Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2211(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0184/2018

Ingediende teksten :

A8-0184/2018

Debatten :

PV 12/06/2018 - 19
CRE 12/06/2018 - 19

Stemmingen :

PV 13/06/2018 - 8.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0254

Aangenomen teksten
PDF 280kWORD 61k
Woensdag 13 juni 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Cohesiebeleid en de circulaire economie
P8_TA(2018)0254A8-0184/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 13 juni 2018 over cohesiebeleid en de circulaire economie (2017/2211(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 3, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 4, 11, 174 tot en met 178, 191 en 349,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21 en de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC, en de 11e conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

–  gezien artikel 7, lid 2, en artikel 11, lid 2, van de Overeenkomst van Parijs, waarin wordt gewezen op de lokale, subnationale en regionale dimensies van klimaatverandering en klimaatactie,

–  gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en met name doelstelling 7: "Zorgen voor toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen" en doelstelling 11: "Steden inclusief, veilig, veerkrachtig en duurzaam maken",

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1) (hierna: "de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen" genoemd),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006(6) van de Raad,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM(2018)0029),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2017 getiteld "De rol van energiewinning uit afval in de circulaire economie" (COM(2017)0034),

–  gezien het verslag van de Commissie van 26 januari 2017 inzake de uitvoering van het actieplan voor de circulaire economie (COM(2017)0033),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Maak de cirkel rond – Een EU-actieplan voor de circulaire economie" (COM(2015)0614),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2014 getiteld "Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa" (COM(2014)0398),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2014 getiteld "Groen actieplan voor het mkb: Het mkb in staat stellen om milieu-uitdagingen om te zetten in zakenkansen" (COM(2014)0440),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 februari 2012 getiteld "Innovatie voor duurzame groei: een bio-economie voor Europa" (COM(2012)0060),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juli 2012 getiteld "Slimme steden en gemeenschappen – Europees Innovatiepartnerschap" (C(2012)4701),

–  gezien de in opdracht van de Commissie uitgevoerde studie van december 2017 over de integratie van milieuaspecten in de fondsen voor het cohesiebeleid (EFRO, ESF, Cohesiefonds) – Resultaten, ontwikkeling en tendensen in drie programmeringsperioden (2000-2006, 2007-2013, 2014-2020),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over Europese territoriale samenwerking – beste praktijken en innovatieve maatregelen(9),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's(10),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(11),

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over groene groeimogelijkheden voor kmo's(12),

–  gezien de verklaring over slimme eilanden van 28 maart 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0184/2018),

A.  overwegende dat lokale en regionale overheden het meest vertrouwd zijn met lokale en regionale aangelegenheden en niet alleen cruciale actoren zijn voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid, maar bovendien een vooraanstaande rol vervullen bij de overgang naar een circulaire economie; overwegende dat een Europees meerlagig bestuursmodel, dat op actieve en constructieve samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen en belanghebbenden berust, samen met adequate informatieverstrekking aan en actieve betrokkenheid van de burgers, van cruciaal belang is voor de verwezenlijking van deze transitie;

B.  overwegende dat steden slechts 3 % van het aardoppervlak beslaan, maar meer dan de helft van de wereldbevolking huisvesten en verantwoordelijk zijn voor ruim 75 % van het verbruik van de mondiale hulpbronnen en voor 60-80 % van de broeikasgasemissies, en overwegende dat tegen 2050 naar verwachting 70 % van de wereldbevolking in steden zal wonen;

C.  overwegende dat de overgang naar een sterkere, meer circulaire economie voor de EU, haar lidstaten en haar burgers een uitdaging maar ook een uitgelezen kans vormt om de Europese economie te moderniseren en om te vormen richting meer duurzaamheid; overwegende dat zij met name een kans vormt voor alle Europese regio's en voor de lokale overheden, die het bestuursniveau vormen dat het dichtst bij de plaatselijke gemeenschappen staat; overwegende dat zij groei- en ontwikkelingsmogelijkheden biedt voor de Europese regio's en hen kan helpen om een duurzaam model op te bouwen dat bijdraagt tot economische ontwikkeling, om bestaande sectoren te hervormen, om hun handelsbalans en het concurrentievermogen van hun industrie te verbeteren met een hogere productiviteit, en om nieuwe, goedbetaalde kwaliteitsbanen en nieuwe waardeketens te scheppen;

