Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0228(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0409/2018

Ingediende teksten :

A8-0409/2018

Debatten :

PV 11/12/2018 - 21
CRE 11/12/2018 - 21

Stemmingen :

PV 12/12/2018 - 19.2
CRE 12/12/2018 - 19.2
Stemverklaringen
Stemverklaringen
PV 17/04/2019 - 16.13

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0517
P8_TA(2019)0420

Aangenomen teksten
PDF 370kWORD 128k
Woensdag 12 december 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Vaststelling van de Connecting Europe Facility ***I
P8_TA(2018)0517A8-0409/2018
Tekst
 Geconsolideerde tekst

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 12 december 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 (COM(2018)0438 – C8-0255/2018 – 2018/0228(COD))(1)
AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(2)
op het voorstel van de Commissie
---------------------------------------------------------

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

[Amendement 1 tenzij anders bepaald]

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0409/2018).
(2)* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.


Voorstel voor een
VERORDENING (EU) .../... VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 172 en 194,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Om slimme, duurzame en inclusieve groei te creëren en het scheppen van banen te bevorderen, en om de langetermijnverbintenissen op het gebied van decarbonisatie te eerbiedigen, heeft de Unie behoefte aan een moderne, multimodale hoogwaardige vervoers-, digitale en energie-infrastructuur die alle regio's, met inbegrip van afgelegen, ultraperifere, insulaire, perifere en bergachtige regio's, van de Unie met elkaar verbindt en integreert. Die verbindingen moeten het vrij verkeer van personen, inclusief personen met beperkte mobiliteit, goederen, kapitaal en diensten ten goede komen. De trans-Europese netwerken moeten grensoverschrijdende verbindingen faciliteren, voor een sterkere economische, maatschappelijke en territoriale cohesie zorgen en bijdragen aan een meer concurrerende en duurzamere sociale markteconomie en aan de strijd tegen de klimaatverandering.

(2)  De Connecting Europe Facility (CEF, "het programma") heeft tot doel de investeringen in trans-Europese netwerken te versnellen en via een hefboomeffect financiële middelen uit de publieke en particuliere sector aan te trekken; tegelijk moet de CEF meer rechtszekerheid bieden en het beginsel van technologische neutraliteit in acht nemen. Het programma moet ervoor zorgen dat synergieën tussen de vervoers-, energie- en digitale sector optimaal worden benut, waardoor het Unieoptreden meer effect sorteert en de uitvoeringskosten kunnen worden geoptimaliseerd.

(2 bis)  Het programma moet bijdragen aan het bevorderen van de territoriale toegankelijkheid en de connectiviteit van alle regio's van de Unie, met inbegrip van de afgelegen, ultraperifere, insulaire, perifere, bergachtige en grensoverschrijdende regio's, alsook de ontvolkte en dunbevolkte gebieden.

(3)  Het programma moet eveneens bijdragen tot Unieoptreden tegen klimaatverandering, de ondersteuning van milieuvriendelijke en sociaal duurzame projecten en, in voorkomend geval, acties voor matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering. Met name de bijdrage van het programma aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, de voorgestelde klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de langetermijndoelstelling op het gebied van decarbonisatie moet worden versterkt.

(3 bis)   Het programma moet een hoog niveau van transparantie waarborgen door toegang te verlenen tot de betreffende documenten, in het bijzonder indien projecten invloed hebben op het milieu en de menselijke gezondheid. In de beoordelingsprocedure van projecten moet rekening worden gehouden met sociale en cohesiecriteria, en met name de aanvaarding ervan door lokale gemeenschappen. [Am. 82]

(4)  Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de 17 duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, moeten klimaatmaatregelen in deze verordening worden geïntegreerd met het oog op de algemene doelstelling om 25 % van de Uniebegroting te spenderen aan maatregelen die bijdragen tot de klimaatdoelstellingen(3). Acties in het kader van dit programma moeten ertoe bijdragen dat 60 % van de begroting van het programma wordt besteed aan klimaatdoelstellingen, onder meer op basis van ▌Rio-indicatoren: ▌ Uitgaven voor spoorweg- en binnenvaartinfrastructuur, elektrische laadpunten, alternatieve en duurzame brandstoffen voor alle vervoerswijzen, energie-efficiëntie, schoon stadsvervoer, transport ▌van elektriciteit, slimme netwerken, CO2-transport, hernieuwbare energie, ▌ de binnenvaart, multimodaal vervoer en gasinfrastructuur, moeten in overeenstemming zijn met de klimaatdoelstellingen. De betrokken acties zullen tijdens de voorbereiding en de uitvoering van het programma worden vastgesteld en opnieuw worden beoordeeld in het kader van de relevante evaluatie- en herzieningsprocedures. Om te voorkomen dat infrastructuur kwetsbaar is voor de langetermijneffecten van de klimaatverandering en ervoor te zorgen dat in de economische evaluatie van een project rekening wordt gehouden met de kosten van broeikasgasemissies die dat project genereert, moeten door het programma gesteunde projecten aan een klimaattoets worden onderworpen overeenkomstig richtsnoeren die door de Commissie moeten worden ontwikkeld in samenhang met de voor andere Unieprogramma's opgestelde richtsnoeren. Conform de doelstellingen en de toezeggingen van de Unie om de gevolgen van de klimaatverandering te verminderen, spoort het programma de modaliteitsverschuiving naar duurzamere vervoerswijzen, zoals vervoer per spoor, schoon stadsvervoer, vervoer over water en binnenwateren aan.

(5)  Om te voldoen aan de rapportageverplichtingen van artikel 11, onder c) van Richtlijn (EU) 2016/2284 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG, met betrekking tot de besteding van Uniemiddelen voor de ondersteuning van de maatregelen om aan de doelstellingen van die richtlijn te voldoen, wordt een overzicht bijgehouden van de uitgaven voor het terugdringen van de uitstoot of luchtverontreiniging in het kader van deze richtlijn.

(6)  Een belangrijke doelstelling van dit programma is meer synergieën en complementariteit tot stand brengen tussen de vervoers-, de energie- en de digitale sector. Daartoe moeten de werkprogramma's effectief gericht zijn op specifieke gebieden zoals geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit, duurzame alternatieve brandstoffen, inclusief de relevante infrastructuur voor alle vervoerswijzen of gezamenlijke grensoverschrijdende infrastructuren, en voorzien in een grotere flexibiliteit met het oog op de samenvoeging van financiële steun in deze sectoren. Digitale communicatie zou een integraal onderdeel kunnen zijn van een project van gemeenschappelijk belang op het gebied van energie en vervoer. Voorts zou het programma binnen elke sector moeten toestaan dat synergetische componenten uit een andere sector in aanmerking worden genomen wanneer een dergelijke aanpak ervoor zorgt dat de investering meer sociaaleconomische voordelen oplevert. Synergieën tussen sectoren moeten worden aangemoedigd door de gunningscriteria voor de selectie van acties, evenals door hogere medefinancieringspercentages.

(7)  In de bij Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad(4) vastgestelde TEN‑T-richtsnoeren (hierna: de TEN‑T-richtsnoeren) is beschreven welke infrastructuur tot het TEN‑T behoort, is gespecificeerd aan welke eisen moet worden voldaan en zijn tenuitvoerleggingsmaatregelen vastgesteld. Die richtsnoeren voorzien met name in de voltooiing van het kernnetwerk tegen 2030 door middel van de aanleg van nieuwe infrastructuur en een ingrijpende opwaardering en rehabilitatie van de bestaande infrastructuur.

(7 bis)   Om voor connectiviteit in de hele Unie te zorgen, moeten acties die bijdragen tot de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang in de vervoerssector, gefinancierd door het programma, voortbouwen op de complementariteit van alle vervoerswijzen teneinde te voorzien in efficiënte, onderling verbonden en multimodale netwerken;

(8)  Met het oog op de verwezenlijking van de in de TEN‑T-richtsnoeren vastgestelde doelstellingen moet prioriteit worden gegeven aan lopende TEN‑T-projecten evenals steun voor grensoverschrijdende verbindingen, knelpunten, horizontale prioriteiten, missing links en stedelijke knooppunten en moet, indien van toepassing, worden gewaarborgd dat de gefinancierde acties consistent zijn met de werkplannen voor de corridors die zijn vastgesteld op grond van artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 en met de algemene ontwikkeling van het netwerk op het gebied van prestaties en interoperabiliteit.

(8 bis)   In bepaalde gevallen hebben projecten die worden uitgevoerd op het grondgebied van één lidstaat een aanzienlijke grensoverschrijdende impact en creëren ze waarde die nationale grenzen overstijgt, omdat ze de grensoverschrijdende connectiviteit aan de kust vergroten, of omdat ze de connectiviteit met de economie van het ruimere achterland voorbij nationale grenzen vergroten. Projecten die een dergelijke impact kunnen aantonen moeten daarom als grensoverschrijdend worden beschouwd.

(8 ter)   Met het oog op de uitzonderlijke omstandigheden die de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie meebrengt, is het nodig te voorzien in de connectiviteit van Ierland met het Europese vasteland middels een wijziging van het traject en van de samenstelling van de TEN‑T-corridors teneinde er zeeverbindingen tussen Ierse en continentale havens van het kernnetwerk en het uitgebreide netwerk in op te nemen.

(9)  Om in te spelen op de groeiende vervoersstromen en de ontwikkeling van het netwerk, moeten de afbakening van de kernnetwerkcorridors, de vooraf geselecteerde delen en de capaciteit daarvan worden aangepast. Die aanpassingen aan het kernnetwerk mogen de voltooiing daarvan tegen 2030 niet in de weg staan, moeten de reikwijdte van de corridors op het grondgebied van de Unie verbeteren en moeten evenredig zijn om de samenhang en de efficiency van de corridorontwikkeling en -coördinatie te waarborgen. Om die reden mag de lengte van de kernnetwerkcorridors niet met meer dan 15 % toenemen. Ontwikkelingen met betrekking tot het uitgebreid netwerk moeten worden gemonitord en geëvalueerd om de relevantie van de segmenten te waarborgen.

(10)  Publieke en private investeringen in slimme, interoperabele, duurzame, multimodale, inclusieve, voor personen met verminderde mobiliteit toegankelijke, veilige en beveiligde mobiliteit in de hele Unie moeten worden gestimuleerd voor alle vervoerswijzen. In 2017 heeft de Commissie "Europa in beweging" voorgesteld(5), een breed scala aan initiatieven om het verkeer veiliger te maken, slimme kilometerheffingen aan te moedigen, de CO2-uitstoot, luchtvervuiling en congestie terug te dringen, geconnecteerde en autonome mobiliteit te promoten en correcte arbeidsvoorwaarden en rusttijden voor werknemers te waarborgen. Waar relevant moet voor die initiatieven in het kader van dit programma Uniesteun worden verleend, bijvoorbeeld om de invoering en retrofitting van de slimme tachograaf te versnellen.

(11)  In de herziene TEN‑T-richtsnoeren is met betrekking tot nieuwe technologieën en innovatie voorgeschreven dat het TEN‑T de decarbonisatie van alle vervoerswijzen mogelijk moet maken door energie-efficiëntie en het gebruik van alternatieve brandstoffen te stimuleren, met inachtneming van het beginsel van technologische neutraliteit. Bij Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad(6) is een gemeenschappelijk kader met maatregelen voor de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen voor alle vervoerswijzen in de Unie gecreëerd teneinde de afhankelijkheid van vervoersmiddelen van fossiele brandstoffen zoveel mogelijk te verminderen en de milieu- en klimaatimpact van vervoer te beperken en zijn de lidstaten verplicht tegen 31 december 2025 openbare laad- en tankstations beschikbaar te stellen. Zoals de Commissie in haar voorstellen(7) van november 2017 heeft toegelicht, is er behoefte aan een uitgebreid pakket maatregelen om emissieluwe mobiliteit te promoten, met financiële steun voor situaties waarin de markt onvoldoende stimulansen biedt.

(12)  In het kader van haar mededeling over duurzame mobiliteit voor Europa: veilig, schoon en geconnecteerd(8), heeft de Commissie benadrukt dat voertuigen dankzij automatisering en geavanceerde connectiviteitssystemen veiliger, gemakkelijker te delen en toegankelijker zullen worden voor alle burgers, ook voor hen die op dit moment geen toegang hebben tot mobiliteitsdiensten, zoals ouderen of personen met verminderde mobiliteit. In dit kader heeft de Commissie ook een "Strategisch Actieplan Verkeersveiligheid" en een herziening van Richtlijn 2008/96/EG inzake het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur voorgesteld. Om dezelfde reden moet andere wetgeving, zoals Richtlijn 2004/54/EG inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet, worden aangepast aan de nieuwe normen op het gebied van veiligheid en digitalisering in de vervoerssector. Aan de verbetering van de veiligheid moet ook in de spoorwegsector prioriteit worden gegeven. Het is met name van belang om te investeren in de veiligheid van de kruispunten (d.w.z. seingeving, verbetering van de infrastructuur). In 2012 vonden aan de 114 000 bestaande spoorwegovergangen in de Unie 573 ernstige ongevallen plaats waarbij 369 personen stierven en 339 personen zwaargewond raakten (verslag ERA 2014). De overwegen waar de veiligheid ernstig in gevaar wordt gebracht, moeten dan ook op Unieniveau worden geïdentificeerd met het oog op de investering in de verbetering van die infrastructuren, die op de lange termijn moeten worden vervangen door bruggen en tunnels.

(13)  Om bij te dragen aan de voltooiing van vervoersprojecten in de minder ontwikkelde delen van het netwerk, moeten toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds aan het programma worden overgedragen ter financiering van vervoersprojecten in de lidstaten die in aanmerking komen voor financiering uit het Cohesiefonds. In een eerste fase ▌ moeten bij de selectie van projecten die voor financiering in aanmerking komen, de nationale toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds in acht worden genomen. Aan het einde van de eerste fase moeten middelen die naar het programma zijn overgedragen en niet voor een vervoersinfrastructuur zijn vastgelegd op concurrerende basis worden toegewezen aan projecten in de lidstaten die in aanmerking komen voor financiering uit het Cohesiefonds, met voorrang voor grensoverschrijdende verbindingen en missing links. De Commissie dient de lidstaten die in aanmerking komen voor financiering uit het Cohesiefonds te ondersteunen bij hun inspanningen om een adequate geschikte projectenpijplijn te ontwikkelen, met name door de institutionele capaciteit van de betrokken overheden te versterken.

(14)  Na de gezamenlijke mededeling van november 2017 over de verbetering van de duale mobiliteit in de Europese Unie(9), werd er in het actieplan voor militaire mobiliteit dat de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid(10) op 28 maart 2018 hebben aangenomen, op gewezen dat het Uniebeleid inzake vervoersinfrastructuur duidelijke kansen biedt om de synergieën tussen de defensiebehoeften en het TEN‑T te versterken, met als overkoepelend doel om de mobiliteit binnen de Unie te verbeteren. In het Actieplan wordt de Raad opgeroepen tegen medio 2018 de militaire eisen inzake vervoersinfrastructuur te onderzoeken en te valideren en wordt aangekondigd dat de diensten van de Commissie uiterlijk in 2019 zullen bepalen welke delen van het trans-Europees vervoersnet ook geschikt zijn voor tweeërlei (civiel en defensie-) gebruik van de infrastructuur, met inbegrip van mogelijkheden om bestaande infrastructuur te verbeteren. De infrastructuur moet altijd geschikt zijn voor tweeërlei gebruik. Uniefinanciering voor de uitvoering van projecten voor tweeërlei gebruik moet door het programma ten uitvoer worden gelegd op basis van werkprogramma's door middel van meetbare acties die voldoen aan de toepasselijke eisen als gedefinieerd in het kader van het actieplan.

(14 bis)   Het actieplan voor duale mobiliteit (civiel en voor defensiedoeleinden) in de Unie maakt deel uit van de algemene doelstelling om de mobiliteit in de Unie te verbeteren en tegelijkertijd de logistieke en mobiliteitsuitdagingen aan te pakken die zijn vastgesteld in het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Europese Unie. Het is in dit verband van essentieel belang om grensoverschrijdende douanenormen en -verordeningen evenals administratieve en juridische procedures te harmoniseren. De rol van de joint ventures van de Unie is onder meer van cruciaal belang voor de harmonisering van administratieve en juridische procedures, zowel met betrekking tot de CEF als het actieplan voor duale (civiele en defensie-) mobiliteit. De duale mobiliteit (civiel en voor defensiedoeleinden) zal bijdragen aan de ontwikkeling van de CEF, voornamelijk op gebieden als begroting en het tegemoet komen aan nieuwe en toekomstige behoeften;

(15)  In haar mededeling "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU"(11) heeft de Commissie gewezen op de specifieke vervoers-, energie- en digitale behoeften van de ultraperifere regio's en de noodzaak om voldoende Uniemiddelen vrij te maken om tegemoet te komen aan die behoeften, onder meer via dit programma, door medefinancieringspercentages van maximaal 85 % te hanteren.

