordeelt de politieke druk die op journalisten wordt uitgeoefend; spreekt zijn ernstige verontrusting uit over het toezicht op de sociale media en het afsluiten van socialemedia-accounts door de Turkse autoriteiten; dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle personen die worden vastgehouden zonder bewijs, onder wie EU-burgers zoals de Duitse journalist Deniz Yücel, die al een jaar gevangen wordt gehouden, waaronder negen maanden in eenzame opsluiting, terwijl hij nog steeds niet officieel in staat van beschuldiging is gesteld; dringt er bij Turkije op aan de aanklachten in te trekken tegen de door een Turkse rechtbank bij verstek veroordeelde Fins-Turkse journaliste Ayla Albayrak; is ingenomen met het feit dat een aantal journalisten en medewerkers van de oppositiekrant Cumhuriyet na maanden in de gevangenis zijn vrijgelaten, en dringt tevens aan op de onmiddellijke vrijlating van de vier journalisten van Cumhuriyet die nog vastzitten;

9.  is ernstig verontrust over de massale represailles tegen Turkse organisaties van het maatschappelijk middenveld, en met name over de arrestatie van een van de meest vooraanstaande ngo-leiders, Osman Kavala; dringt er bij de Turkse regering op aan Kavala onmiddellijk vrij te laten aangezien zijn arrestatie politiek gemotiveerd en willekeurig is;

10.  stelt bezorgd vast dat de Turkse, van oudsher gekoesterde seculiere beginselen en waarden steeds verder worden uitgehold; maakt zich ernstige zorgen over het gebrek aan respect voor de vrijheid van godsdienst, waaronder de toegenomen discriminatie van christenen en andere religieuze minderheden; veroordeelt de confiscatie van 50 Aramese kerken, kloosters en begraafplaatsen in Mardin; verzoekt de Commissie deze kwesties met spoed aan de orde te stellen bij de Turkse autoriteiten; dringt er bij de Turkse regering op aan dominee Andrew Brunson vrij te laten en hem naar huis te laten terugkeren;

11.  herinnert verder aan het beginsel van non-discriminatie van minderheden, waaronder Roma, die dezelfde rechten op het beleven van hun cultuur en op toegang tot sociale voorzieningen hebben als alle andere burgers;

12.  veroordeelt de verklaring van het gouverneursbureau van Ankara van 19 november 2017 betreffende het besluit om ieder evenement van LGBTI-organisaties voor onbepaalde tijd te verbieden, na drie opeenvolgende jaren waarin de Istanbul Pride-mars verboden werd; verzoekt de Turkse autoriteiten dit verbod in te trekken; is verheugd over de vrijlating van de vooraanstaande LGBTI-activist Ali Erol en roept de Turkse autoriteiten in dit verband op willekeurig gevangen gehouden LGBTI-activisten vrij te laten en het welzijn van Diren Coşkun, die zich in hongerstaking bevindt, te waarborgen;

13.  toont zich andermaal zeer bezorgd over de situatie in het zuidoosten van Turkije, vooral in de gebieden waar een avondklok is ingesteld, buitensporig geweld wordt gebruikt en collectieve straffen worden opgelegd; dringt er bij Turkije op aan met een plan te komen voor de doeltreffende herintegratie van het half miljoen intern ontheemden; veroordeelt het wederom dat de PKK, die sinds 2002 op de terreurlijst van de EU voorkomt, weer zijn toevlucht neemt tot geweld, en dringt erop aan dat ze de wapens neerleggen en vreedzame en democratische middelen aanwenden om hun verwachtingen tot uitdrukking te brengen; wijst erop dat de Turkse regering de verantwoordelijkheid heeft om al zijn burgers te beschermen; betreurt de wijdverspreide praktijk van onteigening, zo ook van eigendommen die de gemeenten toebehoren; is ervan overtuigd dat alleen een billijke politieke oplossing van het Koerdische vraagstuk duurzame stabiliteit en welvaart kan opleveren, in het gebied zelf maar ook in Turkije als geheel, en verzoekt beide partijen dan ook weer plaats te nemen aan de onderhandelingstafel;

