Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/0043(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0337/2018

Ingediende teksten :

A8-0337/2018

Debatten :

PV 12/11/2018 - 15
CRE 12/11/2018 - 15

Stemmingen :

PV 13/11/2018 - 4.6
CRE 13/11/2018 - 4.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0445

Aangenomen teksten
PDF 259kWORD 82k
Dinsdag 13 november 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
P8_TA(2018)0445A8-0337/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren (COM(2017)0097 – C8-0095/2017 – 2017/0043(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0097),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0095/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0337/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 68.


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren
P8_TC1-COD(2017)0043

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) dient bij te dragen tot de bescherming van het mariene milieu, tot het duurzame beheer van alle commercieel geëxploiteerde soorten en in het bijzonder tot het bereiken, uiterlijk in 2020, van een goede milieutoestand van het mariene milieu overeenkomstig artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad(3), en een gunstige staat van instandhouding voor soorten en habitats overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG van de Raad(4) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad(5). [Am. 1]

(1 bis)   Tijdens de Top van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling in 2015 in New York hebben de Unie en haar lidstaten zich ertoe verbonden tegen 2020 het vangen van vis doeltreffend te reglementeren, een einde te maken aan overbevissing, aan illegale, niet-gemelde en ongereglementeerde visserij en aan destructieve visserijpraktijken, en wetenschappelijk gefundeerde beheersplannen uit te voeren teneinde de visbestanden in zo kort mogelijke tijd op zijn minst te herstellen op het niveau dat de door hun biologische kenmerken bepaalde maximale duurzame opbrengst kan opleveren. [Am. 2]

(2)  Bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad(6) zijn de regels van het GVB vastgesteld in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij- en aquacultuuractiviteiten uit ecologisch, economisch en sociaal oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen. [Am. 3]

(2 bis)  Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013 zijn om de visserij op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies te kunnen beheren, geharmoniseerde, degelijke en accurate datareeksen nodig. [Am. 4]

(3)  Uit wetenschappelijk advies van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) en van het wetenschappelijk adviescomité van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM – SAC) blijkt dat het niveau waarop de ansjovis- en sardinebestanden in de Adriatische Zee worden geëxploiteerd, te hoog ligt om de maximale duurzame opbrengst (maximum sustainable yield of MSY) te bereiken.

(3 bis)  De Adriatische Zee is een belangrijk deelgebied van het Middellandse Zeegebied, dat goed is voor ongeveer een derde van de totale aanlandingswaarde. [Am. 5]

(4)  Hoewel de ansjovis- en sardinebestanden in de Adriatische Zee worden beheerd aan de hand van zowel een internationaal beheersplan in het kader van de GFCM als van nationale beheersplannen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad(7), worden zij nog steeds overbevist en worden de bestaande beheersmaatregelen onvoldoende geacht om uiterlijk in 2020 de MSY te halen. De lidstaten en belanghebbende partijen hebben zich uitgesproken voor de opstelling en tenuitvoerlegging van beheersplannen op Unieniveau voor deze twee bestanden.

(4 bis)   De ten uitvoer gelegde beheersplannen en de in 2016 ingevoerde technische maatregelen zullen naar verwachting gevolgen hebben voor de visbestanden en moeten worden geanalyseerd en in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van het meerjarenplan voor de pelagische bestanden in de regio. [Am. 6]

(4 ter)   Het introduceren van een benadering met betrekking tot een ondergrens ten aanzien van het ontsnappingsniveau vergt wijzigingen ten aanzien van de biologische bemonsterings- en onderzoeksprotocollen, welke wijzigingen tijd zullen kosten, waardoor er een overgangsperiode moet worden ingelast voordat deze ten uitvoer kan worden gelegd. [Am. 99]

(5)  De huidige beheersmaatregelen voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee hebben betrekking op de toegang tot de wateren, de controle op de visserijinspanning en technische maatregelen om het gebruik van vistuig te regelen. Uit wetenschappelijk advies blijkt dat de controle van de vangsten het meest geschikte middel is om de visserijsterfte aan te passen, en een doeltreffender beheersinstrument is voor kleine pelagische bestanden(8). [Am. 7]

(6)  Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen moeten instandhoudingsmaatregelen als meerjarenplannen, technische maatregelen en vangstmogelijkheden (vaststelling en toewijzing) technische maatregelen, zo nodig met elkaar gecombineerd, worden vastgesteld. [Am. 8]

(6 bis)   De kleine pelagische visserij in de Adriatische Zee, met name in de geografische deelgebieden 17 en 18, hebben belangrijke sociaal-economische gevolgen voor het levensonderhoud en de toekomst van de kustgemeenschappen van de lidstaten. [Am. 9]

(6 ter)   Overeenkomstig de beginselen en doelstellingen van het GVB en overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moet gebruik worden gemaakt van regionalisering om maatregelen vast te stellen en uit te voeren die rekening houden met de specifieke kenmerken van elk visserijgebied en die de milieuomstandigheden in elk van die gebieden beschermen. [Am. 10]