D.  overwegende dat circa 60 % van het afval in de EU momenteel niet wordt gerecycleerd en dat onderzoek naar en invoering van nieuwe, circulaire bedrijfsmodellen grote kostenvoordelen en zakelijke kansen met zich mee kunnen brengen voor kleine en middelgrote ondernemingen in de EU;

E.  overwegende dat voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs een omschakeling naar een meer circulaire economie nodig is en dat aldus een essentiële bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van een economisch model dat niet alleen op winst, maar ook op milieubescherming gericht is;

F.  overwegende dat het cohesiebeleid niet alleen investeringsmogelijkheden biedt om via de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) in te spelen op plaatselijke en regionale behoeften, maar ook een geïntegreerd beleidskader om de verschillen in ontwikkeling van de Europese regio's te verminderen, deze regio's het hoofd te helpen bieden aan de diverse uitdagingen op het gebied van hun ontwikkeling, onder meer door middel van ondersteuning van hulpbronnenefficiëntie en duurzame ontwikkeling, alsook territoriale samenwerking en capaciteitsopbouw, en particuliere investeringen aan te trekken en te bevorderen;

G.  overwegende dat de overgang naar een circulaire economie in het huidige wetgevingskader voor het cohesiebeleid niet als doelstelling is opgenomen, en dat duurzame ontwikkeling een horizontaal beginsel is voor het gebruik van de ESI-fondsen, zoals bepaald in artikel 8 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen en in het gemeenschappelijk strategisch kader (bijlage I), dat het mogelijk zal maken de band te versterken tussen de bestaande instrumenten ter ondersteuning van op de circulaire economie gerichte projecten;

H.  overwegende dat veel van de thematische doelstellingen die aan de ESI-fondsen zijn verbonden met het oog op de uitvoering van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, alsook de bijbehorende ex-antevoorwaarden, relevant zijn voor de doelstellingen betreffende een circulaire economie;

I.  overwegende dat artikel 6 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voorschrijft dat concrete acties die door de ESI-fondsen worden ondersteund, in overeenstemming moeten zijn met het toepasselijke recht van de Unie en het nationale recht betreffende de toepassing van het recht van de Unie, met inbegrip van, in het bijzonder, het milieurecht;

J.  overwegende dat een van de doelstellingen van de circulaire economie erin bestaat de hoeveelheid gestort afval te verminderen, en dat de beveiliging en sanering van legale en illegale stortplaatsen op het grondgebied van de lidstaten als een topprioriteit moet worden beschouwd;

K.  overwegende dat de invoer van plastic schroot en ongescheiden papierafval sinds 1 januari 2018 verboden is in China, en dat dit voor de Unie problemen op het gebied van recyclage zal opleveren, die op regionaal en lokaal niveau aan de orde zullen moeten worden gesteld;

De rol van het cohesiebeleid bij de bevordering van de circulaire economie

1.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om het cohesiebeleid in te zetten ter ondersteuning van de circulaire economie, met name via ondersteuningsactiviteiten die erop gericht zijn om lidstaten en regio's te helpen bij het gebruik van de fondsen van het cohesiebeleid voor de circulaire economie;

2.  merkt op dat volgens het verslag van de Commissie inzake de uitvoering van het actieplan voor de circulaire economie de EU-steun voor de periode 2014-2020 voor innovatie, kleine en middelgrote ondernemingen, een koolstofarme economie en milieubescherming 150 miljard EUR bedraagt, en dat veel van deze gebieden bijdragen tot de verwezenlijking van de circulaire economie;

3.  merkt op dat bij bestudering van het resultaat van de onderhandelingen over de operationele programma's in het kader van partnerschapsovereenkomsten en het Europees Sociaal Fonds (ESF) voor de huidige programmeringsperiode is gebleken dat het ESF is ingezet ter ondersteuning van maatregelen met betrekking tot de invoering van groenere arbeidsorganisatiemodellen en maatregelen in de groene sector;

4.  merkt, zoals wordt aangestipt in een in opdracht van de Commissie uitgevoerde studie, echter op dat het cohesiebeleid in het huidige beleidskader niet ten volle kan bijdragen aan de circulaire economie; wijst er in dit verband op dat de circulaire economie als dusdanig niet is vervat in de omschrijving van de bestaande categorieën "steunverleningsgebieden" die voor financiële toewijzingen worden gebruikt;