14.  uit zijn verontrusting over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in Turkije na het besluit van het strafhof van Istanbul om twee in gevangenschap verblijvende journalisten, Mehmet Altan en Sahin Alpay, vast te houden ondanks het verzoek van het constitutioneel hof om ze vrij te laten omdat hun rechten tijdens hun bewaring geschonden waren; merkt op dat hiermee verder afbreuk wordt gedaan aan de rechtsstaat; betreurt ten zeerste dat de voorzitter van Amnesty International Turkije, Taner Kılıç, onlangs opnieuw is gearresteerd, wat in brede kring wordt beschouwd als een justitiële karikatuur, en roept ertoe op de beschuldigingen aan zijn adres en dat van zijn medeverweerders (de "tien van Istanbul") in te trekken aangezien er nog geen concreet bewijs tegen ze is ingediend;

15.  wijst nogmaals op zijn standpunt van november 2017 waarin werd opgeroepen om de middelen die voor de Turkse autoriteiten zijn bestemd in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) te laten afhangen van verbeteringen op het vlak van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat, en om deze middelen indien mogelijk over te hevelen naar organisaties uit het maatschappelijk middenveld; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om bij de toetsing van de IPA-middelen niet alleen rekening te houden met de ontwikkelingen in Turkije, maar ook concrete voorstellen te doen met betrekking tot manieren om meer steun te geven aan het maatschappelijk middenveld in Turkije;

16.  dringt er bij de hoge vertegenwoordiger, de EDEO, de Commissie en de lidstaten op aan de situatie van mensenrechtenverdedigers, politieke activisten, advocaten, journalisten en academici in gevangenschap te blijven aankaarten bij hun Turkse gesprekspartners, en deze slachtoffers diplomatieke en politieke steun te bieden, waaronder het sturen van waarnemers naar processen en het volgen van zaken;

17.  vraagt dat deze resolutie wordt vertaald in het Turks;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de president, de regering en het parlement van Turkije.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0423.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0306.


Situatie in Venezuela
PDF 176kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over de situatie in Venezuela (2018/2559(RSP))
P8_TA(2018)0041RC-B8-0078/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Venezuela partij is,

–  gezien de grondwet van Venezuela,

–  gezien zijn talrijke resoluties over de situatie in Venezuela, met name die van 27 februari 2014 over de situatie in Venezuela(1), van 18 december 2014 over de vervolging van de democratische oppositie in Venezuela(2), van 12 maart 2015 over de situatie in Venezuela(3), van 8 juni 2016 over de situatie in Venezuela(4), van 27 april 2017 over de situatie in Venezuela(5) en van 13 september 2017 over de politieke betrekkingen van de EU met Latijns-Amerika(6),

–  gezien de verklaring van 12 juli 2017 van de voorzitters van de Commissie buitenlandse zaken, de Mercosur-delegatie en de Parlementaire Vergadering van EuroLat, over de huidige situatie in Venezuela,

–  gezien het Inter-Amerikaans Democratisch Handvest, goedgekeurd op 11 september 2001,

–  gezien de verklaring van 31 maart 2017 van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Zeid Ra'ad Al Hussein, over het besluit van het Venezolaanse Hooggerechtshof om de wetgevende bevoegdheden van de Nationale Vergadering over te nemen,

–  gezien de verklaring van de VN-Mensenrechtenraad (UNHCR) ter veroordeling van de arrestatie van Enrique Aristeguieta op 2 februari 2018,

–  gezien de waarschuwingen in de verslagen van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) van 30 mei 2016 en 14 maart 2017 over Venezuela en de oproepen van de secretaris-generaal van de OAS om, overeenkomstig artikel 20 van het Inter-Amerikaans Democratisch Handvest, de Permanente Raad in een dringende vergadering bijeen te roepen om de politieke crisis in Venezuela te bespreken,

–  gezien de brief van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 27 maart 2017 over de steeds diepere politieke, economische en humanitaire crisis waarin Venezuela zich bevindt,

