Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2785(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0333/2018

Debatten :

PV 05/07/2018 - 4.3
CRE 05/07/2018 - 4.3

Stemmingen :

PV 05/07/2018 - 6.3

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0305

Aangenomen teksten
PDF 131kWORD 56k
Donderdag 5 juli 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Burundi
P8_TA(2018)0305RC-B8-0333/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over Burundi (2018/2785(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Burundi, met name die van 9 juli 2015(1), 17 december 2015(2), 19 januari 2017(3) en 6 juli 2017(4),

–  gezien de herziene Overeenkomst van Cotonou, en met name artikel 96,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien het Afrikaanse Handvest inzake de rechten van mensen en volkeren,

–  gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad 2248 (2015) van 12 november 2015 en 2303 (2016) van 29 juli 2016 over de situatie in Burundi,

–  gezien de mondelinge briefing van de VN-onderzoekscommissie voor Burundi (UNCI) aan de Mensenrechtenraad van de VN, van 27 juni 2018,

–  gezien het eerste verslag van de secretaris-generaal van de VN over de situatie in Burundi, dat op 23 februari 2017 gepubliceerd is, en de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad over de politieke situatie en het voortdurende geweld in Burundi, waarin sterk wordt aangedrongen bij de regering en alle partijen om dergelijk geweld onmiddellijk te staken en af te wijzen,

–  gezien het persbericht van de VN-Veiligheidsraad van 13 maart 2017 over de situatie in Burundi en de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad van 5 april 2018 waarin alle schendingen van en inbreuken op de mensenrechten in Burundi veroordeeld worden,

–  gezien het verslag van de onafhankelijke onderzoekscommissie van de VN over Burundi (UNIIB), gepubliceerd op 20 september 2016,

–  gezien de resolutie van de Mensenrechtenraad van de VN van 30 september 2016 over de situatie van de mensenrechten in Burundi,

–  gezien de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening in Burundi van 28 augustus 2000,

–  gezien de verklaring van de top van de Afrikaanse Unie op 13 juni 2015 over de situatie in Burundi,

–  gezien het besluit van de Raad voor vrede en veiligheid en de toestand van vrede en veiligheid in Afrika (Assembly/AU/Dec.598 (XXVI), aangenomen tijdens de 26e gewone zitting van de Vergadering van staatshoofden en regeringsleiders van de Afrikaanse Unie, die op 30 en 31 januari 2016 in Addis Abeba (Ethiopië) is gehouden,

–  gezien de besluiten en verklaringen van de Raad voor vrede en veiligheid en de toestand van vrede en veiligheid in Afrika (Assembly/AU/Dec.605-620 (XXVII), aangenomen tijdens de 27e gewone zitting van de Vergadering van staatshoofden en regeringsleiders van de Afrikaanse Unie, die op 17 en 18 juli 2016 in Kigali (Rwanda) is gehouden,

–  gezien de resolutie van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en de volkeren van 4 november 2016 over de situatie van de mensenrechten in de Republiek Burundi,

–  gezien de verklaring van de top van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap van 31 mei 2015 over de situatie in Burundi,

–  gezien Besluit (EU) 2016/394 van de Raad van 14 maart 2016 betreffende de afsluiting van het overleg met de Republiek Burundi krachtens artikel 96 van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds(5),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1755 van de Raad van 1 oktober 2015(6), alsook de besluiten (PESC) 2015/1763 van 1 oktober 2015(7) en (PESC) 2016/1745 van 29 september 2016(8) van de Raad betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi,

–  gezien de conclusies van de Raad over Burundi van 16 maart, 18 mei, 22 juni, 16 november 2015 en 15 februari 2016 over Burundi,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, van 28 mei 2015, 19 december 2015, 21 oktober 2016 en 27 oktober 2017;

–  gezien de verklaring van 8 juni 2018 van de woordvoerder van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger (VV/HV) over de situatie in Burundi,

–  gezien de verklaring van de VV/HV namens de EU van 8 mei 2018 over de situatie in Burundi in de aanloop naar het grondwettelijk referendum,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de VV/HV van 6 januari 2017 over het verbieden van de Ligue Iteka in Burundi,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Burundi vanaf april 2015 een politieke, mensenrechten- en humanitaire crisis kent, toen president Nkurunziza aankondigde dat hij zich kandidaat zou stellen voor een omstreden derde termijn, en die aankondiging gevolgd werd door maanden van dodelijke onrust gedurende welke 593 personen gedood zijn volgens het Internationaal Strafhof (ICC), en sindsdien, volgens de UNHCR, 413 000 mensen het land zijn ontvlucht en 169 000 intern zijn ontheemd; overwegende dat, volgens het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA), 3,6 miljoen mensen in het land humanitaire hulp nodig hebben ;

B.  overwegende dat de grondwetswijzigingen waarmee tijdens het referendum ingestemd is de uitbreiding van bevoegdheden van de president omvat, alsmede de beperking van de macht van de vicepresident, de benoeming van de eerste minister door de president, de invoering van een procedure waarmee wetten en wetswijzigingen met een gewone meerderheid van stemmen in het Parlement kunnen worden aangenomen, de mogelijkheid om de door de Overeenkomst van Arusha ten uitvoer gelegde quota te herzien, en het verbod op regeringsdeelname van politieke partijen die minder dan 5 % van de stemmen hebben; overwegende dat dit alles de Overeenkomst van Arusha in gevaar brengt;

C.  overwegende dat in de aanloop naar het referendum over de grondwet op 17 mei 2018 het geweld tegen en intimidatie van politieke tegenstanders in het hele land is geëscaleerd met de gedwongen verdwijning en intimidatie van tegenstanders van de genoemde constitutionele herziening; overwegende dat het grondwettelijk referendum het ook mogelijk maakt de na onderhandelingen tot stand gekomen bepalingen van de Overeenkomst van Arusha te schrappen, wat kan leiden tot minder inclusiviteit en tot ernstige gevolgen voor de politieke stabiliteit in Burundi; overwegende dat, ondanks de wijzigingen in de grondwet, president Nkurunziza heeft aangekondigd niet deel te nemen aan de verkiezingen van 2020;

D.  overwegende dat, volgens Amnesty International, tijdens de officiële campagneperiode, dikwijls melding is gemaakt van arrestaties, mishandeling en intimidatie van hen die campagne voerden om "nee" te stemmen; overwegende dat het referendum plaatsvond in een dusdanige context van voortdurende repressie dat de Burundese katholieke bisschoppen hebben gezegd dat veel burgers zozeer in angst leven dat mensen niet durven te zeggen wat zij denken, uit angst voor represailles;

E.  overwegende dat de UNCI erop heeft gewezen dat politiek geweld, willekeurige arrestaties, buitengerechtelijke executies, mishandelingen, haatzaaiende uitlatingen en diverse andere vormen van geweld een plaag blijven voor de bevolking; overwegende dat de Imbonerakure, de jeugdliga van de heersende politieke partij, blijft doorgaan met het plegen van mensenrechtenschendingen en intimidatiepraktijken, zoals het opzetten van wegblokkades en controleposten in sommige provincies, afpersing, het lastig vallen van voorbijgangers, arrestatie van personen die zij verdenken van banden met de oppositie, van wie velen worden vastgehouden, gemarteld, verkracht, mishandeld en van wie sommigen sterven als gevolg daarvan;

F.  overwegende dat tijdens de periode van het referendum in 2018, mensenrechtenorganisaties melding hebben gemaakt van gevallen van een krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld en een verslechterend mediaklimaat, zowel op nationaal als op lokaal niveau; overwegende dat sinds 2015 lokale ngo's en mensenrechtenactivisten steeds vaker bedreigd en als doelwit gekozen worden door de regering en de persvrijheid en de omstandigheden waaronder journalisten werken voortdurend verslechteren; overwegende dat particuliere media en journalisten reeds een hoge prijs hebben betaald in de strijd met de regering, door onder meer het slachtoffer te zijn van arrestaties, standrechtelijke executies en gedwongen verdwijningen of soms door de regering aangemerkt te worden als crimineel of zelfs terrorist;

G.  overwegende dat Verslaggevers zonder Grenzen in zijn World Press Freedom Index 2018 Burundi op de 156e plaats (van 180) heeft gezet;