5.  verzoekt de Commissie met klem om de geplande maatregelen ter ondersteuning van de circulaire economie ten uitvoer te leggen met inachtneming van goede praktijken op het gebied van regelgeving, en benadrukt dat de uitvoeringsmaatregelen moeten worden gemonitord;

6.  benadrukt dat de Commissie haar toezeggingen moet nakomen en een monitoringkader voor de circulaire economie(13) ten uitvoer moet leggen om de voortgang met betrekking tot de overgang naar een circulaire economie – zowel in de gehele EU als in de afzonderlijke lidstaten – te bevorderen en te beoordelen, en de administratieve lasten hierbij tot een minimum te beperken;

7.  verzoekt de Commissie buitengewone maatregelen te nemen met het oog op de sanering van gebieden die zijn gebruikt voor het illegaal storten en begraven van gevaarlijk afval, dat nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid en het economisch en maatschappelijk welzijn van de betrokken bevolking;

8.  onderstreept het belang van Horizon 2020 – het EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie – en het LIFE-programma 2014-2020 voor de financiering van innovatieve projecten en voor de ondersteuning van projecten op het gebied van afvalvermindering, recyclage en hergebruik, die een rol spelen in de circulaire economie;

9.  stelt het op prijs dat verschillende regio's hun strategieën voor slimme specialisatie hebben gebruikt om prioriteiten in verband met de circulaire economie vast te stellen en hun investeringen in onderzoek en innovatie in het kader van het cohesiebeleid op die doelstelling af te stemmen, waardoor zij een belangrijke rol spelen ter ondersteuning van infrastructuur en investeringen die beantwoorden aan de behoeften van kmo's; verzoekt de regionale autoriteiten deze goede werkwijze courant te gebruiken en deze strategieën voor slimme specialisatie uit te voeren;

10.  is ingenomen met de oprichting van een Europees kenniscentrum inzake hulpbronnenefficiëntie voor kleine en middelgrote ondernemingen en van het ondersteuningsplatform voor financiering op het gebied van de circulaire economie;

11.  herhaalt zijn zienswijze dat de circulaire economie verder gaat dan afvalbeheer en ook terreinen bestrijkt als groene banen, hernieuwbare energie, hulpbronnenefficiëntie, de bio-economie, landbouw- en visserijbeleid dat erop gericht is fossiele brandstoffen via biogebaseerde industrieën te vervangen, waterbeheer, energie-efficiëntie, voedselverspilling, zwerfvuil op zee, verbetering van de luchtkwaliteit, onderzoek en ontwikkeling en innovatie op aanverwante terreinen; erkent evenwel dat afvalinfrastructuur van cruciaal belang is om lineaire productie- en consumptiepatronen terug te dringen en dat het noodzakelijk is innovatie op het vlak van ecologisch ontwerp te ondersteunen om de hoeveelheid plastic afval te verminderen;

12.  herinnert eraan dat het fundamentele probleem dat het eerst moet worden opgelost de markt voor secundaire grondstoffen is, omdat het – als grondstoffen goedkoper zijn dan gerecycleerde materialen – duidelijk is dat het streven naar een groene economie aanzienlijk wordt vertraagd en dat de middelen uit de structuurfondsen in een vicieuze cirkel verloren kunnen gaan; merkt in dit verband op dat bepaalde ad-hocwetgeving (zoals het aankomende voorstel van de Commissie inzake kunststofproducten voor eenmalig gebruik) en passende belastingheffing op Europees niveau, als deel van de eigen middelen in het kader van het volgende meerjarig financieel kader, een beslissende bijdrage kunnen leveren aan de overgang naar een circulaire economie;

13.  beklemtoont dat gemiddeld aan slechts 10 % van de EU-vraag naar materialen kan worden voldaan uit gerecycleerde materialen; onderkent in het licht van nieuwe ontwikkelingen op de mondiale markten, en met name het Chinese verbod op de invoer van plastic schroot en ongescheiden papierafval, dat zich voor regio's en lokale gemeenschappen nieuwe kansen aandienen om in recyclinginfrastructuur te investeren, nieuwe, groene banen te scheppen en de problemen aan te pakken waarmee de EU momenteel te maken heeft;

