Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 13 maart 2018 - Straatsburg
Uitvoering van het Protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal ***
 Overeenkomst EU-Nieuw-Zeeland betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken ***
 Een Europese Strategie voor coöperatieve slimme vervoerssystemen
 Grensoverschrijdende pakketbezorgdiensten ***I
 Vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde wegvoertuigen en rijbewijzen ***I
 Gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU
 Achterstandsregio's in de EU
 De rol van de regio's en steden van de EU in de tenuitvoerlegging van de COP21-overeenkomst van Parijs over de klimaatverandering

Uitvoering van het Protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal ***
PDF 244kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad tot wijziging van Beschikking 2003/76/EG tot vaststelling van de bepalingen die nodig zijn voor de uitvoering van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal (14532/2017 – C8-0444/2017 – 2017/0213(APP))
P8_TA(2018)0061A8-0034/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (14532/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de eerste alinea van artikel 2 van Protocol nr. 37 betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0444/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie begrotingscontrole (A8-0034/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van besluit van de Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


Overeenkomst EU-Nieuw-Zeeland betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken ***
PDF 240kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad tot sluiting, namens de Europese Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken (07712/2016 – C8-0237/2017 – 2016/0006(NLE))
P8_TA(2018)0062A8-0029/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07712/2016),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken (07682/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0237/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A8-0029/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Nieuw-Zeeland.


Een Europese Strategie voor coöperatieve slimme vervoerssystemen
PDF 199kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2018 over een Europese strategie voor coöperatieve slimme vervoerssystemen (2017/2067(INI))
P8_TA(2018)0063A8-0036/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 november 2016 getiteld "Een Europese strategie betreffende ITS, op weg naar de introductie van coöperatieve, communicerende en geautomatiseerde voertuigen" (COM(2016)0766),

–  gezien Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende het kader voor het invoeren van intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer en voor interfaces met andere vervoerswijzen(1), en de verlenging van het mandaat om gedelegeerde handelingen vast te stellen,

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio's van 11 oktober 2017 over coöperatieve slimme vervoerssystemen (CDR 2552/2017),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017 over de "Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Een Europese strategie betreffende ITS, op weg naar de introductie van coöperatieve, communicerende en geautomatiseerde voertuigen"(2),

–  gezien de verslagen van het platform voor de invoering van coöperatieve, communicerende en geautomatiseerde vervoerssystemen (C-ITS), met name over het certificerings- en beveiligingsbeleid inzake C-ITS,

–  gezien zijn resolutie van 14 november 2017 betreffende "Mensenlevens redden: Verbeteren van de veiligheid van voertuigen in de EU"(3),

–  gezien de Verklaring van Amsterdam van 14 april 2016 over samenwerking op het gebied van geconnecteerd en geautomatiseerd rijden,

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2017 getiteld "Internettoegang voor groei, concurrentievermogen en cohesie: Europese gigabitmaatschappij en 5G"(4),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0036/2018),

A.  overwegende dat de Europese strategie voor coöperatieve slimme vervoerssystemen (de strategie) naadloos aansluit bij de beleidsprioriteiten van de Commissie en met name de agenda voor banen, groei en investeringen, het creëren van een interne Europese vervoersruimte, de digitale interne markt, klimaatbescherming en de strategie voor de energie-unie;

B.  overwegende dat de autoriteiten in de lidstaten en de industriële sector tegemoet moeten komen aan de prangende behoefte om het vervoer veiliger, schoner, efficiënter, duurzamer, multimodaler en toegankelijker te maken voor alle weggebruikers, met inbegrip van de meest kwetsbare weggebruikers en personen met beperkte mobiliteit;

C.  overwegende dat de verbetering van de verkeersveiligheid waarvan we het afgelopen decennium in de EU getuige konden zijn, vertraagd is en dat 92 % van de verkeersongevallen toe te schrijven is aan menselijk falen, en overwegende dat het gebruik van C-ITS-technologieën van belang is voor het efficiënt functioneren van bepaalde ondersteuningssystemen voor de bestuurder; overwegende dat het wegvervoer verantwoordelijk blijft voor het merendeel van het ruimtegebruik in steden, van de ongevallen en van de vervoersemissies wat betreft geluid, broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen;

D.  overwegende dat weggebruikers en verkeersbeheerders dankzij C-ITS in staat zullen zijn informatie te gebruiken en delen en hun acties doeltreffender te coördineren;

E.  overwegende dat de cyberveiligheid van C-ITS een centraal onderdeel bij de uitvoering vormt, dat versnipperde beveiligingsoplossingen de interoperabiliteit en de veiligheid van de eindgebruiker in gevaar kunnen brengen en dat er daarom duidelijk behoefte is aan optreden op EU-niveau;

F.  overwegende dat de transparantie en verantwoordingsplicht bij het gebruik van algoritmen bestaan uit het nemen van technische en operationele maatregelen waarmee de transparantie en de niet-discriminerende aard van geautomatiseerde besluitvorming en van het proces van kansberekening met betrekking tot het gedrag van personen worden gewaarborgd; overwegende dat transparantie inhoudt dat aan personen bruikbare informatie over de onderliggende logica en het belang en de gevolgen van het proces wordt verstrekt; overwegende dat deze informatie onder meer gegevens moet omvatten die worden gebruikt voor opleiding op het gebied van analyse, en personen in staat moet stellen de besluiten die hen aangaan te begrijpen en te volgen;

G.  overwegende dat de EU digitale technologieën moet stimuleren en verder moet ontwikkelen, niet alleen om menselijke fouten en andere tekortkomingen te beperken maar ook om de kosten te drukken en het gebruik van de infrastructuur te optimaliseren door het verkeer te ontlasten en zodoende de CO2-uitstoot te verminderen;

H.  overwegende dat dit coöperatieve aspect de verkeersveiligheid, de verkeersefficiëntie, de duurzaamheid en de multimodaliteit dankzij digitale en mobiele connectiviteit sterk ten goede zal komen; overwegende dat dit tegelijkertijd een enorm economisch potentieel zal genereren en het aantal verkeersongevallen en het energieverbruik zal terugdringen; overwegende dat C-ITS van fundamenteel belang zijn voor de ontwikkeling van autonome voertuigen en rijsystemen;

I.  overwegende dat geconnecteerd en geautomatiseerd rijden een belangrijke digitale ontwikkeling vormt in de sector en dat de afstemming ervan op alle nieuwe technologieën die in de sector worden gebruikt, zoals de Europese mondiale satellietnavigatiesystemen Galileo en Egnos, inmiddels een hoog niveau van technologische capaciteit heeft bereikt;

J.  overwegende dat de EU verplicht is het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te eerbiedigen, met name de artikelen 7 en 8 over eerbiediging van het privéleven en bescherming van persoonsgegevens;

K.  overwegende dat verscheidene landen wereldwijd (zoals de VS, Australië, Japan, Korea en China) gestaag verder werken aan de invoering van nieuwe digitale technologieën en dat C-ITS-voertuigen en -diensten nu al op de markt verkrijgbaar zijn;

Algemeen kader

1.  is verheugd over de mededeling van de Commissie over een Europese strategie betreffende coöperatieve slimme vervoerssystemen en over de nauwe samenwerking met deskundigen uit zowel de publieke als private sector, die de basis vormde voor de mededeling; schaart zich achter de resultaten en dringt daarom aan op de snelle invoering van interoperabele C-ITS-diensten in heel Europa;

2.  benadrukt de behoefte aan een duidelijk rechtskader ter ondersteuning van de invoering van C-ITS, en is ingenomen met een toekomstige gedelegeerde handeling op grond van de ITS-richtlijn (Richtlijn 2010/40/EU) om de continuïteit van diensten te waarborgen, interoperabiliteit te bieden en achterwaartse compatibiliteit te ondersteunen;

3.  wijst op het potentieel van C-ITS om de brandstofefficiëntie te verbeteren, de kosten van afzonderlijk transport te verlagen en de negatieve gevolgen van het verkeer voor het milieu te verminderen;

4.  benadrukt het potentieel van digitale technologieën en daaraan gerelateerde bedrijfsmodellen in het wegvervoer, en ziet de strategie als een belangrijke stap op weg naar de ontwikkeling van C-ITS en uiteindelijk volledig communicerende en geautomatiseerde voertuigen; stelt vast dat coöperatieve, communicerende en geautomatiseerde voertuigen de concurrentiepositie van het Europese bedrijfsleven kunnen versterken, het vervoer meer gestroomlijnd en veiliger kunnen laten verlopen, de congestie, het energieverbruik en de emissies kunnen terugdringen, en de interconnectiviteit tussen verschillende vervoerswijzen kunnen verbeteren; is dan ook van mening dat er eisen aan de infrastructuur moeten worden gesteld zodat deze systemen op een veilige en doeltreffende manier kunnen functioneren;

5.  merkt op dat het bedrijfsleven in de EU moet profiteren van zijn voorsprong op de rest van de wereld wat betreft de ontwikkeling en toepassing van C-ITS-technologieën; onderstreept dat er dringend behoefte is aan een ambitieuze EU-strategie waarmee de nationale en regionale inspanningen worden gebundeld, versnippering wordt voorkomen, de invoering van C-ITS-technologieën met bewezen veiligheidsvoordelen wordt versneld, en de samenwerking tussen verschillende sectoren, zoals vervoer, energie en telecommunicatie wordt geoptimaliseerd; dringt er bij de Commissie op aan een concreet tijdschema voor te leggen met duidelijke streefdoelen die de EU tussen 2019 en 2029 moet halen, prioriteit te verlenen aan de invoering van de C-ITS-diensten, uiterlijk in 2019, met het hoogst mogelijke veiligheidsniveau zoals is vastgelegd in de lijst van diensten die het C-ITS-platform heeft voorbereid in het verslag over de tweede fase, en te waarborgen dat deze diensten beschikbaar zijn voor alle nieuwe voertuigen in Europa;

6.  benadrukt de behoefte aan een coherent kader met sociale, milieu- en veiligheidsvoorschriften om de rechten van werknemers en consumenten te handhaven en eerlijke concurrentie in de sector te waarborgen;

7.  is ingenomen met de resultaten van de tweede fase van het C-ITS-platform en onderstreept het belang van deze resultaten(5);

8.  onderstreept dat de mededeling weliswaar een belangrijke stap is op weg naar een EU‑strategie voor coöperatieve, communicerende en geautomatiseerde voertuigen, maar dat er geen verwarring mag bestaan tussen C-ITS en deze verschillende concepten;

9.  dringt erop aan te waarborgen dat de ontwikkeling en de invoering van communicerende en geautomatiseerde voertuigen en C-ITS volledig voldoen aan de doelstellingen om het vervoerssysteem koolstofvrij te maken en het aantal verkeersdoden tot nul te herleiden, en die doelstellingen ook ondersteunen;

10.  wijst erop dat C-ITS systemen zijn met behulp waarvan verschillende ITS-stations (voertuigen, apparatuur langs de weg, verkeerscentrales en nomadische apparaten) met elkaar kunnen communiceren en informatie kunnen delen met gebruikmaking van gestandaardiseerde communicatiearchitectuur en dat de interoperabiliteit van de afzonderlijke systemen dan ook cruciaal is;

11.  wijst erop dat communicerende voertuigen gebruikmaken van C-ITS-technologieën met behulp waarvan wegvoertuigen kunnen communiceren met andere voertuigen, verkeerslichten, permanente infrastructuur langs de weg en horizontale infrastructuur – die moeten worden verbeterd en aangepast, maar die ook innovatieve oplaadsystemen onderweg kunnen bieden en veilig kunnen communiceren met voertuigen – en met andere weggebruikers; wijst erop dat 92 % van de verkeersongevallen toe te schrijven is aan menselijk falen en dat het gebruik van C-ITS-technologieën van belang is voor het efficiënt functioneren van bepaalde ondersteuningssystemen voor de bestuurder;

12.  wijst erop dat geautomatiseerde voertuigen onafhankelijk kunnen functioneren en manoeuvreren in echte verkeerssituaties, waarbij een of meer van de belangrijkste bedieningsinrichtingen voor de bestuurder (stuur, versnellingen, rem) voor een langere periode geautomatiseerd zijn;

13.  benadrukt dat er beveiligingssystemen moeten worden ingebouwd tijdens de overgangsfase van conventionele niet-communicerende voertuigen naar communicerende en geautomatiseerde voertuigen, om de verkeersveiligheid niet in gevaar te brengen; wijst erop dat bepaalde ondersteuningssystemen voor de bestuurder verder moeten worden ontwikkeld en verplicht moeten worden ingebouwd;

14.  verzoekt de Commissie na te denken over de aanpak van het naast elkaar bestaan van coöperatieve, communicerende en geautomatiseerde voertuigen met niet-communicerende voertuigen en bestuurders, aangezien de ouderdom van het voertuigenpark en het resterende deel van de mensen zonder enige mate van connectiviteit betekent dat er oplossingen moeten komen voor het blijvend grote aantal voertuigen dat geen deel uitmaakt van het systeem;

15.  betreurt het gebrek aan een duidelijk tijdschema voor aanbevolen diensten in de tweede fase en daarna, evenals het gebrek aan een uitvoerige effectbeoordeling en precieze informatie over de initiatieven voor de ontwikkeling van C-ITS-diensten en mogelijke uitbreiding van de dienstverlening;

16.  verzoekt de Commissie voorrang te geven aan de C-ITS-diensten met het hoogst mogelijke veiligheidsniveau, de nodige definities en vereisten op te stellen en zonder verder uitstel de Europese beginselverklaring inzake mens/machine-interface voor informatie- en communicatiesystemen aan boord van voertuigen bij te werken, aangezien de interactie tussen de menselijke bestuurder en de machine van belang is(6);

17.  herhaalt dat communicerende en geautomatiseerde voertuigen, C-ITS en nieuwe technologieën een belangrijke rol spelen bij het halen van de klimaatdoelen, en acht het daarom noodzakelijk dat de ontwikkeling en invoering van deze voertuigen volledig stroken met en bijdragen tot de doelstelling inzake het koolstofvrij maken van het vervoerssysteem; is ingenomen met het gebruik van C-ITS als middel om het verkeer efficiënter te maken, het brandstofverbruik te verminderen, de impact van het wegvervoer op het milieu (bijv. CO2-emissies) te verkleinen en het gebruik van stedelijke infrastructuur te optimaliseren;

18.  benadrukt het potentieel van innovatieve technologieën zoals geautomatiseerd rijden en "platooning" (het groeperen van verscheidene voertuigen) in het vrachtvervoer over de weg, waardoor beter gebruik wordt gemaakt van de slipstream en bijgevolg het brandstofverbruik en de emissies worden teruggedrongen; pleit voor meer ondersteuning voor onderzoek en ontwikkeling op dat gebied, met name voor de benodigde digitale infrastructuur;

19.  onderstreept dat er meer keuzes, meer gebruiksvriendelijke, betaalbare en op maat gemaakte producten, en meer informatie moet worden verstrekt aan weggebruikers; spoort de Commissie in dit verband aan de uitwisseling van optimale werkwijzen mogelijk te maken die onder andere gericht zijn op economische efficiëntie; dringt er bij alle lidstaten op aan zich aan te sluiten bij het platform C-Roads aangezien dit een belangrijke coördinerende rol moet gaan spelen bij de tenuitvoerlegging van de strategie, mits technologieneutraliteit in acht wordt genomen die nodig is om innovaties te stimuleren; onderstreept dat erop moet worden toegezien dat geavanceerde digitale hulpmiddelen breed en op gecoördineerde wijze worden ingezet in lidstaten, zo ook in het openbaar vervoer; nodigt autofabrikanten uit te beginnen met het inzetten van C-ITS om de strategie uit te voeren;

20.  dringt er bij de Commissie op aan statistieken te ontwikkelen in aanvulling op de bestaande statistieken, met als doel de vooruitgang op het gebied van digitalisering op de diverse terreinen van de wegvervoersector beter te kunnen beoordelen; benadrukt het belang van verdere investeringen in onderzoek naar sensorsystemen, en benadrukt dat bij de ontwikkeling van C-ITS bijzondere aandacht moet worden uitgaan naar rijden in de stad, hetgeen erg verschilt van rijden buiten de stad; merkt op dat rijden in de stad met name inhoudt dat er meer interactie is met motorrijders, fietsers, voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers, zoals mensen met een beperking;

21.  dringt er bij de lidstaten op aan alles in het werk te stellen om de beroepsopleidingen en het hoger onderwijs af te stemmen op de kenniseisen van de sector die de ITS-strategie moet gaan ontwikkelen; pleit voor toekomstgerichte analyses van de nieuwe carrières en banen die verband houden met deze nieuwe aanpak van mobiliteit, en voor de uitwisseling van optimale werkmethoden bij de ontwikkeling van modellen voor samenwerking tussen ondernemingen en het onderwijs, met het oog op het genereren van integratiezones voor opleiding, innovatie en productie;

22.  is van mening dat C-ITS-diensten moeten worden geïntegreerd in de ruimtestrategie voor Europa omdat de invoering van C-ITS moet worden gebaseerd op geolocatietechnieken, zoals plaatsbepaling met behulp van satellieten;

23.  wijst erop dat de lidstaten rekening moeten houden met de invoering van C-ITS-diensten binnen een bredere dimensie van mobiliteit als dienst (MaaS), en de integratie met andere vervoerswijzen, met name om ongewenste neveneffecten te vermijden, zoals een vergroting van het aandeel van het wegvervoer;

Privacy- en gegevensbescherming

24.  wijst op het belang van de toepassing van de EU-wetgeving betreffende de privacy- en gegevensbescherming met betrekking tot gegevens uit C-ITS en communicerende ecosystemen, als gevolg waarvan deze gegevens bij wijze van prioriteit uitsluitend mogen worden gebruikt voor C-ITS-doeleinden en niet mogen worden bewaard of gebruikt om andere redenen; benadrukt dat slimme voertuigen volledig moeten voldoen aan de algemene verordening gegevensbescherming (GDPR) en aanverwante regels, en dat aanbieders van C-ITS-diensten bestuurders gemakkelijk toegankelijke informatie en duidelijke voorwaarden moeten aanbieden, op grond waarvan zij vrijwillige en weloverwogen toestemming kunnen geven, in overeenstemming met de bepalingen en beperkingen die zijn vastgelegd in de GDPR;

25.  benadrukt dat er aanzienlijk meer transparantie en verantwoordingsplicht bij het gebruik van algoritmen moet worden betracht ten aanzien van de verwerking en analyse van gegevens door bedrijven; herinnert eraan dat de GDPR al voorziet in het recht te worden geïnformeerd over welke logica aan de gegevensverwerking ten grondslag ligt; onderstreept daarnaast dat het noodzakelijk is zogenaamde "driving walls" te vermijden, aangezien dat zou betekenen dat gebruikers hun eigen slimme auto niet kunnen gebruiken zonder toestemming te geven; pleit voor het toevoegen van een offlinemodus aan slimme auto's, waarmee gebruikers de overdracht van persoonsgegevens naar andere apparaten kunnen uitschakelen en toch gebruik kunnen blijven maken van hun voertuig;

26.  wijst erop dat er tijdens de gegevensverwerking aandacht moet zijn voor de bescherming en de vertrouwelijkheid van de gegevens; benadrukt dat de "bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van gegevens door ontwerp en door standaardinstellingen" het uitgangspunt moet vormen bij het ontwerpen van ITS-toepassingen en -systemen; herinnert eraan dat anonimiseringstechieken kunnen bijdragen aan een groter vertrouwen onder gebruikers in de diensten die zij gebruiken;

Cyberbeveiliging

27.  wijst erop dat er hoge beveiligingsnormen voor cyberbeveiliging moeten worden gehanteerd om hacking en cyberaanvallen in alle lidstaten te voorkomen, vooral omdat de beveiliging van C-ITS-communicatie-uitingen cruciaal is; merkt op dat cyberbeveiliging een essentiële uitdaging is waaraan vanwege de toenemende digitalisering en connectiviteit van het vervoer het hoofd moet worden geboden; hamert erop dat geautomatiseerde en communicerende voertuigen en de databanken waarin de gegevens verwerkt en/of opgeslagen worden kwetsbaar zijn voor een cyberaanval, en dat om die reden alle zwakke punten en risico's die kunnen worden vastgesteld of die in dit stadium van de ontwikkeling denkbaar zijn moeten worden uitgesloten, en wel door een gemeenschappelijk beveiligingsbeleid, met inbegrip van strikte beveiligingsnormen, en een certificeringsbeleid op te zetten voor de invoering van C-ITS;

28.  onderstreept dat er in de EU, in alle lidstaten en in alle mogelijke samenwerkingsverbanden met derde landen even hoge en geharmoniseerde beveiligingsnormen moeten worden gehanteerd; wijst erop dat deze normen de toegang van derde reparateurs tot de boordsystemen echter niet mogen belemmeren, opdat voertuigeigenaren niet afhankelijk hoeven te zijn van autofabrikanten voor de nodige controles en/of reparaties van de software aan boord;

Communicatietechnologie en frequenties

29.  is van mening dat een technologieneutrale, hybride communicatiebenadering, waarmee interoperabiliteit en achterwaartse compatibiliteit gewaarborgd worden en waarbij elkaar aanvullende communicatietechnologieën worden gebruikt, de juiste aanpak is en dat een combinatie van draadloze communicatie op korte afstand en cellulaire en satelliettechnologieën op dit moment de beste perspectieven biedt als hybride communicatiepakket, waarmee optimale steun wordt geboden voor de invoering van de C-ITS-basisdiensten;

30.  merkt op dat er een verband wordt gelegd tussen communicerende voertuigen en de Europese satellietnavigatiesystemen Egnos en Galileo; stelt dan ook voor om strategieën die gericht zijn op communicerende voertuigen op te nemen in ruimtevaarttechnologieën; is van mening dat interoperabiliteit essentieel is voor de veiligheid en de keuzevrijheid van de consument, en onderstreept dat de capaciteit van voertuigen om te communiceren met 5G- en satellietnavigatiesystemen in de toekomst moet worden opgenomen in het hybride communicatiepakket, zoals is vermeld in het 5G-actieplan van de Commissie;

31.  spoort autofabrikanten en telecommunicatie-exploitanten die C-ITS-diensten ondersteunen aan om samen te werken voor onder andere de vlotte invoering van C-ITS-diensten op het gebied van communicatietechnologie, wegentol en slimme digitale tachograafdiensten, zonder interferentie tussen deze diensten;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten financiering te blijven verstrekken voor onderzoek en innovatie (Horizon 2020), met name om op de lange termijn de ontwikkeling van adequate infrastructuur voor de invoering van C-ITS mogelijk te maken;

33.  wijst op het belang van sensorsystemen om gegevens te verstrekken, bijvoorbeeld over voertuigdynamica, congestie en luchtkwaliteit; pleit voor meer en goed op elkaar afgestemde investeringen in de lidstaten om volledige interoperabiliteit van de gebruikte sensoren te verzekeren, en wenst dat wordt nagegaan of deze kunnen worden gebruikt voor andere dan veiligheidsdoeleinden, bijvoorbeeld het op afstand meten van emissies;

34.  verzoekt de Commissie met voorstellen te komen om ervoor te zorgen dat informatie over vervuilende emissies die beschikbaar is dankzij sensoren in voertuigen verzameld wordt en ter beschikking wordt gesteld van de bevoegde autoriteiten;

Gemeenschappelijke Europese aanpak

35.  spoort de lidstaten en de plaatselijke autoriteiten, voertuigfabrikanten, wegbeheerders en de ITS-sector aan om C-ITS uiterlijk in 2019 in te voeren, en beveelt de Commissie, de plaatselijke autoriteiten en de lidstaten aan toereikende financiering beschikbaar te stellen uit de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), de Europese structuur- en investeringsfondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen om de toekomstige weginfrastructuur te kunnen verbeteren en te onderhouden door middel van een sectoroverschrijdende thematische aanpak; verzoekt de Commissie en de lidstaten financiering te blijven verstrekken voor onderzoek en innovatie (Horizon 2020), met volledige eerbiediging van het beginsel van transparantie en de verstrekking van regelmatige informatie over cofinanciering van de EU;

36.  spoort de lidstaten en de Commissie aan initiatieven en maatregelen te ondersteunen ter bevordering van meer onderzoek en informatievergaring over de ontwikkeling en de impact van C-ITS op het EU-vervoersbeleid; is van oordeel dat als er in 2022 geen significante vooruitgang is geboekt mogelijkerwijs wetgeving nodig zal zijn om minimumregels vast te stellen en integratie op dit vlak af te dwingen;

37.  benadrukt het belang van de kwaliteit van de fysieke weginfrastructuur, die geleidelijk moet worden aangevuld met digitale infrastructuur; pleit voor de modernisering en het onderhoud van de toekomstige weginfrastructuur;

38.  benadrukt dat er een volwaardig multimodaal vervoerssysteem in het leven moet worden geroepen waarbij alle vervoerswijzen worden gebundeld tot één mobiliteitsdienst met gebruikmaking van realtime-informatie, waarbij rekening wordt gehouden met geïntegreerde ticketverkoop, gedeelde mobiliteitsdiensten en wandelen en fietsen waarmee naadloos vervoer van personen en goederen van deur tot deur mogelijk wordt en de algehele efficiëntie en de duurzaamheid van het vervoer verbetert; verzoekt de Commissie in dit verband de samenwerking en investeringen op EU-niveau in de digitalisering van de vervoersector te waarborgen en te bevorderen via bestaande en nieuwe fondsen, teneinde slimme vervoerssystemen te integreren in de verschillende vervoerswijzen (C-ITS, ERTMS, Sesar, RIS(7)); onderstreept het belang van een geïntegreerde benadering van hulpmiddelen voor informatie, boekingen en tickets om aantrekkelijke mobiliteitsketens van deur tot deur op te zetten;

39.  dringt erop aan dat deze planningsprocedure uitgaat van de visie van gebruikers van reizigers- en goederenvervoer als basisbron van informatie om het toepassingsgebied van de C-ITS-applicatie te verruimen en zakelijke modellen te genereren met betrekking tot dit nieuwe concept van geïntegreerde duurzame mobiliteit;

40.  spoort de EU en de lidstaten aan om het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de op stapel staande richtlijn inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten goed te handhaven zodat alle burgers zonder belemmeringen gebruik kunnen maken van C-ITS;

41.  beveelt de Commissie aan snel een passend rechtskader op te zetten om in de hele EU grensoverschrijdende interoperabiliteit tot stand te brengen alsook een kader voor de regels ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor het gebruik van de verschillende communicerende vervoersvormen; verzoekt de Commissie uiterlijk aan het eind van het jaar een wetgevingsvoorstel te publiceren over de toegang tot gegevens en hulpmiddelen in voertuigen; is van mening dat met dit voorstel de volledige automobielsector en eindgebruikers voordeel moeten kunnen halen uit de mogelijkheden van digitalisering, waarbij gelijke voorwaarden en maximale veiligheid worden gegarandeerd met betrekking tot de opslag van voertuiggegevens en de toegankelijkheid daarvan voor alle derden, die eerlijk, tijdig en onbeperkt moet zijn om de consumentenrechten te beschermen, innovatie te bevorderen en eerlijke, niet-discriminerende concurrentie op deze markt te waarborgen, in overeenstemming met het beginsel van technologische neutraliteit; benadrukt dat er moet worden bijgedragen aan de modernisering van alle stedelijke en plattelandsinfrastructuur die gekoppeld is aan openbaarvervoersdiensten; verzoekt de Commissie te waarborgen dat de GDPR in alle gevallen volledig wordt nageleefd en dat ze jaarlijks verslag uitbrengt aan het Parlement over het toezicht daarop;

42.  verzoekt de Commissie een mondiale aanpak voor technische harmonisatie en standaardisering van gegevens te hanteren, om de compatibiliteit van C-ITS, de schaalvoordelen voor fabrikanten en meer comfort voor consumenten te waarborgen;

43.  onderstreept hoe belangrijk het is om in een vroeg stadium de dialoog aan te gaan met de sociale partners en consumentenbonden en zo een klimaat van transparantie en vertrouwen te scheppen om een goed evenwicht te vinden tussen de positieve en de negatieve gevolgen voor de sociale en arbeidsomstandigheden en voor consumentenrechten; merkt op dat het eSafety-forum een stappenplan voor de invoering van C-ITS moet opstellen, op dezelfde manier als bij het eCall-systeem;

44.  is van mening dat er een algehele omschakeling op een koolstofarme economie nodig is om aan de internationale klimaatverbintenissen te voldoen en de interne doelstellingen van de EU te halen; wijst er dan ook op dat er nieuwe criteria nodig zijn voor de toewijzing van verschillende EU-fondsen ter bevordering van de CO2-reductie en maatregelen ter verhoging van de energie-efficiëntie, ook binnen C-ITS; meent dat er in geen geval EU-financiering mag worden toegewezen aan projecten die in strijd zijn met de doelstellingen en het beleid inzake CO2-reductie;

45.  verzoekt autofabrikanten consumenten te voorzien van toereikende en duidelijke informatie over hun rechten en de voordelen en beperkingen van nieuwe C-ITS-technologieën op het gebied van veiligheid; moedigt voorlichtingscampagnes aan als middel om de huidige bestuurders vertrouwd te maken met nieuwe C-ITS-technologieën, het nodige vertrouwen te scheppen bij de eindgebruikers en draagvlak onder de bevolking te creëren; is van mening dat het gebruik van C-ITS de veiligheid en efficiency van het vervoerssysteem kan verbeteren zonder afbreuk te doen aan de regels inzake privacy en gegevensbescherming;

o
o   o

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 207 van 6.8.2010, blz. 1.
(2) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 85.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0423.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0234.
(5) Eindrapport van de tweede fase van het C-ITS-platform: https://ec.europa.eu/transport/sites/transport/files/2017-09-c-its-platform-final-report.pdf
(6) Aanbeveling 2008/653/EG van de Commissie van 26 mei 2008 betreffende veilige en efficiënte informatie- en communicatiesystemen aan boord van voertuigen: bijwerking van de Europese verklaring inzake beginselen voor mens/machine-interfaces (PB L 216 van 12.8.2008, blz. 1).
(7) Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS); ATM-onderzoek voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim (Sesar); Rivier Informatiediensten (RIS).


Grensoverschrijdende pakketbezorgdiensten ***I
PDF 243kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende grensoverschrijdende pakketbezorgdiensten (COM(2016)0285 – C8-0195/2016 – 2016/0149(COD))
P8_TA(2018)0064A8-0315/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0285),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0195/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 december 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0315/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 maart 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende grensoverschrijdende pakketbezorgdiensten

P8_TC1-COD(2016)0149


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/644.)

(1) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 106.


Vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde wegvoertuigen en rijbewijzen ***I
PDF 244kWORD 46k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/59/EG betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen en Richtlijn 2006/126/EG betreffende het rijbewijs (COM(2017)0047 – C8-0025/2017 – 2017/0015(COD))
P8_TA(2018)0065A8-0321/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0047),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0025/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 december 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0321/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 maart 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/59/EG betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen en Richtlijn 2006/126/EG betreffende het rijbewijs

P8_TC1-COD(2017)0015


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/645.)

(1) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 115.


Gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU
PDF 261kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2018 over gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU (2017/2015(INI))
P8_TA(2018)0066A8-0023/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 8 en 10, artikel 153, leden 1 en 2, en de artikelen 157 en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 23 en 33 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie uit 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2016 over gendergelijkheid (00337/2016),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 juli 2015 over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten (SWD(2015)0144),

–  gezien het aan de conclusies van de Raad van 7 maart 2011 gehechte Europees pact voor gendergelijkheid voor de periode 2011-2020 (07166/2011),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 over het strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 (SWD(2015)0278),

–  gezien het verslag van de Commissie van 2017 over de gelijkheid van mannen en vrouwen in de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2015 getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2017 getiteld "Verslag over de uitvoering van de strategie voor handelsbeleid Handel voor iedereen – Zorgen voor een vooruitstrevend handelsbeleid om de mondialisering in goede banen te leiden" COM(2017)0491,

–  gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad(1),

–  gezien de verordening inzake conflictmineralen (Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden(2)),

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met name artikel 4, lid 1, inzake het verbod op slavernij en dwangarbeid, en artikel 14 inzake het verbod op discriminatie,

–  gezien het VN-verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979,

–  gezien de Verklaring en het Actieprogramma van Peking die op 15 september 1995 tijdens de vierde wereldvrouwenconferentie werden aangenomen, alsmede de daaruit voortkomende documenten die tijdens de bijzondere VN-zittingen Peking +5 (2000), Peking +10 (2005) en Peking +15 (2010) werden aangenomen,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), en artikel 3 daarvan dat "gender" definieert als "de sociaal geconstrueerde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die een bepaalde maatschappij passend acht voor vrouwen en mannen", en het Inter-Amerikaans Verdrag ter voorkoming, bestraffing en uitbanning van geweld tegen vrouwen (Verdrag van Belém do Pará) van 1994,

–  gezien de gemeenschappelijke strategie van 2007 van de EU en haar lidstaten "Hulp voor handel: een sterkere EU-ondersteuning voor handelsgerelateerde behoeften in ontwikkelingslanden" en de mededeling van de Commissie van 13 november 2017 "Welvaart via handel en investeringen – Actualisering van de gezamenlijke EU‑strategie inzake hulp voor handel van 2007" (COM(2017)0667),

–  gezien de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde resolutie getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development",

–  gezien de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen,

–  gezien het OESO-richtsnoer inzake de zorgvuldigheidseisen voor verantwoorde bevoorradingsketens van bodemschatten uit door conflicten getroffen gebieden en risicogebieden,

–  gezien het investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling (2015) van UNCTAD,

–  gezien de belangrijke verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake gendergelijkheid, waaronder het Verdrag betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde (nr. 100), het Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep) (nr. 111), het Verdrag betreffende arbeiders met gezinsverantwoordelijkheid (nr. 156) en het Verdrag inzake de bescherming van het moederschap (nr. 183),

–  gezien hoofdstuk 7 van het actieplan 2015-2017 van de top van de staatshoofden van de EU en de Celac, dat in juni 2015 in Brussel is vastgesteld,

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2006 over de clausule inzake mensenrechten en democratie in EU-overeenkomsten(3),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(4),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden(5),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over de rol van vrouwen in de groene economie(6),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(7),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU(8),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief(9),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014-2015(10),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen(11),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2017 inzake de gevolgen van de internationale handel en het handelsbeleid van de EU voor mondiale waardeketens(12),

–  gezien zijn aanbeveling van 14 september 2017 aan de Raad, de Commissie en de EDEO voor de onderhandelingen over de modernisering van de handelspijler van de Associatieovereenkomst EU-Chili(13),

–  gezien de verklaring van het voorzitterschapstrio over de gelijkheid van vrouwen en mannen, die op 19 juli 2017 werd afgelegd door Estland, Bulgarije en Oostenrijk, de lidstaten die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie bekleden tijdens de periode van l8 maanden van juli 2017 tot en met december 2018,

–  gezien de studie van het International Centre for Research on Women, getiteld "Trade liberalisation & women's reproductive health: linkages and pathways",

–  gezien het Africa Human Development Report 2016 getiteld "Accelerating Gender Equality and Women's Empowerment in Africa"(14),

–  gezien het verslag van de OESO van 2014 "Enhancing Women's Economic Empowerment through Entrepreneurship and Business Leadership in OECD Countries"(15),

–  gezien de resultaten van de recentste internationale debatten op hoog niveau over gender en handel, met bijzondere aandacht voor die welke zijn georganiseerd onder de auspiciën van de EU en de WTO/UNCTAD/ITC, onder meer, in omgekeerde chronologische volgorde, het door de Europese Commissie en het Internationaal Handelscentrum gezamenlijk georganiseerde "International Forum on Women and Trade" (Brussel, juni 2017)(16), de jaarlijkse plenaire vergadering van de Parlementaire Conferentie van de WTO over "Trade as a vehicle of social progress: The gender perspective" (Genève, juni 2016)(17) en de plenaire vergadering van de WTO over "What future for the WTO? Trade and Gender: Empowering Women through Inclusive Supply Chains" (Genève, juli 2015)(18),

–  gezien de toenemende internationale inspanningen om gendergelijkheid te bevorderen met behulp van het handelsbeleid, zoals het programma van UNCTAD inzake gender en ontwikkeling(19) (dat onderzoek omvat over de effecten van handel op vrouwen, een educatief pakket over handel en gender, en onlineopleiding over de creatie van het statuut van "Gender Champions") en de werkterreinen van de Wereldbank, die sinds 2016 alle 14 een genderstrategie omvatten,

–  gezien de discussienota van het Internationaal Centrum voor handel en duurzame ontwikkeling (ICTSD) over "The Gender Dimensions of Global Value Chains" (september 2016)(20),

–  gezien de discussienota van het ICTSD over "The Gender Dimensions of Services" (september 2016)(21),

–  gezien het verslag van VN-Vrouwen uit 2015 getiteld "Progress of the world's women 2015-2016: Transforming economies, realizing rights"(22),

–  gezien de standpuntnota van WIDE+ van 2017 over gendergelijkheid en het EU-handelsbeleid, getiteld "How to transform EU trade policy to protect women’s rights"(23),

–  gezien de studie uit 2016 in opdracht van de getiteld "Gender Equality in Trade Agreements"(24),

–  gezien de studie uit 2015 in opdracht van de Commissie internationale handel van het Parlement en getiteld "The EU's Trade Policy: from gender-blind to gender-sensitive?"(25),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie internationale handel en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0023/2018),

A.  overwegende dat in artikel 8 VWEU is bepaald dat de Europese Unie ernaar streeft bij elk optreden de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden discriminatie, onder meer op grond van geslacht, tegen te gaan;

B.  overwegende dat het handelsbeleid als instrument kan dienen om mondiale en Europese waarden, waaronder gendergelijkheid, te bevorderen; overwegende dat de handels- en investeringsovereenkomsten van de EU en het desbetreffende beleid niet genderneutraal zijn, in die zin dat ze wegens structurele ongelijkheden andere gevolgen hebben voor vrouwen dan voor mannen; overwegende dat vrouwen worden geconfronteerd met genderspecifieke beperkingen zoals beperkte toegang tot en zeggenschap over middelen, wettelijke discriminatie, en overbelasting doordat ze als gevolg van traditionele genderrollen de onbetaalde zorg voor hun rekening nemen;

C.  overwegende dat gendergelijkheid mannen en vrouwen evenzeer moet aangaan; overwegende dat verbintenissen en partnerschappen tussen belanghebbenden uit de openbare en particuliere sector, op internationaal en lokaal niveau, cruciaal zijn om de nodige synergieën ten gunste van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen te bevorderen en het bewustzijn te vergroten over onderwerpen als: eigendomsrechten; toegang tot financiering, onderwijs en beroepsopleiding; het gedrag van ondernemingen; overheidsopdrachten; de digitale kloof; en culturele vooroordelen;

D.  overwegende dat het handelsbeleid onder andere erop gericht is de duurzame en billijke economische groei en ontwikkeling te bewerkstelligen die nodig zijn voor armoedebestrijding, sociale rechtvaardigheid, fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en betere levensomstandigheden voor vrouwen en mannen, en het beschermen van de rechten van de vrouw; overwegende dat gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen en meisjes niet alleen in alle duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de VN moeten worden geïntegreerd maar ook een op zichzelf staande doelstelling zijn; overwegende dat in de SDG-agenda wordt erkend dat handel bijdraagt tot de bevordering van duurzame en billijke ontwikkeling en kan bijdragen tot de bevordering van de hoogste internationale arbeids- en milieunormen en de mensenrechten; overwegende dat het EU-handelsbeleid een belangrijk onderdeel van het SDG-kader is en dat een krachtig genderperspectief een essentieel element van dat kader is, dat tot doel heeft eerlijkere en gunstigere resultaten voor iedereen te waarborgen; overwegende dat het handelsbeleid vrouwen ook meer kansen kan bieden inzake ondernemerschap, toegang tot leerlingplaatsen en werkgelegenheid;

