Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2007(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0223/2018

Ingediende teksten :

A8-0223/2018

Debatten :

PV 02/07/2018 - 22
CRE 02/07/2018 - 22

Stemmingen :

PV 03/07/2018 - 11.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0274

Aangenomen teksten
PDF 137kWORD 55k
Dinsdag 3 juli 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Driedimensionaal printen: intellectuele-eigendomsrechten en civielrechtelijke aansprakelijkheid
P8_TA(2018)0274A8-0223/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 over driedimensionaal printen, een uitdaging op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten en civielrechtelijke aansprakelijkheid (2017/2007(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten(1),

–  gezien Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken(2),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité getiteld "De samenleving van morgen. 3D-printing als middel om de Europese economie te versterken"(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 november 2017 getiteld "Een evenwichtig stelsel voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, in antwoord op de huidige maatschappelijk uitdagingen" (COM(2017)0707),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 november 2017 getiteld "Richtsnoeren inzake bepaalde aspecten van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten" (COM(2017)0708),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 10 mei 2017 over het in goede banen leiden van de mondialisering (COM(2017)0240),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8‑0223/2018),

A.  overwegende dat driedimensionaal printen (3D-printen) toegankelijk is geworden voor het grote publiek sinds er 3D-printers op de markt zijn gebracht die bestemd zijn voor privépersonen en er bedrijven op de markt zijn verschenen die zowel digitale modellen als diensten voor 3D-printen aanbieden;

B.  overwegende dat 3D-printen wordt gezien als een van de meest vooraanstaande technologieën, ten aanzien waarvan Europa een leidende rol kan spelen; overwegende dat de Commissie de voordelen van 3D-printen heeft erkend door in de periode 2014-2016 21 projecten op basis van deze technologie te sponsoren in het kader van Horizon 2020;

C.  overwegende dat 3D-printen het licht zag op een experimenteel niveau in de jaren 1960 en dat de technologie, die aanvankelijk werd ontwikkeld in de Verenigde Staten, begon door te dringen in het bedrijfsleven aan het begin van de jaren 1980;

D.  overwegende dat de markt voor 3D-printers een sector is die snel groeit en de komende jaren naar verwachting zal blijven doorgroeien;

E.  overwegende dat de ontwikkeling van fora voor 3D-printen (meestal "fablabs" genoemd) en diensten voor printen op afstand, soms gekoppeld aan een onlineplatform voor de uitwisseling van 3D-bestanden, echter iedereen in staat stelt 3D-voorwerpen te printen, wat een troef is voor uitvinders en projectontwikkelaars;

F.  overwegende dat op het gebied van 3D-printen een zeer groot potentieel bestaat voor het transformeren van de toeleveringsketens in de verwerkende industrie, wat Europa zou kunnen helpen de productieniveaus te verhogen; overwegende dat de toepassing van deze technologie nieuwe mogelijkheden biedt voor bedrijfsontwikkeling en innovatie;

G.  overwegende dat de EU 3D-printen bovenaan de lijst van belangrijkste technologische gebieden heeft geplaatst; overwegende dat de Commissie 3D-printen in haar recente discussienota over het in goede banen leiden van de mondialisering vermeldt als een van de belangrijkste factoren die tot industriële omwentelingen zullen leiden;

H.  overwegende dat de Commissie 3D-printen heeft aangemerkt als prioritair actiegebied met een aanzienlijk economisch potentieel, met name voor kleine innovatieve ondernemingen; overwegende dat veel landen het transformerend potentieel van 3D-printen al hebben erkend en, zij het op ongelijke wijze, verschillende strategieën hebben vastgesteld om een economisch en technologisch ecosysteem te creëren ter bevordering van de ontwikkeling ervan;

I.  overwegende dat het gebruik van 3D-printen momenteel nog grotendeels is beperkt tot de vervaardiging van prototypes; overwegende dat sommige sectoren al diverse jaren gebruikmaken van onderdelen voor eindgebruik en dat de markt voor onderdelen voor eindgebruik relatief snel blijft groeien; overwegende dat steeds meer producten die met behulp van 3D-printen worden vervaardigd klaar zijn voor gebruik of om op de markt te worden gebracht, en dus niet meer louter prototypes zijn;