14.  wijst op het bestaan en het belang van de ex-antevoorwaarden met betrekking tot de ESI-fondsen, met name wat de doelstelling inzake behoud en bescherming van het milieu en bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen betreft; onderstreept in het bijzonder de voorwaarde inzake bevordering van uit economisch en ecologisch oogpunt duurzame investeringen in de afvalsector; betreurt echter de verwaarlozing van de afvalhiërarchie en het gebrek aan een degelijke milieubeoordeling van de langetermijnresultaten van investeringen in het kader van de ESI-fondsen;

15.  roept op tot coördinatie en betere samenwerking van regio's, kmo's en andere publieke/private actoren om nieuwe thematische platformen voor slimme specialisatie op te starten, met name in de levensmiddelen-, de energie- en de industriesector;

16.  benadrukt dat het belangrijk is de afvalhiërarchie toe te passen als voorwaarde om tot een circulaire economie te komen, alsook de transparantie door de toeleveringsketen heen te verbeteren, zodat producten en materialen aan het einde van de levenscyclus efficiënt gemonitord en teruggewonnen kunnen worden; erkent voorts dat de ESI-fondsen een negatieve trend van investeringen in lagere niveaus van de afvalhiërarchie te zien geven, met name biomechanische afvalverwerkingsinstallaties en verbranding, wat in een aantal gevallen tot overcapaciteit en langdurige technologische afhankelijkheid leidt en daarmee de verwezenlijking van de Europese streefcijfers voor recyclage in gevaar kan brengen; wijst erop dat er aanvullende materialen kunnen worden gegenereerd, alsmede potentiële afzetmogelijkheden met betrekking tot de productie, door bedrijven aan te sporen de hiërarchie te eerbiedigen;

17.  herinnert aan de nieuwe afvaldoelstellingen voor 2025, 2030 en 2035 die tijdens de herziening van de afvalwetgeving van de EU zijn vastgesteld, en onderstreept dat voor de verwezenlijking van deze doelstellingen politiek engagement op nationaal, regionaal en lokaal niveau alsmede economische investeringen nodig zijn; verzoekt de lidstaten ten volle gebruik te maken van de beschikbare middelen van de Unie ter ondersteuning van deze investeringen en benadrukt dat deze investeringen grote economische groei en nieuwe banen zullen opleveren;

18.  onderstreept dat regionale projecten een belangrijke rol spelen in de verwerking van volledig niet-recycleerbaar restafval met het oog op de productie van duurzame biobrandstoffen van de tweede generatie, na zorgvuldige scheiding of afzonderlijke inzameling overeenkomstig de afvalhiërarchie;

19.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle definities met betrekking tot afval in overeenstemming zijn met de kaderrichtlijn afvalstoffen en dat er vergelijkbare gegevens over de vooruitgang van de lidstaten en van de lokale en regionale autoriteiten beschikbaar zijn;

20.  onderstreept het belang van het initiatief inzake stedelijke innovatieve acties, in het kader waarvan voor reeds acht innovatieve projecten met betrekking tot een circulaire economie in stedelijke overheden financiering uit het EFRO beschikbaar is gesteld, en verzoekt de Commissie toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van deze projecten en deze te beoordelen om breder beleid op het gebied van de circulaire economie te kunnen ontwikkelen;

De circulaire economie als aanjager van duurzame en regionale ontwikkeling

21.  benadrukt het belang van het partnerschapsbeginsel en de belangrijke rol van alle belanghebbenden, met name de regionale en plaatselijke overheden en de niet-gouvernementele sector, met inbegrip van kmo's en bedrijven van de sociale economie, bij het opstellen van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's; dringt erop aan partners daadwerkelijk bij beleidsprocessen te betrekken door horizontale partnerschappen aan te gaan, en doelstellingen in verband met de circulaire economie passend in programmeringsdocumenten te integreren; spoort de lidstaten aan om eigen nationale strategieën op dit gebied te ontwikkelen, in overeenstemming met de EU-benadering inzake de circulaire economie; wijst erop dat lokale overheden een voortrekkersrol kunnen spelen bij de verwezenlijking van de circulaire economie;