–  gezien de verklaring van de OAS die op 13 maart 2017 door 14 van haar lidstaten is ondertekend en waarin Venezuela met klem wordt opgeroepen om onmiddellijk verkiezingen uit te schrijven, politieke gevangenen vrij te laten, de in de grondwet vastgelegde scheiding der machten te erkennen en nog een aantal andere maatregelen te nemen,

–  gezien de resolutie van de Permanente Raad van de OAS van 3 april 2017 over de recente gebeurtenissen in Venezuela,

–  gezien de verklaring van de Groep van Lima van 23 januari 2018 over het besluit van de Nationale Grondwetgevende Vergadering om presidentsverkiezingen te houden,

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 november 2017 en 22 januari 2018 over Venezuela, waarmee een wapenembargo en sancties worden opgelegd,

–  gezien de verklaring van de VV/HV namens de EU over het zich aansluiten van bepaalde derde landen bij de beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela van 7 december 2017,

–  gezien de verklaring van 26 januari 2018 van de VV/HV namens de EU over de jongste ontwikkelingen in Venezuela, waarin zij het besluit van de Venezolaanse autoriteiten om de Spaanse ambassadeur in Caracas uit te zetten, veroordeelt,

–  gezien zijn besluit om de Sacharovprijs 2017 toe te kennen aan de democratische oppositie in Venezuela,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de onwettige Nationale Grondwetgevende Vergadering, die noch op internationaal niveau, noch door de Europese Unie is erkend, heeft besloten vóór eind april 2018 presidentsverkiezingen te houden; overwegende dat volgens de Venezolaanse grondwet de Nationale Kiesraad bevoegd is voor het uitschrijven van verkiezingen; overwegende dat artikel 298 van de Venezolaanse grondwet, waarin duidelijk het volgende staat: "De wet waarbij verkiezingsprocessen geregeld worden mag op geen enkele wijze worden gewijzigd in de periode tussen de dag van de verkiezingen en de zes maanden die daaraan onmiddellijk voorafgaan.", zeer recentelijk verscheidene malen is geschonden;

B.  overwegende dat dit besluit is genomen buiten de sinds december 2017 lopende nationale dialoog om en zonder rekening te houden met eventuele vorderingen tijdens de bijeenkomst in Santo Domingo tussen de Venezolaanse regering en de oppositie; overwegende dat de datum en het proces ter voorbereiding van de verkiezingen twee van de voornaamste thema's waren bij de besprekingen in Santo Domingo; overwegende dat deze aankondiging van verkiezingen in strijd is met zowel de democratische beginselen als de goede trouw die ten grondslag dient te liggen aan de dialoog tussen de regering en de oppositie;

C.  overwegende dat het Hooggerechtshof op 25 januari 2018 heeft besloten de MUD (Mesa de la Unidad Democrática) van de presidentsverkiezingen uit te sluiten; overwegende dat de Nationale Kiesraad de partij Primero Justicia op 4 februari 2018 van het verkiezingsproces heeft uitgesloten; overwegende dat leiders zoals Leopoldo López en Henrique Capriles zich niet kandidaat mogen stellen; overwegende dat deze besluiten een ernstige inbreuk op het beginsel van rechtvaardige verkiezingen vormen, waardoor kandidaten van de oppositie niet vrij en onder gelijke voorwaarden aan de verkiezingen mogen deelnemen;

D.  overwegende dat de MUD in 2017 de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken van het Europees Parlement heeft gewonnen;

E.  overwegende dat deze op ongrondwettelijke wijze uitgeschreven vervroegde verkiezingen ertoe hebben geleid dat Mexico en Chili zich hebben teruggetrokken uit de nationale politieke onderhandelingen tussen de Venezolaanse regering en een deel van de oppositie;

F.  overwegende dat de Raad van de Europese Unie op 13 november 2017 heeft besloten een wapenembargo aan Venezuela op te leggen, alsook een embargo op aanverwant materiaal dat voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt;

G.  overwegende dat de Raad van de Europese Unie op 22 januari 2018 heeft besloten zeven Venezolaanse overheidsambtenaren sancties in de vorm van beperkende maatregelen op te leggen, zoals een reisverbod en een bevriezing van tegoeden, wegens het niet eerbiedigen van de democratische beginselen, de rechtsstaat en de democratie;