E.  overwegende dat de complexe verhouding tussen internationale handel en gender een diepgaand inzicht in de werkzame krachten vergt, waarbij de economische en sociale dynamiek in kaart gebracht, geanalyseerd en in de gaten gehouden moet worden om een doeltreffend handelsbeleid met het oog op economische ontwikkeling uit te tekenen waarbij ook de emancipatie van vrouwen en gendergelijkheid worden bevorderd; overwegende dat in het handelsbeleid daarom rekening moet worden gehouden met de directe en indirecte gevolgen op het vlak van gender, alsook met de specifieke lokale context, om de bestaande genderkloven en stereotypen niet groter te maken of te verergeren en de gendergelijkheid proactief te versterken; overwegende dat het succes van het handelsbeleid ook moet worden beoordeeld volgens het criterium of het al dan niet positieve en gelijke gevolgen heeft voor zowel vrouwen als mannen;

F.  overwegende dat economische ontwikkeling en gendergelijkheid vaak gepaard gaan; overwegende dat er een brede consensus over bestaat dat samenlevingen met minder genderongelijkheid meestal sneller groeien;

G.  overwegende dat de gevolgen van de handelsliberalisering voor personen ook afhangen van de geografische plaats waar ze zich bevinden en van de economische sector waarin ze actief zijn; overwegende dat er zowel tussen als binnen landen grote verschillen bestaan op het gebied van productiestructuren, het percentage vrouwen in de beroepsbevolking en welzijnsstelsels; overwegende dat in sectoren als de kleding- en textielproductie, telecommunicatie, toerisme, de zorgeconomie en de landbouw de meeste werknemers van het vrouwelijk geslacht zijn, waar zij vaker dan mannen terechtkomen in vormen van formeel en informeel werk met een laag loon of een lage status; overwegende dat dit kan leiden tot misbruik op de werkplek, discriminatie, gendersegregatie wat het soort werk en activiteiten betreft, genderkloven qua loon en arbeidsvoorwaarden, alsook genderspecifieke beperkingen in de toegang tot productiefactoren, infrastructuur en diensten; overwegende dat vrijhandelsovereenkomsten tot verschuivingen in de werkgelegenheid en banenverlies kunnen leiden, met name in exportgerelateerde sectoren, waarin de meeste werknemers vaak vrouwen zijn; overwegende dat land- en sectorspecifieke genderbeoordelingen daarom een hoge toegevoegde waarde hebben bij het opstellen van handelsovereenkomsten;

H.  overwegende dat de van export afhankelijke werkgelegenheid in de EU in 2011 goed was voor ongeveer 11 % van de banen (1 op 9 banen) waarin vrouwen tewerkgesteld zijn;

I.  overwegende dat volgens een studie van de Commissie uit 2017 nagenoeg 12 miljoen vrouwen in de EU banen hebben die afhangen van de uitvoer van goederen en diensten naar de rest van de wereld(26);

J.  overwegende dat de UNCTAD op grond van op feiten gebaseerde onderzoeken met klem wijst op de beperkingen waarmee vrouwen worden geconfronteerd als zij de door handel geboden kansen grijpen – beperkingen die voortvloeien uit factoren zoals een gebrek aan technische opleiding voor betere banen, een gebrek aan openbare diensten die de huishoudelijke verantwoordelijkheden kunnen verlichten, en beperkte toegang tot en zeggenschap over middelen, waaronder krediet en grond, informatie en netwerken; overwegende dat de UNCTAD op grond hiervan aanbeveelt dat evaluaties rekening moeten houden met de mogelijke gevolgen van het handelsbeleid voor gendergelijkheid en de zelfbeschikking van vrouwen, op terreinen zoals werkgelegenheid, kleine ondernemingen, prijzen, productiviteit in de landbouw, zelfvoorzieningslandbouw en migratie(27);

K.  overwegende dat het huidige EU-handelsbeleid en de strategie "Handel voor iedereen" gebaseerd zijn op drie belangrijke beginselen, namelijk doeltreffendheid, transparantie en waarden, maar geen gendergelijkheidsperspectief bevatten; overwegende dat de Commissie haar engagement inzake gendergelijkheid en de economische empowerment van vrouwen heeft herhaald en uitgebreid in haar evaluatie van de strategie "Hulp voor handel", waarin ze verklaarde dat gendergelijkheid niet alleen een fundamenteel mensenrecht is, maar ook essentieel is voor economische ontwikkeling, en daarnaast het brede scala EU-beleidsinstrumenten merendeels beschikbaar stelde om het totale effect ervan op groei en armoedebestrijding te vergroten; overwegende dat de EU volgens de bepalingen in het CEDAW de grondslag moet leggen voor de verwezenlijking van gendergelijkheid door ervoor te zorgen dat vrouwen gelijke toegang krijgen tot en gelijke kansen krijgen in het politieke, economische en openbare leven, alsook het onderwijs, de gezondheidszorg en tewerkstelling;

L.  overwegende dat vrouwen door handel en handelsovereenkomsten worden getroffen als mogelijke ondernemers, consumenten en (informele) werknemers; overwegende dat er een cruciale behoefte bestaat aan het erkennen en beter begrijpen van genderspecifieke gevolgen van het handelsbeleid teneinde passend te kunnen reageren vanuit het beleid; overwegende dat daartoe een passende methode moet worden uitgewerkt om ervoor te zorgen dat altijd wordt beoordeeld welke gevolgen het handelsbeleid en de handelsovereenkomsten van de EU kunnen hebben voor gendergelijkheid en de rechten van de vrouw; overwegende dat de Commissie kwantitatief, naar gender uitgesplitst onderzoek moet verrichten in sectoren zoals het bedrijfsleven, wetenschap en technologie; overwegende dat de EU tot dusver handelsovereenkomsten heeft gesloten zonder daarbij de effecten op vrouwen en gendergelijkheid te beoordelen; overwegende dat de Commissie heeft aangekondigd dat een gemoderniseerde associatieovereenkomst tussen Chili en de EU voor het eerst voor de EU een speciaal hoofdstuk over gender en handel zal bevatten;

M.  overwegende dat in de duurzaamheidseffectbeoordelingen van handelsovereenkomsten onvoldoende rekening wordt gehouden met gendervraagstukken en vrouwenrechten;

N.  overwegende dat een beoordeling vooraf van de genderimplicaties van het handelsbeleid een bijdrage kan leveren tot de zelfbeschikking en het welzijn van vrouwen en dat dit tegelijkertijd de bestaande ongelijkheden kan verkleinen en kan voorkomen dat de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen toeneemt;

O.  overwegende dat uit een evaluatie van de huidige multilaterale en bilaterale overeenkomsten van de EU blijkt dat in 20 % van de overeenkomsten met niet-Europese handelspartners gewag wordt gemaakt van de rechten van vrouwen, en dat 40 % van deze overeenkomsten verwijzingen ter bevordering van gendergelijkheid bevat; overwegende dat de verwijzingen naar de bevordering van de zelfbeschikking van vrouwen in deze overeenkomsten meestal vrijblijvend zijn en, wanneer ze bindend zijn, in de praktijk niet afdwingbaar zijn; overwegende dat uit een recente studie van de Commissie blijkt dat er tussen mannen en vrouwen nog steeds een kloof bestaat op het gebied van kansen op toegang tot werk; overwegende dat uit het onderzoek blijkt dat door vrouwen meer zeggenschap te geven het mondiale bbp tegen 2025 met 28 miljard USD zou kunnen toenemen en dat dit essentieel is, zowel vanuit economisch perspectief als vanuit sociaal perspectief en vanuit het perspectief van de uitbanning van armoede, gezien de rol die vrouwen vervullen in gemeenschappen;

P.  overwegende dat micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (mkmo's) zowel in de ontwikkelingslanden als in de ontwikkelde landen het leeuwendeel van de particuliere sector vormen en de meeste werkgelegenheid verschaffen; overwegende dat mkmo's volgens het Internationaal Handelscentrum (ITC) samen 95 % van alle bedrijven ter wereld uitmaken, ongeveer 50 % van het mondiale bbp realiseren en meer dan 70 % van de totale werkgelegenheid opleveren; overwegende dat tot wel 40 % van alle mkmo's in handen van vrouwen is, terwijl slechts 15 % van de exportbedrijven geleid wordt door vrouwen; overwegende dat uit cijfers van de OESO echter blijkt dat vrouwelijke ondernemers nog altijd vaak 30 tot 40 % minder verdienen dan hun mannelijke tegenhangers(28);

Q.  overwegende dat het openbaar debat en de reacties in heel Europa betreffende onderhandelingen over handelsovereenkomsten zoals het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP), de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen de EU en Canada en de overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA) hebben aangetoond dat er behoefte is aan transparante en inclusieve onderhandelingen waarbij rekening wordt gehouden met de grote bezorgdheid van Europese burgers in vele landen; overwegende dat geen enkele norm van de EU mag worden verlaagd in het kader van het handelsbeleid van de EU, en dat openbare diensten altijd van handelsbesprekingen moeten worden uitgesloten; overwegende dat elke regeling inzake geschillenbeslechting zo moet worden opgezet dat afzonderlijke regeringen het vermogen behouden om in het openbaar belang regelgeving op te stellen en de doelstellingen van het overheidsbeleid te dienen; overwegende dat vooruitgang te verwachten valt op andere kritieke aandachtsgebieden, zoals het vergroten van de verplichtingen van bedrijven inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen met betrekking tot de mensenrechten; overwegende dat in de context van mondiale waardeketens een mondiale holistische aanpak van de aansprakelijkheid van ondernemingen voor schendingen van de mensenrechten nodig is;

R.  overwegende dat de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven, handel en mensenrechten bindend zijn voor alle staten en alle ondernemingen, ongeacht hun omvang, sector, locatie, eigendom of structuur;

S.  overwegende dat in de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie, vastgesteld door de Raad in 2016, wordt bekrachtigd dat de mensenrechten systematisch moeten worden opgenomen in alle beleidssectoren en instellingen, met inbegrip van internationale handel en het handelsbeleid;

T.  overwegende dat het stelsel van algemene preferenties (SAP) onder meer tot doel heeft tot armoedebestrijding bij te dragen en duurzame ontwikkeling en goed bestuur te bevorderen; overwegende dat SAP+ voorwaarden omvat om te waarborgen dat in aanmerking komende ontwikkelingslanden 27 internationale verdragen inzake mensen- en arbeidsrechten, milieubescherming en goed bestuur ratificeren en ten uitvoer leggen; overwegende dat het van cruciaal belang is regelmatig toezicht te houden op de tenuitvoerlegging ervan, zo nodig maatregelen te nemen en bijzondere aandacht te besteden aan gendergelijkheid; overwegende dat het CEDAW een van de relevante overeenkomsten in het kader van SAP+ is;

U.  overwegende dat meer dan 40 % van de landbouwwerkzaamheden op het zuidelijk halfrond wordt uitgevoerd door vrouwen;

V.  overwegende dat de groei van de wereldhandel en de integratie van de ontwikkelingslanden in de mondiale waardeketens het risico kunnen inhouden dat er genderongelijkheden ontstaan wanneer deze worden gebruikt om concurrerende producten goedkoper te vervaardigen; overwegende dat dit tevens veel vrouwelijke arbeidskrachten in staat heeft gesteld om van de informele naar de formele sector over te stappen; overwegende dat oorsprongsregels steeds belangrijker zijn geworden in de context van mondiale waardeketens, waarbij de productie in verschillende landen gebeurt; overwegende dat duidelijker en nauwkeuriger omschreven oorsprongsregels een kader kunnen scheppen om volledige transparantie en verantwoording in de gehele toeleveringsketen tot stand te brengen, en dat dit positieve gevolgen kan hebben voor vrouwen, vooral als ze in de kledingsector werken;

W.  overwegende dat deze nieuwe handelsgerelateerde werkgelegenheidskansen voor vrouwen in ontwikkelingslanden een belangrijke bijdrage leveren aan het gezinsinkomen en het terugdringen van de armoede;

X.  overwegende dat de kledingsector vooral vrouwen tewerkstelt; overwegende dat eraan moet worden herinnerd dat in september 2012 bij een vuurzee in Karachi, Pakistan, 289 mensen zijn omgekomen, dat in hetzelfde jaar bij een brand in de Tazreen Fashions-fabriek in Bangladesh 117 doden vielen en meer dan 200 werknemers gewond raakten, en dat het Rana Plaza-gebouw, eveneens in Bangladesh, in 2013 ten gevolge van constructiefouten is ingestort, waardoor 1 129 mensen om het leven kwamen en ongeveer 2 500 mensen gewond raakten; overwegende dat in al deze gevallen sprake was van kledingfabrieken;

Y.  overwegende dat de meeste arbeidskrachten in exportproductiezones vrouwen zijn; overwegende dat in de exportproductiezones van bepaalde landen uitzonderingen op de toepassing van de plaatselijke arbeidswetgeving gelden, vakbondsactiviteiten verboden zijn of beperkt worden en geen verhaalmogelijkheden bestaan voor werknemers, hetgeen duidelijk indruist tegen de fundamentele IAO-normen;

Z.  overwegende dat de openbare en particuliere sector, het maatschappelijk middenveld (en met name vrouwenrechtenorganisaties), sociale partners en vakbonden over de kennis en het potentieel beschikken om een cruciale rol te vervullen bij het opstellen en monitoren van het handelsbeleid en het verzamelen van gegevens die informatie kunnen verschaffen over de problemen waarmee vrouwen te kampen hebben met betrekking tot handelsliberalisering, teneinde de rechten en de economische positie van vrouwen te versterken en vrouwelijk ondernemerschap te stimuleren;

AA.  overwegende dat evenementen zoals het door de Commissie op 20 juni 2017 georganiseerde Internationaal forum over vrouwen en handel tal van marktdeelnemers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld de gelegenheid bieden om van gedachten te wisselen en initiatieven op te starten over de gevolgen van de handel voor de gendergelijkheid;

AB.  overwegende dat multilaterale platformen en intergouvernementele fora, zoals de SDG's van de VN en Women20 (W20), cruciaal zijn voor de bevordering van gendergerelateerde discussies en acties onder deskundigen en voor het verschaffen van een goede grondslag voor consensusopbouw;

AC.  overwegende dat openbare diensten, bestaande of toekomstige diensten van algemeen belang, en diensten van algemeen economisch belang moeten worden uitgesloten van de onderhandelingen over en het toepassingsgebied van alle handelsovereenkomsten die door de EU worden gesloten (waaronder onder meer water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg, zorgverlening, sociale diensten, socialezekerheidsstelsels, onderwijs, afvalbeheer en openbaar vervoer); overwegende dat de Commissie heeft toegezegd ervoor te zullen zorgen dat deze diensten de bevoegdheid van de lidstaten blijven en dat regeringen niet kunnen worden verplicht diensten te privatiseren, noch op enig moment mogen worden belet diensten van algemeen belang te definiëren, te reguleren, te verlenen en te ondersteunen;

AD.  overwegende dat de handel in diensten alsook overheidsopdrachten vrouwen onevenredig kunnen treffen, en dat overheidsopdrachten een instrument blijven waarmee regeringen een positieve invloed kunnen uitoefenen op benadeelde groepen, vooral vrouwen; overwegende dat de privatisering van gezondheids- en opvangdiensten de ongelijkheid dreigt te vergroten en negatieve gevolgen kan hebben voor de arbeidsvoorwaarden van tal van vrouwen; overwegende dat een bovengemiddeld aantal vrouwen tewerkgesteld zijn in openbare diensten of in de openbaredienstensector en dat vrouwen, als gebruikers van die diensten, sterker dan mannen afhankelijk zijn van betaalbare, toegankelijke, vraaggestuurde openbare diensten van goede kwaliteit, vooral als het gaat om sociale diensten zoals kinderopvang en de zorg voor personen ten laste; overwegende dat bezuinigingen op de nationale begroting en beperkingen in de openbare dienstverlening, alsook prijsverhogingen, deze zorglast doorgaans vrijwel uitsluitend naar vrouwen doorschuiven, hetgeen bijgevolg de gendergelijkheid in de weg staat;

AE.  overwegende dat het stelsel van intellectuele-eigendomsrechten (IER) bijdraagt tot de kenniseconomie van de EU; overwegende dat IER-bepalingen in verband met octrooien die de productie van generieke geneesmiddelen tegenhouden, van grote invloed kunnen zijn op de specifieke gezondheidseisen van vrouwen; overwegende dat vrouwen meer dan mannen vertrouwen op betaalbare toegang tot gezondheidszorg en op geneesmiddelen en hun beschikbaarheid, vooral met betrekking tot hun seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; overwegende dat de toegang tot geneesmiddelen in niet-EU-landen niet mag worden belemmerd op grond van de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten;

AF.  overwegende dat besluiten inzake handel en handelsovereenkomsten slechts in geringe mate worden genomen door vrouwen aangezien onderhandelingsteams, parlementen en regeringen nog lang geen genderevenwicht hebben bereikt; overwegende dat genderevenwicht in die instellingen niet alleen zou kunnen leiden tot een betere integratie van de gendergelijkheidsproblematiek, maar ook de democratische legitimiteit van de besluitvorming zou verhogen;

AG.  overwegende dat er in de Commissie en de EDEO onvoldoende personeel wordt ingezet om ervoor te zorgen dat een genderperspectief wordt geïntegreerd in het handelsbeleid van de EU en met name in het hele handelsoverleg;

AH.  overwegende dat de Commissie, wanneer zij werkt aan het wettelijke kader van relatief nieuwe handelsbeleidsterreinen zoals elektronische handel, van meet af aan de effecten daarvan op genderrollen, de balans tussen werk en privéleven en de hoeveelheid onbetaald werk moet incalculeren;

AI.  overwegende dat bewezen is dat de handel in conflictmineralen rechtstreeks gekoppeld is aan wijdverspreide mensenrechtenschendingen, waaronder verkrachting en seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes, kinder- en slavenarbeid en gedwongen verplaatsingen van de bevolking;

I.De gendergelijkheid in de handel verbeteren: algemene overwegingen en doelstellingen

1.  benadrukt dat de EU verplicht is een op waarden gebaseerd handelsbeleid te voeren dat onder andere garant staat voor een hoog niveau van bescherming van de arbeids- en milieurechten en de eerbiediging van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten, met inbegrip van gendergelijkheid; wijst erop dat alle EU-handelsovereenkomsten een ambitieus en afdwingbaar hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling moeten bevatten; benadrukt dat handelsverbintenissen in de overeenkomsten van de EU de mensenrechten, vrouwenrechten of milieubescherming nooit terzijde mogen schuiven, en rekening moeten houden met de plaatselijke sociale en economische situatie;

2.  wijst er nogmaals op dat gendergelijkheid stevig verankerd is in alle beleidsmaatregelen van de EU, zoals bepaald bij artikel 8 van het VWEU; merkt op dat dit artikel als volgt luidt: "Bij elk optreden streeft de Unie ernaar de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen."; verzoekt de Commissie de beleidssamenhang tussen verschillende beleidsterreinen, zoals handel, ontwikkeling, landbouw, werkgelegenheid, migratie en gendergelijkheid, te vergroten;

3.  benadrukt dat voor een eerlijk en inclusief internationaal handelsbeleid een duidelijk kader vereist is dat ertoe bijdraagt de zelfbeschikking van vrouwen en hun levens- en arbeidsomstandigheden te verbeteren, de gendergelijkheid te versterken, het milieu te beschermen en de sociale rechtvaardigheid, internationale solidariteit en internationale economische ontwikkeling te bevorderen;

4.  beklemtoont dat de bevordering van wederzijds voordelige economische groei de overkoepelende doelstelling van het handelsbeleid moet zijn; herinnert eraan dat het handelsbeleid weliswaar andere waarden kan bevorderen die de Europese Unie op multilateraal niveau naar voren schuift, maar dat er grenzen zijn aan het oplossen van wereldproblemen via het handelsbeleid en handelsovereenkomsten;

5.  benadrukt dat de nieuwe generatie handelsovereenkomsten relevante internationale normen en rechtsinstrumenten, ook inzake gendergelijkheid, moet bevorderen, zoals het CEDAW, het actieprogramma van Peking, de belangrijkste IAO-verdragen en de SDG's;

6.  benadrukt dat handelsverbintenissen in de overeenkomsten van de EU de mensenrechten nooit terzijde mogen schuiven; is ingenomen met de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en verzoekt de lidstaten overeenkomstig de leidende beginselen van de VN nationale actieplannen vast te stellen en uit te werken, rekening houdend met vrouwenrechten en de noodzaak om gendergerelateerd geweld aan te pakken; vraagt de Commissie handelsbesprekingen aan te wenden om de handelspartners van de EU aan te moedigen zelf nationale actieplannen vast te stellen; steunt de lopende onderhandelingen om een bindend VN‑instrument inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten in het leven te roepen; beklemtoont hoe belangrijk het is dat de EU actief bij dit intergouvernementele proces betrokken is, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de handelspartners aan te moedigen zich constructief in te zetten voor deze onderhandelingen;

7.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat de handelspartners van de EU de artikelen 16 en 17 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens ten volle eerbiedigen, als een middel om gendergerelateerde ongelijkheden op het gebied van sociale en economische rechten tegen te gaan;

8.  merkt op dat alleen de lidstaten bevoegd zijn om de liberalisering van diensten van algemeen belang te regelen en terug te draaien, en verzoekt ze daarom fundamentele doelstellingen zoals gendergelijkheid, mensenrechten en fundamentele vrijheden, volksgezondheid en sociale en milieunormen te beschermen;

9.  benadrukt dat overheden hun vermogen moeten behouden om middelen toe te kennen voor de verwezenlijking van vrouwenrechten en gendergelijkheid om een inclusieve en duurzame toekomst voor gemeenschappen te waarborgen; benadrukt in dit verband het cruciale belang van de eerbiediging, overeenkomstig SDG 17.15, van de democratische beleidsruimte van partnerlanden om regelgeving op te stellen en beslissingen te nemen die passen bij hun eigen nationale context, tegemoet te komen aan de behoeften van hun bevolking en hun verplichtingen op het gebied van mensenrechten en andere internationale verbintenissen na te komen, onder meer op het gebied van gendergelijkheid;

10.  herinnert eraan dat het de Commissie verzocht heeft een einde te maken aan het systeem voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten (ISDS), en onderstreept dat een geschillenbeslechtingsregeling zo moet worden opgezet dat afzonderlijke regeringen het vermogen behouden om in het openbaar belang regelgeving op te stellen en de doelstellingen van het overheidsbeleid na te streven, met inbegrip van maatregelen om gendergelijkheid en sterkere arbeids-, milieu- en consumentenrechten te bevorderen;

11.  merkt op dat bepalingen inzake intellectuele-eigendomsrechten in de handel vaak van invloed zijn op de volksgezondheid en op de specifieke gezondheidseisen van vrouwen; verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat bepalingen inzake intellectuele-eigendomsrechten in handelsovereenkomsten naar behoren rekening houden met vrouwenrechten, met name wat betreft hun invloed op de gezondheid van vrouwen, waaronder toegang tot betaalbare gezondheidszorg en geneesmiddelen; verzoekt de Commissie en de Raad de bescherming van geografische aanduidingen te bevorderen als een bijzonder belangrijk instrument voor de versterking van de positie van plattelandsvrouwen; verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten bovendien de uitbreiding van de bescherming naar niet-landbouwproducten te heroverwegen, aangezien de EU reeds overeengekomen is om niet-landbouwproducten met een geografische aanduiding te beschermen in vrijhandelsovereenkomsten;

12.  herinnert eraan dat er ten behoeve van de SDG's naar gender uitgesplitste gegevens vereist zijn om de voortgang bij de verwezenlijking van alle doelstellingen, ook SDG 5 inzake gendergelijkheid, te kunnen volgen; benadrukt dat er geen adequate gegevens over de gevolgen van handel voor de gendergelijkheid voorhanden zijn, en vraagt om voldoende en adequate naar gender uitgesplitste gegevens over de gevolgen van handel te verzamelen; beklemtoont dat dergelijke gegevens het mogelijk zouden maken een methode met duidelijke en meetbare indicatoren op regionaal, nationaal en sectoraal niveau uit te werken, de analyse te verbeteren en te bepalen welke doelstellingen bereikt en welke maatregelen genomen moeten worden om vrouwen en mannen in gelijke mate voordelen te laten halen uit het handelsverkeer; onderstreept dat bijzondere aandacht moet uitgaan naar de kwantitatieve en kwalitatieve, naar gender uitgesplitste analyse van de arbeidsontwikkelingen, de eigendom van activa en financiële inclusie in sectoren waarop handel van invloed is; spoort de Commissie aan tot samenwerking met Europese en internationale organisaties zoals de Wereldbank, de Verenigde Naties, de OESO en het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), alsook met nationale bureaus voor statistiek, om de verzameling en beschikbaarheid van dergelijke gegevens te verbeteren; verzoekt de EU en haar lidstaten in effectbeoordelingen vooraf en achteraf ook rekening te houden met de land- en sectorspecifieke gendereffecten van het handelsbeleid en de handelsovereenkomsten van de EU; benadrukt dat bij handelsbesprekingen rekening moet worden gehouden met de resultaten van de gendergerichte analyse – met aandacht voor de positieve en negatieve effecten gedurende het hele proces, van de onderhandelingsfase tot de uitvoering – en dat zij gepaard moeten gaan met maatregelen om mogelijke negatieve gevolgen te voorkomen of te compenseren;

II.De gendergelijkheid in de handel verbeteren: sectorspecifieke overwegingen en doelstellingen

13.  onderstreept dat diensten van algemeen belang en diensten van algemeen economisch belang – waaronder onder meer water, sociale diensten, socialezekerheidsstelsels, onderwijs, afvalbeheer, openbaar vervoer en gezondheidszorg – buiten het kader van handelsbesprekingen moeten blijven vallen en tot de bevoegdheid van nationale regeringen moeten blijven behoren; dringt er bij de EU op aan te waarborgen dat handels- en investeringsovereenkomsten niet leiden tot de privatisering van openbare diensten waardoor vrouwen als verleners en afnemers van diensten getroffen kunnen worden en de genderongelijkheid kan toenemen; benadrukt dat de publieke voorziening van sociale diensten met name van groot belang is voor gendergelijkheid, aangezien veranderingen met betrekking tot de toegang tot en de gebruiksvergoedingen voor dergelijke diensten, en de kwaliteit daarvan, kunnen leiden tot een genderonevenwichtige verdeling van onbetaalde zorgtaken; herinnert eraan dat overheden en nationale en lokale autoriteiten het recht en de mogelijkheid moeten behouden om alle maatregelen betreffende de aansturing, organisatie, financiering en verlening van universele toegang tot diensten van algemeen belang en diensten van algemeen economisch belang in te voeren, te reguleren, goed te keuren, te handhaven of af te schaffen;

14.  onderstreept dat het handelsbeleid gevolgen kan hebben voor de toegang tot elementaire gezondheidsdiensten en daardoor van invloed kan zijn op de doelstellingen inzake de toegang tot en de verbetering van reproductieve en seksuele gezondheid en rechten in beleidsmaatregelen, programma's en dienstverlening; benadrukt daarom dat elementaire gezondheidszorg – met name toegang tot diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten – van het handelsoverleg uitgesloten is en onder de bevoegdheid van de lidstaten valt;

15.  dringt aan op bindende, afdwingbare en doeltreffende maatregelen ter bestrijding van de uitbuiting, en ter verbetering van de arbeids- en levensomstandigheden, van vrouwen in exportgerichte sectoren, in overeenstemming met de doelstelling om de levens- en arbeidsomstandigheden van vrouwen in zorgwekkende landen en sectoren te verbeteren, met name in de kleding-, de textiel- en de landbouwsector, om te voorkomen dat de handelsliberalisering bijdraagt tot precaire arbeidsrechten en grotere loonverschillen tussen mannen en vrouwen; meent dat dergelijke maatregelen en de vaststelling van gemeenschappelijke definities een duidelijker en beter gecoördineerde samenwerking met internationale organisaties zoals de VN, de WTO, de IAO en de OESO mogelijk moeten maken; beschouwt het Duurzaamheidspact Bangladesh als een goed voorbeeld en als een stap voorwaarts met het oog op de invoering van een toezichtmechanisme, en dringt aan op volledige naleving van de bepalingen ervan; verzoekt de Commissie, alle internationale actoren en alle betrokken bedrijven in dit verband de nieuwe OESO-richtsnoeren inzake zorgvuldigheidsverplichtingen voor verantwoorde toeleveringsketens in de kleding- en schoenensector te erkennen en na te leven;

16.  vraagt meer aandacht te besteden aan vrouwen die in de informele sector werken, en te erkennen dat er behoorlijker arbeidsnormen voor vrouwelijke arbeidskrachten in deze sector moeten komen;

17.  onderstreept dat vrouwen en meisjes hieronder doorgaans het ergst lijden, aangezien mensenhandel met het oog op uitbuiting door werk sterk gekoppeld is aan mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting;

18.  benadrukt dat de toenemende uitvoer van landbouwproducten doorgaans minder gunstige gevolgen heeft voor vrouwen dan voor mannen, daar uit opkomende trends blijkt dat kleine landbouwers, onder wie vele vrouwen, de concurrentie op overzeese markten vaak niet aankunnen wegens erfrecht en onvoldoende toegang tot krediet, informatie, grond en netwerken, alsook door een gebrek aan mogelijkheden om aan nieuwe regels en normen te voldoen; merkt op dat er bijzondere inspanningen moeten worden geleverd om de positieve gevolgen van handel te verbeteren voor vrouwen in de landbouwsector, waar zij als bijzonder kwetsbaar zijn aangemerkt maar waar zij ook een duidelijk potentieel voor zelfbeschikking hebben; beklemtoont dat bedrijven waarvan een vrouw eigenaar is, baat zouden hebben bij de uitbanning van genderstereotypen, betere markttoegang, vlottere toegang tot financiering, marketingorganisatie en netwerken, en betere capaciteitsopbouw en opleiding; merkt op dat handelsliberalisering een negatieve invloed op vrouwen kan hebben in sectoren zoals landbouw en voedselverwerking; benadrukt dat hoewel vrouwelijke arbeidskrachten de overhand hebben in de wereldvoedselproductie (goed voor 50 % tot 80 % van de wereldwijde beroepsbevolking), zij minder dan 20 % van het land bezitten, en dat de toenemende commerciële eisen aan en voor land het voor armere vrouwen bijgevolg moeilijk maken om zekere en eerlijke toegang tot land te krijgen of te behouden; wijst erop dat moet worden voorkomen dat IER-bepalingen in handelsovereenkomsten, bijvoorbeeld inzake de privatisering van zaaigoed, mogelijk negatieve gevolgen hebben voor de voedselsoevereiniteit;

19.  benadrukt dat vrouwen die in zelfvoorzieningslandbouw werken geconfronteerd worden met bijkomende hindernissen om voedselsoevereiniteit te behouden als gevolg van de sterke bescherming van kweekproducten in het kader van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten (UPOV-verdrag) in handelsovereenkomsten;

20.  onderstreept dat de EU-invoer van landbouwproducten traditionele kleinschalige landbouwbedrijven kan ondermijnen en zodoende het levensonderhoud van vrouwen in gevaar kan brengen;

21.  wijst op het belang van mkmo's in de economische structuur van de EU; verzoekt de Commissie haar inspanningen ter ondersteuning van mkmo's voort te zetten, met bijzondere aandacht en maatregelen voor mkmo's die in handen van vrouwen zijn; verzoekt de EU en haar lidstaten bij de oprichting van uitvoer-helpdesks bijzondere aandacht te schenken aan de bijzondere omstandigheden van door vrouwen geleide mkmo's, gebruik te maken van de mogelijkheden die vrijhandelsovereenkomsten bieden, en diensten, technologieën en infrastructuur (zoals internettoegang) te versterken die bijzonder belangrijk zijn voor de economische emancipatie van vrouwen en door vrouwen geleide mkmo's; verzoekt de Commissie partnerschappen tot stand te helpen brengen tussen vrouwelijke ondernemers in de EU en hun tegenhangers in de ontwikkelingslanden;

III.De gendergelijkheid in de handel verbeteren: maatregelen die op EU-niveau nodig zijn

22.  beklemtoont dat bepaalde elementen van het EU-handelsbeleid, zoals hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling en het SAP+-stelsel en het toezicht daarop, kunnen bijdragen aan de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de gendergelijkheid, het arbeidsrecht en milieubescherming; beklemtoont dat er in EU-handelsovereenkomsten bindende en afdwingbare bepalingen nodig zijn om de eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van gendergelijkheid en milieu- en arbeidsbescherming, te waarborgen en ervoor te zorgen dat het EU-handelsbeleid strookt met de overkoepelende doelstellingen van de Unie inzake duurzame ontwikkeling, armoedebestrijding en gendergelijkheid;

23.  vraagt de EU en de lidstaten ervoor te zorgen dat de doelstellingen van de SDG's, met name doelstelling 5 inzake gendergelijkheid, alsook de doelstellingen van het Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 volledig worden opgenomen in het handelsbeleid van de EU;

24.  betreurt dat de handelsstrategie van de EU "Handel voor iedereen" geen gendergelijkheidsperspectief bevat; is verheugd dat het verslag over de uitvoering van de strategie voor handelsbeleid "Handel voor iedereen" van 13 september 2017 het vraagstuk van de gendergelijkheid in de handel aansnijdt en aangeeft dat de EU-beleidmakers zich meer bewust moeten worden van de invloed van handelsinstrumenten op gendergelijkheid; verzoekt de Commissie hiermee rekening te houden bij de tussentijdse evaluatie van de strategie "Handel voor iedereen" en ervoor te zorgen dat het genderperspectief wordt opgenomen en geïntegreerd in het handels- en investeringsbeleid van de EU, omdat dit de algemene voordelen uit handelskansen voor iedereen zou optimaliseren; wijst erop dat het handelsbeleid kan bijdragen tot de bevordering van gendergelijkheid op het internationale toneel en gebruikt moet worden als een instrument dat de levens- en arbeidsomstandigheden van vrouwen verbetert en gelijkmaakt aan die van mannen, bijvoorbeeld door de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten door banen van betere kwaliteit voor vrouwen te scheppen;

25.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten ervoor te zorgen dat wanneer in de handelsovereenkomsten van de EU bepalingen inzake overheidsopdrachten worden opgenomen, deze een positief effect sorteren, vooral vanuit genderperspectief; verzoekt de Commissie zich te blijven inspannen om de toegang van mkmo's tot overheidsopdrachten te ondersteunen en specifieke maatregelen te ontwikkelen voor mkmo's die in handen van vrouwen zijn; dringt aan op de opname van bepalingen die erop gericht zijn de procedures te vereenvoudigen en de transparantie voor inschrijvers, ook die uit niet-EU-landen, te vergroten; vraagt om maatschappelijk en ecologisch verantwoorde overheidsopdrachten verder te bevorderen, rekening houdend met de doelstelling om te zorgen voor de gelijke behandeling van vrouwen en mannen, gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers en de bevordering van gendergelijkheid, voortbouwend op de ervaring met de regels voor duurzame overheidsopdrachten van "Chile Compras";

26.  verzoekt de Commissie en de Raad in handelsovereenkomsten de toezegging te bevorderen om daadwerkelijk wet- en regelgeving en beleid inzake gendergelijkheid vast te stellen, te handhaven en uit te voeren, met inbegrip van de nodige actieve maatregelen om gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen te bevorderen;

27.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om ervoor te zorgen dat het handelsoverleg om de huidige associatieovereenkomst EU-Chili te moderniseren voor het eerst in de EU een speciaal hoofdstuk over gender en handel zal bevatten; dringt er sterk op aan op de hoogte te worden gesteld van de inhoud van dit hoofdstuk; verzoekt de Commissie en de Raad te bevorderen en ertoe bij te dragen dat in handels- en investeringsovereenkomsten van de EU een speciaal genderhoofdstuk wordt opgenomen, waarin wordt voortgebouwd op bestaande voorbeelden zoals de vrijhandelsovereenkomsten tussen Chili en Uruguay en Chili en Canada, en ervoor te zorgen dat dit hoofdstuk specifieke toezeggingen bevat om de gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen te bevorderen; dringt aan op de bevordering van internationale toezeggingen inzake vrouwenrechten, gendergelijkheid, gendermainstreaming en de versterking van de positie van vrouwen in alle handelsovereenkomsten van de EU, op basis van het actieprogramma van Peking en de SDG's; dringt er tevens op aan in deze handelsovereenkomsten bepalingen op te nemen om ervoor te zorgen dat hun institutionele structuren periodieke nalevingsbeoordelingen, diepgaande discussies en de uitwisseling van informatie en beste praktijken over gendergelijkheid en handel garanderen, onder meer door op alle niveaus van de betrokken overheidsdiensten vrouwen en deskundigen inzake gendergelijkheid op te nemen, ook in de handelsoverlegteams, gemengde comités, deskundigengroepen, interne adviesgroepen, gemengde raadgevende comités en geschillenbeslechtingsorganen;

28.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten te werken aan overeenkomsten op multilateraal niveau teneinde de bescherming die wordt verleend door genderbewuste EU-wetgeving, zoals de verordening betreffende conflictmineralen, uit te breiden;

29.  vraagt de Europese Investeringsbank (EIB) te waarborgen dat bedrijven die deelnemen aan door de EIB medegefinancierde projecten verplicht worden zich aan het beginsel van gelijke beloning en betalingstransparantie te houden alsmede aan het beginsel van gendergelijkheid zoals beschreven in Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad(29);

30.  is ervan overtuigd dat het CEDAW van groot belang is voor alle beleidsterreinen, met inbegrip van handel; benadrukt dat alle lidstaten tot het CEDAW zijn toegetreden; verzoekt de Commissie daarom in handelsovereenkomsten een verwijzing naar het CEDAW op te nemen en stappen te ondernemen met het oog op de toetreding van de EU tot het verdrag en de ratificatie ervan door de EU; verzoekt de lidstaten het beginsel van gendergelijkheid in hun rechtsstelsels op te nemen, en daarbij alle discriminerende wetten af te schaffen en passende wetten aan te nemen die de discriminatie van vrouwen verbieden;

31.  verzoekt de EU ervoor te zorgen dat handelsovereenkomsten bepalingen bevatten die gebaseerd zijn op de fundamentele arbeidsnormen en verdragen van de IAO; verzoekt de Commissie samen met de lidstaten te werken aan de ratificatie en tenuitvoerlegging van deze verdragen, met name Verdrag nr. 189 inzake fatsoenlijk werk voor huishoudelijk personeel en Verdrag nr. 156 betreffende arbeiders met gezinsverantwoordelijkheid, omdat hierin de behoeften van werknemers overal ter wereld aan bod komen, en ervoor te zorgen dat sociale rechten, non-discriminatie en gelijke behandeling in handelsovereenkomsten worden opgenomen; verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten om binnen de IAO verder te werken aan de tenuitvoerlegging van deze verdragen en de versterking van internationale arbeidsnormen voor fatsoenlijk werk in mondiale waardeketens, met bijzondere aandacht voor vrouwen; wijst erop dat de daadwerkelijke toepassing van deze normen en verdragen positieve gevolgen heeft voor de arbeidsomstandigheden van vrouwen in de EU en in niet-EU-landen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat handelsovereenkomsten tussen de EU en andere partners bijdragen tot de uitbanning van praktijken zoals de uitbuiting van werknemers, met name vrouwen;

32.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat sociale en milieunormen, met name de arbeidsrechten die worden onderschreven in vrijhandelsovereenkomsten en autonome regelingen, gelden op het gehele grondgebied van de handelspartners, en met name in exportproductiezones;

33.  onderstreept het belang van het toezicht op de tenuitvoerlegging van het EU-stelsel van algemene preferenties (SAP) en het SAP+-stelsel, met name wat betreft de toepassing van de belangrijkste verdragen; wijst erop dat tot de verdragen in het kader van de SAP+-regeling het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979 behoort, alsook Verdrag nr. 111 betreffende discriminatie in arbeid en beroep en Verdrag nr. 100 betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde; onderstreept dat de naleving en tenuitvoerlegging van dit soort verdragen bijdragen tot de verbetering van de gendergelijkheid; erkent dat het SAP- en het SAP+-stelsel waardevolle instrumenten zijn ter bevordering van de eerbiediging van de mensenrechten; verzoekt de Commissie manieren te zoeken om deze stelsels te verbeteren, bijvoorbeeld door er strengere voorwaarden inzake de afschaffing van wettelijke discriminatie van vrouwen aan te verbinden, en economische stimulansen te blijven koppelen aan de daadwerkelijke goedkeuring, toepassing en passende monitoring van de belangrijkste verdragen inzake mensenrechten, arbeidsrechten en milieubescherming die met name relevant zijn voor vrouwen; is in dit verband ingenomen met de tussentijdse evaluatie van de SAP-stelsels door de Commissie;

34.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten bij onderhandelingen op WTO-niveau ervoor te zorgen: dat bij het opstellen van nieuwe voorschriften en overeenkomsten en bij de uitvoering en herziening van bestaande overeenkomsten die zijn opgenomen in de Regeling inzake toetsing van het handelsbeleid van de WTO, voldoende aandacht wordt besteed aan gendergelijkheid; dat het hele WTO-onderhandelingsproces transparanter wordt; en dat de genderproblematiek wordt meegenomen in alle huidige en toekomstige onderhandelingen op gebieden zoals landbouw, visserij, dienstverlening en elektronische handel; verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten voorts een betere positie van vrouwen in mondiale waardeketens te verdedigen en te bevorderen (door optimaal gebruik te maken van WTO-instrumenten zoals de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie), programma's voor capaciteitsopbouw te ontwikkelen en regelmatig besprekingen met deskundigen en de uitwisseling van goede praktijken te organiseren, steun te verlenen aan de goedkeuring van gendergerelateerde maatregelen in de bestuursstructuur van de WTO en er met name voor te zorgen dat het secretariaat van de WTO beschikt over de technische capaciteit om een genderanalyse van de handelsvoorschriften te verrichten (met inbegrip van de middelen om in alle stadia van zijn werkzaamheden gendereffectbeoordelingen uit te voeren, zoals kwantitatieve onderzoeken betreffende het aantal vrouwen dat technische bijstand ontvangt); verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten ten slotte WTO-instrumenten te benutten om genderkwesties aan de orde te stellen, zowel in de rechtspraak als in lopende handelsbesprekingen, en tevens steun te verlenen aan een betere samenwerking tussen de WTO en andere internationale organisaties, zoals de UNCTAD, UN Women en de IAO, bij inspanningen ter bevordering van een inclusieve internationale handel, vrouwenrechten en gelijke kansen;

35.  verzoekt de Commissie ondersteuning te verlenen aan internationale inspanningen ter bevordering van de opname van een genderperspectief in het handelsbeleid en in programma's zoals het initiatief "She Trades" van het Internationaal Handelscentrum (ITC), dat ten doel heeft tegen 2020 één miljoen vrouwelijke ondernemers met de markten in verbinding te stellen(30), en moedigt in dit verband de internationale uitwisseling van beste praktijken inzake genderbewuste beleidsmaatregelen en programma's binnen organisaties en organen als de WTO, het ITC en de VN aan;

36.  verzoekt de Commissie maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en zorgvuldigheidsverplichtingen in vrijhandelsovereenkomsten te versterken, overeenkomstig de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en de OESO-richtsnoeren inzake zorgvuldigheidsverplichtingen; dringt er bij de EU op aan in vrijhandelsovereenkomsten maatschappelijk verantwoord ondernemen te versterken en rekening te houden met zorgvuldigheidsverplichtingen, en spoort de WTO ertoe aan gendergelijkheid in haar handelsbeleid op te nemen; onderstreept dat het belangrijk is dit onderwerp ook in andere internationale en multilaterale organisaties en fora, zoals de VN, de Wereldbank en de OESO, te behandelen; wijst erop dat het Parlement in 2010 heeft gevraagd dat bedrijven hun MVO-balans zouden bekendmaken, dat voor alle ondernemingen zorgvuldigheidsvoorschriften zouden worden ingevoerd en dat het MVO-concept zou worden geconsolideerd; is dan ook verheugd dat grote ondernemingen krachtens de richtlijn niet-financiële verslaglegging sinds 2017 niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit moeten bekendmaken;

37.  benadrukt dat gedragscodes en regelingen inzake keurmerken en eerlijke handel moeten worden verbeterd en dat moet worden gezorgd voor overeenstemming met internationale normen zoals de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN, het "Global Compact"-initiatief van de VN en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen;

38.  verzoekt de EU ervoor te zorgen dat de secretariaten van de EU-instellingen die voor het handelsbeleid en het handelsoverleg bevoegd zijn, beschikken over de kennis en de technische capaciteit om een genderperspectief op te nemen in het gehele overlegproces, van bij de aanvang tot bij de toepassing en beoordeling; is blij dat in de structuur van DG Handel een contactpunt voor genderkwesties in het leven is geroepen dat tot taak heeft erop toe te zien of er in handelsovereenkomsten van de EU rekening wordt gehouden met genderaspecten, en te zorgen voor gendermainstreaming in het handelsbeleid van de EU; verzoekt de Commissie genderopleiding te verstrekken, of gebruik te maken van de opleiding die bijvoorbeeld door de UNCTAD wordt verstrekt, om te waarborgen dat ambtenaren en onderhandelaars zich bewust zijn van vraagstukken in verband met gendergelijkheid en handel; vraagt de lidstaten op alle niveaus in hun ministeries van Handel vrouwen aan te werven; vraagt internationale organisaties zoals de WTO, de Wereldbank, het IMF en de IAO de gelijke aanwezigheid van vrouwen in hun interne structuren, en met name in leidinggevende functies, te bevorderen; verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten zich actief in te zetten en inspanningen te ondersteunen voor de organisatie van regelmatige discussies en acties inzake gender en handel;

39.  verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te ijveren dat in handelsovereenkomsten wordt toegezegd om te zorgen voor een betere deelname van vrouwen aan besluitvormingsorganen, zowel in de openbare als in de particuliere sector;

40.  verzoekt de Commissie en de Raad op transparante wijze handelsbesprekingen te voeren, daarbij ten volle rekening te houden met de optimale werkwijzen uit andere onderhandelingen en ervoor te zorgen dat het Parlement in alle stadia van de onderhandelingen tijdig en regelmatig op de hoogte wordt gehouden; pleit voor onderhandelingsteams met een evenwichtige deelneming van mannen en vrouwen zodat zij alle genderaspecten van handelsovereenkomsten volledig in aanmerking kunnen nemen; verzoekt de EU en de lidstaten bij raadplegingen op het vlak van handel, op zowel EU- als WTO-niveau, te zorgen voor brede inspraak, onder meer van vrouwenrechtenorganisaties, vakbonden, bedrijven, het maatschappelijk middenveld en ontwikkelingsorganisaties, en de transparantie voor de Europese burgers te verhogen door met initiatieven te komen en inlichtingen te verstrekken die relevant zijn voor de onderhandelingen;

41.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de doelstelling van gendergelijkheid bijzondere aandacht krijgt bij hun ontwikkelingssamenwerking en dat zij wordt geïntegreerd in de bijstandsprogramma's, met name de programma's in verband met de strategie "Hulp voor handel"; verzoekt de EU meer middelen beschikbaar te stellen voor samenwerkingsprogramma's in verband met gendergelijkheid en beroepsopleiding voor vrouwen; verzoekt de Commissie de minst ontwikkelde landen financieel en door middel van capaciteitsopbouw te ondersteunen, in een poging om de samenhang tussen handel, ontwikkeling en mensenrechten, met inbegrip van gendergelijkheid, te vergroten; beklemtoont dat lagere belastinginkomsten ten gevolge van tariefverlagingen moeten worden aangepakt in het kader van de agenda voor duurzame ontwikkeling en de financiering daarvan;

42.  verzoekt de Commissie vrouwelijk ondernemerschap in ontwikkelingslanden te bevorderen, met bijzondere aandacht voor die landen waar vrouwen sterker dan mannen beperkt zijn qua toegang tot krediet, infrastructuur en productiestructuren;

43.  verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is opleidingsprogramma's ter voorbereiding van het leerlingwezen in te richten voor dienstverleners, werkgevers, beroepsbeoefenaars en andere belanghebbenden uit de sector zodat zij met hun collega's uit de hele EU kunnen netwerken en kennis kunnen opdoen uit een hele reeks succesvolle programmamodellen, om uiteindelijk gunstige omstandigheden tot stand te brengen voor de deelname van vrouwen aan de kansen die door vrijhandelsovereenkomsten worden geboden;

44.  verzoekt de Commissie en de lidstaten hun krachten te bundelen om het beleid aan te passen op terreinen zoals onderwijs en beroepsopleiding, ter bevordering van een grotere gendergelijkheid bij de verdeling van de arbeidskansen die door de export worden geboden;

45.  verzoekt de Commissie en de Raad in handelsovereenkomsten te ijveren voor de toezegging om bilaterale samenwerkingsactiviteiten te verrichten ter verbetering van de capaciteit van en de voorwaarden voor vrouwen om ten volle voordeel te halen uit de kansen die deze overeenkomsten bieden, en om met dit doel voor ogen en ter verwezenlijking en bevordering van samenwerking een gemengd comité inzake handel en gender op te zetten en toe te zien op de toepassing daarvan, en daarbij een passende deelname van particuliere belanghebbenden te waarborgen, waaronder deskundigen en maatschappelijke organisaties die actief zijn op het gebied van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen, met een brede vertegenwoordiging volgens gemeenschap en sector, via toegankelijke raadplegingsmiddelen (zoals onlinediscussies) die verder gaan dan een gestructureerde dialoog;

46.  verzoekt de Commissie verder te onderzoeken hoe het beleid en de handelsovereenkomsten van de EU de economische empowerment van vrouwen en hun deelname op terreinen zoals wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) kunnen bevorderen en hoe de genderkloof inzake de toegang tot en het gebruik van nieuwe technologieën kan worden gedicht;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1.
(3) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.
(4) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 31.
(5) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 94.
(6) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 38.
(7) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.
(8) PB C 66 van 21.2.2018, blz. 30.
(9) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0073.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0298.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0330.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0354.
(14) UNDP, Africa Human Development Report 2016, http://www.undp.org/content/dam/undp/library/corporate/HDR/Africa%20HDR/AfHDR_2016_lowres_EN.pdf?download.
(15) Technisch verslag van de OESO, http://www.oecd.org/gender/Enhancing%20Women%20Economic%20Empowerment_Fin_1_Oct_2014.pdf
(16) http://trade.ec.europa.eu/doclib/press/index.cfm?id=1632
(17) https://www.wto.org/english/forums_e/parliamentarians_e/ipuconf2016_e.htm
(18) https://www.wto.org/english/tratop_e/devel_e/a4t_e/global_review15prog_e/global_review15prog_e.htm
(19) http://unctad.org/en/Pages/DITC/Gender-and-Trade/Trade,-Gender-and-Development.aspx
(20) https://www.ictsd.org/sites/default/files/research/the_gender_dimensions_of_global_value_chains_0.pdf
(21) https://www.ictsd.org/sites/default/files/research/the_gender_dimensionsof_services.pdf
(22) http://progress.unwomen.org/en/2015/pdf/unw_progressreport.pdf
(23) https://wideplus.org/2017/06/25/wide-gender-and-trade-position-paper-is-available/
(24) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2016/571388/IPOL_STU(2016)571388_EN.pdf
(25) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2015/549058/EXPO_IDA(2015)549058_EN.pdf
(26) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2017/june/tradoc_155632.pdf
(27) Implementing gender-aware ex ante evaluations to maximize the benefits of trade reforms for women, http://unctad.org/en/PublicationsLibrary/presspb2016d7_en.pdf.
(28) Achtergrondverslag van de OESO "Enhancing Women's Economic Empowerment through Entrepreneurship and Business Leadership in OECD Countries" (2014), http://www.oecd.org/gender/Enhancing%20Women%20Economic%20Empowerment_Fin_1_Oct_2014.pdf.
(29) Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).
(30) http://www.intracen.org/itc/women-and-trade/SheTrades/


Achterstandsregio's in de EU
PDF 267kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2018 over achterstandsregio's in de EU (2017/2208(INI))
P8_TA(2018)0067A8-0046/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 174, 175 en 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1),

—  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(2),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

—  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over de gevolgen van de bezuinigingen op de begroting voor regionale en lokale overheden met betrekking tot de uitgaven in het kader van de EU-Structuurfondsen in de lidstaten(3),

—  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014‑2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel(4),

–   gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening(5),

—  gezien zijn resolutie van 13 juni 2017 over het vergroten van de betrokkenheid van de partners en de zichtbaarheid van de resultaten van de Europese structuur- en investeringsfondsen(6),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2017 over bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020(7),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën(8),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 april 2017 getiteld "Competitiveness in low-income and low‑growth regions: the lagging regions report" (SWD(2017)0132),

–  gezien de ex-antevoorwaarden voor strategieën voor slimme specialisatie,

–  gezien het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie, gepubliceerd door de Commissie op 9 oktober 2017,

—  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

—  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie visserij (A8‑0046/2018),

A.  overwegende dat de aanslepende economische en financiële crisis in de EU negatieve effecten heeft gehad op de economische groei, ook op regionaal niveau, hoewel het cohesiebeleid ongeveer een derde van de EU-begroting heeft bijgedragen aan het versterken van de groei en de werkgelegenheid en aan het verminderen van de ongelijkheden tussen de regio's in de EU; verzoekt de Commissie in dit verband en in het kader van het Europees semester te kijken naar regionale en nationale medefinanciering in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI‑fondsen) en het effect daarvan op de nationale tekorten;

B.  overwegende dat het cohesiebeleid, dat ten uitvoer wordt gelegd door middel van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds, het belangrijkste investerings- en ontwikkelingsbeleid van de EU is, afgestemd is op de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei en gericht is op het terugdringen van de economische, sociale en territoriale ongelijkheden tussen de regio's, het bevorderen van convergentie en uiteindelijk het verbeteren van de levenskwaliteit van de Europese burgers;

C.  overwegende dat het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds de volgende hoofddoelen hebben voor de periode 2014-2020: investeren in groei en werkgelegenheid om de arbeidsmarkt, de regionale economieën en de Europese territoriale samenwerking te versterken, de grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking binnen de Unie te verbeteren, en uiteindelijk de ongelijkheden tussen de afzonderlijke regio's in de EU te verminderen;

D.  overwegende dat volgens het Commissieverslag over achterstandsregio's 47 regio's in acht lidstaten een achterstand hebben; overwegende dat het verslag kan leiden tot een beter begrip van de complexe uitdagingen waarmee achterstandsregio's worden geconfronteerd en daarom beschikbaar moet zijn voor het publiek in alle officiële talen van de EU;

E.  overwegende dat het cohesiebeleid in alle achterstandsregio's een belangrijke rol speelt en in de meeste ervan goed is voor een zeer groot aandeel van de publieke investeringen;

F.  overwegende dat achterstandsregio's een lagere productiviteit, werkgelegenheid en schoolbezoek hebben dan andere regio's in dezelfde lidstaat;

G.  overwegende dat in het Commissieverslag een onderscheid wordt gemaakt tussen twee soorten achterstandsregio's: "regio's met een lage groei" – minder ontwikkelde en overgangsregio's die tussen 2000 en 2013 geen aansluiting vonden bij het EU‑gemiddelde in de lidstaten met een bbp per hoofd van de bevolking in koopkrachtpariteit van minder dan het EU-gemiddelde in 2013, die bijna alle minder ontwikkelde en overgangsregio's omvatten in Griekenland, Spanje, Italië en Portugal; en "regio's met een laag inkomen" – alle regio's met een bbp per hoofd van de bevolking in koopkrachtpariteit van minder dan 50 % van het EU-gemiddelde in 2013, die diverse minder ontwikkelde regio's omvatten in Bulgarije, Hongarije, Polen en Roemenië;

H.  overwegende dat regio's met een lage groei lijden onder economische stagnering, met name als gevolg van een daling van de publieke en particuliere investeringen, in tegenstelling tot regio's met een laag inkomen, die over het algemeen hun ontwikkelingspotentieel behouden;

I.  overwegende dat achterstandsregio's meer dan de andere regio's last hebben van het tekort aan publieke en particuliere investeringen, dat ook het gevolg is van de door het stabiliteitspact opgelegde vereisten inzake verlaging van de overheidsschuld;

J.  overwegende dat achterstandsregio's vaak gekenmerkt worden door een gebrek aan structurele hervormingen, hetgeen het effect van de reeds beperkte publieke investeringen vermindert;

K.  overwegende dat achterstandsregio's gebukt gaan onder ernstige nadelen op het gebied van openbaarvervoers-, economische en energie-infrastructuur, en dat zij efficiëntere en effectievere investeringen vereisen;

L.  overwegende dat de Commissie van mening is dat er een nauwere verband moet zijn tussen het cohesiebeleid en de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees semester;

M.  overwegende dat achterstandsregio's, en met name regio's met een laag inkomen, vaak geconfronteerd worden met het vertrek van jongeren en geschoolde arbeidskrachten, beide noodzakelijk voor de economische en sociale revitalisering van de betrokken gebieden, waardoor deze regio's minder aantrekkelijk worden wat werkgelegenheid en investeringen betreft;

N.  overwegende dat de definitie van regio's met een laag inkomen en regio's met een lage groei moet worden verfijnd;

O.  overwegende dat het belangrijk is de bekendheid van door de EU gefinancierde regionale en lokale programma's en de hiermee gerealiseerde resultaten onder eindgebruikers te vergroten, ongeacht het financieringsniveau in een bepaalde regio;

P.  overwegende dat goed bestuur en efficiënte overheidsdiensten in achterstandsregio's nodig zijn, aangezien deze een aanzienlijke bijdrage leveren aan het scheppen van de voorwaarden voor economische groei; overwegende dat een vermindering van de overmatige regelgeving en controles, en van de lengte en complexiteit van de procedures, en een beter gebruik van ICT-instrumenten zouden bijdragen tot een verbetering van de doelmatigheid en goed bestuur in achterstandsregio's;

Q.  overwegende dat volgens het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie de achterstandsregio's op het laagste niveau van de Europese Quality of Government Index staan, wat een geringer effect van overheidsinvesteringen met zich meebrengt;

R.  overwegende dat betrouwbare, actuele en uitgesplitste cijfers en statistieken van groot belang zijn voor een weloverwogen, transparantere, onpartijdige en eerlijkere politieke besluitvorming;

S.  overwegende dat hinderpalen voor de groei in achterstandsregio's uit de weg moeten worden geruimd en lacunes in de infrastructuur er moeten worden opgevuld;

T.  overwegende dat kmo's in achterstandsregio's tegen een veel hoger rentepercentage worden gefinancierd en van banken moeilijker een lening krijgen voor de medefinanciering van ESI-fondsprojecten;

U.  overwegende dat in vier van de vijf achterstandsregio's ten minste 25 % van de bevolking in de stad of de omringende forenzenzone (functioneel stedelijk gebied) woont en dat in van de vijf achterstandsregio's meer dan 50 % van de bevolking in een functioneel stedelijk gebied woont;

V.  overwegende dat traditionele activiteiten, zoals kleinschalige ambachtelijke visserij of landbouw, in de meeste kust- en plattelandsgebieden van achterstandsregio's de identiteit en levenswijze bepalen en economische, territoriale, sociale en culturele betekenis hebben; overwegende dat ontwikkelingsstrategieën nodig zijn voor het versterken van de capaciteit om talent te behouden en aan te trekken, nieuwe technologieën in te voeren en nieuwe investeringen te stimuleren;

1.  is tevreden met het feit dat de Commissie een werkdocument heeft gepresenteerd met als titel "Competitiveness in low‑income and low‑growth regions: the lagging regions report"; merkt op dat in het verslag enkele positieve oplossingen worden voorgesteld om de economische groei, duurzame ontwikkeling en banencreatie in deze regio's te ondersteunen; benadrukt voorts dat de analyse van hun concurrentievermogen een belangrijke bijdrage levert aan de toekomstige discussie over het cohesiebeleid;

2.  is ingenomen met de uitvoering van de proefprojecten voor achterstandsregio's in twee regio's in Roemenië en, met steun van de Wereldbank, twee regio's in Polen, met name de definitie van strategische prioriteiten en concrete, snel uitvoerbare acties; kijkt uit naar de publicatie van de resultaten van deze initiatieven;

3.  onderstreept dat het cohesiebeleid een sleutelrol speelt in het garanderen en bevorderen van publieke en private investeringen in alle regio's van de EU, zowel rechtstreeks als door bij te dragen aan het scheppen van een positief investeringsklimaat; is van mening dat de EU als geheel, ter bevordering van een harmonische algemene ontwikkeling van de Unie in haar geheel, acties moet ondernemen om haar economische, sociale en territoriale cohesie te versterken en de ongelijkheden tussen het ontwikkelingsniveau van de diverse regio's en de onderontwikkeling van achterstandsregio's te verminderen;

4.  verzoekt de Commissie achterstandsregio's op NUTS-III-niveau te definiëren, op basis van de algemene economische en sociale omstandigheden, en de financiering van deze gebieden beter af te stemmen op de programmeringscycli van de ESI-fondsen;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voor de verschillende achterstandsregio's strategieën, programma's en maatregelen op maat uit te werken, rekening houdend met de trends en subregionale verschillen, aangezien de trajecten die regio's met een laag inkomen en regio's met een lage groei volgen en de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd, sterk verschillen volgens hun specifieke kenmerken, en hierbij gebruik te maken van strategieën voor slimme specialisatie, om hun convergentie te bespoedigen en de beste oplossingen te garanderen voor banencreatie, economische groei en duurzame ontwikkeling; is van mening dat deze strategieën, programma's en maatregelen moeten worden gecoördineerd met de stedelijke agenda, omdat achterstandsregio's niet louter ruraal zijn;

6.  onderstreept dat naast de beperkte ontwikkeling van en investering in kmo's ook de werkloosheid dramatisch hoog blijft, met name onder jongeren, en een van de meest ernstige en urgente problemen is in het merendeel van de achterstandsregio's; onderstreept de fundamentele rol van middelbaar en hoger onderwijs, van beroepsopleiding en opleiding op de werkplek en van kennisoverdracht voor de bestrijding van het alarmerende peil van de jeugdwerkloosheid en de grote aantallen jongeren die deze regio's verlaten; wijst op het belangrijke karakter van onderwijs en opleiding en van meer investeringen in verhouding tot de behoeften en de ontwikkeling van kmo's en familiebedrijven; is van mening dat de betrokkenheid van jongeren leidt tot betere prestaties, aangezien zij vaak innoverende oplossingen leveren;

7.  merkt op dat de aanwezigheid van geschoolde en opgeleide arbeidskrachten die voldoen aan de behoeften van de regionale economie, een grote impact heeft op het concurrentievermogen, de productiviteit en de aantrekkelijkheid van de arbeidsmarkt, die dan kan bloeien in een omgeving van groei en openheid voor publieke en particuliere investeringen; is van mening dat in dit verband rekening moet worden gehouden met de huidige situatie van achterstandsregio's, met name het negatieve migratiecijfer en de nadelige gevolgen hiervan voor de werkgelegenheid; wijst op de rol die landbouw en visserij spelen in achterstandsregio's, doordat zij via de bevordering van familiebedrijven en werkgelegenheid en het faciliteren van sociale inclusie, voor voedsel zorgen en voedselzekerheid waarborgen;

8.  merkt op dat diversificatie voor landbouwers en vissers, met name in achterstandsregio's, een noodzaak is geworden om te zorgen voor bijkomende bronnen van inkomsten en voor het bevorderen van economisch en ecologisch duurzame activiteiten; merkt evenwel op dat deze diversificatie in geen geval de plaats mag innemen van meer traditionele activiteiten, zoals duurzame visserij; spoort de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten aan steun te verlenen aan projecten op het vlak van de blauwe economie en soortgelijke projecten om de bevolking in achterstandsregio's te helpen ecologisch duurzame inkomstenbronnen te genereren;

9.  hoopt dat bij de uitvoering van de EU 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, alsmede de komende ET-langetermijnstrategie en de doelstellingen hiervan, voort naar behoren rekening zal worden gehouden met de specifieke behoeften van de achterstandsregio's, en met name de aanhoudende leemten op het gebied van infrastructuur en de ontwikkeling van menselijk kapitaal, met bijzondere aandacht voor het aantal schoolverlaters en de negatieve gevolgen hiervan voor de werkgelegenheid; verzoekt de Commissie in dit verband een onderzoek in te stellen naar de gevolgen van een eventuele verhoging van het cofinancieringspercentage van het ESF voor de komende financieringsperiode;

10.  acht het nodig het evenwicht te vinden tussen structurele interventies, sociaal beleid en het industriebeleid in de programmering en de tenuitvoerlegging van de ESI-fondsen, om economische groei, duurzame ontwikkeling en het banencreatie te bevorderen door subsidies te combineren met financieringsinstrumenten en door extra financiële steun aan te trekken, om de resterende tekortkomingen aan te pakken; benadrukt in dit verband dat financieringsinstrumenten met een laag risico te verkiezen kunnen zijn boven instrumenten met een hoger risico, als de economische vooruitzichten dit mogelijk maken;

11.  merkt op dat het cohesiebeleid kan dienen als instrument voor het corrigeren van verschillen in concurrentievermogen en onevenwichten, alsmede macro-economische asymmetrieën tussen regio's, door de creatie te bevorderen van een aantrekkelijk en duurzaam klimaat voor bedrijven en burgers; onderstreept het feit dat in regio's met een lage groei toegang tot krediet, handhaving van contracten en bescherming van minderheidsinvesteringen de belangrijkste problemen zijn die zijn geïdentificeerd, terwijl in regio's met een laag inkomen de belangrijkste kwesties het oplossen van insolventie, elektriciteitsvoorziening en het afdwingen van contractuitvoering zijn;

12.  merkt op dat achterstandsregio's onder aanzienlijke migratiedruk staan; is van mening dat de bijdrage van de ESI-fondsen aan het aanpakken van deze uitdaging alleen succesvol kan zijn, als het beginsel van solidariteit ook effectief wordt toegepast; is van mening dat vluchtelingen en migranten met internationale bescherming passende opleiding en onderwijs moeten krijgen met het oog op integratie in de arbeidsmarkt;

13.  merkt op dat vele van de problemen van achterstandsregio's vergelijkbaar zijn met de problemen in ultraperifere regio's; is daarom tevreden met de strategie die de Commissie voorstelt in haar mededeling met als titel "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU"(9);

14.  is van mening dat criteria inzake economische en sociale ontwikkeling, bijvoorbeeld de regionale index voor sociale vooruitgang, alsmede milieu- en ander indicatoren, samen met het bbp, in de context van het cohesiebeleid in aanmerking kunnen worden genomen en kunnen worden gebruikt in toekomstige verslagen van de Commissie over achterstandsregio's, om ervoor te zorgen dat het potentieel van achterstandsregio's wordt benut;

15.  wijst op de negatieve gevolgen, met name voor achterstandsregio's, van de economische en financiële crisis, die de marges van het begrotingsbeleid hebben verkleind, met als gevolg bezuinigingen op de overheidsinvesteringen; benadrukt anderzijds het feit dat schuldreductie belangrijk is om het begrotingstekort weg te werken en de overheidsinvesteringen aan te passen aan de groeivereisten;

16.  is van mening dat het cohesiebeleid een positief effect heeft op het creëren van groei en werkgelegenheid; benadrukt het feit dat het overeengekomen standpunt inzake het stabiliteits- en groeipact met betrekking tot flexibiliteit in verband met conjunctuuromstandigheden, structurele hervormingen en overheidsinvesteringen die gericht zijn op de tenuitvoerlegging van grote structurele hervormingen en soortgelijke projecten, moet worden toegepast, om de Europa 2020-doelstellingen te realiseren; erkent dat het nodig is de context en reikwijdte van de toepassing van structurele hervormingen in het kader van het cohesiebeleid te verduidelijken; merkt evenwel op dat deze structurele hervormingen in de lidstaten en regio's met een steunprogramma kunnen bijdragen tot een beter resultaat voor investeringen in het kader van het cohesiebeleid;

17.  pleit voor een krachtiger optreden ter vergroting van de convergentie tussen alle regio's, inclusief actie om hun weerbaarheid te garanderen in geval van plotse schokken;

18.  merkt op dat de toegang tot krediet moeilijker is in achterstandsregio's, met name in regio's met een laag inkomen, door de hogere intrestvoeten en in zekere mate de geringe neiging van het kredietsysteem om risico's te nemen; onderstreept dat het belangrijk is om de toegang tot krediet te vergemakkelijken, teneinde kmo's te helpen, nieuwe zakelijke modellen te bevorderen en de groei in achterstandsregio's te bevorderen;

19.  benadrukt het feit dat de EU-middelen belangrijk zijn voor het verbeteren van de economische veerkracht en de cohesie van deze regio's, alsmede het concurrentievermogen, de investeringen en de mogelijkheden voor samenwerking; erkent daarom dat de input van plaatselijke actiegroepen bij het ontwikkelen van lokale strategieën; stelt voor dat de Commissie de mogelijkheid onderzoekt om de toewijzing voor te stellen van een groter aandeel van de steun aan door de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (community-led local development, CLLD), om zowel de uitdagingen aan te pakken als de capaciteiten op te bouwen; herinnert eraan dat achterstandsregio's vaak moeilijkheden ondervinden om toegang te verkrijgen tot financiering en vaak te maken krijgen met bureaucratische en administratieve vertragingen die de met EU-middelen gefinancierde activiteiten hinderen;

20.  is van mening dat gezocht kan worden naar positieve stimulansen voor de regio's binnen het bestaande kader van de macro-economische voorwaarden die worden opgelegd door het Europees semester;

21.  houdt rekening met het feit dat gezond economisch bestuur belangrijk is voor een efficiënte totaalprestatie van de ESI-fondsen, met als uiteindelijke doel tekortkomingen te corrigeren en vertragingen te voorkomen; is het er in dit verband mee eens dat de bestaansreden zelf van de koppeling tussen het cohesiebeleid en het Europees semester moet worden geanalyseerd en vervolgens geëvalueerd;

22.  is van mening dat solidariteit, een grotere institutionele capaciteit, eerbiediging van het beginsel van goed bestuur en een betere connectiviteit en digitalisering in deze regio's een aanzienlijke invloed hebben op hun economische groei en in grote mate leiden tot een efficiënter en doeltreffender gebruik van de bestaande middelen; vestigt om die reden de aandacht op de kwestie van het ondersteunen en verbeteren van de kwaliteit van het bestuur en de instellingen in de getroffen regio's; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorbeelden te verspreiden van goede praktijken op het gebied van efficiëntere overheidsdiensten, omdat doeltreffend bestuur voor achterstandsregio's de belangrijkste aanbeveling moet zijn;

23.  onderstreept in verband hiermee dat het partnerschapsprincipe belangrijk is, alsmede multilevel governance, die moet worden versterkt zonder afbreuk te doen aan het subsidiariteitsbeginsel; is van oordeel dat betrokkenheid van alle bestuurlijke niveaus en belanghebbenden bij het uitwerken en uitvoeren van strategieën en concrete programma's en maatregelen voor deze regio's van het allergrootste belang is voor het scheppen van daadwerkelijke Europese meerwaarde voor de burger;

24.  wijst er andermaal op dat innovatie, digitalisering en verbetering van de lokale voorzieningen (gezondheidszorg, sociale diensten, postdiensten) en infrastructuur belangrijk zijn voor het creëren van een positieve omgeving en een goede basis voor het stimuleren van de groei en het versterken van de cohesie in achterstandsregio's; is van mening dat de beschikbaarstelling van supersnelle internetverbindingen een conditio sine qua non is voor de levensvatbaarheid van landelijke en berggebieden; wijst op het potentieel van sectoroverschrijdende projecten die economische, sociale en territoriale ontwikkeling bevorderen door gebruik te maken van de synergie tussen Europese fondsen;

25.  suggereert de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees semester een meerjarig karakter te geven, met controle en evaluatie halverwege de looptijd, en stelt voor deze aanbevelingen te zien als positieve prikkels voor het opstarten van structurele hervormingen en niet als instrumenten waarmee de toegang tot investeringen in het kader van het cohesiebeleid kan worden verhinderd, teneinde bij te dragen tot de gemeenschappelijke doelstellingen van de Unie;

26.  is van oordeel dat de in Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde maatregelen die de doeltreffendheid van de ESI-fondsen koppelen aan gezond economisch bestuur, zorgvuldig moeten worden onderzocht, onder meer door alle belanghebbenden hierbij te betrekken; is voorts van oordeel dat de grondidee achter het verband tussen de ESI-fondsen en gezonde economische governance moet worden herbekeken, met het oog op de volgende programmeringsperiode en rekening houdend met de uitvoering ervan in de periode 2014-2020; is van mening dat de Commissie aanpassingen moet overwegen van de manier waarop het Europees semester en het cohesiebeleid aan elkaar zijn gekoppeld; stelt in verband hiermee een systeem voor van positieve prikkels, waarvoor ruimte kan worden gecreëerd in het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK), bij wijze van enveloppe die kan worden gebruikt wanneer de lidstaten voldoen aan de landspecifieke aanbevelingen en andere eisen in het kader van het Europees semester;

27.  acht het bijzonder nodig productieve lokale bedrijfsactiviteiten te ondersteunen die specifiek zijn voor achterstandsregio's, inclusief duurzaam toerisme, circulaire economie, lokale energietransitie, landbouw, industrieproducten en innovatie met focus op kmo's; is van mening dat synergieën die ontstaan uit de doeltreffende combinatie van financiering door regionale en nationale instanties met financiering via EU‑instrumenten, door middel van geïntegreerde territoriale investeringen, moeten helpen economische kansen te creëren, met name voor jongeren;

28.  onderstreept het feit dat het belangrijk is alle kansen te benutten die de EU biedt voor duurzame ontwikkeling en groei in deze regio's; is van mening dat de lidstaten bijzondere aandacht moeten besteden aan achterstandsregio's bij de voorbereiding van operationele en grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's; herinnert er daarom aan dat het belangrijk is gebruik te maken van middelen in het kader van direct beheer en het EFSI, naast en in coördinatie met de kansen die worden geboden door het cohesiebeleid;

29.  benadrukt dat het belangrijk is te beschikken over betrouwbare, bijgewerkte en uitgesplitste statistieken; vraagt daarom dat de Commissie en Eurostat statistieken verstrekken met de grootst mogelijke details en geografische uitsplitsing, zodat zij kunnen worden gebruikt voor het ontwerpen van geschikte cohesiemaatregelen, inclusief in achterstandsregio's; is in verband hiermee tevreden met de informatie in het verslag van de Commissie;

30.  verzoekt de Commissie herziening te overwegen van het bestaande verband tussen het cohesiebeleid en de macro-economische governance en herinnert eraan dat de legitimiteit van het cohesiebeleid rechtstreeks voortvloeit uit de Verdragen, dat het cohesiebeleid een van de meest zichtbare Europese beleidsgebieden is en de belangrijkste uiting van Europese solidariteit en meerwaarde in alle Europese regio's; is van oordeel dat de link tussen het cohesiebeleid en de economischegovernanceprocessen in het kader van het Europees semester evenwichtig en wederzijds moeten zijn en gericht moeten zijn op een systeem van positieve prikkels; pleit voor verdere erkenning van de territoriale dimensie, die het Europees semester ten goede kan komen; acht het daarom nodig een evenwichtige aanpak te volgen met betrekking tot economische governance en de doelstellingen van economische, sociale en territoriale cohesie als vastgesteld in de Verdragen en met betrekking tot duurzame groei, werkgelegenheid en milieubescherming;

31.  herhaalt dat alle politieke actoren de rol moeten erkennen die het cohesiebeleid speelt als belangrijkste instrument van het Europese economische beleid dat publieke en particuliere investeringen bevordert waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke territoriale, sociale en economische kenmerken van de regio's;

32.  verzoekt de lidstaten, zoals voorgesteld in het Commissieverslag, om nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën en ‑programma's vast te stellen ter ondersteuning van achterstandsregio's en ter verbetering van hun bestuurlijke capaciteiten, governance en andere essentiële groeifactoren; verzoekt de Commissie in verband hiermee technische, professionele en praktische bijstand ter verlenen aan de lidstaten, regio's en gemeenten om gebruik te maken van beste praktijken en de digitalisering van overheidsdiensten te ondersteunen;

33.  dringt erop aan dat het cohesiebeleid een prioriteit blijft voor de Unie en bijgevolg geschraagd wordt door een ambitieuze financiering, ondanks de druk op de EU‑begroting, dat de synergieën met andere EU‑middelen worden verhoogd en dat aanvullende financiële steun via financieringsinstrumenten in het meerjarige programmeringskader voor de periode na 2020 worden aangetrokken; benadrukt dat waarden als Europese solidariteit, die het cohesiebeleid belichaamt, niet mogen worden ondermijnd;

34.  herinnert aan de verantwoordelijkheid van het Parlement bij het ontwerpen en goedkeuren van het passende wetgevingskader voor het toekomstige cohesiebeleid; wijst erop dat de fundamentele rol en het fundamentele doel van het cohesiebeleid overeenkomstig artikel 174 van het VWEU behouden moeten blijven, niet alleen om convergentie te realiseren, maar ook om te voorkomen dat gebieden achterop raken; wijst erop dat de regels moeten worden gestroomlijnd en dat een goed evenwicht moet worden gegarandeerd tussen vereenvoudiging van het beleid en adequate controles, terwijl buitensporige administratieve lasten moeten worden verminderd; is van mening dat de Commissie en de lidstaten een uitbreiding moeten overwegen van de bepalingen van artikel 7 van de EFRO-verordening (Verordening (EU) nr. 1301/2013), door in achterstandsregio's de verbindingen te financieren tussen steden en omliggende gebieden;

35.  vraagt de Commissie de ontwikkeling van innovatiesystemen, bijvoorbeeld innovatiestrategieën voor slimme specialisatie, beter te ondersteunen en de interactie tussen bedrijven, universiteiten en onderzoekscentra in achterstandsregio's te versterken; onderstreept voorts het feit dat goed verbonden gebieden essentieel zijn voor de activiteiten van onderzoekspartnerschappen, inclusief initiatieven in het kader van het Europees innovatiepartnerschap, zodat innoverende praktijken de duurzame ontwikkeling van de landbouw en aanverwante sectoren in achterstandsregio's verder kunnen verbeteren;

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité, en de regeringen en nationale en regionale parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(3) PB C 181 van 19.5.2016, blz. 29.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0245.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0254.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0401.
(9) Mededeling van de Commissie van 24 oktober 2017 (COM(2017)0623).


De rol van de regio's en steden van de EU in de tenuitvoerlegging van de COP21-overeenkomst van Parijs over de klimaatverandering
PDF 217kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2018 over de rol van regio's en steden van de EU bij de tenuitvoerlegging van de COP21-overeenkomst van Parijs over klimaatverandering. (2017/2006(INI))
P8_TA(2018)0068A8-0045/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21 en de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC en de 11e conferentie van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

–  gezien artikel 7, lid 2, en artikel 11, lid 2, van de Overeenkomst van Parijs, waarin wordt gewezen op de lokale, subnationale en regionale dimensies van klimaatverandering en klimaatactie,

–  gezien het standpunt van 4 oktober 2016 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering(1),

–  gezien zijn resolutie van 6 oktober 2016 over de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de VN-conferentie van 2016 over klimaatverandering in Marrakesh, Marokko (COP22)(2),

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23)(3),

–  gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en met name doelstelling 11: "Steden inclusief, veilig, veerkrachtig en duurzaam maken",

–  gezien de bepalingen van het Pact van Amsterdam inzake de stedelijke agenda voor de EU,

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU-beleid(4),

–  gezien Verslag nr. 12/2016 "Aanpassing van steden aan klimaatverandering 2016" en Verslag nr. 1/2017 "Klimaatverandering, gevolgen en kwetsbaarheid in Europa 2016" van het Europees Milieuagentschap,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 maart 2016 getiteld "Wat na Parijs? Een beoordeling van de implicaties van de Overeenkomst van Parijs" (COM(2016)0110 final),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 april 2013 getiteld "Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering" (COM(2013)0216),

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio's van 8 februari 2017 getiteld "Een geïntegreerde aanpak voor een nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering"(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 juli 2014 getiteld "De stedelijke dimensie van het Europees beleid – Hoofdkenmerken van een Europese stedelijke agenda" (COM(2014)0490),

–  gezien artikel 8 van de verordening gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening) (Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013(6)), dat bepaalt dat "[d]e doelstellingen van de ESI-fondsen worden nagestreefd in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling",

–  gezien de partnerschapsovereenkomsten en programma's uit hoofde van de GB‑verordening, die krachtens artikel 8 van de GB-verordening moeten bijdragen aan een "efficiënt gebruik van hulpbronnen, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering",

–  gezien de specifieke thematische doelstellingen die door ieder ESI-fonds worden gesteund, waaronder technologische ontwikkeling en innovatie, de overgang naar een koolstofarme economie, de aanpassing aan de klimaatverandering en de bevordering van efficiënt gebruik van hulpbronnen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien het vijfde evaluatieverslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0045/2018),

A.  overwegende dat de toename van extreme weersomstandigheden een rechtstreeks gevolg is van door de mens veroorzaakte klimaatverandering en met toenemende regelmaat negatieve effecten zal hebben in grote delen van Europa, waardoor de daar aanwezige ecosystemen steeds kwetsbaarder worden; overwegende dat volgens de scenario's van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering de temperatuur op Aarde tot het jaar 2100 met 0,9 tot 5,8 ºC zou kunnen stijgen;

B.  overwegende dat het zevende milieuactieprogramma (MAP), dat tot 2020 richting zal geven aan het Europees milieubeleid, de verbetering van de duurzaamheid van de steden in de Unie als prioritaire doelstelling aanmerkt, samen met de drie horizontale hoofddoelstellingen, te weten het beschermen, behouden en verbeteren van het natuurlijk kapitaal van de Unie, het omvormen van de Unie tot een hulpbronnenefficiënte, groene en concurrerende koolstofarme economie, en het beschermen van de burgers van de Unie tegen milieugerelateerde druk en risico's voor de volksgezondheid en het welzijn;

C.  overwegende dat de klimaatverandering de maatschappelijke veranderingen kan verergeren als er geen verdere stappen worden ondernomen; overwegende dat rekening moet worden gehouden met de omvangrijke migratiestromen die worden voorspeld als gevolg van deze mondiale klimaatveranderingen, alsmede met de gevolgen van volksverhuizingen die nieuwe eisen stellen aan de infrastructuur van steden;

D.  overwegende dat, volgens de belangrijkste bevindingen van het EMA-verslag nr. 12/2016, de realiteit van de klimaatverandering in de EU reeds wordt gevoeld in de vorm van extreme weersverschijnselen en geleidelijk toenemende langetermijneffecten zoals orkanen, stormen, woestijnvorming, droogte, bodem- en kusterosie, zware regenval, hittegolven, overstromingen, zeespiegelstijging, watertekorten, bosbranden en de verspreiding van tropische ziekten;

E.  overwegende dat als gevolg van de klimaatverandering het risico op verdwijning van bepaalde planten- en diersoorten en de incidentie van besmettelijke ziekten als gevolg van klimatologische factoren toeneemt; overwegende dat gebieden, zoals de ultraperifere regio's en andere regio's van de EU die te kampen kunnen hebben met kwetsbaarheid vanwege topografische kenmerken, de gevolgen van de klimaatverandering nog sterker ondervinden;

F.  overwegende dat bovendien uit recente studies blijkt dat diverse waargenomen veranderingen in het milieu en de samenleving, zoals veranderingen van in bossen voorkomende soorten, de verspreiding van invasieve uitheemse soorten en ziekte-uitbraken, door de wereldwijde klimaatverandering zijn veroorzaakt of verergerd, waardoor mensen, natuur en de ecosystemen waarin zij leven kwetsbaar worden, tenzij concrete maatregelen worden genomen; overwegende dat geïntegreerde EU-steun om de solidariteit en de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten te bevorderen eraan zou bijdragen om ervoor te zorgen dat de regio's die het zwaarst door de klimaatverandering getroffen zijn, de nodige aanpassingsmaatregelen kunnen nemen;

G.  overwegende dat de klimaatverandering van invloed is op de sociale ongelijkheid die de afgelopen tien jaar in de EU al is toegenomen, waardoor de zwakste bevolkingsgroepen in de samenleving, die minder goed in staat zijn en over minder middelen beschikken om de gevolgen ervan op te vangen, kwetsbaarder worden; overwegende dat de kwetsbaarheid van individuen voor de gevolgen van klimaatverandering in grote mate wordt bepaald door hun vermogen om toegang te krijgen tot essentiële hulpbronnen en dat overheden de toegang tot die hulpbronnen moeten garanderen;

H.  overwegende dat bijna 72,5 % van de burgers in de EU, oftewel ongeveer 359 miljoen mensen, in steden woont; daarnaast overwegende dat de EU verantwoordelijk is voor 9 % van de wereldwijde uitstoot en stedelijke gebieden 60 tot 80 % van het wereldwijde energieverbruik voor hun rekening nemen, en ongeveer een even hoog percentage van de CO2-uitstoot veroorzaken;

I.  overwegende dat de gemaakte keuzes op het gebied van stedelijke infrastructuur gevolgen zullen hebben voor de mate waarin steden de gevolgen van klimaatverandering kunnen opvangen; overwegende dat steden, bedrijven en andere niet-overheidsactoren tegen 2020 de CO2-uitstoot met 2,5 tot 4 miljard ton kunnen verminderen; overwegende dat regio's en steden in staat zijn de mondiale uitstoot met 5 % te verminderen om aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te voldoen en dat zij over het potentieel beschikken om de wereldwijde uitstoot aanzienlijk te verminderen;

J.  overwegende dat duurzameontwikkelingsdoelstelling (SDG) nr. 11 ("Inclusieve, veilige, robuuste en duurzame steden en dorpen") tot doel heeft om tegen 2020 het aantal steden en menselijke nederzettingen dat geïntegreerde beleidsmaatregelen en plannen voor integratie, hulpbronnenefficiëntie, mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering en veerkracht bij rampen goedkeurt en uitvoert aanzienlijk te vergroten, in overeenstemming met het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015‑2030, holistisch ramprisicobeheer op alle niveaus;

K.  overwegende dat gemeentelijke autoriteiten tot de belangrijkste begunstigden van Europese fondsen behoren;

L.  wijst erop dat in artikel 7, lid 2, van de Overeenkomst van Parijs wordt gesteld dat "adaptatie voor eenieder een wereldwijde uitdaging is met lokale, subnationale, nationale, regionale en internationale dimensies"; overwegende dat maatregelen van lokale overheden en niet-overheidsactoren essentieel zijn om regeringen in staat te stellen hun verbintenissen in het kader van mondiale klimaatmaatregelen na te komen;

M.  overwegende dat de EU-strategie inzake aanpassing aan klimaatverandering (COM(2013)0216) en de respectieve EU-verordeningen inzake de Europese structuurfondsen en investeringsfondsen (ESI-fondsen) de belangrijkste doelstellingen en daarmee samenhangende beleidsmaatregelen aangeven, met name door de invoering van mechanismen zoals ex‑antevoorwaarden en klimaatrelevante thematische doelstellingen in het cohesiebeleidskader 2014-2020, zoals thematische doelstellingen (TO) 4: "De overgang naar een koolstofarme economie in alle bedrijfstakken ondersteunen"; TO5: "De aanpassing aan klimaatverandering en risicopreventie en ‑beheer bevorderen" en TO6: "Bescherming van het milieu en bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen", die hebben geleid tot meer en beter gerichte klimaatactiemiddelen in het kader van ten minste een deel van de ESI-fondsen;

N.  overwegende dat regio's en steden hun inzet voor het UNFCCC-proces al hebben getoond door hun betrokkenheid bij de actieagenda Lima-Parijs (LPAA) en het platform van niet-overheidsactoren voor klimaatactie (NAZCA);

Algemeen kader

1.  is verheugd over de rol van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs/COP21 en juicht haar rol als wereldleider bij de strijd tegen klimaatverandering toe; wijst erop dat de doelstellingen van Europa met betrekking tot de strijd tegen klimaatverandering tot de meest ambitieuze ter wereld behoren; dringt erop aan dat de mitigatie van de klimaatverandering wordt beschouwd als een belangrijke prioriteit in het cohesiebeleid van de EU, teneinde te voldoen aan de afspraken van de Overeenkomst van Parijs/COP21 en deze na te komen en te handhaven door de bevordering van schone energie-innovatie, de circulaire economie, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, zonder afbreuk te doen aan de noodzakelijke aanpassingsmaatregelen, met behoud van de fundamentele rol en doelstellingen van het cohesiebeleid overeenkomstig artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

2.  stemt in met de aanpak van klimaatverandering voorzien in de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (Verenigde Naties) en het Pact van Amsterdam (stedelijke agenda voor de EU); benadrukt dat Europa een wereldleider moet worden op het gebied van hernieuwbare energie, zoals voorgesteld door de Commissie, en herinnert eraan dat de stedelijke agenda van de EU bijdraagt aan de uitvoering van de VN-agenda voor duurzame ontwikkeling in 2030 door middel van de doelstelling van inclusieve, veilige en duurzame steden; houdt in dit verband rekening met de verschillen tussen de Europese lokale overheden en hun uiteenlopende mogelijkheden; vraagt om een flexibele aanpak op maat bij de tenuitvoerlegging van de stedelijke agenda, waarbij stimulansen en begeleiding moeten worden geboden om de mogelijkheden van steden volledig te benutten;

3.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 14 oktober 2015, "Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs"(7), de lidstaten heeft verzocht om aanvullende verbintenissen te overwegen met betrekking tot de vermindering van de broeikasgasemissies; onderstreept de noodzaak van maximale transparantie en controle van het COP21-proces;

4.  roept de Commissie en de lidstaten op om ambitieuze doelstellingen te hanteren in lijn met de bestaande EU-wetgeving en conform het verzoek dat het Europees Comité van de Regio's heeft gedaan in zijn advies van 9 februari 2017 "Een geïntegreerde aanpak voor een nieuwe EU-strategie voor­ aanpassing aan de klimaatverandering";

5.  betreurt onverantwoorde strategieën die het milieu in gevaar brengen, zoals bepaalde economische activiteiten en specifieke industriële sectoren die veel vervuiling veroorzaken, en benadrukt dat binnen geledingen van de samenleving bijgedragen moet worden aan maatregelen die van cruciaal belang zijn om een trend te keren die het leven op aarde bedreigt; benadrukt dat er onvoldoende informatie beschikbaar is over de maatregelen die door sommige industriële sectoren zijn genomen om de effecten van vervuiling te bestrijden en minder vervuilende oplossingen te vinden; betreurt echter dat bepaalde opiniemakers binnen de wetenschap, de media en de politiek de bewijzen van klimaatverandering blijven ontkennen;

6.  betreurt het voornemen van de VS om zich terug te trekken uit de Overeenkomst van Parijs, en is verheugd over het aantal niet-federale actoren, met name staten en steden in de VS, dat opnieuw heeft bevestigd bereid te zijn te voldoen aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; moedigt de lokale en regionale autoriteiten in de VS die betrokken willen zijn bij de bestrijding van klimaatverandering aan om bij hun projecten partnerschappen en samenwerkingsverbanden aan te gaan met andere publieke en private partners en goede praktijken op dit gebied uit te wisselen; is van mening dat een nieuw bestuursmodel ingevoerd moet worden om financiering voor klimaatactie te garanderen en dat gezorgd moet worden voor een betere integratie van regio's en steden en hun representatieve organen;

7.  wijst erop dat steden een bepalende rol dienen te spelen bij de bestrijding van klimaatverandering, in wederzijdse afstemming met de nationale autoriteiten en de regio waarin zij gelegen zijn; spoort subnationale leiders en nationale overheden aan tot verdere samenwerking op internationaal niveau door middel van platforms als "Friends of Cities"; is van mening dat in het specifieke geval van geïntegreerde duurzame stadsontwikkeling de lokale overheden niet alleen bevoegd moeten zijn om projecten te selecteren, maar ook om lokale ontwikkelingsprojecten op te zetten, uit te werken en ten uitvoer te leggen; benadrukt de mogelijk gunstige aspecten voor groei en groene werkgelegenheid;

8.  merkt op dat de plaatselijke autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de meeste maatregelen voor mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering en het grootste deel van de EU-wetgeving op dit gebied; benadrukt dat actie moet worden ondernomen op het gebied van stadsplanning, mobiliteit, openbaar vervoer en openbare infrastructuur, de energieprestaties van gebouwen, onderwijscampagnes, slimme steden, slimme netten en regionale subsidies om de Overeenkomst van Parijs ten uitvoer te leggen;

9.  merkt op dat burgemeesters van steden voor hun besluiten rechtstreeks verantwoording afleggen aan hun burgers en dat zij doeltreffender en sneller kunnen optreden, vaak met onmiddellijke resultaten die een groot effect sorteren;

10.  dringt er bij nationale overheden op aan steden en regio's te helpen de internationale verplichtingen ter ondersteuning van initiatieven op het gebied van klimaat en energie op lokaal en regionaal niveau na te komen;

11.  wijst erop dat er een wisselwerking bestaat tussen klimaatverandering en sociale en economische factoren, zodat een integrale visie vereist is die kan worden uitgevoerd op lokaal en regionaal niveau;

12.  waarschuwt voor de maatschappelijke kosten en de economische gevolgen van de uitstoot van broeikasgassen die momenteel gevolgen hebben voor de stedelijke infrastructuur, de volksgezondheid en sociale zorgstelsels, die, in bepaalde periodes en in bepaalde steden en regio's, overbelast zijn en worden ondermijnd door de onzekere economische situatie; wijst erop dat deze systemen dus onder extra druk zullen komen te staan en tegemoet zullen moeten komen aan groeiende en complexere behoeften; is verheugd over de potentiële economische voordelen voor steden die investeren in en het voortouw nemen met betrekking tot koolstofarme infrastructuur, waaronder lagere energiekosten, lagere onderhoudskosten en lagere uitgaven op het gebied van volksgezondheid, die erop vooruitgaat door de vermindering van de hoeveelheid verontreinigende stoffen;

13.  wijst erop dat de mitigatie van en de aanpassing aan klimaatverandering langetermijnprocessen zijn die verkiezingscycli en beslissingen op lokaal en regionaal niveau overstijgen, en dringt erop aan dat mitigatie en aanpassing worden gezien als een kans om andere uitdagingen beter te kunnen aanpakken, zoals het creëren van werkgelegenheid en de verbetering van de gezondheid, de kwaliteit van leven en openbare diensten; wijst erop dat de Overeenkomst van Parijs voorziet in de actieve betrokkenheid van belanghebbenden die geen verdragspartij zijn door middel van de technische evaluatieprocessen betreffende mitigatie en aanpassing;

14.  wijst op de essentiële rol van regio's, steden en dorpen bij het bevorderen van de betrokkenheid bij de energietransitie en het stimuleren van klimaatactie en energiegerelateerde innovatie op basis van een bottom-upbenadering; merkt op dat regio's en stedelijke gebieden het meest geschikt zijn voor het testen en ten uitvoer leggen van geïntegreerde energieoplossingen in samenwerking met de burgers; benadrukt dat de energietransitie en plaatselijke investeringen in maatregelen voor de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering moeten worden gestimuleerd; benadrukt dat innovatie op het gebied van schone energie en kleinschalige hernieuwbare energieprojecten een belangrijke rol kunnen spelen bij het behalen van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te zorgen voor toegang tot financiële maatregelen die rekening houden met de specifieke kenmerken en de waarde op lange termijn van de plaatselijke energiegemeenschappen voor de energiemarkt, het milieu en de samenleving, alsook een prominentere de rol te geven aan individuele prosumenten in het kader van hernieuwbare energiebronnen met het oog op grotere zelfvoorziening en zelfproductie; verzoekt de steden en regio's het voortouw te nemen bij de bevordering van energie-efficiëntie en de productie van hernieuwbare energie, om de broeikasgasemissies en de luchtvervuiling te verminderen;

15.  wijst nogmaals op de noodzaak dat regio's Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie ten uitvoer moeten leggen, en dringt erop aan dat de structuurfondsen worden gericht of versterkt om energie-efficiëntie in openbare gebouwen en zelfvoorziening in gemeenten door middel van regeneratieve energie te bevorderen; dringt erop aan dat coöperatieve burgerenergieprojecten worden gesteund via de structuurfondsen en met een verlaging van de administratieve lasten op nationaal en regionaal niveau;

16.  stelt vast dat volgens de meest recente statistieken het aandeel van de EU in de mondiale uitstoot van broeikasgassen ongeveer 10 % bedraagt en dat de negatieve klimaattrends daarom zonder mondiale maatregelen niet kunnen worden omgebogen; wijst er echter op dat de EU in dit opzicht een leidende rol zou kunnen spelen, met name door oplossingen en technologieën op het gebied van schone energie te bevorderen;

17.  herinnert eraan dat de stedelijke agenda van de EU een nieuwe werkwijze bevordert waarbij het potentieel van steden ten volle wordt benut om een antwoord te bieden op de mondiale uitdagingen ten gevolge van klimaatverandering, door met name aandacht te besteden aan betere regelgeving, toegang tot financiering en kennisuitwisseling;

EU en cohesiebeleid

18.  is van mening dat het volgende meerjarig financieel kader (MFK) waar gepast zijn ambitieniveau ter verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen moet verhogen, en dat het percentage van de uitgaven voor dit doel moet worden verhoogd;

19.  herinnert aan het voornemen om ten minste 20 % van de EU-begroting voor de periode 2014-2020 (ongeveer 212 miljard EUR) uit te geven aan klimaatgerelateerde actie; verzoekt de Commissie en de lidstaten terdege nota te nemen van speciaal verslag nr. 31 van de Europese Rekenkamer van 2016, waarin wordt gewaarschuwd dat er een ernstig risico bestaat dat de doelstelling van 20 % niet zal worden gehaald als er geen aanvullende maatregelen worden genomen, en verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te houden van de vorderingen op dit belangrijke gebied; benadrukt dat er in het kader van het Europees Sociaal Fonds en het landbouw-, plattelandsontwikkelings- of visserijbeleid geen noemenswaardige verschuiving naar klimaatactie heeft plaatsgevonden en dat niet alle mogelijkheden voor financiering van klimaatgerelateerde maatregelen volledig zijn onderzocht;

20.  benadrukt de sleutelrol van het cohesiebeleid bij het aanpakken van klimaatveranderingsproblemen op regionaal en lokaal niveau; wijst opnieuw op de noodzaak om de begroting voor het cohesiebeleid na 2020 te verhogen; benadrukt het feit dat het cohesiebeleid bijzondere aandacht zou moeten besteden aan stedelijke investering in luchtkwaliteit, de circulaire economie, de aanpassing aan klimaatverandering, oplossingen voor de ontwikkeling van groene infrastructuur en energie- en digitale transitie;

21.  steunt het creëren van een instrument voor de vaststelling van de kosten en baten dat lokale overheden in staat stelt de effecten van projecten in termen van koolstofbeperking te begrijpen en hen de mogelijkheid biedt de beschikbare financieringsmogelijkheden op EU-niveau ten volle te benutten;

22.  is van mening dat het cohesiebeleid zowel de mitigatie- als de aanpassingsbenadering moet omvatten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen deze benaderingen, maar rekening houdend met het feit dat zij gecoördineerd moeten worden, en dat er duidelijke financieringsmechanismen moeten worden ingevoerd om beleid en maatregelen op elk gebied te stimuleren en te stimuleren; is van mening dat deze mechanismen kunnen worden uitgevoerd door middel van duidelijke en meetbare investeringsplannen, waaraan steden en regio's (met inbegrip van overheden, het bedrijfsleven, belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld) kunnen deelnemen, en dat deze deelname ook de uitvoerings- en evaluatiefasen moet omvatten;

23.  merkt op dat slechts vijftien lidstaten een actieplan en een aanpassingsstrategie hebben vastgesteld, met weinig concrete maatregelen ter plaatse; is van oordeel dat de toekomstige planning van de ESI-fondsen beter geïntegreerd zou moeten worden in de nationale energie- en klimaatplannen voor 2030; benadrukt dat in het toekomstige meerjarig financieel kader de mainstreaming van klimaatdoelstellingen verder moet worden verbeterd, bijvoorbeeld door investeringen in het cohesiebeleid nauwer te koppelen aan de algemene plannen van de lidstaten om de doelstelling voor 2030 te halen; wijst erop dat bij de evaluatie van de partnerschapsovereenkomsten dan ook rekening moet worden gehouden met de klimaatdoelstellingen van de EU, terwijl de operationele programma's nauw moeten blijven aansluiten bij de aanpassingsstrategieën en ‑plannen van elke lidstaat om te komen tot coördinatie en samenhang op alle niveaus van planning en beheer, met name in gevallen waarin EU-middelen een hoog percentage van de beschikbare overheidsuitgaven uitmaken; wijst erop dat daarom bij de beoordeling van de operationele programma's moet worden nagegaan in hoeverre deze programma's hebben bijgedragen tot de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en dat moet worden gestreefd naar een gemeenschappelijke traceringsmethodologie en een gemeenschappelijk monitoringproces om "green-washing" te voorkomen;

24.  dringt erop aan de investeringen in het kader van het cohesiebeleid af te stemmen op een doeltreffend klimaatbeleid, om de milieuduurzaamheid te waarborgen;

25.  wijst erop dat het innovatiebeleid en de stedelijke dimensie geschikte terreinen zijn voor de totstandbrenging van synergieën tussen de klimaatdoelstellingen en de bredere economische doelstellingen van het cohesiebeleid; roept daarom op tot de ontwikkeling van specifieke bepalingen die gericht zijn op duurzame stedelijke ontwikkeling en stedelijke vernieuwing, waarbij aan deze gebieden in het cohesiebeleid na 2020 aanzienlijk meer middelen toegewezen moeten worden;

26.  roept de verschillende partnerschappen die in het kader van de stedelijke agenda voor de EU aan kwesties met betrekking tot klimaatmitigatie werken om hun actieplannen snel vast te stellen en te presenteren; dringt er bovendien bij de Commissie op aan om in toekomstige wetgevingsvoorstellen rekening te houden met de daarin vervatte voorstellen, met name wat betreft betere regelgeving, financiering en kennis;

27.  benadrukt dat er, om de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken, meer samenhang nodig is met betrekking tot investeringen met een koolstofarm langetermijntraject voor de regionale markt/de markt van de lidstaat/het land als geheel, en dringt aan op maatregelen om de toegang tot financiering te vergemakkelijken, zodat kleinere steden en regio's toegang krijgen tot financiering; benadrukt verder dat prioritaire financiering beschikbaar moet worden gesteld voor regio's die van koolstof afhankelijk zijn om een soepele overgang naar een economie met lage uitstoot mogelijk te maken, en dat prioriteit moet worden gegeven aan de overgang naar alternatieve werkgelegenheid voor werknemers in koolstofintensieve industrieën; roept de Commissie op om in het kader van het cohesiebeleid voor de periode na 2020 voor te stellen dat het realiseren van emissiereducties (naast andere acties zoals regeneratiewerkzaamheden of activiteiten gericht op het saneren en ontsmetten van oude bedrijfsterreinen) een belangrijk element moet zijn bij de beoordeling van de prestaties van operationele programma's;

28.  benadrukt het belang van de inzet van aanvullende financiële instrumenten en beleidsmaatregelen, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Connecting Europe Facility en Horizon 2020, om projecten te financieren die bijdragen aan de mitigatie van of de aanpassing aan de klimaatverandering;

29.  benadrukt dat subsidies aan regio's en steden in het cohesiebeleid een fundamenteel communautair financieringsmiddel moeten blijven, met name voor acties ten gunste van het klimaat; benadrukt echter dat, ondanks de verbeterde samenhang en nauwkeurigheid van klimaatrelevante impact- en resultaatindicatoren, deze laatste niet volstaan om vast te stellen in hoeverre het cohesiebeleid bijdraagt tot de verwezenlijking van de algemene klimaatdoelstellingen van de EU, en is van mening dat het monitoring- en volgsysteem voor klimaatgerelateerde uitgaven moet worden verbeterd om ervoor te zorgen dat de EU-uitgaven een specifieke, meetbare bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de EU-doelstellingen; dringt aan op een draaiboek voor aanpassing om toezicht te houden op regionale en lokale klimaatmaatregelen en verzoekt de Commissie te beoordelen welk percentage van de middelen de lidstaten op lokaal niveau besteden aan het terugdringen van broeikasgasemissies en het waarborgen van ruimtelijke aanpassing aan de klimaatverandering;

30.  wijst op de rol van geïntegreerde territoriale ontwikkelingsinstrumenten, zoals geïntegreerde territoriale investeringen en lokale ontwikkeling in de Gemeenschap (CLLD's), die door steden kunnen worden gebruikt als aanvullende instrumenten voor de financiering van strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling of functionele gebieden; roept op tot de gebruikmaking van geïntegreerde lokale bottom-up-benaderingen en -strategieën om te zorgen voor een efficiënter gebruik van de middelen, om veerkracht op te bouwen en aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering mogelijk te maken in de gebieden die er het zwaarst door worden getroffen;

31.  wijst erop dat de steden in de EU het overgrote deel van de Europese onderzoeks- en ontwikkelingsindustrie die zich richt op klimaatverandering, huisvesten; roept de Commissie op om steden en regio's meer steun te verlenen op het gebied van opleiding en bewustmaking, financiële begeleiding, knowhow, communicatie, onderzoek en ontwikkeling, klimaatbeschermingseducatie en advies over zowel mitigatie als aanpassing, met name door versterking van bestaande instrumenten zoals het adviesplatform voor stedelijke investeringen URBIS, URBACT en het Urban Innovative Actions (UIA)-initiatief; roept de Commissie op ervoor te zorgen dat deze industrieën ten volle profijt trekken van de wereldwijde samenwerking op onderzoeksgebied en deze instrumenten te versterken om lokale overheden te helpen bij het realiseren van doelgerichte projecten en om toegang te krijgen tot financieringsmogelijkheden om innovatieve oplossingen in strategieën voor stadsontwikkeling te testen; verzoekt om subnationale autoriteiten uit derde landen de mogelijkheid te bieden om op vrijwillige basis, zowel formeel als informeel, deel te nemen aan Europese initiatieven op het gebied van wetenschap, onderzoek en technologie, zoals Horizon 2020, om de collectieve doelstellingen te bereiken; is van mening dat lokale autoriteiten rechtstreeks toegang moeten krijgen tot financieringsfaciliteiten als de mondiale klimaatmiddelen; is van mening dat de synergie tussen het cohesiebeleid en het onderzoeks- en innovatiebeleid moet worden versterkt om te zorgen voor een snelle toepassing van nieuwe koolstofarme technologieën;

32.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in het Horizon 2020-programma meer aandacht en financiering wordt besteed aan innovatie- en onderzoeksprojecten op het gebied van circulaire economie en duurzame steden; moedigt de lidstaten aan om, met steun van de Commissie en de Europese Investeringsbank (EIB), de bestuurlijke capaciteit van regio's en steden te versterken, zodat zij ten volle gebruik kunnen maken van de financieringsmogelijkheden die op EU-niveau voor de overheid en de particuliere sector beschikbaar zijn;

33.  verzoekt de bevoegde instanties het afvalprobleem aan te pakken om de circulaire economie vruchten te laten afwerpen en voor afval dat niet herbruikbaar of recycleerbaar is, andere afvalmethoden te bevorderen dan verbranding;

34.  is van mening dat de klimaatverandering in de komende programmeringsperiode aan bod moet komen in de programmering van de territoriale samenwerking; wijst op de belangrijke rol die territoriale samenwerking, grensoverschrijdende samenwerking en macroregionale strategieën spelen in de acties van regio's en steden, zowel binnen als buiten de grenzen van de EU, en wijst er nogmaals op dat dit instrument politiek en financieel moet worden versterkt, zowel voor mitigatie als aanpassing; benadrukt dat een kader voor de uitvoering van gezamenlijke acties en beleidsuitwisselingen tussen nationale, regionale en lokale actoren uit verschillende lidstaten, zoals Interreg, bijzonder geschikt is om de klimaatverandering aan te pakken en passende maatregelen te nemen om de gevolgen ervan te beperken; is in dit verband verheugd dat 7 van de 15 transnationale Interreg-programma's in Europa betrekking hebben op financieringsstrategieën, proefprojecten, training en hulpmiddelen om steden te helpen bij het opbouwen van de capaciteiten om CO2-emissies te verlagen en de klimaatverandering te beperken, om zo de EU-doelstellingen te kunnen verwezenlijken;

Steden en regio's

35.  is ingenomen met initiatieven zoals het Wereldconvenant van burgemeesters voor klimaat en energie en de rol die een aantal steden en regio's hebben gespeeld in de strijd tegen klimaatverandering en milieubescherming; dringt er bij steden en regio's op aan om samen te werken en de strijd tegen klimaatverandering nog hoger en dringender op de institutionele agenda te zetten; beveelt stedelijke overheden aan om slimme langetermijnplanningsstrategieën en innovatieve benaderingen, zoals het slimme stadsinitiatief, ten uitvoer te leggen en regelmatig bij te werken; benadrukt de noodzaak van duurzame en energie-efficiënte huisvestingsprojecten en slimme gebouwen die energie besparen, investeringen in hernieuwbare energie, milieuvriendelijke systemen voor openbaar vervoer, verdere steun voor projecten ter bevordering van koolstofarme steden en regio's en voor allianties van steden en lokale en regionale overheden die samenwerken om de opwarming van de aarde tegen te gaan;

36.  wijst op het belang van de invoering van een rapportagekader dat gebaseerd is op objectieve parameters en beproefde methoden, en van monitoring van klimaatmaatregelen van steden en regio's om gegevens over klimaatverbintenissen uit te wisselen en de transparantie onder actoren te vergroten, teneinde de klimaatdoelstellingen te bereiken;

37.  herinnert eraan dat de vervoerssector verantwoordelijk is voor de uitstoot van zowel broeikasgassen als luchtverontreinigende stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid, waarvan de concentratie in stedelijke gebieden geregeld is bij Richtlijn (EU) 2016/2284 betreffende de vermindering van nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen; is van mening dat regio's en steden een enorm potentieel hebben om de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van het vervoer te verminderen, en wijst op de noodzaak van financiering voor initiatieven die de lokale en regionale koolstofarme mobiliteit bevorderen; benadrukt dat steden een leidende rol moeten spelen bij de bevordering van het gebruik van openbaar vervoer en de elektrificatie van openbaar en particulier vervoer, en dringt erop aan om een aantal modelregio's aan te wijzen voor onderzoek naar intelligente, onderling verbonden vervoerssystemen tussen stedelijke en plattelandsgebieden;

38.  is verheugd over stadsinitiatieven als slimme steden en slimme netten waarmee wordt gepoogd de broeikasgasemissies te beperken en de hulpbronnenefficiëntie te vergroten; benadrukt dat regio's de groene stadsregelingen moeten verbeteren door de digitale en energietransitie te bevorderen en dat oplossingen zoals slimme netwerken het potentieel bieden om op een efficiëntere manier energie te leveren aan woningen en gebouwen; wijst erop dat samenwerking tussen bedrijven en steden bijdraagt tot innovatieve en inclusieve oplossingen en dringt erop aan dat deze worden bevorderd; benadrukt dat er meer moet worden geïnvesteerd in andere duurzame oplossingen zoals groene infrastructuur, en met name in het uitbreiden van de houtachtige begroeiing in steden; herinnert eraan dat niet alleen de uitstoot moet worden teruggedrongen, maar dat ook de CO2-absorptiecapaciteit van de bodem moet worden verhoogd, en dringt aan op een betere bescherming van bestaande en nieuwe stedelijke bossen in de EU-regio's;

39.  onderstreept het feit dat lokaal geproduceerde seizoensproducten de broeikasgasemissies van vervoer kunnen verminderen en zo de algemene koolstofvoetafdruk van levensmiddelen kunnen terugdringen; roept de Commissie op samen te werken met de levensmiddelensector om de lokale en regionale duurzame voedselproductie te vergroten, en is ingenomen met vrijwillige maatregelen (zoals "stoplichtetikettering") om ervoor te zorgen dat de gevolgen voor het klimaat en de koolstofvoetafdruk van levensmiddelen en andere producten zichtbaar zijn; roept op tot gemeenschappelijke indicatoren voor de hele EU om vrijwillige maar vergelijkbare etikettering mogelijk te maken en roept de lokale overheden op om voorlichtingscampagnes te organiseren om het bewustzijn over de koolstofvoetafdruk van voedsel te vergroten;

40.  wijst erop dat de planning van de beperkende maatregelen gebaseerd moet zijn op een eerlijke verdeling van de inspanningen van en de voordelen voor de verschillende actoren, en dat deze maatregelen specifiek gericht moeten zijn op bescherming van de meest kwetsbare delen van de bevolking;

41.  wijst op de diversiteit en de specifieke aard van de regionale kwetsbaarheden en mogelijkheden, en wijst erop dat de uitdagingen, middelen en meest doeltreffende maatregelen per gebied kunnen verschillen; herinnert er daarom aan veel waarde te hechten aan het beginsel van subsidiariteit en benadrukt dat steden en regio's derhalve over de noodzakelijke bevoegdheden en voldoende politieke, bestuurlijke en financiële autonomie moeten beschikken om de afzonderlijke acties te plannen en uit te voeren; benadrukt dat steden hun eigen stadsplanning moeten afstemmen op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs door te investeren in groene infrastructuur, mobiliteit, openbaar vervoer en slimme netwerken; wijst er andermaal op dat de lokale en regionale overheden, als bestuursniveaus die het dichtst bij de burger staan en ook het meest direct te maken hebben met de gevolgen van klimaatverandering, het breedste inzicht hebben in veel problemen, en wijst er daarom op dat het belangrijk is de lokale en regionale overheden te voorzien van de bestuurlijke capaciteit en financiële instrumenten om op maat gesneden oplossingen te ontwikkelen om de klimaatverandering tegen te gaan;

42.  dringt aan op een doeltreffender meerlagig bestuur met volledige transparantie, waardoor lokale overheden, regio's en steden en hun vertegenwoordigende organen beter kunnen worden betrokken bij het besluitvormingsproces van de EU en het UNFCCC-proces; dringt erop aan dat de coördinatie tussen alle overheden wordt bevorderd en gewaarborgd en dat de betrokkenheid van het publiek en de sociale en economische actoren wordt bevorderd, en verzoekt de Commissie de coördinatie en uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen lidstaten, regio's, lokale gemeenschappen en steden te bevorderen; wijst erop dat participatieve modellen van lokaal bestuur moeten worden aangemoedigd;

43.  is ingenomen met het besluit van het Intergouvernementele Panel inzake klimaatverandering (Intergovernmental Panel on Climate Change, IPCC) om een speciaal verslag op te stellen over steden en klimaat in 2023, een toezegging die ertoe zal leiden dat er meer onderzoek wordt gedaan naar het belang van steden bij de bestrijding van klimaatverandering; is van mening dat steden inbreng moeten hebben in het mondiale klimaatrapport voor 2018; is daarnaast van mening dat steden en regio's de beleidsvorming op basis van de Overeenkomst van Parijs kunnen beïnvloeden door een strategische benadering te hanteren in de strijd tegen de opwarming van de aarde en de ondersteuning van mitigatie- en adaptatiemaatregelen in stedelijke gebieden, waar meer dan de helft van de wereldbevolking woont; roept de Commissie op om in dit proces te pleiten voor een visie op verschillende niveaus van klimaatactie, teneinde een inclusief klimaatregime te bevorderen waarin rekening wordt gehouden met de acties van lokale en subnationale overheden;

44.  roept nationale autoriteiten op tot decentralisatie en een betere toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, waardoor lokale en regionale autoriteiten een grotere rol kunnen vervullen bij de bestrijding van klimaatverandering;

45.  constateert dat veel onderdelen van het bedrijfsleven investeren in de groene transformatie en zich inzetten voor een beleid dat gericht is op het koolstofvrij maken van de economie; wijst erop dat samenwerking tussen bedrijven en steden leidt tot innovatieve en inclusieve oplossingen voor klimaatactie en de EU helpt haar doelstellingen te verwezenlijken; herinnert eraan dat de industrie een sleutelrol speelt bij de financiering en het dichten van de investeringskloof in stedelijke gebieden; pleit voor de bevordering van partnerschappen tussen steden en bedrijven;

46.  wijst erop dat slimme planning en investeringen in koolstofarme, klimaatbestendige stedelijke infrastructuur kunnen bijdragen aan een verbetering van het milieu en de kwaliteit van leven van burgers, werkgelegenheid kunnen creëren en de lokale en regionale economie kunnen stimuleren;

47.  roept steden en regio's op om gebruik te maken van EU-initiatieven als de stedelijke innovatieve acties om proefprojecten op te zetten op het gebied van duurzame stedelijke ontwikkeling;

48.  is ingenomen met het initiatief "Women4Climate" en de betrokkenheid van de particuliere sector bij dit initiatief, dat moet bijdragen tot een grotere betrokkenheid van leidinggevende vrouwen bij de strijd tegen klimaatverandering, teneinde hun leiderschapsvaardigheden te versterken en de volgende generatie leidinggevende vrouwen aan te moedigen om deel te nemen aan de strijd tegen klimaatverandering;

49.  erkent de bijzondere verantwoordelijkheid van steden voor het aanpakken van klimaatverandering, aangezien zij 70 % van de wereldwijde CO2-uitstoot voor hun rekening nemen, en herhaalt dat het Parlement zich inzet voor de succesvolle wereldwijde uitrol van het Convenant van burgemeesters voor klimaat en energie, met inbegrip van het Initiatief voor aanpassing aan de klimaatverandering ("Mayors Adapt initiative"), het "Onder 2°"- memorandum van overeenstemming, het Pact van Amsterdam en het initiatief voor aanpassing van de regio's aan de klimaatverandering; is van mening dat de toezeggingen die in 2015 in het stadhuis van Parijs zijn gedaan, alleen zullen worden nagekomen door middel van een engagement met het Mondiaal Convenant van burgemeesters voor Klimaat en Energie, en moedigt alle steden uit de EU en derde landen aan om toe te treden tot het Convenant van burgemeesters en­, zonder afbreuk te doen aan hun deelname aan andere sectorale of institutionele netwerken met dezelfde doelstellingen­, zich te verbinden tot ambitieuze klimaatmaatregelen en de uitwisseling van ervaringen met goede praktijken te organiseren; merkt op dat een aantal van de door steden ingediende actieplannen verbintenissen tot en met 2020 bevatten, en spoort deze steden daarom aan verdere stappen te ondernemen tot 2030; is van mening dat de EU steden autonomie moet blijven bieden om hun eigen strategieën voor de mitigatie van klimaatverandering te plannen, zolang deze leidt tot verdergaande doelstellingen;

50.  benadrukt dat de Overeenkomst van Parijs een duidelijke verwijzing moet bevatten naar de rol van lokale en regionale overheden om een langetermijnantwoord op de klimaatverandering te garanderen; onderstreept het feit dat de EU ter plaatse moet samenwerken met steden en regio's om regio's en steden in de EU beter met elkaar te verbinden en duurzamer te maken, energie-efficiënte gemeenten te creëren en slimmere stedelijke vervoersnetwerken te ontwikkelen;

51.  is van oordeel dat de overdracht van kennis en ervaring moet worden aangemoedigd op lokaal en regionaal niveau, gezien de schat aan verworven ervaring van individuele regio's en steden, alsook van bepaalde regionale milieubeschermings- of energieagentschappen;

52.  is van mening dat Europese en internationale of wereldwijde organisaties en verenigingen of netwerken van steden, gemeenten en regio's moeten worden gebruikt voor een betere samenwerking om de klimaatveranderingsproblemen op lokaal en regionaal niveau aan te pakken;

53.  merkt op dat lokale en regionale autoriteiten tijdens de COP22 in Marrakesh de routekaart voor actie van Marrakesh (Marrakesh Roadmap for Action) hebben uitgewerkt, waarin wordt benadrukt dat lokale autoriteiten directere inspraak moeten krijgen en dat dit formeel deel moet uitmaken van de besprekingen over de klimaatverandering, in plaats van te worden beschouwd als actoren die zich op hetzelfde niveau situeren als andere niet-overheidsactoren, bijvoorbeeld ngo's en de particuliere sector;

o
o   o

54.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan het Europees Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité, en de lidstaten en de nationale en regionale parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0363.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0383.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0380.
(4) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 124.
(5) PB C 207 van 30.6.2017, blz. 51.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(7) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 67.

Juridische mededeling - Privacybeleid