Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2036(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0353/2018

Ingediende teksten :

A8-0353/2018

Debatten :

PV 12/11/2018 - 17
CRE 12/11/2018 - 17

Stemmingen :

PV 13/11/2018 - 4.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0447

Aangenomen teksten
PDF 182kWORD 74k
Dinsdag 13 november 2018 - Straatsburg
Minimumnormen voor minderheden in de EU
P8_TA(2018)0447A8-0353/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over minimumnormen voor minderheden in de EU (2018/2036(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 10, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(1) (richtlijn inzake rassengelijkheid),

–  gezien de criteria van Kopenhagen en het geheel van EU‑regels waaraan een kandidaat-lidstaat moet voldoen als hij wil toetreden tot de Unie (het acquis),

–  gezien de VN-Verklaring inzake de rechten van personen behorend tot nationale, etnische, godsdienstige of taalkundige minderheden en de VN‑Verklaring over de rechten van inheemse volkeren,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die in 1948 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien de op 1 november 2005 door de Algemene Vergadering aangenomen VN‑resolutie A/RES/60/7 over de herdenking van de Holocaust,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de protocollen daarbij, in het bijzonder Protocol nr. 12 betreffende non-discriminatie,

–  gezien het verslag over de grondrechten 2018 en de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU‑MIDIS II) van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA),

–  gezien het VN‑Verdrag over de rechten van personen met een handicap, en het op 13 december 2006 aangenomen facultatief protocol daarbij (A/RES/61/106),

–  gezien het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden,

–  gezien Resolutie 1985 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de situatie en rechten van nationale minderheden in Europa, aangenomen in 2014,

–  gezien Resolutie 2153 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de bevordering van de inclusie van Roma en Travellers, aangenomen in 2017,

–  gezien Resolutie 2196 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de bescherming en bevordering van regionale of minderheidstalen in Europa, aangenomen in 2018,

–  gezien Resolutie 424 van het Congres van Lokale en Regionale Overheden van de Raad van Europa over regionale en minderheidstalen in het Europa van vandaag, aangenomen in 2017,

–  gezien Aanbeveling 1201 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa voor een aanvullend protocol inzake de rechten van minderheden bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, vastgesteld in 1993,

–  gezien de op 1 februari 2012 aangenomen verklaring van het Comité van Ministers van de Raad van Europa over de toename van zigeunerhaat en racistisch geweld tegenover Roma in Europa,

–  gezien richtsnoer nr. 5 over de betrekkingen tussen de Raad van Europa en de Europese Unie, vastgesteld op de derde Top van staatshoofden en regeringsleiders van de Raad van Europa in Warschau op 16 en 17 mei 2005,

–  gezien het document van Kopenhagen uit 1990 van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de vele thematische aanbevelingen en richtsnoeren over minderheidsrechten, uitgegeven door de Hoge Commissaris van de OVSE inzake nationale minderheden en het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten,

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over de bescherming en non-discriminatie ten aanzien van minderheden in de EU‑lidstaten(2),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2017 over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat(3),

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(4),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de Internationale Dag van de Roma – zigeunerhaat en de erkenning door de EU van de herdenkingsdag van de genocide op Roma tijdens WO II(6),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(7),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2005 over de bescherming van minderheden en maatregelen ter bestrijding van discriminatie in een uitgebreid Europa(8),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2017 over het verslag over het EU‑burgerschap 2017: versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering(9),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(10),

–  gezien de uitspraken en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), met name zaak T‑646/13 (Minority SafePack – one million signatures for diversity in Europe/Europese Commissie) en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

–  gezien de verslagen en onderzoeken van het FRA, zoals het verslag over respect voor en bescherming van personen die tot minderheden behoren 2008‑2010, alsook andere relevante verslagen van nationale, Europese en internationale organisaties en ngo's ter zake,

–  gezien de werkzaamheden en bevindingen van de Intergroep voor traditionele minderheden, nationale gemeenschappen en talen van het Europees Parlement,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8‑0353/2018),

A.  overwegende dat de rechten van personen die tot minderheden behoren integraal deel uitmaken van de mensenrechten, die universeel, ondeelbaar en onafhankelijk zijn; overwegende dat de bescherming en de bevordering van de rechten van minderheden van essentieel belang zijn voor vrede, veiligheid en stabiliteit, alsook voor het bevorderen van verdraagzaamheid, wederzijds respect, begrip en samenwerking tussen alle personen die op een bepaald grondgebied wonen;

B.  overwegende dat de EU een mozaïek is van culturen, talen, religies, tradities en geschiedenis, waardoor zij een gemeenschap vormt van diverse burgers die door hun gemeenschappelijke kernwaarden worden verenigd; overwegende dat de rijkdom van Europa geen vanzelfsprekendheid is en moet worden beschermd en gekoesterd;

C.  overwegende dat ongeveer 8 % van alle EU-burgers tot een nationale minderheid behoort en dat ongeveer 10 % een regionale of minderheidstaal spreekt; overwegende dat aanhoudende intimidatie, discriminatie – met inbegrip van meervoudige en intersectionele discriminatie – en geweld mensen belemmeren om ten volle hun fundamentele rechten en vrijheden te genieten en hun gelijke participatie in de samenleving ondermijnen;

D.  overwegende dat er door middel van de bescherming van de rechten van personen die tot minderheden behoren kan worden bijgedragen aan het opbouwen van een duurzame toekomst voor Europa en aan het waarborgen van de eerbiediging van de beginselen van waardigheid, gelijkheid en non‑discriminatie; overwegende dat de voordelen hiervan niet beperkt blijven tot minderheden, omdat deze bescherming en bevordering iedereen stabiliteit, economische ontwikkeling en welvaart zal brengen;

E.  overwegende dat de term "personen die tot minderheden behoren" in het Verdrag van Lissabon in het primaire EU‑recht is geïntroduceerd, de eerste expliciete verwijzing ooit in de geschiedenis van het EU‑recht; overwegende dat artikel 2 VEU bepaalt dat "[d]e waarden waarop de Unie berust [...] eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten [zijn], waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren", en dat de lidstaten "[d]eze waarden [...] gemeen [hebben] in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, nondiscriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen"; terwijl alle lidstaten deze waarden gemeen hebben en dat deze waarden door de EU en door elke lidstaat afzonderlijk in alle interne en externe beleidsmaatregelen consequent moeten worden geëerbiedigd en actief moeten worden bevorderd; overwegende dat deze rechten dezelfde behandeling verdienen als de andere in de Verdragen verankerde rechten;

F.  overwegende dat in de EU‑Verdragen, in navolging van het internationaal recht in dit verband, het begrip "minderheden" niet wordt gedefinieerd; overwegende dat in artikel 17 VEU is bepaald dat de Commissie toeziet op de toepassing van de Verdragen;

G.  overwegende dat in artikel 19 VWEU wordt bepaald dat de Raad met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, na goedkeuring door het Europees Parlement, passende maatregelen kan nemen om discriminatie te bestrijden;

H.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het begrip "nationale minderheden" tot een EU‑rechtsterm heeft gemaakt; overwegende dat in artikel 21 van het Handvest nadrukkelijk wordt onderstreept dat discriminatie verboden is; overwegende dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van de grondrechten van degenen die zich in de kwetsbaarste situaties bevinden;

I.  overwegende dat, bij de omschrijving van het burgerschap van de Unie, artikel 9 VEU uitdrukkelijk vermeldt dat de Unie het beginsel eerbiedigt van gelijkheid van haar burgers, die gelijke aandacht genieten van haar instellingen, organen en instanties;

J.  overwegende dat het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden een definitie van minderheden (FCNM) en het taalhandvest grote verwezenlijkingen zijn van het internationale systeem voor de bescherming van minderheden, alsook belangrijke internationale hulpmiddelen voor normering voor de staten die partij zijn; overwegende dat het effect van deze overeenkomsten in wordt verzwakt door een traag ratificatieproces, de door de partijen aangetekende bezwaren en een gebrek aan controlebevoegdheden, waardoor ze zijn overgeleverd aan de goodwill van de staten; merkt op dat de stelselmatige niet-uitvoering van uitspraken, besluiten en aanbevelingen ook tot een normalisering van de niet‑naleving van de twee internationale instrumenten leidt;

K.  overwegende dat bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke Europese minimumnormen ter bescherming van de rechten van personen die tot een minderheid behoren rekening moet worden gehouden met beste praktijken die al in de lidstaten worden toegepast, zoals in Italië (Alto Adige/Zuid-Tirol) of Duitsland (Sleeswijk-Holstein);

L.  overwegende dat de rechten van personen die tot minderheden behoren door multilaterale en bilaterale internationale overeenkomsten worden gewaarborgd en in de grondwettelijke stelsels van tal van lidstaten zijn verankerd, en dat de eerbiediging ervan een belangrijke eerste vereiste is ter beoordeling van de rechtsstaat;

M.  overwegende dat de richtlijn inzake rassengelijkheid een belangrijke wettelijke maatregel vormt voor het bestrijden van discriminatie op grond van etnische afstamming of ras; overwegende dat een aantal lidstaten deze richtlijn nog steeds niet volledig ten uitvoer heeft gelegd; overwegende dat in artikel 5 van de richtlijn is bepaald dat, om volledige gelijkheid te waarborgen, het beginsel van gelijke behandeling niet belet dat een lidstaat specifieke maatregelen handhaaft of aanneemt om nadelen die verband houden met ras of etnische afstamming te voorkomen of te compenseren;

N.  overwegende dat het in 2000 vastgestelde motto van de Europese Unie "In verscheidenheid verenigd" is, waarmee de nadruk wordt gelegd op respect voor verscheidenheid als een van de fundamentele waarden van de Europese Unie;

O.  overwegende dat de criteria van Kopenhagen deel uitmaken van de EU‑toetredingscriteria; overwegende dat er in een van de drie criteria van Kopenhagen duidelijk wordt vereist dat landen democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de eerbiediging en bescherming van minderheden garanderen; overwegende dat er geen verdere monitoring van de rechten van minderheden plaatsvindt nadat een kandidaat-lidstaat tot de EU is toegetreden;

P.  overwegende dat de ervaring heeft geleerd dat kandidaat-lidstaten meer bereid zijn te voldoen aan de criteria van Kopenhagen; overwegende dat, als gevolg van het ontbreken van een passend kader om ervoor te zorgen dat na toetreding aan deze criteria wordt voldaan, lidstaten in grote mate kunnen terugkrabbelen nadat zij tot de EU zijn toegetreden; overwegende dat de EU op het niveau van de Unie nog steeds niet over gemeenschappelijke normen beschikt voor de bescherming van minderheden in de lidstaten;

Q.  overwegende dat de Unie momenteel slechts beperkt doeltreffende hulpmiddelen heeft om te reageren op systematische en institutionele uitingen van discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat; overwegende dat er, ondanks de vele oproepen aan de Commissie, slechts in beperkte mate stappen zijn gezet om te zorgen voor een doeltreffende bescherming van personen die tot minderheden behoren;

R.  overwegende dat er krachtige rechtsstatelijkheidsmechanismen en -processen moeten worden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat de beginselen en waarden van het Verdrag overal in de Unie worden nageleefd; overwegende dat de eerbiediging van de rechten van personen die tot minderheden behoren een wezenlijk onderdeel van deze waarden is; overwegende dat er sprake moet zijn van doeltreffende mechanismen om de resterende lacunes op te vullen; overwegende dat dergelijke mechanismen op feiten gebaseerd, objectief en niet-discriminerend moeten zijn, de beginselen van subsidiariteit, noodzakelijkheid en evenredigheid moeten eerbiedigen, in gelijke mate van toepassing moeten zijn op de lidstaten en de instellingen van de Unie en moeten worden gebaseerd op een trapsgewijze aanpak die zowel een preventief als een corrigerend onderdeel omvat; overwegende dat het Parlement in dit verband zijn steun heeft uitgesproken in zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU‑mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, en dat dit centraal zou kunnen staan in een gecoördineerde Europese benadering op het gebied van governance, iets wat momenteel ontbreekt;

S.  overwegende dat talen integraal deel uitmaken van de Europese identiteit en de meest directe uitdrukking van cultuur zijn; overwegende dat de eerbiediging van taalkundige verscheidenheid een fundamentele waarde van de EU is, zoals vastgelegd in bijvoorbeeld artikel 22 van het Handvest en de preambule van het VEU, waarin het volgende staat vermeld: "geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat";

T.  overwegende dat taalkundige verscheidenheid een belangrijk onderdeel is van de culturele rijkdom van een regio; overwegende dat veertig tot vijftig miljoen mensen in de EU een van haar zestig regionale en minderheidstalen spreken, waarvan sommige ernstig in het gedrang komen; overwegende dat de achteruitgang van minderheidstalen in heel Europa merkbaar is; overwegende dat door kleine gemeenschappen gesproken talen die geen officiële status hebben nog meer het risico lopen te verdwijnen;

U.  overwegende dat naar schatting een op de duizend personen een nationale gebarentaal als eerste taal gebruikt; overwegende dat deze talen een officiële status moeten krijgen toegekend;

V.  overwegende dat in inclusieve samenlevingen zowel individuele identiteit als nationale identiteit belangrijk zijn en zij elkaar niet uitsluiten; overwegende dat de nationale wetgevingssystemen van de lidstaten belangrijke leemten ten aanzien van minderheden en een geringe mate van harmonisatie en symmetrie bevatten;

W.  overwegende dat het culturele erfgoed van Europa rijk en verscheiden is; overwegende dat cultureel erfgoed de individuele levens van burgers verrijkt; overwegende dat artikel 3 VEU bevestigt dat "de Unie [...] haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal [eerbiedigt] en [toeziet] op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed"; overwegende dat personen die behoren tot minderheden die al eeuwenlang in Europa leven, bijdragen aan dit rijke, unieke en diverse erfgoed en integraal onderdeel zijn van de Europese identiteit;

X.  overwegende dat tussen de lidstaten grote verschillen bestaan waar het de erkenning van minderheden en de eerbiediging van hun rechten betreft; overwegende dat minderheden in de EU nog steeds te kampen hebben met geïnstitutionaliseerde discriminatie en denigrerende stereotypen, en dat zelfs hun verworven rechten vaak worden ingeperkt of selectief worden toegepast;

Y.  overwegende dat er een verschil is tussen bescherming van minderheden en antidiscriminatiebeleid; overwegende dat non-discriminatie niet toereikend is om assimilatie een halt toe te roepen; overwegende dat effectieve gelijkheid verder gaat dan afzien van discriminatie en inhoudt dat de uitoefening van de rechten van minderheden wordt gewaarborgd, zoals het recht op identiteit, taalgebruik en onderwijs, culturele en burgerrechten enz. op het niveau van de meerderheid;

Z.  overwegende dat de toename van xenofoob geweld en haatzaaiende uitingen in de Europese Unie, vaak bevorderd door extreemrechtse krachten, tot minderheden behorende personen treft en tot doelwit heeft;

AA.  overwegende dat tot minderheden behorende EU‑burgers verwachten dat er op Europees niveau meer wordt gedaan voor de bescherming van hun rechten, zoals blijkt uit het grote aantal bij het Europees Parlement ingediende verzoekschriften ter zake;

AB.  overwegende dat het Europese burgerinitiatief "Minority SafePack" 1 215 879 handtekeningen in de hele EU heeft opgebracht, hetgeen de wil aantoont van deze EU‑burgers om het wetgevingskader voor minderheidsbeleid op EU‑niveau te versterken;

AC.  overwegende dat er veel ruimte voor verbetering is wat betreft de manier waarop effectief uitvoering wordt gegeven aan de bescherming van de rechten van minderheden in de EU; overwegende dat de legitimiteit van de democratische instellingen is gestoeld op de participatie en vertegenwoordiging van alle groepen in de samenleving, met inbegrip van personen die tot minderheden behoren;

1.  wijst er nogmaals op dat de lidstaten verplicht zijn te waarborgen dat minderheden hun mensenrechten ten volle kunnen uitoefenen, zowel individueel als in gemeenschap;

2.  herinnert eraan dat er, hoewel de bescherming van minderheden een onderdeel vormt van de criteria van Kopenhagen, voor zowel de kandidaat-lidstaten als de lidstaten geen garantie bestaat dat kandidaat-lidstaten zich, zodra zij lidstaten worden, zullen houden aan de toezeggingen die zijn gedaan in het kader van de criteria van Kopenhagen;

3.  merkt op dat het de EU nog steeds aan doeltreffende hulpmiddelen ontbreekt om de naleving van de rechten van minderheden te monitoren en te handhaven; betreurt dat de EU met betrekking tot de bescherming van minderheden ofwel uitgaat van het standpunt dat de lidstaten de rechten van minderheden eerbiedigen, ofwel vertrouwt op externe monitoringinstrumenten, zoals die van de VN, de Raad van Europa of de OVSE;

4.  merkt op dat de naleving van de criteria van Kopenhagen, waartoe de lidstaten vóór en na hun toetreding tot de EU gehouden zijn, voortdurend gemonitord moet worden en het voorwerp moet zijn van een voortdurende dialoog tussen het Parlement, de Commissie en de Raad; benadrukt de noodzaak van een alomvattend EU‑systeem voor de bescherming van minderheden in combinatie met een solide monitoringmechanisme;

5.  herinnert eraan dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, VEU als hoedster van de Verdragen gerechtigd en bevoegd is erop toe te zien dat de lidstaten de rechtsstaat en andere waarden van artikel 2 VEU eerbiedigen; is derhalve van oordeel dat de maatregelen die de Commissie neemt om deze taak uit te voeren en om erop toe te zien dat er nog altijd wordt voldaan aan de voorwaarden zoals die waren voordat de lidstaten tot de Unie toetraden, geen schending van de soevereiniteit van de lidstaten vormen;

6.  herinnert eraan dat volgens bestaande internationale normen elke lidstaat het recht heeft een definitie te geven van tot een nationale minderheid behorende personen;

7.  herinnert eraan dat er geen gemeenschappelijke EU‑norm voor rechten van minderheden in het EU‑beleid bestaat, noch een gemeenschappelijke opvatting over wie als persoon behorend tot een minderheid kan worden beschouwd; merkt op dat er noch in de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen behorend tot nationale, etnische, godsdienstige of taalkundige minderheden, noch in het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden (FCNM) een definitie van minderheden staat; onderstreept dat alle nationale of etnische, religieuze en taalkundige minderheden moeten worden beschermd, ongeacht de definitie, en benadrukt dat elke definitie op flexibele wijze moet worden toegepast, aangezien de opneming van begunstigden in de bescherming van de rechten van minderheden vaak de facto deel uitmaakt van een evolutionair proces dat uiteindelijk tot formele erkenning kan leiden; beveelt aan dat, met betrekking tot de beginselen van subsidiariteit, evenredigheid en non‑discriminatie, de definitie van een "nationale minderheid" moet worden gebaseerd op de definitie die is neergelegd in Aanbeveling 1201 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (1993) voor een aanvullend protocol inzake de rechten van minderheden bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, waarin een "nationale minderheid" wordt omschreven als een groep personen in een land die

   op het grondgebied van dat land verblijven en burgers daarvan zijn;
   al lange tijd een solide, duurzame band met dat land hebben;
   specifieke kenmerken vertonen op etnisch, cultureel, religieus of taalgebied;
   voldoende representatief zijn, hoewel kleiner in aantal dan de rest van de bevolking van dat land of een regio in daarvan;
   en streven naar de instandhouding van hun gemeenschappelijke identiteit, met inbegrip van hun cultuur, tradities, godsdienst of taal;

8.  herinnert aan richtsnoer nr. 5 over de betrekkingen tussen de Raad van Europa en de Europese Unie, vastgesteld door de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Raad van Europa in Warschau op 16 en 17 mei 2005, waarin wordt gesteld dat de Europese Unie ernaar streeft om binnen haar bevoegdheid die aspecten van de verdragen van de Raad van Europa om te zetten in recht van de Europese Unie;

9.  merkt op dat delen van de bepalingen van het FCNM en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (het "taalhandvest") onder de bevoegdheden van de EU vallen en herinnert aan de conclusie van het FRA dat hoewel de Unie geen algemene wetgevende bevoegdheid heeft om te beslissen over de bescherming van nationale minderheden als zodanig, zij uitspraak kan doen over tal van kwesties die van invloed zijn op personen die tot nationale minderheden behoren;

10.  is van mening dat er behoefte is aan een wetgevingsvoorstel inzake minimumnormen voor de bescherming van minderheden in de EU, na een passende effectbeoordeling en overeenkomstig de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid die van toepassing zijn op de lidstaten, om de situatie van minderheden te verbeteren en de reeds bestaande rechten in alle lidstaten te beschermen, waarbij dubbele normen worden vermeden; is van mening dat deze normen, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, gebaseerd moeten zijn op de reeds in internationale rechtsinstrumenten neergelegde normen en stevig verankerd moeten zijn in een juridisch kader dat garant staat voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de hele EU en gepaard gaat met een goed functionerend monitoringmechanisme; verzoekt de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat hun rechtsstelsels waarborgen dat personen die tot een minderheid behoren niet worden gediscrimineerd, en om gerichte beschermingsmaatregelen te nemen en ten uitvoer te leggen;

11.  herinnert eraan dat de bescherming van de rechten van minderheden deel uitmaakt van het voorstel voor de sluiting van een EU‑Pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (EU‑Pact voor DRG); herinnert in dit verband aan het verzoek van het Parlement in zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de instelling van een EU‑mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, en herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen voor de sluiting van een EU‑Pact voor DRG; verzoekt de Commissie de rechten van minderheden op te nemen in alle mogelijke onderdelen van het EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten;

12.  moedigt de Commissie aan een orgaan op het niveau van de Unie op te richten (binnen de bestaande structuren of als afzonderlijk orgaan) voor de erkenning en bescherming van minderheden in de EU;

13.  is ingenomen met de succesvolle registratie en verzameling van handtekeningen in het kader van het Europees burgerinitiatief getiteld "Minority SafePack", waarin wordt opgeroepen tot een Europees kader voor de bescherming van minderheden; moedigt de Commissie aan te onderzoeken op welke manieren de belangen en behoeften van minderheden in de toekomst beter kunnen worden vertegenwoordigd op EU‑niveau;

14.  moedigt de lidstaten en de Commissie aan het recht van personen die tot minderheden behoren te beschermen met betrekking tot het behoud, de bescherming en de ontwikkeling van hun eigen identiteit en de nodige stappen te ondernemen om effectieve deelname van minderheden aan het maatschappelijke, economische, culturele en openbare leven te bevorderen;

15.  wijst er nogmaals op dat toegang tot EU‑burgerschap wordt verkregen middels de nationaliteit van een lidstaat, hetgeen geregeld is door nationale wetgeving; benadrukt nogmaals dat de lidstaten in verband met de toegang tot nationaal burgerschap moeten uitgaan van de beginselen van het Unierecht, zoals evenredigheid en non-discriminatie, die beide goed zijn uitgewerkt in de jurisprudentie van het HvJ‑EU; wijst er nogmaals op dat artikel 20 VWEU bepaalt dat eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, ook burger van de Unie is, met de rechten en plichten die bij de Verdragen en het Handvest zijn bepaald; benadrukt nogmaals dat volgens de Verdragen elke EU‑burger gelijke aandacht moet genieten van de EU‑instellingen;

16.  geeft nogmaals uiting aan zijn grote bezorgdheid over het aantal staatloze Roma in Europa, een situatie die leidt tot de volledige ontkenning van hun toegang tot sociale, onderwijs- en gezondheidsdiensten en hen drijft naar de marges van de samenleving; verzoekt de lidstaten staatloosheid af te schaffen en ervoor te zorgen dat iedereen de fundamentele mensenrechten kan uitoefenen;

17.  moedigt de lidstaten aan doeltreffende maatregelen te nemen om alle belemmeringen weg te nemen voor de toegang tot het gezondheidszorgstelsel voor personen die tot minderheden behoren; merkt op dat minderheidsgroepen minder toegang hebben tot gezondheidsdiensten en ‑informatie; moedigt de Commissie en de lidstaten aan ervoor te zorgen dat minderheden toegang hebben tot zowel lichamelijke als geestelijke gezondheidszorg, zonder discriminatie;

18.  verzoekt de Europese Unie toe te treden tot het FCNM en het taalhandvest en verzoekt de lidstaten deze documenten te ratificeren; verzoekt hen de beginselen die in deze documenten zijn vastgelegd, te eerbiedigen; verzoekt de lidstaten en de Commissie af te zien van handelingen die indruisen tegen die beginselen; benadrukt dat de instellingen en de lidstaten minimumnormen voor minderheden in de EU in het leven moeten roepen en zich moeten onthouden van het aannemen van wetten en bestuurlijke maatregelen die de rechten van personen die tot minderheden behoren verzwakken of daaraan afbreuk doen;

19.  bevestigt nogmaals dat inheemse volkeren bij de uitoefening van hun rechten vrij moeten zijn van alle vormen van discriminatie en recht moeten hebben op de waardigheid en verscheidenheid van hun cultuur, tradities, geschiedenis en ambities die naar behoren in onderwijs en publieke voorlichting tot uiting moeten komen; moedigt de lidstaten die dit nog niet gedaan hebben aan om het Verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken (Verdrag nr. 169 van de IAO) te ratificeren en te goeder trouw ten uitvoer te leggen;

20.  is van mening dat er gemeenschappelijke en Europese minimumnormen moeten worden ontwikkeld voor de bescherming van de rechten van personen die tot minderheden behoren en dat dit moet gebeuren volgens de procedurele beginselen van goed nabuurschap en vriendschappelijke betrekkingen, waarbij wordt gezorgd voor samenwerking tussen de lidstaten en tussen lidstaten en landen van het nabuurschap, op basis van de tenuitvoerlegging van internationale standaarden en normen; is van mening dat de vaststelling van gemeenschappelijke Europese minimumnormen de reeds bestaande rechten en normen ter bescherming van personen die tot minderheden behoren, niet mag inperken; herinnert eraan dat de vastgestelde toezeggingen en beginselen die zijn ontwikkeld door de OVSE, met name in het kader van haar thematische aanbevelingen en richtsnoeren, ten uitvoer moeten worden gelegd; herinnert eraan dat de Commissie in het kader van de criteria van Kopenhagen al rekening heeft gehouden met deze normen tijdens de toetredingsonderhandelingen; verzoekt de Commissie in dit verband voor alle EU-lidstaten dezelfde normen te hanteren;

21.  benadrukt dat beleidsmaatregelen ter bestrijding van discriminatie alleen niet voldoende zijn om de problemen op te lossen waarmee minderheden te kampen hebben en hun assimilatie niet voorkomen; merkt op dat personen die tot minderheden behoren zich in een speciale categorie bevinden wat betreft het verhaalsrecht en specifieke behoeften hebben waaraan moet worden voldaan om volledige en daadwerkelijke gelijkheid te bereiken, en dat hun rechten moeten worden geëerbiedigd en bevorderd, met inbegrip van het recht om hun culturele of taalkundige identiteit vrijelijk te uiten, te behouden en te ontwikkelen, met eerbiediging van de identiteit, waarden en beginselen van het land waarin zij verblijven; moedigt de Commissie aan regelmatige monitoring van de taalkundige en culturele diversiteit in de EU te bevorderen;

22.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan in samenspraak met vertegenwoordigers van minderheden de verzameling van betrouwbare en degelijke gegevens inzake gelijkheid te blijven ondersteunen en financieren, teneinde ongelijkheden en discriminatie in kaart te brengen; dringt erop aan op doeltreffende wijze in de hele EU toezicht te houden op de situatie van nationale en etnische minderheden; is van oordeel dat het FRA discriminatie van nationale en etnische minderheden in de lidstaten nauwlettender moet controleren;

23.  erkent de belangrijke rol van maatschappelijke en niet-gouvernementele organisaties bij de bescherming van minderheden, daar zij discriminatie bestrijden en de rechten van minderheden bevorderen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan voldoende financiering en steun voor deze organisaties te bevorderen;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de bescherming van minderheden binnen minderheden te waarborgen en ongelijkheden binnen ongelijkheden aan te pakken, aangezien personen die tot minderheden behoren vaak met meerdere en intersectionele discriminatie te kampen hebben; verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek te doen naar de complexe kwestie van meervoudige en intersectionele discriminatie;

Bestrijding van discriminatie, haatmisdrijven en haatzaaiende uitingen

25.  is bezorgd over de alarmerende toename van haatmisdrijven en haatzaaiende uitingen met motieven die verband houden met racisme, vreemdelingenhaat of religieuze intolerantie jegens minderheden in Europa; roept de EU en de lidstaten op de strijd tegen haatmisdrijven en discriminerende houdingen en gedragingen op te voeren; verzoekt de Commissie en het FRA hun werk op het gebied van monitoring van haatmisdrijven en haatzaaiende uitingen jegens minderheden in de lidstaten voort te zetten en regelmatig verslag uit te brengen over gevallen en tendensen;