H.  overwegende dat veel mensenrechtenactivisten lange celstraffen uitzitten, zoals met name Germain Rukuki, die voor de "Association des juristes catholiques du Burundi" werkzaam is en tot 32 jaar is veroordeeld, dan wel in afwachting van een proces vastgehouden worden, zoals Nestor Nibitanga; overwegende dat restrictieve wetten zijn goedgekeurd om lokale en internationale ngo's te controleren; overwegende dat sommige organisaties gedwongen zijn om hun activiteiten op te schorten en andere om definitief te sluiten, zoals de Iteka-liga, de Focode en ACAT; overwegende dat veel leiders en mensenrechtenactivisten in ballingschap zijn gegaan terwijl zij die nog aanwezig zijn onder niet aflatende druk staan of gearresteerd kunnen worden; overwegende dat Emmanuel Nshimirimana, Aimé Constant Gatore, en Marius Nizigama tot gevangenisstraffen van 10 tot 32 jaar zijn veroordeeld, terwijl Nestor Nibitanga 20 jaar kan worden opgelegd; overwegende dat de journalist Jean Bigirimana al twee jaar vermist wordt en een van de vele slachtoffers is van gedwongen verdwijningen tijdens deze crisis;

I.  overwegende dat de rechters van het ICC in oktober 2017 de aanklager van het ICC toestemming hebben verleend om een onderzoek te starten naar misdaden die binnen de jurisdictie van het Hof vallen en naar verluidt tussen 26 april 2015 en 26 oktober 2017 in Burundi en door staatsburgers van Burundi buiten Burundi zijn gepleegd; overwegende dat Burundi op 27 oktober 2017 de eerste natie was die zich uit het Internationaal Strafhof heeft teruggetrokken nadat het Hof in april 2016 besloten had om een voorlopig onderzoek te starten naar geweld en mensenrechtenschendingen en mogelijke misdaden tegen de menselijkheid in Burundi, terwijl in het land het regime straffeloos blijf doden;

J.  overwegende dat de aanwezigheid van Burundese troepen in vredesmissies het de regering van president Pierre Nkurunziza mogelijk maakt om de realiteit van de interne problemen te verhullen en Burundi als een stabiliserende factor in andere in een crisis verkerende landen te presenteren, in tijden dat dit land zelf een ongekende crisis doormaakt die gekenmerkt wordt door brute schendingen van mensenrechten; overwegende dat Burundi op deze wijze enorme hoeveelheden geld verdient dat niet wordt herverdeeld ten behoeve van de bevolking; overwegende dat vreedzame, vrije, democratische en onafhankelijke verkiezingen niet mogelijk zijn zolang de militie Imbonerakure niet wordt ontbonden;

K.  overwegende dat Burundi in een steeds verslechterende socio-economische toestand verkeert en op de een na laatste plaats staat wat de bnp per capita betreft; overwegende dat 3,6 miljoen Burundezen (30 % van de bevolking) hulp nodig heeft en 1,7 miljoen mensen in voedselonzekerheid verkeren; overwegende dat deze armoedetoestand is verslechterd door een invoering van een "vrijwillige" bijdrage aan de verkiezingen van 2020, die dikwijls gedwongen wordt geïnd door de Imbonerakure en ongeveer 10 % of meer bedraagt van het maandsalaris van ambtenaren;

L.  overwegende dat op de 30e top van de Afrikaanse Unie en de 19e top van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, de Afrikaanse Unie en de Oost-Afrikaanse Gemeenschap hun steun hebben toegezegd aan een vreedzame oplossing van de politieke situatie in Burundi door middel van een inclusieve dialoog op basis van de Arusha-overeenkomst van 28 augustus 2000;

M.  overwegende dat een aantal bilaterale en multilaterale partners, gezien de situatie in Burundi, hun financiële en technische steun aan de regering van Burundi hebben opgeschort; overwegende dat de EU de rechtstreekse financiële steun aan de Burundese regering, waaronder begrotingssteun, heeft opgeschort, maar haar steun voor de bevolking handhaaft;

N.  overwegende dat de EU en de VS gerichte en individuele sancties hebben vastgesteld tegen Burundi; overwegende dat de Raad op 23 oktober 2017 de beperkende maatregelen van de EU tegen Burundi heeft verlengd tot 31 oktober 2018; overwegende dat deze maatregelen bestaan uit een reisverbod en een bevriezing van tegoeden ten aanzien van personen wier activiteiten geacht worden de democratie te ondermijnen of de zoektocht naar een politieke oplossing voor de crisis in Burundi te belemmeren;

O.  overwegende dat de Mensenrechtenraad van de VN de resultaten van de universele periodieke evaluatie van Burundi tijdens zijn 38e zitting op 28 juni 2018 heeft overgenomen; overwegende dat Burundi 125 van de 242 aanbevelingen van de evaluatie heeft aanvaard, en met name die aanbevelingen heeft verworpen die oproepen tot praktische stappen ter verbetering van de reputatie van het land op het gebied van de mensenrechten;

P.  overwegende dat het Grondwettelijk Hof de uitslag van het referendum van 17 mei 2018 heeft bevestigd en een verzoekschrift van de oppositie dat gewag maakt van intimidatie en geweld, heeft verworpen;

1.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de endemische straffeloosheid en schendingen van de mensenrechten, waaronder standrechtelijke executies, foltering, gedwongen verdwijningen en willekeurige detentie; herinnert Burundi aan zijn verplichting, als lid van de Mensenrechtenraad van de VN, opnieuw en volledig samen te werken met de UNCI over Burundi en het team van drie VN-deskundigen, en de speciale VN-rapporteur voor de situatie van verdedigers van de mensenrechten toegang tot het land te verlenen;

2.  verzoekt de regering van Burundi om de Overeenkomst van Arusha volledig na te komen als het belangrijkste instrument voor vrede en stabiliteit in het land; verzoekt de regering van Burundi, als partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), zijn internationale juridische verplichtingen met betrekking tot de mensen- en burgerrechten na te komen, en de in het verdrag verankerde vrijheid van meningsuiting en vereniging te beschermen;

3.  veroordeelt nogmaals de intimidatie van, de onderdrukking van en het geweld tegen journalisten, aanhangers van de oppositie en mensenrechtenactivisten; dringt er bij de Burundese autoriteiten op aan de rechtsstaat en fundamentele mensenrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media, te eerbiedigen, en onmiddellijk en onvoorwaardelijk Germain Rukuki, Nestor Nibitanga, Emmanuel Nshimirimana, Aimé Constant Gatore en Marius Nizigama vrij te laten, vijf mensenrechtenactivisten die uitsluitend worden vastgehouden voor hun activiteiten op het gebied van de mensenrechten, maar door de autoriteiten beschuldigd worden van ondermijning van de binnenlandse staatsveiligheid; verzoekt de Burundese autoriteiten onderzoeken te starten naar de situatie van de journalist Jean Bigirimana;

4.  veroordeelt het besluit van Burundi om zich uit het ICC terug te trekken; staat achter de voortzetting van het onderzoek van het ICC naar de talrijke misdaden en gevallen van repressie in Burundi; vraagt de Unie zich te blijven inspannen voor de verantwoordingsplicht voor de in Burundi gepleegde misdaden; verwacht dat Burundi de samenwerking met het Internationaal Strafhof hervat en voortzet, gelet op het feit dat de strijd tegen straffeloosheid, de vervolging van alle schendingen van de mensenrechten, en verantwoordingsplicht noodzakelijke stappen zijn om aan de crisis een einde te maken en tot een blijvende vreedzame oplossing te komen;

5.  is ingenomen met de mondelinge briefing van de UNCI en prijst haar cruciale werkzaamheden bij het documenteren van de voortdurende mensenrechtencrisis in het land;

6.  benadrukt zijn bezorgdheid over de humanitaire situatie, die gekenmerkt wordt door 169 000 intern ontheemden, 1,67 miljoen mensen die humanitaire hulp nodig hebben, en meer dan 410 000 Burundezen die hun toevlucht zoeken in buurlanden; prijst de gastlanden om hun inspanningen en verzoekt de regeringen in de regio ervoor te zorgen dat de terugkeer van vluchtelingen gebaseerd is op weloverwogen beslissingen en veilig en waardig uitgevoerd wordt;

7.  betreurt evenwel het trage proces van de inter‑Burundese dialoog die door de Oost-Afrikaanse Gemeenschap wordt geleid en het gebrek aan inzet van de kant van de regering van Burundi in dat verband, en verzoekt alle partijen, met name de Burundese autoriteiten, zich te verbinden tot een dringende hervatting van de inter-Burundese dialoog, die moet worden georganiseerd in een daadwerkelijk inclusief kader en zonder voorwaarden;