(6 quater)   Vangstmogelijkheden moeten worden toegekend overeenkomstig de beginselen van artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, waarbij gebruik moet worden gemaakt van transparante en objectieve criteria, onder meer die van ecologische, sociale en economische aard. De vangstmogelijkheden moeten ook eerlijk worden verdeeld over de verschillende takken van de visserij, met inbegrip van de traditionele en kleinschalige visserij. Voorts moeten de lidstaten voorzien in stimuleringsmaatregelen voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig of die gebruik maken van minder milieubelastende visserijtechnieken. [Am. 11]

(7)  Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten meerjarenplannen gebaseerd zijn op de beste op dat moment beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen en moeten zij doelstellingen, kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten, instandhoudingsdoelstellingen, technische maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting, maatregelen die beogen ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en vrijwaringsmaatregelen bevatten. [Am. 12]

(8)  Het meerjarenplan moet ten doel hebben bij te dragen aan de doelstellingen van het GVB, in het bijzonder het herstellen en behouden van de MSY voor visbestanden boven een biomassaniveau dat de betrokken bestanden bereiken en behouden MSY kan opleveren, de aanlandingsverplichting uitvoeren, zorgen voor een duurzame en winstgevende visserijsector en voorzien in een doeltreffend beheerskader. [Am. 13]

(8 bis)   Tenzij anders bepaald mag deze verordening niet als precedent worden beschouwd voor andere meerjarenplannen met betrekking tot de Middellandse Zee. [Am. 14]

(8 ter)   Een meerjarenplan moet altijd een evenwicht vinden tussen het haalbare resultaat, rekening houdend met het tijdpad, en de sociaal-economische gevolgen. [Am. 15]

(9)  Voorts is bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 een aanlandingsverplichting ingevoerd, die ook geldt voor alle vangsten van soorten waarvoor minimummaten in de zin van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 gelden. Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1392/2014 van de Commissie(9) is in afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 een driejarig teruggooiplan vastgesteld dat voorziet in een de-minimisvrijstelling van de aanlandingsverplichting voor ansjovis, sardine, makreel en horsmakreel in de Adriatische Zee. Met het oog op de uitvoering van de aanlandingsverplichting is het passend de geldigheidsduur van de in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1392/2014 vervatte maatregelen te verlengen door de desbetreffende bepalingen op te nemen in het meerjarenplan.

(10)  Overeenkomstig de ecosysteemgerichte benadering en in aanvulling op moet dit plan tevens bijdragen tot het visserijgerelateerde beschrijvende element van bereiken van een goede milieutoestand als bedoeld in Richtlijn 2008/56/EG, en dient in het kader van het visserijbeheer rekening te worden gehouden met de in bijlage I bij die richtlijn opgenomen kwalitatief beschrijvende elementen 1, 4 en 6. Dit plan dient voorts bij te dragen tot de verwezenlijking van een gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten respectievelijk overeenkomstig Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG. [Am. 16]

(11)  Krachtens artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden worden vastgesteld overeenkomstig de in de meerjarenplannen bepaalde streefdoelen. [Am. 17]

(12)  Het is passend dat het met de doelstelling inzake het bereiken en behouden van de MSY overeenkomende streefdoel voor de visserijsterfte (target fishing mortality - F) wordt vastgesteld als bandbreedtes van waarden die in samenhang zijn met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY). Deze op het beste beschikbare wetenschappelijk advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om de flexibiliteit te bieden die nodig is om rekening te houden met ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, om bij te dragen aan de uitvoering van de aanlandingsverplichting en om rekening te houden met de kenmerken van gemengde visserij. De FMSY-bandbreedtes zijn berekend door het WTECV(10). en Op basis van dit plan zijn zij zo bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan MSY(11). Bovendien is de bovengrens van de bandbreedte geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. [Am. 18]

(13)  Met het oog op de vaststelling het realiseren van de vangstmogelijkheden moet er een drempel komen voor FMSY‑brandbreedtes bij normaal gebruik en, mits doelstellingen van het meerjarenplan moet het betrokken bestand als in goede staat verkerend wordt beschouwd, een hogere grens voor bepaalde gevallen. De vangstmogelijkheden mogen streefdoel voor elke soort SSBpa zijn. Er mag alleen op de hogere grens een hoger streefdoel worden vastgesteld indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening in het geval van gemengde visserijen of noodzakelijk is om schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te voorkomen, of indien dat tot doel heeft wanneer een van de jaarlijkse schommelingen op het gebied van de vangstmogelijkheden te beperken kleine pelagische bestanden onder SSBlim ligt. [Am. 19]

(14)  Wanneer geen streefdoelen in verband met MSY beschikbaar zijn, dient de voorzorgsbenadering te worden toegepast.

(15)  In het licht van de toepassing van vrijwaringsmaatregelen moeten, voor bestanden waarvoor zij beschikbaar zijn, instandhoudingsreferentiepunten worden vastgesteld, uitgedrukt als MSY Btrigger SSBlim en Blim SSBpa voor ansjovis- en sardinebestanden kleine pelagische bestanden. Indien de bestanden onder MSY Btrigger SSBlim terechtkomen, moet de visserijsterfte moeten passende herstelmaatregelen worden teruggebracht vastgesteld om bij te dragen tot de snelle terugkeer van het betrokken bestand tot onder FMSY een niveau boven SSBpa. [Am. 20]

(16)  Wanneer de bestandsomvang onder het Blim-referentiepunt terechtkomt, dienen verdere vrijwaringsmaatregelen te worden ingevoerd. Vrijwaringsmaatregelen dienen onder meer in te houden dat de vangstmogelijkheden worden gereduceerd en dat er specifieke instandhoudingsmaatregelen worden genomen wanneer een bestand luidens wetenschappelijk advies gevaar loopt. Zo nodig moeten die maatregelen worden aangevuld met andere maatregelen, zoals maatregelen van de Commissie overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 of maatregelen van de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. [Am. 21]

(17)  Voor bestanden waarvoor geen referentiepunten beschikbaar zijn, dient het voorzorgsbeginsel te worden toegepast. In het specifieke geval van de als bijvangst gevangen bestanden dienen, bij ontstentenis van wetenschappelijk advies over het minimale paaibiomassaniveau van die bestanden, specifieke instandhoudingsmaatregelen te worden vastgesteld wanneer luidens wetenschappelijk advies herstelmaatregelen nodig zijn. [Am. 22]

(18)  Om de uitvoering van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting mogelijk te maken, dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen, met name maatregelen voor het geleidelijk uitbannen van teruggooi, het tellen van vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte en het beperken, en zo mogelijk uitbannen, van de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene milieu. Dergelijke maatregelen dienen te worden vastgesteld door middel van gedelegeerde handelingen. [Am. 23]

(18 bis)  Een gezamenlijke aanbeveling van Kroatië, Italië en Slovenië (Adriatica-groep op hoog niveau) en een studie over de technische kenmerken van ringzegens en de impact hiervan op bodempopulaties werden ingediend bij en getoetst door onafhankelijke deskundigen en het WTECV. Daarom is het passend te voorzien in een afwijking van de tweede alinea van artikel 13, lid 3, van en punt 2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1967/2006. [Am. 24]

(19)  Voor de indiening van gemeenschappelijke aanbevelingen van lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dient een uiterste termijn te worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(19 bis)   Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij een aanzienlijke invloed heeft op de visserijsterfte van een bepaald bestand, moet de Raad ook deze vorm van visserij in aanmerking nemen. Hiertoe moet de Raad gemachtigd zijn een totale toegestane vangst (TAC) vast te stellen voor commerciële vangsten waarbij rekening wordt gehouden met de omvang van de recreatievangsten, en/of andere maatregelen vast te stellen om de recreatievisserij te beperken, met inbegrip van meeneemlimieten en sluitingsperioden. [Am. 25]

(20)  Het plan moet voorts voorzien in de vaststelling, door middel van gedelegeerde handelingen, van bepaalde begeleidende technische maatregelen, alsook gebieds- en tijdsgebonden maatregelen, die op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het plan, met name inzake de bescherming van jonge vis, moeten bijdragen of de selectiviteit moeten verbeteren. [Am. 26]

(20 bis)   Bij het vaststellen van technische maatregelen die voortvloeien uit het meerjarenplan of overeenkomstig het plan vastgestelde gedelegeerde handelingen moet het gebruik van ambachtelijk vistuig dat gebaseerd is op van oudsher in visserijgemeenschappen toegepaste praktijken, worden gewaarborgd. [Am. 27]

(21)  Om te waarborgen dat de in deze verordening vervatte maatregelen ten volle worden nageleefd, dienen specifieke controlemaatregelen te worden aangenomen ter aanvulling van die waarin Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad(12) voorziet.

(21 bis)   Om ervoor te zorgen dat de sector de maatregelen ter vermindering van de visserijinspanning en de daaruit voortvloeiende daling van de inkomsten voor bedrijven en zeevarenden aankan, moeten er regelingen zijn voor prioritaire toegang tot passende steun uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) overeenkomstig Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad(13). [Am. 28]

(21 ter)   Om bij de toepassing rekening te houden met de sociaal-economische effecten is het daarom wenselijk om enerzijds afwijkingen toe te staan van de maximale duur van de tijdelijke stopzetting als bedoeld in artikel 33 van Verordening (EU) nr. 508/2014, waarbij die stopzetting uitsluitend wordt uitgebreid naar de vaartuigen die vallen onder dit meerjarenplan, en anderzijds mogelijk te maken dat de definitieve beëindiging als bedoeld in artikel 34 van deze verordening weer wordt opengesteld en dat de bedoelde vissersvaartuigen er toegang toe krijgen. [Am. 29]

(22)  Omdat vaartuigen die in de Adriatische Zee op kleine pelagische bestanden vissen, veelal korte visreizen maken, dient het in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voorgeschreven gebruik van de voorafgaande kennisgeving te worden aangepast zodat de voorafgaande kennisgeving ten minste anderhalf een half uur voor het geraamde tijdstip van aankomst in de haven wordt gedaan. Echter, rekening houdend met het beperkte effect op de betrokken bestanden van visreizen waarmee zeer kleine hoeveelheden vis zijn gemoeid, is het passend een drempelwaarde voor dergelijke voorafgaande kennisgevingen vast te stellen, namelijk dat vaartuigen ten minste één ton ansjovis of sardine kleine pelagische soorten aan boord hebben. [Am. 30]

(23)  Aangezien elektronische controle-instrumenten zorgen voor een betere en snellere controle van de visserijen, met name wat betreft de ruimtelijke spreiding van de visserijactiviteiten en de exploitatie van de bestanden, moet het respectievelijk in de artikelen 9 en 15 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voorgeschreven gebruik van het volgsysteem voor vaartuigen en het elektronische logboek worden uitgebreid tot alle vissersvaartuigen met een lengte over alles van acht meter.