(16)  Gezien de omvang van de investeringsbehoeften voor de voltooiing van het TEN‑T-kernnetwerk tegen 2030 (geraamd op 350 miljard EUR in de periode 2021‑2027) en van het uitgebreide TEN‑T-netwerk tegen 2050, en voor investeringen in decarbonisatie, digitalisering en stedelijke mobiliteit (geraamd op 700 miljard EUR in de periode 2021‑2027), moet een toereikende begroting voor de vervoerssector worden gehandhaafd, in overeenstemming met de begroting die voorzien was bij het begin van de programmeringsperiode 2014‑2020, en moeten de verschillende financieringsprogramma's en -instrumenten van de Unie zo efficiënt mogelijk worden benut teneinde een maximale toegevoegde waarde van de door de Unie ondersteunde investeringen te verwezenlijken. Dit kan worden bereikt door het investeringsproces te stroomlijnen zodat de projectpijplijnen zichtbaar en voor coherentie tussen programma's van de Unie wordt gezorgd, met name tussen de Connecting Europe Facility, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds en InvestEU. Er moet met name rekening worden gehouden met de randvoorwaarden als bepaald in bijlage IV bij Verordening (EU) nr. XXX [Verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa ("VGB")].

(17)  In Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad(12) zijn de prioriteiten inzake trans-Europese energie-infrastructuur vastgesteld, die ten uitvoer moeten worden gelegd om de doelstellingen van de Unie inzake energie en klimaat te kunnen verwezenlijken; in die verordening zijn ook de projecten van gemeenschappelijk belang vastgesteld voor de uitvoering van die prioriteiten en zijn maatregelen vastgesteld op het gebied van het verlenen van vergunningen, publieke betrokkenheid en regelgeving om de uitvoering van deze projecten te versnellen en/of vlotter te laten verlopen, inclusief criteria om te bepalen of dergelijke projecten in aanmerking komen voor financiële bijstand van de Unie. De lijst met projecten van gemeenschappelijk belang en de TEN‑E-richtsnoeren moet worden herzien om hierin rekening te houden met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, alsook met de voorgestelde klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en daarna.

(18)  In Richtlijn [herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie] wordt gewezen op de behoefte aan een kader dat een intensiever gebruik van Uniemiddelen begunstigd en wordt expliciet verwezen naar faciliterende acties om grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie te ondersteunen.

(19)  Hoewel de voltooiing van netwerkinfrastructuur prioritair blijft voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie, weerspiegelen de toevoeging van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie en de ontwikkeling van een slim en efficiënt energiesysteem, met inbegrip van oplossingen voor opslag en vraagsturing die het net in evenwicht helpen houden, de aanpak die is gekozen in het kader van het initiatief Schone energie voor alle Europeanen, met een collectieve verantwoordelijkheid om de ambitieuze doelstelling op het gebied van hernieuwbare energie in 2030 te bereiken evenals de gewijzigde beleidscontext waarin een eerlijke en adequate sociale transitie wordt gewaarborgd, met ambitieuze langetermijndoelstellingen op het gebied van decarbonisatie.

(20)  Innovatieve infrastructuurtechnologieën die het pad effenen voor een transitie naar emissiearme mobiliteitssystemen en een grotere voorzieningszekerheid waarbij wordt gestreefd naar een grotere energieonafhankelijkheid van de Unie zijn essentieel in het licht van de decarbonisatieagenda van de Unie. In haar "Mededeling over het versterken van de energienetten van Europa"(13) van 23 november 2017 heeft de Commissie benadrukt dat de rol van elektriciteit, wanneer in 2030 de helft van de elektriciteitsproductie afkomstig zal zijn van hernieuwbare bronnen, steeds meer gericht zal zijn op het koolstofarm maken van sectoren die tot nu toe worden gedomineerd door fossiele brandstoffen, zoals vervoer, industrie en verwarming en koeling, en dat dienovereenkomstig de focus in het kader van de trans-Europese energie-infrastructuur op elektriciteitsinterconnecties, elektriciteitsopslag, slimme netwerken en investeringen in gasinfrastructuur moet liggen. Om de decarbonisatiedoelstellingen van de Unie, de integratie van de interne markt en de zekerheid van de energievoorziening te ondersteunen moet voldoende aandacht en prioriteit worden gegeven aan technologieën en projecten die bijdragen aan de transitie naar een emissiearme economie. De Commissie zal ernaar streven via het programma meer projecten voor grensoverschrijdende slimme netwerken, innovatieve opslag en CO2-transport te financieren.

(20 bis)   Ondersteuning van slimmenetwerkprojecten is nodig wanneer de projecten zijn gericht op integratie van de opwekking, de distributie of het verbruik van elektriciteit met behulp van realtime-beheersystemen en van invloed zijn op grensoverschrijdende energiestromen. De energieprojecten moeten het centrale belang laten zien van slimme netwerken voor de energietransitie, en de ondersteuning via de CEF moet erop gericht zijn de financieringstekorten te verhelpen die investeringen in de toepassing van de technologie van slimme netwerken op grote schaal momenteel belemmeren.

(20 ter)  Met betrekking tot interconnectie tussen elektriciteitsnetwerken wordt in Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad [betreffende de governance van de energie-unie], een streefcijfer vastgesteld van ten minste 15 % voor de koppeling van elektriciteitsnetten tussen de lidstaten voor 2030. Het programma moet bijdragen aan de verwezenlijking van dit streefcijfer.

(21)  De verwezenlijking van de digitale eengemaakte markt vergt een onderliggende infrastructuur voor digitale connectiviteit. De digitalisering van het Europese bedrijfsleven en de modernisering van sectoren zoals vervoer, energie, gezondheidszorg en de overheid hangen af van universele toegang tot betrouwbare, betaalbare en hoogwaardige netwerken met een zeer hoge capaciteit. Digitale connectiviteit is uitgegroeid tot een doorslaggevende factor om economische, sociale en territoriale verschillen te overbruggen en draagt bij aan de modernisering van lokale economieën en de diversificatie van de economische activiteiten. De reikwijdte van de steun van het programma voor infrastructuur voor digitale connectiviteit moet worden aangepast in het licht van het groeiende belang van connectiviteit voor de economie en de samenleving in het algemeen. Daarom moet worden vastgesteld welke infrastructuurprojecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van digitale connectiviteit noodzakelijk zijn om de doelstellingen van de digitale eengemaakte markt van de Unie te verwezenlijken en moet Verordening (EU) nr. 283/2014 van het Europees Parlement en de Raad(14) worden ingetrokken.

(22)  In de mededeling "Connectiviteit voor een competitieve digitale eengemaakte markt – Naar een Europese gigabitmaatschappij"(15) (de strategie voor de gigabit-samenleving) zijn de strategische doelstellingen voor 2025 vastgesteld met het oog op een optimalisering van de investeringen in infrastructuur voor digitale connectiviteit. Richtlijn (EU) 2018/XXX [Europees wetboek voor elektronische communicatie] beoogt onder meer de totstandbrenging van een regelgevingskader dat particuliere investeringen in digitale netwerken stimuleert. Het is echter duidelijk dat de uitrol van netwerken in de hele Unie dringend meer aandacht verdient wegens de beperkte rendabiliteit ervan, onder meer door de afgelegen ligging en specifieke territoriale of geografische kenmerken, de lage bevolkingsdichtheid en diverse sociaaleconomische factoren. Het programma moet daarom ook bijdragen tot een evenwicht tussen landelijke en stedelijke gebieden, om bij te dragen aan de verwezenlijking van die in de strategie voor de gigabitmaatschappij vastgestelde strategische doelstellingen, in aanvulling op de steun voor de uitrol van netwerken met een zeer hoge capaciteit door andere programma's en met name het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds en de InvestEU-fonds.

(23)  Terwijl alle digitale netwerken die op het internet zijn aangesloten een intrinsieke trans-Europese dimensie hebben, met name vanwege de werking van de toepassingen en diensten die zij mogelijk maken, moet via steun uit het programma voorrang worden verleend aan acties waarvan de grootste impact op de digitale eengemaakte markt wordt verwacht, onder meer door de afstemming daarvan op de doelstellingen van de mededeling inzake de strategie voor de gigabitmaatschappij en op de digitale transformatie van de economie en de samenleving, rekening houdend met de geconstateerde markttekortkomingen en ‑belemmeringen.

(24)  Scholen, universiteiten, bibliotheken, plaatselijke, provinciale, regionale en nationale overheden, de belangrijkste aanbieders van openbare diensten, ziekenhuizen en medische centra, vervoersknooppunten en ondernemingen die grotendeels digitaal werken kunnen een belangrijke invloed hebben op de sociaaleconomische ontwikkelingen in de regio waar zij zijn gevestigd, met inbegrip van plattelandsgebieden en dunbevolkte gebieden. Dergelijke sociaaleconomische actoren moeten het voortouw nemen op het gebied van gigabitconnectiviteit om de Europese burgers, het bedrijfsleven en lokale gemeenschappen toegang te bieden tot de best mogelijke diensten en toepassingen. Het programma dient de toegang tot gigabitconnectiviteit en hogesnelheidsconnectiviteit, met inbegrip van geavanceerde mobiele connectiviteit, voor deze sociaaleconomische actoren te ondersteunen teneinde hun positieve overloopeffect op de rest van de economie en de samenleving te maximaliseren, onder meer door de vraag naar connectiviteit en diensten op te drijven.

(25)  Voortbouwend op het succes van het initiatief WiFi4EU, moet het programma steun blijven verlenen voor de verstrekking van gratis, veilige, hoogwaardige lokale draadloze connectiviteit in lokale centra van het openbare leven, waaronder entiteiten met een openbare opdracht, zoals overheidsdiensten en openbare-dienstverleners, en voor het publiek toegankelijke openbare plaatsen in open lucht, om de digitale visie van de Unie bij lokale gemeenschappen te promoten.

(25 bis)  Digitale infrastructuur vormt een belangrijke basis voor innovatie. Om met het programma een maximaal effect te bewerkstelligen, moet het gericht zijn op financiering van de infrastructuur. Individuele digitale diensten en toepassingen, zoals diensten waarbij "distributed ledger"-technologieën of kunstmatige intelligentie worden toegepast, moeten daarom niet onder het toepassingsgebied van het programma vallen, maar in plaats daarvan, in voorkomend geval, worden opgenomen in andere instrumenten zoals het programma Digitaal Europa. Het is eveneens belangrijk om de synergieën tussen de verschillende programma's te maximaliseren.

(26)  De levensvatbaarheid van de volgende generatie digitale diensten, zoals het internet der dingen en toepassingen waarvan in verschillende sectoren en voor de samenleving als geheel aanzienlijke voordelen worden verwacht, vereist een ononderbroken grensoverschrijdende 5G‑dekking, met name om ervoor te zorgen dat gebruikers en toestellen onderweg verbonden blijven. Er blijft onduidelijkheid bestaan over de scenario's voor kostendeling voor de uitrol van 5G in deze sectoren en de vermeende risico's van commerciële uitrol in bepaalde belangrijke domeinen zijn zeer groot. De wegcorridors en treinverbindingen zullen naar verwachting cruciaal zijn voor de eerste fase van de nieuwe toepassingen op het gebied van geconnecteerde mobiliteit en zijn derhalve belangrijke grensoverschrijdende projecten voor financiering in het kader van dit programma.

(27)  In de hele Unie zijn er nog, soms zelfs centraal gelegen, slecht verbonden gebieden die een bottleneck en onbenut potentieel vormen voor de digitale eengemaakte markt. Toegang tot hoogwaardig internet kan in de meeste landelijke en afgelegen gebieden een essentiële rol spelen om te vermijden dat een digitale kloof ontstaat en dat deze gebieden geïsoleerd raken en ontvolken, aangezien internetverbindingen de levering van goederen en diensten goedkoper maken en de afgelegen ligging deels goedmaken. Hoogwaardige internetconnectiviteit is noodzakelijk voor nieuwe economische kansen, zoals precisielandbouw of de ontwikkeling van een bio‑economie in plattelandsgebieden. Het programma dient bij te dragen tot de beschikbaarheid van vaste en draadloze connectiviteit met een zeer hoge capaciteit voor alle Europese huishoudens, zowel in de stad als op het platteland, met een focus op situaties waarin een zekere mate van marktfalen wordt waargenomen en die kunnen worden aangepakt met subsidies met een geringe intensiteit. Hierbij moet het programma streven naar een volledige dekking van alle huishoudens en regio's, aangezien het niet rendabel is om leemtes in een reeds gedekt gebied in een later stadium aan te pakken.

(28)  De uitrol van digitale backbonecommunicatienetwerken, met onder meer onderzeese kabels die Europese regio's verbinden met derde landen op andere continenten of die Europese eilanden en overzeese gebieden verbinden met het vasteland, is nodig om voor alle vitale infrastructuur de nodige redundantie te creëren en de capaciteit en weerbaarheid van de digitale netwerken van de Unie te versterken. Dergelijke projecten zijn echter zonder overheidssteun vaak niet commercieel levensvatbaar.

(29)  Acties die bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit moeten gebruik maken van de ▌beste beschikbare en meest geschikte technologie, met een optimaal evenwicht tussen geavanceerde technologieën op het gebied van de gegevensstroomcapaciteit, de beveiliging van de overdracht, de weerbaarheid van het netwerk, de cyberveiligheid en kostenefficiëntie, en moeten worden geprioriteerd door middel van werkprogramma's, rekening houdend met de in deze verordening bepaalde criteria. De uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit kan ook passieve infrastructuur omvatten, met het oog op maximale sociaaleconomische en milieuvoordelen. Ten slotte moet bij het prioriteren van de acties rekening worden gehouden met de potentiële positieve overloopeffecten op het gebied van connectiviteit, bijvoorbeeld voor projecten die bijdragen aan de rendabiliteit van toekomstige investeringen die zorgen voor een betere dekking van het grondgebied en de bevolking in streken waar nog geen dekking is.

(30)  De Unie heeft een eigen PNT-technologie voor plaatsbepaling, navigatie en tijdsbepaling per satelliet (EGNOS/Galileo) en een eigen systeem voor aardobservatie (Copernicus) ontwikkeld. Zowel EGNOS/Galileo als Copernicus leveren geavanceerde diensten die publieke en private gebruikers belangrijke economische voordelen bieden. Daarom moet alle vervoer-, energie- en digitale infrastructuur die door het programma wordt gefinancierd, en die gebruik maakt van PNT-systemen of aardobservatiediensten, technisch compatibel zijn met EGNOS/Galileo en Copernicus.

(31)  De positieve resultaten van de blendingoproep die in 2017 in het kader van het huidige programma is gelanceerd, bevestigen de relevantie en toegevoegde waarde van Uniesubsidies met het oog op blending met financiering van de Europese Investeringsbank, nationale stimuleringsbanken, andere ontwikkelingsbanken en openbare financiële instellingen alsmede van particuliere financiële instellingen en investeerders uit de particuliere sector, al dan niet via publiek-private partnerschappen. Blending moet bijdragen tot het aantrekken van particuliere investeringen en een hefboomwerking bewerkstelligen ten aanzien van de algehele bijdrage van de overheidssector in overeenstemming met de doelstellingen van het InvestEU-programma. Het programma moet dan ook acties blijven ondersteunen waarbij Uniesubsidies met andere bronnen van financiering kunnen worden gecombineerd. In de vervoerssector mogen blendingverrichtingen het niveau van 10 % van de beschikbare middelen niet overschrijden.

(31 bis)  In de vervoerssector moeten blendingverrichtingen voornamelijk worden bestemd voor projecten die gericht zijn op de digitalisering van de sector, met name SESAR en ERTMS, die naar verwachting een financieel rendement zullen opleveren.

(32)  De doelstellingen van dit programma worden mede gerealiseerd door middel van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties in het kader van de beleidsonderdelen [...] van het InvestEU-Fonds. De acties van het programma moeten worden gebruikt om investeringen te stimuleren door markttekortkomingen of suboptimale investeringsvoorwaarden op evenredige en adequate wijze aan te pakken, mogen particuliere financiering niet overlappen of verdringen en moeten een duidelijke Europese toegevoegde waarde bieden.

(33)  Om een geïntegreerde ontwikkeling van de innovatiecyclus te stimuleren, moet de complementariteit worden gewaarborgd tussen innovatieve oplossingen die zijn ontwikkeld in het kader van de Uniekaderprogramma voor onderzoek en innovatie en innovatieve oplossingen die met CEF-steun worden ingevoerd. Daartoe zullen synergieën met Horizon Europe ervoor zorgen dat: a) de onderzoeks- en innovatiebehoeften op het gebied van vervoer, energie en de digitale sector binnen de EU worden geïnventariseerd en vastgesteld tijdens het strategische planningsproces van Horizon Europa; b) de Connecting Europe Facility nauw wordt afgestemd op Horizon Europa voor de grootschalige invoering en toepassing van innovatieve technologieën en oplossingen op het gebied van vervoer, energie en digitale infrastructuur, en in synergieën tussen deze gebieden, die met name het resultaat zijn van Horizon Europa; c) de uitwisseling van informatie en gegevens tussen Horizon Europa en de Connecting Europe Facility wordt gefaciliteerd, bijvoorbeeld door de aandacht te vestigen op marktklare technologieën uit Horizon Europa die verder via de Connecting Europe Facility kunnen worden uitgerold.

(34)  In deze verordening worden de financiële middelen voor de hele periode 2021-2027 vastgesteld als het voornaamste referentiebedrag als bedoeld in [verwijzing toevoegen naar het nieuwe Interinstitutioneel akkoord: punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer31 voor het Europees Parlement en de Raad tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure]. Deze financiële middelen moeten tijdens de volledige looptijd van het programma worden voorbehouden en mogen niet worden verminderd of opnieuw worden toegewezen aan andere programma's, zodat er op geen enkel moment tijdens de looptijd van het programma wordt geraakt aan het oorspronkelijke evenwicht, maar ook niet aan de afwegingen en de thematische en territoriale verdelingen.

(35)  Het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid is het kader op Unieniveau voor de vaststelling van nationale hervormingsprioriteiten en het toezicht op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van deze hervormingsprioriteiten. Die strategieën moeten samen met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden gepresenteerd als een manier om de prioritaire investeringsprojecten die nationale of Uniefinanciering moeten krijgen, vast te stellen en te coördineren. Die moeten een coherent gebruik van de Uniefinanciering waarborgen en er, voor zover relevant, voor zorgen dat de financiële steun die via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds, de Europese stabilisatiefunctie voor investeringen, InvestEU en de Connecting Europe Facility zal worden verleend, een maximale toegevoegde waarde genereert. Bij het gebruik van financiële steun moet, voor zover relevant, ook de coherentie worden gewaarborgd met energie- en klimaatplannen van de Unie en de lidstaten.

[aparte stemming]

(37)  De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening worden gekozen op grond van hun vermogen om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten op te leveren, met name rekening houdend met de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Dit moet mede omvatten dat het gebruik wordt overwogen van vaste bedragen, forfaits en eenheidskosten, en van financiering die niet gekoppeld is aan kosten, zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.

(38)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan het programma deelnemen in het kader van de samenwerking waarin wordt voorzien door de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die bepaalt dat programma's van de Unie worden uitgevoerd bij een op grond van die overeenkomst genomen besluit. Derde landen kunnen ook op grond van andere rechtsinstrumenten deelnemen. Er moet een specifieke bepaling in deze verordening worden opgenomen ter verlening van de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.

(39)  De regels inzake de toekenning van subsidies zijn vastgesteld in het Financieel Reglement. Om rekening te houden met het specifieke karakter van de door het programma gesteunde acties en om een consistente uitvoering in alle programmasectoren te waarborgen, moeten aanvullende regels inzake de selectie- en toewijzingscriteria worden vastgesteld. Bovendien is het de Commissie en/of de uitvoerende agentschappen die met de uitvoering van het programma zijn belast, niet toegestaan om voor de selectie van acties en hun financiering aanvullende verplichtingen op te leggen die niet in deze verordening zijn vastgelegd. De werkprogramma's mogen in bepaalde gevallen waarin de doelstellingen van de oproepen tot het indienen van voorstellen geen strategische gevolgen hebben, voorzien in vereenvoudigde procedures, zonder daarbij af te wijken van het Financieel Reglement.

(39 bis)  In de werkprogramma's zijn selectie- en gunningscriteria vastgesteld in overeenstemming met het Financieel Reglement. In de vervoerssector moet de kwaliteit en relevantie van een project worden beoordeeld door ook rekening te houden met de verwachte effecten ervan voor de connectiviteit van de Unie, de naleving van toegankelijkheidseisen en de strategie met het oog op de toekomstige behoeften aan onderhoud.

(40)  Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(16), Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad(17), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96(18) van de Raad en Verordening (EU) 2017/193 van de Raad(19) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EMO) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(20). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(40 bis)   Een succesvolle tenuitvoerlegging van het programma is in hoge mate afhankelijk van de mate van samenwerking tussen de entiteiten die deelnemen aan een gemeenschappelijk project. Daarom moet de oprichting van joint ventures worden aangemoedigd, onder andere door middel van een hoger niveau van medefinanciering.

(41)  Volgens [verwijzing dienovereenkomstig aan te passen volgens het nieuwe besluit inzake landen en gebieden overzee: artikel 94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad(21)] komen in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft.

(42)  De Unie dient te streven naar samenhang en synergieën met de Unieprogramma's voor het extern beleid, inclusief pretoetredingssteun na de verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van de mededeling "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere Uniebetrokkenheid bij de Westelijke Balkan"(22).

(43)  Wanneer derde landen en in derde landen gevestigde entiteiten deelnemen aan acties die bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang of grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie, mag alleen financiële bijstand worden verleend wanneer die onontbeerlijk is om de doelstellingen van die projecten te verwezenlijken.

(43 bis)   In overeenstemming met artikel 85 van Richtlijn 2014/25/EU, en in het geval van derde landen waarmee de Unie niet in multilateraal of bilateraal kader een overeenkomst heeft gesloten die ondernemingen in de Unie op vergelijkbare wijze daadwerkelijk toegang verschaft tot de markten van deze derde landen, kan iedere inschrijving die wordt ingediend met het oog op de gunning van een overheidsopdracht voor leveringen in het kader van een door de CEF medegefinancierd project, worden afgewezen wanneer het aandeel van de uit derde landen afkomstige producten meer dan 50 % uitmaakt van de totale waarde van de producten waarop deze inschrijving betrekking heeft.

(44)  Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016(23) moet dit programma worden geëvalueerd op basis van door specifieke monitoringvoorschriften verzamelde informatie, bijvoorbeeld op basis van een klimaattoets, waarbij overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. De Commissie dient evaluaties en de resultaten daarvan mee te delen aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's teneinde de doeltreffendheid en doelmatigheid van de financiering te beoordelen en na te gaan wat de impact daarvan is op de algemene doelstellingen van het programma, en eventuele noodzakelijke aanpassingen door te voeren.

(45)  Er moeten transparante, controleerbare en adequate monitoring- en verslagleggingsmaatregelen, met inbegrip van meetbare indicatoren, worden ingevoerd om een beoordeling te maken van en verslag uit te brengen over de voortgang van het programma bij de verwezenlijking van de algemene en specifieke doelstellingen die in deze verordening zijn vastgesteld, en om bekendheid te geven aan deze voortgang. Het prestatieverslagleggingssysteem moet waarborgen dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma geschikt zijn voor een grondige analyse van de geboekte vooruitgang en van de problemen die zijn vastgesteld langs de kernnetwerkcorridors, en dat die gegevens en resultaten op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Aan ontvangers van Uniefinanciering moeten evenredige rapportageverplichtingen worden opgelegd om relevante gegevens te verzamelen voor het programma.

(45 bis)  Het programma moet aan de hand van werkprogramma's worden uitgevoerd. Tegen einde maart 2021 dient de Commissie een kaderprogramma voor te bereiden dat het voorziene tijdschema van de werkprogramma's en oproepen omvat, evenals de onderwerpen, de eraan toegewezen financiering en andere gegevens die nodig zijn om transparantie en voorspelbaarheid voor alle periodes van het programma te verschaffen en om de kwaliteit van de projecten te verbeteren.

(45 ter)  Het programma moet uitgebreid worden geëvalueerd, zodat de samenhang van de investeringsprioriteiten van het programma met de toezeggingen van de Unie inzake klimaatverandering wordt gewaarborgd.

(46)  Ter aanvulling van deze verordening moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van werkprogramma's en het kaderprogramma. ▌

(47)  Met het oog op de aanpassing, indien nodig, van de indicatoren voor de monitoring van het programma, ▌en van de afbakening van de kernnetwerkcorridors, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd voor wijzigingen van de delen I, II en III van de bijlage bij de onderhavige verordening, alsook voor wijziging van eisen inzake militaire mobiliteit, vaststelling of wijziging van de lijst van de delen van het trans-Europese vervoersnet dat geschikt is voor militair vervoer, vaststelling of wijziging van de lijst van prioritaire projecten voor infrastructuur voor tweeërlei gebruik en de beoordelingsprocedure met betrekking tot de subsidiabiliteit van de acties die verband houden met militaire mobiliteit. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(48)  Ter wille van de duidelijkheid moeten Verordening (EU) nr. 1316/2013 en Verordening (EU) nr. 283/2014 worden ingetrokken. De rechtsgevolgen van artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1316/2013, tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad(24) wat de lijst van goederencorridors betreft, moeten evenwel worden gehandhaafd.

(49)  Met het oog op de tijdige vaststelling van de uitvoeringshandelingen uit hoofde van deze verordening, dient deze onmiddellijk bij de bekendmaking ervan in werking te treden,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt de Connecting Europe Facility ("het programma") ingesteld.

In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021‑2027, de vormen van Uniefinanciering en de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

a)  "actie": elke in financieel en technisch opzicht als autonoom aangeduide activiteit, waarvoor een bepaalde termijn is gesteld en die noodzakelijk is voor de uitvoering van een project;

b)  "alternatieve brandstoffen": alternatieve brandstoffen voor alle vervoersmiddelen als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2014/94/EU;

c)  "geassocieerd land": een derde land dat partij is bij een overeenkomst met de Unie op grond waarvan het overeenkomstig artikel 5 aan het programma mag deelnemen;

c bis)   "begunstigde": een entiteit die is geselecteerd voor financiële Uniebijstand op grond van de in artikel 11 van deze verordening uiteengezette ontvankelijkheidscriteria en in overeenstemming met artikel 197 van het Financieel Reglement;

d)  "blendingverrichtingen": door de Uniebegroting ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van Verordening (EU, Euratom) 2018/XXX (het "Financieel Reglement"), waarbij niet‑terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten en/of begrotingsgaranties uit de Uniebegroting worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;

d bis)  "knelpunt": een fysieke, technische of functionele belemmering die leidt tot een breuk in een systeem, waardoor de continuïteit van langeafstandsstromen of grensoverschrijdende stromen in het gedrang komt, en die kan worden weggenomen door nieuwe infrastructuur aan te leggen of bestaande infrastructuur ingrijpend te moderniseren, waardoor verbeteringen kunnen optreden die de door het knelpunt veroorzaakte belemmeringen kunnen oplossen;

e)  "uitgebreid netwerk": de vervoersinfrastructuur die overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 1315/2013 is aangeduid;

f)  "kernnetwerk": de vervoersinfrastructuur die is aangeduid overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

g)  "kernnetwerkcorridors": instrumenten die de gecoördineerde totstandbrenging van het kernnetwerk vergemakkelijken, zoals bepaald in hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 1315/2013 en die zijn opgesomd in deel III van de bijlage bij deze verordening;

g bis)   "grensoverschrijdende verbinding": in de vervoerssector: projecten die betrekking hebben op spoorweg-, weg-, binnenvaart- of maritieme verbindingen tussen lidstaten of een lidstaat en een derde land, of een project, met betrekking tot om het even welke vervoerswijze, dat in één lidstaat wordt uitgevoerd, maar een aanzienlijke grensoverschrijdende impact heeft omdat het de grensoverschrijdende stromen tussen twee lidstaten verbetert;

h)  "grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie": een project dat is geselecteerd of in aanmerking komt om te worden geselecteerd in het kader van een samenwerkingsovereenkomst of andere regelingen tussen de lidstaten of tussen lidstaten en derde landen in de zin van [artikelen 8, 9, 11 of 13 van] Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad1(25) met betrekking tot de planning of ontwikkeling van hernieuwbare energie, overeenkomstig de criteria van deel IV van de bijlage bij deze verordening;

h bis)  "energie-efficiëntie eerst": het beginsel dat in besluiten inzake energieplanning, -beleid en -investeringen zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden met alternatieve, kostenefficiënte energie-efficiëntiemaatregelen om de vraag naar energie en de energievoorziening efficiënter te maken, met name door middel van kosteneffectieve besparingen op het eindgebruik van energie, vraagresponsinitiatieven en efficiëntere omzetting, transmissie en distributie van energie, zonder afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de betreffende besluiten;

i)  "infrastructuur voor digitale connectiviteit": netwerken met een zeer hoge capaciteit, 5G‑systemen, zeer hoogwaardige lokale draadloze connectiviteit, backbonenetwerken, alsook operationele digitale platforms die een directe band hebben met de vervoers- en energie-infrastructuur;

j)  "5G-systemen": een reeks digitale infrastructuurcomponenten, op basis van wereldwijd erkende normen voor mobiele en draadloze communicatietechnologie, die worden gebruikt voor connectiviteit en diensten met toegevoegde waarde met geavanceerde prestatiekenmerken, zoals zeer hoge transmissiesnelheden en capaciteit, een lage latentie en een hoge betrouwbaarheid, of die een groot aantal aangesloten apparaten ondersteunen;

k)  "5G-corridor": een transportroute, per spoor, over de weg of via een binnenlandse waterweg, die volledig wordt gedekt door infrastructuur voor digitale connectiviteit en met name 5G‑systemen, die de ononderbroken levering van digitale synergiediensten zoals geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit, soortgelijke slimme mobiliteitsdiensten voor het spoor of digitale connectiviteit op binnenlandse waterwegen mogelijk maken;

k bis)   "missing link": een voor alle vervoerswijzen bestemd tracé van een TEN‑T-corridor of een vervoerstracé dat voorziet in de verbinding van kern- of uitgebreide netwerken met de TEN‑T-corridors en dat ontbreekt of een of meer bottlenecks bevat die de continuïteit van de TEN‑T-corridor in het gedrang brengen;

l)  "operationele digitale platforms die een directe band hebben met vervoers- en energie-infrastructuur": fysieke en virtuele voorzieningen voor informatie- en communicatietechnologie ("ICT"), die bovenop de communicatie-infrastructuur functioneren ter ondersteuning van de stroom, opslag, verwerking en analyse van vervoers- en/of energie-infrastructuurgegevens;

m)  "project van gemeenschappelijk belang": een project als genoemd in Verordening (EU) nr. 1315/2013, Verordening (EU) nr. 347/2013 of artikel 8 van deze verordening;

n)  "studies": activiteiten die nodig zijn ter voorbereiding van de uitvoering van projecten, zoals voorbereidende studies, het in kaart brengen, haalbaarheidsstudies, evaluatie- en validatiestudies, ook in de vorm van software, en andere technische ondersteuningsmaatregelen, met inbegrip van aan de werkzaamheden voorafgaande activiteiten die nodig zijn om een project te definiëren en te ontwikkelen en de besluiten te nemen inzake de financiering ervan, zoals verkenning ter plaatse en de voorbereiding van het financieringspakket;

o)  "sociaaleconomische actoren": entiteiten die door hun opdracht, aard of vestigingsplaats direct of indirect grote sociaaleconomische voordelen kunnen genereren voor de burgers, ondernemingen en lokale gemeenschappen in hun regio of hun invloedssfeer;

p)  "derde land": een land dat geen lid is van de Europese Unie;

q)  "netwerken met een zeer hoge capaciteit": netwerken met een zeer hoge capaciteit als gedefinieerd in artikel [2, lid 2] van Richtlijn (EU) 2018/XXX [het Europees wetboek voor elektronische communicatie];

r)  "werkzaamheden": de aanschaf, de levering en het inzetten van componenten, systemen en diensten, inclusief software, en de uitvoering van ontwikkelings-, bouw- en installatieactiviteiten in verband met een project, alsmede de oplevering van de installaties en de inbedrijfstelling van een project.

r bis)   "infrastructuur voor civiel-militair gebruik": infrastructuur die hoofdzakelijk voor civiele doeleinden wordt gebruikt, maar die eveneens van strategisch belang is voor defensie- en crisisbeheersingsdoeleinden, en die voor civiel-militair gebruik kan worden aangepast.

Artikel 3

Doelstellingen

1.  De algemene doelstelling van het programma is de aanleg, ontwikkeling en modernisering van de trans-Europese vervoers-, energie- en digitale netwerken en het faciliteren van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie, teneinde bij te dragen tot een sterker Europees concurrentievermogen, toegang tot de interne markt, tot slimme, duurzame en inclusieve groei, en teneinde territoriale, sociale en economische cohesie te consolideren, hetgeen bijdraagt tot de langetermijnverbintenissen op het gebied van decarbonisatie en met volledige nadruk op synergieën tussen de vervoers-, de energie- en de digitale sector.

2.  De specifieke doelstellingen van het programma zijn:

a)  Op het gebied van vervoer:

i)  bijdragen tot de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang voor efficiënte, onderling verbonden, interoperabele en multimodale netwerken en infrastructuur voor slimme, duurzame, inclusieve, toegankelijke, veilige en beveiligde mobiliteit en een Europese vervoersruimte;

ii)  de aanpassing van delen van het trans-Europees vervoersnet dat geschikt is voor militair vervoer aan de behoeften op het gebied van duale (civiele en defensie-)mobiliteit;

b)  In de energiesector, bijdragen aan de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang met het oog op de verdere integratie van een doelmatige en concurrerende interne energiemarkt, de sector- en grensoverschrijdende interoperabiliteit van de netwerken, het faciliteren van de decarbonisatie van de economie, en het waarborgen van de voorzieningszekerheid en de energie-onafhankelijkheid van de Unie, en ter bevordering van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van ▌energie, met inbegrip van hernieuwbare energie, en ter bevordering van de energie-efficiëntie;

c)  In de digitale sector, bijdragen aan de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang die verband houden met de uitrol van veilige en beveiligde 5G‑systemen en digitale netwerken met een zeer hoge capaciteit, aan een grotere weerbaarheid en capaciteit van digitale backbonenetwerken op het grondgebied van de EU door die netwerken te verbinden met naburige regio's, alsmede aan de digitalisering van de vervoers- en energienetwerken.

Artikel 4

Begroting

1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021‑2027 bedragen 43 850 768 000 EUR in constante prijzen (XXX EUR in lopende prijzen).

2.  Dit bedrag wordt als volgt verdeeld:

a)  33 513 524 000 EUR in constante prijzen (XXX EUR in lopende prijzen) voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), waarvan:

i)  17 746 000 000 EUR in constante prijzen (XXX EUR in lopende prijzen) uit de Europese strategische investeringscluster;

ii)  de overdracht van 10 000 000 000 EUR in constante prijzen (11 285 493 000 EUR in lopende prijzen) uit het Cohesiefonds voor investeringen overeenkomstig deze verordening, uitsluitend in de lidstaten die in aanmerking komen voor steun uit het Cohesiefonds;

iii)  5 767 524 000 EUR in constante prijzen (6 500 000 000 EUR in lopende prijzen) van de post Veiligheid en Defensie voor de specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), punt ii);

b)  maximaal 8 650 000 000 EUR voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder b), waarvan 20 % voor grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie; [Am. 9]

c)  2 662 000 000 EUR in constante prijzen (3 000 000 000 EUR in lopende prijzen) voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder c).

3.  De Commissie mag niet afwijken van het bedrag als bedoeld in lid 2, onder a), ii).

4.  Maximaal 3 % van het in lid 1 genoemde bedrag mag eveneens worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand bij de tenuitvoerlegging van het programma en de sectorspecifieke richtsnoeren, zoals voorbereidende, monitoring-, controle-, audit- en evaluatieactiviteiten, met inbegrip van specifieke informatie en technologiesystemen. Deze bedragen mogen ook worden gebruikt ter financiering van begeleidende maatregelen ter ondersteuning van de voorbereiding van projecten.

5.  Vastleggingen in de begroting voor acties waarvan de uitvoering zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, mogen in jaartranches worden verdeeld.

5 bis.  Bij grote projecten worden transparantie en participatie van de burgers gewaarborgd. [Am. 27]

6.  Onverminderd het Financieel Reglement kunnen uitgaven voor acties die voortvloeien uit projecten die in het eerste werkprogramma waren opgenomen, vanaf 1 januari 2021 in aanmerking komen.

7.  De uit het Cohesiefonds overgedragen bedragen worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig deze verordening, onder voorbehoud van lid 8 en onverminderd artikel 14, lid 2, onder b).

8.  Wat betreft de bedragen die uit het Cohesiefonds zijn overgedragen tot en met 31 december 2022, worden de voor financiering in aanmerking komende projecten geselecteerd met inachtneming van de nationale toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds ▌. Met ingang van 1 januari 2023 worden de middelen die naar het programma zijn overgedragen en niet voor een vervoersinfrastructuurproject zijn vastgelegd, op concurrerende basis beschikbaar gesteld, van alle lidstaten die een beroep kunnen doen op het Cohesiefonds voor de financiering van vervoersinfrastructuurprojecten overeenkomstig deze verordening.

9.  Op verzoek van een lidstaat en in overeenstemming met de desbetreffende beheersautoriteit kunnen de aan die lidstaat in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma, zodat ze kunnen worden gebruikt in het kader van een blendingverrichting of synergieactie die is opgenomen in een door de betrokken lidstaat ingediend voorstel dat door de Commissie overeenkomstig een procedure voor het vaststellen van werkprogramma's subsidiabel is verklaard. De Commissie voert die middelen overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a),] van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. ▌

Artikel 5

Met het programma geassocieerde derde landen

1.  Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:

a)  landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), overeenkomstig de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;

b)  toetredingslanden, kandidaten en potentiële kandidaten, overeenkomstig de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor hun deelname aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

c)  landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, overeenkomstig de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

d)  andere derde landen, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat die overeenkomst:

–  een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma's van de Unie deelneemt;

–  de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan; Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5,] van het Financieel Reglement;

–  het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

–  de rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt.

–  voor wederkerigheid zorgt bij de toegang tot soortgelijke programma's in het derde land, in het bijzonder overheidsopdrachten.

2.  Aan derde landen als bedoeld in lid 1 en aan in die landen gevestigde entiteiten mag in het kader van deze verordening geen financiële bijstand worden verleend, tenzij die bijstand onontbeerlijk is om de doelstellingen van een bepaald project van gemeenschappelijk belang te verwezenlijken onder de voorwaarden die zijn uiteengezet in de werkprogramma's als bedoeld in artikel 19 en overeenkomstig de bepalingen vastgesteld in artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1315/2013.

Artikel 6

Uitvoering en vormen van Uniefinanciering

1.  Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel [61, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement.

2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in de vorm van subsidies en aanbestedingen, zoals vastgesteld in het Financieel Reglement ▌. De middelen die door het programma worden verstrekt, kunnen worden gebruikt in het kader van blendingverrichtingen, waaronder de middelen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), van de InvestEU-verordening. In de vervoerssector mogen blendingverrichtingen het niveau van 10 % van de beschikbare middelen niet overschrijden. De blendingverrichtingen zijn primair bestemd voor horizontale prioriteiten zoals opgesomd in de bijlage – deel III – punt -1 (nieuw). Blendingverrichtingen waartoe in het kader van dit programma is besloten, worden uitgevoerd in overeenstemming met de InvestEU-verordening en titel X van het Financieel Reglement.

3.  De Commissie kan de bevoegdheid voor de tenuitvoerlegging van een deel van het programma overeenkomstig artikel [69] van het Financieel Reglement delegeren aan uitvoerende agentschappen met het oog op een optimaal beheer en in het licht van de efficiëntievereisten van het programma in de vervoers-, energie- en digitale sector.

4.  Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kan gelden als dekking voor het risico dat is verbonden aan de terugvordering van door ontvangers verschuldigde financiering en wordt als voldoende garantie beschouwd overeenkomstig het Financieel Reglement. De bepalingen van [artikel X van] Verordening XXX [opvolger van de verordening betreffende het Garantiefonds] zijn van toepassing.

Artikel 6 bis

Aanpassing van de TEN‑T-netwerken aan duaal (civiel en defensie-) gebruik

1.  Projecten van gemeenschappelijk belang dragen bij tot de aanpassing van TEN‑T-netwerken, als gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 1315/2013, met als doel om duaal (civiel-militair) gebruik van infrastructuur mogelijk te maken, in overeenstemming met de vereisten voor duale (civiel-militaire) mobiliteit, hierna "eisen inzake duale mobiliteit" genoemd, en prioritaire projecten voor duaal gebruik van infrastructuur, zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel.

2.  Uiterlijk op 31 december 2019 stelt de Commissie gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 24 van deze verordening vast tot nadere bepaling van de eisen inzake duale mobiliteit, de lijst van de delen van het trans-Europees vervoersnet die geschikt zijn voor militair vervoer, de lijst van prioritaire projecten voor duaal gebruik van infrastructuur en de beoordelingsprocedure inzake de subsidiabiliteit van acties die verband houden met duaal (civiele en defensie-) gebruik van infrastructuur. Bij de specificatie van de prioritaire projecten wordt rekening gehouden met de situatie van de lidstaten in het oosten en zuiden van de Unie.

3.  Studies die worden uitgevoerd met het oog op de ontwikkeling en vaststelling van TEN‑T-projecten van gemeenschappelijk belang voor de delen van het trans-Europees vervoersnet die geschikt zijn voor militair vervoer, die altijd zullen zijn gebaseerd op bestaande haalbaarheidsstudies, projecten en de uitvoering daarvan, omvatten ook de acties die nodig zijn om te voldoen aan de door de Raad gevalideerde eisen inzake duale mobiliteit en de prioritaire projecten voor duaal (civiel-militair) gebruik van infrastructuur.

Alle voorgestelde projecten omvatten meetbare acties voor de integratie van de door de Raad gevalideerde eisen inzake duale mobiliteit.

Voorstellen voor acties die uitsluitend betrekking hebben op militaire mobiliteit zijn alleen subsidiabel wanneer ze waarde toevoegen aan bestaande civiele infrastructuur.

Alle acties die verband houden met de naleving van de eisen inzake duale mobiliteit worden gefinancierd uit de middelen waarin wordt voorzien in artikel 4, lid 2, onder a), punt iii), en maken duaal (civiel-militair) gebruik van infrastructuur mogelijk.

4.  Vóór 31 december 2025 evalueert de Commissie het reeds uitgegeven bedrag en het uitgavenperspectief van het in artikel 4, lid 2, onder a), punt iii), genoemde bedrag. Afhankelijk van de resultaten van deze evaluatie besluit de Commissie om een niet vastgelegd bedrag over te schrijven van artikel 4, lid 2, onder a), punt iii) naar artikel 4, lid 2, onder a), punt i).

Artikel 6 ter

Grensoverschrijdende projecten op het gebied van vervoer

1.  De lidstaten, regionale overheden of andere entiteiten die deelnemen aan een grensoverschrijdend project op het gebied van vervoer kunnen een gemeenschappelijke entiteit (centraal loket) opzetten voor het beheer van de projecten. Deze gemeenschappelijke entiteiten beschikken over uitgebreide coördinerende bevoegdheden, waarbij de normen op Unieniveau zullen prevaleren, waardoor het mogelijk wordt alle milieubeoordelingen op projectniveau en ruimtelijkeordenings- en bouwvergunningen te beheren.

2.  Om de moeilijkheden op te lossen met betrekking tot de coördinatie van de procedures voor het toekennen van concessies voor grensoverschrijdende infrastructuurprojecten in het kader van TEN‑T, monitoren de Europese coördinatoren de coördinatie van de projecten en stellen zij procedures voor om de onderlinge afstemming en afronding ervan te vergemakkelijken.

3.  De coördinatie en samenwerking tussen de lidstaten via de aangewezen enkele bevoegde autoriteit, de vaststelling van de noodzakelijke gemeenschappelijke termijnen voor de procedures voor het toekennen van grensoverschrijdende vergunningen en het in gang zetten van de openbare aanbestedingen voor gemeenschappelijke grensoverschrijdende projecten, zullen plaatsvinden in overeenstemming met de Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het stroomlijnen van maatregelen met het oog op een snellere voltooiing van het trans-Europees vervoersnetwerk (COM(2018)0277).

Artikel 7

Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie

1.  Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie dragen bij tot decarbonisatie, de voltooiing van de interne energiemarkt en verbetering van de voorzieningszekerheid, tellen ten minste twee deelnemende lidstaten en worden opgenomen in een overeenkomst of een andere soort regeling tussen lidstaten, inclusief, in voorkomend geval, op regionaal niveau, of tussen lokale of regionale autoriteiten en/of tussen de lidstaten en derde landen als bedoeld in de artikelen 8, 9 11 of 13, van Richtlijn (EU) 2018/ ... van het Europees Parlement en de Raad(26). Deze projecten worden geselecteerd overeenkomstig de algemene criteria en het proces van deel IV van de bijlage bij de deze verordening.

2.  Uiterlijk op 31 december 2019 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 23, onder d), van deze verordening een gedelegeerde handeling vast tot nadere bepaling, onverminderd de in artikel 13 omschreven gunningscriteria, van de specifieke selectiecriteria en -procedure van projecten en publiceert zij de methodologieën voor de beoordeling van de bijdrage van projecten aan de algemene criteria en voor de beoordeling van de kosten-batenanalyse als gespecificeerd in deel IV van de bijlage.

3.  Studies met het oog op de ontwikkeling en de selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie komen in aanmerking voor financiering uit hoofde van deze verordening.

4.  Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie komen in aanmerking voor Uniefinanciering voor werkzaamheden indien zij aan de volgende aanvullende criteria voldoen:

a)  de projectspecifieke kosten-batenanalyse overeenkomstig deel IV, punt 3, van de bijlage is verplicht voor alle gesteunde projecten, wordt op transparante, uitgebreide en volledige wijze uitgevoerd en toont duidelijk aan dat een project aanzienlijke kostenbesparingen en/of voordelen oplevert in termen van duurzaamheid, systeemintegratie, continuïteit van de energievoorziening, integratie of innovatie, en;

b)  de aanvrager toont aan dat het project zonder subsidie niet zou kunnen worden verwezenlijkt of zonder subsidie commercieel niet rendabel zou zijn. Bij die analyse wordt rekening gehouden met eventuele inkomsten uit steunregelingen.

5.  Het bedrag van de subsidie voor werkzaamheden staat in verhouding tot de kostenbesparingen en/of voordelen als bedoeld in deel IV, punt 2, onder b), van de bijlage, ligt niet hoger dan het bedrag dat nodig is om ervoor te zorgen dat het project wordt uitgevoerd of rendabel is en voldoet aan de bepalingen van artikel 14, lid 3.

Artikel 8

Projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit.

1.  Projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit zijn projecten die een significante bijdrage leveren aan:

a)  de voltooiing van de Europese eengemaakte digitale markt;

b)  de verwezenlijking van Uniedoelstellingen op het gebied van strategische connectiviteit;

c)  de totstandbrenging van de onderliggende netwerkinfrastructuur ter ondersteuning van de digitale transformatie van de economie en samenleving.

1 bis.  Projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit voldoen aan de volgende criteria:

a)  ze dragen bij tot de verwezenlijking van de specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder c);

b)  de voor het project meest geschikte technologie wordt toegepast, en de beste balans tussen geavanceerde technologieën in de zin van gegevensstroomcapaciteit, transmissieveiligheid, veerkrachtigheid van het netwerk, cyberveiligheid en kostenefficiëntie wordt voorgesteld.

2.  Studies met het oog op de ontwikkeling en de selectie van projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit komen in aanmerking voor financiering uit hoofde van deze verordening.

3.  Onverminderd de in artikel 13 vastgestelde selectiecriteria, wordt bij het bepalen van de prioriteiten voor financiering rekening gehouden met de volgende criteria:

a)  acties die bijdragen tot de toegang tot netwerken met een zeer hoge capaciteit die sociaaleconomische actoren gigabitconnectiviteit, met inbegrip van 5G of andere geavanceerde mobiele connectiviteit, bieden, krijgen prioriteit. Bij het mondiale concurrentievermogen van de Unie en het vermogen van de Unie om investeringen aan te trekken, spelen de sociaaleconomische actoren een rol, evenals de relevantie van de digitale diensten en toepassingen die dankzij de onderliggende connectiviteit mogelijk worden gemaakt, en de potentiële sociaaleconomische voordelen voor de burgers, het bedrijfsleven en lokale gemeenschappen, met inbegrip van de mogelijke positieve overloopeffecten op het gebied van connectiviteit, overeenkomstig deel V van de bijlage;

b)  acties die bijdragen aan het verstrekken van hoogwaardige lokale draadloze connectiviteit in lokale gemeenschappen, overeenkomstig deel V van de bijlage;

c)  voor acties die bijdragen tot de uitrol van 5G-systemen, wordt voorrang gegeven aan de uitrol van 5G‑corridors op de belangrijkste transportroutes, onder meer op het trans-Europese vervoersnetwerk en de sociaal-economische hubs. Er wordt rekening gehouden met de mate waarin een actie bijdraagt tot het garanderen van dekking op belangrijke transportroutes en daardoor de ononderbroken levering van digitale synergiediensten mogelijk maakt en tevens maximale potentiële positieve overloopeffecten creëert voor de gebieden en bevolking in het projectgebied. Een indicatieve lijst van projecten waarvoor steun kan worden verleend, is opgenomen in deel V van de bijlage;

d)  projecten voor de ontwikkeling van grensoverschrijdende netwerken met een zeer hoge capaciteit en backbonenetwerken tussen de EU en derde landen en ter versterking van de verbindingen binnen de Unie, met inbegrip van onderzeese kabels, worden geprioriteerd op basis van hun bijdrage aan een grotere weerbaarheid en capaciteit van de elektronische communicatienetwerken op het grondgebied van de Unie;

e)  met betrekking tot de dekking door netwerken met een zeer hoge capaciteit, wordt voorrang gegeven aan acties die bijdragen tot de dekking van het grondgebied en de bevolking, omgekeerd evenredig met de intensiteit van de steun die nodig zou zijn om de uitvoering van een project mogelijk te maken, in verhouding tot de in artikel 14 vastgestelde toepasselijke maximale medefinancieringspercentages. Er wordt rekening gehouden met de mate waarin een actie bijdraagt tot de volledige dekking van het grondgebied en de bevolking binnen een bepaald projectgebied, terwijl ook rekening wordt gehouden met de maximale potentiële positieve overloopeffecten voor het grondgebied en de bevolking in de nabijheid van het projectgebied;

f)  voor projecten op het gebied van digitale platforms, wordt prioriteit gegeven aan acties op basis van geavanceerde technologieën, rekening houdend met aspecten zoals interoperabiliteit, cyberveiligheid, gegevensbescherming en hergebruik;

▌.

Artikel 8 bis

Gunning van de overheidsopdrachten en/of leveringscontracten

1.  Bij het gunnen van contracten met steun van het programma mogen begunstigden deze contracten niet uitsluitend gunnen op basis van de economisch meest voordelige inschrijving, maar moeten ze ook rekening houden met een kosteneffectiviteitsaanpak door zich te concentreren op kwalitatieve, sociale en milieugegevens.

2.  Iedere inschrijving die wordt ingediend met het oog op de gunning van een overheidsopdracht en/of leveringscontract die/dat van het programma profiteert, wordt toegelaten wanneer het aandeel van de producten dat afkomstig is uit derde landen waarmee de Unie geen overeenkomst heeft gesloten die vergelijkbare en daadwerkelijke toegang voor Europese ondernemingen tot de markten van die derde landen waarborgt, niet meer dan 50% uitmaakt van de totale waarde van de producten waarop deze inschrijving betrekking heeft. [Am. 35]

HOOFDSTUK II

SUBSIDIABILITEIT

Artikel 9

Subsidiabele acties

1.  Alleen acties die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3 en die klimaatbestendig zijn gemaakt, komen in aanmerking voor financiering. Subsidiabele acties omvatten studies, werkzaamheden en begeleidende maatregelen voor het beheer en de tenuitvoerlegging van het programma en de sectorspecifieke richtsnoeren. Studies zijn enkel subsidiabel indien zij verband houden met onder dit programma subsidiabele projecten en indien zij onder een oproep tot het indienen van voorstellen onder werkprogramma's vallen. De selectie van operaties en de financiering ervan in het kader van deze verordening mogen niet vergezeld gaan van aanvullende verplichtingen die niet in deze verordening zijn vastgesteld.

2.  In de sector vervoer komen de volgende acties in aanmerking voor financiële Uniebijstand in het kader van de onderhavige verordening:

a)  Acties in verband met efficiënte, onderling verbonden, interoperabele en multimodale netwerken:

i)  acties voor de verwezenlijking van het kernnetwerk overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 1315/2013, met inbegrip van stedelijke knooppunten, interoperabiliteit van de spoorwegen, multimodale logistieke platforms, luchthavens, zee- en binnenhavens, bevaarbaarheid van binnenwateren, hinterlandhavens en overslagterminals voor weg- en spoorvervoer die deel uitmaken van het kernnetwerk als gedefinieerd in bijlage II van Verordening (EU) nr. 1315/2013, voornamelijk de acties die worden vermeld in deel III, rubriek 1, van de bijlage bij deze verordening, evenals onderlinge verbinding van netwerken. Acties voor de verwezenlijking van het kernnetwerk mogen aanvullende componenten op het uitgebreide netwerk omvatten indien die nodig zijn om de investering te optimaliseren en overeenkomstig de modaliteiten in de werkprogramma's als bedoeld in artikel 19 van deze verordening;

ii)  acties voor de verwezenlijking en bevordering van grensoverschrijdende verbindingen van het uitgebreide netwerk overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 1315/2013, met name de in deel III (2) van de bijlage bij deze verordening genoemde segmenten;

ii bis)  acties ter ondersteuning van de harmonisatie van grensoverschrijdende en douaneregelgeving, evenals de administratieve en wetgevingsprocedures, om op Unieniveau een regelgevingskader te ontwikkelen voor duale (civiele en defensie-)mobiliteit;

ii ter)   acties met het oog op het herstel van ontbrekende spoorverbindingen in de grensregio's die zijn verlaten of ontmanteld;

iii)  acties voor de verwezenlijking van delen van het uitgebreide netwerk in ultraperifere gebieden overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 1315/2013, waaronder stedelijke knooppunten, luchthavens, zeehavens, luchthavens, multimodale logistieke platforms, binnenhavens en overslagterminals voor weg- en spoorvervoer die deel uitmaken van het uitgebreide netwerk als gedefinieerd in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1315/2013;

iii bis)   acties om interoperabiliteitsbelemmeringen weg te werken, en met name acties die corridor-/ netwerkeffecten genereren, met bijzondere aandacht voor de bevordering van het goederenvervoer over het spoor; [Am. 33]

iv)  acties ter ondersteuning van projecten van gemeenschappelijk belang om het trans-Europese netwerk te verbinden met de infrastructuurnetwerken van buurlanden als gedefinieerd in artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

b)  acties op het gebied van slimme, interoperabele, duurzame, multimodale, inclusieve, toegankelijke, veilige en beveiligde mobiliteit:

i)  acties ter ondersteuning van maritieme snelwegen in de zin van artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 met nadruk op de grensoverschrijdende korte vaart over zee;

ii)  acties ter ondersteuning van telematicasystemen, zoals ERTMS- en Sesar-projecten, onder meer voor veiligheidsdoelstellingen, overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

iii)  acties ter ondersteuning van goederenvervoerdiensten overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

iv)  acties ter ondersteuning van nieuwe technologieën en innovatie, met inbegrip van automatisering, geavanceerde vervoersdiensten, intermodale integratie, infrastructuur voor alternatieve brandstoffen voor alle vervoerswijzen, en de decarbonisatie van de vervoerssector, overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

v)  acties om interoperabiliteitsbelemmeringen weg te werken, met name in stedelijke knooppunten als gedefinieerd in artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 en met name acties die corridor-/ netwerkeffecten genereren;

vi)  acties die bijdragen tot veilige en beveiligde infrastructuur en mobiliteit, waaronder verkeersveiligheid, overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

vii)  acties om de vervoersinfrastructuur beter bestand te maken tegen de klimaatverandering en natuurrampen;

viii)  acties om de vervoersinfrastructuur beter toegankelijk te maken voor alle vervoerswijzen en alle gebruikers, met name gebruikers met beperkte mobiliteit, overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

ix)  acties ter verbetering van de toegankelijkheid en beschikbaarheid van vervoersinfrastructuur voor beveiligings- en civielebeschermingsdoeleinden;

ix bis)  acties om het lawaai van spoorgoederenvervoer te verminderen.

c)  in het kader van de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), punt ii), en in overeenstemming met artikel 6 bis:

i)  ▌ specifieke activiteiten die deel uitmaken van een actie, ter ondersteuning van nieuwe of bestaande delen van het trans-Europees vervoersnetwerk die geschikt zijn voor militair vervoer met het oog op de aanpassing ▌aan de eisen inzake duale mobiliteit om het netwerk geschikt te maken voor civiel-militair gebruik;

i bis)  acties ter verbetering van de toegankelijkheid en beschikbaarheid van vervoersinfrastructuur voor beveiligings- en civielebeschermingsdoeleinden;

i ter)  acties ter versterking van de weerbaarheid tegen cyberdreigingen.

3.  In de sector energie komen de volgende acties in aanmerking voor financiële Uniebijstand in het kader van de onderhavige verordening:

a)  acties ter ondersteuning van projecten van gemeenschappelijk belang als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 347/2013;

b)  acties ter ondersteuning van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie, met inbegrip van het ontwerp daarvan, als gedefinieerd in deel IV van de bijlage bij deze verordening, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 van deze verordening.

4.  In de digitale sector komen de volgende acties in aanmerking voor financiële Uniebijstand in het kader van de onderhavige verordening:

a)  acties om de gigabit- en G5‑connectiviteit van sociaaleconomische actoren te ondersteunen;

b)  acties ter ondersteuning van het gratis en onder niet‑discriminerende voorwaarden aanbieden van hoogwaardige lokale draadloze connectiviteit in lokale gemeenschappen;

c)  acties voor de uitrol van een ononderbroken dekking met 5G‑systemen op alle belangrijke transportroutes, met inbegrip van het trans‑Europese vervoersnetwerk;

d)  acties ter ondersteuning van de uitrol en integratie van nieuwe of bestaande backbonenetwerken, onder meer met onderzeese kabels, tussen lidstaten en tussen de Unie en derde landen;

e)  acties ter ondersteuning van de toegang voor Europese huishoudens tot netwerken met een zeer hoge capaciteit en ter verwezenlijking van de strategische connectiviteitsdoelstellingen van de Unie;

f)  acties met het oog op de uitrol van infrastructuur voor digitale connectiviteit in verband met grensoverschrijdende vervoers- of energieprojecten en/of ter ondersteuning van operationele digitale platforms die een direct verband hebben met vervoers- of energie-infrastructuur.

Een indicatieve lijst van subsidiabele projecten in de digitale sector is opgenomen in deel V van de bijlage.

Artikel 10

Synergieën tussen de sectoren vervoer, energie en digitalisering

1.  Acties die tegelijkertijd bijdragen tot de verwezenlijking van één of meer doelstellingen van ten minste twee sectoren als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), b) en c), komen in aanmerking voor financiële Uniebijstand in het kader van deze verordening en voor de toepassing van een hoger medefinancieringspercentage overeenkomstig artikel 14. Die acties worden uitgevoerd op basis van ▌werkprogramma's die ten minste twee sectoren bestrijken, met specifieke selectiecriteria en gefinancierd met bijdragen uit de begroting van de betrokken sectoren.

2.  Acties in de sectoren vervoer, energie of digitalisering mogen overeenkomstig artikel 9 synergetische componenten omvatten die een verband hebben met een van de andere sectoren, maar die geen verband hebben met de subsidiabele acties overeenkomstig artikel 9, leden 2, 3 of 4, mits die componenten voldoen aan alle volgende vereisten:

a)  de kosten van die synergetische componenten bedragen niet meer dan 20 % van de totale subsidiabele kosten van de actie; en

b)  die synergetische componenten hebben betrekking op de sector vervoer, energie of digitalisering; en

c)  die synergetische componenten zorgen voor een aanzienlijke toename van de sociaaleconomische, klimaat- of milieuvoordelen van de actie.

Artikel 11

In aanmerking komende entiteiten

1.  Naast de in artikel [197] van het Financieel Reglement vermelde subsidiabiliteitscriteria zijn de in dit artikel vastgestelde criteria van toepassing.

2.  De volgende entiteiten komen in aanmerking:

a)  juridische entiteiten, met inbegrip van joint ventures, die zijn gevestigd in een lidstaat;

b)  juridische entiteiten die zijn gevestigd in een met het programma geassocieerd derde land;

c)  krachtens het Unierecht opgerichte juridische entiteiten en internationale organisaties, voor zover de werkprogramma's in die mogelijkheid voorzien.

3.  Natuurlijke personen komen niet in aanmerking.

4.  Juridische entiteiten die gevestigd zijn in een niet met het programma geassocieerd derde land komen bij wijze van uitzondering in aanmerking voor steun in het kader van het programma indien die steun onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een bepaald project van gemeenschappelijk belang op het gebied van vervoer, energie of digitalisering of een grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie.

5.  In de in artikel 19 bedoelde werkprogramma's kan worden bepaald dat alleen voorstellen die worden ingediend door een of meer lidstaten of door gemeenschappelijke ondernemingen, of, in overleg met de ▌lidstaten, door regionale of lokale overheden of door internationale organisaties, ▌dan wel publieke of private ondernemingen of organen, in aanmerking komen voor subsidie.

HOOFDSTUK III

SUBSIDIES

Artikel 12

Subsidies

Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming titel [VIII] van het Financieel Reglement.

Artikel 13

Selectiecriteria

1.  De selectiecriteria worden vastgesteld in de werkprogramma's als bedoeld in artikel 19 en in de oproepen tot het indienen van voorstellen, en omvatten, voor zover van toepassing, de volgende elementen:

a)  economische, sociale en milieueffecten (kosten en baten), met inbegrip van deugdelijkheid, alomvattendheid en transparantie van de analyse;

a bis)  naleving van de bepalingen van de artikelen 82 en 85 van Richtlijn 2014/25/EU;

b)  innovatie, veiligheid, digitalisering, interoperabiliteit en toegankelijkheid;

c)  grensoverschrijdende dimensie en interconnectiedimensie;

c bis)  connectiviteit en territoriale toegankelijkheid, ook voor ultraperifere regio's en eilanden;

c ter)  Europese meerwaarde;

d)  synergieën tussen de sectoren vervoer, energie en digitalisering;

e)  de maturiteit van de actie binnen de ontwikkeling van het project;

e bis)  de levenscyclus van projecten en de deugdelijkheid van de voorgestelde onderhoudsstrategie voor het voltooide project;

f)  de deugdelijkheid van het voorgestelde uitvoeringsplan;

g)  de katalyserende werking van financiële Uniebijstand op de investering;

h)  de noodzaak om financiële belemmeringen weg te werken, zoals een gebrek aan rendabiliteit, hoge aanloopkosten of het gebrek aan marktfinanciering;

h bis)  bijdrage aan de integratie van de eisen inzake duale (civiel-militaire)mobiliteit;

h ter)  toegankelijkheid voor personen met verminderde mobiliteit.

i)  bijdrage aan de beleidsplannen van de Unie en de lidstaten op het gebied van energie en klimaat;

i bis)  door de projecten gerealiseerde decarbonisatie;

i ter)  bijdrage aan het beginsel van voorrang voor energie-efficiëntie;

2.  Bij de toetsing van de voorstellen aan de selectiecriteria wordt, voor zover relevant, rekening gehouden met de weerbaarheid ten aanzien van de negatieve gevolgen van klimaatverandering door middel van een analyse van de klimaatkwetsbaarheid en een risicobeoordeling, met inbegrip van de relevante aanpassingsmaatregelen.

3.  Bij de toetsing van voorstellen aan de selectiecriteria wordt, voor zover relevant en overeenkomstig de specificaties in het werkprogramma, gewaarborgd dat door het programma ondersteunde acties die technologie voor plaatsbepaling, navigatie en tijdsbepaling (PNT) omvatten, technisch compatibel zijn met EGNOS/Galileo en Copernicus.

4.  In de vervoerssector wordt er bij de toetsing van de voorstellen aan de selectiecriteria als bedoeld in lid 1, indien van toepassing, op toegezien dat de voorgestelde acties in overeenstemming zijn met de werkplannen van de corridors en de uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 en rekening houden met het advies van de bevoegde Europese coördinator op grond van artikel 45, lid 8. Daarnaast wordt beoordeeld of de uitvoering van door de CEF gefinancierde acties het risico met zich meebrengt dat de goederen- of passagiersstromen op het door het project beïnvloede traject worden onderbroken en of deze acties uiteindelijk oplossingen bieden.

5.  Voor acties met betrekking tot grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie, wordt in de selectiecriteria als gedefinieerd in de werkprogramma's en de oproepen tot het indienen van voorstellen rekening gehouden met de voorwaarden van artikel 7, lid 4.

6.  Voor acties met betrekking tot projecten van gemeenschappelijk belang voor digitale connectiviteit, wordt in de selectiecriteria als gedefinieerd in de werkprogramma's en de oproepen tot het indienen van voorstellen rekening gehouden met de voorwaarden van artikel 8, lid 3.

Artikel 14

Medefinancieringspercentages

1.  Voor studies bedraagt de financiële bijstand van de Unie ten hoogste 50 % van de totale subsidiabele kosten. Voor studies die worden gefinancierd met de bedragen die uit het Cohesiefonds zijn overgedragen, gelden de maximale medefinancieringspercentages van het Cohesiefonds als vermeld in lid 2, onder b).

2.  Voor werkzaamheden in de vervoerssector gelden de volgende maximale medefinancieringspercentages:

a)  voor werkzaamheden in verband met de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), bedraagt de financiële bijstand van de Unie ten hoogste 30 % van de totale subsidiabele kosten. Het medefinancieringspercentage kan worden verhoogd tot maximum 50 % voor acties in verband met grensoverschrijdende verbindingen voor om het even welke vervoerswijze overeenkomstig de in dit lid, onder c), gespecificeerde voorwaarden, voor acties ter ondersteuning van telematicasystemen, voor acties ter ondersteuning van de binnenwaterwegen, spoorwegen of maritieme snelwegen, voor acties ter ondersteuning van nieuwe technologieën en innovatie, voor acties om de infrastructuur veiliger te maken overeenkomstig de relevante Uniewetgeving, voor acties in ultraperifere regio's en voor acties ter verbetering van de territoriale toegankelijkheid en connectiviteit; Voor werkzaamheden in ultraperifere regio's bedragen de medefinancieringspercentages maximaal 85 %.

b)  voor bedragen die uit het Cohesiefonds zijn overgedragen, gelden de maximale medefinancieringspercentages van het Cohesiefonds als bedoeld in Verordening (EU) XXX [CPR]. Deze medefinancieringspercentages kunnen worden verhoogd tot maximum 85 % voor acties in verband met grensoverschrijdende en ontbrekende verbindingen overeenkomstig de in dit lid, onder c), gespecificeerde voorwaarden en voor en voor acties ter verbetering van de territoriale connectiviteit en toegankelijkheid;

c)  voor acties in verband met grensoverschrijdende verbindingen, mogen de hogere maximale medefinancieringspercentages als bedoeld onder a) en b) alleen worden toegepast voor acties waarbij er sprake is van een verregaande integratie bij de planning en uitvoering van de actie voor de toepassing van het selectiecriterium als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder c), of artikel 13, lid 1, onder c bis), met name door de oprichting van een enige projectonderneming, een gezamenlijke beheerstructuur en een bilateraal juridisch kader of uitvoeringshandeling uit hoofde van artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 of door een schriftelijke overeenkomst tussen de desbetreffende lidstaten of regionale autoriteiten; daarnaast kan het medefinancieringspercentage dat van toepassing is op projecten die worden uitgevoerd door een joint venture overeenkomstig artikel 11, lid 2, onder a), met 10 % worden verhoogd; het medefinancieringspercentage is niet hoger dan 90 % van de totale subsidiabele kosten.

c bis)  ten aanzien van de acties in verband met de specifieke doelstelling als vermeld in artikel 3, lid 2, onder a), ii), kunnen de medefinancieringspercentages worden verhoogd tot maximum 85 % voor acties in verband met grensoverschrijdende verbindingen overeenkomstig de in dit lid, onder c), gespecificeerde voorwaarden;

3.  Voor werkzaamheden in de energiesector gelden de volgende maximale cofinancieringspercentages:

a)  voor werkzaamheden in verband met de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder b), bedraagt de financiële bijstand van de Unie ten hoogste 50 % van de totale subsidiabele kosten. Voor werkzaamheden in ultraperifere regio's bedragen de medefinancieringspercentages maximaal 85 %.

b)  Het medefinancieringspercentage kan worden verhoogd tot maximum 75 % voor acties die bijdragen tot de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang die een aanzienlijk effect hebben op de vermindering van de CO2-uitstoot of, op basis van de in artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 347/2013 vermelde bewijzen, zorgen voor een hoge mate van regionale of Uniebrede voorzieningszekerheid, die de solidariteit in de Unie versterken of die bijzonder innoverende oplossingen omvatten.

4.  Voor werkzaamheden in de digitale sector gelden de volgende maximale cofinancieringspercentages: voor werkzaamheden in verband met de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder c), bedraagt de financiële bijstand van de Unie maximum 30 % van de totale subsidiabele kosten. Voor werkzaamheden in ultraperifere regio's bedragen de medefinancieringspercentages maximaal 85 %. Het medefinancieringspercentage kan worden verhoogd tot maximum 50 % voor acties met een sterke grensoverschrijdende dimensie, zoals ononderbroken dekking met 5G‑systemen van belangrijke transportroutes of de ontwikkeling van backbonenetwerken tussen lidstaten en tussen de Unie en derde landen, en tot maximum 75 % voor acties voor de uitrol van gigabitconnectiviteit bij sociaaleconomische actoren. Voor acties met het oog op het verstrekken van lokale draadloze connectiviteit in lokale gemeenschappen bedraagt de financiële Uniebijstand tot 100 % van de subsidiabele kosten, onverminderd het medefinancieringsbeginsel.

5.  Het maximale medefinancieringspercentage voor acties ▌ als bedoeld in artikel 10, is het hoogste maximale medefinancieringspercentage van de betrokken sectoren. Daarnaast kan het medefinancieringspercentage dat van toepassing is op deze acties met 10 % worden verhoogd; het medefinancieringspercentage is niet hoger dan 90 % van de totale subsidiabele kosten.

5 bis.  Bij de toewijzing en na het besluit over het medefinancieringspercentage verstrekt de Commissie de projectontwikkelaars tijdig een lijst van alle mogelijkheden en middelen om de overige financiële deelnemingen veilig te stellen.

Artikel 15

Subsidiabele kosten

Naast de in artikel [186] van het Financieel Reglement vermelde criteria zijn de volgende criteria voor subsidiabiliteit van kosten van toepassing:

a)  alleen uitgaven in de lidstaten worden in aanmerking genomen, tenzij het project van gemeenschappelijk belang of het grensoverschrijdende project op het gebied van hernieuwbare energie ook betrekking heeft op het grondgebied van derde landen als bedoeld in artikel 5 of artikel 11, lid 4, van deze verordening of op internationale wateren, en de actie onontbeerlijk is om de doelstellingen van het desbetreffende project te verwezenlijken;

b)  de kosten van apparatuur, voorzieningen en infrastructuur die door de begunstigde als kapitaaluitgaven worden behandeld, kunnen volledig in aanmerking worden genomen;

c)  uitgaven voor de aankoop van gronden komen niet in aanmerking;

d)  subsidiabele kosten omvatten geen belasting over de toegevoegde waarde ("btw").

d bis)  uitgaven in verband met militaire eisen komen in aanmerking vanaf de begindatum van de subsidiabiliteit van de actie, ongeacht de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handelingen bedoeld in artikel 6 bis, lid 2.

Artikel 16

Combinatie van subsidies met andere financieringsbronnen

1.  Subsidies kunnen worden gebruikt in combinatie met financiering van de Europese Investeringsbank, nationale stimuleringsbanken of andere ontwikkelingsbanken en openbare financiële instellingen alsmede van particuliere financiële instellingen en investeerders uit de particuliere sector, ook via publiek-private partnerschappen.

2.  De subsidies als bedoeld in lid 1 mogen ten uitvoer worden gelegd middels specifieke oproepen tot het indienen van voorstellen.

Artikel 17

Verlaging of beëindiging van subsidie

1.  Behalve op de in [artikel 131, lid 4,] van het Financieel Reglement genoemde gronden kan het subsidiebedrag, behoudens in naar behoren gemotiveerde gevallen, worden verlaagd op de volgende gronden:

a)  de actie is niet van start gegaan binnen één jaar na de in de subsidieovereenkomst vermelde begindatum in het geval van studies, of binnen twee jaar voor alle andere acties die uit hoofde van deze verordening in aanmerking komen voor financiële bijstand;

b)  na evaluatie van de vooruitgang van de actie is gebleken dat de uitvoering van de actie meer tijd in beslag heeft genomen dan de in artikel 6 van [Verordening nr. XXX – Smart TEN‑T] vastgestelde fasen en termijnen, of zoveel vertraging heeft opgelopen dat de doelstellingen van de actie waarschijnlijk niet zullen worden verwezenlijkt;

2.  De subsidieovereenkomst kan worden beëindigd op de in lid 1 genoemde gronden.

(2 bis)  Het bedrag dat resulteert uit de toepassing van lid 1 of lid 2 wordt verdeeld over de andere werkprogramma's die onder de desbetreffende begroting, als omschreven in artikel 4, lid 2, worden voorgesteld.

Artikel 18

Synergieën met andere programma's van de Unie

1.  Aan een actie waaraan in het kader van het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit een ander programma van de Unie, met inbegrip van fondsen in gedeeld beheer, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. Bij de uitvoering worden de regels van artikel [xxx] van het Financieel Reglement in acht genomen. De gecumuleerde steun mag niet meer dan de totale subsidiabele kosten van de actie bedragen en de steun uit de verschillende Unieprogramma's kan op pro-ratabasis worden berekend overeenkomstig het document waarin de steunvoorwaarden zijn vastgesteld.

2.  Voor acties die voldoen aan alle volgende cumulatieve voorwaarden:

a)  de acties zijn beoordeeld na een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het programma;

b)  de acties voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van de oproep tot het indienen van voorstellen;

c)  de acties kunnen vanwege budgettaire beperkingen niet worden gefinancierd in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen;

kan steun worden verleend via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling of het Cohesiefonds overeenkomstig [artikel 67, lid 5,] van Verordening (EU) nr. XXX [de gemeenschappelijke verordening], zonder verdere beoordeling, en voor zover de acties sporen met de doelstellingen van het desbetreffende programma. De regels van het Fonds dat steun verleent, zijn van toepassing.

HOOFDSTUK IV

PROGRAMMERING, MONITORING, EVALUATIE EN CONTROLE

Artikel 19

Werkprogramma's

1.  Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. ▌.

1 bis.  De Commissie stelt tegen eind maart 2021 een kaderprogramma op dat het tijdschema van de werkprogramma's en oproepen, hun onderwerpen en toegewezen financiering en andere noodzakelijke gegevens bevat die nodig zijn om transparantie en voorspelbaarheid te bieden voor de gehele periode van het programma en om de kwaliteit van de projecten te verbeteren. Het kaderprogramma zal worden goedgekeurd door middel van een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 24.

1 ter.  Bij de publicatie van een werkprogramma, maakt de Commissie een oproep openbaar tot het indienen van voorstellen die in het kader van het werkprogramma zijn gepland; deze aankondiging bevat, overeenkomstig artikel 194 van het Financieel Reglement, ten minste de volgende informatie voor elke vermelde oproep:

a)  prioriteiten;

b)  indicatieve openingsdatum;

c)  indicatieve sluitingsdatum;

d)  geraamde begroting.

2.  De werkprogramma's worden door de Commissie vastgesteld door middel van een gedelegeerde handeling in overeenstemming met ▌artikel 24 van deze verordening.

2 bis.  In overeenstemming met artikel 200, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 omvatten alle oproepen een procedure in twee stappen en worden zij als volgt uitgevoerd:

a)  de aanvragers dienen een vereenvoudigd dossier in met relatief beknopte informatie, zodat er een voorselectie van de projecten kan worden gemaakt;

b)  de aanvragers die in de eerste stap zijn geselecteerd, dienen na sluiting van de eerste stap een volledig dossier in.

c)  De Commissie publiceert de uitnodigingen tot het indienen van voorstellen ten minste drie maanden voordat de procedure van start gaat.

Artikel 20

Monitoring en verslaglegging

-1.  De Commissie stelt een methode vast voor kwalitatieve indicatoren voor een nauwkeurige beoordeling van de voortgang die per project naast het TEN‑T-netwerk wordt gerealiseerd en van de via het programma geboekte voortgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde doelstellingen. Op basis van deze methode vult de Commissie deel I van de bijlage aan, uiterlijk op 1 januari 2021, en door middel van een gedelegeerde handeling, overeenkomstig artikel 24.

1.  Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde algemene en specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in deel 1 van de bijlage.

2.  Om te zorgen voor een effectieve evaluatie van de voortgang van het programma in de richting van de verwezenlijking van zijn doelstellingen, wordt de Commissie overeenkomstig artikel 24 gemachtigd deel I van de bijlage te wijzigen teneinde de indicatoren waar nodig te herzien en aan te vullen en deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de vaststelling van een monitoring- en evaluatiekader.

3.  Het prestatieverslagleggingssysteem moet waarborgen dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma geschikt zijn voor een grondige analyse van de geboekte vooruitgang en van de problemen die zijn vastgesteld langs de kernnetwerkcorridors, en op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en, indien relevant, de lidstaten.

3 bis.  De Commissie zet een speciale internetsite op om in real time een kaart met de projecten in uitvoering te publiceren, samen met relevante gegevens (effectbeoordelingen, waarde, begunstigde, uitvoeringsorgaan, stand van zaken).

Artikel 21

Evaluatie en herziening

1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd, maar ten minste om de twee jaar, zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.

(1 bis)  Bij de evaluatie wordt de uitvoering van het programma beoordeeld aan de hand van de in artikel 3 vastgelegde algemene en sectorale doelstellingen, en wordt verduidelijkt of de verschillende sectoren op schema liggen, of de totale begrotingsvastlegging in overeenstemming is met het totale toegewezen bedrag, of de lopende projecten in voldoende mate volbracht zijn en of ze nog steeds haalbaar zijn en eenvoudig kunnen worden geleverd.

2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra er op basis van de overeenkomstig artikel 20 uitgevoerde monitoring voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen. Zij omvat eveneens een alomvattende evaluatie van de geschiktheid van de procedures, doelstellingen en subsidiabliteitscriteria voor het verwezenlijken van de in artikel 3 vastgelegde algemene en sectorale doelstellingen. Op basis van de resultaten van deze tussentijdse evaluatie worden aanbevelingen voor een herziening van het programma voorgesteld.

3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, maar uiterlijk twee jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit.

4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Artikel 22

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Coördinatiecomité van de CEF. Het Comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 23

Gedelegeerde handelingen

De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 24 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen:

a)  tot wijziging van deel I van de bijlage betreffende de indicatoren en tot vaststelling van een monitoring- en evaluatiekader;

c)  tot wijziging van deel III van de bijlage betreffende de afbakening van de kernnetwerkcorridors en de vooraf geselecteerde segmenten; en de vooraf geselecteerde segmenten van het uitgebreide netwerk;

d)  tot wijziging van deel IV van de bijlage betreffende de selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie;

e)  tot wijziging van deel V van de bijlage betreffende de selectie van de projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van digitale connectiviteit.

e bis)  tot goedkeuring van het kaderprogramma;

e ter)  tot goedkeuring van het kaderprogramma;

e quater)  tot specificering of wijziging van eisen inzake militaire mobiliteit, tot vaststelling of wijziging van de lijst van de delen van het trans-Europese vervoersnet dat geschikt is voor militair vervoer, tot vaststelling of wijziging van de lijst van prioritaire projecten voor infrastructuur voor tweeërlei gebruik en de beoordelingsprocedure met betrekking tot de subsidiabiliteit van de acties die verband houden met militaire mobiliteit als bedoeld in artikel 6 bis;

e quinquies)  de methode vaststellen voor kwalitatieve indicatoren voor een nauwkeurige beoordeling van de voortgang die per project naast het TEN‑T-netwerk via het programma wordt gerealiseerd.

Artikel 24

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 23 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 23 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 23 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 25

Informatie, communicatie en publiciteit

1.  Ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.

2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen.

Artikel 26

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Wanneer een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of op grond van enig ander rechtsinstrument, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EMO) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad.

HOOFDSTUK VI

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 27

Intrekkings- en overgangsbepalingen

1.  Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 worden ingetrokken.

2.  Onverminderd lid 1, doet deze verordening geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties tot de afsluiting ervan op grond van Verordening (EU) nr. 1316/2013, die op de betrokken acties van toepassing blijft totdat zij worden afgesloten.

2 bis.  Verordening (EU) nr. 347/2013 wordt tijdig voor het volgende MFK herzien, teneinde de richtsnoeren aan te passen aan de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030 en de langetermijnverbintenissen van de EU op het gebied van decarbonisatie, en het beginsel van voorrang voor energie-efficiëntie erin op te nemen. [Am. 10]

3.  De financiële middelen voor het programma kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen dit programma en de maatregelen die zijn vastgesteld op grond van het vorige programma, de bij Verordening (EU) nr. 1316/2013 vastgestelde Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen.

4.  Zo nodig kunnen ook na 2027 kredieten in de begroting worden opgenomen ter dekking van de in artikel 4, lid 5, van deze verordening bedoelde uitgaven voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid.

Artikel 28

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

DEEL I — INDICATOREN

Het programma wordt nauwlettend gemonitord op basis van een reeks indicatoren die bestemd zijn om te meten in hoeverre de algemene en specifieke doelstellingen van het programma zijn verwezenlijkt en om de administratieve lasten en kosten tot een minimum te beperken. Daartoe zullen er gegevens worden vergaard met betrekking tot onderstaande indicatoren:

 

Sectoren

Specifieke doelstellingen

Indicatoren

 

Vervoer:

Efficiënte en onderling verbonden netwerken en infrastructuur voor slimme, interoperabele, duurzame, multimodale, inclusieve, veilige en beveiligde mobiliteit

Het aantal grensoverschrijdende verbindingen en missing links die met CEF-steun zijn aangepakt (met inbegrip van stedelijke knooppunten, regionale grensoverschrijdende spoorwegverbindingen, zeehavens, binnenhavens, luchthavens en terminals voor overslag tussen weg- en spoorvervoer op het TEN-T-kernnetwerk en het uitgebreide netwerk)

 

 

 

Aantal door de CEF ondersteunde acties voor de digitalisering van vervoer (ERTMS, SESAR)

 

 

 

Het aantal bevoorradingspunten voor alternatieve brandstoffen die met CEF-steun zijn gecreëerd of gemoderniseerd

 

 

 

Aantal door de CEF ondersteunde acties die de veiligheid van vervoer verbeteren

 

 

 

Aantal CEF-acties om het vervoer beter toegankelijk te maken voor personen met een handicap

 

 

 

Aantal door de CEF ondersteunde acties om het lawaai van spoorgoederenvervoer te verminderen

 

 

Aanpassing aan duale (civiele en defensie-) mobiliteitseisen

Aantal infrastructuurcomponenten die zijn aangepast aan de duale (civiele en defensie-) mobiliteitseisen

 

Energie

Bijdrage aan de interconnectiviteit en integratie van markten

Het aantal CEF-acties die deel uitmaken van projecten om lidstaten met elkaar te verbinden en interne knelpunten weg te werken

 

 

Voorzieningszekerheid

Aantal CEF-acties die deel uitmaken van projecten om de veerkracht van het gasnetwerk te waarborgen

 

 

 

Het aantal CEF-acties op het gebied van slimmere netwerken, de digitalisering van netwerken en een toename van de energieopslagcapaciteit

 

 

Duurzame ontwikkeling dankzij projecten die de decarbonisatie mogelijk maken

Het aantal CEF-acties die deel uitmaken van projecten die een toename van het aandeel van hernieuwbare energie in de energiesystemen mogelijk maken

 

 

 

Aantal CEF-acties in het kader van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie

 

Digitalisering

bijdragen tot de uitrol van infrastructuur voor digitale connectiviteit in de hele EU.

Nieuwe aansluitingen op netwerken met een zeer hoge capaciteit voor sociaaleconomische actoren en hoogwaardig draadloos internet voor lokale gemeenschappen

 

 

 

Aantal CEF-acties voor 5G-connectiviteit op belangrijke transportroutes

 

 

 

Aantal CEF-acties voor nieuwe aansluitingen van huishoudens op netwerken met een zeer hoge capaciteit

 

 

 

Aantal CEF-acties die bijdragen tot de digitalisering van vervoer en energie

DEEL II: INDICATIEVE PERCENTAGES VOOR DE SECTOR VERVOER

De budgettaire middelen als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder a), punten i) en ii), worden als volgt verdeeld:

–  60 % voor de in artikel 9, lid 2, onder a), genoemde acties: „acties in verband met efficiënte en onderling verbonden netwerken”;

–  40 % voor de in artikel 9, lid 2, onder b), genoemde acties: „acties in verband met slimme, duurzame, inclusieve, veilige en beveiligde mobiliteit”.

De budgettaire middelen die worden gebruikt om de in artikel 9, lid 2, onder a), genoemde acties te financieren, worden als volgt verdeeld: 75 % wordt toegewezen aan acties op de kernnetwerkcorridors, 10 % aan acties op andere segmenten van het kernnetwerk en 15 % aan acties op het uitgebreide netwerk.

DEEL III: HORIZONTALE PRIORITEITEN, KERNNETWERKCORRIDORS EN VOORAF GESELECTEERDE SEGMENTEN; VOORAF GESELECTEERDE SEGMENTEN VAN HET UITGEBREIDE NETWERK

-1 bis.  Horizontale prioriteiten

SESAR, ERTMS, ITS, RIS, VTMIS apparatuur voor slimme technologie

1.  Kernnetwerkcorridors en vooraf geselecteerde segmenten

"Atlantische" kernnetwerkcorridor

Verloop

Gijón – León – Valladolid

 

A Coruña – Vigo – Orense – León –

 

Zaragoza – Pamplona/Logroño – Bilbao

 

Bordeaux Toulouse

 

Tenerife/Gran Canaria – Huelva/Sanlúcar de Barrameda – Sevilla – Córdoba

 

Algeciras – Bobadilla – Madrid

 

Madeira/Sines – Ermidas/Lissabon – Madrid – Valladolid

 

Lissabon – Aveiro – Leixões/Porto – Dourorivier/Vigo

 

Aveiro – Valladolid – Vitoria-Gasteiz – Bergara – Bilbao/Bordeaux – La Rochelle –Tours – Parijs – Le Havre/Metz – Mannheim/Straatsburg

 

Shannon Foynes – Dublin – Rosslare – Waterford – Cork – Brest – Roscoff – Cherbourg – Caen – Le Havre – Rouen – Parijs

 

Dublin/Cork – Brest – Roscoff – Saint Nazaire – Nantes – Tours – Dijon

Vooraf geselecteerde segmenten

Grens­over­schrijdend

Evora – Merida

Spoor

 

 

Vitoria-Gasteiz – San Sebastian – Bayonne – Bordeaux

 

 

 

Aveiro – Salamanca

 

 

 

Dourorivier (Via Navegável do Douro)

Binnenwateren

 

Missing links

Parijs (link Orly – Versailles en Orly – luchthaven Ch. De Gaulle)

Multimodaal

Kernnetwerkcorridor Oostzee – Adriatische Zee

Verloop

Gdynia – Gdańsk – Katowice/Sławków

 

Gdańsk – Warschau – Katowice

 

Katowice – Ostrava – Brno – Wenen

 

Szczecin/Świnoujście – Poznań – Wrocław – Ostrava

 

Katowice – Žilina – Bratislava – Wenen

 

Wenen – Graz– Villach – Udine – Trieste

 

Udine – Venetië – Padova – Bologna – Ravenna – Ancona – Foggia

 

Graz – Maribor – Ljubljana – Koper/Trieste

Vooraf geselecteerde segmenten

Grens­over­schrijdend

Katowice – Ostrava

Spoor

 

Katowice – Žilina

 

 

Opole – Ostrava

 

 

Bratislava – Wenen

 

 

Graz – Maribor

 

 

Trieste – Divača

 

 

Katowice – Žilina

Weg

 

Brno – Wenen

 

 

Missing links

Gloggnitz – Mürzzuschlag:

Spoor

 

Semmeringbasistunnel

 

 

Graz – Klagenfurt: Koralmspoorlijn en tunnel

 

 

Koper – Divača

 

"Mediterrane" kernnetwerkcorridor

Verloop

Algeciras – Bobadilla – Madrid – Zaragoza – Tarragona

 

Zaragoza – Teruel – Valencia/Sagunto

 

Sagunto – Valencia – Madrid

 

Sevilla – Bobadilla – Murcia

 

Cartagena – Murcia – Valencia – Tarragona/Palma de Mallorca – Barcelona

 

Tarragona – Barcelona – Perpignan – Marseille – Genève – La Spezia – Turijn – Novara – Milaan – Bologna/Verona – Padova – Venetië – Ravenna/Trieste/Koper – Ljubljana – Boedapest

 

Toulouse – Narbonne

 

Ljubljana/Rijeka – Zagreb – Boedapest – Oekraïense grens

Vooraf geselecteerde segmenten

Grens­over­schrijdend

Lyon – Turijn: basistunnel en toegangswegen

Spoor

 

 

Barcelona – Perpignan

 

 

 

Nice – Ventimiglia

 

 

 

Trieste – Divača

 

 

 

Ljubljana - Zagreb

 

 

 

Zagreb – Boedapest

 

 

 

Boedapest – Miskolc – Oekraïense grens

 

 

 

Lendava — Letenye

Weg

 

 

Vásárosnamény – Oekraïense grens

 

 

Missing links

Perpignan – Montpellier

Spoor

 

 

Madrid - Zaragoza - Barcelona

 

 

 

Koper – Divača

 

 

 

Rijeka – Zagreb

 

 

 

Milaan – Cremona – Mantova Ferrara – Porto Levante/Venetië – Trieste/ Ravenna – Porto Garibaldi

Binnenwateren

Kernnetwerkcorridor "Noordzee – Oostzee"

Verloop

Luleå – Helsinki – Tallinn – Riga

 

Ventspils – Riga

 

Riga – Kaunas

 

Klaipeda – Kaunas – Vilnius

 

Kaunas – Warschau

 

Belarussische grens – Warschau – Łódź/Poznań – Frankfurt/Oder – Berlijn – Hamburg – Kiel

 

Łódź – Katowice/Wrocław

 

Oekraïens-Poolse grens – Rzeszów – Katowice – Wrocław – Falkenberg – Magdeburg

 

Szczecin/Świnoujście – Berlijn – Magdeburg – Braunschweig – Hannover

 

Hannover – Bremen – Bremerhaven/Wilhelmshaven

 

Hannover – Osnabrück – / Kleef – Nijmegen / – Hengelo – Almelo – Deventer – Utrecht

 

Utrecht – Amsterdam

 

Utrecht – Rotterdam – Antwerpen

 

Hannover – Keulen – Antwerpen

Vooraf geselecteerde segmenten

Grens­over­schrijdend

Tallinn – Riga – Kaunas/Vilnius – Warschau Rail Baltica: nieuwe volledig interoperabele spoorlijn op UIC-breedte

Spoor

 

 

Antwerpen – Duisburg

Spoor

 

 

Świnoujście/Szczecin / Brug van Karnin – Berlijn

Spoor/binnenwateren

 

 

De "Via Baltica" corridor EE-LV-LT-PL

Weg

 

Missing links

Spoor

 

 

Warschau/Idzikowice — Poznań/Wrocław, inclusief verbindingen met de geplande Central Transport Hub

 

 

 

Kielkanaal

Binnenwateren

 

 

Berlijn – Magdeburg – Hannover; Mittellandkanaal; Westelijke Duitse kanalen

 

 

 

Rijn, Waal

 

 

 

Noordzeekanaal, IJssel, Twentekanaal

 

 

Opwaar­dering (dubbel­spoor)

Ruhrgebied – Münster – Osnabrück – Hamburg

Spoor

Kernnetwerkcorridor "Noordzee – Middellandse Zee"

Verloop

 

DerrySligoGalway – Shannon Foynes/Cork

 

 

 

Baile Átha Cliath/Dublin/Corcaigh/Cork – Zeebrugge/Antwerpen/Rotterdam

 

Dublin – Cork – Calais – Dunkerque – Zeebrugge – Antwerpen – Rotterdam

 

Grens VK – Lille – Brussel/Bruxelles

 

Londen – Rijsel – grensoverschrijdende spoorverbinding Brussel-Quiévrain-Valenciennes – Brussel

 

Amsterdam – Rotterdam – Antwerpen – Brussel – Luxemburg

 

Luxemburg – Metz – Dijon – Macon – Lyon – Marseille

 

Luxemburg – Metz – Straatsburg – Bazel

 

Antwerpen/Zeebrugge – Gent – Duinkerke/Rijsel – Parijs

Vooraf geselecteerde segmenten

Grens­over­schrijdend

Brussel – Luxemburg – Straatsburg

Spoor

 

 

Terneuzen – Gent

Binnenwateren

 

 

Seine-Scheldenetwerk en de daarmee verbonden stroomgebieden van de Seine, Schelde en Maas

 

 

 

Rijn-Scheldecorridor

 

 

Missing links

Albertkanaal/Kanaal Bocholt-Herentals

Binnenwateren

 

Duinkerke – Rijsel

Kernnetwerkcorridor "Oriënt/Oostelijke Middellandse Zee"

Verloop

Hamburg – Berlijn

 

Rostock – Berlijn – Dresden

 

Bremerhaven/Wilhelmshaven – Magdeburg – Dresden

 

Dresden – Ústí nad Labem – Melnik/Praag – Lysá nad Labem/Poříčany – Kolin

 

Kolin – Pardubice – Brno – Wenen/Bratislava – Boedapest – Arad – Timișoara – Craiova – Calafat – Vidin – Sofia

 

Sofia – Plovdiv – Burgas

 

Plovdiv – Turkse grens – Alexandropouli – Kavala – Thessaloniki – Ioannina – Kakavia/Igoumenitsa

 

Fyrom-grens – Thessaloniki

 

Sofia – Thessaloniki – Athene – Piraeus/Ikonio – Heraklion – Lemesos (Vasiliko) – Lefkosia

 

Athene – Patras/Igoumenitsa

Vooraf geselecteerde segmenten

Grens­over­schrijdend

Dresden – Praag

Spoor

 

 

Wenen/Bratislava – Boedapest

 

 

 

Békéscsaba – Arad

 

 

 

Calafat – Vidin – Sofia – Thessaloniki

 

 

 

Turkse grens – Alexandropouli

 

 

 

Fyrom-grens – Thessaloniki

 

 

 

Ioannina – Kakavia (Grieks-Albanese grens)

Weg

 

 

Craiova – Vidin

 

 

 

Hamburg – Dresden – Praag – Pardubice

Binnenwateren

 

Missing links

Thessaloniki – Kavala

Spoor

 

 

Budapest KelenföldFerencváros

 

 

 

Treinstation van Szolnok

 

Kernnetwerkcorridor "Rijn – Alpen"

Verloop

Genua – Milaan – Lugano – Bazel

 

Genua – Novara – Brig – Bern – Bazel – herinrichting grensoverschrijdende spoorbrug Freiburg (Breisgau)-Colmar – Rastatt-Haguenau grensoverschrijdende verbinding – Karlsruhe – Mannheim – Mainz – Koblenz – Keulen

 

Milaan – Verona – Trento – Bolzano – Innsbruck – München, inclusief de Brennerpas

 

Keulen – Düsseldorf – Duisburg – Nijmegen/Arnhem – Utrecht – Amsterdam

 

Nijmegen – Rotterdam – Vlissingen

 

Keulen – Luik – Brussel – Gent

 

Luik – Antwerpen – Gent – Zeebrugge

Vooraf geselecteerde segmenten

Grens­over­schrijdend

Zevenaar – Emmerich – Oberhausen

Spoor

 

 

Karlsruhe – Bazel

 

 

 

Milaan/Novara – Zwitserse grens

 

 

 

Antwerpen – Duisburg

 

 

 

Bazel – Antwerpen/Rotterdam – Amsterdam

Binnenwateren

 

Missing links

Genua – Tortona/Novi Ligure

Spoor

Kernnetwerkcorridor "Rijn – Donau"

Verloop

Parijs – Straatsburg– Stuttgart – Augsburg – München – Salzburg – Wels/Linz

 

Straatsburg – Mannheim – Frankfurt – Würzburg – Nürnberg – Regensburg – Passau – Wels/Linz

 

München/Nürnberg – Praag – Ostrava/Přerov – Žilina – Košice – Oekraïense grens

 

Wels/Linz – Wenen – Bratislava – Boedapest – Vukovar

 

Wenen/Bratislava – Boedapest – Arad – Brašov/Craiova – Boekarest – Focșani – Albita (Moldavische grens)/Constanța – Sulina

Vooraf geselecteerde segmenten

Grens­over­schrijdend

München – Praag

Spoor

 

 

Nürnberg – Plzen

 

 

 

München – Mühldorf – Freilassing – Salzburg

 

 

 

Straatsburg – Kehl Appenweier

 

 

 

Hranice – Žilina

 

 

 

Wenen – Bratislava/Boedapest

 

 

 

Bratislava – Boedapest

 

 

 

Békéscsaba – Arad

 

 

 

Donau (Kehlheim – Constanța/Midia/Sulina) en de stroomgebieden van de Sava en de Tisza

Binnenwateren

 

 

Zlín - Žilina

Weg

 

Missing links

Stuttgart – Ulm

Spoor

 

 

Salzburg – Linz

 

 

 

Arad – Craiova

 

 

 

Boekarest – Constanța

 

 

 

Arad – Brașov

Spoor

 

 

Brașov – Predeal

Spoor

 

 

Boekarest – Craiova

Spoor

Mediterrane kernnetwerkcorridor "Scandinavië – Middellandse Zee"

Verloop

Russische grens – Hamina/Kotka – Helsinki – Turku/Naantali – Stockholm – Örebro – Malmö

 

Narvik/Oulu – Luleå – Umeå – Stockholm

 

Oslo – Göteborg – Malmö – Trelleborg

 

Malmö – Kopenhagen – Fredericia – Aarhus – Aalborg – Hirtshals/Frederikshavn

 

Kopenhagen – Kolding/Lübeck – Hamburg – Hannover

 

Bremerhaven – Bremen – Hannover – Nürnberg

 

Rostock – Berlijn – Halle/Leipzig – Erfurt/Weimar – München

 

Nürnberg – München – Innsbruck – Verona – Bologna – Ancona/Firenze

 

Livorno/La Spezia – Firenze – Rome – Napels – Bari – Taranto – Valletta

 

Napels – Cagliari /Gioia Tauro – Palermo/Augusta – Valletta – Marsaxlokk

Vooraf geselecteerde segmenten

Grensoverschrijdend

Russische grens – Helsinki

Spoor

 

 

Kopenhagen – Hamburg: Toegangswegen tot de vaste Fehmarnbeltverbinding

 

 

 

München – Wörgl – Innsbruck – Fortezza – Bolzano – Trento – Verona: Brennerbasistunnel en toegangswegen

 

 

 

Trelleborg – Malmö – Göteborg – Geen grens (grensoverschrijdend, spoor)

 

 

 

Göteborg-Oslo

 

 

 

Helsingborg-Helsingør

 

 

 

Kopenhagen – Malmö

 

 

 

Kopenhagen – Hamburg: Vaste Fehmarnbeltverbinding

Spoor/weg

2.  Vooraf geselecteerde delen van het uitgebreide netwerk

De gerelateerde elementen op het uitgebreide netwerk als bedoeld in artikel 9, lid 2, onder a), punt i) en de grensoverschrijdende links van het uitgebreide netwerk als bedoeld in artikel 9, lid 2, onder a), punt ii), van deze verordening omvatten met name de volgende verbindingen:

Dublin – Strabane – Letterkenny

Weg

DerrySligoGalway

Spoor

Pau – Huesca

Spoor

Lyon – Zwitserse grens

Spoor

Athus – Mont-St.-Martin

Spoor

Spoor

Bergen – Valenciennes

Spoor

Gent – Terneuzen

Spoor

Heerlen – Aken

Spoor

Groningen – Bremen

Spoor

Stuttgart – Zwitserse grens

Spoor

Berlijn – Rzepin/Horka – Wrocław

Spoor

Praag – Linz

Spoor

Villach – Ljubljana

Spoor

Ancona – Foggia

Spoor/weg

Pivka – Rijeka

Spoor

Plzeň – České Budějovice – Wenen

Spoor

Wenen — Gyor

Spoor

Graz – Celldömölk – Gyor

Spoor

Neumarkt – Kalham – Mühldorf

Spoor

Ambercorridor PL-SK-HU

Spoor

Corridor Via Carpathia Belarussische/Oekraïense grens-PL-SK-HU-RO

Weg

Boedapest – Osijek – Svilaj (Bosnië en Herzegovina)

Weg

TimișoaraMoravița

Weg

Faro – Huelva

Spoor

Porto – Vigo

Spoor

București – Giurgiu – Varna/Bourgas

Spoor

Svilengrad – Pithio

Spoor

SiretSuceava

Weg

FocșaniAlbița

Weg

München – Salzburg – Laibach

Spoor

Gallarate/Sesto C. – Laveno/Luino

Spoor

BIJLAGE - DEEL IV: Selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie

1.  Doelstelling van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie

Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie moeten de grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten bevorderen voor de planning, ontwikkeling en kosteneffectieve exploitatie van hernieuwbare energiebronnen met als doel bij te dragen aan de langetermijndoelstellingen van de Unie inzake decarbonisatie.

2.  Algemene criteria

Om in aanmerking te komen voor selectie als grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie moet een project voldoen aan alle hierna genoemde criteria:

a)  het project wordt opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst of een andere regeling tussen lidstaten en/of tussen lidstaten en derde landen als bedoeld in de artikelen 6, 7, 9 of 11 van Richtlijn 2009/28/EG;

b)  het project levert kostenbesparingen op bij de uitrol van hernieuwbare energie en/of voordelen op het gebied van systeemintegratie, voorzieningszekerheid of innovatie in vergelijking met een alternatief grensoverschrijdend energieproject of een project voor duurzame energie door slechts één van de deelnemende lidstaten;

c)  de potentiële algemene voordelen van samenwerking wegen zwaarder dan de kosten ervan, ook op langere termijn, zoals beoordeeld op basis van de kosten-batenanalyse als bedoeld in punt 3 en aan de hand van de methode als bedoeld in artikel [7].

3.  Kosten-batenanalyse

In de kosten-batenanalyse als bedoeld in punt 2, onder c), hierboven wordt rekening gehouden met de impact in elk van de deelnemende lidstaten of derde landen op onder meer de volgende aspecten:

a)  de kosten van de elektriciteitsopwekking;

b)  de systeemintegratiekosten;

c)  de kosten van de steun;

d)  de uitstoot van broeikassen;

e)  de voorzieningszekerheid;

f)  luchtverontreiniging en andere plaatselijke verontreiniging of effecten op lokale natuur en het milieu;

g)  innovatie.

4.  Proces

Initiatiefnemers, waaronder lidstaten, van projecten die in aanmerking komen om te worden geselecteerd als grensoverschrijdend project op het gebied van duurzame energie in het kader van een samenwerkingsovereenkomst of een andere regeling op het gebied van duurzame energie tussen lidstaten en/of tussen lidstaten en derde landen als bedoeld in de artikelen 9 of 11, van Richtlijn (EU) 2018/... Van het Europees Parlement en de Raad1](27), die hun project willen laten erkennen als grensoverschrijdende project op het gebied van hernieuwbare energie, dienen bij de Commissie een aanvraag in voor de selectie als grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie. Die aanvraag moet vergezeld gaan van de relevante informatie die de Commissie in staat stelt het project overeenkomstig de in artikel 7 bedoelde methoden te toetsen aan de criteria in de punten 2 en 3.

De Commissie zorgt ervoor dat initiatiefnemers minstens één maal per jaar de gelegenheid krijgen om de status van grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie aan te vragen.

De Commissie organiseert gepaste raadplegingen over de lijst van projecten die zijn ingediend met het oog op de erkenning als grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie.

Zij beoordeelt de aanvragen aan de hand van de criteria in de punten 2 en 3.

De Commissie streeft bij de selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie naar een beheersbaar aantal. Zij streeft eveneens naar een correct geografisch evenwicht bij de selectie van dergelijke projecten. Voor de identificatie van de projecten mogen regionale groeperingen worden gebruikt.

Een project kan niet worden geselecteerd als grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie, of kan die status verliezen, indien het is beoordeeld op basis van foute informatie die van doorslaggevend belang was bij de beoordeling of indien het strijdig is met het Unierecht.

De Commissie publiceert op haar website de lijst van de geselecteerde grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie.

DEEL V — INFRASTRUCTUURPROJECTEN VAN GEMEENSCHAPPELIJK BELANG OP HET GEBIED VAN DIGITALE CONNECTIVITEIT

1.  Gigabit- en 5G-connectiviteit of andere geavanceerde mobiele connectiviteit voor sociaaleconomische actoren

Acties worden geprioriteerd, rekening houdend met de functie van de sociaaleconomische actoren, de relevantie van de digitale diensten en toepassingen die door het aanbieden van de onderliggende connectiviteit mogelijk worden gemaakt, en de potentiële sociaaleconomische baten voor de burgers, het bedrijfsleven en de plaatselijke gemeenschappen, waaronder de potentiële overloopeffecten in termen van connectiviteit. Het beschikbare budget wordt op een geografisch evenwichtige wijze toegewezen aan de lidstaten.

Er wordt voorrang gegeven aan maatregelen die bijdragen tot:

—  gigabitconnectiviteit voor ziekenhuizen en medische centra, overeenkomstig de inspanningen om de gezondheidszorg te digitaliseren, teneinde het welzijn van de Unieburgers te bevorderen en over te schakelen naar een nieuwe manier om gezondheids- en zorgdiensten te verstrekken aan patiënten(28);

—  gigabitconnectiviteit voor onderwijs- en onderzoekscentra, in het kader van de inspanningen om het gebruik van onder andere gegevensverwerking op hoge snelheid, cloudapplicaties en bigdata te faciliteren, de digitale kloof te dichten en te innoveren in de onderwijsstelsels, alsmede de leerresultaten, de kansengelijkheid en de efficiëntie te verbeteren(29);

—  draadloze 5G-breedbandconnectiviteit met een zeer hoge capaciteit voor onderwijs- en onderzoekscentra, ziekenhuizen en medische centra, in het kader van de inspanningen om niet-onderbroken draadloze 5G-breedbanddekking tegen 2025 voor alle stedelijke centra beschikbaar te maken.

2.  Draadloze connectiviteit in lokale gemeenschappen

Acties voor het aanbieden van gratis draadloze digitale connectiviteit tegen niet-discriminerende voorwaarden op voor lokale gemeenschappen belangrijke openbare plaatsen, waaronder openbare plaatsen in open lucht die een belangrijke rol spelen in het openbare leven van lokale gemeenschappen, komen onder de volgende voorwaarden in aanmerking voor steun:

—  de actie wordt uitgevoerd door een overheidsinstantie als bedoeld in de volgende alinea, die de installatie van lokale draadloze toegangspunten in openbare binnen- of buitenruimten kan plannen en controleren en gedurende ten minste drie jaar de exploitatiekosten daarvan kan dragen;

—  de actie bouwt voort op digitale netwerken met een zeer hoge capaciteit, die gebruikers toegang bieden tot zeer hoogwaardig internet dat:

—  gratis en zonder discriminerende voorwaarden, gemakkelijk toegankelijk en beveiligd is en gebruikmaakt van meest recente en meeste beschikbare uitrusting die de gebruikers ervan zeer snelle connectiviteit kan leveren, en

—  de gelijke toegang tot innovatieve digitale diensten ondersteunt;

—  gebruikmaken van de door de Commissie te verstrekken gemeenschappelijke visuele identiteit, beschikbaar in meerdere talen, en verwijzen naar de bijbehorende online-instrumenten;

—  de overheidsinstantie/uitvoerder verbindt zich ertoe de nodige uitrusting en/of de daaraan gerelateerde installatiediensten aan te schaffen overeenkomstig de toepasselijke regelgeving om ervoor te zorgen dat projecten de mededinging niet onnodig vervalsen.

Financiële bijstand is beschikbaar voor overheidsinstanties als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad(30) die zich ertoe verbinden om, in overeenstemming met het nationaal recht, gratis en tegen niet-discriminerende voorwaarden lokale draadloze connectiviteit te verstrekken door de installatie van lokale draadloze toegangspunten.

Gefinancierde acties mogen niet overlappen met een bestaand gratis particulier of publiek aanbod met soortgelijke kenmerken, waaronder de kwaliteitskenmerken, in dezelfde publieke ruimte.

Het beschikbare budget wordt op een geografisch evenwichtige wijze toegewezen aan de lidstaten.

3.   Indicatieve lijst van subsidiabele 5G-corridors en grensoverschrijdende verbindingen

Overeenkomstig de door de Commissie geformuleerde doelstellingen in het kader van de gigabitmaatschappij om tegen 2025 een ononderbroken 5G‑dekking van de belangrijkste transportroutes te waarborgen(31), omvatten acties voor een ononderbroken dekking met 5G‑systemen overeenkomstig artikel 9, lid 4, onder c), als eerste stap, maatregelen op grensoverschrijdende verbindingen met het oog op experimenten met geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit (CAM)(32) en, als tweede stap, acties op langere trajecten met het oog op een grootschaligere invoering van CAM op corridors, overeenkomstig de onderstaande tabel (indicatieve lijst). De TEN‑T-corridors worden hiervoor als basis gebruikt maar de uitrol van 5G hoeft niet noodzakelijkerwijs beperkt te blijven tot die corridors(33).

"Atlantische" kernnetwerkcorridor

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Porto-Vigo en Merida – Evora

 

De Azoren/Madeira – Lissabon – Parijs – Amsterdam – Frankfurt

 

Aveiro – Salamanca

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Metz – Parijs – Bordeaux – Bilbao – Vigo – Porto – Lissabon

 

–  Bilbao – Madrid – Lissabon

Kernnetwerkcorridor Oostzee – Adriatische Zee

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

-

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Gdansk – Warschau – Brno – Wenen – Graz – Ljubljana – Trieste

"Mediterrane" kernnetwerkcorridor

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

—  Onderzeese kabelnetwerken Lissabon – Marseille – Milaan

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Boedapest – Zagreb – Ljubljana / Rijeka / Split

Kernnetwerkcorridor "Noordzee – Oostzee"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Oostzeecorridor (nader te bepalen)

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Tallinn – Kaunas

Kernnetwerkcorridor "Noordzee – Middellandse Zee"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Metz – Merzig – Luxemburg

 

Rotterdam – Antwerpen – Eindhoven

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Amsterdam – Rotterdam – Breda – Rijsel – Parijs

 

Brussel – Metz – Bazel

 

Mulhouse – Lyon – Marseille

Kernnetwerkcorridor "Oriënt/Oostelijke Middellandse Zee"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Sofia – Thessaloniki – Belgrado

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Berlijn – Praag – Brno – Bratislava

 

Timisoara – Sofia – Turkse grens

 

Sofia – Thessaloniki – Athene

Kernnetwerkcorridor "Rijn – Alpen"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Bologna – Innsbrück – München (Brennercorridor)

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Rotterdam – Oberhausen – Frankfurt (M)

 

Bazel – Milaan – Genua

Kernnetwerkcorridor "Rijn – Donau"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

München – Salzburg

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Frankfurt (M) – Passau – Wenen – Boedapest – Boekarest – Iasi /Constanta

 

Karlsruhe – München – Salzburg – Wels

 

Frankfurt (M) – Straatsburg

Mediterrane kernnetwerkcorridor "Scandinavië – Middellandse Zee"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Oulu – Tromsø

 

Oslo – Stockholm – Helsinki

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Turku – Helsinki – Russische grens

 

Stockholm / Oslo – Malmö

 

Malmö – Copenhagen – Hamburg – Würzburg

 

Nürnberg – München – [Verona]

 

Rosenheim – Bologna – Napels – Catania – Palermo

 

Napels – Bari – Taranto

(1) PB C van , blz. .
(2) PB C van , blz. .
(3) COM(2018)0321, blz. 13.
(4) Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende EU-richtsnoeren voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).
(5) Mededeling van de Commissie "Europa in beweging: agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen" – COM(2017)0283.
(6) Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1).
(7) Mededeling van de Commissie "Invulling geven aan emissiearme mobiliteit – Een Europese Unie die de planeet beschermt, haar consumenten sterker maakt en haar industrie en werknemers verdedigt" – COM(2017)0675.
(8) COM(2018)0293.
(9) JOIN(2017)0041.
(10) JOIN(2018)0005.
(11) COM(2017)0623.
(12) Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).
(13) COM(2017)0718.
(14) Verordening (EU) nr. 283/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende richtsnoeren voor trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1336/97/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 14).
(15) COM(2016)0587.
(16) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(17) Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(18) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(19) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(20) Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(21) PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.
(22) COM(2018)0065.
(23) Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(24) Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 22).
(25)+ PB: gelieve het nummer van de verordening in document PE‑CONS 55/18 (2016/0375(COD)) in de tekst in te voegen en het nummer, de datum, de titel en de vindplaats in het PB van die richtlijn in de voetnoot in te voegen.[1] PB ...+ PB gelieve de titel, het nummer en de PB‑referentie van COD 2016/0382 (hernieuwbare energie) in te voegen.
(26)+ PB gelieve de titel, het nummer en de PB‑referentie van COD 2016/0382 (hernieuwbare energie) in te voegen.
(27)+ PB: gelieve het nummer van de verordening in document PE‑CONS 55/18 (2016/0375(COD)) in de tekst in te voegen en het nummer, de datum, de titel en de vindplaats in het PB van die richtlijn in de voetnoot in te voegen.[1] PB ...+ PB gelieve de titel, het nummer en de PB-referentie van COD 2016/0382 (hernieuwbare energie) in te voegen.
(28) Zie ook COM(2018)0233 – Mededeling van de Commissie over het mogelijk maken van de digitale transformatie van gezondheid en zorg in de digitale eengemaakte markt; de burger "empoweren" en bouwen aan een gezondere maatschappij.
(29) Zie ook COM(2018)0022 — Mededeling van de Commissie over het actieplan voor digitaal onderwijs.
(30) Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1).
(31) Connectiviteit voor een competitieve digitale eengemaakte markt – Naar een Europese gigabitmaatschappij – COM(2016)0587.
(32) Geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit.
(33) De cursief gedrukte segmenten maken geen deel uit van de TEN‑T-kernnetwerkcorridors maar wel van de 5G‑corridors.

Laatst bijgewerkt op: 21 november 2019Juridische mededeling - Privacybeleid