H.  overwegende dat Venezuela als vergelding voor de vaststelling van de EU-sancties de Spaanse ambassadeur in Caracas heeft uitgezet en tot persona non grata heeft verklaard en Spanje heeft beschuldigd van inmenging in de interne aangelegenheden van het land; overwegende dat de EU dit besluit krachtig heeft veroordeeld en zich volledig solidair met Spanje heeft verklaard, ervan uitgaand dat besluiten van de EU op het gebied van buitenlands beleid, waaronder het opleggen van sancties, met eenparigheid van stemmen worden genomen;

I.  overwegende dat de situatie op het gebied van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat in Venezuela blijft verslechteren; overwegende dat Venezuela met een ongeziene politieke, economische, maatschappelijke en humanitaire crisis wordt geconfronteerd, waarbij al veel doden zijn gevallen; overwegende dat het houden van vrije en eerlijke verkiezingen, met alle bijbehorende waarborgen en voldoende tijd voor de voorbereiding ervan, van fundamenteel belang is om een begin te kunnen maken met het oplossen van de vele problemen waar Venezuela voor staat; overwegende dat bijna twee miljoen Venezolanen het land zijn ontvlucht; overwegende dat het verlenen van bijstand en diensten aan nieuw aangekomenen een steeds grotere belasting vormt voor de gastlanden;

J.  overwegende dat de opstandige politieofficier Óscar Pérez en zes anderen buitengerechtelijk zijn geëxecuteerd hoewel ze zich al hadden overgegeven;

K.  overwegende dat de inlichtingendiensten Enrique Aristeguieta Gramcko in de nacht van 2 februari 2018 uit zijn huis hebben ontvoerd, zonder mededelingen te doen over zijn verblijfplaats, en hem de volgende dag weer hebben vrijgelaten;

L.  overwegende dat steeds meer mensen in Venezuela, ook kinderen, aan ondervoeding lijden door de beperkte toegang tot hoogwaardige gezondheidszorg, geneesmiddelen en voedsel; overwegende dat de Venezolaanse regering het probleem helaas nog altijd ontkent en blijft weigeren internationale humanitaire hulp te ontvangen en de distributie ervan te faciliteren; overwegende dat vele Venezolanen voedsel en andere essentiële goederen probeerden te kopen op de Caribische eilanden vanwege de ernstige tekorten in het land;

1.  betreurt het unilaterale besluit van de onwettige Nationale Grondwetgevende Vergadering, die noch op internationaal niveau, noch door de EU is erkend, om vóór eind april 2018 vervroegde presidentsverkiezingen te houden; betreurt ten zeerste het besluit van het Venezolaanse Hooggerechtshof om vertegenwoordigers van de MUD te verbieden deel te nemen aan de komende verkiezingen; wijst erop dat veel potentiële kandidaten niet aan de verkiezingen zullen kunnen deelnemen omdat ze verbannen zijn, om administratieve redenen uitgesloten zijn, in de gevangenis zitten of onder huisarrest staan; hamert erop dat de deelname van politieke partijen niet belemmerd of aan voorwaarden gebonden mag worden en roept de Venezolaanse autoriteiten op hun recht om zich verkiesbaar te stellen volledig te herstellen;

2.  hamert erop dat alleen verkiezingen die gebaseerd zijn op een uitvoerbare verkiezingskalender die is overeengekomen in het kader van de nationale dialoog met alle relevante actoren en politieke partijen, met inachtneming van gelijke, eerlijke en transparante voorwaarden voor deelname – waaronder de opheffing van het verbod op deelname voor politieke tegenstanders, de vrijlating van politieke gevangenen, een evenwichtige samenstelling en onpartijdigheid van de Nationale Kiesraad en voldoende waarborgen, zoals toezicht door onafhankelijke internationale waarnemers – door de EU en haar instellingen, waaronder het Europees Parlement, zullen worden erkend; verklaart nogmaals bereid te zijn een verkiezingswaarnemingsmissie te sturen indien aan alle noodzakelijke voorwaarden is voldaan;