22.  wijst op de belangrijke rol van publiek-private partnerschappen bij het ontwerp en de planning van nieuwe producten en diensten waarbij rekening wordt gehouden met de levenscyclus, met het oog op de hantering van de vier ontwerpmodellen die in een circulaire economie kunnen worden gebruikt: ontwerp voor lange levensduur, ontwerp voor lease of dienstverlening, ontwerp voor hergebruik in het fabricageproces, en ontwerp voor materiaalterugwinning;

23.  onderstreept dat de huidige strategieën en marktmodellen om de overgang van de regio's naar deze meer duurzame vorm van economie te begeleiden, moeten worden gewijzigd en aangepast en dat daarbij het economische, industriële en ecologische concurrentievermogen moet worden bevorderd;

24.  dringt aan op de volledig transparante tenuitvoerlegging van de circulaire economie in het kader van een gecoördineerd meerlagig bestuur en het partnerschapsbeginsel, in samenwerking met lokale gemeenschappen, en met behulp van brede publieke deelname;

25.  benadrukt de noodzaak om nauwere samenwerking te bevorderen tussen alle belanghebbenden die betrokken zijn bij de processen van de circulaire economie;

26.  merkt op dat projecten in verband met de circulaire economie die steun hebben ontvangen in het kader van het cohesiebeleid, meer ontwikkelde regio's grotere voordelen hebben opgeleverd; onderkent de beperkte administratieve capaciteit van minder ontwikkelde regio's en verzoekt de nationale autoriteiten van de lidstaten en de Commissie daarom alle bestaande mogelijkheden te benutten om deskundige bijstand te verlenen en deze regio's meer capaciteit te geven zodat zij meer inspanningen kunnen leveren, en geschikte omstandigheden te scheppen om technologisch een sprong voorwaarts te maken door meer projecten uit te voeren die aan de beginselen van de circulaire economie voldoen, en door partnerschappen te ontwikkelen en nauwer samen te werken met belanghebbenden, zoals materiaaldeskundigen, chemici, fabrikanten en recyclingbedrijven, met name in het kader van het initiatief "Industrie 2020 in de circulaire economie";

27.  benadrukt dat de overstap naar biologische grondstoffen en verwerkingsmethoden tegen 2030 naar schatting een besparing van 2,5 miljard ton CO2-equivalent per jaar kan opleveren, wat betekent dat de markt voor biogebaseerde grondstoffen en de markt voor nieuwe consumentenproducten met een veelvoud kunnen worden vergroot; onderstreept dat duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en het behoud van de biodiversiteit van cruciaal belang zijn bij de omzetting van hulpbronnen in biogebaseerde producten, materialen en brandstoffen;

28.  acht de bio-economie van essentieel belang voor regionale en lokale ontwikkeling omdat ze voor meer samenhang tussen regio's zorgt door werkgelegenheid te creëren en groei in plattelandsgebieden te bewerkstelligen; dringt erop aan meer gebruik te maken van de ESI-fondsen voor de toepassing van bestaande innovaties, door middel van beleidsmaatregelen om belanghebbenden aan te moedigen, en tegelijk verdere innovatie te bevorderen inzake de ontwikkeling van met duurzaam beheerde biogrondstoffen geproduceerde biogebaseerde, biologisch afbreekbare, recycleerbare en composteerbare materialen; wijst erop dat een samenhangende totstandbrenging van de bio-economie ook een oplossing kan bieden voor het voedselverspillingsprobleem; dringt aan op betere samenwerking tussen nationale, regionale en lokale overheden om structuren en platformen te ontwikkelen die bedoeld zijn om verschillende actoren (voedselproducenten, transporteurs, kleinhandelaars, consumenten, de afvalsector en andere belanghebbenden) samen te brengen om zo grotere synergieën te creëren en doeltreffende oplossingen te ontwikkelen;

29.  wijst erop dat niet alleen lokale, regionale en nationale overheden, maar ook de consumenten zelf gestimuleerd moeten worden en dat zij te allen tijde op de hoogte moeten worden gesteld en moeten worden aangespoord om hun consumptiegedrag met betrekking tot afvalbeheer en -productie, recyclage en kwesties op het gebied van duurzame oplossingen in het dagelijks leven te veranderen;

