Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 3 juli 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het Agentschap voor luchtvaartveiligheid in Afrika en Madagaskar ***
 Verlenging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de EU en de VS ***
 Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing *
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/009 FR/Air France
 De rol van steden binnen het institutionele kader van de Unie
 Driedimensionaal printen: intellectuele-eigendomsrechten en civielrechtelijke aansprakelijkheid
 Industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ***I
 Geïntegreerde landbouwstatistieken ***I
 Mededeling van investeringsprojecten met betrekking tot energie-infrastructuur: intrekking ***I
 Maatregelen ter versterking van de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde *
 Schending van de rechten van inheemse volkeren
 Klimaatdiplomatie

Samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het Agentschap voor luchtvaartveiligheid in Afrika en Madagaskar ***
PDF 113kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 met betrekking tot het voorstel voor een Besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Unie van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en het Agentschap voor luchtvaartveiligheid in Afrika en Madagaskar (ASECNA) inzake de ontwikkeling van satellietnavigatie en de verlening van bijbehorende diensten ten behoeve van de burgerluchtvaart in het bevoegdheidsgebied van het ASECNA (11351/2017 – C8-0018/2018 – 2017/0104(NLE))
P8_TA(2018)0269A8-0213/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (11351/2017),

–  gezien het voorstel voor een Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en het Agentschap voor luchtvaartveiligheid in Afrika en Madagaskar (ASECNA) inzake de ontwikkeling van satellietnavigatie en de verlening van bijbehorende diensten ten behoeve van de burgerluchtvaart in het bevoegdheidsgebied van het ASECNA (13661/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 172 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0018/2018),

–  gezien artikel 99, lid 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8‑0213/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en aan het ASECNA.


Verlenging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de EU en de VS ***
PDF 113kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de verlenging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika (08166/2018 – C8-0259/2018 – 2018/0067(NLE))
P8_TA(2018)0270A8-0212/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (08166/2018),

–  gezien Besluit 98/591/EG van de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 186 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0259/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8‑0212/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de verlenging van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika.

(1) PB L 284 van 22.10.1998, blz. 35.


Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing *
PDF 204kWORD 74k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing (COM(2018)0008 – C8-0037/2018 – 2018/0003(NLE))
P8_TA(2018)0271A8-0217/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2018)0008),

–  gezien artikel 187 en artikel 188, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0037/2018),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8‑0217/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, zoals geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Bij Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad15 is Horizon 2020, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014 -2020), vastgesteld (hierna "Horizon 2020" genoemd). Het kaderprogramma beoogt een groter effect met betrekking tot onderzoek en innovatie te bewerkstelligen door financiering uit hoofde van Horizon 2020 en uit de private sector te combineren in publiek-private partnerschappen voor kerngebieden waar onderzoek en innovatie een bijdrage kunnen leveren aan de bredere concurrentiedoelstellingen van de Unie, het aantrekken van particuliere investeringen en het oplossen van maatschappelijke uitdagingen. Deze partnerschappen dienen gebaseerd te zijn op een langetermijnbetrokkenheid, waarbij sprake is van een evenwichtige bijdrage door alle partners; ze moeten worden afgerekend op het behalen van hun doelstellingen en moeten worden afgestemd op de strategische doelstellingen van de Unie op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Het bestuur en de werking van deze partnerschappen moet open, transparant, doeltreffend en efficiënt verlopen en moet een breed scala aan belanghebbenden de mogelijkheid bieden om op hun specifiek actieterrein deel te nemen.
(2)  Bij Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad15 is Horizon 2020, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020), vastgesteld (hierna "Horizon 2020" genoemd). Het kaderprogramma beoogt een groter effect met betrekking tot onderzoek en innovatie te bewerkstelligen door financiering uit hoofde van Horizon 2020 en uit de private sector te combineren in publiek-private partnerschappen voor kerngebieden waar onderzoek en innovatie een bijdrage kunnen leveren aan de bredere concurrentiedoelstellingen van de Unie, het aantrekken van particuliere investeringen en het oplossen van maatschappelijke uitdagingen. Deze partnerschappen dienen gebaseerd te zijn op een langetermijnbetrokkenheid, waarbij sprake is van een evenwichtige bijdrage door alle partners; ze moeten worden afgerekend op het behalen van hun doelstellingen en moeten worden afgestemd op de strategische doelstellingen van de Unie op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Het bestuur en de werking van deze partnerschappen moet open, transparant, doeltreffend en efficiënt verlopen en moet een breed scala aan belanghebbenden de mogelijkheid bieden om op hun specifiek actieterrein deel te nemen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld en burgergroeperingen passende inspraak bieden in het besluitvormingsproces.
__________________
__________________
15 Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020), en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104).
15 Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020), en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104).
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  In de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 met als titel "Europees cloudinitiatief - Bouwen aan een concurrentiële data- en kenniseconomie in Europa"22 wordt opgeroepen tot de totstandbrenging van Europese data-infrastructuur op basis van high-performance computing-capaciteiten van wereldklasse en de ontwikkeling van een volwaardig Europees high-performance computing-ecosysteem dat in staat is tot het ontwikkelen van nieuwe Europese technologie en het verwezenlijken van exaschaalsupercomputers. Het belang van het desbetreffende gebied en van de uitdagingen waarmee de belanghebbenden in de Unie worden geconfronteerd, vereist dringende maatregelen om de nodige middelen en capaciteiten bijeen te brengen teneinde te waarborgen dat onderzoek en ontwikkeling aansluiten op de levering en exploitatie van de exaschaal high-performance computing-systemen. Er dient daarom een mechanisme te worden opgezet op het niveau van de Unie om te zorgen voor de combinatie en concentratie van ondersteuning voor de totstandbrenging van Europese high-performance computing-infrastructuur van wereldklasse alsmede onderzoek en innovatie betreffende high-performance computingdoor de lidstaten, de Unie en de particuliere sector. Deze infrastructuur moet toegankelijk zijn voor gebruikers uit de overheidssector, het bedrijfsleven en de academische wereld, met inbegrip van de wetenschappelijke gemeenschappen die deel uitmaken van de Europese open wetenschapscloud.
(8)  In de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 met als titel "Europees cloudinitiatief – Bouwen aan een concurrentiële data- en kenniseconomie in Europa"22 wordt opgeroepen tot de totstandbrenging van Europese data-infrastructuur op basis van high-performance computing-capaciteiten van wereldklasse en de ontwikkeling van een volwaardig Europees high‑performance computing-ecosysteem dat in staat is tot het ontwikkelen van nieuwe Europese technologie en het verwezenlijken van exaschaalsupercomputers. Het belang van het desbetreffende gebied en van de uitdagingen waarmee de belanghebbenden in de Unie worden geconfronteerd, vereist dringende maatregelen om de nodige middelen en capaciteiten bijeen te brengen teneinde te waarborgen dat onderzoek en ontwikkeling aansluiten op de levering en exploitatie van de exaschaal high‑performance computing-systemen. Er dient daarom een mechanisme te worden opgezet op het niveau van de Unie om te zorgen voor de combinatie en concentratie van ondersteuning voor de totstandbrenging van Europese high-performance computing-infrastructuur van wereldklasse alsmede onderzoek en innovatie betreffende high-performance computing door de lidstaten, de Unie en de particuliere sector. Deze infrastructuur moet toegankelijk zijn voor gebruikers uit de overheidssector, het bedrijfsleven, met inbegrip van het midden- en kleinbedrijf (mkb), en de academische wereld, met inbegrip van de wetenschappelijke gemeenschappen die deel uitmaken van de Europese open wetenschapscloud.
__________________
__________________
22 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s "Europees cloudinitiatief – Bouwen aan een concurrentiële data- en kenniseconomie in Europa", COM(2016)0178.
22 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Europees cloudinitiatief – Bouwen aan een concurrentiële data- en kenniseconomie in Europa", COM(2016)0178.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  Het is van het allergrootste belang dat de EU in 2022 tot de wereldtop van supercomputing behoort. De Unie heeft achterstand opgelopen bij de ontwikkeling van high-performance computing ten gevolge van onderinvestering in de totstandbrenging van een volledig systeem. Om deze kloof te dichten moet de Unie supercomputers van wereldklasse verwerven, haar toeleveringssysteem waarborgen en diensten aanbieden aan het bedrijfsleven en het mkb voor simulatie, visualisering en prototypeontwikkeling en tegelijkertijd zorgen voor een HCP-systeem dat in overeenstemming is met de waarden en beginselen van de Unie.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Teneinde de Unie te voorzien van de computingprestaties die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het onderzoek dat in de Unie wordt uitgevoerd tot de top behoort, moeten de investeringen van de lidstaten in high-performance computing worden gecoördineerd en moet HPC-technologie in het bedrijfsleven een grotere rol gaan spelen. De Unie moet haar effectiviteit opvoeren wat betreft de omzetting van technologische ontwikkelingen in high-performance computing-systemen die in Europa worden aangeschaft door middel van een doeltreffende koppeling tussen het aanbod van technologie, gezamenlijk ontwerp met gebruikers, en de gezamenlijke aanbesteding van systemen van wereldklasse.
(10)  Teneinde de Unie te voorzien van de computingprestaties die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het onderzoek dat in de Unie wordt uitgevoerd tot de top behoort en de meerwaarde van gezamenlijke maatregelen op Unie-niveau te benutten, moeten de investeringen van de lidstaten in high-performance computing (HPC) worden gecoördineerd en moet HPC-technologie in het bedrijfsleven een grotere rol gaan spelen. De Unie moet haar effectiviteit opvoeren wat betreft de omzetting van technologische ontwikkelingen in high-performance computing-systemen die in Europa worden aangeschaft, door middel van een doeltreffende koppeling tussen het aanbod van technologie, gezamenlijk ontwerp met gebruikers, en de gezamenlijke aanbesteding van systemen van wereldklasse.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  De Commissie en de lidstaten moeten passende kaders voor governance en financiering overwegen en daarbij voldoende rekening houden met het initiatief voor een Gemeenschappelijke Onderneming EuroHPC, met de duurzaamheid ervan en met de noodzaak om op het niveau van de Unie een gelijk speelveld te creëren. Bovendien moeten de lidstaten de financieringsprogramma's bekijken op een manier die is afgestemd op de aanpak van de Commissie.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 ter (nieuw)
(10 ter)  Het Europese technologieplatform en het cPPP met betrekking tot HPC zijn van cruciaal belang om de onderzoeksprioriteiten van de Unie te definiëren voor de ontwikkeling van Unie-technologie in alle segmenten van de HPC-leveringsketen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)  De gemeenschappelijke onderneming heeft tot doel in de Unie een geïntegreerd HPC- en big data-ecosysteem van wereldklasse op te zetten en in stand te houden gebaseerd op Unie-leiderschap in HPC-, cloud- en big data-technologieën.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  De gemeenschappelijke onderneming moet worden opgezet en in 2019 operationeel zijn teneinde de doelstelling te verwezenlijken om de Unie tegen 2020 te voorzien van pre-exaschaalinfrastructuur en tegen 2022-2023 de nodige technologieën voor het totstandbrengen van exaschaalcapaciteiten te ontwikkelen. Aangezien de ontwikkelingscyclus van de volgende generatie technologie gewoonlijk vier tot vijf jaar in beslag neemt, moeten onmiddellijk maatregelen worden genomen om de concurrentiepositie op de wereldwijde markt te behouden en deze doelstelling te verwezenlijken.
(12)  De gemeenschappelijke onderneming moet worden opgezet en operationeel zijn in 2019 teneinde de doelstelling te verwezenlijken om de Unie tegen 2020 te voorzien van pre-exaschaalinfrastructuur en tegen 2022‑2023 de nodige technologieën voor het totstandbrengen van, indien mogelijk, autonome exaschaalcapaciteiten te ontwikkelen. Aangezien de ontwikkelingscyclus van de volgende generatie technologie gewoonlijk vier tot vijf jaar in beslag neemt, moet meteen worden gestart met het nemen van maatregelen ter verwezenlijking van de doelstelling de concurrentiepositie op de wereldwijde markt te behouden.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  De Gemeenschappelijke Onderneming EuroHPC moet worden beschouwd als integraal onderdeel van de data-infrastructuur van de Unie met betrekking tot het volledige ecosysteem en de voordelen ervan moeten op brede schaal worden gepromoot.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  De Commissie moet meer lidstaten aanmoedigen om zich bij de Gemeenschappelijke Onderneming EuroHPC aan te sluiten en haar als prioritair gebied voor onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's te gebruiken, in overeenstemming met de nationale activiteiten. De Commissie moet het initiatief ook in alle lidstaten promoten als onderdeel van een sterke politieke en economische inzet voor digitale innovatie.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  De Unie, de deelnemende staten en de particuliere leden van de gemeenschappelijke onderneming dienen elk een financiële bijdrage aan de administratieve kosten van de gemeenschappelijke onderneming te leveren. Aangezien een bijdrage aan de administratieve kosten door de Unie in het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 slechts tot 2023 kan worden doorgeschoven om de lopende kosten te dekken, moeten de deelnemende staten en de particuliere leden van de gemeenschappelijke onderneming de administratieve kosten van de gemeenschappelijke onderneming vanaf 2024 volledig voor hun rekening nemen.
(14)  De Unie, de deelnemende staten en de particuliere leden van de gemeenschappelijke onderneming dienen elk een financiële bijdrage aan de administratieve kosten van de gemeenschappelijke onderneming te leveren. Aangezien een bijdrage aan de administratieve kosten door de Unie in het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 slechts tot 2023 kan worden doorgeschoven om de lopende kosten te dekken, moeten de deelnemende staten en de particuliere leden van de gemeenschappelijke onderneming de administratieve kosten van de gemeenschappelijke onderneming vanaf 2024 volledig voor hun rekening nemen om het voortbestaan op lange termijn van de gemeenschappelijke onderneming te waarborgen.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)  Alle mogelijke synergieën tussen EuroHPC en EU- en nationale onderzoeksprogramma's moeten worden onderzocht en bevorderd. De gemeenschappelijke onderneming moet integreren in bestaande leidende onderzoeks- en ontwikkelingsstructuren, zoals het European Technology Platform for High Performance Computing Value PPP and big data, om de efficiëntie ervan te maximaliseren en het gebruik ervan te vergemakkelijken en de basis te leggen voor een bloeiende gegevensgestuurde economie.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 ter (nieuw)
(15 ter)  De Commissie en de lidstaten moeten de bestaande activiteiten van het Europees cloudpartnerschap op basis van de bestaande pijlers van PRACE en GEANT versterken, belangenverstrengeling vermijden, en erkennen dat hun complementaire rollen van cruciaal belang zijn om een EuroHPC-ecosysteem tot stand te brengen.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  De gemeenschappelijke onderneming moet zijn gericht op duidelijk gedefinieerde onderwerpen en de academische wereld en het Europese bedrijfsleven in het algemeen in staat stellen de meest innovatieve technologieën op het gebied van high-performance computing te ontwerpen, ontwikkelen en gebruiken, en in de hele Unie te zorgen voor geïntegreerde infrastructuur met high-performance computing-capaciteiten van wereldklasse, snelle connectiviteit en leidende toepassingen en data- en softwarediensten ten behoeve van wetenschappers en andere leidende gebruikers uit het bedrijfsleven, met inbegrip van het mkb, en de overheidssector. Met de gemeenschappelijke onderneming moet het gebrek aan HPC-gerelateerde vaardigheden worden aangepakt. De gemeenschappelijke onderneming moet de weg effenen voor de opbouw van de eerste hybride high-performance computing-infrastructuur in Europe, waarbij klassieke computingarchitectuur en quantumcomputingtoestellen worden geïntegreerd en bijvoorbeeld de quantumcomputer als accelerator voor HPC-threads wordt benut. Gestructureerde en gecoördineerde financiële steun op Europees niveau is noodzakelijk om in een uiterst competitieve internationale context de technologische koppositie van onderzoeksteams en Europese industrieën te behouden door resultaten van wereldklasse te behalen en deze te integreren in concurrerende systemen, in de hele Unie een snel en breed industrieel rendement uit Europese technologie te halen en daardoor belangrijke spill-overeffecten voor de samenleving te creëren, risico’s te delen en krachten te bundelen door strategieën en investeringen op het gemeenschappelijke Europese belang te richten. Als een lidstaat of groep van lidstaten daartoe een aanvraag doet, kan de Commissie overwegen de initiatieven van de gemeenschappelijke onderneming als belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang aan te merken, indien aan alle voorwaarden wordt voldaan, in overeenstemming met de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie25.
(18)  De gemeenschappelijke onderneming moet zijn gericht op duidelijk gedefinieerde onderwerpen, en niet alleen de academische wereld maar ook het Europese bedrijfsleven in het algemeen in staat stellen de meest innovatieve technologieën op het gebied van high-performance computing te ontwerpen, ontwikkelen en gebruiken, alsook in de hele Unie te zorgen voor geïntegreerde infrastructuur met high-performance computing-capaciteiten van wereldklasse, snelle connectiviteit en leidende toepassingen en data- en softwarediensten ten behoeve van wetenschappers en andere leidende gebruikers uit het bedrijfsleven, in het bijzonder micro-ondernemingen, het mkb en start‑ups, en de overheidssector. Met de gemeenschappelijke onderneming moet het gebrek aan HPC-gerelateerde vaardigheden worden aangepakt. Hiertoe moeten scholing en HPC-gerelateerde loopbaankeuzes worden aangemoedigd en speciale programma's worden aangeboden om tot een evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen in HPC-loopbanen te komen. De gemeenschappelijke onderneming moet de weg effenen voor de opbouw van de eerste hybride high-performance computing-infrastructuur in Europe, waarbij klassieke computingarchitectuur en quantumcomputingtoestellen worden geïntegreerd en bijvoorbeeld de quantumcomputer als accelerator voor HPC-threads wordt benut. Gestructureerde en gecoördineerde financiële steun op Europees niveau is noodzakelijk om in een uiterst competitieve internationale context de technologische koppositie van onderzoeksteams en Europese industrieën te behouden door resultaten van wereldklasse te behalen en deze te integreren in concurrerende systemen, in de hele Unie een snel en breed industrieel rendement uit Europese technologie te halen en daardoor belangrijke gunstige spill‑overeffecten voor de samenleving te creëren, risico's te delen en krachten te bundelen door strategieën en investeringen op het gemeenschappelijke Europese belang te richten. Als een lidstaat of groep van lidstaten daartoe een aanvraag doet, kan de Commissie overwegen de initiatieven van de gemeenschappelijke onderneming als belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang aan te merken, indien aan alle voorwaarden wordt voldaan, in overeenstemming met de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie25.
__________________
__________________
25 Mededeling van de Commissie "Criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang" (PB C 188 van 20.6.2014, blz. 4).
25 Mededeling van de Commissie "Criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang" (PB C 188 van 20.6.2014, blz. 4).
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 bis (nieuw)
(18 bis)  De gemeenschappelijke onderneming moet wetenschappers, het bedrijfsleven en de overheidssector in de Unie toegang bieden tot supercomputers en aanverwante diensten van wereldklasse, zodat zij over de nodige instrumenten beschikken om een vooraanstaande rol te blijven spelen op het gebied van wetenschap en industriële concurrentie, teneinde geïntegreerde infrastructuren voor wetenschappelijke gegevens en high‑performance computing in stand te houden en te ondersteunen.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 ter (nieuw)
(18 ter)  De gemeenschappelijke onderneming moet openstaan voor deelname van alle lidstaten, die worden aangemoedigd zich aan te sluiten en haar als prioritair gebied voor onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's te gebruiken, in overeenstemming met de nationale activiteiten. De gemeenschappelijke onderneming moet de activiteiten van de supercomputer promoten als onderdeel van een sterke politieke en economische inzet voor digitale innovatie.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 quater (nieuw)
(18 quater)  Om de nodige capaciteit op te bouwen en te zorgen voor deelname van alle lidstaten, moet per lidstaat een HPC-kenniscentrum (Centrum) verbonden aan het nationale supercomputingcentrum worden opgericht. De centra moeten de toegang tot het HPC-ecosysteem bevorderen en stimuleren, van toegang tot de supercomputers tot toegang tot toepassingen en diensten. Zij moeten HPC-gebruikers ook onderwijs en opleiding aanbieden om hun HPC-vaardigheden te ontwikkelen, bewustmakings-, opleidings- en stimuleringsactiviteiten met betrekking tot de voordelen van High Performance Computing voor met name het mkb bevorderen en netwerkactiviteiten opzetten met belanghebbenden en andere centra om tot nog meer innovaties aan te zetten, waardoor High Performance Computing nog meer kan worden toegepast.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 quinquies (nieuw)
(18 quinquies)  Brede participatie uit de hele Unie en eerlijke en redelijke toegang voor spelers van derde landen zijn belangrijk om het potentieel van een Unie-supercomputer die kan helpen om de wetenschap en het regionale concurrentievermogen in de Unie op een hoogstaand niveau te brengen, ten volle te kunnen benutten.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 sexies (nieuw)
(18 sexies)  Hoewel de toegangstijd tot de supercomputers in verhouding staat tot de financiële bijdrage, moet er gezorgd worden voor een speelveld voor alle lidstaten, wetenschappers en industrieën in de Unie.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 septies (nieuw)
(18 septies)  De toegangstijd van de Unie moet worden toegewezen via concurrerende oproepen op basis van excellentie, onafhankelijk van de Unie-nationaliteit van de indiener. Daarnaast moeten deelnemende lidstaten ook de mogelijkheid hebben hun toegangstijd ter beschikking te stellen van andere wetenschappers, het bedrijfsleven of onderzoekers uit de Unie.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)  De door de gemeenschappelijke onderneming verworven en ondersteunde supercomputers moeten zo zijn ontwikkeld en geselecteerd dat zij voor wetenschappelijke doeleinden en voor gebruik door het bedrijfsleven maximale efficiëntie bieden. Om die reden moet de Commissie stappen ondernemen om efficiëntie en kostenefficiëntie in haar evaluaties nog beter te kunnen beoordelen.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  De pre-exaschaal- en petaschaalsupercomputers moeten hoofdzakelijk voor openbare onderzoeks- en innovatiedoeleinden worden gebruikt door eender welke gebruiker uit de academische wereld, het bedrijfsleven of de overheidssector. De gemeenschappelijke onderneming moet toestemming krijgen om een aantal beperkte economische activiteiten voor particuliere doeleinden uit te voeren. Gebruikers die zijn gevestigd in de Unie of in een met Horizon 2020 geassocieerd land, moeten toegang krijgen. De toegangsrechten moeten voor alle gebruikers billijk zijn en op transparante wijze worden toegewezen. De raad van bestuur moeten voor elke supercomputer de toegangsrechten vaststellen voor het aandeel van de Unie in de toegangstijd.
(22)  De pre-exaschaal- en petaschaalsupercomputers moeten hoofdzakelijk voor openbare civiele onderzoeks- en innovatiedoeleinden worden gebruikt door eender welke gebruiker uit de academische wereld, het bedrijfsleven, met inbegrip van het mkb, of de overheidssector. De gemeenschappelijke onderneming moet toestemming krijgen om een aantal beperkte economische activiteiten voor particuliere doeleinden uit te voeren. Gebruikers die zijn gevestigd in de Unie of in een met Horizon 2020 geassocieerd land, moeten toegang krijgen. De toegangsrechten moeten voor alle gebruikers billijk zijn en op transparante wijze worden toegewezen. De raad van bestuur moet voor elke supercomputer de toegangsrechten vaststellen voor het aandeel van de Unie in de toegangstijd.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)  De voorschriften van Horizon 2020 inzake intellectuele-eigendomsrechten, eigendomsoverdracht van intellectuele-eigendomsrechten, licentieverlening en exploitatie moeten ten minste van toepassing zijn om de economische belangen van de Unie te beschermen.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 29 bis (nieuw)
(29 bis)  Het bedrag dat nodig is voor de aanschaf van de supercomputer moet ook de investering in een verbeterde gegevensstroom en een verbeterde verbinding met het netwerk dekken.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 30 bis (nieuw)
(30 bis)  Voor alle HPC-aanbieders die in de Unie actief zijn, moeten dezelfde concurrentievoorwaarden en regels gelden.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 30 ter (nieuw)
(30 ter)  Om te zorgen voor consistentie en om overlapping met andere bestaande initiatieven op het gebied van high-performance computing en big data te vermijden, met name met de contractuele publiek-private partnerschappen op het gebied van high‑performance computing en big data die zijn gesloten in 2014 en PRACE, moeten die initiatieven worden gestroomlijnd door ze op te nemen in de gemeenschappelijke onderneming voor de periode na 2020.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 32
(32)  Bij de verstrekking van financiële steun aan activiteiten van het programma Connecting Europe Facility moet worden voldaan aan de regels van dit programma.
(32)  Er moet worden gestreefd naar administratieve vereenvoudiging en vermeden moet worden dat er binnen de gemeenschappelijke onderneming verschillende regels worden gehanteerd. Er moet één stel regels worden gehanteerd voor alle activiteiten van de gemeenschappelijke onderneming, in plaats van dat er regels van Horizon 2020 en CEF-regels naast elkaar bestaan.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 40
(40)  Alle oproepen tot het indienen van voorstellen door de gemeenschappelijke onderneming moeten de looptijd van het kaderprogramma Horizon 2020 en het programma Connecting Europe Facility, in voorkomend geval, in acht nemen, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen.
(40)  Alle oproepen tot het indienen van voorstellen en tot inschrijving die worden gedaan door de gemeenschappelijke onderneming, moeten de looptijd van het kaderprogramma Horizon 2020 en het programma Connecting Europe Facility, in voorkomend geval, in acht nemen, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen. Voor de periode die niet door het kaderprogramma Horizon 2020 en het programma Connecting Europe Facility wordt gedekt, moeten passende aanpassingen worden doorgevoerd die rekening houden met het Meerjarig Financieel Kader voor de periode na 2020, zodat de activiteiten van de gemeenschappelijke onderneming kunnen worden voortgezet.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 41 bis (nieuw)
(41 bis)  High-performance computing is belangrijk voor de ontwikkeling van cloudcomputing en kan alleen ten volle worden benut wanneer gegevens op basis van duidelijke regels vrij kunnen bewegen binnen de Unie.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 41 ter (nieuw)
(41 ter)  Daarnaast moet de Unie-wetgeving inzake gegevensbescherming, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en veiligheid van toepassing zijn op alle supercomputers die geheel of gedeeltelijk eigendom zijn van de gemeenschappelijke onderneming, of op alle supercomputers die toegangstijd ter beschikking stellen aan de gemeenschappelijke onderneming.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 41 quater (nieuw)
(41 quater)  De gemeenschappelijke onderneming moet garanderen dat de HPC-supercomputers in de Unie uitsluitend toegankelijk zijn voor entiteiten die voldoen aan de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en veiligheid.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 41 quinquies (nieuw)
(41 quinquies)  De gemeenschappelijke onderneming moet garanderen dat de High‑Performance Computing computers in de Unie uitsluitend toegankelijk zijn voor entiteiten die gevestigd zijn in de lidstaten of in geassocieerde landen die voldoen aan de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en veiligheid.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 41 sexies (nieuw)
(41 sexies)  Waar passend, moet internationale samenwerking met derde landen en tussen de deelnemende staten worden aangemoedigd. Toegang tot supercomputers in de Unie mag niet worden verleend aan entiteiten die gevestigd zijn in derde landen, tenzij die landen wederzijdse toegang tot hun supercomputers verlenen. Gebruik van de gegevens van supercomputers in de Unie moet worden aangemoedigd, waarbij ervoor gezorgd moet worden dat wordt voldaan aan de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en veiligheid.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
(7)  " onderbrengende entiteit": een juridische entiteit, gevestigd in een aan de gemeenschappelijke onderneming deelnemende lidstaat, die voorziet in faciliteiten om een pre-exaschaalsupercomputer in onder te brengen en te exploiteren;
(7)  "onderbrengende entiteit": een juridische entiteit, gevestigd in een aan de gemeenschappelijke onderneming deelnemende lidstaat, die voorziet in faciliteiten om een petaschaal- of pre-exaschaalsupercomputer in onder te brengen en te exploiteren;
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – letter a
(a)  wetenschappers, het bedrijfsleven en de overheidssector uit de Unie of een aan Horizon 2020 geassocieerd land voorzien van de meest recente high-performance computing- en data-infrastructuur alsmede de ontwikkeling van de daaraan gerelateerde technologieën en toepassingen op een breed scala aan gebieden ondersteunen;
(a)  wetenschappers en onderzoekers, het bedrijfsleven, met inbegrip van start‑ups, micro-ondernemingen en het mkb, en de overheidssector uit de Unie of een aan Horizon 2020 geassocieerd land voorzien van de meest recente high-performance computing- en data-infrastructuur alsmede de ontwikkeling van de daaraan gerelateerde technologieën en toepassingen op een breed scala aan gebieden ondersteunen, hoofdzakelijk voor civiel gebruik, zoals gezondheidszorg, energie, slimme steden, zelfrijdend vervoer en ruimtevaart;
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – letter b
(b)  voorzien in een kader voor de aankoop van geïntegreerde pre-exaschaal supercomputing- en data-infrastructuur van wereldklasse in de Unie;
(b)  voorzien in een kader voor de aankoop van geïntegreerde pre-exaschaalsupercomputing- en data-infrastructuur van wereldklasse in de Unie, onder andere door de aankoop van petaschaalsupercomputers te steunen;
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – letter d
(d)  ondersteunen van de ontwikkeling van een geïntegreerd ecosysteem inzake high-performance computing in de Unie dat alle segmenten van de wetenschappelijke en industriële waardeketen dekt, met name op het gebied van hardware, software, toepassingen, diensten, engineering, interconnecties, expertise en vaardigheden.
(d)  ondersteunen van de ontwikkeling van een geïntegreerd ecosysteem inzake high-performance computing in de Unie dat alle segmenten van de wetenschappelijke en industriële waardeketen dekt, met name op het gebied van hardware, software, toepassingen, diensten, engineering, interconnecties, expertise en vaardigheden, teneinde de Unie te versterken als mondiaal centrum voor innovatie en zo het concurrentievermogen en de onderzoeks- en ontwikkelingscapaciteit te ontwikkelen;
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – letter d bis (nieuw)
(d bis)  synergieën mogelijk maken en de meerwaarde bieden van samenwerking tussen deelnemende lidstaten en andere actoren;
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – letter d ter (nieuw)
(d ter)  een verbinding aangaan met bestaande contractuele publiek-private partnerschappen met betrekking tot high‑performance computing en big data om synergieën en integratie tot stand te brengen.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter d
(d)  opbouwen en exploiteren van een leidende geïntegreerde supercomputing- en data-infrastructuur in de hele Unie Union als essentiële voorwaarde voor wetenschappelijke excellentie, voor de digitalisering van het bedrijfsleven en de overheidssector, en voor het versterken van de capaciteiten inzake innovatie en het wereldwijde concurrentievermogen teneinde bij te dragen aan de groei van de economie en de werkgelegenheid in de Unie;
(d)  opbouwen en exploiteren van een leidende geïntegreerde supercomputing- en data-infrastructuur in de hele Unie, waarbij deze infrastructuur is ontworpen om efficiënt te zijn voor wetenschappelijke doeleinden en een essentiële voorwaarde is voor wetenschappelijke excellentie, voor de digitalisering van het bedrijfsleven en de overheidssector, en voor het versterken van de capaciteiten inzake innovatie en het wereldwijde concurrentievermogen teneinde bij te dragen aan de groei van de economie en de werkgelegenheid in de Unie;
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter e
(e)  toegang tot infrastructuurvoorzieningen en diensten op basis van high-performance computing bieden aan een breed scala aan gebruikers uit de onderzoeks- en wetenschapsgemeenschap, aan het bedrijfsleven, met inbegrip van het mkb, en aan de overheidssector, met het oog op nieuwe en opkomende rekenintensieve toepassingen en diensten;
(e)  toegang tot infrastructuurvoorzieningen en diensten op basis van high‑performance computing bieden aan een breed scala aan gebruikers uit de onderzoeks- en wetenschapsgemeenschap, het bedrijfsleven, met inbegrip van micro‑ondernemingen, het mkb en de overheidssector, met het oog op nieuwe en opkomende gegevens- en rekenintensieve toepassingen en diensten;
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter f
(f)  de kloof dichten tussen onderzoek en ontwikkeling en de levering van exaschaal high-performance computing-systemen teneinde de toeleveringsketen inzake digitale technologie in de Unie te versterken en de aankoop van supercomputers van wereldklasse door de gemeenschappelijke onderneming mogelijk te maken;
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter h
(h)  verbinden en bundelen van regionale, nationale en Europese high-performance computing-supercomputers en andere computingsystemen, datacentra en aanverwante software en toepassingen;
(h)  verbinden en bundelen van regionale, nationale en Europese high‑performance computing-supercomputers en andere computingsystemen, datacentra en aanverwante software en toepassingen zonder de gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het gedrang te brengen;
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter i
(i)  vergroten van het innovatiepotentieel van het bedrijfsleven, en met name van het mkb, door middel van geavanceerde high-performance computing-infrastructuur en -diensten;
(i)  vergroten van het innovatiepotentieel van het bedrijfsleven, en met name van micro-ondernemingen en het mkb, alsook van onderzoeks- en wetenschappelijke gemeenschappen door middel van geavanceerde high‑performance computing-infrastructuur en ‑diensten, inclusief nationale high‑performance computing-/supercomputingcentra;
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter j
(j)  verbeteren van de kennis van high-performance computing en ertoe bijdragen het gebrek aan vaardigheden in verband met high-performance computing in de Unie wordt aangepakt;
(j)  verbeteren van de kennis van high-performance computing en ertoe bijdragen dat het gebrek aan vaardigheden in verband met high-performance computing in de Unie wordt aangepakt, door scholing en een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in HPC-loopbanen te stimuleren;
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1
(1)  De gemeenschappelijke onderneming vertrouwt de exploitatie van elke afzonderlijke pre-exaschaalsupercomputer waarvan zij eigenaar is toe aan een onderbrengende entiteit die in overeenstemming met lid 3 en de in artikel 11 bedoelde financiële regels van de gemeenschappelijke onderneming is geselecteerd.
(1)  De gemeenschappelijke onderneming vertrouwt de exploitatie van elke afzonderlijke petaschaal- of pre‑exaschaalsupercomputer waarvan zij eigenaar is toe aan een onderbrengende entiteit die een of meerdere deelnemende staten vertegenwoordigt en in overeenstemming met lid 3 en de in artikel 11 bedoelde financiële regels van de gemeenschappelijke onderneming is geselecteerd.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2
(2)  De pre-exaschaalsupercomputers worden geplaatst in een deelnemende staat die een lidstaat is van de Unie is. In een lidstaat wordt niet meer dan één pre-exaschaalsupercomputer ondergebracht.
(2)  De petaschaal- of pre‑exaschaalsupercomputers worden geplaatst in een deelnemende staat die een lidstaat is van de Unie is. In elke lidstaat wordt niet meer dan één pre-exaschaalsupercomputer ondergebracht.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 – inleidende formule
(3)  De onderbrengende entiteit wordt geselecteerd door de raad van bestuur, onder meer op basis van de onderstaande criteria:
(3)  De onderbrengende entiteit wordt in een eerlijk en transparant proces geselecteerd door de raad van bestuur, onder meer op basis van de onderstaande criteria:
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 – letter c
(c)  ervaring waarover de onderbrengende entiteit beschikt met betrekking tot het installeren en exploiteren van soortgelijke systemen;
(c)  ervaring waarover de onderbrengende entiteit beschikt met betrekking tot het installeren, exploiteren en onderhouden van soortgelijke systemen, met inbegrip van de energiebehoeften van de supercomputer;
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  een hoog niveau van gegevensbescherming, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en cyberbeveiliging, met inbegrip van geavanceerd beheer van risico's en bedreigingen en bestendigheid tegen cyberaanvallen;
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Zodra de onderbrengende entiteiten geselecteerd zijn, zorgt de gemeenschappelijke onderneming voor synergieën met de ESIF's.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2
(2)  De raad van bestuur stelt de algemene toegangsvoorwaarden vast en kan specifieke toegangsvoorwaarden vaststellen voor verschillende soorten gebruikers of toepassingen. De kwaliteit van de dienstverlening is gelijk voor alle gebruikers.
(2)  De raad van bestuur stelt de algemene toegangsvoorwaarden vast en kan specifieke toegangsvoorwaarden vaststellen voor verschillende soorten gebruikers of toepassingen. De kwaliteit van de dienstverlening is gelijk voor alle gebruikers, maar er kunnen vooraf prioriteitscriteria worden vastgesteld zonder de toegang voor alle potentiële gebruikers en toepassingen in het gedrang te brengen.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3
(3)  Zonder afbreuk te doen aan door de Unie gesloten internationale overeenkomsten, wordt toegangstijd uitsluitend toegewezen aan gebruikers die in een lidstaat of een met Horizon 2020 geassocieerd land verblijven, daar zijn gevestigd of zich daar bevinden, tenzij de raad van bestuur daar in met redenen omklede gevallen anders over beslist, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de Unie.
(3)  Zonder afbreuk te doen aan door de Unie gesloten internationale overeenkomsten, wordt toegangstijd uitsluitend toegewezen aan gebruikers die in een lidstaat of een met Horizon 2020 geassocieerd land verblijven, daar zijn gevestigd of zich daar bevinden, tenzij de raad van bestuur daar anders over beslist in met redenen omklede gevallen, en met name gevallen van derde landen die internationale overeenkomsten inzake wetenschappelijke samenwerking hebben ondertekend en als zij, in voorkomend geval, wederzijdse toegang tot hun supercomputer hebben verleend, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de Unie.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2 – alinea 1
Het aandeel van de toegangstijd van de Unie tot elke pre-exaschaalsupercomputer is evenredig aan de financiële bijdrage van de Unie aan de verwervingskosten ervan in verhouding tot de totale kosten van de verwerving en exploitatie van de pre-exaschaalsupercomputer. De raad van bestuur moeten stelt de toegangsrechten vast voor het aandeel van de Unie in de toegangstijd.
Het aandeel van de toegangstijd van de Unie tot elke pre-exaschaalsupercomputer is rechtstreeks evenredig aan de financiële bijdrage van de Unie aan de verwervingskosten ervan in verhouding tot de totale kosten van de verwerving en exploitatie van de pre‑exaschaalsupercomputer. Toegang tot het aandeel van de toegangstijd van de Unie is uitsluitend gericht op civiele toepassingen. De raad van bestuur moet de toegangsrechten vaststellen voor het aandeel van de Unie in de toegangstijd.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2 bis (nieuw)
(2 bis)  De bijdrage van ieder deelnemend land aan de kosten van de toegangstijd wordt openbaar gemaakt.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 1
(1)  Voor donderdag 30 juni 2022 voert de Commissie met de hulp van onafhankelijke deskundigen een tussentijdse evaluatie uit van de gemeenschappelijke onderneming , waarbij in het bijzonder wordt beoordeeld in welke mate de deelnemende staten, de particuliere leden en hun samenstellende entiteiten en gelieerde entiteiten, alsmede andere juridische entiteiten, participeren in en bijdragen aan de acties. De Commissie stelt een verslag op van die evaluatie, dat de conclusies van de evaluatie en opmerkingen van de Commissie bevat. De Commissie stuurt dat verslag uiterlijk op 31 december 2022 naar het Europees Parlement en de Raad.
(1)  Uiterlijk op 30 juni 2022 voert de Commissie met de hulp van onafhankelijke deskundigen een tussentijdse evaluatie uit van de gemeenschappelijke onderneming, waarbij in het bijzonder wordt beoordeeld in welke mate de deelnemende staten, de particuliere leden en hun samenstellende entiteiten en gelieerde entiteiten, alsmede het bedrijfsleven in de Unie in het algemeen en andere juridische entiteiten, participeren in en bijdragen aan de acties. De evaluatie moet ook eventuele andere beleidsbehoeften vaststellen en onder andere de toestand van specifieke sectoren beoordelen, wat betreft hun vermogen om volledig toegang te krijgen tot de mogelijkheden die high-performance computing biedt en deze mogelijkheden ten volle te benutten. De Commissie stelt een verslag op van die evaluatie, dat de conclusies van de evaluatie en opmerkingen van de Commissie bevat. De Commissie stuurt dat verslag uiterlijk op 31 december 2022 naar het Europees Parlement en de Raad.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 bis (nieuw)
(3 bis)  De evaluatie dekt de in artikel 12 bedoelde commerciële doeleinden op basis van het daadwerkelijke gebruik.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Bijlage – artikel 1 – alinea 1 – letter c
(c)  de procedure voor de verwerving van de pre-exaschaalsupercomputers opstarten en beheren, de ontvangen offertes beoordelen, middelen toekennen binnen de grenzen van de beschikbare gelden, toezicht houden op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst en de overeenkomsten beheren;
(c)  de procedure voor de verwerving van de pre-exaschaalsupercomputers op een open en transparante manier opstarten en beheren door een beroep te doen op onafhankelijke deskundigen, de ontvangen offertes beoordelen, middelen toekennen binnen de grenzen van de beschikbare gelden, toezicht houden op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst en de overeenkomsten beheren;
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Bijlage – artikel 1 – alinea 1 – letter d
(d)  de onderbrengende entiteit van de pre-exaschaalsupercomputers selecteren overeenkomstig de financiële regels als bedoeld in artikel 11 van deze verordening;
(d)  de onderbrengende entiteit van de pre-exaschaalsupercomputers selecteren overeenkomstig de in artikel 6, lid 3, vastgelegde regels en de financiële regels als bedoeld in artikel 11 van deze verordening;
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Bijlage – artikel 1 – alinea 1 – letter i
(i)  financiële bijstand verlenen, hoofdzakelijk in de vorm van subsidies, gericht op toepassingen, voorlichtingsinitiatieven, bewustmakingsacties en beroepsontwikkelingsactiviteiten om personele middelen aan te trekken voor high-performance computing, en de vaardigheden en technische knowhow binnen het ecosysteem te vergroten;
(i)  financiële bijstand verlenen, hoofdzakelijk in de vorm van subsidies, gericht op toepassingen, voorlichtingsinitiatieven, bewustmakingsacties en beroepsontwikkelings- en omscholingsactiviteiten om personele middelen aan te trekken voor high-performance computing, met een evenwichtige participatie van mannen en vrouwen als streefdoel, en de vaardigheden en technische knowhow binnen het ecosysteem te vergroten;
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Bijlage – artikel 6 – lid 5
(5)  De raad van bestuur kiest een voorzitter voor een periode van twee jaar. Het mandaat van de voorzitter kan slechts eenmaal worden verlengd, na een besluit van de raad van bestuur.
(5)  De raad van bestuur kiest onder zijn leden een voorzitter voor een periode van twee jaar. Het mandaat van de voorzitter kan slechts eenmaal worden verlengd, na een besluit van de raad van bestuur.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Bijlage – artikel 8 – lid 1 – alinea 2 – subparagraaf 1 bis (nieuw)
De lijst van kandidaten wordt zo samengesteld dat mannen en vrouwen gelijk zijn vertegenwoordigd en gelijke kansen krijgen.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Bijlage – artikel 10 – lid 2
(2)  De adviesgroep inzake onderzoek en innovatie bestaat uit maximaal twaalf leden, waarvan maximaal zes leden door de particuliere leden en maximaal zes leden door de raad van bestuur worden benoemd. De raad van bestuur stelt de specifieke criteria en het selectieproces vast voor de leden die hij benoemt.
(2)  De adviesgroep inzake onderzoek en innovatie bestaat uit maximaal twintig leden, waarvan maximaal acht leden door de particuliere leden en maximaal twaalf leden door de raad van bestuur worden benoemd. De raad van bestuur stelt de specifieke criteria en het selectieproces vast voor de leden die hij benoemt.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Bijlage – artikel 21 – alinea 1 bis (nieuw)
De gemeenschappelijke onderneming zorgt ervoor dat wordt voldaan aan de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Bijlage – artikel 23 – lid 2
(2)  De raad van bestuur van de gemeenschappelijke onderneming kan regels vaststellen om belangenconflicten met betrekking tot de leden van die onderneming, haar organen en haar personeel te voorkomen en te beheersen. Die regels omvatten bepalingen ter voorkoming van belangenconflicten met betrekking tot de vertegenwoordigers van de leden van de gemeenschappelijke onderneming die zitting hebben in de raad van bestuur.
(2)  De raad van bestuur van de gemeenschappelijke onderneming kan regels vaststellen om belangenconflicten met betrekking tot de leden van die onderneming, haar organen en haar personeel te voorkomen en te beheersen, in overeenstemming met de beste praktijken van de Unie. Die regels omvatten ook bepalingen ter voorkoming van belangenconflicten met betrekking tot de vertegenwoordigers van de leden van de gemeenschappelijke onderneming die zitting hebben in de raad van bestuur.

Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/009 FR/Air France
PDF 139kWORD 54k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Frankrijk – EGF/2017/009 FR/Air France) (COM(2018)0230 – C8-0161/2018 – 2018/2059(BUD))
P8_TA(2018)0272A8-0210/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0230 – C8‑0161/2018),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0210/2018),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren;

B.  overwegende dat de financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld;

C.  overwegende dat Frankrijk aanvraag EGF/2017/009 FR/Air France heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van 1 858 ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 afdeling 51 (luchtvervoer) in de regio's van NUTS-niveau 2 Île de France (FR10) en Provence-Alpes-Côte d'Azur (FR82);

D.  overwegende dat het van essentieel belang is dat de Unie luchtvaartmaatschappijen ondersteunt, aangezien het marktaandeel van de Unie in de internationale luchtvervoersector dalende is;

E.  overwegende dat de aanvraag is gebaseerd op de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, die vereisen dat binnen een referentieperiode van vier maanden in een onderneming in een lidstaat ten minste 500 werknemers gedwongen zijn ontslagen, met inbegrip van werknemers die gedwongen zijn ontslagen bij leveranciers, downstreamproducenten en/of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, van de EFG-verordening en dat Frankrijk recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 9 894 483 EUR uit hoofde van die verordening, wat overeenkomt met 60 % van de totale kosten van 16 490 805 EUR, waarvan 16 410 805 EUR voor individuele diensten en 80 000 EUR voor voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit en controle en rapportage;

2.  neemt ter kennis dat de Franse autoriteiten de aanvraag op 23 oktober 2017 hebben ingediend en dat de Commissie, nadat Frankrijk aanvullende gegevens had verstrekt, haar beoordeling op 23 april 2018 heeft afgerond en het Parlement hiervan diezelfde dag nog in kennis heeft gesteld;

3.  neemt er nota van dat Frankrijk op 19 mei 2015 is begonnen met het verlenen van de individuele diensten aan de beoogde begunstigden, wat betekent dat de periode om in aanmerking te komen voor een financiële bijdrage uit het EFG van 19 mei 2015 tot en met 23 oktober 2019 zal lopen;

4.  herinnert eraan dat dit de tweede Franse aanvraag is, en de derde in verband met luchtvervoer, voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van gedwongen ontslagen bij Air France, na de eerdere aanvragen EGF/2013/014 FR/Air France in 2013 en EGF/2015/004 IT Alitalia in 2015 en een positief besluit daarover(4);

5.  herinnert eraan dat de financiële bijdrage uit het EFG bestemd is voor de ontslagen werknemers om hen te helpen een andere baan te vinden, en geen subsidie aan ondernemingen is;

6.  merkt op dat Frankrijk aanvoert dat de ontslagen verband houden met grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen als gevolg van de globalisering, in het bijzonder door een ernstige economische ontwrichting van de internationale luchtvervoerssector, met name de afname van het marktaandeel van de Unie door een spectaculaire groei van drie grote luchtvaartmaatschappijen in de Perzische Golf, die in grote mate staatssteun en subsidies ontvangen en die minder restrictieve sociale en milieuregels hoeven na te leven dan maatschappijen uit de Unie;

7.  betreurt de aanzienlijke hoeveelheid subsidies en staatsteun die Emirates, Qatar Airways en Etihad Airways hebben ontvangen, als gevolg waarvan hun capaciteit fors is toegenomen en de positie van Europese luchtvaarhubs, waaronder Parijs-Charles de Gaulle, is verzwakt;

8.  herinnert eraan dat de Commissie op 8 juni 2017 een voorstel voor een verordening inzake de bescherming van de mededinging in de luchtvaart(5) heeft goedgekeurd, dat tot doel heeft eerlijke concurrentie te waarborgen tussen luchtvaartmaatschappijen uit de Unie en luchtvaartmaatschappijen uit derde landen, opdat de voorwaarden voor een hoog niveau van connectiviteit behouden blijven; wijst erop dat het Parlement en de Raad naar verwachting in het najaar van 2018 onderhandelingen over dit wetgevingsvoorstel zullen starten;

9.  herinnert eraan dat de ontslagen bij Air France wellicht een aanzienlijk negatief effect zullen hebben op de lokale economie, die problemen ondervindt op het gebied van langdurige werkloosheid en nieuwe arbeidsmogelijkheden voor werknemers ouder dan 50 jaar;

10.  dringt er bij Air France op aan te zorgen voor een kwalitatief hoogwaardige sociale dialoog;

11.  merkt op dat de aanvraag betrekking heeft op 1 858 ontslagen werknemers bij Air France, van wie 72,6 % in Île-de-France en van wie de meesten tussen 55 en 64 jaar zijn; erkent tegen deze achtergrond het belang van door het EFG medegefinancierde actieve arbeidsmarktmaatregelen om de kans om opnieuw een baan te vinden te vergroten; wijst er verder op dat geen van de ontslagen werknemers tot de leeftijdsgroep tussen 25 en 29 jaar behoort of ouder is dan 64 jaar;

12.  wijst erop dat Frankrijk vijf soorten acties plant voor de ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd:

   i) adviesdiensten en loopbaanbegeleiding voor werknemers,
   ii) beroepsopleiding,
   iii) bijdrage voor herstel van een bedrijfsactiviteit of het opstarten van een onderneming,
   iv) toelage voor het zoeken naar werk, en
   v) mobiliteitstoelage;

13.  is ingenomen met de wijze waarop het gecoördineerde pakket van individuele diensten werd opgesteld in overleg met beoogde begunstigden ende sociale partners, en is tevens ingenomen met de overeenkomsten tussen Air France, de vakorganisaties en de ondernemingsraad, waardoor ervoor kon worden gezorgd dat alle ontslagen vrijwillig waren;

14.  wijst erop dat de met EFG-middelen medegefinancierde individuele diensten bedoeld zijn voor werknemers die bij hun vrijwillig vertrek nog geen precieze plannen voor re-integratie hebben en in aanmerking wensen te komen voor omscholing, advies of begeleiding of ondersteuning bij het opzetten of overnemen van een bedrijf;

15.  wijst erop dat de Franse arbeidswetgeving bedrijven met meer dan duizend werknemers verplicht tot het nemen van maatregelen en dat de gebruikmaking van het EFG geen bijdrages mogelijk maakt tijdens de eerste vier maanden van het re-integratieverlof, wat overeenkomt met de minimale termijn die de Franse wet voorschrijft;

16.  stelt vast dat de maatregelen inzake inkomenssteun het in de verordening vastgelegde maximum van 35 % zullen uitmaken van het totale pakket van individuele maatregelen en dat deze acties afhankelijk zijn gesteld van de actieve deelname van de beoogde begunstigden aan opleidingsactiviteiten en activiteiten in verband met het zoeken van een baan;

17.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met de toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het pakket moet passen in de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

18.  benadrukt dat de Franse autoriteiten hebben bevestigd dat voor de subsidiabele acties geen steun uit andere fondsen of financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen;

19.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

20.  verzoekt de Commissie er bij de nationale autoriteiten op aan te dringen om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus waarschijnlijk mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, onder meer over de kwaliteit van de banen en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is; verzoekt de Commissie eveneens toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van het EFG en verslag uit te brengen aan het Parlement;

21.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

22.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

23.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Frankrijk – EGF/2017/009 FR/Air France)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2018/1093.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Besluit (EU) 2015/44 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2014 over de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2013/014 FR/Air France, ingediend door Frankrijk) (PB L 8 van 14.1.2015, blz. 18).
(5) COM(2017)0289.


De rol van steden binnen het institutionele kader van de Unie
PDF 146kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 over de rol van steden in het institutioneel kader van de Unie (2017/2037(INI))
P8_TA(2018)0273A8-0203/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 5, lid 3, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 7 mei 2009 over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor de ontwikkeling van het institutioneel evenwicht van de Europese Unie(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 mei 2015 over "Betere regelgeving voor betere resultaten – Een EU-agenda" (COM(2015)0215),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(2), en met name artikel 41,

–  gezien het Pact van Amsterdam tot vaststelling van de stedelijke agenda voor de EU, dat op 30 mei 2016 door de voor stedelijke aangelegenheden verantwoordelijke EU‑ministers werd gesloten,

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU-beleid(3),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 juli 2014 met de titel "De stedelijke dimensie van het Europees beleid – Hoofdkenmerken van een Europese stedelijke agenda" (COM(2014)0490),

–  gezien de verklaring over de stedelijke agenda voor de EU, die de voor territoriale samenhang en stedelijke aangelegenheden verantwoordelijke ministers op 10 juni 2015 overeenkwamen;

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(5),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 24 juni 2016 over de stedelijke agenda voor de EU,

–  gezien het Handvest van Leipzig betreffende duurzame Europese steden, dat tijdens de informele ministersbijeenkomst over stadsontwikkeling en territoriale samenhang van 24 en 25 mei 2007 in Leipzig werd overeengekomen,

–  gezien de nieuwe stedelijke agenda, die tijdens de VN-conferentie over huisvesting en duurzame stadsontwikkeling (Habitat III) van 20 oktober 2016 in Quito, Ecuador werd goedgekeurd,

–  gezien het verslag "Stand van zaken in Europese steden" ("State of European Cities Report") van de Commissie van 2016,

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2017 over het verslag over het EU‑burgerschap 2017: Versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering(7),

–  gezien artikel 52 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0203/2018),

A.  overwegende dat uit hoofde van het Verdrag van Maastricht het Europees Comité van de Regio's werd opgericht en dat de steden, die in dit Comité zijn vertegenwoordigd, sindsdien betrokken worden bij zijn raadgevende rol in het besluitvormingsproces van de EU;

B.  overwegende dat deze rol van het Comité bestaat uit de uitvoering van een reeks activiteiten ter bevordering van de dialoog over en actieve deelname aan het besluitvormingsproces van de EU;

C.  overwegende dat het Europees Comité van de Regio's overeenkomstig Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bevoegd is om via het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep in te stellen tegen wetgevingshandelingen indien een van bovengenoemde beginselen niet wordt geëerbiedigd bij handelingen die overeenkomstig het VWEU enkel na raadpleging van het Comité kunnen worden vastgesteld; overwegende dat de steden daarmee over een instrument beschikken dat kan worden gebruikt om hun belangen in de Europese Unie te behartigen;

D.  overwegende dat er duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen de uit hoofde van de Verdragen aangewezen vertegenwoordigers van steden, zoals leden van het Comité van de Regio's, en verenigingen die zich inzetten voor stedelijke belangen;

E.  overwegende dat de meerderheid van de bevolking van de EU (ruim 70 %) in stedelijke gebieden woont;

F.  overwegende dat de globalisering gepaard gaat met een proces van deterritorialisering van bevoegdheid, maar dat Europese stedennetwerken, die de belangen van de Europese burgers behartigen en verdedigen, desalniettemin nodig blijven;

G.  overwegende dat EU-beleid en ‑wetgeving voornamelijk op lokaal en regionaal niveau, waaronder op stedelijk niveau, ten uitvoer worden gelegd en zich tegenwoordig uitstrekken tot vrijwel alle politieke, economische en maatschappelijke terreinen;

H.  overwegende dat de institutionele structuur van de EU gegrond is op de beginselen van meerlagig bestuur en subsidiariteit;

I.  overwegende dat in het door het Comité van de Regio's goedgekeurde Handvest voor multilevel governance in Europa wordt gewezen op het nauwe verband tussen de loyale, op partnerschap gebaseerde samenwerking tussen de Europese Unie, de lidstaten en de regionale en lokale overheden enerzijds en de op gelijke rechten stoelende legitimiteit en verantwoordingsplicht van alle bestuurslagen op hun eigen bevoegdheidsgebied anderzijds;

J.  overwegende dat het netwerk voor toezicht op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel door het Comité van de Regio's werd opgezet om de uitwisseling van informatie tussen lokale en regionale autoriteiten in de Europese Unie en binnen de Europese instellingen over documenten en wetgevingsvoorstellen van de Commissie met rechtstreekse gevolgen voor regionale en lokale autoriteiten te vergemakkelijken;

K.  overwegende dat het de Commissie in zijn resolutie van 12 december 2017 met het oog op de versterking van het burgerschap van de Unie en de uitoefening daarvan verzocht lokale autoriteiten aan te sporen voor Europese aangelegenheden verantwoordelijke wethouders aan te wijzen, aangezien dit de bestuurslaag is die het dichtst bij de burgers staat;

L.  overwegende dat in het Handvest van Leipzig betreffende duurzame Europese steden de term "Europese steden" wordt gebruikt;

M.  overwegende dat het Burgemeestersconvenant heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van geïntegreerde strategieën voor beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, alsmede aan de bevordering van energie-efficiëntie en de intensievere benutting van hernieuwbare energie; overwegende dat uit dergelijke initiatieven blijkt hoe samenwerking tussen steden en uitwisseling van beste praktijken kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de EU-beleidsdoelstellingen;

N.  overwegende dat Europese steden volgens het Handvest van Leipzig "waardevol en in economisch, sociaal en cultureel opzicht onvervangbaar" zijn, en de verantwoordelijkheid moeten nemen voor territoriale cohesie, en dat uit het verslag "Stand van zaken in Europese steden" ("State of European Cities Report") van de Commissie van 2016 onder meer is gebleken dat steden centraal staan in de verwezenlijking van de economische, sociale en milieudoelstellingen van de EU; overwegende dat steden dan ook een sleutelrol toebedeeld moeten krijgen in het cohesiebeleid;

O.  overwegende dat de bevoegde ministers van de lidstaten overeenkomstig het Handvest van Leipzig een evenwichtige territoriale organisatie met een Europese, polycentrische stedelijke structuur moeten bevorderen, en dat hierin tevens wordt gesteld dat steden centraal moeten staan bij de ontwikkeling van stedelijke gebieden en verantwoordelijk moeten zijn voor territoriale samenhang;

P.  overwegende dat de stedelijke agenda voor de EU (het "Pact van Amsterdam") een platform biedt voor samenwerking op het gebied van partnerschappen tussen lidstaten, regio's, steden, de Commissie, het Parlement, de adviesorganen van de Unie en andere belanghebbenden, waarmee – onder volledige toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en onder volledige inachtneming van de in de EU-Verdragen vastgelegde bevoegdheden – een informele bijdrage kan worden geleverd aan de vaststelling en herziening van zowel toekomstige als reeds bestaande EU-wetgeving;

Q.  overwegende dat het toepassingsgebied van de stedelijke agenda in het bijzonder een pijler voor betere regelgeving omvat, die gericht is op een doeltreffender en samenhangender tenuitvoerlegging van het beleid, de wetgeving en de juridische instrumenten van de EU zonder nieuwe wetgeving te willen voorstellen;

R.  overwegende dat de Commissie lokale autoriteiten in het kader van het pakket "Betere regelgeving" op ad‑hocbasis verzoekt deel te nemen aan territoriale effectbeoordelingen van toekomstige wetgevingsvoorstellen;

S.  overwegende dat de Raad in zijn conclusies van 24 juni 2016 liet weten ingenomen te zijn met het Pact van Amsterdam en onder andere de Commissie, de lidstaten, lokale en regionale autoriteiten, en het Europees Parlement verzocht in dit verband verdere maatregelen te nemen, en daarbij het Parlement verzocht te overwegen de resultaten en aanbevelingen van de partnerschappen, na advies van de voor stedelijke aangelegenheden bevoegde directeuren-generaal, op de agenda's van de bevoegde commissies te plaatsen wanneer zij nieuwe en bestaande EU-wetgeving op dit gebied bespreken;

T.  overwegende dat de Commissie uit hoofde van bovengenoemde stedelijke agenda onder andere verplicht is om bij het vaststellen of herzien van de desbetreffende EU‑wetgeving, ‑instrumenten en ‑initiatieven de resultaten en aanbevelingen van de partnerschappen in overweging te nemen, alsmede om door middel van de verschillende, beschikbare mogelijkheden voor raadpleging en feedback samen te werken met stedelijke autoriteiten en de organisaties waardoor ze vertegenwoordigd worden;

U.  overwegende dat nieuwe mondiale problemen met betrekking tot veiligheid en immigratie, demografische verschuivingen, jeugdwerkloosheid, uitdagingen in verband met de kwaliteit van overheidsdiensten, toegang tot schone en betaalbare energie, natuurrampen en milieubescherming een lokale aanpak en bijgevolg een grotere betrokkenheid van steden vereisen bij de vaststelling en tenuitvoerlegging van EU‑beleid;

V.  overwegende dat Europese steden onder andere waardevol zijn omdat ze een beduidend deel van het gemeenschappelijk Europees cultureel erfgoed huisvesten;

W.  overwegende dat steden het politieke niveau vertegenwoordigen dat de burgers het best begrijpen en dat het dus ideale potentiële platformen zijn voor constructieve discussies tussen burgers waarvoor de ervaring met de door het Comité van de Regio's in samenwerking met lokale en regionale partners georganiseerde burgerdialogen veelbelovende perspectieven biedt;

X.  overwegende dat steden, gezien de politieke vereisten die voortvloeien uit de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en uit de klimaatovereenkomst van Parijs, nu beter in staat zijn om innovatieve beleidsoplossingen en instrumenten te ontwikkelen met het oog op sociale, ecologische en economische duurzaamheid en rechtvaardige handelssystemen en om binnen de EU en daarbuiten – naast de bestaande samenwerkingsverbanden – netwerken te vormen waarmee zij deze oplossingen en instrumenten in praktijk kunnen brengen;

Y.  overwegende dat in de verklaring over de stedelijke agenda voor de EU, die de voor territoriale samenhang en stedelijke aangelegenheden verantwoordelijke EU-ministers in juni 2015 overeenkwamen, wordt bevestigd dat het Comité van de Regio's, het Eurocities-netwerk en de Raad der Europese Gemeenten en Regio's (CEMR) een belangrijke rol spelen bij het onder de aandacht brengen van de belangen van stedelijke gebieden;

Z.  overwegende dat steden van pas kunnen komen bij de verwezenlijking van het potentieel van het Europees burgerschap en de versterking daarvan door actief burgerschap te bevorderen, aangezien steden bemiddelingsstructuren tussen de EU en haar burgers efficiënter ten uitvoer kunnen leggen;

AA.  overwegende dat de betrokkenheid van steden bij EU-beleid bijdraagt aan meer lokale inbreng in EU-processen, beter bestuur door een participatievere Europese democratie, bevordering van de administratieve capaciteit, kwalitatief betere overheidsdiensten in de hele EU en daarmee aan de tenuitvoerlegging van het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde recht op behoorlijk bestuur;

AB.  overwegende dat lokale en regionale autoriteiten al in het vroegste stadium bij het beleidsvormingsproces moeten worden betrokken en een cruciale rol moeten spelen bij de uitvoering van territoriale effectbeoordelingen;

AC.  overwegende dat de manier waarop steden momenteel betrokken worden bij de invulling en tenuitvoerlegging van EU-beleid en -wetgeving ontoereikend is; overwegende dat steden meer invloed kunnen uitoefenen als ze zich verenigen in netwerken op basis van historische, geografische, demografische, economische, sociale en culturele verbondenheid;

1.  merkt op dat de betrokkenheid van steden, stedelijke gebieden en grootstedelijke gebieden, evenals kleine en middelgrote steden, bij de besluitvorming van de EU vormen wordt bevorderd door het feit dat ze zitting hebben in het Comité van de Regio's, dat optreedt als raadgevend en adviserend orgaan; meent dat de huidige institutionele structuur bevorderlijk is voor het opzetten van platformen voor samenwerking, enerzijds tussen steden onderling en anderzijds tussen steden en hun vertegenwoordigende instanties en besluitvormingsorganen op zowel nationaal als EU‑niveau, in overeenstemming met de beginselen van loyale samenwerking, subsidiariteit en evenredigheid;

2.  wijst erop dat er, op de mate van verstedelijking en inwonersdichtheid na, geen gemeenschappelijke definitie van het concept "stad" bestaat wat betreft bewoners, gebied, functie en autonomieniveau, en dat elke lidstaat deze term daarom wellicht op een andere manier hanteert;

3.  merkt op dat de EU de stedelijke dimensie van een aantal van haar beleidsterreinen stapsgewijs aan het versterken is, zoals bijvoorbeeld te zien is aan het concept "slimme steden en gemeenschappen" (het Europees Innovatiepartnerschap) en initiatieven als het communautaire initiatief Urban (Urban I), Urban II, duurzame stedelijke ontwikkeling (artikel 7 EFRO(8)), het netwerk voor stedelijke ontwikkeling, het initiatief "Stedelijke Innovatieve Acties", de Culturele Hoofdstad van Europa, de Groene Hoofdstad van Europa en de Europese Innovatiehoofdstad, het Burgemeestersconvenant en de stedelijke agenda voor de EU;

4.  herinnert eraan dat steden een belangrijke rol spelen bij de tenuitvoerlegging van een aantal beleidsmaatregelen en instrumenten van de EU, waaronder op het gebied van het cohesiebeleid en de Europese structuur- en investeringsfondsen; verzoekt steden dan ook om een geïntegreerde werkmethode te hanteren door volgens het partnerschapsbeginsel samen te werken met alle bestuurslagen, de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld;

5.  benadrukt de belangrijke rol van zowel steden als alle lokale autoriteiten bij het voorbereiden, formuleren, financieren en uitvoeren van belangrijk beleid van de Unie, bijvoorbeeld de aanpak van klimaatverandering, door middel van een stedelijk, economisch, maatschappelijk en territoriaal ontwikkelingsproces dat steden in staat stelt om nieuwe uitdagingen aan te gaan en kansen te benutten in het kader van de komende Europese financieringsperiode, teneinde de beschikbare middelen in te zetten voor slimme, duurzame en creatieve steden van de toekomst; benadrukt in dit kader ook het belang van mondiale strategieën en initiatieven, zoals de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN en het Wereldconvenant van burgemeesters;

6.  onderstreept dat steden hebben aangetoond dat ze in staat zijn om geïntegreerde acties voor duurzame stedelijke ontwikkeling op efficiënte wijze te beheren en daarom een grotere rol moeten krijgen bij de tenuitvoerlegging van alle relevante beleidsmaatregelen;

7.  onderstreept dat steden een belangrijke rol kan worden toebedeeld in het externe beleid van de Unie, als een instrument voor publieke diplomatie waarmee mensen uit verschillende landen samengebracht worden en kwesties worden aangepakt die om verschillende redenen niet op de beleidsagenda's van hoog niveau staan, en dringt derhalve aan op een betere financiering van de steunmechanismen van de Unie;

8.  wijst er echter op dat steden soms niet over de juiste instrumenten en administratieve capaciteit beschikken om te kunnen deelnemen aan aanbestedingen om Europese fondsen in de wacht te slepen; is dan ook opgetogen over de oprichting van een "eenloketsysteem" voor steden, waarvan de website en documenten in alle officiële talen van de Unie beschikbaar moeten zijn; pleit voor een betere coördinatie en integratie van op steden gerichte instrumenten en programma's op verschillende beleidsterreinen van de EU door een commissaris te benoemen die het politieke voortouw neemt op dit vlak en de strategische koers uitstippelt voor deze beleidsterreinen, gezien de groeiende aandacht die in het Europees beleid aan de stedelijke gebieden wordt besteed, en in dat verband tevens rekening houdt met de verschillen tussen Europese lokale autoriteiten en hun potentieel; benadrukt dat een evenwichtigere benadering van steden moet worden bevorderd, ongeacht hun omvang, wat betreft de toegang tot deze instrumenten en programma's, met name door adviesorganen op te zetten;

9.  is ingenomen met de stedelijke agenda voor de EU als nieuw model van meerlagig bestuur op basis van partnerschap, door steden te betrekken bij de herziening van bestaande wetgeving en ze mee te laten denken over de toekomstige beleidsinvulling; benadrukt het belang van een geïntegreerde, alomvattende aanpak bij de concrete toepassing van het meerlagig bestuur waarin de Europese wetgeving voorziet, overeenkomstig de basisdoelstellingen van het EU-beleid; wijst op de belangrijke aanvullende rol van plaatsgebonden en bottom‑upbenaderingen, zoals door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling;

10.  dringt aan op de coördinatie, versterking en formalisering van de stedelijke agenda; is van mening dat dit niet langer een vrijwillig proces moet zijn en dat de lidstaten en de Commissie meer verantwoordelijkheid op zich moeten nemen en de ontvangen aanbevelingen zorgvuldig moeten bekijken en waar mogelijk moeten toepassen;

11.  verzoekt de partnerschappen die in het kader van de stedelijke agenda actief zijn hun aanbevelingen en actieplannen snel vast te stellen; verzoekt de Commissie daarnaast te laten zien hoe er met dergelijke concrete voorstellen rekening wordt gehouden, met name op het gebied van betere regelgeving, financiering en kennis, en ze in voorkomend geval in toekomstige wetgevingsvoorstellen op te nemen; verzoekt de Commissie over de resultaten hiervan stelselmatig verslag uit te brengen aan het Parlement;

12.  is ingenomen met de samenwerkingsplatforms voor steden waarmee onderlinge synergieën voor grensoverschrijdende samenwerking tot stand kunnen worden gebracht en de tenuitvoerlegging van EU-beleid ter plaatse kan worden bevorderd; is van mening dat het Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie een goed voorbeeld is dat navolging verdient;

13.  is ingenomen met de oprichting door de Commissie van het "Urban Data Platform"; dringt er evenwel bij Eurostat en de Commissie op aan gedetailleerdere gegevens te verzamelen en te combineren, met name flowgegevens, om bestaande beleidsmaatregelen efficiënt te kunnen aanpassen en toekomstige maatregelen gestalte te geven;

14.  acht het noodzakelijk om binnen de huidige institutionele structuur van de EU steden in een vroeg stadium en op gecoördineerde wijze bij de besluitvorming in de EU te betrekken, met name als het gaat om wetgeving met rechtstreekse gevolgen voor steden, op een manier waarop de transparantie en de doeltreffendheid van de beleids- en besluitvorming wordt gewaarborgd en de constitutionele realiteit in elke lidstaat wordt geëerbiedigd; pleit voor meer transparantie en een grotere betrokkenheid van burgers bij het besluitvormingsproces van de EU; is in dit verband ingenomen met het Europees burgerinitiatief en pleit ervoor om dit middel in de lidstaten beter onder de aandacht te brengen;

15.  is ervan overtuigd dat de rol van steden bij de vormgeving van toekomstig EU-beleid aanzienlijk versterkt moet worden; verzoekt de EU dan ook om de invoering van een Europees stedenbeleid opnieuw te beoordelen, in het bijzonder met het oog op de lange termijn;

16.  herinnert eraan dat het Europa 2020-monitoringplatform door het Comité van de Regio's gecoördineerd wordt en dat dit platform er met name voor moet zorgen dat bij de vaststelling van de strategie voor economische groei en innovatie door de Commissie rekening wordt gehouden met de standpunten van steden, regio's en andere lokale autoriteiten;

17.  beveelt aan de politieke vertegenwoordiging van steden en gemeenten in het huidige institutionele kader van de EU te versterken, onder andere door te overwegen de lidstaten de ruimte te geven om de vertegenwoordiging van steden een grotere rol te laten spelen in het Comité van de Regio's, zonder afbreuk te doen aan de rol van regio's en plattelandsgebieden;

18.  verzoekt de lidstaten te waarborgen dat de diversiteit van hun territoriale structuren volledig tot uitdrukking komt in hun voorstellen voor de benoeming van leden van het Comité van de Regio's en om in voorkomend geval voor te stellen meer vertegenwoordigers van het lokale niveau te benoemen tot lid van het Comité van de Regio's;

19.  benadrukt het belang van verenigingen die steden vertegenwoordigen, zoals Eurocities en de CEMR; pleit ervoor de betrokkenheid van Europese verenigingen die lokale autoriteiten vertegenwoordigen en zich inzetten voor stedelijke belangen, zoals het Eurocities-netwerk, de CEMR en andere verenigingen, bij de beleidsvorming te versterken, en meent dat dergelijke verenigingen met name tijdens de voorbereiding van de wetgeving cruciale partners van de EU-instellingen moeten zijn bij wijze van een permanent mechanisme voor gestructureerde dialoog, onder andere via het Comité van de Regio's;

20.  beveelt aan om voor alle beleidsmaatregelen en alle wetgeving met gevolgen op lokaal niveau territoriale effectbeoordelingen uit te voeren; is van mening dat een dialoog met de vertegenwoordigers van lokale en stedelijke autoriteiten hen in staat moet stellen bij te dragen aan territoriale effectbeoordelingen, advies te geven over voorbereidende studies voorafgaand aan de beleidsvorming, en regelmatig specifieke technische expertise te bieden op het gebied van de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving op subnationaal niveau; wijst erop dat het Comité van de Regio's territoriale effectbeoordelingen uitvoert;

21.  spoort aan tot meer samenwerking tussen de Raad en lokale autoriteiten; pleit ervoor dat de adviserende rol van steden en regio's en de verenigingen waardoor ze vertegenwoordigd worden, binnen de Raad versterkt wordt wanneer de Raad te maken heeft met kwesties die gevolgen hebben op lokaal niveau;

22.  is van mening dat steden, stedelijke centra en gemeenten niet simpelweg als structuren voor overheidsbeheer met democratische controle mogen worden gezien en dat ze veeleer moeten worden beschouwd als potentiële platformen voor openbaar debat, uitwisseling van kennis en de vormgeving van de politieke ruimte in de EU, zonder daarbij voorbij te gaan aan de rol van plattelandsgebieden; merkt op dat de elementen gedefinieerd moeten worden die invulling geven aan de Europese openbare ruimte, waar grondrechten en fundamentele vrijheden kunnen worden uitgeoefend en waarden gelden als gelijkheid, non-discriminatie en gerechtigheid;

23.  benadrukt de belangrijke rol die het maatschappelijk middenveld speelt in het Europese politieke leven; benadrukt dat steden het niveau vertegenwoordigen waarop mensen het gemakkelijkst actief kunnen worden, aangezien ze zich in de bevoorrechte positie bevinden waarin ze een groot deel van de EU-bevolking kunnen bereiken; merkt op dat steden op die manier als rechtvaardiging van de Europese politiek kunnen dienen en kunnen bijdragen aan bewustmakingscampagnes over de aan het EU-burgerschap verbonden rechten;

24.  wijst erop dat regio's en steden moeten worden erkend als centra die een positieve rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van EU-strategieën, waarbij mondiale vraagstukken lokaal opgeworpen en opgelost worden, door bij te dragen aan de versterking van het meerlagig bestuursstelsel van de Unie, en dat dit vooruitzicht praktische gevolgen heeft voor de wijze waarop de besluitvorming binnen het institutioneel kader van de EU plaatsvindt, bottom-up of top-down;

25.  is van oordeel dat de vertegenwoordiging van steden verder moet gaan dan officiële vertegenwoordigers die een rol spelen in de beheers- en adviesstructuren, en dat (kleine) steden en dorpen – en niet alleen de hoofdsteden van landen en regio's – centra kunnen worden voor debatten over de toekomst van de Unie en haar beleid;

26.  is van mening dat gemeenten, om uit te groeien tot centra voor debatten over de toekomst van de Unie en haar beleid, voor Europese aangelegenheden verantwoordelijke wethouders moeten aanwijzen, en dat er een netwerk van lokale wethouders met een dergelijk mandaat moet worden opgezet;

27.   verzoekt om toewijzing van toereikende steun aan steden en lokale autoriteiten zodat zij de stedelijke dimensie van de beleidsvorming van de EU kunnen verbeteren;

28.  stelt voor het potentieel van steden in de EU te benutten om aan de hand van debatten en raadplegingen over beleidsgebieden die hen aangaan maar strikt genomen buiten het stedelijk beleid vallen, EU-beleid vast te stellen en ten uitvoer te leggen;

29.  benadrukt dat een dergelijke doelstelling enkel haalbaar is indien deze debatten en raadplegingen niet plaatsvinden in nationale of regionale hoofdsteden, maar juist in andere stedelijke gebieden die goed toegankelijk zijn voor omwonenden, bijvoorbeeld kleinere steden en dorpen, met als hoofddoel de Europese Unie dichter bij de burger te brengen;

30.  wijst erop dat er moet worden voorzien in modellen voor betrokkenheid die toegespitst zijn op verschillende contexten en stedelijke gebieden van uiteenlopende omvang en relevantie, van Europese hoofdsteden tot kleine en middelgrote steden;

31.  is van mening dat het Parlement en het Comité van de Regio's het best in staat zijn om dergelijke processen te bevorderen, aangezien zij de mogelijkheid hebben om vragen te formuleren die het uitgangspunt kunnen vormen voor debatten en voor raadplegingen, en vervolgens conclusies kunnen trekken op basis van de verzamelde meningen, standpunten en projecten;

32.  stelt voor dat dit proces van raadpleging van burgers wordt vormgegeven door het Parlement en het Comité van de Regio's, in samenwerking met de Europese gemeenteraden die als fora voor Europees debat mogen fungeren, en dat deze fora in nauwe samenwerking met de lidstaten in de eerste plaats moeten worden opgezet in steden die groot genoeg zijn om van belang te zijn voor en een impact te hebben op het merendeel van de bevolking in de regio in kwestie, zodat er door zoveel mogelijk mensen aan de fora wordt deelgenomen;

33.  pleit er daarnaast voor dat de gemeenteraden van steden die erkend zijn als Europese debatfora erop toezien dat universiteiten, lokale scholen en andere onderwijsinstellingen, evenals media, sociale organisaties en verenigingen en het grote publiek kunnen beschikken over uitgebreide professionele en publieke ervaring en gratis en open toegang, en de mogelijkheid krijgen deel te nemen aan debatten en raadplegingen; meent dat de gemeenteraden tevens vertegenwoordigers uit alle lagen van het stedelijk bestuur moeten uitnodigen, met inbegrip van kleinere afdelingen en samenwerkende raden uit het omliggende stedelijke gebied, en dat het verstandig is om in overeenkomsten tussen de bevoegde organen op EU-niveau en de gemeenteraad van de Europese forumstad het territoriale toepassingsgebied van een dergelijke verplichting te specificeren;

34.  pleit voor een proefproject met 54 Europese debatfora – eerlijk verdeeld tussen lidstaten en onder grote en kleine steden – die moeten plaatsvinden in andere steden dan de hoofdsteden van de lidstaten, om te komen tot een systeem voor gemeentelijk(e) debat en raadpleging over EU-aangelegenheden;

35.  benadrukt het belang van de uitwisseling van goede praktijken tussen Europese steden, aangezien een aantal daarvan met succes programma's op het gebied van migratie en klimaatverandering en innovatieve plannen voor stedelijk beheer ten uitvoer heeft gelegd;

36.  benadrukt dat een grotere betrokkenheid van steden bij de invulling van EU-beleid, onder andere binnen het Comité van de Regio's, het vertrouwen in andere bestuursniveaus niet ondermijnt maar juist versterkt, aangezien een grotere invloed van steden een meerlagig bestuur en de subsidiariteit ten goede komt vanwege het wederzijds vertrouwen tussen de EU, de lidstaten en regionale en lokale overheden;

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 82.
(2) PB C 326 van 26.10.2012, blz. 391.
(3) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 124.
(4) PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0049.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0048.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0487.
(8) Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid" (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289).


Driedimensionaal printen: intellectuele-eigendomsrechten en civielrechtelijke aansprakelijkheid
PDF 137kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 over driedimensionaal printen, een uitdaging op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten en civielrechtelijke aansprakelijkheid (2017/2007(INI))
P8_TA(2018)0274A8-0223/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten(1),

–  gezien Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken(2),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité getiteld "De samenleving van morgen. 3D-printing als middel om de Europese economie te versterken"(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 november 2017 getiteld "Een evenwichtig stelsel voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, in antwoord op de huidige maatschappelijk uitdagingen" (COM(2017)0707),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 november 2017 getiteld "Richtsnoeren inzake bepaalde aspecten van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten" (COM(2017)0708),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 10 mei 2017 over het in goede banen leiden van de mondialisering (COM(2017)0240),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8‑0223/2018),

A.  overwegende dat driedimensionaal printen (3D-printen) toegankelijk is geworden voor het grote publiek sinds er 3D-printers op de markt zijn gebracht die bestemd zijn voor privépersonen en er bedrijven op de markt zijn verschenen die zowel digitale modellen als diensten voor 3D-printen aanbieden;

B.  overwegende dat 3D-printen wordt gezien als een van de meest vooraanstaande technologieën, ten aanzien waarvan Europa een leidende rol kan spelen; overwegende dat de Commissie de voordelen van 3D-printen heeft erkend door in de periode 2014-2016 21 projecten op basis van deze technologie te sponsoren in het kader van Horizon 2020;

C.  overwegende dat 3D-printen het licht zag op een experimenteel niveau in de jaren 1960 en dat de technologie, die aanvankelijk werd ontwikkeld in de Verenigde Staten, begon door te dringen in het bedrijfsleven aan het begin van de jaren 1980;

D.  overwegende dat de markt voor 3D-printers een sector is die snel groeit en de komende jaren naar verwachting zal blijven doorgroeien;

E.  overwegende dat de ontwikkeling van fora voor 3D-printen (meestal "fablabs" genoemd) en diensten voor printen op afstand, soms gekoppeld aan een onlineplatform voor de uitwisseling van 3D-bestanden, echter iedereen in staat stelt 3D-voorwerpen te printen, wat een troef is voor uitvinders en projectontwikkelaars;

F.  overwegende dat op het gebied van 3D-printen een zeer groot potentieel bestaat voor het transformeren van de toeleveringsketens in de verwerkende industrie, wat Europa zou kunnen helpen de productieniveaus te verhogen; overwegende dat de toepassing van deze technologie nieuwe mogelijkheden biedt voor bedrijfsontwikkeling en innovatie;

G.  overwegende dat de EU 3D-printen bovenaan de lijst van belangrijkste technologische gebieden heeft geplaatst; overwegende dat de Commissie 3D-printen in haar recente discussienota over het in goede banen leiden van de mondialisering vermeldt als een van de belangrijkste factoren die tot industriële omwentelingen zullen leiden;

H.  overwegende dat de Commissie 3D-printen heeft aangemerkt als prioritair actiegebied met een aanzienlijk economisch potentieel, met name voor kleine innovatieve ondernemingen; overwegende dat veel landen het transformerend potentieel van 3D-printen al hebben erkend en, zij het op ongelijke wijze, verschillende strategieën hebben vastgesteld om een economisch en technologisch ecosysteem te creëren ter bevordering van de ontwikkeling ervan;

I.  overwegende dat het gebruik van 3D-printen momenteel nog grotendeels is beperkt tot de vervaardiging van prototypes; overwegende dat sommige sectoren al diverse jaren gebruikmaken van onderdelen voor eindgebruik en dat de markt voor onderdelen voor eindgebruik relatief snel blijft groeien; overwegende dat steeds meer producten die met behulp van 3D-printen worden vervaardigd klaar zijn voor gebruik of om op de markt te worden gebracht, en dus niet meer louter prototypes zijn;

J.  overwegende dat de potentiële voordelen van 3D-printen voor innovatieve ondernemingen talrijk zijn; overwegende dat 3D-printen met name een beperking van de totale kosten mogelijk maakt bij het ontwikkelen, ontwerpen en testen van nieuwe producten en het verbeteren van bestaande producten;

K.  overwegende dat het gebruik van 3D-printen in de samenleving steeds wijder verbreid raakt, met name op het gebied van onderwijs, op burger- en start-upfora, zoals "makerspaces", en in de privésfeer;

L.  overwegende dat 3D-printen steeds eenvoudiger en toegankelijker wordt voor iedereen; overwegende dat de beperkingen met betrekking tot de te gebruiken materialen, de snelheid en het verbruik van grondstoffen en energie naar verwachting in korte tijd aanzienlijk zullen afnemen;

M.  overwegende dat de meeste moderne hightechindustrieën gebruikmaken van deze technologie, dat de mogelijkheden om 3D-printen te gebruiken op veel gebieden sterk zijn toegenomen en dat de verwachtingen op veel gebieden hooggespannen zijn, bijvoorbeeld in de sectoren geneeskunde (variërend van regeneratieve geneeskunde tot de productie van prothesen), lucht- en ruimtevaart, huishoudelijke elektrische apparaten, archeologisch onderzoek, architectuur, werktuigbouwkunde, recreatie en design en in de automobiel- en bouwsector;

N.  overwegende dat het gebrek aan regelgeving ertoe heeft geleid dat het gebruik van 3D-printen in belangrijke industriële sectoren, zoals de sectoren lucht- en ruimtevaart en genees-/tandheelkunde, beperkt is en dat regelgeving voor het gebruik van 3D-printers zal bijdragen tot een toename van het gebruik van technologieën en mogelijkheden zal bieden voor onderzoek en ontwikkeling;

O.  overwegende dat in bovengenoemd advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité wordt opgemerkt dat Europa met de digitale revolutie als een katalysator en "met behulp van de juiste geavanceerde productietechnologie [...] productie [zou] kunnen terughalen uit gebieden met lagere lonen om hier innovatie te bevorderen en duurzame groei te creëren";

P.  overwegende dat 3D-printen kan bijdragen tot lagere vervoerskosten en een lagere CO2-uitstoot;

Q.  overwegende dat de 3D-printtechnologie naar verwachting meer nieuwe banen zal creëren voor geschoolde arbeidskrachten die in sommige gevallen fysiek minder belastend en minder gevaarlijk zijn (onderhoudstechnici, ingenieurs, ontwerpers enz.), dat met het creëren van nieuwe functies voor technici (bijv. bedieners van 3D-printers) nieuwe verplichtingen zullen ontstaan en dat de 3D-printindustrie in passende opleidingscursussen zal moeten voorzien om ervoor te zorgen dat de technici hetzelfde niveau hebben als hun tegenhangers in de traditionele productie; overwegende dat de 3D-printtechnologie ook zal zorgen voor lagere productie- en opslagkosten (onder meer dankzij de productie van kleinere hoeveelheden en gepersonaliseerde productie); overwegende dat de afname van het aantal fabrieksbanen echter grote gevolgen zal hebben voor de economie van landen die afhankelijk zijn van een groot aantal banen voor laaggeschoolden;

R.  overwegende dat de economische impact van de ontwikkeling van de 3D-industrie in de lidstaten nog niet nauwkeurig kan worden vastgesteld;

S.  overwegende dat 3D-printers consumenten in staat zouden kunnen stellen tegenstand te bieden aan de geprogrammeerde veroudering van huishoudelijke apparaten, waarvan de levensduur steeds korter wordt, aangezien consumenten hiermee zelf vervangende onderdelen kunnen maken;

T.  overwegende dat de 3D-printtechnologie specifieke juridische en ethische bezwaren kan opleveren met betrekking tot alle gebieden van het intellectuele-eigendomsrecht, zoals auteursrecht, octrooien, ontwerpen, driedimensionale merken en zelfs geografische aanduidingen, en wettelijke aansprakelijkheid, en dat deze bezwaren bovendien onder de bevoegdheid van de Commissie juridische zaken van het Parlement vallen;

U.  overwegende dat nieuwe technologieën voorwerpen of personen kunnen scannen en digitale bestanden kunnen genereren die vervolgens in 3D kunnen worden geprint, en dat dit van invloed kan zijn op het beeldrecht en het recht op privacy;

V.  overwegende dat de 3D-printtechnologie ook aanleiding kan geven tot bezorgdheid omtrent veiligheid en in het bijzonder cyberveiligheid, met name voor wat de vervaardiging van wapens, explosieven en drugs en andere schadelijke voorwerpen betreft, en dat er bijzondere waakzaamheid vereist is ten aanzien van dit soort productie;

W.  overwegende dat er in verband met auteursrechten bepaalde onderscheiden moeten worden gemaakt: er is bijvoorbeeld een verschil tussen het thuis printen voor privédoeleinden en het printen voor commerciële doeleinden, alsook tussen het printen door bedrijven voor bedrijven en het printen door bedrijven voor consumenten;

X.  overwegende dat de Franse Conseil Supérieur de la propriété littéraire et artistique in een rapport over 3D-printen en auteursrechten van mening was dat de democratisering van 3D-printen tot nog toe geen grootschalig probleem lijkt te veroorzaken met betrekking tot de schending van het auteursrecht; overwegende dat het risico op vervalsing volgens deze raad vooral bestaat bij kunstwerken in kunststof;

Y.  overwegende dat de weinige voorbeelden die we ons nu kunnen voorstellen waarschijnlijk complexer worden naarmate de technologie evolueert; overwegende dat zij de vraag opwerpen wat er gedaan moet worden om het hoofd te bieden aan mogelijke namaak met behulp van 3D-printtechnologieën;

Z.  overwegende dat 3D-printen als gevolg van de processen die hierbij te pas komen tot een soort "versnippering van de scheppingsdaad" leidt, om het met de woorden van de sector te zeggen, in die zin dat een kunstwerk al in digitale vorm een leven kan leiden alvorens een fysieke vorm aan te nemen, waardoor het namaken van het kunstwerk eenvoudiger en de strijd tegen namaak moeilijker wordt;

AA.  overwegende dat juridische deskundigen van mening zijn dat – aangezien 3D-printen geen fundamentele omwenteling op het vlak van intellectuele-eigendomsrechten heeft teweeggebracht – het gecreëerde digitale bestand als een kunstwerk kan worden beschouwd, en in dat geval als zodanig moet worden beschermd; overwegende dat de belangrijkste uitdaging op korte en middellange termijn erin bestaat professionele tussenpersonen nauwer bij de bescherming van het auteursrecht te betrekken;

AB.  overwegende dat er, als de ontwikkeling van 3D-printen industriële productie mogelijk maakt, moet worden overwogen of er collectief-verhaalsmechanismen moeten worden ingesteld om consumenten een schadevergoeding te kunnen bieden;

AC.  overwegende dat het effect van 3D-printen op de rechten van consumenten en op het consumentenrecht in het algemeen zorgvuldig moet worden onderzocht in het licht van de richtlijn betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud, waarover momenteel wordt onderhandeld;

AD.  overwegende dat Richtlijn 85/374/EEG inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken van toepassing is op alle overeenkomsten; overwegende dat moet worden opgemerkt dat het onder meer de vooruitgang op het gebied van 3D-printen is die de Commissie ertoe heeft gebracht een openbare raadpleging te houden om te beoordelen of deze richtlijn bruikbaar is met het oog op de nieuwe technologische ontwikkelingen;

AE.  overwegende dat algemene aansprakelijkheidsregels ook van toepassing zijn op de aansprakelijkheid van dienstverleners die als tussenpersoon optreden in de zin van de artikelen 12 tot en met 14 van de richtlijn inzake elektronische handel; overwegende dat niettemin moet worden overwogen een specifiek stelsel van aansprakelijkheid in te voeren voor schade veroorzaakt door een met 3D-printtechnologie vervaardigd voorwerp, aangezien het voor slachtoffers van zulke schade vanwege het grote aantal betrokkenen en het complexe proces dat is gevolgd om het eindproduct te creëren vaak moeilijk is de aansprakelijke persoon te identificeren; overwegende dat de aansprakelijkheid kan liggen bij de maker of verkoper van het 3D-bestand, de producent van de 3D-printer, de producent van de software waarmee de 3D-printer functioneert, de leverancier van het gebruikte materiaal of zelfs de persoon die het voorwerp effectief creëert, afhankelijk van de oorsprong van het defect;

AF.  overwegende dat de regels inzake aansprakelijkheid voor wat het specifieke gebruik van 3D-printen in een commercieel kader betreft, normaal gezien worden bepaald door de contractuele betrekkingen tussen de betrokken partijen;

AG.  overwegende dat alle elementen van de additive-manufacturingtechnologie aan bepaalde criteria moeten voldoen en gecertificeerd moeten zijn om te garanderen dat het mogelijk is kwalitatief hoogwaardige reproduceerbare onderdelen te vervaardigen; overwegende dat certificering complex is vanwege de vele transformaties van machines, materialen en processen en het ontbreken van een gegevensbank; overwegende dat het daarom nodig zal zijn regels op te stellen die een snellere en kosteneffectievere certificering van alle materialen, processen en producten mogelijk maken;

AH.  overwegende dat 3D-printen een rol kan spelen bij het beperken van het verbruik van energie en natuurlijke hulpbronnen met het oog op de bestrijding van de klimaatverandering; overwegende dat het gebruik van 3D-printen verspilling in het productieproces tot een minimum zou beperken en de levensduur van consumentenproducten zou verlengen, aangezien het de productie van vervangende onderdelen op consumentenniveau mogelijk zou maken;

1.  benadrukt dat de EU, om te anticiperen op problemen in verband met wettelijke aansprakelijkheid of inbreuken op intellectueel eigendom die 3D-printen in de toekomst kan veroorzaken, wellicht nieuwe wetgeving moet aannemen en de bestaande wetgeving moet afstemmen op het specifieke geval van 3D-technologie, rekening houdend met de besluiten van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en de relevante jurisprudentie van de rechtbanken van de EU en de lidstaten en na een grondige effectbeoordeling van alle beleidsopties; onderstreept dat bij deze wetgevende actie in elk geval dubbele wetgeving moet worden vermeden en rekening moet worden gehouden met reeds lopende projecten, met name de wetgeving inzake auteursrecht die momenteel van toepassing is op 2D-printen; voegt hieraan toe dat het noodzakelijk is innovatie te bevorderen en te begeleiden met wetgeving, evenwel zonder dat de wetgeving een rem of verplichting vormt;

2.  wijst erop dat er bijgevolg waakzaamheid geboden is ten aanzien van bepaalde onderwerpen, zoals de versleuteling en bescherming van bestanden teneinde het downloaden en illegaal reproduceren van deze bestanden of beschermde voorwerpen alsook het reproduceren van illegale voorwerpen te verhinderen;

3.  is van mening dat in de 3D-printsector voorzichtigheid duidelijk geboden is, met name ten aanzien van de kwaliteit van de geprinte producten en de risico's die zij kunnen inhouden voor gebruikers of consumenten, en dat moet worden overwogen identificatie- en traceerbaarheidsinstrumenten op te nemen om de traceerbaarheid van producten te waarborgen en het toezicht op het verdere gebruik ervan voor commerciële en niet-commerciële doeleinden te vergemakkelijken; is van oordeel dat nauwe samenwerking tussen rechthebbenden en 3D-fabrikanten bij de ontwikkeling van dergelijke instrumenten positief zou zijn; is tevens van mening dat dit de traceerbaarheid van de gecreëerde voorwerpen ten goede zou komen en namaak zou tegengaan;

4.  merkt op dat het toezicht op de legale reproductie van 3D-voorwerpen die beschermd zijn op grond van het auteursrecht, indien nodig kan worden vereenvoudigd aan de hand van juridische oplossingen, zoals het systematisch aanbrengen van een pedagogische oproep tot respect voor intellectuele eigendom bij de aanbieders van digitalisering en 3D-printen; benadrukt in dit verband het belang van elementen die het mogelijk maken 3D-voorwerpen te traceren; benadrukt dat als een 3D-kopie een privé-kopie is, de nationale wetgeving inzake vrijstellingen voor privé-kopieën van toepassing is, ook wat compensatie of inkomsten betreft;

5.  wijst erop dat het publiek bewust moet worden gemaakt van de noodzaak om intellectuele-eigendomsrechten op het gebied van 3D-printen te beschermen, ook in verband met inbreuken op ontwerp-, merk- en octrooirechten;

6.  benadrukt evenwel dat technische oplossingen, die momenteel onvoldoende zijn ontwikkeld, verder kunnen worden onderzocht, bijvoorbeeld de oprichting van databanken van versleutelde en beschermde bestanden, de ontwikkeling van geconnecteerde printers die zijn uitgerust met een systeem voor het beheer van intellectuele-eigendoms­rechten en de bevordering van samenwerking tussen fabrikanten en platforms om betrouwbare bestanden beschikbaar te stellen aan professionals en consumenten; benadrukt voorts dat, ongeacht welke van deze maatregelen worden vastgesteld, de tenuitvoerlegging ervan geen gevolgen mag hebben voor de kosten van de activiteiten die al door marktdeelnemers worden uitgevoerd;

7.  wijst erop dat geen van deze ideeën tot nog toe op zichzelf werkelijk toereikend is;

8.  betreurt dat de Commissie Richtlijn 2004/48/EG niet heeft herzien maar alleen niet-bindende richtsnoeren heeft gepresenteerd, zonder opheldering te verschaffen over specifieke kwesties in verband met de 3D-printtechnologie; is niettemin ingenomen met de maatregelen die de Commissie op 29 november 2017 heeft aangekondigd om de bescherming van intellectuele eigendom te versterken;

9.  merkt op dat de intellectuele-eigendomsrechten met betrekking tot de verschillende elementen van de 3D-printtechnologie zijn vastgesteld, en dat daarom nu de vraag rijst hoe deze rechten moeten worden gehandhaafd;

10.  verzoekt de Commissie om bij de uitvoering van de in haar mededeling (COM(2017)0707) genoemde maatregelen op globale wijze rekening te houden met alle aspecten van de 3D-printtechnologie, zonder bestaande toepasselijke maatregelen te dupliceren; benadrukt dat het belangrijk is alle belanghebbenden bij deze inspanningen te betrekken, met inbegrip van kmo's en consumenten;

11.  vraagt de Commissie zich met aandacht te buigen over de kwesties inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid die verband houden met de 3D-printtechnologie, in het bijzonder bij de beoordeling van de werking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad;

12.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te bestuderen om een regeling uit te werken betreffende de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor schade die niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad valt;

13.  wijst erop dat de 3D-printtechnologie de EU vele economische voordelen biedt, omdat ze mogelijkheden biedt voor personalisatie en zo in het bijzonder tegemoetkomt aan de behoeften van Europese consumenten, en het mogelijk kan maken productieactiviteiten terug te halen en dus nieuwe banen kan opleveren die fysiek minder belastend en minder gevaarlijk zijn;

14.  verzoekt de Commissie de verschillende verantwoordelijkheden duidelijk af te bakenen door de partijen te identificeren die betrokken zijn bij het maken van een 3D-voorwerp: de software-ontwerper, de softwareleverancier, de fabrikant van de 3D-printer, de grondstoffenleverancier, degene die het voorwerp print en alle anderen die betrokken zijn bij het maken van het voorwerp;

15.  vestigt de aandacht op de mogelijke implicaties van nieuwe "maak-het-zelf"-marketingmethoden, waarbij niet het eindproduct wordt geleverd maar alleen de te downloaden software en de instructies voor het printen van het product;

16.  benadrukt dat er een samenhangend rechtskader tot stand moet worden gebracht om consumenten en bedrijven een soepele overgang en rechtszekerheid te bieden, teneinde innovatie in de EU te bevorderen;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45.
(2) PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29.
(3) PB C 332 van 8.10.2015, blz. 36.


Industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ***I
PDF 132kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de innovatieve capaciteit van de defensie-industrie van de EU (COM(2017)0294 – C8-0180/2017 – 2017/0125(COD))
P8_TA(2018)0275A8-0037/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0294),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 173 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0180/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 7 december 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 7 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Begrotingscommissie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0037/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de hierbij gehechte gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad, die samen met de definitieve wetgevingstekst in de L-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt;

3.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

4.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 3 juli 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de innovatieve capaciteit van de defensie-industrie van de Unie

P8_TC1-COD(2017)0125


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1092.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

GEZAMENLIJKE VERKLARING OVER DE FINANCIERING VAN HET INDUSTRIEEL ONTWIKKELINGSPROGRAMMA VOOR DE EUROPESE DEFENSIE

Het Europees Parlement en de Raad komen overeen, onverminderd de prerogatieven van de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure, dat de financiering van de Industriële ontwikkelingsprogramma's voor de Europese defensie in de periode 2019-2020 als volgt zal worden gedekt:

—  200 miljoen EUR uit de niet-toegewezen marge;

—  116,1 miljoen EUR uit CEF;

—  3,9 miljoen EUR uit Egnos;

—  104,1 miljoen EUR uit Galileo;

—  12 miljoen EUR uit Copernicus;

—  63,9 miljoen EUR uit ITER.

VERKLARING VAN DE COMMISSIE MET STEUN VAN HET EUROPEES PARLEMENT BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN HET INDUSTRIEEL ONTWIKKELINGSPROGRAMMA VOOR DE EUROPESE DEFENSIE

Om het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie op efficiënte wijze ten uitvoer te leggen en om volledige consistentie met andere initiatieven van de Unie te waarborgen, is de Commissie voornemens om het programma uit te voeren onder direct beheer overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement.

(1) PB C 129 van 11.4.2018, blz. 51.


Geïntegreerde landbouwstatistieken ***I
PDF 123kWORD 53k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende geïntegreerde landbouwstatistieken en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1166/2008 en (EU) nr. 1337/2011 (COM(2016)0786 – C8-0514/2016 – 2016/0389(COD))
P8_TA(2018)0276A8-0300/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0786),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0514/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 8 mei 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0300/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 3 juli 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende geïntegreerde landbouwstatistieken en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1166/2008 en (EU) nr. 1337/2011

P8_TC1-COD(2016)0389


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1091.)


Mededeling van investeringsprojecten met betrekking tot energie-infrastructuur: intrekking ***I
PDF 126kWORD 40k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Verordening (EU) nr. 256/2014 van het Europees Parlement en de Raad inzake de mededeling aan de Commissie van investeringsprojecten met betrekking tot energie-infrastructuur binnen de Europese Unie (COM(2017)0769 – C8-0448/2017 – 2017/0347(COD))
P8_TA(2018)0277A8-0211/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0769),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0448/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 februari 2018(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 27 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0211/2018),

1.  stelt onderhavig standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 3 juli 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Verordening (EU) nr. 256/2014 inzake de mededeling aan de Commissie van investeringsprojecten met betrekking tot energie-infrastructuur binnen de Europese Unie

P8_TC1-COD(2017)0347


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1504.)

(1) PB C 227 van 28.6.2018, blz. 103.


Maatregelen ter versterking van de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde *
PDF 188kWORD 69k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 over het gewijzigd voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 wat betreft maatregelen ter versterking van de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (COM(2017)0706 – C8-0441/2017 – 2017/0248(CNS))
P8_TA(2018)0278A8-0215/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2017)0706),

–  gezien artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0441/2017),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0215/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Btw-fraude is vaak gekoppeld aan georganiseerde misdaad en een zeer klein aantal van die georganiseerde netwerken kan verantwoordelijk zijn voor miljarden euro's aan grensoverschrijdende btw-fraude, hetgeen niet alleen gevolgen heeft voor de inning van opbrengsten in de lidstaten maar ook een negatieve impact heeft op de eigen middelen van de Unie. De lidstaten hebben derhalve een gedeelde verantwoordelijkheid om de btw-opbrengsten van alle lidstaten te beschermen.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Administratieve onderzoeken zijn vaak nodig om btw-fraude te bestrijden, met name wanneer de belastingplichtige niet gevestigd is in de lidstaten waar de belasting verschuldigd is. Om een goede handhaving van de btw te garanderen en om dubbel werk en administratieve lasten bij de belastingautoriteiten en de bedrijven te vermijden, moet, wanneer ten minste twee lidstaten een administratief onderzoek nodig achten naar de bedragen die zijn aangegeven door een belastingplichtige die niet op hun grondgebied gevestigd is maar die daar wel belastbaar zijn, de lidstaat waar de belastingplichtige gevestigd is, het onderzoek verrichten en moeten de verzoekende lidstaten de lidstaat van vestiging daarbij helpen door actief deel te nemen aan het onderzoek.
(2)  Een administratief onderzoek is vaak nodig om btw-fraude te bestrijden, met name wanneer de belastingplichtige niet gevestigd is in de lidstaat waar de belasting verschuldigd is. Om een goede handhaving van de btw te garanderen, om dubbel werk te vermijden en om administratieve lasten bij de belastingautoriteiten en de bedrijven te reduceren, moet een administratief onderzoek worden verricht naar de bedragen die zijn aangegeven door een belastingplichtige die niet op hun grondgebied gevestigd is maar die daar wel belastbaar is. De lidstaat waar de belastingplichtige gevestigd is, moet het onderzoek verrichten en de verzoekende lidstaat of lidstaten moet/moeten de lidstaat van vestiging daarbij helpen door actief deel te nemen aan het onderzoek.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Ten behoeve van effectieve en efficiënte btw-controles op grensoverschrijdende handelingen voorziet Verordening (EU) nr. 904/2010 in de aanwezigheid van ambtenaren in administratiekantoren en tijdens administratieve onderzoeken in andere lidstaten. Om de belastingautoriteiten beter in staat te stellen grensoverschrijdende leveringen van goederen en diensten te onderzoeken, moeten er gezamenlijke controles worden opgezet waarbij ambtenaren van twee of meer lidstaten één controleteam kunnen vormen en actief kunnen deelnemen aan een gezamenlijk administratief onderzoek.
(11)  Ten behoeve van effectieve en efficiënte btw-controles op grensoverschrijdende handelingen voorziet Verordening (EU) nr. 904/2010 in de aanwezigheid van ambtenaren in administratiekantoren en tijdens administratieve onderzoeken in andere lidstaten. Om de belastingautoriteiten beter in staat te stellen, door hen meer technische en menselijke hulpbronnen ter beschikking te stellen, grensoverschrijdende goederenleveringen en dienstverrichtingen te onderzoeken, moeten er gezamenlijke controles worden opgezet waarbij ambtenaren van twee of meer lidstaten één controleteam kunnen vormen en in een geest van samenwerking en productiviteit, en op basis van door de lidstaten overeen te komen voorwaarden, actief kunnen deelnemen aan een gezamenlijk administratief onderzoek om grensoverschrijdende btw-fraude, die momenteel de belastinggrondslag van de lidstaten uitholt, op te sporen en te bestrijden.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Om de zwaarste vormen van grensoverschrijdende fraude te bestrijden, moeten het beheer, de taken en de werking van Eurofisc worden verduidelijkt en versterkt. Eurofisc-verbindingsambtenaren moeten snel toegang kunnen hebben tot alle noodzakelijke inlichtingen, deze kunnen uitwisselen, verwerken en analyseren, en eventuele vervolgacties kunnen coördineren. Verder moet de samenwerking met andere autoriteiten die betrokken zijn bij de strijd tegen btw-fraude op Unieniveau, worden versterkt, met name door de uitwisseling van doelgerichte inlichtingen met Europol en het Europees Bureau voor fraudebestrijding. Daarom moeten Eurofisc-verbindingsambtenaren de mogelijkheid hebben om informatie en inlichtingen spontaan dan wel op verzoek te delen met Europol en het Europees Bureau voor fraudebestrijding. Op die manier kunnen Eurofisc-verbindingsambtenaren gegevens en inlichtingen ontvangen die in het bezit zijn van Europol en het Europees Bureau voor fraudebestrijding, om de werkelijke plegers van btw-fraude te kunnen identificeren.
(13)  Om de zwaarste vormen van grensoverschrijdende fraude te bestrijden, moeten het beheer, de taken en de werking van Eurofisc worden verduidelijkt en versterkt. Eurofisc-verbindingsambtenaren moeten snel toegang kunnen hebben tot alle noodzakelijke inlichtingen, deze kunnen uitwisselen, verwerken en analyseren, en eventuele vervolgacties kunnen coördineren. Verder moet de samenwerking met andere autoriteiten die betrokken zijn bij de strijd tegen btw-fraude op Unieniveau, worden versterkt, met name door de uitwisseling van doelgerichte inlichtingen met Europol en het Europees Bureau voor fraudebestrijding. Daarom moeten Eurofisc-verbindingsambtenaren informatie en inlichtingen spontaan dan wel op verzoek delen met Europol, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en, in het geval van deelnemende lidstaten, het Europees Openbaar Ministerie, met name bij vermoedens van btw-fraude boven een bepaald bedrag. Op die manier kunnen Eurofisc-verbindingsambtenaren gegevens en inlichtingen ontvangen die in het bezit zijn van Europol en het Europees Bureau voor fraudebestrijding, om de werkelijke plegers van btw-fraude te kunnen identificeren.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  De wijze van toezending van verzoeken om btw-teruggaaf - overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2008/9/EG35 van de Raad - biedt een mogelijkheid om de administratieve lasten voor de bevoegde autoriteiten te verlichten bij het invorderen van onbetaalde btw-schulden in de lidstaat van vestiging.
(15)  De wijze van toezending van verzoeken om btw-teruggaaf overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2008/9/EG35 van de Raad biedt een mogelijkheid om de administratieve lasten voor de bevoegde autoriteiten te verlichten bij het invorderen van onbetaalde belastingverplichtingen in de lidstaat van vestiging.
__________________
__________________
35 Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (PB L 44 van 20.2.2008, blz. 23).
35 Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (PB L 44 van 20.2.2008, blz. 23).
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Om de financiële belangen van de Unie tegen zware grensoverschrijdende btw-fraude te beschermen, moeten de lidstaten die aan het Europees Openbaar Ministerie deelnemen, inlichtingen over ernstige strafbare feiten die een inbreuk vormen op het btw-stelsel als bedoeld in artikel 2, lid 2, van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad, aan dat ministerie verstrekken, inclusief via Eurofisc-verbindingsambtenaren36.
(16)  Om de financiële belangen van de Unie tegen zware grensoverschrijdende btw-fraude te beschermen, moeten de lidstaten die aan het Europees Openbaar Ministerie deelnemen, inlichtingen over ernstige strafbare feiten die een inbreuk vormen op het btw-stelsel als bedoeld in artikel 2, lid 2, van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad, tijdig aan dat ministerie verstrekken, inclusief via Eurofisc-verbindingsambtenaren36.
__________________
__________________
36 Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
36 Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  De Commissie heeft slechts toegang tot de overeenkomstig Verordening (EU) nr. 904/2010 verstrekte of verzamelde inlichtingen voor zover zulks noodzakelijk is voor het beheer, het onderhoud en de ontwikkeling van de elektronische systemen die door de Commissie worden gehost en door de lidstaten worden gebruikt voor de toepassing van deze verordening.
(18)  De Commissie moet toegang hebben tot de overeenkomstig Verordening (EU) nr. 904/2010 verstrekte of verzamelde inlichtingen voor zover zulks noodzakelijk is voor het beheer, het onderhoud en de ontwikkeling van de elektronische systemen die door de Commissie worden gehost en door de lidstaten worden gebruikt voor de toepassing van deze verordening, en om te garanderen dat deze verordening naar behoren ten uitvoer wordt gelegd. Daarnaast moet de Commissie bezoeken aan de lidstaten kunnen brengen om te evalueren hoe de regelingen voor administratieve samenwerking functioneren.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Voor de toepassing van deze verordening dient te worden overwogen de reikwijdte te beperken van bepaalde rechten en verplichtingen die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad37, teneinde de in artikel 23, lid 1, onder e), van die verordening bedoelde belangen te vrijwaren. Deze beperkingen zijn noodzakelijk en proportioneel, gelet op de potentiële inkomstenderving voor de lidstaten en het cruciale belang van inlichtingenverstrekking ten behoeve van een doeltreffende fraudebestrijding.
(19)  Voor de toepassing van deze verordening dient te worden overwogen de reikwijdte te beperken van bepaalde rechten en verplichtingen die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad37, teneinde de in artikel 23, lid 1, onder e), van die verordening bedoelde belangen te vrijwaren. Deze beperkingen zijn noodzakelijk en proportioneel, gelet op de potentiële inkomstenderving voor de lidstaten en het cruciale belang van inlichtingenverstrekking ten behoeve van een doeltreffende fraudebestrijding. Deze beperkingen mogen evenwel niet verder gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is voor het verwezenlijken van die doelstelling, en moeten voldoen aan de hoge normen zoals bedoeld in artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarnaast moeten toekomstige uitvoeringshandelingen voor deze verordening in overeenstemming zijn met de gegevensbeschermingsvereisten van Verordening (EU) 2016/679 en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad37bis.
__________________
__________________
37 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
37 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
37 bis Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)  Zeer weinig lidstaten publiceren schattingen van btw-verliezen die het gevolg zijn van intracommunautaire fraude. Met vergelijkbare gegevens over intracommunautaire btw-fraude zou een beter gerichte samenwerking tussen lidstaten kunnen worden bewerkstelligd. Daarom moet de Commissie samen met de lidstaten een gezamenlijke statistische benadering ontwikkelen om btw-fraude te kwantificeren en te analyseren.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 7 – lid 4
4.  Het in lid 1 bedoelde verzoek kan een met redenen omkleed verzoek om een specifiek administratief onderzoek omvatten. De aangezochte autoriteit verricht het administratieve onderzoek in overleg met de verzoekende autoriteit. Er kan gebruik worden gemaakt van de in de artikelen 28 tot en met 30 van deze verordening bedoelde instrumenten en procedures. Indien de aangezochte autoriteit van oordeel is dat geen administratief onderzoek nodig is, stelt zij de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van de redenen waarop zij haar oordeel baseert.
4.  Wanneer een bevoegde autoriteit van een lidstaat een administratief onderzoek nodig acht, dient zij een met redenen omkleed verzoek in. De aangezochte autoriteit mag niet weigeren het onderzoek in kwestie te verrichten en verstrekt, indien de informatie reeds beschikbaar is, deze vóór ontvangst van enig verzoek aan de verzoekende autoriteiten. De lidstaten dragen er zorg voor dat er tussen de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit een regeling wordt getroffen waarbij door de verzoekende autoriteit gemachtigde ambtenaren, met het oog op de verzameling van de in de tweede alinea bedoelde inlichtingen, deelnemen aan het administratieve onderzoek dat op het grondgebied van de aangezochte autoriteit wordt verricht. De ambtenaren van de verzoekende en de aangezochte autoriteiten zijn gezamenlijk, in een geest van samenwerking en productiviteit, met de uitvoering van een dergelijk administratief onderzoek belast. De ambtenaren van de verzoekende autoriteit hebben toegang tot dezelfde informatie, bescheiden en plaatsen, en mogen, voor zover de wetgeving van de aangezochte lidstaat dit toestaat, rechtstreeks personen bevragen om grensoverschrijdende btw-fraude, die momenteel de nationale belastinggrondslag uitholt, op te sporen en te bestrijden.
Niettegenstaande de eerste alinea kan een onderzoek naar de bedragen die zijn aangegeven door een in de lidstaat van de aangezochte autoriteit gevestigde belastingplichtige en die belastbaar zijn in de lidstaat van de verzoekende autoriteit, enkel worden geweigerd op een van de volgende gronden:
(a)  op de in artikel 54, lid 1, bedoelde gronden, die door de aangezochte autoriteit zijn beoordeeld conform een verklaring van beste praktijken met betrekking tot het verband tussen het onderhavige lid en artikel 54, lid 1, die overeenkomstig de procedure waarin artikel 58, lid 2, voorziet, dient te worden vastgesteld;
(b)  op de in artikel 54, leden 2, 3 en 4, bedoelde gronden;
(c)  op grond van het feit dat de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit over dezelfde belastingplichtige al inlichtingen heeft verstrekt die verkregen zijn in het kader van een administratief onderzoek dat minder dan twee jaar voordien heeft plaatsgevonden.
Indien de aangezochte autoriteit op de in punt a) of punt b) bedoelde gronden weigert een administratief onderzoek als bedoeld in de tweede alinea in te stellen, verstrekt zij de verzoekende autoriteit niettemin de datums en bedragen van de relevante prestaties die de belastingplichtige de twee voorgaande jaren in de lidstaat van de verzoekende autoriteit heeft verricht.
Wanneer de bevoegde autoriteiten van ten minste twee lidstaten een administratief onderzoek nodig achten, mag de aangezochte autoriteit niet weigeren dat onderzoek te verrichten. De lidstaten dragen er zorg voor dat er tussen die verzoekende autoriteiten en de aangezochte autoriteit een regeling wordt getroffen waarbij door de verzoekende autoriteiten gemachtigde ambtenaren, met het oog op de verzameling van de in de tweede alinea bedoelde inlichtingen, deelnemen aan het administratieve onderzoek dat op het grondgebied van de aangezochte autoriteit wordt verricht. De ambtenaren van de verzoekende en de aangezochte autoriteiten zijn gezamenlijk met de uitvoering van een dergelijk administratief onderzoek belast. De ambtenaren van de verzoekende autoriteiten oefenen dezelfde controlebevoegdheden uit als die welke aan de ambtenaren van de aangezochte autoriteit zijn verleend. De ambtenaren van de verzoekende autoriteiten hebben toegang tot dezelfde plaatsen en bescheiden als de ambtenaren van de aangezochte autoriteit maar alleen met het oog op de uitvoering van het administratieve onderzoek.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 12 bis (nieuw)
(1 bis)  het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 12 bis
Alle lidstaten voeren een reeks operationele doelstellingen in voor het terugdringen van het percentage late antwoorden en het verbeteren van de kwaliteit van verzoeken om inlichtingen, en brengen de Commissie op de hoogte van deze doelstellingen.";
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 13 – lid 3
3.  De inlichtingen worden toegezonden door middel van standaardformulieren of met andere middelen die de desbetreffende bevoegde autoriteiten passend achten. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de standaardformulieren vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
3.  De inlichtingen worden toegezonden met gebruikmaking van standaardformulieren of met andere middelen die de desbetreffende bevoegde autoriteiten passend achten. De Commissie stelt de standaardformulieren vast door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 14 – lid 1 – alinea 2
(2 bis)  In artikel 14, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:
Een lidstaat kan ervan afzien aan de automatische uitwisseling van één of meer van die categorieën inlichtingen deel te nemen indien het vergaren van inlichtingen voor dergelijke uitwisseling zou vergen dat aan btw-plichtigen nieuwe verplichtingen worden opgelegd of de lidstaat een buitensporige administratieve last zou opleggen.
"Een lidstaat kan ervan afzien aan de automatische uitwisseling van één of meer van die categorieën inlichtingen deel te nemen indien het vergaren van inlichtingen voor dergelijke uitwisseling zou vergen dat aan btw-plichtigen buitensporige verplichtingen worden opgelegd of de lidstaat een buitensporige administratieve last zou opleggen.";
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 17 – lid 1 – letter e
(e)  de inlichtingen betreffende de status van gecertificeerd belastingplichtige overeenkomstig artikel 13 bis van Richtlijn 2006/112/EG, alsook de datum van toekenning, weigering en intrekking van die status.
(e)  de inlichtingen met betrekking tot de status van gecertificeerd belastingplichtige overeenkomstig artikel 13 bis van Richtlijn 2006/112/EG, alsook de datum van toekenning, weigering en intrekking van die status;
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter b
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 17 – lid 1 – letter f
f)  de inlichtingen die hij overeenkomstig artikel 143, lid 2, onder a) en b), van Richtlijn 2006/112/EG vergaart, alsook het land van oorsprong, het land van bestemming, de goederencode, de valuta, het totale bedrag, de wisselkoers, de prijzen van de afzonderlijke artikelen en het nettogewicht.
f)  de inlichtingen die hij overeenkomstig artikel 143, lid 2, onder a) en b), van Richtlijn 2006/112/EG vergaart, alsook het land van oorsprong, de identificatiegegevens van de exporteur, het land van bestemming, de goederencode, de valuta, het totale bedrag, de wisselkoers, de prijs van het artikel en het nettogewicht.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter e
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 17 – lid 3
3.  De Commissie bepaalt door middel van uitvoeringshandelingen de precieze categorieën van inlichtingen als bedoeld in lid 1, onder f), van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.;
3.  De Commissie bepaalt door middel van uitvoeringshandelingen de specifieke categorieën die moeten worden opgenomen op standaardformulieren en templates en in procedures voor het verstrekken van inlichtingen als bedoeld in lid 1, onder f), van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter a
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 21 – lid 1 bis
1 bis.  Iedere lidstaat verleent zijn ambtenaren die nagaan of aan de in artikel 143, lid 2, van Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde voorwaarden is voldaan, toegang tot de in artikel 17, lid 1, onder b) en c), van deze verordening bedoelde inlichtingen ten aanzien waarvan door de andere lidstaten geautomatiseerde toegang wordt verleend.
1 bis.  Iedere lidstaat verleent zijn ambtenaren die nagaan of aan de in artikel 143, lid 2, van Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde voorwaarden is voldaan, toegang tot de in artikel 17, lid 1, onder b) en c), van deze verordening bedoelde inlichtingen, waaronder tot het register dat het overzicht van gecertificeerde belastingplichtigen bevat, ten aanzien waarvan door de andere lidstaten geautomatiseerde toegang wordt verleend.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter b – punt i
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 21 – lid 2 – letter e – punt i
(i)  de toegang houdt verband met een onderzoek naar een vermoeden van fraude of heeft tot doel plegers van fraude op te sporen of te identificeren;
(i)  de toegang houdt verband met een onderzoek naar een vermoeden van fraude of heeft tot doel plegers van fraude en ernstige wanpraktijken op te sporen of te identificeren;
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter b – punt i
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 21 – lid 2 – letter e – punt ii
(ii)  de toegang verloopt via een Eurofisc-verbindingsambtenaar als bedoeld in artikel 36, lid 1, die beschikt over een persoonlijke gebruikersidentificatie voor de elektronische systemen die toegang tot deze inlichtingen bieden.
(ii)  de toegang verloopt via een Eurofisc-verbindingsambtenaar als bedoeld in artikel 36, lid 1, die beschikt over een persoonlijke gebruikersidentificatie voor de elektronische systemen die toegang bieden tot deze inlichtingen en voor toegang tot het register dat het overzicht van gecertificeerde belastingplichtigen bevat.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter c
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 21 – lid 2 bis – alinea 1 – inleidende formule
Wat de in artikel 17, lid 1, onder f), bedoelde inlichtingen betreft, zijn ten minste de volgende gegevens toegankelijk:
Wat de in artikel 17, lid 1, onder f), bedoelde inlichtingen betreft, zijn ten minste de volgende inlichtingen toegankelijk:
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter c
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 21 – lid 2 bis – alinea 1 – letter a
(a)  de btw-identificatienummers die zijn toegekend door de lidstaat die de inlichtingen ontvangt;
(a)  de btw-identificatienummers die zijn toegekend door de lidstaat die de inlichtingen ontvangt en het register dat het overzicht van gecertificeerde belastingplichtigen bevat;
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter c
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 21 – lid 2 bis – alinea 1 – letter c
(c)  het land van oorsprong, het land van bestemming, de goederencode, de valuta, het totale bedrag, de wisselkoers, de prijzen van de afzonderlijke artikelen en het nettogewicht van de goedereninvoer, gevolgd door een intracommunautaire goederenlevering, verricht door elk van de onder b) bedoelde personen ten behoeve van elke persoon aan wie een btw-identificatienummer als bedoeld onder a) is toegekend;
(c)  het land van oorsprong, het land van bestemming, de goederencode, de valuta, het totale bedrag, de wisselkoers, de prijs van het artikel en het nettogewicht van de goedereninvoer, gevolgd door een intracommunautaire goederenlevering, verricht door elk van de onder b) bedoelde personen ten behoeve van elke persoon aan wie een btw-identificatienummer als bedoeld onder a) is toegekend;
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter c
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 21 – lid 2 bis – alinea 1 – letter d – inleidende formule
(d)  het land van oorsprong, het land van bestemming, de goederencode, de valuta, het totale bedrag, de wisselkoers, de prijzen van de afzonderlijke artikelen en het nettogewicht van de goedereninvoer, gevolgd door een intracommunautaire goederenlevering, verricht door elk van de onder b) bedoelde personen ten behoeve van elke persoon aan wie door een andere lidstaat een btw-identificatienummer is toegekend onder de volgende voorwaarden:
(d)  het land van oorsprong, het land van bestemming, de goederencode, de valuta, het totale bedrag, de wisselkoers, de prijs van het artikel en het nettogewicht van de goedereninvoer, gevolgd door een intracommunautaire goederenlevering, verricht door elk van de onder b) bedoelde personen ten behoeve van elke persoon aan wie door een andere lidstaat een btw-identificatienummer is toegekend onder de volgende voorwaarden:
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter c
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 21 – lid 2 bis – alinea 1 – letter d – punt i
(i)  de toegang houdt verband met een onderzoek naar een vermoeden van fraude of heeft tot doel plegers van fraude op te sporen of te identificeren;
(i)  de toegang houdt verband met een onderzoek naar een vermoeden van fraude of heeft tot doel plegers van fraude en ernstige wanpraktijken op te sporen of te identificeren;
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 21 bis – lid 2 – alinea 1 – punt i
(i)  de toegang houdt verband met een onderzoek naar een vermoeden van fraude of heeft tot doel plegers van fraude op te sporen of te identificeren;
(i)  de toegang houdt verband met een onderzoek naar een vermoeden van fraude of heeft tot doel plegers van fraude en ernstige wanpraktijken op te sporen of te identificeren;
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8 – letter a
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 28 – lid 2 bis
2 bis.  De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat, met het oog op de verzameling en de uitwisseling van de in artikel 1 bedoelde inlichtingen, door de verzoekende autoriteit gemachtigde ambtenaren, onder de door de aangezochte autoriteit vastgestelde voorwaarden, mogen deelnemen aan de administratieve onderzoeken die op het grondgebied van de aangezochte lidstaat worden uitgevoerd. De ambtenaren van de verzoekende en de aangezochte autoriteiten zijn gezamenlijk met de uitvoering van dergelijke administratieve onderzoeken belast. De ambtenaren van de verzoekende autoriteit oefenen dezelfde controlebevoegdheden uit als die welke aan de ambtenaren van de aangezochte autoriteit zijn verleend. De ambtenaren van de verzoekende autoriteiten hebben toegang tot dezelfde plaatsen en bescheiden als de ambtenaren van de aangezochte autoriteit maar alleen met het oog op de uitvoering van het administratieve onderzoek. De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat beide autoriteiten, onder de door de aangezochte autoriteit vastgestelde voorwaarden, een gemeenschappelijk controleverslag opstellen.
2 bis.  De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat, met het oog op de verzameling en de uitwisseling van de in artikel 1 bedoelde inlichtingen, door de verzoekende autoriteit gemachtigde ambtenaren, onder de door de aangezochte autoriteit vastgestelde voorwaarden, mogen deelnemen aan de administratieve onderzoeken die op het grondgebied van de aangezochte lidstaat worden uitgevoerd. De ambtenaren van de verzoekende en de aangezochte autoriteiten zijn gezamenlijk met de uitvoering van dergelijke administratieve onderzoeken belast, in een geest van wederzijds vertrouwen en vruchtbare samenwerking, en met inachtneming van de administratieve praktijken van die autoriteiten en van de nationale wetgeving van de lidstaat van de aangezochte autoriteit, met als doel het bestrijden van grensoverschrijdende btw-fraude. De ambtenaren van de verzoekende autoriteiten hebben toegang tot dezelfde plaatsen en bescheiden als de ambtenaren van de aangezochte autoriteit maar alleen met het oog op de uitvoering van het administratieve onderzoek. De verzoekende autoriteiten en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat deelnemende autoriteiten, onder de door de aangezochte autoriteit vastgestelde voorwaarden, een gemeenschappelijk controleverslag opstellen.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 33 – lid 1
1.  Om de multilaterale samenwerking bij de bestrijding van btw-fraude te bevorderen en te vergemakkelijken, wordt bij dit hoofdstuk een netwerk ingesteld voor de snelle uitwisseling, verwerking en analyse van doelgerichte inlichtingen tussen de lidstaten en voor de coördinatie van eventuele vervolgacties, hierna "Eurofisc" genoemd.
1.  Om de multilaterale samenwerking bij de bestrijding van btw-fraude te bevorderen en te vergemakkelijken, wordt bij dit hoofdstuk een netwerk ingesteld voor de snelle uitwisseling, verwerking en analyse van doelgerichte inlichtingen over grensoverschrijdende fraude tussen de lidstaten en voor de coördinatie van eventuele vervolgacties, hierna "Eurofisc" genoemd.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter b – punt i
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 33 – lid 2 – letter b
(b)  verrichten en coördineren de lidstaten de snelle multilaterale uitwisseling en de gezamenlijke verwerking en analyse van doelgerichte inlichtingen op de beleidsgebieden waarop Eurofisc actief is (hierna "Eurofisc-werkterreinen" genoemd);
(b)  verrichten en coördineren de lidstaten de snelle multilaterale uitwisseling en de gezamenlijke verwerking en analyse van doelgerichte inlichtingen over grensoverschrijdende frauderegelingen op de beleidsgebieden waarop Eurofisc actief is (hierna "Eurofisc-werkterreinen" genoemd);
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter b – punt ii
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 33 – lid 2 – letter d
(d)  coördineren de lidstaten de administratieve onderzoeken van de deelnemende lidstaten naar de verdachten en de plegers van fraude die zijn geïdentificeerd door de in artikel 36, lid 1, bedoelde Eurofisc-verbindingsambtenaren.
(d)  coördineren de lidstaten de administratieve onderzoeken van de deelnemende lidstaten naar fraude die is geïdentificeerd door de in artikel 36, lid 1, bedoelde Eurofisc-verbindingsambtenaren.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 34 – lid 2
2.  Lidstaten die gekozen hebben om deel te nemen aan een Eurofisc-werkterrein, nemen actief deel aan de multilaterale uitwisseling en de gezamenlijke verwerking en analyse van doelgerichte inlichtingen tussen alle deelnemende lidstaten en aan de coördinatie van eventuele vervolgacties.
2.  Lidstaten die gekozen hebben om deel te nemen aan een Eurofisc-werkterrein, nemen actief deel aan de multilaterale uitwisseling en de gezamenlijke verwerking en analyse van doelgerichte inlichtingen over grensoverschrijdende fraude tussen alle deelnemende lidstaten en aan de coördinatie van eventuele vervolgacties.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 35 – alinea 1
De Commissie geeft Eurofisc technische en logistieke ondersteuning. De Commissie heeft geen toegang tot de in artikel 1 bedoelde inlichtingen die via Eurofisc kunnen worden uitgewisseld, behalve in de in artikel 55, lid 2, vastgestelde omstandigheden.
De Commissie geeft Eurofisc de noodzakelijke technische en logistieke ondersteuning. De Commissie heeft toegang tot de in artikel 1 bedoelde inlichtingen, die via Eurofisc kunnen worden uitgewisseld, in de in artikel 55, lid 2, vastgestelde omstandigheden.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 14 – letter c
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 36 – lid 3
3.  De Eurofisc-werkterreincoördinatoren kunnen, op eigen initiatief dan wel op verzoek, een aantal bijeengebrachte en verwerkte inlichtingen doorgeven aan Europol en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) op de door de deelnemers aan het werkterrein overeengekomen wijze.
3.  De Eurofisc-werkterreincoördinatoren kunnen, op eigen initiatief dan wel op verzoek, ter zake doende inlichtingen over de belangrijkste gevallen van fraude met btw doorgeven aan Europol en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) op de door de deelnemers aan het werkterrein overeengekomen wijze.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 14 – letter c
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 36 – lid 4
4.  De Eurofisc-werkterreincoördinatoren stellen de van Europol en OLAF ontvangen inlichtingen beschikbaar aan de andere deelnemende Eurofisc-verbindingsambtenaren; deze inlichtingen worden langs elektronische weg uitgewisseld.
4.  De Eurofisc-werkterreincoördinatoren kunnen Europol en OLAF om ter zake doende inlichtingen verzoeken. De Eurofisc-werkterreincoördinatoren stellen de van Europol en OLAF ontvangen inlichtingen beschikbaar aan de andere deelnemende Eurofisc-verbindingsambtenaren; deze inlichtingen worden langs elektronische weg uitgewisseld.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 48 – lid 1 – alinea 2
Wanneer de lidstaat van vestiging vaststelt dat een belastingplichtige die overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2008/9/EG om teruggaaf van btw verzoekt, onbetwiste btw-schulden in die lidstaat van vestiging heeft, kan hij de lidstaat van teruggaaf in kennis stellen van deze schulden, in welk geval de lidstaat van teruggaaf de belastingplichtige vraagt of de terug te geven btw rechtstreeks mag worden overgemaakt aan de lidstaat van vestiging om de openstaande btw-schulden aan te zuiveren. Wanneer de belastingplichtige met deze overmaking instemt, maakt de lidstaat van teruggaaf dit bedrag namens de belastingplichtige over aan de lidstaat van vestiging voor zover zulks vereist is om de openstaande btw-schuld aan te zuiveren. De lidstaat van vestiging deelt de belastingplichtige uiterlijk vijftien dagen na ontvangst van het door de lidstaat van teruggaaf overgemaakte bedrag mee of zijn btw-schuld met dit bedrag ten dele of geheel is aangezuiverd.
Wanneer de lidstaat van vestiging vaststelt dat een belastingplichtige die overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2008/9/EG om teruggaaf van btw verzoekt, onbetwiste btw-schulden in die lidstaat van vestiging heeft, stelt hij de lidstaat van teruggaaf in kennis van deze schulden, in welk geval de lidstaat van teruggaaf de belastingplichtige vraagt of de terug te geven btw rechtstreeks mag worden overgemaakt aan de lidstaat van vestiging om de openstaande btw-schulden aan te zuiveren. Wanneer de belastingplichtige met deze overmaking instemt, maakt de lidstaat van teruggaaf dit bedrag namens de belastingplichtige over aan de lidstaat van vestiging voor zover zulks vereist is om de openstaande btw-schuld aan te zuiveren. De lidstaat van vestiging deelt de belastingplichtige uiterlijk tien werkdagen na ontvangst van het door de lidstaat van teruggaaf overgemaakte bedrag mee of zijn btw-schuld met dit bedrag ten dele of geheel is aangezuiverd.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 18
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 49 – lid 2 bis – alinea 2
De lidstaten kunnen het Europees Bureau voor fraudebestrijding alle beschikbare inlichtingen over inbreuken op het gemeenschappelijk btw-stelsel meedelen zodat dit bureau passende maatregelen in overweging kan nemen in overeenstemming met zijn opdracht.
Onverminderd artikel 36, lid 3, kunnen de lidstaten het Europees Bureau voor fraudebestrijding alle beschikbare inlichtingen over inbreuken op het gemeenschappelijk btw-stelsel meedelen zodat dit bureau passende maatregelen in overweging kan nemen in overeenstemming met zijn opdracht.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 18 bis (nieuw)
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 49 bis (nieuw)
(18 bis)  het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 49 bis
De lidstaten en de Commissie richten een gemeenschappelijk systeem op voor het verzamelen van statistieken over intracommunautaire btw-fraude en publiceren nationale schattingen van btw-verliezen die het gevolg zijn van deze fraude, evenals schattingen voor de Unie als geheel. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de praktische regelingen met betrekking tot een dergelijk statistisch systeem vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.".
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 18 ter (nieuw)
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 50 – lid 1 bis (nieuw)
(18 ter)  aan artikel 50 wordt het volgende lid toegevoegd:
"1 bis. Indien een lidstaat bredere inlichtingen aan een derde land verstrekt dan de inlichtingen die worden genoemd in hoofdstukken II en III van deze verordening, mag die lidstaat niet weigeren die inlichtingen te verstrekken aan een andere lidstaat die om samenwerking verzoekt of belang heeft bij het ontvangen ervan."
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 19 – letter a
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 55 – lid 2
2.  De door de instantie voor veiligheidsaccreditatie van de Commissie gemachtigde personen hebben slechts toegang tot deze inlichtingen voor zover dat noodzakelijks is voor het beheer, het onderhoud en de ontwikkeling van de elektronische systemen die door de Commissie worden gehost en door de lidstaten worden gebruikt voor de tenuitvoerlegging van deze verordening.
2.  De door de instantie voor veiligheidsaccreditatie van de Commissie gemachtigde personen hebben toegang tot deze inlichtingen voor zover dat noodzakelijk is voor het beheer, het onderhoud en de ontwikkeling van de elektronische systemen die door de Commissie worden gehost en door de lidstaten worden gebruikt voor de tenuitvoerlegging van deze verordening en om te garanderen dat deze verordening naar behoren ten uitvoer wordt gelegd.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 19 – letter b
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 55 – lid 5
5.  Op de in deze verordening bedoelde opslag, verwerking of uitwisseling van inlichtingen zijn de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(*) van toepassing. Voor de juiste toepassing van deze verordening beperken de lidstaten evenwel de reikwijdte van de verplichtingen en rechten die zijn neergelegd in de artikelen 12 tot en met 22 en in de artikelen 5 en 34 van Verordening (EU) 2016/679, voor zover dit noodzakelijk is om de in artikel 23, lid 1, onder e), van die verordening bedoelde belangen te vrijwaren. De verwerking en de opslag van inlichtingen als bedoeld in deze verordening geschieden uitsluitend met het oog op de in artikel 1, lid 1, van deze verordening genoemde doeleinden en de termijnen voor de opslag van deze inlichtingen worden beperkt tot de mate waarin dat voor de verwezenlijking van deze doeleinden noodzakelijk is.
5.  Op de in deze verordening bedoelde opslag, verwerking of uitwisseling van inlichtingen zijn de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(*) van toepassing. Voor de juiste toepassing van deze verordening beperken de lidstaten evenwel de reikwijdte van de verplichtingen en rechten die zijn neergelegd in de artikelen 12 tot en met 22 en in de artikelen 5 en 34 van Verordening (EU) 2016/679, voor zover dit noodzakelijk is om de in artikel 23, lid 1, onder e), van die verordening bedoelde belangen te vrijwaren. De verwerking en de opslag van inlichtingen als bedoeld in deze verordening worden uitsluitend goedgekeurd met het oog op de in artikel 1, lid 1, van deze verordening genoemde doeleinden en de termijnen voor de opslag van deze inlichtingen worden beperkt tot de mate waarin dat voor de verwezenlijking van deze doeleinden noodzakelijk is.

Schending van de rechten van inheemse volkeren
PDF 198kWORD 73k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 over de schending van de rechten van inheemse volkeren, inclusief landroof (2017/2206(INI))
P8_TA(2018)0279A8-0194/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de Verenigde Naties (VN), met name de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren, die op 13 december 2007 door de Algemene Vergadering is goedgekeurd,

–  gezien Verdrag nr. 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende inheemse en in stamverband levende volkeren, dat op 27 juni 1989 is goedgekeurd,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake sociale, economische en culturele rechten,

–  gezien de artikelen 21, 22 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie, dat op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken is goedgekeurd, en het actieplan voor mensenrechten en democratie 2015-2019, dat op 20 juli 2015 door de Raad is goedgekeurd,

–  gezien de VN-Verklaring over mensenrechtenverdedigers van 1998,

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Unie over mensenrechtenkwesties, de richtsnoeren van de Europese Unie over mensenrechtenverdedigers en het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR),

–  gezien zijn resoluties over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat,

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2016 over de situatie van de Guaraní-Kaiowá in de Braziliaanse staat Mato Grosso do Sul(1),

–  gezien zijn resolutie van 14 april 2016 over Honduras: de situatie van mensenrechtenactivisten(2),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over Tanzania, met name het probleem van landroof(3),

–  gezien het Jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2016 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie ter zake(4),

–  gezien resolutie 69/2 van de Algemene Vergadering van de VN van 22 september 2014 tot goedkeuring van het slotdocument van de Wereldconferentie over inheemse volkeren 2014(5),

–  gezien resolutie 71/178 van de Algemene Vergadering van de VN van 19 december 2016 over de rechten van inheemse volkeren, met name paragraaf 13 waarin 2019 wordt uitgeroepen tot het internationale jaar van inheemse talen(6),

–  gezien het rapport van de speciale rapporteur van de VN voor de rechten van inheemse volkeren aan de VN-Mensenrechtenraad van 8 augustus 2017(7),

–  gezien resolutie 26/9 van de VN-Mensenrechtenraad van 26 juni 2014 waarmee een open intergouvernementele werkgroep werd opgericht voor de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens(8),

–  gezien het proces van de open intergouvernementele werkgroep die een verklaring heeft opgesteld over de rechten van landbouwers en andere mensen die werkzaam zijn in plattelandsgebieden en die op 13 oktober 2015 is opgericht door de VN-Mensenrechtenraad(9),

–  gezien de agenda voor duurzame ontwikkeling tot 2030, die op 25 september 2015 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties,

–  gezien het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit, dat op 22 mei 1992 werd aangenomen,

–  gezien het akkoord en actieplan van Durban dat in 2003 is aangenomen door het vijfde Wereldparkcongres van de Internationale Unie voor natuurbehoud (IUCN)(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 19 oktober 2004 over EU-richtsnoeren voor de ondersteuning van het uitstippelen van het grondbeleid en de bijbehorende hervormingsprocessen in ontwikkelingslanden (COM(2004)0686),

–  gezien de vrijwillige richtsnoeren van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN voor een verantwoord beheer van bodem- en landgebruik, visgronden en bossen in het kader van de nationale voedselzekerheid, die op 11 mei 2012 zijn bekrachtigd door de VN-Commissie inzake wereldvoedselzekerheid(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over het in 2003 goedgekeurde EU-actieplan voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Flegt) (COM(2003)0251) en de bilaterale vrijwillige Flegt-partnerschapsovereenkomsten (Flegt-VPA's) tussen de EU en partnerlanden,

–  gezien de leidende beginselen van de VN voor het bedrijfsleven en de mensenrechten en het "Global Compact"-initiatief van de VN,

–  gezien de op 28 september 2011 uitgevaardigde beginselen van Maastricht, die de extraterritoriale verplichtingen van staten verduidelijken op basis van het geldende internationale recht(12),

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 mei 2017 over inheemse volkeren(13),

–  gezien de bepalingen inzake mensenrechten in de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de verklaring van 9 augustus 2017 van Federica Mogherini, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger voor buitenlands en veiligheidsbeleid, naar aanleiding van de Internationale Dag van de inheemse volkeren in de wereld(14),

–  gezien zijn besluit om Aura Lolita Chavez Ixcaquic in 2017 voor de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken te nomineren als allereerste inheemse mensenrechtenverdediger die voor de prijs is genomineerd,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs van 12 december 2015 inzake klimaatverandering,

–  gezien het gezamenlijk werkdocument van 21 september 2015 getiteld "Gender Equality and Women's Empowerment: Transforming the Lives of Girls and Women through EU External Relations 2016-2020" (SWD(2015)0182),

–  gezien resolutie 64/292 van de Algemene Vergadering van de VN van 3 augustus 2010 over het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen(15),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen(16),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2017 over corruptie en mensenrechten in derde landen(17),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over Europese duurzaamheidsmaatregelen(18),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0194/2018),

A.  overwegende dat de totale bevolking van inheemse volkeren wordt geschat op meer dan 370 miljoen mensen in meer dan 70 landen, hetgeen neerkomt op ongeveer 5 % van de totale wereldbevolking, en overwegende dat er ten minste 5 000 verschillende inheemse volkeren bestaan; overwegende dat deze volkeren ondanks hun geografische spreiding met vergelijkbare bedreigingen en uitdagingen worden geconfronteerd;

B.  overwegende dat inheemse volkeren een unieke relatie onderhouden met het gebied en de omgeving waarin zij leven en dat zij gebruikmaken van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen om unieke systemen van kennis, innovaties en praktijken op te zetten, die op hun beurt een fundamenteel onderdeel vormen van hun identiteit en spiritualiteit, en die van groot belang zijn voor het behoud en het duurzame gebruik van biodiversiteit;; overwegende dat de traditionele kennis van de inheemse volkeren een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van de mensheid; overwegende dat de commercialisering en/of marginalisering van de kennis van de inheemse volkeren een bedreiging vormen voor hun rol als traditionele houders en hoeders van deze kennis;

C.  overwegende dat de collectieve rechten van inheemse volkeren voortvloeien uit een traditioneel gebruik van hun grondgebieden en dat het gevoel van verbondenheid met deze gebieden niet samenvalt met het in westerse samenlevingen gangbare concept "eigendom";

D.  overwegende dat gebieden die van oudsher worden bewoond door inheemse volkeren, ongeveer 22 % van het landoppervlak van de wereld beslaan en naar schatting 80 % van de biodiversiteit op aarde herbergen; overwegende dat inheemse reservaten een belangrijke barrière tegen ontbossing vormen; overwegende dat de tropische bossen waar inheemse volkeren en lokale gemeenschappen wonen, bijdragen tot de koolstofopslag van het bioom van tropische bossen, waardoor ze van grote waarde zijn in het kader van elke strategie om de klimaatverandering aan te pakken; overwegende dat inheemse volkeren het kwetsbaarst zijn voor de negatieve gevolgen van de klimaatverandering vanwege hun levenswijze en hun nauwe band met het land die rechtstreeks afhankelijk zijn van de voortdurende beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen;

E.  overwegende dat land een fundamentele, beperkte en niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbron is die integraal deel uitmaakt van de natuurlijke rijkdom van elke staat;

F.  overwegende dat mensenrechtenverdragen het recht van inheemse volkeren op hun voorouderlijke grondgebieden en hulpbronnen erkennen en bepalen dat staten inheemse volken te goeder trouw moeten raadplegen om hun vrijwillige, voorafgaande en geïnformeerde toestemming te verkrijgen voor projecten die een invloed kunnen hebben op hun traditionele levenswijze, een bedreiging kunnen vormen voor de natuurlijke hulpbronnen die zij van oudsher gebruiken en waarvan zij nog steeds afhankelijk zijn of kunnen leiden tot de verplaatsing van hun bevolking, en als gevolg daarvan een verlies van uniek materieel en immaterieel cultureel erfgoed; overwegende dat dergelijke raadplegingen moeten plaatsvinden voordat wettelijke en administratieve maatregelen worden aangenomen of toegepast, overeenkomstig het zelfbeschikkingsrecht van inheemse volkeren dat inhoudt dat zij hun recht op het bezit, het gebruik, de ontwikkeling en controle van hun land, gebieden, wateren, kustwateren en andere hulpbronnen moeten kunnen uitoefenen; overwegende dat inheemse volkeren het recht hebben om vrijelijk hun politieke status te bepalen, om vrijelijk hun economische, sociale en culturele ontwikkeling na te streven en om vrijelijk hun natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen te gebruiken, en in geen geval van hun bestaansmiddelen mogen worden beroofd;

G.  overwegende dat in de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren de collectieve en individuele rechten van inheemse volkeren worden erkend, met name hun recht op land, bezittingen, natuurlijke hulpbronnen, grondgebieden, cultuur, identiteit en taal, hun recht op werk, gezondheid, onderwijs en hun recht om vrijelijk hun politieke status te bepalen en hun economische ontwikkeling na te streven;

H.  overwegende dat de collectieve en individuele rechten van inheemse volkeren in verschillende delen van de wereld nog steeds door overheids- en niet-overheidsactoren worden geschonden, en dat zij als gevolg daarvan nog steeds worden geconfronteerd met fysiek, psychologisch en seksueel geweld, evenals racisme, uitsluiting, discriminatie, gedwongen uitzettingen, destructieve nederzettingen, illegale en gedwongen onteigening van hun traditionele gebieden of dat hen de toegang tot hun hulpbronnen, bestaansmiddelen en traditionele kennis wordt ontzegd; overwegende dat inheemse volkeren volgens de VN worden geconfronteerd met grotere schendingen van de mensenrechten dan tien jaar geleden;

I.  overwegende dat inheemse vrouwen te maken hebben met belemmeringen op het gebied van hun seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, met inbegrip van een gebrek aan advies over seksuele en reproductieve gezondheid, gebrekkige toegang tot voorzieningen en materieel en wetgeving die zelfs in geval van verkrachting abortus verbiedt, met als gevolg een hoge moedersterfte, vele tienerzwangerschappen en een groot aantal besmettingen met seksueel overdraagbare aandoeningen;

J.  overwegende dat inheemse vrouwen worden geconfronteerd met wijdverbreide straffeloosheid ten aanzien van schendingen van hun rechten, met name omdat hun het verhaalsrecht wordt ontzegd en er een gebrek is aan toezichtmechanismen en naar geslacht uitgesplitste gegevens;

K.  overwegende dat staten uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de beveiliging, de veiligheid en de rechten van inheemse volkeren, met inbegrip van die van inheemse verdedigers van milieurechten en mensenrechten;

L.  overwegende dat inheemse talen overal ter wereld in een verontrustend tempo blijven verdwijnen, hoewel talen een kernelement van de mensenrechten en fundamentele vrijheden vormen en essentieel zijn voor de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling; overwegende dat de overdracht van inheemse kennis tussen generaties van vitaal belang is voor de aanpak van mondiale milieuproblemen; overwegende dat in een VN-rapport van 2016(19) wordt geschat dat 95 % van de bijna 6 700 talen die vandaag de dag in de wereld worden gesproken, het risico loopt aan het eind van de eeuw volledig te verdwijnen, en dat een grote meerderheid daarvan inheemse talen zijn; overwegende dat staten de plicht hebben om de talen van inheemse volkeren te beschermen en te ondersteunen, en ervoor te zorgen dat deze volkeren hun culturele rechten ten volle kunnen uitoefenen; overwegende dat staten moeten investeren in maatregelen ter verandering van maatschappelijk verankerde stereotypen;

M.  overwegende dat in sommige landen talrijke inheemse volkeren naar grote stedelijke centra zijn gemigreerd, waar gevoelens van onthechting en verlies van culturele waarden ontstaan; overwegende dat hun traditionele kennis en praktijken niet zijn aangepast aan stedelijke contexten en de dynamiek van de hedendaagse arbeidsmarkt hetgeen hen blootstelt aan armoede en nieuwe vormen van uitsluiting en discriminatie;

N.  overwegende dat inheemse volkeren geconfronteerd worden met verontrustend hoge niveaus van armoede, ziekte en analfabetisme, en onvoldoende toegang tot veilig schoon water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg, onderwijs, werk en burgerrechten, met inbegrip van politieke participatie en vertegenwoordiging, alsmede met veel drugsmisbruik en zelfmoorden onder jongeren;

O.  overwegende dat vrouwen in inheemse gemeenschappen bijzonder gemarginaliseerd worden door een gebrek aan toegang tot gezondheidszorg, sociale diensten en economische kansen, dat zij worden gediscrimineerd op grond van hun geslacht, etniciteit en sociaaleconomische achtergrond, en dat dit leidt tot hogere sterftecijfers, en dat zij het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld en vrouwenmoord; overwegende dat volgens de VN ten minste één op de drie inheemse vrouwen in de loop van haar leven wordt verkracht, en dat de cijfers voor moedersterfte, tienerzwangerschappen en seksueel overdraagbare aandoeningen, waaronder hiv/aids, boven het gemiddelde liggen; overwegende dat inheemse vrouwen vaak worden geconfronteerd met specifieke gendergerelateerde bedreigingen en obstakels, die vanuit een intersectioneel oogpunt moeten worden begrepen;

P.  overwegende dat de illegale drugshandel een buitensporig groot effect heeft op inheemse gemeenschappen, aangezien de vraag naar drugs blijft toenemen en producenten van illegale drugs steeds meer inheemse gemeenschappen wegdrijven uit de gebieden die zij van oudsher bewonen; overwegende dat inheemse volkeren vaak fysiek of economisch worden gedwongen deel te nemen aan de drugshandel, met name bij vervoersoperaties; overwegende dat gewapende conflicten leiden tot een sterkere militarisering van inheemse gebieden, en tevens mensenrechtenschendingen en het gebruik excessief geweld tegen inheemse gemeenschappen tot gevolg hebben;

Q.  overwegende dat de toenemende vraag naar en concurrentie om natuurlijke hulpbronnen een mondiale stormloop op land veroorzaakt, die in verschillende landen de gebieden die van oudsher door inheemse volkeren en lokale gemeenschappen worden bewoond en gebruikt onder onhoudbare druk zet; overwegende dat de exploitatie van deze natuurlijke hulpbronnen door de landbouw-, energie- en houtsector, de mijnbouw en andere winningsindustrieën, de illegale houtkap, grote infrastructuur- en ontwikkelingsprojecten, regeringen en de lokale gemeenschappen een van de belangrijkste oorzaken vormen van langdurige conflicten over grondbezit en de belangrijkste oorzaak zijn van water- en bodemverontreiniging;

R.  overwegende dat ontwikkeling niet kan worden gemeten aan de hand van groei-indicatoren, maar dat in plaats daarvan hoofdzakelijk moet worden gekeken naar de vermindering van armoede en ongelijkheid;

S.  overwegende dat slecht gereguleerd toerisme negatieve culturele en ecologische gevolgen kan hebben voor deze gemeenschappen en in sommige gevallen zelfs de aanzet kan geven tot landroof;

T.  overwegende dat landroof door particuliere ondernemingen doorgaans gepaard gaat met de inzet van militaire en/of particuliere veiligheidstroepen en dat dit onder meer een toename van het directe en indirecte geweld op het grondgebied van inheemse volkeren met zich meebrengt, hetgeen een rechtstreeks effect heeft op gemeenschappen en, in het bijzonder, maatschappelijke leiders en vrouwen;

U.  overwegende dat er tegenwoordig een tendens is tot militarisering van sommige reservaten en beschermde gebieden, die soms overlappen met het grondgebied van inheemse en lokale gemeenschappen, waardoor het tot ernstige schendingen van de mensenrechten komt;

V.  overwegende dat burgerconflicten in sommige landen verband houden met landrechten en de oorzaak zijn van gedwongen verplaatsingen van inheemse en lokale gemeenschappen, waardoor de deur wordt opengezet voor landroof en landconcentratie;

W.  overwegende dat landroof een complexe kwestie is die om een alomvattende internationale oplossing vraagt; overwegende dat in het bijzonder de nadruk moet worden gelegd op de bescherming van inheemse vrouwen en meisjes;

X.  overwegende dat landroof niet noodzakelijkerwijs een gevolg is van buitenlandse investeringen, en dat ook overheden en lokale gemeenschappen zich er schuldig aan kunnen maken;

Y.  overwegende dat particuliere ondernemingen steeds meer gebruikmaken van particuliere vormen van compensatie om vrouwelijke slachtoffers van geweld een financiële vergoeding te bieden in ruil voor het ondertekenen van een overeenkomst waarbij zij zich ertoe verbinden de onderneming niet voor de rechter te dagen; overwegende dat staten in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de naleving van internationaal overeengekomen verbintenissen inzake de eerbiediging van de rechten van inheemse volkeren en dat zij daarom in de eerste plaats verantwoordelijk moeten zijn voor het voorkomen van schendingen en het bevorderen van waarheid, gerechtigheid en schadeloosstelling van slachtoffers;

Z.  overwegende dat sommige inheemse volkeren in de wereld hebben besloten contact met de buitenwereld te weigeren, vrijwillig in afzondering leven, niet in staat zijn hun eigen rechten te verdedigen en daarom bijzonder kwetsbaar zijn wanneer hun rechten worden geschonden; overwegende dat deze gemeenschappen de kwetsbaarste van de planeet zijn en dat hun bestaan ernstig gevaar loopt, met name ten gevolge van olie-exploratie, ontbossing, drugshandel en de infrastructuur die met deze activiteiten verband houdt;

AA.  overwegende dat veel inheemse volkeren nog steeds het slachtoffer zijn van moord, buitengerechtelijke executies, verminking, foltering, verkrachting, willekeurige detentie, fysiek geweld en fysieke mishandeling en intimidatie wegens het verdedigen van het recht op hun voorouderlijk grondgebied en de natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van hun toegang tot water en voedsel, en hun spirituele plaatsen en heilige begraafplaatsen;

AB.  overwegende dat mensenrechtenverdedigers tot de meest centrale en cruciale actoren voor duurzame ontwikkeling behoren, met name wanneer het gaat om de opbouw van maatschappelijke veerkracht, en dat zij tot de voornaamste actoren behoren voor inclusief democratisch bestuur; overwegende dat deze verdedigers zich inzetten om niet alleen de rechten van hun volkeren, maar ook de ecologische duurzaamheid en het natuurlijke erfgoed van de hele mensheid te waarborgen; overwegende dat inheemse mensenrechtenverdedigers en -activisten ernaar streven hun gemeenschappen in staat te stellen om deel te nemen aan politieke processen, sociale inclusie en economische empowerment, en om op democratische en vreedzame wijze hun stem te laten horen in hun respectieve landen en tegenover de internationale gemeenschap;

AC.  overwegende dat er de afgelopen jaren een verontrustende toename is geweest in het aantal moorden, aanvallen en andere vormen van geweld tegen mensenrechtenverdedigers en activisten, die tot de voornaamste actoren behoren voor duurzame ontwikkeling, in het kader van de verdediging van de rechten van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen, milieurechten en landrechten; overwegende dat volgens Front Line Defenders van de 312 mensenrechtenverdedigers die volgens de berichten in 2017 over de hele wereld zijn vermoord, 67 % streed voor landrechten, rechten van inheemse volkeren en milieurechten tegen winningsprojecten; overwegende dat inheemse mensenrechtenverdedigers vaak worden geconfronteerd met de systematische straffeloosheid van de daders van aanvallen tegen hen;

AD.  overwegende dat inheemse vrouwelijke mensenrechtenverdedigers weliswaar een cruciale rol spelen bij de bescherming van vrouwen in inheemse gemeenschappen, maar dat hun activiteiten strafbaar zijn gesteld en zij worden blootgesteld aan verschillende vormen van geweld, waaronder intimidatie, verkrachting en moord;

AE.  overwegende dat de toepassing van niet-bindende regelingen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en vrijwillige regelgeving moet worden verbeterd om inheemse en lokale gemeenschappen te beschermen tegen de schending van hun mensenrechten, landroof te voorkomen en een doeltreffende verantwoordingsplicht van bedrijven te waarborgen; overwegende dat het gebrek aan toezicht- en verantwoordingsmechanismen een groot obstakel vormt voor doeltreffende en toereikende corrigerende maatregelen;

AF.  overwegende dat een aantal in de EU gevestigde investeerders en bedrijven onder vele andere betrokken zijn bij honderden landaankopen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika, hetgeen in sommige gevallen heeft geleid tot schendingen van de rechten van inheemse en lokale gemeenschappen; overwegende dat in de EU gevestigde actoren mogelijk op verschillende manieren betrokken zijn bij schendingen van de mensenrechten in verband met landroof, zoals via in de EU gevestigde particuliere ondernemingen en financieringsmaatschappijen die direct of indirect landroof financieren, of via publiek-private partnerschappen; overwegende dat hun vele buitenlandse vertakkingen het in vele gevallen moeilijk maken om de oorsprong van deze actoren rechtstreeks te traceren naar de landen van herkomst; overwegende dat, zelfs wanneer deze vertakkingen kunnen worden getraceerd, er nog aanzienlijke juridische en praktische belemmeringen blijven bestaan om toegang tot de rechter en rekenschap te verkrijgen via de rechtbanken van de EU en haar lidstaten, onder meer als gevolg van beperkingen van de rechtsmacht in zaken betreffende onroerende goederen (waaronder land en natuurlijke hulpbronnen), ernstige beperkingen van de waarde van het beschikbare rechtsmiddel en van de beschikbaarheid van juridische bijstand, en de moeilijkheden om de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij aan te tonen;

AG.  overwegende dat het meeste land in ontwikkelingslanden bewoond is, waardoor de investeringen en de reputatie van bedrijven worden blootgesteld aan risico's in verband met landbezit, en hun exploitatiekosten aanzienlijk stijgen wanneer de overdracht van land plaatsvindt in de context van conflicten, zonder voorafgaande toestemming van inheemse en lokale gemeenschappen en met minachting van hun rechten;

AH.  overwegende dat Michael Forst, de speciale VN-rapporteur voor mensenrechtenverdedigers, Latijns-Amerika heeft genoemd als een zorgwekkende regio waar "overheids- en bedrijfsactoren betrokken zijn bij moorden op verdedigers van milieurechten en mensenrechten";

AI.  overwegende dat de verplichting tot bescherming van en toegang tot rechtsmiddelen uit hoofde van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zowel geldt voor extraterritoriale activiteiten als voor binnenlandse activiteiten met extraterritoriale gevolgen; overwegende dat de EU en haar lidstaten aanzienlijk meer engagement aan de dag moeten leggen ten aanzien van hun extraterritoriale verplichtingen;

AJ.  overwegende dat de EU bijstand verleent voor de bevordering en bescherming van de democratie en mensenrechten in de wereld via het EIDHR, dat een aanvulling vormt op haar andere instrumenten voor externe bijstand en hoofdzakelijk via maatschappelijke organisaties wordt ingezet; overwegende dat de EU dankzij haar mechanisme ProtectDefenders.eu aan mensenrechtenverdedigers in gevaar snel bijstand verleent, hen helpt in hun meest dringende behoeften te voorzien en hun capaciteit versterkt om hun werk op middellange en lange termijn te doen;

AK.  overwegende dat internationale financiële instellingen een centrale rol moeten spelen om ervoor te zorgen dat de projecten die zij financieren geen schending van de mensenrechten en milieurechten van inheemse volkeren met zich meebrengen of daaraan bijdragen; overwegende dat multinationale ondernemingen de verantwoordelijkheid dragen om ervoor te zorgen dat hun activiteiten en/of toeleveringsketens niet betrokken zijn bij schendingen van de mensenrechten en milieurechten, met name de rechten van inheemse volkeren;

AL.  overwegende dat de EU de grootste verstrekker van ontwikkelingshulp ter wereld is, waarvan een groot deel naar Afrika gaat; overwegende dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie uitgebreide controles moeten uitvoeren op de financiële middelen die ontvangers uit derde landen gebruiken door de eerbiediging van de mensenrechten voorop te stellen in hun beleid inzake steunverlening;

AM.  overwegende dat inheemse volkeren in Europa nog steeds te lijden hebben onder marginalisering, discriminatie en sociale uitsluiting, die via een op rechten gebaseerde benadering moeten worden bestreden en aangepakt;

1.  roept de EU, de lidstaten en hun partners in de internationale gemeenschap ertoe op alle nodige maatregelen te nemen voor de volledige erkenning, bescherming en bevordering van de rechten van inheemse volkeren, ook op hun land, grondgebied en hulpbronnen; is ingenomen met het werk dat het maatschappelijk middenveld en de ngo's op deze gebieden verrichten;

2.  roept de EU ertoe op ervoor te zorgen dat in haar gehele ontwikkelings-, investerings- en handelsbeleid de mensenrechten van inheemse volkeren worden geëerbiedigd, zoals die zijn vastgelegd in de verdragen en overeenkomsten inzake mensenrechten en in de rechtsinstrumenten die specifiek betrekking hebben op de rechten van inheemse volkeren;

3.  roept alle staten, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, ertoe op alle nodige stappen te ondernemen om effectief te voldoen aan de bepalingen van IAO-Verdrag nr. 169 betreffende inheemse en in stamverband levende volken(20), en herinnert eraan dat alle ratificerende staten verplicht zijn gecoördineerde en systematische maatregelen te ontwikkelen om de rechten van inheemse volkeren te beschermen;

4.  verzoekt alle staten die IAO-Verdrag nr. 169 betreffende inheemse en in stamverband levende volken nog niet hebben geratificeerd, en in het bijzonder de EU-lidstaten, om dit te doen; betreurt het feit dat tot dusverre slechts een paar lidstaten het verdrag hebben geratificeerd; verzoekt de EU om via haar politieke en mensenrechtendialogen met derde landen de ratificatie van IAO-Verdrag nr. 169, het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap te bevorderen en de bijbehorende facultatieve protocollen goed te keuren, alsmede de Verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volkeren te handhaven;

5.  erkent dat vooruitgang is geboekt bij de erkenning van de rechten van inheemse volkeren en dat het maatschappelijk middenveld zich steeds meer bewust wordt van hun situatie; erkent de bijdrage van de EU in dit opzicht; wijst er echter op dat deze kwestie nog steeds zeer beperkt terug te vinden is, inclusief in de onderhandelingen over handels- en samenwerkingsovereenkomsten;

6.  roept de EU en haar lidstaten ertoe op de voorwaarden te scheppen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren en haar internationale partners aan te moedigen deze verklaring goed te keuren en volledig ten uitvoer te leggen;

7.  herinnert aan de rol die de diaspora vervult als tussenschakel en overdrager van kennis naar de inheemse volkeren;

De mensenrechten van inheemse volkeren

8.  roept de EU en haar lidstaten ertoe op hun steun uit te spreken voor en hun goedkeuring te geven aan de Verklaring over de rechten van landbouwers en andere mensen die werkzaam zijn in plattelandsgebieden, waarover in 2018 in de VN-Mensenrechtenraad zal worden gestemd; neemt met belangstelling kennis van de aandacht die tijdens de zitting van de VN-Commissie voor de status van de vrouw in 2018 uitgaat naar plattelandsvrouwen;

9.  roept alle staten, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, ertoe op de territoriale autonomie en zelfbeschikking van de inheemse volkeren wettelijk te erkennen en te aanvaarden, hetgeen inhoudt dat zij recht hebben op het bezit, het gebruik en de ontwikkeling van en de zeggenschap over hun land, gebieden, wateren en kustwateren en andere hulpbronnen die zij bezitten op grond van traditioneel eigenaarschap of ander traditioneel gebruik, alsmede voor die welke zij op andere wijze hebben verworven;

10.  dringt er bij alle landen, inclusief de EU en haar lidstaten, op aan om strategieën voor de wederopbouw van conflictgebieden goed te keuren of hieraan deel te nemen om de rechten van inheemse volken te bevorderen en te beschermen;

11.  neemt nota van de verontrustende resultaten van de in 2010 door de VN gepubliceerde studie waaruit blijkt dat het aantal gevallen van geweld en verkrachting onder inheemse vrouwen hoger ligt dan onder de vrouwelijke bevolking wereldwijd; verzoekt de lidstaten en de Europese Unie daarom het gebruik van geweld, met inbegrip van seksueel geweld tegen inheemse vrouwen, krachtig te veroordelen; is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan door geweld getroffen vrouwen en meisjes door te waarborgen dat zij toegang hebben tot spoedeisende medische en psychologische ondersteuning;

12.  pleit voor de terugtrekking van militaire en particuliere veiligheidstroepen die worden ingezet op het grondgebied van inheemse volkeren, wier rechten hierdoor worden geschonden;

13.  verzoekt alle staten ervoor te zorgen dat inheemse volkeren, en met name inheemse vrouwen, toegang hebben tot rechtsmiddelen ingeval hun rechten door ondernemingen worden geschonden en dat particuliere verhaalmogelijkheden, die geen effectieve toegang tot justitie waarborgen, niet worden gelegitimeerd; roept alle staten op meer vrouwen aan te werven in hun rechtsstelsels teneinde het patriarchale systeem te doorbreken dat over het algemeen in deze structuren aanwezig is; benadrukt dat de nodige mechanismen moeten worden ingesteld om te verzekeren dat inheemse vrouwen niet worden gediscrimineerd, met inbegrip van adequate vertolking en juridische bijstand;

14.  is verheugd dat de Europese Raad de bescherming van de rechten van inheemse volkeren prioritair acht, zoals vastgesteld in de conclusies van de Raad van mei 2017;

15.  verzoekt de partnerlanden te garanderen dat inheemse volkeren universele toegang hebben tot de nationale bevolkingsregisters als een eerste stap in de erkenning van hun individuele en collectieve rechten; vraagt de EU de partnerlanden te ondersteunen bij het instellen en correct beheren van de diensten van de burgerlijke stand;

16.  merkt met bezorgdheid op dat inheemse volkeren onevenredig te maken krijgen met de risico's voor de mensenrechten die samenhangen met mijnbouw, olie- en gaswinning; verzoekt de ontwikkelingslanden verplichte effectbeoordelingen voor de mensenrechten uit te voeren alvorens in deze sectoren nieuwe activiteiten worden opgestart, en de resultaten daarvan bekend te maken; beklemtoont dat erop moet worden toegezien dat de wetgeving in verband met het verlenen van concessies bepalingen inzake vrijwillige, voorafgaande en weloverwogen toestemming omvat; beveelt aan de normen van het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën te verbreden en hierin ook de bescherming van de mensenrechten van de lokale en inheemse gemeenschappen op te nemen;

17.  roept alle staten, met name de EU en haar lidstaten, op om inheemse volkeren en plattelandsgemeenschappen te betrekken bij het besluitvormingsproces inzake strategieën om de klimaatverandering aan te pakken, die ook het geval moet omvatten dat onherstelbare schade als gevolg van de klimaatverandering mensen ertoe kan dwingen te migreren en tot hun dubbele discriminatie kan leiden als ecologisch ontheemden en inheemse volkeren;

18.  roept alle staten, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, ertoe op te erkennen hoe belangrijk het is inheemse volkeren te raadplegen bij alle beraadslagingen over kwesties die op hen van invloed kunnen zijn en aldus hun recht op vrijwillig, voorafgaand en geïnformeerd overleg te garanderen; dringt in dit verband aan op de invoering van mechanismen op EU-niveau voor overleg met en participatie van inheemse volkeren met een mandaat om een beleidsdialoog aan te gaan en toezicht te houden op de uitvoering van het beleid, de verbintenissen en actieplannen van de EU inzake inheemse volkeren; roept alle staten, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, ertoe op de voorwaarden te scheppen zodat vertegenwoordigers en leiders van inheemse volkeren daadwerkelijk hun plaats kunnen opeisen in het maatschappelijk middenveld en de openbare ruimte, en op meer zichtbare wijze kunnen deelnemen aan het politieke systeem en de besluitvormingsprocessen voor aangelegenheden die hen aanbelangen, waaronder constitutionele hervormingen;

19.  verzoekt alle staten, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, de aanbevelingen in het slotdocument van de Wereldconferentie over inheemse volkeren 2014 van de VN, de aanbevelingen van het Permanente VN-Forum voor inheemse zaken en die van de speciale VN-rapporteur voor de rechten van inheemse volkeren goed te keuren en ten uitvoer te leggen;

20.  wijst erop dat de Algemene Vergadering van de VN in zijn resolutie over de rechten van inheemse volkeren 2019 heeft uitgeroepen tot internationaal jaar van de inheemse talen; onderstreept dat cultuur de ontwikkeling schraagt;

21.  verzoekt alle staten, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, bij te dragen aan de tenuitvoerlegging en verwezenlijking van 2019 als internationaal jaar van de inheemse talen;

22.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan zich te blijven inzetten om de fysieke integriteit en de juridische bijstand van verdedigers van de rechten van inheemse volkeren en van milieu- en landrechten te waarborgen, met name middels de versterking van het EIDHR en diverse bestaande instrumenten en mechanismen zoals protectdefendeurs.eu, teneinde milieu- en mensenrechtenactivisten te beschermen, met speciale nadruk op vrouwelijke mensenrechtenverdedigers en grotere betrokkenheid bij initiatieven die worden voorgesteld door internationale organisaties, zoals de VN; dringt erop aan dat de EU haar delegaties gelast de verdedigers van rechten te volgen en te ondersteunen en hierbij bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van vrouwen, kinderen en mensen met een handicap, en de schendingen van mensenrechten systematisch en krachtig te melden; verzoekt de EDEO deel te nemen aan het plan van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de rechten van de mens (IACHR) en het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) om mensenrechtenverdedigers in Latijns-Amerika te beschermen;

23.  laakt de aanhoudende criminalisering van verdedigers van de rechten van inheemse volkeren en verdedigers van landrechten over de hele wereld; roept alle staten, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, ertoe op te voorkomen dat misdaden tegen verdedigers van de mensenrechten van inheemse volkeren ongestraft blijven door deze naar behoren te onderzoeken en te vervolgen;

24.  verzoekt alle staten, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, ervoor te zorgen dat de rechten van inheemse volkeren en plattelandsgemeenschappen volledig worden geëerbiedigd in hun beleidsstrategieën, zodat de naleving van deze rechten steeds gewaarborgd wordt zowel bij de totstandbrenging en uitbreiding van beschermde gebieden als ten aanzien van reeds bestaande beschermde gebieden waarvan de totstandbrenging eerder heeft geleid tot de uitzetting of uitsluiting van inheemse volkeren en plattelandsgemeenschappen of anderszins tot de onevenredige beknotting van hun rechten;

25.  steunt de verzoeken van inheemse volkeren om internationale repatriëring en de invoering van een internationaal mechanisme ter bestrijding van de verkoop van inheemse artefacten die illegaal van hen zijn afgenomen; roept de Commissie ertoe op dergelijke inspanningen te ondersteunen, onder meer door middel van financiële steun in het kader van het EIDHR;

26.  benadrukt dat de internationale gemeenschap, met inbegrip van de EU en de lidstaten, serieuze toezeggingen moet doen om op alle beleidsterreinen rekening te houden met inheemse personen met een handicap, vooral kinderen, alsmede om de rechten en behoeften van inheemse personen met een handicap te bevorderen in het kader van het internationale rechtskader, en om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de vrijwillige, voorafgaande en weloverwogen toestemming van personen met een handicap, vooral van kinderen;

27.  verzoekt de Commissie om het EU-actieplan inzake verantwoord ondernemerschap te lanceren teneinde te zorgen voor de uitvoering van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, onder meer met betrekking tot zorgvuldigheid en toegang tot rechtsmiddelen; verzoekt de Commissie om het Bureau van de EU voor de grondrechten (FRA) te belasten met de verzameling van informatie over gerechtelijke en buitengerechtelijke mechanismen in de lidstaten betreffende de toegang tot rechtsmiddelen voor slachtoffers van bedrijfsgerelateerde schendingen, met inbegrip van inheemse volkeren; is van oordeel dat de partners van de EU in de particuliere en overheidssector volledige en toegankelijke informatie moeten leveren over hun eerbiediging van de vrijwillige, voorafgaande en weloverwogen toestemming van inheemse volkeren;

Landroof

28.  is verheugd over de aankondiging van het Internationaal Strafhof uit 2016 dat landroof en vernietiging van het milieu de onderliggende oorzaken van talrijke schendingen van de mensenrechten zijn en voortaan aanleiding kunnen geven tot aanklachten wegens misdrijven tegen de menselijkheid;

29.  blijft bezorgd over de situatie van landroof als gevolg van corrupte praktijken door ondernemingen, buitenlandse investeerders, nationale en internationale overheidsactoren, functionarissen en autoriteiten; roept de EU en de lidstaten op om in hun mensenrechtenagenda's meer nadruk te leggen op de kwestie van landroof;

30.  roept de EU en haar lidstaten op om hun partnerstaten die betrokken zijn bij vredesopbouw in postconflictsituaties waarmee landrechten gemoeid zijn, ertoe aan te moedigen maatregelen te ontwikkelen, opdat verplaatste inheemse en lokale gemeenschappen kunnen terugkeren naar hun traditionele gebieden, aangezien dit een cruciaal onderdeel is voor de verwezenlijking van duurzame vrede en sociale stabiliteit;

31.  betreurt het feit dat inheemse en nomadische volkeren in veel landen waar landroof plaatsvindt, slechts beperkte toegang krijgen tot de rechter en dat zij geen verhaal kunnen halen ten gevolge van slecht bestuur en omdat hun landrechten vaak niet formeel zijn erkend in het kader van lokale of nationale wettelijke kaders; stelt bijvoorbeeld vast dat begrazingsrechten en gemeenschapsweiden traditionele landgebruiksrechten zijn die berusten op het gewoonterecht en niet op gedocumenteerde eigendomsrechten; dringt er bij partnerlanden op aan de rechten van veehouders en inheemse volkeren, met name rechten op eigendom van en zeggenschap over hun land en natuurlijke rijkdommen, zoals neergelegd in de Verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volkeren en in Verdrag nr. 169 van de IAO, te erkennen en te beschermen, bijvoorbeeld door collectieve registratie van landgebruik mogelijk te maken en beleidsmaatregelen in te voeren met het oog op een eerlijker toegang tot land; verzoekt de EU en de lidstaten om partnerlanden hierbij actief te ondersteunen, alsook bij het toepassen van het beginsel van vrijwillige, voorafgaande en weloverwogen toestemming bij de grootschalige aankoop van land, zoals vastgesteld in de vrijwillige richtsnoeren voor een verantwoord beheer van bodem- en landgebruik, visgronden en bossen en in overeenstemming met het internationaal recht inzake de mensenrechten; verzoekt de EU voorts partnerlanden te ondersteunen bij het verbeteren van hun wetgeving inzake grondbezit door het universele recht te erkennen van vrouwen om als volwaardige eigenaars toegang tot grond te hebben;

32.  verzoekt de EU de richtsnoeren voor het EU-grondbeleid en de bescherming van de mensenrechten in internationale overeenkomsten en verdragen te versterken, en haar waarden met betrekking tot de bescherming van vrouwen en meisjes te bevorderen, met name van vrouwen en meisjes in plattelandsgebieden, die over het algemeen kwetsbaarder zijn wanneer ze worden geconfronteerd met landveranderingen en meestal minder toegang tot land en landrechten hebben;

33.  roept alle staten ertoe op te investeren in onderzoek om de lacune in kennis over de gevolgen van landroof voor vrouwen te dichten, en een diepgaandere analyse te verrichten van de genderspecifieke gevolgen van het verschijnsel, hetgeen zou leiden tot afdwingbare richtsnoeren voor de afwikkeling van grondtransacties;

34.  dringt er bij de EU en al haar lidstaten op aan om de openbaarmaking te eisen van landaankopen waarbij in de EU gevestigde bedrijven en actoren of door de EU gefinancierde ontwikkelingsprojecten betrokken zijn, teneinde de transparantie van en verantwoording voor die aankopen te vergroten; dringt er bij de EU op aan toezicht te houden op de vrijwillige, voorafgaande en weloverwogen toestemming van inheemse volkeren teneinde de transparantie van en rekenschap voor toekomstige aankopen te vergroten door de EU-delegaties en ambassades hiertoe te instrueren en bevoegd te maken in samenwerking met de betrokken ngo's; roept de EU op om bijzonder waakzaam te zijn bij projecten die worden gesteund door internationale en Europese financiële instellingen en erop toe te zien dat deze financiering geen schending van de mensenrechten en milieurechten van inheemse volkeren met zich meebrengt of in de hand werkt;

35.  roept staten ertoe op te voorzien in adequate regelgeving die gemeenschapsleiders verantwoordelijk stelt voor hun besluiten en maatregelen op het gebied van landbeheer met betrekking tot openbare, staats- en gemeenschapsgrond, en verandering aan te moedigen van juridische en gangbare praktijken waarbij vrouwen worden gediscrimineerd op het vlak van landbezit en erfrecht;

36.  roept alle staten, met name de EU en haar lidstaten, ertoe op de tenuitvoerlegging van de vrijwillige richtsnoeren voor een verantwoord beheer van bodem- en landgebruik, visgronden en bossen goed te keuren en te steunen, en om met zoveel mogelijk landen vrijwillige partnerschapsovereenkomsten te sluiten voor de wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw; roept de Commissie op om te zorgen voor een consequente naleving en omzetting van de houtverordening(21) en om de lidstaten te bestraffen die de verordening niet naleven in de strijd tegen ontbossing;

37.  roept alle staten, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, ertoe op inheemse volkeren in staat te stellen economische ontwikkeling na te streven in overeenstemming met het mondiale beleid inzake milieubescherming; verzoekt de EU en haar lidstaten om organisaties van inheemse volkeren te bevorderen en te ondersteunen die een agenda voor sociale ontwikkeling hebben waarin een juridisch en institutioneel kader wordt ontworpen en ontwikkeld voor het afbakenen en op naam stellen van inheemse gebieden; wijst erop dat het erkennen en formaliseren van de gebieden van inheemse volkeren en het mondiger maken van de autoriteiten van inheemse volkeren en gemeenschapsleden zouden zorgen voor duurzaamheid en sociale verantwoordelijkheid, en zouden bijdragen tot de oplossing van geschillen om land en conflicten binnen de betreffende staat;

38.  verzoekt alle staten de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat overheidsinstanties zich onthouden van publieke verklaringen die de legitieme rol van inheemse vrouwen bij de bescherming van hun grondgebied in de context van landroof en extractie van natuurlijke rijkdommen stigmatiseren en ondermijnen, en pleit voor publieke erkenning van de belangrijke rol die zij spelen in democratische samenlevingen;

39.  verzoekt alle staten om de landrechten van kleine boeren en het recht van individuen op andere hulpbronnen zoals water, bossen, vee en visgronden te respecteren, te beschermen en te handhaven; erkent dat discriminerende onteigening van land en gedwongen uitzettingen, die negatieve effecten hebben op de bevolking in ontwikkelingslanden, aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor hun bestaansmiddelen en hun fundamentele mensenrechten kunnen ondermijnen, zoals het recht op leven, voedsel, huisvesting, gezondheid en eigendom;

Bedrijfsleven en mensenrechten

40.  verzoekt de EU ervoor te zorgen dat de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten volledig worden geïntegreerd in de nationale programma's van de lidstaten en in de praktijken en activiteiten van transnationale ondernemingen en ondernemingen met Europese banden;

41.  dringt er bij de Unie op aan om steun te blijven verlenen voor de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en om de correcte toepassing ervan te blijven bevorderen;

42.  verzoekt de EU constructieve onderhandelingen te voeren over een VN-verdrag betreffende transnationale ondernemingen dat de eerbiediging van de mensenrechten van inheemse volkeren waarborgt, met name die van vrouwen en meisjes;

43.  beveelt de EU aan om een Europees regionaal actieplan voor ondernemingen en mensenrechten te ontwikkelen, geleid door de beginselen die zijn vastgelegd in de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren, en dringt aan op de ontwikkeling en handhaving van nationale actieplannen over deze kwestie;

44.  dringt erop aan dat de EU en haar lidstaten zich inspannen om multinationale ondernemingen en internationale financiële instellingen ter verantwoording te roepen voor hun impact op de mensen- en milieurechten van inheemse volkeren; roept de EU ertoe op ervoor te zorgen dat alle schendingen van de rechten van inheemse volkeren door Europese bedrijven naar behoren worden onderzocht en bestraft via passende mechanismen, en moedigt de EU ertoe aan om in het geval van mensenrechtenschendingen elke vorm van institutionele of financiële steun in te trekken;

45.  verzoekt de EU om in overeenstemming met Aanbeveling 2013/396/EU van de Commissie van 11 juni 2013(22) een klachtenmechanisme op te zetten waarmee inheemse en lokale gemeenschappen klachten kunnen indienen over schendingen van hun rechten als gevolg van activiteiten van in de EU gevestigde bedrijven, ongeacht het land waar de schendingen zich hebben voorgedaan, om ervoor te zorgen dat de slachtoffers daadwerkelijk toegang hebben tot de rechtspraak en tot technische en juridische bijstand; moedigt alle staten, met inbegrip van de lidstaten en de EU, ertoe aan onderhandelingen aan te gaan over de goedkeuring van een juridisch bindend internationaal mensenrechteninstrument voor transnationale ondernemingen en andere bedrijven met betrekking tot mensenrechten door actief deel te nemen aan de open intergouvernementele werkgroep die op VN-niveau is opgericht;

46.  verzoekt de Unie en haar lidstaten om slachtoffers van mensenrechtenschendingen en schendingen als gevolg van activiteiten van in de Unie gevestigde ondernemingen de toegang tot rechtsmiddelen te garanderen door alle praktische en juridische belemmeringen weg te nemen, zodat de verdeling van verantwoordelijkheden geen beletsel vormt voor het afleggen van verantwoording of voor de toegang tot de rechter in het land waar de schending heeft plaatsgevonden;

47.  herinnert aan de verantwoordelijkheid van ondernemingen om het recht van inheemse volkeren op vrijwillig, voorafgaand en geïnformeerd overleg te waarborgen wanneer projecten, werkzaamheden of activiteiten op hun grondgebied moeten worden uitgevoerd, en om maatschappelijk verantwoord ondernemen in hun beleid op te nemen en vervolgens toe te passen;

48.  roept de EU ertoe op haar extraterritoriale verplichtingen op het vlak van de mensenrechten na te komen; roept de EU ertoe op duidelijke gedragsregels en regelgevingskaders uit te werken voor extraterritoriale activiteiten van ondernemingen en investeerders die onder haar bevoegdheid vallen, teneinde te waarborgen dat zij de rechten van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen eerbiedigen en dat zij naar behoren ter verantwoording kunnen worden geroepen en bestraft wanneer hun activiteiten leiden tot schending van deze rechten; moedigt de Commissie ertoe aan doeltreffende mechanismen te overwegen met betrekking tot zorgvuldigheidsverplichtingen voor ondernemingen om ervoor te zorgen dat ingevoerde goederen niets te maken hebben met landroof en ernstige schendingen van de rechten van inheemse volkeren; dringt er bij de EDEO op aan operationele instrumenten uit te werken om het personeel van de EU-delegaties te begeleiden;

Duurzame en economische ontwikkeling voor inheemse volkeren

49.  verzoekt de EU en haar lidstaten om de kwestie van de rechten van inheemse volkeren en landroof op te nemen in de uitvoering door de EU van de agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling;

50.  wijst erop dat inheemse volkeren middels hun levenswijze en ontwikkeling een essentiële rol spelen bij de bescherming van het milieu;

51.  verzoekt de EU er bij haar partnerlanden op aan te dringen dat zij in het kader van hun ontwikkelingssamenwerking met derde landen in het bijzonder rekening houden met de situatie van inheemse volkeren, mede door het opzetten van inclusief sociaal beleid in traditionele gebieden of de stedelijke omgeving en dat zij in het kader van armoedebestrijding de gevolgen van ontworteling en de kloof tussen de stedelijke context en hun traditionele vaardigheden en culturele eigenheid verkleinen;

52.  wijst erop dat de klimaatverandering directe gevolgen heeft voor inheemse vrouwen en hen ertoe verplicht hun traditionele praktijken op te geven of hun land te verlaten, met alle risico's van dien op geweld, misbruik en uitbuiting; roept alle staten, waaronder de EU en haar lidstaten, ertoe op inheemse volkeren en met name inheemse vrouwen en plattelandsgemeenschappen te betrekken bij hun strategieën ter bestrijding van de klimaatverandering en het uitwerken van efficiënte klimaatstrategieën met betrekking tot de aanpassing en verzachting, waarbij rekening wordt gehouden met genderspecifieke factoren; dringt erop aan dat de kwestie van door het klimaat veroorzaakte ontheemding serieus wordt genomen; dringt aan op meer internationale samenwerking om veerkracht voor klimaatverandering te waarborgen;

53.  wijst erop dat de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's) een hoge relevantie hebben voor inheemse volkeren, met name de SDG's 2 (beëindig honger), 4.5 (toegang tot onderwijs en opleiding) en 5 (gendergelijkheid); herhaalt dat inheemse volkeren overal ter wereld onevenredig lijden onder mensenrechtenschendingen, misdaad, racisme, geweld, exploitatie van natuurlijke hulpbronnen, gezondheidsproblemen en een hoog armoedepercentage, aangezien zij 15 % uitmaken van alle mensen in armoede terwijl ze slechts 5 % van de wereldbevolking vormen; beklemtoont dat volledige en degelijke bescherming moet worden geboden aan inheemse leiders en mensenrechtenverdedigers die protest uiten tegen onrecht;

54.  herinnert eraan dat Agenda 2030 de ontwikkelingsproblematiek van inheemse volkeren behandelt en onderstreept dat meer inspanningen voor de tenuitvoerlegging van de agenda nodig zijn; beklemtoont dat de Indigenous Peoples Major Group for Sustainable Development (IPMG) als wereldwijd forum voor coördinatie en gezamenlijke inspanningen ter bevordering van de rechten en ontwikkelingsprioriteiten van inheemse volkeren moet worden versterkt; verzoekt de Commissie nauwere contacten te onderhouden met de IPMG en deze groep op te nemen in haar multistakeholderplatform inzake de tenuitvoerlegging van de SDG's;

55.  herinnert eraan dat 80 % van de bossen overal ter wereld traditioneel land en grondgebied is van inheemse volkeren; wijst uitdrukkelijk op de essentiële rol van inheemse volkeren voor het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen en het behoud van de biodiversiteit; brengt in herinnering dat het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering (UNFCCC) de verdragsluitende staten verzoekt de kennis en rechten van inheemse volkeren te eerbiedigen als waarborg voor de tenuitvoerlegging van REDD+; dringt er bij de partnerlanden op aan maatregelen te treffen om de inheemse volkeren daadwerkelijk te betrekken bij maatregelen inzake de aanpassing aan en de verzachting van de klimaatverandering;

56.  merkt op dat 200 tot 500 miljoen mensen in de wereld de nomadische veeteelt beoefenen en dat de nomadische veeteelt een centrale vorm van levensonderhoud is in de droge gebieden en de berggebieden van Oost-Afrika; beklemtoont dat duurzame nomadische veeteelt moet worden bevorderd om de SDG's te verwezenlijken; spoort de EU en de lidstaten aan de African Governance Architecture (AGA) te ondersteunen en met name het Afrikaans Hof voor de rechten van de mens en volken, teneinde het beleidskader van de Afrikaanse Unie betreffende nomadische veeteelt in Afrika ten uitvoer te leggen, en meer algemeen, de rechten van nomadische en inheemse volkeren met betrekking tot het collectieve eigendom van het land van hun voorouders te erkennen, evenals hun recht om vrij over natuurlijke hulpbronnen te beschikken en hun rechten op cultuur en religie;

57.  herinnert aan het recht van overheden om te reguleren in het openbaar belang; herinnert er tevens aan dat internationale investeringsovereenkomsten het internationaal recht inzake mensenrechten, inclusief de bepalingen inzake inheemse volkeren, moeten eerbiedigen en vraagt om grotere transparantie op dit gebied, met name door in samenwerking met de inheemse volkeren passende raadplegingsprocedures en -mechanismen op te zetten; dringt er bij de instellingen voor ontwikkelingsfinanciering die investeringen ondersteunen, op aan hun waarborgen op het gebied van mensenrechten te versterken zodat erop kan worden toegezien dat de exploitatie van land en hulpbronnen in de ontwikkelingslanden niet leidt tot mensenrechtenschendingen of misbruik, met name ten aanzien van inheemse volkeren;

58.  verzoekt alle staten zich ertoe te verbinden inheemse volkeren daadwerkelijk de toegang te verzekeren tot gezondheidszorg, onderwijs, werk en economische kansen; dringt er bij alle landen op aan in hun schoolprogramma's de opneming van intercultureel overheidsbeleid en inheemse talen, geschiedenis en cultuur te bevorderen of aanvullende buitenschoolse cursussen aan te bieden om de cultuur van inheemse volkeren zowel op nationaal als internationaal niveau te beschermen, nieuw leven in te blazen en te bevorderen; is van oordeel dat de ontwikkeling van initiatieven die het maatschappelijk middenveld, het algemene publiek en de media bewustmaken van het belang van de eerbiediging van de rechten, overtuigingen en waarden van inheemse volkeren kan bijdragen tot het aanpakken van vooroordelen en desinformatie;

59.  roept de EU en haar partnerstaten ertoe op in partnerschap met inheemse gemeenschappen cultureel geschikte geestelijke gezondheidszorg te verlenen om drugsmisbruik en zelfmoord te voorkomen; benadrukt het belang van steun aan organisaties van inheemse vrouwen om hen mondiger te maken en beter in staat te stellen deel te nemen aan het maatschappelijk middenveld;

60.  roept de EU en haar lidstaten ertoe op de inspanningen van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen te steunen om hun eigen modellen voor bedrijfs- en landbeheer te ontwikkelen;

61.  roept alle staten op ervoor te zorgen dat inheemse gemeenschappen kunnen profiteren van inkomsten uit duurzaam toerisme en beschermd zijn tegen de negatieve effecten die gepaard kunnen gaan met massatoerisme, en is verheugd over voorbeelden van gedeeld beheer van reservaten en beschermde gebieden die een betere bescherming van ecosystemen en de beheersing van toeristenstromen mogelijk maken; herinnert in dit verband aan het belang van duurzame ontwikkeling;

EU-beleid voor samenwerking met derde landen

62.  beveelt aan meer aandacht aan de situatie van de inheemse volkeren te besteden in het buitenlands beleid van de EU, alsook in de mensenrechtendialogen met derde landen en in handels-, samenwerkings- en ontwikkelingsovereenkomsten; dringt erop aan dat de Raad in het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld systematisch rapporteert over de EU-maatregelen ter ondersteuning van inheemse volkeren; roept de EU en haar lidstaten ertoe op rekening te houden met de bevindingen van de universele periodieke doorlichting (UPR) en de organen van de VN-mensenrechtenverdragen in bovengenoemd jaarverslag van de EDEO om zich ervan te vergewissen dat hun beleid strookt met de rechten van inheemse volkeren;

63.  benadrukt dat de EU en haar lidstaten de mensenrechten van inheemse volkeren en inheemse mensenrechtenverdedigers in bilaterale en multilaterale onderhandelingen en in diplomatieke communicatie aan de orde moeten stellen en moeten aandringen op de vrijlating van gevangen mensenrechtenverdedigers; roept de EU en de lidstaten ertoe op ervoor te zorgen dat de regeringen van derde landen passende bescherming bieden aan inheemse gemeenschappen en mensenrechtenverdedigers en dat de daders van misdaden tegen hen worden berecht;

64.  dringt er bij de EU-delegaties en de ambassades van de lidstaten op aan hun tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers te evalueren en te verbeteren, rekening houdend met de specifieke behoeften van en bedreigingen voor inheemse mensenrechtenverdedigers, alsook met de specifieke situatie van inheemse mensenrechtenverdedigers die met meervoudige discriminatie worden geconfronteerd, zoals vrouwen, ouderen, LGBTI's en gehandicapten; dringt er in dit verband op aan dat de EU-delegaties en ambassades van de lidstaten passende opleidingen geven aan hun personeel om hen in staat te stellen samen te werken met het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers, contacten te onderhouden en waar nodig steun te verlenen;

65.  benadrukt de noodzaak om inheemse gemeenschappen te laten profiteren van de nieuwste informatietechnologie om hun een betere levenskwaliteit en een betere gezondheidszorg te bieden en benadrukt dat de EU op dit gebied een vitale rol kan spelen; wijst andermaal op het recht van inheemse volkeren om hun eigen bestaansmiddelen te bepalen en benadrukt de noodzaak van duurzame ontwikkeling;

66.  verzoekt alle staten de toegang van inheemse vrouwen en meisjes tot hoogwaardige gezondheidszorg en rechten, in het bijzonder seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten, te waarborgen; verzoekt de Commissie en de EDEO hun toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten in EU-samenwerkingsprogramma's te bevorderen;

67.  verzoekt alle staten, met inbegrip van de EU en haar lidstaten, naar geslacht uitgesplitste gegevens te verzamelen over de situatie van inheemse vrouwen, onder meer met betrekking tot de erkenning van en toegang tot landrechten, geweld tegen vrouwen en voedselzekerheid;

68.  benadrukt dat buitenlandse investeringen van ondernemingen economische en technologische vooruitgang met zich mee kunnen brengen, tot werkgelegenheid en infrastructuurontwikkeling kunnen leiden en vrouwen de kans kunnen geven om zelfvoorzienend te worden doordat ze de werkgelegenheid stimuleren; benadrukt dat een grotere investeringsactiviteit in ontwikkelingslanden een belangrijke stap vormt in de richting van een versterking van nationale en regionale economieën.

69.  roept de EU en haar lidstaten ertoe op door te gaan met het ontwikkelen van specifieke strategieën voor de effectieve uitvoering van SDG 16 ter bevordering van vreedzame en inclusieve samenlevingen, waardoor wordt gewaarborgd dat het aanvallen, vervolgen en vermoorden van mensenrechtenverdedigers wordt bestreden en verhinderd, en dat de daders worden vervolgd en ter verantwoording worden geroepen;

70.  roept de EU ertoe op ervoor te zorgen dat alle door de EU gefinancierde ontwikkelingsprojecten die op land van inheemse volkeren worden uitgevoerd, volledig in overeenstemming zijn met het beginsel van vrijwillige, voorafgaande en geïnformeerde toestemming, de eerbiediging van de mensenrechten en de vrijheid van meningsuiting en vereniging, teneinde een negatieve weerslag op de bestaansmiddelen en cultuur van inheemse volkeren te voorkomen;

71.  merkt op dat de Commissie, de EDEO en de lidstaten een holistische en geïntegreerde benadering met betrekking tot duurzame ontwikkeling moeten hanteren en rekening moeten houden met mensenrechten- en milieuoverwegingen bij handels- en economische betrekkingen; verzoekt de Commissie om in het kader van handelsbesprekingen en stelsels, zoals het stelsel van algemene preferenties (SAP), gevallen van mensenrechtenschendingen en aanvallen op of vervolgingen van mensenrechtenverdedigers aan de orde te stellen;

72.  roept de EU ertoe op een mechanisme in te stellen voor het verrichten van onafhankelijke effectbeoordelingen voorafgaand aan het sluiten van handels- en samenwerkingsovereenkomsten en de uitvoering van ontwikkelingsprojecten teneinde de schadelijke gevolgen ervan voor de rechten van inheemse en lokale gemeenschappen te meten en te voorkomen; dringt erop aan dat de effectbeoordeling wordt uitgevoerd met een aanzienlijke participatie van het maatschappelijk middenveld en dat in de economische overeenkomsten en ontwikkelingsprojecten naar behoren met de bevindingen rekening wordt gehouden; dringt erop aan dat de EU de uitvoering van de projecten in het geval van schendingen van de mensenrechten opnieuw moet beoordelen;

73.  roept de EU en haar lidstaten ertoe op in alle passende internationale fora het bewustzijn te verhogen over de situatie van de mensenrechten en milieurechten van inheemse volkeren en over de sleutelrol van verdedigers van mensenrechten en milieurechten voor het behoud van de biodiversiteit en de duurzame ontwikkeling;

74.  herinnert er met bezorgdheid aan dat de EU en haar lidstaten zich moeten blijven inzetten voor het waarborgen van de rechten en de sociale inclusie van inheemse volkeren in Europa, met name de Sami, en erkent de belangrijke rol van gemeenschapsactivisten en mensenrechtenverdedigers in dat opzicht;

75.  verzoekt de EU in haar programma's voor ontwikkelingssamenwerking de steun aan inheemse volkeren te verhogen en de projecten om hen mondiger te maken te versterken, met name op het stuk van capaciteitsopbouw in het kader van het EIDHR en het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF); benadrukt dat inheemse volkeren continu over de middelen moeten beschikken om hen in staat te stellen doeltreffend betrokken te raken via hun vertegenwoordigers bij het beleid en de instellingen van de EU en de VN, mede ten aanzien van het bedrijfsleven en de mensenrechten; dringt er bij de EU-delegaties in de betrokken landen op aan de situatie van inheemse mensenrechtenverdedigers nauwlettend te volgen en alle passende steun te verlenen;

76.  roept de EU-delegaties op de situatie van inheemse volkeren nauwlettend te volgen en met hen een permanente dialoog aan te gaan, zowel op nationaal als op regionaal niveau; dringt erop aan dat de steunpunten inzake mensenrechten in de betrokken EU-delegaties uitdrukkelijk worden belast met de verantwoordelijkheid voor kwesties in verband met inheemse volkeren en dat het personeel in deze delegaties regelmatig wordt bijgeschoold over de rechten van inheemse volkeren;

77.  roept de EU en haar partnerstaten ertoe op de samenwerking met inheemse gemeenschappen bij discussies over drugsbeleid te vergroten; wijst er nogmaals op dat een strategie tegen de illegale drugsmarkt noodzakelijk is om inheemse volkeren en gebieden te beschermen; roept de EU en haar partnerstaten ertoe op ervoor te zorgen dat bij veiligheidsmaatregelen ter bestrijding van de drugshandel de rechten van inheemse gemeenschappen worden geëerbiedigd en dat onschuldige slachtoffers in het conflict worden voorkomen;

78.  dringt er bij de EU op aan de doelstellingen, prioriteiten en acties met betrekking tot inheemse volkeren in het strategisch kader en het actieplan voor democratie en mensenrechten te verdiepen, uit te breiden en te versterken, en vraagt dat het mandaat van de speciale vertegenwoordiger voor de mensenrechten wordt gemoduleerd waardoor de speciale vertegenwoordiger wordt gemachtigd kwesties in verband met de rechten van inheemse volkeren en hun belangenbehartigers meer zichtbaarheid te geven;

79.  brengt in herinnering dat de EU zich gecommitteerd heeft aan een op rechten gebaseerde benadering van ontwikkeling, die de eerbiediging omvat van de rechten van inheemse volkeren zoals gedefinieerd in de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren, en vestigt vooral de aandacht op de beginselen van rekenschap, inspraak en non-discriminatie; spoort de EU met aandrang aan haar werkzaamheden voor de operationalisering van deze op rechten gebaseerde benadering in alle ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten voort te zetten en daartoe met de lidstaten een taskforce op te zetten; pleit voor een actualisering van het desbetreffende uitvoeringsplan met duidelijke termijnen en indicatoren om de voortgang te meten;

80.  wijst andermaal op artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het beginsel van beleidssamenhang voor ontwikkeling; betreurt het feit dat tijdens de lopende herziening van de richtlijn hernieuwbare energie(23) tot dusver geen sociale en duurzaamheidscriteria zijn ingevoerd die rekening houden met het risico van landroof; brengt in herinnering dat de richtlijn moet stroken met de internationale normen inzake landrechten;

81.  verzoekt de EU-delegaties de dialoog met inheemse volkeren te versterken teneinde mensenrechtenschendingen op te sporen en te voorkomen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten met name op aan om een doeltreffend administratief klachtenmechanisme in te stellen voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen en andere schadelijke gevolgen van de met officiële ontwikkelingshulp gefinancierde activiteiten en op die manier onderzoeks- en verzoeningsprocessen op gang te brengen; onderstreept dat dit mechanisme standaardprocedures moet hanteren en administratief van aard moet zijn zodat het de gerechtelijke mechanismen aanvult;

82.  wijst erop dat het Flegt-actieplan, en met name VPA's, in een aantal landen met tropische bossen een belangrijker rol kunnen spelen bij de empowerment van inheemse volkeren en inheemse bevolkingsgroepen die in de bossen leven, en dringt er bij de EU en VPA-partners op aan deze gemeenschappen een sterkere rol toe te bedelen in de nationale beleidsprocessen; verzoekt de EU meer financiële en technische bijstand te verlenen aan de partnerlanden teneinde de ecosystemen van bossen te beschermen, in stand te houden en te herstellen, onder meer aan de hand van beter bestuur, de landrechten te verduidelijken en te versterken, de mensenrechten te eerbiedigen, met inbegrip van de rechten van inheemse volkeren, en beschermde gebieden die gemeenschapsrechten in ere houden te ondersteunen;

83.  beklemtoont dat er specifieke maatregelen moeten worden genomen om het probleem van conflicthout aan te pakken, de stroom conversiehout te stelpen en investeringen weg te leiden van voor bossen schadelijke activiteiten die de gedwongen verplaatsing van lokale en inheemse gemeenschappen tot gevolg hebben; verzoekt de EU aanvullende maatregelen te treffen om de bescherming en het herstel van bosecosystemen en de daar levende bevolkingsgroepen te ondersteunen, en ontbossing uit de toeleveringsketens van de EU te elimineren, als onderdeel van een nieuw EU-actieplan inzake ontbossing, bosdegradatie en eerbiediging van de landrechten van bevolkingsgroepen die in bossen leven;

84.  wijst erop dat wij in de EU van inheemse volkeren nog veel kunnen leren over duurzaam gebruik, bijvoorbeeld van bossen, en dat inheemse volkeren door hun levenswijze bovendien nauwelijks bijdragen tot de klimaatverandering, maar er wel sterk door worden getroffen, bijvoorbeeld door droogte of woestijnvorming, gevolgen die vooral vrouwen treffen;

85.  roept de EDEO, de Commissie en de lidstaten ertoe op prioriteit te verlenen aan investeringen ter ondersteuning van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenverdedigers en vooral inheemse verdedigers van milieurechten en mensenrechten, ervoor te zorgen dat er langlopende beschermingsmechanismen bestaan om hen te ondersteunen, met name ProtectDefenders.eu, en te waarborgen dat zij de bestaande financieringsverbintenissen aan mensenrechtenverdedigers in gevaar nakomen; moedigt zijn delegaties en commissie aan om regelmatig ontmoetingen te organiseren met inheemse gemeenschappen en mensenrechtenverdedigers wanneer zij de betrokken landen bezoeken; beveelt aan dat de betrokken commissie/subcommissie een vaste rapporteur voor inheemse volkeren benoemt om toezicht te houden op de situatie van de mensenrechten en met name op de uitvoering van de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volkeren en IAO-Verdrag nr. 169;

86.  roept de EU en haar lidstaten op een dialoog aan te gaan en samen te werken met de inheemse volkeren en lokale gemeenschappen in het noordpoolgebied, teneinde te garanderen dat hun standpunten en rechten worden gerespecteerd in het kader van het ontwikkelingsbeleid van de EU dat waarschijnlijk van invloed zal zijn op die regio;

o
o   o

87.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden en de EU-delegaties.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0445.
(2) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 155.
(3) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 122.
(4) https://eeas.europa.eu/sites/eeas/files/annual_report_on_human_rights_and_democracy_in_the_world_2016_0.pdf
(5) https://documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N14/468/28/pdf/N1446828.pdf?OpenElement
(6) https://undocs.org/en/A/RES/71/178
(7) https://undocs.org/A/HRC/36/46/Add.2
(8) https://documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/G14/082/52/PDF/G1408252.pdf?OpenElement
(9) https://documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/G15/234/15/PDF/G1523415.pdf?OpenElement
(10) https://cmsdata.iucn.org/downloads/durbanactionen.pdf
(11) http://www.fao.org/docrep/016/i2801e/i2801e.pdf
(12) http://www.etoconsortium.org/nc/en/main-navigation/library/maastricht-principles/?tx_drblob_pi1%5BdownloadUid%5D=23
(13) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-8814-2017-INIT/en/pdf
(14) http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2017/08/08/hr-indigenous-peoples/pdf
(15) http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/64/292
(16) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 125.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0346.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0315.
(19) http://undocs.org/en/E/C.19/2016/10
(20) Lijst van landen die IAO-Verdrag nr. 169, dat op 5 september 1991 van kracht werd, niet hebben geratificeerd: Argentinië, Bolivia, Brazilië, Centraal-Afrikaanse Republiek, Chili, Colombia, Costa Rica, Denemarken, Dominica, Ecuador, Fiji, Guatemala, Honduras, Mexico, Nepal, Nederland, Nicaragua, Noorwegen, Paraguay, Peru, Spanje en Venezuela.
(21) Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23).
(22) PB L 201 van 26.7.2013, blz. 60.
(23) Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).


Klimaatdiplomatie
PDF 175kWORD 66k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2018 over klimaatdiplomatie (2017/2272(INI))
P8_TA(2018)0280A8-0221/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 21, 191, 192, 220 en 221,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de Verenigde Naties,

‒  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, Besluit 1/CP.21, de 21e Conferentie van de Partijen (COP 21) bij het UNFCCC en de 11e Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs hebben plaatsgevonden,

–  gezien de 22e Conferentie van de Partijen (COP 22) bij het UNFCCC en de 1e Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert (CMA 1), die van 15 november t/m 18 november 2016 in Marrakesh, Marokko, hebben plaatsgevonden,

–  gezien zijn resolutie van 6 oktober 2016 over de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de VN-conferentie van 2016 over klimaatverandering in Marrakesh, Marokko (COP 22)(1),

–  gezien het vijfde evaluatierapport (AR5) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en het samenvattend verslag ervan,

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23)(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 juli 2016 getiteld "Een snellere overgang van Europa naar een koolstofarme economie" (COM(2016)0500 final),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 april 2013 getiteld "Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering" (COM(2013)0216 final),

–  gezien het door de Raad Buitenlandse Zaken aangenomen EU-actieplan voor klimaatdiplomatie 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 6 maart 2017 en 19 juni 2017,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 22 juni 2017,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 februari 2018 over klimaatdiplomatie,

–  gezien de mededeling van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van juni 2016 over een integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie en de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de EDEO van 7 juni 2017 over een strategische aanpak van weerbaarheid in het externe optreden van de EU (JOIN(2017)0021 final),

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio's van 9 februari 2017 getiteld "Een geïntegreerde aanpak voor een nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering"(3),

‒  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 april 2016 getiteld "Wat na Parijs?"(4),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(5),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2018 over vrouwen, gendergelijkheid en klimaatrechtvaardigheid(6),

–  gezien UNFCCC-Besluit 36/CP.7 van 9 november 2001 over het verbeteren van de participatie van vrouwen in de vertegenwoordiging van partijen in organen die zijn opgericht in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en het Kyotoprotocol,

–  gezien de studie van 2009 uitgevoerd door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM): "Migration, Environment and Climate Change: Assessing the Evidence" (Migratie, milieu en klimaatverandering: beoordeling van de gegevens),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU(7),

–  gezien de encycliek "Laudato si' " van paus Franciscus over de "zorg voor het gemeenschappelijke huis",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0221/2018),

A.  overwegende dat de klimaatverandering almaar zwaardere gevolgen heeft voor verschillende aspecten van het menselijk leven, alsmede voor de ontwikkelingsmogelijkheden, de wereldwijde geopolitieke orde en de mondiale stabiliteit; overwegende dat diegenen die over minder middelen beschikken om zich aan de klimaatverandering aan te passen het hardst door de gevolgen van de klimaatverandering zullen worden getroffen; overwegende dat klimaatdiplomatie kan worden opgevat als een vorm van gericht buitenlands beleid ter bevordering van klimaatactie door andere actoren de hand te reiken, samen te werken aan specifieke aan het klimaat gerelateerde vraagstukken, strategische partnerschappen op te bouwen en de betrekkingen tussen overheids- en niet-overheidsactoren, waaronder belangrijke veroorzakers van wereldwijde verontreiniging, te versterken, en zo bij te dragen tot matiging van de gevolgen van de klimaatverandering evenals tot verhoogde klimaatactie en versterking van de diplomatieke betrekkingen van de Unie;

B.  overwegende dat de gevolgen van de klimaatverandering onder meer de stijging van de zeespiegel, de opwarming en verzuring van de oceanen, een verlies aan biodiversiteit en een toename van extreme klimaatverschijnselen omvatten; overwegende dat de eerste slachtoffers de kwetsbaarste landen en bevolkingsgroepen zijn, met name eilandbewoners; overwegende dat de klimaatverandering bijzonder ingrijpende sociale en culturele gevolgen heeft voor inheemse gemeenschappen, die slechts een marginale bijdrage leveren aan CO2-emissies en bovendien zelfs een actieve en essentiële rol vervullen bij de bescherming van de ecosystemen waarin zij leven en aldus de effecten van de klimaatverandering helpen beperken;

C.  overwegende dat de EU een leidende rol op het gebied van klimaatactie heeft gespeeld en heeft laten zien dat zij het voortouw neemt in de internationale klimaatonderhandelingen; overwegende dat de EU klimaatdiplomatie heeft ingezet om strategische allianties met relevante belanghebbenden tot stand te brengen in het kader van de gezamenlijke strijd tegen de klimaatverandering als essentieel aspect van duurzame ontwikkeling en preventieve maatregelen met het oog op klimaatgerelateerde bedreigingen;

D.  overwegende dat de klimaatdiplomatie van de EU heeft bijgedragen aan de sluiting van de Overeenkomst van Parijs en dat de aanpak van de EU inzake klimaatdiplomatie sindsdien is uitgebreid; overwegende dat klimaatbeleid, als onderdeel van de integrale strategie van de EU, een vast onderdeel is geworden in het buitenlands en veiligheidsbeleid, en dat de koppeling tussen energie en klimaat, veiligheid, aanpassing aan de klimaatverandering en migratie is versterkt;

E.  overwegende dat de verantwoordelijkheid voor duurzame klimaatacties op lange termijn niet bij personen en hun individuele keuzes als consumenten kan worden gelegd; overwegende dat een klimaatbeleid op basis van de mensenrechten duidelijk moet maken dat de verantwoordelijkheid voor het creëren van een duurzame maatschappij voornamelijk ligt bij politici die de mogelijkheid hebben een duurzaam klimaatbeleid te voeren;

F.  overwegende dat de klimaatverandering en veiligheidskwesties onderling verbonden en transnationaal zijn, en klimaatdiplomatie vereisen die onder meer is gericht op de volledige uitvoering van de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs; overwegende dat uit verscheidene studies is gebleken dat er indirecte verbanden bestaan tussen de klimaatverandering, natuurrampen en het uitbreken van gewapende conflicten, en dat de klimaatverandering als "multiplicator van bedreigingen" kan worden beschouwd die bestaande sociale spanningen kan aanwakkeren; overwegende dat de negatieve langetermijngevolgen van de klimaatverandering politieke spanningen zowel nationaal als over de grenzen heen kunnen doen toenemen en dat zij vandaar een crisiselement kunnen worden en de internationale betrekkingen als zodanig onder druk kunnen zetten;

G.  overwegende dat de klimaatverandering een direct en indirect effect heeft op migratie, waardoor steeds meer mensen ertoe worden aangezet van kwetsbare naar leefbaarder gebieden in hun land of naar het buitenland te verhuizen om daar een nieuw leven op te bouwen;

H.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23) heeft gevraagd klimaatgedreven ontheemding en migratie ten gevolge van rampen veroorzaakt door de opwarming van de aarde ernstig te nemen; overwegende dat volgens verschillende belangrijke en gegronde onderzoeken en verslagen, zoals die van de Internationale Organisatie voor Migratie en de Wereldbank, het aantal migranten en intern ontheemden als gevolg van milieuveranderingen als er geen ernstige inspanningen worden gedaan in het slechtste geval zou kunnen oplopen tot 200 miljoen tegen 2050, onder wie velen die nu in kustgebieden leven of interne migranten zouden kunnen worden in Afrika ten zuiden van de Sahara, Zuid-Azië en Latijns-Amerika;

I.  overwegende dat milieumigranten geen vluchtelingenstatus hebben, noch de aan vluchtelingen verleende internationale bescherming genieten, omdat zij in het Verdrag van Genève van 1951 niet erkend worden;

J.  overwegende dat de Commissie om bij te dragen aan de totstandbrenging van een CO2-neutrale economie als doelstellingen voor het energiebeleid van de EU heeft vastgesteld dat energie-efficiëntie moet worden bevorderd en dat de EU wereldleider moet worden op het gebied van hernieuwbare energie;

K.  overwegende dat EU-klimaatdiplomatie risicobeheerprojecten moet aanmoedigen, de publieke opinie moet vormen en politieke en economische samenwerking moet aanmoedigen om de klimaatverandering tegen te gaan en een koolstofarme economie te bevorderen;

L.  overwegende dat EU-klimaatdiplomatie een model van proactieve aanpassing moet voortbrengen waarbij interactie tussen beleidsmaatregelen tegen de klimaatverandering wordt aangemoedigd; overwegende dat institutionalisering van het beleid inzake klimaatverandering tot een groter publiek bewustzijn zou leiden en zich in een duidelijkere politieke wil moet vertalen;

M.  overwegende dat door het probleem van de waterschaarste het aantal conflicten tussen gemeenschappen steeds verder oploopt; overwegende dat de watervoorraden vaak op niet-duurzame wijze worden gebruikt voor intensieve en industriële landbouw in reeds onstabiele situaties;

N.  overwegende dat de strijd tegen de klimaatverandering in alle diplomatieke dialogen en initiatieven een strategische prioriteit met een op de mensenrechten gebaseerde aanpak moet worden om de doelstellingen van die strijd te kunnen verwezenlijken; overwegende dat het Parlement een actieve bijdrage aan het proces heeft geleverd en zowel zijn wetgevende bevoegdheid als zijn politieke invloed heeft ingezet om de klimaatverandering verder te integreren in het optreden inzake ontwikkeling en de steunportefeuille, evenals in een aantal andere EU-beleidsterreinen, zoals investeringen, landbouw, visserij, energie, vervoer, onderzoek en handel;

O.  overwegende dat bronnen van discriminatie en kwetsbaarheid op basis van geslacht, ras, etniciteit, klasse, armoede, bekwaamheid, het inheems zijn, leeftijd en geografie, en traditionele en institutionele discriminatie, elkaar wederzijds versterken en de toegang verhinderen tot de middelen die nodig zijn om met dramatische veranderingen zoals de klimaatverandering te kunnen omgaan;

P.  overwegende dat er een intrinsiek verband bestaat tussen de klimaatverandering en ontbossing ten gevolge van landroof, de winning van fossiele brandstoffen en intensieve landbouw;

Q.  overwegende dat het percentage vrouwen dat bij politieke besluitvorming en diplomatie wordt betrokken, in het bijzonder bij onderhandelingen over klimaatverandering, nog steeds ontoereikend is, en dat er ter zake weinig of geen vooruitgang is geboekt; overwegende dat slechts 12 tot 15 % van de delegatiehoofden en ongeveer 30 % van de delegatieleden vrouwen zijn;

1.  herinnert eraan dat de klimaatverandering gevolgen heeft voor alle aspecten van het menselijk leven, in het bijzonder de wereldwijde hulpbronnen en ontwikkelingsmogelijkheden, evenals voor bedrijfsmodellen, handels- en regionale betrekkingen; herinnert eraan dat die gevolgen leiden tot meer voedselonzekerheid, gezondheidsbedreigingen, verlies van bestaansmiddelen, ontheemding, migratie, armoede, genderongelijkheid, mensenhandel, geweld, gebrek aan toegang tot infrastructuur en essentiële diensten, dat zij van invloed zijn op de vrede en veiligheid en in toenemende mate voelbaar zijn voor de EU-burgers, alsook een uitdaging vormen voor de internationale gemeenschap; wijst op de toenemende urgentie van klimaatactie en vestigt er de aandacht op dat de aanpak van de klimaatverandering vraagt om een​gezamenlijke inspanning op internationaal niveau; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan multilaterale gesprekken doorlopend mogelijk te maken, aangezien het gaat om een collectieve verantwoordelijkheid ten aanzien van de hele planeet, voor de huidige en toekomstige generaties; merkt op dat de strijd tegen de klimaatverandering noodzakelijk is voor de bescherming van de mensenrechten;

2.  neemt met bezorgdheid kennis van de achteruitgang van de waterbronnen en ecosystemen wereldwijd, en van de groeiende dreiging van waterschaarste, watergerelateerde risico's en extreme verschijnselen;

De uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030

3.  bevestigt andermaal de verbintenis van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030 van de VN, met inbegrip van de SDG's; benadrukt de noodzaak om de Overeenkomst van Parijs volledig en spoedig uit te voeren en de doelstellingen daarvan inzake matiging, aanpassing en herschikking van geldstromen evenals de SDG's te verwezenlijken, zowel in de EU als wereldwijd, om zo te komen tot een duurzamere economie en samenleving; bevestigt opnieuw de noodzaak van een ambitieus EU-klimaatbeleid en haar bereidheid om de op EU-niveau bestaande nationaal bepaalde bijdrage (NDC) voor 2030 aanzienlijk te verhogen, alsmede de noodzaak om tegen eind 2018 een ambitieuze en gecoördineerde langetermijnstrategie te ontwikkelen om tegen 2050 een CO2-neutrale economie tot stand te brengen, overeenkomstig de verbintenis in het kader van de Overeenkomst van Parijs om de stijging van de gemiddelde temperatuur wereldwijd in vergelijking met het pre-industriële niveau ruim beneden 2 °C te houden en de inspanningen voort te zetten om die temperatuurstijging tot 1,5 °C te beperken; verzoekt de Commissie om in deze langetermijnstrategie rekening te houden met de standpunten van alle actoren die een bijdrage kunnen leveren of de gevolgen ondervinden;

4.  onderstreept het belang van een ambitieus EU-klimaatbeleid om een verdere temperatuurstijging te voorkomen en als een geloofwaardige en betrouwbare partner tegenover derde landen te kunnen optreden; roept de Commissie en de lidstaten op om een actieve, constructieve rol te spelen in het kader van de Talanoadialoog en COP 24 in 2018, aangezien 2018 een cruciaal jaar zal zijn voor de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs; dringt er bij de EU op aan haar engagement voor een ambitieus klimaatbeleid te tonen, aangezien zij zo het goede voorbeeld kan geven en sterke verbintenissen tot matiging bij andere landen kan bepleiten;

5.  betreurt de bekendmaking van de beslissing van de president van de VS om zich terug te trekken uit de Overeenkomst van Parijs; bevestigt nogmaals dat de EU de verantwoordelijkheid én de kans heeft om het voortouw te nemen op het gebied van wereldwijde klimaatactie, om meer inspanningen te leveren inzake klimaatdiplomatie, en om een​sterke alliantie te vormen van landen en actoren die steun zullen blijven bieden en zullen blijven bijdragen aan de doelstellingen om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 °C en de inspanningen voort te zetten om die temperatuurstijging tot 1,5 °C te beperken, zoals aanbevolen door de IPCC; benadrukt niettemin het belang van een nauwe samenwerking met de overheid van de VS, en in het bijzonder de staten en steden van de VS;

6.  benadrukt dat de geloofwaardigheid van de EU in de strijd tegen de klimaatverandering afhankelijk is van de strikte en alomvattende uitvoering van haar eigen klimaatbeleid;

7.  benadrukt dat het buitenlands beleid van de EU mogelijkheden moet ontwikkelen om risico's op te volgen in verband met de klimaatverandering, waaronder crisispreventie en conflictgevoeligheid; is van mening dat consequente en snelle klimaatactie absoluut bijdraagt aan het voorkomen van sociale en economische risico's en veiligheidsrisico's, van conflicten en instabiliteit, en uiteindelijk van hoge politieke, sociale en economische kosten; benadrukt daarom het belang van integratie van de klimaatdiplomatie in het EU-conflictpreventiebeleid, waarbij de reikwijdte van EU-missies en -programma's in derde landen en conflictgebieden wordt verbreed en aangepast; herhaalt dat de overgang naar een circulaire, CO2-neutrale economie zowel binnen als buiten de EU zal bijdragen tot welvaart en meer gelijkheid, vrede en menselijke veiligheid, aangezien de klimaatverandering vaak nieuwe instabiliteit en conflictsituaties kan doen ontstaan of bestaande instabiliteit en conflictsituaties kan verergeren en zij bestaande ongelijkheden versterkt of tot nieuwe ongelijkheden leidt, als gevolg van de schaarste van hulpbronnen, het gebrek aan economische kansen, het verlies van grond door de stijgende zeespiegel of langdurige droogte, een zwakke bestuursstructuur, een tekort aan water of voedsel evenals een verslechtering van de levensomstandigheden;

8.  stelt met bezorgdheid met name de achteruitgang vast van de ecosystemen en waterreserves overal ter wereld, evenals de toenemende bedreigingen ten gevolge van waterschaarste en watergerelateerde risico's enerzijds, en anderzijds het ontstaan van extreme klimatologische en meteorologische verschijnselen waarvan de frequentie en de verwoestende gevolgen alsmaar toenemen, wat het nodig maakt om de koppeling tussen de aanpassing aan de klimaatverandering en de beperking van het risico op rampen te versterken;

9.  constateert eveneens met bezorgdheid dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de rol van de bodem als onderdeel van het klimaatsysteem, alsook het belang daarvan voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en voor de aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering; roept de EU op een ambitieuze strategie te ontwikkelen die onderdeel moet worden van de klimaatdiplomatie;

10.  benadrukt dat personen die aan de kust of in kleine eilandstaten wonen in het bijzonder in gevaar zijn als gevolg van het smelten van de ijskappen en de stijging van de zeespiegel; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan die woonruimte te beschermen en te behouden door de verwezenlijking van ambitieuze doelstellingen voor de matiging van de klimaatverandering evenals multilaterale kustbeschermingsmaatregelen te bevorderen;

11.  erkent dat de klimaatverandering de omstandigheden verergert die leiden tot migratie in kwetsbare gebieden, en herinnert eraan dat migratie in de toekomst nog zal toenemen indien de negatieve gevolgen van de klimaatverandering niet adequaat worden beheerd; dringt erop aan dat de EU steun verleent aan het starten van discussies op VN-niveau teneinde met een concrete respons te komen op de verwachte verplaatsing van mensen als gevolg van de klimaatverandering; benadrukt dat een internationale respons gericht moet zijn op regionale oplossingen om onnodige grootschalige verplaatsingen te voorkomen;

12.  roept de lidstaten op om progressief leiderschap te tonen bij de lopende onderhandelingen over een mondiaal pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie dat wordt voorbereid onder auspiciën van de Verenigde Naties en voortbouwt op de Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten van 2016, waarin werd erkend dat grote aantallen personen verhuizen vanwege de negatieve gevolgen van de klimaatverandering;

13.  is verheugd over de inclusiviteit van het UNFCCC-proces; meent dat voor het verzekeren van een effectieve deelname de kwestie van gevestigde of tegenstrijdige belangen moet worden aangepakt; steunt het initiatief van overheden die de meerderheid van de wereldbevolking vertegenwoordigen om een specifiek beleid inzake belangenconflicten in te voeren, en roept de Commissie op om constructief aan dat proces deel te nemen;

14.  roept de Commissie op programma's op te zetten om het bewustzijn van de EU-burgers te verhogen wat het verband betreft tussen de klimaatverandering en migratie, armoede en conflicten met betrekking tot de toegang tot hulpbronnen;

15.  onderstreept dat elk initiatief van de EU op milieugebied op de wetgevingsbevoegdheden uit hoofde van de Verdragen gestoeld moet zijn en dat de parlementaire democratie in de EU een hoofdrol moet blijven spelen bij elk voorstel voor de bevordering van internationale maatregelen ter bescherming van het milieu;

Versterking van de capaciteit van de EU op het gebied van klimaatdiplomatie

16.  stelt vast dat de EU en haar lidstaten de grootste aanbieders zijn van publieke klimaatfinanciering en dat dit een belangrijk instrument is om vertrouwen op te bouwen met het oog op de ondersteuning van de aanpassing en matiging in andere landen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om belangrijke financiële bijdragen te blijven leveren en actief steun te blijven bieden aan de mobilisering van internationale klimaatfinanciering via publieke bronnen in andere landen en via private bronnen; is verheugd over de aankondigingen op de One Planet-top van 12 december 2017;

17.  benadrukt dat voor de wereldwijde overgang naar CO2-neutrale, klimaatbestendige economieën en samenlevingen aanzienlijke transformationele investeringen nodig zijn; benadrukt dat overheden een omgeving moeten creëren die het mogelijk maakt de kapitaalstromen naar duurzame investeringen te heroriënteren en gestrande activa te voorkomen, voortbouwend op de conclusies van de deskundigengroep op hoog niveau inzake duurzame financiering en in overeenstemming met de mededeling van de Commissie over duurzame groei financieren (COM(2018)0097); meent dat het financiële stelsel moet bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de SDG's; is ervan overtuigd dat een financieel EU-stelsel dat bijdraagt aan de matiging van de klimaatverandering en investeringen in schone technologieën en duurzame oplossingen stimuleert een voorbeeld zal zijn voor andere landen en deze kan helpen gelijkaardige stelsels in te voeren;

18.  onderstreept hoe belangrijk het is dat de EU op alle internationale fora met één stem spreekt en verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie gezamenlijke EU-inspanningen te coördineren en er zo voor te zorgen dat de EU haar verbintenis met betrekking tot de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs nakomt; spoort de EU aan om methoden te overwegen om het ambitieniveau van de Overeenkomst van Parijs verder te verhogen; benadrukt de noodzaak om een alomvattende strategie voor klimaatdiplomatie van de EU uit te stippelen en om het klimaatbeleid in alle gebieden van het externe optreden van de EU op te nemen, ook op het gebied van handel, ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp; benadrukt het belang van de versterking van de sociale dimensie, de integratie van een genderperspectief en een op de mensenrechten gebaseerde aanpak bij alle toekomstige multilaterale onderhandelingen;

19.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om het internationale bewustzijn inzake de klimaatverandering te verhogen via gecoördineerde communicatiestrategieën en activiteiten ter bevordering van publieke en politieke steun; roept in het bijzonder op tot internationaal begrip inzake de samenhang tussen de klimaatverandering en sociaal onrecht, migratie, hongersnood en armoede, en inzake de grote bijdrage die wereldwijde klimaatactie kan leveren aan het oplossen van die problemen;

20.  wijst erop dat de technologische ontwikkelingen, mits zij naar behoren worden gestimuleerd door middel van gezamenlijke politieke inspanningen, bepalend zullen zijn om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te behalen, en dat derhalve binnen de integrale strategie voor klimaatdiplomatie ook rekening moet worden gehouden met de wetenschapsdiplomatie van de EU door onderzoek met betrekking tot de klimaatverandering te stimuleren en te financieren;

21.  herinnert eraan dat, zoals in het Groenboek van de Commissie "Aanpassing aan klimaatverandering in Europa – mogelijkheden voor EU-actie" (COM(2007)0354) is gesteld, Zuid-Europa en het Middellandse Zeebekken, berggebieden en kustzones, dichtbevolkte rivier- en kustvlakten, Scandinavië en het Arctische gebied de gebieden in Europa zijn die het meest kwetsbaar zijn voor klimaatverandering; dringt er daarom bij de EU op aan onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's te bevorderen waarbij de relevante lidstaten telkens worden betrokken, overeenkomstig artikel 185 VWEU;

22.  noemt nadrukkelijk als een goed voorbeeld van wetenschapsdiplomatie als bedoeld in bovenstaande paragraaf, het Prima-initiatief (partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied), dat gericht is op de ontwikkeling en toepassing van innovatieve oplossingen voor de voedselproductie en de watervoorziening in het Middellandse Zeebekken; roept de Commissie op om de samenwerking te versterken, de nodige bijstand te verlenen en de continuïteit van dit initiatief en andere, soortgelijke initiatieven zeker te stellen; dringt er bij de Commissie op aan overeenkomstig artikel 185 VWEU een nieuw initiatief op te zetten dat specifiek gericht is op de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU-klimaatdiplomatie;

23.  dringt erop aan om de actieplannen van de Unie op het gebied van energie- en waterdiplomatie af te stemmen op haar klimaatdiplomatie, door waar passend op het niveau van de Unie en de lidstaten synergieën en gezamenlijk optreden van de respectieve onderdelen te bevorderen;

24.  pleit voor meer betrokkenheid van het Parlement en een jaarlijks, door de Commissie en de EDEO ingeleid en in samenwerking met de lidstaten uitgevoerd proces om de belangrijkste prioriteiten voor klimaatdiplomatie van de EU in het jaar in kwestie vast te stellen en te komen met concrete aanbevelingen voor de aanpak van lacunes in de capaciteit;

25.  verbindt zich ertoe een eigen standpunt en aanbevelingen te formuleren voor een nieuwe EU-langetermijnstrategie tegen het midden van de eeuw, die in overweging moet worden genomen door de Commissie en de Raad voordat zij aan het UNFCCC wordt voorgelegd;

26.  spreekt zijn voornemen uit een​proces op gang te brengen dat hier een bijdrage aan zal leveren door middel van periodieke verslagen over de activiteiten van de EU op het gebied van klimaatdiplomatie, evenals de resultaten en tekortkomingen daarvan; merkt op dat de periodieke verslagen duidelijke benchmarks ter zake moeten bevatten;

27.  wijst op de essentiële rol van de parlementaire diplomatie in de strijd tegen de klimaatverandering; verbindt zich ertoe om beter gebruik te maken van zijn internationale rol en zijn lidmaatschap van internationale parlementaire netwerken en om meer klimaatactiviteiten te ontplooien via de werkzaamheden van zijn delegaties, alsmede via delegatiebezoeken, en in het bijzonder die van zijn Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en zijn Commissie buitenlandse zaken, tijdens Europese en internationale interparlementaire vergaderingen en in het kader van dialoogplatforms met nationale parlementen en subnationale actoren/niet-overheidsactoren en het maatschappelijk middenveld, waarbij het er voortdurend naar zal streven om het noodzakelijke genderperspectief te integreren;

28.  dringt aan op een verhoogde toewijzing van personele en financiële middelen aan de EDEO en de Commissie, om beter aan te sluiten bij de sterke inzet voor en de grotere betrokkenheid bij klimaatdiplomatie; dringt er bij de EDEO op aan om tijdens ontmoetingen met hun collega's uit derde landen en internationale of regionale organisaties klimaatdiplomatie op de agenda van de EU-delegaties te plaatsen en om de inspanningen in het kader van klimaatdiplomatie in elke EU-delegatie af te stemmen met de vertegenwoordigingen van de lidstaten in derde landen en hier strategisch belang aan toe te kennen; dringt er dan ook op aan om in de belangrijkste EU-delegaties in derde landen een contactpunt inzake klimaatverandering in te richten en een hoger percentage klimaatdeskundigen op te nemen bij het creëren van gemengde functies in de EU-delegaties;

29.  benadrukt dat klimaatgerelateerde uitgaven uit de EU-begroting een hoge toegevoegde waarde kunnen creëren en aanzienlijk moeten worden verhoogd om het verhoogde belang en de urgentie van klimaatactie evenals de behoefte aan verdere acties inzake klimaatdiplomatie te weerspiegelen; dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan de uitgaven op het gebied van klimaatdiplomatie te verhogen in het volgende meerjarig financieel kader (MFK), de toewijzing goed te keuren van ten minste 30 % voor klimaatgerelateerde uitgaven, zoals bepleit door het Parlement in zijn resolutie van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020(8), en de hele EU-begroting af te stemmen op het halen van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de SDG's om ervoor te zorgen dat de begrotingsuitgaven de klimaatinspanningen niet in de weg staan; stelt in dit verband vast dat gevoelige sectoren (zoals landbouw, industrie, energie en vervoer) met name een grotere inspanning zullen moeten leveren om de overgang naar een CO2-neutrale economie te maken; roept op tot een beter gebruik van andere EU-fondsen om middelenefficiëntie, geoptimaliseerde resultaten en een verhoogde impact van EU-acties en -initiatieven te verzekeren;

30.  roept de Commissie en de lidstaten op om in het kader van bilaterale overeenkomsten met partnerlanden samenwerking op milieugebied te ontwikkelen teneinde een duurzaam ontwikkelingsbeleid te bevorderen op basis van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie;

31.  roept de Commissie op om ten volle uitdrukking te geven aan de wereldwijde dimensie, waaronder de EU-doelstellingen inzake klimaatdiplomatie, in haar komende mededelingen over de toekomst van het energie- en klimaatbeleid van de EU, en over de langetermijnstrategie van de EU voor de vermindering van broeikasgasemissies; verzoekt de Commissie en de EDEO ook hun langetermijnvisie verder uit te werken om binnen twaalf maanden na de goedkeuring van dit verslag een gezamenlijke mededeling te presenteren met hun visie op de klimaatdiplomatie van de EU evenals een strategische aanpak voor de activiteiten van de EU op het gebied van klimaatdiplomatie, waarbij zij rekening houden met de in deze tekst vastgelegde benadering van het Parlement;

32.  roept de EDEO en de Commissie op om hun interne coördinatie te versterken met betrekking tot klimaatontheemding, door een deskundigenpanel samen te stellen om onderzoek te doen naar de klimaatverandering en migratie, via een agentschapsoverkoepelende taskforce;

33.  onderstreept dat de emancipatie van vrouwen en hun volledige en gelijke participatie en leiderschap van levensbelang zijn voor de klimaatactie; roept de EU en de lidstaten op genderperspectieven in het klimaatbeleid te integreren en uit te gaan van een genderbewuste aanpak, aangezien de klimaatverandering ongelijkheden en de situatie van vrouwen vaak verergert, bevordert de deelname van inheemse vrouwen en verdedigers van vrouwenrechten aan het UNFCCC aangezien hun kennis van het beheer van natuurlijke hulpbronnen essentieel is in de strijd tegen de klimaatverandering;

De strijd tegen de klimaatverandering als drijvende kracht voor internationale samenwerking

34.  benadrukt dat de EU en haar lidstaten actieve partners moeten zijn in internationale organisaties en fora (zoals de VN, het UNFCCC, het politiek forum op hoog niveau voor duurzame ontwikkeling (HLPF), het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN (OHCHR), de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de NAVO, de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), de Arctische Raad en de G7 en G20) en nauw moet samenwerken met regionale organisaties (zoals de Afrikaanse Unie (AU), de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (Ecowas), de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN), de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), Mercosur en de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC)) om wereldwijde partnerschappen te bevorderen en de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de SDG's te waarborgen, en daarbij de regelingen inzake multilaterale samenwerking te verdedigen, te versterken en verder te ontwikkelen;

35.  roept de EU en haar lidstaten op klimaatactie een belangrijker plaats te geven op de agenda van de G20-topontmoetingen en -vergaderingen en van bilaterale bijeenkomsten van leden van de G20, en samen te werken met ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld met de Groep van 77 bij de Verenigde Naties (G77) en andere netwerken zoals de Alliantie van kleine eilandstaten (Aosis);

36.  verzoekt de lidstaten hun betrokkenheid in het kader van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) te versterken overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; benadrukt voorts dat de IMO snel gepaste bijkomende actie moet ondernemen opdat de internationale zeevaart een eerlijke bijdrage levert aan de strijd tegen de klimaatverandering;

37.  verzoekt de Commissie om het aspect klimaatverandering op te nemen in internationale handels- en investeringsovereenkomsten en om van de ratificatie en uitvoering van de Overeenkomst van Parijs een voorwaarde te maken voor toekomstige handelsovereenkomsten; verzoekt de Commissie in dit verband in voorkomend geval de consistentie van de bestaande overeenkomsten met de Overeenkomst van Parijs uitgebreid te beoordelen; verzoekt de Commissie om financieringsinstrumenten en programma's te vereenvoudigen om zo te zorgen voor samenhang, derde landen te steunen bij de aanpak van de klimaatverandering en de doeltreffendheid van de EU-klimaatactie te verhogen; pleit voor de ontwikkeling en de systematische opneming van een verplichte fundamentele clausule inzake klimaatverandering in internationale overeenkomsten, met inbegrip van handels- en investeringsovereenkomsten, betreffende de wederzijdse verbintenis om de Overeenkomst van Parijs te ratificeren en uit te voeren, om zo het Europese en internationale decarbonisatieproces te ondersteunen;

38.  ondersteunt de langdurige en actieve inzet van de EU binnen de coalitie met een hoge ambitie en met haar lidstaten om hun vastberadenheid zichtbaar te maken om te komen tot een​zinvolle uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, door de vaststelling van een solide reglement in 2018 en een succesvolle Talanoadialoog op COP 24 die erop gericht is nog meer staten aan te sporen om zich aan te sluiten bij deze inspanningen en in de komende jaren een groep van klimaatleiders op te richten die bereid zijn hun klimaatdoelstellingen te verhogen in lijn met de Overeenkomst van Parijs, teneinde gedeeld leiderschap op te nemen om gezamenlijk het voortouw te nemen inzake de integratie van het klimaatbeleid in verschillende kwesties van buitenlands beleid, waaronder handel, de hervorming van internationale financiële instellingen en veiligheid;

39.  erkent het belang van effectieve en efficiënte adaptatiemaatregelen, -strategieën en ‑plannen, inclusief het gebruik van op ecosystemen gebaseerde oplossingen voor het versterken van de aanpassingscapaciteit en veerkracht en het verminderen van de kwetsbaarheid voor de klimaatverandering in de context van de Overeenkomst van Parijs;

40.  wijst op de bijzondere kwetsbaarheid van de ecosystemen in het noordpoolgebied voor de klimaatverandering, aangezien de afgelopen decennia de temperatuur in het noordpoolgebied ongeveer tweemaal zo snel is gestegen als het wereldgemiddelde; onderkent dat de vervuiling met gevolgen voor het klimaat in dit gebied voor het grootste gedeelte afkomstig is uit Azië, Noord-Amerika en Europa, en dat de maatregelen voor emissiereductie in de EU dan ook sterk bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering in het noordpoolgebied; houdt ook rekening met de belangstelling voor het noordpoolgebied en de hulpbronnen ervan vanwege het veranderende milieu van het gebied en het toenemende geopolitieke belang van het noordpoolgebied; is van mening dat gezonde en duurzame Arctische ecosystemen, die bewoond worden door levensvatbare gemeenschappen, van strategisch belang zijn voor de politieke en economische stabiliteit van Europa en de wereld; is van mening dat de formele status van de EU als observator in de Arctische Raad eindelijk moet worden ingevoerd;

41.  wijst op de verantwoordelijkheid die ligt bij de EU en andere welvarende landen, gezien hun belangrijke historische bijdrage aan de aardopwarming, om meer solidariteit aan te dag te leggen ten aanzien van de kwetsbare landen, vooral landen in het globale Zuiden en eilanden, die het zwaarst worden getroffen door de gevolgen van de klimaatverandering, en om te zorgen voor niet-aflatende steun teneinde hun weerbaarheid te versterken, bij te dragen aan beperking van het risico op rampen, onder andere door natuurbehoud en het herstel van ecosystemen die een belangrijke rol spelen bij het regelen van het klimaat, hen te helpen herstellen van de als gevolg van de klimaatverandering geleden schade, en de adaptatiemaatregelen en weerbaarheid te verbeteren door middel van toereikende financiële steun en capaciteitsopbouw, met name via NDC-partnerschappen; merkt op dat kwetsbare landen cruciale partners zijn om te ijveren voor ambitieuze internationale klimaatactie, vanwege de existentiële dreiging die de klimaatverandering voor hen vormt;

42.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan steun te bieden aan minder welvarende landen bij hun inspanningen om minder afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen en de toegang tot betaalbare hernieuwbare energie te verbeteren, onder meer door middel van programma's ter ondersteuning van de toegang tot wetenschap, technologie en innovatie overeenkomstig SDG 17, en door hen bewust te maken van de beschikbare technologieën voor de monitoring en bescherming van het milieu en de burgers, zoals het vlaggenschipruimtevaartprogramma Copernicus en de dienst ervan voor klimaatverandering; wijst op de kansen die door het EU-plan voor externe investeringen worden geboden, via het stimuleren van klimaatvriendelijke investeringen en het ondersteunen van duurzame ontwikkeling; benadrukt hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat humanitaire agentschappen een langetermijnperspectief ontwikkelen voor hun optreden, op basis van goed onderbouwde kennis van de klimaatgevolgen in kwetsbare gebieden; roept de Commissie voorts op een alomvattende strategie te ontwikkelen om de uitmuntendheid van de EU op het gebied van groene technologieën wereldwijd te bevorderen;

43.  wijst erop dat het EU-beleid moet worden vereenvoudigd om adequaat te kunnen reageren op situaties zoals water- of voedselschaarste, die zich in de toekomst waarschijnlijk vaker zullen voordoen; herinnert eraan dat dergelijke schaarste aan basisvoedsel op de lange termijn tot ernstige veiligheidsuitdagingen zou leiden, die mogelijk andere verwezenlijkingen van het EU-ontwikkelingsbeleid zouden tenietdoen;

44.  roept de EU op voorrang te verlenen aan steun in de vorm van subsidies en overdracht van technologie aan de armste landen om de energietransitie te realiseren;

45.  beveelt aan dat de EU haar strategische samenwerking intensiveert op staatsniveau en op andere niveaus via dialogen over koolstofvrije ontwikkeling en partnerschappen met opkomende economieën en andere landen die een grote invloed hebben op de opwarming van de aarde, maar die tevens van doorslaggevend belang zijn als het gaat om wereldwijde klimaatactie; merkt in die context op dat het klimaat een uitgangspunt kan vormen voor diplomatieke betrekkingen met partners voor wie overige agendapunten erg controversieel zijn, waardoor de mogelijkheid ontstaat de stabiliteit en vrede te versterken; roept de EU op om beleidservaringen en lering met haar partners te delen om de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs te versnellen; roept de EU op om specifieke panels op te richten om te debatteren over beleid inzake klimaat en duurzaamheid en economische en technologische dialogen tot stand te brengen over oplossingen voor de transitie en klimaatbestendigheid, onder meer tijdens ministeriële bijeenkomsten op hoog niveau; dringt er bij de EU op aan om partnerschappen aan te gaan en te ondersteunen op gebieden van gemeenschappelijk belang, waaronder routekaarten voor 2050, duurzame financieringshervorming, schoon vervoer, koolstofmarkten en andere instrumenten voor het beprijzen van koolstof buiten Europa, om de mondiale uitstoot te beperken en terzelfder tijd een gelijk speelveld tot stand te brengen voor alle economische sectoren;

46.  dringt er bij de EU op aan het voortouw te nemen bij de ontwikkeling van internationale en regionale partnerschappen op het gebied van koolstofmarkten, als bedoeld in artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs, en haar deskundigheid inzake het oprichten, aanpassen en beheren van het EU-emissiehandelssysteem (ETS) in te zetten, evenals haar ervaring inzake het koppelen van de Zwitserse koolstofmarkt aan het ETS; roept de Commissie en de lidstaten op om de ontwikkeling van koolstofbeprijzingsmechanismen in derde landen en regio's te bevorderen en internationale samenwerking aan te moedigen om die mechanismen in ruime mate onderling verenigbaar te maken op middellange termijn en een internationale koolstofmarkt te creëren op lange termijn; wijst in dit verband op de succesvolle samenwerking gedurende de afgelopen jaren tussen de EU en China, die de lancering in december 2017 van het nationale systeem voor de handel in emissierechten in China mogelijk heeft gemaakt; kijkt uit naar de resultaten van de huidige inspanningen, die van wezenlijk belang zullen zijn voor de goede werking van het systeem; dringt er bij de EU op aan de ambitie van China op het gebied van de koolstofhandel te blijven steunen en de toekomstige samenwerking te versterken ter verwezenlijking van een gelijk speelveld in de hele wereld;

47.  dringt er bij de EU op aan om actief op internationaal niveau een proactief beleid te stimuleren ter bestrijding van broeikasgasemissies, met name door het invoeren van emissiegrenswaarden en onmiddellijke maatregelen voor emissiebeperking in de internationale maritieme sector en luchtvaartsector;

48.  meent dat meer werk nodig is voor de ontwikkeling van koolstofcorrecties aan de grenzen als hefboom voor verdere inspanningen van alle landen om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te halen;

49.  beveelt de EU aan om samen met de VN te ijveren voor een grotere samenwerking op wereldniveau bij de aanpak van het probleem van de zandstormen, waardoor met name in het Midden-Oosten de bestaande spanningen worden aangewakkerd en nieuwe spanningen ontstaan; wijst erop dat deze stormen niet alleen ernstige schade berokkenen aan de gezondheid maar er ook toe leiden dat de toch al schaarse watervoorraden in het Midden-Oosten opdrogen; dringt er bij de EU in dit verband op aan om met de Verenigde Naties samen te werken bij de verbetering van de controle- en waarschuwingssystemen;

50.  dringt er bij de EDEO, de Commissie en de lidstaten op aan om zich tijdens hun strategische dialogen over energie met landen in de bredere nabuurschapsomgeving van de EU die fossiele brandstoffen exporteren, te concentreren op samenwerking op het gebied van koolstofvrije energie en ontwikkelingsmodellen voor een CO2-neutrale economie, om zowel de vrede als de menselijke veiligheid en het welzijn in Europa en wereldwijd te bevorderen;

51.  roept de EDEO, de Commissie en de lidstaten op om hun internationale beleidsdialogen en samenwerking met partnerlanden volledig in overeenstemming te brengen met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en met de ambitie van de EU om wereldleider op het gebied van hernieuwbare energie te worden;

De strategische partners van de EU

52.  acht het van belang dat de EU zich blijft inzetten om de VS opnieuw te laten deelnemen aan de multilaterale samenwerking inzake klimaatactie en er bij de VS op aan te dringen de Overeenkomst van Parijs te eerbiedigen zonder het ambitieniveau daarvan in gevaar te brengen; is van mening dat parlementaire dialoog en samenwerking met lokale overheden daarvoor essentieel zijn;

53.  wijst erop dat in de brexitonderhandelingen en de toekomstige betrekkingen met het VK uitdrukking moet worden gegeven aan de noodzaak van verdere samenwerking op het gebied van klimaatdiplomatie;

54.  stelt vast dat regio's en steden een steeds belangrijkere rol spelen inzake duurzame ontwikkeling, aangezien zij rechtstreeks beïnvloed worden door de klimaatverandering, hun groei rechtstreekse gevolgen heeft voor het klimaat en zij actiever worden op het gebied van de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, soms ondanks het tegengestelde beleid van hun nationale overheden; herhaalt het grote belang van steden en regio's voor het invoeren van innovaties en maatregelen inzake milieubescherming, het gebruik van groene technologieën, investeringen in vaardigheden, opleiding en het verhogen van het concurrentievermogen via de ontwikkeling van zuivere technologieën op lokaal niveau; dringt er daarom bij de EU op aan om haar betrekkingen met lokale en regionale overheden en inheemse volkeren in derde landen en landen en gebieden overzee (LGO) verder te intensiveren, thematische en sectorale samenwerking tussen steden en regio's zowel binnen als buiten de EU te verbeteren, initiatieven voor aanpassing en klimaatbestendigheid te ontwikkelen, en modellen van duurzame ontwikkeling en emissiebeperkingsplannen te ontwikkelen in sleutelsectoren zoals energie, industrie, technologie, landbouw en vervoer, in zowel stedelijke als plattelandsgebieden, bijvoorbeeld via programma's voor stedenbanden, het programma voor internationale samenwerking van steden, steun van platforms zoals het Burgemeestersconvenant en de oprichting van nieuwe fora voor de uitwisseling van beste praktijken; roept de EU en de lidstaten op inspanningen te ondersteunen van regionale en lokale actoren om regionaal en lokaal bepaalde bijdragen in te voeren (analoog met de NDC's), wanneer de klimaatambitie daardoor kan worden verhoogd; wijst op de rol die EU-delegaties in derde landen op dit gebied kunnen spelen;

55.  stelt voorts vast dat de toenemende verstedelijking in vele delen van de wereld de bestaande uitdagingen inzake de klimaatverandering versterkt wegens de hogere vraag naar hulpbronnen zoals energie, land en water, en milieuproblemen zoals luchtverontreiniging en toename van de hoeveelheid afval in vele verstedelijkte gebieden binnen en buiten de EU nog verergert; merkt op dat verdere gevolgen van de klimaatverandering zoals extreme weersverschijnselen, droogte en bodemdegradatie dikwijls vooral in plattelandsgebieden worden gevoeld; is van mening dat lokale en regionale overheden speciale aandacht en steun moeten krijgen om die uitdagingen aan te pakken, meer weerbaarheid op te bouwen en bij te dragen aan mitigatie-inspanningen door nieuwe vormen van energievoorziening en vervoersconcepten uit te werken;

56.  benadrukt het belang van grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten en partnerlanden, met name bij grensoverschrijdende milieueffectbeoordelingen, in overeenstemming met de internationale normen en verdragen ter zake, in het bijzonder het Waterverdrag van de VN-ECE, het Verdrag van Aarhus en het Verdrag van Espoo;

57.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om hun banden met en steun aan het maatschappelijk middenveld als actoren voor klimaatactie wereldwijd te versterken, en allianties aan te gaan en synergieën op te bouwen met de wetenschappelijke gemeenschap, niet-gouvernementele organisaties, lokale gemeenschappen, inheemse gemeenschappen en niet-traditionele actoren om de doelstellingen, ideeën en methoden van de verschillende actoren beter op een lijn te brengen en zo tot een gecoördineerde aanpak voor klimaatactie te komen; moedigt de EU en haar lidstaten aan om de dialoog met de particuliere sector aan te gaan, de samenwerking te versterken om de mogelijkheden te benutten die de transitie naar een CO2-neutrale economie biedt, exportstrategieën voor klimaattechnologieën voor landen wereldwijd te ontwikkelen en de overdracht van technologie naar en de capaciteitsopbouw in derde landen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen aanmoedigen, te bevorderen;

58.  benadrukt het belang van wetenschappelijk onderzoek voor de politieke besluitvorming inzake het klimaat; merkt op dat grensoverschrijdende wetenschappelijke uitwisseling een fundamenteel onderdeel is van internationale samenwerking; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan wetenschappelijke organisaties te blijven steunen die werken op het gebied van klimaatrisicobeoordeling, die de gevolgen van de klimaatverandering proberen in te schatten en mogelijke adaptatiemaatregelen voorstellen aan de politieke autoriteiten; dringt er bij de EU op aan haar eigen onderzoekscapaciteit te gebruiken om bij te dragen aan de wereldwijde klimaatactie;

o
o   o

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en, ter informatie, aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 46.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0380.
(3) PB C 207 van 30.6.2017, blz. 51.
(4) PB C 487 van 28.12.2016, blz. 24.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0493.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0005.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0066.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075.

Juridische mededeling - Privacybeleid