3.  veroordeelt met klem het besluit van de Venezolaanse autoriteiten om de Spaanse ambassadeur in Caracas uit te zetten en hem tot persona non grata te verklaren, en dringt er bij de Venezolaanse regering op aan de diplomatieke betrekkingen met Spanje onmiddellijk te normaliseren; herinnert eraan dat alle besluiten van de EU op het gebied van buitenlands beleid, waaronder het opleggen van sancties, met eenparigheid van stemmen worden genomen; verzoekt in dit verband om volledige solidariteit met Spanje;

4.  is van mening dat de instelling van een wapenembargo door de Raad van de Europese Unie en de sancties tegen zeven Venezolaanse overheidsambtenaren passende maatregelen zijn in reactie op ernstige schendingen van de mensenrechten en de democratie, maar vraagt dat deze worden uitgebreid tot diegenen die de hoofdverantwoordelijkheid dragen voor de toegenomen politieke, economische, maatschappelijke en humanitaire crisis, namelijk de president, de vicepresident, de minister van Defensie, de hoogste legerleiders en hun vertrouwelingen, met inbegrip van familieleden; stelt voor om verdere diplomatieke en economische maatregelen – ook ten aanzien van de oliemaatschappij Petróleos de Venezuela, S.A. (PDVSA) die staatseigendom is – te onderzoeken en vast te stellen indien de mensenrechtensituatie verder verslechtert;

5.  veroordeelt in de krachtigste bewoordingen de voortdurende schending van de democratische orde in Venezuela; betuigt nogmaals zijn volledige steun aan de Nationale Vergadering als enige op wettige wijze geconstitueerde en erkende parlement in Venezuela, en vraagt de Venezolaanse regering nogmaals de volledige grondwettelijke autoriteit van de Nationale Vergadering te herstellen; verwerpt besluiten van de Nationale Grondwetgevende Vergadering als strijdig met alle democratische normen en regels; spreekt zijn steun uit voor een politieke oplossing met betrokkenheid van alle relevante actoren en politieke partijen; herinnert eraan dat de scheiding van en de niet-inmenging tussen de staatsmachten een essentieel principe is van op de rechtsstaat gebaseerde democratische staten;

6.  verzoekt de aanklager van het ICC op grond van het Statuut van Rome een onderzoek in te stellen naar de mensenrechtenschendingen door het Venezolaanse regime, en vraagt de EU in dit verband een actieve rol te spelen;

7.  herhaalt zijn verzoek om onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle politieke gevangenen, eerbiediging van democratisch gekozen lichamen en de naleving van de mensenrechten;

8.  geeft uiting aan zijn volledige solidariteit met en steun aan het volk van Venezuela, dat zucht onder de gevolgen van een ernstige humanitaire crisis; roept op tot het onmiddellijk sluiten van een akkoord over een plan voor toegang tot humanitaire hulp voor het land, en verzoekt de Venezolaanse autoriteiten dringend ongehinderd humanitaire hulp toe te laten en toegang te verschaffen aan internationale organisaties die de bevolking bijstand willen bieden; vraagt dat er snel kortetermijnmaatregelen worden genomen om de ondervoeding bij de meest kwetsbare groepen, zoals kinderen, tegen te gaan; verzoekt de EU de buurlanden en met name Colombia te helpen bij het oplossen van de situatie van de Venezolaanse vluchtelingen; verzoekt de Venezolaanse regering erop toe te zien dat Venezolanen die in het buitenland wonen en recht hebben op socialezekerheidsuitkeringen hun pensioen ontvangen;

9.  herhaalt zijn verzoek om zo spoedig mogelijk een delegatie van het Europees Parlement naar Venezuela te sturen en in dialoog te treden met alle bij het conflict betrokken partijen;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en Nationale Vergadering van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering en de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten.

(1) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 145.
(2) PB C 294 van 12.8.2016, blz. 21.
(3) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 190.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0269.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0200.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0345.