J.  overwegende dat de potentiële voordelen van 3D-printen voor innovatieve ondernemingen talrijk zijn; overwegende dat 3D-printen met name een beperking van de totale kosten mogelijk maakt bij het ontwikkelen, ontwerpen en testen van nieuwe producten en het verbeteren van bestaande producten;

K.  overwegende dat het gebruik van 3D-printen in de samenleving steeds wijder verbreid raakt, met name op het gebied van onderwijs, op burger- en start-upfora, zoals "makerspaces", en in de privésfeer;

L.  overwegende dat 3D-printen steeds eenvoudiger en toegankelijker wordt voor iedereen; overwegende dat de beperkingen met betrekking tot de te gebruiken materialen, de snelheid en het verbruik van grondstoffen en energie naar verwachting in korte tijd aanzienlijk zullen afnemen;

M.  overwegende dat de meeste moderne hightechindustrieën gebruikmaken van deze technologie, dat de mogelijkheden om 3D-printen te gebruiken op veel gebieden sterk zijn toegenomen en dat de verwachtingen op veel gebieden hooggespannen zijn, bijvoorbeeld in de sectoren geneeskunde (variërend van regeneratieve geneeskunde tot de productie van prothesen), lucht- en ruimtevaart, huishoudelijke elektrische apparaten, archeologisch onderzoek, architectuur, werktuigbouwkunde, recreatie en design en in de automobiel- en bouwsector;

N.  overwegende dat het gebrek aan regelgeving ertoe heeft geleid dat het gebruik van 3D-printen in belangrijke industriële sectoren, zoals de sectoren lucht- en ruimtevaart en genees-/tandheelkunde, beperkt is en dat regelgeving voor het gebruik van 3D-printers zal bijdragen tot een toename van het gebruik van technologieën en mogelijkheden zal bieden voor onderzoek en ontwikkeling;

O.  overwegende dat in bovengenoemd advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité wordt opgemerkt dat Europa met de digitale revolutie als een katalysator en "met behulp van de juiste geavanceerde productietechnologie [...] productie [zou] kunnen terughalen uit gebieden met lagere lonen om hier innovatie te bevorderen en duurzame groei te creëren";

P.  overwegende dat 3D-printen kan bijdragen tot lagere vervoerskosten en een lagere CO2-uitstoot;

Q.  overwegende dat de 3D-printtechnologie naar verwachting meer nieuwe banen zal creëren voor geschoolde arbeidskrachten die in sommige gevallen fysiek minder belastend en minder gevaarlijk zijn (onderhoudstechnici, ingenieurs, ontwerpers enz.), dat met het creëren van nieuwe functies voor technici (bijv. bedieners van 3D-printers) nieuwe verplichtingen zullen ontstaan en dat de 3D-printindustrie in passende opleidingscursussen zal moeten voorzien om ervoor te zorgen dat de technici hetzelfde niveau hebben als hun tegenhangers in de traditionele productie; overwegende dat de 3D-printtechnologie ook zal zorgen voor lagere productie- en opslagkosten (onder meer dankzij de productie van kleinere hoeveelheden en gepersonaliseerde productie); overwegende dat de afname van het aantal fabrieksbanen echter grote gevolgen zal hebben voor de economie van landen die afhankelijk zijn van een groot aantal banen voor laaggeschoolden;

R.  overwegende dat de economische impact van de ontwikkeling van de 3D-industrie in de lidstaten nog niet nauwkeurig kan worden vastgesteld;

S.  overwegende dat 3D-printers consumenten in staat zouden kunnen stellen tegenstand te bieden aan de geprogrammeerde veroudering van huishoudelijke apparaten, waarvan de levensduur steeds korter wordt, aangezien consumenten hiermee zelf vervangende onderdelen kunnen maken;

T.  overwegende dat de 3D-printtechnologie specifieke juridische en ethische bezwaren kan opleveren met betrekking tot alle gebieden van het intellectuele-eigendomsrecht, zoals auteursrecht, octrooien, ontwerpen, driedimensionale merken en zelfs geografische aanduidingen, en wettelijke aansprakelijkheid, en dat deze bezwaren bovendien onder de bevoegdheid van de Commissie juridische zaken van het Parlement vallen;

