Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/0237(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0340/2018

Ingediende teksten :

A8-0340/2018

Debatten :

PV 14/11/2018 - 22
CRE 14/11/2018 - 22

Stemmingen :

PV 15/11/2018 - 5.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0462

Aangenomen teksten
PDF 368kWORD 131k
Donderdag 15 november 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer ***I
P8_TA(2018)0462A8-0340/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (herschikking) (COM(2017)0548 – C8-0324/2017 – 2017/0237(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0548),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0324/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 januari 2018(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(2),

–  gezien de brief van 24 juli 2017 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie vervoer en toerisme, conform artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0340/2018),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere handelingen met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande handelingen behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

(1) PB C 197 van 8.6.2018, blz. 66.
(2) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (herschikking)
P8_TC1-COD(2017)0237

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Er dienen een aantal wijzigingen te worden aangebracht in Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad(2) om voor een betere bescherming van reizigers te zorgen en het reizen per trein te bevorderen, met inachtneming van met name de artikelen 11, 12 en 14 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Gezien deze wijzigingen en in het belang van de duidelijkheid moet die verordening Verordening (EG) nr. 1371/2007 bijgevolg worden herschikt. [Am. 1]

(2)  In het kader van het gemeenschappelijke vervoerbeleid is het belangrijk de gebruikersrechten voor reizigers in het treinverkeer te waarborgen en de kwaliteit en effectiviteit van de spoorvervoers diensten voor reizigers te verbeteren, teneinde te helpen bij het vergroten van het aandeel van het spoorwegvervoer in verhouding tot andere vervoerswijzen.

(3)  Ondanks het feit dat al aanzienlijke vooruitgang is geboekt op het gebied van de bescherming van consumenten in de Unie, moet de bescherming van de rechten van reizigers in het treinverkeer nog verder worden verbeterd en moet ervoor worden gezorgd dat zij worden vergoed voor vertraging, annulering of materiële schade. [Am. 2]

(4)  Omdat de treinreiziger de zwakste partij bij het vervoercontract is, dienen de reizigersrechten in dit verband te worden gewaarborgd.

(5)  Door treinreizigers op internationale diensten en binnenlandse diensten dezelfde rechten te verlenen, zal het niveau van consumentenbescherming passagiersrechten in de Unie stijgen, en wordt gezorgd voor een gelijk speelveld met name wat betreft hun recht op informatie en vergoeding voor spoorwegondernemingen en een uniform niveau van passagiersrechten vertraging of annulering. Reizigers moeten zo nauwkeurig mogelijke informatie krijgen over hun rechten. [Am. 3]

(5 bis)   Deze verordening laat de vrijheid van de lidstaten of de bevoegde autoriteiten om sociale tarieven voor door een openbaredienstverplichting geregelde diensten alsook voor commerciële diensten vast te stellen onverlet. [Am. 4]

(6)  Stads-, voorstads- en regionale passagiersdiensten Stadspassagiersdiensten hebben een ander karakter dan langeafstandsdiensten. De lidstaten moeten dan ook toestemming krijgen om stads-, voorstads- en regionale passagiersdiensten die binnen de EU geen grenzen overschrijden, stadspassagiersdiensten vrij te stellen van sommige bepalingen inzake passagiersrechten. [Am. 136]

(7)  Deze verordening heeft ten doel de spoorwegdiensten voor reizigers in de Unie te verbeteren. Daarom moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om tijdelijk vrijstellingen te verlenen voor diensten in gebieden waar een aanzienlijk deel van de dienst buiten de Unie wordt geëxploiteerd, voor zover, overeenkomstig hun nationale wetgeving, een passend niveau van passagiersrechten wordt gegarandeerd op het deel van deze diensten dat op het grondgebied van die lidstaten wordt verleend.

(8)  De vrijstellingen mogen echter niet van toepassing zijn op de bepalingen van deze verordening die ervoor zorgen dat personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit gemakkelijker gebruik kunnen maken van spoordiensten. Bovendien mogen de vrijstellingen niet van toepassing zijn op de rechten van personen die vervoersbewijzen voor treinreizen willen kopen, om dit zonder nodeloze moeilijkheden te kunnen doen, op de bepalingen inzake de aansprakelijkheid van spoorwegondernemingen voor passagiers en hun bagage, op de eis dat spoorwegondernemingen op passende wijze verzekerd moeten zijn, en op de eis dat zij passende maatregelen moeten nemen om de persoonlijke veiligheid van passagiers in treinstations en op treinen te garanderen en om risico's te beheren. [Am. 6]

(9)  De gebruikersrechten inzake spoorwegdiensten omvatten het ontvangen van informatie betreffende de dienst die diensten en aanverwante aangelegenheden voor, gedurende en gedurende na de reis. Voor zover mogelijk dienen spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen moeten die informatie zo spoedig mogelijk van tevoren, en zo spoedig mogelijk te of uiterlijk bij het begin van de reis verstrekken. Die informatie moet worden verstrekt in een formaat dat toegankelijk is voor personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit en moet openbaar worden gemaakt. Spoorwegondernemingen moeten die informatie verstrekken aan verkopers van vervoersbewijzen en andere spoorwegondernemingen die hun diensten verkopen.[Am. 7]

(9 bis)   Door op niet-discriminerende en behoorlijke voorwaarden toegang te verlenen tot alle operationele gegevens en tarieven in real time worden treinreizen toegankelijker voor nieuwe klanten en wordt hun een groter aantal reismogelijkheden en tarieven geboden waaruit zij kunnen kiezen. Spoorwegondernemingen moeten verkopers van vervoersbewijzen de nodige operationele gegevens en tariefinformatie verstrekken om het reizen per trein te vergemakkelijken. Er moet naar worden gestreefd reizigers de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse vervoersbewijzen en één enkele optimale spoorverbinding te boeken. [Am. 8]

(9 ter)   Een doorgedreven multimodaal personenvervoer zal bijdragen tot het behalen van de klimaatdoelstellingen. Daarom moeten spoorwegondernemingen ook combinaties met andere transportmodi afficheren zodat treinreizigers zich hiervan bewust zijn alvorens hun reis te boeken. [Am. 9]

(9 quater)  Een goed ontwikkeld systeem voor multimodaal personenvervoer zal bijdragen tot het behalen van de klimaatdoelstellingen. Daarom moeten spoorwegondernemingen ook combinaties met andere transportmodi afficheren zodat treinreizigers zich hiervan bewust zijn alvorens hun reis te boeken. [Am. 10]

(10)  Nadere vereisten in verband met de verstrekking van reisinformatie worden opgenomen in de technische specificaties inzake interoperabiliteit (TSI) als bedoeld in Verordening (EU) nr. 454/2011(3).

(11)  De versterking van de rechten van reizigers in het treinverkeer moet gebaseerd zijn op het bestaande internationaal recht dat is opgenomen in aanhangsel A — Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van reizigers (CIV) bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende het internationaal spoorwegvervoer van 3 juni 1999 (Protocol 1999). Het is echter wenselijk om het toepassingsgebied van deze verordening uit te breiden en niet alleen internationale maar ook nationale treinreizigers te beschermen. De Unie is op 23 februari 2013 toegetreden tot het COTIF.

(12)  In de context van de verkoop van vervoersbewijzen voor het vervoer van passagiers moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om discriminatie op basis van nationaliteit of verblijfplaats te voorkomen, ongeacht of de betrokken passagier, zich permanent of tijdelijk in een andere lidstaat bevindt. Die maatregelen moeten betrekking hebben op alle verborgen vormen van discriminatie die, door toepassing van andere criteria zoals verblijfplaats, fysieke of digitale locatie, hetzelfde effect kunnen hebben. In het licht van de ontwikkeling van online-platforms voor de verkoop van vervoersbewijzen aan passagiers, moeten de lidstaten er met name op toezien dat discriminatie zich niet voordoet bij de toegang tot online-interfaces of bij de aankoop van vervoersbewijzen. Vervoersregelingen met sociale tarieven mogen niet automatisch worden uitgesloten, voor zover ze evenredig zijn en onafhankelijk zijn van de nationaliteit van de betrokken personen. [Am. 11]

(13)  De toenemende populariteit van fietsen in de hele Unie heeft gevolgen voor de algemene mobiliteit en het toerisme. Het toenemend gebruik van de combinatie trein+fiets maakt het vervoer milieuvriendelijker. Spoorwegondernemingen moeten dan ook de combinatie van trein en fiets zoveel mogelijk aanmoedigen, met name door te voorzien in een voldoende aantal fietsrekken voor het vervoer van geassembleerde fietsen in hiertoe bestemde ruimten aan boord van alle soorten treinen toe te staan, inclusief hogesnelheids-, langeafstands-, grensoverschrijdende en lokale treinen. De reizigers moeten worden geïnformeerd over de beschikbare ruimte voor fietsen. Deze vereisten moeten vanaf ... [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] van toepassing zijn op alle spoorwegondernemingen. [Am. 12]

(14)  De spoorwegondernemingen moeten de overstap van reizigers in het treinverkeer van de ene exploitant op de andere vergemakkelijken door, telkens als dit mogelijk is, rechtstreekse vervoersbewijzen aan te bieden. [Am. 13]

(15)  In het licht van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, en teneinde personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit de mogelijkheid te bieden zich met de trein te verplaatsen zoals andere burgers, moeten regels inzake non-discriminatie en bijstand tijdens hun reis worden vastgesteld. Personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, ongeacht of deze veroorzaakt wordt door een functiebeperking, leeftijd of enige andere factor, hebben hetzelfde recht als alle andere burgers op vrij verkeer, en non-discriminatie. Onder meer moet er bijzondere aandacht worden besteed aan het verstrekken van toegankelijke informatie aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit over de toegankelijkheid van spoordiensten, de voorwaarden betreffende de toegang tot het rollend materieel en de faciliteiten aan boord. Om reizigers met zintuiglijke beperkingen zo goed mogelijk over vertragingen in te lichten dienen moeten, voor zover passend, visuele en auditieve systemen te worden gebruikt. Personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit moeten zonder extra kosten hun vervoersbewijs in de trein kunnen kopen voor hen geschikte en begrijpelijke visuele en auditieve systemen worden gebruikt. Het personeel moet op passende wijze worden opgeleid om tegemoet te komen aan de behoeften van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, met name tijdens het verlenen van bijstand. Om gelijke reisvoorwaarden te garanderen, moeten dergelijke personen, op alle tijdstippen waarop treinen rijden en niet alleen op bepaalde ogenblikken van de dag, bijstand krijgen in stations bij het in- en aan boord van treinen uitstappen. [Am. 14]

(15 bis)  Indien op het station geen toegankelijke voorzieningen voor de verkoop van vervoersbewijzen beschikbaar zijn, moeten personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit hun vervoersbewijs in de trein kunnen kopen. [Am. 15]

(16)  Spoorwegondernemingen en stationbeheerders moeten rekening houden met de behoeften van personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit, door middel naleving van de naleving Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de TSI voor personen met beperkte mobiliteit Commissie (TSI-verordening)(4) en van Richtlijn XXX waar deze een aanvulling vormt op de TSI. Bovendien moeten, overeenkomstig de bestaande voorschriften inzake overheidsopdrachten van de Unie, met name Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad(5), moeten alle gebouwen en al het rollend materieel in geval van aankopen van nieuw materiaal of nieuwe constructies en bij belangrijke verbouwingen toegankelijk worden gemaakt door geleidelijk de fysieke obstakels en functionele belemmeringen uit de weg te ruimen. [Am. 16]

(17)  Het is wenselijk dat met deze verordening een vergoedingenstelsel voor de reizigers wordt ingesteld in het geval van vertragingen die samenhangen met de aansprakelijkheid van de spoorwegonderneming, op dezelfde grondslag als het internationale stelsel waarin het COTIF, en met name de Uniforme Regelen betreffende reizigersrechten (CIV), voorziet. Aangekochte vervoersbewijzen moeten volledig terugbetaalbaar zijn. In het geval van vertraging van een passagiersdienst moeten de spoorwegondernemingen de passagiers een vergoeding betalen op basis van een percentage van de prijs van het vervoersbewijs met een maximum van 100 %. [Am. 17]

(18)  Spoorwegondernemingen moeten zich verplicht verzekeren, of gelijkwaardige voorzieningen treffen, voor hun aansprakelijkheid ten aanzien van treinreizigers bij ongevallen. Wanneer lidstaten een maximumbedrag vaststellen voor de vergoedingen in het geval van overlijden of ernstige letsels van passagiers, dan moet dat bedrag minstens gelijkwaardig zijn aan het bedrag dat is vastgesteld in de uniforme regels van de CIV. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om het bedrag voor de vergoedingen in het geval van overlijden of ernstige letsels van passagiers te allen tijde te verhogen. [Am. 18]

(19)  Betere rechten inzake vergoeding en bijstand in het geval van vertraging, gemiste aansluiting of annulering van een dienst moeten leiden tot krachtiger stimulansen voor de treinreizigersmarkt, ten voordele van de reizigers.

(20)  In het geval van vertragingen moeten passagiers de optie krijgen hun reis voort te zetten, eventueel langs een andere route, onder vergelijkbare vervoersvoorwaarden. In dat geval moet met name rekening worden gehouden met de behoeften van personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit en moet hen passende informatie worden verstrekt. [Am. 19]

(20 bis)   De interpretatie van een reis of een gecombineerde reis moet alle situaties omvatten met realistische of toepasselijke minimale overstaptijden bij de oorspronkelijke boeking, waarbij rekening wordt gehouden met relevante factoren, zoals de omvang en de locatie van de stations en perrons in kwestie. [Am. 137]

(21)  Een spoorwegonderneming mag echter niet worden verplicht een vergoeding te betalen als zij kan aantonen dat de vertraging te wijten was aan extreme weersomstandigheden of grote natuurrampen die de veilige exploitatie van de dienst in gevaar brachten. Het dient te gaan om uitzonderlijke natuurrampen en niet om normale seizoensgebonden weersomstandigheden, zoals herfststormen of regelmatige overstromingen in stedelijke gebieden ten gevolge van getijdewerking of smeltende sneeuw. Spoorwegondernemingen moeten aantonen dat zij de vertraging niet konden voorspellen of voorkomen, zelfs niet indien alle redelijke maatregelen waren genomen. [Am. 20]

(22)  In samenwerking met infrastructuurbeheerders en spoorwegondernemingen moeten stationbeheerders noodplannen opstellen en openbaar maken om de gevolgen van grote verstoringen tot een minimum te beperken door gestrande passagiers passende informatie en zorg te verstrekken. [Am. 21]

(23)  Deze verordening mag de rechten van spoorwegondernemingen om overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving, verkopers van vervoersbewijzen, stationbeheerders en infrastructuurbeheerders om, in voorkomend geval, een vergoeding te vragen van om het even welke persoon, inclusief derden, voor het nakomen van hun verplichtingen ten opzichte van reizigers uit hoofde van deze verordening, niet beperken. [Am. 22]

(24)  Wanneer een lidstaat spoorwegondernemingen een vrijstelling toekent voor de toepassing van de bepalingen van deze verordening, dient deze lidstaat spoorwegondernemingen aan te moedigen om, in overleg met reizigersorganisaties, regelingen inzake vergoedingen en bijstand in het geval van een ernstige verstoring van een spoorwegdienst voor reizigers vast te stellen.

(25)  Het is ook wenselijk de onmiddellijke financiële problemen van slachtoffers van ongevallen en hun personen ten laste in de periode meteen na een ongeval te verlichten.

(26)  Het is in het belang van treinreizigers dat, met instemming van de overheidsinstanties, passende maatregelen worden genomen om hun persoonlijke veiligheid in de stations en in de trein te waarborgen.

(27)  Treinreizigers moeten bij elke betrokken spoorwegonderneming een klacht kunnen indienen met betrekking, verkoper van vervoersbewijzen, stationbeheerder of infrastructuurbeheerder tot de rechten en verplichtingen waarin deze verordening voorziet, en zij moeten binnen een redelijke termijn hierop een antwoord krijgen. [Am. 23]

(28)  Spoorwegondernemingen en stationbeheerders moeten kwaliteitsnormen voor de passagiersvervoerdiensten per spoor, met inbegrip van desbetreffende normen inzake personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit, uitwerken, openbaar maken, beheren en er toezicht op houden. [Am. 24]

(29)  Om een hoog niveau van consumentenbescherming in het spoorvervoer te behouden, moeten de lidstaten worden verplicht om nationale handhavingsinstanties aan te wijzen om van nabij toezicht te houden op deze verordening en ze op nationaal niveau te handhaven. Die instanties moeten verschillende handhavingsmaatregelen kunnen nemen. Passagiers en moeten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat reizigers zich overeenkomstig Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad(6) richten tot een orgaan voor bindende alternatieve geschillenbeslechting. Reizigers moeten bij deze instanties een klacht kunnen indienen over vermeende inbreuken tegen de verordening en, voor zover dit is overeengekomen, gebruik kunnen maken van onlinegeschillenbeslechting zoals ingesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 524/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7). Tevens moet worden bepaald dat klachten kunnen worden ingediend door organisaties die groepen reizigers vertegenwoordigen. Om te garanderen dat dergelijke klachten correct worden behandeld, moeten de instanties ook met elkaar samenwerken en moet de vermelding van deze verordening in de bijlage bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad(8) worden gehandhaafd. De nationale handhavingsinstanties moeten jaarlijks verslagen op hun website publiceren waarin nadere gegevens zijn opgenomen over het aantal en het type klachten dat zij hebben ontvangen, en over de resultaten van hun handhavingsmaatregelen. Deze verslagen moeten bovendien op de website van het Spoorwegbureau van de Europese Unie ter beschikking worden gesteld. [Am. 25]

(30)  De verwerking van persoonsgegevens dient te gebeuren in overeenstemming met de wetgeving van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens, en met name met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(9).

(31)  De lidstaten dienen sancties vast te stellen voor overtredingen van deze verordening, en ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties, die ook het betalen van een schadevergoeding aan de persoon in kwestie kunnen omvatten, moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en moeten onder meer bestaan in, maar niet beperkt zijn tot, een minimumboete of een percentage van de jaarlijkse omzet van de betrokken onderneming of organisatie, al naargelang welk bedrag het hoogste is. [Am. 26]

(32)  Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de ontwikkeling van de spoorwegen in de Unie en de invoering van reizigersrechten niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegd evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(33)  Om een hoog niveau van passagiersbescherming te garanderen, moet de bevoegdheid om, overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, wetgevingshandelingen vast te stellen om bijlagen I, II en III te wijzigen voor wat betreft de Uniforme regelen van de CIV, de minimuminformatie die spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen moeten verstrekken en de minimumnormen inzake de kwaliteit van de dienstverlening, en om de in de verordening vermelde bedragen aan te passen aan de inflatie, aan de Commissie worden gedelegeerd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(10). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(33 bis)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot vaststelling van een gestandaardiseerd EU-klachtenformulier dat reizigers kunnen gebruiken om overeenkomstig deze verordening een vergoeding aan te vragen. Die bevoegdheid moet worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(11). [Am. 27]

(34)  Deze verordening is in overeenstemming met de grondrechten en de beginselen die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, met name de artikelen 21, 26, 38 en 47 inzake, respectievelijk, het verbod op elke vorm van discriminatie, de integratie van personen met een handicap, een hoog niveau van consumentenbescherming, en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp en doelstellingen [Am. 28]

Bij deze verordening worden voorschriften voor het spoorvervoer ingesteld met het oog op een doeltreffende reizigersbescherming en de bevordering van het reizen per spoor met betrekking tot het volgende: [Am. 29]

a)  non-discriminatie tussen passagiers met betrekking tot vervoersvoorwaarden voorwaarden voor vervoer en voor de verkoop van vervoersbewijzen; [Am. 30]

b)  de aansprakelijkheid en de verzekeringsverplichtingen van spoorwegondernemingen voor reizigers en hun bagage;

c)  passagiersrechten in het geval van een ongeval dat voortvloeit uit het gebruik van spoordiensten en dat overlijden of letsel of verlies of beschadiging van bagage tot gevolg heeft;

d)  passagiersrechten en ‑vergoedingen in het geval van storingen, zoals annulering of vertraging; [Am. 31]

e)  minimum minimale, nauwkeurige en tijdige informatie die in een toegankelijk formaat aan passagiers moet worden verstrekt, met inbegrip van het sluiten van een vervoersovereenkomst en de afgifte van vervoersbewijzen; [Am. 32]

f)  niet-discriminatie van, en verplichte bijstand door opgeleid personeel aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit; [Am. 33]

g)  de definitie van en het toezicht op dienstkwaliteitsnormen en de beheersing van risico’s voor de persoonlijke veiligheid van de reizigers;

h)  de adequate procedures voor de indiening en behandeling van klachten; [Am. 34]

i)  algemene voorschriften inzake handhaving.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze verordening is van toepassing op binnenlandse en internationale treinreizen en -diensten in de hele Unie die worden uitgevoerd door een of meer spoorwegondernemingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(12) een vergunning is verleend.

2.  Met inachtneming van lid 4 mogen lidstaten de volgende diensten vrijstellen van de toepassing van deze verordening:

(a)  stads-, voorstads- en regionaal passagiersvervoer stadspassagiersvervoer per spoor, zoals bedoeld in Richtlijn 2012/34/EU, met uitzondering van grensoverschrijdende diensten in de Unie; [Am. 138]

(b)  internationaal passagiersvervoer per spoor waarvan een aanzienlijk gedeelte, met inbegrip van minstens één geplande stop in een station, wordt geëxploiteerd buiten de Unie, voor zover de passagiersrechten op het grondgebied van de lidstaat die de vrijstelling toekent op passende wijze zijn gegarandeerd krachtens relevante nationale wetgeving van die lidstaat.; [Am. 36]

(b bis)  binnenlandse spoorwegdiensten voor reizigers waarvoor lidstaten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1371/2007 een vrijstelling hebben verleend voor ten hoogste 12 maanden na ... [datum van inwerkingtreding van deze verordening]. [Am. 37]

3.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de vrijstellingen die zijn toegekend krachtens de punten a), en b) van lid 2, en van de geschiktheid van hun nationale wetgeving op hun grondgebied met het oog op punt b) en b bis) van lid 2. [Am. 38]

4.  De artikelen 5, 10 6, 11, en 25 12 en 17 en Hoofdstuk V zijn van toepassing op alle in lid 1 bedoelde passagiersdiensten per spoor, met inbegrip van diensten die zijn vrijgesteld overeenkomstig de punten punt a) en b) van lid 2. [Am. 39]

4 bis.  Deze verordening is niet van toepassing op diensten die uitsluitend geëxploiteerd worden met het oog op de instandhouding van het historisch erfgoed. [Am. 40]

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

(1)  „spoorwegonderneming”: een spoorwegonderneming als omschreven in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU;

(1 bis)  "vervoerder": de contractuele spoorwegonderneming waarmee de reiziger de vervoersovereenkomst heeft gesloten, dan wel een reeks van opeenvolgende spoorwegondernemingen die aansprakelijk zijn op basis van die overeenkomst; [Am. 41]

(1 ter)  "ondervervoerder": een spoorwegonderneming die geen vervoersovereenkomst met de reiziger heeft gesloten, maar waaraan de spoorwegonderneming die partij is bij de overeenkomst, de uitvoering van het vervoer per spoor geheel of gedeeltelijk heeft opgedragen; [Am. 42]

(2)  „infrastructuurbeheerder”: een infrastructuurbeheerder zoals gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn 2012/34/EU.;

(3)  „stationbeheerder”: een organisatorische entiteit in een lidstaat die verantwoordelijk is gemaakt voor het beheer van spoorwegstations; deze functie kan worden uitgeoefend door de infrastructuurbeheerder;

(4)  „touroperator”: een organisator of doorverkoper anders dan een spoorwegonderneming, in de zin van artikel 3, en punt 8 van Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad(13); [Am. 43]

(5)  „verkoper van vervoersbewijzen”: wederverkoper van spoorwegvervoerdiensten die namens de spoorwegonderneming een of meer spoorwegondernemingen of voor eigen rekening overeenkomsten sluit en vervoersbewijzen, rechtstreekse vervoersbewijzen of gecombineerde vervoersbewijzen verkoopt; [Am. 44]

(5 bis)   "distributeur": een detailhandelaar van spoorwegvervoerdiensten die namens een spoorwegonderneming vervoersbewijzen verkoopt en die geen verplichtingen heeft uit hoofde van de tussen de reiziger en de spoorwegonderneming gesloten overeenkomst; [Am. 45]

(6)  „vervoersovereenkomst”: een vervoersovereenkomst onder bezwarende titel of om niet tussen een spoorwegonderneming of een verkoper van vervoersbewijzen en de reiziger voor de levering van een of meer vervoersdiensten; [Am. 46]

(6 bis)   "vervoersbewijs": een geldig bewijs dat de reiziger het recht geeft op spoorvervoer, ongeacht de vorm ervan (papier, elektronisch, smartcard, reiskaart); [Am. 47]

(6 ter)   "gecombineerd vervoersbewijs": een of meer vervoersbewijzen die meer dan één vervoersovereenkomst vertegenwoordigen die is gesloten met het oog op het gebruik van opeenvolgende spoorwegdiensten die door een of meer spoorwegondernemingen worden geëxploiteerd; [Am. 48]

(7)  „boeking”: een papieren of elektronisch toelatingsbewijs dat recht geeft op vervoer onder voorafgaandelijk bevestigde op naam gestelde vervoersvoorwaarden;

(8)  „rechtstreeks vervoersbewijs”: een vervoersbewijs of aparte vervoersbewijzen die één vervoersovereenkomst vertegenwoordigen die is gesloten met het oog op het gebruik van een of meer vervoersovereenkomsten vertegenwoordigen voor opeenvolgende spoorwegdiensten die door één een of meer spoorwegondernemingen worden geëxploiteerd, dat voor een totale reis is gekocht van dezelfde verkoper van vervoersbewijzen, touroperator of spoorwegonderneming; [Am. 49]

(9)  „dienst”: een dienst voor passagiersvervoer per spoor die overeenkomstig een dienstregeling wordt geëxploiteerd tussen spoorwegstations of stopplaatsen;

(10)  „reis”: het vervoer van een passagier tussen een station van vertrek en een station van aankomst op basis van één vervoersovereenkomst; [Am. 50]

(11)  „binnenlandse spoorwegdienst”: een spoorwegdienst voor reizigers waarbij geen lidstaatgrens wordt overschreden;

(12)  „internationale passagiersdienst per spoor”: een internationale passagiersdienst per spoor zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2012/34/EU;

(13)  „vertraging”: het tijdverschil tussen het tijdstip waarop de reiziger volgens de openbaar gemaakte dienstregeling had moeten aankomen en het tijdstip van zijn werkelijke of verwachte aankomst op het eindstation van bestemming;

(13 bis)  "aankomst": het moment waarop, op het perron van bestemming, de deuren van de trein geopend zijn en uitstappen is toegelaten; [Am. 51]

(14)  „reispas” of „abonnement”: een vervoersbewijs voor een onbeperkt aantal reizen, dat de rechtmatige houder toestaat met de trein te reizen op een bepaald traject of net gedurende een bepaalde periode;

(15)  „gemiste aansluiting”: een situatie waarin een passagier, al dan niet op basis van één vervoersovereenkomst, één of meer diensten mist in de loop van een reis of een gecombineerde reis, ten gevolge van een vertraging of annulering van een of meer voorgaande diensten; [Am. 139]

(16)  "persoon met een handicap " en "persoon met beperkte mobiliteit": personen die een permanente of tijdelijke lichamelijke , mentale, intellectuele of sensoriële stoornis hebben, die hen, samen met diverse belemmeringen, kan belemmeren op voet van gelijkheid met andere passagiers gebruik te maken van vervoer, of wier mobiliteit bij het gebruik van vervoer beperkt is ten gevolge van hun leeftijd; [Am. 53]

(17)  "algemene vervoervoorwaarden": de voorwaarden van de spoorwegonderneming in de vorm van algemene voorwaarden of van in iedere lidstaat rechtens geldende tarieven die door de sluiting van de vervoersovereenkomst een integraal deel daarvan zijn geworden;

(18)  "voertuig": motorvoertuig of aanhangwagen die ter gelegenheid van het vervoer van reizigers wordt vervoerd;

(19)  "uniforme CIV-regelen": de Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van reizigers en bagage (CIV), zoals uiteengezet in Aanhangsel A bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF).

Hoofdstuk II

Vervoersovereenkomst, informatie en vervoersbewijzen

Artikel 4

Vervoersovereenkomst

Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk zijn op de sluiting en de uitvoering van een vervoersovereenkomst en de verstrekking van informatie en vervoersbewijzen de titels II en III van bijlage I bij toepassing.

Artikel 5

Non-discriminerende voorwaarden van vervoersovereenkomsten

Onverminderd sociale tarieven, bieden spoorwegondernemingen, touroperators of verkopers van vervoersbewijzen contractvoorwaarden vervoersovereenkomst- en vervoersbewijsverkoopvoorwaarden en tarieven aan het grote publiek aan, en verkopen zij vervoersbewijzen en rechtstreekse vervoersbewijzen en verstrekken zij reserveringen aan reizigers overeenkomstig artikel 10 van deze verordening, zonder rechtstreekse of onrechtstreekse discriminatie op basis van de nationaliteit of verblijfplaats van de uiteindelijke klant reiziger, of de plaats van vestiging van de spoorwegonderneming, touroperator of verkoper van vervoersbewijzen in de Unie of de manier waarop reizigers het vervoersbewijs hebben gekocht. [Am. 55]

Artikel 6

Fietsen

Reizigers hebben het recht om, in voorkomend geval tegen een redelijke vergoeding fietsen aan boord van de trein mee te nemen, inclusief hogesnelheids-, langeafstands-, grensoverschrijdende en lokale treinen. Alle nieuwe of opgeknapte reizigerstreinen beschikken uiterlijk ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] over een goed aangeduide ruimte voor Zij houden tijdens de reis toezicht op hun fiets en zorgen ervoor dat de andere passagiers, mobiliteitshulpmiddelen, bagage of spoorwegactiviteiten hier geen ongemak of schade door ondervinden. het vervoer van geassembleerde fietsen kan worden geweigerd of beperkt om veiligheids- of operationele redenen, voor zover met plaats voor ten minste acht fietsen. De spoorwegondernemingen, verkopers van vervoersbewijzen, touroperators en, voor zover van toepassing, stationbeheerders, brengen de passagiers reizigers uiterlijk bij de aankoop van het vervoersbewijs op de hoogte brengen van de voorwaarden voor een dergelijke weigering of beperking fietsvervoer voor alle diensten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 454/2011. [Am. 56]

Artikel 7

Uitsluiting van verklaring van afstand en beperking

1.  Verplichtingen jegens reizigers ingevolge deze verordening mogen niet worden beperkt of er mag geen afstand van worden gedaan door met name een afwijking of restrictieve clausule in de vervoersovereenkomst. Alle contractuele voorwaarden die direct of indirect voorzien in afstand, afwijking of beperking van de uit deze verordening voortvloeiende rechten zijn niet bindend voor de passagier. [Am. 57]

2.  Spoorwegondernemingen, touroperators of verkopers van vervoersbewijzen mogen contractuele voorwaarden aanbieden die voor de reiziger gunstiger zijn dan de in deze verordening neergelegde voorwaarden. [Am. 58]

Artikel 8

Verplichting tot het verstrekken van informatie over de beëindiging van diensten

De spoorwegondernemingen of in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten die voor een openbaredienstcontract voor een spoorwegdienst verantwoordelijk zijn, maken met passende middelen, onverwijld en tijdig vóór de inwerkingtreding ervan de besluiten voorstellen bekend dat zij diensten permanent of tijdelijk stopzetten of sterk verminderen, en zorgen ervoor dat deze voorstellen worden onderworpen aan zinvol en goed overleg met de belanghebbende partijen vóórdat ze worden uitgevoerd. Zij doen dit in een formaat dat toegankelijk is voor personen met een handicap, overeenkomstig de toegankelijkheidseisen die zijn vastgesteld in Richtlijn XXX(14) en in Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie. [Am. 59]

Artikel 9

Reisinformatie

1.  Spoorwegondernemingen, touroperators en verkopers van vervoersbewijzen die in eigen naam of namens een of meer spoorwegondernemingen vervoersovereenkomsten aanbieden, verstrekken de reiziger op verzoek ten minste de in bijlage II, deel I, vermelde informatie over de reizen waarvoor door de betrokken spoorwegonderneming een vervoersovereenkomst wordt vervoersovereenkomsten worden aangeboden. Verkopers van vervoersbewijzen die voor eigen rekening vervoersovereenkomsten aanbieden, en touroperators, verstrekken die informatie voor zover deze beschikbaar is . Om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd, verstrekken de spoorwegondernemingen deze informatie aan verkopers van vervoersbewijzen en andere spoorwegondernemingen die hun diensten verkopen. [Am. 60]

2.  Spoorwegondernemingen en, voor zover mogelijk indien van toepassing, de verkopers van vervoersbewijzen, verstrekken tijdens de reis en in overstapstations tenminste ten minste de in bijlage II, deel II, bedoelde informatie aan de reiziger. Om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd, verstrekken de spoorwegondernemingen deze informatie aan verkopers van vervoersbewijzen en andere spoorwegondernemingen die hun diensten verkopen. [Am. 61]

3.  De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie wordt door de spoorwegondernemingen, touroperators en verkopers van vervoersbewijzen aan de reizigers verstrekt in de meest geschikte een gemakkelijk toegankelijke, algemeen gebruikte vorm, onder meer door gebruik te maken en wat lid 2 betreft in realtime, met gebruikmaking van up-to-date communicatietechnologie, en indien mogelijk schriftelijk, teneinde reizigers alle uit hoofde van bijlage II van deze verordening vereiste informatie te verstrekken. Er wordt met name voor gezorgd dat deze informatie toegankelijk is voor personen met een handicap, overeenkomstig de toegankelijkheidseisen van Richtlijn XXX, Verordening (EU) nr. 454/2011 en Verordening 454/2011 (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie. De beschikbaarheid van formaten die toegankelijk zijn voor personen met beperkte mobiliteit wordt duidelijk vermeld. [Am. 62]

4.  Spoorwegondernemingen, stationbeheerders en infrastructuurbeheerders stellen realtime-informatie informatie over treinen, ook als deze door andere spoorwegondernemingen worden geëxploiteerd, op niet-discriminerende wijze in realtime ter beschikking van spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen het publiek om elke discriminatie tussen reizigers te voorkomen. [Am. 63]

4 bis.  Spoorwegondernemingen geven in samenwerking met stationbeheerders en infrastructuurbeheerders aan de hand van dienstregelingen informatie over toegankelijke treinverbindingen en treinstations. [Am. 64]

Artikel 10

Beschikbaarheid van vervoersbewijzen, rechtstreekse vervoersbewijzen en boekingen

1.  De spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen bieden vervoersbewijzen en, indien beschikbaar, rechtstreekse vervoersbewijzen en boekingen aan. Zij doen al het mogelijke om rechtstreekse vervoersbewijzen aan te bieden, ook voor grensoverschrijdende reizen of reizen per nachttrein en reizen met meer dan één spoorwegonderneming. [Am. 65]

2.  Onverminderd leden 3 en 4 verstrekken de spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen de vervoersbewijzen aan de reizigers via ten minste een van de volgende verkooppunten:

(a)  loketten of automaten;

(b)  telefoon, internet of enige andere op grote schaal beschikbare informatietechnologie;

(c)  in de treinen.

De lidstaten Bevoegde autoriteiten als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad(15) kunnen van spoorwegondernemingen verlangen dat zij vervoersbewijzen verstrekken voor diensten in het kader van openbaredienstcontracten via meer dan een één verkoopkanaal. [Am. 66]

3.  De spoorwegondernemingen bieden de mogelijkheid om in de trein vervoersbewijzen voor de gewenste dienst te verkrijgen, tenzij dit om gegronde redenen beperkt of onmogelijk is in het kader van beveiligings- of fraudebestrijdingsbeleid, dan wel wegens verplichte boeking van een treinreis of op redelijke commerciële gronden, met inbegrip van beperkte beschikbaarheid van ruimte of plaats. [Am. 67]

4.  Indien geen loket of automaat in het spoorwegstation van vertrek aanwezig is, worden de reizigers op het spoorwegstation geïnformeerd:

(a)  over de mogelijkheid en de te volgen procedures om een vervoersbewijs te kopen per telefoon, via internet of in de trein; en;

(b)  over het dichtstbijzijnde spoorwegstation of de meest nabije plaats waar loketten en/of automaten beschikbaar zijn.

