Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2844(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0522/2018

Ingediende teksten :

B8-0522/2018

Debatten :

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0446

Aangenomen teksten
PDF 135kWORD 51k
Dinsdag 13 november 2018 - Straatsburg
De rechtsstaat in Roemenië
P8_TA(2018)0446B8-0522/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over de rechtsstaat in Roemenië (2018/2844(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de EU‑Verdragen, en in het bijzonder de artikelen 2, 3, 4, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM),

–  gezien de grondwet van Roemenië,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 getiteld "Een nieuw EU‑kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien het debat in het Parlement op 2 februari 2017 over democratie en justitie in Roemenië,

–  gezien het debat in het Parlement op 7 februari 2018 over bedreigingen voor de rechtsstaat naar aanleiding van de hervorming van de Roemeense justitie,

–  gezien het debat in het Parlement op 3 oktober 2018 over de rechtsstaat in Roemenië,

–  gezien de gedachtewisseling op 1 oktober 2018 in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken met Frans Timmermans, eerste vicevoorzitter van de Europese Commissie,

–  gezien de hoorzitting in 22 maart 2017 in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over democratie en justitie in Roemenië,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 24 januari 2018 van voorzitter Juncker van de Commissie en eerste vicevoorzitter Timmermans over de laatste ontwikkelingen in Roemenië,

–  gezien het gezamenlijk advies van de Commissie van Venetië van 16 maart 2018 over het Roemeense wetsontwerp nr. 140/2017 houdende wijziging van regeringsdecreet nr. 26/2000 inzake verenigingen en stichtingen,

–  gezien het gezamenlijk advies van de Commissie van Venetië van 20 oktober 2018 over wijzigingen aan de Roemeense wetten nr. 303/2004 (houdende het statuut van rechters en openbaar aanklagers), nr. 304/2004 (houdende de rechterlijke organisatie), en nr. 317/2004 (houdende de Hoge Raad voor de magistratuur),

–  gezien het advies van de Commissie van Venetië van 20 oktober 2018 over wijzigingen aan het Roemeense wetboek van strafrecht en het Roemeense wetboek van strafvordering, wetten die ook van invloed zijn op wet nr. 78/2000 houdende de preventie, de opsporing en de bestraffing van corruptie, en wet nr. 304/2004 houdende de rechterlijke organisatie,

–  gezien het ad‑hocverslag over Roemenië van 11 april 2018 van de Groep van Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (GRECO),

–  gezien het verslag van de Commissie van 15 november 2017, uitgebracht in het kader van het samenwerkings- en verificatiemechanisme, over vooruitgang in Roemenië,

–  gezien de vaststelling – in december 2017 – door het Roemeense parlement van drie wetten houdende hervorming van justitie, tot wijziging van wet nr. 303/2004 houdende het statuut van rechters en openbaar aanklagers, wet nr. 304/2004 houdende de rechterlijke organisatie, en wet nr. 317/2004 houdende de Hoge Raad voor de magistratuur; gezien de aanneming van wijzigingen aan het wetboek van strafrecht in juni 2018, en aan het wetboek van strafvordering in juli 2018,

–  gezien resolutie nr. 2226/2018 en aanbeveling nr. 2134/2018 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (PACE),

–  gezien de uitspraak van het Roemeense grondwettelijke hof van 20 oktober 2018 dat 64 van de 96 wijzigingen aan het wetboek van strafvordering ongrondwettelijk zijn; gezien de verklaring van het grondwettelijke hof van 25 oktober 2018 dat 30 van de wijzigingen aan het wetboek van strafrecht onverenigbaar zijn met de grondwet,

–  gezien de herhaaldelijke grootschalige demonstraties sinds januari 2017 tegen de corruptie en vóór de rechtsstaat, waaronder het massaprotest 'Diaspora at Home' op 10 augustus 2018 in Boekarest, waar honderden mensen medisch moesten worden behandeld naar aanleiding van het gewelddadige optreden van de politie,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie op de volgende waarden berust: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, en overwegende dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen (artikel 2 VEU);

B.  overwegende dat in artikel 6, lid 3, VEU wordt bevestigd dat de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het EVRM en zoals ze uit de gemeenschappelijke grondwettelijke tradities van de lidstaten voortvloeien, algemene beginselen van het recht van de Unie vormen;

C.  overwegende dat de EU functioneert op grond van de veronderstelling van het wederzijdse vertrouwen dat de lidstaten zich schikken naar democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als vervat in het EVRM en in het Handvest van de grondrechten;

D.  overwegende dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht verankerd is in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en artikel 6 van het EVRM, en dat zij een essentiële vereiste is van het democratische beginsel van de scheiding der machten;

E.  overwegende dat de Groep van Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (GRECO) in haar verslag over Roemenië van april 2018 ernstige bezorgdheid tot uitdrukking heeft gebracht over bepaalde aspecten van de wetten houdende het statuut van rechters en openbaar aanklagers, de rechterlijke organisatie en de Hoge Raad voor de magistratuur zoals vastgesteld door het Roemeense parlement, alsook over aspecten van de ontwerpamendementen op de strafwetgeving; overwegende dat de GRECO vraagtekens plaatst bij het wetgevingsproces, vreest voor de gevolgen voor de rechterlijke onafhankelijkheid en waarschuwt voor een impliciete schending van de anti‑corruptienormen;

F.  overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies nr. 924/2018 van 20 oktober 2018, dat beperkt was tot 'bepaalde, buitengewoon controversiële aspecten van de ontwerpen', concludeert dat 'wordt toegejuicht dat de ontwerpen naar aanleiding van kritiek en een aantal besluiten van het grondwettelijke hof op een aantal punten zijn verbeterd, maar dat ze desalniettemin meerdere belangrijke aspecten hebben die in druk op rechters en openbaar aanklagers zouden kunnen resulteren, en, uiteindelijk, in ondermijning van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en haar leden, waardoor, in combinatie met de regelingen voor vervroegde pensionering, de doeltreffendheid en de kwaliteit ervan zouden kunnen worden aangetast, met negatieve gevolgen voor de bestrijding van corruptie', en stelt dat het aannemelijk is dat die aspecten tot 'ondermijning van het publieke vertrouwen in de rechterlijke macht' zullen leiden(1);

G.  overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies nr. 930/2018 van 20 oktober 2018 concludeert dat het 'noodzakelijk en geëigend was dat het Roemeense parlement de strafwetboeken heeft hervormd om uitvoering te geven aan besluiten van het grondwettelijke hof en ter zaken doende richtlijnen van de EU', en dat veel van de wijzigingen 'een significante negatieve invloed zullen hebben op de doeltreffendheid van het Roemeense strafrechtsysteem wat de aanpak betreft van de zware criminaliteit, waaronder corruptiegerelateerde misdrijven, gewelddadige misdrijven en de georganiseerde criminaliteit'(2);

H.  overwegende dat de Commissie van Venetië in haar gezamenlijk advies nr. 914/2018 van 16 maart 2018 toejuicht dat 'de initiatiefnemers van de ontwerpwet tijdens de bijeenkomsten in Boekarest hebben aangegeven bereid te zijn een aantal aspecten van de ontwerpwet te wijzigen', en de Roemeense autoriteiten oproept rekening te houden met haar voornaamste aanbeveling, namelijk dat 'de nieuwe verslagleggings- en openbaarmakingsvereisten als bedoeld in de ontwerpwet, inclusief de sancties, in concreto het opschorten van activiteiten en ontbinding in het geval van niet-naleving, overduidelijk onnodige en onevenredig zijn, en moeten worden ingetrokken', en aangeeft dat de gedetailleerde publicatie van financiële verslagen elke zes maanden en de vermelding van de inkomstenbron, ongeacht het bedrag, in combinatie met de sanctie van ontbinding een 'ontmoedigend effect op het maatschappelijk middenveld' zal hebben en botst met het beginsel van vrijheid van vereniging en het recht op eerbiediging van het privéleven(3);

I.  overwegende dat de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa Roemenië heeft opgeroepen de onlangs gepresenteerde wetsontwerpen houdende aanvullende financiële verslagleggingsverplichtingen voor ngo's te verwerpen, ze te wijzigen in overeenstemming met de aanbevelingen van de Commissie van Venetië en het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR), en ze pas vast te stellen na een brede openbare raadpleging(4);

J.  overwegende dat de Commissie Roemenië op 19 juli 2018 naar het Europees Hof van Justitie heeft verwezen vanwege het niet in het nationale recht omzetten van de vierde antiwitwasrichtlijn; overwegende dat het Roemeense parlement op 24 oktober 2018 goedkeuring heeft gehecht aan het 'wetsontwerp ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering';