8.  vraagt om een vernieuwde en gecoördineerde aanpak tussen de AU, de EU, de Economische Commissie voor Afrika (ECA) van de VN en de VN als geheel; betreurt het dat de regering van Burundi geen rekening houdt met de verslagen van de secretaris-generaal van de VN, de resoluties van de Mensenrechtenraad van de VN in Genève, het besluit van de AU van januari 2018 en de bemiddelingsinspanningen van de ECA; moedigt bilaterale en multilaterale partners en de regering van Burundi aan om hun dialoog voort te zetten met de bedoeling dat de regering van Burundi voorwaarden schept die bevorderlijk zijn voor de hervatting van de hulp; verzoekt alle Burundese belanghebbenden actief aan dit proces deel te nemen; spreekt nogmaals zijn steun uit aan het bemiddelingsproces met de steun van de AU en de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN;

9.  prijst de bijstand die bilaterale en multilaterale partners verlenen om de humanitaire situatie te verlichten en verzoekt de internationale gemeenschap steun te blijven geven om aan de humanitaire behoeften in het land tegemoet te komen; spoort de Commissie aan in 2018 aanvullende rechtstreekse steun te verlenen aan de bevolking; benadrukt dat een terugkeer naar een klassieke vorm van samenwerking de terugkeer vereist van de rechtsstaat en democratie, waartoe de bestrijding van straffeloosheid en bescherming van de Burundese burgers behoren;

10.  is ongerust dat de voortdurende politiek crisis kan uitmonden in een etnisch conflict door het gebruik van propaganda, verklaringen die tot haat aanzetten of oproepen tot geweld, waarbij opposanten, leden van maatschappelijke organisaties, journalisten en de Tutsi gelijkgesteld worden met "vijanden van het regime" die moeten worden uitgeschakeld; dringt er bij alle partijen in Burundi op aan zich te onthouden van elke gedraging of taaluiting die het geweld kan verergeren, de crisis kan verdiepen of de regionale stabiliteit op de lange termijn kan aantasten;

11.  blijft ernstig bezorgd dat de nieuwe grondwet die bij het referendum van 17 mei 2018 is aanvaard, een begin kan zijn van het uithollen van de bepalingen in de Overeenkomst van Arusha, waarover met zorg is onderhandeld en die geholpen hebben een einde te maken aan de burgeroorlog in Burundi;

12.  bevestigt nogmaals zijn steun aan het besluit van de Europese Unie, na overleg met de autoriteiten van Burundi overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, de rechtstreekse financiële steun aan de Burundese regering op te schorten en verwelkomt de vaststelling door de EU van reisbeperkingen en de bevriezing van tegoeden van de degenen die verantwoordelijk zijn voor het schenden van mensenrechten en het tegenwerken van de vredesinspanningen;

13.  eist dat een einde wordt gemaakt aan verdere betaling aan de Burundese soldaten en de verschillende contingenten uit Burundi die betrokken zijn bij vredesmissies van de VN en de AU; neemt kennis van de aankondiging van president Nkurunziza dat hij niet voor een nieuwe ambtstermijn in 2020 in aanmerking wil komen; verzoekt de internationale gemeenschap de situatie in Burundi nauwlettend te volgen, ongeacht de verklaring van president Nkurunziza over de verkiezingen van 2020;

14.  herinnert aan de krachtige verklaring van de VV/HV van 8 mei 2018 over de start van de laatste voorbereidende fase voor het constitutioneel referendum van 17 mei 2018; betreurt het gebrek aan consensus tussen de diverse maatschappelijke en politieke groepen in Burundi, het gebrek aan officiële informatie over de belangrijkste elementen van de ontwerpgrondwet, en de nauwlettende controle van journalisten en de media;

15.  herinnert de regering van Burundi eraan dat de voorwaarden voor inclusieve, geloofwaardige en transparante verkiezingen in 2020 het recht op vrije meningsuiting, toegang tot informatie en het bestaan van een vrije ruimte waarin mensenrechtenactivisten zich kunnen uitspreken zonder intimidatie of angst voor represailles, omvatten;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering van Burundi, de ACS-EU-Raad van ministers, de Commissie, de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten van de EU, de lidstaten en instellingen van de Afrikaanse Unie, en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 137.
(2) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 190.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0004.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0310.
(5) PB L 73 van 18.3.2016, blz. 90.
(6) PB L 257 van 2.10.2015, blz. 1.
(7) PB L 257 van 2.10.2015, blz. 37.
(8) PB L 264 van 30.9.2016, blz. 29.

Laatst bijgewerkt op: 7 november 2019Juridische mededeling - Privacybeleid