26.  veroordeelt krachtig alle vormen van discriminatie op welke grond dan ook en alle vormen van segregatie, haatzaaiende uitingen, haatmisdrijven en sociale uitsluiting, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontkenning van wreedheden tegen nationale en etnische minderheden duidelijk te veroordelen en te bestraffen; herhaalt zijn in zijn resolutie van 25 oktober 2017 uiteengezette standpunt over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat; herinnert eraan dat alle Europese burgers evenveel bijstand en bescherming moeten krijgen, ongeacht hun etnische of culturele afkomst; verzoekt de Commissie een Europees kader in te stellen en verzoekt de lidstaten specifieke nationale plannen uit te werken om door vreemdelingenhaat ingegeven geweld en haatzaaiende uitingen tegen personen die tot minderheden behoren, aan te pakken;

27.  benadrukt dat de lidstaten vriendschappelijke en stabiele betrekkingen onderling moeten bevorderen en moedigt hen aan een open en ondersteunende dialoog te voeren met buurlanden, met name in grensregio's waar meerdere talen en culturen aanwezig kunnen zijn;

28.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan bewustmakingsactiviteiten in te voeren om de bevolking van de EU bewust te maken van het belang van diversiteit, en alle vreedzame vormen van uitingen van minderheidsculturen te bevorderen; spoort de lidstaten aan de geschiedenis van nationale en etnische minderheden op te nemen in hun onderwijsprogramma's en een cultuur van verdraagzaamheid op hun scholen te bevorderen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan culturele dialogen te beginnen, onder andere op scholen, over de verschillende vormen en uitdrukkingen van haat jegens minderheidsgroepen; moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat non-discriminatie, evenals de geschiedenis en rechten van mensen die tot minderheden behoren, deel gaan uitmaken van de reguliere inhoud van hun nationale onderwijsstelsel;

29.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan campagnes tegen haatzaaiende uitingen op te zetten, binnen de politiediensten eenheden ter bestrijding van haatmisdrijven op te richten op basis van de kennis van de problemen waarmee verschillende minderheidsgroepen worden geconfronteerd en bijscholingscursussen te organiseren, ervoor te zorgen dat personen die tot minderheden behoren gelijk zijn voor de wet en te waarborgen dat zij gelijke toegang hebben tot de rechter en procedurele rechten;

30.  is van mening dat de Commissie en de lidstaten ervoor moeten zorgen dat personen die tot minderheden behoren hun rechten zonder angst kunnen uitoefenen; moedigt de lidstaten in dit verband aan verplicht onderwijs op het gebied van mensenrechten, democratisch burgerschap en politieke geletterdheid op te nemen in hun onderwijsprogramma's op alle niveaus; moedigt de Commissie en de lidstaten aan verplichte trainingen aan te bieden aan gezagsdragers, die een centrale rol spelen bij de correcte tenuitvoerlegging van EU- en nationale wetgeving en die moeten worden uitgerust om alle burgers te dienen vanuit een op mensenrechten gebaseerde benadering; vraagt de Commissie en de lidstaten intersectionele discriminatie aan te pakken, zowel middels hun beleidsmaatregelen als via hun financieringsprogramma's;

31.  moedigt de lidstaten aan om, met het oog op de totstandbrenging van wederzijds vertrouwen, nationale waarheids- en verzoeningscommissies op te richten om de onderdrukking, uitsluiting en verstoting van personen die tot minderheden behoren door de eeuwen heen te erkennen en dit te documenteren; verzoekt de lidstaten de ontkenning van wreedheden tegen personen die tot minderheden behoren, duidelijk te veroordelen en te bestraffen, en moedigt hen aan belangrijke herdenkingsdagen van minderheidsgroepen op nationaal niveau af te kondigen en daaraan eer te betuigen, zoals de herdenkingsdag van de holocaust van de Roma; moedigt hen aan instellingen in het leven te roepen die de geschiedenis en cultuur van minderheidsgroepen tentoonspreiden en hen zowel financieel als administratief te ondersteunen;

32.  acht actieve en betekenisvolle maatschappelijke, economische, politieke en culturele participatie door minderheidsgroepen van cruciaal belang; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom strategieën uit te werken aan de hand van zowel proactieve als reactieve maatregelen die uitgaan van reële, stelselmatige raadpleging van vertegenwoordigers van minderheidsgroepen, en deze te betrekken bij de uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van algemene programma's en projecten die op alle niveaus worden geïnitieerd, ook op lokaal niveau, teneinde ervoor te zorgen dat ze inclusief en niet-discriminerend zijn;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de richtlijn inzake rassengelijkheid volledig en nauwgezet wordt uitgevoerd, toegepast en gehandhaafd, en moedigt hen aan bewustmakingscampagnes op te zetten met betrekking tot antidiscriminatiewetgeving; is van mening dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat sancties voldoende doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, zoals voorgeschreven door de richtlijn; vraagt de Commissie naar behoren toezicht te houden op de uitvoering van de richtlijn;

34.  betreurt het dat het voorstel voor een richtlijn inzake gelijke behandeling uit 2008 (COM(2008)0426) nog altijd door de Raad moet worden goedgekeurd; herhaalt zijn oproep aan de Raad zo snel mogelijk zijn standpunt over dit voorstel te bepalen;

Nationale en etnische minderheden

35.  merkt op dat nationale en etnische minderheden groepen personen zijn die tot minderheden behoren die op hetzelfde grondgebied wonen en een gemeenschappelijke identiteit delen, in sommige gevallen als het gevolg van grenswijzigingen, in andere gevallen als het gevolg van het lang leven in een gebied, waarbij ze erin zijn geslaagd hun identiteit te behouden; roept de Commissie en de lidstaten op de culturele en taalkundige identiteit van nationale en etnische minderheden te beschermen en voorwaarden te scheppen voor de bevordering van die identiteit; wijst op de belangrijke rol die regionale en lokale autoriteiten in de EU kunnen vervullen als het gaat om de bescherming van nationale en etnische minderheden, en is van mening dat bestuurlijke reorganisaties en de herverdeling van grondgebied in districten geen nadelige gevolgen mogen hebben voor die groepen; moedigt de lidstaten aan om vanuit de centrale begroting financiële middelen ter beschikking te stellen voor de tenuitvoerlegging van de rechten van minderheden, teneinde lokale begrotingen te ontlasten;

36.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan te zorgen voor gelijke kansen voor nationale en etnische minderheden om aan het politieke en maatschappelijke leven deel te nemen; moedigt de lidstaten aan verkiezingsstelsels en wetten in te voeren die de vertegenwoordiging van nationale en etnische minderheden eenvoudiger maken; roept de lidstaten op per direct corrigerende maatregelen te treffen om discriminerende geboorteregistratie een halt toe te roepen, de geboorteregistratie van leden van minderheidsgroepen zonder discriminatie te laten verlopen en ervoor te zorgen dat uitgegeven identiteitsbewijzen niet‑discriminerend zijn;

37.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan een coherente analyse van hun huidige minderhedenbeleid uit te voeren om op te helderen wat de sterke punten en uitdagingen zijn en de naleving van de rechten van nationale en etnische minderheden te garanderen;

38.  verzoekt het FRA een advies op te stellen over hoe instrumenten kunnen worden gecreëerd om de rechten van personen die tot nationale minderheden behoren te beschermen en te bevorderen, in overeenstemming met de uitspraak in zaak T‑646/13 van het HvJ‑EU;

