Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0166R(APP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0358/2018

Ingediende teksten :

A8-0358/2018

Debatten :

PV 13/11/2018 - 2
CRE 13/11/2018 - 2

Stemmingen :

PV 14/11/2018 - 14.1
CRE 14/11/2018 - 14.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0449

Aangenomen teksten
PDF 309kWORD 107k
Woensdag 14 november 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Tussentijds verslag over het meerjarig financieel kader 2021-2027 - Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord
P8_TA(2018)0449A8-0358/2018
Resolutie
 Bijlage
 Bijlage
 Bijlage
 Bijlage

Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord (COM(2018)0322 – C8-0000/2018 – 2018/0166R(APP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 mei 2018 met als titel "Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt – Het meerjarig financieel kader 2021-2027" (COM(2018)0321),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027 (COM(2018)0322) en de voorstellen van de Commissie van 2 mei 2018 over het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2018)0325, COM(2018)0326, COM(2018)0327 en COM(2018)0328),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2018)0323),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 mei 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten (COM(2018)0324),

–  gezien zijn resoluties van 14 maart 2018 over de voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020, en over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(1),

–  gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen(2),

–  gezien de bekrachtiging van de Overeenkomst van Parijs door het Europees Parlement op 4 oktober 2016(3) en door de Raad op 5 oktober 2016(4),

–  gezien resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN van 25 september 2015 getiteld "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling", die op 1 januari 2016 in werking trad,

–  gezien de collectieve verbintenis van de EU om de doelstelling van 0,7 % van het bruto nationaal inkomen (bni) te besteden aan officiële ontwikkelingshulp (ODA) binnen het tijdschema van de agenda voor de periode na 2015,

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(5),

–  gezien artikel 99, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien het tussentijds verslag van de Begrotingscommissie, de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel en de Commissie begrotingscontrole, het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie constitutionele zaken en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0358/2018),

A.  overwegende dat artikel 311 VWEU vereist dat de Unie zich voorziet van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid uit te voeren;

B.  overwegende dat het huidige meerjarig financieel kader (MFK) 2014‑2020 voor de eerste keer minder ambitieus is dan zijn voorganger, zowel waar het vastleggings- als betalingskredieten betreft; overwegende dat de laattijdige vaststelling van het MFK en de sectorale wetgevingshandelingen een zeer negatief effect hebben gehad op de tenuitvoerlegging van de nieuwe programma's;

C.  overwegende dat al snel is gebleken dat het MFK niet toereikend is om in te spelen op een aantal crises, nieuwe internationale toezeggingen en nieuwe politieke uitdagingen die ten tijde van de vaststelling ervan niet in het MFK waren opgenomen en/of niet waren voorzien; overwegende dat het MFK met het oog op het waarborgen van de vereiste financiering de grenzen van het haalbare heeft bereikt, waarbij de flexibiliteitsbepalingen en speciale instrumenten in ongekende mate zijn gemobiliseerd nadat de beschikbare marges waren benut; overwegende dat er bezuinigingen ten aanzien van prioritaire EU-programma's inzake onderzoek en infrastructuur zijn doorgevoerd, slechts twee jaar na de vaststelling ervan;

D.  overwegende dat de aan het eind van 2016 uitgevoerde tussentijdse herziening van het MFK van essentieel belang is gebleken voor het verruimen van het potentieel van de bestaande flexibiliteitsbepalingen, maar niet tot een herziening van de MFK-maxima heeft geleid; overwegende dat deze herziening door zowel het Parlement als de Raad positief is beoordeeld;

E.  overwegende dat de totstandbrenging van het nieuwe MFK van doorslaggevend belang zal zijn voor de Unie met 27 lidstaten, aangezien hiermee een gemeenschappelijk langetermijnstandpunt kan worden uitgedragen en het nieuwe MFK de besluitvorming over toekomstige politieke prioriteiten mogelijk maakt en de Unie in staat stelt deze te verwezenlijken; overwegende dat het MFK 2021‑2027 de Unie de nodige middelen moet verschaffen om duurzame economische groei, onderzoek en innovatie te stimuleren, jongeren mondiger te maken, de uitdagingen van migratie doeltreffend aan te pakken, werkloosheid, aanhoudende armoede en sociale uitsluiting te bestrijden, de economische, sociale en territoriale cohesie verder te versterken, duurzaamheid, biodiversiteitsverlies en klimaatverandering aan te pakken, de veiligheid en defensie van de EU te versterken, haar buitengrenzen te beschermen en de buurlanden te ondersteunen;

F.  overwegende dat het, in het licht van de mondiale uitdagingen die de lidstaten niet alleen kunnen aanpakken, mogelijk moet zijn om Europese collectieve goederen te erkennen en gebieden te identificeren waar Europese uitgaven doeltreffender zouden zijn dan nationale uitgaven, teneinde de overeenkomstige financiële middelen naar het niveau van de Unie over te hevelen en aldus het strategische belang van de Unie te versterken zonder noodzakelijkerwijs de totale overheidsuitgaven te verhogen;

G.  overwegende dat de Commissie op 2 mei 2018 een reeks wetgevingsvoorstellen inzake het MFK 2021‑2027 en de eigen middelen van de EU heeft ingediend, gevolgd door wetgevingsvoorstellen gericht op het tot stand brengen van nieuwe EU‑programma's en ‑instrumenten;

1.  benadrukt dat het meerjarig financieel kader 2021‑2027 de verantwoordelijkheid en het vermogen van de Unie moet garanderen om in te spelen op nieuwe behoeften, bijkomende uitdagingen en nieuwe internationale verbintenissen, en om haar politieke prioriteiten en doelstellingen te verwezenlijken; wijst op de ernstige problemen die samengaan met de onderfinanciering van het MFK 2014‑2020 en herhaalt dat een herhaling van in het verleden gemaakte fouten moet worden voorkomen door ten behoeve van alle burgers voor de komende zeven jaar van meet af aan een sterke en geloofwaardige EU‑begroting te waarborgen;

2.  is van mening dat de voorstellen van de Commissie inzake het MFK 2021‑2027 en het stelsel van eigen middelen van de Unie het uitgangspunt moeten vormen voor de komende onderhandelingen; geeft uiting aan zijn standpunt ten aanzien van deze voorstellen in afwachting van het mandaat van de Raad voor de onderhandelingen, dat nog niet beschikbaar is;

3.  onderstreept dat het voorstel van de Commissie inzake het algemene niveau van het komende MFK, dat is vastgesteld op 1,08 % van het bni van de EU‑27 (ofwel 1,11 % na de opname van het Europees Ontwikkelingsfonds), wat het percentage van het bni betreft, in reële termen lager is dan het niveau van het huidige MFK; is van oordeel dat het voorgestelde MFK-niveau de Unie niet in staat zal stellen aan haar politieke verbintenissen te voldoen en op belangrijke toekomstige uitdagingen in te spelen; is derhalve voornemens te onderhandelen over de noodzakelijke verhoging;

4.  verklaart bovendien gekant te zijn tegen elke vermindering van het niveau van het reeds lang bestaande EU‑beleid dat in de Verdragen is verankerd, zoals het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid; is met name gekant tegen elke ingrijpende bezuiniging die een negatieve impact zal hebben op de aard en doelstellingen zelf van deze beleidsterreinen, bijvoorbeeld de voorgestelde bezuinigingen voor het Cohesiefonds of voor het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling; verzet zich in dit kader tegen het voorstel het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) te verlagen ondanks het verruimde toepassingsgebied ervan en de opname van de vier bestaande sociale programma's, met name het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

5.  benadrukt voorts het belang van de horizontale beginselen die ten grondslag moeten liggen aan het MFK en al het daarmee verband houdende beleid van de EU; herhaalt in verband hiermee zijn standpunt dat de EU haar engagement moet nakomen om een voortrekkersrol te vervullen met betrekking tot de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN en betreurt het ontbreken van een duidelijk en zichtbaar engagement in deze zin in de voorstellen over het MFK; dringt daarom aan op de opname van de VN‑doelstellingen voor duurzame ontwikkeling in alle EU-beleidsmaatregelen en -initiatieven van het volgende MFK; benadrukt voorts dat alle programma's in het kader van het volgende MFK moeten stroken met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; benadrukt het belang van de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten, van de uitbanning van discriminatie, ook van LGBTI-personen, en van het creëren van een portefeuille voor minderheden, met inbegrip van de Roma, die alle van vitaal belang zijn voor de nakoming van de verbintenissen van de EU ten aanzien van een inclusief Europa; benadrukt dat de bijdrage van de EU aan de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen in de periode 2021‑2027 ten minste 25 % van de uitgaven in het kader van het MFK 2021-2027 en uiterlijk in 2027 ten minste 30 % van de uitgaven moet bedragen om aan haar verplichtingen uit hoofde van het Akkoord van Parijs te voldoen;

6.  betreurt in dit verband dat er ondanks de gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming in de bijlage bij de MFK-verordening 2014‑2020 geen significante vooruitgang op dit gebied is geboekt en dat de Commissie bij de tussentijdse herziening van het MFK geen rekening heeft gehouden met de uitvoering ervan; betreurt ten zeerste dat gendermainstreaming in het MFK-voorstel volledig buiten beschouwing is gelaten en betreurt het gebrek aan duidelijke doelstellingen, vereisten en indicatoren voor gendergelijkheid in de voorstellen voor het relevante EU‑beleid; dringt erop aan dat de jaarlijkse begrotingsprocedures de volledige impact van het EU-beleid op gendergelijkheid evalueren en integreren (genderbudgettering); verwacht dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich er opnieuw toe verbinden om gendermainstreaming in het volgende MFK op te nemen, en dat er effectief toezicht op wordt uitgeoefend, ook tijdens de tussentijdse herziening van het MFK;

7.  onderstreept dat meer verantwoordingsplicht, vereenvoudiging, zichtbaarheid, transparantie en op prestaties gebaseerde budgettering de basis moeten vormen voor het volgende MFK; herinnert er in dit verband aan dat de toekomstige uitgaven meer gericht moeten zijn op prestaties en resultaten, op basis van ambitieuze en relevante prestatiedoelstellingen en een alomvattende en gedeelde definitie van Europese toegevoegde waarde; verzoekt de Commissie om, rekening houdend met de bovengenoemde horizontale beginselen, de verslaglegging over de prestaties te stroomlijnen, deze uit te breiden tot een kwalitatieve aanpak die ook milieu- en sociale indicatoren omvat, en duidelijk informatie te verstrekken over de belangrijkste uitdagingen die de EU nog moet aanpakken;

8.  is zich bewust van de grote uitdagingen waar de Unie voor staat en neemt ten volle zijn verantwoordelijkheid voor het tijdig vaststellen van een begroting die tegemoetkomt aan de behoeften, verwachtingen en zorgen van de EU‑burgers; is bereid om onmiddellijk onderhandelingen met de Raad aan te gaan teneinde de voorstellen van de Commissie te verbeteren en een realistisch MFK tot stand te brengen;

9.  brengt in herinnering dat het standpunt van het Parlement reeds duidelijk uiteen is gezet in zijn resoluties van 14 maart en 30 mei 2018, die tezamen zijn politiek standpunt voor het MFK 2021‑2027 en de eigen middelen vormen; herinnert eraan dat deze resoluties met een zeer grote meerderheid van stemmen zijn aangenomen, een gegeven dat duidelijk aangeeft dat er in het Parlement eenheid en bereidheid bestaat ten aanzien van de komende onderhandelingen;

10.  verwacht derhalve dat het MFK prioriteit op de politieke agenda van de Raad zal krijgen en betreurt het feit dat er nog geen merkelijke vooruitgang is geboekt; is van mening dat de periodieke bijeenkomsten tussen de opeenvolgende voorzitterschappen van de Raad en het onderhandelingsteam van het Parlement, dienen te worden opgeschaald en de weg vrij moeten maken voor officiële onderhandelingen; verwacht dat er vóór de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2019 een solide overeenkomst zal zijn bereikt teneinde te voorkomen dat zich, zoals in het verleden, ernstige vertragingen voordoen met betrekking tot de start van nieuwe programma's als gevolg van de laattijdige vaststelling van het financieel kader; onderstreept dat dit tijdschema het nieuw verkozen Europees Parlement in staat zal stellen het MFK 2021‑2027 tijdens de verplichte tussentijdse herziening aan te passen;

11.  herinnert eraan dat ontvangsten en uitgaven bij de komende onderhandelingen als één pakket moeten worden behandeld; benadrukt derhalve dat er geen akkoord over het toekomstige MFK kan worden bereikt als er niet terzelfder tijd vooruitgang wordt geboekt inzake de nieuwe eigen middelen van de Unie;

12.  onderstreept dat alle elementen van het MFK/eigen middelen-pakket, met name de MFK-cijfers, op de onderhandelingstafel moeten blijven tot een definitieve overeenkomst is bereikt; herinnert er in dit verband aan dat het Parlement kritisch staat ten opzichte van de procedure die gevolgd is bij de vaststelling van de huidige MFK-verordening en ten opzichte van de dominante rol die de Europese Raad in dit proces heeft gespeeld door een onherroepelijk besluit te nemen over een aantal punten, waaronder de MFK-plafonds en verscheidene bepalingen in verband met het sectoraal beleid, en die daardoor de geest en de letter van de Verdragen heeft geschonden; is met name bezorgd over het feit dat de eerste elementen van de door het voorzitterschap van de Raad opgestelde "onderhandelingskaders" voor het MFK dezelfde logica volgen en kwesties bevatten waarover de Raad en het Parlement gezamenlijk moeten beslissen bij de goedkeuring van wetgeving tot vaststelling van nieuwe EU-programma's; is derhalve voornemens zijn eigen strategie dienovereenkomstig aan te passen;

13.  is van mening dat het unanimiteitsvereiste voor de vaststelling en herziening van de MFK-verordening het proces daadwerkelijk hindert; verzoekt de Europese Raad de overbruggingsclausule van artikel 312, lid 2, VWEU toe te passen om de vaststelling door de Raad van de MFK-verordening bij gekwalificeerde meerderheid mogelijk te maken;

14.  neemt deze resolutie aan teneinde zijn onderhandelingsmandaat toe te lichten met betrekking tot alle aspecten van de voorstellen van de Commissie, met inbegrip van concrete wijzigingen van zowel de voorgestelde MFK-verordening als van het Interinstitutioneel Akkoord (IIA); presenteert voorts een tabel met cijfers voor ieder EU‑beleidsterrein en ‑programma, in overeenstemming met de eerder in de MFK-resoluties opgenomen standpunten van het Parlement; benadrukt dat deze cijfers ook deel zullen uitmaken van het mandaat van het Parlement voor de komende wetgevingsonderhandelingen met betrekking tot de vaststelling van de EU‑programma's voor de periode 2021‑2027;

A.MFK-GERELATEERDE VERZOEKEN

15.  verzoekt de Raad derhalve naar behoren rekening te houden met onderstaande standpunten van het Parlement met het oog op het behalen van een positief resultaat bij de onderhandelingen inzake het MFK 2021‑2027 en het verkrijgen van de goedkeuring van het Parlement overeenkomstig artikel 312 VWEU;

Cijfers

16.  bevestigt opnieuw zijn formele standpunt dat het niveau van het MFK 2021‑2027 dient te worden vastgesteld op 1 324,1 miljard EUR in prijzen van 2018, ofwel 1,3 % van het bni van de EU‑27, teneinde een financieringsniveau voor essentiële EU‑beleidsmaatregelen te waarborgen op basis waarvan de EU‑27 haar missie en doelstellingen kan verwezenlijken;

17.  dringt er in dit verband op aan dat het volgende financieringsniveau voor EU‑programma's en -beleidsmaatregelen wordt gewaarborgd, in een volgorde die de structuur van het MFK weerspiegelt, zoals voorgesteld door de Commissie, en in de gedetailleerde tabel (bijlagen III en IV bij deze resolutie) wordt overgenomen; dringt er op aan dat de desbetreffende maxima voor vastleggings- en betalingskredieten dienovereenkomstig worden aangepast, zoals bepaald in bijlage I en II van de huidige resolutie:

   i. verhoging van de begroting voor Horizon Europa tot 120 miljard EUR in prijzen van 2018;
   ii. verhoging van de toewijzing voor het InvestEU-fonds zodat het niveau ervan overeenstemt met het niveau 2014‑2020 van alle financieringsinstrumenten die in het nieuwe programma zijn opgenomen;
   iii. verhoging van het financieringsniveau voor de vervoersinfrastructuur via de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF‑Vervoer);
   iv. verdubbeling van de specifieke financiering voor het MKB (in vergelijking met COSME) in het kader van het programma voor de interne markt, om de toegang van het MKB tot de markt te verbeteren, het ondernemingsklimaat en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven te verbeteren en het ondernemerschap te bevorderen;
   v. verdere verhoging van het programma voor de interne markt om een nieuwe doelstelling inzake markttoezicht te financieren;
   vi. verdubbeling van het voorgestelde financieringsniveau voor de EU-fraudebestrijdingsprogramma en verhoging van het financieringsniveau voor het FISCALIS-programma;
   vii. invoering van een specifieke toewijzing voor duurzaam toerisme;
   viii. verdere versterking van het Europese ruimtevaartprogramma, met name ter versterking van SSA/GOVSATCOM en Copernicus;
   ix. handhaving van de financiering van het cohesiebeleid voor de EU‑27 op het niveau van de begroting 2014‑2020 in reële termen;
   x. verdubbeling van de middelen voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid in het ESF+ (ten opzichte van het huidige jongerenwerkgelegenheidsinitiatief), waarbij de doeltreffendheid en toegevoegde waarde van de regeling worden gewaarborgd;
   xi. invoering van een specifieke toewijzing (5,9 miljard EUR) voor de kindergarantie om de armoede onder kinderen zowel binnen de EU als via haar externe acties aan te pakken;
   xii. verdrievoudiging van de huidige begroting voor het Erasmus+-programma;
   xiii. voorzien in een toereikend financieringsniveau voor het DiscoverEU-programma (Interrail);
   xiv. verhoging van de huidige financiering van het programma Creatief Europa;
   xv. verhoging van de huidige financiering voor het programma "Rechten en waarden" en invoering van een specifieke toewijzing voor een nieuw onderdeel "waarden van de Unie" (ten minste 500 miljoen euro) ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties die op lokaal en nationaal niveau fundamentele waarden en democratie in de EU bevorderen;
   xvi. handhaving van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) voor de EU‑27 op het niveau van de begroting 2014‑2020 in reële termen, en tegelijkertijd het oorspronkelijke bedrag van de landbouwreserve in de begroting opnemen;
   xvii. verhoging van 10 % voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, overeenkomstig de nieuwe missie van het fonds inzake de blauwe economie;
   xviii. verdubbeling van de huidige financiering voor het Life+-programma, met inbegrip van specifieke budgetten voor biodiversiteit en het beheer van het Natura 2000-netwerk;
   xix. invoering van een specifieke toewijzing (4,8 miljard EUR) voor een nieuw fonds voor een rechtvaardige energietransitie om de maatschappelijke, sociaaleconomische en milieueffecten op werknemers en gemeenschappen die worden getroffen door de overgang van steenkool en koolstofafhankelijkheid aan te pakken;
   xx. versterking van het instrument/de instrumenten ter ondersteuning van het nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid (3,5 miljard EUR) ter verdere bevordering van de financiering van een investeringsplan voor Afrika;
   xxi. herinvoering van ten minste het niveau van 2020 voor alle agentschappen, waarbij het door de Commissie voorgestelde hogere niveau wordt verdedigd, ook voor de agentschappen, waaraan nieuwe bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn toegekend, en wordt aangedrongen op een alomvattende aanpak van de financiering van vergoedingen;
   xxii. handhaving van het niveau van de financiering voor 2014‑2020 voor verschillende EU-programma's (bv. nucleaire ontmanteling, samenwerking met de landen en gebieden overzee (LGO)), met inbegrip van de programma's waarvoor wordt voorgesteld deze samen te voegen tot grotere programma's (bv. bijstand voor de meest behoeftigen, gezondheid, consumentenrechten) en waarvoor het voorstel van de Commissie dus in reële termen een verlaging inhoudt;
   xxiii. vaststelling, onder voorbehoud van bovengenoemde wijzigingen, van de financiële middelen voor alle andere programma's op het door de Commissie voorgestelde niveau, inclusief voor CEF-Energie, CEF-Digital, het programma "Digitaal Europa", het Europees Defensiefonds en humanitaire hulp;

18.  is voornemens een toereikend niveau van financiering te waarborgen op basis van het voorstel van de Commissie inzake "Migratie en grensbeheer" (rubriek 4) en "Veiligheid en defensie", met inbegrip van crisisrespons (rubriek 5); herhaalt het standpunt dat het sinds geruime tijd huldigt, namelijk dat extra politieke prioriteiten gepaard moeten gaan met extra financiële middelen, teneinde de bestaande beleidsmaatregelen en programma's en de financiering ervan in het kader van het MFK niet te ondermijnen;

19.  is voornemens zijn steun te verlenen aan het voorstel van de Commissie inzake het waarborgen van een toereikend niveau van financiering voor een sterk, efficiënt en hoogwaardig Europees openbaar bestuur ten dienste van alle Europeanen; herinnert eraan dat de instellingen, organen en gedecentraliseerde agentschappen van de EU onder het huidige MFK een verlaging van het aantal personeelsleden met 5 % hebben doorgevoerd en is van mening dat een verdere verlaging onwenselijk is nu dit het verwezenlijken van het beleid van de Unie in gevaar zou brengen; herhaalt eens te meer sterk te zijn gekant tegen een herhaling van de zogenaamde herschikkingspool voor agentschappen;

20.  is vastberaden in de eerste jaren van het MFK 2021‑2027 een nieuwe betalingscrisis zoals die van de huidige periode te voorkomen; is van mening dat bij de vaststelling van het totale maximum voor betalingen rekening moet worden gehouden met het ongekende niveau van openstaande verplichtingen aan het eind van 2020, dat voortdurend toeneemt door grote vertragingen in de tenuitvoerlegging en dat in het kader van het volgende MFK moet worden weggewerkt; vraagt daarom het algemene betalingsniveau en de jaarlijkse betalingsplafonds, vooral aan het begin van de periode, op een passend niveau vast te stellen en daarbij ook rekening te houden met deze situatie; is voornemens om voor het komende MFK slechts een beperkt en degelijk beargumenteerd verschil tussen vastleggingen en betalingen te aanvaarden;

21.  presenteert in dit kader in de bijlagen III en IV van de huidige resolutie een tabel met de exacte voorgestelde cijfers voor ieder EU-beleidsterrein en -programma; verklaart dat het voor vergelijkingsdoeleinden voornemens is de door de Commissie voorgestelde structuur van de individuele EU‑programma's te handhaven, zonder afbreuk te doen aan de wijzigingen waar mogelijk om wordt verzocht tijdens de wetgevingsprocedure die voorafgaat aan de vaststelling van deze programma's;

Tussentijdse herziening

22.  onderstreept dat het van belang is de tussentijdse herziening van het MFK te handhaven, waarbij wordt voortgebouwd op het positieve precedent dat in het huidige kader is gecreëerd, en dringt aan op het volgende:

   i. een verplichte en juridisch bindende tussentijdse herziening, na een evaluatie van de werking van het MFK en rekening houdend met een beoordeling van de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de klimaatdoelstelling, de mainstreaming van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en gendergelijkheid, en het effect van vereenvoudigingsmaatregelen op de begunstigden;
   ii. het betreffende voorstel van de Commissie dient tijdig te worden gepresenteerd zodat het volgende Europees Parlement en de volgende Commissie in staat zijn een betekenisvolle aanpassing van het MFK 2021-2027 uit te voeren, in elk geval vóór 1 juli 2023;
   iii. deze herziening mag geen verlaging inhouden van eerder aan de lidstaten toegewezen bedragen;

Flexibiliteit

23.  verwelkomt de voorstellen van de Commissie inzake flexibiliteit als een goede basis voor de onderhandelingen; gaat akkoord met de globale structuur van de flexibiliteitsmechanismen in het MFK 2021‑2027; beklemtoont dat de speciale instrumenten verschillende doelstellingen hebben en tegemoetkomen aan verschillende behoeften en is gekant tegen elke poging om ze samen te voegen; is nadrukkelijk voorstander van de duidelijke bepaling dat zowel de vastleggings- als de betalingskredieten die het resultaat zijn van de mobilisering van speciale instrumenten, in de begroting moeten worden meegeteld naast en bovenop de desbetreffende MFK-maxima, en dat alle beperkingen voor de overkoepelende marge voor betalingen verwijderd moeten worden; dringt aan op de invoering van een aantal aanvullende verbeteringen, met inbegrip van:

   i. de aanvulling van de reserve van de Unie met een bedrag gelijk aan de ontvangsten uit boetes en dwangsommen;
   ii. het onmiddellijk opnieuw inzetten van vrijmakingen van het jaar n‑2, met inbegrip van de vastleggingen in het kader van het huidige MFK;
   iii. het ter beschikking stellen van de vervallen bedragen van de speciale instrumenten ten behoeve van alle speciale instrumenten, en niet alleen het flexibiliteitsinstrument;
   iv. een hogere toewijzing van middelen aan het flexibiliteitsinstrument, de reserve voor noodhulp, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en de marge voor onvoorziene uitgaven, de laatste zonder verplichte compensatie;

Duur

24.  onderstreept dat de duur van het MFK geleidelijk moet evolueren in de richting van een periode van vijf plus vijf jaar in combinatie met een verplichte tussentijdse herziening; aanvaardt dat het volgende MFK moet worden vastgesteld voor een periode van zeven jaar als overgangsoplossing die nog één keer toegepast moet worden; verwacht dat de gedetailleerde regelingen voor de uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar bij de tussentijdse herziening van het MFK 2021-2027 zullen worden goedgekeurd;

Structuur

25.  is het eens met de algemene structuur van de door de Commissie voorgestelde zeven MFK-rubrieken, die grotendeels overeenkomt met het voorstel van het Parlement zelf; is van mening dat deze structuur een verhoogde transparantie en beter inzicht in de uitgaven van de EU mogelijk maakt, en tegelijkertijd de vereiste mate van flexibiliteit waarborgt; is het voorts eens met de totstandbrenging van "programmaclusters" die naar verwachting tot aanzienlijke vereenvoudiging en rationalisering van de begrotingsstructuur van de EU zullen leiden alsook tot de duidelijke afstemming van deze structuur met de MFK-rubrieken;

26.  constateert dat de Commissie voorstelt het aantal EU‑programma's met meer dan een derde te verminderen; benadrukt dat het standpunt van het Parlement met betrekking tot de structuur en samenstelling van de 37 nieuwe programma's bepaald zal worden in de loop van de behandeling van de desbetreffende sectorale wetgevingshandelingen; verwacht in elk geval dat de voorgestelde begrotingsnomenclatuur alle verschillende bestanddelen van alle programma's zal weerspiegelen, en wel zodanig dat de vereiste transparantie is gewaarborgd, alsook de mate van informatie die de begrotingsautoriteit nodig heeft om de jaarlijkse begroting vast te stellen en toezicht te houden op de tenuitvoerlegging ervan;

Eenheid van de begroting

27.  is verheugd over de voorgestelde opname van het Europees Ontwikkelingsfonds in de begroting van de Unie waarmee tegemoet wordt gekomen aan een reeds lang bestaande eis van het Parlement inzake niet-budgettaire instrumenten; herinnert eraan dat het beginsel van eenheid, dat bepaalt dat alle ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting moeten worden opgenomen, een in het Verdrag opgenomen eis is alsook een democratische basisvoorwaarde;

28.  plaatst derhalve vraagtekens bij de logica en rechtvaardiging die ten grondslag liggen aan de invoering van instrumenten buiten de Uniebegroting om die de parlementaire controle van overheidsfinanciën onmogelijk maakt en de transparantie van de besluitvormingsprocessen ondermijnt; is van mening dat als gevolg van het instellen van dergelijke instrumenten het Parlement in zijn drievoudige bevoegdheid als wetgevings-, begrotings- en controleautoriteit wordt gepasseerd; is voorts van mening dat wanneer uitzonderingen noodzakelijk worden geacht om specifieke doelstellingen te verwezenlijken, bijvoorbeeld door middel van financieringsinstrumenten of trustfondsen, deze volledig transparant moeten zijn, ter dege gemotiveerd moeten worden met een aantoonbare additionaliteit en meerwaarde en moeten berusten op krachtige besluitvormingsprocedures en bepalingen inzake de verantwoordingsplicht;

29.  beklemtoont echter dat de opname van deze instrumenten in de begroting van de EU niet mag leiden tot een verlaging van de financiering voor andere beleidsmaatregelen en programma's van de EU; onderstreept daarom dat het algemene niveau van het komende MFK moet worden vastgesteld zonder rekening te houden met de toewijzing van 0,03 % van het bni van het EU dat overeenstemt met het Europees Ontwikkelingsfonds, die moet worden toegevoegd bovenop de overeengekomen maxima;

30.  benadrukt dat de MFK-maxima geen belemmering mogen vormen voor de financiering van de beleidsdoelstellingen van de Unie via de begroting van de Unie; verwacht derhalve dat een opwaartse herziening van de MFK-plafonds zal zijn gewaarborgd wanneer dat dit nodig is voor de financiering van nieuwe beleidsdoelstellingen, zonder dat hierbij een beroep hoeft te worden gedaan op intergouvernementele financieringsmethoden;

B.WETGEVINGSKWESTIES

Rechtsstaat

31.  benadrukt het belang van het nieuwe mechanisme dat eerbiediging van de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) verankerde waarden waarborgt, waarbij lidstaten die deze waarden niet eerbiedigen hiervan financiële gevolgen ondervinden; benadrukt echter dat de uiteindelijke begunstigden van de begroting van de Unie op geen enkele manier gestraft mogen worden voor door hun overheden begane schendingen van de rechtsstaat en grondrechten; onderstreept derhalve dat dergelijke maatregelen de verplichting van overheidsinstanties of van lidstaten tot het doen van betalingen aan uiteindelijke begunstigden of ontvangers, onverlet laten;

Gewone wetgevingsprocedure en gedelegeerde handelingen

32.  benadrukt dat de programmadoelstellingen en uitgavenprioriteiten, financiële toewijzingen, subsidiabiliteit, selectie- en gunningscriteria, voorwaarden, definities en berekeningsmethoden in de desbetreffende wetgeving moeten worden vastgesteld, met volledige inachtneming van de prerogatieven van het Parlement als medewetgever; benadrukt dat wanneer dergelijke maatregelen, die belangrijke beleidskeuzes kunnen inhouden, niet in de basishandeling zijn opgenomen, deze door middel van gedelegeerde handelingen moeten worden vastgesteld; is in dit opzicht van mening dat meerjarige en/of jaarlijkse werkprogramma's in het algemeen door middel van gedelegeerde handelingen dienen te worden vastgesteld;

33.  verklaart voornemens te zijn om, waar nodig, de bepalingen inzake bestuur, verantwoordingsplicht, transparantie en parlementair toezicht, inzake de versterking van de positie van de lokale en regionale autoriteiten en hun partners, alsook inzake de betrokkenheid van ngo's en het maatschappelijk middenveld bij de volgende generatie programma's, te versterken; is ook van plan om, waar nodig, de samenhang en synergieën tussen en binnen de verschillende fondsen en beleidslijnen te verbeteren en te verduidelijken; erkent de noodzaak van meer flexibiliteit bij de toewijzing van middelen binnen bepaalde programma's, maar benadrukt dat dit niet ten koste mag gaan van de oorspronkelijke en langetermijnbeleidsdoelstellingen, van de voorspelbaarheid en van de rechten van het Parlement;

Herzieningsclausules

34.  wijst erop dat gedetailleerde en doeltreffende herzieningsclausules in de individuele MFK-programma's en -instrumenten dienen te worden opgenomen teneinde erop toe te zien dat hier betekenisvolle beoordelingen van worden uitgevoerd en dat het Parlement vervolgens volledig betrokken is bij alle beslissingen inzake de vereiste aanpassingen;

Wetgevingsvoorstellen

35.  roept de Commissie op de desbetreffende wetgevingsvoorstellen in te dienen naast de reeds ingediende voorstellen, en met name een voorstel voor een verordening tot instelling van een fonds voor een rechtvaardige energietransitie en een specifiek programma voor duurzaam toerisme; steunt voorts de invoering van de Europese kindergarantie in het ESF+, de integratie van een specifiek onderdeel "waarden van de Unie" in het programma "Rechten en waarden" en een herziening van de verordening tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie; betreurt dat de desbetreffende voorstellen van de Commissie geen maatregelen bevatten die voldoen aan de vereisten van artikel 174 VWEU met betrekking tot de meest noordelijke regio's met een zeer geringe bevolkingsdichtheid en insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden; is van mening dat een voorstel tot herziening van het Financieel Reglement dient te volgen wanneer dit noodzakelijk blijkt als gevolg van de MFK-onderhandelingen;

C.EIGEN MIDDELEN

36.  benadrukt dat het huidige stelsel van eigen middelen uiterst complex, onbillijk en ondoorzichtig en voor de burgers van de EU volledig onbegrijpelijk is; pleit derhalve nogmaals voor een vereenvoudigd stelsel dat voor de EU‑burgers beter te begrijpen is;

37.  is in dit opzicht verheugd over de op 2 mei 2018 goedgekeurde reeks voorstellen van de Commissie inzake een nieuw stelsel van eigen middelen en ziet dit als een belangrijke stap richting een ambitieuzere hervorming; verzoekt de Commissie rekening te houden met Advies nr. 5/2018 van de Europese Rekenkamer betreffende het voorstel van de Commissie inzake een nieuw stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, waarin wordt onderstreept dat de berekeningen moeten worden verbeterd en dat het stelsel verder moet worden vereenvoudigd;

38.  herinnert eraan dat de invoering van nieuwe eigen middelen een tweeledig doel moet dienen: ten eerste om het aandeel van de bni-bijdragen aanzienlijk te verminderen en ten tweede om een adequate financiering van de EU-uitgaven in het kader van het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020 te waarborgen;

39.  is voorstander van de voorgestelde modernisering van de bestaande eigen middelen, onder meer door:

   de douanerechten als traditionele eigen middelen voor de EU ongewijzigd te laten, maar het percentage dat de lidstaten als "inningskosten" inhouden te verlagen en opnieuw het aanvankelijke percentage, namelijk 10 %, te hanteren;
   de op de belasting over de toegevoegde waarde gebaseerde eigen middelen te vereenvoudigen door de introductie van een uniform afroepingspercentage zonder uitzonderingen;
   handhaving van de op het bni gebaseerde eigen middelen teneinde het aandeel hiervan in de EU-financiering geleidelijk de 40 % te laten naderen met behoud van de balancerende werking ervan;

40.  vraagt in dit kader, overeenkomstig het voorstel van de Commissie, om de geprogrammeerde invoering van een pakket van nieuwe eigen middelen dat, zonder de fiscale lasten te verzwaren voor de Europese burgers, zou overeenstemmen met twee essentiële doelstellingen van de EU die een onmiskenbare en onvervangbare Europese meerwaarde bieden:

   de goede werking, consolidatie en versterking van de interne markt, met name door toepassing van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) als basis voor nieuwe eigen middelen door de vaststelling van een uniform heffingstarief op de ontvangsten uit de CCCTB, en de belasting van grote ondernemingen in de digitale sector die profiteren van de interne markt;
   de strijd tegen de klimaatverandering en de versnelling van de energietransitie door maatregelen die onder meer betrekking hebben op een aandeel van de inkomsten van het emissiehandelssysteem;
   de strijd voor de bescherming van het milieu via een bijdrage op basis van de hoeveelheid niet-gerecyclede plastic verpakkingen;

41.  dringt aan op uitbreiding van de lijst van mogelijke nieuwe eigen middelen in de komende jaren, met onder meer:

   eigen middelen op basis van een belasting op financiële transacties (FTT), waarbij alle lidstaten worden opgeroepen overeenstemming te bereiken over een efficiënte regeling;
   de invoering van een mechanisme voor een koolstofgrenscorrectie als nieuwe eigenmiddelenbron voor de EU‑begroting, wat moet leiden tot een gelijk speelveld in de internationale handel en tot minder productieverplaatsingen doordat de kosten van de klimaatverandering geïnternaliseerd worden in de prijs van ingevoerde goederen;

42.  is groot voorstander van de afschaffing van alle kortingen en andere correctiemechanismen, in voorkomend geval door middel van een beperkte periode van uitfasering;

43.  dringt aan op de invoering van andere ontvangsten die extra inkomsten voor de EU‑begroting zouden vormen zonder dat dit een overeenkomstige verlaging van de bni-bijdragen met zich meebrengt:

   door ondernemingen te betalen boetes voor het schenden van de regelgeving van de Unie of voor te late betalingen van bijdragen;
   de opbrengsten van boetes die voortvloeien uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met inbegrip van forfaitaire bedragen of dwangsommen die aan de lidstaten zijn opgelegd als gevolg van inbreukprocedures;

44.  onderstreept bovendien het belang van de invoering van andere vormen van inkomsten, in overeenstemming met de voorstellen van de Commissie, in het geval van:

   vergoedingen die betaald moeten worden voor de toepassing van mechanismen die in rechtstreeks verband met de EU staan, zoals het Europees Systeem voor reisinformatie en ‑autorisatie (Etias);
   seigniorage, in de vorm van bestemmingsontvangsten, voor het financieren van een nieuwe stabilisatiefunctie voor investeringen;

45.  benadrukt dat het van belang is de geloofwaardigheid van de EU-begroting ten opzichte van de financiële markten te waarborgen, hetgeen een verhoging van de maxima van de eigen middelen impliceert;

46.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen om de paradoxale situatie op te lossen waarbij bijdragen van het Verenigd Koninkrijk aan de vóór 2021 nog te betalen vastleggingen in de begroting (RAL) zullen worden opgenomen als algemene inkomsten en dus worden meegeteld bij de vaststelling van het plafond voor de eigen middelen, maar dat hetzelfde plafond zal worden berekend op basis van het bni van de EU‑27, dus zonder het Verenigd Koninkrijk, zodra dat land uit de EU is getreden; is van mening dat de bijdragen van het Verenigd Koninkrijk daarentegen moeten worden berekend bovenop het plafond voor de eigen middelen;

47.  vestigt de aandacht op het feit dat de douane-unie een belangrijke bron van de financiële capaciteit van de Unie is; benadrukt in dit verband dat de douanecontrole en het douanemanagement in de hele Unie moeten worden geharmoniseerd om fraude en onregelmatigheden die de financiële belangen van de Unie schaden, te voorkomen en te bestrijden;

48.  dringt aan op een werkelijk doeltreffende bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking, met de invoering van afschrikkende sancties, voor offshore-gebieden en voor degenen die dergelijke activiteiten mogelijk maken of bevorderen, met name en als eerste stap, voor degenen die actief zijn op het Europese vasteland; is van mening dat de lidstaten moeten samenwerken door een gecoördineerd systeem van toezicht op het kapitaalverkeer op te zetten om belastingontduiking, belastingontwijking en het witwassen van geld te bestrijden;

49.  is van oordeel dat een doeltreffende bestrijding van corruptie en belastingfraude door multinationals en de allerrijksten het mogelijk maakt om een door de Commissie geraamd bedrag van 1 biljoen EUR per jaar terug te doen vloeien naar de nationale begrotingen van de lidstaten en dat het optreden van de Europese Unie op dit gebied serieus is tekortgeschoten;

50.  is groot voorstander van de indiening door de Commissie van een voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2018)0327); herinnert eraan dat de goedkeuring van het Parlement voor deze verordening vereist is; herinnert eraan dat deze verordening integraal deel uitmaakt van het pakket eigen middelen dat door de Commissie is voorgesteld en verwacht dat de Raad de vier bijbehorende teksten over de eigen middelen behandelt als één pakket, samen met het MFK;

D.WIJZIGINGEN OP HET VOORSTEL VOOR EEN VERORDENING BETREFFENDE HET MFK 2021-2027

51.  is van mening dat het voorstel voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021‑2027 als volgt moet worden gewijzigd:

Door de Commissie voorgestelde tekst   Wijziging
Wijziging 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Omdat er een voldoende mate van voorspelbaarheid nodig is met het oog op de voorbereiding en uitvoering van de investeringen voor de middellange termijn, dient de looptijd van het meerjarig financieel kader (MFK) te worden vastgesteld op zeven jaar met ingang van 1 januari 2021.
(1)  Omdat er een voldoende mate van voorspelbaarheid nodig is met het oog op de voorbereiding en uitvoering van de investeringen voor de middellange termijn en er behoefte is aan democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht, dient de looptijd van dit meerjarig financieel kader (MFK) te worden vastgesteld op zeven jaar met ingang van 1 januari 2021, met op termijn een overgang naar een periode van vijf plus vijf jaar in overeenstemming met de politieke cyclus van het Europees Parlement en de Commissie.
Wijziging 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  De jaarlijkse maxima voor de vastleggingskredieten per uitgavencategorie en de jaarlijkse maxima voor betalingskredieten die bij het MFK worden vastgesteld, moeten de toepasselijke maxima voor de vastleggingskredieten en de eigen middelen in acht nemen die worden vastgesteld overeenkomstig het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, dat wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 311, derde alinea, VWEU.
(2)  In het MFK dienen jaarlijkse maxima voor de vastleggingskredieten per uitgavencategorie en jaarlijkse maxima voor betalingskredieten te worden vastgesteld teneinde een geordende ontwikkeling van de uitgaven van de Europese Unie te waarborgen binnen de grenzen van de eigen middelen, waarbij tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat de Unie in staat is in de middelen te voorzien die nodig zijn voor het verwezenlijken van haar doelstellingen en beleid overeenkomstig artikel 311, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en zij aan haar verplichtingen tegenover derden uit hoofde van artikel 323 VWEU kan voldoen.
Wijziging 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  De hoogte van de maximumbedragen moet worden bepaald op basis van de bedragen die nodig zijn voor de financiering en uitvoering van de programma's en beleidsmaatregelen van de Unie, alsook voor de vereiste marges die moeten worden aangehouden voor eventuele aanpassingen aan toekomstige behoeften. Bij vaststelling van de maxima voor de betalingskredieten moet bovendien rekening worden gehouden met de grote hoeveelheid openstaande verplichtingen die eind 2020 verwacht worden. De bedragen die in deze verordening alsook in de basishandelingen voor de programma's voor de periode 2021‑2027 worden vastgesteld, moeten worden uitgedrukt in prijzen van 2018 en omwille van de eenvoud en de voorspelbaarheid worden bijgesteld op basis van een vaste deflator van 2 % per jaar.
Wijziging 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)   Indien gebruik moet worden gemaakt van de garanties die zijn verleend binnen de algemene begroting van de Unie voor financiële bijstand aan lidstaten die is goedgekeurd overeenkomstig artikel [208, lid 1,] van Verordening (EU) nr. [xxx/201x] van het Europees Parlement en de Raad (hierna "het Financieel Reglement" genoemd), dient het noodzakelijke bedrag ter beschikking te worden gesteld boven de maxima van de vastleggings- en betalingskredieten van het MFK met inachtneming van het maximum van de eigen middelen.
(3)   Indien gebruik moet worden gemaakt van de garanties die zijn verleend binnen de algemene begroting van de Unie voor financiële bijstand aan lidstaten die is goedgekeurd overeenkomstig artikel [208, lid 1,] van Verordening (EU) nr. [xxx/201x] van het Europees Parlement en de Raad (hierna "het Financieel Reglement" genoemd), dient het noodzakelijke bedrag ter beschikking te worden gesteld boven de maxima van de vastleggings- en betalingskredieten van het MFK en dient dit bedrag derhalve in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van het maximum van de eigen middelen.
Wijziging 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  In het MFK dient geen rekening te worden gehouden met de begrotingsonderdelen die worden gefinancierd met bestemmingsontvangsten in de zin van het Financieel Reglement.
(4)  Begrotingsonderdelen die worden gefinancierd met bestemmingsontvangsten in de zin van het Financieel Reglement moeten niet worden meegeteld bij de vaststelling van de MFK-maxima; het is echter wel zaak erop toe te zien dat tijdens de vaststelling en uitvoering van de jaarlijkse begrotingsprocedure alle beschikbare informatie in volledig transparante vorm bekend wordt gemaakt.
Wijziging 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)   Er dient specifiek de grootst mogelijke flexibiliteit te worden betracht om de Unie in staat te stellen overeenkomstig artikel 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) aan haar verplichtingen te voldoen.
(6)   In het kader van het MFK dient de grootst mogelijke flexibiliteit te worden betracht, met name om te waarborgen dat de Unie in staat is overeenkomstig de artikelen 311 en 323 van het VWEU aan haar verplichtingen te voldoen.
Wijziging 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)   De volgende speciale instrumenten zijn noodzakelijk om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden te reageren, of om de financiering van duidelijk omschreven uitgaven mogelijk te maken die niet zouden kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van de beschikbare maxima voor één of meer uitgavenrubrieken als in het MFK vastgesteld, en aldus de begrotingsprocedure vlot te doen verlopen: het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, de reserve voor noodhulp, de overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie), het flexibiliteitsinstrument en de marge voor onvoorziene uitgaven. De reserve voor noodhulp is niet bedoeld voor het aanpakken van de gevolgen van marktgerelateerde crises die de landbouwproductie of -distributie treffen. Er moeten daarom specifieke bepalingen worden vastgesteld om vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten in de begroting op te nemen welke de in het MFK vastgestelde maxima overschrijden wanneer het noodzakelijk is speciale instrumenten in te zetten.
(7)  De volgende speciale instrumenten zijn noodzakelijk om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden te reageren, of om de financiering van duidelijk omschreven uitgaven mogelijk te maken die niet zouden kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van de beschikbare maxima voor één of meer uitgavenrubrieken als in het MFK vastgesteld, en aldus de jaarlijkse begrotingsprocedure vlot te doen verlopen: het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, de reserve voor noodhulp, de overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen), het flexibiliteitsinstrument en de marge voor onvoorziene uitgaven. Er moeten daarom specifieke bepalingen worden vastgesteld om vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten in de begroting op te nemen welke de in het MFK vastgestelde maxima overschrijden wanneer het noodzakelijk is speciale instrumenten in te zetten.
Wijziging 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Meer in het bijzonder moeten de Unie en haar lidstaten weliswaar al het mogelijke doen om te waarborgen dat de door de begrotingsautoriteit goedgekeurde vastleggingen op effectieve wijze voor hun oorspronkelijke doel worden gebruikt, maar moet het ook mogelijk zijn niet-uitgevoerde of vrijgemaakte vastleggingskredieten via de reserve van de Unie voor vastleggingen te mobiliseren, mits dit begunstigden niet de gelegenheid geeft de desbetreffende doorhalingsregels te omzeilen.
Wijziging 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)   Er moeten regels worden opgesteld voor andere situaties die een aanpassing van het MFK kunnen vereisen. Deze aanpassingen kunnen verband houden met de vertraagde goedkeuring van nieuwe regels of programma's in gedeeld beheer, of met overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen goedgekeurde maatregelen verbonden aan behoorlijk economisch bestuur of de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten.
(9)   Er moeten regels worden opgesteld voor andere situaties die een aanpassing van het MFK kunnen vereisen. Deze aanpassingen kunnen verband houden met de vertraagde goedkeuring van nieuwe regels of programma's in gedeeld beheer, of met de schorsing van begrotingsvastleggingen overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen.
Wijziging 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)   Halverwege de uitvoering van het MFK moet de werking ervan worden geëvalueerd. De resultaten van deze evaluatie dienen in iedere herziening van deze verordening voor de resterende jaren van het MFK in aanmerking te worden genomen.
(10)   Teneinde nieuwe beleidsmaatregelen en prioriteiten in aanmerking te kunnen nemen, moeten de werking en uitvoering van het MFK halverwege de uitvoering ervan worden geëvalueerd, met inbegrip van een verslag waarin de methoden voor de praktische uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar uiteen worden gezet.
Wijziging 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Om te voldoen aan de verbintenis van de Unie om voorop te lopen bij de uitvoering van de VN‑doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van gendergelijkheid, wordt bij de herziening van het MFK rekening gehouden met de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering ervan in alle beleidsmaatregelen en initiatieven van de EU in het kader van het MFK 2021‑2027, gemeten aan de hand van door de Commissie opgestelde prestatie-indicatoren, alsook met de vooruitgang bij de integratie van gendermainstreaming in alle EU‑activiteiten. Bij de voorbereiding van de herziening van het MFK wordt ook rekening gehouden met de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de algemene doelstelling om in de periode 2021‑2027 van het MFK 25 % van de EU‑uitgaven aan het behalen van de klimaatdoelstellingen te besteden, en met de verwezenlijking van een jaarlijkse uitgavendoelstelling van 30 % zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2027, gemeten op basis van hervormde prestatie-indicatoren die een onderscheid maken tussen mitigatie en aanpassing. Bij de herziening moet ook, in overleg met de nationale en lokale belanghebbenden, worden beoordeeld of de goedgekeurde vereenvoudigingsmaatregelen daadwerkelijk hebben geleid tot een vermindering van de bureaucratische rompslomp voor de begunstigden bij de uitvoering van de programma's.
Wijziging 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  Alle uitgaven op het niveau van de Unie die zijn toegewezen aan de tenuitvoerlegging van het Uniebeleid op basis van de Verdragen worden als uitgaven van de Unie beschouwd in de zin van artikel 310, lid 1 VWEU, en dienen derhalve te worden opgenomen in de begroting van de Unie overeenkomstig de in artikel 314 VWEU vastgelegde begrotingsprocedure, waarmee wordt gewaarborgd dat de fundamentele beginselen van democratische vertegenwoordiging van de burgers bij de besluitvormingsprocessen, de parlementaire controle van overheidsfinanciën en de transparantie van de besluitvormingsprocessen worden geëerbiedigd. De MFK-maxima mogen geen belemmering vormen voor de financiering van de beleidsdoelstellingen van de Unie via de begroting van de Unie. Het is derhalve noodzakelijk te voorzien in een opwaartse herziening van het MFK op de momenten dat dit nodig is voor de financiering van Uniebeleid, met name voor nieuwe beleidsdoelstellingen, zonder dat hierbij een beroep hoeft te worden gedaan op intergouvernementele of quasi-intergouvernementele financieringsmethoden.
Wijziging 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Verder zijn specifieke regels nodig in verband met grootschalige infrastructuurprojecten waarvan de looptijd de periode die voor het MFK is vastgesteld, ruim overschrijdt. Er dienen maximumbedragen te worden vastgesteld voor de bijdragen uit de algemene begroting van de Unie aan deze projecten om er aldus voor te zorgen dat zij geen gevolgen hebben voor andere projecten die uit die begroting worden gefinancierd.
(13)  Verder zijn specifieke regels nodig in verband met grootschalige infrastructuurprojecten waarvan de looptijd de periode die voor het MFK is vastgesteld, ruim overschrijdt. De financiering van deze grootschalige projecten, die van strategisch belang zijn voor de Unie, moet worden gewaarborgd in de algemene begroting van de Unie, maar er dienen maximumbedragen te worden vastgesteld voor bijdragen van de Unie aan deze projecten, zodat eventuele kostenoverschrijdingen geen gevolgen hebben voor andere projecten die uit die begroting worden gefinancierd;
Wijziging 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)   In de begrotingsprocedure dienen algemene regels voor interinstitutionele samenwerking te worden vastgelegd.
(14)  In de begrotingsprocedure dienen algemene regels voor transparantie en interinstitutionele samenwerking te worden vastgelegd, met inachtneming van de begrotingsbevoegdheden van de instellingen als vastgesteld in de Verdragen, teneinde erop toe te zien dat begrotingsbesluiten zo transparant mogelijk worden genomen met zo min mogelijk afstand tot de burgers, zoals bepaald in artikel 10, lid 3, VWEU, en dat de begrotingsprocedure vlot verloopt, zoals bepaald in artikel 312, lid 3, tweede alinea, VWEU.
Wijziging 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  De Commissie dient vóór 1 juli 2025 een voorstel voor een nieuw MFK in te dienen opdat de instellingen dit voorstel ruim vóór de aanvang van het volgend MFK kunnen aannemen. Overeenkomstig artikel 312, lid 4, VWEU blijven de maximumbedragen betreffende het laatste door deze verordening bestreken jaar van toepassing indien vóór het verstrijken van het bij deze verordening vastgestelde MFK geen nieuw financieel kader is vastgesteld,
(15)  De Commissie dient vóór 1 juli 2025 een voorstel voor een nieuw MFK in te dienen. Dit tijdschema geeft de nieuwe Commissie voldoende tijd om haar voorstellen te formuleren en stelt het Europees Parlement dat in 2024 verkozen wordt in staat om zijn eigen standpunt te formuleren inzake het MFK na 2027. Dit stelt de instellingen bovendien in staat dit voorstel ruim vóór de aanvang van het volgend MFK aan te nemen. Overeenkomstig artikel 312, lid 4, VWEU blijven de maximumbedragen betreffende het laatste door deze verordening bestreken jaar van toepassing indien vóór het verstrijken van het bij deze verordening vastgestelde MFK geen nieuw financieel kader is vastgesteld,
Wijziging 16
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 1 – Artikel 3 – titel
Inachtneming van het maximum van de eigen middelen
Samenhang met de eigen middelen
Wijziging 17
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 1 – Artikel 3 – lid 4
4.  Voor elk van de door het MFK bestreken jaren mag het totaalbedrag van de benodigde kredieten voor betalingen, na jaarlijkse aanpassing en met inachtneming van andere aanpassingen en herzieningen, en het bepaalde in artikel 2, leden 2 en 3, niet tot een hoger afroepingspercentage van de eigen middelen leiden dan het maximum dat is vastgesteld overeenkomstig het geldende besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (hierna "het eigenmiddelenbesluit" genoemd), dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 311, derde alinea, VWEU.
4.  Voor elk van de door het MFK bestreken jaren mag het totaalbedrag van de benodigde kredieten voor betalingen, na jaarlijkse aanpassing en met inachtneming van andere aanpassingen en herzieningen, en het bepaalde in artikel 2, leden 2 en 3, niet zodanig zijn dat het afroepingspercentage van de eigen middelen de grenzen van de eigen middelen van de Unie overschrijdt, onverminderd de verplichting van de Unie zich te voorzien van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid uit te voeren overeenkomstig artikel 311, eerste alinea, VWEU, en de verplichting van de instellingen om te waarborgen dat de Unie de beschikking heeft over de financiële middelen die nodig zijn voor het voldoen aan haar juridische verplichtingen jegens derden in overeenstemming met artikel 323, VWEU.
Wijziging 18
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 1 – Artikel 3 – lid 5
5.  Indien nodig worden de in het MFK vastgestelde maxima verlaagd om ervoor te zorgen dat het overeenkomstig het geldende eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen in acht wordt genomen.
Schrappen
Wijziging 19
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 2 – Artikel 5 – lid 4
4.  Onverminderd de artikelen 6, 7 en 8 worden er geen andere technische aanpassingen verricht ten aanzien van het betrokken jaar, noch in de loop van het begrotingsjaar, noch bij wijze van correctie achteraf in latere jaren.
Schrappen
Wijziging 20
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 2 – Artikel 7 – titel
Aanpassingen in verband met maatregelen verbonden aan behoorlijk economisch bestuur of de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten
Aanpassingen in verband met de schorsing van begrotingsvastleggingen
Wijziging 21
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 2 – Artikel 7
Wanneer een schorsing van begrotingsvastleggingen betreffende de fondsen van de Unie overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen wordt opgeheven in de context van maatregelen in verband met gezond economisch bestuur of de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, worden de bedragen van de geschorste vastleggingen naar de volgende jaren overgedragen en worden de desbetreffende maxima van het MFK dienovereenkomstig aangepast. Kredieten die zijn geschorst voor jaar n, kunnen na jaar n+2 niet opnieuw op de begroting worden opgevoerd.
Wanneer een schorsing van begrotingsvastleggingen overeenkomstig de desbetreffende basishandelingen wordt opgeheven, worden de overeenkomstige bedragen naar de volgende jaren overgedragen en worden de desbetreffende maxima van het MFK dienovereenkomstig aangepast. Kredieten die zijn geschorst voor jaar n, kunnen na jaar n+2 niet opnieuw op de begroting worden opgevoerd. Vanaf jaar n+3 wordt een bedrag gelijk aan de geschorste vastleggingen opgevoerd in de in artikel 12 bedoelde reserve van de Unie voor vastleggingen.
Wijziging 22
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 10 – lid 1
1.  Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, waarvan de doelstellingen en het toepassingsgebied zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad, mag het jaarlijkse maximumbedrag van 600 miljoen EUR (prijzen van 2018) niet overschrijden. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van dat jaarlijkse bedrag nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van het begrotingsjaar ontstaan. Het in jaar n niet gebruikte deel van het jaarlijkse bedrag kan tot jaar n+1 worden gebruikt. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt.
1.  Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie heeft tot doel financiële bijstand mogelijk te maken in het geval van grote rampen op het grondgebied van een van de lidstaten of kandidaat-lidstaten zoals vastgesteld in de desbetreffende basishandeling, en mag het jaarlijkse maximumbedrag van 1 miljard EUR (prijzen van 2018) niet overschrijden. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van dat jaarlijkse bedrag nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van het begrotingsjaar ontstaan. Het in jaar n niet gebruikte deel van het jaarlijkse bedrag kan tot jaar n+1 worden gebruikt. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt.
Wijziging 23
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 10 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De kredieten voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie worden als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie.
Wijziging 24
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 11 – lid 2
2.  Het jaarlijkse bedrag van de reserve wordt vastgesteld op 600 miljoen EUR (prijzen van 2018) en kan worden aangewend tot jaar n+1 overeenkomstig het Financieel Reglement. De reserve wordt als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van het jaarlijkse bedrag voor jaar n nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan. Niet meer dan de helft van het tot 30 september van elk jaar beschikbare bedrag mag worden gebruikt voor respectievelijk interne of externe acties. Vanaf 1 oktober mag het resterende deel van het beschikbare bedrag voor interne of externe acties worden gebruikt om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan.
2.  Het jaarlijkse bedrag van de reserve voor noodhulp wordt vastgesteld op 1 miljard EUR (prijzen van 2018) en kan worden aangewend tot jaar n+1 overeenkomstig het financieel reglement. De reserve wordt als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Het gedeelte van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt. Op 1 oktober van elk jaar is ten minste 150 miljoen EUR (prijzen van 2018) van het jaarlijkse bedrag voor jaar n nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan. Niet meer dan de helft van het tot 30 september van elk jaar beschikbare bedrag mag worden gebruikt voor respectievelijk interne of externe acties. Vanaf 1 oktober mag het resterende deel van het beschikbare bedrag voor interne of externe acties worden gebruikt om de behoeften te dekken die tot het einde van dat jaar ontstaan.
Wijziging 25
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 12 – titel
Overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie)
Overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen)
Wijziging 26
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 12 – lid 1
1.  De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie) die beschikbaar worden gesteld boven de maxima die in het MFK zijn vastgesteld voor de jaren 2022 tot en met 2027, omvat:
(a)  de marges die beschikbaar blijven onder de MFK-maxima voor vastleggingen van het jaar n-1;
(b)  vanaf 2023, naast de onder a) bedoelde marges, een bedrag gelijk aan de vrijmakingen van kredieten tijdens jaar n-2, onverminderd artikel [15] van het Financieel Reglement.
1.  De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen) die beschikbaar worden gesteld boven de maxima die in het MFK zijn vastgesteld voor de jaren 2021 tot en met 2027, omvat:
(a)  de marges die beschikbaar blijven onder de MFK-maxima voor vastleggingen van voorgaande jaren;
(a bis)  niet-uitgevoerde vastleggingskredieten van het jaar n‑1;
(b)  een bedrag gelijk aan de vrijmakingen van kredieten tijdens jaar n-2, onverminderd artikel [15] van het Financieel Reglement;
(b bis)  een bedrag gelijk aan het bedrag van de geschorste vastleggingen van het jaar n‑3 die niet meer in de begroting opgenomen mogen worden overeenkomstig artikel 7;
(b ter)  een bedrag gelijk aan het bedrag van de ontvangsten uit boetes en dwangsommen.
Wijziging 27
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 12 – lid 2
2.  De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie) of een deel ervan mogen door het Europees Parlement en de Raad worden gebruikt in het kader van de begrotingsprocedure overeenkomstig artikel 314 VWEU.
2.  De overkoepelende marge voor vastleggingen (reserve van de Unie voor vastleggingen) of een deel ervan mogen door het Europees Parlement en de Raad worden gebruikt in het kader van de begrotingsprocedure overeenkomstig artikel 314 VWEU. De marges van jaar n kunnen via de reserve van de Unie voor vastleggingen voor het jaar n en het jaar n+1 worden gebruikt op voorwaarde dat dit niet strijdig is met hangende of geplande gewijzigde begrotingen.
Wijziging 28
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 12 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Aan het eind van 2027 worden de bedragen die nog beschikbaar zijn uit hoofde van de reserve van de Unie voor vastleggingen, tot 2030 overgedragen naar het volgende MFK.
Wijziging 29
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 13 – alinea 1
Het flexibiliteitsinstrument mag worden gebruikt voor de financiering, voor een gegeven begrotingsjaar, van nauwkeurig bepaalde uitgaven die niet binnen de voor een of meer andere rubrieken beschikbare maxima zouden kunnen worden gefinancierd. Voor het flexibiliteitsinstrument wordt, met inachtneming van de tweede alinea, een jaarlijks maximumbedrag bepaald van 1 000 miljoen EUR (prijzen van 2018).
Het flexibiliteitsinstrument mag worden gebruikt voor de financiering, voor een gegeven begrotingsjaar, van nauwkeurig bepaalde uitgaven die niet binnen de voor een of meer andere rubrieken beschikbare maxima zouden kunnen worden gefinancierd, of in het kader van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en de reserve voor noodhulp. Voor het flexibiliteitsinstrument wordt, met inachtneming van de tweede alinea, een jaarlijks maximumbedrag bepaald van 2 miljard EUR (prijzen van 2018).
Wijziging 30
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 14 – lid 1
1.  Er wordt een marge voor onvoorziene uitgaven van ten hoogste 0,03 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie buiten de maxima van het MFK gevormd als laatste redmiddel om op onvoorziene omstandigheden te reageren. Deze mag uitsluitend in samenhang met een gewijzigde of jaarlijkse begroting worden aangesproken.
1.  Er wordt een marge voor onvoorziene uitgaven van ten hoogste 0,05 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie buiten de maxima van het MFK gevormd als laatste redmiddel om op onvoorziene omstandigheden te reageren. Deze mag uitsluitend in samenhang met een gewijzigde of jaarlijkse begroting worden aangesproken. Deze mag voor zowel vastleggings- als betalingskredieten worden gebruikt, dan wel alleen voor betalingskredieten.
Wijziging 31
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 14 – lid 2
2.  De marge voor onvoorziene uitgaven wordt per jaar slechts aangesproken voor een maximumbedrag dat wordt vastgesteld in de jaarlijkse technische aanpassing van het MFK, en blijft binnen het plafond van de eigen middelen.
2.  De marge voor onvoorziene uitgaven wordt per jaar slechts aangesproken voor een maximumbedrag dat wordt vastgesteld in de jaarlijkse technische aanpassing van het MFK.
Wijziging 32
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 14 – lid 3
3.  De uit de marge voor onvoorziene uitgaven beschikbaar gestelde middelen worden volledig verrekend met de marges in een of meer rubrieken van het MFK voor het lopende begrotingjaar of voor toekomstige begrotingsjaren.
Schrappen
Wijziging 33
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – Artikel 14 – lid 4
4.  De overeenkomstig lid 3 verrekende middelen mogen niet verder binnen het MFK worden aangewend. Gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven mag niet leiden tot overschrijding van de totale maxima die in het MFK voor de vastleggings- en betalingskredieten voor het lopende begrotingsjaar en voor toekomstige begrotingsjaren zijn vastgesteld.
Schrappen
Wijziging 34
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 4 – titel
Evaluatie en herziening van het MFK
Herzieningen
Wijziging 35
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 4 – Artikel 15 – lid 1
1.  Onverminderd artikel 3, lid 2, de artikelen 16 tot en met 20, en artikel 24, kan het MFK in geval van onvoorziene omstandigheden worden herzien met inachtneming van het overeenkomstig het geldende eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen.
1.  Onverminderd artikel 3, lid 2, de artikelen 16 tot en met 20, en artikel 24, worden de desbetreffende MFK-maxima opwaarts herzien in het geval dit nodig is om de financiering van het Uniebeleid te vergemakkelijken, met name waar het nieuwe beleidsdoelstellingen betreft, en in omstandigheden waarin anders aanvullende intergouvernementele of quasi-intergouvernementele financieringsmethoden zouden moeten worden ingericht die de in artikel 314 VWEU bedoelde begrotingsprocedure zouden omzeilen.
Wijziging 36
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 4 – Artikel 15 – lid 3
3.  Bij een voorstel tot herziening van het MFK overeenkomstig lid 1 worden de mogelijkheden onderzocht voor een herschikking van uitgaven tussen de programma's die onder de rubriek vallen waarop de herziening betrekking heeft, met name op basis van een verwachte onderbesteding van de kredieten.
Schrappen
Wijziging 37
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 4 – Artikel 16 – titel
Tussentijdse evaluatie van het MFK
Tussentijdse herziening van het MFK
Wijziging 38
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 4 – Artikel 16
Vóór 1 januari 2024 presenteert de Commissie een evaluatie van de werking van het MFK. Deze evaluatie gaat zo nodig vergezeld van passende voorstellen.
Vóór 1 juli 2023 presenteert de Commissie een wetgevingsvoorstel inzake de herziening van deze verordening overeenkomstig de in het VWEU bedoelde procedures op basis van een evaluatie van de werking van het MFK. Onverminderd artikel 6 van deze verordening mag deze herziening geen verlaging inhouden van eerder aan de lidstaten toegewezen bedragen.
Bij de opstelling van het voorstel wordt rekening gehouden met een beoordeling van:
—  vooruitgang in de richting van de algemene doelstelling om in de periode 2021‑2027 van het meerjarig financieel kader 25 % van de EU-uitgaven aan klimaatdoelstellingen bij te dragen, en zo spoedig mogelijk naar een jaarlijkse uitgavendoelstelling van 30 %;
—  de mainstreaming van de doelstellingen van de VN inzake duurzame ontwikkeling;
—  de mainstreaming van het genderperspectief in de begroting van de Unie (gender budgettering);
—  het effect van vereenvoudigingsmaatregelen op de vermindering van de administratieve rompslomp voor de begunstigden bij de uitvoering van de financiële programma's, uit te voeren in overleg met de belanghebbenden;
Wijziging 39
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 4 – Artikel 17
Wanneer de Commissie het Europees Parlement en de Raad in kennis stelt van de resultaten van de technische aanpassingen van het MFK, dient zij waar nodig tevens een voorstel in tot herziening van het totale bedrag van de kredieten voor betalingen die zij in het licht van de uitvoering van de begroting nodig acht om een goed beheer van de jaarlijkse maxima voor de betalingskredieten en in het bijzonder de geordende ontwikkeling ervan ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen te waarborgen.
Wanneer de Commissie het Europees Parlement en de Raad in kennis stelt van de resultaten van de technische aanpassingen van het MFK, of wanneer de betalingsplafonds de Unie mogelijk beletten aan haar juridische verbintenissen te voldoen, dient zij tevens een voorstel in tot herziening van het totale bedrag van de kredieten voor betalingen die zij in het licht van de uitvoering van de begroting nodig acht om een goed beheer van de jaarlijkse maxima voor de betalingskredieten en in het bijzonder de geordende ontwikkeling ervan ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen te waarborgen.
Wijziging 40
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 5 – Artikel 21 – lid 1
1.  Een maximumbedrag van 14 196 miljoen EUR (in prijzen van 2018) wordt voor de grootschalige projecten in het kader van [Verordening XXXX/XX van het Europees Parlement en de Raad - ruimtevaartprogramma] uit de algemene begroting van de Unie ter beschikking gesteld voor de periode 2021-2027.
1.  Voor de Europese satellietnavigatieprogramma's (EGNOS en Galileo) en Copernicus (het Europees programma voor aardobservatie) is voor de periode 2021‑2027 een maximumbedrag uit de algemene begroting van de Unie gezamenlijk beschikbaar. Dit maximumbedrag wordt vastgesteld op 15 % boven de indicatieve bedragen vastgesteld voor beide grootschalige projecten in het kader van [Verordening XXXX/XX van het Europees Parlement en de Raad - ruimtevaartprogramma]. Een verhoging binnen dit maximumbedrag wordt gefinancierd uit de marges of de speciale instrumenten en mag niet leiden tot bezuinigingen op andere programma's en projecten.
Wijziging 41
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 5 – Artikel 21 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Indien zich aanvullende financieringsbehoeften van de Uniebegroting voordoen voor bovenstaande grootschalige projecten, zal de Commissie een voorstel doen de MFK-maxima dienovereenkomstig te wijzigen.
Wijziging 42
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 6 – titel
Interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure
Transparantie en interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure
Wijziging 43
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 6 – Artikel 22
Interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure
Transparantie en interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure
Wijziging 44
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 6 – Artikel 22 – alinea 4 bis (nieuw)
Zowel het Europees Parlement als de Raad worden door leden van de respectievelijke instellingen vertegenwoordigd bij bijeenkomsten op politiek niveau.
Wijziging 45
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 6 – Artikel 22 – lid 4 ter (nieuw)
Het Europees Parlement en de Raad bepalen hun respectieve standpunten over de ontwerpbegroting op openbare zittingen.
Wijziging 46
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 6 – Artikel 23
De algemene begroting van de Unie omvat alle uitgaven en inkomsten van de Unie en Euratom, overeenkomstig artikel [7] van het Financieel Reglement, inclusief uitgaven ten gevolge van een besluit ter zake dat de Raad met eenparigheid van stemmen vaststelt, na raadpleging van het Europees Parlement, in het kader van artikel 332 VWEU.
De algemene begroting van de Unie omvat alle uitgaven en inkomsten van de Unie en Euratom, overeenkomstig artikel 310, lid 1, VWEU, inclusief uitgaven ten gevolge van een besluit ter zake dat de Raad met eenparigheid van stemmen vaststelt, na raadpleging van het Europees Parlement, in het kader van artikel 332 VWEU.
Wijziging 47
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 7 – Artikel 24
Vóór 1 juli 2025 dient de Commissie een voorstel in voor een nieuw meerjarig financieel kader.
Vóór 1 juli 2023 dient de Commissie samen met haar voorstellen voor de tussentijdse herziening een verslag in waarin de methoden voor de praktische uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar uiteen worden gezet.
Vóór 1 juli 2025 dient de Commissie een voorstel in voor een nieuw meerjarig financieel kader.
Indien vóór 31 december 2027 geen verordening van de Raad tot bepaling van een nieuw MFK is vastgesteld, blijven de maxima voor het laatste door het bestaand MFK bestreken jaar en andere bepalingen van deze verordening van toepassing totdat een nieuwe verordening is vastgesteld. Indien na 2020 nieuwe lidstaten tot de Europese Unie toetreden, wordt het verlengd financieel kader zo nodig herzien om rekening te houden met de toetreding.

E.WIJZIGINGEN OP HET VOORSTEL VOOR EEN INTERINSTITUTIONEEL AKKOORD

52.Benadrukt dat het voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, naar aanleiding van de resultaten van de onderhandeling over en vaststelling van een nieuwe MFK-verordening als volgt moet worden gewijzigd:

Wijziging 48
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling A – punt 6 bis (nieuw)
6 bis.  In afzonderlijke tabellen worden indicatief gegevens verschaft over de operaties die niet in de algemene begroting van de Unie zijn opgenomen en over de vermoedelijke ontwikkeling van de verschillende categorieën eigen middelen van de Unie. Deze gegevens worden jaarlijks bijgewerkt, samen met de documenten die bij de ontwerpbegroting worden gevoegd.
Wijziging 49
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling A – punt 7
7.  De instellingen zorgen er tijdens de begrotingsprocedure en op het ogenblik van de goedkeuring van de begroting met het oog op een goed financieel beheer zoveel mogelijk voor dat onder de maxima van de verschillende rubrieken van het MFK toereikende marges beschikbaar blijven.
7.  De instellingen zorgen er tijdens de begrotingsprocedure en op het ogenblik van de goedkeuring van de begroting met het oog op een goed financieel beheer zoveel mogelijk voor dat onder de maxima van de verschillende rubrieken van het MFK toereikende bedragen binnen de marges beschikbaar blijven of binnen de beschikbare speciale instrumenten.
Wijziging 50
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling A – punt 8
Actualisering van de prognoses voor betalingskredieten na 2027
8.  De Commissie actualiseert de prognoses voor de betalingskredieten na 2027 in 2024.
Bij die actualisering wordt rekening gehouden met alle relevante informatie, met name de daadwerkelijke uitvoering van de begrotingskredieten voor vastleggingen en de begrotingskredieten voor betalingen alsmede met de prognoses voor de uitvoering. Tevens worden de regels beoordeeld die zijn vastgesteld om een geordende ontwikkeling van de betalingskredieten ten opzichte van de vastleggingskredieten en de groeiprognoses voor het bruto nationaal inkomen (bni) van de Unie te waarborgen.
Actualisering van de prognoses voor betalingskredieten
8.  Ieder jaar actualiseert de Commissie de prognoses voor de betalingskredieten tot en na 2027.
Bij die actualisering wordt rekening gehouden met alle relevante informatie, met name de daadwerkelijke uitvoering van de begrotingskredieten voor vastleggingen en de begrotingskredieten voor betalingen alsmede met de prognoses voor de uitvoering. Tevens worden de regels beoordeeld die zijn vastgesteld om een geordende ontwikkeling van de betalingskredieten ten opzichte van de vastleggingskredieten en de groeiprognoses voor het bruto nationaal inkomen (bni) van de Unie te waarborgen.
Wijziging 51
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling B – punt 9
9.  Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.
Overschrijvingen betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering geschieden overeenkomstig het Financieel Reglement.
9.  Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, stelt de Commissie voor middelen uit het fonds beschikbaar te stellen. Het besluit om middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering beschikbaar te stellen, wordt door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk genomen.
Tegelijk met haar voorstel voor een besluit om middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering beschikbaar te stellen, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.
Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt de kwestie tijdens de volgende begrotingstrialoog besproken.
Overschrijvingen betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering geschieden overeenkomstig het Financieel Reglement.
Wijziging 52
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling B – punt 10
10.  Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, doet de Commissie een voorstel voor het passende begrotingsinstrument overeenkomstig het Financieel Reglement.
10.  Wanneer is voldaan aan de in de betrokken basishandeling gestelde voorwaarden inzake de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, doet de Commissie een voorstel om middelen uit het fonds beschikbaar te stellen. Het besluit om middelen uit het solidariteitsfonds beschikbaar te stellen, wordt door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk genomen.
Tegelijk met haar voorstel voor een besluit om middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie beschikbaar te stellen, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen in.
Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt de kwestie tijdens de volgende begrotingstrialoog besproken.
Overschrijvingen voor het Solidariteitsfonds geschieden overeenkomstig het financieel reglement.
Wijziging 53
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling B – punt 11
11.  Wanneer de Commissie van oordeel is dat de reserve voor noodhulp moet worden aangesproken, legt zij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving uit de reserve naar de overeenkomstige begrotingsonderdelen voor overeenkomstig het Financieel Reglement.
11.  Wanneer de Commissie van oordeel is dat de reserve voor noodhulp moet worden aangesproken, legt zij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot overschrijving uit de reserve naar de overeenkomstige begrotingsonderdelen voor overeenkomstig het Financieel Reglement.
Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt de kwestie tijdens de volgende begrotingstrialoog besproken.
Wijziging 54
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling B – punt 12
Flexibiliteitsinstrument
12.  De Commissie doet een voorstel voor de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument nadat zij alle mogelijkheden heeft onderzocht om kredieten te herschikken binnen de rubriek die aanvullende uitgaven vergt.
In het voorstel worden de te dekken behoeften en het bedrag vermeld. Een dergelijk voorstel kan worden gedaan met betrekking tot een ontwerpbegroting of een ontwerp van gewijzigde begroting.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van het flexibiliteitsinstrument in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.
Flexibiliteitsinstrument
12.  De Commissie doet een voorstel voor de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument nadat zij de marges binnen de desbetreffende rubrieken heeft benut.
In het voorstel worden de te dekken behoeften en het bedrag vermeld.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van het flexibiliteitsinstrument in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.
Wijziging 55
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel I
Afdeling B – punt 13
13.  De Commissie stelt gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven, of van een deel ervan voor, nadat zij alle andere financiële mogelijkheden grondig heeft onderzocht. Een dergelijk voorstel kan worden gedaan met betrekking tot een ontwerpbegroting of een ontwerp van gewijzigde begroting.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van de marge voor onvoorziene uitgaven in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.
13.  De Commissie stelt gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven, of van een deel ervan voor, nadat zij alle andere financiële mogelijkheden grondig heeft onderzocht.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen gebruikmaken van de marge voor onvoorziene uitgaven in het kader van de in artikel 314 VWEU vastgestelde begrotingsprocedure.
Wijziging 56
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel II
Afdeling A – punt 14 bis (nieuw)
14 bis.  Teneinde de vaststelling of herziening van een nieuw MFK te vergemakkelijken en uitvoering te geven aan artikel 312, lid 5, VWEU, komen de instellingen regelmatig bijeen, en wel in de vorm van:
—  bijeenkomsten van de voorzitters overeenkomstig artikel 324 van het Verdrag;
—  voor- en nabesprekingen tussen een delegatie van het Europees Parlement en het voorzitterschap van de Raad, voor en na relevante bijeenkomsten van de Raad;
—  informele trilaterale bijeenkomsten tijdens de besprekingen van de Raad die tot doel hebben de standpunten van het Parlement in de door het voorzitterschap van de Raad geproduceerde documenten op te nemen;
—  trialogen zodra zowel het Parlement als de Raad hun onderhandelingsmandaten hebben vastgesteld;
—  aanwezigheid van het voorzitterschap van de Raad bij bijeenkomsten van de betrokken commissie van het Parlement, en aanwezigheid van het onderhandelingsteam van het Parlement bij bijeenkomsten van de betreffende Raadsformatie.
Het Parlement en de Raad zenden elkaar alle documenten toe die formeel zijn aangenomen in hun respectieve voorbereidende instanties of die formeel namens hen zijn ingediend, zodra deze beschikbaar zijn.
Wijziging 57
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel II
Afdeling B – punt 15 – streepje 2
—  de ontvangsten, uitgaven, activa en passiva van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), en andere mogelijke toekomstige mechanismen;
—  de ontvangsten, uitgaven, activa en passiva van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM), en andere mogelijke toekomstige mechanismen, die niet uit de begroting van de Unie worden gefinancierd, maar in stand worden gehouden ter ondersteuning van de beleidsdoelstellingen van de Unie uit hoofde van de Verdragen;
Wijziging 58
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel II
Afdeling B – punt 15 bis (nieuw)
15 bis.  Bij de uitvoering van autonome overschrijvingen overeenkomstig artikel 30, lid 1, van het Financieel Reglement, stelt de Commissie de begrotingsautoriteit onmiddellijk op de hoogte van de gedetailleerde redenen voor dergelijke overschrijvingen. Indien het Parlement of de Raad bedenkingen ten aanzien van een autonome overschrijving uit, zal de Commissie hierop reageren en de overschrijving in voorkomend geval ongedaan maken.
Wijziging 59
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Deel III
Afdeling A – punt 24 bis (nieuw)
24 bis.  Indien de begrotingsautoriteit in het kader van de begrotingsprocedure besluit tot specifieke verhogingen over te gaan, verrekent de Commissie deze niet in de financiële programmering voor de daaropvolgende jaren, tenzij de begrotingsautoriteit hier uitdrukkelijk om verzoekt.
Wijziging 60
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel A – punt 1 bis (nieuw)
1 bis.  De instellingen verbinden zich ertoe elkaar tijdens de recesperiodes geen niet-urgente begrotingsposities, overschrijvingen of andere kennisgevingen te doen toekomen die onderhevig zijn aan een uiterste termijn, teneinde te waarborgen dat de instellingen hun procedurele prerogatieven naar behoren kunnen uitoefenen.
De diensten van de instellingen geven elkaar tijdig de recesdata van hun respectieve instellingen door.
Wijziging 61
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel B – punt 2
2.  Tijdig vóór de aanneming van de ontwerpbegroting door de Commissie wordt een trialoog belegd om de mogelijke begrotingsprioriteiten voor het komende begrotingsjaar te bespreken.
2.  Tijdig vóór de aanneming van de ontwerpbegroting door de Commissie wordt een trialoog belegd om de mogelijke begrotingsprioriteiten voor het komende begrotingsjaar te bespreken, alsook eventuele vragen naar aanleiding van de uitvoering van de begroting voor het huidige financiële jaar.
Wijziging 62
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel C – punt 8
8.  Ter wille van loyale en deugdelijke samenwerking zeggen het Europees Parlement en de Raad toe gedurende de volledige begrotingsprocedure en met name gedurende de bemiddelingsprocedure geregelde en actieve contacten op alle niveaus te onderhouden door middel van hun respectieve onderhandelaars. Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe tijdig en permanent op formeel en informeel niveau relevante informatie en documenten uit te wisselen en gedurende de bemiddelingsperiode in samenwerking met de Commissie technische of informele bijeenkomsten te houden. De Commissie zorgt voor tijdige en gelijke toegang tot informatie en documenten voor het Europees Parlement en de Raad.
8.  Ter wille van loyale en deugdelijke samenwerking zeggen het Europees Parlement en de Raad toe gedurende de volledige begrotingsprocedure en met name gedurende de bemiddelingsprocedure geregelde en actieve contacten op alle niveaus te onderhouden door middel van hun respectieve onderhandelaars. Het Europees Parlement en de Raad verbinden zich ertoe tijdig en permanent op formeel en informeel niveau relevante informatie en documenten uit te wisselen, met name door elkaar alle procedurele documenten toe te zenden die hun respectieve voorbereidende instanties hebben aangenomen, zodra deze beschikbaar zijn. Zij verbinden zich er eveneens toe gedurende de bemiddelingsperiode in samenwerking met de Commissie technische of informele bijeenkomsten te houden. De Commissie zorgt voor tijdige en gelijke toegang tot informatie en documenten voor het Europees Parlement en de Raad.
Wijziging 63
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel D – punt 12 bis (nieuw)
12 bis.   Het Europees Parlement en de Raad bepalen hun respectieve standpunten over de ontwerpbegroting op openbare zittingen.
Wijziging 64
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel E – punt 15 – laatste zin
15.  Het Europees Parlement en de Raad worden op een passend niveau vertegenwoordigd in het bemiddelingscomité, zodanig dat elke delegatie haar respectieve instelling politiek kan binden en er werkelijk vooruitgang kan worden geboekt met het oog op een definitief akkoord.
15.  Het Europees Parlement en de Raad worden elk door leden van beide instellingen vertegenwoordigd in het bemiddelingscomité, zodat elke delegatie haar respectieve instelling politiek kan binden en er werkelijk vooruitgang kan worden geboekt met het oog op een definitief akkoord.
Wijziging 65
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel E – punt 19
19.  De data voor de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité en de trialogen worden van tevoren overeengekomen door de instellingen.
19.  De data voor de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité en de trialogen worden van tevoren overeengekomen door de instellingen. Aanvullende bijeenkomsten, ook op technisch niveau, kunnen gedurende de bemiddelingsprocedure naar wens worden georganiseerd.
Wijziging 66
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel E – punt 21 bis (nieuw)
21 bis.   Teneinde de bemiddelingsperiode van 21 dagen voorzien in het Verdrag optimaal te benutten en de instellingen de mogelijkheid te bieden om hun respectieve onderhandelingsposities bij te stellen, verbinden het Europees Parlement en de Raad zich ertoe de stand van zaken van de bemiddelingsprocedure te evalueren bij iedere vergadering van hun relevante voorbereidende instanties die in voornoemde periode plaatsvindt, en om hiermee niet te wachten tot de laatste fase daarvan.
Wijziging 67
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel G – titel
Deel G. Reste à liquider (RAL)
Deel G. Begrotingsuitvoering, betalingen en reste à liquider (RAL)
Wijziging 68
Voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord
Bijlage
Deel G – punt 36
36.  Aangezien voor een geordende ontwikkeling van de totale kredieten voor betalingen ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen moet worden gezorgd teneinde een abnormale verschuiving van RAL van het ene jaar naar het andere te vermijden, komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen nauwlettend toe te zien op het niveau van de RAL, zodat het risico kan worden beperkt dat de uitvoering van de programma's van de Unie aan het einde van de looptijd van het MFK wordt belemmerd door een gebrek aan betalingskredieten.
Om in alle hoofdstukken een houdbaar beheer en profiel van de betalingen te waarborgen, worden in alle rubrieken de doorhalingsregels, en met name de regels inzake automatische doorhalingen, strikt toegepast.
Tijdens de begrotingsprocedure komen de instellingen regelmatig bijeen teneinde de stand van zaken en de vooruitzichten betreffende de uitvoering van de begroting in het lopende jaar en in de toekomstige jaren gezamenlijk te beoordelen. Dat gebeurt in de vorm van specifieke interinstitutionele bijeenkomsten op het passende niveau, voorafgaand waaraan de Commissie per fonds en per lidstaat een gedetailleerde stand van zaken zal geven met betrekking tot de uitvoering van betalingen, ontvangen terugbetalingsverzoeken en herziene prognoses. Teneinde ervoor te zorgen dat de Unie aan al haar financiële verplichtingen die voortvloeien uit bestaande en toekomstige verbintenissen in de periode 2021-2027 kan voldoen overeenkomstig artikel 323 VWEU, analyseren en bespreken het Europees Parlement en de Raad met name de ramingen van de Commissie inzake het vereiste niveau van de betalingskredieten.
36.  Aangezien voor een geordende ontwikkeling van de totale kredieten voor betalingen ten opzichte van de kredieten voor vastleggingen moet worden gezorgd teneinde een abnormale verschuiving van RAL van het ene jaar naar het andere te vermijden, komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeen nauwlettend toe te zien op de betalingsprognoses en het niveau van de RAL, zodat het risico kan worden beperkt dat de uitvoering van de programma's van de Unie aan het einde van de looptijd van het MFK wordt belemmerd door een gebrek aan betalingskredieten.
Tijdens de begrotingsprocedure komen de instellingen regelmatig bijeen teneinde de stand van zaken en de vooruitzichten betreffende de uitvoering van de begroting in het lopende jaar en in de toekomstige jaren gezamenlijk te beoordelen. Dat gebeurt in de vorm van specifieke interinstitutionele bijeenkomsten op het passende niveau, voorafgaand waaraan de Commissie per fonds en per lidstaat een gedetailleerde stand van zaken zal geven met betrekking tot de uitvoering van betalingen, ontvangen terugbetalingsverzoeken en herziene prognoses voor de korte tot lange termijn. Teneinde ervoor te zorgen dat de Unie aan al haar financiële verplichtingen die voortvloeien uit bestaande en toekomstige verbintenissen in de periode 2021‑2027 kan voldoen overeenkomstig artikel 323 VWEU, analyseren en bespreken het Europees Parlement en de Raad met name de ramingen van de Commissie inzake het vereiste niveau van de betalingskredieten.

o

o o

53.verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075 en P8_TA(2018)0076.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0226.
(3) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 249.
(4) PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1.
(5) PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.


Bijlage I – MFK 2021-2027: maxima en instrumenten buiten de maxima (in prijzen van 2018)

(miljoen EUR – in prijzen van 2018)

 

Voorstel van de Commissie

Standpunt van het Parlement

Vastleggingskredieten

Totaal

2021-2027

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

2021-2027

I.  Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

166 303

31 035

31 006

31 297

30 725

30 615

30 757

30 574

216 010

II.  Cohesie en waarden

391 974

60 026

62 887

64 979

65 785

66 686

69 204

67 974

457 540

Waarvan: Economische, sociale en territoriale cohesie

330 642

52 143

52 707

53 346

53 988

54 632

55 286

55 994

378 097

III.  Natuurlijke hulpbronnen en milieu

336 623

57 780

57 781

57 789

57 806

57 826

57 854

57 881

404 718

IV.  Migratie en grensbeheer

30 829

3 227

4 389

4 605

4 844

4 926

5 066

5 138

32 194

V.  Veiligheid en defensie

24 323

3 202

3 275

3 223

3 324

3 561

3 789

4 265

24 639

VI.  Nabuurschap en internationaal beleid

108 929

15 368

15 436

15 616

15 915

16 356

16 966

17 729

113 386

VII.  Europees openbaar bestuur

75 602

10 388

10 518

10 705

10 864

10 910

11 052

11 165

75 602

Waarvan: Administratieve uitgaven van de instellingen

58 547

8 128

8 201

8 330

8 432

8 412

8 493

8 551

58 547

TOTAAL VASTLEGGINGSKREDIETEN

1 134 583

181 025

185 293

188 215

189 262

190 880

194 688

194 727

1 324 089

als % van het bni

1,11 %

1,29 %

1,31 %

1,31 %

1,30 %

1,30 %

1,31 %

1,29 %

1,30 %

TOTAAL BETALINGSKREDIETEN

1 104 805

174 088

176 309

186 391

187 490

188 675

189 961

191 398

1 294 311

als % van het bni

1,08 %

1,24 %

1,24 %

1,30 %

1,29 %

1,28 %

1,28 %

1,27 %

1,27 %

BUITEN DE MFK-MAXIMA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reserve voor noodhulp

4 200

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

7 000

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)

1 400

200

200

200

200

200

200

200

1 400

Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU)

4 200

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

1 000

7 000

Flexibiliteitsinstrument

7 000

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

2 000

14 000

Europese investeringsstabilisatiefunctie

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

Europese vredesfaciliteit

9 223

753

970

1 177

1 376

1 567

1 707

1 673

9 223

TOTAAL BUITEN DE MFK-MAXIMA

26 023

4 953

5 170

5 377

5 576

5 767

5 907

5 873

38 623

TOTAAL MFK + BUITEN DE MFK-MAXIMA

1 160 606

185 978

190 463

193 592

194 838

196 647

200 595

200 600

1 362 712

als % van het bni

1,14 %

1,32 %

1,34 %

1,35 %

1,34 %

1,34 %

1,35 %

1,33 %

1,34 %


Bijlage II – MFK 2021-2027: maxima en instrumenten buiten de maxima (in lopende prijzen)

(miljoen EUR – lopende prijzen)

 

Voorstel van de Commissie

Standpunt van het Parlement

Vastleggingskredieten

Totaal

2021-2027

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

2021-2027

I.  Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

187 370

32 935

33 562

34 555

34 601

35 167

36 037

36 539

243 395

II.  Cohesie en waarden

442 412

63 700

68 071

71 742

74 084

76 601

81 084

81 235

516 517

Waarvan: Economische, sociale en territoriale cohesie

373 000

55 335

57 052

58 899

60 799

62 756

64 776

66 918

426 534

III.  Natuurlijke hulpbronnen en milieu

378 920

61 316

62 544

63 804

65 099

66 424

67 785

69 174

456 146

IV.  Migratie en grensbeheer

34 902

3 425

4 751

5 084

5 455

5 658

5 936

6 140

36 448

V.  Veiligheid en defensie

27 515

3 397

3 545

3 559

3 743

4 091

4 439

5 098

27 872

VI.  Nabuurschap en internationaal beleid

123 002

16 308

16 709

17 242

17 923

18 788

19 878

21 188

128 036

VII.  Europees openbaar bestuur

85 287

11 024

11 385

11 819

12 235

12 532

12 949

13 343

85 287

Waarvan: Administratieve uitgaven van de instellingen

66 028

8 625

8 877

9 197

9 496

9 663

9 951

10 219

66 028

TOTAAL VASTLEGGINGSKREDIETEN

1 279 408

192 105

200 567

207 804

213 140

219 261

228 107

232 717

1 493 701

als % van het bni

1,11 %

1,29 %

1,31 %

1,31 %

1,30 %

1,30 %

1,31 %

1,29 %

1,30 %

TOTAAL BETALINGSKREDIETEN

1 246 263

184 743

190 843

205 790

211 144

216 728

222 569

228 739

1 460 556

als % van het bni

1,08 %

1,24 %

1,24 %

1,30 %

1,29 %

1,28 %

1,28 %

1,27 %

1,27 %

BUITEN DE MFK-MAXIMA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reserve voor noodhulp

4 734

1 061

1 082

1 104

1 126

1 149

1 172

1 195

7 889

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)

1 578

212

216

221

225

230

234

239

1 578

Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU)

4 734

1 061

1 082

1 104

1 126

1 149

1 172

1 195

7 889

Flexibiliteitsinstrument

7 889

2 122

2 165

2 208

2 252

2 297

2 343

2 390

15 779

Europese investeringsstabilisatiefunctie

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

Europese vredesfaciliteit

10 500

800

1 050

1 300

1 550

1 800

2 000

2 000

10 500

TOTAAL BUITEN DE MFK-MAXIMA

29 434

5 256

5 596

5 937

6 279

6 624

6 921

7 019

43 633

TOTAAL MFK + BUITEN DE MFK-MAXIMA

1 308 843

197 361

206 163

213 741

219 419

225 885

235 028

239 736

1 537 334

als % van het bni

1,14 %

1,32 %

1,34 %

1,35 %

1,34 %

1,34 %

1,35 %

1,33 %

1,34 %


Bijlage III – MFK 2021-2027: onderverdeling per programma (in prijzen van 2018)

N.B.: voor vergelijkingsdoeleinden houdt de tabel de door de Commissie voorgestelde structuur van de individuele EU-programma's aan, zonder afbreuk te doen aan de wijzigingen waar mogelijk om wordt verzocht tijdens de wetgevingsprocedure die voorafgaat aan de vaststelling van deze programma's.

(miljoen EUR – in prijzen van 2018)

 

2014-2020 MFK (EU-27 + EOF)

Commissievoorstel 2021-2027

Standpunt van het Parlement

2021-2027

I.  Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

116 361

166 303

216 010

1.  Onderzoek en innovatie

69 787

91 028

127 537

Horizon Europa

64 674

83 491

120 000

Euratom-programma voor onderzoek en opleiding

2 119

2 129

2 129

Internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER)

2 992

5 406

5 406

Overige

2

2

2

2.  Europese strategische investeringen

31 886

44 375

51 798

InvestEU-fonds

3 968

13 065

14 065

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (totale bijdrage H1)

met inbegrip van:

17 579

21 721

28 083

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – vervoer

12 393

11 384

17 746

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – energie

4 185

7 675

7 675

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – digitaal

1 001

2 662

2 662

Programma Digitaal Europa

172

8 192

8 192

Overige

9 097

177

177

Gedecentraliseerde agentschappen

1 069

1 220

1 281

3.  Eengemaakte markt

5 100

5 672

8 423

Programma voor de eengemaakte markt (met inbegrip van Cosme)

3 547

3 630

5 823

Fraudebestrijdingsprogramma van de EU

156

161

322

Samenwerking op het gebied van belastingen (Fiscalis)

226

239

300

Samenwerking op het gebied van douane (Customs)

536

843

843

Duurzaam toerisme

 

 

300

Overige

61

87

87

Gedecentraliseerde agentschappen

575

714

748

4.  Ruimtevaart

11 502

14 404

15 225

Europees ruimtevaartprogramma

11 308

14 196

15 017

Gedecentraliseerde agentschappen

194

208

208

Marge

-1 913

10 824

13 026

II.  Cohesie en waarden

387 250

391 974

457 540

5.  Regionale ontwikkeling en cohesie

272 647

242 209

272 647

EFRO + Cohesiefonds

met inbegrip van:

272 411

241 996

272 411

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

196 564

200 622

 

Cohesiefonds

75 848

41 374

 

Waarvan: bijdragen aan de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – vervoer

11 487

10 000

 

Steun voor de Turks-Cypriotische gemeenschap

236

213

236

6.  Economische en monetaire unie

273

22 281

22 281

Steunprogramma voor hervormingen

185

22 181

22 181

Bescherming van de euro tegen valsemunterij

7

7

7

Overige

81

93

93

7.  Investeren in mensen, sociale cohesie en waarden

115 729

123 466

157 612

Europees Sociaal Fonds+ (met inbegrip van 5,9 miljard EUR voor een kindergarantie)

96 216

89 688

106 781

Waarvan: gezondheid, werkgelegenheid en sociale innovatie

1 075

1 042

1 095

Erasmus+

13 699

26 368

41 097

Europees Solidariteitskorps

373

1 113

1 113

Creatief Europa

1 403

1 642

2 806

Justitie

316

271

316

Rechten en waarden, met inbegrip van tenminste 500 miljoen EUR voor een onderdeel waarden van de Unie

594

570

1 627

Overige

1 158

1 185

1 185

Gedecentraliseerde agentschappen

1 971

2 629

2 687

Marge

-1 399

4 018

4 999

III.  Natuurlijke hulpbronnen en milieu

399 608

336 623

404 718

8.  Landbouw- en maritiem beleid

390 155

330 724

391 198

ELGF + Elfpo

met inbegrip van:

382 855

324 284

383 255

Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

286 143

254 247

 

Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)

96 712

70 037

 

Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

6 243

5 448

6 867

Overige

962

878

962

Gedecentraliseerde agentschappen

95

113

113

9.  Milieu en klimaatmaatregelen

3 492

5 085

11 520

Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE)

3 221

4 828

6 442

Fonds voor eerlijke energietransitie

 

 

4 800

Gedecentraliseerde agentschappen

272

257

278

Marge

5 960

814

1 999

IV.  Migratie en grensbeheer

10 051

30 829

32 194

10.  Migratie

7 180

9 972

10 314

Fonds voor asiel en migratie

6 745

9 205

9 205

Gedecentraliseerde agentschappen*

435

768

1 109

11.  Grensbeheer

5 492

18 824

19 848

Fonds voor geïntegreerd grensbeheer

2 773

8 237

8 237

Gedecentraliseerde agentschappen*

2 720

10 587

11 611

Marge

-2 621

2 033

2 033

V.  Veiligheid en defensie

1 964

24 323

24 639

12.  Veiligheid

3 455

4 255

4 571

Fonds voor interne veiligheid

1 200

2 210

2 210

Ontmanteling van kerninstallaties

met inbegrip van:

1 359

1 045

1 359

Ontmanteling van kerninstallaties (Litouwen)

459

490

692

Nucleaire veiligheid en ontmanteling (o.a. voor Bulgarije en Slowakije)

900

555

667

Gedecentraliseerde agentschappen

896

1 001

1 002

13.  Defensie

575

17 220

17 220

Europees Defensiefonds

575

11 453

11 453

Militaire mobiliteit

0

5 767

5 767

14.  Crisisrespons

1 222

1 242

1 242

Uniemechanisme voor civiele bescherming (rescEU)

560

1 242

1 242

Overige

662

p.m.

p.m.

Marge

-3 289

1 606

1 606

VI.  Nabuurschap en internationaal beleid

96 295

108 929

113 386

15.  Extern optreden

85 313

93 150

96 809

Instrument(en) ter ondersteuning van het nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van de opvolger van het EOF en een investeringsplan voor Afrika

71 767

79 216

82 716

Humanitaire hulp

8 729

9 760

9 760

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

2 101

2 649

2 649

Landen en gebieden overzee (incl. Groenland)

594

444

594

Overige

801

949

949

Gedecentraliseerde agentschappen

144

132

141

16.  Pretoetredingssteun

13 010

12 865

13 010

Pre-Accession Assistance

13 010

12 865

13 010

Marge

-2 027

2 913

3 567

VII.  Europees openbaar bestuur

70 791

75 602

75 602

Europese scholen en pensioenen

14 047

17 055

17 055

Administratieve uitgaven van de instellingen

56 744

58 547

58 547

TOTAAL

1 082 320

1 134 583

1 324 089

als % van het bni (EU-27)

1.16 %

1.11 %

1.30 %

* Het bedrag van het EP voor gedecentraliseerde agentschappen in clusters 10 en 11 omvat de financiële gevolgen van de voorstellen van de Commissie van 12 september 2018 voor EASO en de Europese grens- en kustwacht.


Bijlage IV – MFK 2021-2027: onderverdeling per programma (in lopende prijzen)

(miljoen EUR – lopende prijzen)

 

2014-2020 MFK (EU-27 + EOF)

Commissievoorstel 2021-2027

Standpunt van het Parlement

2021-2027

I.  Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

114 538

187 370

243 395

1.  Onderzoek en innovatie

68 675

102 573

143 721

Horizon Europa

63 679

94 100

135 248

Euratom-programma voor onderzoek en opleiding

2 085

2 400

2 400

Internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER)

2 910

6 070

6 070

Overige

1

3

3

2.  Europese strategische investeringen

31 439

49 973

58 340

InvestEU-fonds

3 909

14 725

15 852

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (totale bijdrage H1)

met inbegrip van:

17 435

24 480

31 651

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – vervoer

12 281

12 830

20 001

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – energie

4 163

8 650

8 650

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – digitaal

991

3 000

3 000

Programma Digitaal Europa

169

9 194

9 194

Overige

8 872

200

200

Gedecentraliseerde agentschappen

1 053

1 374

1 444

3.  Eengemaakte markt

5 017

6 391

9 494

Programma voor de eengemaakte markt (met inbegrip van Cosme)

3 485

4 089

6 563

Fraudebestrijdingsprogramma van de EU

153

181

363

Samenwerking op het gebied van belastingen (Fiscalis)

222

270

339

Samenwerking op het gebied van douane (Customs)

526

950

950

Duurzaam toerisme

 

 

338

Overige

59

98

98

Gedecentraliseerde agentschappen

572

804

843

4.  Ruimtevaart

11 274

16 235

17 160

Europees ruimtevaartprogramma

11 084

16 000

16 925

Gedecentraliseerde agentschappen

190

235

235

Marge

-1 866

12 198

14 680

II.  Cohesie en waarden

380 738

442 412

516 517

5.  Regionale ontwikkeling en cohesie

268 218

273 240

307 578

EFRO + Cohesiefonds

met inbegrip van:

267 987

273 000

307 312

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

193 398

226 308

 

Cohesiefonds

74 589

46 692

 

Waarvan: bijdragen aan de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen – vervoer

11 306

11 285

 

Steun voor de Turks-Cypriotische gemeenschap

231

240

266

6.  Economische en monetaire unie

275

25 113

25 113

Steunprogramma voor hervormingen

188

25 000

25 000

Bescherming van de euro tegen valsemunterij

7

8

8

Overige

79

105

105

7.  Investeren in mensen, sociale cohesie en waarden

113 636

139 530

178 192

Europees Sociaal Fonds+ (met inbegrip van 5,9 miljard EUR in prijzen van 2018 voor een kindergarantie)

94 382

101 174

120 457

Waarvan: gezondheid, werkgelegenheid en sociale innovatie

1 055

1 174

1 234

Erasmus+

13 536

30 000

46 758

Europees Solidariteitskorps

378

1 260

1 260

Creatief Europa

1 381

1 850

3 162

Justitie

 

305

356

Rechten en waarden, met inbegrip van tenminste 500 miljoen EUR in prijzen van 2018 voor een onderdeel waarden van de Unie

 

642

1 834

Overige

1 131

1 334

1 334

Gedecentraliseerde agentschappen

1 936

2 965

3 030

Marge

-1 391

4 528

5 634

III.  Natuurlijke hulpbronnen en milieu

391 849

378 920

456 146

8.  Landbouw- en maritiem beleid

382 608

372 264

440 898

ELGF + Elfpo

met inbegrip van:

375 429

365 006

431 946

Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

280 351

286 195

 

Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)

95 078

78 811

 

Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

6 139

6 140

7 739

Overige

946

990

1 085

Gedecentraliseerde agentschappen

94

128

128

9.  Milieu en klimaatmaatregelen

3 437

5 739

12 995

Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE)

3 170

5 450

7 272

Fonds voor eerlijke energietransitie

 

 

5 410

Gedecentraliseerde agentschappen

267

289

313

Marge

5 804

918

2 254

IV.  Migratie en grensbeheer

9 929

34 902

36 448

10.  Migratie

7 085

11 280

11 665

Fonds voor asiel en migratie

6 650

10 415

10 415

Gedecentraliseerde agentschappen*

435

865

1 250

11.  Grensbeheer

5 439

21 331

22 493

Fonds voor geïntegreerd grensbeheer

2 734

9 318

9 318

Gedecentraliseerde agentschappen*

2 704

12 013

13 175

Marge

-2 595

2 291

2 291

V.  Veiligheid en defensie

1 941

27 515

27 872

12.  Veiligheid

3 394

4 806

5 162

Fonds voor interne veiligheid

1 179

2 500

2 500

Ontmanteling van kerninstallaties

met inbegrip van:

1 334

1 178

1 533

Ontmanteling van kerninstallaties (Litouwen)

451

552

780

Nucleaire veiligheid en ontmanteling (o.a. voor Bulgarije en Slowakije)

883

626

753

Gedecentraliseerde agentschappen

882

1 128

1 129

13.  Defensie

590

19 500

19 500

Europees Defensiefonds

590

13 000

13 000

Militaire mobiliteit

0

6 500

6 500

14.  Crisisrespons

1 209

1 400

1 400

Uniemechanisme voor civiele bescherming (rescEU)

561

1 400

1 400

Overige

648

p.m.

p.m

Marge

-3 253

1 809

1 809

VI.  Nabuurschap en internationaal beleid

93 381

123 002

128 036

15.  Extern optreden

82 569

105 219

109 352

Instrument(en) ter ondersteuning van het nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van de opvolger van het EOF en een investeringsplan voor Afrika

70 428

89 500

93 454

Humanitaire hulp

8 561

11 000

11 000

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

2 066

3 000

3 000

Landen en gebieden overzee (incl. Groenland)

582

500

669

Overige

790

1 070

1 070

Gedecentraliseerde agentschappen

141

149

159

16.  Pretoetredingssteun

12 799

14 500

14 663

Pretoetredingssteun

12 799

14 500

14 663

Marge

-1 987

3 283

4 020

VII.  Europees openbaar bestuur

69 584

85 287

85 287

Europese scholen en pensioenen

13 823

19 259

19 259

Administratieve uitgaven van de instellingen

55 761

66 028

66 028

TOTAAL

1 061 960

1 279 408

1 493 701

als % van het bni (EU-27)

1,16 %

1,11 %

1,30 %

* Het bedrag van het EP voor gedecentraliseerde agentschappen in clusters 10 en 11 omvat de financiële gevolgen van de voorstellen van de Commissie van 12 september 2018 voor EASO en de Europese grens- en kustwacht.

Laatst bijgewerkt op: 11 mei 2020Juridische mededeling - Privacybeleid