Situatie van de UNRWA
PDF 162kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over de situatie van de UNRWA (Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten) (2018/2553(RSP))
P8_TA(2018)0042RC-B8-0085/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het vredesproces in het Midden-Oosten,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de Europese Unie en de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) van 7 juni 2017 betreffende de steun van de Europese Unie voor UNRWA (2017-2020),

–  gezien resoluties 194 en 302 van de Algemene Vergadering van de VN van respectievelijk 11 december 1948 en 8 december 1949, en gezien andere relevante resoluties van de VN,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 30 maart 2017 getiteld "Operaties van de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten",

–   gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de UNRWA werd opgericht in 1949 door de Algemene Vergadering van de VN en de opdracht heeft bijstand en bescherming te bieden aan circa 5 miljoen geregistreerde Palestijnse vluchtelingen; overwegende dat de UNRWA onder meer diensten verleent op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, hulpverlening en sociale diensten, infrastructuur voor en verbetering van kampen, bescherming en microfinanciering; overwegende dat de Algemene Vergadering van de VN het mandaat van de UNRWA herhaaldelijk heeft verlengd, de laatste keer tot 30 juni 2020, met de instemming van 167 VN-lidstaten;

B.  overwegende dat de EU en de lidstaten samen de grootste donor van de UNRWA vormen, met een bijdrage van 441 miljoen EUR in 2017; overwegende dat de Verenigde Staten, het grootste individuele donorland, hebben meegedeeld 60 miljoen USD van een geplande betaling van 125 miljoen USD aan de UNRWA te zullen uitbetalen maar 65 miljoen USD van dit bedrag te zullen inhouden; overwegende dat dit besluit volgens het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken bedoeld is om andere landen ertoe aan te sporen hun steun te vergroten en om hervormingen binnen de organisatie te stimuleren;

C.  overwegende dat de UNRWA al jarenlang met grote structurele financiële tekorten kampt en los van de beslissing van de regering van de VS ook in 2018 financiële problemen zou hebben gehad;

D.  overwegende dat de secretaris-generaal van de VN in zijn verslag van 30 maart 2017 verschillende aanbevelingen heeft gedaan teneinde voldoende, voorspelbare en duurzame financiële middelen voor de UNRWA veilig te stellen;

1.  blijft zich overtuigd verbinden tot steun voor de UNRWA met het oog op de verlening van essentiële diensten voor het welzijn, de bescherming en de menselijke ontwikkeling van Palestijnse vluchtelingen in de Gazastrook, op de Westelijke Jordaanoever en in Jordanië, Libanon en Syrië; looft de UNRWA voor haar buitengewone inspanningen, onder meer op het vlak van de bescherming en ondersteuning van ruim 400 000 Palestijnse vluchtelingen en vele anderen in het door oorlog verscheurde Syrië; herinnert eraan dat de UNRWA werd opgericht uit solidariteit met Palestijnse vluchtelingen, met als doel hun lijden te verzachten;

2.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de financieringscrisis waarmee de UNRWA kampt; dringt er bij alle donoren op aan hun beloften aan de organisatie na te komen;

3.  wijst erop dat elke onvoorziene vertraging in geplande uitbetalingen door donors negatieve gevolgen kan hebben voor de toegang tot noodvoedselhulp voor 1,7 miljoen en tot basisgezondheidsdiensten voor 3 miljoen Palestijnse vluchtelingen, de toegang tot onderwijs voor meer dan 500 000 Palestijnse kinderen in 702 scholen van de UNRWA – onder wie bijna 50 000 kinderen in Syrië – en voor de stabiliteit in de regio;

4.  stelt vast dat de EU zich ertoe verbindt de UNRWA te blijven helpen bij de veiligstelling van financiële middelen, zodat zij in staat is het haar door de Algemene Vergadering van de VN toegekende mandaat uit te voeren, op duurzame en kosteneffectieve wijze te functioneren en de kwaliteit en het niveau van de aan Palestijnse vluchtelingen verleende diensten te garanderen;