Culturele rechten

39.  benadrukt dat culturele activiteiten van essentieel belang zijn voor de instandhouding van de identiteit van nationale en etnische minderheden en dat de instandhouding van de tradities van minderheden en de uitdrukking van artistieke waarden in de moedertaal van bijzonder belang zijn voor het behoud van de Europese diversiteit; merkt op dat het behoud van het culturele erfgoed van minderheden een gemeenschappelijk belang is van de EU en de lidstaten; moedigt de Commissie en de lidstaten aan de culturele rechten van minderheden te ondersteunen, te verbeteren en te bevorderen;

40.  wijst er nogmaals op dat een goed begrip van wat onder "cultuur" moet worden verstaan, van essentieel belang is om de reikwijdte van de rechten van minderheden in dit verband te bepalen; merkt op dat cultuur in brede zin neerkomt op het geheel van de materiële en niet-materiële activiteiten en verwezenlijkingen van een gemeenschap en op datgene waarin zij zich van andere gemeenschappen onderscheidt; benadrukt dat culturele rechten het recht deel te nemen aan het culturele leven, het recht cultuur te beoefenen, het recht te kunnen kiezen om deel uit te maken van een groep, taalrechten en de bescherming van het cultureel en wetenschappelijk erfgoed moeten omvatten;

41.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan de bijdrage van nationale en etnische minderheden aan het culturele erfgoed van de Unie te erkennen, de dialoog met vertegenwoordigers van minderheden en personen die tot minderheden behoren te versterken en gecoördineerd beleid en gecoördineerde acties voor het duurzame beheer van het behoud en de ontwikkeling van hun cultuur te identificeren en uit te voeren; moedigt de lidstaten aan een passend niveau van institutionalisering van praktijken op nationaal niveau te garanderen om de culturele rechten te beschermen;

42.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan nationale en etnische minderheden en personen die daartoe behoren te betrekken en te ondersteunen bij het bevorderen van kennis en vaardigheden die nodig zijn om cultureel erfgoed te beschermen, duurzaam te beheren en te ontwikkelen en die aan toekomstige generaties moeten worden doorgegeven; moedigt de Commissie en de lidstaten aan substantiële culturele fondsen voor personen die tot minderheden behoren in te stellen en te behouden, zowel op horizontaal als op verticaal niveau, teneinde voor effectieve, transparante en gelijke steun voor het culturele leven van minderheidsgemeenschappen te zorgen;

43.  benadrukt dat de media een centrale rol spelen met betrekking tot culturele en taalrechten; herinnert eraan dat de toegang tot en het kunnen ontvangen en publiceren van informatie en inhoud in een taal die volledig wordt begrepen en waarin kan worden gecommuniceerd een voorwaarde is voor een gelijke en effectieve deelname aan het openbare, economische, maatschappelijke en culturele leven; merkt in dit verband op dat speciale aandacht moet worden besteed aan de behoeften van personen die tot nationale en etnische minderheden behoren die in grens-, afgelegen en plattelandsgebieden wonen; is bezorgd over de onderfinanciering van mediakanalen die in regionale of minderheidstalen publiceren of uitzenden; moedigt de Commissie en de lidstaten aan passende financiering te verstrekken aan organisaties of mediakanalen die minderheden vertegenwoordigen, teneinde bij te dragen tot het behoud van de culturele identiteit van minderheden en hen in staat te stellen hun standpunten, taal en cultuur te delen met de meerderheid;

44.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de media onafhankelijk kunnen functioneren, het gebruik van minderheidstalen in de media te bevorderen en rekening te houden met nationale en etnische minderheden bij het verlenen van licenties voor mediadiensten, waaronder het toewijzen van radio- en televisieomroepen; roept de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor adequate financiering voor organisaties die minderheden vertegenwoordigen, met het oog op het bevorderen van hun gevoel van verbondenheid en identificatie met hun respectieve minderheidsgroepen, en om hun identiteit, talen, geschiedenis en cultuur onder de aandacht van de meerderheid te brengen;

45.  herinnert aan de fundamentele rol van de publieke media bij de bevordering van dergelijke inhoud, in het bijzonder in de context van democratisch toezicht van lokale of regionale autoriteiten; moedigt de Commissie aan de wettelijke en regelgevingsvoorwaarden te scheppen om vrije dienstverlening, doorgifte en ontvangst van audiovisuele inhoud te garanderen in regio's waar minderheden wonen, zodat zij inhoud in hun moedertaal kunnen bekijken en beluisteren die grensoverschrijdend wordt uitgezonden en niet aan geografische beperkingen wordt onderworpen;

46.  roept de Commissie en de lidstaten op er met passende middelen voor te zorgen dat audiovisuele media geen inhoud bevatten die aanzet tot geweld of haat jegens mensen die tot minderheden behoren; beklemtoont dat de media een belangrijke rol spelen bij de berichtgeving over schendingen van rechten van minderheden en dat de dagelijkse realiteit waarmee minderheden worden geconfronteerd onzichtbaar blijft als er geen verslag van wordt gedaan;

47.  moedigt de lidstaten aan zich te onthouden van politieke en wettelijke maatregelen en beleid die erop zijn gericht restrictieve maatregelen voor te schrijven, zoals ondertitelings- en/of vertaalverplichtingen en verplichte quota voor programma's in officiële talen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan de aanwezigheid van media met regionale of minderheidstalen toe te staan en te bevorderen, ook op online-interfaces; roept de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor passende financiering of subsidies voor organisaties en media die nationale en etnische minderheden vertegenwoordigen, met het oog op hun specifieke regionale kenmerken en behoeften;

48.  verzoekt de lidstaten in het licht van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed hun minderheidsculturen te versterken en te bevorderen, de verspreiding van hun geschiedenis en tradities te stimuleren en ervoor te zorgen dat de betreffende gemeenschappen niet geïsoleerd blijven;

49.  wijst erop dat de ontwikkeling van beleid op het gebied van cultureel erfgoed inclusief en participatief moet zijn en dat daartoe een op de gemeenschap gebaseerde aanpak moet worden gevolgd, waarbij de betrokken minderheidsgemeenschappen geraadpleegd en bij overleg betrokken moeten worden;

Het recht op onderwijs

50.  merkt op dat onderwijs een sleutelrol speelt bij socialisatie en identiteitsontwikkeling en het belangrijkste instrument blijft om bedreigde minderheidstalen te revitaliseren en in stand te houden; benadrukt dat elke persoon die deel uitmaakt van een nationale minderheidsgroep recht heeft op onderwijs in een minderheidstaal; benadrukt dat de continuïteit van het moedertaalonderwijs essentieel is voor het behoud van de culturele en taalkundige identiteit; merkt op dat er, als het gaat om onderwijs in minderheidstalen, geen enkel model van beste praktijken bestaat dat geschikt is voor alle nationale en etnische minderheden; wijst erop dat er speciale aandacht moet uitgaan naar mensen die zich bedienen van gebarentaal;

51.  wijst er nogmaals op dat in artikel 14 van de Kaderovereenkomst van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden wordt aanbevolen dat de staten die partij zijn ernaar streven ervoor zorg te dragen, voor zover mogelijk en binnen het kader van hun onderwijsstelsels, dat personen die tot nationale minderheden behoren voldoende mogelijkheden hebben om de betreffende minderheidstaal te leren of om onderwijs in die taal te krijgen, onverminderd het leren van de officiële taal of het onderwijzen in die taal;

52.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om bij hun verdere acties passende instrumenten te creëren voor de bevordering en ondersteuning van het officiële gebruik van door nationale en ethische minderheden gesproken talen in de gebieden waar zij wonen, op lokaal of regionaal niveau, in overeenstemming met de beginselen van het FCNM en het taalhandvest, waarbij wordt gewaarborgd dat de bescherming en aanmoediging van het gebruik van regionale en minderheidstalen niet ten koste gaat van de officiële talen en de verplichting om deze te leren;

53.  betreurt het dat sommige lidstaten het taalhandvest nog niet hebben geratificeerd en dat sommige van de lidstaten die het wel hebben geratificeerd, het nog niet doelmatig ten uitvoer hebben gelegd; is teleurgesteld door het feit dat in sommige lidstaten de bestaande rechten niet worden uitgevoerd of simpelweg worden genegeerd;

54.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan er overeenkomstig internationale normen voor te zorgen dat de rechten van personen die tot nationale en ethische minderheden behoren, worden gewaarborgd en dat deze personen over adequate mogelijkheden beschikken met betrekking tot het volgen van onderwijs in een minderheidstaal en hun moedertaal, in zowel openbare als particuliere onderwijsinstellingen; moedigt de lidstaten aan passend onderwijsbeleid te formuleren en de beleidsmaatregelen uit te voeren die het best aansluiten bij de behoeften van nationale en etnische minderheden, onder andere in de vorm van specifieke onderwijsprogramma's of speciale lesprogramma's en tekstboeken; moedigt de lidstaten aan te voorzien in financiering voor de opleiding van leerkrachten om doeltreffend onderwijs in minderheidstalen te waarborgen, en de beste praktijken op het gebied van het onderwijzen van vreemde talen op te nemen in de onderwijsmethodiek voor officiële talen als het gaat om onderwijsprogramma's voor scholen die onderwijs in een minderheidstaal verzorgen; benadrukt dat de lidstaten het onderwijs van zowel de regionale taal als de minderheidstalen en de officiële taal met behulp van passende methoden moeten bevorderen;

55.  moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat degenen die een regionale of minderheidstaal als moedertaal hebben, de mogelijkheid krijgen de officiële taal naar behoren te leren, door goede praktijken van het onderwijs in buitenlandse en tweede talen op te nemen in de methodologische benadering voor het onderwijs van de officiële taal van de lidstaat;

56.  benadrukt dat personen die tot minderheden behoren ook de taal moeten leren en over de geschiedenis en cultuur moeten leren van de meerderheidsbevolking, en dat het publiek bekend moet worden gemaakt met de geschiedenis en cultuur van minderheden en de kans moet krijgen om talen van minderheden te leren;

57.  spoort de lidstaten aan de productie van handboeken te bevorderen die voldoen aan de behoeften van sprekers van regionale en minderheidstalen of, als dit onhaalbaar zou blijken, het gebruik te bevorderen van handboeken uit andere landen die in die talen zijn gepubliceerd, zulks in samenwerking met de regelgevende instanties op het gebied van onderwijs van de landen waar de betreffende talen worden gebruikt;

58.  benadrukt het belang van hoger onderwijs in de moedertaal en van de opleiding van specialisten met kennis van specifieke terminologie, met name in regio's met een grote hoeveelheid sprekers van de desbetreffende taal; wijst op de dringende noodzaak om artsen op te leiden in minderheidstalen;

59.  spoort de regeringen van de lidstaten aan vertegenwoordigers van minderheden te betrekken bij besprekingen over de organisatie van hun onderwijsstelsels;

60.  moedigt de lidstaten aan preferentiële drempels vast te stellen voor het leren van regionale of minderheidstalen, teneinde gelijkheid binnen het onderwijs te waarborgen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan het recht van tot nationale of etnische minderheden behorende personen die woonachtig zijn in gebieden met een aanzienlijk aantal tot deze minderheden behorende inwoners, met inbegrip van plattelandsgebieden of gebieden met wijd verspreide nederzettingen, om onderwijs in een minderheidstaal te krijgen, met name in hun moedertaal, te bevorderen als er voldoende vraag naar is; roept de Commissie en de lidstaten op ervoor te zorgen dat onderwijshervormingen en ‑beleid het recht op onderwijs in een minderheidstaal niet beperken;

61.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan de beschikbaarheid van geïntegreerde ondersteuning op verticaal niveau voor minderheids- en regionale talen in onderwijsstelsels te bevorderen, met name door het oprichten van eenheden bij de ministeries van Onderwijs van de lidstaten en binnen de Commissie, die verantwoordelijk zijn voor de integratie van het minderheids- en regionaal taalonderwijs in de onderwijsprogramma's van scholen; spoort de lidstaten en de Commissie aan een ononderbroken leerlijn voor minderheidstalen te bevorderen, vanaf de kleuterschool tot en met het hoger onderwijs;

62.  benadrukt dat de opleiding van leerkrachten en de toegang tot tekstboeken en lesmateriaal van goede kwaliteit essentiële voorwaarden zijn voor het waarborgen van kwaliteitsonderwijs voor studenten; is van oordeel dat onderwijsprogramma's en ‑materiaal en geschiedenistekstboeken een eerlijk, nauwkeurig en informatief beeld moeten schetsen van de samenlevingen en culturen van minderheidsgroepen; merkt op dat het gebrek aan lesmateriaal van hoge kwaliteit en naar behoren opgeleide minderheidstaal-docenten een algemeen erkend probleem voor het minderheidstalenonderwijs is dat moet worden aangepakt; merkt op dat multidimensionaal geschiedenisonderwijs op alle scholen een vereiste zou moeten zijn, ongeacht of het minderheids- of meerderheidsgemeenschappen betreft; wijst op het belang van de ontwikkeling van lerarenopleidingen om te voldoen aan de behoeften van onderwijs op verschillende niveaus en in verschillende schoolvormen;

63.  onderstreept dat het onderwijzen van minderheidstalen bijdraagt tot wederzijds begrip tussen meerderheden en minderheden en gemeenschappen dichter bij elkaar brengt; moedigt de lidstaten aan positieve maatregelen te treffen met als doel te zorgen voor een passende vertegenwoordiging van minderheden in het onderwijs, evenals in het openbaar bestuur en bij uitvoerende agentschappen op nationaal, regionaal en gemeenteniveau;

64.  moedigt de Commissie aan programma's die gericht zijn op de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken op het vlak van onderwijs in regionale en minderheidstalen in Europa meer onder de aandacht te brengen; verzoekt de EU en de Commissie meer nadruk te leggen op regionale en minderheidstalen in de volgende generatie van de programma's Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor de burger in het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK);

65.  betreurt ten zeerste dat leerlingen die tot minderheden behoren in sommige lidstaten geen toegang hebben tot onderwijsinstellingen van de meerderheid maar op speciale scholen worden geplaatst met als argument dat zij de instructietaal onvoldoende beheersen; brengt in herinnering dat onderwijs in een minderheidstaal of het behoren tot een specifieke minderheid niet mag worden gebruikt als excuus om kinderen af te scheiden op basis van identiteit; verzoekt de lidstaten dergelijke segregatie niet toe te passen en toereikende maatregelen te nemen om deze leerlingen in staat te stellen onderwijs te volgen op reguliere scholen; moedigt de lidstaten aan te overwegen in de onderwijsprogramma's van scholen onderwerpen over fundamentele mensenrechten en in het bijzonder minderheidsrechten op te nemen als middel om culturele diversiteit en tolerantie via het onderwijs te bevorderen;

Taalrechten

66.  merkt op dat taal een essentieel aspect van culturele identiteit en de mensenrechten van minderheden is; benadrukt dat het recht op het gebruik van een minderheidstaal, zowel privé als in het openbaar en zonder discriminatie, moet worden bevorderd in gebieden met een aanzienlijk aantal personen dat tot een minderheid behoort, om ervoor te zorgen dat talen van de ene generatie op de andere kunnen worden doorgegeven, en om de taalkundige verscheidenheid in de Unie te beschermen; roept de Commissie op haar plan ter bevordering van het onderwijs in en gebruik van regionale talen te versterken, als mogelijke manier om discriminatie op basis van taal in de EU aan te pakken, en taalkundige verscheidenheid te bevorderen; herinnert eraan dat het bevorderen van kennis van minderheidstalen onder mensen die niet behoren tot de betreffende minderheid, een manier is om wederzijds begrip en wederzijdse erkenning te stimuleren;

67.  benadrukt dat het Parlement in zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(11) nogmaals heeft benadrukt dat de Commissie aandacht moet besteden aan het feit dat sommige lidstaten en regio's er door hun beleid toe bijdragen dat de overleving van talen binnen hun grenzen in gevaar komt, ook al gaat het om talen die in de bredere Europese context niet in gevaar zijn; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de administratieve en wettelijke obstakels die het gebruik van de betreffende talen in de weg staan;

68.  merkt op dat de EU naast haar 24 officiële talen ook nog 60 andere talen herbergt, die tevens deel uitmaken van haar culturele en taalkundige erfgoed en die door 40 miljoen mensen in specifieke regio's of door specifieke groepen worden gesproken; merkt op dat de meertaligheid van de Europese Unie uniek is op het niveau van internationale organisaties; merkt op dat het beginsel van meertaligheid in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is verankerd en dat het de EU ertoe verplicht de taalkundige verscheidenheid te eerbiedigen en het rijke taalkundige en culturele erfgoed van Europa te ondersteunen door het leren van talen en taalkundige verscheidenheid te bevorderen;

69.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om, in de context van bestuurlijke autoriteiten en overheidsorganisaties, het gebruik van regionale of minderheidstalen in de praktijk toe te staan en te bevorderen, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, bijvoorbeeld in de betrekkingen tussen particulieren en organisaties enerzijds en overheidsinstanties anderzijds; moedigt de lidstaten aan om informatie en openbare diensten in deze talen beschikbaar te stellen, onder meer op internet, in gebieden met een aanzienlijk aantal tot nationale en etnische minderheden behorende inwoners;

70.  moedigt de lidstaten aan de toegang tot regionale en minderheidstalen te bevorderen door vertaling, nasynchronisatie en ondertiteling te financieren en te ondersteunen en door passende, niet‑discriminerende terminologie in de administratieve, commerciële, economische, sociale, technische en juridische registers te codificeren;

71.  moedigt de gemeentelijke autoriteiten aan het gebruik van regionale en minderheidstalen in de betreffende gebieden te waarborgen; moedigt de lidstaten aan reeds op nationaal niveau bestaande goede praktijken als richtsnoeren te gebruiken;

72.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan het gebruik van regionale en minderheidstalen op lokaal en regionaal niveau te bevorderen; moedigt met dit in het achterhoofd de gemeentelijke autoriteiten actief aan ervoor te zorgen dat de betreffende talen in de praktijk ook worden gebezigd;

73.  spoort de Commissie en de lidstaten aan ervoor te zorgen dat, in gebieden met een aanzienlijk aantal tot nationale minderheden behorende inwoners, veiligheidsaanduidingen en -etikettering, belangrijke verplichte instructies en openbare aankondigingen die van belang zijn voor burgers, ongeacht of deze door de autoriteiten of de particuliere sector worden verstrekt, evenals plaatsnamen en topografische aanduidingen, in de juiste vorm worden geschreven en beschikbaar zijn in de talen die in een bepaalde regio vaak worden gebruikt, ook op borden die aangeven of men de stedelijke gebieden betreedt of verlaat en op alle andere verkeersborden met informatie;

74.  merkt op dat de visuele weergave van regionale en minderheidstalen – verkeersborden, straatnamen, de namen van bestuurlijke, openbare en commerciële instellingen enz. – van essentieel belang is voor de bevordering en bescherming van de rechten van nationale en etnische minderheden, aangezien die een afspiegeling is van en bijdraagt aan het vitale gebruik van regionale en minderheidstalen, en omdat personen die tot nationale en etnische minderheden behoren hierdoor worden aangemoedigd hun specifieke taalkundige identiteit en taalrechten te gebruiken, te behouden en te ontwikkelen, hun multi-etnische lokale identiteit te uiten en hun gevoel van betrokkenheid als leden van groepen in een lokale of regionale gemeenschap te versterken;

75.  roept de lidstaten op zich te onthouden van wetspraktijken, dan wel deze af te schaffen, die de toetreding van minderheden tot het volledige spectrum van in die lidstaat beoefende beroepen belemmeren; vraagt de lidstaten om te zorgen voor adequate toegang tot gerechtelijke en juridische diensten; benadrukt dat vertegenwoordigers van minderheden uitdrukkelijk moeten worden geïnformeerd over de op grond van het nationaal recht te volgen procedures wanneer hun rechten als tot een minderheid behorende personen zijn geschonden;

76.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan te erkennen dat elke persoon die tot een nationale minderheid behoort, het recht heeft zijn of haar achternaam (vadersnaam) en voornamen in de minderheidstaal te gebruiken, evenals het recht op officiële erkenning daarvan, ook in het kader van het vrij verkeer binnen de EU;

77.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan maatregelen te nemen om de bestuurlijke en financiële obstakels weg te nemen die de taalkundige verscheidenheid op Europees en nationaal niveau alsook de uitoefening en tenuitvoerlegging van taalrechten van personen die tot nationale en etnische minderheden behoren, kunnen belemmeren; dringt er bij de lidstaten op aan een einde te maken aan alle discriminerende taalpraktijken;

Conclusie

78.  verzoekt de Commissie een gemeenschappelijk kader van EU‑minimumnormen voor de bescherming van minderheden uit te werken; beveelt aan dat dit kader meetbare mijlpalen met regelmatige rapportage bevat en ten minste uit het volgende bestaat:

   het opstellen van richtsnoeren waarin goede praktijken in de lidstaten worden weerspiegeld, in samenwerking met verschillende belanghebbenden die betrokken zijn bij de bescherming van de rechten van minderheden;
   een aanbeveling van de Commissie, waarbij rekening moet worden gehouden met bestaande nationale maatregelen, subsidiariteit en evenredigheid;
   een wetgevingsvoorstel voor een richtlijn, dat moet worden opgesteld na een gedegen effectbeoordeling, in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zoals die van toepassing zijn in de lidstaten en gebaseerd op bovengenoemde punten, over minimumnormen voor minderheden in de EU, met inbegrip van duidelijke ijkpunten en sancties;

79.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat het kader gegevensverzameling en op veldwerk gebaseerde, financiële en kwaliteitsgerichte toezichts- en rapportagemethoden omvat, aangezien die elementen effectief, wetenschappelijk onderbouwd beleid versterken en kunnen bijdragen aan verbetering van de effectiviteit van de strategieën, acties en maatregelen;

o
o   o

80.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, de OVSE, de OESO, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0032.
(3) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 171.
(4) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(5) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 2.
(6) PB C 328 van 6.9.2016, blz. 4.
(7) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 52.
(8) PB C 124 E van 25.5.2006, blz. 405.
(9) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 11.
(10) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.
(11) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 52.

Laatst bijgewerkt op: 6 februari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid