Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2967(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0562/2018

Debatten :

PV 13/12/2018 - 7.1
CRE 13/12/2018 - 7.1

Stemmingen :

PV 13/12/2018 - 9.8

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0525

Aangenomen teksten
PDF 124kWORD 52k
Donderdag 13 december 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Iran, met name de zaak van Nasrin Sotoudeh
P8_TA(2018)0525RC-B8-0562/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018 over Iran, met name het geval Nasrin Sotoudeh (2018/2967(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Iran,

–  gezien de verklaring over Iran van 29 november 2018 van de speciale VN-rapporteur voor de situatie van mensenrechtenactivisten, de speciale VN-rapporteur voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten, de voorzitter-rapporteur van de werkgroep inzake willekeurige detentie, de voorzitter van de werkgroep inzake discriminatie van vrouwen in de wet en in de praktijk en de speciale rapporteur voor de situatie op het gebied van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, inzake foltering en andere wrede behandeling, inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, en inzake mensenrechtenactivisten,

–  gezien het verslag van 27 september 2018 van de speciale rapporteur over de situatie op het gebied van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran,

–  gezien de toekenning van de Sacharovprijs voor de vrijheid van gedachte en van meningsuiting aan Nasrin Sotoudeh in 2012,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966 en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966 waarbij Iran partij is,

–  gezien het Handvest van de rechten van de burgers van de Iraanse president,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Nasrin Sotoudeh, een vooraanstaande Iraanse mensenrechtenadvocate, op 13 juni 2018 werd gearresteerd nadat ze een vrouw had vertegenwoordigd die een gevangenisstraf boven het hoofd hing na een vreedzaam protest tegen de Iraanse wet die het dragen van een hidjab verplicht stelt, door haar hidjab in het openbaar af te doen; overwegende dat Nasrin Sotoudeh sinds haar arrestatie in de vrouwenvleugel van de Evin-gevangenis verblijft en op 26 november 2018 begon aan haar derde hongerstaking als protest tegen de weigering van de Iraanse autoriteiten om Farhad Meysami een ziekenhuisbehandeling te laten ondergaan;

B.  overwegende dat Nasrin Sotoudeh te horen kreeg dat ze gevangengenomen was vanwege de gevangenisstraf van vijf jaar die haar in 2015 bij verstek was opgelegd door een rechter van de revolutionaire rechtbank; overwegende dat ze in staat van beschuldiging werd gesteld als "ondergedoken spion";

C.  overwegende dat Nasrin Sotoudeh in 2012 bij verstek de Sacharovprijs voor de vrijheid van gedachte en van meningsuiting ontving voor haar werk en inzet op het vlak van de mensenrechten; overwegende dat Nasrin Sotoudeh langdurig en onvermoeibaar heeft gestreden voor de mensenrechten in Iran, en al diverse jaren in de gevangenis heeft gezeten vanwege haar inspanningen; overwegende dat haar vervolging en de aanklachten tegen haar blijk geven van de mate van strafbaarstelling van mensenrechtenactivisme door de Iraanse rechterlijke macht;

D.  overwegende dat Nasrin Sotoudeh zich bij diverse gelegenheden openlijk heeft uitgesproken over de tekortkomingen bij de toepassing van de beginselen van de rechtsstaat in Iran en over hiaten in het Iraanse rechtssysteem; overwegende dat de arrestatie van Nasrin Sotoudeh deel uitmaakt van een heksenjacht tegen mensenrechtenactivisten in Iran; overwegende dat verdedigers van vrouwenrechten die actief campagne hebben gevoerd voor emancipatie van vrouwen te maken hebben gekregen met intimidatie, willekeurige arrestaties en gevangenhouding, en dat hun rechten op een eerlijk proces en correcte rechtsgang zijn geschonden;

E.  overwegende dat in september 2018 de echtgenoot Reza Khandan van Nasrin Sotoudeh werd gearresteerd tijdens een vreedzame demonstratie voor haar vrijlating, en onder andere werd beschuldigd van "de verspreiding van propaganda tegen het systeem" en van "het toejuichen van de praktijk om in het openbaar te verschijnen zonder hoofddoek";

F.  overwegende dat het maatschappelijk middenveld in Iran steeds vaker demonstreert tegen armoede, inflatie, corruptie en politieke autoritarisme en dat deze protesten door de Iraanse autoriteiten met geweld zijn neergeslagen; overwegende dat de Iraanse inlichtingendienst steeds harder optreedt tegen vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten, advocaten, milieuactivisten, verdedigers van vrouwenrechten, studenten, leraren, vrachtwagenchauffeurs en vreedzame betogers; overwegende dat de Iraanse autoriteiten in 2018 harder begonnen op te treden tegen personen die probeerden vreedzaam hun vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering uit te oefenen, en honderden mensen gevangen hebben gezet vanwege algemene en vaag geformuleerde bedreigingen van de nationale veiligheid;

G.  overwegende dat mensenrechtenexperts van de VN Iran hebben opgeroepen om de rechten van mensenrechtenactivisten en -advocaten te garanderen die gevangen zijn gezet vanwege hun openbare steun aan protesten tegen het verplicht dragen van de hidjab in Iran;

H.  overwegende dat de speciale rapporteur voor de situatie op het gebied van de mensenrechten in Iran opnieuw heeft gewezen op de ernstige bezwaren die eerder al waren geuit door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en zijn voorganger met betrekking tot de voortdurende executies van jeugdige delinquenten in Iran;

I.  overwegende dat er in de rapporten van de speciale rapporteur voor de situatie op het gebied van de mensenrechten in Iran en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties melding werd gemaakt van grove schendingen van de rechten van religieuze en etnische minderheden in Iran, waaronder beschuldigingen van discriminatie van religieuze minderheden zoals christenen en Baha'i;

J.  overwegende dat Iraanse rechtbanken tekortschieten in het garanderen van een correcte rechtsbedeling en eerlijke processen, en dat zij beklaagden de mogelijkheid op rechtshulp ontzeggen, vooral tijdens de recherchefase, en bezoeken van consulaire medewerkers, VN- of humanitaire organisaties verbieden; overwegende dat de straffen die worden opgelegd door de Iraanse rechter vaak gebaseerd zijn op vage of niet nader gespecificeerde beschuldigingen op het vlak van de nationale veiligheid of spionage;

K.  overwegende dat er talrijke rapporten zijn over de onmenselijke en vernederende omstandigheden in gevangenissen en het gebrek aan mogelijkheden voor medische verzorging tijdens de detentie om de gevangenen te intimideren, te straffen of te dwingen tot bepaalde handelingen, wat indruist tegen de standaard minimumregels voor de behandeling van gevangenen van de VN;

L.  overwegende dat de Raad op 12 april 2018 zijn beperkende maatregelen als reactie op de ernstige mensenrechtenschendingen in Iran heeft verlengd tot 13 april 2019, waaronder de bevriezing van tegoeden en visumverboden voor personen en entiteiten die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen en een verbod op de export naar Iran van uitrusting die kan worden ingezet voor binnenlandse onderdrukking en van apparatuur voor het aftappen van telecommunicatie;

M.  overwegende dat de EU en Iran op 26 november 2018 de vierde bijeenkomst van de politieke dialoog op hoog niveau hebben gehouden in Brussel; overwegende dat er discussies over mensenrechten werden gevoerd als wezenlijk onderdeel van de politieke dialoog tussen de EU en Iran en als voortzetting van de regelmatige gedachtewisselingen die in november 2017 en in februari 2016 werden gehouden;

N.  overwegende dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het Handvest van de rechten van de burgers een stap zou zijn op weg naar de verbetering van de burgerrechten van de Iraanse bevolking;

1.  roept de Iraanse regering op Nasrin Sotoudeh onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; prijst Nasrin Sotoudeh voor haar moed en inzet; dringt er bij de Iraanse rechterlijke macht op aan de correcte rechtsbedeling en een eerlijke procesgang te eerbiedigen en informatie vrij te geven over de aanklachten tegen Nasrin Sotoudeh;

2.  roept de Iraanse autoriteiten op te garanderen dat de behandeling van Nasrin Sotoudeh tijdens haar gevangenhouding voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in het "Geheel van beginselen voor de bescherming van alle personen onder enige vorm van detentie of gevangenschap", aangenomen met Resolutie 43/173 van de VN-Veiligheidsraad van 9 december 1988; benadrukt dat de Iraanse autoriteiten de veiligheid en het welzijn van alle gedetineerden moeten garanderen, onder andere door toereikende medische zorg aan te bieden; verzoekt de Iraanse autoriteiten alle beschuldigingen van slechte behandeling tijdens detentie te onderzoeken en de daders te berechten; veroordeelt de stelselmatige foltering in Iraanse gevangenissen en wil dat er onmiddellijk een eind wordt gemaakt aan alle vormen van foltering en slechte behandeling van gevangenen; roept Iran op in de wet en in de praktijk te waarborgen dat niemand het slachtoffer wordt van foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

3.  roept de Iraanse regering op de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen, waaronder de vrijheid van mening en meningsuiting; pleit voor de vrijlating van alle personen die gearresteerd zijn vanwege de vreedzame uitoefening van de vrijheid van vergadering en de vrijheid van mening en meningsuiting, zo ook Reza Khandan en andere mensenrechtenactivisten, milieuactivisten, vakbondsleden, voorvechters van vrouwenrechten en gewetensgevangenen; roept de Iraanse autoriteiten op de universele mensenrechten van alle mensen volledig te eerbiedigen, waaronder het recht op vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline; roept de Iraanse autoriteiten op de vrijheid van vreedzame vergadering te eerbiedigen en te beschermen, en af te zien van het gebruik van geweld bij het uiteenslaan van vreedzame samenscholingen;

4.  geeft uiting aan zijn sympathie voor en solidariteit met de campagne tegen de bindende kledingvoorschriften van het land; veroordeelt de gevangenneming van vrouwen die hun hoofddoek afdeden als onderdeel van de campagne, en roept op tot hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating;

5.  betuigt zijn solidariteit aan Iraniërs die demonstreren om hun sociaal-economische situatie te verbeteren en sociaal-economische rechten nastreven;

6.  is zeer verontrust over de arrestaties van mensen met zowel een EU- als een Iraanse nationaliteit bij aankomst in Iran; benadrukt dat deze arrestaties de mogelijkheden voor onderlinge contacten tussen mensen belemmeren, en roept de Iraanse autoriteiten op alle Iraniërs in staat te stellen veilig naar hun geboorteland te reizen;

7.  roept de Iraanse autoriteiten op het recht van alle beklaagden op rechtshulp naar keuze te garanderen in alle rechtszaken zonder onnodige beperkingen, en op een eerlijk proces, in overeenstemming met de internationale verbintenissen van Iran uit hoofde van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; roept de Iraanse regering op het recht op een correcte rechtsgang van alle gevangenen in Iran te garanderen en hun de mogelijkheid op een eerlijk proces te bieden;

8.  roept de Iraanse autoriteiten op godsdienstvrijheid te garanderen in overeenstemming met de Iraanse grondwet en de internationale verbintenissen, en een eind te maken aan discriminatie van religieuze minderheden en ongelovigen; veroordeelt de systematische vervolging van de Baha'i-minderheid; verzoekt de Iraanse autoriteiten verder erop toe te zien dat iedereen die in het land verblijft gelijke bescherming voor de wet geniet, ongeacht etnische afkomst, godsdienst of geloofsovertuiging;

9.  roept de Iraanse autoriteiten op onder alle omstandigheden te garanderen dat mensenrechtenactivisten in Iran hun legitieme mensenrechtenactiviteiten kunnen ontplooien zonder angst op represailles en zonder enige beperkingen, zoals vrijheidsberoving, intimidatie en gerechtelijke pesterijen; roept de Iraanse autoriteiten op een eind te maken aan alle vormen van intimidatie en represailles tegen mensenrechtenactivisten, onder andere vanwege contacten met EU- en VN-ambtenaren en onafhankelijke mensenrechtenorganisaties;

10.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie hun inspanningen op te voeren om laureaten van de Sacharovprijs die gevaar lopen te ondersteunen, zo ook Nasrin Sotoudeh en anderen die gearresteerd of veroordeeld zijn, de doodstraf opgelegd hebben gekregen of duidelijk geen eerlijk proces hebben gekregen in derde landen;

11.  verzoekt de EU-lidstaten met diplomatieke missies ter plaatse de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers volledig na te leven en alle nodige steun te verlenen aan Nasrin Sotoudeh en andere mensenrechtenverdedigers, waaronder gevangenisbezoeken, waarneming bij processen en het verlenen van rechtsbijstand of andere hulp waaraan ze behoefte zouden kunnen hebben;

12.  veroordeelt de doodstraf ten stelligste, waaronder in het geval van jeugdige delinquenten, en roept de Iraanse autoriteiten op onmiddellijk een moratorium in te stellen op het opleggen van de doodstraf als stap op weg naar de volledige afschaffing ervan; wijst op de amendementen op de wet inzake drugsmokkel waarmee de doodstraf minder vaak zou moeten worden opgelegd;

13.  herhaalt zijn oproep aan Iran om in nauwere dialoog te treden met internationale mensenrechtenmechanismen door medewerking te verlenen aan speciale rapporteurs en speciale mechanismen, onder meer door verzoeken om toegang tot het land door mandaathouders in te willigen; benadrukt dat de banden met de Mensenrechtenraad moeten worden aangehaald;

14.  verzoekt de EU, waaronder de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en de lidstaten om hun bezwaren in verband met de mensenrechten stelselmatig kenbaar te maken aan de Iraanse autoriteiten, zowel in het openbaar als privé, op bilaterale en multilaterale fora, waaronder in verband met de situatie van politieke gevangenen en mensenrechtenactivisten en de vrijheid van meningsuiting en vereniging, als een cruciale voorwaarde om verdere vorderingen te boeken in de economische en politieke betrekkingen; is voorstander van discussies over mensenrechten; benadrukt echter de noodzaak van een formele mensenrechtendialoog tussen de EU en Iran op basis van universele mensenrechten;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de regering en het parlement van Iran.

Laatst bijgewerkt op: 7 oktober 2019Juridische mededeling - Privacybeleid