Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2273(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0197/2018

Ingediende teksten :

A8-0197/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/06/2018 - 7.13
CRE 14/06/2018 - 7.13

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0268

Aangenomen teksten
PDF 309kWORD 68k
Donderdag 14 juni 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Controle op de toepassing van het EU-recht in 2016
P8_TA(2018)0268A8-0197/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2018 over controle op de toepassing van het EU-recht in 2016 (2017/2273(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 1, 2 en 3,

–  gezien het 33e jaarlijkse verslag van de Commissie over de controle op de toepassing van het EU-recht (2015) (COM(2016)0463),

–  gezien het 34e jaarlijkse verslag van de Commissie over de controle op de toepassing van het EU-recht (2016) (COM(2017)0370),

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Evaluatieverslag EU-Pilot" (COM(2010)0070),

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Tweede evaluatieverslag over EU-Pilot" (COM(2011)0930),

–  gezien zijn resolutie van 6 oktober 2016 inzake de controle op de toepassing van het Unierecht: jaarverslag 2014(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 december 2016 getiteld "EU‑wetgeving: betere resultaten door betere toepassing" (C(2016)8600),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2002 betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het Gemeenschapsrecht (COM(2002)0141),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2012 over de modernisering van het beheer van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie (COM(2012)0154),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 over een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat (COM(2014)0158),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 mei 2015 getiteld "Betere regelgeving voor betere resultaten – Een EU-agenda" (COM(2015)0215),

–  gezien het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(2),

–  gezien Beschikking 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven(4),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over het 30e en 31e jaarverslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2012-2013)(5),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(6),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2016 over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat(7) en zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie(8),

–  gezien de mededelingen van de Commissie van 27 mei 2016 over voordeel halen uit het milieubeleid van de EU door een regelmatige evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid (COM(2016)0316) en 3 februari 2017 getiteld "EU-evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid: Gemeenschappelijke uitdagingen en hoe inspanningen te bundelen om betere resultaten te realiseren" (COM(2017)0063),

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten,

–  gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie constitutionele zaken, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie verzoekschriften (A8‑0197/2018),

A.  overwegende dat artikel 17 VEU de Commissie de essentiële rol van "hoedster van de Verdragen" toebedeelt;

B.  overwegende dat in artikel 2 VEU is bepaald dat de Unie is gestoeld op de waarden van eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren; overwegende dat de correcte tenuitvoerlegging van EU‑wetgeving daarom van essentieel belang is voor de verwezenlijking van de in de Verdragen en afgeleide wetgeving vastgelegde beleidsdoelstellingen van de EU; overwegende dat artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de Unie opdraagt bij elk optreden ongelijkheden op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen;

C.  overwegende dat overeenkomstig artikel 2 VEU en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het EU-Handvest) gelijkheid van mannen en vrouwen een van de fundamentele waarden van de EU is, en dat de Unie er bij elk optreden naar streeft alle vormen van discriminatie te bestrijden, ongelijkheden op te heffen en gelijke kansen en behandeling te bevorderen;

D.  overwegende dat in artikel 3 VWEU is bepaald dat de Unie onder meer tot doel heeft de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen en te werken aan de duurzame ontwikkeling van Europa op basis van evenwichtige economische groei en prijsstabiliteit, een sociale markteconomie met een hoog concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en maatschappelijke vooruitgang, en een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, en dat de Unie sociale uitsluiting en discriminatie bestrijdt en sociale rechtvaardigheid en bescherming, gelijkheid tussen mannen en vrouwen, solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind bevordert;

E.  overwegende dat de lidstaten op grond van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) aan de Commissie duidelijke en nauwkeurige informatie moeten verstrekken over de wijze waarop zij de EU-richtlijnen in nationale wetgeving omzetten; overwegende dat, overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de Commissie en de lidstaten(9) en de gezamenlijke politieke verklaring van 27 oktober 2011 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(10), de lidstaten bij de aanmelding van nationale omzettingsmaatregelen bij de Commissie wellicht ook documenten moeten verstrekken waarin wordt uitgelegd hoe ze de richtlijnen hebben omgezet in nationaal recht;

F.  overwegende dat volgens artikel 4, lid 3, VEU en artikel 288, lid 3, en artikel 291, lid 1, VWEU de lidstaten de primaire bevoegdheid hebben om het EU-recht correct om te zetten, toe te passen en te implementeren binnen de vastgestelde termijnen, en om in de nodige rechtsmiddelen te voorzien teneinde daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het EU-recht vallende gebieden te verzekeren;

G.  overwegende dat de correcte toepassing van het EU-recht de voordelen van het beleid van de Unie voor alle Europese burgers en een gelijk speelveld voor ondernemingen garandeert;

H.  overwegende dat de Commissie na de vaststelling in december 2016 van haar mededeling getiteld "EU-wetgeving: betere resultaten door betere toepassing" heeft besloten zich te concentreren op gevallen waarin lidstaten nalaten omzettingsmaatregelen mee te delen, deze maatregelen een onjuiste omzetting van richtlijnen vormen of lidstaten geen gevolg geven aan een arrest van het HvJ-EU (overeenkomstig artikel 260, lid 2, VWEU), de financiële belangen van de EU ernstig schaden of de exclusieve bevoegdheden van de EU schenden;

I.  overwegende dat overeenkomstig artikel 6, lid 1, VEU het EU-Handvest dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen, en gericht is tot de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie, alsmede tot de lidstaten wanneer zij het Unierecht ten uitvoer leggen (artikel 51, lid 1, EU-Handvest);

J.  overwegende dat de EU Pilot-procedures bedoeld zijn voor nauwere en meer coherente samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten waardoor inbreuken op het EU‑recht zich in een vroeg stadium via een bilaterale dialoog tot een oplossing laten brengen, zodat een formele inbreukprocedure zo mogelijk achterwege blijft;

K.  overwegende dat het noodzakelijk is om – in reactie op het huidige democratische tekort en onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten – een nieuw mechanisme in te stellen dat voorziet in één enkel samenhangend kader en voortbouwt op bestaande instrumenten en mechanismen, dat op uniforme wijze op alle EU-instellingen en lidstaten moet worden toegepast;

L.  overwegende dat, overeenkomstig het nieuwe beleid van de Commissie om de naleving van het EU-recht te waarborgen, EU Pilot echter niet tot doel heeft de inbreukprocedure, die op zichzelf een middel is om een probleemoplossende dialoog met een lidstaat aan te gaan, te verlengen;

M.  overwegende dat de Commissie, met het oog op een meer strategische en doeltreffende aanpak van de handhaving in verband met inbreuken, heeft besloten, zoals aangegeven in haar mededeling "Betere resultaten door betere toepassing", inbreukprocedures in te leiden zonder een beroep te doen op het EU Pilot-mechanisme, tenzij dit in een bepaald geval nuttig wordt geacht;

N.  overwegende dat de Commissie in 2016 3 783 nieuwe klachten over mogelijke inbreuken op het EU-recht heeft ontvangen, en dat Italië (753), Spanje (424) en Frankrijk (325) de lidstaten waren waartegen de meeste klachten werden ingediend;

O.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 258, leden 1 en 2, VWEU, de Commissie een met redenen omkleed advies moet uitbrengen indien zij van oordeel is dat een lidstaat een krachtens de Verdragen op hem rustende verplichting niet is nagekomen en dat zij de zaak aanhangig kan maken bij het HvJ-EU, indien de betrokken lidstaat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt;

P.  overwegende dat de Commissie in 2016 847 nieuwe inbreukprocedures heeft ingeleid wegens te late omzetting van richtlijnen;

Q.  overwegende dat in 2016 95 inbreukprocedures nog liepen, naar aanleiding waarvan het HvJ-EU uitspraak heeft gedaan over niet-naleving door de betrokken lidstaten;

R.  overwegende dat het Parlement, in zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, de Commissie heeft verzocht uiterlijk in september 2017 op grond van artikel 295 VWEU een voorstel in te dienen voor de sluiting van een EU-Pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (EU-Pact voor DRG) in de vorm van een interinstitutioneel akkoord met regelingen ter vergemakkelijking van de samenwerking tussen de Unie-instellingen en de lidstaten in het kader van artikel 7 VEU;

S.  overwegende dat het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie voorziet in de informatie-uitwisseling over alle inbreukprocedures vanaf de ingebrekestelling, maar dat de informele EU Pilot-procedure die voorafgaat aan de inleiding van de formele inbreukprocedure buiten dat kader valt;

T.  overwegende dat artikel 41 van het EU-Handvest het recht op behoorlijk bestuur omschrijft als het recht van eenieder dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen worden behandeld, en dat artikel 298 VWEU bepaalt dat de instellingen, organen en instanties van de Unie bij de vervulling van hun taken steunen op een open, doeltreffend en onafhankelijk ambtenarenapparaat;

U.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 3 februari 2017 over de evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid (EIR) stelt dat zij een gestructureerde en brede dialoog met de lidstaten heeft opgezet over de tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving en, onverminderd haar handhavingsbevoegdheden op grond van de EU-Verdragen, aanbiedt de inspanningen van de lidstaten te bevorderen door middel van een nieuw specifiek kader;

V.  overwegende dat artikel 157 VWEU het toestaat en artikel 19 VWEU het mogelijk maakt wetgeving goed te keuren ter bestrijding van alle vormen van discriminatie, onder meer op grond van geslacht;

W.  overwegende dat de EU en haar lidstaten in verklaring nr. 19, die gehecht is aan de Slotakte van de intergouvernementele conferentie tot aanneming van het Verdrag van Lissabon, hebben beloofd "om alle vormen van huiselijk geweld te bestrijden […], om deze criminele handelingen te voorkomen en te bestraffen en de slachtoffers te ondersteunen en te beschermen";

X.  overwegende dat er uit hoofde van de artikelen 79 en 83 VWEU EU-wetgeving tegen mensenhandel, in het bijzonder vrouwen- en kinderhandel, is aangenomen; overwegende dat met het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" onder andere maatregelen worden gefinancierd die bijdragen tot de uitbanning van geweld tegen vrouwen;

Y.  overwegende dat een aantal EU-richtlijnen, met name die welke gericht zijn op gendergelijkheid, niet afdoende ten uitvoer worden gelegd in een aantal lidstaten, waardoor mensen van verschillende geslachten niet beschermd zijn tegen discriminatie op het gebied van toegang tot werk, goederen en diensten;

Z.  overwegende dat discriminatie op grond van geslacht raakvlakken heeft met andere vormen van discriminatie, waaronder discriminatie op grond van ras en etnische afkomst, godsdienst, handicap, gezondheid, genderidentiteit, seksuele geaardheid, leeftijd en/of sociaaleconomische omstandigheden;

AA.  overwegende dat 33 % van de vrouwen in de EU slachtoffer is geweest van lichamelijk of seksueel geweld en dat 55 % te maken heeft gehad met seksuele intimidatie, 32 % daarvan op het werk; overwegende dat vrouwen met name gevaar lopen het slachtoffer te worden van seksueel geweld, lichamelijk geweld en onlinegeweld, cyberpesten en belaging; overwegende dat meer dan de helft van alle vrouwelijke slachtoffers van moord gedood is door een partner of familielid; overwegende dat geweld tegen vrouwen een van de meest wijdverbreide mensenrechtenschendingen ter wereld is, ongeacht de leeftijd, nationaliteit, godsdienst, opleiding of financiële en maatschappelijke positie van het slachtoffer, en een van de belangrijkste obstakels vormt voor de gelijkheid van vrouwen en mannen; overwegende dat het verschijnsel femicide in de lidstaten niet afneemt;

AB.  overwegende dat uit LGBT-onderzoek van de EU is gebleken dat lesbiennes, biseksuelen en transgenders een zeer groot risico lopen te worden gediscrimineerd op grond van hun seksuele geaardheid of genderidentiteit; overwegende dat 23 % van de lesbiennes en 35 % van de transgenders in de afgelopen vijf jaar thuis of elders (op straat, in het openbaar vervoer, op de werkplek enz.) minstens eenmaal lichamelijk/seksueel zijn aangevallen of bedreigd met geweld;

AC.  overwegende dat er wat betreft de toepassing en handhaving van EU-wetgeving inzake gendergelijkheid specifieke problemen vast te stellen zijn met betrekking tot de omzetting en de tenuitvoerlegging van de richtlijnen op dit gebied, zoals aanzienlijke lacunes in de wetgeving en inconsistente toepassing van de wetgeving door nationale rechtbanken;

AD.  overwegende dat instellingen en mechanismen voor gendergelijkheid vaak vrijwel onzichtbaar zijn binnen nationale overheidsstructuren, waar zij verdeeld zijn over verschillende beleidsgebieden en niet goed functioneren door complexe mandaten en een gebrek aan bekwaam personeel, scholing, gegevens en middelen, en onvoldoende worden gesteund door politieke leiders;

AE.  overwegende dat uit de in 2017 door het Europees Netwerk van juridische deskundigen op het gebied van gendergelijkheid en non-discriminatie gepubliceerde vergelijkende analyse van de antidiscriminatiewetgeving in Europa blijkt dat de meeste landen nog steeds kampen met ernstige problemen op het gebied van perceptie en bewustzijn, aangezien individuele personen vaak niet op de hoogte zijn van hun recht op bescherming tegen discriminatie of van het bestaan van beschermingsmechanismen; overwegende dat uit deze analyse blijkt dat zich met betrekking tot de handhaving van de EU-antidiscriminatierichtlijnen ook problemen voordoen, zoals het gebrek aan (of de ontoereikende) bevoegdheid van organisaties en verenigingen om namens of ten behoeve van slachtoffers van discriminatie een procedure in te stellen en de restrictieve toepassing van de verschuiving van de bewijslast, alsook een aantal belemmeringen voor effectieve toegang tot de rechter, en dat deze een obstakel vormen dat effectief verhindert dat burgers de rechten die zij ontlenen aan de bepalingen van de antidiscriminatiewetgeving ten volle kunnen gebruiken en beschermen;

AF.  overwegende dat de gendergelijkheidsindex 2017 van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) slechts marginale verbeteringen laat zien, waaruit duidelijk blijkt dat de EU nog een lange weg te gaan heeft voor wat de verwezenlijking van gendergelijkheid betreft, met een algemene score van 66,2 op 100 oftewel slechts vier punten hoger dan tien jaar geleden;

AG.  overwegende dat de cijfers inzake gendergelijkheid op het gebied van besluitvorming de afgelopen tien jaar met bijna tien punten zijn gestegen tot 48,5 punten, maar dat dit nog altijd het gebied met de laagste score is; overwegende dat deze ongunstige cijfers in de eerste plaats een afspiegeling zijn van de onevenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in de politiek en daarmee een democratisch tekort in het EU‑bestuur blootleggen;

AH.  overwegende dat in het verslag van Eurofound over het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen wordt vermeld dat dit verschil de EU naar schatting 370 miljard EUR per jaar kost, wat neerkomt op 2,8 % van het bbp in de EU;

AI.  overwegende dat uit de Eurofound-enquête naar de arbeidsomstandigheden blijkt dat de samengestelde indicator betreffende betaalde en onbetaalde werktijd laat zien dat vrouwen, betaald en onbetaald werk opgeteld, meer uren werken;

AJ.  overwegende dat er in de raden van bestuur van de EU-agentschappen, ondanks de toezegging van de EU om in het kader van de besluitvorming te streven naar gendergelijkheid, nog lang geen sprake is van genderevenwicht en nog altijd sprake is van gendersegregatie;

AK.  overwegende dat de vervrouwelijking van de armoede in de EU een feit is en dat de correcte en volledige toepassing en handhaving van de gelijkheids- en gendergelijkheidswetgeving van de EU hand in hand moeten gaan met maatregelen die gericht zijn op de aanpak van de zeer hoge werkloosheidscijfers, de armoede en de sociale uitsluiting onder vrouwen; overwegende dat indien er geen gelijkheidsmaatregelen worden genomen en de gender- en gelijkheidswetgeving op gebrekkige wijze wordt toegepast, de risico's voor vrouwen groter worden en het gevaar van armoede en sociale marginalisering verhoogt doordat vrouwen van de arbeidsmarkt worden uitgesloten;

AL.  overwegende dat de correcte tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving essentieel is voor het boeken van vooruitgang op het gebied van gelijkheid van mannen en vrouwen; overwegende dat de herschikte Richtlijn 2006/54/EG wel een duidelijk verbod legt op directe en indirecte discriminatie, maar dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen in 2015 nog steeds 16,3 % bedroeg, ondanks het feit dat vrouwen gemiddeld een hoog opleidingsniveau bereiken;

AM.  overwegende dat het beginsel van gendergelijkheid een essentieel onderdeel moet vormen van de controle op de toepassing van bestaande EU-wetgeving;

AN.  overwegende dat het verzamelen van gegevens, indien mogelijk uitgesplitst naar geslacht, van wezenlijk belang is om te kunnen beoordelen hoeveel vooruitgang er tot nu toe is geboekt met de toepassing van het EU-recht;

1.  is ingenomen met het besluit van de Commissie(11) om snel te reageren op inbreuken, en steunt haar inspanningen om uitvoeringsproblemen langs informele weg op te lossen; dringt er bij de Commissie op aan het probleemoplossingsmechanisme EU Pilot te verbeteren;

2.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de stijging van het aantal inbreukprocedures in 2016, het hoogst geregistreerde aantal dergelijke zaken in de afgelopen vijf jaar;

3.  is ingenomen met het jaarverslag 2016 van de Commissie over de controle op de toepassing van het EU-recht en stelt vast dat, volgens dit verslag, de vier gebieden waarop in 2016 het grootste aantal inbreukprocedures met betrekking tot omzetting tegen lidstaten zijn ingeleid milieu, justitie en consumentenzaken, belastingen en de interne markt waren;

4.  herinnert eraan dat het in de artikelen 20 en 227 VWEU en artikel 44 van het EU‑Handvest verankerde recht om bij het Parlement een verzoekschrift in te dienen een hoeksteen van het Europees burgerschap vormt en dat burgers dit recht volgens recent onderzoek als het op een na belangrijkste beschouwen; onderstreept dat verzoekschriften belangrijk zijn, omdat ze burgers de mogelijkheid geven zich betrokken te voelen bij de activiteiten van de Unie en hun bezorgdheid te uiten over gevallen van onjuiste toepassing of schending van het EU-recht of eventuele mazen in de wetgeving en deze tekortkomingen tegelijkertijd aan te kaarten in de verwachting dat de aan de orde gestelde problemen tijdig en doeltreffend worden opgelost; deelt de opvatting van de Commissie dat de inspanningen voor de doeltreffende handhaving van het bestaande EU-recht moeten worden erkend als even belangrijk als de inspanningen voor de ontwikkeling van nieuwe wetgeving; verzoekt de Commissie in dit verband om de behandeling van de verzoekschriften te verbeteren door tijdig en uitgebreid te antwoorden;

5.  vestigt de aandacht op de studie die beleidsafdeling C in opdracht van de Commissie verzoekschriften van het Parlement heeft verricht, getiteld "Monitoring the implementation of EU law: tools and challenges", en is ingenomen met de concrete maatregelen die het Parlement worden aanbevolen; wijst in dit verband op de onlangs gepubliceerde studie "Effective Access to Justice" die beleidsafdeling C heeft verricht naar aanleiding van de aantijgingen die herhaaldelijk werden geuit bij de behandeling van verzoekschriften; steunt het voorstel van de Commissie om de justitiële opleiding op het gebied van het EU-recht in de lidstaten te bevorderen om te zorgen voor samenhangende arresten en zodoende voor een gelijke handhaving van rechten in de Unie;

6.  is verheugd dat het verslag van de Commissie voor 2016 meer en transparantere statistische gegevens bevat ten opzichte van eerdere verslagen; betreurt het echter dat hierin geen gedetailleerde informatie wordt verstrekt over het aantal verzoekschriften dat tot EU Pilot- of inbreukprocedures heeft geleid en vraagt de Commissie hierover specifieke informatie te verstrekken; stelt met spijt vast dat noch het Parlement noch de indieners bij deze procedures betrokken is; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om het Parlement op de hoogte te stellen van alle lopende EU Pilot- en inbreukprocedures teneinde de transparantie te bevorderen, de termijn voor geschillenbeslechting door de Commissie verzoekschriften in te korten, het vertrouwen in het EU-project te vergroten en tot slot de legitimiteit van de EU Pilot-procedure te verhogen, met name wanneer sprake is van inbreukprocedures; verzoekt de Commissie om haar besluiten en de verschillende stappen van het college van commissarissen systematisch bekend te maken en de agenda en de belangrijkste uitkomsten van de pakketvergaderingen te publiceren; neemt kennis van de uitspraak van het HvJ-EU van mei 2017 in de zaken C‑39/05 P, C-52/05 P en C-562/14 P, waarin wordt gesteld dat interne documenten met betrekking tot een EU Pilot-procedure niet openbaar mogen worden gemaakt indien een dergelijke openbaarmaking de aard van de inbreukprocedure zou kunnen beïnvloeden, de voortgang ervan zou kunnen belemmeren of de doelstellingen ervan zou kunnen ondermijnen; verzoekt de Commissie derhalve om de met de lidstaten uitgewisselde documenten openbaar te maken wanneer van deze risico's geen sprake meer is, namelijk zodra de EU Pilot-procedures zijn beëindigd; steunt in dit verband de aanbevelingen van de Europese Ombudsman over de tijdigheid en transparantie van de EU Pilot-procedures voorafgaand aan inbreukprocedures; benadrukt hoe belangrijk het is om alle betrokken actoren op de hoogte te houden en meer transparantie te betrachten in het kader van de EU Pilot-procedure; betreurt de gebrekkige inzet waarmee de Commissie antwoord geeft op de bezorgdheid die leden van het Parlement in het kader van EU Pilot-procedures hebben geuit en verzoekt de Commissie om de Commissie verzoekschriften te informeren over betekenisvolle nieuwe stappen in EU Pilot-procedures wat betreft het onderzoek naar en de dialoog met de lidstaten over openstaande verzoekschriften; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om in haar jaarverslag de uitvoeringsgraad van zowel verordeningen als richtlijnen van de EU aan de orde te stellen;

7.  is van oordeel dat uit het grote aantal inbreukprocedures blijkt dat de tijdige en correcte toepassing van EU-wetgeving in de lidstaten een grote uitdaging en prioriteit blijft, rekening houdend met de door de Commissie gekozen nieuwe, meer strategische en doeltreffende aanpak van de handhaving voor 2016; is van mening dat bepaalde inbreuken het gevolg zouden kunnen zijn van een gebrek aan middelen die worden toegewezen aan overheidsinstanties in een aantal lidstaten;

8.  benadrukt het feit dat het aantal nieuwe klachten het hoogste aantal sinds 2011 is, met een stijging van 67,5 % in het afgelopen jaar, met een recordaantal van 3 783 nieuwe klachten en een afname van het aantal afgeronde zaken, en dat bovendien eind 2016 nog 1 657 inbreukprocedures lopende waren, terwijl er in 2016 986 inbreukprocedures werden ingeleid, waarvan 847 betrekking hadden op te late omzetting; stelt met bezorgdheid vast dat 95 inbreukprocedures waarvoor het Hof al een uitspraak heeft gedaan nog lopende zijn omdat de Commissie van mening was dat de betrokken lidstaten arresten op grond van artikel 258 VWEU nog niet waren nagekomen, en dat over het algemeen de gebieden "werkgelegenheid" en "justitie en consumentenzaken" het meest worden getroffen, gevolgd door de interne markt, industrie, ondernemerschap en midden- en kleinbedrijven, belastingen en douane, en milieu;

9.  is er verheugd over dat het aantal nieuwe EU Pilot-dossiers in 2016 is gedaald (790 in vergelijking met 881 in 2014) en dat dit aantal het laagste niveau sinds 2011 heeft bereikt, hoewel de Commissie geen EU Pilot-procedures op gang brengt in geval van te late omzetting van richtlijnen; wijst er echter op dat het percentage opgeloste zaken licht is gedaald ten opzichte van 2015 (van 75 % tot 72 %); verzoekt de Commissie opheldering te verschaffen over de prioriteitstelling met betrekking tot haar handhavingsbeleid, waarin zij aangeeft zich te zullen richten op problemen waarbij haar handhavingsmaatregelen echt een verschil kunnen maken en in haar beleid de prioriteit zal verlenen aan zaken die systemische tekortkomingen in het rechtsstelsel van een lidstaat aan het licht brengen;

10.  merkt op dat de toezegging van de Commissie om strategischer te zijn bij de handhaving van het EU-recht onlangs heeft geleid tot de afsluiting van inbreukprocedures om politieke redenen; verzoekt de Commissie om die reden om de overwegingen die aan dergelijke besluiten ten grondslag liggen, in toekomstige monitoringverslagen toe te lichten;

11.  benadrukt dat de meeste EU Pilot-dossiers die geleid hebben tot formele inbreukprocedures voornamelijk betrekking hadden op beleidsterreinen op het gebied van milieu, de interne markt, industrie, ondernemerschap en midden- en kleinbedrijf, energie, belastingen en douane; wijst er tevens op dat Hongarije, Duitsland, Spanje en Polen de meeste EU Pilot-dossiers hadden die werden vervolgd door middel van inbreukprocedures;

12.  erkent dat de primaire verantwoordelijkheid voor de correcte tenuitvoerlegging en toepassing van het EU-recht bij de lidstaten ligt, maar wijst erop dat dit de EU-instellingen niet ontslaat van de verplichting om het primaire EU-recht in acht te nemen wanneer zij afgeleid EU-recht uitvaardigen, vooral op het gebied van de rechtsstaat en de grondrechten in verband met het EU-Handvest;

13.  wijst erop dat het cruciaal is om het EU-recht correct ten uitvoer te leggen en toe te passen, teneinde de naleving van het in de Verdragen verankerde beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen binnen het EU-beleid te verwezenlijken, alsook het wederzijds vertrouwen tussen openbare instellingen op nationaal en op EU-niveau, en tussen openbare instellingen en de burger, te bevorderen en te versterken, en brengt tevens in herinnering dat vertrouwen en rechtszekerheid de grondslag vormen van een goede samenwerking en een doeltreffende toepassing van het EU-recht;

14.  maakt zich zorgen over het feit dat er in diverse lidstaten nog altijd sprake is van aanzienlijke tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van EU‑milieuwetgeving, met name op het gebied van afvalbeheer, infrastructuur voor afvalwaterzuivering en naleving van de grenswaarden met betrekking tot de luchtkwaliteit;

15.  onderstreept de belangrijke rol die sociale partners, maatschappelijke organisaties, Europese burgers en andere belanghebbenden spelen bij het monitoren en melden van tekortkomingen bij de omzetting en toepassing van het EU-recht door lidstaten; is dan ook ingenomen met het feit dat de burgers meer oog hebben voor de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving, met inbegrip van de cruciale rol van klokkenluiders in de particuliere en publieke sector; onderstreept dat de burgers van de EU rechtens als eersten op duidelijke, daadwerkelijk toegankelijke, transparante en tijdige wijze op de hoogte moeten worden gebracht van de vraag of en welke nationale wetten zijn aangenomen ter omzetting van EU-wetgeving en welke nationale autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de correcte uitvoering ervan;

16.  wijst op het belang dat de Commissie hecht aan de tijdige en correcte omzetting van het EU-recht in nationale wetgeving, en het bestaan van een duidelijk intern regelgevingskader dat de lidstaten ertoe verplicht prioriteit te verlenen aan deze doelstelling, teneinde inbreuken op het EU-recht te voorkomen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat individuele personen en ondernemingen kunnen profiteren van de effectieve en doeltreffende tenuitvoerlegging ervan;

17.  wijst er echter op dat onrealistische termijnen voor de tenuitvoerlegging van wetgeving het voor de lidstaten onmogelijk kan maken ze na te leven, hetgeen neerkomt op stilzwijgende aanvaarding van te late uitvoering; dringt er bij de EU-instellingen op aan het eens te worden over een realistischer tijdschema voor de tenuitvoerlegging van verordeningen en richtlijnen, en daarbij voldoende rekening te houden met de tijd die nodig is voor controle en raadpleging; is van mening dat de Commissie verslagen, samenvattingen en wetswijzigingen moet indienen op de door de medewetgevers overeengekomen data en in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen;

18.  wijst erop dat er in 2016 70 richtlijnen moesten worden omgezet, een stijging ten opzichte van de 56 richtlijnen in 2015; uit zijn bezorgdheid over de scherpe toename van het aantal nieuwe inbreukprocedures wegens te late omzetting van 543 tot 847; betreurt het dat er eind 2016 nog 868 inbreukprocedures wegens te late omzetting lopende waren, een stijging van 67,5 % ten opzichte van de 518 zaken die eind 2015 nog lopende waren;

19.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat, zoals in 2015, niet alle lidstaten hun toezeggingen zijn nagekomen om toelichtende stukken in te dienen in combinatie met de maatregelen die zij hadden genomen om richtlijnen om te zetten in nationale wetgeving; is van mening dat de Commissie, gezien de wisselende kwaliteit van veel van de ingediende toelichtende stukken, de lidstaten meer bijstand moet verlenen bij de voorbereiding ervan en de opstelling van concordantietabellen;

20.  benadrukt het feit dat het per slot van rekening de burgers en ondernemingen zijn die lijden onder de niet-tijdige en/of incorrecte tenuitvoerlegging van de bestaande EU‑wetgeving op het gebied van gelijke kansen voor en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in het onderwijs en in arbeid en beroep, gelijk loon voor gelijk werk, en gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten, alsook van de bestaande bepalingen ter bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven en ter uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, aangezien hun de voordelen die zij uit hoofde van het EU‑recht genieten, worden ontnomen;

21.  benadrukt het feit dat de EU is opgericht als een Unie die gegrondvest is op het beginsel van de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten (artikel 2 VEU); wijst erop dat de lidstaten, bij de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving, de in de Verdragen en het EU-Handvest verankerde grondrechten volledig moeten eerbiedigen; herhaalt dat zorgvuldig toezicht op de handelingen en nalatigheden van de lidstaten en EU-instellingen van het grootste belang is;

22.  spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over het aantal verzoekschriften aan het Parlement en bij de Commissie ingediende klachten over kwesties die al door de Commissie opgelost zouden zijn;

23.  benadrukt hoe belangrijk het is om de integriteit van de rechtsorde van de EU, die primaire, secundaire en zachte wetgeving omvat, te waarborgen; roept om deze reden op tot de tijdige aanneming van de wetgevings- en niet-wetgevingsinitiatieven die nodig zijn om de Europese pijler van sociale rechten tot stand te brengen voor de burgers; dringt er bij de Commissie op aan zo transparant en coherent mogelijk te werk te gaan bij haar inspanningen om een nieuw kader te creëren voor de correcte tenuitvoerlegging van EU-wetgeving, zoals de evaluatie van de uitvoering van EIR; verzoekt de Commissie te overwegen een dergelijk kader in het leven te roepen, dat specifiek gericht is op billijke en evenwichtige ontwikkeling, werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie met betrekking tot de Europese pijler van sociale rechten;

24.  herinnert aan zijn verzoek aan de Commissie om, in aansluiting op zijn resolutie van 25 oktober 2016, een voorstel in te dienen voor de sluiting van een EU-Pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (EU-Pact voor DRG), en dus haar thematische jaarverslagen op dit gebied effectief te bundelen met de resultaten van bestaande monitoringmechanismen en periodieke beoordelingsinstrumenten, en deze tijdig te presenteren; herinnert eraan dat de Commissie, als hoedster van de Verdragen en met volledige inachtneming van de beginselen van goed en efficiënt bestuur, zoals neergelegd in artikel 298 VWEU en de artikelen 41 en 47 van het EU-Handvest, de plicht heeft om toe te zien op en te evalueren in hoeverre het recht van de Unie correct wordt toegepast en of de lidstaten en alle instellingen en organen van de Unie de in de Verdragen verankerde beginselen en doelstellingen in acht nemen, en om zich te houden aan haar toezegging om de lidstaten actief te helpen bij de omzetting en uitvoering van bepaalde richtlijnen en verordeningen; beveelt daarom aan met deze taak rekening te houden in bovengenoemde DRG-beleidscyclus vanaf 2018 en haar thematische jaarverslagen op dit gebied – met de resultaten van bestaande monitoringmechanismen en periodieke beoordelingsinstrumenten – tijdig te presenteren;

25.  herinnert eraan dat het Parlement er herhaaldelijk bij de Commissie op heeft aangedrongen de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving en ‑beleid proactiever te monitoren, sturen en ondersteunen;

26.  verwelkomt de toezegging van de Commissie om de lidstaten actief te helpen bij de omzetting en uitvoering van Europese wetgeving door uitvoeringsplannen voor bepaalde richtlijnen en verordeningen voor te bereiden;

27.  is van mening dat het Parlement, gezien zijn medeverantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging en de handhaving van het EU-recht overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord en zijn opdracht om politieke controle uit te oefenen op de Commissie als bedoeld in artikel 14 VEU, automatisch moet worden geïnformeerd over elke ingeleide EU Pilot- en inbreukprocedure, en adequate toegang moet krijgen tot documenten met betrekking tot deze twee procedures, vooral wanneer die voortvloeien uit verzoekschriften, met inachtneming van de nodige vertrouwelijkheidsbepalingen voor een succesvolle afhandeling van de zaken;

28.  stelt voor vertegenwoordigers van de lidstaten vaker uit te nodigen om aanwezig te zijn bij de behandeling van verzoekschriften in de Commissie verzoekschriften;

