Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2720(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0399/2018

Ingediende teksten :

B8-0399/2018

Debatten :

PV 01/10/2018 - 20
CRE 01/10/2018 - 20

Stemmingen :

PV 03/10/2018 - 9.9
CRE 03/10/2018 - 9.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0374

Aangenomen teksten
PDF 117kWORD 46k
Woensdag 3 oktober 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
EU-agenda voor landelijke, bergachtige en afgelegen gebieden
P8_TA(2018)0374B8-0399/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2018 over inspelen op de specifieke behoeften van plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden (2018/2720(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2016 over cohesiebeleid in de berggebieden van de EU(1),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2017 over bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020(2),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2018 getiteld "Versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Europese Unie: het zevende verslag van de Europese Commissie"(3),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden 80 % van het grondgebied van de EU uitmaken, 57 % van de EU-bevolking tellen en goed zijn voor 46 % van de bruto toegevoegde waarde;

B.  overwegende dat het bbp per capita in niet-stedelijke gebieden 70 % van het EU-gemiddelde bedraagt, terwijl stadsbewoners een bbp per capita hebben van wel 123 % van het EU-gemiddelde;

C.  overwegende dat het werkloosheidscijfer in niet-stedelijke gebieden tussen 2008 en 2012 van 7 % naar 10,4 % is gestegen;

D.  overwegende dat een kwart van de bevolking in plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden geen toegang tot internet heeft;

E.  overwegende dat het belangrijk is dat plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden steun krijgen om het hoofd te bieden aan de uitdagingen waarmee zij geconfronteerd worden; overwegende dat een van deze uitdagingen de ontvolking van het platteland is, waar ouderen (boven de 65) 20 % van de totale bevolking in deze gebieden uitmaken en jongeren blijven wegtrekken; overwegende dat veel burgers die buiten stedelijke gebieden leven, bijgevolg de verzekering zouden moeten krijgen dat hen dezelfde kansen worden geboden als bewoners van stedelijke gebieden;

F.  overwegende dat de dienstensector slechts 24 % van de werkgelegenheid buiten de steden omvat;

G.  overwegende dat de Europese economie, de steden, de industrie (waaronder het toerisme) en de bevolking voor voedsel, landgebruik, energie, water, schone lucht en grondstoffen grotendeels afhankelijk zijn van deze gebieden;

H.  overwegende dat plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden vaak gelegen zijn in grensregio's van lidstaten en in de nabijheid van de buitengrenzen van de Europese Unie, en overwegende dat er, om in te spelen op hun specifieke behoeften, de cohesie te bevorderen en goede nabuurschapsbetrekkingen te stimuleren, optimaal gebruik moet worden gemaakt van de mogelijkheden die voortvloeien uit grensoverschrijdende samenwerking, macroregionale strategieën en andere instrumenten, zoals de Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS);

I.  overwegende dat vertegenwoordigers van 40 Europese landen de Verklaring van Venhorst hebben ondertekend die in 2017 door het Europees Plattelandsparlement werd opgesteld en die tot doel heeft de samenwerking op gebieden als connectiviteit, infrastructuur, diensten, verbetering van de lokale economie en bestrijding van armoede en sociale uitsluiting te bevorderen;

1.  benadrukt de betekenis van plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden voor een evenwichtige territoriale ontwikkeling in Europa, evenals de noodzaak om deze gebieden sterker te maken door via EU-beleidsmaatregelen op hun specifieke behoeften in te spelen;

2.  is van mening dat het aanmoedigen van lokale ontwikkeling van essentieel belang is voor stabilisering en het tegengaan van negatieve trends op lokale markten, de demografische dynamiek en natuurlijke hulpbronnen;

3.  dringt daarnaast aan op coördinatie van EU-beleidsmaatregelen om de ontwikkeling van plattelandsgebieden te waarborgen;

4.  onderstreept dat er investeringen gericht op de integratie van plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden in alle beleidsterreinen nodig zijn voor de verwezenlijking van de EU-prioriteiten, waaronder – maar niet uitsluitend – slimme, duurzame en inclusieve groei, voedselveiligheid en -zekerheid, sociale inclusie, gendergelijkheid, klimaatverandering, het creëren van banen, digitalisering en een efficiënte interne markt;

5.  dringt erop aan dat de EU-agenda voor plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden ten goede komt aan sociaaleconomische ontwikkeling, economische groei en diversificatie, maatschappelijk welzijn, natuurbescherming alsmede samenwerking en onderlinge verbondenheid met stedelijke gebieden, met het doel de cohesie te verbeteren en het risico van territoriale versnippering tegen te gaan; dringt aan op de opstelling van een Pact voor slimme dorpen, teneinde voor een meer doeltreffende, geïntegreerde en gecoördineerde benadering van EU-beleidsmaatregelen met gevolgen voor plattelandsgebieden te zorgen waarbij alle overheidsniveaus betrokken worden, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en aansluitend bij de Stedelijke Agenda voor Europa die in het Pact van Amsterdam wordt genoemd;

6.  verzoekt verder in deze EU-Agenda voor plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden een strategisch kader op te nemen voor de ontwikkeling van plattelands-, bergachtige en afgelegen gebieden, gecoördineerd met strategieën ten behoeve van achterblijvende en perifere regio's, met het doel de doelstellingen van plattelandsprofilering, slimme dorpen, toegang tot openbare diensten, digitalisering, opleiding en innovatie te verwezenlijken; dringt daarnaast aan op meer slimme samenwerking en partnerschappen tussen plattelands- en stedelijke centra, zodat de relatie tussen platteland en stad een nieuw evenwicht krijgt;

7.  moedigt plattelandsgebieden en -gemeenschappen aan projecten te ontwikkelen als slimme dorpen, waarbij zij uitgaan van hun bestaande sterke punten en kwaliteiten en nieuwe kansen creëren, zoals gedecentraliseerde diensten, energie-oplossingen alsmede digitale technologieën en innovatie;

8.  benadrukt dat er steun nodig is voor de verdere ontwikkeling van plattelandstoerisme en agritoerisme in de bergen bij gelijktijdig behoud van de specifieke kenmerken van deze gebieden, bijvoorbeeld tradities en traditionele lokale producten, daar toerisme een grote sociale, economische en culturele impact heeft;

9.  onderstreept het potentieel van vulkanische berggebieden en vulkanen, en dan vooral de bijdrage van de vulkanologie aan de verwezenlijking van de doelstellingen inzake hernieuwbare energie en aan de preventie en het beheer van natuurrampen, zoals vulkaanuitbarstingen;

10.  verzoekt de Commissie in de toekomstige wetgevingsvoorstellen bepalingen op te nemen met betrekking tot de specifieke kenmerken van deze gebieden en te voorzien in adequate financiering, met name uit de Europese structuur- en investeringsfondsen, voor het cohesiebeleid na 2020;

11.  benadrukt dat het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) aanzienlijk bijdraagt tot economische en sociale cohesie, met name in plattelandsgebieden, en een belangrijke territoriale dimensie heeft; raadt bijgevolg aan om de uitgaven in het kader van het ELFPO te blijven koppelen aan het cohesiebeleid, ook met het oog op de bevordering van geïntegreerde en aanvullende financiering en de vereenvoudiging van procedures voor de begunstigden, zodat regio's aanspraak kunnen maken op verschillende EU-bronnen, teneinde de financieringsmogelijkheden te optimaliseren en in plattelandsgebieden te investeren;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's en de lidstaten.

(1) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 11.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0254.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0105.

Laatst bijgewerkt op: 7 oktober 2019Juridische mededeling