Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 14 juni 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Rusland, met name het geval van de politieke gevangene Oleg Sentsov
 De mensenrechtensituatie in Bahrein, met name het geval van Nabeel Rajab
 De situatie van de Rohingyavluchtelingen, met name de benarde positie van kinderen
 De structurele en financiële obstakels voor de toegang tot cultuur
 Evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen ***I
 Het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg ***I
 Bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: visserijgerelateerde instandhoudingsmaatregelen ter bescherming van het mariene milieu in de Noordzee
 Bezette gebieden in Georgië tien jaar na de Russische invasie
 Onderhandelingen voor een nieuwe EU-ACS-Partnerschapsovereenkomst
 Controle op de toepassing van het EU-recht in 2016

Rusland, met name het geval van de politieke gevangene Oleg Sentsov
PDF 184kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2018 over Rusland, met name de zaak van de Oekraïense politieke gevangene Oleh Sentsov (2018/2754(RSP))
P8_TA(2018)0259RC-B8-0288/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland, in het bijzonder zijn resolutie van 16 maart 2017 over Oekraïense gevangenen in Rusland en de situatie op de Krim(1),

–  gezien de verklaring van 25 mei 2018 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over de zaken van diverse gevangenen op of uit de illegaal geannexeerde Krim en Sebastopol,

–  gezien de gedachtewisseling over Rusland in de Raad Buitenlandse Zaken van 16 april 2018,

–  gezien de beschikking van het Internationale Hof van Justitie van 19 april 2017 over het door Oekraïne ingediende verzoek om indicatie van voorlopige maatregelen in de zaak betreffende toepassing van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme en van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (Oekraïne tegen de Russische Federatie),

–  gezien artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die er beide in voorzien dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en waarbij de Russische Federatie partij is,

–  gezien de VN-verklaring over mensenrechtenverdedigers, aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN op 9 december 1998,

–  gezien het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Oekraïense filmmaker Oleh Sentsov, die zich verzette tegen de illegale annexatie door Rusland van het schiereiland de Krim, in mei 2014 is gearresteerd in verband met vermoedelijk op de Krim gepleegde handelingen; overwegende hij ondanks zijn Oekraïense staatsburgerschap als Russisch staatsburger is behandeld;

B.  overwegende dat er in het geval van Oleh Sentsov melding is gemaakt van foltering en ernstige mishandeling met als gevolg dat zij verklaringen hebben afgelegd waaraan vervolgens, ondanks het feit dat deze verklaringen op illegale wijze zijn verkregen, rechtskracht is toegekend;

C.  overwegende dat Oleh Sentsov op 25 augustus 2015 door een rechtbank wier bevoegdheid de EU niet erkent en in strijd met het internationaal recht en elementaire rechtsnormen veroordeeld is;

D.  overwegende dat Oleh Sentsov, die momenteel een straf uitzit in de meest noordelijke gevangenis van Rusland in Labytnangi, in het autonome gebied Jamalo-Nenets, op 14 mei 2018 heeft aangekondigd voor onbeperkte tijd in hongerstaking te gaan;

E.  overwegende dat het aantal politieke gevangenen in Rusland de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen; overwegende dat het mensenrechtencentrum Memorial, dat in 2009 de Sacharovprijs kreeg toegekend, op 29 mei 2018 een lijst met de namen van 158 politieke gevangenen openbaar gemaakt heeft;

F.  overwegende dat Ojoeb Titijev, de Tsjetsjeense directeur van het mensenrechtencentrum Memorial, op 9 januari 2018 is gearresteerd door de plaatselijke politie op verdenking van drugsbezit; overwegende dat deze beschuldigen door de heer Titijev worden ontkend en door ngo's en andere mensenrechtenactivisten vals worden genoemd;

G.  overwegende dat de arrestatie van Ojoeb Titijev past in een zorgwekkende trend van arrestaties, aanvallen, intimidatie en het in diskrediet brengen van onafhankelijke journalisten en mensenrechtenactivisten;

H.  overwegende dat mensenrechtenactivisten en actoren uit het maatschappelijk middenveld, met name Krim-Tataren, geconfronteerd worden met bedreiging, intimidatie en arrestatie;

I.  overwegende dat diverse malen melding is gemaakt van foltering en wrede en vernederende behandeling; overwegende dat deze beschuldigingen tot nu toe niet goed zijn onderzocht; overwegende dat foltering is gebruikt om bekentenissen af te dwingen en vals bewijs van schuld te verkrijgen;

J.  overwegende dat veel gevangenen en gearresteerden onder harde en onmenselijke omstandigheden worden vastgehouden, resulterend in lichamelijke en geestelijke gezondheidsproblemen; overwegende dat sommige gevangenen hoogdringend medische verzorging en behandeling nodig hebben;

K.  overwegende dat de restrictieve Russische wetgeving inzake politieke en burgerrechten tot de tijdelijk bezette Krim is uitgebreid, hetgeen heeft geleid tot de drastische inperking van de vrijheden van vergadering, meningsuiting, vereniging, toegang tot informatie en godsdienst; overwegende dat betrouwbare bronnen melding maken van intimidatie, gedwongen verdwijningen en foltering;

L.  overwegende dat willekeurige arrestaties, gedwongen verdwijningen, censuur en het verbod op vreedzame bijeenkomsten een alledaagse realiteit zijn geworden op de Krim; overwegende dat diverse Krim-Tataren zijn gearresteerd, een onderzoek tegen hen loopt of vervolgd worden; overwegende dat ook juristen van de Krim die deze arrestanten juridische bijstand verlenen, en mensenrechtenactivisten die melding maken van gevallen van politiek gemotiveerde gedwongen verdwijningen op de Krim, alsook journalisten die over de situatie van Krim-Tataren berichten, tot doelwit zijn geworden;

M.  overwegende dat de bezettende autoriteiten op de Krim systematisch en met opzet de vrijheid van meningsuiting op de Krim onderdrukken, waarbij zij onafhankelijke media naar de marge dringen en professionele journalisten belemmeren bij hun werk; overwegende dat Nariman Memedeminov, een burgerjournalist en Krim-Tataarse activist die verslag deed van de wandaden van de bezettingsmacht, op 22 maart 2018 gevangengenomen is door Russische veiligheidstroepen en gearresteerd is op grond van valse beschuldigingen; overwegende dat de Russische veiligheidstroepen op 21 mei 2018 een andere burgerjournalist, Server Moestafajev, gevangengenomen hebben, met name op religieuze gronden, na doorzoeking van diens huis op de door Rusland bezette Krim;

N.  overwegende dat Rusland een groot aantal zaken die dienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verliest en de uitspraken van het Hof naast zich neerlegt;

O.  overwegende dat de Russische Federatie een volwaardig lid is van de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Verenigde Naties en zich aldus heeft verplicht tot naleving van de democratische beginselen en de rechtsstaat en tot eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat er wegens een aantal ernstige schendingen van de rechtsstaat en de goedkeuring van beperkende wetten in de loop van de voorbije jaren grote twijfel is gerezen over de naleving door Rusland van zijn internationale en nationale verplichtingen; overwegende dat de Europese Unie herhaaldelijk aanvullende bijstand en expertise heeft aangeboden om Rusland te helpen met de modernisering en de naleving van zijn constitutionele en juridische stelsel, overeenkomstig de normen van de Raad van Europa;

P.  overwegende dat op grond van de Russische wet inzake "buitenlandse agenten" ngo's die financiering uit het buitenland ontvangen en zich bezighouden met "politieke activiteiten" zich verplicht moeten registreren op een speciale door de overheid bijgehouden lijst van buitenlandse agenten die worden onderworpen aan extra en intensieve controle door de overheid, en in al hun publicaties, persberichten en rapporten moeten vermelden dat deze zijn geproduceerd door een buitenlandse agent;

Q.  overwegende dat de EU, in reactie op de illegale inlijving van de Krim en de hybride oorlogvoering tegen Oekraïne door Rusland, een gefaseerde reeks beperkende maatregelen heeft genomen;

1.  verzoekt de Russische autoriteiten Oleh Sentsov onmiddellijk en onvoorwaardelijk in vrijheid te stellen, alsook de andere illegaal gedetineerde Oekraïense staatsburgers in Rusland en op het schiereiland de Krim; wijst erop dat zich thans in totaal meer dan 70(2) Oekraïense politieke gevangenen in Rusland en op de bezette Krim bevinden;

2.  verlangt de onmiddellijke en onvoorwaardelijke invrijheidstelling van Ojoeb Titijev, directeur van mensenrechtencentrum Memorial in de Tsjetsjeense Republiek, en van alle andere politieke gevangenen in de Russische Federatie;

3.  verzoekt de Russische autoriteiten de intimidatie en pesterijen van mensenrechtencentrum Memorial, zijn medewerkers en andere mensenrechtenactivisten te staken, en hen in staat te stellen hun werk op het gebied van mensenrechten te doen;

4.  onderstreept dat de behandeling van alle gevangenen in overeenstemming moet zijn met de internationale normen en dat alle gedetineerden toegang moeten hebben tot rechtsbijstand, tot hun familie, tot hun diplomatieke vertegenwoordigingen en tot medische behandeling; onderstreept dat de Russische autoriteiten en het justitiële personeel overeenkomstig het vierde Verdrag van Genève volledig verantwoordelijk zijn voor de veiligheid en het welzijn van gedetineerden, met name op de Krim;

5.  herinnert Rusland eraan hoe belangrijk het is dat het land zijn internationale juridische verplichtingen als lid van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa volledig naleeft, alsmede de fundamentele beginselen van de mensenrechten en de rechtsstaat zoals vastgelegd in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

6.  benadrukt dat de vrijheid van vergadering in de Russische Federatie wordt gewaarborgd door artikel 31 van de Russische grondwet en door het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat door Rusland is ondertekend, hetgeen de Russische autoriteiten verplicht tot naleving van deze vrijheid;

7.  dringt erop aan dat de Russische autoriteiten op alle niveaus erkennen dat mensenrechtenactivisten een cruciale rol spelen als pijlers van de democratie en waakhonden van de rechtsstaat, en dat zij in het openbaar alle aanvallen op mensenrechtenactivisten, met name in de Republiek Tsjetsjenië, veroordelen;

8.  betuigt zijn solidariteit met de Oekraïense filmmaker, politiek activist en politiek gevangene Oleh Sentsov, die op 14 mei 2018 in hongerstaking is gegaan, waarmee hij de invrijheidstelling van illegaal gedetineerde landgenoten wil afdwingen, en toont zich bezorgd over de gevolgen van de hongerstaking voor Oleh Sentsov's gezondheid; herinnert eraan dat Oleh Sentsov kort nadat Rusland in 2014 de macht overnam op het schiereiland in de Zwarte Zee daar gearresteerd werd, vervolgens veroordeeld werd op grond van een door foltering verkregen getuigenis en momenteel op grond van meervoudige beschuldigingen van terrorisme een straf van 20 jaar uitzit in een streng beveiligd gevangenkamp in het autonome gebied Jamal Nenets, in het uiterste noorden van Rusland;

9.  betreurt het dat een andere veroordeelde in deze zaak, Olexander Koltsjenko, veroordeeld is tot tien jaar gevangenisstraf;

10.  wijst erop dat een andere illegaal gedetineerde Oekraïense staatburger, Volodymyr Baloech, sinds 19 maart 2018 in hongerstaking is;

11.  verzoekt de verantwoordelijke Russische autoriteiten en medische diensten deze gevangenen fatsoenlijke medische verzorging te bieden en de medische ethiek te eerbiedigen, onder meer door geen dwangvoeding of ongewenste behandeling op te leggen, hetgeen kan neerkomen op marteling en andere vormen van mishandeling;

12.  geeft uitdrukking aan zijn diepe bezorgdheid dat een groot aantal van de Oekraïense politieke gevangenen, zoals Mykola Karpijoek, Volodymyr Prysych, Olexij Chirnij en Jevhen Panov, ernstig gemarteld is;

13.  toont zich uiterst verontrust over de zorgwekkende trend van arrestaties, aanvallen, intimidatie en het in diskrediet brengen van onafhankelijke journalisten en mensenrechtenactivisten die in Rusland werken, met name in Tsjetsjenië; onderstreept hoe betekenisvol het maatschappelijk middenveld en organisaties als Memorial zijn, en hoe belangrijk de boodschap is dat activisten uit het maatschappelijk middenveld waar ook ter wereld ongehinderd de meest basale rechten van vrijheid van gedachte en van meningsuiting moeten kunnen uitoefenen; verzoekt de Tsjetsjeense en Russische autoriteiten de nationale wetgeving na te leven en hun internationale verplichtingen na te komen, en de rechtsstaat te handhaven;

14.  uit zijn ernstige bezorgdheid over het klimaat van straffeloosheid dat deze daden mogelijk heeft gemaakt, en vraagt dat er in samenwerking met het maatschappelijk middenveld juridische en andere maatregelen worden getroffen om dergelijk geweld te voorkomen, te monitoren en effectief te vervolgen; onderstreept dat Rusland en de Russische regering de uiteindelijke verantwoordelijkheid hebben om deze daden te onderzoeken, de daders te berechten en alle Russische burgers te beschermen tegen wederrechtelijke mishandeling;

15.  vraagt aandacht voor het feit dat de Russische autoriteiten op de bezette Krim in mei 2018 diverse Krim-Tataren gevangengenomen hebben, waaronder Sever Moestafajev, Edem Smailov en familieleden van politiek gevangene Noeri Primov;

16.  veroordeelt de schendingen van het internationaal recht op de bezette Krim door Rusland, waaronder het opleggen van Russische wetgeving, de zware militarisering van het schiereiland waarmee de regionale veiligheid in gevaar wordt gebracht, en de massieve en systematische schendingen van de mensenrechten op de Krim, met name gericht tegen etnische Oekraïners en Krim-Tataren;

17.  is ingenomen met de invrijheidstelling van de Krim-Tataarse leiders Achtem Chijgoz en Ilmi Oemerov, die door Russische rechtbanken in het tijdelijk bezette Oekraïense gebied de Krim in september 2017 veroordeeld waren tot gevangenisstraffen, en op 25 oktober 2017 toestemming kregen van de Russische autoriteiten om het schiereiland te verlaten; betuigt zijn dankbaarheid aan alle personen die zich hebben ingezet voor hun vrijlating, waaronder Russische mensenrechtenorganisaties als Memorial;

18.  herinnert de Russische autoriteiten eraan dat zij in hun de-factohoedanigheid van bezettingsmacht die effectieve controle over de Krim uitoefent, volledig verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de burgers van de Krim tegen arbitraire rechterlijke of administratieve maatregelen en dat zij in deze hoedanigheid op grond van het internationaal humanitair recht verplicht zijn de bescherming van de mensenrechten op het schiereiland te garanderen;

19.  benadrukt dat de Russische rechtbanken, hetzij militaire hetzij civiele rechtbanken, niet bevoegd zijn om te oordelen over handelingen die buiten het internationaal erkende grondgebied van Rusland hebben plaatsgevonden, en wijst erop dat de gerechtelijke procedures in deze zaak niet als rechtsgeldig mogen worden beschouwd;

20.  herhaalt uiterst bezorgd te zijn over de wet inzake "buitenlandse agenten" en de wijze waarop deze wet ten uitvoer wordt gelegd; is van mening dat de definitie van "politieke activiteiten", ontplooid door ngo's die financiering uit het buitenland ontvangen, zo breed is dat de regering in de praktijk controle kan uitoefenen op praktisch iedere georganiseerde openbare activiteit;

21.  dringt er bij Rusland op aan te waarborgen dat internationale waarnemers voor de mensenrechten en monitoringsmissies onvoorwaardelijk en onbelemmerd toegang tot het land hebben; verzoekt internationale organisaties als de Verenigde Naties, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa de mensenrechtensituatie op de Krim intensiever te monitoren en passende maatregelen te nemen;

22.  verzoekt de speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten voortdurend aandacht te besteden aan de mensenrechtensituatie op het schiereiland de Krim en in de gebieden in Oost-Oekraïne die niet onder het gezag van de Oekraïense overheid vallen;

23.  verzoekt de Raad en de EU-lidstaten zich vastberaden en eendrachtig te houden aan de overeengekomen sancties tegen Rusland en deze voort te zetten, en gerichte maatregelen te overwegen tegen de personen die verantwoordelijk zijn voor de gevangenhouding van en het proces tegen de politieke gevangenen;

24.  onderstreept hoe belangrijk het is dat de delegatie van de Europese Unie in Rusland en de ambassades van EU-lidstaten de processen tegen mensenrechtenactivisten monitoren;

25.  verzoekt de voorzitters van de Raad en de Commissie, alsook de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de gevallen van niet-naleving van internationaalrechtelijke verplichtingen nauwgezet te blijven volgen en deze onderwerpen in verschillende vormen en tijdens verschillende ontmoetingen met Rusland aan de orde te stellen;

26.  herhaalt zijn oproep aan de VV/HV en aan de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) te waarborgen dat alle zaken met om politieke redenen vervolgde personen ter sprake worden gebracht bij het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland, wanneer dit hervat wordt, en dat de Russische vertegenwoordigers bij dit overleg formeel om reacties op elke zaak worden verzocht; vraagt om verslag uit te brengen bij het Parlement over de uitwisselingen met de Russische autoriteiten;

27.  dringt er bij de VV/HV en de EDEO op aan ervoor te zorgen dat de Unie bij elke gelegenheid, maar binnen de grenzen van de nationale Russische wetgeving, streeft naar contacten met en ondersteuning van Russische maatschappelijke organisaties, waaronder organisaties die zich inzetten voor de waarden van democratie, mensenrechten en rechtsstaat;

28.  verzoekt de EU een verklaring af te leggen waarin zij de schendingen van de mensenrechten in Rusland veroordeelt, alsook de pogingen deze te verdoezelen met behulp van de FIFA-Wereldbeker;

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa alsook de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0087.
(2) Op de lijst, die niet volledig is, staan onder meer: Teimur Abdullaiev, Uzeir Abdullaiev, Taliat Abdurakhmanov, Rustem Abiltarov, Zevri Abseitov, Muslim Aliiev, Refat Alimov, Kiazim Ametov, Ernes Ametov, Ali Asanov, Marlen Asanov, Volodymyr Balukh, Ali Bariev, Enver Bekirov, Memet Belialov, Oleksii Bessarabov, Rustem Vaitov, Resul Velilyaev, Valentyn Vygovskii, Pavlo Hryb, Mykola Dadeu, Konstatin Davydenko, Bekir Dehermendzhi, Mustafa Dehermendzhi, Emil Dzhemadenov, Arsen Dzhepparov, Dmitrii Dolgopolov, Volodymyr Dudka, Andriy Zakhtei, Ruslan Zeitullaiev, Server Zekiriaiev, Timur Ibragimov, Rustem Ismailov, Yevgenii Karakashev, Mykola Karpiyuk, Stanislav Klykh, Andriy Kolomiiets, Oleksandr Kolchenko, Oleksandr Kostenko, Emir-Usein Kuku, Hennadii Limeshko, Serhii Litvinov, Enver Mamutov, Nariman Memedeminov, Remzi Memetov, Emil Minasov, Igor Movenko, Seiran Muradosilov, Seiran Mustafaiev, Server Mustafaiev, Yevhen Panov, Nuri Primov, Volodymyr Prysych, Ismail Ramazanov, Fevzi Sagandzhi, Ferat Saifullaiev, Aider Saledinov, Seiran Saliiev, Enver Seitosmanov, Oleg Sentsov, Oleksii Sizonovich, Vadym Siruk, Edem Smailov, Oleksandr Steshenko, Oleksii Stohniy, Renat Suleimanov, Anna Sukhonosova, Roman Sushchenko, Roman Ternovsky, Ruslan Ametov, Asan Chapukh, Oleksii Chirnii, Hlib Shablii, Mykola Shiptur, Dmytro Shtyblikov, Oleksandr Shumkov, Viktor Shur.


De mensenrechtensituatie in Bahrein, met name het geval van Nabeel Rajab
PDF 181kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2018 over de mensenrechtensituatie in Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab (2018/2755(RSP))
P8_TA(2018)0260RC-B8-0281/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties van 6 februari 2014 over Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab, Abdulhadi al-Khawaja en Ibrahim Sharif(1), van 9 juli 2015 over Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab(2), van 4 februari 2016 over Bahrein: de zaak van Mohammed Ramadan(3), van 7 juli 2016 over Bahrein(4) van 16 februari 2017 over executies in Koeweit en Bahrein(5), en van 3 oktober 2017 over het aanpakken van de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden(6),

–  gezien de verklaringen van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden van 17 juni 2015 over de veroordeling van de secretaris-generaal van Al-Wefaq, Ali Salman, in Bahrein, van 11 juli 2017 over de veroordeling van de heer Nabeel Rajab door een Bahreinse rechtbank en van 6 juni 2018 over de veroordeling van de heer Nabeel Rajab, Bahreins mensenrechtenactivist,

–  gezien de verklaring van 22 november 2017 van de voorzitter van zijn Subcommissie mensenrechten,

–  gezien de bijeenkomst van de informele werkgroep van de EU en Bahrein voor de mensenrechten van 15 mei 2018,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, Zeid Ra'ad Al Hussein, over de situatie in Bahrein van 11 september 2017,

–  gezien de verklaring van het VN-Comité tegen Foltering van 12 mei 2017,

–  gezien de in februari 2002 aangenomen Bahreinse grondwet, met name hoofdstuk 3, gezien artikel 364 van het Bahreinse wetboek van strafrecht en de Bahreinse wet op het staatsburgerschap van 1963,

–  gezien het verslag van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie van november 2011,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenactivisten, over mensenrechtendialogen met derde landen, over de doodstraf, over foltering, en over vrijheid van meningsuiting online en offline,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, die allemaal door Bahrein zijn ondertekend,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948, en met name artikel 15,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Hoge Hof van Beroep van Bahrein op 5 juni 2018 heeft beslist om de gevangenisstraf van vijf jaar voor de prominente mensenrechtenactivist Nabeel Rajab te handhaven wegens "het verspreiden van valse geruchten in tijden van oorlog" (artikel 133 van het Bahreinse wetboek van strafrecht), "de belediging van een buurland" (artikel 215) en de "belediging van een wettelijk orgaan" (artikel 216) in verband met tweets die hij heeft verstuurd over vermeende foltering in de Jaw-gevangenis van Bahrein en de luchtaanvallen van de door Saudi-Arabië geleide coalitie in Jemen; overwegende dat deze aanklachten zijn gebaseerd op bepalingen waarbij het recht op vrijheid van meningsuiting, dat is beschermd op grond van artikel 19 van het door Bahrein in 2006 geratificeerde Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, strafbaar wordt gesteld; overwegende dat de heer Rajab nu naar verwachting in laatste instantie beroep zal instellen bij het Hof van Cassatie van Bahrein;

B.  overwegende dat de heer Rajab deze maand vrijgelaten had moeten worden na het uitzitten van een gevangenisstraf van twee jaar, in vernederende gevangenisomstandigheden die neerkomen op mishandeling, op grond van tv-interviews die hij in 2015 en 2016 had gegeven over beperkingen van de persvrijheid in Bahrein; overwegende dat Nabeel Rajab vóór zijn willekeurige arrestatie in juni 2016 al een reisverbod had gekregen en een gevangenisstraf van twee jaar uitzat tussen 2012 en 2014 in verband met de uitoefening van zijn recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering; overwegende dat de VN-werkgroep voor willekeurige detentie in 2013 oordeelde dat hij willekeurig gevangen was genomen als medeaanvoerder en -organisator van demonstraties in Bahrein; overwegende dat hij het slachtoffer van oneerlijke processen is geweest;

C.  overwegende dat Nabeel Rajab, in aanvulling op deze nieuwe straf van vijf jaar, mogelijk nog langer in de gevangenis zal moeten blijven in verband met maar liefst 14 andere, niet afgehandelde zaken waarin de regering hem naar verluidt nog wil laten berechten, onder meer in verband met bijkomende aanklachten wegens "het verspreiden van valse berichten en verklaringen en verraderlijke geruchten die het prestige van de staat ondermijnen"; overwegende dat de regering hem bovendien op 12 september 2017 heeft beschuldigd wegens "het verspreiden van valse berichten", "het aanzetten tot haat tegen het regime" en "het aanzetten tot niet-naleving van het recht" via sociale media;

D.  overwegende dat de heer Rajab heeft geleden door de slechte omstandigheden in de gevangenis, die zijn lichamelijke gezondheid ernstig hebben aangetast; overwegende dat zijn familie ook heeft meegedeeld dat hij als straf elke dag gedurende 23 uur in zijn cel moet blijven, waardoor zijn gezondheid met de tijd ernstig verslechtert; overwegende dat de gevangenisdirectie naar verluidt blijkbaar de medische behandeling van de heer Rajab bewust heeft bemoeilijkt;

E.  overwegende dat de zaak van Nabeel Rajab een symbool is geworden voor mensenrechtenactivisten en eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting in Bahrein, en dat deze zaak ingaat tegen de toezeggingen die de regering van Bahrein zelf heeft gedaan; overwegende dat hij slechts een van meerdere personen is die geconfronteerd worden met willekeurige opsluiting en vervolging omdat zij gebruikmaken van de vrijheid van meningsuiting en vergadering;

F.  overwegende dat het VN-Comité tegen Foltering in mei 2017 de talrijke en consequente aantijgingen aan de orde heeft gesteld van wijdverspreide praktijken van foltering en mishandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd, met name van diegenen die werden gearresteerd op beschuldiging van terrorisme, en zijn ernstige bezorgdheid heeft geuit over de zaak van Nabeel Rajab, Abdulhadi al-Khawaja, Naji Fateel, Hussain Jawad, Abdulwahab Hussain en Abduljalil al-Singace;

G.  overwegende dat het aantal terechtstellingen en doodvonnissen aanzienlijk is gestegen nadat in februari 2017 een moratorium van zeven jaar werd doorbroken, tegen de achtergrond van aanhoudende berichten van foltering en mishandeling; overwegende dat Bahrein opnieuw burgers voor militaire rechtbanken is gaan berechten, na een grondwetswijziging die in april 2017 is goedgekeurd; overwegende dat de autoriteiten arrestatie- en onderzoeksbevoegdheden aan het Nationaal Veiligheidsagentschap heeft teruggegeven, ondanks de folteringen en mishandelingen uit het verleden;

H.  overwegende dat de situatie in Bahrein kritiek is geworden wat de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering betreft; overwegende dat de hardere onderdrukking van mensenrechtenactivisten en vreedzame opposanten zich uit in gevangenisstraffen, verbanning, reisverbod, het afnemen van het staatsburgerschap of ernstige bedreigingen en intimidatie op grond van hun vreedzame activiteiten;

I.  overwegende dat de Raad van vertegenwoordigers en de Shura-raad Bahrein een wijziging hebben goedgekeurd van de wet op de uitoefening van politieke rechten, waardoor politieke deelname op onafhankelijke basis aan de verkiezingen van 2018 onmogelijk zal worden;

J.  overwegende dat in 2016 de grootste politieke oppositiebeweging van Bahrein, Al-Wefaq, is opgeheven, dat haar tegoeden werden bevroren en dat haar website in Bahrein werd geblokkeerd, door het regime van Bahrein; overwegende dat de hoofdzetel van de groepering werd ingenomen, en dat de groepering werd aangeklaagd wegens "voortdurende minachting voor de grondwet van het Koninkrijk en betwisting van haar legitimiteit" en "oproepen tot buitenlandse inmenging", alsook wegens "verspreiding van geweld en steun aan terroristische organisaties";

K.  overwegende dat een Bahreinse rechtbank op 31 mei 2017 de ontbinding van de Bahreinse oppositiegroep National Democratic Action Society (Waad) heeft bevolen; overwegende dat het Hoge Hof van Beroep van Bahrein op 26 oktober 2017 de uitspraak van het hof van beroep om de Waad te ontbinden, heeft bevestigd;

L.  overwegende dat het Hoge Strafhof van Bahrein op 15 mei 2018 het staatsburgerschap van 115 personen heeft ingetrokken, tegen de achtergrond van meldingen van foltering en niet-eerbiediging van een behoorlijke rechtsgang in een oneerlijk massaproces; overwegende dat de dreiging van het afnemen of het feitelijk afnemen van het staatsburgerschap als politiek onderdrukkingsmiddel wordt gehanteerd; overwegende dat het staatsburgerschap talrijke personen in Bahrein is ontnomen, hoofdzakelijk personen uit het sjiitische gedeelte van de bevolking, onder wie ook kinderen, rechtstreeks in strijd met artikel 15 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens en artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind;

M.  overwegende dat sinds de protesten van 2011 en naar aanleiding van de conclusies van het verslag van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie een aantal interne organen is opgericht om misbruik door de overheid te monitoren, maar dat deze niet voldoende onafhankelijk en doeltreffend zijn; overwegende dat de ontoereikende onafhankelijkheid van deze organen naar verluidt tot een gebrek aan verantwoordingsplicht bij de regering en veiligheidstroepen van Bahrein leidt; overwegende dat dit een cultuur van straffeloosheid heeft bevorderd, die inspanningen voor democratische hervormingen ondermijnt en het land nog verder destabiliseert;

N.  overwegende dat de EU het voor de bevordering van de mensenrechten en het aanpakken van mensenrechtenschendingen als een van haar hoofdprioriteiten beschouwt om een nauwe samenwerking tot stand te brengen met het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenactivisten in derde landen;

1.  roept op tot de onmiddellijke vrijlating van alle personen die uitsluitend wegens hun vreedzame mensenrechten- en politieke activiteiten worden vastgehouden; roept op tot de beëindiging van alle uitingen van geweld, pesterijen en intimidatie, ook op gerechtelijk niveau, en van de censuur van mensenrechtenactivisten, politieke tegenstanders, betogers, actoren uit het maatschappelijk middenveld en hun familieleden binnen en buiten het land door de overheidsinstanties, veiligheidstroepen en -diensten; veroordeelt de voortdurende onderdrukking van fundamentele democratische rechten, met name vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering, politiek pluralisme, vreedzaam protest en de rechtsstaat in Bahrein;

2.  dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de heer Rajab en op de intrekking van alle resterende aanklachten tegen hem, en doet een beroep op de autoriteiten om, in afwachting van zijn vrijlating, te waarborgen dat hij niet wordt gefolterd, noch op andere manieren wordt mishandeld, en dat hij regelmatig toegang heeft tot zijn familie, de advocaten van zijn keuze en passende gezondheidszorg; veroordeelt de detentie van Nabeel Rajab, die in strijd is met onder meer zijn recht op vrijheid van meningsuiting en op bewegingsvrijheid;

3.  roept de autoriteiten van Bahrein op zich te houden aan hun internationale verplichtingen en hun verbintenissen inzake de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en een veilige en stimulerende omgeving te garanderen voor mensenrechtenactivisten en critici van de autoriteiten, ook in het kader van de verkiezingen van 2018, waarin het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering wordt gewaarborgd; herinnert de regering van Bahrein aan haar verantwoordelijkheid om de beveiliging en veiligheid van al haar burgers te waarborgen, ongeacht hun politieke standpunten, hun lidmaatschap van een politieke partij of hun politieke overtuiging;

4.  betreurt de slechte omstandigheden in de gevangenissen en het gebruik van foltering door beveiligings- en gevangenispersoneel in Bahrein; dringt er bij de Bahreinse autoriteiten zich te onthouden van elke vorm van foltering of wrede en onterende behandeling van gedetineerden, alle beschuldigingen van schending van grondrechten van gevangenen en foltering grondig te onderzoeken, en de daders voor het gerecht te brengen;

5.  herinnert de Bahreinse autoriteiten eraan dat artikel 15 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, verbiedt dat verklaringen die door foltering zijn verkregen, tijdens een proces als bewijs worden gebruikt; vraagt de onmiddellijke ratificatie door Bahrein van het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering;

6.  veroordeelt met klem het grote aantal doodvonnissen in het land en pleit voor een officieel moratorium op alle terechtstellingen; dringt erop aan alle terdoodveroordelingen te herzien, om te waarborgen dat de internationale normen bij de desbetreffende processen in acht zijn genomen;

7.  roept de autoriteiten op de grondwet te wijzigen om het voeren van militaire rechtszaken tegen gewone burgers af te schaffen;

8.  veroordeelt dat het staatsburgerschap op grote schaal wordt afgenomen als vergelding en dringt er bij de Bahreinse autoriteiten op aan het besluit te herroepen en de internationale verplichtingen na te komen en de internationale normen na te leven;

9.  roept de Bahreinse autoriteiten op het reisverbod tegen mensenrechtenactivisten onmiddellijk op te heffen en dringt erop aan dat de autoriteiten onder alle omstandigheden garanderen dat mensenrechtenactivisten in Bahrein hun legitieme mensenrechtenactiviteiten ongestoord kunnen uitvoeren, in binnen- en buitenland, zonder daarbij te worden belemmerd, geïntimideerd of lastiggevallen;

10.  spoort de regering van Bahrein aan te streven naar stabiliteit door middel van hervormingen en een inclusief verzoeningsproces in een kader waarin legitieme en vreedzame politieke grieven vrij uitgedrukt kunnen worden, in het bijzonder in het licht van de komende verkiezingen voor de Raad van vertegenwoordigers die gepland staan voor oktober 2018; veroordeelt in dit verband de aanvallen op de oppositie en het maatschappelijk middenveld in Bahrein, met inbegrip van de opheffing van oppositiebeweging Al-Wefaq, de ontbinding van de oppositiegroep Waad en de uitsluiting van deelname aan de komende verkiezingen die geldt voor de leden van deze ontbonden groeperingen; is van mening dat deze acties indruisen tegen de beginselen van democratisch pluralisme en vrije en eerlijke verkiezingen en in strijd zijn met internationale overeenkomsten en de grondwet van Bahrein; roept alle partijen op een echte nationale dialoog te starten om een nieuwe impuls te geven voor een vreedzaam en zinvol proces van nationale verzoening;

11.  vraagt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de Raad en de lidstaten problemen in verband met de schending van mensenrechten in Bahrein systematisch aan te kaarten en te overwegen gerichte maatregelen vast te stellen tegen de verantwoordelijken voor ernstige mensenrechtenschendingen;

12.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan naar Bahrein te blijven verwijzen in de verklaringen van de EU en de lidstaten bij punt 4 in de komende zittingen van de VN‑Mensenrechtenraad;

13.  roept de regering van Bahrein op samen te werken met de speciale VN-rapporteurs (met name voor foltering, vrijheid van vergadering, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, onafhankelijke rechters en advocaten en mensenrechtenactivisten) en een vaste uitnodiging aan hen te richten; dringt er bij de autoriteiten van Bahrein op aan internationale ngo's en journalisten vrije toegang tot Bahrein te verlenen, ook voor contacten met gedetineerde mensenrechtenactivisten;

14.  betreurt dat bewakingstechnologieën door Europese bedrijven naar Bahrein worden uitgevoerd, en benadrukt dat de EU‑instanties voor uitvoercontrole rekening moeten houden met criteria op het gebied van mensenrechten vooraleer een uitvoercertificaat naar een derde land af te geven; verzoekt alle EU-lidstaten de EU-gedragscode betreffende wapenuitvoer strikt in acht te nemen, en met name alle leveringen stop te zetten van wapens en bewakings- en inlichtingenapparatuur en -materiaal die door Bahrein kunnen worden gebruikt voor de voortdurende onderdrukking van de mensenrechten;

15.  betreurt dat Bahrein herhaaldelijk heeft geweigerd een officiële delegatie van de Subcommissie mensenrechten te ontvangen; verzoekt de Bahreinse autoriteiten een officiële delegatie van leden van het Europees Parlement een werkbezoek te laten brengen aan het land om overheidsautoriteiten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld te ontmoeten;

16.  betreurt dat de Chaillot-prijs van de EU-delegatie voor de bevordering van de mensenrechten in de regio van de Samenwerkingsraad van de Golf in 2014 is toegekend aan het nationaal instituut voor de mensenrechten van Bahrein, dat meermaals de mensenrechtenschendingen door de regering van Bahrein, waaronder de gevangenschap van Nabeel Rajab, heeft vergoelijkt;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein en de leden van de Samenwerkingsraad van de Golf; wenst dat deze resolutie wordt vertaald in het Arabisch.

(1) PB C 93 van 24.3.2017, blz. 154.
(2) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 151.
(3) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 42.
(4) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 130.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0044.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0365.


De situatie van de Rohingyavluchtelingen, met name de benarde positie van kinderen
PDF 181kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2018 over de situatie van Rohingya-vluchtelingen, in het bijzonder de benarde situatie van kinderen (2018/2756(RSP))
P8_TA(2018)0261RC-B8-0292/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Myanmar en over de situatie van de Rohingya's,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bangladesh,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over een strategie van de EU ten aanzien van Myanmar/Birma,

–  gezien de conclusies van de Raad over Myanmar/Birma van 26 februari 2018,

–  gezien de richtsnoeren van de EU ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind, als vastgesteld door de Raad op 6 maart 2017,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, van 30 maart 2016 over de aantreding van de nieuwe regering van de Unie van Myanmar,

–  gezien het gezamenlijke persbericht van 5 maart 2018 over de vierde mensenrechtendialoog EU-Myanmar,

–  gezien het VN-verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het aanvullende protocol hierbij van 1967,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 1954 en het Verdrag tot beperking der stateloosheid van 1961,

–  gezien het mondiaal actieplan 2014-2024 van november 2014 van het vluchtelingenagentschap van de VN (UNHCR) om een einde te maken aan stateloosheid,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het eindrapport van de Adviescommissie inzake de deelstaat Rakhine van augustus 2017,

–  gezien het Handvest van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN),

–  gezien het verslag van de VN-Veiligheidsraad van de secretaris-generaal conflictgerelateerd seksueel geweld van 23 maart 2018,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat 720 000 Rohingya-kinderen in Bangladesh en Myanmar ernstig behoefte hebben aan humanitaire bijstand en bescherming;

B.  overwegende dat de deelstaat Rakhine in Myanmar onderdak heeft geboden aan bijna 1,3 miljoen Rohingya's, een overwegend islamitische minderheid die het slachtoffer is van onderdrukking en aanhoudende ernstige schendingen van de mensenrechten, zoals bedreiging van hun leven en veiligheid, het ontzeggen van het recht op gezondheid en onderwijs, dwangarbeid, seksueel geweld en beperking van hun politieke rechten; overwegende dat Rohingya-moslims worden beschouwd als de meest vervolgde minderheid ter wereld en de grootste stateloze groep;

C.  overwegende dat sinds augustus 2017 meer dan 900 000 Rohingya's, waaronder 534 000 kinderen, het geweld tegen hen zijn ontvlucht en met vrees voor eigen leven een goed heenkomen in Bangladesh hebben gezocht; overwegende dat volgens schattingen ongeveer 1 000 Rohingya-kinderen jonger dan vijf jaar bij de gewelddadigheden in Myanmar zijn omgekomen; overwegende dat, volgens de ASEAN-parlementsleden voor mensenrechten, 28 300 Rohingya-kinderen ten minste een ouder hebben verloren, terwijl nog eens 7 700 kinderen melding hebben gemaakt van het verlies van beide ouders, waarmee het aantal verloren ouders op het hoge aantal van 43 700 komt;

D.  overwegende dat meer dan 14 000 van de kinderen jonger dan vijf jaar onder ernstige acute ondervoeding lijdt; overwegende dat Rohingya-kinderen traumatische gebeurtenissen hebben ondergaan of hiervan getuige zijn geweest, zoals in vele gevallen het verlies van een of beide ouder(s), scheiding van hun familie, lichamelijk misbruik, psychologische problemen, ondervoeding, ziekte, seksuele uitbuiting en het zien van misdaden tegen de menselijkheid in de deelstaat Rakhine, waaronder het systematisch afbranden van huizen en de verkrachting van Rohingya's en fysiek geweld tegen hen;

E.  overwegende dat de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, Zeid Ra’ad al-Hussein, de acties van de overheid van Myanmar heeft omschreven als "een schoolvoorbeeld van etnische zuivering" en "een wrange truc om grote groepen mensen onder dwang te verplaatsen zonder uitzicht op terugkeer";

F.  overwegende dat crises vrouwen en kinderen vaak ernstiger en anders treffen dan mannen en jongens doordat vaak reeds bestaande genderongelijkheden, gendergerelateerd geweld en discriminatie worden versterkt, bestendigd en verergerd;

G.  overwegende dat het leger van Myanmar verkrachting inzet als instrument in zijn etnische-zuiveringscampagne in de deelstaat Rakhine; overwegende dat seksueel geweld wordt gebruikt om gemeenschappen onderling te verdelen en vrouwen en meisjes ervan af te brengen naar huis terug te keren; overwegende dat in de kampen slachtoffers van verkrachting risico lopen op sociale uitsluiting door hun gemeenschap; overwegende dat de VN-Mensenrechtenraad om informatie heeft verzocht over de verantwoordelijkheid van het leger van Myanmar voor de wijdverbreide verkrachting van Rohingya-vrouwen en -meisjes;

H.  overwegende dat zich onder de vluchtelingen vele zwangere vrouwen en moeders van jonge kinderen bevinden, die lange afstanden te voet hebben afgelegd en in de kampen voor intern ontheemden ziek aankomen door mentaal en lichamelijk lijden, verhongering en verwondingen;

I.  overwegende dat negen maanden na het begin van de aanvallen op Rohingya's door soldaten van Myanmar en militieleden, volgens schattingen van hulporganisaties tot 48 000 baby's geboren zullen worden in de vluchtelingenkampen;

J.  overwegende dat de toegang tot gezondheidszorg voor vrouwen en kinderen in de vluchtelingenkampen in Bangladesh zeer beperkt is; overwegende dat zwangere vrouwen en moeders de nodige cruciale gezondheidszorg voor moeders moeten ontvangen, waaronder prenatale zorg, een veilige bevalling, pasgeborenenzorg, borstvoedingsondersteuning, en voortdurende reproductieve gezondheidsdiensten;

K.  overwegende dat Rohingya-kinderen en -vrouwen een hoog risico lopen het slachtoffer van mensenhandel voor prostitutie te worden, en seksuele intimidatie en geweld te ondergaan in de vluchtelingenkampen in Bangladesh; overwegende dat verloren Rohingya-kinderen in de vluchtelingenkampen het kwetsbaarst zijn en een hoog risico lopen slachtoffer van mensenhandel te worden;

L.  overwegende dat Rohingya-kinderen onvoldoende toegang tot formeel onderwijs hebben; overwegende dat alleen zeer jonge Rohingya-kinderen basisonderwijs in informele klaslokalen in de vluchtelingenkampen krijgen, terwijl oudere kinderen (vrijwel) geen toegang tot formeel onderwijs hebben;

M.  overwegende dat het moessonseizoen is begonnen in Bangladesh en dat verwacht wordt dat de situatie ernstig achteruit zal gaan; overwegende dat ten minste 200 000 mensen in de vluchtelingenkampen het onmiddellijke gevaar lopen slachtoffer te worden van overstromingen en aardverschuivingen; overwegende dat levens, onderdak en de voedsel- en watervoorziening ernstig worden bedreigd; overwegende dat er een hoog risico bestaat op de verspreiding van ziekten, waaronder cholera en hepatitis, tijdens de moessonoverstromingen; overwegende dat zeer weinig Rohingya-vluchtelingen toegang hebben gehad tot medische hulp of vaccinatie voorafgaand aan hun aankomst in Bangladesh;

N.  overwegende dat Myanmar tot nu toe heeft geweigerd een onderzoeksmissie van de VN-Mensenrechtenraad in het land toe te laten, de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Myanmar, Yanghee Lee, de toegang tot het land heeft ontzegd, en vrijwel alle aantijgingen betreffende door veiligheidstroepen in de deelstaat Rakhine begane wreedheden van de hand heeft gewezen;

O.  overwegende dat het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC) bepaalt dat de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap aangaan, met name genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, niet ongestraft mogen blijven; overwegende dat in april 2018 de aanklager van het ICC het hof heeft gevraagd zich uit te spreken over de vraag of het ICC rechtsmacht heeft over de vermeende deportaties van Rohingya's uit Myanmar naar Bangladesh; overwegende dat een uitspraak waarin de rechtsmacht van het ICC wordt bevestigd het hof vrij baan kan geven voor een onderzoek naar misdaden tegen de menselijkheid of deportaties in Myanmar;

P.  overwegende dat China en Rusland in maart 2017 de aanneming van een resolutie van de VN-Veiligheidsraad over de situatie van de Rohingya-minderheid in Myanmar geblokkeerd hebben;

Q.  overwegende dat het ontbreken van enig realistisch vooruitzicht op veilige en vrijwillige terugkeer en het gebrek aan politieke vooruitgang bij het oplossen van de crisis in Myanmar doen vermoeden dat deze situatie niet op korte termijn zal worden opgelost en dat derhalve een aanpak voor de langere termijn vereist is, in het bijzonder om de rechten en behoeften van kinderen veilig te kunnen stellen;

R.  overwegende dat op 6 juni 2018 een tripartiet memorandum van overeenstemming is ondertekend tussen Myanmar, het UNHCR en het VN-ontwikkelingsprogramma (UNDP); overwegende dat het UNHCR heeft aangegeven dat de huidige omstandigheden nog geen vrijwillige terugkeer toestaan;

S.  overwegende dat de Commissie in mei 2018 40 miljoen EUR aan humanitaire hulp heeft vrijgegeven om levensreddende steun te verstrekken aan kwetsbare Rohingya-burgers en gastgemeenschappen in Bangladesh en in de gehele deelstaat Rakhine; overwegende dat dit bedrag een aanvulling vormt op de 51 miljoen EUR die in 2017 is vrijgemaakt;

T.  overwegende dat in maart 2018 de VN een oproep hebben gedaan voor een bedrag van 951 miljoen USD om de Rohingya-vluchtelingen in de rest van het jaar bij te staan, maar dat slechts ongeveer 20 % van dit doelbedrag tot op heden is ontvangen;

1.  veroordeelt ten sterkste de aanvallen in Myanmar tegen Rohingys's, die volgens de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN op een etnische zuivering neerkomen; maakt zich ernstig zorgen over de toenemende ernst en omvang van de mensenrechtenschendingen, zoals moorden, felle botsingen, vernietiging van civiel eigendom en de ontheemding van honderdduizenden burgers; dringt er bij de militaire en veiligheidstroepen van Myanmar op aan onmiddellijk te stoppen met het vermoorden, intimideren en verkrachten van Rohingya's en het platbranden van hun huizen;

2.  roept de regering van Myanmar ertoe op internationale waarnemers en humanitaire en mensenrechtenorganisaties, waaronder de VN en internationale ngo's, en met name de door het UNHCR in maart 2017 ingestelde onderzoeksmissie, volledige ongehinderde toegang tot de deelstaat Rakhine te geven, om ervoor te zorgen dat onafhankelijk en onpartijdig onderzoek wordt gedaan naar vermeende ernstige mensenrechtenschendingen door alle partijen;

3.  herinnert dat medische en psychologische ondersteuning moet worden verstrekt in de vluchtelingenkampen, met name gericht op kwetsbare groepen waaronder vrouwen en kinderen; roept op tot betere hulpdiensten voor slachtoffers van verkrachting en seksuele intimidatie; benadrukt dat alle vrouwen en meisjes toegang moeten hebben tot informatie en diensten op het gebied van reproductieve gezondheid, waaronder contraceptie en veilige abortus;

4.  is verheugd over de steun die voor en na geboortes door agentschappen en organisaties wordt verstrekt; herinnert dat registratievoorzieningen en -certificaten voor pasgeborenen moeten worden ingevoerd, om ervoor te zorgen dat zij een identiteitsdocument krijgen, wettelijke rechten genieten en toegang tot basisdiensten hebben, en families kunnen worden opgespoord, overeenkomstig de verbintenissen die de regering van Bangladesh heeft gedaan om ervoor te zorgen dat alle geboortes op zijn grondgebied worden geregistreerd; herinnert eraan dat de instandhouding van het gezin van wezenlijk belang is om te waarborgen dat deze kinderen toegang tot hun rechten hebben;

5.  wijst met bezorgdheid op het ontbreken van voldoende onderwijs voor Rohingya-kinderen in de vluchtelingenkampen; roept de autoriteiten van Bangladesh ertoe op te zorgen voor volledige en voldoende toegang voor Rohingya-kinderen tot onderwijs van goede kwaliteit in hun eigen taal; wijst op het risico van een verloren generatie voor de gehele gemeenschap indien de noodzakelijke maatregelen om te zorgen voor toereikend onderwijs voor kinderen niet worden genomen; onderstreept dat volledige toegang tot onderwijs in schoolgebouwen van VN-agentschappen en ngo's moet worden geboden, zodat alle kinderen vaardigheden kunnen ontwikkelen;

6.  is zeer verontrust over de vele gevallen van gedwongen prostitutie, mensenhandel en seksueel geweld, waaronder kindhuwelijken, geweld tegen partners en seksuele uitbuiting en misbruik in de kampen; spoort de autoriteiten in Bangladesh en Myanmar ertoe aan om in samenwerking met het UNHCR de veiligheid van de Rohingya-vluchtelingen op hun grondgebied te waarborgen, met name door sterker de strijd aan te gaan tegen mensenhandel en kindprostitutie, en de bestaande netwerken te ontbinden;

7.  is verheugd over de inspanningen van de regering en de burgers van Bangladesh om Rohingya-vluchtelingen te beschermen en in veiligheid te brengen, en moedigt hen aan humanitaire hulp te blijven verstrekken aan de vluchtelingen uit Myanmar; roept op tot internationale steun voor de gemeenschappen die de vluchtelingen onderdak bieden, onder meer door oplossingen te zoeken voor nationale problemen op maatschappelijk, onderwijs-, economisch en gezondheidsgebied; benadrukt dat vrouwen moeten worden gehoord en moeten worden betrokken bij de ontwikkeling door alle belanghebbenden van humanitaire maatregelen en maatregelen om de weerbaarheid te verhogen;

8.  benadrukt dat de regering van Myanmar de veilige, vrijwillige en waardige terugkeer, onder volledig VN-toezicht, moet waarborgen van diegenen die naar hun land willen terugkeren; spoort de regeringen van Myanmar en Bangladesh aan om het beginsel van non-refoulement volledig in acht te nemen;

9.  is verheugd over het memorandum van overeenstemming dat Myanmar, het UNHCR en het UNDP op 6 juni 2018 zijn overeengekomen als eerste concrete stap naar de volledige betrokkenheid van VN-agentschappen bij het repatriëringsproces; benadrukt echter dat de overeenkomst zo spoedig mogelijk openbaar toegankelijk moet worden gemaakt;

10.  benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat humanitaire spelers nooddiensten kunnen verstrekken, ook voor seksueel overgedragen ziekten en seksueel geweld; roept alle geldschieters op om hun financiering te verhogen om ervoor te zorgen dat het volledige spectrum aan gezondheidszorg voor moeders kan worden aangeboden;

11.  is verheugd over de VN-campagne om tegen 2024 een einde aan stateloosheid te maken; herinnert eraan dat de Rohingya´s integrerend deel uitmaken van de bevolking van Myanmar en derhalve als zodanig in de wetgeving moeten worden erkend, zoals aanbevolen door de Adviescommissie;

12.  herinnert eraan dat de financiële verantwoordelijkheid voor het bijstaan van de vluchtelingen niet onevenredig op Bangladesh mag neerkomen; roept de internationale gemeenschap en internationale geldschieters ertoe op om onverwijld hun inzet te verhogen en de noodzakelijke middelen beschikbaar te stellen om de noodzakelijke humanitaire hulp en bijstand te kunnen blijven verstrekken en om de Rohingya-vrouwen en -kinderen effectief te ondersteunen, met bijzondere aandacht voor zwangere vrouwen, kinderen en slachtoffers van verkrachting, evenals de plaatselijke en gastgemeenschappen in Bangladesh te ondersteunen;

13.  is verheugd over de aanneming door de Raad op 26 april 2018 van een kader voor doelgerichte maatregelen tegen ambtenaren die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen en de aanscherping van het EU-wapenembargo; roept de EU en haar lidstaten ertoe op alle maatregelen onverwijld uit te voeren; verzoekt de VN-Veiligheidsraad verder om een mondiaal, alomvattend wapenembargo tegen Myanmar, waarmee alle directe en indirecte leveringen, de verkoop of overdracht, met inbegrip van doorvoer en overlading van alle wapens, munitie en andere militaire en veiligheidsuitrusting, alsmede de verstrekking van opleidingen of andere vormen van bijstand op militair en veiligheidsgebied, worden opgeschort;

14.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om na te denken over consequenties in de context van de aan Myanmar toegekende handelspreferenties, en onder andere te overwegen een onderzoek in te stellen met behulp van de mechanismen die zijn voorzien in de regeling "alles behalve wapens";

15.  verzoekt de EDEO en de lidstaten ervoor te zorgen dat diegenen die misdaden hebben begaan in Myanmar hiervoor verantwoordelijk worden gesteld in multilaterale fora; neemt kennis van het verzoek van de hoofdaanklager van het ICC aan de rechters van het hof om de rechtsmacht van het ICC te bevestigen over de misdaad van deportaties van Rohingya's uit Myanmar naar Bangladesh; spoort de EU en haar lidstaten ertoe aan het voortouw te nemen in de VN-Veiligheidsraad en een resolutie in te dienen waarin de gehele situatie in Myanmar/de deelstaat Rakhine naar het ICC wordt doorverwezen; spoort de EU-lidstaten ertoe aan het voortouw te nemen in de Algemene Vergadering van de VN en de VN-Mensenrechtenraad en onverwijld te zorgen voor de oprichting van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van onderzoeken naar vermeende wrede misdaden;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering en het parlement van Myanmar, de staatsadviseur Aung San Suu Kyi, de regering en het parlement van Bangladesh, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten, de secretaris-generaal van de ASEAN, de intergouvernementele mensenrechtencommissie van de ASEAN, de Speciaal Rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Myanmar, de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen en de VN-Mensenrechtenraad.


De structurele en financiële obstakels voor de toegang tot cultuur
PDF 223kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2018 over de structurele en financiële obstakels voor de toegang tot cultuur (2017/2255(INI))
P8_TA(2018)0262A8-0169/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 27 van de Universele Verklaring inzake de rechten van de mens,

–   gezien artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 22 en 25,

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 getiteld "Het potentieel van de culturele en creatieve industrieën vrijmaken"(1),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 getiteld "Bevordering van de Europese culturele en creatieve sector als bron voor groei en banen"(2),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over een coherent EU-beleid voor de culturele en creatieve sector(3),

–  gezien zijn resolutie van 10 april 2008 over de culturele industrieën in Europa(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2007 over de sociale status van kunstenaars(5),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over de culturele dimensies van het externe optreden van de EU(6),

–  gezien zijn resolutie van 26 februari 2004 over de rol van de school en het schoolonderricht bij de toegang tot de cultuur voor een zo groot mogelijk aantal burgers(7),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 getiteld "Naar een akte voor een digitale interne markt"(8),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 getiteld "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa"(9),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(10),

–  gezien zijn resolutie van 10 april 2008 over een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering(11),

–  gezien zijn standpunt van 1 juni 2017 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat btw-tarieven op boeken, kranten en tijdschriften betreft(12),

–  gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 getiteld "Europeana" – volgende stappen"(13),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mobiliteit en inclusie van mensen met een handicap en de Europese strategie voor mensen met een handicap 2010-2020(14),

–  gezien zijn resolutie van 30 november 2017 over de tenuitvoerlegging van de Europese strategie inzake handicaps(15),

–  gezien zijn resolutie van 2 maart 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014 - 2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG(16),

–   gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), met name artikel 30 over deelname aan het culturele leven, recreatie, vrijetijdsbesteding en sport,

–   gezien doelstelling 11 van de in september 2015 ondertekende VN-Agenda 2030, waarin wordt voorgesteld dat steden en menselijke nederzettingen inclusief, veilig, robuust en duurzaam worden gemaakt,

–  gezien het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 20 oktober 2005 door de Organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (Unesco) is aangenomen,

–  gezien de Kaderconventie van de Raad van Europa van 27 oktober 2005 over de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (Conventie van Faro),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG(17),

–  gezien de resolutie van de Raad van 16 november 2007 over een Europese agenda voor cultuur(18),

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 december 2014 over een werkplan voor cultuur (2015-2018)(19),

–  gezien het EU-werkplan voor cultuur voor de periode 2015-2018,

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 en 19 mei 2015 over culturele en creatieve kruisbestuiving ter stimulering van innovatie, economische duurzaamheid en sociale inclusie(20),

–  gezien de conclusies van de Raad van 31 mei 2016 over de rol van Europeana voor de digitale toegang tot, de zichtbaarheid en het gebruik van Europees cultureel erfgoed(21),

–  gezien de resolutie van de Raad van 6 mei 2003 over de toegankelijkheid van de culturele infrastructuur en van culturele activiteiten voor mensen met een handicap(22),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 8 juni 2016 aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Naar een EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen" (JOIN(2016)0029),

–  gezien het verslag van de Commissie over de uitvoering van de Europese agenda voor cultuur (COM(2010)0390),

–  gezien het groenboek van de Commissie van 27 april 2010 getiteld "Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken" (COM(2010)0183),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Europees jaar van het cultureel erfgoed (2018) (COM(2016)0543),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 september 2012 getiteld "Steun aan culturele en creatieve sectoren ten behoeve van groei en banen in de EU" (COM(2012)0537),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 december 2012 inzake de inhoud in de interne digitale markt (COM(2012)0789),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 juli 2014 getiteld "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa" (COM(2014)0477),

–  gezien het verslag van 2012 van de werkgroep van deskundigen van de EU-lidstaten inzake toegang tot cultuur,

–  gezien de resultaten van de Eurobarometerenquêtes nr. 399 over de toegang tot en de deelname aan cultuur en nr. 466 over het cultureel erfgoed,

–  gezien de resultaten van door Eurostat verrichte statistische enquêtes (cultuurstatistieken) voor 2016,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0169/2018),

A.  overwegende dat in artikel 27 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN wordt bepaald dat een ieder het recht heeft vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap, te genieten van kunst en deel te hebben aan wetenschappelijke vooruitgang en de vruchten daarvan, en dat de toegang tot cultuur en mogelijkheden voor creatieve expressie van belang zijn voor het bestaan van een democratische samenleving die gebaseerd is op vrijheid van meningsuiting en gelijkheid;

B.  overwegende dat in de Conventie van Faro het recht op cultureel erfgoed wordt erkend en wordt opgeroepen tot de ontwikkeling van innovatieve wijzen om erfgoed zo te beheren dat overheidsinstanties kunnen samenwerken met andere actoren, zoals verenigingen en particulieren;

C.  overwegende dat artikel 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie oproept tot eerbiediging van de culturele verscheidenheid, terwijl in artikel 25 het recht van ouderen wordt erkend om deel te nemen aan het culturele leven;

D.  overwegende dat cultuur een grote impact heeft op de bevordering, het begrip en de ontwikkeling van solidariteit tussen Europese en trans-Europese gemeenschappen;

E.  overwegende dat in de grondwet van de meeste EU-lidstaten rechtstreeks of onrechtstreeks wordt verwezen naar cultuur en de toegang daartoe;

F.  overwegende dat de EU cultureel beleid kan aanvullen en aanmoedigen en dat in artikel 167 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) wordt bepaald dat de overheden op nationaal, regionaal en lokaal niveau de belangrijkste instanties zijn voor het cultuurbeleid in de EU, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel;

G.  overwegende dat elke vorm van belemmering van toegang tot en volledige deelname van personen of gemeenschappen aan culturele processen en culturele ecosystemen de ontwikkeling van werkelijk democratische en inclusieve samenlevingen in de weg staat;

H.  overwegende dat cultuur Europese burgers betere mogelijkheden geeft om persoonlijke, sociale, creatieve en interculturele vaardigheden te ontwikkelen;

I.  overwegende dat volgens schattingen van de VN momenteel de helft van de wereldbevolking, oftewel 3,5 miljard mensen, in steden woont; dat in 2030 bijna 60 % van de wereldbevolking in stedelijke gebieden zal wonen; dat het daarom noodzakelijk is strategieën vast te stellen met doeltreffend beleid om de nog bestaande problemen op te lossen en ervoor te zorgen dat er voldoende tijd is om veranderingen door te voeren teneinde werkelijk inclusieve stedelijke ruimten te creëren;

J.  overwegende dat in Aanbeveling 2006/962/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(23) cultureel bewustzijn en culturele expressie worden gerekend tot de sleutelcompetenties die elk individu nodig heeft voor zijn zelfontplooiing en ontwikkeling, actief burgerschap, sociale integratie en werk;

K.  overwegende dat in de mededeling van de Commissie van 10 mei 2007 getiteld "Een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering" (COM(2007)0242) benadrukt wordt dat het noodzakelijk is de toegang tot cultuur en culturele werken en culturele verscheidenheid te promoten;

L.  overwegende dat de toekomst van culturele innovatie in de EU staat of valt met investeringen in creatieve middelen, kennis en talent;

M.  overwegende dat in het in december 2014 door de Raad vastgestelde werkplan voor cultuur (2015-2018) toegankelijke en inclusieve cultuur en bevordering van culturele verscheidenheid als prioriteiten worden aangemerkt;

N.  overwegende dat een van de doelstellingen van de EU en haar lidstaten moet bestaan in de vermindering van de sociale en economische ongelijkheden om een inclusieve samenleving te bevorderen waaraan iedereen kan deelnemen; dat een sterke, dynamische en gediversifieerde culturele sector van fundamenteel belang is voor een inclusieve samenleving;

O.  overwegende dat deelname aan culturele activiteiten een middel is om het gevoel van deel uitmaken van een samenleving te creëren; dat het opbouwen van een sociale identiteit nauw verbonden is met culturele deelname; dat deelname aan culturele activiteiten kan bijdragen tot meer gevoel van eigenwaarde en een betere kwaliteit van het bestaan, met name voor personen die blootstaan aan enige vorm van marginalisatie als gevolg van werkloosheid of ziekte of om andere redenen;

P.  overwegende dat een culturele sector inclusief is als die iedereen dezelfde kansen biedt om deel te nemen en creatieve vaardigheden te ontwikkelen, ongeacht sociaaleconomische, culturele of religieuze achtergrond of een eventuele handicap;

Q.  overwegende dat openbare bibliotheken en culturele instellingen in veel regio's druk bezocht worden en vaak de enige toegangspunten zijn voor informatie en cultuur, vooral in afgelegen of plattelandsgebieden;

R.  overwegende dat nieuwe digitale technologieën van invloed kunnen zijn op het beheer van de culturele sector, de dialoog en het creëren van nieuwe publieksgroepen, alsook op de verspreiding van culturele activiteiten;

S.  overwegende dat nieuwe digitale technologieën en onlineplatforms cruciale kansen bieden om de participatiegraad en de cultureel scheppend werk omhoog te krijgen;

T.  overwegende dat mensen uit derde landen ondervertegenwoordigd zijn op diverse culturele gebieden in de EU; dat dit ook geldt voor personen met een handicap;

U.  overwegende dat in het verslag van de werkgroep van deskundigen van de EU-lidstaten inzake toegang tot cultuur(24) onder toegang wordt verstaan dat nieuwe publieksgroepen in de gelegenheid worden gesteld te profiteren van het beschikbare cultuuraanbod; dat dit impliceert dat er nieuwe publieksgroepen worden bereikt die zo nader kennis kunnen maken met het culturele erfgoed en andere culturele hulpbronnen;

V.  overwegende dat digitale technologieën de wijze hebben veranderd waarop mensen culturele inhoud benaderen, produceren, verspreiden en gebruiken;

W.  overwegende dat het Europeana-platform, dat in 2008 werd gestart, is uitgegroeid tot een gemeenschappelijk Europees cultureel project dat de digitale toegang tot het Europees cultureel erfgoed faciliteert;

X.  overwegende dat het programma Creatief Europa onder meer als specifieke doelstelling heeft nieuwe publieksgroepen te bereiken en de toegang tot culturele en creatieve werken in de Unie en daarbuiten te verbeteren, waarbij de inspanningen met name zijn gericht op kinderen, jongeren, personen met een handicap en ondervertegenwoordigde groepen;

Y.  overwegende dat er op communautair niveau en in de lidstaten initiatieven zijn die tot doel hebben de toegang van personen met een handicap tot de culturele infrastructuur en culturele activiteiten te verbeteren;

Z.  overwegende dat de verschillen tussen de fiscale procedures en systemen in de EU problemen opleveren voor de mobiliteit van kunstenaars en cultuurwerkers in het algemeen, doordat ze buitensporige administratieve rompslomp creëren die vaak niet in verhouding staat tot de werkelijke, bescheiden inkomsten uit hun activiteiten;

AA.  overwegende dat de ontwikkeling van betrouwbare, onderling vergelijkbare en actuele cultuurstatistieken, die de grondslag van een solide cultuurbeleid vormen, een van de transversale prioriteiten vormt van het werkplan voor cultuur 2015-2018, waarin gewezen wordt op het economisch potentieel van de culturele en creatieve sector en de impact ervan op het maatschappelijk welzijn;

AB.  overwegende dat toegang tot kwalitatief onderzoek en vergelijkende gegevensbronnen het mogelijk maakt om de culturele, economische en sociale impact van cultuurbeleid doeltreffend te meten en te analyseren;

AC.  overwegende dat cultuur bijdraagt aan de bevordering van een samenleving die gebaseerd is op kennis en het delen van ervaringen en wereldgeschiedenis;

AD.  overwegende dat er in de EU circa 8,4 miljoen mensen werkzaam zijn in de culturele sector (d.w.z. 3,7 % van de totale beroepsbevolking)(25) en dat hun potentieel in termen van economische groei nog steeds niet volledig wordt benut;

AE.  overwegende dat degenen die trachten via culturele productie bij te dragen aan het tot uiting brengen van hun identiteit en de toegang tot cultuur te verbreden en duurzaam te ontwikkelen, op moeilijkheden en uitdagingen stuiten;

Toegang tot en deelname aan cultuur

1.  benadrukt dat het erkent dat toegang tot cultuur een grondrecht van alle burgers is, overeenkomstig artikel 27 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, waarin deelname aan het culturele leven wordt erkend als een van de fundamentele rechten van de mens; wijst er voorts op dat dit recht is verankerd in de Conventie van Faro, waarin het recht wordt erkend om deel te nemen aan het culturele leven en de rol van cultureel erfgoed in de opbouw van een vreedzame en democratische samenlevingen wordt gepromoot; doet derhalve een beroep op de lidstaten die de conventie hebben ondertekend om meer vaart te zetten achter het ratificatieproces, en de staten die dat nog niet gedaan hebben om de conventie te ondertekenen en zo de unieke kans aan te grijpen die het Europees Jaar van het cultureel erfgoed biedt;

2.  wijst op het belang van een integrale toepassing van het concept van toegankelijkheid en de waarde daarvan als middel om ervoor te zorgen dat in de breedste en meest volledige zin rekening wordt gehouden met iedereen die gebruik maakt van cultuur en cultuurplaatsen en -initiatieven en dat bijgevolg rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van personen met een handicap, opdat ook zij verzekerd zijn van gelijke kansen, werkelijke sociale inclusie en actieve deelname aan de samenleving;

3.  benadrukt het onmiskenbare belang van een actieve en toegankelijke culturele sector voor de ontwikkeling van een inclusieve samenleving en de versterking van een gemeenschappelijke kern van universele waarden en actief Europees burgerschap, die van fundamenteel belang zijn om burgers in staat te stellen succesvol en zinvol deel te nemen aan het openbare leven, en tegelijkertijd om het cultureel erfgoed van Europa en de ontwikkeling van de Europese culturele en taalkundige diversiteit te bevorderen; verzoekt de lidstaten en de Unie, voor zover deze bevoegd is, de noodzakelijke specifieke maatregelen te treffen om de toegang tot en de deelname aan het culturele leven te waarborgen;

4.  pleit ervoor om van inclusie en verscheidenheid een vast onderdeel te maken van de planning, organisatorische ontwikkeling en aanwerving in de culturele sector op Europees, nationaal en regionaal niveau; spoort de lidstaten ook aan om stelselmatig de maatregelen te monitoren die op de verwezenlijking van dit doel gericht zijn;

5.  herinnert aan de belangrijke rol die de EU vervult bij het bevorderen en vereenvoudigen van een betere coördinatie van het cultuurbeleid op alle niveaus; merkt op dat actoren in de gehele EU alleen op die manier alomvattend en doeltreffend beleid kunnen ontwikkelen om de toegang tot en de deelname aan cultuur te bevorderen, en om cultuur als wezenlijk element van het Europese integratieproject neer te zetten;

6.  beschouwt de toegang tot en de deelname aan cultuur als een transversaal vraagstuk en benadrukt daarom dat het van groot belang is het cultuurbeleid en andere beleidsterreinen, zoals onderwijs-, sociaal, economisch, regionaal, buitenlands, digitaal en mediabeleid, op elkaar af te stemmen;

7.  pleit ervoor dat de lidstaten een op kinderen en jongeren gerichte culturele actiestrategie ontwikkelen;

8.  erkent dat bevordering en verwezenlijking van inclusieve en zinvolle toegang tot cultuur een van de prioriteiten op de politieke agenda is en dringt aan op mainstreaming van aspecten in verband met toegankelijkheid en deelname aan cultuur in andere beleidsterreinen, aangezien dit niet alleen een positieve bijdrage levert aan deze beleidsterreinen, maar ook van invloed is op een sectoroverschrijdende en synergetische samenwerking in de geest van artikel 167 VWEU;

9.  houdt staande dat het compendium van nationaal cultuurbeleid zoals dat door de Raad van Europa en een platform van deskundigen is opgesteld en wordt beheerd, een zeer nuttig instrument is voor cultuurbeleid in Europa en daarbuiten; betreurt echter dat er sinds 2011 weinig vooruitgang is geboekt met betrekking tot het verzamelen en vooral het analyseren van gegevens en beveelt aan dat de Raad overgaat tot een herziening van de huidige inhoud en daarin ook de lokale en regionale niveaus van het cultuurbeleid opneemt;

10.  benadrukt dat er een nauw verband bestaat tussen de begrippen toegang tot en deelname aan cultuur; wijst erop dat strategieën ter versterking van de toegang tot en de deelname aan cultuur moeten worden uitgevoerd door ondervertegenwoordigde groepen in kaart te brengen en initiatieven of programma's op te zetten en uit te voeren die bedoeld zijn om hun deelname te vergroten en bestaande obstakels uit de weg te ruimen;

11.  benadrukt dat het noodzakelijk is gegevens te verzamelen over de deelname van personen met een handicap aan culturele activiteiten;

12.  betreurt dat er nog steeds financiële belemmeringen zijn die de burgers, en met name degenen die tot de meest kansarme groepen behoren, beletten ten volle gebruik te maken van hun fundamentele recht van deelname aan het culturele leven en toegang tot cultuur, en dat dit in de weg staat aan de daadwerkelijke verwezenlijking van dat grondrecht;

13.  wijst er nogmaals op dat het van belang is platforms op te zetten voor het delen en uitwisselen van ervaringen op regionaal, nationaal en Europees niveau;

14.  benadrukt dat het van belang is een hoogwaardig cultuuraanbod te waarborgen voor alle burgers, als basis voor de bevordering van een actief, democratisch en inclusief burgerschap;

Financiële obstakels

15.  benadrukt dat vaste en doorlopende overheidsfinanciering een fundamentele rol speelt bij het waarborgen van een dynamisch cultuurklimaat en een onmisbaar instrument blijft voor de ondersteuning van culturele activiteiten in de EU, zodat die hun economisch potentieel kunnen verwezenlijken, en voor de bevordering van duurzame groei en sociale cohesie en de financiering van cultuurinfrastructuur; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom om in het kader van hun respectieve bevoegdheden een passend deel van hun begroting opzij te zetten voor overheidssteun aan cultuur en hun synergie met het EFRO en andere culturele steunfondsen te versterken, met inbegrip van programma's ter bevordering van onderzoek en innovatie en van de middelen die in het kader van het cohesiebeleid beschikbaar zijn;

16.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat er niet wordt gesnoeid in overheidsfinanciering voor cultuur, ook niet als een lidstaat in de toekomst te maken zou krijgen met economische problemen;

17.  betreurt dat economische recessie doorgaans in de eerste plaats leidt tot bezuinigingen op de overheidsuitgaven voor cultuur en een negatief effect heeft op de begrotingen voor culturele activiteiten;

18.  herinnert eraan dat investeringen in de culturele en creatieve sector een middel zijn om het aanzienlijke en nog steeds ondergewaardeerde potentieel van deze sectoren om culturele diversiteit en sociale innovatie te bevorderen, te benutten en tegelijkertijd duurzame economische welvaart en kwaliteitsbanen te genereren, en wijst erop dat die investeringen ook rechtstreeks van invloed zijn op de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden, de digitalisering, het ondernemerschap, de innovatie en de uitwerking van nieuwe bedrijfsmodellen, en dat zij het concurrentievermogen van de Europese culturele en creatieve sectoren vergroten doordat kansen worden benut en nieuwe internationale mogelijkheden, markten en publieksgroepen kunnen worden bereikt; is daarom van mening dat de particuliere sector een cruciale rol speelt als aanvulling op overheidsinvesteringen, en verzoekt de lidstaten te overwegen in hun wetgeving uitvoeringsmaatregelen vast te stellen om belastingvermindering toe te kennen aan particuliere entiteiten die geldelijke steun verlenen ter ondersteuning van cultuur;

19.  wijst erop dat versnippering, een lage toegevoegde waarde en de activiteiten van vele mannelijke en vrouwelijke zelfstandigen in de creatieve sector, activiteiten in het algemeen worden gezien als interessante bezigheden, er niet toe mogen leiden dat de culturele/creatieve industrie een model voor slecht betaald werk of werk met slechte sociale dekking wordt; stelt daarom voor deugdelijke evaluatieprocedures te ontwikkelen voor goed werk in de creatieve sector;

20.  benadrukt dat de toegang van het publiek tot culturele goederen en diensten en de ondersteuning van culturele productie en cultuuruitingen de creatieve economie versterken en aldus bijdragen aan de ontwikkeling van een land;

21.  wijst erop dat er minder gebrek zou zijn aan financiering van culturele bedrijfstakken als er gezorgd zou worden voor fiscale stimulansen voor particuliere sponsoring;

22.  vestigt de aandacht op de problemen in verband met internationale inkomstenbelasting waarmee kunstenaars in heel Europa worden geconfronteerd, en beveelt daarom een standaardmodel aan dat goed is voor werknemers en zelfstandigen en waarmee dubbele belastingheffing voorkomen wordt;

23.  verzoekt om investeringen in micro-ondernemingen om creativiteit en innovatie aan te moedigen en aldus de regionale en lokale ontwikkeling te bevorderen;

24.  benadrukt dat de hoge prijs van cultuurgoederen en -diensten een van de obstakels voor de deelname aan cultuur is die worden genoemd door respondenten van de Eurobarometer- en Eurostatenquêtes(26); beveelt in dit verband ten zeerste aan dat lidstaten en regio's acties ondernemen die gericht zijn op specifieke doelgroepen, met name studenten, grote gezinnen en ouderen, om financiële obstakels die toegang in de weg staan weg te nemen;

25.  benadrukt dat de hoge verzekeringskosten voor tentoonstellingsobjecten en -prestaties medeverantwoordelijk zijn voor de hoge entree- of ticketprijzen voor musea, theaters en kunstgalerijen en het voor kleinere structuren vaak onmogelijk maken hun programma's te ontwikkelen zoals hun publiek en zijzelf dat wensen, een situatie die leidt tot een steeds groetere kloof tussen kleinere structuren in de nabijheid van hun publiek en grotere, internationaal erkende instellingen;

26.  benadrukt de rol die passend begrotingsbeleid voor de culturele en creatieve sector kan spelen bij het verbeteren van de toegang tot en de deelname aan cultuur; merkt evenwel op dat onrechtstreekse steun voor het cultureel erfgoed door invoering van verlaagde btw-tarieven rechtstreekse subsidies niet kan vervangen; pleit voor betere coördinatie van het nationaal cultuurbeleid en de btw-tarieven als middel om deelname aan cultuur te bevorderen;

27.  herinnert eraan dat het van belang is dat de lidstaten bezien of er een coherenter fiscaal beleid kan worden gevoerd ten aanzien van de inkomsten voor cultuurwerkers en kunstenaars die korte tijd in verschillende landen doorbrengen en dus onderworpen kunnen zijn aan regels en administratieve procedures die per optreden, workshop of verblijfplaats verschillen; wijst erop dat een minimum aan harmonisatie ter ondersteuning van de mobiliteit van kunstenaars en cultuurwerkers als een prioriteit moet worden beschouwd om de diversiteit van scheppend werk en cultuur in de hele EU en daarbuiten aan te moedigen in plaats van belemmeringen te creëren in de vorm van administratieve rompslomp die niet in verhouding staat tot de werkelijke inkomsten uit cultureel werk;

28.  moedigt de lidstaten en de overheidsinstellingen aan te investeren in de decentralisatie van culturele activiteiten, hetzij door infrastructuur te bouwen in afgelegen gebieden, hetzij door verschillende tijdelijke culturele evenementen te organiseren; moedigt particuliere culturele instellingen aan ook te investeren in geografische decentralisatie;

29.  is ingenomen met het voorstel tot wijziging van de btw-richtlijn, waarmee de lidstaten in staat worden gesteld voor e-publicaties en gedrukte publicaties hetzelfde btw-tarief te hanteren; is van oordeel dat de verschillende btw-tarieven voor fysieke en elektronische publicaties niet meer van deze tijd zijn en in het digitale tijdperk niet te handhaven zijn; verzoekt de Raad om het desbetreffende voorstel van de Commissie onverwijld goed te keuren;

30.  benadrukt dat een goede balans tussen werk en privéleven belangrijk is voor de toegang tot, het genieten van en de deelname aan culturele activiteiten;

Obstakels en uitdagingen op opleidingsgebied

31.  benadrukt dat het opleidingsniveau een van de belangrijkste factoren is die de deelname aan cultuur beïnvloeden; benadrukt dat een hoger opleidingsniveau leidt tot een toename van de deelname aan culturele evenementen(27); onderstreept dat geesteswetenschappen, het leren van talen in scholen en cultureel onderwijs integraal deel uitmaken van het algemeen onderwijs omdat zij bijdragen tot een vermindering van de sociale ongelijkheid, en dat voor die vakken dus evenveel middelen moeten worden uitgetrokken als voor de exacte vakken;

32.  benadrukt dat kennis een product is van culturele interacties die invloed hebben op en beïnvloed worden door degenen die cultureel gevormd zijn;

33.  moedigt aan tot een interactieve en inclusieve gemeenschapsgerichte aanpak bij het ontwikkelen van cultureel en onderwijsbeleid teneinde de belangstelling voor en deelname aan cultuur te vergroten, het cultureel erfgoed van Europa te promoten en de Europese culturele en taalkundige verscheidenheid te ontwikkelen;

34.  merkt op dat gebrek aan belangstelling een van de obstakels is die door respondenten van de Eurostat- en Eurobarometerenquêtes het vaakst worden genoemd met betrekking tot deelname aan cultuur(28); benadrukt in dit verband dat aan het ondersteunen van de vraag, waaronder wordt begrepen het stimuleren van belangstelling voor en begrip van cultuur door middel van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs, voorrang dient te worden gegeven met het oog op de bevordering van de toegang tot en de deelname aan cultuur;

35.  pleit ervoor dat de Europese studentenkaart algemeen wordt ingevoerd en dat gratis toegang tot culturele instellingen in de EU tot de voordelen daarvan gaat behoren;

36.  herinnert aan de fundamentele rol van school en gezin als essentiële plaatsen om jongeren in aanraking te brengen met cultuur en om culturele behoeften en vaardigheden vorm te geven; roept de lidstaten op stappen te ondernemen om culturele en artistieke vorming beter in onderwijsprogramma's te integreren, zowel in het formele als in het informele onderwijs;

37.  benadrukt dat het van belang is dat de lidstaten, in nauwe samenwerking met regionale en lokale instanties en door middel van financiering en/of subsidies, ervoor zorgen dat er muziekles wordt gegeven op openbare scholen;

38.  pleit ervoor dat de lidstaten onderwijs beschouwen als een van de belangrijkste culturele activiteiten, aangezien de bevordering ervan in de eerste plaats betekent dat mensen van de nodige vaardigheden en kennis worden voorzien om hen in staat te stellen kunst te waarderen; herinnert eraan dat belangstelling voor cultuur het doeltreffendst op jonge leeftijd kan worden gewekt en is van oordeel dat cultuur daarom een belangrijker plaats moet innemen in de schoolcurricula en dat er meer personele middelen en materiaal beschikbaar moeten worden gesteld om dit doel te bereiken; wenst dat scholen geld krijgen voor bezoeken aan musea en andere culturele instellingen, aangezien dat niet alleen bevorderlijk is voor de belangstelling van jongeren voor cultuur en de deelname daaraan, maar er ook voor zorgt dat culturele instellingen extra middelen krijgen;

39.  benadrukt het belang van het openbaar onderwijs in het vertrouwd maken van kinderen met de diversiteit van de culturele wereld, zodat wordt bijgedragen aan het ontstaan van nieuwe publieksgroepen en aan de verspreiding van cultuur; benadrukt eveneens dat het van belang is dat verschillende culturele instellingen op lokaal, regionaal en nationaal niveau partnerschappen aangaan met lokale scholen;

40.  spoort de lidstaten en de regionale en plaatselijke autoriteiten aan buitenschoolse culturele onderwijsprogramma's te ondersteunen die voor iedereen bedoeld zijn, en vooral voor kansarme kinderen en jongeren, via programma's die tot doel hebben hen kennis te laten maken met verschillende kunstuitingen of hen te helpen zich meer bewust te worden van het bestaande culturele erfgoed;

41.  benadrukt de belangrijke rol van lokale culturele instellingen, zoals cultuurcentra en bibliotheken, bij het wegnemen van de obstakels voor de toegang tot en de deelname aan cultuur; doet derhalve een beroep op de lidstaten om die cultuurinstellingen actief te ondersteunen;

42.  dringt aan op meer waardering en begrip voor de sociale rol van openbare bibliotheken en culturele gemeenschapsinstellingen, met name in landelijke en afgelegen regio's, een rol die niet alleen tot uiting moet komen in de toewijzing van meer overheidsgeld, maar ook in de vorming van partnerschappen en de verstrekking van passende ict-middelen en personeel met toegang tot opleiding, zodat zij uitgroeien tot instellingen die het leven van de mensen kunnen verbeteren en de plaatselijke ontwikkeling stimuleren;

43.  benadrukt dat de totstandbrenging van partnerschappen van essentieel belang is voor het aantrekken van potentiële publieksgroepen voor artistieke activiteiten en dat dit bijvoorbeeld kan worden bereikt door samenwerking met organisaties die studenten, migranten of mensen met een handicap vertegenwoordigen, zodat er naar behoren rekening wordt gehouden met hun belangen en behoeften;

44.  benadrukt het belang van ondersteuning van initiatieven op nationaal, regionaal en lokaal niveau die contacten, samenwerking en de uitwisseling van ervaringen tussen de traditionele kunsten, de culturele instellingen en verschillende multiculturele of minderheidsorganisaties bevorderen, alsmede tussen de professionele en niet-professionele cultuurtakken;

45.  pleit ervoor dat er een coherente strategie wordt ontwikkeld voor de ondersteuning van door culturele instellingen voorgestelde onderwijsprojecten; benadrukt dat deze projecten bijdragen tot de bewustwording, de culturele vaardigheden en de interculturele kennis, en daarmee als beginpunt fungeren voor de langdurige betrokkenheid van het publiek bij culturele activiteiten;

46.  moedigt de lidstaten aan vrijetijdsprogramma's voor jonge mensen op te zetten in culturele instellingen;

47.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om te zorgen voor een bredere toegang tot culturele instellingen en een alomvattende Europese strategie te ontwikkelen met betrekking tot de toegang tot openbare ruimten, met name in verband met cultuur in het bebouwde stadsmilieu, zoals musea, theaters, bioscopen, bibliotheken, concertzalen, enz.;

48.  verzoekt de lidstaten de invoering van met publieke of private onderwijsnetwerken verbonden studie- of stagebeurzen voor studenten in culturele instellingen of instellingen voor cultuurbeheer aan te moedigen;

Structurele obstakels

49.  vestigt de aandacht op het feit dat de deelname aan cultuur op het platteland om structurele redenen vaak geringer is(29) en benadrukt in dit verband de rol van kleine lokale culturele centra, de vervoersinfrastructuur en steun voor duurzaam cultuurtoerisme bij het bevorderen van de toegang tot culturele instellingen;

50.  benadrukt dat het Europees cultureel erfgoed uniek is in de wereld vanwege zijn verscheidenheid en rijkheid en benadrukt dat cultureel toerisme een enorm potentieel heeft om bij te dragen aan een duurzame economie en aan de bevordering van sociale cohesie en inclusie; verzoekt de lidstaten derhalve hun inspanningen en investeringen op te voeren om een duurzaam langetermijnbeleid op het gebied van cultureel toerisme te ontwikkelen;

51.  dringt erop aan dat er meer geïnvesteerd wordt in de culturele sector om de lokale economie te stimuleren en cultureel toerisme te bevorderen; wijst erop dat cultureel toerisme, in synergie met wetenschap, de primaire sector en ambachtelijke en industriële centra, alsook mobiliteit, doorslaggevende factoren zijn voor de opbouw van een hechter en humanistischer Europa;

52.  pleit voor meer investeringen in de toegang tot cultuur voor de ultraperifere, bergachtige en afgelegen gebieden teneinde gedecentraliseerde culturele mogelijkheden te creëren;

53.  merkt op dat verdere maatregelen nodig zijn om de toegang, zonder technologische of fysieke obstakels, voor personen met een handicap tot een culturele infrastructuurvoorziening en tot culturele activiteiten en media te verbeteren; verzoekt de lidstaten en de Commissie om in het kader van hun respectieve bevoegdheden te blijven streven naar de integratie van personen met een handicap door middel van cultuur, en zich te blijven inspannen om bestaande obstakels weg te nemen;

54.  erkent de noodzaak van participatieve methoden van beheer van cultureel erfgoed op basis van een benadering die gericht is op lokale gemeenschappen, om te weten welke vraag daar bestaat en grotere delen van het publiek te bereiken, waarbij met name rekening wordt gehouden met jongeren, personen met een handicap en ondervertegenwoordigde en achtergestelde groepen;

55.  verzoekt de lidstaten en de culturele instellingen die van hen afhankelijk zijn te zorgen voor een cultureel aanbod dat voor iedereen toegankelijk is, met specifieke maatregelen voor bepaalde bevolkingsgroepen, zoals kinderen en jongeren, ouderen, personen met een handicap, migranten, enz.;

56.  benadrukt dat er door de lidstaten meer moet worden geïnvesteerd in de toepassing van het brailleschrift in een breed scala aan culturele infrastructuurvoorzieningen en technologieën; verzoekt om meer investeringen in de productie van audioboeken, -tijdschriften en -dagbladen en het gebruik van gebarentaal in theaterproducties;

57.  wijst erop dat de obstakels, in de eerste plaats die van fiscale aard, voor de mobiliteit van kunstenaars en andere professionele cultuurwerkers moeten worden weggenomen; benadrukt het belang van deze activiteiten voor de uitbreiding van het cultuuraanbod in Europa; is ingenomen met het programma "Creatief Europa" en de bijdrage daarvan aan de mobiliteit van cultuur en beroepsbeoefenaars in de sector en aan de verspreiding van hoogwaardige culturele evenementen en projecten;

58.  herinnert eraan dat de obstakels voor de toegang tot cultuur duidelijker zichtbaar zijn op lokaal niveau en dat er daarom meer moet worden geïnvesteerd in verschillende projecten op het gebied van culturele mobiliteit teneinde de ontwikkeling en de samenhang van de plaatselijke gemeenschappen mogelijk te maken;

59.  verzoekt de Commissie zich te buigen over de mobiliteit van kunstenaars uit Europa en uit derde landen als middel om vrede te bevorderen, visies uit te wisselen en sociale en culturele stereotypen af te breken;

60.  herinnert eraan dat taalbarrières negatieve gevolgen kunnen hebben voor de vraag naar cultuur, en roept daarom op tot meer meertaligheid in culturele producties;

61.  pleit ervoor dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om het vervoer naar en de toegang tot culturele instellingen te vergemakkelijken voor personen met een handicap of met beperkte mobiliteit;

Digitale obstakels en uitdagingen

62.  is ervan overtuigd dat digitale instrumenten, wanneer ze op de juiste wijze worden toegepast en geïmplementeerd en gepaard gaan met een consistent niveau van digitale vaardigheden, kunnen bijdragen tot het wegwerken van belemmeringen voor de toegang tot cultuur die veroorzaakt worden door factoren zoals ongunstige geografische ligging, sociale achtergrond, handicap, taal en tijd- of geldgebrek; wijst erop dat digitale instrumenten ook een middel kunnen zijn om sociale en mentale obstakels te slechten, zonder dat dit ertoe leidt dat er minder geïnvesteerd wordt in de geografische decentralisatie van culturele activiteiten; is daarom van mening dat in dit verband digitaal onderwijs al van jongs af aan deel moet uitmaken van het leerproces, teneinde voldoende kennis en vaardigheden te ontwikkelen;

63.  beveelt aan dat de Commissie een coherente digitale strategie uitwerkt met betrekking tot culturele infrastructuur en activiteiten, teneinde de capaciteiten daarvan te versterken;

64.  wijst op het probleem van digitale uitsluiting en benadrukt de noodzaak om die te bestrijden; herinnert er in dit verband aan dat digitalisering veronderstelt dat de culturele en onderwijsinstellingen en de afnemers zelf nieuwe competenties, vaardigheden en kennis verwerven; benadrukt met name de noodzaak om capaciteit op te bouwen voor het gebruik van nieuwe digitale technologie bij culturele instellingen en deze aan te passen aan de uitdagingen van technologische verandering;

65.  benadrukt dat de digitalisering en de onlinebeschikbaarheid van cultureel materiaal in Europa dient te geschieden met volledige eerbiediging van de makers en van intellectuele-eigendomsrechten; is van mening dat intellectuele-eigendomsrechten in dit verband geen belemmering mogen vormen voor het algemene openbare doel van bevordering van de toegang tot en verspreiding van creatieve inhoud, informatie en kennis; wijst voorts op de dringende noodzaak van een veilige digitale omgeving in het kader waarvan kunstenaars en ontwerpers naar behoren kunnen worden vergoed voor hun werk, en te zorgen voor een billijke vergoeding voor grensoverschrijdende toegang;

66.  verzoekt de Commissie voorrang te blijven geven aan vernieuwende benaderingen om het publiek te bereiken en te betrekken, onder andere met behulp van nieuwe technologie, in het kader van EU-programma's, in het bijzonder het programma Creatief Europa en de volgende versies daarvan;

67.  verzoekt de lidstaten in hun culturele en digitale strategieën rekening te houden met nieuwe doelgroepen en het ondersteunen van het gebruik van digitale technologieën te ondersteunen om de toegang tot culturele inhoud te vergemakkelijken;

68.  erkent de bijdrage van het Europeana-platform en de instellingen van de lidstaten aan de digitalisering en onlinetoegankelijkheid van culturele inhoud; pleit in verband met het Europees jaar van het cultureel erfgoed voor continue steun en betere middelen voor het project en de bevordering van de toegang van het publiek tot de digitale hulpbronnen en diensten in verband met het cultureel erfgoed; verzoekt om een ingrijpende herziening van de site, zodat die beter voldoet aan geavanceerde technologieën, alsook om een echt communicatiebeleid dat strookt met de rijke inhoud die op de site verzameld is;

69.  beklemtoont de noodzaak van het verzamelen en beheren van cultuurgegevens in het kader van ontvangst via digitale middelen, zodat culturele organisaties een beter inzicht krijgen in de behoeften van de ontvangers en een samenhangende aanpak kunnen ontwikkelen voor het digitale publiek;

70.  wijst erop dat culturele inhoud een sleutelrol speelt wanneer het gaat om de aanvaarding van de desbetreffende nieuwe technologieën door een breder publiek en om de ontwikkeling van de digitale vaardigheden en de mediageletterdheid van de Europese burgers;

o
o   o

71.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 142.
(2) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 95.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0486.
(4) PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 25.
(5) PB C 125 E van 22.5.2008, blz. 223.
(6) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 135.
(7) PB C 98 E van 23.4.2004, blz. 179.
(8) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 55.
(9) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 88.
(10) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 16.
(11) PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 32.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0233.
(13) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 16.
(14) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 9.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0474.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0062.
(17) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221.
(18) PB C 287 van 29.11.2007, blz. 1.
(19) PB C 463 van 23.12.2014, blz. 4.
(20) PB C 172 van 27.5.2015, blz. 13.
(21) PB C 212 van 14.6.2016, blz. 9.
(22) PB C 134 van 7.6.2003, blz. 7.
(23) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.
(24) Verslag getiteld "Policies and good practices in the public arts and cultural institutions to promote better access to and wider participation in culture", oktober 2012.
(25) Eurostat, Culture statistics – cultural employment (2017), http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Culture_statistics_-_cultural_employment
(26) Eurobarometer 399.
(27) Eurostat, Cultuurstatistieken, uitgave 2016, blz. 116-136; Eurostat (gegevens van EU-enquête inzake inkomen en levensomstandigheden van 2015 (EU-SILC)).
(28) Eurobarometer nr. 399, Eurostat (gegevens van EU-enquête inzake inkomen en levensomstandigheden van 2015 (EU-SILC)).
(29) Eurostat (gegevens van EU-enquête inzake inkomen en levensomstandigheden van 2015 (EU-SILC)).


Evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen ***I
PDF 243kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen (COM(2016)0822 – C8-0012/2017 – 2016/0404(COD))
P8_TA(2018)0263A8-0395/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0822),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 46, 53, lid 1, en 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0012/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Duitse Bondsdag, de Duitse Bondsraad, de Franse Nationale Vergadering, de Franse Senaat en de Oostenrijkse Bondsraad, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 april 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming alsook het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0395/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 juni 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen

P8_TC1-COD(2016)0404


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/958.)

(1) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 43.


Het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg ***I
PDF 277kWORD 53k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 juni 2018 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/1/EG betreffende het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg (COM(2017)0282 – C8-0172/2017 – 2017/0113(COD))(1)
P8_TA(2018)0264A8-0193/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Het gebruik van gehuurde voertuigen kan de kosten verlagen van ondernemingen die goederen voor eigen rekening of voor rekening van derden vervoeren en tegelijk hun operationele flexibiliteit verhogen. De richtlijn kan daardoor bijdragen tot een stijging van de productiviteit en de concurrentiekracht van de betrokken ondernemingen. Aangezien gehuurde voertuigen doorgaans jonger zijn dan het gemiddelde wagenpark, zijn ze bovendien veiliger en minder vervuilend.
(2)  Dat gebruik van gehuurde voertuigen kan de kosten verlagen van ondernemingen die goederen voor eigen rekening of voor rekening van derden vervoeren en tegelijk hun operationele flexibiliteit verhogen. Dat gebruik van gehuurde voertuigen kan daardoor bijdragen tot een stijging van de productiviteit en de concurrentiekracht van de betrokken ondernemingen. Aangezien gehuurde voertuigen doorgaans jonger zijn dan het gemiddelde wagenpark, zijn ze bovendien wellicht vaak veiliger en minder vervuilend.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Door Richtlijn 2006/1/EG kunnen ondernemingen niet ten volle profiteren van de voordelen van het gebruik van gehuurde voertuigen. De richtlijn staat de lidstaten toe het gebruik voor eigen rekening te beperken van gehuurde voertuigen met een maximaal toegestaan totaalgewicht van meer dan zes ton. De lidstaten hoeven bovendien het gebruik van een gehuurd voertuig op hun eigen grondgebied niet toe te staan als het voertuig is ingeschreven of overeenkomstig de wetgeving in het verkeer is gebracht in een andere lidstaat dan die waar de onderneming die het voertuig huurt, is gevestigd.
(3)  Door Richtlijn 2006/1/EG kunnen ondernemingen niet ten volle profiteren van de voordelen van het gebruik van gehuurde voertuigen. Die richtlijn staat de lidstaten toe het gebruik voor eigen rekening van gehuurde voertuigen met een maximaal toegestaan totaalgewicht van meer dan zes ton door op hun grondgebied gevestigde ondernemingen te beperken. Bovendien hoeven de lidstaten op hun eigen grondgebied het gebruik niet toe te staan van een gehuurd voertuig dat is ingeschreven of in het verkeer is gebracht overeenkomstig de wetgeving in een andere lidstaat dan die waar de onderneming die het voertuig huurt, is gevestigd.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  De lidstaten mogen het gebruik op hun eigen grondgebied van een voertuig dat is gehuurd door een onderneming die naar behoren is gevestigd op het grondgebied van een andere lidstaat niet beperken, mits het voertuig is ingeschreven en voldoet aan de operationele normen en veiligheidsvereisten of in het verkeer is gebracht overeenkomstig de wetgeving van om het even welke lidstaat en is goedgekeurd voor gebruik door de lidstaat waarin de aansprakelijke onderneming is gevestigd.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Het belastingniveau voor het wegvervoer verschilt in de Unie nog altijd aanzienlijk. Om fiscale verstoringen te vermijden, blijven bepaalde beperkingen bijgevolg gerechtvaardigd, ook al hebben zij onrechtstreeks gevolgen voor de vrije verstrekking van verhuurdiensten voor voertuigen. Bijgevolg moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om de tijdsduur te beperken tijdens welke een voertuig dat is gehuurd in een andere lidstaat dan die waarin de onderneming die het voertuig huurt is gevestigd, kan worden gebruikt op hun respectieve grondgebied.
(5)  Het belastingniveau voor het wegvervoer verschilt in de Unie nog altijd aanzienlijk. Om fiscale verstoringen te vermijden, blijven bepaalde beperkingen bijgevolg gerechtvaardigd, ook al hebben zij onrechtstreeks gevolgen voor de vrije verstrekking van verhuurdiensten voor voertuigen. Bijgevolg moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om onder de in deze richtlijn neergelegde voorwaarden en op hun eigen grondgebied de tijdsduur te beperken tijdens welke een gevestigde onderneming een gehuurd voertuig mag gebruiken dat in een andere lidstaat is ingeschreven of in het verkeer is gebracht. Het moet de lidstaten voorts worden toegestaan beperkingen op te leggen met betrekking tot het aantal dergelijke voertuigen dat door een op hun grondgebied gevestigde onderneming wordt gehuurd.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  Om de naleving van deze maatregelen te garanderen, moet de informatie over het registratienummer van het gehuurde voertuig beschikbaar zijn in de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1071/2009 opgerichte nationale elektronische registers van de lidstaten. Bevoegde instanties van de lidstaat van vestiging die in kennis worden gesteld van het gebruik van een voertuig dat de vervoerder heeft gehuurd en dat overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat is ingeschreven of in het verkeer is gebracht, moeten de bevoegde instanties van die andere lidstaat daarvan op de hoogte brengen. Hiervoor moeten de lidstaten het Informatiesysteem interne markt (IMI) gebruiken.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)   Teneinde de operationele normen te handhaven, te voldoen aan de veiligheidsvereisten en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden te garanderen voor bestuurders, is het belangrijk dat vervoerders gegarandeerde toegang hebben tot activa en rechtstreekse ondersteunende infrastructuur in het land waarin zij hun activiteiten ontplooien.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  De Commissie moet toezien op de uitvoering en de gevolgen van deze richtlijn en daarover verslag uitbrengen. Elke toekomstige actie op dit gebied moet op basis van dat verslag in overweging worden genomen.
(7)  De Commissie moet toezien op de uitvoering en de gevolgen van deze richtlijn en daarover uiterlijk drie jaar na het verstrijken van de omzettingstermijn van deze richtlijn verslag uitbrengen. In het verslag moet een beoordeling worden verricht van de gevolgen voor de verkeersveiligheid, belastinginkomsten en het milieu. In het verslag moeten ook alle inbreuken op deze richtlijn worden beoordeeld, met inbegrip van grensoverschrijdende inbreuken. De noodzaak van toekomstige actie op dit gebied moet op basis van dat verslag in overweging worden genomen.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a – punt ii
Richtlijn 2006/1/EG
Artikel 2 – lid 1 – letter a
a)  het voertuig overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat is ingeschreven of in het verkeer is gebracht;
a)  het voertuig is ingeschreven of in het verkeer is gebracht overeenkomstig de wetgeving van eender welke lidstaat, operationele normen en veiligheidsvereisten daaronder begrepen;
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn 2006/1/EG
Artikel 2 – lid 1 bis
b)  het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:
Schrappen
"1 bis. Als het voertuig niet is ingeschreven of in het verkeer is gebracht overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waar de onderneming die het voertuig huurt is gevestigd, mag een lidstaat de gebruiksduur van het gehuurde voertuig op zijn grondgebied beperken. De lidstaat zal in dergelijk geval het gebruik echter toestaan voor ten minste vier maanden binnen een kalenderjaar."
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2006/1/EG
Artikel 3 – alinea 1
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat hun ondernemingen gehuurde voertuigen voor het vervoer van goederen over de weg kunnen gebruiken onder dezelfde voorwaarden die gelden voor voertuigen die hun eigendom zijn, mits aan de voorwaarden van artikel 2 is voldaan.
1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat op hun grondgebied gevestigde ondernemingen gehuurde voertuigen voor het vervoer van goederen over de weg kunnen gebruiken onder dezelfde voorwaarden die gelden voor voertuigen die hun eigendom zijn, mits aan de voorwaarden van artikel 2 is voldaan.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2006/1/EG
Artikel 3 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Indien het voertuig overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat is ingeschreven of in het verkeer is gebracht, kan de lidstaat waarin de onderneming is gevestigd:
a)  de gebruiksduur van het gehuurde voertuig op zijn grondgebied beperken, mits hij het gebruik van het gehuurde voertuig toestaat voor ten minste vier opeenvolgende maanden binnen een kalenderjaar; in dergelijke gevallen kan worden vereist dat de huurovereenkomst niet langer geldt dan de tijdsduur die door de lidstaat is vastgesteld;
b)  het aantal gehuurde voertuigen beperken dat door een onderneming kan worden gebruikt, mits hij het gebruik toestaat van ten minste het aantal voertuigen dat overeenkomt met 25 % van het totale vrachtwagenpark dat eigendom is van de onderneming op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het verzoek om toestemming; in dergelijke gevallen wordt het gebruik van ten minste één gehuurd voertuig toegestaan aan ondernemingen waarvan het totale wagenpark uit meer dan een en minder dan vier voertuigen bestaat."
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/1/EG
Artikel 3 bis (nieuw)
2 bis)  het volgende artikel 3 bis wordt ingevoegd:
"Artikel 3 bis
1.  De informatie over het registratienummer van een gehuurd voertuig wordt ingevoerd in het nationale elektronische register, zoals omschreven in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1071/2009*.
2.  Bevoegde instanties van de lidstaat waarin een vervoerder is gevestigd, die in kennis worden gesteld van het gebruik van een voertuig dat die vervoerder heeft gehuurd en dat overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat is ingeschreven of in het verkeer is gebracht, brengen de bevoegde instanties van die andere lidstaat daarvan op de hoogte.
3.  De in lid 2 bedoelde administratieve samenwerking vindt plaats door middel van het Informatiesysteem interne markt (IMI), zoals ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1024/2012**.
__________________
* Een verwijzing naar artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1071/2009, rekening houdend met de uitbreiding van de te registreren informatie, zoals de Commissie voorstelt.
** PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1."
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2006/1/EG
Artikel 5 bis – alinea 1
Uiterlijk [de datum waarop de omzettingstermijn van de richtlijn vijf jaar is verstreken] dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering en de gevolgen van deze richtlijn. Het verslag bevat onder meer informatie over het gebruik van voertuigen die zijn gehuurd in een andere lidstaat dan die waarin de onderneming die het voertuig huurt, is gevestigd. Op grond van dat verslag oordeelt de Commissie of aanvullende maatregelen moeten worden voorgesteld.
Uiterlijk ... [3 jaar na het verstrijken van de omzettingstermijn van deze wijzigingsrichtlijn] dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering en de gevolgen van deze richtlijn. Het verslag bevat onder meer informatie over het gebruik van voertuigen die zijn gehuurd in een andere lidstaat dan die waarin de onderneming die het voertuig huurt, is gevestigd. In het verslag wordt bijzondere aandacht besteed aan de gevolgen voor de verkeersveiligheid, voor de belastinginkomsten, met inbegrip van fiscale verstoringen, en voor de handhaving van de cabotageregels overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1072/2009. Op grond van dat verslag oordeelt de Commissie of aanvullende maatregelen moeten worden voorgesteld.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [18 maanden na de inwerkingtreding] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ... [20 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0193/2018).


Bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: visserijgerelateerde instandhoudingsmaatregelen ter bescherming van het mariene milieu in de Noordzee
PDF 251kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2018 over de gedelegeerde verordening van de Commissie van 2 maart 2018 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/118 tot vaststelling van visserijgerelateerde instandhoudingsmaatregelen ter bescherming van het mariene milieu in de Noordzee (C(2018)01194 – 2018/2614(DEA))
P8_TA(2018)0265B8-0299/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2018)01194),

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad(1), en met name artikel 11, lid 2, en artikel 46, lid 5,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/118 van de Commissie van 5 september 2016 tot vaststelling van visserijgerelateerde instandhoudingsmaatregelen ter bescherming van het mariene milieu in de Noordzee(2),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie visserij,

–  gezien artikel 105, lid 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de lidstaten overeenkomstig artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie)(3) verplicht zijn om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand van het mariene milieu te bereiken en dat in artikel 2, lid 5, onder j), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat het gemeenschappelijk visserijbeleid moet bijdragen tot de verwezenlijking van dit doel;

B.  overwegende dat het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) in de conclusies van zijn wetenschappelijk advies ter zake(4) een aantal problemen heeft gesignaleerd met betrekking tot de doeltreffendheid van de voorgestelde maatregelen voor beschermde soorten en habitats en de integriteit van de zeebodem; overwegende dat deze problemen in de overwegingen van de voorgestelde herziening van de gedelegeerde verordening niet volledig aan bod komen;

C.  overwegende dat het WTECV in zijn wetenschappelijk advies ook heeft opgemerkt dat de cijfers met betrekking tot de betrokken visserijactiviteit die als basis hebben gediend voor de voorgestelde maatregelen, dateren van de periode 2010-2012 en dus wellicht achterhaald zijn;

D.  overwegende dat het aantal vaartuigen dat onder de voor een deel tijdelijke uitzonderingen van de artikelen 3 ter, 3 quater en 3 sexies van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/118 van de Commissie, zoals gewijzigd bij de voorgestelde herziening van de gedelegeerde verordening, zou moeten vallen niet kwantificeerbaar is, en dat dit gevolgen kan hebben voor de doeltreffendheid van de voorgestelde maatregelen;

E.  overwegende dat de definitie van "alternatief zeebodemberoerend vistuig" in artikel 2, punt 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/118 van de Commissie, zoals gewijzigd bij de voorgestelde herziening van de gedelegeerde verordening, nader moet worden gespecificeerd; overwegende dat deze definitie, als daaronder ook visserij met elektrische pulskorren valt, in strijd zou zijn met het onderhandelingsmandaat dat het Parlement op 16 januari 2018 heeft vastgesteld(5) in het kader van de gewone wetgevingsprocedure ter vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen(6);

F.  overwegende dat het voorgestelde "alternatief zeebodemberoerend vistuig" nog steeds aanzienlijk ernstiger schade kan aanrichten dan ander vistuig dat momenteel reeds verboden is (Deense en Schotse zegens);

G.  overwegende dat de herzienings- en verslagleggingsclausule van de voorgestelde gedelegeerde handeling niet van toepassing is op de nieuwe zones in het voorstel en het beheer daarvan, waardoor een transparante evaluatie van de doeltreffendheid van de maatregelen onmogelijk wordt, met name als het gaat om recent getest alternatief zeebodemberoerend vistuig;

1.  maakt bezwaar tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en haar ervan in kennis te stellen dat de gedelegeerde verordening niet in werking kan treden;

3.  verzoekt de Commissie een nieuwe gedelegeerde handeling in te dienen waarin rekening wordt gehouden met bovenstaande bezwaren;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
(2) PB L 19 van 25.1.2017, blz. 10.
(3) PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.
(4) Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (STECF) (2017), Verslag van de 54e voltallige zitting (PLEN-17-01).
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0003.
(6) Wetgevingsprocedure 2016/0074(COD).


Bezette gebieden in Georgië tien jaar na de Russische invasie
PDF 177kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2018 over de Georgische bezette gebieden tien jaar na de Russische inval (2018/2741(RSP))
P8_TA(2018)0266RC-B8-0275/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het wapenstilstandsakkoord van 12 augustus 2008 dat door bemiddeling van de EU tot stand is gekomen en door Georgië en de Russische Federatie is ondertekend, en de uitvoeringsovereenkomst van 8 september 2008,

–  gezien zijn resolutie van 21 januari 2016 over de associatieovereenkomsten / diepe en brede vrijhandelsruimten met Georgië, Moldavië en Oekraïne(1),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over het jaarverslag over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(2),

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de topbijeenkomsten van het Oostelijk Partnerschap, met name de verklaring die in 2017 in Brussel werd aangenomen,

–  gezien de gezamenlijke mededelingen van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) inzake het Europees nabuurschapsbeleid (ENB), met name het verslag van 18 mei 2017 over de tenuitvoerlegging van de herziening van het ENB (JOIN(2017)0018), het gezamenlijk werkdocument van 9 juni 2017 getiteld "Eastern Partnership – 20 Deliverables for 2020: Focusing on key priorities and tangible results" (Oostelijk Partnerschap – 20 resultaten voor 2020: aandacht voor kernprioriteiten en concrete resultaten) (SWD(2017)0300), en de mededeling van 2016 getiteld "Een integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie",

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in de landen van het Oostelijk Nabuurschap en met name zijn aanbeveling van 15 november 2017 aan de Raad, de Commissie en de EDEO over het Oostelijk Partnerschap, in de aanloop naar de top in november 2017(3),

–  gezien de inzet van de EU-waarnemingsmissie (EU Monitoring Mission, EUMM) in Georgië op 15 september 2008,

–  gezien het in 2009 verschenen verslag van de onafhankelijke internationale onderzoeksmissie voor het conflict in Georgië, onder leiding van Heidi Tagliavini,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Georgië de 100e verjaardag viert van de eerste Georgische democratische republiek, opgericht in 1918, en terecht trots is op zijn huidige resultaten;

B.  overwegende dat de EU haar krachtige steun uitspreekt voor de soevereiniteit en territoriale integriteit van Georgië binnen zijn internationaal erkende grenzen;

C.  overwegende dat de Russische Federatie 10 jaar na de Russische militaire agressie in Georgië van augustus 2008 de Georgische regio's Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië nog steeds illegaal bezet, hetgeen een inbreuk is op het internationaal recht en het op regels gebaseerde internationale bestel; overwegende dat de zogenaamde integratie- en bondgenootschapsverdragen die in 2014 en 2015 tussen Rusland enerzijds en Abchazië en Zuid-Ossetië anderzijds zijn ondertekend, flagrante schendingen van het internationaal recht, de OVSE-beginselen en de door Rusland aangegane internationale verplichtingen vormen; overwegende dat de Europese Unie het kader van de zogenaamde verkiezingen en een referendum die in 2016 en 2017 in de Georgische regio's Abchazië en Zuid-Ossetië door door Rusland gesteunde separatisten zijn gehouden, niet erkent;

D.  overwegende dat de EU zich actief blijft inzetten voor een vreedzame oplossing van het conflict tussen Rusland en Georgië, met volledige inachtneming van de fundamentele normen en beginselen van het internationaal recht;

E.  overwegende dat Rusland zijn illegale militaire aanwezigheid in de Georgische bezette gebieden voortdurend versterkt door de bouw van nieuwe bases, het aanvoeren van nieuwe troepen en apparatuur en het houden van militaire oefeningen;

F.  overwegende dat Rusland zijn internationale verplichtingen blijft schenden en weigert het met EU-bemiddeling gesloten akkoord over een staakt-het-vuren van 12 augustus 2008 volledig uit te voeren;

G.  overwegende dat Rusland Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië blijft isoleren van de rest van het land door bijkomende grensovergangen te sluiten, fysieke hindernissen te plaatsen aan de administratieve grenslinie en een campagne te voeren voor het uitroeien van de Georgische cultuur;

H.  overwegende dat deze linie langzaam maar zeker verder wordt opschoven in het door Tbilisi gecontroleerde gebied, volgens een proces dat bekend staat als grensbepaling ("borderisation"), waarbij op sommige plaatsen dicht in de buurt wordt gekomen van kritieke infrastructuur, bijvoorbeeld snelwegen en gasleidingen;

I.  overwegende dat de honderdduizenden binnenlands ontheemden en vluchtelingen die onder dwang uit de Georgische regio's Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië zijn verdreven als gevolg van verschillende ronden van etnische zuiveringen, verstoken blijven van hun fundamentele recht op een veilige en waardige terugkeer naar hun huizen;

J.  overwegende dat de fundamentele mensenrechten, met inbegrip van het recht op vrij verkeer en verblijf, het recht op eigendom en toegang tot onderwijs in de moedertaal, in de bezette gebieden van Georgië worden geschonden; overwegende dat er nog steeds illegale opsluitingen en ontvoeringen plaatsvinden;

K.  overwegende dat de Russische Federatie als macht die effectieve controle uitoefent over de Georgische regio's Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië, de volledige verantwoordelijkheid draagt voor ernstige schendingen van de mensenrechten en voor de humanitaire situatie ter plaatse;

L.  overwegende dat de inval van 2008 Ruslands eerste grote openlijke aanval was tegen de Europees orde; overwegende dat deze nadien gevolgd is door andere, met inbegrip van de annexatie van de Krim en de oorlog in Oost-Oekraïne;

M.  overwegende dat de Georgische binnenlands ontheemden Archil Tatoenasjvili, Giga Otchozoria en Davit Basjaroeli door bruut optreden van de Russische bezettingsregimes in Soechoemi en Tsinvali om het leven zijn gekomen;

N.  overwegende dat het Internationaal Strafhof een onderzoek is gestart naar oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid die naar verluidt in het conflict zijn gepleegd;

O.  overwegende dat het gezamenlijke ad-hocbezoek aan Georgië op 12 augustus 2008 van de Centraal- en Oost-Europese leiders Lech Kaczyński, president van Polen, Toomas Hendrik Ilves, president van Estland, Valdas Adamkus, president van Litouwen, Ivars Godmanis, premier van Letland, en Viktor Joesjtsjenko, president van Oekraïne, alom wordt gezien als een belangrijke factor die de Russische opmars naar Tbilisi heeft gestopt toen de Russische troepen slechts 50 km van de Georgische hoofdstad verwijderd waren en die de totstandbrenging van een staakt-het-vuren door het Franse voorzitterschap van de EU heeft gefaciliteerd;

P.  overwegende dat de Russische Federatie de EUMM de toegang tot de Georgische regio's Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië blijft ontzeggen, in strijd met het met EU-bemiddeling gesloten akkoord over een staakt-het-vuren van 12 augustus 2008, hetgeen de mogelijkheid voor deze missie om haar mandaat volledig uit te voeren, belemmert;

1.  bevestigt nogmaals zijn ondubbelzinnige steun voor de soevereiniteit en territoriale integriteit van Georgië; erkent dat de beginselen die zijn verankerd in het Handvest van de VN, de slotakte van Helsinki van 1975 en het Handvest van Parijs van de OVSE van 1990 de hoekstenen vormen van een vreedzaam Europees continent;

2.  herhaalt dat soevereiniteit, onafhankelijkheid en de vreedzame oplossing van conflicten kernbeginselen van de Europese veiligheidsorde vormen; onderstreept dat de oplossing van conflicten in Georgië cruciaal is voor het verbeteren van de veiligheid en stabiliteit van het Europese continent als geheel; is van oordeel dat deze conflicten en de aanhoudende bezetting van Georgische gebieden een potentiële dreiging blijven vormen voor de soevereiniteit van andere landen in Europa;

3.  verlangt dat de Russische Federatie haar besluit tot erkenning van de zogenaamde onafhankelijkheid van de Georgische gebieden Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië intrekt; veroordeelt het besluit van Venezuela, Nicaragua, Syrië en Nauru om Abchazië en Zuid-Ossetië te erkennen en vraagt dat deze erkenning wordt ingetrokken;

4.  benadrukt dat de Russische Federatie onvoorwaardelijk moet voldoen aan alle punten van het akkoord inzake een staakt-het-vuren van 12 augustus 2008, met name de verplichting om al haar troepen terug te trekken uit het grondgebied van Georgië;

5.  verlangt dat de Russische Federatie de bezetting van de Georgische regio's Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië beëindigt en de soevereiniteit en territoriale integriteit van Georgië volledig eerbiedigt, evenals de onschendbaarheid van zijn internationaal erkende grenzen, en dat zij de feitelijke opname van beide regio's onder Russisch bestuur stopzet;

6.  bekrachtigt dat de EU zich er ten volle toe verplicht bij te dragen aan de vreedzame oplossing van het Russisch-Georgische conflict door alle beschikbare instrumenten in te zetten als onderdeel van een brede benadering, waaronder haar bijzondere vertegenwoordiger voor de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië, haar covoorzitterschap van het internationaal overleg in Genève, de EUMM in Georgië en het beleid van niet-erkenning en toenadering;

7.  dringt er bij de regering van Georgië op aan te blijven samenwerken met het Internationaal Strafhof, door onderzoeken van de openbare aanklager van het Strafhof te faciliteren en ervoor te zorgen dat de griffie van het Strafhof zijn mandaat kan vervullen op het gebied van voorlichting en participatie van slachtoffers;

8.  verzoekt de Russische Federatie de EUMM conform haar mandaat toegang tot de Georgische grondgebieden Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië te verlenen; herinnert eraan dat de EUMM de enige permanente internationale instantie ter plaatse is die onpartijdige informatie verstrekt over de situatie langs de administratieve grenslinie en pleit voor de verlenging van het mandaat van de EUMM na 14 december 2018;

9.  verzoekt de Russische Federatie de administratieve grenslinie niet langer te blijven omvormen tot een grens, hetgeen zij probeert door het plaatsen van hekken van prikkeldraad en andere kunstmatige barrières; dringt er ook op aan een einde te maken aan het geleidelijk binnendringen op grondgebied dat door de Georgische regering wordt gecontroleerd alsmede de verdere uitbreiding van de administratieve grenslinie, waardoor het contact tussen mensen opzettelijk wordt belemmerd en de bevolking van beide bezette regio's wordt geïsoleerd;

10.  veroordeelt de opzettelijke vernietiging van tientallen Georgische dorpen en kerken in de bezette regio's Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië, alsmede de doelbewuste poging om overblijfselen van Georgische cultuur en geschiedenis in de bezette gebieden uit te wissen, en veroordeelt strijdige, verdeeldheid zaaiende initiatieven zoals het zogenaamde referendum van 2017 in het kader waarvan een naamsverandering voor de regio Tschinvali/Zuid-Ossetië werd goedgekeurd;

11.  roept de Russische Federatie op zich aan het beginsel van vreedzame conflictoplossing te houden door op gelijke manier te antwoorden op de unilaterale toezegging van Georgië om af te zien van het gebruik van geweld, die door de president van Georgië in zijn toespraak tot het Europees Parlement op 23 november 2010 werd bekrachtigd;

12.  is verheugd over het nieuwe vredesinitiatief van de Georgische regering, getiteld "Een stap op weg naar een betere toekomst", dat bedoeld is om de humanitaire en sociaal-economische omstandigheden van de bevolking in de Georgische gebieden van Abchazië en de regio Tschinvali/Zuid-Ossetië te verbeteren en om tussen de verdeelde gemeenschappen het contact tussen mensen te stimuleren en het vertrouwen te herstellen;

13.  herinnert de Russische Federatie als bezettingsmacht aan haar verplichtingen jegens de bevolking en aan het feit dat zij een einde moet maken aan de schendingen van de mensenrechten, de beperkingen van de vrijheid van verkeer en van verblijf, de discriminatie op grond van etnische afkomst en de schending van het recht op eigendom en toegang tot onderwijs in de moedertaal in de Georgische bezette gebieden;

14.  verzoekt de Russische Federatie, bovendien om een einde te stellen aan straffeloosheid en etnisch gemotiveerde misdrijven in de Georgische gebieden van Abchazië en de regio Tschinvali/Zuid-Ossetië, en om eventuele belemmeringen die verhinderen dat de daders van de moord op de Georgische binnenlands ontheemden Archil Tatoenasjvili, Giga Otchozoria en Davit Basjaroeli voor het gerecht worden gebracht, weg te nemen;

15.  is ingenomen met de goedkeuring door het Georgische parlement van de door beide partijen opgestelde resolutie tot vaststelling van een zwarte lijst van personen die deze schendingen hebben gepleegd en personen die verantwoordelijk zijn voor het in de doofpot stoppen ervan (de Otkhozoria-Tatunashvili-lijst) en verzoekt de lidstaten en de Raad de personen die op deze lijst staan of die er nog op kunnen komen, op een zwarte lijst te plaatsen en aan deze personen nationale en algemene EU-sancties op te leggen;

16.  dringt er bij de Russische Federatie op aan een veilige en waardige terugkeer naar huis van binnenlands ontheemden en vluchtelingen toe te staan en internationale mechanismen voor toezicht op de mensenrechten onbelemmerde toegang te verlenen op het terrein;

17.  herhaalt zijn veroordeling van het subversief beleid dat gebruikmaakt van propaganda, desinformatie en infiltratie in de sociale media met het oog op een verzwakking van de democratie en de samenleving in Georgië door instellingen in een slecht daglicht te plaatsen, de publieke opinie te manipuleren, valse berichtgeving te verspreiden, sociale spanningen aan te wakkeren en een algemeen wantrouwen ten aanzien van de media te stimuleren; hekelt in dit verband de informatieoorlog die Rusland voert met behulp van door de staat gecontroleerde media die doelbewust nepnieuws verspreiden om de binnenlandse politiek te beïnvloeden en het Europese integratieproces te ondermijnen;

18.  benadrukt het feit dat de internationale gemeenschap een consistente, gecoördineerde, verenigde en vastberaden houding ten aanzien van het Russische bezettings- en annexatiebeleid moet aannemen, omdat alleen zo kan worden gezorgd voor een vreedzame oplossing van het conflict in Georgië en soortgelijke conflicten in de buurlanden kunnen worden voorkomen;

19.  verzoekt de EU-instellingen een benadering te hanteren die in samenhang is met de benadering van het Europees Parlement en het beleid van de nationale parlementen van de lidstaten door zich in duidelijkere en nauwkeuriger omschreven termen uit te drukken en de Russische agressie in Georgië te benoemen als een bezetting door de Russische Federatie van de Georgische gebieden van Abchazië en de regio Tschinvali/Zuid-Ossetië;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regeringen en parlementen van de landen van het Oostelijk Partnerschap en de regering en het parlement van de Russische Federatie.

(1) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 82.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0493.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0440.


Onderhandelingen voor een nieuwe EU-ACS-Partnerschapsovereenkomst
PDF 194kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2018 over de komende onderhandelingen voor een nieuwe partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (2018/2634(RSP))
P8_TA(2018)0267B8-0274/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (de Overeenkomst van Cotonou), en de herzieningen hiervan van 2005 en 2010(1),

–  gezien de overeenkomst van Georgetown van 1975 tot oprichting van de ACS-groep en de herziening hiervan van 1992(2),

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2016 over de toekomst van de ACS-EU-betrekkingen voor de periode na 2020(3),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking(4),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 12 december 2017 voor een besluit van de Raad tot machtiging tot het openen van onderhandelingen over een partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (COM(2017)0763),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 22 november 2016 over een hernieuwd partnerschap met de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (JOIN(2016)0052),

–  gezien het gezamenlijk raadplegingsdocument van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 6 oktober 2015 met als titel "Naar een nieuw partnerschap tussen de Europese Unie en de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan na 2020" (JOIN(2015)0033),

–  gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering goedgekeurde slotdocument getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development", alsmede de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's),

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van 7 juni 2017 van het Parlement, de Raad, de regeringsvertegenwoordigers van de lidstaten, die waren bijeengekomen in het kader van de Raad, en de Commissie, betreffende de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling: "Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst",

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 7 december 2017 over een hernieuwd partnerschap met de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, en het advies van 12 mei 2016 over de toekomst van de betrekkingen van de EU met de ACS-landen,

–  gezien de zevende en de achtste top van staatshoofden en regeringsleiders van ACS‑landen, respectievelijk in Malabo (13 en 14 december 2012) en Port Moresby (4 mei 2016),

–  gezien de 103e en 105e bijeenkomst van de gezamenlijke Raad van ministers ACS‑EU, respectievelijk in Dakar (26 en 27 april 2016) en Brussel (3 en 4 mei 2017),

–  gezien de top tussen de EU en de Afrikaanse Unie in Abidjan op 29 en 30 november 2017,

–  gezien het rapport van maart 2016 van de Groep van eminente personen van de ACS over de toekomst van de ACS na 2020,

–  gezien zijn resolutie van 6 oktober 2015 over de rol van de lokale overheden van de ontwikkelingslanden bij ontwikkelingssamenwerking(5),

–  gezien de verklaring van de achtste top van staatshoofden en regeringsleiders van ACS‑landen van 1 juni 2016,

–  gezien zijn resolutie van 11 februari 2015 over de werkzaamheden van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU(6) en de resoluties van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU,

–  gezien de verklaring van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 21 december 2016 over de parlementaire aspecten van de ACS-EU-betrekkingen na Cotonou(7),

–  gezien de verklaring van de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 9 december 2015 over de toekomst van de ACS-EU-betrekkingen(8),

–  gezien de artikelen 208 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over "Beter wetgeven",

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de komende onderhandelingen voor een nieuwe partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (O‑000043/2018 – B8‑0025/2018 en O‑000044/2018 – B8‑0026/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de sterkte en het acquis van de Overeenkomst van Cotonou gebaseerd zijn op een aantal unieke kenmerken, zoals de wettelijk bindende aard, de alomvattendheid – dankzij de drie pijlers ontwikkelingssamenwerking, politieke samenwerking en handelssamenwerking –, en de ruime begroting in de vorm van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

B.  overwegende dat het partnerschap tussen de ACS-landen en de EU een belangrijke rol heeft gespeeld bij het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, ondanks het feit dat de EU niet aan de doelstelling heeft voldaan om 0,7 % van haar bruto nationaal inkomen (bni) aan officiële ontwikkelingshulp te besteden;

C.  overwegende dat het ACS-EU-partnerschap een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de uitroeiing van de armoede en de integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie, en van deze landen efficiëntere spelers in de multilaterale handels- en klimaatonderhandelingen heeft gemaakt;

D.  overwegende dat het ACS-EU-partnerschap de markttoegang voor ACS-landen en EU‑lidstaten heeft verbeterd en heeft gezorgd voor een beter wederzijds begrip van de standpunten, waarden en normen dankzij de politieke dialoog tussen hen;

E.  overwegende dat, hoewel het ACS-EU-partnerschap een grote bijdrage heeft geleverd aan de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, er tot nu toe onvoldoende vooruitgang is geboekt inzake de doelstellingen op het gebied van armoedebestrijding en de integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie, aangezien de helft van de ACS-landen nog steeds tot de minst ontwikkelde landen ter wereld behoort en dat zij samen minder dan 5 % van de wereldhandel en ongeveer 2 % van het wereldwijde bbp voor hun rekening nemen;

F.  overwegende dat de oprichting van de Afrikaanse Unie, de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU, de gezamenlijke strategie voor een partnerschap tussen de EU en het Caribisch gebied, en de EU-strategie voor het Stille Oceaangebied aantonen dat de EU steeds regionaler te werk gaat bij het aanpakken van kwesties van gemeenschappelijk belang, zoals vrede en veiligheid, terrorisme en migratie;

G.  overwegende dat vrede, veiligheid en politieke stabiliteit de voorwaarden voor duurzame ontwikkeling vormen;

H.  overwegende dat in de basisovereenkomst en regionale pacten rekening moet worden gehouden met regionale en continentale bijzonderheden, in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en complementariteit;

I.  overwegende dat de ACS-landen drie pijlers voor onderhandelingen hebben vastgesteld, te weten:

   handel, investeringen en diensten,
   ontwikkelingssamenwerking, wetenschap en technologie, en onderzoek en innovatie,
   politieke dialoog en belangenbehartiging;

J.  overwegende dat de politieke dialoog over essentiële elementen, overeenkomstig de artikelen 8 en 96 van de Overeenkomst van Cotonou, een concreet en wettelijk instrument is voor het verdedigen van de gemeenschappelijke waarden van het ACS‑EU-partnerschap en het bevorderen van democratie, goed bestuur en mensenrechten, die van fundamenteel belang zijn voor duurzame ontwikkeling;

K.  overwegende dat er een duidelijke behoefte is om ervoor te zorgen dat de voorwaarde van de mensenrechten behouden blijft en de politieke dialoog wordt versterkt in de nieuwe overeenkomst;

L.  overwegende dat ondanks de expliciete erkenning van de rol van nationale parlementen, lokale autoriteiten, het maatschappelijk middenveld en de privésector bij de herziening van 2010 van de Overeenkomst van Cotonou, hun deelname aan overleg over ACS-EU-beleidsmaatregelen en ‑activiteiten, waaronder planning, follow‑up en evaluatie, nog steeds beperkt is;

M.  overwegende dat de politieke dialoog voornamelijk wordt ingezet in een laat stadium van politieke crises en niet als preventieve maatregel;

N.  overwegende dat maatschappelijke organisaties worden geconfronteerd met wetgeving die hen steeds meer aan banden legt en met andere hindernissen die hun activiteiten en speelruimte beknotten;

O.  overwegende dat technische capaciteit in vele ACS-landen om belastingkwesties te behandelen, de mobilisering van binnenlandse inkomsten en de deelname aan internationale samenwerking op belastinggebied bemoeilijkt;

P.  overwegende dat het EOF wordt gefinancierd door rechtstreekse bijdragen van de EU‑lidstaten en niet onderworpen is aan de normale EU-begrotingsregels; overwegende dat het Parlement geen bevoegdheid heeft over de EOF-begroting, naast de kwijting van gedane uitgaven, en ook geen formele toetsingsrechten uitoefent over de EOF-programmering;

Q.  overwegende dat de versterking van de parlementaire dimensie van het ACS-EU-partnerschap en de vergroting van de adviserende rol centrale elementen moeten zijn in het nieuwe partnerschap;

R.  overwegende dat de frequentie en de gevarieerdheid van de bijeenkomsten van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU een consistente dialoog tussen het Europees Parlement en de ACS-landen mogelijk hebben gemaakt, waardoor de legitimiteit ervan werd bevestigd en de parlementaire democratie werd versterkt; overwegende dat de Paritaire Parlementaire Vergadering in verschillende politieke fora als een toonbeeld van parlementaire diplomatie wordt gebruikt;

1.  verwelkomt de voornaamste aspecten en de algemene architectuur van de toekomstige samenwerking tussen de groep van ACS-landen en de Europese Unie die de Commissie voorstelt in haar aanbeveling voor een besluit van de Raad tot machtiging tot het openen van onderhandelingen over een toekomstige partnerschapsovereenkomst;

2.  onderstreept dat de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, de SDG's en de Europese consensus inzake ontwikkeling de kern moeten vormen van het hernieuwde ACS-EU-partnerschap;

3.  is verheugd dat het bereiken van de SDG's als een hoofddoel wordt beschouwd, maar betreurt dat in de voorgestelde pacten concrete uitvoeringsmaatregelen ontbreken; onderstreept dat sectoroverschrijdende vraagstukken, zoals milieuduurzaamheid, doelstellingen inzake klimaatverandering, gendervraagstukken en sociale gerechtigheid, moeten worden opgenomen in alle beleidsmaatregelen, plannen en interventies in de toekomstige overeenkomst;

4.  is verheugd dat het voorstel van de Commissie voor een nieuwe partnerschapsovereenkomst openstaat voor externe partners;

5.  herinnert eraan dat de uitroeiing van armoede, die in de meeste ACS-landen het voornaamste probleem blijft, de allerbelangrijkste SDG is; benadrukt derhalve dat armoedebestrijding een centraal onderdeel van de toekomstige overeenkomst moet blijven;

6.  merkt op dat de Commissie grotendeels rekening heeft gehouden met het standpunt van het Parlement, en dat de basisovereenkomst en de regionale pacten in gelijke mate wettelijk bindend zullen zijn, zoals het Parlement had gevraagd;

7.  brengt in herinnering dat de toekomstige partnerschapsovereenkomst de beginselen van rechtvaardigheid, wederzijds respect en wederzijds belang zal omvatten;

8.  dringt erop aan dat de essentiële elementen van de Overeenkomst van Cotonou, namelijk eerbiediging van de mensenrechten, fundamentele vrijheden, democratische beginselen en de rechtsstaat, en goed bestuur, behouden worden als basis voor de samenwerking na 2020, en een essentieel onderdeel vormen van de basisovereenkomst en de regionale pacten en protocollen; doet een beroep op de Commissie en de Raad om in het kader van het mandaat in het deel inzake de mensenrechten uitdrukkelijk het recht op te nemen om niet te worden gediscrimineerd op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd, seksuele geaardheid of genderidentiteit, alsmede seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten, zoals vermeld in het actieprogramma van Peking van 1995 en de resultaten van de toetsingsconferenties;

9.  benadrukt de noodzaak om de kwestie van mensenrechten en bestuur aan te kaarten op basis van bestaande internationale rechtsinstrumenten, wetten, beginselen en mechanismen die door regionale en pan‑Afrikaanse bestuurlijke organen zijn ingesteld, om de eigen inbreng te versterken;

10.  herinnert eraan dat het toekomstige partnerschap tussen de ACS-landen en de EU‑lidstaten de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling moet omvatten en moet bijdragen aan de tenuitvoerlegging hiervan op alle niveaus;

11.  doet een beroep op de onderhandelaars van de EU en de ACS om in het gedeelte van de overeenkomst over de gemeenschappelijke grondslagen een duidelijke bepaling op te nemen inzake de volledige uitvoering door alle partijen van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof;

12.  benadrukt dat moet worden gezorgd voor samenhang tussen de in de gemeenschappelijke grondslag vastgelegde beginselen en de in de regionale pacten afgebakende regionale prioriteiten, en benadrukt dat in de basisovereenkomst expliciet verwezen moet worden naar mechanismen voor verantwoording, toezicht en evaluatie; onderstreept dat de verantwoordingsplicht van de partijen jegens de burger en het maatschappelijk middenveld ook moet worden gewaarborgd, en dat de gezamenlijke instellingen moeten voorzien in mechanismen om maatschappelijke organisaties en burgers in staat te stellen om gevallen van inbreuken op de mensenrechtenverplichtingen en andere essentiële elementen te melden;

13.  herhaalt aan alle partijen bij de onderhandelingen dat politieke dialoog een fundamenteel onderdeel van de Overeenkomst van Cotonou is en dat dit een centrale en wettelijke pijler moet blijven in het overkoepelende kader en op het regionale niveau van de nieuwe overeenkomst;

14.  onderstreept dat politieke dialoog integraal deel uitmaakt van het partnerschap en een waardevolle basis is voor een verbetering van de situatie van de volkeren van de partnerlanden; roept daarom op tot een verbeterd toezicht op de mensenrechtensituatie in die landen, en benadrukt dat het toezicht inclusief, transparant en participatief moet zijn; onderstreept dat het belangrijk is een zinvolle betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de dialoog op alle niveaus te waarborgen;

15.  herinnert eraan dat de politieke dialoog evenwichtig moet zijn en gebaseerd moet zijn op wederzijds respect;

16.  onderstreept dat in de samenwerking tussen de EU en de ACS voorzien moet worden in een mechanisme voor collegiale toetsing voor het regelmatige toezicht op de vooruitgang en de problemen bij de tenuitvoerlegging van de SDG's, waarbij parlementen, lokale autoriteiten en maatschappelijke organisaties worden betrokken, alsook reguliere evaluatie van en openbare rapportering over de eerbiediging van de mensenrechten en andere essentiële elementen; is van mening dat voor de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 en de SDG's legitimiteit, nabijheid, subsidiariteit en een sterke betrokkenheid van lokale autoriteiten en niet-overheidsactoren onontbeerlijk zijn, willen zij doeltreffend zijn; dringt aan op betere communicatie en een betere dialoog teneinde de relatie tussen de ACS- en EU-landen te verdiepen;

17.  herhaalt dat Economische Partnerschapovereenkomsten (EPO's) een basis vormen voor regionale samenwerking en dat zij instrumenten zijn voor ontwikkeling en regionale integratie; dringt derhalve aan op de volledige opneming ervan in de nieuwe ACS-EU-overeenkomst;

18.  dringt aan op het vergroten van de politieke invloed van het ACS-EU-partnerschap op het wereldtoneel, opdat beide zijden efficiëntere mondiale spelers kunnen zijn;

19.  dringt aan op duidelijke bepalingen in de toekomstige overeenkomst waarin de rol en verantwoordelijkheden van de privésector worden geregeld; onderstreept met name dat bij ontwikkelingspartnerschappen betrokken ondernemingen gedurende de levenscyclus van projecten de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap moeten naleven, onder meer door zich te houden aan het UN Global Compact, de leidende beginselen van de VN inzake ondernemingen en mensenrechten, de kernarbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie, milieunormen en het VN-Verdrag tegen corruptie; wijst erop dat de EU-lidstaten en ACS-landen nationale plannen moeten opstellen voor de toepassing van de VN-beginselen inzake ondernemingen en mensenrechten, en in het bijzonder de bepalingen inzake passende zorgvuldigheid;

20.  herinnert eraan dat de mobilisering van binnenlandse middelen aan de hand van de heffing van belastingen de belangrijkste bron van inkomsten is voor de financiering van duurzame ontwikkeling; vindt het jammer dat maatregelen ter bestrijding van illegale geldstromen en belastingontduiking geen prominente plaats krijgen in het ontwerpmandaat; roept de onderhandelende partijen op om in de nieuwe overeenkomst ambitieuze bepalingen op te nemen inzake financiële en technische bijstand aan ontwikkelingslanden om aan te sluiten bij de opkomende mondiale normen voor de bestrijding van belastingontduiking, met inbegrip van de automatische uitwisseling van informatie, informatie over economisch eigendom van bedrijven en openbare verslaglegging van multinationals per land op basis van de G20- en OESO-modellen om een einde te maken aan grondslaguitholling en winstverschuiving; roept de partijen bovendien op zich in te zetten voor de oprichting van een juridisch bindend intergouvernementeel VN-orgaan voor fiscale samenwerking;

21.  betreurt het feit dat in het ontwerponderhandelingsmandaat geen bepalingen zijn opgenomen inzake het waarborgen van een duurzame ontwikkelingsdimensie voor de landbouw, ondanks de enorme uitdagingen waarmee de boeren in de ACS-landen geconfronteerd worden ten gevolge van de klimaatverandering; verzoekt de onderhandelende partijen in de nieuwe overeenkomst steunregelingen voor duurzame landbouwpraktijken op te nemen;

22.  vraagt een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld in politieke dialoog, programmering en tenuitvoerlegging en meer steun voor capaciteitsopbouw door dit middenveld; onderstreept hoe belangrijk het is het maatschappelijk middenveld bij de politieke dialoog te betrekken, met name wat lokale groepen betreft op wie het beleid rechtstreeks betrekking heeft; onderstreept in verband hiermee het gevaar dat het werkterrein voor het maatschappelijk middenveld in een aantal landen krimpt en het feit dat ook groepen bij de zaak moeten worden betrokken, bijvoorbeeld minderheden, jongeren en vrouwen, die niet in staat zijn hun belangen te organiseren of die, ondanks een legitiem democratisch belang, niet door hun regering worden erkend;

23.  benadrukt dat de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties opgebouwd moet worden rond de erkenning van de verschillende functies die zij hebben, en dat zij een grotere rol als volwaardige actor in de overeenkomst moeten krijgen;

24.  benadrukt dat de beginselen van effectieve ontwikkelingssamenwerking volledig opgenomen moeten worden in de nieuwe ACS-EU-partnerschapsovereenkomst en dat bepalingen om eigen inbreng van de landen, resultaatgerichtheid, inclusiviteit van het ontwikkelingsproces, transparantie en wederzijdse verantwoordingsplicht te verzekeren de hoekstenen van de overeenkomst en de regionale protocollen moeten zijn; onderstreept dat voor een geografisch evenwichtige aanpak van de steunverlening moet worden gezorgd met speciale nadruk op de minst ontwikkelde en kwetsbare staten; is van oordeel dat steunverlening afhankelijk maken van samenwerking met de EU inzake migratie niet verenigbaar is met de overeengekomen beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking;

25.  onderstreept dat de/het hernieuwde EU-ACS-samenwerking/partnerschap moet zorgen voor een doeltreffender gezamenlijk optreden bij het aanpakken van de diverse uitdagingen waarmee de wereld thans te kampen heeft, zoals de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde misdaad;

26.  herhaalt dat de toekomstige overeenkomst een gelegenheid is om de toezeggingen met betrekking tot en de eerbiediging van beleidscoherentie voor ontwikkeling te verbeteren, en dus mechanismen moet omvatten om hier systematisch toezicht op uit te oefenen; wijst in dit verband andermaal op de rol van de EU-delegaties bij de bevordering van de beleidscoherentie voor ontwikkeling en onderstreept dat zij op een regelmatige basis dialogen op het niveau van landen moeten voeren;

27.  onderstreept het belang van het aantrekken van investeringen uit de privésector die de ontwikkeling op lange termijn van plaatselijke kapitaalmarkten vergemakkelijken en bij beperkte begrotingen voor officiële ontwikkelingshulp als hefboom dienen, zodat de werking kan worden gemaximaliseerd en de SDG's kunnen worden gefinancierd;

28.  herhaalt het belang van het versterken van de parlementaire dimensie van de toekomstige overeenkomst, om een daadwerkelijke adviserende bevoegdheid voor de toekomstige overkoepelende PPV te verzekeren en te waarborgen dat zij zorgt voor een open, democratische en allesomvattende parlementaire dialoog; vraagt dat de wettelijke en operationele autonomie gewaarborgd worden; eist dat de PPV nauw betrokken wordt bij de tenuitvoerlegging van de overeenkomst en regelmatig geraadpleegd wordt over alles wat voor het partnerschap van belang is; is van mening dat de PPV volledig moet worden betrokken bij de onderhandelingen over het toekomstige partnerschap;

29.  dringt aan op verdere inspanningen om het toezicht door de PPV op de ontwikkelingsprogrammering te verbeteren;

30.  is ervan overtuigd dat regelmatige, minstens jaarlijkse, vergaderingen op ACS-EU-niveau nodig zijn om de continuïteit en stabiliteit van het partnerschap te verzekeren, en regelmatige verslaglegging en collegiale toetsing mogelijk te maken inzake de vooruitgang met betrekking tot de SDG's en de eerbiediging van de mensenrechten en andere essentiële elementen van de overeenkomst, zoals het Parlement had gevraagd;

31.  raadt daarom aan de PPV af te stemmen op de nieuwe regionale structuur, te blijven focussen op het werk in de regionale fora, en de nationale en regionale parlementen nauw te betrekken; is van mening dat de ACS-EU-Raad en de PPV regelmatig, maar minder frequent dan nu het geval is, in plenaire zitting bijeen moeten komen, afwisselend in de EU en in een ACS-land, waarbij de bijeenkomst niet afhankelijk mag zijn van bijeenroeping door de Raad; roept de EU-lidstaten die het voorzitterschap van de Raad bekleden op meer betrokkenheid te tonen bij de voorbereiding, organisatie en ontvangst van de PPV-zittingen;

32.  vraagt om in elke regio minstens één keer per jaar te vergaderen met de EU- en ACS‑parlementsleden op het niveau van de regionale pacten, en dit aan te vullen met een multistakeholderforum waarin niet-overheidsactoren betrokken zijn, met inbegrip van maatschappelijke organisaties, jongeren en de privésector;

33.  is ervan overtuigd dat het Pan-Afrikaanse Parlement een sterke pijler moet worden in het toekomstige EU-Afrika-pact, met name naast en samen met de toekomstige EU‑Afrika-Raad; roept in dit verband de Commissie en haar ACS-tegenhangers op om in een vroege fase van de onderhandelingen schriftelijke voorstellen te doen over de parlementaire dimensie en rol van het Pan-Afrikaanse Parlement, en om in dit verband met respectievelijk het Pan-Afrikaanse Parlement en het Europees Parlement te overleggen;

34.  herinnert eraan dat het Parlement volledig en onmiddellijk geïnformeerd moet worden in alle fases van de onderhandelingsprocedure, overeenkomstig artikel 218, lid 10, VWEU, en herhaalt dat moet worden overeengekomen om de praktische regelingen voor samenwerking en het delen van informatie tijdens de volledige looptijd van internationale overeenkomsten te verbeteren; nodigt de Raad en de Commissie daarnaast uit om de PPV volledig en snel op de hoogte te brengen van de onderhandelingen;

35.  vraagt de Raad van de Europese Unie om het mandaat dat door de Raad werd aangenomen, openbaar te maken; roept de groep van ACS-landen op om hetzelfde te doen met hun mandaat;

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de ACS-Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie van de Afrikaanse Unie, het Pan-Afrikaanse Parlement en het Bureau van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) http://www.europarl.europa.eu/intcoop/acp/03_01/pdf/mn3012634_en.pdf
(2) http://www.wipo.int/edocs/trtdocs/en/acp/trt_acp_3.pdf
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0371.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0437.
(5) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 11.
(6) PB C 310 van 25.8.2016, blz. 19.
(7) PB C 170 van 30.5.2017, blz. 36.
(8) http://www.europarl.europa.eu/intcoop/acp/2015_acp2/pdf/1081264en.pdf


Controle op de toepassing van het EU-recht in 2016
PDF 309kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2018 over controle op de toepassing van het EU-recht in 2016 (2017/2273(INI))
P8_TA(2018)0268A8-0197/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 1, 2 en 3,

–  gezien het 33e jaarlijkse verslag van de Commissie over de controle op de toepassing van het EU-recht (2015) (COM(2016)0463),

–  gezien het 34e jaarlijkse verslag van de Commissie over de controle op de toepassing van het EU-recht (2016) (COM(2017)0370),

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Evaluatieverslag EU-Pilot" (COM(2010)0070),

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Tweede evaluatieverslag over EU-Pilot" (COM(2011)0930),

–  gezien zijn resolutie van 6 oktober 2016 inzake de controle op de toepassing van het Unierecht: jaarverslag 2014(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 december 2016 getiteld "EU‑wetgeving: betere resultaten door betere toepassing" (C(2016)8600),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2002 betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het Gemeenschapsrecht (COM(2002)0141),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2012 over de modernisering van het beheer van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie (COM(2012)0154),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 over een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat (COM(2014)0158),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 mei 2015 getiteld "Betere regelgeving voor betere resultaten – Een EU-agenda" (COM(2015)0215),

–  gezien het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(2),

–  gezien Beschikking 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven(4),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over het 30e en 31e jaarverslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2012-2013)(5),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(6),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2016 over een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat(7) en zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie(8),

–  gezien de mededelingen van de Commissie van 27 mei 2016 over voordeel halen uit het milieubeleid van de EU door een regelmatige evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid (COM(2016)0316) en 3 februari 2017 getiteld "EU-evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid: Gemeenschappelijke uitdagingen en hoe inspanningen te bundelen om betere resultaten te realiseren" (COM(2017)0063),

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten,

–  gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie constitutionele zaken, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie verzoekschriften (A8‑0197/2018),

A.  overwegende dat artikel 17 VEU de Commissie de essentiële rol van "hoedster van de Verdragen" toebedeelt;

B.  overwegende dat in artikel 2 VEU is bepaald dat de Unie is gestoeld op de waarden van eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren; overwegende dat de correcte tenuitvoerlegging van EU‑wetgeving daarom van essentieel belang is voor de verwezenlijking van de in de Verdragen en afgeleide wetgeving vastgelegde beleidsdoelstellingen van de EU; overwegende dat artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de Unie opdraagt bij elk optreden ongelijkheden op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen;

C.  overwegende dat overeenkomstig artikel 2 VEU en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het EU-Handvest) gelijkheid van mannen en vrouwen een van de fundamentele waarden van de EU is, en dat de Unie er bij elk optreden naar streeft alle vormen van discriminatie te bestrijden, ongelijkheden op te heffen en gelijke kansen en behandeling te bevorderen;

D.  overwegende dat in artikel 3 VWEU is bepaald dat de Unie onder meer tot doel heeft de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen en te werken aan de duurzame ontwikkeling van Europa op basis van evenwichtige economische groei en prijsstabiliteit, een sociale markteconomie met een hoog concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en maatschappelijke vooruitgang, en een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, en dat de Unie sociale uitsluiting en discriminatie bestrijdt en sociale rechtvaardigheid en bescherming, gelijkheid tussen mannen en vrouwen, solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind bevordert;

E.  overwegende dat de lidstaten op grond van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) aan de Commissie duidelijke en nauwkeurige informatie moeten verstrekken over de wijze waarop zij de EU-richtlijnen in nationale wetgeving omzetten; overwegende dat, overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de Commissie en de lidstaten(9) en de gezamenlijke politieke verklaring van 27 oktober 2011 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(10), de lidstaten bij de aanmelding van nationale omzettingsmaatregelen bij de Commissie wellicht ook documenten moeten verstrekken waarin wordt uitgelegd hoe ze de richtlijnen hebben omgezet in nationaal recht;

F.  overwegende dat volgens artikel 4, lid 3, VEU en artikel 288, lid 3, en artikel 291, lid 1, VWEU de lidstaten de primaire bevoegdheid hebben om het EU-recht correct om te zetten, toe te passen en te implementeren binnen de vastgestelde termijnen, en om in de nodige rechtsmiddelen te voorzien teneinde daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het EU-recht vallende gebieden te verzekeren;

G.  overwegende dat de correcte toepassing van het EU-recht de voordelen van het beleid van de Unie voor alle Europese burgers en een gelijk speelveld voor ondernemingen garandeert;

H.  overwegende dat de Commissie na de vaststelling in december 2016 van haar mededeling getiteld "EU-wetgeving: betere resultaten door betere toepassing" heeft besloten zich te concentreren op gevallen waarin lidstaten nalaten omzettingsmaatregelen mee te delen, deze maatregelen een onjuiste omzetting van richtlijnen vormen of lidstaten geen gevolg geven aan een arrest van het HvJ-EU (overeenkomstig artikel 260, lid 2, VWEU), de financiële belangen van de EU ernstig schaden of de exclusieve bevoegdheden van de EU schenden;

I.  overwegende dat overeenkomstig artikel 6, lid 1, VEU het EU-Handvest dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen, en gericht is tot de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie, alsmede tot de lidstaten wanneer zij het Unierecht ten uitvoer leggen (artikel 51, lid 1, EU-Handvest);

J.  overwegende dat de EU Pilot-procedures bedoeld zijn voor nauwere en meer coherente samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten waardoor inbreuken op het EU‑recht zich in een vroeg stadium via een bilaterale dialoog tot een oplossing laten brengen, zodat een formele inbreukprocedure zo mogelijk achterwege blijft;

K.  overwegende dat het noodzakelijk is om – in reactie op het huidige democratische tekort en onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten – een nieuw mechanisme in te stellen dat voorziet in één enkel samenhangend kader en voortbouwt op bestaande instrumenten en mechanismen, dat op uniforme wijze op alle EU-instellingen en lidstaten moet worden toegepast;

L.  overwegende dat, overeenkomstig het nieuwe beleid van de Commissie om de naleving van het EU-recht te waarborgen, EU Pilot echter niet tot doel heeft de inbreukprocedure, die op zichzelf een middel is om een probleemoplossende dialoog met een lidstaat aan te gaan, te verlengen;

M.  overwegende dat de Commissie, met het oog op een meer strategische en doeltreffende aanpak van de handhaving in verband met inbreuken, heeft besloten, zoals aangegeven in haar mededeling "Betere resultaten door betere toepassing", inbreukprocedures in te leiden zonder een beroep te doen op het EU Pilot-mechanisme, tenzij dit in een bepaald geval nuttig wordt geacht;

N.  overwegende dat de Commissie in 2016 3 783 nieuwe klachten over mogelijke inbreuken op het EU-recht heeft ontvangen, en dat Italië (753), Spanje (424) en Frankrijk (325) de lidstaten waren waartegen de meeste klachten werden ingediend;

O.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 258, leden 1 en 2, VWEU, de Commissie een met redenen omkleed advies moet uitbrengen indien zij van oordeel is dat een lidstaat een krachtens de Verdragen op hem rustende verplichting niet is nagekomen en dat zij de zaak aanhangig kan maken bij het HvJ-EU, indien de betrokken lidstaat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt;

P.  overwegende dat de Commissie in 2016 847 nieuwe inbreukprocedures heeft ingeleid wegens te late omzetting van richtlijnen;

Q.  overwegende dat in 2016 95 inbreukprocedures nog liepen, naar aanleiding waarvan het HvJ-EU uitspraak heeft gedaan over niet-naleving door de betrokken lidstaten;

R.  overwegende dat het Parlement, in zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, de Commissie heeft verzocht uiterlijk in september 2017 op grond van artikel 295 VWEU een voorstel in te dienen voor de sluiting van een EU-Pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (EU-Pact voor DRG) in de vorm van een interinstitutioneel akkoord met regelingen ter vergemakkelijking van de samenwerking tussen de Unie-instellingen en de lidstaten in het kader van artikel 7 VEU;

S.  overwegende dat het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie voorziet in de informatie-uitwisseling over alle inbreukprocedures vanaf de ingebrekestelling, maar dat de informele EU Pilot-procedure die voorafgaat aan de inleiding van de formele inbreukprocedure buiten dat kader valt;

T.  overwegende dat artikel 41 van het EU-Handvest het recht op behoorlijk bestuur omschrijft als het recht van eenieder dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen worden behandeld, en dat artikel 298 VWEU bepaalt dat de instellingen, organen en instanties van de Unie bij de vervulling van hun taken steunen op een open, doeltreffend en onafhankelijk ambtenarenapparaat;

U.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 3 februari 2017 over de evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid (EIR) stelt dat zij een gestructureerde en brede dialoog met de lidstaten heeft opgezet over de tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving en, onverminderd haar handhavingsbevoegdheden op grond van de EU-Verdragen, aanbiedt de inspanningen van de lidstaten te bevorderen door middel van een nieuw specifiek kader;

V.  overwegende dat artikel 157 VWEU het toestaat en artikel 19 VWEU het mogelijk maakt wetgeving goed te keuren ter bestrijding van alle vormen van discriminatie, onder meer op grond van geslacht;

W.  overwegende dat de EU en haar lidstaten in verklaring nr. 19, die gehecht is aan de Slotakte van de intergouvernementele conferentie tot aanneming van het Verdrag van Lissabon, hebben beloofd "om alle vormen van huiselijk geweld te bestrijden […], om deze criminele handelingen te voorkomen en te bestraffen en de slachtoffers te ondersteunen en te beschermen";

X.  overwegende dat er uit hoofde van de artikelen 79 en 83 VWEU EU-wetgeving tegen mensenhandel, in het bijzonder vrouwen- en kinderhandel, is aangenomen; overwegende dat met het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" onder andere maatregelen worden gefinancierd die bijdragen tot de uitbanning van geweld tegen vrouwen;

Y.  overwegende dat een aantal EU-richtlijnen, met name die welke gericht zijn op gendergelijkheid, niet afdoende ten uitvoer worden gelegd in een aantal lidstaten, waardoor mensen van verschillende geslachten niet beschermd zijn tegen discriminatie op het gebied van toegang tot werk, goederen en diensten;

Z.  overwegende dat discriminatie op grond van geslacht raakvlakken heeft met andere vormen van discriminatie, waaronder discriminatie op grond van ras en etnische afkomst, godsdienst, handicap, gezondheid, genderidentiteit, seksuele geaardheid, leeftijd en/of sociaaleconomische omstandigheden;

AA.  overwegende dat 33 % van de vrouwen in de EU slachtoffer is geweest van lichamelijk of seksueel geweld en dat 55 % te maken heeft gehad met seksuele intimidatie, 32 % daarvan op het werk; overwegende dat vrouwen met name gevaar lopen het slachtoffer te worden van seksueel geweld, lichamelijk geweld en onlinegeweld, cyberpesten en belaging; overwegende dat meer dan de helft van alle vrouwelijke slachtoffers van moord gedood is door een partner of familielid; overwegende dat geweld tegen vrouwen een van de meest wijdverbreide mensenrechtenschendingen ter wereld is, ongeacht de leeftijd, nationaliteit, godsdienst, opleiding of financiële en maatschappelijke positie van het slachtoffer, en een van de belangrijkste obstakels vormt voor de gelijkheid van vrouwen en mannen; overwegende dat het verschijnsel femicide in de lidstaten niet afneemt;

AB.  overwegende dat uit LGBT-onderzoek van de EU is gebleken dat lesbiennes, biseksuelen en transgenders een zeer groot risico lopen te worden gediscrimineerd op grond van hun seksuele geaardheid of genderidentiteit; overwegende dat 23 % van de lesbiennes en 35 % van de transgenders in de afgelopen vijf jaar thuis of elders (op straat, in het openbaar vervoer, op de werkplek enz.) minstens eenmaal lichamelijk/seksueel zijn aangevallen of bedreigd met geweld;

AC.  overwegende dat er wat betreft de toepassing en handhaving van EU-wetgeving inzake gendergelijkheid specifieke problemen vast te stellen zijn met betrekking tot de omzetting en de tenuitvoerlegging van de richtlijnen op dit gebied, zoals aanzienlijke lacunes in de wetgeving en inconsistente toepassing van de wetgeving door nationale rechtbanken;

AD.  overwegende dat instellingen en mechanismen voor gendergelijkheid vaak vrijwel onzichtbaar zijn binnen nationale overheidsstructuren, waar zij verdeeld zijn over verschillende beleidsgebieden en niet goed functioneren door complexe mandaten en een gebrek aan bekwaam personeel, scholing, gegevens en middelen, en onvoldoende worden gesteund door politieke leiders;

AE.  overwegende dat uit de in 2017 door het Europees Netwerk van juridische deskundigen op het gebied van gendergelijkheid en non-discriminatie gepubliceerde vergelijkende analyse van de antidiscriminatiewetgeving in Europa blijkt dat de meeste landen nog steeds kampen met ernstige problemen op het gebied van perceptie en bewustzijn, aangezien individuele personen vaak niet op de hoogte zijn van hun recht op bescherming tegen discriminatie of van het bestaan van beschermingsmechanismen; overwegende dat uit deze analyse blijkt dat zich met betrekking tot de handhaving van de EU-antidiscriminatierichtlijnen ook problemen voordoen, zoals het gebrek aan (of de ontoereikende) bevoegdheid van organisaties en verenigingen om namens of ten behoeve van slachtoffers van discriminatie een procedure in te stellen en de restrictieve toepassing van de verschuiving van de bewijslast, alsook een aantal belemmeringen voor effectieve toegang tot de rechter, en dat deze een obstakel vormen dat effectief verhindert dat burgers de rechten die zij ontlenen aan de bepalingen van de antidiscriminatiewetgeving ten volle kunnen gebruiken en beschermen;

AF.  overwegende dat de gendergelijkheidsindex 2017 van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) slechts marginale verbeteringen laat zien, waaruit duidelijk blijkt dat de EU nog een lange weg te gaan heeft voor wat de verwezenlijking van gendergelijkheid betreft, met een algemene score van 66,2 op 100 oftewel slechts vier punten hoger dan tien jaar geleden;

AG.  overwegende dat de cijfers inzake gendergelijkheid op het gebied van besluitvorming de afgelopen tien jaar met bijna tien punten zijn gestegen tot 48,5 punten, maar dat dit nog altijd het gebied met de laagste score is; overwegende dat deze ongunstige cijfers in de eerste plaats een afspiegeling zijn van de onevenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in de politiek en daarmee een democratisch tekort in het EU‑bestuur blootleggen;

AH.  overwegende dat in het verslag van Eurofound over het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen wordt vermeld dat dit verschil de EU naar schatting 370 miljard EUR per jaar kost, wat neerkomt op 2,8 % van het bbp in de EU;

AI.  overwegende dat uit de Eurofound-enquête naar de arbeidsomstandigheden blijkt dat de samengestelde indicator betreffende betaalde en onbetaalde werktijd laat zien dat vrouwen, betaald en onbetaald werk opgeteld, meer uren werken;

AJ.  overwegende dat er in de raden van bestuur van de EU-agentschappen, ondanks de toezegging van de EU om in het kader van de besluitvorming te streven naar gendergelijkheid, nog lang geen sprake is van genderevenwicht en nog altijd sprake is van gendersegregatie;

AK.  overwegende dat de vervrouwelijking van de armoede in de EU een feit is en dat de correcte en volledige toepassing en handhaving van de gelijkheids- en gendergelijkheidswetgeving van de EU hand in hand moeten gaan met maatregelen die gericht zijn op de aanpak van de zeer hoge werkloosheidscijfers, de armoede en de sociale uitsluiting onder vrouwen; overwegende dat indien er geen gelijkheidsmaatregelen worden genomen en de gender- en gelijkheidswetgeving op gebrekkige wijze wordt toegepast, de risico's voor vrouwen groter worden en het gevaar van armoede en sociale marginalisering verhoogt doordat vrouwen van de arbeidsmarkt worden uitgesloten;

AL.  overwegende dat de correcte tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving essentieel is voor het boeken van vooruitgang op het gebied van gelijkheid van mannen en vrouwen; overwegende dat de herschikte Richtlijn 2006/54/EG wel een duidelijk verbod legt op directe en indirecte discriminatie, maar dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen in 2015 nog steeds 16,3 % bedroeg, ondanks het feit dat vrouwen gemiddeld een hoog opleidingsniveau bereiken;

AM.  overwegende dat het beginsel van gendergelijkheid een essentieel onderdeel moet vormen van de controle op de toepassing van bestaande EU-wetgeving;

AN.  overwegende dat het verzamelen van gegevens, indien mogelijk uitgesplitst naar geslacht, van wezenlijk belang is om te kunnen beoordelen hoeveel vooruitgang er tot nu toe is geboekt met de toepassing van het EU-recht;

1.  is ingenomen met het besluit van de Commissie(11) om snel te reageren op inbreuken, en steunt haar inspanningen om uitvoeringsproblemen langs informele weg op te lossen; dringt er bij de Commissie op aan het probleemoplossingsmechanisme EU Pilot te verbeteren;

2.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de stijging van het aantal inbreukprocedures in 2016, het hoogst geregistreerde aantal dergelijke zaken in de afgelopen vijf jaar;

3.  is ingenomen met het jaarverslag 2016 van de Commissie over de controle op de toepassing van het EU-recht en stelt vast dat, volgens dit verslag, de vier gebieden waarop in 2016 het grootste aantal inbreukprocedures met betrekking tot omzetting tegen lidstaten zijn ingeleid milieu, justitie en consumentenzaken, belastingen en de interne markt waren;

4.  herinnert eraan dat het in de artikelen 20 en 227 VWEU en artikel 44 van het EU‑Handvest verankerde recht om bij het Parlement een verzoekschrift in te dienen een hoeksteen van het Europees burgerschap vormt en dat burgers dit recht volgens recent onderzoek als het op een na belangrijkste beschouwen; onderstreept dat verzoekschriften belangrijk zijn, omdat ze burgers de mogelijkheid geven zich betrokken te voelen bij de activiteiten van de Unie en hun bezorgdheid te uiten over gevallen van onjuiste toepassing of schending van het EU-recht of eventuele mazen in de wetgeving en deze tekortkomingen tegelijkertijd aan te kaarten in de verwachting dat de aan de orde gestelde problemen tijdig en doeltreffend worden opgelost; deelt de opvatting van de Commissie dat de inspanningen voor de doeltreffende handhaving van het bestaande EU-recht moeten worden erkend als even belangrijk als de inspanningen voor de ontwikkeling van nieuwe wetgeving; verzoekt de Commissie in dit verband om de behandeling van de verzoekschriften te verbeteren door tijdig en uitgebreid te antwoorden;

5.  vestigt de aandacht op de studie die beleidsafdeling C in opdracht van de Commissie verzoekschriften van het Parlement heeft verricht, getiteld "Monitoring the implementation of EU law: tools and challenges", en is ingenomen met de concrete maatregelen die het Parlement worden aanbevolen; wijst in dit verband op de onlangs gepubliceerde studie "Effective Access to Justice" die beleidsafdeling C heeft verricht naar aanleiding van de aantijgingen die herhaaldelijk werden geuit bij de behandeling van verzoekschriften; steunt het voorstel van de Commissie om de justitiële opleiding op het gebied van het EU-recht in de lidstaten te bevorderen om te zorgen voor samenhangende arresten en zodoende voor een gelijke handhaving van rechten in de Unie;

6.  is verheugd dat het verslag van de Commissie voor 2016 meer en transparantere statistische gegevens bevat ten opzichte van eerdere verslagen; betreurt het echter dat hierin geen gedetailleerde informatie wordt verstrekt over het aantal verzoekschriften dat tot EU Pilot- of inbreukprocedures heeft geleid en vraagt de Commissie hierover specifieke informatie te verstrekken; stelt met spijt vast dat noch het Parlement noch de indieners bij deze procedures betrokken is; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om het Parlement op de hoogte te stellen van alle lopende EU Pilot- en inbreukprocedures teneinde de transparantie te bevorderen, de termijn voor geschillenbeslechting door de Commissie verzoekschriften in te korten, het vertrouwen in het EU-project te vergroten en tot slot de legitimiteit van de EU Pilot-procedure te verhogen, met name wanneer sprake is van inbreukprocedures; verzoekt de Commissie om haar besluiten en de verschillende stappen van het college van commissarissen systematisch bekend te maken en de agenda en de belangrijkste uitkomsten van de pakketvergaderingen te publiceren; neemt kennis van de uitspraak van het HvJ-EU van mei 2017 in de zaken C‑39/05 P, C-52/05 P en C-562/14 P, waarin wordt gesteld dat interne documenten met betrekking tot een EU Pilot-procedure niet openbaar mogen worden gemaakt indien een dergelijke openbaarmaking de aard van de inbreukprocedure zou kunnen beïnvloeden, de voortgang ervan zou kunnen belemmeren of de doelstellingen ervan zou kunnen ondermijnen; verzoekt de Commissie derhalve om de met de lidstaten uitgewisselde documenten openbaar te maken wanneer van deze risico's geen sprake meer is, namelijk zodra de EU Pilot-procedures zijn beëindigd; steunt in dit verband de aanbevelingen van de Europese Ombudsman over de tijdigheid en transparantie van de EU Pilot-procedures voorafgaand aan inbreukprocedures; benadrukt hoe belangrijk het is om alle betrokken actoren op de hoogte te houden en meer transparantie te betrachten in het kader van de EU Pilot-procedure; betreurt de gebrekkige inzet waarmee de Commissie antwoord geeft op de bezorgdheid die leden van het Parlement in het kader van EU Pilot-procedures hebben geuit en verzoekt de Commissie om de Commissie verzoekschriften te informeren over betekenisvolle nieuwe stappen in EU Pilot-procedures wat betreft het onderzoek naar en de dialoog met de lidstaten over openstaande verzoekschriften; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om in haar jaarverslag de uitvoeringsgraad van zowel verordeningen als richtlijnen van de EU aan de orde te stellen;

7.  is van oordeel dat uit het grote aantal inbreukprocedures blijkt dat de tijdige en correcte toepassing van EU-wetgeving in de lidstaten een grote uitdaging en prioriteit blijft, rekening houdend met de door de Commissie gekozen nieuwe, meer strategische en doeltreffende aanpak van de handhaving voor 2016; is van mening dat bepaalde inbreuken het gevolg zouden kunnen zijn van een gebrek aan middelen die worden toegewezen aan overheidsinstanties in een aantal lidstaten;

8.  benadrukt het feit dat het aantal nieuwe klachten het hoogste aantal sinds 2011 is, met een stijging van 67,5 % in het afgelopen jaar, met een recordaantal van 3 783 nieuwe klachten en een afname van het aantal afgeronde zaken, en dat bovendien eind 2016 nog 1 657 inbreukprocedures lopende waren, terwijl er in 2016 986 inbreukprocedures werden ingeleid, waarvan 847 betrekking hadden op te late omzetting; stelt met bezorgdheid vast dat 95 inbreukprocedures waarvoor het Hof al een uitspraak heeft gedaan nog lopende zijn omdat de Commissie van mening was dat de betrokken lidstaten arresten op grond van artikel 258 VWEU nog niet waren nagekomen, en dat over het algemeen de gebieden "werkgelegenheid" en "justitie en consumentenzaken" het meest worden getroffen, gevolgd door de interne markt, industrie, ondernemerschap en midden- en kleinbedrijven, belastingen en douane, en milieu;

9.  is er verheugd over dat het aantal nieuwe EU Pilot-dossiers in 2016 is gedaald (790 in vergelijking met 881 in 2014) en dat dit aantal het laagste niveau sinds 2011 heeft bereikt, hoewel de Commissie geen EU Pilot-procedures op gang brengt in geval van te late omzetting van richtlijnen; wijst er echter op dat het percentage opgeloste zaken licht is gedaald ten opzichte van 2015 (van 75 % tot 72 %); verzoekt de Commissie opheldering te verschaffen over de prioriteitstelling met betrekking tot haar handhavingsbeleid, waarin zij aangeeft zich te zullen richten op problemen waarbij haar handhavingsmaatregelen echt een verschil kunnen maken en in haar beleid de prioriteit zal verlenen aan zaken die systemische tekortkomingen in het rechtsstelsel van een lidstaat aan het licht brengen;

10.  merkt op dat de toezegging van de Commissie om strategischer te zijn bij de handhaving van het EU-recht onlangs heeft geleid tot de afsluiting van inbreukprocedures om politieke redenen; verzoekt de Commissie om die reden om de overwegingen die aan dergelijke besluiten ten grondslag liggen, in toekomstige monitoringverslagen toe te lichten;

11.  benadrukt dat de meeste EU Pilot-dossiers die geleid hebben tot formele inbreukprocedures voornamelijk betrekking hadden op beleidsterreinen op het gebied van milieu, de interne markt, industrie, ondernemerschap en midden- en kleinbedrijf, energie, belastingen en douane; wijst er tevens op dat Hongarije, Duitsland, Spanje en Polen de meeste EU Pilot-dossiers hadden die werden vervolgd door middel van inbreukprocedures;

12.  erkent dat de primaire verantwoordelijkheid voor de correcte tenuitvoerlegging en toepassing van het EU-recht bij de lidstaten ligt, maar wijst erop dat dit de EU-instellingen niet ontslaat van de verplichting om het primaire EU-recht in acht te nemen wanneer zij afgeleid EU-recht uitvaardigen, vooral op het gebied van de rechtsstaat en de grondrechten in verband met het EU-Handvest;

13.  wijst erop dat het cruciaal is om het EU-recht correct ten uitvoer te leggen en toe te passen, teneinde de naleving van het in de Verdragen verankerde beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen binnen het EU-beleid te verwezenlijken, alsook het wederzijds vertrouwen tussen openbare instellingen op nationaal en op EU-niveau, en tussen openbare instellingen en de burger, te bevorderen en te versterken, en brengt tevens in herinnering dat vertrouwen en rechtszekerheid de grondslag vormen van een goede samenwerking en een doeltreffende toepassing van het EU-recht;

14.  maakt zich zorgen over het feit dat er in diverse lidstaten nog altijd sprake is van aanzienlijke tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van EU‑milieuwetgeving, met name op het gebied van afvalbeheer, infrastructuur voor afvalwaterzuivering en naleving van de grenswaarden met betrekking tot de luchtkwaliteit;

15.  onderstreept de belangrijke rol die sociale partners, maatschappelijke organisaties, Europese burgers en andere belanghebbenden spelen bij het monitoren en melden van tekortkomingen bij de omzetting en toepassing van het EU-recht door lidstaten; is dan ook ingenomen met het feit dat de burgers meer oog hebben voor de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving, met inbegrip van de cruciale rol van klokkenluiders in de particuliere en publieke sector; onderstreept dat de burgers van de EU rechtens als eersten op duidelijke, daadwerkelijk toegankelijke, transparante en tijdige wijze op de hoogte moeten worden gebracht van de vraag of en welke nationale wetten zijn aangenomen ter omzetting van EU-wetgeving en welke nationale autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de correcte uitvoering ervan;

16.  wijst op het belang dat de Commissie hecht aan de tijdige en correcte omzetting van het EU-recht in nationale wetgeving, en het bestaan van een duidelijk intern regelgevingskader dat de lidstaten ertoe verplicht prioriteit te verlenen aan deze doelstelling, teneinde inbreuken op het EU-recht te voorkomen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat individuele personen en ondernemingen kunnen profiteren van de effectieve en doeltreffende tenuitvoerlegging ervan;

17.  wijst er echter op dat onrealistische termijnen voor de tenuitvoerlegging van wetgeving het voor de lidstaten onmogelijk kan maken ze na te leven, hetgeen neerkomt op stilzwijgende aanvaarding van te late uitvoering; dringt er bij de EU-instellingen op aan het eens te worden over een realistischer tijdschema voor de tenuitvoerlegging van verordeningen en richtlijnen, en daarbij voldoende rekening te houden met de tijd die nodig is voor controle en raadpleging; is van mening dat de Commissie verslagen, samenvattingen en wetswijzigingen moet indienen op de door de medewetgevers overeengekomen data en in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen;

18.  wijst erop dat er in 2016 70 richtlijnen moesten worden omgezet, een stijging ten opzichte van de 56 richtlijnen in 2015; uit zijn bezorgdheid over de scherpe toename van het aantal nieuwe inbreukprocedures wegens te late omzetting van 543 tot 847; betreurt het dat er eind 2016 nog 868 inbreukprocedures wegens te late omzetting lopende waren, een stijging van 67,5 % ten opzichte van de 518 zaken die eind 2015 nog lopende waren;

19.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat, zoals in 2015, niet alle lidstaten hun toezeggingen zijn nagekomen om toelichtende stukken in te dienen in combinatie met de maatregelen die zij hadden genomen om richtlijnen om te zetten in nationale wetgeving; is van mening dat de Commissie, gezien de wisselende kwaliteit van veel van de ingediende toelichtende stukken, de lidstaten meer bijstand moet verlenen bij de voorbereiding ervan en de opstelling van concordantietabellen;

20.  benadrukt het feit dat het per slot van rekening de burgers en ondernemingen zijn die lijden onder de niet-tijdige en/of incorrecte tenuitvoerlegging van de bestaande EU‑wetgeving op het gebied van gelijke kansen voor en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in het onderwijs en in arbeid en beroep, gelijk loon voor gelijk werk, en gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten, alsook van de bestaande bepalingen ter bevordering van het evenwicht tussen werk en privéleven en ter uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, aangezien hun de voordelen die zij uit hoofde van het EU‑recht genieten, worden ontnomen;

21.  benadrukt het feit dat de EU is opgericht als een Unie die gegrondvest is op het beginsel van de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten (artikel 2 VEU); wijst erop dat de lidstaten, bij de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving, de in de Verdragen en het EU-Handvest verankerde grondrechten volledig moeten eerbiedigen; herhaalt dat zorgvuldig toezicht op de handelingen en nalatigheden van de lidstaten en EU-instellingen van het grootste belang is;

22.  spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over het aantal verzoekschriften aan het Parlement en bij de Commissie ingediende klachten over kwesties die al door de Commissie opgelost zouden zijn;

23.  benadrukt hoe belangrijk het is om de integriteit van de rechtsorde van de EU, die primaire, secundaire en zachte wetgeving omvat, te waarborgen; roept om deze reden op tot de tijdige aanneming van de wetgevings- en niet-wetgevingsinitiatieven die nodig zijn om de Europese pijler van sociale rechten tot stand te brengen voor de burgers; dringt er bij de Commissie op aan zo transparant en coherent mogelijk te werk te gaan bij haar inspanningen om een nieuw kader te creëren voor de correcte tenuitvoerlegging van EU-wetgeving, zoals de evaluatie van de uitvoering van EIR; verzoekt de Commissie te overwegen een dergelijk kader in het leven te roepen, dat specifiek gericht is op billijke en evenwichtige ontwikkeling, werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie met betrekking tot de Europese pijler van sociale rechten;

24.  herinnert aan zijn verzoek aan de Commissie om, in aansluiting op zijn resolutie van 25 oktober 2016, een voorstel in te dienen voor de sluiting van een EU-Pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (EU-Pact voor DRG), en dus haar thematische jaarverslagen op dit gebied effectief te bundelen met de resultaten van bestaande monitoringmechanismen en periodieke beoordelingsinstrumenten, en deze tijdig te presenteren; herinnert eraan dat de Commissie, als hoedster van de Verdragen en met volledige inachtneming van de beginselen van goed en efficiënt bestuur, zoals neergelegd in artikel 298 VWEU en de artikelen 41 en 47 van het EU-Handvest, de plicht heeft om toe te zien op en te evalueren in hoeverre het recht van de Unie correct wordt toegepast en of de lidstaten en alle instellingen en organen van de Unie de in de Verdragen verankerde beginselen en doelstellingen in acht nemen, en om zich te houden aan haar toezegging om de lidstaten actief te helpen bij de omzetting en uitvoering van bepaalde richtlijnen en verordeningen; beveelt daarom aan met deze taak rekening te houden in bovengenoemde DRG-beleidscyclus vanaf 2018 en haar thematische jaarverslagen op dit gebied – met de resultaten van bestaande monitoringmechanismen en periodieke beoordelingsinstrumenten – tijdig te presenteren;

25.  herinnert eraan dat het Parlement er herhaaldelijk bij de Commissie op heeft aangedrongen de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving en ‑beleid proactiever te monitoren, sturen en ondersteunen;

26.  verwelkomt de toezegging van de Commissie om de lidstaten actief te helpen bij de omzetting en uitvoering van Europese wetgeving door uitvoeringsplannen voor bepaalde richtlijnen en verordeningen voor te bereiden;

27.  is van mening dat het Parlement, gezien zijn medeverantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging en de handhaving van het EU-recht overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord en zijn opdracht om politieke controle uit te oefenen op de Commissie als bedoeld in artikel 14 VEU, automatisch moet worden geïnformeerd over elke ingeleide EU Pilot- en inbreukprocedure, en adequate toegang moet krijgen tot documenten met betrekking tot deze twee procedures, vooral wanneer die voortvloeien uit verzoekschriften, met inachtneming van de nodige vertrouwelijkheidsbepalingen voor een succesvolle afhandeling van de zaken;

28.  stelt voor vertegenwoordigers van de lidstaten vaker uit te nodigen om aanwezig te zijn bij de behandeling van verzoekschriften in de Commissie verzoekschriften;

29.  wijst op het ontoereikende niveau van tenuitvoerlegging van het EU-recht in de lidstaten, zoals blijkt uit het hoge aantal bij de Commissie ingediende klachten en de aanzienlijke stroom aan verzoekschriften die aan het Parlement worden gericht; is ingenomen met het voornemen dat de Commissie in haar mededeling van december 2016 heeft uitgesproken om meer gebruik te gaan maken van preventieve instrumenten, zoals pakketvergaderingen, uitvoeringsrichtsnoeren, deskundigengroepen en specialistische netwerken waaronder het Solvit-netwerk, en om de capaciteitsopbouw in de lidstaten om het EU-recht te handhaven te ondersteunen; verzoekt de Commissie om zich bij de tenuitvoerlegging van dit vernieuwde handhavingsbeleid in een volwaardig partnerschap met de lidstaten en de Europese instellingen te beroepen op de bepalingen van artikel 197 VWEU; verzoekt de Commissie de behandeling van verzoekschriften te verbeteren door tijdig en uitgebreid te antwoorden;

30.  merkt op dat de Commissie, hoewel 95 inbreukprocedures nog lopende zijn en het HvJ‑EU uitspraak heeft gedaan over niet-naleving door de lidstaten, slechts drie van deze zaken overeenkomstig artikel 260 VWEU aanhangig heeft gemaakt bij het Hof; acht het van het grootste belang dat de uitspraken van het Hof volledig en tijdig ten uitvoer worden gelegd, zo nodig door de bepalingen van artikel 279 VWEU volledig te benutten om ondermijning van het EU-recht en van de autoriteit van het HvJ-EU te voorkomen; verzoekt de Commissie om deze situatie aan te pakken en het Parlement regelmatig verslag uit te brengen over de vooruitgang die in dit opzicht is geboekt;

31.  onderstreept het feit dat alle EU-instellingen gebonden zijn aan de EU-Verdragen en het EU-Handvest(12);

32.  beveelt aan dat in elk interparlementair debat over democratie, de rechtsstaat en grondrechten het maatschappelijk middenveld en burgerparticipatie aan bod komen, bijvoorbeeld door middel van verzoekschriften aan het Parlement en het Europees burgerinitiatief;

33.  benadrukt dat de tussen de EU-instellingen en de lidstaten gesloten memoranda van overeenstemming krachtens artikel 288 VWEU niet als EU-handelingen worden beschouwd;

34.  benadrukt het cruciale belang van efficiëntie, transparantie en verantwoordingsplicht bij het opstellen en toepassen van het EU-recht door de EU-instellingen; onderstreept met name het beginsel van democratische verantwoordingsplicht – en de rol die het Parlement speelt bij het waarborgen daarvan – en het recht van EU-burgers op toegang tot de rechter en goed bestuur, zoals neergelegd in de artikelen 41 en 47 van het EU‑Handvest; wijst erop dat deze rechten en beginselen vereisen dat de burgers op adequate en eenvoudige wijze toegang krijgen tot de ontwerp-wetgeving die voor hen van belang is; herinnert eraan dat dezelfde rechten en beginselen ook voor de lidstaten van cruciaal belang moeten zijn als zij wetgeving voorstellen ter uitvoering van EU‑recht;

35.  verzoekt de Commissie waar mogelijk en nodig de financiële middelen van de EU te verhogen, zoals het Europees Sociaal Fonds dat bestemd is voor "vergroting van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties en belanghebbenden en een doelmatig openbaar bestuur", teneinde maatschappelijk welzijn en economische ontwikkeling te bevorderen, en de doeltreffendheid van bevorderlijke wetgeving te verbeteren; verzoekt de Commissie ten volle gebruik te maken van artikel 197 VWEU om de lidstaten beter in staat te stellen het EU-recht uit te voeren en te handhaven;

36.  verzoekt de Commissie instrumenten te ontwikkelen om de lidstaten te helpen omzettingsproblemen te herkennen, deze in een vroeg stadium van de inbreukprocedure aan te pakken en gezamenlijke oplossingen te vinden;

37.  herinnert eraan dat de wetgeving die aanleiding geeft tot de meest flagrante inbreukprocedures het resultaat van richtlijnen is; herinnert eraan dat verordeningen rechtstreeks en verplicht van toepassing zijn in alle lidstaten; verzoekt de Commissie dan ook zoveel mogelijk gebruik te maken van verordeningen wanneer zij overweegt met wetgevingsvoorstellen te komen; is van mening dat een dergelijke aanpak het risico van overregulering kan beperken;

38.  brengt in herinnering dat prejudiciële beslissingen ertoe bijdragen te verduidelijken op welke wijze het recht van de Europese Unie moet worden toegepast; is van oordeel dat een beroep op deze procedure een uniforme interpretatie en uitvoering van de EU‑wetgeving mogelijk maakt; verzoekt de Commissie daarom om nauwlettender te volgen of de nationale rechterlijke instanties voldoen aan de verplichting om het HvJ-EU om een prejudiciële beslissing te verzoeken, zoals bepaald in artikel 267 VWEU; moedigt nationale rechterlijke instanties daarom aan in geval van twijfel prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ-EU en zo inbreukprocedures te voorkomen;

39.  verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan haar controle op de uitvoering van Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt(13), en waar nodig inbreukprocedures op gang te brengen en daarbij bijzonder alert te zijn op onjuiste of gebrekkige toepassing;

40.  is ingenomen met de voortdurende inspanningen van de Commissie om de EU-milieuregelgeving te handhaven teneinde een gelijk speelveld voor alle lidstaten en marktdeelnemers te waarborgen, en tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de EU-milieuwetgeving aan te pakken, onder meer door zo nodig gebruik te maken van inbreukprocedures; benadrukt evenwel de bekende beperkingen in de doeltreffendheid van de EU-milieuregelgeving en met name de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn; verzoekt de Commissie nota te nemen van de resolutie van het Parlement van 26 oktober 2017(14) over de tenuitvoerlegging van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn; wijst erop dat, in bepaalde lidstaten, het recht van de burgers op een gezond milieu wordt ondermijnd door tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van EU-milieuwetgeving, met name wat betreft de voorkoming van schade aan lucht en water, afvalbeheer en afvalwaterzuiveringsinstallaties; benadrukt dat de Europese economie jaarlijks 50 miljard EUR aan kosten in verband met, bovenal, de gezondheidszorg en rechtstreekse kosten voor het milieu zou kunnen besparen als de milieuwetgeving van de EU volledig ten uitvoer zou worden gelegd;

41.  benadrukt dat het EU-acquis ook door de EU gesloten internationale overeenkomsten omvat; stelt met bezorgdheid vast dat de EU-milieuvoorschriften mogelijk niet in overeenstemming zijn met het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden ("het Verdrag van Aarhus")(15) doordat zij milieuorganisaties en leden van het publiek onvoldoende toegang tot de rechter bieden; verzoekt de Commissie daarom aandacht te besteden aan de bevindingen en aanbevelingen van het Comité van toezicht op de naleving van het Verdrag van Aarhus(16) en het standpunt van de Raad van 17 juli 2017(17), en op zoek te gaan naar manieren en middelen om aan het Verdrag van Aarhus te voldoen op een wijze die verenigbaar is met de grondbeginselen van de rechtsorde van de Unie en met haar stelsel van rechterlijke toetsing;

42.  verzoekt de Commissie vooral te letten op de uitvoering van de op asiel- en migratiegebied vastgestelde maatregelen teneinde ervoor te zorgen dat zij stroken met de in het EU-Handvest verankerde beginselen, samen te werken met de lidstaten om mogelijke problemen bij die uitvoering het hoofd te bieden en in voorkomend geval de nodige inbreukprocedures op gang te brengen; stelt met bezorgdheid vast dat bepaalde lidstaten verzuimen hun plichten met betrekking tot asiel en migratie na te komen, met name waar het de herplaatsing van asielzoekers betreft; onderstreept dat het gebrek aan solidariteit tussen sommige lidstaten op het gebied van asiel en migratie moet worden aangepakt, zodat alle lidstaten hun verplichtingen nakomen; verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen tegen de toename van mensenhandel met het oog op arbeidsuitbuiting of seksuele uitbuiting;

43.  verzoekt de Commissie doeltreffend te reageren op de veranderende situatie op het gebied van migratie en veiligheid en op efficiënte wijze uitvoering te geven aan de Europese migratieagenda en de aanverwante implementatiepakketten; verzoekt de lidstaten de terugkeerrichtlijn (2008/115/EG)(18) correct ten uitvoer te leggen en regelmatig verslag uit te brengen over de uitvoering van de Europese migratieagenda;

44.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of nulurencontracten verenigbaar zijn met de EU-arbeidswetgeving, waaronder de richtlijn deeltijdarbeid, aangezien in 2016 vele verzoekschriften over onzeker werk werden ingediend;

45.  is ingenomen met het feit dat in het verslag de rol van het Parlement wordt erkend om de Commissie door middel van parlementaire vragen en verzoekschriften te wijzen op tekortkomingen bij de toepassing van het EU-recht in de lidstaten; wijst erop dat nauwer toezicht door nationale parlementen op hun respectieve regeringen, wanneer die betrokken zijn bij het wetgevingsproces, zal leiden tot een doeltreffender toepassing van het EU-recht, zoals neergelegd in de Verdragen;

46.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat, gezien de inconsequente vertalingen van veel richtlijnen in de officiële talen van de EU, verschillende taalversies waarschijnlijk leiden tot uiteenlopende interpretaties van de respectieve teksten en tot verschillen in de omzetting ervan in de lidstaten; betreurt het feit dat dergelijke verschillen in de omzetting en juridische interpretatie van richtlijnen niet systematisch aan het licht komen, maar alleen wanneer zij worden verduidelijkt door arresten van het HvJ-EU;

47.  herinnert eraan dat voor de nationale parlementen een essentiële rol is weggelegd, zowel bij de prelegislatieve toetsing van ontwerpen van EU-rechtshandelingen als bij de postlegislatieve toetsing van de correcte tenuitvoerlegging van het EU-recht door de lidstaten; roept de nationale parlementen op deze rol proactief uit te voeren;

48.  is van mening dat, in overeenstemming met de inspanningen van de Commissie voor betere en doeltreffender EU-wetgeving, de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid altijd in aanmerking moeten worden genomen;

49.  herhaalt zijn oproep om binnen de betrokken directoraten-generaal (DG IPOL, DG EXPO en DG EPRS) een autonoom systeem op te zetten voor de evaluatie achteraf van het effect van de belangrijkste EU-wetgeving die door het Parlement volgens de medebeslissingsprocedure en volgens de gewone wetgevingsprocedure is aangenomen;

50.  verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan haar controle op de uitvoering van EU-wetgeving tot vaststelling van regels ter bestrijding van corruptiepraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt, en de nodige maatregelen te nemen om dergelijke praktijken aan te pakken;

51.  herinnert de lidstaten en de EU-instellingen eraan dat het waarborgen van tijdige en doeltreffende toepassing van EU-wetgeving in de lidstaten een prioriteit van de EU blijft; wijst erop dat het belangrijk is dat de beginselen van bevoegdheidstoedeling, subsidiariteit en evenredigheid, overeenkomstig artikel 5 VEU, alsmede het beginsel van gelijkheid voor de wet worden nageleefd, met het oog op een betere toetsing van de toepassing van het EU-recht; herinnert eraan hoe belangrijk het is dat er meer bekendheid wordt gegeven aan de bepalingen van de bestaande richtlijnen waarin de diverse aspecten van het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen aan de orde komen, en dat zij in de praktijk worden gebracht;

52.  spoort de EU-instellingen aan altijd hun verplichting na te komen om het primaire EU‑recht in acht te nemen wanneer zij bepalingen van afgeleid EU-recht en zachte wetgeving vaststellen, beleid ontwikkelen en overeenkomsten of verdragen met instellingen buiten de EU ondertekenen, lidstaten met alle mogelijke middelen bij te staan in hun inspanningen om de EU-wetgeving op alle gebieden om te zetten en de waarden en beginselen van de Unie te eerbiedigen, met name in het licht van de recente ontwikkelingen in de lidstaten;

53.  is het eens met het standpunt van de Commissie dat individuele klagers een essentiële rol spelen bij het aan de orde stellen van grotere problemen met de handhaving en toepassing van het EU-recht die de belangen van burgers en ondernemingen schaden;

54.  benadrukt dat het ontbreken van een samenhangende en uitgebreide reeks gecodificeerde regels inzake goed bestuur in de hele Unie het voor burgers en bedrijven moeilijk maakt om hun rechten uit hoofde van het Unierecht gemakkelijk en volledig te begrijpen; onderstreept derhalve dat het codificeren van regels inzake goed bestuur in de vorm van een verordening waarin de verschillende aspecten van de administratieve procedure worden vastgelegd, waaronder kennisgevingen, bindende termijnen, het recht om te worden gehoord en het recht van eenieder op toegang tot zijn dossier, onontbeerlijk is om de rechten van de burgers en de transparantie te versterken; is van mening dat deze verordening de interpretatie van de bestaande regels toegankelijker, duidelijker en samenhangender zou maken, hetgeen zowel burgers en ondernemingen als de administratie en haar ambtenaren ten goede zou komen;

55.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resoluties van 15 januari 2013 en 9 juni 2016 heeft aangedrongen op de vaststelling van een verordening betreffende een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat op grond van artikel 298 VWEU, en wijst erop dat de Commissie naar aanleiding van dit verzoek geen voorstel ter zake heeft ingediend; verzoekt de Commissie daarom nogmaals een wetgevingsvoorstel inzake een Europese wet bestuursprocesrecht in te dienen en daarbij rekening te houden met de door het Parlement tot dusver genomen maatregelen op dit terrein;

56.  benadrukt dat het feit dat milieuoverwegingen op andere beleidsgebieden onvoldoende een rol spelen een van de belangrijkste redenen is waarom de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving en ‑beleid tekortschiet;

57.  benadrukt dat er een hoog niveau van milieubescherming moet worden gehandhaafd, evenals een hoog niveau van gezondheidsbescherming en voedselveiligheid;

58.  wijst erop dat een doeltreffende handhaving van EU-voorschriften op het gebied van gezondheid, voedselveiligheid en milieu belangrijk is voor de Europese burgers, aangezien dit invloed heeft op hun dagelijks leven en het algemeen belang dient;

59.  dringt er bij de Commissie op aan om milieugerelateerde inbreukzaken met een grensoverschrijdende dimensie nauwlettend te volgen, met name als het gaat om zaken die betrekking hebben op de wetgeving inzake de luchtkwaliteit, en erop toe te zien dat het EU-recht in toekomstige lidstaten op correcte wijze wordt omgezet en toegepast; vraagt de Commissie voorts klagers tijdig en op passende en transparante wijze te informeren over de argumenten die door de betrokken staten als reactie op een klacht worden aangevoerd;

60.  stelt vast dat het aantal milieugerelateerde inbreukprocedures in 2016 een daling laat zien ten opzichte van 2015, maar is bezorgd over het feit dat er sprake was van een stijging in het aantal procedures op het gebied van gezondheid en voedselveiligheid, en verzoekt de Commissie aan dit onderwerp bijzondere aandacht te besteden;

61.  benadrukt het feit dat gelijkheid van mannen en vrouwen een kernbeginsel van de EU is, dat moet worden geïntegreerd in alle beleidsgebieden;

62.  onderstreept de fundamentele rol die de rechtsstaat vervult voor het verschaffen van legitimiteit aan iedere vorm van democratisch bestuur; benadrukt dat dit een hoeksteen vormt van het rechtsstelsel van de Unie en als zodanig aansluit bij het concept van een Unie die op de rechtsstaat berust;

63.  herinnert eraan dat het gelijkheidsbeginsel – in termen van gelijke beloning voor gelijk werk – in de Europese Verdragen is verankerd sinds 1957 (zie artikel 157 VWEU), en benadrukt het feit dat artikel 153 VWEU de EU in staat stelt te handelen op het bredere werkterrein van gelijke kansen en gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep;

64.  merkt met waardering op dat de door het HvJ-EU gehanteerde ruime interpretatie van het begrip gelijk loon voor gelijk werk, zoals geformuleerd in zijn arresten en uitgebreide jurisprudentie over dit artikel, zeker heeft gezorgd voor meer mogelijkheden om zowel directe als indirecte loondiscriminatie op basis van geslacht te bestrijden en de genderloonkloof te verkleinen, maar benadrukt dat er nog meer inspanningen moeten worden geleverd om de aanhoudende loonkloof tussen mannen en vrouwen in de EU volledig te dichten;

65.  betreurt het ten zeerste dat de invoering van juridische beginselen tegen een verschil in beloning tussen mannen en vrouwen op zich ontoereikend is gebleken om de aanhoudende genderloonkloof te dichten; herinnert eraan dat de lidstaten op grond van de herschikte Richtlijn 2006/54/EG verplicht zijn ervoor te zorgen dat alle met het beginsel van gelijke beloning strijdige bepalingen die voorkomen in collectieve arbeidsovereenkomsten, loonschalen of -akkoorden of individuele arbeidsovereenkomsten nietig (kunnen) worden verklaard of kunnen worden gewijzigd;

66.  benadrukt dat zowel de lidstaten als de Commissie aandacht moeten besteden aan de tenuitvoerlegging van het EU-recht, met name de bepalingen inzake gelijkheid op het gebied van loon; wijst nogmaals op het belang van integratie van het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen in een aantal EU-richtlijnen en beschouwt alternatieve instrumenten als een goed middel voor de juiste tenuitvoerlegging van het EU-recht; herinnert eraan dat het belangrijk is dat er meer bekendheid wordt gegeven aan de bepalingen van de bestaande richtlijnen waarin de diverse aspecten van het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen aan de orde komen, en dat zij in de praktijk worden gebracht; benadrukt dat door middel van collectieve onderhandelingen een verdere bijdrage geleverd kan worden aan de toepassing van het EU-recht inzake gelijk loon voor gelijk werk voor vrouwen en mannen, ouderschapsverlof, arbeidsomstandigheden en arbeidstijden, met inbegrip van een wekelijkse gemeenschappelijke rustdag, om voor vrouwen en mannen evenwicht tussen werk en privéleven te realiseren en hun situatie op de arbeidsmarkt te verbeteren;

67.  herinnert aan zijn resolutie van 15 januari 2013, waarin wordt aangedrongen op de vaststelling van een EU-verordening houdende een Europese wet bestuursprocesrecht uit hoofde van artikel 298 VWEU; betreurt het dat de Commissie niet is ingegaan op het verzoek van het Parlement om een voorstel voor een wetgevingshandeling inzake bestuursprocesrecht in te dienen;

68.  erkent dat het belangrijk is om gegevens te verzamelen, indien mogelijk uitgesplitst naar geslacht, om te evalueren hoe de bevordering van de vrouwenrechten vordert;

69.  betreurt de tekortschietende aanpak van de Commissie op het gebied van dierenwelzijn, waarbij zij de ernstige inconsistenties negeert die aan de orde zijn gesteld door een groot aantal burgers die gebruik hebben gemaakt van hun recht op het indienen van verzoekschriften; herhaalt zijn verzoek om een nieuwe strategie op EU-niveau te lanceren om alle bestaande tekortkomingen weg te werken en de volledige en doeltreffende bescherming van het dierenwelzijn te garanderen door middel van een helder en uitputtend wetgevingskader dat volledig voldoet aan de vereisten van artikel 13 VWEU;

70.  verzoekt de Commissie om grondig onderzoek te doen naar de verzoekschriften met betrekking tot kwaliteitsverschillen tussen levensmiddelen van hetzelfde merk in verschillende lidstaten; dringt er bij de Commissie op aan een eind te maken aan oneerlijke praktijken en ervoor te zorgen dat alle consumenten gelijk worden behandeld;

71.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0385.
(2) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.
(3) PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25.
(4) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(5) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 246.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.
(7) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 126.
(8) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 17.
(9) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(10) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 15.
(11) PB C 18 van 19.1.2017, blz. 10.
(12) Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 20 september 2016 in gevoegde zaken C‑8/15 P tot en met C-10/15 P, Ledra Advertising Ltd (C-8/15 P), Andreas Eleftheriou (C-9/15 P), Eleni Eleftheriou (C-9/15 P), Lilia Papachristofi (C-9/15 P), Christos Theophilou (C-10/15 P), Eleni Theophilou (C‑10/15 P) vs. Europese Commissie en Europese Centrale Bank (ECLI:EU:C:2016:701).
(13) PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0414.
(15) PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.
(16) ACCC/C/2008/32 (EU), deel II, vastgesteld op 17 maart 2017.
(17) PB L 186 van 19.7.2017, blz. 15.
(18) PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98.

Juridische mededeling - Privacybeleid