(24)  Overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 moet worden vastgesteld boven welke drempelwaarde een vissersvaartuig zijn vangsten ansjovis en sardine kleine pelagische soorten in een aangewezen haven of op een plaats dicht bij de kust moet aanlanden. Bovendien moeten de lidstaten bij de aanwijzing van die havens of plaatsen dicht bij de kust de criteria van artikel 43, lid 5, van die verordening op zodanige wijze toepassen dat een doeltreffende controle gewaarborgd is. [Am. 31]

(25)  Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, moet de bevoegdheid aan de Commissie worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen op het stuk van herstelmaatregelen voor de instandhouding van makreel en horsmakreel, de uitvoering van de aanlandingsverplichting en technische maatregelen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(14). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen moeten het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten ontvangen, en moeten hun deskundigen systematisch toegang hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 32]

(26)  Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen bepalingen te worden vastgesteld inzake de periodieke beoordeling door de Commissie van de toereikendheid en doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening. Voorafgaand aan deze beoordeling dient het plan op basis van wetenschappelijk advies periodiek te worden geëvalueerd. Die evaluatie moet plaatsvinden binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening en daarna om de vijf jaar plaatsvinden. Die periode biedt voldoende ruimte om de aanlandingsverplichting volledig uit te voeren, om geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren en om zicht te krijgen op de gevolgen voor de bestanden en de visserij. Een kortere periode zou bovendien onwerkbaar zijn voor de wetenschappelijke instanties. [Am. 33]

(27)  Vóór het opstellen van het plan zijn overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de verwachte economische en sociale effecten ervan beoordeeld(15).

(27 bis)   Om de vissers te ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van de bij deze verordening vastgestelde maatregelen moeten de lidstaten zo ruim mogelijk gebruikmaken van de bij Verordening (EU) nr. 508/2014 vastgestelde maatregelen. Er moet worden verduidelijkt dat maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken, in aanmerking kunnen komen voor steun krachtens Verordening (EU) nr. 508/2014 om rekening te houden met de sociaal-economische aspecten van deze verordening. Voorts moet voor de vaartuigen waarop dit meerjarenplan betrekking heeft, een afwijking worden toegestaan met betrekking tot de perioden tijdens welke steun mag worden verleend en met betrekking tot de maximale bijdrage van het EFMZV voor tijdelijke stopzetting als bedoeld in Verordening (EU) nr. 508/2014, [Am. 34]

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan vastgesteld voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee.

2.  Deze verordening is van toepassing op de bestanden ansjovis (Engraulis encrasicolus) en sardine (Sardina pilchardus) in de Adriatische Zee (hierna "de betrokken bestanden" "kleine pelagische soorten" genoemd) en op de visserijen die deze bestanden exploiteren. Zij bevissen. Met het oog op de uitvoering van de aanlandingsverplichting, zoals vastgesteld in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, is deze verordening eveneens van toepassing op de bijvangsten van makreel (Scomber spp.) en horsmakreel (Trachurus spp.) in de Adriatische Zee die bij de visserij op een van de betrokken bestanden of op de beide betrokken bestanden kleine pelagische soorten worden gevangen. [Am. 35]

Artikel 2

Definities

1.  Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities die zijn vastgesteld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1967/2006.

2.  Daarnaast wordt verstaan onder:

a)  "Adriatische Zee": de geografische deelgebieden 17 en 18 van de GFCM;

b)  "geografisch deelgebied van de GFCM": geografisch deelgebied van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (General Fisheries Commission for the Mediterranean – GFCM) zoals afgebakend in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad(16);

b bis)  "gericht vissen": een visserijactiviteit waarbij sardine of ansjovis ten minste 50 % van de vangst in levend gewicht uitmaakt; [Am. 37]

c)  "kleine pelagische bestanden" soorten": de in artikel 1, lid 2, van deze verordening vermelde bestanden of een combinatie van daar vermelde bestanden ansjovis (Engraulis encrasicolus) en sardine (Sardina pilchardus). [Am. 38]

c bis)  "Beste beschikbare wetenschappelijke advies" verwijst naar openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat wordt geschraagd door de meest recente wetenschappelijke gegevens en methoden en is afgegeven of intercollegiaal getoetst door een op internationaal of EU-niveau erkend onafhankelijk wetenschappelijk orgaan zoals het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) en de GFCM, met inachtneming van de vereisten van artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. [Am. 104]

d)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden waarin alle niveaus van visserijsterfte binnen de wetenschappelijk aangegeven grenswaarden van die bandbreedte bij gemengde visserij volgens wetenschappelijk advies een maximale duurzame opbrengst (maximum sustainable yield – MSY) op lange termijn opleveren bij bestaande gemiddelde milieuomstandigheden zonder beduidende nadelige gevolgen voor het reproductieproces voor de betrokken bestanden; [Am. 39]

d bis)  "visdag": elke aaneengesloten periode van 24 uur, of elk deel daarvan, waarin een visserijvaartuig visserijactiviteit verricht, bijvoorbeeld het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen, het kooien, het vetmesten en het aanlanden van vis en visserijproducten, zoals gedefinieerd in artikel 28, lid 1, punt 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013; [Am. 40]

d ter)  "SSBlim": het referentiepunt voor paaibiomassa waaronder corrigerende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de bestanden worden teruggebracht tot een niveau dat boven de biologisch veilige grens ligt; [Am. 41]

d quater)  "SSBpa": het voorzorgsreferentiepunt voor paaibiomassa waaronder beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de bestanden worden teruggebracht tot een niveau dat boven de biologisch veilige grens ligt; [Am. 42]

e)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn MSY kan opleveren; [Am. 43]

f)  "vangstmogelijkheid": een gekwantificeerd legaal recht om te vissen, in termen van vangsten en/of visserijinspanning.

Artikel 3

Doelstellingen

1.  Het meerjarenplan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid., met name door bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toe te passen, en beoogt ervoor te zorgen dat de mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat MSY kan opleveren. [Am. 45]

2.  Het meerjarenplan voorziet in een doeltreffend, eenvoudig en stabiel beheerskader voor de exploitatie van de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee.

2 bis.   Bij de ontwikkeling of wijziging van het meerjarenplan wordt overeenkomstig artikel 2, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten. [Am. 47]

3.  Het meerjarenplan draagt bij tot het uitbannen verminderen van teruggooi door ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de uitvoering van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de daaronder vallende soorten waarop de onderhavige verordening van toepassing is. [Am. 48]

4.  Het meerjarenplan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem, in het bijzonder voor bedreigde habitats en beschermde soorten, waaronder zeezoogdieren, zeevogels en reptielen, tot een minimum worden beperkt en zo mogelijk uitgebannen. Het is coherent met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken, alsook met de streefdoelen en voorschriften zoals vastgelegd in Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG. [Am. 49]

5.  Het meerjarenplan heeft met name ten doel:

a)  ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de in beschrijvend element 3 van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG beschreven voorwaarden, en

b)  bij te dragen tot de vervulling van andere relevante beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, in verhouding tot de rol die visserij voor de vervulling ervan speelt.

5 bis.   Maatregelen in het kader van het plan worden genomen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies. [Am. 50]

HOOFDSTUK II

SOCIAAL-ECONOMISCHE STREEFDOELEN, VRIJWARINGSMAATREGELEN EN SPECIFIEKE MAATREGELEN [Am. 51]

Artikel 4

Streefdoelen voor ansjovis en sardine kleine pelagische soorten [Am. 52]

1.  Het streefdoel voor visserijsterfte wordt De nagestreefde referentiepunten voor de betrokken bestanden kleine pelagische soorten worden zo spoedig mogelijk en, geleidelijk toenemend, uiterlijk in 2020 verwezenlijkt en wordt van dan af gehandhaafd binnen boven de in bijlage I vermelde bandbreedtes waarden en overeenkomstig de in artikel 3, lid 1, neergelegde doelstellingen. [Am. 53]

2.  De vangstmogelijkheden beheersmaatregelen voor kleine pelagische soorten zijn in overeenstemming met de streefbandbreedtes voor de visserijsterfte nagestreefde referentiepunten die zijn opgenomen in kolom A van bijlage I bij deze verordening [Am. 54].

3.  Niettegenstaande de leden 1 en 2 kunnen de vangstmogelijkheden worden vastgesteld beheersmaatregelen gericht zijn op niveaus die overeenkomen met lagere visserijsterfteniveaus hogere waarden dan die welke in kolom A van bijlage I zijn opgenomen:

a)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserij;

b)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te voorkomen; of

c)  indien een van de bestanden van kleine pelagische soorten zich onder het in kolom B van bijlage I vermelde referentiepunt bevindt. [Am. 55]

4.  Onverminderd de leden 2 en 3 kunnen de vangstmogelijkheden voor een bestand worden vastgesteld in overeenstemming met de bandbreedtes voor de visserijsterfte als opgenomen in kolom B van bijlage I, mits het betrokken bestand zich bevindt boven het in kolom A van bijlage II opgenomen referentiepunt voor minimale paaibiomassa:

a)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserijen,

b)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te beperken, of

c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken. [Am. 56]

4 bis.   Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij een aanzienlijke invloed heeft op de visserijsterfte van een bepaald bestand, neemt de Raad ook deze vorm van visserij in aanmerking en kan hij bij het vaststellen van de vangstmogelijkheden besluiten tot beperking van de recreatievisserij teneinde te voorkomen dat het algehele streefdoel voor visserijsterfte wordt overschreden. [Am. 57]

Artikel 4 bis

Sociaal-economische doelstellingen

Om rekening te houden met de sociaal-economische doelstellingen als bedoeld in artikel 2, lid 5, onder f), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, maken de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de technische en instandhoudingsmaatregelen waarin in deze verordening is voorzien, ruim gebruik van de desbetreffende maatregelen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 508/2014. [Am. 58]

Artikel 5

Vrijwaringsmaatregelen

1.  De instandhoudingsreferentiepunten, uitgedrukt als minimumniveau en grensniveau voor de paaibiomassa van een bestand, die moeten worden toegepast om de volledige reproductiecapaciteit van het betrokken bestand niet aan te tasten. , zijn opgenomen in bijlage II. [Am. 59]

1 bis.   Drie jaar na de datum van toepassing van de in artikel 6, lid 1 bis, bedoelde beheersmaatregelen wordt middels wetenschappelijk onderzoek beoordeeld of de genomen maatregelen doeltreffend zijn, met name voor de bestanden waarop deze verordening van toepassing is en de visserijen die deze bestanden exploiteren. [Am. 60]

2.  Wanneer luidens wetenschappelijk advies de paaibiomassa van een van de beide betrokken bestanden kleine pelagische soorten lager is dan het in kolom A B van bijlage II I vermelde referentiepunt voor minimale paaibiomassa, worden alle passende herstelmaatregelen vastgesteld om bij te dragen tot een snelle terugkeer van het betrokken bestand de kleine pelagische soorten boven een niveau dat MSY kan opleveren, te waarborgen het in kolom A van bijlage I vermelde referentiepunt. In het bijzonder worden de vangstmogelijkheden voor de betrokken bestanden beheersmaatregelen in afwijking van artikel 4, leden lid 2, en overeenkomstig artikel 4, lid 3, van deze verordening vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die op een waarde onder de in kolom A bijlage I bij vermelde bandbreedte is teruggebracht aangepast, rekening houdend met de afname van de biomassa van dat bestand. [Am. 61]

3.  Wanneer luidens wetenschappelijk advies de paaibiomassa van een van de beide betrokken bestanden kleine pelagische soorten lager is dan het in kolom B van bijlage II I vermelde referentiepunt voor de grenspaaibiomassa (Blim SSBlim), worden verdere herstelmaatregelen genomen om bij te dragen tot een snelle terugkeer van het betrokken bestand beide bestanden boven een niveau dat MSY kan opleveren, te waarborgen het in kolom A van bijlage I vermelde referentiepunt. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden lid 2, en 4, inhouden dat de gerichte visserij op het betrokken bestand wordt geschorst en de vangstmogelijkheden op dat er andere passende wijze beheersmaatregelen worden verlaagd genomen. [Am. 62]

Artikel 6

Specifieke instandhoudingsmaatregelen

1.   Wanneer luidens wetenschappelijk advies herstelmaatregelen nodig zijn voor de instandhouding van de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde kleine pelagische bestanden soorten of, in het geval van ansjovis en sardine, wanneer de paaibiomassa van een van die beide bestanden voor een bepaald jaar lager is dan de in kolom A B van bijlage II I bij de onderhavige deze verordening opgenomen instandhoudingsreferentiepunten, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 16 van de onderhavige deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen. met betrekking tot:

a)  de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de constructie van het vistuig en de afmetingen van het vistuig of het gebruik van voorzieningen voor selectiviteit, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren;

b)  het gebruik van het vistuig en de diepte waarop het vistuig wordt ingezet, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren;

c)  een verbod op of beperking van het vissen in specifieke gebieden, om paaiende en jonge vis of vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere soorten dan de doelvissoorten te beschermen;

d)  een verbod op of beperking van het vissen of het gebruik van bepaalde soorten vistuig gedurende specifieke perioden, om paaiende vis of vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere niet-doelvissoorten te beschermen;

e)  minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, om jonge exemplaren van mariene organismen te beschermen;

f)  andere kenmerken gerelateerd aan selectiviteit. [Am.  63]

1 bis.  Niettegenstaande de eerste alinea zijn de volgende maatregelen van toepassing voor de jaren 2019-2022 om de in artikel 4 vastgestelde streefdoelen te bereiken:

a)  in 2019 wordt de vangstbeperking voor kleine pelagische soorten vastgesteld op het niveau van 2014; met ingang van 2020 wordt de vangstbeperking voor kleine pelagische soorten voor de lidstaat in kwestie tot 2022 elk jaar geleidelijk verlaagd met 4 % ten opzichte van het voorgaande jaar; de verlaging is evenwel niet van toepassing wanneer de totale vangst voor elke betrokken lidstaat 2 % lager ligt dan de vangst van 2014;

b)  de visserijinspanning van vissersvaartuigen die gericht vissen op kleine pelagische soorten bedraagt ten hoogste 180 visdagen per jaar en 20 visdagen per maand, met maximaal 144 visdagen per jaar voor gericht vissen op sardines en maximaal 144 visdagen voor gericht vissen op ansjovis;

c)  elk jaar worden gebieds- of tijdsgebonden sluitingen toegepast om broed- en paaiplaatsen te beschermen; deze sluitingen voor diverse soorten vistuig gelden voor het gehele verspreidingsgebied van kleine pelagische soorten in de Adriatische Zee, voor perioden van niet minder dan 15 opeenvolgende dagen en tot 30 opeenvolgende dagen; deze sluitingen vinden plaats in de volgende perioden:

i)  voor sardine, van 1 oktober tot en met 31 maart, en

ii)  voor ansjovis, van 1 april tot en met 30 september;

d)  extra sluitingen voor vaartuigen van meer dan 12 meter lengte over alles, voor elke soort vistuig afzonderlijk, worden toegepast gedurende minimaal zes maanden; deze sluitingen betreffen ten minste 30 % van het gebied dat als broed- en paaigebied is aangemerkt of als gebied dat van belang is voor de bescherming van jonge leeftijdsklassen van vis (in de territoriale en de binnenzee);

e)  de totale vlootcapaciteit van trawlers en ringzegenvaartuigen die actief vissen op kleine pelagische soorten is niet hoger dan de geregistreerde vlootcapaciteit van de actieve vloot in 2014 wat betreft brutotonnage (BT) en/of brutoregisterton (BRT), motorvermogen (kW) en aantal vaartuigen. [Am. 70]

1 ter.  Niettegenstaande lid 1 bis varieert de duur van de onder c) en d) van dat lid bedoelde sluitingen niet meer dan 10 % tussen opeenvolgende jaren, om de stabiliteit te waarborgen en om variaties in beheersmaatregelen te beperken. [Am. 71]

Artikel 6 bis

Technische maatregelen

1.  Voor de toepassing van deze verordening zijn de tweede alinea van artikel 13, lid 3, van en punt 2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 niet van toepassing.

2.  Voor de toepassing van deze verordening wordt de maximale lengte van omsluitingsnetten (ringzegens en zegens zonder sluitlijn) beperkt tot 600 meter met een netdiepte van ten hoogste een derde van de lengte. [Am. 72]

HOOFDSTUK III

BEPALINGEN IN SAMENHANG MET DE AANLANDINGSVERPLICHTING

Artikel 7

Bepalingen in samenhang met de aanlandingsverplichting voor kleine pelagische bestanden die in de Adriatische Zee zijn gevangen

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 15 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot: [Am. 73]

a)  vrijstellingen van de toepassing van de aanlandingsverplichting voor soorten waarvan op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies vaststaat dat zij een hoge overlevingskans hebben, rekening houdend met de kenmerken van het vistuig, de visserijpraktijken en het ecosysteem, om de uitvoering van de aanlandingsverplichting te faciliteren; [Am. 74]

b)  de-minimisvrijstellingen, om de uitvoering van de aanlandingsverplichting mogelijk te maken; die de-minimisvrijstellingen worden verleend voor in artikel 15, lid 5, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde gevallen, overeenkomstig de voorwaarden van dat artikel; en

c)  specifieke bepalingen betreffende het documenteren van vangsten, in het bijzonder met het oog op de monitoring van de uitvoering van de aanlandingsverplichting.

d)  het vaststellen van minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, om jonge exemplaren van mariene organismen te beschermen. [Am. 75]

HOOFDSTUK IV

REGIONALISERING

Artikel 8

Regionale samenwerking

1.  Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 6 en 7 van de onderhavige verordening genoemde maatregelen.

2.  Voor de toepassing van lid 1 kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het meerjarenplan overeenkomstig artikel 14 van deze verordening. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer de toestand van een van de beide bestanden waarop deze verordening van toepassing is, plotseling verandert. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juni van het voorgaande jaar ingediend.

3.  De bij de artikelen 6 en 7 van deze verordening toegekende bevoegdheden laten de bevoegdheden die krachtens andere bepalingen van het Unierecht, onder andere bij Verordening (EU) nr. 1380/2013, aan de Commissie zijn verleend, onverlet.

HOOFDSTUK V

CONTROLE EN HANDHAVING

Artikel 9

Verhouding tot Verordening (EG) nr. 1224/2009

De in dit hoofdstuk vastgestelde controlemaatregelen zijn van toepassing ter aanvulling van die van Verordening (EG) nr. 1224/2009, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.

Artikel 10

Voorafgaande kennisgeving

1.  In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 wordt de in dat artikel bedoelde voorafgaande kennisgeving ten minste anderhalf een half uur vóór het geplande tijdstip van aankomst in de haven gedaan. De bevoegde autoriteiten van de kustlidstaten kunnen per geval toestemming geven om de haven op een vroeger tijdstip binnen te varen. [Am. 76]

2.  De verplichting tot voorafgaande kennisgeving geldt voor kapiteins van Unievissersvaartuigen die ten minste één twee ton ansjovis of één twee ton sardine aan boord hebben. Deze hoeveelheden worden berekend na aftrek van de vangsten als bedoeld in artikel 15, lid 11, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. [Am. 77]

Artikel 11

Volgsysteem voor vaartuigen

1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt het toepassingsgebied van de bepalingen van artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 uitgebreid tot vissersvaartuigen met een lengte over alles van acht meter of meer die in de Adriatische Zee doelgericht op kleine pelagische soorten vissen.

2.  De in artikel 9, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op vaartuigen die overeenkomstig deze verordening doelgericht vissen op kleine pelagische soorten in de Adriatische Zee, ongeacht hun lengte.

Artikel 12

Elektronisch invullen en verzenden van visserijlogboeken

1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 neergelegde verplichting om een elektronisch visserijlogboek bij te houden en minstens eenmaal per dag elektronisch door te sturen naar de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat, uitgebreid tot kapiteins van Unievissersvaartuigen met een lengte over alles van acht meter of meer die doelgericht vissen op ansjovis of sardine.

2.  De in artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op kapiteins van vaartuigen die doelgericht vissen op ansjovis of sardine, ongeacht de lengte van het vaartuig.

2 bis.   In afwijking van artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 zenden de kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van 12 meter of meer de informatie als bedoeld in artikel 14 van deze verordening door vóór de start van de aanlandingswerkzaamheden. [Am. 78]

Artikel 13

Aangewezen havens

De in levend gewicht uitgedrukte drempel voor de desbetreffende bestanden die onder het meerjarenplan vallen, bij overschrijding waarvan een vissersvaartuig zijn vangsten overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 in een aangewezen haven of op een plaats dicht bij de kust moet aanlanden, bedraagt:

a)  2 000 kg ansjovis;

b)  2 000 kg sardine.

HOOFDSTUK VI

EVALUATIE

Artikel 14

Evaluatie van het meerjarenplan

Vijf Drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening en daarna om de vijf jaar ziet de Commissie erop toe dat een evaluatie plaatsvindt van de gevolgen van het meerjarenplan voor de onder deze verordening vallende bestanden en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren. De Commissie deelt de resultaten van die evaluatie mee aan het Europees Parlement en de Raad en dient, indien nodig, een voorstel in tot wijziging van deze verordening. [Am. 80]

HOOFDSTUK VII

PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 15

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 neergelegde voorwaarden. [Am. 81]

2.  De in de artikelen 6 en 7 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een termijn van vijf jaar, met ingang van... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 6 en 7 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig de artikelen 6 en 7 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 15 bis

Steun uit het EFMZV

1.  Maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het meerjarenplan te verwezenlijken, worden voor de toepassing van artikel 33, lid 1, onder a) en c), van Verordening (EU) nr. 508/2014 beschouwd als tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten.

2.  In afwijking van artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) nr. 508/2014 bedraagt de maximale duur van de steun tot 31 december 2020 krachtens die verordening negen maanden voor vaartuigen waarop de in deze verordening bedoelde gebieds- en tijdsgebonden sluitingen van toepassing zijn.

3.  Om de uitvoering van lid 2 van dit artikel te garanderen is het in afwijking van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) nr. 508/2014 mogelijk de totale financiële bijdrage uit het EFMZV te verhogen tot boven de in dat artikel vermelde bovengrens van 15 %.

4.  Bij de tenuitvoerlegging van de acties in artikel 30 van Verordening (EU) nr. 508/2014 wordt prioriteit verleend aan vissers die gevolgen ondervinden van de tenuitvoerlegging van de maatregelen in dit meerjarenplan.

5.  Tot en met 31 december 2020 en in afwijking van de tijdslimiet in artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 508/2014, komen vaartuigen die alle visserijactiviteit hebben stopgezet als gevolg van de in deze verordening opgenomen maatregelen om de visserijinspanning te beperken, in aanmerking voor de steun voor definitieve beëindiging als bedoeld in artikel 34 van Verordening (EU) nr. 508/2014. [Am. 82]

HOOFDSTUK VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 16

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Streefreferentiepunten

(als bedoeld in de artikelen 4 en 5) [Am. 86]

Bestand

Streefbandbreedte voor de visserijsterfte die in samenhang is met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY) Streefreferentiepunten voor kleine pelagische soorten

Kolom A

Kolom B

Ansjovis

0,23 – 0,30 SSBpa

0,30 – 0,364 SSBlim

Sardine

0,065 – 0,08

0,08 – 0,11 SSBlim

[Am. 87]

BIJLAGE II

Instandhoudingsreferentiepunten

(als bedoeld in artikel 5)

Bestand

Referentiepunt voor minimale paaibiomassa (ton) (MSY Btrigger)

Referentiepunt voor de grensbiomassa (ton) (Blim)

Kolom A

Kolom B

Ansjovis

139 000

69 500

Sardine

180 000

36 000

[Am. 84]

(1)PB C 288 van 31.8.2017, blz. 68.
(2)Standpunt van het Europees Parlement van 13 november 2018.
(3)Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(4) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(5) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(6)Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(7)Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (Middellandse Zeeverordening) (PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6).
(8)Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) – Beoordeling van bestanden in de Middellandse Zee – deel 2 (STECF-11-14).
(9)Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1392/2014 van de Commissie van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde kleine pelagische visserijen in de Middellandse Zee (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 21).
(10)Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij – Kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee. Beoordelingen met betrekking tot de Middellandse Zee, deel 1 (STECF-15-14). 2015. [Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, EUR 27492 EN, JRC 97707, 52 blz.] [The second part of this reference seems to be mistaken. OPOCE, please check.].
(11) Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij – Kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee. Beoordelingen met betrekking tot de Middellandse Zee, deel 1 (STECF-15-14). 2015. [Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, EUR 27492 EN, JRC 97707, 52 blz.] [The second part of this reference seems to be mistaken. OPOCE, please check.].
(12)Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(13) Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).
(14) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(15)Effectbeoordeling… [include reference when published].
(16)Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee (PB L 347 van 30.12.2011, blz. 44).

Laatst bijgewerkt op: 11 mei 2020Juridische mededeling - Privacybeleid