30.  dringt erop aan lokale en regionale overheden beter, eenvoudiger en transparanter toegang tot financiering te verschaffen, onder meer door hun administratieve capaciteit te versterken en door nauwer samen te werken met de EIB in het kader van de Europese investeringsadvieshub, om meer investeringen in groene banen, afvalbeheer, slimme specialisatie, verdere ontwikkeling van plattelandsgebieden, met inbegrip van de nodige infrastructuur en milieuvriendelijke technologieën, de overstap van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen, en de lokale energietransitie, met inbegrip van energie-efficiëntie, decentrale energiedistributie, innovatie op het gebied van schone energie, en de circulaire economie mogelijk te maken; is verheugd dat de EIB in de laatste vijf jaar ongeveer 2,4 miljard EUR aan medefinanciering ter beschikking heeft gesteld voor projecten in het kader van de circulaire economie op het vlak van afvalbeheer, waterbeheer of landbouwonderzoek en -ontwikkeling; benadrukt het belang van een betere coördinatie van de ESI-fondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) op het gebied van de circulaire economie, mede om ervoor te zorgen dat programma's een regionale aanpak omvatten en beter gebruikmaken van het regionale potentieel voor duurzame energiebronnen;

31.  verzoekt de lidstaten, regio's en lokale overheden het opzetten en ondersteunen van hergebruik- en reparatienetwerken aan te moedigen, en met name van netwerken die fungeren als ondernemingen in de sociale economie, teneinde producten dankzij hergebruik of reparatie langer te laten meegaan, door dergelijke netwerken gemakkelijker toegang te verlenen tot afvalinzamelingspunten en door het gebruik van de ESI-fondsen, economische instrumenten, aanbestedingscriteria of andere maatregelen te stimuleren;

32.  benadrukt dat de algehele duurzaamheid met betrekking tot het hergebruik en de recycling van producten tijdens de levenscyclus ook afhangt van de hoeveelheid energie die voor het vervoer van de desbetreffende producten wordt verbruikt; onderstreept dat dit met name geldt voor plattelandsgebieden, waar langere afstanden moeten worden afgelegd tussen de plaats van inzameling en de plaats van verwerking; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale autoriteiten met klem om in strategieën met betrekking tot de circulaire economie voor plattelandsgebieden rekening te houden met deze levenscyclusbenadering om negatieve gevolgen voor het milieu en het klimaat te voorkomen;

33.  wijst erop dat in het kader van een studie over de integratie van milieuaspecten in fondsen voor het cohesiebeleid een steekproef van 32 operationele programma's werd onderzocht en dat negen daarvan betrekking hadden op de circulaire economie en zes op groene banen; is ingenomen met de inspanningen die nationale en regionale overheden leveren, maar roept de lidstaten tegelijk ertoe op de circulaire economie beter te integreren in hun operationele en regionale programma's en partnerschapsovereenkomsten; dringt erop aan dat steun wordt verleend aan de regio's om te zorgen voor een zo soepel mogelijke overgang naar een circulaire economie;

34.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat de circulaire economie naar behoren als interdisciplinair thema wordt opgenomen in programma's voor onderwijs, beroepsopleiding en omscholing, met het oog op de ontwikkeling van nieuwe attitudes die zullen bijdragen tot het vaststellen van nieuwe bedrijfsmodellen en het scheppen van nieuwe banen;

35.  roept nationale en regionale overheden die verantwoordelijk zijn voor de voorbereiding van operationele programma's op de circulaire economie sterker te integreren in de programma's voor territoriale samenwerking, met name in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking, met het oog op de uitvoering van grensoverschrijdende oplossingen die efficiëntere en goedkopere resultaten kunnen opleveren;

36.  is van oordeel dat de toekomstige planning van de ESI-fondsen in de volgende programmaperiode beter moet worden afgestemd op de nationale energie- en klimaatplannen voor 2030, door zo mogelijk gebruik te maken van soortgelijke indicatoren als die van de verordening inzake de governance van de energie-unie; dringt erop aan dat de lidstaten een ambitieuze en samenhangende strategie aan de dag leggen om te voldoen aan de op EU-niveau reeds bestaande bindende streefcijfers inzake beperking van de klimaatverandering;

37.  verzoekt de lidstaten de gelegenheid aan te grijpen om de circulaire economie tijdens de herzieningsperiode verder in hun huidige operationele programma's op te nemen; is van mening dat de Commissie dit proces moet vergemakkelijken en de lidstaten moet helpen bij het bestuderen van de huidige stand van zaken en van de gebieden die mogelijk met de beginselen van de circulaire economie kunnen worden verrijkt;

38.  is van mening dat de rol van Europese territoriale samenwerking (ETS) bij het aanpakken van problemen in verband met de tenuitvoerlegging van de circulaire economie verder moet worden vergroot; verzoekt de lidstaten grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen, met name via ETS, om projecten op het gebied van de circulaire economie uit te voeren; benadrukt daarnaast dat het belangrijk is om door middel van de pretoetredingsovereenkomsten met derde landen duurzame oplossingen te vinden om de huidige problemen, met name op het gebied van luchtvervuiling, aan te pakken;

39.  benadrukt dat de lopende macroregionale strategieën nog onbenut potentieel bieden om problemen te helpen aanpakken in verband met de verwezenlijking van de circulaire economie, niet alleen in de lidstaten maar ook in derde landen die in hetzelfde geografische gebied liggen; benadrukt dat deze strategieën gericht moeten zijn op prioriteiten waarmee ondersteuning kan worden verleend voor de totstandbrenging van een markt voor secundaire grondstoffen voor de Unie; dringt aan op de ontwikkeling van initiatieven voor samenwerking tussen de EU en buurlanden;

40.  herhaalt zijn standpunt over het belang van adequate capaciteitsopbouw en capaciteitsbehoud bij lokale, regionale en nationale autoriteiten, wat ook uiterst belangrijk is voor de overgang naar een circulaire economie; wijst op de belangrijke rol die technische bijstand op dit vlak kan spelen; erkent dat regio's en stedelijke gebieden een essentiële rol vervullen bij het bevorderen van betrokkenheid bij de energietransitie van onderop en het meest geschikt zijn voor het testen en ten uitvoer leggen van geïntegreerde energieoplossingen die direct met burgers in verband staan; benadrukt de rol die "slimme steden"-initiatieven kunnen spelen in de circulaire economie door groene technologiemodellen te promoten in het kader van strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling; onderstreept dat duurzame en "circulaire" steden een instrument zijn voor een doeltreffende kringloopeconomie;

41.  benadrukt het belang van groene overheidsopdrachten als drijfveer voor de circulaire economie, met een potentiële markt van naar schatting 1,8 biljoen EUR per jaar voor de uitvoering of levering van werken, goederen en diensten aan de overheid(14);

42.  benadrukt de behoefte aan een regelgevingskader inzake energie om burgers en energiegemeenschappen aan te sporen aan de energietransitie deel te nemen door gebruik te maken van hun recht op eigen productie en consumptie, alsmede door doorlopende ondersteuningsregelingen, gewaarborgde prioritaire toegang tot het net en prioritaire dispatching voor hernieuwbare energie;

43.  moedigt regionale en lokale overheden ertoe aan verder te investeren in onderwijsprogramma's, in beroepsopleiding en de omscholing van werknemers en in campagnes om het publiek bewust te maken van de voordelen van alle maatregelen die tot doel hebben de circulaire economie in de praktijk te brengen via projecten in het kader van het cohesiebeleid, om zo de participatie van burgers te vergroten en het consumentengedrag te beïnvloeden; onderstreept in dit verband het potentieel van het ESF; benadrukt dat het jonge ondernemers moet aansporen om de overgang te maken naar de circulaire economie, met name in regio's met lage inkomens en beperkte groei; beklemtoont ook dat de circulaire economie plattelandsgebieden een kans biedt om de ontvolking tegen te gaan, hun economie te diversifiëren en hun risicobestendigheid te vergroten; wijst er in dit verband op dat plattelandsgebieden stimulansen nodig hebben voor de overgang naar duurzame waardeketens; benadrukt dat er een specifieke strategie moet worden ontwikkeld voor eilandregio's;

44.  spoort de Commissie aan om door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) en geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) te stimuleren om lokale belanghebbenden te helpen financieringsstromen te combineren en lokale initiatieven in het kader van de circulaire economie te organiseren;

45.  merkt op dat 80 % van het zwerfvuil op zee van het land afkomstig is; benadrukt daarom dat het belangrijk is om vervuiling aan land en op zee aan te pakken door middel van lokale en regionale maatregelen die niet alleen het milieu, maar ook de menselijke gezondheid ten goede komen; verzoekt de lidstaten, regio's en lokale overheden zich vooral in te spannen om de productie van landvuil te voorkomen;

46.  verzoekt de Commissie in het kader van het Europees Semester voor ogen te houden welke invloed door de ESI-fondsen medegefinancierde regionale en nationale investeringen in projecten in verband met de circulaire economie hebben op de berekening van de nationale overheidstekorten;

47.  is ingenomen met het voorstel tot herziening van de drinkwaterrichtlijn (Richtlijn 98/83/EG), die de overgang naar een circulaire economie zal faciliteren door de hoeveelheid plastic afval van water in flessen te verminderen, wat aanzienlijke energiebesparingen en een efficiënt beheer van de drinkwatervoorraden zal opleveren;

De circulaire economie in het cohesiebeleid voor de periode na 2020

48.  verzoekt de Commissie, voor de volgende programmeringsperiode, een relevante traceringsmethode met geschikte indicatoren uit te werken om beter te kunnen toezien op de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van een circulaire economie zodat er een nauwkeuriger beeld kan worden geschetst van de ecologische en sociaal-economische omstandigheden;

49.  wijst erop dat ook in het kader van andere programma's, zoals LIFE, Cosme en Horizon 2020, aanzienlijke steun wordt verleend om de overgang naar een circulaire economie tot stand te brengen; benadrukt dat de synergie tussen de bovenvermelde instrumenten verbeterd moet worden om de doelstellingen van het actieplan van de Commissie voor de circulaire economie te verwezenlijken;

50.  verzoekt de Commissie om in het kader van de nieuwe wetgevingsvoorstellen met betrekking tot het toekomstige cohesiebeleidskader geschikte ex-antevoorwaarden betreffende de verwezenlijking van een circulaire economie te ontwikkelen; is van mening dat strategieën voor de circulaire economie moeten worden ontwikkeld in partnerschap met de nationale, regionale en plaatselijke overheden en de economische en sociale partners;

51.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er in het Horizon 2020-programma nog meer aandacht en middelen worden besteed aan innovatie- en onderzoeksprojecten op het gebied van de circulaire economie;

52.  acht het belangrijk de steun voor duurzame stedelijke en plattelandsontwikkeling in het kader van het cohesiebeleid op te voeren en vraagt dat doelstellingen in verband met de circulaire economie hierbij een prominentere rol krijgen; vraagt om innovatieve acties op het gebied van duurzame stedelijke en plattelandsontwikkeling voort te zetten en verzoekt de Commissie om bij de opstelling van voorstellen voor de toekomst maximaal gebruik te maken van de ervaring die in de periode 2014-2020 is opgedaan; pleit voor een flexibele aanpak op maat bij de tenuitvoerlegging van de stedelijke agenda, waarbij stimulansen en begeleiding moeten worden geboden om het potentieel van steden voor de tenuitvoerlegging van de circulaire economie volledig te benutten;

53.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het Europees stakeholdersplatform voor de circulaire economie een omgeving is waarin beste praktijken kunnen worden uitgewisseld, zodat de middelen van het cohesiebeleid zo goed mogelijk kunnen worden ingezet ter verwezenlijking van de overgang naar een circulaire economie;

54.  benadrukt de onderlinge verwevenheid van de circulaire economie en de beperking van klimaatverandering, en dringt daarom aan op grotere uitgaven voor investeringen op het gebied van de circulaire economie en het klimaat in het cohesiebeleid voor de periode na 2020; benadrukt bovendien dat klimaatgerelateerde uitgaven in het algemeen in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) moeten toenemen ten opzichte van het huidige MFK;

o
o   o

55.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0321.
(10) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 111.
(11) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 65.
(12) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 27.
(13) Mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM(2018)0029).
(14) "Groen kopen! – Een handboek over groene overheidsopdrachten", derde editie, Europese Commissie, 2016.

Laatst bijgewerkt op: 8 januari 2019Juridische mededeling - Privacybeleid