5.  Als er in het station van vertrek geen loket of toegankelijke automaat is, mogen personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit of geen enkele andere mogelijkheid bestaat om vervoersbewijzen van tevoren te kopen, mogen reizigers zonder extra kosten vervoersbewijzen aan boord van de trein kopen. [Am. 68]

6.  Als een passagier afzonderlijke vervoersbewijzen ontvangt voor één reis of gecombineerde reis die bestaat uit opeenvolgende spoorwegdiensten die door een of meer spoorwegondernemingen worden geëxploiteerd, heeft hij dezelfde rechten op informatie, bijstand, zorg en vergoeding als in het kader van een rechtstreeks vervoersbewijs.; Ddeze rechten gelden voor de volledige reis of gecombineerde reis, van vertrek tot eindbestemming, tenzij de passagier er uitdrukkelijk en schriftelijk van in kennis wordt gesteld dat dit niet het geval is. In deze kennisgeving moet met name worden vermeld dat, wanneer de passagier een aansluiting mist, hij of zij geen recht heeft op bijstand of vergoeding op basis van de totale lengte van de reis. Het is aan de spoorwegonderneming, haar agent, touroperator of verkoper van vervoersbewijzen om aan te tonen dat die informatie werd verstrekt. [Am. 140]

Artikel 10 bis

Verstrekking van reisinformatie via applicatieprogramma-interfaces

1.  Spoorwegondernemingen verstrekken niet-discriminerende toegang tot alle reisinformatie, inclusief realtime operationele informatie over dienstregelingen en tarieven, zoals vermeld in artikel 9, via applicatieprogramma-interfaces (API's).

2.  Spoorwegondernemingen verstrekken touroperators, verkopers van vervoersbewijzen en andere spoorwegondernemingen die hun diensten verkopen via API's niet-discriminerende toegang tot boekingssystemen, zodat zij vervoersovereenkomsten kunnen sluiten en vervoersbewijzen, rechtstreekse vervoerbewijzen en boekingen kunnen afgeven op een wijze die in de meest optimale en kosteneffectieve reis, met inbegrip van grensoverschrijdende reizen, voorziet.

3.  Spoorwegondernemingen zorgen ervoor dat de technische specificaties van de API's goed gedocumenteerd, gratis en vrij toegankelijk zijn. De API's maken met het oog op interoperabiliteit gebruik van open standaarden, algemeen gebruikte protocollen en machineleesbare formaten.

4.  Spoorwegondernemingen zorgen ervoor dat, behalve in noodsituaties, elke wijziging aan de technische specificatie van hun API's van tevoren, zo snel mogelijk en ten minste drie maanden voordat een wijziging wordt doorgevoerd, ter beschikking wordt gesteld van touroperators en verkopers van vervoersbewijzen. Noodsituaties worden gedocumenteerd en de documentatie wordt op verzoek aan de bevoegde autoriteiten beschikbaar gemaakt.

5.  Spoorwegondernemingen zorgen ervoor dat de toegang tot de API's op een niet-discriminerende wijze wordt verstrekt, met hetzelfde niveau van beschikbaarheid en prestatie, met inbegrip van ondersteuning, toegang tot alle documentatie, standaarden, protocollen en formaten. Touroperators en verkopers van vervoersbewijzen worden niet benadeeld in vergelijking met de spoorwegondernemingen zelf.

6.  De API's worden vastgesteld overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2017/1926 van de Commissie(16). [Am. 70]

HOOFDSTUK III

AANSPRAKELIJKHEID VAN SPOORWEGONDERNEMINGEN VOOR REIZIGERS EN HUN BAGAGE

Artikel 11

Aansprakelijkheid voor reizigers en bagage

Behoudens het bepaalde in dit hoofdstuk en onverminderd verdergaande schadevergoeding krachtens toepasselijk het nationaal recht zijn op de aansprakelijkheid van spoorwegondernemingen voor reizigers en hun bagage de hoofdstukken I, III en IV van titel IV, alsmede de titels VI en VII van bijlage I bij toepassing.

Artikel 12

Verzekering en aansprakelijkheidsdekking in geval van overlijden en letsel van passagiers

Een spoorwegonderneming moet zich behoorlijk verzekeren , overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 2012/34/EU en op basis van een risicobeoordeling, of gelijkwaardige voorzieningen treffen om haar aansprakelijkheid uit hoofde van deze verordening te dekken.

Artikel 13

Voorschotten

1.  Indien een reiziger wordt gedood of gewond raakt, betaalt de spoorwegonderneming, als bedoeld in artikel 26, lid 5, van bijlage I, onverwijld en in ieder geval uiterlijk vijftien dagen nadat de identiteit van de schadevergoedingsgerechtigde natuurlijke persoon is vastgesteld, een voorschot dat toereikend moet zijn om de onmiddellijke economische noden te lenigen en dat evenredig is aan het geleden nadeel.

2.  Onverminderd lid 1 bedraagt een voorschot ten minste 21 000 EUR per passagier bij overlijden.

3.  Een voorschot impliceert niet dat aansprakelijkheid wordt erkend en mag worden verrekend met elk bedrag dat later op basis van deze verordening wordt uitgekeerd, maar behoeft niet te worden terugbetaald, tenzij de schade werd veroorzaakt door nalatigheid of schuld van de reiziger, of degene die het voorschot ontvangen heeft niet schadevergoedingsgerechtigd was.

Artikel 14

Betwisting van aansprakelijkheid

Zelfs indien de spoorwegonderneming haar aansprakelijkheid voor het door een door haar vervoerde reiziger opgelopen lichamelijk letsel betwist, levert zij alle redelijke inspanningen om een passagier die schadevergoeding lastens derden vordert, bij te staan.

HOOFDSTUK IV

VERTRAGINGEN, GEMISTE AANSLUITINGEN EN ANNULERINGEN

Artikel 15

Aansprakelijkheid voor vertragingen, gemiste aansluitingen en annuleringen

Behoudens het bepaalde in dit hoofdstuk is op de aansprakelijkheid van de spoorwegondernemingen ten aanzien van vertragingen, gemiste aansluitingen en annuleringen bijlage I, titel IV, hoofdstuk II, van toepassing.

Artikel 16

Terugbetaling of vervoer langs een andere route

1.  Indien bij vertrek of in het geval van een gemiste aansluiting tijdens een reis met een rechtstreeks vervoersbewijs redelijkerwijs verwacht kan worden dat de vertraging bij aankomst op de eindbestemming krachtens de vervoersovereenkomst vervoersovereenkomsten meer dan 60 minuten zal bedragen of dat er sprake is van annulering, krijgt de reiziger onmiddellijk de keuze tussen één van de volgende: [Am. 71]

(a)  terugbetaling van de volledige kostprijs van het vervoersbewijs, onder de voorwaarden waarop het is betaald, voor de niet gemaakte gedeelten van hun reis en voor de reeds gemaakte gedeelten indien de reis niet langer aan enige bedoeling beantwoordt in verband met het oorspronkelijke reisplan van de reiziger, samen met, voor zover relevant, een retourdienst naar het eerste vertrekpunt bij de vroegste gelegenheid. De terugbetaling geschiedt onder dezelfde voorwaarden als de betaling van schadevergoeding bedoeld in artikel 17;

(b)  voortzetting van de reis langs de gebruikelijke of langs een andere route, onder vergelijkbare vervoersomstandigheden en zonder extra kosten, naar de eindbestemming bij de vroegste gelegenheid, ook bij een gemiste aansluiting wegens vertraging of annulering van een trein in een eerder traject van de reis. In dit geval wordt de passagier toegelaten tot de volgende beschikbare dienst naar de eindbestemming, ook al is er geen specifieke boeking of wordt de volgende trein geëxploiteerd door een andere spoorwegonderneming; [Am. 72]

(c)  voortzetting van de reis langs de gebruikelijke of langs een andere route, onder vergelijkbare vervoersvoorwaarden, naar de eindbestemming op een latere datum wanneer het de reiziger schikt, weliswaar uiterlijk één maand na de hervatting van de dienst. [Am. 73]

2.  Met het oog op de toepassing van lid 1, onder b), mag het vergelijkbaar vervoer langs een andere route worden geëxploiteerd door om het even welke spoorwegonderneming en mag hierbij gebruik worden gemaakt van vervoer in een hogere klasse en van alternatieve vervoerswijzen over land, zonder dat dit extra kosten met zich meebrengt voor de passagier. Spoorwegondernemingen moeten redelijke inspanningen leveren om extra overstappen te vermijden. De totale reistijd bij gebruik van een alternatieve vervoerswijze voor het gedeelte van de reis dat niet volgens plan is afgelegd, moet vergelijkbaar zijn met de geplande reistijd van de oorspronkelijke reis. Passagiers mogen niet in een lagere vervoersklasse worden vervoerd, tenzij dergelijke faciliteiten de enige beschikbare alternatieve reismogelijkheid vormen. [Am. 74]

3.  Verleners van alternatieve vervoerdiensten zien er met name op toe dat vervoersdiensten bieden personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit een vergelijkbaar niveau van bijstand en toegang tot de aangeboden alternatieve dienst krijgen. Deze alternatieve dienst kan dezelfde zijn voor alle reizigers of kan, bij besluit van de vervoerder, een individuele vervoerswijze zijn die is afgestemd op de specifieke behoeften van bepaalde personen met een handicap of met beperkte mobiliteit. [Am. 75]

Artikel 17

Vergoeding van de prijs van het vervoersbewijs

1.  Zonder Met behoud van het recht op vervoer te verliezen kan een reiziger de spoorwegonderneming om schadevergoeding voor een vertraging verzoeken indien hij tussen de in op het vervoersbewijs of de vervoersovereenkomst vervoersbewijzen die één of meerdere vervoersovereenkomsten vertegenwoordigen vermelde punten van vertrek en van bestemming geconfronteerd wordt met een vertraging waarvoor de kostprijs van het vervoersbewijs niet overeenkomstig artikel 16 is terugbetaald. De minimumvergoedingen voor vertragingen zijn als volgt:

(a)  25 50 % van de prijs van het vervoersbewijs bij een vertraging van 60 tot en met 119 90 minuten;

(b)  50 75 % van de prijs van het vervoersbewijs bij een vertraging van 91 tot en met 120 minuten; of meer

(b bis)  100 % van de prijs van het vervoersbewijs bij een vertraging van 121 minuten of meer. [Am. 76]

2.  Lid 1 is ook van toepassing op reizigers die in het bezit zijn van een reispas of een abonnement. Als zij herhaaldelijk geconfronteerd worden met vertragingen of annuleringen gedurende de looptijd van de reispas, de reductiekaart of het abonnement, kunnen zij om passende schadevergoeding verzoeken overeenkomstig de regelingen inzake schadevergoedingen van de spoorwegonderneming. In deze regelingen worden de criteria inzake vertragingen voor de berekening van de schadevergoeding vastgesteld. Indien gedurende de looptijd van de reispas of het abonnement herhaaldelijk vertragingen van minder dan 60 minuten voorkomen, worden deze vertragingen samengeteld en worden de passagiers vergoed overeenkomstig de regelingen inzake schadevergoedingen van de spoorwegonderneming in lid 1, onder a), b) en b bis), vastgestelde regelingen. [Am. 77]

3.  De schadevergoeding voor annulering of vertraging wordt berekend in verhouding tot de volledige prijs die de reiziger effectief betaalde voor de geannuleerde of vertraagde dienst. In geval van een vervoersovereenkomst voor een heen- en terugreis wordt de schadevergoeding voor annulering of vertraging tijdens hetzij de heen- hetzij de terugreis berekend op basis van de helft van de prijs die voor het vervoersbewijs is betaald. Op dezelfde manier wordt de prijs voor een geannuleerde of vertraagde dienst in het kader van enige andere vorm van vervoersovereenkomst uit hoofde waarvan er over meerdere opeenvolgende deeltrajecten kan worden gereisd, berekend in verhouding tot de volledige prijs. [Am. 78]

4.  Bij het berekenen van de duur van de vertraging wordt geen rekening gehouden met vertraging waarvan de spoorwegonderneming kan aantonen dat ze buiten het grondgebied van de Unie is opgelopen.

5.  De vergoeding van de prijs van het vervoersbewijs wordt betaald binnen een maand na de indiening van het verzoek om schadevergoeding. De schadevergoeding kan in bonnen en/of andere diensten worden uitbetaald indien de voorwaarden soepel zijn (met name wat betreft de geldigheidsduur en de bestemming). De schadevergoeding wordt op verzoek van de reiziger uitbetaald in geld.

6.  De vergoeding van de prijs van het vervoersbewijs wordt niet verminderd met financiële transactiekosten zoals vergoedingen, telefoonkosten of zegels. De spoorwegondernemingen kunnen een minimumdrempel invoeren waaronder geen schadevergoeding wordt uitbetaald. Deze drempel bedraagt niet meer dan 5 EUR per vervoersbewijs. [Am. 79]

7.  De reiziger heeft geen recht op schadevergoeding indien hij alvorens het vervoersbewijs te kopen op de hoogte is gesteld van de vertraging, of indien de aankomsttijd door voortzetting met een andere dienst of langs een andere route minder dan 60 minuten werd vertraagd. [Am. 80: Niet van toepassing op de Nederlandse versie]

8.  Een spoorwegonderneming is niet verplicht een vergoeding te betalen als zij kan aantonen dat de vertraging werd veroorzaakt door extreme weersomstandigheden of ernstige natuurrampen die de veilige exploitatie van de dienst in gevaar brachten en niet konden worden voorzien of voorkomen, zelfs niet indien alle redelijke maatregelen waren genomen. [Am. 81]

Artikel 18

Bijstand

1.  In geval van vertraging bij aankomst of vertrek worden de reizigers overeenkomstig artikel 9 door de spoorwegonderneming, verkoper van vervoersbewijzen of stationbeheerder op de hoogte gehouden van de situatie en van de verwachte vertrektijd en de verwachte aankomsttijd, zodra die informatie beschikbaar is. [Am. 83]

2.  In geval van vertraging als bedoeld in lid 1 van meer dan 60 minuten worden tevens aan de reizigers gratis aangeboden:

(a)  maaltijden en verfrissingen die in een redelijke verhouding staan tot de wachttijd, indien ze in de trein of in het station beschikbaar zijn of redelijkerwijs kunnen worden aangeleverd, rekening houdende met criteria zoals de afstand tot de leverancier, de benodigde tijd voor de levering en de kostprijs;

(b)  hotel- of ander verblijf en vervoer tussen het spoorwegstation en de plaats van het verblijf in gevallen waarin een verblijf van een of meer nachten noodzakelijk wordt of een bijkomend verblijf noodzakelijk wordt, voor zover en indien zulks fysiek mogelijk is, waarbij rekening wordt gehouden met de toegankelijkheidseisen van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit en met de behoeften van gecertificeerde assistentiedieren; [Am. 84]

(c)  indien de trein geblokkeerd wordt op het spoor, vervoer van de trein naar het spoorwegstation, naar het alternatieve vertrekpunt of naar de eindbestemming van de dienst, voor zover en indien zulks fysiek mogelijk is.

3.  Indien de spoorwegdienst niet meer kan worden voortgezet, organiseren de spoorwegondernemingen zo spoedig mogelijk alternatieve vervoerdiensten voor de reizigers.

4.  De spoorwegondernemingen certificeren, op verzoek van Ten aanzien van de getroffen reizigers bieden de reiziger, spoorwegondernemingen aan om op het hun vervoersbewijs of met andere middelen te certificeren dat de spoorwegdienst, naar gelang naargelang van het geval, vertraging heeft opgelopen, geleid heeft tot een gemiste aansluiting of is uitgevallen. Deze certificering geldt voor de bepalingen van artikel 17, waarbij de reiziger die in het bezit is van een reispas of een abonnement moet aantonen dat hij onderweg was met de betrokken dienst. [Am. 85]

5.  Bij de toepassing van de leden 1, 2, 3 en 4 besteedt de exploiterende spoorwegonderneming bijzondere aandacht aan de behoeften van personen met een handicap, en personen met beperkte mobiliteit, en begeleidende personen en gecertificeerde assistentiedieren. [Am. 86]

6.  Beheerders van een spoorwegstation met gemiddeld minstens 10 000 passagiers per dag gedurende een jaar moeten niet alleen Naast de naleving van de verplichtingen voor spoorwegondernemingen uit hoofde van artikel 13 bis, lid 3, van Richtlijn 2012/34/EU, naleven, maar moeten er ook op toezien dat de activiteiten van het station lidstaten, de spoorwegondernemingen, en de infrastructuurbeheerder worden gecoördineerd via een passend noodplan, zodat men zich kan voorbereiden op de mogelijkheid van ernstige verstoringen stationbeheerders en langdurige vertragingen met een aanzienlijk aantal gestrande passagiers in het station tot gevolg. Het plan moet de infrastructuurbeheerders samenwerken om ervoor te zorgen dat de gestrande passagiers passende bijstand en informatie krijgen, in een toegankelijk formaat, overeenkomstig de toegankelijkheidseisen in artikel 13 bis, lid 3, van Richtlijn XXX 2012/34/EU bedoelde noodplannen vereisten bevatten voor. Op verzoek stelt de stationbeheerder het plan en de eventuele wijzigingen ervan ter beschikking van de nationale handhavingsinstantie of van een andere door een lidstaat aangewezen instantie. Beheerders van spoorwegstations met gemiddeld minder dan 10 000 passagiers per dag gedurende een jaar moeten alle redelijke inspanningen leveren om de gebruikers van het station te coördineren en bijstand en informatie te verstrekken aan gestrande passagiers in de hierboven bedoelde situaties de toegankelijkheid van alarm- en informatiesystemen. [Am. 87]

Artikel 19

Recht van regres

Als een spoorwegonderneming een vergoeding betaalt of haar andere verplichtingen nakomt overeenkomstig deze verordening, kan geen enkele bepaling van deze verordening of de nationale wetgeving worden geïnterpreteerd als een beperking van haar recht om een kostenvergoeding te eisen van om het even welke persoon, met inbegrip van derde partijen, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving. Deze verordening beperkt met name op geen enkele wijze het recht van de spoorwegonderneming om terugbetaling te eisen van een derde partij waarmee zij een overeenkomst heeft en die heeft bijgedragen tot de gebeurtenis die aan de basis lag van de vergoeding of andere verplichtingen. Geen enkele bepaling van deze verordening mag worden geïnterpreteerd als een beperking van het recht van een andere derde partij dan een passagier, waarmee de spoorwegonderneming een overeenkomst heeft, om terugbetaling of vergoeding te eisen van de spoorwegonderneming overeenkomstig de toepasselijke relevante wetgeving. [Am. 88]

HOOFDSTUK V

PERSONEN MET EEN HANDICAP EN PERSONEN MET BEPERKTE MOBILITEIT

Artikel 20

Recht op vervoer

1.  Spoorwegondernemingen en stationbeheerders stellen, tenzij zij reeds dergelijke regels hebben vastgesteld, met de actieve betrokkenheid van representatieve organisaties van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, niet-discriminerende toegangsregels voor het vervoer van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, met inbegrip van hun persoonlijke assistenten, vast. De regels staan toe dat, indien zelfstandige mobiliteit niet mogelijk is, de passagier gratis wordt vergezeld door een assistentiehond gecertificeerd assistentiedier of een begeleider, overeenkomstig de relevante nationale regels, en zorgen ervoor dat personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit zich zo veel mogelijk onmiddellijk per spoor kunnen verplaatsen. [Am. 89]

2.  Boekingen en vervoersbewijzen worden personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit aangeboden zonder extra kosten. Een spoorwegonderneming, een verkoper van vervoersbewijzen of touroperator weigert niet een boeking te aanvaarden of een vervoersbewijs af te geven aan een persoon met een handicap of persoon met beperkte mobiliteit en verlangt niet dat deze door een andere persoon wordt begeleid, behalve indien dit strikt noodzakelijk is om te voldoen aan de in lid 1, vermelde toegangsvoorschriften.

Artikel 20 bis

Spoorwegondernemingen en stationbeheerders zorgen er bij de naleving van de TSI voor personen met beperkte mobiliteit ook voor dat de toegankelijkheid van stations, perrons, rollend materieel en andere voorzieningen voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit gewaarborgd is. [Am. 90]

Artikel 21

Informatie voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit

1.  Op verzoek verstrekken de spoorwegonderneming, de stationbeheerder de verkoper van vervoersbewijzen of de touroperator personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit in een toegankelijk formaat, overeenkomstig de toegankelijkheidseisen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 454/2011, en Richtlijn XXX en Verordening (EU) nr. 1300/2014, informatie over de toegankelijkheid van het station en de bijbehorende faciliteiten, en spoorwegdiensten en over de voorwaarden voor de toegang tot het rollend materieel overeenkomstig de toegangsregels in de zin van artikel 20, lid 1 en informeren zij personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit over de faciliteiten aan boord. [Am. 91]

2.  Wanneer een spoorwegonderneming, een verkoper van vervoersbewijzen of touroperator gebruik maakt van de afwijking uit hoofde van artikel 20, lid 2, stelt zij of hij op verzoek de betrokken persoon met een handicap of persoon met beperkte mobiliteit binnen vijf werkdagen na de weigering van de boeking of het vervoersbewijs, dan wel het opleggen van de voorwaarde van begeleiding, schriftelijk in kennis van de redenen daarvoor. De spoorwegonderneming, verkoper van vervoersbewijzen of touroperator doet redelijke inspanningen om stelt een alternatieve vervoersoptie voor te stellen aan de persoon in kwestie, rekening houdende met zijn of haar behoeften inzake toegankelijkheid. [Am. 92]

Artikel 22

Bijstand in spoorwegstations

1.  Bij vertrek, overstap of aankomst op een bemand spoorwegstation van een persoon met een handicap of persoon met beperkte mobiliteit verleent de stationbeheerder of de spoorwegonderneming of beide gratis bijstand op zodanige wijze dat de persoon, onverminderd de toegangsregels die zijn vastgelegd in artikel 20, lid 1, kan instappen of uitstappen van de dienst waarvoor hij een vervoersbewijs heeft gekocht. Voor de boeking van bijstand mogen nooit extra kosten worden aangerekend, ongeacht het gebruikte communicatiekanaal. [Am. 93]

2.  Wanneer er geen treinpersoneel aan boord is of er geenpersoneel in het station is, leveren spoorwegondernemingen en stationbeheerders alle redelijke inspanningen opdat gehandicapte personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit met de trein kunnen reizen, overeenkomstig de toegankelijkheidseisen van Richtlijn XXX [Europese Toegankelijkheidswet] en Verordening (EU) nr. 454/2011. [Am. 94]

3.  In onbemande station stations zorgen de spoorwegonderneming en de stationbeheerder ervoor dat gemakkelijk beschikbare informatie, in toegankelijke formaten, overeenkomstig de toegankelijkheidseisen van Richtlijn XXX en Verordening (EU) nr. 1300/2014, met betrekking tot de dichtstbijzijnde bemande stations en direct beschikbare bijstand ten behoeve van personen met een handicap en personen met een beperkte mobiliteit beschikbaar wordt gesteld overeenkomstig de in artikel 20, lid 1, bedoelde toegangsregels. [Am. 95]

4.  Te allen tijde wanneer spoordiensten worden geëxploiteerd, moet bijstand beschikbaar zijn in stations. [Am. 96]

Artikel 23

Bijstand aan boord

1.  Onverminderd de toegangsvoorschriften bedoeld in artikel 20, lid 1, verleent een spoorwegonderneming personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit gratis bijstand aan boord van een trein en tijdens het in- en uitstappen.

2.  Indien zich geen begeleidend personeel aan boord van een trein bevindt, doen bieden spoorwegondernemingen redelijke inspanningen om personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit niettemin de mogelijkheid te bieden de trein te nemen. [Am. 97]

3.  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bijstand aan boord verstaan alle redelijke inspanningen om bijstand te verlenen aan Aan een persoon met een handicap of persoon met beperkte mobiliteit moet bijstand worden verleend om die persoon in staat te stellen toegang tot dezelfde diensten in de trein te hebben als de andere reizigers, indien de mate van de handicap of de beperkte mobiliteit van de persoon hem belet onafhankelijk en veilig toegang tot die diensten te hebben. [Am. 98]

4.  Te allen tijde wanneer spoordiensten worden geëxploiteerd, moet bijstand beschikbaar zijn aan boord van treinen. [Am. 99]

Artikel 24

Voorwaarden waaronder bijstand wordt verleend

Spoorwegondernemingen, stationbeheerders, verkopers van vervoersbewijzen en touroperators werken samen om kosteloos bijstand te verlenen aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit overeenkomstig de artikelen 20 en 21 alsmede de volgende punten: [Am. 100]

(a)  de bijstand in stations wordt verleend gedurende de werktijden van de spoorwegdiensten op voorwaarde dat de spoorwegonderneming, de stationbeheerder, de verkoper van vervoersbewijzen of de touroperator waarbij het vervoersbewijs is gekocht, ten minste 48 12 uur voordat de bijstand nodig is, in kennis wordt gesteld van de behoefte van de persoon aan deze bijstand. Voor stations die dagelijks meer dan 10 000 reizigers ontvangen is geen voorafgaande kennisgeving vereist; de persoon die bijstand nodig heeft moet evenwel minstens 30 minuten vóór het vertrek van de trein op het betreffende station aanwezig zijn. Voor stations die dagelijks tussen 2 000 en 10 000 reizigers ontvangen, wordt de termijn voor deze kennisgeving herleid tot maximaal 3 uur. Wanneer een vervoersbewijs of abonnement recht geeft op meerdere reizen is één kennisgeving voldoende, mits er adequate informatie over de tijdstippen van de vervolgreizen wordt verstrekt. Dergelijke kennisgevingen worden doorgestuurd naar alle andere spoorwegondernemingen en stationbeheerders die betrokken zijn bij de reis van de persoon in kwestie; [Am. 101]

(b)  spoorwegondernemingen, stationbeheerders, verkopers van vervoersbewijzen en touroperators treffen alle nodige maatregelen om kennisgevingen te kunnen ontvangen;

(c)  indien geen kennisgeving wordt gedaan overeenkomstig punt a), leveren de spoorwegonderneming en de stationbeheerder alle redelijke inspanningen om op zodanige wijze bijstand te verlenen dat de persoon met een handicap of de persoon met beperkte mobiliteit toch kan reizen;

(d)  onverminderd de bevoegdheden van andere entiteiten ten aanzien van gebieden buiten het terrein van het spoorwegstation wijst de stationbeheerder of een andere bevoegde persoon binnen en buiten het station punten aan waar personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit zich bij hun aankomst op het station kunnen aanmelden en, zo nodig, om bijstand kunnen verzoeken;

(e)  er wordt bijstand verleend op voorwaarde dat de persoon met een handicap of de persoon met beperkte mobiliteit zich meldt bij het aangewezen punt op een door de dergelijke bijstand verlenende spoorwegonderneming of stationbeheerder meegedeeld tijdstip. Het meegedeelde tijdstip mag niet eerder zijn dan 60 minuten voor de bekendgemaakte vertrektijd dan wel het tijdstip waarop alle reizigers worden verzocht aan boord te gaan. Indien geen tijdstip is meegedeeld waarop de persoon met een handicap of de persoon met beperkte mobiliteit zich moet melden, meldt de persoon zich op het aangewezen punt, uiterlijk 30 minuten voor de bekendgemaakte vertrektijd dan wel het tijdstip waarop alle reizigers worden verzocht aan boord te gaan. [Am. 102]

Artikel 25

Schadevergoeding voor mobiliteitshulpmiddelen, andere speciale apparatuur of hulpmiddelen

1.  Wanneer spoorwegondernemingen en stationbeheerders verlies of beschadiging van rolstoelen, andere mobiliteits apparatuur of hulpmiddelen en assistentiehonden gecertificeerde assistentiedieren van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit veroorzaken, zijn zij aansprakelijk voor dat verlies of die beschadiging en moeten zij daar zo spoedig mogelijk een vergoeding voor betalen. [Am. 103]

2.  De in lid 1 vermelde vergoeding wordt spoedig betaald en is gelijk aan de volledige kosten van de vervanging volgens de huidige waarde of de volledige kosten van herstelling van de rolstoel of de verloren of beschadigde apparatuur of hulpmiddelen, of van het verlies of de verwonding van het gecertificeerde assistentiedier. De vergoeding dekt tevens de kosten voor tijdelijke vervanging in geval van herstelling, wanneer die kosten door de reiziger worden gedragen. [Am. 104]

3.  Indien nodig doen spoorwegondernemingen en stationbeheerders alle redelijke inspanningen om snel te zorgen voor een tijdelijke vervanging van specifieke apparatuur of hulpmiddelen, voor zover mogelijk met technische en functionele kenmerken die gelijkwaardig zijn aan die van de verloren of beschadigde apparatuur of hulpmiddelen. De persoon met een handicap of de persoon met beperkte mobiliteit mag de tijdelijke vervangapparatuur of -hulpmiddelen houden tot de in de leden 1 en 2 bedoelde vergoeding is betaald.

Artikel 26

Opleiding van personeel

Spoorwegondernemingen en stationbeheerders moeten:

(a)  ervoor zorgen dat alle personeelsleden, met inbegrip van het personeel dat in dienst is bij een andere dienstverlenende partij die rechtstreeks bijstand verleent aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, een handicapgerelateerde opleiding krijgen zodat zij weten hoe zij moeten voldoen aan de behoeften van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, met inbegrip van personen met een mentale of intellectuele beperking; [Am. 105]

(b)  opleiding verstrekken om al hun personeelsleden die in het station werken of rechtstreeks omgaan met reizigers, bewust te maken van de behoeften van personen met een handicap;

(c)  ervoor zorgen dat alle nieuwe werknemers die rechtstreeks met reizigers zullen omgaan, bij de indienstname een introductie krijgen over handicapgerelateerde opleiding krijgen problemen voor reizigers en de spoorwegonderneming, en dat hun personeelsleden de werknemers die rechtstreekse bijstand verlenen aan reizigers met beperkte mobiliteit, een handicapgerelateerde opleiding krijgen en regelmatig opfriscursussen volgen; [Am. 106]

(d)  de verzoeken deelname aan de opleidingen van werknemers met een handicap, kunnen aanvaarden, en de deelname van reizigers met een handicap, en reizigers met beperkte mobiliteit en/of van organisaties die deze personen vertegenwoordigen, om deel te nemen aan de opleidingen, aanvaarden overwegen. [Am. 107]

HOOFDSTUK VI

VEILIGHEID, KLACHTEN EN KWALITEIT VAN DE DIENST

Artikel 27

Persoonlijke veiligheid van de reizigers

In overeenstemming met de openbare autoriteiten nemen spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en stationbeheerders passende maatregelen op hun onderscheiden verantwoordelijkheidsgebieden en stemmen zij deze af op het door de openbare autoriteiten vastgestelde veiligheidsniveau om de persoonlijke veiligheid van de reizigers in de spoorwegstations en de treinen te garanderen, en om de risico’s te beheersen. Ze werken samen en wisselen informatie uit over beste praktijken inzake de preventie van handelingen die het veiligheidsniveau kunnen verslechteren.

Artikel 28

Klachten

1.  Alle spoorwegondernemingen, verkopers van vervoersbewijzen, stationbeheerders en infrastructuurbeheerders van stations met gemiddeld meer dan 10 000 passagiers per dag gedurende een jaar stationbeheerders zetten elk voor hun respectief verantwoordelijkheidsgebied een klachtenbehandelingsmechanisme op voor de onder deze verordening vallende rechten en verplichtingen. Zij maken hun contactgegevens en werktaal/talen op grote schaal bekend aan de reizigers. Reizigers moeten een klacht kunnen indienen in de officiële taal of talen van de lidstaat waar de betrokken spoorwegonderneming, de verkoper van vervoersbewijzen en de stationbeheerder zijn gevestigd, en in ieder geval in het Engels. [Am. 108]

2.  Reizigers kunnen een klacht indienen bij elke elk van de betrokken spoorwegondernemingen, verkoper verkopers van vervoersbewijzen, stationsbeheerders of infrastructuurbeheerders stationbeheerders. Een klacht moeten moet worden ingediend binnen zes maanden na het incident dat het voorwerp vormt van de klacht. Degene aan wie de klacht is gericht, geeft binnen één maand na ontvangst van de klacht een gemotiveerd antwoord of deelt, in gerechtvaardigde gevallen, de reiziger mee op welke datum dat hij binnen een termijn van minder dan drie maanden na ontvangst van de klacht uiterlijk een antwoord kan worden verwacht zal ontvangen. Spoorwegondernemingen, verkopers van vervoersbewijzen, stationbeheerders en infrastructuurbeheerders houden de gegevens over het incident die nodig zijn om de klacht te beoordelen, twee jaar bij en stellen ze op verzoek ter beschikking van de nationale handhavingsinstanties. [Am. 109]

3.  Nadere informatie over de procedure voor de behandeling van klachten moet gemakkelijk beschikbaar zijn voor de reizigers en toegankelijk zijn voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit. Deze informatie wordt op verzoek beschikbaar gesteld in de officiële taal of talen van de lidstaat waar de spoorwegonderneming gevestigd is. [Am. 110]

4.  De spoorwegonderneming publiceert in het in artikel 29 bedoelde jaarverslag het aantal en de categorieën van ontvangen klachten, afgehandelde klachten, antwoordtijd en de eventuele corrigerende maatregelen, die zijn getroffen.

4 bis.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast voor de opstelling van een gestandaardiseerd EU‑klachtenformulier dat reizigers kunnen gebruiken om overeenkomstig deze verordening een vergoeding aan te vragen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 37 bis, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. [Am. 111]

Artikel 29

Dienstkwaliteitsnormen

1.  De spoorwegondernemingen en stationbeheerders stellen dienstkwaliteitsnormen vast en voeren een kwaliteitsbeheerssysteem in om de kwaliteit van de dienst in stand te houden. De kwaliteitsnormen behelzen ten minste de punten in bijlage III.

2.  De spoorwegondernemingen en stationbeheerders toetsen hun eigen prestatie aan de dienstkwaliteitsnormen. De spoorwegondernemingen publiceren elk jaar een verslag over hun kwaliteitsprestatie samen met hun jaarverslag. De spoorwegondernemingen publiceren de verslagen inzake kwaliteitsprestatie worden gepubliceerd op hun website. Zij worden bovendien op de website van het Europees Spoorwegbureau ter beschikking gesteld.

2 bis.   Spoorwegondernemingen en stationbeheerders werken actief samen met organisaties die personen met een handicap vertegenwoordigen om vervoersdiensten toegankelijker te maken. [Am. 112]

HOOFDSTUK VII

INFORMATIE EN HANDHAVING

Artikel 30

Informatie aan de reizigers over hun rechten

1.  Bij de verkoop van vervoersbewijzen voor treinreizen brengen de spoorwegondernemingen, stationbeheerders, verkopers van vervoersbewijzen en touroperators de reizigers op de hoogte van de rechten en verplichtingen die zij hebben krachtens deze verordening. Teneinde aan deze informatievereiste te voldoen kunnen zij gebruikmaken van een door de Commissie in alle officiële talen van de Unie voorbereide samenvatting van deze verordening die hen ter beschikking wordt gesteld. Bovendien vermelden verstrekken zij op het vervoersbewijs informatie, op papier of in elektronisch formaat of aan de hand van andere middelen, met inbegrip van toegankelijke formaten voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit overeenkomstig de eisen die zijn vastgesteld in Richtlijn XXX. In deze vermelding Verordening (EU) nr. 1300/2014 waarin is aangegeven bepaald waar dergelijke informatie kan worden verkregen in het geval van annulering, gemiste aansluiting of langdurige vertraging. [Am. 113]

2.  Spoorwegondernemingen en stationbeheerders zorgen ervoor dat de reizigers op aangepaste wijze, met inbegrip van toegankelijke formaten overeenkomstig de toegankelijkheidseisen van Richtlijn XXX Verordening (EU) nr. 1300/2014, in het station, en in de trein en op hun website informatie krijgen over hun rechten en plichten uit hoofde van deze verordening en over de contactgegevens van de krachtens artikel 31 door de lidstaten aangewezen instantie of instanties. [Am. 114]

Artikel 31

Aanwijzing van nationale handhavingsinstanties

Elke lidstaat wijst een of meer instanties aan die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van deze verordening. Elke instantie neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de rechten van de reizigers worden gerespecteerd.

Elke instantie is in haar organisatie, financieringsbeslissingen, rechtsstructuur en besluitvorming onafhankelijk van enige infrastructuurbeheerder, heffingsinstantie, toewijzingsinstantie of spoorwegonderneming.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de in overeenstemming met dit artikel aangestelde instantie(s) alsook van haar/hun respectieve verantwoordelijkheden, en publiceren deze informatie op een daarvoor geschikte plaats op hun websites. [Am. 115]

Artikel 32

Handhavingstaken

1.  De nationale handhavingsinstanties houden nauwgezet toezicht op de naleving van deze verordening en nemen de nodige maatregelen om te garanderen dat de rechten van passagiers worden gerespecteerd. Daartoe verstrekken spoorwegondernemingen, stationbeheerders en infrastructuurbeheerders onverwijld en in elk geval binnen een maand de instanties op verzoek relevante documenten en informatie. Bij het uitvoeren van hun taken houden de instanties rekening met de informatie die bij hen wordt ingediend door het orgaan dat uit hoofde van artikel 33 is aangewezen om klachten te behandelen, als dit een ander orgaan is. Zij kunnen ook beslissen handhavingsmaatregelen te nemen De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale handhavings- en klachtenbehandelingsinstanties over voldoende bevoegdheden en middelen beschikken om op basis van passende en doeltreffende wijze de individuele klachten die door dit orgaan worden doorgestuurd van reizigers uit hoofde van deze verordening te handhaven. [Am. 116]

2.  De nationale handhavingsinstanties publiceren elk jaar, uiterlijk eind april van verslagen met gedetailleerde gegevens op hun website over het volgende kalenderjaar, statistieken over aantal en het type klachten dat zij hebben ontvangen en de resultaten van hun activiteiten handhavingsmaatregelen, met inbegrip van de door hen opgelegde sancties. Dit gebeurt elk jaar uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende jaar. Deze verslagen worden bovendien op de website van het Spoorwegbureau van de Europese Unie ter beschikking gesteld. [Am. 117]

3.  Spoorwegondernemingen delen hun contactgegevens mee aan de nationale handhavingsinstantie(s) van de lidstaten waarin zij actief zijn.

3 bis.  De nationale handhavingsinstanties voeren, in samenwerking met organisaties van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, regelmatig audits uit van de in overeenstemming met deze verordening verleende bijstandsdiensten en publiceren de resultaten in toegankelijke en algemeen gebruikte formaten. [Am. 118]

Artikel 33

Behandeling van klachten door nationale handhavingsinstanties

1.  Onverminderd de rechten van consumenten om een beroep te doen op alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen overeenkomstig Richtlijn 2013/11/EU, kan de passagier, na zonder succes een klacht te hebben ingediend bij de spoorwegonderneming, verkoper van vervoersbewijzen, stationbeheerder of infrastructuurbeheerder overeenkomstig artikel 28, een klacht indienen bij een handhavingsinstantie. De handhavingsinstanties delen de klagers mee dat zij het recht hebben een klacht in te dienen bij een orgaan voor alternatieve geschillenbeslechting, teneinde individueel verhaal te halen. De lidstaten zorgen ervoor dat handhavings- of klachtenbehandelingsinstanties zijn erkend voor alternatieve geschillenbeslechting overeenkomstig Richtlijn 2013/11/EU, en dat wanneer reizigers een beroep wensen te doen op alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen, de betrokken spoorwegonderneming, verkoper van vervoersbewijzen, stationbeheerder of infrastructuurbeheerder verplicht moet deelnemen en het resultaat voor hem bindend en daadwerkelijk afdwingbaar is. [Am. 119]

2.  Elke passagier kan bij de nationale handhavingsinstantie of elk ander orgaan dat daartoe door een lidstaat is aangewezen klacht indienen over een vermeende inbreuk tegen deze verordening. Ook organisaties die bepaalde groepen passagiers vertegenwoordigen, kunnen een klacht indienen. [Am. 120]

3.  Het orgaan bevestigt de ontvangst van de klacht binnen twee weken na ontvangst ervan. De procedure voor de behandeling van klachten duurt maximum drie maanden. In complexe gevallen kan het orgaan, naar eigen oordeel, deze periode verlengen tot zes maanden. In dat geval stelt het de passagier of de organisatie die de passagiers vertegenwoordigt, in kennis van de redenen voor de verlenging en van de tijd die naar verwachting nodig zal zijn om de procedure af te ronden. Alleen gevallen die juridische procedures inhouden, mogen langer dan zes maanden duren. Als het orgaan ook een orgaan voor alternatieve geschillenbeslechting is in de zin van Richtlijn 2013/11/EU, gelden de in die richtlijn vastgestelde termijnen en kan, indien alle betrokken partijen akkoord gaan, onlinegeschillenbeslechting in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 524/2013 ter beschikking worden gesteld. [Am. 121]

Het proces voor de behandeling van klachten moet toegankelijk zijn voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit.

4.  Klachten van passagiers over een incident waar een spoorwegonderneming bij betrokken was, worden behandeld door de nationale handhavingsinstantie van de lidstaat die de vergunning aan die onderneming heeft afgegeven.

5.  Als een klacht betrekking heeft op vermeende inbreuken door stationbeheerders of infrastructuurbeheerders, is de nationale handhavingsinstantie die van de lidstaat op wiens grondgebied het incident heeft plaatsgevonden.

6.  In het kader van de samenwerking overeenkomstig artikel 34 mogen nationale handhavingsinstanties afwijken van lid 4 of 5 indien dit om gerechtvaardigde redenen, met name taal of verblijfplaats, in het belang is van de passagier.

Artikel 33 bis

Onafhankelijke bemiddelingsorganen

De lidstaten zetten goed uitgeruste onafhankelijke bemiddelingsorganen op die gemakkelijk toegankelijk en betaalbaar zijn voor reizigers in geval van conflicten met spoorwegondernemingen en verkopers van vervoersbewijzen over de handhaving van hun rechten. [Am. 122]

Artikel 34

Uitwisseling van informatie en grensoverschrijdende samenwerking tussen nationale handhavingsinstanties

1.  Wanneer verschillende organen zijn aangewezen uit hoofde van de artikelen 31 en 33, worden rapporteringsmechanismen vastgesteld om de uitwisseling van informatie tussen deze organen te garanderen, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, teneinde de nationale handhavingsinstantie te helpen haar toezichts- en handhavingstaken uit te voeren en het uit hoofde van artikel 33 aangewezen orgaan voor de behandeling van klachten in staat te stellen de nodige informatie te verzamelen om individuele klachten te onderzoeken.

2.  De nationale handhavingsinstanties wisselen informatie uit over hun werk en besluitvormingsprincipes en -praktijk met het oog op coördinatie. De Commissie helpt hen hierbij.

3.  De nationale handhavingsinstanties volgen de in bijlage IV uiteengezette procedure.

HOOFDSTUK VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 35

Sancties

1.  De lidstaten stellen de regels vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op schendingen van deze verordening en nemen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de bepalingen worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en moeten onder meer minstens een minimumboete of een percentage van de jaaromzet van de betreffende onderneming of organisatie omvatten, afhankelijk van wat het hoogste is. De lidstaten doen van deze bepalingen kennisgeving aan de Commissie en stellen de Commissie onverwijld in kennis van elke daaropvolgende wijziging die op deze bepalingen van invloed is. [Am. 123]

2.  In het kader van de in artikel 34 vermelde samenwerking onderzoekt de nationale handhavingsinstantie die bevoegd is met het oog op de toepassing van artikel 33, lid 4 of 5, op verzoek van de nationale handhavingsinstantie die de klacht behandelt, de door die instantie vastgestelde inbreuk op deze verordening en legt zij, indien nodig, sancties op.

Artikel 36

Bevoegdheidsdelegatie

De Commissie is gemachtigd om, overeenkomstig artikel 37, gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde:

(i)   de in artikel 13 vermelde bedragen aan te passen aan de inflatie;

(ii)  de bijlagen I, II en III te wijzigen teneinde rekening te houden met wijzigingen van de Uniforme regelen van de CIV en technologische ontwikkelingen op dit gebied.

Artikel 37

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt overgedragen aan de Commissie, overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.  De bevoegdheid om de in artikel 36 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een periode van vijf jaar vanaf ... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van deze periode van vijf jaar een verslag op met betrekking tot deze bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd voor perioden van identieke duur, tenzij het Europees Parlement en de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van een periode tegen een dergelijke verlenging verzetten.

3.  De in artikel 36 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan op elk ogenblik door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een in het besluit gespecificeerde latere datum.

4.  Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie deskundigen die door elke lidstaat zijn aangewezen overeenkomstig de beginselen die zijn vastgesteld in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 36 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 37 bis

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. [Am. 124]

Artikel 38

Verslag

De Commissie brengt uiterlijk ... [vijf jaar na de vaststelling van deze verordening] verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering en de resultaten van deze verordening.

Het verslag is gebaseerd op informatie die moet worden verstrekt krachtens deze verordening. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen.

Artikel 39

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1371/2007 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de in bijlage V opgenomen concordantietabel.

Artikel 40

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGEN

BIJLAGE I

Uittreksel uit de Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van reizigers en bagage (CIV)

Aanhangsel A

bij het Verdrag betreffende het internationaal spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende internationaal spoorwegvervoer van 3 juni 1999

TITEL II

SLUITING EN UITVOERING VAN DE VERVOERSOVEREENKOMST

Artikel 6

Vervoersovereenkomst

1.  Op grond van de vervoersovereenkomst is de vervoerder verplicht de reiziger alsmede, in voorkomend geval, bagage en voertuigen te vervoeren naar de plaats van bestemming en de bagage en de voertuigen af te leveren op de plaats van bestemming.

2.  De vervoersovereenkomst moet worden vastgelegd in een of meer vervoersbewijzen die aan de reiziger worden overhandigd. Onverminderd artikel 9 tast het ontbreken, de onregelmatigheid of het verlies van het vervoersbewijs noch het bestaan, noch de geldigheid van de overeenkomst aan, die onderworpen blijft aan deze Uniforme Regelen.

3.  Het vervoersbewijs levert volledig bewijs, behoudens tegenbewijs, van het sluiten en de inhoud van de vervoersovereenkomst.

Artikel 7

Vervoersbewijs

1.  De Algemene vervoersvoorwaarden bepalen de vorm en de inhoud van de vervoersbewijzen, alsmede de taal waarin en de lettertekens waarmee zij moeten worden gedrukt en ingevuld.

2.  Op het vervoersbewijs moet ten minste worden vermeld:

a)  de vervoerder of de vervoerders;

b)  de aanduiding dat het vervoer, ongeacht enig andersluidend beding, is onderworpen aan deze Uniforme Regelen; zulks kan geschieden door vermelding van de afkorting CIV;

c)  elke andere aanduiding die noodzakelijk is om het sluiten en de inhoud van de vervoersovereenkomst te bewijzen en de reiziger in staat te stellen de rechten die uit de vervoersovereenkomst voortvloeien, te doen gelden.

3.  De reiziger moet er zich bij het in ontvangst nemen van het vervoersbewijs van vergewissen dat dit met zijn aanwijzingen overeenstemt.

4.  Het vervoersbewijs is overdraagbaar, indien het niet op naam is gesteld en de reis nog niet is aangevangen.

5.  Het vervoersbewijs kan ook worden opgesteld in de vorm van elektronische registratie van gegevens, die kunnen worden omgezet in leesbare lettertekens. De voor de registratie en verwerking van de gegevens gebruikte procedures moeten uit functioneel oogpunt gelijkwaardig zijn, in het bijzonder wat betreft de bewijskracht van het vervoersbewijs, dat door deze elektronische gegevens wordt gevormd.

Artikel 8

Betaling en terugbetaling van de vervoersprijs

1.  Tenzij tussen de reiziger en de vervoerder anders is overeengekomen, moet de vervoerprijs vooraf worden betaald.

2.  De Algemene vervoervoorwaarden bepalen onder welke voorwaarden een terugbetaling van de vervoerprijs plaatsvindt.

Artikel 9

Recht op vervoer — Uitsluiting van vervoer

1.  De reiziger moet vanaf het begin van de reis voorzien zijn van een geldig vervoerbewijs en dit bij een controle van de vervoerbewijzen tonen. De Algemene vervoervoorwaarden kunnen bepalen:

a)  dat een reiziger die geen geldig vervoerbewijs toont, boven de vervoerprijs een toeslag moet betalen;

b)  dat een reiziger die weigert onmiddellijk de vervoerprijs of de toeslag te betalen, van het vervoer kan worden uitgesloten;

c)  of en onder welke voorwaarden een terugbetaling van de toeslag plaatsvindt.

2.  De Algemene vervoervoorwaarden kunnen bepalen dat reizigers die:

a)  een gevaar vormen voor de veiligheid en de goede bedrijfsgang of voor de veiligheid van andere reizigers,

b)  andere reizigers op onaanvaardbare wijze lastig vallen,

van het vervoer zijn uitgesloten of onderweg van het vervoer kunnen worden uitgesloten en dat deze personen geen recht hebben op terugbetaling van de vervoersprijs, noch van de prijs die ze hebben betaald voor het vervoer van hun bagage.

Artikel 10

Naleving van overheidsvoorschriften

De reiziger moet de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties naleven.

Artikel 11

Annulering en vertraging van een trein — Missen van een aansluiting

De vervoerder moet eventueel op het vervoersbewijs vermelden dat de trein is geannuleerd of de aansluiting is gemist.

TITEL III

VERVOER VAN HANDBAGAGE, DIEREN, BAGAGE EN VOERTUIGEN

Hoofdstuk I

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 12

Toegelaten voorwerpen en dieren

1.  De reiziger mag, overeenkomstig de Algemene vervoersvoorwaarden, makkelijk draagbare voorwerpen (handbagage) alsook levende dieren meenemen. Bovendien mag de reiziger voorwerpen van grote omvang meenemen, overeenkomstig de bijzondere bepalingen in de Algemene vervoersvoorwaarden. Voorwerpen of dieren die voor de reizigers hinderlijk kunnen zijn of schade kunnen veroorzaken, zijn niet toegestaan als handbagage.

2.  De reiziger kan, overeenkomstig de Algemene vervoervoorwaarden, voorwerpen en dieren als bagage verzenden.

3.  De vervoerder kan, overeenkomstig de bijzondere bepalingen in de Algemene vervoersvoorwaarden, het vervoer van voertuigen toelaten ter gelegenheid van het vervoer van reizigers.

4.  Het vervoer van gevaarlijke goederen als handbagage, ingeschreven bagage, dan wel in of op voertuigen die overeenkomstig deze titel per spoor worden vervoerd, moet in overeenstemming zijn met het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID).

Artikel 13

Onderzoek

1.  De vervoerder heeft bij een ernstig vermoeden van overtreding van de vervoersvoorwaarden het recht te onderzoeken of de vervoerde voorwerpen (handbagage, ingeschreven bagage, voertuigen met inbegrip van hun lading) en dieren voldoen aan de vervoersvoorwaarden, wanneer de wetten en voorschriften van de staat waar het onderzoek moet plaatsvinden zulks niet verbieden. De reiziger moet worden verzocht bij het onderzoek aanwezig te zijn. Indien hij zich niet meldt of niet kan worden bereikt, moet de vervoerder een beroep doen op twee onafhankelijke getuigen.

2.  Wanneer wordt vastgesteld dat de vervoersvoorwaarden niet zijn nageleefd, kan de vervoerder van de reiziger betaling verlangen van de kosten die in verband met het onderzoek zijn gemaakt.

Artikel 14

Naleving van overheidsvoorschriften

De reiziger moet tijdens zijn vervoer de voorschriften van de douane of andere overheidsinstanties met betrekking tot het vervoer van voorwerpen (handbagage, ingeschreven bagage, voertuigen met inbegrip van hun lading) en dieren, ter gelegenheid van zijn vervoer, naleven. Tenzij in de wetten en voorschriften van de desbetreffende staat anders wordt bepaald, moet de reiziger bij het onderzoek van deze voorwerpen aanwezig zijn.

Hoofdstuk II

Handbagage en dieren

Artikel 15

Toezicht

De reiziger moet toezicht uitoefenen op de handbagage en de dieren die hij meeneemt.

Hoofdstuk III

Ingeschreven bagage

Artikel 16

Aanbieding ten vervoer van ingeschreven bagage

1.  De contractuele verplichtingen met betrekking tot het vervoer van ingeschreven bagage moeten worden vastgelegd in een bagagebewijs dat aan de reiziger wordt overhandigd.

2.  Onverminderd artikel 22 tast het ontbreken, de onregelmatigheid of het verlies van het bagagebewijs noch het bestaan, noch de geldigheid aan van bedingen met betrekking tot het vervoer van ingeschreven bagage, die onderworpen blijven aan deze Uniforme Regelen.

3.  Het bagagebewijs levert volledig bewijs, behoudens tegenbewijs, van de inschrijving van de bagage en van de voorwaarden van het vervoer ervan.

4.  Behoudens tegenbewijs wordt vermoed dat bij de inontvangstneming door de vervoerder de ingeschreven bagage in uiterlijk goede staat was en dat het aantal en de massa van de colli overeenkwamen met de vermelding op het bagagebewijs.

Artikel 17

Bagagebewijs

1.  De Algemene vervoervoorwaarden bepalen de vorm en de inhoud van het bagagebewijs, alsmede de taal waarin en de lettertekens waarmee het moet worden gedrukt en ingevuld. Artikel 7, § 5, is van overeenkomstige toepassing.

2.  Op het bagagebewijs moet ten minste worden vermeld:

a)  de vervoerder of de vervoerders;

b)  de aanduiding dat het vervoer, ongeacht enig andersluidend beding, is onderworpen aan deze Uniforme Regelen; zulks kan geschieden door vermelding van de afkorting CIV;

c)  elke andere aanduiding die noodzakelijk is om de contractuele verplichtingen met betrekking tot het vervoer van de ingeschreven bagage te bewijzen en de reiziger in staat te stellen de rechten die uit de vervoersovereenkomst voortvloeien, te doen gelden.

3.  De reiziger moet er zich bij het in ontvangst nemen van het bagagebewijs van vergewissen dat dit met zijn aanwijzingen overeenstemt.

Artikel 18

Inschrijving en vervoer

1.  Behoudens in de Algemene vervoervoorwaarden bepaalde uitzonderingen, wordt bagage slechts ingeschreven op vertoon van een vervoerbewijs dat ten minste geldig is tot de plaats van bestemming van de bagage. De inschrijving geschiedt overigens volgens de op de plaats van verzending geldende voorschriften.

2.  Wanneer de Algemene vervoervoorwaarden bepalen dat bagage ten vervoer mag worden toegelaten zonder vertoon van een vervoersbewijs, zijn de bepalingen van deze Uniforme Regelen betreffende de rechten en verplichtingen van de reiziger met betrekking tot zijn ingeschreven bagage van overeenkomstige toepassing op de afzender van de bagage.

3.  De vervoerder kan de ingeschreven bagage met een andere trein of met een ander vervoermiddel en over een ander vervoertraject vervoeren dan die welke door de reiziger worden gebruikt.

Artikel 19

Betaling van de prijs voor het vervoer van ingeschreven bagage

Tenzij tussen de reiziger en de vervoerder anders is overeengekomen, moet de prijs voor het vervoer van ingeschreven bagage worden betaald bij de inschrijving.

Artikel 20

Merken van de ingeschreven bagage

De reiziger moet op een goed zichtbare plaats op ieder ingeschreven collo een houdbare en duidelijke aanduiding plaatsen van:

a)  zijn naam en zijn adres;

b)  de plaats van bestemming.

Artikel 21

Recht om over de bagage te beschikken

1.  Indien de omstandigheden dit toestaan en de voorschriften van de douane of van andere overheidsinstanties zich daartegen niet verzetten, kan de reiziger om de teruggave van de bagage verzoeken op de plaats van verzending tegen afgifte van het bagagebewijs en, wanneer de Algemene vervoervoorwaarden zulks bepalen, op vertoon van het vervoersbewijs.

2.  In de Algemene vervoersvoorwaarden kunnen andere bepalingen zijn opgenomen betreffende het recht om over ingeschreven bagage te beschikken, in het bijzonder het wijzigen van de plaats van bestemming en de eventuele hieruit voortvloeiende financiële gevolgen voor de reiziger.

Artikel 22

Aflevering

1.  De aflevering van bagage geschiedt tegen afgifte van het bagagebewijs en eventueel tegen betaling van de verzendingskosten.

De vervoerder heeft het recht doch niet de verplichting te onderzoeken of de houder van het bagagebewijs bevoegd is tot inontvangstneming.

2.  Met de aflevering aan de houder van het bagagebewijs worden, wanneer zulks overeenkomstig de op de plaats van aflevering geldende voorschriften geschiedt, gelijkgesteld:

a)  de afgifte van de bagage aan de douane of belastinginstanties in hun expeditie- of opslagruimten, wanneer die zich niet onder de hoede van de vervoerder bevinden;

b)  het toevertrouwen van levende dieren aan een derde.

3.  De houder van het bagagebewijs kan op de plaats van bestemming om de aflevering van de bagage verzoeken zodra de overeengekomen tijd alsook, eventueel, de benodigde tijd voor de afhandeling door de douane of andere overheidsinstanties is verstreken.

4.  Wordt het bagagebewijs niet afgegeven, dan is de vervoerder slechts gehouden de bagage af te leveren aan degene die zijn recht daarop bewijst; bij onvoldoende bewijs kan de vervoerder een zekerheid verlangen.

5.  De bagage wordt afgeleverd op de plaats van bestemming waarvoor zij is ingeschreven.

6.  De houder van het bagagebewijs aan wie de bagage niet is afgeleverd, kan verlangen dat de dag en het uur waarop hij overeenkomstig § 3 om de aflevering heeft verzocht op het bagagebewijs worden vermeld.

7.  De rechthebbende kan de inontvangstneming van de bagage weigeren, indien de vervoerder geen gevolg geeft aan zijn verzoek over te gaan tot onderzoek van ingeschreven bagage teneinde een beweerde schade vast te stellen.

8.  De aflevering van de bagage vindt plaats overeenkomstig de op de plaats van bestemming geldende voorschriften.

Hoofdstuk IV

Voertuigen

Artikel 23

Vervoervoorwaarden

De bijzondere bepalingen voor het vervoer van voertuigen in de Algemene vervoervoorwaarden regelen met name de voorwaarden voor de toelating tot het vervoer, de inschrijving, de belading en het vervoer, het lossen en de aflevering, alsook de verplichtingen van de reiziger.

Artikel 24

Vervoerbewijs

1.  De contractuele verplichtingen met betrekking tot het vervoer van voertuigen moeten worden vastgelegd in een vervoersbewijs dat aan de reiziger wordt overhandigd. Dit vervoersbewijs kan deel uitmaken van het vervoersbewijs van de reiziger.

2.  De bijzondere bepalingen voor het vervoer van voertuigen in de Algemene vervoervoorwaarden regelen de vorm en de inhoud van het vervoersbewijs, alsmede de taal waarin en de lettertekens waarmee het moet worden gedrukt en ingevuld. Artikel 7, § 5, is van overeenkomstige toepassing.

3.  Op het vervoersbewijs moet ten minste worden vermeld:

a)  de vervoerder of de vervoerders;

b)  de aanduiding dat het vervoer, ongeacht enig andersluidend beding, is onderworpen aan deze Uniforme Regelen; zulks kan geschieden door vermelding van de afkorting CIV;

c)  elke andere aanduiding die noodzakelijk is om de contractuele verplichtingen met betrekking tot het vervoer van voertuigen te bewijzen en de reiziger in staat te stellen de rechten die uit de vervoersovereenkomst voortvloeien, te doen gelden.

4.  De reiziger moet er zich bij het in ontvangst nemen van het vervoersbewijs van vergewissen dat dit met zijn aanwijzingen overeenstemt.

Artikel 25

Toepasselijk recht

Behoudens de bepalingen van dit hoofdstuk zijn de bepalingen van Hoofdstuk III betreffende het vervoer van bagage van toepassing op voertuigen.

TITEL IV

AANSPRAKELIJKHEID VAN DE VERVOERDER

Hoofdstuk I

Aansprakelijkheid in geval van dood en letsel van reizigers

Artikel 26

Aansprakelijkheidsgronden

1.  De vervoerder is aansprakelijk voor de schade ten gevolge van dood, verwonding of elk ander lichamelijk of geestelijk letsel van de reiziger, veroorzaakt door een ongeval dat de reiziger in het kader van de spoorwegexploitatie is overkomen tijdens zijn verblijf in de spoorvoertuigen of bij het in- of uitstappen, ongeacht welke spoorweginfrastructuur wordt gebruikt.

2.  De vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven:

a)  indien het ongeval is veroorzaakt door omstandigheden die geen verband houden met de spoorwegexploitatie, die de vervoerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen;

b)  voor zover het ongeval te wijten is aan schuld van de reiziger;

c)  indien het ongeval te wijten is aan het gedrag van een derde, dat de vervoerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen; een andere onderneming die dezelfde spoorweginfrastructuur gebruikt, wordt niet aangemerkt als een derde; het recht van regres wordt niet aangetast.

3.  Indien het ongeval te wijten is aan het gedrag van een derde en indien desondanks de vervoerder niet geheel van zijn aansprakelijkheid is ontheven overeenkomstig § 2, onder c, is hij voor het geheel aansprakelijk binnen de grenzen van deze Uniforme Regelen onverminderd zijn eventueel regres op de derde.

4.  Deze Uniforme Regelen laten de eventuele aansprakelijkheid van de vervoerder in de niet in § 1 bedoelde gevallen onverlet.

5.  Wanneer een vervoer dat het onderwerp vormt van een en dezelfde vervoersovereenkomst door opeenvolgende vervoerders wordt verricht, is in geval van dood en letsel van reizigers die vervoerder aansprakelijk, die volgens de vervoersovereenkomst verplicht is tot het uitvoeren van het vervoer gedurende welke het ongeval zich heeft voortgedaan. Wanneer het vervoer niet is verricht door de vervoerder maar door een ondervervoerder, zijn beide vervoerders overeenkomstig deze Uniforme Regelen hoofdelijk aansprakelijk.

Artikel 27

Schadevergoeding in geval van dood

1.  In geval van dood van de reiziger omvat de schadevergoeding:

a)  de ten gevolge van het overlijden noodzakelijke kosten, met name die van het vervoer van het stoffelijk overschot en de lijkbezorging;

b)  indien de dood niet onmiddellijk is ingetreden, de in artikel 28 bedoelde schadevergoeding.

2.  Indien door de dood van de reiziger andere personen, jegens wie hij een wettelijke onderhoudsplicht had of in de toekomst gehad zou hebben, hun onderhoud verliezen, moeten ook dezen voor dit verlies schadeloos gesteld worden. De vordering tot schadevergoeding van personen, van wie de reiziger zonder wettelijke verplichting het onderhoud verzorgde, blijft onderworpen aan het nationale recht.

Artikel 28

Schadevergoeding in geval van letsel

In geval van verwonding of elk ander lichamelijk of geestelijk letsel van de reiziger omvat de schadevergoeding:

a)  de noodzakelijk kosten, met name die van behandeling en vervoer;

b)  het vermogensnadeel dat de reiziger lijdt door een gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid of door een toename van zijn behoeften.

Artikel 29

Vergoeding van andere personenschade

Het nationale recht bepaalt of en in welke mate de vervoerder andere dan het in de artikelen 27 en 28 bedoelde lichamelijk letsel moet vergoeden.

Artikel 30

Wijze en hoogte van de schadevergoeding in geval van dood of letsel

1.  De in de artikelen 27, § 2, en 28, onder b), bedoelde schadevergoeding moet als gekapitaliseerde som worden uitgekeerd. Indien evenwel het nationale recht de toekenning van een periodieke uitkering toelaat, wordt de vergoeding op deze wijze uitgekeerd, wanneer de gewonde reiziger of de in artikel 27, § 2, bedoelde rechthebbenden zulks verlangen.

2.  De hoogte van de krachtens § 1 toe te kennen schadevergoeding wordt bepaald volgens het nationale recht. Bij de toepassing van deze Uniforme Regelen geldt evenwel per reiziger een maximumbedrag van 175 000 rekeneenheden van een gekapitaliseerde som of van een met deze som overeenstemmende jaarlijkse uitkering, voor zover in het nationale recht een lager maximumbedrag is bepaald.

Artikel 31

Andere vervoersmiddelen

1.  Behoudens § 2 zijn de bepalingen betreffende de aansprakelijkheid in geval van dood en letsel van reizigers niet van toepassing op schade die is ontstaan tijdens het vervoer dat overeenkomstig de vervoerovereenkomst geen spoorwegvervoer was.

2.  Wanneer evenwel spoorwegvoertuigen per veerboot worden vervoerd, zijn de bepalingen betreffende de aansprakelijkheid in geval van dood en letsel van reizigers van toepassing op de in artikel 26, § 1, en artikel 33, § 1, bedoelde schade veroorzaakt door een ongeval in het kader van de spoorwegexploitatie dat de reiziger is overkomen tijdens zijn verblijf in die voertuigen of bij het in- of uitstappen.

3.  Wanneer de spoorwegexploitatie ten gevolge van buitengewone omstandigheden tijdelijk wordt onderbroken en de reizigers met een ander vervoermiddel worden vervoerd, is de vervoerder krachtens deze Uniforme Regelen aansprakelijk.

Hoofdstuk II

Aansprakelijkheid in geval van niet-nakoming van de dienstregeling

Artikel 32

Aansprakelijkheid in geval van annulering, vertraging van een trein of gemiste aansluiting

1.  De vervoerder is jegens de reiziger aansprakelijk voor schade die het gevolg is van het feit dat door annulering, door de vertraging van een trein of door het missen van een aansluiting de reis niet op dezelfde dag kan worden voortgezet, of dat de voortzetting hiervan als gevolg van de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid kan worden verlangd. De schadevergoeding omvat de redelijke kosten voor overnachting en voor het waarschuwen van personen die de reiziger verwachten.

2.  De vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven, wanneer de annulering, de vertraging of het missen van een aansluiting te wijten is aan een van de volgende oorzaken:

a)  omstandigheden buiten de uitoefening van het spoorwegbedrijf, die de vervoerder ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen;

b)  schuld van de reiziger of

c)  het gedrag van een derde, dat de vervoerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen; een andere onderneming die dezelfde spoorweginfrastructuur gebruikt, wordt niet aangemerkt als een derde; het recht van regres wordt niet aangetast.

3.  Het nationale recht bepaalt of en in welke mate de vervoerder andere dan de in § 1 bedoelde schade moet vergoeden. Deze bepaling laat artikel 44 onverlet.

Hoofdstuk III

Aansprakelijkheid voor handbagage, dieren, ingeschreven bagage en voertuigen

AFDELING 1

Handbagage en dieren

Artikel 33

Handbagage en dieren

1.  In geval van dood en letsel van reizigers is de vervoerder bovendien aansprakelijk voor de schade ten gevolge van het gehele of gedeeltelijke verlies of van beschadiging van voorwerpen die de reiziger bij zich droeg of als handbagage bij zich had; dit geldt eveneens voor de dieren die de reiziger meegenomen had. Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing.

2.  Overigens is de vervoerder slechts aansprakelijk voor schade ten gevolge van het gehele of gedeeltelijke verlies van voorwerpen, handbagage of dieren, waarover de reiziger overeenkomstig artikel 15 verplicht is toezicht uit te oefenen, indien deze schade wordt veroorzaakt door schuld van de vervoerder. De overige artikelen van Titel IV, met uitzondering van artikel 51, en titel VI zijn in dit geval niet van toepassing.

Artikel 34

Beperking van schadevergoeding in geval van verlies of beschadiging van voorwerpen

Wanneer de vervoerder krachtens artikel 33, § 1, aansprakelijk is, moet hij de schade vergoeden tot ten hoogste 1 400 rekeneenheden per reiziger.

Artikel 35

Ontheffing van aansprakelijkheid

De vervoerder is jegens de reiziger niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van het feit dat de reiziger de voorschriften van de douane of van andere overheidsinstanties niet heeft nageleefd.

AFDELING 2

Ingeschreven bagage

Artikel 36

Aansprakelijkheidsgronden

1.  De vervoerder is aansprakelijk voor de schade ten gevolge van geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging van de ingeschreven bagage vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de aflevering, alsmede ten gevolge van de vertraging in de aflevering.

2.  De vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven voor zover het verlies, de beschadiging of de vertraging in de aflevering is veroorzaakt door schuld van de reiziger, door een opdracht van de reiziger die niet het gevolg is van de schuld van de vervoerder, door een inherent gebrek aan de ingeschreven bagage of door omstandigheden die de vervoerder niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen.

3.  De vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven, voor zover het verlies of de beschadiging een gevolg is van de bijzondere risico’s, verbonden aan een of meer van de volgende feiten:

a)  het ontbreken of de gebrekkigheid van de verpakking;

b)  de bijzondere aard van de bagage;

c)  de inschrijving van voorwerpen die van vervoer zijn uitgesloten als bagage.

Artikel 37

Bewijslast

1.  Het bewijs dat het verlies, de beschadiging of de vertraging in de aflevering door een van de in artikel 36, § 2, genoemde feiten is veroorzaakt, moet worden geleverd door de vervoerder.

2.  Wanneer de vervoerder bewijst dat het verlies of de beschadiging, gelet op de omstandigheden van het geval, kan zijn ontstaan uit een of meer van de in artikel 36, § 3, genoemde bijzondere risico’s, wordt vermoed dat het verlies of de beschadiging daardoor is veroorzaakt. De rechthebbende heeft evenwel het recht te bewijzen dat de schade geheel of gedeeltelijk niet door een van deze risico’s is veroorzaakt.

Artikel 38

Opeenvolgende vervoerders

Wanneer een vervoer dat het onderwerp vormt van één en dezelfde vervoerovereenkomst, door meerdere opeenvolgende vervoerders wordt verricht, treedt iedere vervoerder door het overnemen van de bagage met het bagagebewijs of door het overnemen van het voertuig met het vervoerbewijs, met betrekking tot het vervoer van de bagage of van de voertuigen, toe tot de vervoerovereenkomst overeenkomstig de bepalingen van het bagagebewijs of het vervoerbewijs en neemt hij de daaruit voortvloeiende verplichtingen op zich. In dit geval is iedere vervoerder aansprakelijk voor de uitvoering van het vervoer op het gehele vervoertraject tot aan de aflevering.

Artikel 39

Ondervervoerder

1.  Wanneer de vervoerder de uitvoering van het vervoer geheel of gedeeltelijk heeft toevertrouwd aan een ondervervoerder, al dan niet op grond van een aan hem in de vervoerovereenkomst toegekende bevoegdheid, blijft de vervoerder niettemin aansprakelijk voor het volledige vervoer.

2.  Alle bepalingen van deze Uniforme Regelen die betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de vervoerder zijn ook van toepassing op de aansprakelijkheid van de ondervervoerder met betrekking tot het door hem verrichte vervoer. Wanneer een vordering wordt ingesteld tegen zijn ondergeschikten en andere personen van wier diensten de ondervervoerder gebruikmaakt bij de uitvoering van het vervoer, zijn de artikelen 48 en 52 van toepassing.

3.  Een bijzondere overeenkomst waarin de vervoerder verplichtingen op zich neemt die niet op hem rusten krachtens deze Uniforme Regelen of waarin hij afziet van rechten die hem ingevolge deze Uniforme Regelen zijn toegekend, is niet bindend voor de ondervervoerder die hier niet uitdrukkelijk en schriftelijk mee heeft ingestemd. Ongeacht of de ondervervoerder deze overeenkomst al dan niet heeft aanvaard, blijft de vervoerder niettemin gebonden aan de uit deze bijzondere overeenkomst voortvloeiende verplichtingen of afstand van rechten.

4.  Wanneer en voor zover de vervoerder en de ondervervoerder aansprakelijk zijn, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.

5.  Het totale bedrag van de schadevergoeding verschuldigd door de vervoerder, de ondervervoerder alsmede door hun ondergeschikten en andere personen van wier diensten zij gebruikmaken bij de uitvoering van het vervoer is niet hoger dan de in de deze Uniforme Regelen voorgeschreven maximumbedragen.

6.  Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijke regresrechten tussen de vervoerder en de ondervervoerder.

Artikel 40

Vermoeden van verlies

1.  De rechthebbende kan zonder nader bewijs een collo als verloren beschouwen, wanneer het niet binnen 14 dagen na het overeenkomstig artikel 22, § 3, gedane verzoek tot aflevering aan hem is afgeleverd of te zijner beschikking is gesteld.

2.  Indien een als verloren beschouwd collo binnen een jaar na het verzoek tot aflevering wordt teruggevonden, moet de vervoerder daarvan kennis geven aan de rechthebbende, wanneer zijn adres bekend is of kan worden achterhaald.

3.  Binnen dertig dagen na ontvangst van de in § 2 bedoelde kennisgeving kan de rechthebbende verzoeken dat het collo aan hem wordt afgeleverd. In dit geval moet hij de kosten voor het vervoer van het collo van de plaats van verzending tot de plaats van aflevering betalen en de ontvangen schadevergoeding terugbetalen, onder aftrek, in voorkomend geval, van de kosten die in deze schadevergoeding begrepen zouden zijn geweest. Hij behoudt niettemin zijn in artikel 43 bedoelde rechten op schadevergoeding voor vertraging bij de aflevering.

4.  Indien het teruggevonden collo niet binnen de in § 3 bedoelde termijn is opgeëist of indien het collo meer dan een jaar na het verzoek tot aflevering wordt teruggevonden, beschikt de vervoerder daarover overeenkomstig de wetten en voorschriften die gelden op de plaats waar het collo zich bevindt.

Artikel 41

Schadevergoeding in geval van verlies

1.  In geval van geheel of gedeeltelijk verlies van bagage moet de vervoerder, met uitsluiting van elke andere schadevergoeding, betalen:

a)  indien de omvang van de schade is bewezen, een aan dit bedrag gelijke schadevergoeding, die echter niet meer kan bedragen dan 80 rekeneenheden per ontbrekend kilogram brutomassa of 1 200 rekeneenheden per collo;

b)  indien de omvang van de schade niet is bewezen, een vaste schadevergoeding van 20 rekeneenheden per ontbrekend kilogram brutomassa of 300 rekeneenheden per collo.

De wijze van vergoeding, per ontbrekend kilogram of per collo, wordt in de Algemene vervoervoorwaarden geregeld.

2.  De vervoerder moet bovendien de vervoerprijs van de bagage en de overige in verband met het vervoer van het verloren collo betaalde bedragen, alsook de reeds betaalde douanerechten en accijnzen terugbetalen.

Artikel 42

Schadevergoeding in geval van beschadiging

1.  In geval van beschadiging van bagage moet de vervoerder, met uitsluiting van elke andere schadevergoeding, een schadevergoeding betalen gelijk aan de waardevermindering van de bagage.

2.  De schadevergoeding bedraagt niet meer dan:

a)  indien de gehele bagage door de beschadiging in waarde is verminderd, het in geval van geheel verlies te betalen bedrag;

b)  indien slechts een gedeelte van de bagage door de beschadiging in waarde is verminderd, het in geval van verlies van het in waarde verminderde gedeelte te betalen bedrag.

Artikel 43

Schadevergoeding in geval van vertraging in de aflevering

1.  In geval van vertraging in de aflevering van de bagage moet de vervoerder voor elk ondeelbaar tijdvak van 24 uur te rekenen vanaf het verzoek tot aflevering, doch met een maximum van 14 dagen, betalen:

a)  indien de rechthebbende bewijst dat daardoor verlies of schade is ontstaan, een aan de omvang van de schade gelijke schadevergoeding tot ten hoogste 0,80 rekeneenheid per kilogram brutomassa of 14 rekeneenheden per collo van de met vertraging afgeleverde bagage;

b)  indien de rechthebbende niet bewijst dat daardoor verlies of schade is ontstaan, een vaste schadevergoeding van 0,14 rekeneenheid per kilogram bruto-massa of 2,80 rekeneenheden per collo van de met vertraging afgeleverde bagage.

De wijze van vergoeding, per kilogram of per collo, wordt in de Algemene vervoervoorwaarden geregeld.

2.  In geval van geheel verlies van de bagage komt de in § 1 bedoelde schadevergoeding niet bovenop die bedoeld in artikel 41.

3.  In geval van gedeeltelijk verlies van de bagage wordt de in § 1 bedoelde schadevergoeding voor het niet verloren gedeelte betaald.

4.  In geval van beschadiging van de bagage die niet het gevolg is van de vertraging in de aflevering, komt, in voorkomend geval, de in § 1 bedoelde schadevergoeding bovenop die bedoeld in artikel 42.

5.  In geen geval kan de som van de in § 1 bedoelde schadevergoeding en die van de artikelen 41 en 42 hoger zijn dan de schadevergoeding die verschuldigd is in geval van geheel verlies van de bagage.

AFDELING 3

Voertuigen

Artikel 44

Schadevergoeding in geval van vertraging

1.  In geval van aan de vervoerder te wijten vertraging bij het laden of in geval van vertraging bij de aflevering van een voertuig moet de vervoerder, wanneer de rechthebbende bewijst dat daardoor een verlies of schade is ontstaan, een schadevergoeding betalen die niet meer kan bedragen dan de vervoerprijs van het voertuig.

2.  Indien de rechthebbende, in geval van aan de vervoerder te wijten vertraging bij het laden, afziet van uitvoering van de vervoerovereenkomst wordt de vervoerprijs aan hem terugbetaald. Bovendien kan hij, wanneer hij bewijst dat door deze vertraging verlies of schade is ontstaan, een schadevergoeding eisen die niet meer kan bedragen dan de vervoerprijs.

Artikel 45

Schadevergoeding in geval van verlies

Bij geheel of gedeeltelijk verlies van een voertuig wordt de aan de rechthebbende voor de bewezen schade of het bewezen verlies te betalen schadevergoeding berekend volgens de gebruikelijke waarde van het voertuig. Deze vergoeding kan niet meer dan 8 000 rekeneenheden bedragen. Een al dan niet beladen aanhangwagen wordt als een afzonderlijk voertuig beschouwd.

Artikel 46

Aansprakelijkheid met betrekking tot andere voorwerpen

1.  Met betrekking tot voorwerpen achtergelaten in het voertuig of in stevig aan het voertuig bevestigde houders (bijvoorbeeld dakkoffers voor bagage of ski’s) is de vervoerder slechts aansprakelijk voor door zijn schuld veroorzaakte schade. De totale schadevergoeding bedraagt niet meer dan 1 400 rekeneenheden.

2.  Met betrekking tot aan de buitenkant van het voertuig bevestigde voorwerpen, met inbegrip van de in § 1 bedoelde houders, is de vervoerder slechts aansprakelijk indien is bewezen dat het verlies of de schade is ontstaan door een handeling of nalaten van de vervoerder geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien.

Artikel 47

Toepasselijk recht

Behoudens de bepalingen van deze afdeling zijn de bepalingen van afdeling 2 met betrekking tot de aansprakelijkheid voor bagage van toepassing op voertuigen.

Hoofdstuk IV

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 48

Verlies van het recht om beperkingen van aansprakelijkheid in te roepen

De in deze Uniforme Regelen bedoelde beperkingen van aansprakelijkheid alsook de bepalingen van het nationale recht die de vergoedingen tot een bepaald bedrag beperken, zijn niet van toepassing, indien is bewezen dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van de vervoerder geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien.

Artikel 49

Omrekening en rente

1.  Wanneer voor de berekening van de schadevergoeding omrekening van bedragen uitgedrukt in buitenlandse munteenheden vereist is, vindt omrekening plaats volgens de koers die geldt op de dag en de plaats van betaling van de schadevergoeding.

2.  De rechthebbende kan een rente ten bedrage van vijf procent per jaar over de schadevergoeding verlangen, vanaf de dag van het indienen van de in artikel 55 bedoelde vordering buiten rechte of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag van het instellen van de rechtsvordering.

3.  Voor de krachtens de artikelen 27 en 28 verschuldigde schadevergoeding loopt de rente evenwel vanaf de dag, waarop de voor de vaststelling van het vergoedingsbedrag bepalende feiten zijn voorgevallen, indien deze dag later valt dan die van het indienen van de vordering buiten rechte of van het instellen van de rechtsvordering.

4.  Met betrekking tot bagage is de rente slechts verschuldigd, indien de schadevergoeding meer bedraagt dan 16 rekeneenheden per bagagebewijs.

5.  Met betrekking tot bagage loopt de rente niet, indien de rechthebbende niet binnen een hem gestelde redelijke termijn de voor de definitieve regeling van de vordering nodige bewijsstukken aan de vervoerder overlegt, tussen de afloop van deze termijn en de daadwerkelijke overlegging van de stukken.

Artikel 50

Aansprakelijkheid in geval van een kernongeval

De vervoerder is ontheven van de krachtens deze Uniforme Regelen op hem rustende aansprakelijkheid, wanneer de schade is veroorzaakt door een kernongeval en wanneer de exploitant van een kerninstallatie of een voor hem in de plaats tredende persoon voor die schade aansprakelijk is krachtens de wetten en voorschriften van een staat die de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie regelen.

Artikel 51

Personen voor wie de vervoerder aansprakelijk is

De vervoerder is aansprakelijk voor zijn ondergeschikten en voor andere personen van wier diensten hij gebruik maakt bij de uitvoering van het vervoer, wanneer deze ondergeschikten of andere personen handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden. De beheerders van de spoorweginfrastructuur waarop het vervoer wordt verricht, worden beschouwd als personen van wier diensten de vervoerder gebruik maakt bij de uitvoering van het vervoer.

Artikel 52

Andere vorderingen

1.  In alle gevallen waar deze Uniforme Regelen van toepassing zijn, kan tegen de vervoerder slechts een vordering wegens aansprakelijkheid, ongeacht de rechtsgrond, worden ingesteld onder de voorwaarden en beperkingen van deze Uniforme Regelen.

2.  Hetzelfde geldt voor een vordering ingesteld tegen de ondergeschikten en de andere personen voor wie de vervoerder krachtens artikel 51 aansprakelijk is.

TITEL V

AANSPRAKELIJKHEID VAN DE REIZIGER

Artikel 53

Bijzondere aansprakelijkheidsgronden

De reiziger is jegens de vervoerder aansprakelijk voor alle schade:

a)  die het gevolg is van het niet nakomen van zijn verplichtingen krachtens

1.  de artikelen 10, 14 en 20,

2.  de bijzondere bepalingen voor het vervoer van voertuigen in de Algemene vervoervoorwaarden, of

3.  het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID), of

b)  veroorzaakt door voorwerpen of dieren die hij meeneemt, tenzij hij bewijst dat de schade een gevolg is van omstandigheden die hij, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen. Deze bepaling laat de aansprakelijkheid die op de vervoerder kan rusten krachtens de artikelen 26 en 33, § 1, onverlet.

TITEL VI

UITOEFENING VAN RECHTEN

Artikel 54

Vaststelling van gedeeltelijk verlies of beschadiging

1.  Wanneer een gedeeltelijk verlies of een beschadiging van een voorwerp dat onder de hoede van de vervoerder wordt vervoerd (bagage, voertuigen), door de vervoerder wordt ontdekt of vermoed of door de rechthebbende wordt beweerd, moet de vervoerder onverwijld en zo mogelijk in aanwezigheid van de rechthebbende een proces-verbaal opmaken dat naargelang de aard van de schade, de toestand van het voorwerp en zo mogelijk de omvang, de oorzaak en het tijdstip waarop de schade is ontstaan vermeldt.

2.  Een afschrift van dit proces-verbaal moet kosteloos aan de rechthebbende worden verstrekt.

3.  Wanneer de rechthebbende niet met de vermeldingen in het proces-verbaal instemt, kan hij verlangen dat de toestand van de bagage of van het voertuig alsmede de oorzaak en het bedrag van de schade worden vastgesteld door een door de partijen bij de vervoerovereenkomst of door de rechter benoemde deskundige. De procedure is onderworpen aan de wetten en voorschriften van de staat waar de vaststelling geschiedt.

Artikel 55

Vorderingen buiten rechte

1.  Vorderingen buiten rechte met betrekking tot de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood en letsel van reizigers moeten schriftelijk worden ingediend bij de vervoerder tegen wie de rechtsvordering kan worden ingesteld. Wanneer het een vervoer betreft dat het onderwerp vormt van een en dezelfde overeenkomst en dat wordt verricht door opeenvolgende vervoerders kunnen de vorderingen buiten rechte worden ingediend zowel bij de eerste als bij de laatste vervoerder alsook bij de vervoerder die zijn hoofdzetel of bijkantoor of vestiging waar de vervoerovereenkomst werd gesloten, heeft in de staat waarin de reiziger zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.

2.  Andere vorderingen buiten rechte met betrekking tot de vervoerovereenkomst moeten schriftelijk bij de in artikel 56, §§ 2 en 3, bedoelde vervoerder worden ingediend.

3.  De stukken die de rechthebbende bij zijn vordering buiten rechte wil voegen, moeten worden overgelegd in origineel of, in voorkomend geval op verzoek van de vervoerder, in een naar behoren gewaarmerkt afschrift. Bij de regeling van de vordering buiten rechte kan de vervoerder de teruggave van het vervoerbewijs, het bagagebewijs en het vervoerbewijs van het voertuig verlangen.

Artikel 56

Vervoerders die in rechte kunnen worden aangesproken

1.  De op de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood en letsel van reizigers gegronde rechtsvordering kan slechts worden ingesteld tegen een krachtens artikel 26, § 5, aansprakelijke vervoerder.

2.  Behoudens § 4 kunnen andere op de vervoerovereenkomst gegronde rechtsvorderingen van reizigers uitsluitend worden ingesteld tegen de eerste of laatste vervoerder of tegen de vervoerder die dat deel van het vervoer verrichtte gedurende welke het feit dat tot de rechtsvordering heeft geleid, zich heeft voorgedaan.

3.  Wanneer in geval het vervoer wordt verricht door opeenvolgende vervoerders, de vervoerder die de bagage of het voertuig moet afleveren met zijn instemming is ingeschreven op het bagagebewijs of het vervoerbewijs, kan overeenkomstig § 2 de rechtsvordering tegen hem worden ingesteld, zelfs als hij de bagage of het voertuig niet heeft ontvangen.

4.  De rechtsvordering tot terugbetaling van een krachtens de vervoerovereenkomst betaald bedrag kan worden ingesteld tegen de vervoerder die dit bedrag heeft geïnd of tegen degene ten voordele van wie dit bedrag is geïnd.

5.  De rechtsvordering kan tegen een andere dan de in de §§ 2 en 4 bedoelde vervoerders worden ingesteld als tegeneis of als verweer in een geding over een op dezelfde vervoerovereenkomst gegronde vordering.

6.  Voorzover deze Uniforme Regelen van toepassing zijn op de ondervervoerder, kan tegen hem eveneens een rechtsvordering worden ingesteld.

7.  Indien de eiser de keuze heeft tussen meer vervoerders, vervalt zijn keuzerecht zodra de rechtsvordering tegen een van hen is ingesteld; dit geldt eveneens indien de eiser de keuze heeft tussen een of meer vervoerders en een ondervervoerder.

Artikel 58

Verval van de vordering in geval van dood en letsel

1.  Elke vordering van de rechthebbende, gegrond op de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood of letsel van reizigers, vervalt indien hij niet binnen twaalf maanden, te rekenen vanaf het ogenblik dat hij kennis heeft van de schade, het aan de reiziger overkomen ongeval heeft meegedeeld aan een van de vervoerders, bij wie een vordering buiten rechte kan worden ingesteld volgens artikel 55, § 1. Wanneer de rechthebbende het ongeval mondeling heeft meegedeeld aan de vervoerder, moet deze aan hem een bevestiging van de mondelinge kennisgeving afgeven.

2.  De vordering vervalt evenwel niet, indien

a)  de rechthebbende binnen de in § 1 bedoelde termijn een vordering buiten rechte bij een van de in artikel 55, § 1, bedoelde vervoerders heeft ingediend;

b)  de aansprakelijke vervoerder binnen de in § 1 bedoelde termijn op een andere wijze kennis heeft gekregen van het ongeval dat de reiziger is overkomen;

c)  van het ongeval niet of te laat kennis is gegeven ten gevolge van aan de rechthebbende niet toe te rekenen omstandigheden;

d)  de rechthebbende bewijst dat het ongeval is veroorzaakt door de schuld van de vervoerder.

Artikel 59

Verval van de vordering uit bagagevervoer

1.  Door de inontvangstneming van de bagage door de rechthebbende vervalt elke vordering uit de vervoerovereenkomst tegen de vervoerder in geval van gedeeltelijk verlies, beschadiging of vertraging bij de aflevering.

2.  De vordering vervalt evenwel niet:

a)  in geval van gedeeltelijk verlies of beschadiging, indien

1.  het verlies of de beschadiging overeenkomstig artikel 54 is vastgesteld vóór de inontvangstneming van de bagage door de rechthebbende,

2.  de vaststelling, die overeenkomstig artikel 54 had moeten geschieden, slechts door de schuld van de vervoerder achterwege is gebleven;

b)  in geval van uiterlijk niet waarneembare schade, die is vastgesteld na de inontvangstneming van de bagage door de rechthebbende, indien deze

1.  de vaststelling overeenkomstig artikel 54 onmiddellijk na de ontdekking van de schade en uiterlijk binnen drie dagen na de inontvangstneming van de bagage verlangt, en

2.  bovendien bewijst, dat de schade tussen de aanneming ten vervoer door de vervoerder en de aflevering is ontstaan;

c)  in geval van vertraging bij de aflevering, indien de rechthebbende zijn rechten binnen eenentwintig dagen bij een van de in artikel 56, § 3, bedoelde vervoerders heeft doen gelden;

d)  indien de rechthebbende bewijst dat de schade het gevolg is van de schuld van de vervoerder.

Artikel 60

Verjaring

1.  De op de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood en letsel van reizigers gegronde rechtsvorderingen tot schadevergoeding verjaren:

a)  voor de reiziger, door verloop van drie jaar te rekenen van de dag na het ongeval;

b)  voor de andere rechthebbenden, door verloop van drie jaar te rekenen van de dag na het overlijden van de reiziger, doch van ten hoogste vijf jaar te rekenen van de dag na het ongeval.

2.  De andere rechtsvorderingen uit de vervoerovereenkomst verjaren door verloop van één jaar. De verjaringstermijn bedraagt evenwel twee jaar indien de rechtsvordering gegrond is op een schade ontstaan uit een handeling of nalaten geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien.

3.  De in § 2 bedoelde verjaring neemt een aanvang bij rechtsvorderingen:

a)  tot schadevergoeding wegens geheel verlies: op de veertiende dag na afloop van de in artikel 22, § 3, bedoelde termijn;

b)  tot schadevergoeding wegens gedeeltelijk verlies, beschadiging of vertraging bij de aflevering: op de dag van de aflevering;

c)  in alle overige gevallen betreffende het reizigersvervoer: op de dag van het verstrijken van de geldigheid van het vervoerbewijs.

De als begin van de verjaringstermijn vermelde dag is nimmer in deze termijn begrepen.

4.  […]

5.  […]

6.  Overigens geldt voor de schorsing en de stuiting van de verjaring het nationale recht.

TITEL VII

ONDERLINGE BETREKKINGEN TUSSEN DE VERVOERDERS

Artikel 61

Verdeling van de vervoerprijs

1.  Elke vervoerder moet aan de betrokken vervoerders het hun toekomende aandeel betalen van een vervoerprijs, die hij heeft geïnd of had moet innen. De wijze van betaling wordt in een overeenkomst tussen de vervoerders vastgelegd.

2.  Artikel 6, § 3, artikel 16, § 3; en artikel 25 zijn eveneens van toepassing op de betrekkingen tussen opeenvolgende vervoerders.

Artikel 62

Recht van regres

1.  De vervoerder die krachtens deze Uniforme Regelen een schadevergoeding heeft betaald, heeft recht van regres jegens de bij het vervoer betrokken vervoerders overeenkomstig de volgende bepalingen:

a)  de vervoerder die het verlies of de schade heeft veroorzaakt, is daarvoor alleen aansprakelijk;

b)  wanneer het verlies of de schade is veroorzaakt door meer vervoerders, is elk van hen aansprakelijk voor het door hem veroorzaakte verlies of de door hem veroorzaakte schade; is deze toedeling niet mogelijk, dan wordt de schadevergoeding onder hen volgens c) verdeeld;

c)  indien niet kan worden bewezen welke vervoerder het verlies of de schade heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding onder alle bij het vervoer betrokken vervoerders verdeeld, met uitsluiting van hen die bewijzen, dat het verlies of de schade niet door hen is veroorzaakt; de verdeling geschiedt naar evenredigheid van het aandeel in de vervoerprijs dat aan elke vervoerder toekomt.

2.  In geval van onvermogen om te betalen van een van de vervoerders wordt het te zijnen laste komende en door hem niet betaalde aandeel onder de andere bij het vervoer betrokken vervoerders verdeeld naar evenredigheid van het aandeel in de vervoerprijs dat aan elk van hen toekomt.

Artikel 63

Regresprocedure

1.  De gegrondheid van de betaling verricht door de vervoerder die krachtens artikel 62 het regres uitoefent, kan niet betwist worden door de vervoerder tegen wie het bedoeld regres wordt uitgeoefend, wanneer de schadevergoeding door de rechter is vastgesteld en wanneer deze laatstgenoemde vervoerder, naar behoren gedagvaard, de mogelijkheid is geboden tot tussenkomst in het geding. De rechter bij wie de hoofdvordering aanhangig is, stelt de termijnen voor de betekening van de dagvaarding en voor de tussenkomst vast.

2.  De vervoerder die het regres uitoefent, moet zijn vordering instellen in één en hetzelfde geding tegen alle vervoerders met wie hij geen schikking heeft getroffen, op straffe van verlies van regres jegens de niet gedagvaarde vervoerders.

3.  De rechter beslist in één uitspraak over alle bij hem aanhangige regresvorderingen.

4.  De vervoerder die zijn recht van regres wil uitoefenen, kan zijn vordering aanhangig maken bij de rechters van de staat op het grondgebied waarvan een van de bij het vervoer betrokken vervoerders zijn hoofdzetel of bijkantoor of vestiging waar de vervoerovereenkomst is gesloten, heeft.

5.  Wanneer de rechtsvordering tegen meer vervoerders moet worden ingesteld, kan de vervoerder die zijn regres uitoefent, kiezen tussen de volgens § 4 bevoegde rechterlijke instanties waarvoor hij zijn regresvordering aanhangig zal maken.

6.  Regresvorderingen kunnen niet aanhangig worden gemaakt door het instellen van een rechtsvordering in het geding dat de rechthebbende heeft ingesteld om schadevergoeding te verlangen op grond van de vervoerovereenkomst.

Artikel 64

Overeenkomsten betreffende regres

De vervoerders kunnen onderling overeenkomsten afsluiten die afwijken van de artikelen 61 en 62.

BIJLAGE II

DOOR SPOORWEGONDERNEMINGEN EN VERKOPERS VAN VERVOERBEWIJZEN TE VERSTREKKEN MINIMUMINFORMATIE

Deel I: Informatie vóór de reis

–  Algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn

–  Dienstregelingen en voorwaarden betreffende de snelste reisweg

–  Dienstregelingen en voorwaarden betreffende alle beschikbare tarieven, inclusief de laagste tarieven [Am. 125]

–  Toegankelijkheid, toegangsvoorwaarden en beschikbaarheid aan boord van faciliteiten voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, overeenkomstig de in Richtlijn XXX vastgestelde eisen inzake toegankelijkheid.

–  Toegangsvoorwaarden Toegangsregelingen voor fietsen [Am. 126]

–  Beschikbaarheid van zitplaatsen voor alle toepasselijke tarieven in niet-rokerscoupés rook- (en, niet-rokerscoupés indien van toepassing, rokerscoupés), eerste en tweede klas en couchettes en slaapwagens [Am. 127]

–  Activiteiten die de diensten kunnen verstoren of vertragen Storingen en vertragingen (gepland en in realtime [Am. 128]

–  Beschikbaarheid van diensten aan boord, met inbegrip van wifi en toiletten [Am. 129]

–  Procedures voor terugvordering bij verlies van bagage

–  Procedure voor de indiening van klachten

Deel II: Informatie tijdens de reis

–  Diensten aan boord, met inbegrip van wifi [Am. 130]

–  Volgend station

–  Vertragingen Storingen en vertragingen (gepland en in realtime) [Am. 131]

–  Belangrijkste aansluitende diensten

–  Beveiligings- en veiligheidskwesties

BIJLAGE III

MINIMUMKWALITEITSNORMEN VOOR DIENSTVERLENING

I.  Eisen voor spoorwegondernemingen

Uiterlijk op 30 juni van elk jaar moeten spoorwegondernemingen het verslag over de kwaliteit van de dienstverlening tijdens het voorgaande boekjaar op hun website publiceren en naar de nationale handhavingsinstantie en het Spoorwegbureau van de Europese Unie sturen voor publicatie op zijn website. De onderneming publiceert het verslag op zijn website in zijn officiële nationale ta(a)l(en) en, indien mogelijk, in andere talen van de Unie, met inbegrip van een samenvatting in het Engels.

Het verslag over de kwaliteit van de dienstverlening bevat minstens informatie over het volgende:

1)  De stiptheid van de diensten en de algemene beginselen die spoorwegondernemingen volgen in het geval van verstoringen van de diensten

(a)  vertragingen

(i)  totale gemiddelde vertraging van de treinen, uitgedrukt als percentage per dienstencategorie (internationaal, binnenlands over lange afstanden, regionaal, en stedelijk/voorstedelijk);

(ii)  percentage van de treinen met vertraging bij vertrek;

(iii)  percentage van de treinen met vertraging bij aankomst:

–  percentage vertragingen van minder dan 60 minuten;

–  percentage vertragingen tussen 60 91 en 119 120 minuten; [Am. 132]

–  percentage vertragingen van 120 minuten of meer;

(b)  annuleringen van diensten

annuleringen van diensten, uitgedrukt als percentage per dienstencategorie (internationaal, binnenlands over lange afstanden, regionaal, en stedelijk/voorstedelijk);

(c)  toepassing van de verordening met betrekking tot vertragingen en annuleringen van diensten:

(i)  aantal passagiers aan wie zorg en bijstand werd verleend;

(ii)  kosten van de verlening van deze zorg en bijstand;

(iii)  aantal passagiers aan wie een vergoeding werd toegekend;

(iv)  kosten van de toegekende vergoeding;

(2)  Klanttevredenheidsenquête

Categorieën die minstens in de enquête moeten worden opgenomen:

(i)  stiptheid van de treinen;

(ii)  informatie aan passagiers in geval van vertraging;

(iii)  nauwkeurigheid en beschikbaarheid van informatie op treinen;

(iv)  kwaliteit van het onderhoud/staat van de treinen;

(v)  niveau van de beveiliging op de treinen;

(vi)  netheid in de treinen;

(vii)  verstrekking van nuttige informatie tijdens de volledige reis, met inbegrip van informatie over wifi en andere diensten aan boord; [Am. 133]

(viii)  beschikbaarheid van toiletten van goede kwaliteit op elke trein;

(ix)  netheid en onderhoud van stations volgens hoge normen;

(x)  toegankelijkheid van treinen en faciliteiten aan boord, met inbegrip van toegankelijke toiletten;

(xi)  aantal incidenten en kwaliteit van de bijstand die effectief aan boord wordt verleend aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit, overeenkomstig artikel 24, ongeacht of vooraf een verzoek om bijstand werd ingediend of niet.

(3)  Behandeling van klachten

(i)  aantal klachten en resultaat;

(ii)  categorieën klachten;

(iii)  aantal verwerkte klachten;

(iv)  gemiddelde responstijd;

(v)  mogelijke verbeteringen, genomen maatregelen.

(4)  Bijstand aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit

aantal gevallen van bijstand per dienstencategorie (internationaal, binnenlands over lange afstanden, regionaal en stedelijk/voorstedelijk).

(5)  Verstoringen

Overzicht en korte beschrijving van noodplannen, plannen voor crisisbeheer.

II.  Eisen voor stationbeheerders en infrastructuurbeheerders

De verslagen over de kwaliteit van de diensten bevat minstens informatie over het volgende:

(1)  Informatie en vervoersbewijzen

(i)  procedure voor de behandeling van verzoeken om informatie in het station;

(ii)  procedure om informatie te verstrekken over dienstregelingen, tarieven en perrons, kwaliteit van de informatie;

(iii)  affichering van informatie over rechten en verplichtingen uit hoofde van de verordening en over contactgegevens van nationale handhavingsinstanties;

(iv)  mogelijkheden om vervoersbewijzen te kopen;

(v)  beschikbaarheid van personeel in het station om informatie te verstrekken en vervoersbewijzen te verkopen;

(vi)  verstrekking van informatie aan personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit;

(2)  Algemene beginselen in het geval van verstoringen van de dienstverlening

(i)  aantal passagiers aan wie zorg en bijstand werden verleend;

(ii)  kosten van de verlening van deze zorg en bijstand;

(3)  Beschrijving van de maatregelen om de netheid van de stationsfaciliteiten (toiletten enz.) te garanderen

(i)  schoonmaakintervals;

(ii)  beschikbaarheid van toiletten;

(4)  Klanttevredenheidsenquête

Categorieën die minstens in de enquête moeten worden opgenomen:

(i)  informatie voor passagiers in geval van vertraging;

(ii)  nauwkeurigheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid van informatie over dienstregelingen/perrons;

(iii)  niveau van de beveiliging in het station;

(iv)  benodigde tijd om te antwoorden op verzoeken om informatie in stations;

(v)  beschikbaarheid van toiletten van goede kwaliteit in het station (met inbegrip van toegankelijkheid);

(vi)  netheid en onderhoud van stations;

(vii)  toegankelijkheid van het station en de stationsfaciliteiten, met inbegrip van traploze toegangen voor personen en bagage, roltrappen en liften; [Am. 134]

(viii)  aantal incidenten en kwaliteit van de dienstverlening aan personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit in het station.

BIJLAGE IV

PROCEDURE VOOR DE BEHANDELING VAN KLACHTEN DOOR NATIONALE HANDHAVINGSINSTANTIES

In complexe gevallen, bijvoorbeeld in het geval van meerdere claims of exploitanten, grensoverschrijdende reizen of ongevallen op het grondgebied van een andere lidstaat dan die welke de vergunning van de onderneming heeft afgegeven, werken de nationale handhavingsinstanties samen om een "leidende" instantie aan te wijzen, die optreedt als enig contactpunt voor de passagiers, met name als het onduidelijk is welke nationale handhavingsinstantie bevoegd is of als dit de oplossing voor de klacht vergemakkelijkt of bespoedigt. Alle betrokken nationale handhavingsinstanties werken samen om een oplossing voor de klacht te faciliteren (ook door informatie uit te wisselen, te helpen met de vertaling van documenten en informatie over de omstandigheden van incidenten te verstrekken). Aan de passagiers wordt meegedeeld welke instantie optreedt als "leidende" instantie. Daarnaast waarborgen de nationale handhavingsinstanties in alle gevallen naleving van Verordening (EU) 2017/2394. [Am. 135]

BIJLAGE V

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1371/2007

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 1, onder a)

Artikel 1, onder a)

Artikel 1, onder b)

Artikel 1, onder b)

----

Artikel 1, onder c)

Artikel 1, onder c)

Artikel 1, onder d)

----

Artikel 1, onder e)

Artikel 1, onder d)

Artikel 1, onder f)

Artikel 1, onder e)

Artikel 1, onder g)

----

Artikel 1, onder h)

Artikel 1, onder f)

Artikel, onder i)

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 2

----

Artikel 2, lid 3

----

Artikel 2, lid 4

----

Artikel 2, lid 5

----

Artikel 2, lid 6

----

Artikel 2, lid 7

----

----

Artikel 2, lid 2

----

Artikel 2, lid 3

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, leden 2 en 3

----

Artikel 3, lid 4

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 5

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 6

Artikel 3, lid 4

Artikel 3, lid 7

Artikel 3, lid 5

Artikel 3, lid 8

Artikel 3, lid 6

Artikel 3, lid 9

Artikel 3, lid 7

Artikel 3, lid 10

Artikel 3, lid 8

----

Artikel 3, lid 9

----

Artikel 3, lid 10

Artikel 3, lid 11

Artikel 3, lid 11

----

Artikel 3, lid 12

Artikel 3, lid 12

Artikel 3, lid 13

Artikel 3, lid 13

Artikel 3, lid 14

Artikel 3, lid 14

----

Artikel 3, lid 15

Artikel 3, lid 16

Artikel 3, lid 16

Artikel 3, lid 17

Artikel 3, lid 17

Artikel 3, lid 18

----

Artikel 3, lid 19

Artikel 4

Artikel 4

----

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9

----

Artikel 9, lid 4

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 9, lid 3

----

----

Artikel 10, leden 5 en 6

Artikel 10

----

Artikel 11

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12

Artikel 12, lid 2

----

Artikel 13

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 16

----

Artikel 16, leden 2 en 3

Artikel 17

Artikel 17

----

Artikel 17, lid 8

Artikel 18

Artikel 18

----

Artikel 18, lid 6

----

Artikel 19

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 21, lid 1

----

Artikel 21, lid 2

Artikel 22, lid 2, en artikel 23, lid 2

Artikel 22

Artikel 22

Artikel 22, lid 2

----

----

Artikel 22, lid 4

Artikel 23

Artikel 23

----

Artikel 23, lid 4

Artikel 24

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 25, leden 1, 2 en 3

----

Artikel 26

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 27

Artikel 28

----

Artikel 28, lid 3

Artikel 27, lid 3

Artikel 28, lid 4

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 30

Artikel 31

----

Artikel 32, 33

Artikel 31

Artikel 34

----

Artikel 34, leden 1 en 3

Artikel 32

Artikel 35

Artikel 33

----

Artikel 34

Artikel 36

Artikel 35,

----

----

Artikel 37

Artikel 36

Artikel 38

----

Artikel 39

Artikel 37

Artikel 40

Bijlage I

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage II

Bijlage III

Bijlage III

----

Bijlagen IV en V

(1)PB C 197 van 8.6.2018, blz. 66.
(2)Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 14).
(3) Verordening (EU) nr. 454/2011 van de Commissie van 5 mei 2011 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem telematicatoepassingen ten dienste van passagiers van het trans-Europees spoorwegsysteem (PB L 123 van 12.5.2011, blz. 11).
(4) Verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem in de Unie voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit (PB L 356 van 12.12.2014, blz. 110).
(5)Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(6) Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 63).
(7) Verordening (EU) nr. 524/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 1).
(8) Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 1).
(9)Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(10)PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(11) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(12)Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 32).
(13)Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PB L 326 van 11.12.2015, blz. 1).
(14)Richtlijn XXX betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten (Europese Toegankelijkheidswet) (PB L X van X.X.XXXX, blz. X).
(15) Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1).
(16) Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1926 van de Commissie van 31 mei 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het aanbieden van EU-brede multimodale reisinformatiediensten (PB L 272 van 21.10.2017, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 11 mei 2020Juridische mededeling - Privacybeleid