29.  wijst op het ontoereikende niveau van tenuitvoerlegging van het EU-recht in de lidstaten, zoals blijkt uit het hoge aantal bij de Commissie ingediende klachten en de aanzienlijke stroom aan verzoekschriften die aan het Parlement worden gericht; is ingenomen met het voornemen dat de Commissie in haar mededeling van december 2016 heeft uitgesproken om meer gebruik te gaan maken van preventieve instrumenten, zoals pakketvergaderingen, uitvoeringsrichtsnoeren, deskundigengroepen en specialistische netwerken waaronder het Solvit-netwerk, en om de capaciteitsopbouw in de lidstaten om het EU-recht te handhaven te ondersteunen; verzoekt de Commissie om zich bij de tenuitvoerlegging van dit vernieuwde handhavingsbeleid in een volwaardig partnerschap met de lidstaten en de Europese instellingen te beroepen op de bepalingen van artikel 197 VWEU; verzoekt de Commissie de behandeling van verzoekschriften te verbeteren door tijdig en uitgebreid te antwoorden;

30.  merkt op dat de Commissie, hoewel 95 inbreukprocedures nog lopende zijn en het HvJ‑EU uitspraak heeft gedaan over niet-naleving door de lidstaten, slechts drie van deze zaken overeenkomstig artikel 260 VWEU aanhangig heeft gemaakt bij het Hof; acht het van het grootste belang dat de uitspraken van het Hof volledig en tijdig ten uitvoer worden gelegd, zo nodig door de bepalingen van artikel 279 VWEU volledig te benutten om ondermijning van het EU-recht en van de autoriteit van het HvJ-EU te voorkomen; verzoekt de Commissie om deze situatie aan te pakken en het Parlement regelmatig verslag uit te brengen over de vooruitgang die in dit opzicht is geboekt;

31.  onderstreept het feit dat alle EU-instellingen gebonden zijn aan de EU-Verdragen en het EU-Handvest(12);

32.  beveelt aan dat in elk interparlementair debat over democratie, de rechtsstaat en grondrechten het maatschappelijk middenveld en burgerparticipatie aan bod komen, bijvoorbeeld door middel van verzoekschriften aan het Parlement en het Europees burgerinitiatief;

33.  benadrukt dat de tussen de EU-instellingen en de lidstaten gesloten memoranda van overeenstemming krachtens artikel 288 VWEU niet als EU-handelingen worden beschouwd;

34.  benadrukt het cruciale belang van efficiëntie, transparantie en verantwoordingsplicht bij het opstellen en toepassen van het EU-recht door de EU-instellingen; onderstreept met name het beginsel van democratische verantwoordingsplicht – en de rol die het Parlement speelt bij het waarborgen daarvan – en het recht van EU-burgers op toegang tot de rechter en goed bestuur, zoals neergelegd in de artikelen 41 en 47 van het EU‑Handvest; wijst erop dat deze rechten en beginselen vereisen dat de burgers op adequate en eenvoudige wijze toegang krijgen tot de ontwerp-wetgeving die voor hen van belang is; herinnert eraan dat dezelfde rechten en beginselen ook voor de lidstaten van cruciaal belang moeten zijn als zij wetgeving voorstellen ter uitvoering van EU‑recht;

35.  verzoekt de Commissie waar mogelijk en nodig de financiële middelen van de EU te verhogen, zoals het Europees Sociaal Fonds dat bestemd is voor "vergroting van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties en belanghebbenden en een doelmatig openbaar bestuur", teneinde maatschappelijk welzijn en economische ontwikkeling te bevorderen, en de doeltreffendheid van bevorderlijke wetgeving te verbeteren; verzoekt de Commissie ten volle gebruik te maken van artikel 197 VWEU om de lidstaten beter in staat te stellen het EU-recht uit te voeren en te handhaven;

36.  verzoekt de Commissie instrumenten te ontwikkelen om de lidstaten te helpen omzettingsproblemen te herkennen, deze in een vroeg stadium van de inbreukprocedure aan te pakken en gezamenlijke oplossingen te vinden;

37.  herinnert eraan dat de wetgeving die aanleiding geeft tot de meest flagrante inbreukprocedures het resultaat van richtlijnen is; herinnert eraan dat verordeningen rechtstreeks en verplicht van toepassing zijn in alle lidstaten; verzoekt de Commissie dan ook zoveel mogelijk gebruik te maken van verordeningen wanneer zij overweegt met wetgevingsvoorstellen te komen; is van mening dat een dergelijke aanpak het risico van overregulering kan beperken;

38.  brengt in herinnering dat prejudiciële beslissingen ertoe bijdragen te verduidelijken op welke wijze het recht van de Europese Unie moet worden toegepast; is van oordeel dat een beroep op deze procedure een uniforme interpretatie en uitvoering van de EU‑wetgeving mogelijk maakt; verzoekt de Commissie daarom om nauwlettender te volgen of de nationale rechterlijke instanties voldoen aan de verplichting om het HvJ-EU om een prejudiciële beslissing te verzoeken, zoals bepaald in artikel 267 VWEU; moedigt nationale rechterlijke instanties daarom aan in geval van twijfel prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ-EU en zo inbreukprocedures te voorkomen;

39.  verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan haar controle op de uitvoering van Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt(13), en waar nodig inbreukprocedures op gang te brengen en daarbij bijzonder alert te zijn op onjuiste of gebrekkige toepassing;

40.  is ingenomen met de voortdurende inspanningen van de Commissie om de EU-milieuregelgeving te handhaven teneinde een gelijk speelveld voor alle lidstaten en marktdeelnemers te waarborgen, en tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de EU-milieuwetgeving aan te pakken, onder meer door zo nodig gebruik te maken van inbreukprocedures; benadrukt evenwel de bekende beperkingen in de doeltreffendheid van de EU-milieuregelgeving en met name de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn; verzoekt de Commissie nota te nemen van de resolutie van het Parlement van 26 oktober 2017(14) over de tenuitvoerlegging van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn; wijst erop dat, in bepaalde lidstaten, het recht van de burgers op een gezond milieu wordt ondermijnd door tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van EU-milieuwetgeving, met name wat betreft de voorkoming van schade aan lucht en water, afvalbeheer en afvalwaterzuiveringsinstallaties; benadrukt dat de Europese economie jaarlijks 50 miljard EUR aan kosten in verband met, bovenal, de gezondheidszorg en rechtstreekse kosten voor het milieu zou kunnen besparen als de milieuwetgeving van de EU volledig ten uitvoer zou worden gelegd;

41.  benadrukt dat het EU-acquis ook door de EU gesloten internationale overeenkomsten omvat; stelt met bezorgdheid vast dat de EU-milieuvoorschriften mogelijk niet in overeenstemming zijn met het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden ("het Verdrag van Aarhus")(15) doordat zij milieuorganisaties en leden van het publiek onvoldoende toegang tot de rechter bieden; verzoekt de Commissie daarom aandacht te besteden aan de bevindingen en aanbevelingen van het Comité van toezicht op de naleving van het Verdrag van Aarhus(16) en het standpunt van de Raad van 17 juli 2017(17), en op zoek te gaan naar manieren en middelen om aan het Verdrag van Aarhus te voldoen op een wijze die verenigbaar is met de grondbeginselen van de rechtsorde van de Unie en met haar stelsel van rechterlijke toetsing;