5.  is verheugd over het besluit van de EU en verscheidene van haar lidstaten om hun betalingen aan de UNRWA te bespoedigen, en roept andere donoren ertoe op dit voorbeeld te volgen; verzoekt de Verenigde Staten met klem om op hun beslissing terug te komen en hun geplande bijdrage aan de organisatie volledig uit te keren; verheugt zich over de donaties van de leden van de Arabische Liga aan de UNRWA maar vraagt hen zich te verbinden tot een verhoging van hun bijdragen, zodat de financieringskloof kan worden gedicht;

6.  spoort de Europese Unie en haar lidstaten ertoe aan aanvullende financiële middelen voor de UNRWA beschikbaar te stellen om in haar financiële behoeften op korte termijn te voorzien; benadrukt echter dat langetermijnoplossingen voor de terugkerende financiële tekorten van de organisatie alleen kunnen worden bereikt door middel van een duurzaam financieringsprogramma binnen een mondiaal multilateraal kader; dringt er bij de EU op aan binnen de internationale gemeenschap het voortouw te nemen om een dergelijk mechanisme tot stand te brengen; onderstreept in dit verband het belang van de aanbevelingen van de secretaris-generaal van de VN in zijn verslag van 30 maart 2017;

7.  is ingenomen met het feit dat de UNRWA overweegt interne maatregelen voor kostenbeperkingen en meer efficiëntiewinst te handhaven, en ook zal onderzoeken of er op andere gebieden meer efficiëntie kan worden bereikt; dringt er bij de Organisatie op aan haar managementstructuur en strategische planning te blijven verbeteren en naar meer transparantie, verantwoordingsplicht en intern toezicht te streven, tijdige en accurate programmering en financiële verslaglegging aan de EU te waarborgen, ervoor te zorgen dat de faciliteiten van de UNRWA niet worden misbruikt, aantijgingen inzake schending van de neutraliteit door haar medewerkers te onderzoeken en eventueel passende tuchtmaatregelen te nemen; onderstreept dat het belangrijk is de neutraliteit van de UNRWA-faciliteiten te eerbiedigen, overeenkomstig het internationaal humanitair recht en de diplomatieke status van de UNRWA als VN-organisatie;

8.  herhaalt eens te meer dat de overkoepelende doelstelling van de EU erin bestaat tot een tweestatenoplossing te komen voor het Israëlisch-Palestijnse conflict op basis van de grenzen van 1967, met Jeruzalem als de hoofdstad van beide staten, waarbij een veilige staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aaneengesloten en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid op basis van het recht op zelfbeschikking en met volledige inachtneming van het internationaal recht;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de commissaris-generaal van de UNRWA, de afgezant van het Midden-Oostenkwartet alsook het Congres en het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten.


Het verzetten van de klok
PDF 153kWORD 47k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over het verzetten van de klok (2017/2968(RSP))
P8_TA(2018)0043B8-0070/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 januari 2001 betreffende de zomertijd(1),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven(2),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de beoordeling van bestaande wetgeving volgens het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven als basis moet dienen voor de effectbeoordeling van de mogelijkheden op het gebied van toekomstige maatregelen;

B.  overwegende dat uit tal van wetenschappelijke onderzoeken, met inbegrip van het onderzoek van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement van oktober 2017 over de uit Richtlijn 2000/84/EG voortvloeiende bepalingen op het gebied van de zomertijd, geen definitieve conclusies konden worden getrokken, maar dat hieruit wel is gebleken dat het verzetten van de klok een negatieve invloed heeft op de menselijke gezondheid;

C.  overwegende dat reeds uit een aantal burgerinitiatieven is gebleken dat burgers zich zorgen maken over het verzetten van de klok;

D.  overwegende dat de kwestie al eerder door het Parlement is aangekaart, bijvoorbeeld in mondelinge vraag O-000111/2015 – B8-0768/2015 aan de Commissie van 25 september 2015;

E.  overwegende dat het essentieel is om zelfs na afschaffing van de zomertijd in de gehele EU één tijdsregeling te hanteren;

1.  verzoekt de Commissie Richtlijn 2000/84/EG grondig te beoordelen en, indien nodig, met een voorstel voor herziening ervan te komen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, alsmede de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 31 van 2.2.2001, blz. 21.
(2) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid