Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2791(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0478/2018

Ingediende teksten :

B8-0478/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/10/2018 - 13.15

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0431

Aangenomen teksten
PDF 151kWORD 53k
Donderdag 25 oktober 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
14e bijeenkomst van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP14)
P8_TA(2018)0431B8-0478/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over de 14e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP14) (2018/2791(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2016 over de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie(2),

–  gezien het verslag van de Commissie van 20 mei 2015 getiteld "De stand van de natuur in de Europese Unie: Verslag over de staat van en trends voor typen van habitats en soorten die onder de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn vallen voor de periode 2007‑2012, zoals vereist krachtens artikel 17 van de Habitatrichtlijn en artikel 12 van de Vogelrichtlijn" (COM(2015)0219),

–  gezien de vragen aan de Commissie en de Raad over de 14e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP14) (O‑000115/2018 – B8‑0413/2018 en O‑000116/2018 – B8‑0414/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de verklaarde doelstelling van het strategische plan voor biodiversiteit 2011‑2020, in 2010 goedgekeurd door de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD), is doeltreffende en urgente actie te ondernemen om het verlies aan biodiversiteit (de buitengewone variatie van ecosystemen, soorten en genetische hulpbronnen die ons omringen) een halt toe te roepen teneinde ervoor te zorgen dat de ecosystemen uiterlijk in 2020 veerkrachtig zijn en essentiële diensten blijven bewijzen, en op die manier de diversiteit van het leven op onze planeet te vrijwaren en bij te dragen tot menselijk welzijn en het uitbannen van armoede;

B.  overwegende dat Visie 2050, aangenomen in het kader van het VBD, is "In harmonie met de natuur leven", zodat "tegen 2050, biodiversiteit wordt gewaardeerd, behouden, hersteld en verstandig gebruikt, door ecosysteemdiensten te handhaven, een gezonde planeet in stand te houden en te laten profiteren van voordelen die essentieel zijn voor alle mensen";

C.  overwegende dat Visie 2050 wordt ondersteund door vijf hoofddoelstellingen: a) aanpak van de achterliggende oorzaken van het verlies van biodiversiteit door overheid en samenleving van biodiversiteit bewust te maken; b) vermindering van de directe druk op biodiversiteit en stimuleren van duurzaam gebruik; c) de status van de biodiversiteit verbeteren door ecosysteemdiensten, soorten en genetische diversiteit te beschermen; d) de baten van biodiversiteit en ecosysteemdiensten voor iedereen vergroten; en e) de tenuitvoerlegging versterken door participatieplanning, kennismanagement en capaciteitsopbouw;

D.  overwegende dat het Protocol van Nagoya inzake toegang en verdeling van voordelen ten doel heeft ervoor te zorgen dat de uit het gebruik van genetische rijkdommen voortvloeiende voordelen eerlijk en billijk worden verdeeld;

E.  overwegende dat de EU 2020 biodiversiteitsstrategie erop gericht is het verlies van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de EU tegen te gaan en het biodiversiteitsverlies wereldwijd tegen 2020 een halt toe te roepen, rekening houdend met de intrinsieke waarde van biodiversiteit en de essentiële bijdrage van ecosysteemdiensten aan het menselijk welzijn en economische voorspoed;

F.  overwegende dat de EU en de lidstaten Agenda 2030 en haar doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s) hebben aangenomen, waarin opgeroepen wordt om onze wereld te veranderen en onze planeet te beschermen, inclusief het leven op het land en in het water, en hebben toegezegd deze agenda volledig ten uitvoer te zullen leggen;

G.  overwegende dat verslechtering van de ecosystemen enorme sociale en economische verliezen voor de EU met zich meebrengt;

Algemene opmerkingen

1.  merkt met bezorgdheid op dat de 2020 Aichi-biodiversiteitsdoelstellingen niet gehaald kunnen worden met de huidige ontwikkeling van het biodiversiteitsverlies en dringt er bij alle partijen en belanghebbenden bij het VBD op aan hun inspanningen te verhogen; dringt er in dit verband bij de Commissie en de lidstaten op aan zich te committeren aan onmiddellijke, substantiële en aanvullende inspanningen om de diversiteit te behouden en zo de EU‑doelstellingen te halen;

2.  benadrukt dat de bescherming van de mondiale biodiversiteit een essentiële uitdaging is en dus een strategisch EU-belang dat hoog op de politieke agenda moet staan; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan zich actief in te zetten, met name via hun externe instrumenten, voor derde landen om beleidsmaatregelen voor het behoud van biodiversiteit te bevorderen en te versterken, met name in alle multilaterale overeenkomsten;

3.  benadrukt dat er een allesomvattend bestuursmodel moet komen waarin het behoud en het duurzaam gebruik van biodiversiteit en ecosysteemdiensten wordt gestimuleerd; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan zich te blijven inzetten voor verdere aanscherping van het VBD en het voortouw te nemen bij de voorbereiding van het kader post‑2020, met name in de aanloop naar de veertiende en vijftiende bijeenkomst van de Conferentie van de partijen (COP), en hun visies en prioriteiten voor het mondiale biodiversiteitskader post‑2020 op transparante wijze uiteen te zetten;

4.  brengt in herinnering dat de instandhouding en het herstel van de biodiversiteit van belang zijn om de meeste SDG's te halen en essentieel zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het EU‑beleid op het gebied van o.a. milieu, voedselveiligheid, beperking van en aanpassing aan klimaatverandering, volksgezondheid, rampenrisicovermindering en migratie;

5.  herinnert eraan dat biodiversiteit en behoud van ecosystemen inherent synergetisch zijn en een kernelement van duurzame ontwikkeling; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te faciliteren dat biodiversiteit en verbeterde samenhang van het milieubeleid worden gemainstreamd in al het interne en externe beleid van de EU, ook met het oog op hun inspanningen om de SDG's van de VN vóór 2030 volledig ten uitvoer te leggen;

6.  acht het van essentieel belang de belangrijkste oorzaken van biodiversiteitsverlies en ‑verslechtering aan te pakken met een strategische benadering die gericht is op de lange termijn en om effectieve besluiten en maatregelen te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen, van het aanduiden en in stand houden van beschermde gebieden op basis van de gevoeligheid van die gebieden, de aanwezigheid van bedreigde soorten of de vastgestelde kenniskloven en/of effectief bestuur, om het biodiversiteitsverlies en de negatieve gevolgen voor het grondgebied en het bestaan van inheemse en lokale gemeenschappen te beperken, en om ecosystemen en hun diensten ook buiten beschermde gebieden te herstellen, tot het mainstreamen van biodiversiteit in andere beleidssectoren, zoals landbouw, bosbouw, ruimtelijke ordening, ontwikkelingssamenwerking, onderzoek en innovatie, transport, mijnbouw en gezondheidszorg, en het afschaffen van averechts werkende subsidies; acht het van essentieel belang biodiversiteitsverlies en de negatieve impact ervan voor het land en voor de bestaansmiddelen van lokale en inheemse gemeenschappen, te beperken;

Tenuitvoerlegging van het Verdrag en het strategisch plan voor biodiversiteit 2011-2020

7.  herinnert eraan dat het op de COP14 in Egypte vijfentwintig jaar geleden was dat het Verdrag in werking trad; is derhalve van mening dat het van het uiterste belang is de inspanningen te verhogen voor de tenuitvoerlegging van het huidige strategische plan voor biodiversiteit 2011‑2020, te focussen op verwezenlijking van de Aichi-biodiversiteitsdoelstellingen en de kernonderdelen van het Protocol van Nagoya inzake toegang en verdeling van voordelen en te werken aan een ambitieus strategisch plannings- en tenuitvoerleggingsmechanisme voor de periode post‑2020, teneinde een 2050-scenario te ontwikkelen waarbij rekening wordt gehouden met de nieuwe uitdagingen op het gebied van biodiversiteit in lijn met de Agenda 2030 voor SDG's;

8.  benadrukt de rol van de Aichi-biodiversiteitsdoelstellingen voor het behalen van de Agenda 2030 en de SDG's, met name SDG14 (Behoud en maak duurzaam gebruik van oceanen, zeeën en maritieme hulpbronnen) en SDG15 (Bescherm ecosystemen op het vasteland, beheer bossen duurzaam, bestrijd woestijnvorming, stop landdegradatie en draai het terug en roep het verlies aan biodiversiteit een halt toe);

9.  merkt met bezorgdheid op dat uit de beoordelingen(3) van de staat van instandhouding van soorten en habitattypen in de EU blijkt dat slechts 7 % van mariene soorten en 9 % van mariene habitattypen een "gunstige staat van instandhouding" heeft en dat 27 % van de soorten en 66 % van de habitattypen een "ongunstige staat van instandhouding" heeft;

Mondiaal biodiversiteitskader voor de periode post-2020

10.  dringt aan op stappen om het ambitieniveau op te schroeven en de werking van het mondiaal biodiversiteitskader voor de periode post‑2020 te verbeteren; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan zich actief in te zetten voor de ontwikkeling van duidelijke, kwantitatieve, meetbare doelen met prestatie-indicatoren, betere meetinstrumenten, vastleggingsprocessen en beoordelings- en rapportage-regelingen met gemeenschappelijke normen, naar het voorbeeld van de regelingen van de Overeenkomst van Parijs, om de transparantie en de verantwoordingsplicht van de partijen bij het verdrag te verbeteren, alsmede de algehele effectiviteit van het volgende mondiale biodiversiteitskader;

11.  benadrukt dat er een sterker internationaal kader nodig is om de mondiale biodiversiteit te beschermen, om de huidige neergang tegen te gaan en om de biodiversiteit zoveel mogelijk te herstellen; is van mening dat een dergelijk kader gebaseerd zou moeten zijn op doelstellingen en vrijwillige toezeggingen, o.a. nationaal vastgestelde bijdragen, die worden ondersteund met lokale en regionale bijdragen, en andere passende instrumenten, financiële toezeggingen en verbeterde capaciteitsopbouwgaranties, alsmede een vijfjarige herzieningsregeling, met een nadruk op beter bestuur van beschermde gebieden, effectievere instandhoudingsmaatregelen en een stijgend ambitieniveau;

12.  benadrukt het belang van het zoveel mogelijk bekorten van de termijnen tussen de goedkeuring van het mondiale biodiversiteitskader voor de periode post‑2020 en de omzetting ervan in nationale biodiversiteitsdoelstellingen om te voorkomen dat er vertraging wordt opgelopen bij het nemen van concrete maatregelen om verlies van biodiversiteit tegen te gaan;

Economische overwegingen en financiering 

13.  benadrukt dat economische groei duurzame ontwikkeling alleen kan faciliteren als ze wordt losgekoppeld van achteruitgang van biodiversiteit en de capaciteit van de natuur om te voorzien in het menselijk welzijn en benadrukt dat op de natuur gebaseerde oplossingen moeten worden opgeschaald zodat samenlevingen complexe vraagstukken met sociale en economische aspecten op een volledig duurzame manier kunnen aanpakken;

14.  wijst op het belang van voldoende financiering voor biodiversiteit; benadrukt het feit dat het volgende Meerjarig Financieel Kader biodiversiteitsbestendig moet zijn en dat er wellicht middelen moeten worden gereserveerd voor biodiversiteit wil het een aanzienlijk en positief effect hebben op de verwezenlijking van de Visie 2050;

15.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de invoering van nieuwe internationale financieringsinstrumenten voor behoud van biodiversiteit in het kader van het VBD te bevorderen en wijst op het belang van private financieringsinitiatieven in dit verband;

16.  benadrukt het belang van hogere investeringen om de toezeggingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken om de gevolgen van de klimaatverandering voor biodiversiteit te beperken, en om te zorgen voor samenhang tussen beleid inzake de beperking van en aanpassing aan klimaatverandering en biodiversiteit;

Bosbouw en landbouw

17.  is verheugd over het feit dat in aanbeveling 10.2.g (XXI/1.) voor het COP14-besluit het potentieel van bosbouw en landbouw wordt genoemd; benadrukt het feit dat landbouwactiviteiten en het behoud van biodiversiteit nauw samenhangen; benadrukt het feit dat duurzame land- en bosbouw in sterke mate bijdragen tot een grote rijkdom aan soorten, habitats en ecosystemen, en de gevolgen van klimaatverandering beperken;

18.  wijst echter op de negatieve gevolgen van intensieve landbouw op de biodiversiteit, met name met betrekking tot ontbossing en het gebruik van pesticiden; herinnert aan de verontrustende achteruitgang van bestuivers, die essentieel zijn voor goed functionerende ecosystemen; dringt er bij de partijen op aan zich sterk in te zetten voor duurzame land- en bosbouw, inclusief voorschriften voor de bevordering van agro‑ecologische benaderingen, en het geleidelijk afschaffen van gewasbeschermingsmiddelen en strategieën om te zorgen voor bescherming van bodems en habitats;

Innovatie

19.  is verheugd over het feit dat in 10.2.h (XXI/1.) technologische ontwikkeling wordt genoemd; herinnert aan het belang van innovatie, onderzoek en ontwikkeling voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Visie 2050, en vraagt de partijen daarbij in het bijzonder te focussen op het verband tussen het behoud van biodiversiteit en de positieve effecten op de gezondheid en het economisch welzijn van mensen, en de maatregelen ten behoeve van het verzamelen van gegevens te coördineren;

Capaciteitsopbouw, bewustmaking en betrokkenheid van alle actoren

20.  benadrukt dat capaciteitsopbouw en bewustmaking, onder meer over de waarde van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, essentieel zijn voor een succesvolle tenuitvoerlegging; is derhalve verheugd over het feit dat de COP13 in haar besluit XIII/23 alsmede in aanbeveling XXI/1 een actieplan voor de korte termijn (2017‑2022) heeft goedgekeurd om de capaciteitsopbouw te vergroten en te ondersteunen en haar communicatiestrategie, en dringt er bij de COP14 op aan deze aspecten verder uit te werken;

21.  benadrukt dat er een uitgebreid en participatief proces moet zijn om het kader na 2020 vorm te geven;

22.  is verheugd over het feit dat in XXI/1 bewustmakingscampagnes worden overwogen voor de voorbereiding van COP14 en dringt er bij de partijen op aan het bewustzijn van het publiek en de betrokkenheid van alle belanghebbenden te vergroten om te zorgen voor op maat gesneden oplossingen voor plaatselijke gemeenschappen en inheemse volkeren teneinde duurzaam gebruik van land te stimuleren voor meer biodiversiteit, zodat regionale verschillen in landschappen en habitats volledig worden gerespecteerd;

23.  is verheugd over de intentie om meerdere belanghebbenden, inclusief regionale en locale actoren, actief te benaderen wat van fundamenteel belang is om biodiversiteit te waarderen, beschermen, behouden, duurzaam te gebruiken, en te herstellen en benadrukt dat een grotere betrokkenheid van en tussen bestuursniveaus en sectoren, alsmede platforms voor bedrijfsleven en biodiversiteit, mogelijkheden zal creëren om biodiversiteitsdoelstellingen beter ten uitvoer te leggen en in overig beleid te mainstreamen;

o
o   o

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 2.
(2) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 38.
(3) Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services, ‘The Regional Assessment Report on Biodiversity and Ecosystem Services for Europe and Central Asia’, 2018.

Laatst bijgewerkt op: 10 december 2019Juridische mededeling - Privacybeleid