42.  verzoekt de Commissie vooral te letten op de uitvoering van de op asiel- en migratiegebied vastgestelde maatregelen teneinde ervoor te zorgen dat zij stroken met de in het EU-Handvest verankerde beginselen, samen te werken met de lidstaten om mogelijke problemen bij die uitvoering het hoofd te bieden en in voorkomend geval de nodige inbreukprocedures op gang te brengen; stelt met bezorgdheid vast dat bepaalde lidstaten verzuimen hun plichten met betrekking tot asiel en migratie na te komen, met name waar het de herplaatsing van asielzoekers betreft; onderstreept dat het gebrek aan solidariteit tussen sommige lidstaten op het gebied van asiel en migratie moet worden aangepakt, zodat alle lidstaten hun verplichtingen nakomen; verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen tegen de toename van mensenhandel met het oog op arbeidsuitbuiting of seksuele uitbuiting;

43.  verzoekt de Commissie doeltreffend te reageren op de veranderende situatie op het gebied van migratie en veiligheid en op efficiënte wijze uitvoering te geven aan de Europese migratieagenda en de aanverwante implementatiepakketten; verzoekt de lidstaten de terugkeerrichtlijn (2008/115/EG)(18) correct ten uitvoer te leggen en regelmatig verslag uit te brengen over de uitvoering van de Europese migratieagenda;

44.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of nulurencontracten verenigbaar zijn met de EU-arbeidswetgeving, waaronder de richtlijn deeltijdarbeid, aangezien in 2016 vele verzoekschriften over onzeker werk werden ingediend;

45.  is ingenomen met het feit dat in het verslag de rol van het Parlement wordt erkend om de Commissie door middel van parlementaire vragen en verzoekschriften te wijzen op tekortkomingen bij de toepassing van het EU-recht in de lidstaten; wijst erop dat nauwer toezicht door nationale parlementen op hun respectieve regeringen, wanneer die betrokken zijn bij het wetgevingsproces, zal leiden tot een doeltreffender toepassing van het EU-recht, zoals neergelegd in de Verdragen;

46.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat, gezien de inconsequente vertalingen van veel richtlijnen in de officiële talen van de EU, verschillende taalversies waarschijnlijk leiden tot uiteenlopende interpretaties van de respectieve teksten en tot verschillen in de omzetting ervan in de lidstaten; betreurt het feit dat dergelijke verschillen in de omzetting en juridische interpretatie van richtlijnen niet systematisch aan het licht komen, maar alleen wanneer zij worden verduidelijkt door arresten van het HvJ-EU;

47.  herinnert eraan dat voor de nationale parlementen een essentiële rol is weggelegd, zowel bij de prelegislatieve toetsing van ontwerpen van EU-rechtshandelingen als bij de postlegislatieve toetsing van de correcte tenuitvoerlegging van het EU-recht door de lidstaten; roept de nationale parlementen op deze rol proactief uit te voeren;

48.  is van mening dat, in overeenstemming met de inspanningen van de Commissie voor betere en doeltreffender EU-wetgeving, de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid altijd in aanmerking moeten worden genomen;

49.  herhaalt zijn oproep om binnen de betrokken directoraten-generaal (DG IPOL, DG EXPO en DG EPRS) een autonoom systeem op te zetten voor de evaluatie achteraf van het effect van de belangrijkste EU-wetgeving die door het Parlement volgens de medebeslissingsprocedure en volgens de gewone wetgevingsprocedure is aangenomen;

50.  verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan haar controle op de uitvoering van EU-wetgeving tot vaststelling van regels ter bestrijding van corruptiepraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt, en de nodige maatregelen te nemen om dergelijke praktijken aan te pakken;

51.  herinnert de lidstaten en de EU-instellingen eraan dat het waarborgen van tijdige en doeltreffende toepassing van EU-wetgeving in de lidstaten een prioriteit van de EU blijft; wijst erop dat het belangrijk is dat de beginselen van bevoegdheidstoedeling, subsidiariteit en evenredigheid, overeenkomstig artikel 5 VEU, alsmede het beginsel van gelijkheid voor de wet worden nageleefd, met het oog op een betere toetsing van de toepassing van het EU-recht; herinnert eraan hoe belangrijk het is dat er meer bekendheid wordt gegeven aan de bepalingen van de bestaande richtlijnen waarin de diverse aspecten van het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen aan de orde komen, en dat zij in de praktijk worden gebracht;

52.  spoort de EU-instellingen aan altijd hun verplichting na te komen om het primaire EU‑recht in acht te nemen wanneer zij bepalingen van afgeleid EU-recht en zachte wetgeving vaststellen, beleid ontwikkelen en overeenkomsten of verdragen met instellingen buiten de EU ondertekenen, lidstaten met alle mogelijke middelen bij te staan in hun inspanningen om de EU-wetgeving op alle gebieden om te zetten en de waarden en beginselen van de Unie te eerbiedigen, met name in het licht van de recente ontwikkelingen in de lidstaten;

53.  is het eens met het standpunt van de Commissie dat individuele klagers een essentiële rol spelen bij het aan de orde stellen van grotere problemen met de handhaving en toepassing van het EU-recht die de belangen van burgers en ondernemingen schaden;

54.  benadrukt dat het ontbreken van een samenhangende en uitgebreide reeks gecodificeerde regels inzake goed bestuur in de hele Unie het voor burgers en bedrijven moeilijk maakt om hun rechten uit hoofde van het Unierecht gemakkelijk en volledig te begrijpen; onderstreept derhalve dat het codificeren van regels inzake goed bestuur in de vorm van een verordening waarin de verschillende aspecten van de administratieve procedure worden vastgelegd, waaronder kennisgevingen, bindende termijnen, het recht om te worden gehoord en het recht van eenieder op toegang tot zijn dossier, onontbeerlijk is om de rechten van de burgers en de transparantie te versterken; is van mening dat deze verordening de interpretatie van de bestaande regels toegankelijker, duidelijker en samenhangender zou maken, hetgeen zowel burgers en ondernemingen als de administratie en haar ambtenaren ten goede zou komen;

55.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resoluties van 15 januari 2013 en 9 juni 2016 heeft aangedrongen op de vaststelling van een verordening betreffende een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat op grond van artikel 298 VWEU, en wijst erop dat de Commissie naar aanleiding van dit verzoek geen voorstel ter zake heeft ingediend; verzoekt de Commissie daarom nogmaals een wetgevingsvoorstel inzake een Europese wet bestuursprocesrecht in te dienen en daarbij rekening te houden met de door het Parlement tot dusver genomen maatregelen op dit terrein;

56.  benadrukt dat het feit dat milieuoverwegingen op andere beleidsgebieden onvoldoende een rol spelen een van de belangrijkste redenen is waarom de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving en ‑beleid tekortschiet;

57.  benadrukt dat er een hoog niveau van milieubescherming moet worden gehandhaafd, evenals een hoog niveau van gezondheidsbescherming en voedselveiligheid;

58.  wijst erop dat een doeltreffende handhaving van EU-voorschriften op het gebied van gezondheid, voedselveiligheid en milieu belangrijk is voor de Europese burgers, aangezien dit invloed heeft op hun dagelijks leven en het algemeen belang dient;

59.  dringt er bij de Commissie op aan om milieugerelateerde inbreukzaken met een grensoverschrijdende dimensie nauwlettend te volgen, met name als het gaat om zaken die betrekking hebben op de wetgeving inzake de luchtkwaliteit, en erop toe te zien dat het EU-recht in toekomstige lidstaten op correcte wijze wordt omgezet en toegepast; vraagt de Commissie voorts klagers tijdig en op passende en transparante wijze te informeren over de argumenten die door de betrokken staten als reactie op een klacht worden aangevoerd;

60.  stelt vast dat het aantal milieugerelateerde inbreukprocedures in 2016 een daling laat zien ten opzichte van 2015, maar is bezorgd over het feit dat er sprake was van een stijging in het aantal procedures op het gebied van gezondheid en voedselveiligheid, en verzoekt de Commissie aan dit onderwerp bijzondere aandacht te besteden;

61.  benadrukt het feit dat gelijkheid van mannen en vrouwen een kernbeginsel van de EU is, dat moet worden geïntegreerd in alle beleidsgebieden;

62.  onderstreept de fundamentele rol die de rechtsstaat vervult voor het verschaffen van legitimiteit aan iedere vorm van democratisch bestuur; benadrukt dat dit een hoeksteen vormt van het rechtsstelsel van de Unie en als zodanig aansluit bij het concept van een Unie die op de rechtsstaat berust;

63.  herinnert eraan dat het gelijkheidsbeginsel – in termen van gelijke beloning voor gelijk werk – in de Europese Verdragen is verankerd sinds 1957 (zie artikel 157 VWEU), en benadrukt het feit dat artikel 153 VWEU de EU in staat stelt te handelen op het bredere werkterrein van gelijke kansen en gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep;

64.  merkt met waardering op dat de door het HvJ-EU gehanteerde ruime interpretatie van het begrip gelijk loon voor gelijk werk, zoals geformuleerd in zijn arresten en uitgebreide jurisprudentie over dit artikel, zeker heeft gezorgd voor meer mogelijkheden om zowel directe als indirecte loondiscriminatie op basis van geslacht te bestrijden en de genderloonkloof te verkleinen, maar benadrukt dat er nog meer inspanningen moeten worden geleverd om de aanhoudende loonkloof tussen mannen en vrouwen in de EU volledig te dichten;

65.  betreurt het ten zeerste dat de invoering van juridische beginselen tegen een verschil in beloning tussen mannen en vrouwen op zich ontoereikend is gebleken om de aanhoudende genderloonkloof te dichten; herinnert eraan dat de lidstaten op grond van de herschikte Richtlijn 2006/54/EG verplicht zijn ervoor te zorgen dat alle met het beginsel van gelijke beloning strijdige bepalingen die voorkomen in collectieve arbeidsovereenkomsten, loonschalen of -akkoorden of individuele arbeidsovereenkomsten nietig (kunnen) worden verklaard of kunnen worden gewijzigd;

66.  benadrukt dat zowel de lidstaten als de Commissie aandacht moeten besteden aan de tenuitvoerlegging van het EU-recht, met name de bepalingen inzake gelijkheid op het gebied van loon; wijst nogmaals op het belang van integratie van het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen in een aantal EU-richtlijnen en beschouwt alternatieve instrumenten als een goed middel voor de juiste tenuitvoerlegging van het EU-recht; herinnert eraan dat het belangrijk is dat er meer bekendheid wordt gegeven aan de bepalingen van de bestaande richtlijnen waarin de diverse aspecten van het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen aan de orde komen, en dat zij in de praktijk worden gebracht; benadrukt dat door middel van collectieve onderhandelingen een verdere bijdrage geleverd kan worden aan de toepassing van het EU-recht inzake gelijk loon voor gelijk werk voor vrouwen en mannen, ouderschapsverlof, arbeidsomstandigheden en arbeidstijden, met inbegrip van een wekelijkse gemeenschappelijke rustdag, om voor vrouwen en mannen evenwicht tussen werk en privéleven te realiseren en hun situatie op de arbeidsmarkt te verbeteren;

67.  herinnert aan zijn resolutie van 15 januari 2013, waarin wordt aangedrongen op de vaststelling van een EU-verordening houdende een Europese wet bestuursprocesrecht uit hoofde van artikel 298 VWEU; betreurt het dat de Commissie niet is ingegaan op het verzoek van het Parlement om een voorstel voor een wetgevingshandeling inzake bestuursprocesrecht in te dienen;

68.  erkent dat het belangrijk is om gegevens te verzamelen, indien mogelijk uitgesplitst naar geslacht, om te evalueren hoe de bevordering van de vrouwenrechten vordert;

69.  betreurt de tekortschietende aanpak van de Commissie op het gebied van dierenwelzijn, waarbij zij de ernstige inconsistenties negeert die aan de orde zijn gesteld door een groot aantal burgers die gebruik hebben gemaakt van hun recht op het indienen van verzoekschriften; herhaalt zijn verzoek om een nieuwe strategie op EU-niveau te lanceren om alle bestaande tekortkomingen weg te werken en de volledige en doeltreffende bescherming van het dierenwelzijn te garanderen door middel van een helder en uitputtend wetgevingskader dat volledig voldoet aan de vereisten van artikel 13 VWEU;

70.  verzoekt de Commissie om grondig onderzoek te doen naar de verzoekschriften met betrekking tot kwaliteitsverschillen tussen levensmiddelen van hetzelfde merk in verschillende lidstaten; dringt er bij de Commissie op aan een eind te maken aan oneerlijke praktijken en ervoor te zorgen dat alle consumenten gelijk worden behandeld;

71.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0385.
(2) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.
(3) PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25.
(4) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(5) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 246.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.
(7) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 126.
(8) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 17.
(9) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(10) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 15.
(11) PB C 18 van 19.1.2017, blz. 10.
(12) Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 20 september 2016 in gevoegde zaken C‑8/15 P tot en met C-10/15 P, Ledra Advertising Ltd (C-8/15 P), Andreas Eleftheriou (C-9/15 P), Eleni Eleftheriou (C-9/15 P), Lilia Papachristofi (C-9/15 P), Christos Theophilou (C-10/15 P), Eleni Theophilou (C‑10/15 P) vs. Europese Commissie en Europese Centrale Bank (ECLI:EU:C:2016:701).
(13) PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0414.
(15) PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.
(16) ACCC/C/2008/32 (EU), deel II, vastgesteld op 17 maart 2017.
(17) PB L 186 van 19.7.2017, blz. 15.
(18) PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98.

Laatst bijgewerkt op: 8 januari 2019Juridische mededeling - Privacybeleid