U.  overwegende dat nieuwe technologieën voorwerpen of personen kunnen scannen en digitale bestanden kunnen genereren die vervolgens in 3D kunnen worden geprint, en dat dit van invloed kan zijn op het beeldrecht en het recht op privacy;

V.  overwegende dat de 3D-printtechnologie ook aanleiding kan geven tot bezorgdheid omtrent veiligheid en in het bijzonder cyberveiligheid, met name voor wat de vervaardiging van wapens, explosieven en drugs en andere schadelijke voorwerpen betreft, en dat er bijzondere waakzaamheid vereist is ten aanzien van dit soort productie;

W.  overwegende dat er in verband met auteursrechten bepaalde onderscheiden moeten worden gemaakt: er is bijvoorbeeld een verschil tussen het thuis printen voor privédoeleinden en het printen voor commerciële doeleinden, alsook tussen het printen door bedrijven voor bedrijven en het printen door bedrijven voor consumenten;

X.  overwegende dat de Franse Conseil Supérieur de la propriété littéraire et artistique in een rapport over 3D-printen en auteursrechten van mening was dat de democratisering van 3D-printen tot nog toe geen grootschalig probleem lijkt te veroorzaken met betrekking tot de schending van het auteursrecht; overwegende dat het risico op vervalsing volgens deze raad vooral bestaat bij kunstwerken in kunststof;

Y.  overwegende dat de weinige voorbeelden die we ons nu kunnen voorstellen waarschijnlijk complexer worden naarmate de technologie evolueert; overwegende dat zij de vraag opwerpen wat er gedaan moet worden om het hoofd te bieden aan mogelijke namaak met behulp van 3D-printtechnologieën;

Z.  overwegende dat 3D-printen als gevolg van de processen die hierbij te pas komen tot een soort "versnippering van de scheppingsdaad" leidt, om het met de woorden van de sector te zeggen, in die zin dat een kunstwerk al in digitale vorm een leven kan leiden alvorens een fysieke vorm aan te nemen, waardoor het namaken van het kunstwerk eenvoudiger en de strijd tegen namaak moeilijker wordt;

AA.  overwegende dat juridische deskundigen van mening zijn dat – aangezien 3D-printen geen fundamentele omwenteling op het vlak van intellectuele-eigendomsrechten heeft teweeggebracht – het gecreëerde digitale bestand als een kunstwerk kan worden beschouwd, en in dat geval als zodanig moet worden beschermd; overwegende dat de belangrijkste uitdaging op korte en middellange termijn erin bestaat professionele tussenpersonen nauwer bij de bescherming van het auteursrecht te betrekken;

AB.  overwegende dat er, als de ontwikkeling van 3D-printen industriële productie mogelijk maakt, moet worden overwogen of er collectief-verhaalsmechanismen moeten worden ingesteld om consumenten een schadevergoeding te kunnen bieden;

AC.  overwegende dat het effect van 3D-printen op de rechten van consumenten en op het consumentenrecht in het algemeen zorgvuldig moet worden onderzocht in het licht van de richtlijn betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud, waarover momenteel wordt onderhandeld;

AD.  overwegende dat Richtlijn 85/374/EEG inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken van toepassing is op alle overeenkomsten; overwegende dat moet worden opgemerkt dat het onder meer de vooruitgang op het gebied van 3D-printen is die de Commissie ertoe heeft gebracht een openbare raadpleging te houden om te beoordelen of deze richtlijn bruikbaar is met het oog op de nieuwe technologische ontwikkelingen;

AE.  overwegende dat algemene aansprakelijkheidsregels ook van toepassing zijn op de aansprakelijkheid van dienstverleners die als tussenpersoon optreden in de zin van de artikelen 12 tot en met 14 van de richtlijn inzake elektronische handel; overwegende dat niettemin moet worden overwogen een specifiek stelsel van aansprakelijkheid in te voeren voor schade veroorzaakt door een met 3D-printtechnologie vervaardigd voorwerp, aangezien het voor slachtoffers van zulke schade vanwege het grote aantal betrokkenen en het complexe proces dat is gevolgd om het eindproduct te creëren vaak moeilijk is de aansprakelijke persoon te identificeren; overwegende dat de aansprakelijkheid kan liggen bij de maker of verkoper van het 3D-bestand, de producent van de 3D-printer, de producent van de software waarmee de 3D-printer functioneert, de leverancier van het gebruikte materiaal of zelfs de persoon die het voorwerp effectief creëert, afhankelijk van de oorsprong van het defect;

AF.  overwegende dat de regels inzake aansprakelijkheid voor wat het specifieke gebruik van 3D-printen in een commercieel kader betreft, normaal gezien worden bepaald door de contractuele betrekkingen tussen de betrokken partijen;

AG.  overwegende dat alle elementen van de additive-manufacturingtechnologie aan bepaalde criteria moeten voldoen en gecertificeerd moeten zijn om te garanderen dat het mogelijk is kwalitatief hoogwaardige reproduceerbare onderdelen te vervaardigen; overwegende dat certificering complex is vanwege de vele transformaties van machines, materialen en processen en het ontbreken van een gegevensbank; overwegende dat het daarom nodig zal zijn regels op te stellen die een snellere en kosteneffectievere certificering van alle materialen, processen en producten mogelijk maken;

AH.  overwegende dat 3D-printen een rol kan spelen bij het beperken van het verbruik van energie en natuurlijke hulpbronnen met het oog op de bestrijding van de klimaatverandering; overwegende dat het gebruik van 3D-printen verspilling in het productieproces tot een minimum zou beperken en de levensduur van consumentenproducten zou verlengen, aangezien het de productie van vervangende onderdelen op consumentenniveau mogelijk zou maken;

1.  benadrukt dat de EU, om te anticiperen op problemen in verband met wettelijke aansprakelijkheid of inbreuken op intellectueel eigendom die 3D-printen in de toekomst kan veroorzaken, wellicht nieuwe wetgeving moet aannemen en de bestaande wetgeving moet afstemmen op het specifieke geval van 3D-technologie, rekening houdend met de besluiten van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en de relevante jurisprudentie van de rechtbanken van de EU en de lidstaten en na een grondige effectbeoordeling van alle beleidsopties; onderstreept dat bij deze wetgevende actie in elk geval dubbele wetgeving moet worden vermeden en rekening moet worden gehouden met reeds lopende projecten, met name de wetgeving inzake auteursrecht die momenteel van toepassing is op 2D-printen; voegt hieraan toe dat het noodzakelijk is innovatie te bevorderen en te begeleiden met wetgeving, evenwel zonder dat de wetgeving een rem of verplichting vormt;

2.  wijst erop dat er bijgevolg waakzaamheid geboden is ten aanzien van bepaalde onderwerpen, zoals de versleuteling en bescherming van bestanden teneinde het downloaden en illegaal reproduceren van deze bestanden of beschermde voorwerpen alsook het reproduceren van illegale voorwerpen te verhinderen;

3.  is van mening dat in de 3D-printsector voorzichtigheid duidelijk geboden is, met name ten aanzien van de kwaliteit van de geprinte producten en de risico's die zij kunnen inhouden voor gebruikers of consumenten, en dat moet worden overwogen identificatie- en traceerbaarheidsinstrumenten op te nemen om de traceerbaarheid van producten te waarborgen en het toezicht op het verdere gebruik ervan voor commerciële en niet-commerciële doeleinden te vergemakkelijken; is van oordeel dat nauwe samenwerking tussen rechthebbenden en 3D-fabrikanten bij de ontwikkeling van dergelijke instrumenten positief zou zijn; is tevens van mening dat dit de traceerbaarheid van de gecreëerde voorwerpen ten goede zou komen en namaak zou tegengaan;

4.  merkt op dat het toezicht op de legale reproductie van 3D-voorwerpen die beschermd zijn op grond van het auteursrecht, indien nodig kan worden vereenvoudigd aan de hand van juridische oplossingen, zoals het systematisch aanbrengen van een pedagogische oproep tot respect voor intellectuele eigendom bij de aanbieders van digitalisering en 3D-printen; benadrukt in dit verband het belang van elementen die het mogelijk maken 3D-voorwerpen te traceren; benadrukt dat als een 3D-kopie een privé-kopie is, de nationale wetgeving inzake vrijstellingen voor privé-kopieën van toepassing is, ook wat compensatie of inkomsten betreft;

5.  wijst erop dat het publiek bewust moet worden gemaakt van de noodzaak om intellectuele-eigendomsrechten op het gebied van 3D-printen te beschermen, ook in verband met inbreuken op ontwerp-, merk- en octrooirechten;

6.  benadrukt evenwel dat technische oplossingen, die momenteel onvoldoende zijn ontwikkeld, verder kunnen worden onderzocht, bijvoorbeeld de oprichting van databanken van versleutelde en beschermde bestanden, de ontwikkeling van geconnecteerde printers die zijn uitgerust met een systeem voor het beheer van intellectuele-eigendoms­rechten en de bevordering van samenwerking tussen fabrikanten en platforms om betrouwbare bestanden beschikbaar te stellen aan professionals en consumenten; benadrukt voorts dat, ongeacht welke van deze maatregelen worden vastgesteld, de tenuitvoerlegging ervan geen gevolgen mag hebben voor de kosten van de activiteiten die al door marktdeelnemers worden uitgevoerd;

7.  wijst erop dat geen van deze ideeën tot nog toe op zichzelf werkelijk toereikend is;

8.  betreurt dat de Commissie Richtlijn 2004/48/EG niet heeft herzien maar alleen niet-bindende richtsnoeren heeft gepresenteerd, zonder opheldering te verschaffen over specifieke kwesties in verband met de 3D-printtechnologie; is niettemin ingenomen met de maatregelen die de Commissie op 29 november 2017 heeft aangekondigd om de bescherming van intellectuele eigendom te versterken;

9.  merkt op dat de intellectuele-eigendomsrechten met betrekking tot de verschillende elementen van de 3D-printtechnologie zijn vastgesteld, en dat daarom nu de vraag rijst hoe deze rechten moeten worden gehandhaafd;

10.  verzoekt de Commissie om bij de uitvoering van de in haar mededeling (COM(2017)0707) genoemde maatregelen op globale wijze rekening te houden met alle aspecten van de 3D-printtechnologie, zonder bestaande toepasselijke maatregelen te dupliceren; benadrukt dat het belangrijk is alle belanghebbenden bij deze inspanningen te betrekken, met inbegrip van kmo's en consumenten;

11.  vraagt de Commissie zich met aandacht te buigen over de kwesties inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid die verband houden met de 3D-printtechnologie, in het bijzonder bij de beoordeling van de werking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad;

12.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te bestuderen om een regeling uit te werken betreffende de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor schade die niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad valt;

13.  wijst erop dat de 3D-printtechnologie de EU vele economische voordelen biedt, omdat ze mogelijkheden biedt voor personalisatie en zo in het bijzonder tegemoetkomt aan de behoeften van Europese consumenten, en het mogelijk kan maken productieactiviteiten terug te halen en dus nieuwe banen kan opleveren die fysiek minder belastend en minder gevaarlijk zijn;

14.  verzoekt de Commissie de verschillende verantwoordelijkheden duidelijk af te bakenen door de partijen te identificeren die betrokken zijn bij het maken van een 3D-voorwerp: de software-ontwerper, de softwareleverancier, de fabrikant van de 3D-printer, de grondstoffenleverancier, degene die het voorwerp print en alle anderen die betrokken zijn bij het maken van het voorwerp;

15.  vestigt de aandacht op de mogelijke implicaties van nieuwe "maak-het-zelf"-marketingmethoden, waarbij niet het eindproduct wordt geleverd maar alleen de te downloaden software en de instructies voor het printen van het product;

16.  benadrukt dat er een samenhangend rechtskader tot stand moet worden gebracht om consumenten en bedrijven een soepele overgang en rechtszekerheid te bieden, teneinde innovatie in de EU te bevorderen;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45.
(2) PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29.
(3) PB C 332 van 8.10.2015, blz. 36.

Laatst bijgewerkt op: 7 november 2019Juridische mededeling - Privacybeleid