K.  overwegende dat er al langer een debat wordt gevoerd over de rol van de Roemeense inlichtingendienst (SRI) en de vermeende bemoeienis van deze dienst met de activiteiten van de Roemeense justitie, waarbij onduidelijk is hoe groot deze bemoeienis is en welke vorm deze precies heeft; overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies van 20 oktober 2018 concludeert dat 'een grondige toetsing van de wettelijke regels inzake het toezicht op de inlichtingendiensten nodig lijkt;

L.  overwegende dat in mei 2016 een petitie is gestart voor het herzien van de Roemeense grondwet, met het oog op het beperken van de definitie van gezin tot een huwelijk tussen een man en een vrouw; overwegende dat talrijke mensenrechtengroeperingen de bezorgdheid hebben geuit dat dit voorstel tot aantasting van de internationale mensenrechtennormen en tot meer homofobe discriminatie in Roemenië zou kunnen leiden; overwegende dat de herziening in het parlement met een tweederdemeerderheid is goedgekeurd; overwegende dat aan het desbetreffende referendum niet door de vereiste 30 % van de kiesgerechtigden is deelgenomen;

M.  overwegende dat Roemenië in het rapport "Jaarlijkse Evaluatie van de mensenrechtensituatie van LGBTI-mensen in Europa 2018" van de Europese afdeling van de International Gay and Lesbian Association (ILGA-Europe) 25e is van de 28 lidstaten van de EU wat betreft wetgeving betreffende, haatuitingen tegen en discriminatie van LGBTI-mensen;

N.  overwegende dat de Europese Unie zich ertoe heeft verbonden de vrijheid en pluriformiteit van de media te beschermen, alsook het recht op informatie en de vrijheid van meningsuiting; overwegende dat "klokkenluiden" een essentieel onderdeel van onderzoeksjournalistiek en persvrijheid vormt, en dat, volgens de mededeling van de Commissie van 23 april 2018 over versterking van de bescherming van klokkenluiders op EU-niveau (COM(2018)0214), in de meeste lidstaten klokkenluiders slechts in zeer eng gedefinieerde situaties bescherming genieten; overwegende dat de openbare rol van de media als waakhond essentieel is voor de handhaving van deze rechten en de bescherming van alle andere grondrechten;

O.  overwegende dat Verslaggevers zonder Grenzen de aandacht heeft gevestigd op de pogingen om de Roemeense media tot politieke propaganda-instrumenten om te vormen, en zijn bezorgdheid heeft geuit over de politieke censuur in de media(5);

P.  overwegende dat in artikel 12 van het Handvest van de grondrechten staat dat eenieder recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging op alle niveaus, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied;

Q.  overwegende dat de berichten over het gewelddadige ingrijpen door de Roemeense politie tijdens de demonstraties op 10 augustus 2018 tot grote vraagtekens leiden omtrent de evenredigheid van het gebruikte geweld en de inbreuken op de grondrechten van de demonstranten, resulterend in lopende onderzoeken door de Roemeense wetshandhavingsautoriteiten;

R.  overwegende dat corruptie onverminderd een uitdaging is in de EU; overwegende dat de aard en de omvang van corruptie van lidstaat tot lidstaat mogen verschillen, maar dat de EU als zodanig én haar economieën en samenlevingen er schade door ondervinden, en dat corruptie de economische ontwikkeling belemmert, de democratie ondermijnt en de rechtsstaat aantast;

S.  overwegende dat de hoofdaanklager van het nationale anticorruptiedirectoraat (DNA) op 9 juli 2018 uit zijn functie is ontheven, in weerwil van het advies van de Nationale Raad voor Justitie na een uitspraak van het grondwettelijke hof houdende inperking van de bevoegdheden van de president; overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies van 20 oktober 2018 daarentegen aangeeft dat het juist belangrijk is 'de onafhankelijkheid van aanklagers te versterken en de rol van instituties als de president en de Hoge Raad van de magistratuur in stand te houden en te vergroten, als tegenwicht tegen de invloed van de minister (van Justitie); overwegende dat de minister van Justitie op 24 oktober 2018 om het ontslag van de baas van het Openbaar Ministerie heeft gevraagd op beschuldiging van het overschrijden van zijn bevoegdheden;

1.  benadrukt dat het van fundamenteel belang is te waarborgen dat de in artikel 2 VEU opgesomde gemeenschappelijke Europese waarden volledig worden geëerbiedigd en dat de grondrechten zoals die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden gewaarborgd;

2.  maakt zich grote zorgen over de herziene wetgeving houdende de Roemeense justitiële en strafwetgeving, en met name over het gevaar dat deze de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en het vermogen om de corruptie in Roemenië doeltreffend aan te pakken, structureel zou kunnen ondermijnen en de rechtsstaat zou kunnen verzwakken;

3.  veroordeelt het geweld en het onevenredige karakter van het ingrijpen door de politie tijdens de demonstraties in Boekarest in augustus 2018; verzoekt de Roemeense autoriteiten erop toe te zien dat er een transparant, onpartijdig en doeltreffend onderzoek komt naar het optreden van de oproerpolitie;

4.  verzoekt de Roemeense autoriteiten waarborgen te creëren voor een transparante en legale basis voor institutionele samenwerking, en om inmenging, waarmee het beginsel van de scheiding der machten wordt omzeild, te vermijden; dringt aan op versterking van het parlementaire toezicht op de inlichtingendiensten;

5.  verzoekt de Roemeense autoriteiten met klem geen maatregelen te nemen die corruptie bij officiële contacten decriminaliseren, en de nationale anticorruptiestrategie ten uitvoer te leggen;

6.  beveelt met klem aan de wetgeving inzake de financiering, de organisatie en de werking van ngo's nog eens tegen het licht te houden gezien het in potentie intimiderende effect ervan op het maatschappelijk middenveld en het feit dat deze haaks staat op het beginsel van de vrijheid van vereniging en het recht op privacy; is van oordeel dat deze wetgeving volledig in overeenstemming moet worden gebracht met het EU‑kader;

7.  verzoekt het Roemeense parlement en de Roemeense regering met klem alle aanbevelingen van de Commissie, GRECO en de Commissie van Venetië onverkort op te volgen en zich te onthouden van hervormingen die de eerbiediging van de rechtsstaat, waaronder de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, in gevaar kunnen brengen; dringt aan op een permanente dialoog met het maatschappelijk middenveld, en benadrukt dat de hierboven bedoelde kwesties middels een transparant en inclusief proces moeten worden aangepakt; dringt erop aan de bedoelde wetgevingsmaatregelen voordat ze definitief worden vastgesteld proactief aan de Commissie van Venetië voor te leggen voor beoordeling;

8.  dringt er bij de Roemeense regering op aan samen te werken met de Commissie overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking als vastgelegd in het Verdrag;

9.  betuigt nogmaals zijn spijt dat de Commissie heeft besloten het EU‑corruptiebestrijdingsverslag niet te publiceren in 2017 en verzoekt de Commissie met klem haar jaarlijkse toezicht op corruptiebestrijding in alle lidstaten onverwijld te hervatten; verzoekt de Commissie een systeem van strikte indicatoren en gemakkelijk toepasbare, uniforme criteria te ontwikkelen om de omvang van de corruptie in de lidstaten te meten en hun anticorruptiebeleid te evalueren, overeenkomstig de resolutie van het Parlement van 8 maart 2016 over het jaarverslag 2014 over de bescherming van de financiële belangen van de EU(6);

10.  dringt met klem aan op een regelmatig, stelselmatig en objectief proces van toezicht op en dialoog met alle lidstaten, teneinde de fundamentele waarden van de EU, namelijk democratie, grondrechten en de rechtstaat, te waarborgen, een proces waarbij de Raad, de Commissie en het Parlement worden betrokken, zoals voorgesteld in zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de instelling van een EU‑mechanisme voor democratie, rechtstaat en grondrechten (het DRF‑pact)(7); herhaalt dat dit mechanisme moet bestaan uit een jaarverslag met landenspecifieke aanbevelingen(8);

11.  verzoekt de Commissie, als hoedster van de Verdragen, de follow-up van de aanbevelingen door de Roemeense autoriteiten te monitoren, en Roemenië haar volledige ondersteuning te blijven bieden bij het vinden van adequate oplossingen;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de president van Roemenië.

(1) Advies nr. 924/2018 van de Commissie van Venetië van 20 oktober 2018 (CDL‑AD(2018)017).
(2) Advies nr. 930/2018 van de Commissie van Venetië van 20 oktober 2018 (CDL‑AD(2018)021).
(3) Gezamenlijk advies nr. 914/2018 van de Commissie van Venetië van 16 maart 2018 (CDL‑AD(2018)004).
(4) Resolutie nr. 2226/2018 en aanbeveling nr. 2134/2018 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.
(5) https://rsf.org/en/romania
(6) PB C 50 van 9.2.2018, blz. 2.
(7) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.
(8) Zie: resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2016 over de situatie op het gebied van de grondrechten in de Europese Unie in 2015 (PB C 238 van 6.7.2018, blz. 2).

Laatst bijgewerkt op: 6 februari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid