Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 4 juli 2018 - Straatsburg
Steunprogramma voor structurele hervormingen: financiële middelen en algemene doelstelling ***I
 Hervorming van de kieswet van de Europese Unie ***
 Partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de EGA en Armenië ***
 Partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de EGA en Armenië (resolutie)
 Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EU-Irak ***
 Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Irak (resolutie)
 Overeenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland betreffende de wijziging van concessies (toetreding van Kroatië) ***
 Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank: verrekenings- en betalingssystemen ***I
 Voertuigenbelasting: het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen *
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2018: opname van het overschot van het begrotingsjaar 2017
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2018: uitbreiding van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije
 Naar een externe EU-strategie tegen huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken
 De definitie van kmo's
 Onderhandelingen over de brede overeenkomst tussen de EU en Azerbeidzjan
 Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Jordanië op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
 Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Turkije op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
 Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Israël op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
 Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Tunesië op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
 Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Marokko op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
 Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Libanon op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
 Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Egypte op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
 Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Algerije op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme

Steunprogramma voor structurele hervormingen: financiële middelen en algemene doelstelling ***I
PDF 159kWORD 59k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 4 juli 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2017/825 om de financiële middelen van het steunprogramma voor structurele hervormingen te verhogen en de algemene doelstelling ervan aan te passen (COM(2017)0825 – C8-0433/2017 – 2017/0334(COD))(1)
P8_TA(2018)0281A8-0227/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging -1 (nieuw)
(-1)  Indien de lidstaten hierom verzoeken, moet de Unie hen ondersteunen bij het verbeteren van hun administratieve capaciteit voor de uitvoering van de Uniewetgeving.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Het steunprogramma voor structurele hervormingen (hierna "het programma" genoemd) werd vastgesteld met als doel het versterken van het vermogen van de lidstaten om groei-ondersteunende bestuurlijke en structurele hervormingen voor te bereiden en uit te voeren, onder andere door middel van bijstand voor efficiënte en doeltreffende inzet van de fondsen van de Unie. De steun in het kader van het programma wordt op verzoek van een lidstaat door de Commissie verleend en kan betrekking hebben op een breed scala aan beleidsterreinen. Het ontwikkelen van veerkrachtige economieën die op sterke economische en sociale structuren zijn gebaseerd, waardoor lidstaten efficiënt schokken kunnen opvangen en er snel van kunnen herstellen, draagt bij aan economische en sociale cohesie. De uitvoering van institutionele, bestuurlijke en groei-ondersteunende structurele hervormingen is een passend instrument om een dergelijke ontwikkeling te verwezenlijken.
(1)  Het steunprogramma voor structurele hervormingen (hierna "het programma" genoemd) werd vastgesteld met als doel het versterken van het vermogen van de lidstaten om groei-ondersteunende bestuurlijke en structurele hervormingen met een Europese meerwaarde voor te bereiden en uit te voeren, onder andere door middel van bijstand voor efficiënte en doeltreffende inzet van de fondsen van de Unie. De steun in het kader van het programma wordt op verzoek van een lidstaat door de Commissie verleend en kan betrekking hebben op een breed scala aan beleidsterreinen. Het ontwikkelen van veerkrachtige economieën en een veerkrachtige samenleving die op sterke economische, sociale en territoriale structuren zijn gebaseerd, waardoor lidstaten efficiënt schokken kunnen opvangen en er snel van kunnen herstellen, draagt bij aan economische, sociale en territoriale cohesie. De door het programma ondersteunde hervormingen vereisen een doeltreffend en efficiënt functioneren van de nationale en regionale overheden en eigen zeggenschap en actieve participatie van alle belanghebbende partijen. De uitvoering van institutionele, bestuurlijke en groei-ondersteunende structurele hervormingen die op de specifieke landen zijn toegesneden, en de eigen zeggenschap aan de basis over structurele hervormingen die van belang zijn voor de Unie, met name bij monde van lokale en regionale autoriteiten en de sociale partners, zijn passende instrumenten om een dergelijke ontwikkeling te verwezenlijken.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Er moet op Unie-, nationaal en regionaal niveau voldoende ruchtbaarheid aan de resultaten van het programma worden gegeven, teneinde voor zichtbaarheid te zorgen van de resultaten van de hervormingen die op verzoek van elke lidstaat geïmplementeerd zijn. Dit zou de uitwisseling van kennis, ervaring en beste praktijken waarborgen, hetgeen eveneens één van de doelstellingen van het programma is.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 ter (nieuw)
(1 ter)  Naar verwachting zal de vraag om steun in het kader van het programma groot blijven, hetgeen betekent dat aan bepaalde verzoeken voorrang moet worden gegeven. De voorkeur moet in voorkomend geval uitgaan naar verzoeken die erop gericht zijn de belastingen te verschuiven van arbeid naar vermogen en vervuiling, ter bevordering van een sterker werkgelegenheids- en sociaal beleid en daarmee sociale inclusie, de bestrijding van belastingfraude, -ontwijking en -vermijding door middel van grotere transparantie, de ontwikkeling van strategieën voor een innoverende en duurzame herindustrialisering en de verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels. Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar verzoeken om steun die op een grote mate van democratische steun en betrokkenheid van de partners kunnen rekenen en die een overloopeffect op andere sectoren hebben. Het programma dient een aanvulling te vormen op andere instrumenten, zodat overlappingen worden voorkomen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 quater (nieuw)
(1 quater)   In zijn streven naar een versterking van het vermogen van lidstaten om groei-ondersteunende structurele hervormingen voor te bereiden en uit te voeren, kan het programma niet in de plaats komen van financiering uit nationale begrotingen van lidstaten, of gebruikt worden om lopende uitgaven te dekken.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Het verbeteren van de economische en sociale cohesie door structurele hervormingen te versterken, is van cruciaal belang voor een succesvolle deelname aan de economische en monetaire unie. Het is in het bijzonder van belang voor lidstaten die de euro niet als munt hebben, voor hun voorbereiding op deelname aan de eurozone.
(3)  Het verbeteren van de economische, sociale en territoriale cohesie via structurele hervormingen die in het belang zijn van de Unie en aansluiten bij haar beginselen en waarden, is van cruciaal belang voor een succesvolle deelname aan en grotere convergentie in de Economische en Monetaire Unie en zorgt voor stabiliteit en welvaart op de lange termijn. Het is in het bijzonder van belang voor lidstaten die de euro nog niet als munt hebben, voor hun voorbereiding op deelname aan de eurozone.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Het is dus passend om in de algemene doelstelling van het programma – in het kader van de bijdrage ervan voor het aanpakken van economische en sociale problemen – te benadrukken dat meer cohesie, een beter concurrentievermogen, een hogere productiviteit, meer duurzame groei en meer werkgelegenheid ook moeten bijdragen aan de voorbereidingen op deelname aan de eurozone door lidstaten die de euro niet als munt hebben.
(4)  Het is dus passend om in de algemene doelstelling van het programma – in het kader van de bijdrage ervan voor het aanpakken van economische en sociale problemen – te benadrukken dat meer economische, sociale en territoriale cohesie, een beter concurrentievermogen, een hogere productiviteit, meer duurzame groei, meer werkgelegenheid, sociale inclusie en het verkleinen van de verschillen tussen lidstaten en regio's ook moeten bijdragen aan de voorbereidingen op deelname aan de eurozone door lidstaten die de euro nog niet als munt hebben.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Er moet ook worden aangegeven dat maatregelen en activiteiten van het programma hervormingen kunnen ondersteunen die lidstaten die de euro willen aannemen kunnen helpen bij hun voorbereidingen op deelname aan de eurozone.
(5)  Gezien de positieve ervaring die de Unie heeft opgedaan met de technische bijstand die aan andere landen is geboden die de euro hebben aangenomen, moet ook worden aangegeven dat maatregelen en activiteiten van het programma hervormingen kunnen ondersteunen die lidstaten die later tot de Unie zijn toegetreden en die de euro willen aannemen kunnen helpen bij hun voorbereidingen op deelname aan de eurozone.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Zeven lidstaten vallen onder een Verdragsverplichting om zich voor te bereiden op deelname aan de eurozone, namelijk Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Kroatië, Hongarije, Polen, Roemenië en Zweden. Sommige van deze lidstaten hebben de afgelopen jaren maar weinig vooruitgang geboekt in de richting van dit doel, zodat Uniesteun voor deelname aan de euro steeds relevanter wordt. Voor Denemarken en het Verenigd Koninkrijk geldt geen verplichting om toe te treden tot de eurozone.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)   Bij structurele hervormingen is een belangrijke rol weggelegd voor regionale en lokale autoriteiten, maar de omvang van deze rol hangt af van de grondwettelijke en bestuurlijke organisatie van de lidstaat in kwestie. Er moet dan ook worden voorzien in een passend niveau van participatie en raadpleging van regionale en lokale autoriteiten bij de voorbereiding en tenuitvoerlegging van structurele hervormingen.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Om te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar steun van de lidstaten en in het licht van de behoefte om de uitvoering van de structurele hervormingen in lidstaten die de euro niet als munt hebben, te ondersteunen, moet de financiële toewijzing van het programma worden verhoogd tot een niveau dat voldoende is opdat de Unie steun zou kunnen verstrekken die voldoet aan de behoeften van de verzoekende lidstaten.
(6)  Om te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar steun van de lidstaten en in het licht van de behoefte om de uitvoering van de structurele hervormingen die van belang zijn voor de Unie in lidstaten die de euro nog niet als munt hebben, te ondersteunen, moet de financiële toewijzing van het programma onder gebruikmaking van het flexibiliteitsinstrument krachtens Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad1 bis worden verhoogd tot een niveau dat voldoende is opdat de Unie steun zou kunnen verstrekken die voldoet aan de behoeften van de verzoekende lidstaten. Die verhoging mag geen negatieve invloed hebben op de overige prioriteiten van het cohesiebeleid. Ook zouden lidstaten niet mogen worden verplicht om hun nationale en regionale toewijzingen uit Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) over te dragen teneinde het financieringstekort van het programma te dekken.
___________
1bis Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Om zo spoedig mogelijk steun te kunnen verstrekken, moet de Commissie een deel van de financiële middelen kunnen gebruiken om de kosten voor de activiteiten ter ondersteuning van het programma ook te dekken, zoals uitgaven voor kwaliteitscontrole en de monitoring van projecten in de praktijk.
(7)  Om zo spoedig mogelijk kwaliteitssteun te kunnen verstrekken, moet de Commissie een deel van de financiële middelen kunnen gebruiken om de kosten voor de activiteiten ter ondersteuning van het programma ook te dekken, zoals uitgaven voor kwaliteitscontrole, monitoring en beoordeling van projecten in de praktijk. Die kosten moeten evenredig zijn met de totale waarde van de uitgaven in het kader van de steunprogramma's.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Om een vlotte invoering van het programma bij het Europees Parlement en de Raad te verzekeren, moet de periode worden vermeld waarbinnen de Commissie jaarlijkse monitoringverslagen moet verstrekken.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) 2017/825
Artikel 4 – alinea 1
De algemene doelstelling van het programma is bij te dragen tot institutionele, administratieve en groei-ondersteunende structurele hervormingen in de lidstaten door de nationale autoriteiten steun te verlenen voor maatregelen die gericht zijn op de hervorming en versterking van instellingen, bestuur, overheidsbestuur en economische en sociale sectoren, als antwoord op de economische en sociale uitdagingen, om zo te komen tot meer cohesie, een beter concurrentievermogen, hogere productiviteit, meer duurzame groei, meer werkgelegenheid en meer investeringen, alsook voor maatregelen die voorbereiden op deelname aan de eurozone, in het bijzonder in het kader van economische beleidsprocessen, inclusief door bijstand voor de efficiënte, doeltreffende en transparante inzet van de fondsen van de Unie.";
De algemene doelstelling van het programma is bij te dragen tot institutionele, administratieve en groei-ondersteunende structurele hervormingen in de lidstaten door de nationale, en waar passend de regionale en lokale autoriteiten steun te verlenen voor maatregelen die gericht zijn op de hervorming en versterking van instellingen, bestuur, overheidsbestuur en economische en sociale sectoren, als antwoord op de economische en sociale uitdagingen, om zo te komen tot meer economische, sociale en territoriale cohesie, een beter concurrentievermogen, hogere productiviteit, meer duurzame groei, meer werkgelegenheid, sociale inclusie, bestrijding van belastingontduiking en armoede, meer investeringen en daadwerkelijke convergentie in de Unie, alsook voor maatregelen die voorbereiden op deelname aan de eurozone, in het bijzonder in het kader van economische beleidsprocessen, inclusief door bijstand voor de efficiënte, doeltreffende en transparante inzet van de fondsen van de Unie.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EU) 2017/825
Artikel 5 – lid 1 – letter d bis (nieuw)
(1 bis)   Aan artikel 5, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:
d bis)   het ondersteunen van de participatie en raadpleging van regionale en lokale autoriteiten bij de voorbereiding en tenuitvoerlegging van maatregelen voor structurele hervormingen in een mate die overeenkomt met de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van die regionale en lokale autoriteiten binnen de grondwettelijke en bestuurlijke structuur van de lidstaat in kwestie.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a
Verordening (EU) 2017/825
Artikel 10 – lid 1
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma worden vastgesteld op 222 800 000 EUR in lopende prijzen.
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma worden vastgesteld op 222 800 000 EUR in lopende prijzen, waarvan 80 000 000 EUR moet worden verstrekt uit het flexibiliteitsinstrument krachtens Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad*.
_________________
*Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 bis (nieuw)
Verordening (EU) 2017/825
Artikel 16 – lid 2 – alinea 1 – inleidende formule
(3 bis)   In artikel 16, lid 2, wordt de inleidende zin vervangen door:
2.  De Commissie legt aan het Europees Parlement en de Raad een jaarlijks monitoringverslag voor over de uitvoering van het programma. Dat verslag bevat informatie over:
"2. Van 2018 tot en met 2021 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een jaarlijks monitoringverslag voor over de uitvoering van het programma. Dat verslag bevat informatie over:"
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 ter (nieuw)
Verordening (EU) 2017/825
Artikel 16 – lid 2 – alinea 1 – letter d bis (nieuw)
(3 ter)  Aan artikel 16, lid 2, wordt letter d bis toegevoegd:
"d bis) resultaten van kwaliteitscontrole en monitoring van ondersteuningsprojecten ter plaatse; "

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0227/2018).


Hervorming van de kieswet van de Europese Unie ***
PDF 116kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad tot wijziging van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, gehecht aan Besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 20 september 1976 (09425/2018 – C8-0276/2018 – 2015/0907(APP))
P8_TA(2018)0282A8-0248/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (09425/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring, ingediend door de Raad overeenkomstig artikel 223, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0276/2018),

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2015 over de hervorming van de kieswet van de Europese Unie, en het bijgevoegde ontwerp van besluit van de Raad tot vaststelling van de bepalingen tot wijziging van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen(1),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn ingediend door de Franse senaat, het Luxemburgse parlement, de Nederlandse Eerste Kamer en Tweede Kamer, de Zweedse Rijksdag en het Lagerhuis en het Hogerhuis van het Verenigd Koninkrijk, waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie constitutionele zaken (A8‑0248/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van besluit van de Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 7.


Partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de EGA en Armenië ***
PDF 112kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds (12543/2017 – C8-0422/2017 – 2017/0238(NLE))
P8_TA(2018)0283A8-0177/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12543/2017),

–  gezien het ontwerp van de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds (12548/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en krachtens artikel 91, artikel 100, lid 2, de artikelen 207 en 209, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), artikel 218, lid 7, en artikel 218, lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0422/2017),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 4 juli 2018(1) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A8‑0177/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Armenië.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0284.


Partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de EGA en Armenië (resolutie)
PDF 156kWORD 60k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de goedkeuring, namens de Unie, van de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds (12543/2017 – C8-0422/2017 – 2017/0238(NLE)2017/2269(INI))
P8_TA(2018)0284A8-0179/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12543/2017),

–  gezien de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds (12548/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend overeenkomstig artikel 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 207, artikel 209, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), artikel 218, lid 7 en artikel 218, lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0422/2017),

–  gezien zijn desbetreffende resoluties over de betrekkingen tussen de EU en Armenië,

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over het jaarverslag over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(1),

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de topbijeenkomsten van het Oostelijk Partnerschap, met name die welke in 2017 in Brussel werd aangenomen,

–  gezien de gezamenlijke mededelingen van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) inzake het Europees nabuurschapsbeleid, met name het verslag van 18 mei 2017 over de tenuitvoerlegging van de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (JOIN(2017)0018) en het gezamenlijke werkdocument van 9 juni 2017 "Eastern Partnership – 20 Deliverables for 2020: Focusing on key priorities and tangible results" (SWD(2017)0300), evenals de mededeling van 2016 "A Global Strategy for the European Union’s Foreign and Security Policy",

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in de landen van het Oostelijk Nabuurschap en, met name zijn aanbeveling van 15 november 2017 aan de Raad, de Commissie en de EDEO over het Oostelijk Partnerschap, in aanloop naar de top in november 2017(2), en zijn resolutie van 15 april 2015 over de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide(3),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 4 juli 2018(4) over het ontwerp van besluit,

–  gezien de partnerschapsprioriteiten tussen de Europese Unie en Armenië, die op 21 februari 2018 werden ondertekend,

–  gezien artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0179/2018),

A.  overwegende dat het huidige kader voor de betrekkingen tussen Armenië en de Europese Unie de in 1996 gesloten partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst is, die in 1999 in werking trad en nu door de voorgestelde brede en versterkte partnerschapsovereenkomst zal worden vervangen;

B.  overwegende dat de EU en Armenië hun betrekkingen door middel van het Oostelijk Partnerschap hebben gegrondvest op een gedeeld engagement wat betreft het internationaal recht en de fundamentele waarden, met inbegrip van de democratie, de rechtsstaat en goed bestuur, alsmede de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

C.  overwegende dat er bedenkingen blijven bestaan of Armenië sommige van de bovengenoemde kernwaarden wel volledig naleeft, met name wat betreft de democratie en de rechtsstaat, die ondermijnd worden door corruptie, het kopen van stemmen, georganiseerde misdaad en oligarchisch machtsmisbruik;

D.  overwegende dat de geografische ligging van Armenië tussen Europa, Centraal-Azië en het Midden-Oosten en de naburige regionale mogendheden, met name Rusland, Iran en Turkije, zowel strategisch als problematisch is; overwegende dat dat tragische gebeurtenissen uit het verleden, met name de volkerenmoord op de Armeniërs, de aanwezigheid van buitenlandse troepen in Armenië en de langdurige conflicten op de zuidelijke Kaukasus, waarbij ook Azerbeidzjan en Georgië betrokken zijn geraakt, door sommigen niet worden erkend, en dat dit een grote bedreiging voor de veiligheid van alle partners en voor de stabiliteit in de regio vormt; overwegende dat het conflict over Nagorno-Karabach alleen op vreedzame wijze kan worden opgelost overeenkomstig de basisbeginselen van de OVSE van 2009, en met name via de inspanningen en voorstellen van de covoorzitters van de Minsk-groep van de OVSE;

E.  overwegende dat de EU de belangrijkste handelspartner en eerste donor van Armenië is; overwegende dat Armenië ook lid van de Euraziatische Economische Unie is, waaruit blijkt dat de EU haar partners niet voorschrijft dat een uitbreiding van de betrekkingen met de EU ten koste moet gaan van hun betrekkingen met derde partijen, zij het dat sommige mogelijkheden – zoals een diepe en brede vrijhandelsruimte (DCFTA) met de EU – in deze context niet haalbaar zijn;

F.  overwegende dat de nieuwe overeenkomst een nieuwe rechtsgrondslag biedt om de politieke dialoog nieuw leven in te blazen en de reikwijdte van de economische samenwerking evenals van de samenwerking op het gebied van energie, vervoer, infrastructuur en milieu te vergroten; overwegende dat deze bepalingen naar verwachting een positieve weerslag op Armenië zullen hebben wat betreft het bevorderen van democratische normen, economische groei en duurzame ontwikkeling; overwegende dat dergelijke vooruitzichten met name van belang zijn voor de jongeren in Armenië, vooral wat betreft betere opleiding en meer werkgelegenheid; overwegende dat zowel de burgers in de EU als in Armenië zullen profiteren van uitgebreidere samenwerking;

1.  is uitermate verheugd over de ondertekening van de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst, die een belangrijke stap voorwaarts vormt in de betrekkingen tussen de EU en Armenië, en symbool staat voor het streven naar verdere verdieping van de politieke en economische betrekkingen;

2.  merkt op dat de ondertekening van de overeenkomst niet het eindpunt vormt van de samenwerking tussen de EU en Armenië; benadrukt veeleer hoe belangrijk het is deze snel en doeltreffend ten uitvoer te leggen voordat wordt nagedacht over het potentieel voor verdere samenwerking en integratie tussen beide partijen, in een tempo en op een niveau waarmee beiden akkoord zijn;

3.  herinnert eraan dat aanzienlijke vooruitgang op het vlak van kernwaarden zoals de rechtsstaat, mensenrechten en fundamentele vrijheden, alsmede een functionerend democratisch systeem, de verdediging van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht en het behalen van concrete resultaten in de strijd tegen corruptie, essentieel is om de weg vrij te maken voor verdere vooruitzichten voor samenwerking; hoopt in dit opzicht dat de EU te zijner tijd zal overwegen om een dialoog over visumliberalisering met Armenië te starten, mits de voorwaarden voor een goed beheerde en veilige mobiliteit aanwezig zijn, waaronder de doeltreffende tenuitvoerlegging van de overeenkomsten inzake visumversoepeling en overname die tussen de partijen zijn gesloten;

4.  looft de burgers van Armenië voor de machtsoverdracht in april en mei 2018 die op vreedzame wijze heeft plaatsgevonden en heeft geleid tot een regeringswisseling overeenkomstig de grondwet van Armenië; is ingenomen met de terughoudendheid die de wetshandhavingsinstanties aan de dag hebben gelegd, maar is bezorgd over de onterechte arrestaties van vreedzame demonstranten, ook van parlementsleden; feliciteert Nikol Pashinyan van harte met zijn verkiezing tot nieuwe premier van Armenië; kijkt uit naar meer samenwerking met hem, zijn regering en de Nationale Vergadering, vooral om hen te ondersteunen bij het voldoen aan de verwachtingen van de Armeense samenleving zoals die tijdens de demonstraties tot uiting kwamen, en toont zich bereid om toekomstige parlementsverkiezingen in Armenië waar te nemen;

Toepassingsgebied, algemene beginselen, kernwaarden en inzet voor conflictoplossing

5.  onderstreept dat de overeenkomst territoriaal van toepassing is op, enerzijds, elk grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van de Republiek Armenië; doet een beroep op de Commissie om te waarborgen dat geen producten illegaal via Armenië in de EU worden ingevoerd;

6.  stelt vast dat de overeenkomst beantwoordt aan de geest en beginselen van de aanbeveling van het Europees Parlement van 15 november 2017, waarin ondubbelzinnig wordt verklaard dat er geen brede overeenkomst zal worden geratificeerd met een land dat de waarden van de EU inzake democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en de mensenrechten en fundamentele vrijheden niet eerbiedigt; dringt er niettemin bij de Armeense autoriteiten op aan met de steun van de EU te waarborgen dat er geen terugval plaatsvindt ten aanzien van deze waarden, aangezien dit zou kunnen leiden tot opschorting van de toepassing van de overeenkomst op grond van artikel 379 ervan; herhaalt dat de financiële bijstand van de EU aan Armenië afhankelijk blijft van de tenuitvoerlegging van hervormingen en de kwaliteit daarvan;

7.  moedigt Armenië aan de hervormingen die met name ten aanzien van de stabiliteit van het kiesstelsel, de onafhankelijkheid van het gerechtelijk apparaat en de transparantie bij het aansturen van de overheidsinstellingen overeengekomen zijn, met spoed goed te keuren en uit te voeren, met name in de context van de prioriteiten van het partnerschap EU-Armenië, die als leidend kader moeten dienen voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst teneinde tastbare en positieve resultaten voor de Armeense burgers te behalen;

8.  onderstreept dat een zinvolle betrokkenheid en participatie van maatschappelijke organisaties tijdens deze tenuitvoerleggingsfase van essentieel belang is, onder meer via het nieuwe, door de overeenkomst opgerichte Platform voor het maatschappelijk middenveld, waarbij verder moet worden gegaan dan de beperkte verplichtingen om vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld op de hoogte te houden en met hen van gedachten te wisselen, zoals bedoeld in artikel 366 van de overeenkomst; wijst erop dat de betrokken maatschappelijke organisaties een zo breed mogelijk spectrum aan politieke en sociale belangen moeten vertegenwoordigen;

9.  roept de Commissie ertoe op vast te houden aan de conditionaliteit van de financiële bijstand van de EU door toe te zien op een systematische koppeling van EU-steun – ook via het Europees nabuurschapsinstrument, macrofinanciële bijstand en andere instrumenten – aan de doeltreffende uitvoering van hervormingen, waarbij grondig toezicht wordt gehouden op de vorderingen ter zake;

10.  merkt op dat de overeenkomst eveneens strookt met de geest en beginselen van de aanbeveling van het Europees Parlement van 15 november 2017 ook wat betreft het afhankelijk maken van de ratificatie van een nieuwe overeenkomst met Armenië of Azerbeidzjan van een wezenlijke verbintenis en aanzienlijke voortgang inzake het oplossen van het conflict over Nagorno-Karabach; spoort beide zijden ertoe aan te goeder trouw het tempo en de resultaten van hun onderhandelingen na de verkiezingen van 2018 in beide landen op te voeren, en geschiedenis te schrijven door een einde te maken aan een conflict dat niet met militaire middelen kan worden opgelost en dat toch te veel levens heeft gekost, met name van burgers, en dat niet alleen de totstandbrenging van vrede en stabiliteit heeft belemmerd, maar ook de sociaaleconomische ontwikkeling in de regio al bijna drie decennia in de weg heeft gestaan; is ernstig verontrust over de militaire opbouw en de onevenredige defensie-uitgaven in de regio; steunt alle initiatieven die bevorderlijk zijn voor de vrede en het opbouwen van goede nabuurschapsbetrekkingen, met inbegrip van gesprekken op hoog niveau en een toezichtmechanisme op een staakt-het-vuren, en doet een beroep op de EDEO en de Commissie om de steun van de EU te verhogen voor programma's waarmee meer contacten tussen Armeense en Azerbeidzjaanse ngo's en jeugdorganisaties mogelijk worden gemaakt, en tegelijkertijd ervoor te zorgen dat de lidstaten van de EU de indirecte uitvoer van goederen en technologie voor tweeërlei gebruik aan de partijen bij het conflict vermijden;

Politieke hervorming

11.  verzoekt zowel Armenië als de EU een hoge prioriteit toe te kennen aan binnenlandse hervormingen, zoals omschreven in artikel 4, in het bijzonder met het oog op een soepele overgang van een presidentieel naar een parlementair stelsel en de niet-politisering van overheidsinstanties; spoort de Armeense regering ertoe aan bij belangrijke hervormingen – bijvoorbeeld op het vlak van de structuur en activiteiten van de regering of het wetboek van strafrecht – toe te zien op meer transparantie en een inclusieve dialoog met de oppositie en het maatschappelijk middenveld, in het belang van de Armeense gemeenschap als geheel;

12.  benadrukt dat moet worden gezorgd voor een gelijk speelveld voor de oppositie en een klimaat waarin het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van mediavertegenwoordigers en mensenrechtenactivisten, kunnen werken zonder angst voor represailles; verzoekt Armenië in dit verband een snel en eerlijk proces te waarborgen voor alle gevangenen, inclusief Andreas Goekasian, dat vrij is van politieke overwegingen; verzoekt de Armeense autoriteiten ervoor te zorgen dat journalisten geen druk ervaren noch hoeven te vrezen voor represailles of geweld in verband met hun werk, en dat het recht op vrijheid van vereniging wordt gewaarborgd, en zich te onthouden van excessief gebruik van geweld en druk, zoals onterechte strafrechtelijke vervolgingen van vreedzame demonstranten en protestleiders; dringt aan op onpartijdig onderzoek en eerlijke processen in alle gevallen, mede inzake onevenredige politieacties tegen vreedzame demonstranten en de zaak "Sasna Tsrer" tijdens welke de politie het werk van de advocaten ernstig belemmerde;

13.  dringt er, met het oog op de komende verkiezingen, bij de Armeense autoriteiten op aan snel en volledig gevolg te geven aan alle aanbevelingen van de internationale waarnemingsmissies onder leiding van het Bureau voor democratische instellingen en mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR), zoals onderstreept in hun eindrapport, met name wat betreft de aantijgingen over het kopen van stemmen, intimidatie van kiezers, het onder druk zetten van ambtenaren en werknemers in de particuliere sector en ongepaste inmenging in de stemprocedure door partijvertegenwoordigers of rechtshandhavingsambtenaren, waardoor het algemene vertrouwen in het kiesstelsel van het land allesbehalve is toegenomen;

14.  dringt er bij Armenië op aan gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Commissie van Venetië, zoals die in haar advies 2017 inzake het ontwerp van wetboek van procesrecht, waarin werd gesteld dat het wetboek als gevolg van de grondwetshervorming voor positieve veranderingen had gezorgd, maar lacunes en tegenstrijdigheden bevatte die verholpen moeten worden;

De rechtsstaat, en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden

15.  verklaart andermaal veel waarde te hechten aan het internationaal recht en de fundamentele waarden, waaronder democratie, de rechtsstaat en goed bestuur, en de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, en spoort Armenië ertoe aan op deze gebieden aanzienlijke vooruitgang te boeken, met name wat betreft mediavrijheid, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de bestrijding van corruptie, georganiseerde misdaad, witwassen, belastingontduiking, nepotisme en machtsmisbruik door een oligarchie; spoort de Armeense autoriteiten ertoe aan een breed opgezet concreet proces van economische hervormingen te starten met het doel een einde te maken aan de huidige oligarchische structuur en de desbetreffende monopolies; moedigt de Armeense autoriteiten ertoe aan consequent te blijven handelen uit hoofde van de verplichtingen die het land als ondertekenende partij bij het VN‑Verdrag tegen foltering is aangegaan, teneinde schendingen te voorkomen, te vervolgen en te bestraffen;

16.  betreurt het feit dat geweld op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit in Armenië een ernstig probleem blijft; neemt nota van het feit dat met de aanneming op 8 december 2017 door de Nationale Vergadering van de wet inzake het voorkomen van huiselijk geweld, de bescherming van slachtoffers van huiselijk geweld en het herstel van vrede (samenhang) in het gezin wordt erkend dat huiselijk geweld een ernstig probleem vormt, maar dringt aan op stringentere wetgeving om dergelijk geweld doeltreffend aan te pakken en op een betere bescherming en ondersteuning van de overlevenden door de autoriteiten; prijst Armenië om het ondertekenen op 18 januari 2018 van het Verdrag van Istanbul van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en spoort Armenië ertoe aan dit verdrag spoedig te ratificeren en volledig uit te voeren, opdat het land daadwerkelijk voldoet aan zijn verplichtingen met betrekking tot internationale normen op dit gebied;

17.  verzoekt Armenië het vraagstuk van gendergelijkheid en discriminatiebestrijding aan te pakken door snelle maar doeltreffende stappen te nemen met het oog op gelijke kansen voor allen, met name wat betreft werkgelegenheid, gelijke beloning en openbare ambten, idealiter middels een allesomvattende aparte wet inzake discriminatiebestrijding waarmee ook andere kwetsbare groepen, zoals LGBTI's, worden beschermd, overeenkomstig de internationale normen en de diverse verbintenissen van Armenië inzake de mensenrechten, en te zorgen voor doeltreffende, van adequate middelen voorziene beschermingsmechanismen; toont zich in dit verband verontrust over de onverenigbaarheid van de voorgestelde wetgeving met de internationale normen inzake discriminatiebestrijding;

18.  dringt er bij de Armeense autoriteiten op aan met spoed een einde te maken aan geslachtsselectie door middel van selectieve abortus, een praktijk die in Armenië en in Azerbeidzjan mondiaal gezien het meest wijdverbreid blijft, na China; moedigt het streven van Armenië aan om het leven van kinderen te verbeteren – met name van gehandicapte kinderen en weeskinderen – door consequent de prioriteiten toe te passen die zijn afgebakend in de nationale strategie ter bescherming van de rechten van het kind en het desbetreffende actieplan voor de uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, alsmede door tegen 2025 inclusief onderwijs voor alle kinderen te waarborgen en kinderarbeid uit te bannen;

19.  pleit voor verdere inspanningen om nauwer samen te werken op het vlak van het voorkomen en bestrijden van criminele activiteiten zoals terrorisme, georganiseerde misdaad, cybercriminaliteit en grensoverschrijdende misdaad, en doet een beroep op Armenië zich meer te conformeren aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU;

20.  verzoekt Armenië het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC), dat het land in 1999 heeft ondertekend, te ratificeren;

Handel en economische samenwerking

21.  is verheugd over de verdieping van de economische en handelsbetrekkingen tussen de EU en Armenië en over het feit dat de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst in sommige gevallen verder gaat dan de WTO-verbintenissen wat betreft transparantie en markttoegang voor producten en marktdeelnemers uit de EU op gebieden als handel in diensten, intellectuele-eigendomsrechten en openbare aanbestedingen;

22.  verzoekt Armenië een op vertrouwen gebaseerde handelsrelatie met de EU aan te gaan, aansluitend bij de verplichtingen die het land bij zijn toetreding tot de WTO op zich heeft genomen; herinnert eraan dat de voorwaarden voor WTO-lidmaatschap en de verplichtingen uit hoofde van de WTO-overeenkomsten en de bepalingen van deze overeenkomsten alleen van toepassing zijn op de door de VN erkende gebiedsdelen van de Republiek Armenië;

23.  geeft uiting aan zijn hoop dat de overeenkomst spoedig nieuwe en aantrekkelijke economische kansen zal opleveren voor Armeense burgers die in Armenië wonen of naar Armenië terugkeren, en vooral voor jongeren in het land;

24.  betreurt echter het feit dat de overeenkomst niet de afschaffing van tarifaire belemmeringen kan omvatten, aangezien Armenië lid is van de Euraziatische Economische Unie; is niettemin ingenomen met het hoge benuttingspercentage van het EU-stelsel van algemene preferenties (SAP+) door Armenië, maar stelt met enige bezorgdheid vast dat deze SAP+-uitvoer grotendeels uit slechts enkele soorten goederen bestaat; stelt vast dat de overeenkomst de door Armenië op het gebied van het buitenlands beleid gevoerde multivectorpolitiek respecteert, maar verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de EU-bijstand binnen Armenië niet naar de sectoren gaat die door Russische sancties tegen de EU worden getroffen, en dringt er bij de Commissie op aan toe te zien op de naleving door de EU-lidstaten van Verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad om te voorkomen dat Rusland via Armenië goederen en technologie voor tweeërlei gebruik verkrijgt;

25.  is ingenomen met het bereikte akkoord met betrekking tot de bescherming van handelsmerken, inclusief de in artikel 237 opgenomen overgangsbepalingen voor cognac en champagne, waardoor de EU-belangen worden beschermd en Armenië eveneens de kans krijgt zijn handel te ontwikkelen in alle belangrijke sectoren van zijn economie;

Energie en andere samenwerkingsgebieden

26.  juicht toe dat, met name in artikel 42, de nadruk wordt gelegd op nucleaire veiligheid, op basis van de normen en handelwijzen van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) en van de Europese Unie; betreurt het besluit van de Armeense autoriteiten om de kerncentrale van Medzamor open te houden, en geeft nogmaals uiting aan zijn ernstige zorgen over de aanhoudende discrepantie tussen de veiligheidsnormen van deze kerncentrale en de grote risico's ten gevolge van de locatie in een aardbevingsgebied; prijst de onderhandelaars voor het opnemen in artikel 42 van de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst van specifieke samenwerking inzake "de sluiting en veilige ontmanteling van de kerncentrale van Medzamor en de spoedige goedkeuring van een routekaart of actieplan daartoe, rekening houdend met de noodzaak van de vervanging van deze kerncentrale door nieuwe capaciteit om de energiezekerheid en de voorwaarden voor duurzame ontwikkeling van de Republiek Armenië te garanderen";

27.  is bovendien ingenomen met de specifieke bepalingen over samenwerking op het gebied van milieukwesties in Armenië, gezien de dringende noodzaak van vooruitgang op dit vlak, en de kansen voor werkgelegenheid en verminderde afhankelijkheid van energie-invoer die kunnen voortvloeien uit de ontwikkeling van schone alternatieve energiebronnen; spoort de Commissie met name ertoe aan de Armeense regering zowel in technisch als in financieel opzicht te helpen en te ondersteunen bij haar ambitieuze plan om hernieuwbare energie te ontwikkelen;

28.  verzoekt de Armeense autoriteiten voor meer transparantie en verantwoordingsplicht te zorgen bij het beheer van de overheidsfinanciën, alsook bij openbare aanbestedingen en het privatiseringsproces, en bovendien het toezicht op de bankensector te versterken;

29.  onderstreept het belang van de bepalingen over dialoog en samenwerking op het vlak van werkgelegenheidsbeleid, arbeidsrechten zoals gezondheid en veiligheid op het werk, gendergelijkheid en discriminatiebestrijding, ook ten behoeve van kwetsbare en randgroepen, zodat er betere banen worden gecreëerd met verbeterde arbeidsomstandigheden, met name voor jonge Armeniërs, en wordt bijgedragen tot de bestrijding van hoge werkloosheid en extreme armoede;

Institutionele bepalingen

30.  is verheugd over de oprichting van een parlementair partnerschapscomité in het kader van artikel 365 van de overeenkomst en legt zich erop toe het reglement ervan samen met het parlement van Armenië spoedig op te stellen, met het oog op een snelle lancering van zijn activiteiten;

31.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de EDEO om het Parlement iedere zes maanden te voorzien van een gedetailleerd schriftelijk verslag over de tenuitvoerlegging van internationale overeenkomsten, in overeenstemming met zijn aanbeveling van 15 november 2017 aan de Raad, de Commissie en de EDEO over het Oostelijk Partnerschap, in aanloop naar de top in november 2017, waarin het Parlement herhaalde vastbesloten te zijn zijn toezicht op de tenuitvoerlegging van internationale overeenkomsten met de oostelijke partners te verhogen en de controle van de in dit verband geboden EU-steun te intensiveren;

32.  verzoekt de EU en de Armeense autoriteiten meer inspanningen te leveren ten aanzien van hun communicatie over de doelstellingen van deze nieuwe overeenkomst, teneinde de burgers, zowel in Armenië als in de EU, beter bewust te maken van de verwachte kansen en voordelen die voortvloeien uit de sluiting ervan; roept voorts beide partijen ertoe op zich te blijven inspannen om desinformatiecampagnes ten aanzien van de betrekkingen tussen de EU en Armenië tegen te gaan;

o
o   o

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Armenië.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0493.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0440.
(3) PB C 328 van 6.9.2016, blz. 2.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0283.


Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EU-Irak ***
PDF 115kWORD 50k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds (10209/1/2012 – C8-0038/2018 – 2010/0310(NLE))
P8_TA(2018)0285A8-0222/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10209/1/2012),

–  gezien het ontwerp voor een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds (5784/2/2011 en 8318/2012),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend op grond van artikel 91, artikel 100, artikel 207, artikel 209, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0038/2018),

–  gezien zijn standpunt van 17 januari 2013 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds(1),

–  gezien de wijziging van de rechtsgrond ten gevolge van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2014(2),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 4 juli 2018(3) inzake het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0222/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek Irak.

(1) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 301.
(2) Arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2014, Commissie/Raad, over de kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en de Republiek der Filipijnen, C-377/12, ECLI: EU:C:2014:1903.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0286.


Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Irak (resolutie)
PDF 161kWORD 62k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds (10209/1/2012 – C8-0038/2018 – 2010/0310M(NLE))
P8_TA(2018)0286A8-0224/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10209/1/2012),

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend op grond van artikel 91, artikel 100, artikel 207, artikel 209 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0038/2018),

–  gezien zijn resolutie van 17 januari 2013 over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Irak(2),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) en de Commissie van 8 januari 2018 met elementen voor een EU-strategie voor Irak,

–  gezien de conclusies van de Raad van 22 januari 2018 tot vaststelling van een nieuwe strategie voor Irak,

–  gezien het meerjarig indicatief programma voor Irak (2014-2017) van de Commissie,

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh"(3),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2016 over de situatie in Noord-Irak/Mosul(4),

–  gezien de resoluties 2367 (2017) en 2379 (2017) die op 14 juli 2017 en 21 september 2017 zijn aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 4 juli 2018(5) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8‑0224/2018),

A.  overwegende dat Europa en Irak zijn verbonden door duizenden jaren van wederzijdse culturele invloeden en een gemeenschappelijke geschiedenis;

B.  overwegende dat Irak verwoest is door het decennialange dictatoriale bewind van Saddam Hoessein, die in 1980 tegen Iran en in 1990 tegen Koeweit aanvalsoorlogen begon, door de verlammende sancties en door diverse interne conflicten na de inval onder Amerikaans bevel in 2003, waaronder sektarisch geweld, het Koerdisch afscheidingsstreven en het jihadistisch terrorisme van IS; overwegende dat al die factoren verklaren waarom de uitdagingen voor Irak om vooruitgang te boeken op het gebied van goed bestuur, de economie en nationale verzoening zo groot zijn;

C.  overwegende dat de Unie andermaal heeft verklaard een solide partnerschap tussen de EU en Irak te willen opzetten op basis van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, de Iraakse autoriteiten te willen steunen tijdens de overgang naar democratie en het wederopbouwproces en tegelijk de achterliggende oorzaken van de politieke, sociale en economische instabiliteit te willen aanpakken; overwegende dat de kosten voor de wederopbouw naar schatting tot 88 miljard USD zullen oplopen;

D.  overwegende dat de EU-lidstaten die betrokken waren bij de oorlog van 2003, maar ook de EU als geheel, een bijzondere verantwoordelijkheid dragen wat betreft het bijstaan van de Iraakse bevolking en het ondersteunen van inspanningen om vrede en stabiliteit in het land tot stand te brengen;

E.  overwegende dat er op 12 mei 2018 verkiezingen hebben plaatsgevonden; overwegende dat Irak in de regio, waar autoritaire regimes en praktijken alomtegenwoordig zijn, een van de weinige landen is dat politieke concurrentie kent, inclusief een meerpartijenstelsel en relatief vrije media; overwegende dat de politieke krachten in het land lijken te beseffen dat zij over de geloofsgrenzen heen allianties moeten sluiten om de legitimiteit en de stabiliteit van het systeem te vergroten; overwegende dat echte en concurrerende verkiezingen van fundamenteel belang zijn voor de democratische consolidatie in Irak; overwegende dat de volwaardige deelname van alle geledingen van de Iraakse maatschappij een belangrijke stap zal zijn naar een inclusieve democratie en een gedeeld natiegevoel;

F.  overwegende dat de veiligheidssituatie aanzienlijk moet worden verbeterd om stabiliteit, verzoening, inclusief bestuur en economische en sociale vooruitgang in het land te bevorderen, zowel op nationaal als lokaal niveau; overwegende dat het noodzakelijk is dat daders uit alle kampen voor begane misdrijven ter verantwoording worden geroepen, wil het tot verzoening kunnen komen; overwegende dat de EU de hervorming van de veiligheidssector in Irak ondersteunt via de adviserende missie van de EU; overwegende dat de missie van de Verenigde Naties voor bijstand aan Irak (UNAMI) sinds 2003 in het land aanwezig is en aanzienlijke inspanningen heeft geleverd om een inclusieve politieke dialoog en nationale verzoening te bevorderen; overwegende dat de NAVO doorgaat met haar initiatief voor capaciteitsopbouw in Irak, waarbij de nadruk ligt op de strijd tegen geïmproviseerde explosieven, explosievenopruiming, ontmijning, civiel-militaire planning, onderhoud van uitrusting uit het Sovjettijdperk, militaire geneeskunde en hervorming van de Iraakse veiligheidsinstellingen;

G.  overwegende dat Irak wordt geconfronteerd met uitdagingen op het gebied van bestuur, zoals de opbouw van institutionele en bestuurlijke capaciteit en de bestendiging van de rechtsstaat, wetshandhaving en eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de vrouwenrechten en de rechten van alle etno-religieuze groepen;

H.  overwegende dat werkloosheid en sociale uitsluiting moeten worden aangepakt, in het bijzonder onder jongeren, om te voorkomen dat zij radicaliseren en daardoor gemakkelijk kunnen worden gerekruteerd door terroristische organisaties of andere georganiseerde criminele groepen;

I.  overwegende dat de Iraakse dienst voor terrorismebestrijding, die het meest heeft bijdragen aan de bevrijding van Mosul, grote verliezen heeft geleden en de nodige erkenning en steun moet krijgen zodat de dienst zijn rekruteringsvermogen kan vergroten en opnieuw een korps van billijke en duurzame omvang kan vormen;

J.  overwegende dat de Iraakse autoriteiten de inkomsten uit aardgas van het land zouden moeten beschouwen als een kans en een instrument voor duurzame sociale en economische wederopbouw die de gehele Iraakse samenleving ten goede zal komen, in plaats van deze inkomsten op basis van cliëntelisme te verdelen; overwegende dat zich aanzienlijke olievoorraden bevinden in de autonome Iraakse regio Koerdistan; overwegende dat de betrekkingen tussen de centrale overheid in Bagdad en de Koerdische regionale regering van de autonome Iraakse regio Koerdistan moeten worden genormaliseerd in overeenstemming met de grondwet;

K.   overwegende dat Irak een lappendeken van gemeenschappen is die vaak onderling wedijveren om macht en controle over nationale hulpbronnen; overwegende dat duizenden Iraakse burgers, onder wie leden van minderheden, en vooral vrouwen en meisjes, door IS op wrede wijze zijn uitgemoord of tot slaaf gemaakt in oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid; overwegende dat terroristische en extremistische groeperingen nog steeds gemakkelijk misbruik kunnen maken van de intersektarische en plaatselijke spanningen; overwegende dat er in 2003 1,5 miljoen christelijke Iraakse burgers (Chaldeeërs, Arameeërs, Assyriërs en andere christelijke minderheden) in Irak woonden, en overwegende dat zij een oude inheemse bevolkingsgroep vormen die nu ernstig wordt bedreigd met vervolging en ballingschap; overwegende dat miljoenen Irakezen, waaronder christenen, gedwongen waren het geweld te ontvluchten, hetzij door hun land te verlaten, hetzij als binnenlands ontheemden; overwegende dat de Koerden een belangrijke minderheid vormen in Irak en dat de meesten van hen in de autonome Iraakse regio Koerdistan wonen;

L.  overwegende dat IS, Al Qaida en gelijkgestemde terroristische organisaties hun inspiratie halen uit de extreme versie van het salafisme/wahabisme; overwegende dat, niettegenstaande het feit dat IS militair en territoriaal verslagen is, de dreiging van deze ideologie nog steeds moet worden aangepakt door middel van beter bestuur, onderwijs, dienstverlening, deradicalisering en volledige integratie van de soennieten in het Iraakse politieke proces;

M.  overwegende dat in een land met 26 miljoen inwoners 11 miljoen mensen humanitaire hulp nodig hebben, dat het aantal Iraakse binnenlands ontheemden meer dan 3 miljoen bedraagt, waarvan velen zich in de Iraakse regio Koerdistan bevinden, en dat er 246 000 Syrische vluchtelingen zijn; overwegende dat het voor de terugkeer van de binnenlands ontheemden onontbeerlijk is dat zij economische steun krijgen om opnieuw in hun levensonderhoud te kunnen voorzien;

N.  overwegende dat de verdrijving van IS uit het land te danken is aan de inspanningen van het Iraakse leger, met de steun van de wereldwijde coalitie tegen IS en de verschillende Popular Mobilisation Units, de Peshmerga en andere geallieerde strijdkrachten; overwegende dat, hoewel IS uit Irak is verdreven, de jihadisten een gevaar blijven vormen en de duurzame stabiliteit en veiligheid van het land bedreigen, met name langs de grens met Syrië; overwegende dat het met het oog op de wederopbouw van het land en de integratie van de Iraakse samenleving nodig is om de verschillen op basis van religieuze criteria te overbruggen, de Popular Mobilisation Units te ontbinden en hun leden afhankelijk van de behoeften van het land te integreren, omdat het anders onmogelijk is om een op democratie en pluraliteit gestoelde functionele staat tot stand te brengen; overwegende dat het Iraakse parlement in 2016 een wet heeft goedgekeurd waardoor sjiitische milities effectief een permanent onderdeel van de Iraakse veiligheidstroepen zijn geworden; overwegende dat een verenigd, pluralistisch en democratisch Irak de voorwaarde vormt voor stabiliteit en voor de ontwikkeling van het land en zijn burgers;

1.  is ingenomen met de sluiting van een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de Europese Unie en Irak; vraagt om de mechanismen die erin zijn vastgesteld ten volle te benutten om de banden tussen de Unie en Irak te verdiepen;

2.  onderstreept dat de PSO een essentieel instrument is voor de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor Irak en voor de versterking van onze samenwerking met het oog op wederopbouw, stabilisering en verzoening op nationaal en lokaal niveau in het land, met een langetermijnstrategie; wijst erop dat de Irakezen hun verantwoordelijkheid moeten nemen voor de opbouw van een democratische, federale en pluralistische staat gebaseerd op eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat;

3.  is ingenomen met het initiatief voor de organisatie van de internationale conferentie voor de wederopbouw van Irak in Koeweit op 12 februari 2018; vraagt de Unie en de lidstaten om hun financiële verbintenissen en hun verbintenissen op het vlak van technische bijstand na te komen;

4.  is ingenomen met de toezegging van de EU inzake het verlenen van steun op langere termijn aan Irak en met het feit dat de EU het land beschouwt als een pilot-land om de koppeling tussen humanitaire en ontwikkelingsmaatregelen beter aan te pakken en in de praktijk te brengen teneinde de overgang van humanitaire bijstand naar wederopbouw en stabilisatie op de langere termijn te bevorderen; wijst erop dat de crisis in Irak door de VN is ingeschaald als een noodsituatie van niveau 3 en dat 11 miljoen mensen momenteel bijstand nodig hebben; dringt er derhalve bij de EU en haar lidstaten op aan in de eerste plaats hun inspanningen op te voeren voor het onverwijld aanpakken van de voornaamste humanitaire uitdagingen en menselijke behoeften, vooral met betrekking tot de meer dan 3 miljoen binnenlands ontheemden;

5.  onderstreept dat de armoede in het land wijdverbreid is en dat, hoewel Irak een hogermiddeninkomensland is, de jaren van geweld, conflict en sektarisme de voortgang van de ontwikkeling aanzienlijk hebben ondermijnd; doet een beroep op de EU om middels gerichte projecten haar ontwikkelingsbijstand te concentreren op de kwetsbaarste groepen en de meest behoeftigen, namelijk vrouwen en kinderen, jongeren, binnenlands ontheemden en vluchtelingen;

De prioriteiten van het optreden van de Europese Unie in Irak

6.  vraagt de Unie en de lidstaten om de humanitaire hulp die zij momenteel verlenen te handhaven om alle Irakezen die het slachtoffer zijn van conflicten te helpen en te beschermen, en de hulp te gebruiken als een middel om goed bestuur, democratie en de rechtsstaat te helpen consolideren; vraagt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor een compleet overzicht van de verstrekte financiële hulp om te waarborgen dat deze ten goede komt aan wie ze nodig heeft; benadrukt dat alle Iraakse burgers wettelijk recht hebben op documenten van de burgerlijke stand en op toegang tot hulp zonder enige discriminatie;

7.  vraagt de Unie om haar samenwerking te intensiveren om de stabilisering en veiligheid van recent bevrijde zones te bevorderen en zo de veilige, welbewuste, vrijwillige en waardige terugkeer van binnenlands ontheemden mogelijk te maken; vraagt de EU om de Iraakse autoriteiten te blijven steunen zodat de verkiezingen op een democratische manier verlopen en om het Iraakse onafhankelijke verkiezingscomité te steunen in zijn pogingen om binnenlands ontheemden ook te laten stemmen; spoort de Unie ertoe aan technische bijstand te verlenen om de Iraakse capaciteit op het gebied van ontmijning en verwijdering van explosiegevaar in de bevrijde gebieden te versterken; vraagt de Iraakse overheid inspanningen te leveren om de registratie van ontmijningsorganisaties vlotter te doen verlopen;

8.  dringt er bij de Unie en de lidstaten op aan dringend financiële bijstand te verstrekken voor de wederopbouw van prioritaire infrastructuur en voor het herstel van essentiële openbare diensten, zoals de toegang tot water en sanitaire voorzieningen, elektriciteit, onderwijs en gezondheidszorg, teneinde een basislevensstandaard voor de bevolking te garanderen, de steun aan het maatschappelijk middenveld te verhogen en prioriteit te verlenen aan de financiering voor projecten die actoren steunen die verantwoordingsplicht en democratische verandering bevorderen; verzoekt de EU-lidstaten steun te verlenen aan een planningsproces voor de wederopbouw van steden waarbij de burgers betrokken worden bij de besluitvorming over de wederopbouw met het oog op inclusiviteit bij stadsplanning en herstel, met het doel een vertrouwensband te scheppen tussen de burgers en de overheid; dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat de middelen voor wederopbouw gelijkmatig worden verdeeld over de behoeftige gemeenschappen, ongeacht de etnische afkomst of geloofsovertuiging van de begunstigden, en dat de steunverlening via erkende overheidsagentschappen en niet via subnationale actoren verloopt; is van mening dat er ook financiële steun zou kunnen worden ingevoerd voor en verstrekt aan plaatselijke ondernemers en bedrijven, zodat kleine en middelgrote ondernemingen over kapitaal beschikken;

9.  vraagt de Unie om alles in het werk te stellen om een intensieve, constructieve dialoog tussen de centrale overheid en de autoriteiten van de Iraakse regio Koerdistan aan te moedigen, met name na het in september 2017 in Koerdistan gehouden referendum, teneinde stabiele betrekkingen tot stand te brengen die beide partijen tevreden stellen, inclusieve besluitvorming op het hoogste niveau te bevorderen en de diversiteit van het land en de rechten van alle geledingen van de Iraakse samenleving volledig in acht te nemen, evenals de beginselen van de Iraakse grondwet en de eenheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van Irak; beklemtoont dat het probleem van de grensafbakening tussen de Koerdische regio en de rest van Irak via dialoog met VN-steun moet worden opgelost; is van mening dat de olie-uitvoer aan Irak en de autonome regionale regering van Koerdistan ten goede moet kunnen komen zonder enige inmenging van buitenaf; verzoekt de Unie om intensievere samenwerking tussen de federale en lokale autoriteiten te bevorderen om het land effectief opnieuw op te bouwen en langdurige stabiliteit en vreedzame co-existentie te bereiken; beklemtoont dat de Iraakse regio Koerdistan dringend de nodige politieke en economische hervormingen moet doorvoeren, de corruptie moet bestrijden, de oprichting en werking van nieuwe partijen mogelijk moet maken en echte en concurrerende verkiezingen voor het regionaal parlement in 2018 moet garanderen;

10.  is van oordeel dat, tijdens de overgang van noodhulp naar ontwikkeling, een langetermijnbenadering, stabilisatie, hervormingen en verbeteringen op het gebied van goed bestuur en rekenschap, onderwijs en de ontwikkeling van vaardigheden, toegang tot bestaansmogelijkheden en de voorziening van medische en sociale basisvoorzieningen prioritaire gebieden voor ontwikkelingsbijstand zijn; onderstreept bovendien het belang van hervormingen voor de verbetering van het genderevenwicht en de vertegenwoordiging van vrouwen in het politieke leven van het land; kijkt uit naar concrete voorstellen inzake geplande maatregelen waarmee op deze behoeften wordt ingegaan, en verzoekt de Commissie bewijzen te leveren van de resultaten en effecten die in het kader van het meerjarig indicatief programma 2014-2017 zijn behaald;

11.  uit zijn bezorgdheid over de sterke versnippering van de Iraakse samenleving; verzoekt de Unie om, in coördinatie met UNAMI en de Iraakse autoriteiten, haar volle steun te verlenen aan het werk van de nationale verzoeningscommissie om verzoening tussen verschillende gemeenschappen en een door Irak zelf aangestuurd nationale verzoeningsproces te bevorderen, om de eerbiediging van de Iraakse diversiteit te waarborgen en een inclusief en representatief bestuur te bevorderen, op nationaal en lokaal niveau, dat bijdraagt aan een door alle Irakezen als gemeenschappelijk ervaren burgerschap; merkt op dat er, gezien de behoefte aan conflictpreventie en de bestrijding van veiligheidsproblemen en de vraag naar initiatieven inzake verzoening, bemiddeling en dialoog, aanzienlijk meer middelen moeten worden vrijgemaakt voor dergelijke initiatieven, hoofdzakelijk via het Instrument dat bijdraagt aan stabiliteit en vrede (IcSP); is ingenomen met de aanbevelingen van de Iraakse religieuze leiders aan de Iraakse regering om in Irak een raad van hogere geestelijken en geleerden op te richten, om het Iraakse parlement te vragen een wet goed te keuren die extremistische religieuze toespraken waarin wordt opgeroepen tot haat en geweld, strafbaar stelt en de personen te straffen die daartoe aansporen, om de leerplannen te herzien en om de nadruk te leggen op verzoening en nationaal burgerschap en niet op sektarische identiteit;

12.  spoort de internationale gemeenschap en de EU aan bij te dragen aan het behoud van de diversiteit van de etnische, culturele en religieuze identiteiten in Irak; vraagt om binnen de grenzen van de Iraakse grondwet manieren te zoeken om het lokale zelfbestuur te erkennen, te beschermen en te bevorderen van etnische en religieuze minderheden die in gebieden wonen waar ze al eeuwenlang talrijk aanwezig zijn en in vrede samenleven – bijvoorbeeld in het Sinjar-gebergte (jezidi's) en de Nineveh-vallei (Chaldeeërs, Arameeërs, Assyriërs); vraagt de Iraakse autoriteiten om Koerden, christenen en jezidi's te laten terugkeren naar de gebieden waar ze oorspronkelijk woonden, en ervoor te zorgen dat het voor hen veilig is om terug te keren;

Politieke dialoog

13.  roept de Unie op om haar politieke dialoog met de Iraakse autoriteiten te versterken om de eerbiediging van de mensenrechten en de bestendiging van de democratische instellingen te bevorderen door een betere eerbiediging van de beginselen van de rechtsstaat, goed bestuur en een efficiënt rechtsstelsel; vraagt in dat verband om van de afschaffing van de doodstraf een prioriteit te maken in die dialoog en roept de Iraakse autoriteiten op om onmiddellijk een moratorium op de doodstraf in te stellen;

14.  wijst er nogmaals op dat de ontwikkeling van het Iraakse maatschappelijk middenveld en de volwaardige politieke vertegenwoordiging en deelname ervan aan de verschillende hervormingsprocessen moeten worden ondersteund; pleit ervoor om bijzondere aandacht te schenken aan de vertegenwoordiging van vrouwen, jongeren en mensen uit alle etnische en religieuze groeperingen in de Iraakse maatschappij, waaronder christenen, sjiieten en soennieten, jezidi's en Mandaeërs, Shabak, Koerden, Turkmenen en anderen, met wier noden rekening moet worden gehouden in het transitieproces; wijst er tevens op dat de totstandbrenging van een inclusieve, niet-sektarische politieke klasse, die alle geledingen van de Iraakse samenleving vertegenwoordigt, prioriteit moet krijgen;

15.  vraagt de Unie en de lidstaten om, rekening houdend met het Europese acquis inzake de strijd tegen corruptie, samen met de Iraakse autoriteiten programma's op te zetten voor justitiële samenwerking en voor uitwisselingen van goede praktijken en doeltreffende instrumenten om de wijdverspreide corruptie te bestrijden, en zo een gelijke verdeling van de rijkdom van het land te verzekeren; wijst op de belangrijke rol die de Europese Unie speelt voor de stabiliteit binnen Irak als bron van advies voor de Iraakse overheid wat betreft veiligheid en goed bestuur;

16.   prijst de bijdrage van het Iraakse leger aan de wereldwijde strijd tegen de terroristische organisatie IS; blijft de brede acties ter bestrijding van terrorisme van de internationale coalitie in de strijd tegen IS, die een grote bedreiging blijft vormen ondanks de recente militaire overwinningen op de organisatie, ononderbroken steunen, met inachtneming van het internationaal recht en de mensenrechten; erkent dat de strijd tegen terrorisme in Irak in sterke mate wordt beïnvloed door de toestand in de omliggende gebieden, zoals de oorlog in Syrië; verzoekt de Unie om een dialoog over terrorismebestrijdingskwesties op gang te brengen met het oog op de hervorming van de antiterrorismewet en om de capaciteit van het land om terroristische dreigingen het hoofd te bieden, te vergroten, alsmede om samen te werken met de Iraakse autoriteiten om straffeloosheid voor alle vormen van misdrijven tegen etnische, religieuze of andere minderheidsgroepen tegen te gaan; beseft dat de onderliggende oorzaken van terrorisme moeten worden aangepakt om het te kunnen bestrijden;

17.  vraagt de Unie om de Iraakse autoriteiten aan te moedigen een nationale strategie te ontwikkelen om door IS begane misdrijven te behandelen en om toe te treden tot het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC) en vrijwillig de rechtspraak van het Internationaal Strafhof te aanvaarden om op een transparante en eerlijke manier de door IS begane oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid te onderzoeken ervoor te zorgen dat hiervoor rekenschap wordt afgelegd; beklemtoont dat de verantwoordelijken voor de door IS begane misdrijven op een geloofwaardige manier moeten worden vervolgd, dat de slachtoffers daarbij op een zinvolle manier betrokken moeten worden en dat een degelijk strafregister van deze misdrijven moet worden aangelegd; maakt zich daarnaast zorgen dat een al te uitgebreide vervolging tot verdere onrechtvaardigheden kan leiden die toekomstige verzoening en re-integratie in de gemeenschap onmogelijk maken;

18.  onderstreept de noodzaak van uitgebreide deskundigheid inzake kwesties in verband met de media en de vrije meningsuiting bij het onderrichten van plaatselijke media‑actoren in vredesjournalistiek;

19.  vraagt de Unie om haar verantwoordelijkheid te erkennen voor EU-burgers die naar Irak zijn gereisd om deel te nemen aan de misdrijven van IS en die volgens de regels van de rechtsstaat moeten worden berecht; vraagt dat er tussen Irak en de betrokken EU‑lidstaten duidelijke procedures worden opgezet inzake de repatriëring van en wettelijke verantwoordelijkheid voor die personen;

20.  roept de Commissie ertoe op een hervorming van het rechtsstelsel te ondersteunen, in het bijzonder met betrekking tot de overgangsrechtspraak, om te waarborgen dat de internationale normen voor eerlijke procesvoering, eerlijke processen, een onafhankelijke rechterlijke macht en onpartijdigheid worden geëerbiedigd om te zorgen voor verantwoordingsplicht binnen de overheidsstructuren; vraagt de EU tevens om samen met de Iraakse autoriteiten de straffeloosheid voor alle vormen van misdrijven tegen etnische, religieuze of andere groepen, waaronder alle vormen van minderheden, aan te pakken;

21.  vraagt de Iraakse autoriteiten voorrang te verlenen aan gendergelijkheid en de uitbanning van alle vormen van geweld en discriminatie tegen vrouwen en meisjes, waaronder gendergerelateerd geweld; wijst in dit verband op het belang van de afschaffing van de wet die de beklaagde ontslaat van vervolging wegens verkrachting, aanranding, ontucht met minderjarigen, ontvoering of vergelijkbare feiten als de verkrachter met zijn slachtoffer huwt;

22.  verzoekt de Unie om de goede en constructieve betrekkingen tussen Irak en de buurlanden te stimuleren en de bijdrage van het land aan de vrede in de regio te bevorderen; overwegende dat Irak intensieve betrekkingen is aangegaan met de Verenigde Staten en met Iran, en dat recent ook de betrekkingen met Saudi-Arabië zijn verbeterd, waardoor Irak een centrale rol zou kunnen spelen in de regionale inspanningen om de spanningen te doen afnemen; vraagt alle betrokken partijen om uitvoering van punt 8 van resolutie 598 van de VN-Veiligheidsraad waarin op een regionale veiligheidsregeling voor de landen aan de Perzische Golf wordt aangedrongen;

23.   verzoekt de EU om de Iraakse autoriteiten te helpen bij het opstellen van een nationale strategie voor de bescherming en opgraving van massagraven teneinde deze graven in huidige of recente conflictgebieden te beschermen, zodat de stoffelijke resten erin kunnen worden opgegraven en forensisch onderzocht en de stoffelijke resten van de slachtoffers waardig kunnen worden begraven of aan de familie teruggegeven, en zodat er bewijzen kunnen worden verzamelen om vermeende misdaden tegen de menselijkheid te kunnen onderzoeken en vervolgen; vraagt ook dat de EU en de lidstaten actie ondernemen om dringend een deskundigengroep op te richten om alle bewijzen te verzamelen van alle internationale misdrijven, waaronder volkerenmoord, om het even waar deze worden begaan, ter voorbereiding op de internationale vervolging van de verantwoordelijken;

24.  vraagt om wereldwijde invoering van een jaarlijkse herdenkingsdag voor de slachtoffers van terroristische wreedheden door IS, Al Qaida en vergelijkbare terroristische organisaties;

Sectorale samenwerking

25.  benadrukt dat het proces van wederopbouw en stabilisering gepaard moet gaan met coherente beleidsmaatregelen voor economische en sociale ontwikkeling waarvan alle Irakezen op duurzame en inclusieve wijze kunnen profiteren; vraagt de Unie om samen met de Iraakse autoriteiten alles in het werk te stellen om niet alleen de economische en budgettaire onevenwichtigheden weg te werken, maar ook een duurzame en inclusieve economische groei te bevorderen die nieuwe banen kan scheppen, in het bijzonder voor jongeren, een kader voor handel op te zetten en een gunstig investeringsklimaat te creëren; vraagt de EU om Irak aan te moedigen en te steunen om aan jonge mensen die geen regulier onderwijs hebben genoten ten gevolge van hun gedwongen verhuizing door IS, kansen te bieden om reguliere onderwijsprogramma's te volgen die hun de nodige kennis en vaardigheden bijbrengen om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten;

26.  vraagt de Unie om Irak aan te moedigen en te ondersteunen bij het diversifiëren van zijn economie;

27.  is bezorgd over het hoge percentage schoolverlaters van beide geslachten op Iraakse scholen (zoals gelaakt door maatschappelijke organisaties, volgens welke 60 % van degenen die in 2015 op lagere scholen waren ingeschreven, sedertdien vroegtijdig hun school hebben verlaten); onderstreept dat hoge alfabetiseringsniveaus een sleutelrol vervullen bij het opbouwen van een positieve vrede in conflictsituaties;

28.  verzoekt de Unie om haar samenwerking op het gebied van onderwijs en ter bevordering van een onderwijshervorming te versterken om te waarborgen dat iedereen, vooral minderjarigen, toegang krijgt tot kwaliteitsvol onderwijs op alle niveaus; erkent het probleem van het gebrek aan toegang tot scholen voor jonge meisjes door gewoonten, maatschappelijke perceptie, armoede en onveiligheid; vraagt de EU om de bewustwording op het gebied van onderwijs voor meisjes te stimuleren en de situatie samen met de Iraakse overheid te verbeteren, aangezien dit van cruciaal belang is voor hun levenskwaliteit;

29.  roept de Unie op samenwerkingsmogelijkheden te creëren voor wetenschap en onderzoek, met name samenwerking en partnerschappen tussen universiteiten, vooral wat betreft Erasmus+ en uitwisselingsmogelijkheden op het gebied van onderwijzen en onderzoek;

30.  verzoekt de EU samenwerking op cultureel gebied tot stand te brengen en te versterken om het Iraakse artistieke en culturele erfgoed te beschermen, te bewaren en weer op te bouwen;

31.  is ingenomen met het feit dat op vraag van de Iraakse autoriteiten en in het kader van de Iraakse veiligheidsstrategie een missie is opgezet om de hervorming van de veiligheidssector in Irak (EUAM Irak) te ondersteunen; hoopt dat die missie het mogelijk zal maken om de overheidsinstellingen te versterken en een onpartijdige, inclusieve politiemacht op te zetten; onderstreept dat de hervorming van de veiligheidssector in Irak een belangrijke uitdaging is die door de VN moet worden ondersteund; beklemtoont dat de demobilisatie van milities en de re-integratie van strijders als onderdeel van de ruimere hervorming van de veiligheidssector moeten worden gestimuleerd, indien nodig met behulp van re-integratieprogramma's op maat;

32.  doet een beroep op de EU om versterkte technische bijstand aan de Iraakse autoriteiten te verlenen voor een gedegen beheer van de natuurlijke hulpbronnen, een verbeterde belastinginning en het terugdringen van illegale geldstromen, opdat Irak in staat zal zijn de ontwikkeling op de middellange termijn in eigen land te financieren en de ongelijkheid tussen zijn bevolkingsgroepen en regio's te verminderen; onderstreept dat het nodig is de particuliere sector en investeerders actief te adviseren om zowel een conflictsensitieve benadering als hun bijdrage tot vredesopbouw en duurzame ontwikkeling te versterken;

33.  vraagt de Unie om, samen met Irak, binnen het kader van de PSO een dialoog tot stand te brengen over migratie in al zijn aspecten en om een op mensenrechten gebaseerde aanpak op het gebied van migratie uit te werken die rekening houdt met de behoefte aan doeltreffende en haalbare langetermijnoplossingen en die zowel de Unie als Irak ten goede komt;

34.  onderstreept dat Irak een potentieel belangrijke partner is bij het waarborgen van het herstel van de energie-infrastructuur en van grotere diversificatie van de energiebronnen voor Irak en van de voorziening voor de EU; verzoekt de Unie dan ook om Irak te steunen bij zijn energietransitie en met het land samen te werken bij de vaststelling van gemeenschappelijke projecten en de uitwisseling van goede praktijken en kennis op essentiële gebieden als energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, milieu en efficiënt beheer van hulpbronnen, waaronder water, onder meer met het doel om de tenuitvoerlegging van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen te bespoedigen;

35.  wijst erop dat vrouwen en meisjes op onevenredige wijze door conflicten en extremisme worden getroffen en dat zij kwetsbaarder zijn voor geweld en misbruik, met inbegrip van seksueel geweld, foltering, mensenhandel, slavernij en kindhuwelijken; onderstreept de noodzaak in te gaan op de specifieke humanitaire en ontwikkelingsbehoeften van vrouwen en meisjes, vooral in ontheemde gemeenschappen; verzoekt de EU de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de zelfbeschikking van vrouwen via haar ontwikkelingsinspanningen te bevorderen en de rol van vrouwen bij herstel en vredesopbouw in het land te benadrukken;

36.  onderstreept de noodzaak om in de Iraakse landbouw te investeren gezien het grote werkgelegenheidspotentieel en het belang van de herbevolking van de plattelandsgebieden die door de conflicten steeds meer bewoners zijn kwijtgeraakt;

37.  prijst Iraks duidelijke verbintenis om toe te treden tot de Wereldhandelsorganisatie en vraagt de Commissie om de Iraakse autoriteiten te steunen bij hun inspanningen om opnieuw deel uit te maken van de mondiale economie en handel;

Institutionele betrekkingen

38.  staat erop dat alle hulp van de Unie afhankelijk wordt gemaakt van een strikte eerbiediging van de beginselen inzake mensenrechten en de rechtsstaat, en aan een continu evaluatieproces wordt onderworpen, waarvan de resultaten aan het Parlement worden voorgelegd in overeenstemming met artikel 113 van de PSO;

39.  verbindt zich ertoe om samen met het Iraakse parlement een parlementair samenwerkingscomité op te richten, zoals bepaald in de PSO, zodat dit comité zijn werkzaamheden kan aanvatten, waaronder de follow-up van de tenuitvoerlegging van de samenwerkingsprojecten tussen Irak en de Europese Unie;

40.  hoopt dat zijn groep voor ondersteuning van de democratie en voor verkiezingscoördinatie Irak opneemt in de lijst van prioritaire landen voor 2019 en zich inzet om programma's uit te werken om de capaciteit van het Iraakse parlement te versterken; roept de Commissie op om die programma's te steunen;

o
o   o

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en de Raad van vertegenwoordigers van de Republiek Irak.

(1) PB L 204 van 31.7.2012, blz. 20.
(2) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 83.
(3) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 77.
(4) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 194.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0285.


Overeenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland betreffende de wijziging van concessies (toetreding van Kroatië) ***
PDF 116kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijst van verbintenissen van de Republiek Kroatië, in verband met haar toetreding tot de Europese Unie (10670/2017 – C8-0121/2018 – 2017/0137(NLE))
P8_TA(2018)0287A8-0220/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10670/2017),

–  gezien de ontwerpovereenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en Nieuw Zeeland uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijst van verbintenissen van de Republiek Kroatië, in verband met haar toetreding tot de Europese Unie (10672/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0121/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A8-0220/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Nieuw-Zeeland.


Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank: verrekenings- en betalingssystemen ***I
PDF 161kWORD 54k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 4 juli 2018 op het ontwerpbesluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van artikel 22 van de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (10850/2017 – ECB/2017/18 – C8-0228/2017 – 2017/0810(COD))(1)
P8_TA(2018)0288A8-0219/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Ontwerp van de Europese Centrale Bank   Amendement
Amendement 1
Ontwerpbesluit
Overweging 1
(1)  De via het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) uit te voeren fundamentele taken omvatten het bepalen en tenuitvoerleggen van het monetaire beleid van de Unie en de bevordering van de goede werking van het betalingsverkeer. Betrouwbare en efficiënte financiëlemarktinfrastructuren, met name verrekeningssystemen, zijn essentieel voor de uitvoering van deze fundamentele taken.
(1)  De via het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) uit te voeren fundamentele taken omvatten het bepalen en tenuitvoerleggen van het monetaire beleid van de Unie en de bevordering van de goede werking van het betalingsverkeer, wat van essentieel belang is voor het behoud van de financiële stabiliteit. Betrouwbare en efficiënte financiëlemarktinfrastructuren, met name verrekeningssystemen, zijn essentieel voor de uitvoering van deze fundamentele taken.
Amendement 2
Ontwerpbesluit
Overweging 3
(3)  Op 4 maart 2015 heeft het Gerecht uitspraak gedaan in zaak T-496/11, Verenigd Koninkrijk/Europese Centrale Bank7, waarin gesteld werd dat de ECB niet beschikt over de noodzakelijke bevoegdheid tot regulering van de werkzaamheden van verrekeningssystemen. Het Gerecht verklaarde dat het Europees Parlement en de Raad krachtens artikel 129, lid 3 van het Verdrag volgens de gewone wetgevingsprocedure, en op aanbeveling van de ECB, artikel 22 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna de 'ESCB-statuten') kunnen wijzigen. Het Gerecht heeft geconcludeerd dat "het dus aan de ECB staat om de wetgever van de Unie te verzoeken om artikel 22 van de statuten in die zin te wijzigen dat hierin een uitdrukkelijke verwijzing naar effectenverrekeningssytemen wordt opgenomen, indien zij van mening is dat het voor de goede uitvoering van de in artikel 127, lid 2, vierde streepje, VWEU bedoelde taak noodzakelijk is dat haar de bevoegdheid wordt verleend om regels vast te stellen voor infrastructuren die effectentransacties verrekenen."
(3)  Op 4 maart 2015 heeft het Gerecht uitspraak gedaan in zaak T-496/11, Verenigd Koninkrijk/Europese Centrale Bank7, waarin gesteld werd dat "de ECB [...] niet over de nodige bevoegdheid [beschikt] om de activiteit van effectenverrekeningssystemen te reguleren, zodat een toezichtkader dat voorschrijft dat de centrale tegenpartijen die betrokken zijn bij de verrekening van effecten, binnen de eurozone gevestigd moeten zijn, nietig moet worden verklaard wegens onbevoegdheid." Het Gerecht verklaarde dat het Europees Parlement en de Raad krachtens artikel 129, lid 3 van het Verdrag volgens de gewone wetgevingsprocedure, en op aanbeveling van de ECB, artikel 22 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna de 'ESCB-statuten') kunnen wijzigen. Het Gerecht heeft daarom geconcludeerd dat "het dus aan de ECB staat om de wetgever van de Unie te verzoeken om artikel 22 van de statuten in die zin te wijzigen dat hierin een uitdrukkelijke verwijzing naar effectenverrekeningssytemen wordt opgenomen, indien zij van mening is dat het voor de goede uitvoering van de in artikel 127, lid 2, vierde streepje, VWEU bedoelde taak noodzakelijk is dat haar de bevoegdheid wordt verleend om regels vast te stellen voor infrastructuren die effectentransacties verrekenen."
_________________
_________________
7 ECLI: EU:T:2015:133.
7 ECLI: EU:T:2015:133.
Amendement 3
Ontwerpbesluit
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Hoewel effectenverrekeningssystemen een soort van betalingssystemen zijn, is hieromtrent meer duidelijkheid nodig, in het licht van het arrest van 4 maart 2015 van het Gerecht in zaak T-496/11, en daarom moet de bevoegdheid voor dergelijke systemen worden verduidelijkt via een herziening van artikel 22 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank.
Amendement 4
Ontwerpbesluit
Overweging 4
(4)  Significante ontwikkelingen wereldwijd en op Europees niveau zouden naar verwachting het risico doen toenemen dat verstoringen verrekeningssystemen treffen, met name centrale tegenpartijen (CTP's), de goede werking van het betalingsverkeer en de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijke monetaire beleid bedreigen, waardoor uiteindelijk het hoofddoel van het Eurosysteem, te weten de handhaving van prijsstabiliteit, in gevaar komt.
(4)  Significante ontwikkelingen wereldwijd en op Europees niveau zouden naar verwachting het risico doen toenemen dat verstoringen verrekeningssystemen treffen, met name centrale tegenpartijen (CTP's), de goede werking van het betalingsverkeer en de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijke monetaire beleid bedreigen, waardoor uiteindelijk de financiële stabiliteit, met inbegrip van het hoofddoel van het Eurosysteem, te weten de handhaving van prijsstabiliteit, in gevaar komt.
Amendement 5
Ontwerpbesluit
Overweging 5
(5)  Op 29 maart 2017 stelde het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de Europese Raad in kennis van zijn voornemen zich uit de Europese Unie terug te trekken. De terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk zal de regulering van bepaalde systeemrelevante in euro luidende clearingactiviteiten, het oversight en het toezicht daarop fundamenteel wijzigen, waardoor het voor Eurosysteem moeilijker zal worden risico's voor de goede werking van het betalingsverkeer en de tenuitvoerlegging van het monetaire beleid van het Eurosysteem te monitoren en te beheren.
Schrappen
Amendement 6
Ontwerpbesluit
Overweging 6
(6)  Central clearing wordt in toenemende mate grensoverschrijdend en systeemrelevant. CTP's zijn van fundamenteel belang voor de Unie als geheel, met name voor het eurogebied, gezien hun gedifferentieerde samenstelling en de pan-Europese aard van de door hen verleende financiële diensten. Dat vindt zijn weerslag in Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad8 die collectieve toezichtregelingen in de vorm van colleges invoert die zijn samengesteld uit betrokken nationale en Unie-autoriteiten, waaronder het Eurosysteem in zijn rol als centrale bank van uitgifte van de euro.
(6)  Central clearing wordt in toenemende mate grensoverschrijdend en systeemrelevant. CTP's zijn van fundamenteel belang voor de Unie als geheel, met name voor het eurogebied, gezien hun gedifferentieerde samenstelling en de pan-Europese aard van de door hen verleende financiële diensten. Dat vindt zijn weerslag in Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad die collectieve toezichtregelingen in de vorm van colleges invoert die zijn samengesteld uit betrokken nationale en Unie-autoriteiten, waaronder het Eurosysteem in zijn rol als centrale bank van uitgifte van de euro, de munteenheid van de Unie.
_________________
8 Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).
Amendement 7
Ontwerpbesluit
Overweging 7
(7)  Om deze aangelegenheden te adresseren, heeft de Europese Commissie op 13 juni 2017 haar wetgevingsvoorstel ingediend ter verzekering van financiële stabiliteit en de betrouwbaarheid en de deugdelijkheid van CTP's die systeemrelevant zijn voor financiële markten in de hele Unie. Om te verzekeren dat het Eurosysteem als centrale bank van uitgifte van de euro de door het wetgevingsvoorstel beoogde rol kan uitvoeren, is het van vitaal belang dat het Eurosysteem beschikt over de relevante bevoegdheden uit hoofde van het Verdrag en de ESCB-statuten. Met name moet het Eurosysteem beschikken over regelgevende bevoegdheden om bindende beoordelingen vast te stellen en corrigerende maatregelen te vereisen, zulks in nauwe samenwerking met andere Unieautoriteiten. Indien het noodzakelijk is om de stabiliteit van de euro te beschermen, moet de ECB tevens beschikken over regelgevende bevoegdheden om aanvullende vereisten vast te stellen voor CTP's die betrokken zijn bij het clearen van significante hoeveelheden in euro luidende transacties.
(7)  Om deze aangelegenheden te adresseren, heeft de Europese Commissie op 13 juni 2017 haar wetgevingsvoorstel ingediend ter verzekering van financiële stabiliteit en de betrouwbaarheid en de deugdelijkheid van CTP's die systeemrelevant zijn voor financiële markten in de hele Unie. Om te verzekeren dat het Eurosysteem als centrale bank van uitgifte van de euro de door het wetgevingsvoorstel beoogde rol kan uitvoeren, is het van vitaal belang dat het Eurosysteem beschikt over de relevante bevoegdheden uit hoofde van het Verdrag en de ESCB-statuten. Met name moet het Eurosysteem beschikken over regelgevende bevoegdheden om bindende beoordelingen vast te stellen en corrigerende maatregelen te vereisen, zulks in nauwe samenwerking met andere Unieautoriteiten. Indien het noodzakelijk is om de stabiliteit van de euro te beschermen, moet de ECB tevens beschikken over regelgevende bevoegdheden om aanvullende vereisten vast te stellen voor CTP's die betrokken zijn bij het clearen van significante hoeveelheden in euro luidende transacties. Deze vereisten moeten de integriteit van de interne markt beschermen en ervoor zorgen dat bij het toezicht op CTP's uit derde landen voorrang wordt gegeven aan het Unierecht en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Amendement 8
Ontwerpbesluit
Overweging 8
(8)  Artikel 22 van de ESCB-statuten maakt deel uit van hoofdstuk IV "Monetaire functies en werkzaamheden van het ESCB". De daarin opgedragen taken moeten dienovereenkomstig slechts voor doeleinden van monetair beleid aangewend worden.
(8)  Artikel 22 van de ESCB-statuten maakt deel uit van hoofdstuk IV "Monetaire functies en werkzaamheden van het ESCB". De daarin opgedragen taken moeten dienovereenkomstig slechts voor doeleinden van monetair beleid aangewend worden. Wat betreft het verrekeningssysteem voor financiële instrumenten moeten de vereisten die op basis van dat artikel kunnen gelden, rapportagevereisten omvatten evenals aan het verrekeningssysteem opgelegde vereisten voor samenwerking met de ECB en nationale centrale banken bij hun beoordeling van de veerkracht van het systeem ten opzichte van ongunstige marktomstandigheden. Dergelijke vereisten moeten eveneens de opening door het systeem van een onmiddellijk opvraagbare depositorekening bij het ESCB omvatten in overeenstemming met de relevante toelatingscriteria en vereisten van het ESCB. Daarnaast moeten zij vereisten omvatten die noodzakelijk zijn voor situaties waarin een verrekeningssysteem voor financiële instrumenten aanzienlijke schade dreigt te berokkenen aan financiële instellingen of markten van de Unie of aan het financieel systeem van de Unie of van één van de lidstaten , zoals vereisten betreffende controles van het liquiditeitsrisico, afwikkelingsregelingen, margins, en zekerheids- of interoperabiliteitsregelingen. Wat verrekeningssystemen voor financiële instrumenten van derde landen betreft, biedt Verordening (EU) nr. .../... [Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1095/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 wat betreft de procedures en betrokken autoriteiten voor de vergunningverlening aan CTP’s en de vereisten voor de erkenning van CTP’s uit derde landen] de ECB de mogelijkheid om aanvullende eisen aan dergelijke systemen te stellen.
Amendement 9
Ontwerpbesluit
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  De nieuwe bevoegdheden van de ECB met betrekking tot verrekeningssystemen voor financiële instrumenten op grond van gewijzigd artikel 22 van de ESCB- en ECB-statuten worden naast de bevoegdheden van andere instellingen, agentschappen en organen van de Unie toegepast op basis van bepalingen met betrekking tot de instelling of de werking van de interne markt, die in deel III van het VWEU zijn vastgesteld, met inbegrip van de bevoegdheden die in door de Commissie of de Raad vastgestelde handelingen zijn opgenomen op grond van de hun toebedeelde bevoegdheden. In deze context, en om ervoor te zorgen dat de respectieve bevoegdheden van elke entiteit worden gerespecteerd en om conflicterende regels en inconsistenties tussen de door de verschillende instellingen, agentschappen en organen van de Unie genomen besluiten te voorkomen, moeten de bevoegdheden uit hoofde van gewijzigd artikel 22 van de ESCB- en ECB-statuten worden uitgeoefend met gepaste inachtneming van het algemeen kader voor de interne markt dat is vastgesteld door de medewetgevers, en op een manier die volledig in overeenstemming is met de rechtshandelingen van het Europees Parlement en de Raad alsook met de uit hoofde van deze handelingen vastgestelde maatregelen.
Amendement 10
Ontwerpbesluit
Overweging 8 ter (nieuw)
(8 ter)  De ECB dient volledige transparantie en verantwoordingsplicht ten aanzien van het Europees Parlement en de Raad te waarborgen wat betreft de uitoefening van haar bevoegdheden en taken uit hoofde van artikel 22 van haar statuten. Meer in het bijzonder moet zij het Europees Parlement en de Raad geregeld op de hoogte houden van alle besluiten die zijn genomen en alle verordeningen die zijn goedgekeurd op basis van dit artikel. Hiertoe dient zij in haar jaarverslag een speciaal hoofdstuk op te nemen over de uitoefening van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 22 van haar statuut en moet zij al haar besluiten, aanbevelingen en adviezen in verband met op grond van dit artikel vastgestelde verordeningen publiceren.
Amendement 11
Ontwerpbesluit
Artikel 1
Statuut van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank
Artikel 22
Artikel 22
Artikel 22
Verrekeningssystemen en betalingssystemen
Verrekeningssystemen en betalingssystemen
De ECB en de nationale centrale banken zijn gerechtigd faciliteiten ter beschikking te stellen en de ECB kan verordeningen vaststellen ter verzekering van doelmatige en deugdelijke verrekenings- en betalingssystemen en verrekeningssystemen voor financiële instrumenten binnen de Unie en met andere landen.
De ECB en de nationale centrale banken zijn gerechtigd faciliteiten ter beschikking te stellen en de ECB kan verordeningen vaststellen ter verzekering van doelmatige en deugdelijke verrekenings- en betalingssystemen binnen de Unie en met derde landen.
Om de doelstellingen van het ESCB te verwezenlijken en de desbetreffende taken uit te voeren, kan de ECB voorschriften vaststellen met betrekking tot verrekeningssystemen voor financiële instrumenten binnen de Unie en met derde landen, waarbij zij terdege rekening houdt met de rechtshandelingen van het Europees Parlement en de Raad en met maatregelen die krachtens deze handelingen zijn vastgesteld, en op een manier die volledig in overeenstemming is met deze handelingen en maatregelen.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0219/2018).


Voertuigenbelasting: het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen *
PDF 154kWORD 50k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, wat betreft de bepalingen inzake belastingen op voertuigen (COM(2017)0276 – C8-0196/2017 – 2017/0115(CNS))
P8_TA(2018)0289A8-0200/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2017)0276),

–  gezien artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0196/2017),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0200/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, zoals geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Voor het bedrijfsleven vormen de belastingen op voertuigen tot dusver een vaste kostprijs, zelfs indien de lidstaten tolgelden zouden innen. Daardoor kunnen de belastingen op voertuigen een belemmering vormen voor de invoering van tolgelden.
(4)  Voor het bedrijfsleven, en met name voor kmo's, vormen de belastingen op voertuigen tot dusver een vaste kostprijs, zelfs indien de lidstaten tolgelden zouden innen. Daardoor kunnen de belastingen op voertuigen een belemmering vormen voor de invoering van tolgelden.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  De verlaging van de in Richtlijn 1999/62/EG vastgestelde minima moet de lidstaten dan ook meer ruimte bieden om de belastingen op voertuigen te verlagen. Teneinde het risico op verstoringen van de mededinging tussen in verschillende lidstaten gevestigde exploitanten zoveel mogelijk te beperken, moet die vermindering stapsgewijs verlopen.
(5)  Gezien de vorm van tolheffing op basis van de afgelegde afstand, en teneinde het risico op verstoringen van de mededinging tussen in verschillende lidstaten gevestigde exploitanten alsook de eventuele administratieve lasten zoveel mogelijk te beperken, moet de lidstaten meer ruimte worden geboden om de belastingen op voertuigen te verlagen, meer bepaald via een verlaging van de in Richtlijn 1999/62/EG vastgestelde minima.
Amendementen 3 en 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   De lidstaten moeten ertoe worden aangespoord tegenstrijdige fiscale stimulansen die emissiearme mobiliteit ontmoedigen en inefficiënte en vervuilende voertuigen – zoals bedrijfswagens op diesel – subsidiëren, af te schaffen.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)  Teneinde de lidstaten meer vrijheid te geven bij het verlagen van hun tarieven voor belastingen op voertuigen met het oog op de ondersteuning van de invoering van kilometerheffingen en het vermijden van eventuele administratieve lasten, moeten de minimumbelastingtarieven met ingang van 1 januari 2024 in één keer worden verlaagd, waarbij de lidstaten maximale flexibiliteit krijgen bij het bepalen van de hoogte en het tempo van de verlaging.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 1999/62/EG
Artikel 6 – lid 4 bis (nieuw)
(2 bis)   Aan artikel 6 wordt het volgende lid toegevoegd:
"4 bis. De geleidelijke vermindering van de door een lidstaat toegepaste voertuigbelasting voor zware vrachtvoertuigen wordt volledig gecompenseerd door bijkomende inkomsten die door de tolheffing van die lidstaat worden gegenereerd. Uiterlijk op 1 januari 2024 hebben alle lidstaten de tolheffing ingevoerd overeenkomstig deze richtlijn."
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – alinea 1 – letter a
Richtlijn 1999/62/EG
Bijlage I – titel
Tabel A: MINIMUMTARIEVEN VOOR DE BELASTING OP ZWARE VRACHTVOERTUIGEN TOT EN MET 31 DECEMBER [...]" [jaar van inwerkingtreding van deze richtlijn];
Tabel A: MINIMUMTARIEVEN VOOR DE BELASTING OP ZWARE VRACHTVOERTUIGEN TOT EN MET 31 DECEMBER 2023
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – alinea 1 – letter b
Richtlijn 1999/62/EG
Bijlage I – tabel B
Tabel B: MINIMUMTARIEVEN VOOR DE BELASTINGEN OP ZWARE VRACHTVOERTUIGEN VANAF 1 JANUARI [...] [jaar na het jaar van de inwerkingtreding van deze richtlijn]
Schrappen
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – alinea 1 – letter b
Richtlijn 1999/62/EG
Bijlage I – tabel C
Tabel C: MINIMUMTARIEVEN VOOR DE BELASTINGEN OP ZWARE VRACHTVOERTUIGEN VANAF 1 JANUARI [...] [tweede jaar na het jaar van de inwerkingtreding van deze richtlijn]
Schrappen
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – alinea 1 – letter b
Richtlijn 1999/62/EG
Bijlage I – tabel D
Tabel D: MINIMUMTARIEVEN VOOR DE BELASTINGEN OP ZWARE VRACHTVOERTUIGEN VANAF 1 JANUARI [...] [derde jaar na het jaar van de inwerkingtreding van deze richtlijn]
Schrappen
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – alinea 1 – letter b
Richtlijn 1999/62/EG
Bijlage I – tabel E
Tabel E: MINIMUMTARIEVEN VOOR DE BELASTINGEN OP ZWARE VRACHTVOERTUIGEN VANAF 1 JANUARI [...] [vierde jaar na het jaar van de inwerkingtreding van deze richtlijn]
Schrappen
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – alinea 1 – letter b
Richtlijn 1999/62/EG
Bijlage I – tabel F – titel
Tabel F: MINIMUMTARIEVEN VOOR DE BELASTINGEN OP ZWARE VRACHTVOERTUIGEN VANAF 1 JANUARI [...] [vijfde jaar na het jaar van de inwerkingtreding van deze richtlijn]
Tabel F: MINIMUMTARIEVEN VOOR DE BELASTINGEN OP ZWARE VRACHTVOERTUIGEN VANAF 1 JANUARI 2024

Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2018: opname van het overschot van het begrotingsjaar 2017
PDF 121kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2018 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018: boeking van het overschot van het begrotingsjaar 2017 (09325/2018 – C8-0277/2018 – 2018/2057(BUD))
P8_TA(2018)0290A8-0209/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1) van de Raad, en met name artikel 18, lid 3, en artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, definitief vastgesteld op 30 november 2017(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2018, dat de Commissie op 13 april 2018 heeft goedgekeurd (COM(2018)0227),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2018, vastgesteld door de Raad op 18 juni 2018 en toegezonden aan het Europees Parlement op 19 juni 2018 (09325/2018 – C8‑0277/2018),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8‑0209/2018),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2018 dient om het overschot van het begrotingsjaar 2017, te weten 555,5 miljoen EUR, op te nemen in de begroting voor 2018;

B.  overwegende dat dit overschot hoofdzakelijk bestaat uit hogere ontvangsten ten belope van 338,6 miljoen EUR, onderbestedingen van 383,4 miljoen EUR en positief uitvallende wisselkoersverschillen van 166,4 miljoen EUR;

C.  overwegende dat aan de inkomstenzijde het grootste verschil te danken is aan een hoger dan verwacht resultaat van achterstandsrente en boetes (342,6 miljoen EUR);

D.  overwegende dat aan de uitgavenzijde de onderbesteding voor 2017 van de betalingen door de Commissie 201,5 miljoen EUR bedroeg (waarvan 99,3 miljoen EUR voor de reserve voor noodhulp) en de onderbesteding 53,5 miljoen EUR bedraagt voor de overdrachten van 2016, en dat daarnaast de onderbesteding door andere instellingen 82,6 miljoen EUR bedroeg voor 2017 en 45,7 miljoen EUR voor de overdrachten van 2016;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2018, zoals ingediend door de Commissie, dat uitsluitend tot doel heeft het overschot van 2017, ter hoogte van 555,5 miljoen EUR, in de begroting op te nemen, overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, en neemt kennis van het standpunt van de Raad hierover;

2.  herinnert eraan dat de lage onderbesteding bij de betalingen aan het eind van het jaar 2017 alleen mogelijk is gemaakt door de goedkeuring van gewijzigde begroting nr. 6/2017, waardoor de betalingskredieten met 7 719,7 miljoen EUR zijn verlaagd vanwege grote vertragingen bij de uitvoering, met name in rubriek 1b "Economische, sociale en territoriale cohesie"; herinnert er verder aan dat alle gewijzigde begrotingen in 2017, ook al werden de vastleggingskredieten aanzienlijk verhoogd (bijv. 1 166,8 miljoen EUR in het kader van het Solidariteitsfonds van de EU voor Italië, 500 miljoen EUR voor het Werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren, 275 miljoen EUR voor het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling), volledig werden gefinancierd door herschikkingen van ongebruikte betalingskredieten; betreurt dat de vertragingen bij de tenuitvoerlegging en de opstelling van onnauwkeurige prognoses door de lidstaten in 2018 lijken voort te duren;

3.  wijst eens te meer op het relatief hoge niveau van de mededingingsboetes in 2017, in totaal 3 273 miljoen EUR; is van mening dat, naast een eventueel overschot als gevolg van onderbesteding, het mogelijk moet zijn om alle inkomsten die voortvloeien uit boetes of die verband houden met te late betalingen opnieuw te gebruiken in de begroting van de Unie, zonder dat de bni-bijdragen dienovereenkomstig worden verlaagd; pleit er opnieuw voor om hiertoe een speciale reserve aan te leggen in de begroting van de Unie, die geleidelijk zal worden aangevuld met alle soorten onvoorziene andere ontvangsten en die naar behoren wordt overgedragen om extra uitgavenmogelijkheden te creëren wanneer hier behoefte aan is;

4.  is verder van mening dat, gezien de dringende noodzaak om snel een antwoord te bieden op de migratieproblematiek en gezien de vertragingen bij de verlenging van de Vluchtelingenfaciliteit in Turkije, het overschot van 555,5 miljoen EUR voor 2017 een uitstekende oplossing zou kunnen zijn om de bijdrage van de Unie aan dit instrument voor 2018 te financieren zonder dat grenzen van de algemene begroting van de Unie worden bereikt;

5.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2018 goed;

6.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 2/2018 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 57 van 28.2.2018.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2018: uitbreiding van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije
PDF 123kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2018 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, afdeling III – Commissie: Uitbreiding van de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (09713/2018 – C8-0302/2018 – 2018/2072(BUD))
P8_TA(2018)0291A8-0246/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1) van de Raad, en met name artikel 18, lid 3, en artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, definitief vastgesteld op 30 november 2017(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (MFK-verordening),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2018, dat de Commissie op 23 mei 2018 heeft goedgekeurd (COM(2018)0310),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2018, vastgesteld door de Raad op 22 juni 2018 en toegezonden aan het Europees Parlement op 25 juni 2018 (09713/2018 – C8-0302/2018),

–  gezien het schrijven van de Commissie buitenlandse zaken,

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0246/2018),

A.  overwegende dat de Commissie op 14 maart 2018 haar besluit inzake de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije heeft gewijzigd en 3 miljard EUR extra (een "tweede tranche") voor de faciliteit heeft uitgetrokken, overeenkomstig de verklaring EU-Turkije van 18 maart 2016;

B.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2018 erop gericht is 500 miljoen EUR aan vastleggingskredieten aan de begroting van de Unie 2018 toe te voegen als bijdrage van de Unie 2018 aan de tweede tranche, bovenop de 50 miljoen EUR gefinancierd uit de bestaande begrotingsmiddelen voor humanitaire hulp in 2018;

C.  overwegende dat de Commissie voorstelt de overkoepelende marge voor vastleggingen, overeenkomstig artikel 14 van de MFK-verordening, te gebruiken om de 243,8 miljoen EUR te financieren die niet louter en alleen kan worden gedekt door de niet-toegewezen marge onder rubriek 4, waarvoor wordt voorgesteld om daaruit 256,2 miljoen EUR bij te dragen;

D.  overwegende dat de Commissie heeft voorgesteld om 1,45 miljard EUR extra te financieren in het kader van het ontwerp van begroting 2019 als bijdrage van de begroting van de Unie aan de faciliteit;

E.  overwegende dat het Parlement consequent zijn steun heeft betuigd aan de voortzetting van de faciliteit en tegelijkertijd, als een van de twee takken van de begrotingsautoriteit, heeft onderstreept dat het volledig moet worden betrokken bij het besluitvormingsproces inzake de uitbreiding van de faciliteit, onder andere om een herhaling van de procedure inzake de instelling ervan te voorkomen; overwegende dat tot dusverre geen onderhandelingen over de financiering van de tweede tranche van de faciliteit tussen het Parlement en de Raad hebben plaatsgevonden; overwegende dat het raadzaam zou zijn geweest de discussies over de financiering van de tweede tranche te laten plaatsvinden in het kader van de bemiddeling over de begroting 2018;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2018, zoals ingediend door de Commissie, dat uitsluitend tot doel heeft de bijdrage van de begroting van de Unie 2018 aan de faciliteit te financieren ten belope van 500 miljoen EUR aan vastleggingskredieten, alsmede van het standpunt van de Raad dienaangaande;

2.  betreurt ten stelligste de tegenstrijdigheid tussen het feit dat het Parlement niet werd betrokken bij de goedkeuring van de besluiten over de instelling en verlenging van de faciliteit enerzijds en zijn rol als begrotingsautoriteit bij de financiering van de faciliteit uit de begroting van de Unie anderzijds;

3.  betreurt het feit dat de Commissie de financiering 2018 van de faciliteit tijdens geen enkel stadium van de begrotingsprocedure 2018 heeft opgenomen in haar ontwerp van begroting van 2018; is van oordeel dat een dergelijke opneming aan beide takken van de begrotingsautoriteit de gelegenheid zou hebben geboden te discussiëren over de financiering van de gehele tweede tranche van de faciliteit, aangezien de standpunten van het Parlement en de Raad over de hoogte van de bijdrage van de begroting van de Unie uiteenlopen;

4.  dringt er met klem bij de Commissie op aan het toezicht op het gebruik van de FRT te verscherpen en regelmatig voldoende gedetailleerd verslag uit te brengen aan de begrotingsautoriteit over de verenigbaarheid van de gefinancierde acties met de onderliggende rechtsgrond in het algemeen, en in het bijzonder met de in artikel 3, lid 2, van het besluit van de Commissie tot oprichting van de FRT opgenomen lijst van acties;

5.  neemt ter kennis dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2018 vooral tot doel heeft de scholing van vluchtelingenkinderen in Turkije naadloos te laten voortduren;

6.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2018 goed;

7.  onderstreept dat dit besluit geen afbreuk doet aan zijn standpunt over het resterende deel van de financiering van de tweede tranche van de faciliteit; onderstreept het feit dat het Parlement, ongeacht de beraadslagingen van de Raad over de verlenging van de faciliteit, zijn prerogatieven tijdens de begrotingsprocedure 2019 volledig zal handhaven;

8.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 3/2018 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 57 van 28.2.2018.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.


Naar een externe EU-strategie tegen huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken
PDF 150kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 Naar een externe EU-strategie tegen huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken – volgende stadia (2017/2275(INI))
P8_TA(2018)0292A8-0187/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2017 over de uitbanning van kinderhuwelijken(1),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en met name artikel 16 daarvan, alsmede alle andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de Verenigde Naties (VN),

–  gezien artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien artikel 10, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, dat op 20 november 1989 is aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN, en zijn vier basisbeginselen nl. non-discriminatie (artikel 2), het belang van het kind (artikel 3), de mogelijkheden tot overleven, ontwikkeling en bescherming van het kind (artikel 6), en de mening van het kind (artikel 12) en gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind(2);

–  gezien artikel 16 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien het VN-Verdrag inzake huwelijkstoestemming, de minimumleeftijd voor het huwelijk en de registratie van het huwelijk,

–  gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN van 18 december 2014 en van 19 december 2016 inzake kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken,

–  gezien resolutie 29/8 van de VN-Mensenrechtenraad van 2 juli 2015 over het intensiveren van de inspanningen om kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken te voorkomen en uit te bannen, zijn resolutie 24/23 van 9 oktober 2013 over het intensiveren van de inspanningen om kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken te voorkomen en uit te bannen: uitdagingen, resultaten, beste praktijken en gebrekkige tenuitvoerlegging en zijn resolutie 35/16 van 22 juni 2017 over kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken in humanitaire situaties,

–  gezien het standpunt dat in juni 2015 in Johannesburg (Zuid-Afrika) is ingenomen door de Conferentie van de staatshoofden en regeringsleiders van de Afrikaanse Unie inzake kinderhuwelijken,

–  gezien de gezamenlijke algemene nota van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van mensen en volkeren (CADHP) en het deskundigencomité van de Afrikaanse Unie betreffende de rechten en het welzijn van het kind (ACERWC) over de uitbanning van kinderhuwelijken,

–  gezien artikel 32, artikel 37 en artikel 59, lid 4, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien het rapport van het Bevolkingsfonds van de VN (UNFPA), getiteld "Marrying Too Young – End Child Marriage", uit 2012,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder artikel 9 daarvan,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 inzake het actieplan 2016-2020 inzake gendergelijkheid,

–  gezien de conclusies van de Raad van 3 april 2017 over de bevordering en bescherming van de rechten van het kind,

–  gezien de fundamentele beginselen als vastgelegd in de mededeling van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 2016 voor een mondiale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie,

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie, die op 25 juni 2012(3)door de Raad zijn vastgesteld, gezien het actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019), dat op 20 juli 2015 door de Raad is vastgesteld(4), gezien het gezamenlijke werkdocument van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 27 juni 2017, getiteld "EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019): tussentijdse evaluatie – juni 2017" (SWD(2017)0254),

–  gezien de herziene EU-richtsnoeren voor de bevordering en de bescherming van de rechten van het kind van 6 maart 2017, getiteld 'Geen kind aan zijn lot overlaten',

–  gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling van 7 juni 2017, waarin het voornemen van de EU om de mensenrechten en gendergelijkheid in haar beleid centraal te stellen, in overeenstemming met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, wordt bevestigd,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0187/2018),

A.  overwegende dat kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken een grove schending vormen van de mensenrechten, en met name van de rechten van vrouwen, waaronder het recht op gelijke behandeling, autonomie en lichamelijke integriteit, toegang tot onderwijs en bescherming tegen uitbuiting en discriminatie, en een probleem vormen dat niet alleen in derde landen bestaat, maar ook kunnen voorkomen in sommige lidstaten; overwegende dat uitbanning van deze praktijken een van de prioriteiten is van het buitenlands beleid van de EU op het gebied van de bevordering van vrouwenrechten en mensenrechten; overwegende dat verschillende internationale handvesten en verdragen, zoals het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de optionele protocollen hierbij, het huwelijk van minderjarigen verbieden; overwegende dat kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken zeer negatieve gevolgen hebben voor de fysieke en mentale gezondheid en de persoonlijke ontwikkeling van de betrokkenen en voor de kinderen die geboren worden uit deze huwelijken, en daarmee voor de samenleving in haar geheel; overwegende dat een kinderhuwelijk een vorm van gedwongen huwelijk is, omdat kinderen per definitie niet in staat zijn om volledig, vrij en geïnformeerd met hun huwelijk of het tijdstip waarop dat voltrokken wordt in te stemmen; overwegende dat kinderen een zeer kwetsbare groep vormen;

B.  overwegende dat de EU zich ertoe heeft verbonden de rechten van het kind te beschermen en overwegende dat kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken een schending zijn van deze rechten; overwegende dat de EU zich ertoe heeft verbonden de rechten van het kind in haar externe beleid uitvoerig te beschermen en bevorderen;

C.  overwegende dat huwelijken niet juridisch mogen worden voltrokken zonder de volledige en vrije toestemming van beide partijen en dat personen die de minimumleeftijd om in het huwelijk te treden niet hebben bereikt, niet mogen trouwen;

D.  overwegende dat het kinderhuwelijk een mondiaal probleem is dat de grenzen van landen, culturen en religies overschrijdt; overwegende dat er overal ter wereld jonge meisjes trouwen, van het Midden-Oosten tot Latijns-Amerika, van Azië tot Europa en van Afrika tot Noord-Amerika; overwegende dat ook jongens het slachtoffer zijn van kinderhuwelijken, maar in veel mindere mate dan meisjes;

E.  overwegende dat tot op heden meer dan 750 miljoen vrouwen getrouwd zijn voor de leeftijd van 18 jaar, van wie 250 miljoen voor de leeftijd van 15 jaar; overwegende dat er momenteel ongeveer 40 miljoen meisjes van tussen de 15 en 19 jaar zijn die getrouwd zijn of samenwonen met hun partner; overwegende dat er elk jaar 15 miljoen meisjes trouwen voor de leeftijd van 18 jaar, van wie 4 miljoen voor de leeftijd van 15 jaar; overwegende dat ongeveer 156 miljoen jongens ook getrouwd zijn voor de leeftijd van 18 jaar, van wie 25 miljoen voor de leeftijd van 15 jaar; overwegende dat kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken vaker voorkomen in arme en onderontwikkelde regio's; overwegende dat het aantal kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken stijgt naarmate de wereldbevolking groeit; overwegende dat in een recent Unicef-rapport geschat wordt dat in 2050 1,2 miljard meisjes getrouwd zullen zijn voor de leeftijd van 18 jaar; overwegende dat negen van de tien landen met het hoogste aantal kinderhuwelijken worden geclassificeerd als fragiele staat;

F.  overwegende dat kinderhuwelijken in het algemeen het gevolg zijn van armoede, gebrek aan onderwijs, diepgewortelde genderongelijkheid en -stereotypen, de perceptie dat het huwelijk "bescherming" biedt, de eer van de familie en het gebrek aan effectieve bescherming van de rechten van jongens en meisjes, alsmede schadelijke praktijken, percepties, gewoontes en discriminerende normen; overwegende dat deze factoren vaak worden verergerd door een beperkte toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs en weinig kansen op de arbeidsmarkt en worden versterkt door bepaalde diepgewortelde sociale normen voor kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken;

G.  overwegende dat kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken gepaard gaan met een hoog risico op zwangerschap op jonge leeftijd en ongewenste zwangerschap, hoge moeder- en zuigelingensterftecijfers, een geringer gebruik van anticonceptie en ongewenste zwangerschappen met verhoogde gezondheidsrisico’s, inadequate of geen toegang tot informatie over seksuele en reproductieve gezondheidszorg en meestal het einde betekenen van de schoolcarrière van meisjes; overwegende dat sommige landen zwangere meisjes en jonge moeders zelfs verbieden weer naar school te gaan; overwegende dat kinderhuwelijken ook kunnen uitmonden in dwangarbeid, slavernij en prostitutie;

H.  overwegende dat het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind wijst op het belang van maatregelen om regelmatig schoolbezoek aan te moedigen, en dat veel meisjes om een aantal redenen niet naar school gaan, o.a. omdat scholen niet goed bereikbaar of erg duur zijn; overwegende dat de consequenties van kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken voor meisjes onevenredig desastreus zijn en dat deze huwelijken levenslange consequenties hebben voor de slachtoffers en de betrokkenen zeer vaak de mogelijkheid ontnemen hun studie voort te zetten, aangezien meisjes tijdens de voorbereiding van een huwelijk of kort hierna meestal stoppen met naar school gaan; overwegende dat onderwijs, inclusief seksuele voorlichting, een efficiënt middel is om kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken te voorkomen, omdat toegang tot onderwijs en een degelijke opleiding bijdraagt tot emancipatie en arbeidskansen en de keuzevrijheid bevordert alsmede het recht op zelfbeschikking en actieve deelname aan de samenleving waardoor individuen zich kunnen onttrekken aan elke vorm van curatele die een aantasting vormt van hun rechten zonder welke de gezondheid en de economische, juridische en maatschappelijke positie van vrouwen en meisjes, maar ook de ontwikkeling van de maatschappij als geheel worden belemmerd;

I.  overwegende dat elk jaar 17 miljoen minderjarigen een kind krijgen, waardoor ze worden gedwongen verantwoordelijkheden van volwassen op zich te nemen en hun gezondheid, onderwijs en economische perspectieven in gevaar komen; overwegende dat kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken de kans vergroten dat meisjes op jonge leeftijd kinderen krijgen, waardoor zij te maken krijgen met aanzienlijke risico's en problemen tijdens hun zwangerschap en de bevalling, met name omdat zij praktisch geen toegang hebben tot medische voorzieningen, waaronder hoogwaardige gezondheidscentra, of alleen tot zeer ontoereikende, wat tot een hoog moedersterftecijfer leidt; overwegende dat er ook een hoger risico is op overdraagbare infecties, waaronder hiv; overwegende dat complicaties tijdens de zwangerschap of bij de bevalling in landen met lage en middelhoge inkomens de belangrijkste doodsoorzaak is bij meisjes in de leeftijdscategorie 15-19 jaar; overwegende dat het sterftecijfer onder baby's waarvan de moeder bij de bevalling een tiener is, ongeveer 50 % hoger ligt en dat deze baby’s een grotere kans hebben last te krijgen van problemen in de fysieke en cognitieve ontwikkeling; overwegende dat regelmatige zwangerschappen en zwangerschappen op jonge leeftijd op de langere termijn ook tot een reeks gezondheidscomplicaties kunnen leiden, en zelfs tot overlijden;

J.  overwegende dat het kinderhuwelijk, het huwelijk op jonge leeftijd en het gedwongen huwelijk een schending vormen van de rechten van het kind en een gewelddaad tegen meisjes en jongens en dat staten als zodanig een plicht hebben aantijgingen te onderzoeken, daders te vervolgen en de slachtoffers, voornamelijk meisjes en vrouwen, schadeloos te stellen; overwegende dat deze huwelijken moeten worden veroordeeld en noch op culturele noch op religieuze redenen kunnen worden gerechtvaardigd; overwegende dat door het kinderhuwelijk, het huwelijk op jonge leeftijd en het gedwongen huwelijk het risico op gendergerelateerd geweld stijgt en dat deze huwelijken vaak gepaard gaan met huiselijk geweld en seksueel, fysiek, psychologisch, emotioneel en financieel misbruik en andere praktijken die schadelijk zijn voor meisjes en vrouwen, zoals vrouwenbesnijdenis en zogeheten eerwraak, en dat het risico stijgt dat vrouwen en meisjes tijdens hun leven blootstaan aan discriminatie en op gender gebaseerd geweld;

K.  overwegende dat het aantal kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken aanzienlijk stijgt in instabiele situaties, gewapende conflicten en bij humanitaire en natuurrampen, situaties waarin er vaak geen medische en psychologische behandeling voorhanden is of een gebrekkige toegang tot onderwijs, en er vaak geen mogelijkheden zijn om in het levensonderhoud te voorzien en sociale netwerken en routines worden onderbroken; overwegende dat tijdens de recente migratiecrises sommige ouders die hun kinderen, met name dochters, tegen seksuele agressie willen beschermen of hen zien als een financiële last voor hun families, denken dat ze geen andere optie hebben dan hen voor de leeftijd van 18 jaar uit te huwelijken, omdat zij denken dat dit voor hen een manier is om aan de armoede te ontsnappen;

L.  overwegende dat gedwongen huwelijken in het Verdrag van Istanbul worden aangemerkt als vorm van geweld tegen vrouwen en dat dit verdrag verlangt dat het dwingen van een kind tot het aangaan van een huwelijk en het lokken van een kind naar het buitenland met het oogmerk dat kind te dwingen tot het aangaan van een huwelijk strafbaar worden gesteld; overwegende dat het gebrek aan toegang van slachtoffers tot juridische, medische en maatschappelijke bijstand het probleem kan verergeren; overwegende dat 11 EU-lidstaten het verdrag nog moeten ratificeren;

M.  overwegende dat kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken wegens hun aard meestal niet worden gemeld, dat deze gevallen van misbruik internationale en culturele grenzen overschrijden, en dat deze huwelijken kunnen leiden tot vormen van mensenhandel, met slavernij, uitbuiting en/of curatele tot gevolg;

N.  overwegende dat in juli 2014 de eerste Girl Summit plaatsvond in Londen, met als doel binnenlandse en internationale initiatieven op gang te brengen om binnen één generatie vrouwenbesnijdenis, kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken uit te bannen;

O.  overwegende dat het voorkomen van en reageren op alle vormen van geweld jegens meisjes en vrouwen, met inbegrip van kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, een van de doelstellingen van het Genderactieplan 2016-2020 van de EU is;

P.  overwegende dat kinderhuwelijken de ontwikkelingslanden tegen 2030 triljoenen dollars zullen kosten(5);

Q.  overwegende dat kinderhuwelijken en huwelijken op jonge leeftijd nog steeds een taboeonderwerp zijn en publiek moeten worden aangekaart om een einde te maken aan het dagelijks leed van meisjes en de aanhoudende schending van hun mensenrechten; overwegende dat dit kan worden gedaan door het werk van journalisten, kunstenaars, fotografen en activisten over het onderwerp kinderhuwelijken te steunen en te delen;

1.  merkt hierbij op dat sommige EU-lidstaten huwelijken op een leeftijd van 16 jaar toestaan als de ouders hiermee instemmen; dringt er bij de wetgevers, zowel die van de EU-lidstaten als die van derde landen, op aan de uniforme minimumleeftijd voor huwelijken vast te stellen op 18 jaar en de nodige administratieve, juridische en financiële maatregelen goed te keuren om de daadwerkelijke toepassing van deze minimumleeftijd te waarborgen, bijvoorbeeld door de registratie van huwelijken en geboorten te bevorderen en te garanderen dat meisjes toegang hebben tot institutionele ondersteuningsmechanismen, waaronder psychosociale begeleiding, beschermingsmechanismen en kansen om hun economische positie te versterken; wijst erop dat kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken als een ernstige schending van de mensenrechten en een inbreuk op de grondrechten van de betrokken minderjarigen moeten worden beschouwd, in de eerste plaats van het recht op vrijelijke toestemming en het recht op lichamelijke integriteit en geestelijke gezondheid, maar indirect ook van het recht op onderwijs en het volle genot van hun burger- en politieke rechten; veroordeelt kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken en is van mening dat elke inbreuk op deze wetgeving evenredig en doelmatig moet worden aangepakt;

2.  is van mening dat het van belang is de meervoudige oorzaken van kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken aan te pakken, waaronder schadelijke tradities, endemische armoede, conflicten, gewoonten, gevolgen van natuurrampen, stereotiepen, weinig aandacht voor gendergelijkheid en de rechten van vrouwen en meisjes, gezondheid en welzijn, gebrek aan passende onderwijs, zwakke juridische en beleidsmaatregelen met bijzondere aandacht voor kinderen uit achtergestelde gemeenschappen; dringt er in dat opzicht bij de EU en de lidstaten op aan samen te werken met de relevante VN-organen en andere partners om de aandacht te vestigen op het probleem van kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling te verwezenlijken, zich actiever in te zetten voor de bestrijding van schadelijke praktijken, zoals vrouwenbesnijdenis, en de personen die zich schuldig maken aan dergelijke handelingen ter verantwoording te roepen; steunt verhoogde financiering van de EU en de lidstaten via ontwikkelingshulpmechanismen die gendergelijkheid en onderwijs bevorderen om de toegang tot onderwijs voor meisjes en vrouwen te verbeteren en hun kansen om deel te nemen aan gemeenschapsontwikkeling en aan economisch en politiek leiderschap te vergroten om op deze manier de oorzaken van kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken aan te pakken;

3.  erkent dat een wettelijk verbod op kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken niet het einde van deze praktijken garandeert; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de handhaving van internationale verdragen, wetten en programma’s beter onderling af te stemmen en te versterken, alsmede via diplomatieke betrekkingen te zorgen voor een betere coördinatie met overheden en organisaties in derde landen, om problemen met betrekking tot kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken aan te pakken; dringt er op aan dat alles in het werk gesteld wordt om wettelijke verboden te handhaven en ze aan te vullen met een bredere reeks van wetten en beleidsmaatregelen; erkent dat hiervoor alomvattende en integrale beleidsmaatregelen, strategieën en programma's moeten worden aangenomen en uitgevoerd, met inbegrip van de afschaffing van discriminerende wettelijke bepalingen met betrekking tot het huwelijk, de vaststelling van positieve maatregelen om de positie van jonge meisjes te versterken;

4.  constateert dat genderongelijkheid, het gebrek aan respect voor meisjes en vrouwen in het algemeen en het vasthouden aan culturele en sociale tradities die de discriminatie van meisjes en vrouwen bestendigen een van de grootste obstakels is bij de bestrijding van kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken; erkent verder het verband tussen kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken enerzijds en eerwraak anderzijds en roept op dergelijke misdaden naar behoren te onderzoeken en de beschuldigden te vervolgen; merkt daarnaast op dat jongens en jongemannen ook het slachtoffer van dergelijk geweld kunnen zijn; dringt erop aan in alle relevante EU-programma's en in de politieke dialogen van de EU met partnerlanden aandacht te besteden aan deze praktijken om voor mechanismen te zorgen om ze te bestrijden, alsmede door middel van voorlichtings- en bewustmakingsactiviteiten in partnerlanden;

5.  wijst erop dat, om in zijn algemeenheid kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken te bestrijden, het aan de Europese Unie is, als belangrijkste actor op het gebied van ontwikkelingshulp en mensenrechten, om het voortouw te nemen in samenwerking met regionale organisaties en lokale gemeenschappen; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan samen te werken met ordehandhavingsinstanties en juridische instanties in derde landen, en opleidingen en technische bijstand te bieden om te helpen met de invoering en handhaving van de wetgeving die kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken verbiedt en wetgeving, sociale normen en culturele tradities af te schaffen die een rem zetten op de rechten en vrijheden van jonge meisjes en vrouwen; roept de lidstaten op bij te dragen aan initiatieven als het Spotlight-initiatief van de EU en de VN dat erop is gericht alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes uit te bannen;

6.  verzoekt derhalve de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan om in hun respectieve nationale wetgevingen een volledig verbod op kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken op te nemen, het strafrecht toe te passen en het Verdrag van Istanbul te ratificeren; roept de lidstaten ook op samen te werken met het maatschappelijk middenveld om hun acties op dit gebied onderling af te stemmen; benadrukt het belang van adequate steun op de lange termijn voor opvanghuizen voor vrouwen en vluchtelingen en ontheemde en niet-begeleide kinderen, zodat niemand als gevolg van een gebrek aan middelen bescherming wordt geweigerd; verzoekt derhalve alle lidstaten de minimumhuwelijksleeftijd die in de wetgeving is vastgelegd ook te handhaven en toe te zien op de situatie, door naar geslacht uitgesplitste gegevens en bewijs over verwante factoren te verzamelen, zodat de omvang van het probleem beter kan worden beoordeeld; verzoekt de Commissie een Europese databank op te zetten die ook wordt gevoed met gegevens van derde landen om het verschijnsel van gedwongen huwelijken in het oog te houden;

7.  moedigt de Europese Unie aan in het kader van haar buitenlands beleid en haar ontwikkelingsbeleid een strategisch pact aan te bieden aan haar partners en daarin het volgende te eisen:

   (a) kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken voor alle partnerlanden te verbieden, alle lacunes in de wetgeving op te vullen en de wetgeving te handhaven in overeenstemming met de internationale mensenrechtennormen, onder meer door alle bepalingen te schrappen die kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken toestaan, rechtvaardigen of er aanleiding toe geven, waaronder die bepalingen die het mogelijk maken dat daders van verkrachting, seksueel misbruik, seksuele uitbuiting, ontvoering, mensenhandel of moderne vormen van slavernij vervolging en bestraffing ontlopen door met het slachtoffer te trouwen, in het bijzonder door dergelijke wetten af te schaffen of te wijzigen;
   (b) dit verbod te eerbiedigen en in de praktijk na te leven zodra de wet van kracht is geworden en alomvattende en integrale strategieën en programma's met meetbare oplopende streefdoelen op te zetten om kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken te voorkomen en uit te bannen, en dat deze naar behoren worden gefinancierd en geëvalueerd, met name door toegang te garanderen tot strafrecht- en verantwoordingsmechanismen en rechtsmiddelen;
   (c) als overheid van een partnerland duurzaam leiderschap en de politieke wil te tonen om kinderhuwelijken uit te bannen en alomvattende juridische kaders en actieplannen te ontwikkelen met duidelijke mijlpalen en tijdpaden, waarin maatregelen ter preventie van kinderhuwelijken in verschillende sectoren worden geïntegreerd en aan te dringen op de bevordering van een politieke, economische, sociale, culturele en civiele context waarin vrouwen en meisjes worden beschermd, hun positie wordt versterkt en gendergelijkheid wordt bevorderd;
   (d) de middelen te mobiliseren die nodig zijn voor de verwezenlijking van deze doelstelling, er daarbij zorg voor dragend dat deze samenwerking wordt opengesteld voor alle institutionele actoren, zoals beroepsbeoefenaars in de justitiële en onderwijssector en in de gezondheidszorg, ordehandhavingsinstanties en gemeenschaps- en religieuze leiders en maatschappelijke organisaties die over de nodig expertise beschikken waar het gaat om de bestrijding van kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken;
   (e) het niveau van ontwikkelingshulp dat aan overheidsinstanties wordt toegewezen te laten afhangen van de toezegging van het ontvangende land om zich met name te houden aan de mensenrechtennormen die gehanteerd worden bij de bestrijding van kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken;
   (f) gebruik te maken van het Unfpa, alsmede het VN-Kinderfonds (Unicef) in een driehoekssamenwerking van genoemde organisaties, de Europese Unie, haar lidstaten en hun maatschappelijke organisaties die op dit terrein actief zijn en de partnerlanden bij de bestrijding van kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken door middel van de uitvoering van gebudgetteerde nationale actieplannen, en daarbij met name gebruik te maken van programma's en methodes waarmee de culturele, religieuze en stammentradities kunnen worden doorbroken die, in werkelijkheid, vooral een aanslag vormen op de rechten van het kind en de waardigheid van kinderen; dringt er op aan dat in dit verband ook aanverwante zaken als eerwraak worden aangepakt;
   (g) zich bij de tenuitvoerlegging van genoemde programma's te baseren op de verdragen en de bijlagen daarbij, alsmede de specifieke doelstellingen en streefwaarden die zijn vastgelegd in de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 25 september 2015 in het kader van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen van duurzame ontwikkeling, en met name duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 3 ("Een goede gezondheid verzekeren en welzijn voor alle leeftijden bevorderen"), duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 4 ("Gelijke toegang tot inclusief, gelijkwaardig en kwalitatief onderwijs verzekeren en kansen voor levenslang leren voor iedereen bevorderen"), duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 16 ("Vreedzame en inclusieve samenlevingen bevorderen, toegang tot justitie voor iedereen en op alle niveaus doeltreffende, verantwoordelijke en inclusieve instellingen"), in het bijzonder "misbruik, uitbuiting, mensenhandel en alle vormen van geweld tegen en de marteling van kinderen uitbannen";
   (h) zich bij de tenuitvoerlegging van genoemde programma's ook te baseren op duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 5 ("Gendergelijkheid en empowerment voor alle vrouwen en meisjes bereiken"), met inbegrip van de toegang tot gezinsplanning, het hele aanbod van openbaar en universeel toegankelijke seksuele en reproductieve gezondheidszorg, met inbegrip van moderne anticonceptiemiddelen en veilige en legale zwangerschapsonderbreking voor meisjes; roept de Commissie en de lidstaten in dit verband op de SheDecides-beweging te steunen en extra financiering beschikbaar te stellen voor internationale hulp voor seksuele en reproductieve gezondheidszorg, waaronder veilige abortussen en informatie over abortussen, om tegenwicht te bieden aan de "global gag rule" die begin 2017 opnieuw werd ingevoerd door de regering van de Verenigde Staten;
   (i) kwesties met betrekking tot kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken aan de orde te stellen in de voortdurende dialoog tussen de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, Stavros Lambrinidis, en derde landen; spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan een genderperspectief op te nemen in de programma's voor vredesopbouw en de wederopbouw na conflicten, programma's op te zetten inzake levensonderhoud en onderwijs voor meisjes en vrouwen die het slachtoffer zijn van kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, en hun toegang tot medische zorg en reproductieve gezondheidszorg in door conflicten getroffen gebieden te vergemakkelijken;

8.  is van mening dat het van cruciaal belang is om ruimte te creëren voor een respectvolle dialoog met gemeenschapsleiders en dat de publieke opinie en de risicopersonen in het bijzonder bewust moet worden gemaakt met behulp van voorlichtings- en bewustmakingscampagnes en via sociale netwerken en nieuwe media om kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken te bestrijden; roept daarom op tot de ontwikkeling van transversale beleids-, juridische, maatschappelijke en diplomatieke acties die als doel hebben dergelijke praktijken te voorkomen; is van mening dat het cruciaal is om binnen lokale gemeenschappen samen te werken met belangrijke betrokkenen zoals pubers - jongens én meisjes - leraren, ouders en religieuze en gemeenschapsleiders door middel van in de gemeenschap uitgevoerde programma's of specifieke informatiecampagnes om bewustzijn te kweken omtrent de negatieve effecten van kinderhuwelijken op kinderen, families en gemeenschappen, de geldende wetgeving inzake kinderhuwelijken en genderongelijkheid en manieren om toegang te krijgen tot financiering om deze problemen aan te pakken;

9.  is van mening dat de versterking van de positie van vrouwen en meisjes door middel van onderwijs, sociale steun en economische kansen een cruciaal instrument is om deze praktijken te bestrijden; beveelt aan dat de EU gelijke rechten voor vrouwen en meisjes met betrekking tot de toegang tot onderwijs bevordert en beschermt, en hierbij in het bijzonder de nadruk te leggen op kosteloos, kwalitatief hoogwaardig basis- en middelbaar onderwijs, en voorlichting over seksuele en reproductieve gezondheid op te nemen in lesprogramma's en financiële prikkels en/of bijstand te geven aan de families van meisjes om hen te motiveren de meisjes in te schrijven op een school en ervoor te zorgen dat zij hun school afmaken; benadrukt dat de toegang van minderjarige vluchtelingen tot onderwijs moet worden gegarandeerd en dat hun integratie en opname in nationale onderwijsstelsels moeten worden bevorderd; erkent dat personen die het risico lopen op een kinderhuwelijk, huwelijk op jonge leeftijd of gedwongen huwelijk en zij die al op dergelijke wijze in het huwelijk zijn getreden, in termen van toegang tot onderwijs, psychosociale bijstand, huisvesting en andere kwalitatief hoogwaardige maatschappelijke diensten, evenals toegang tot mentale gezondheidszorg, ondersteuning en bescherming nodig hebben;

10.  verzoekt de Europese Unie ervoor te zorgen dat er opleidingen worden gegeven aan ambtenaren, inclusief hun diplomatieke stafleden, maatschappelijk werkers, religieuze en gemeenschapsleiders, aan alle ordehandhavingsdiensten, juridische instanties van derde landen, leraren en ander personeel dat in contact komt met potentiële slachtoffers, zodat zij beter in staat zijn om gevallen van jonge meisjes en jongens die worden blootgesteld aan kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, huiselijk geweld, het risico om te worden verkracht, alsmede iedere andere praktijk of aantasting van de mensenrechten en de menselijke waardigheid, te herkennen en doeltreffend op te treden om de rechten en de waardigheid van die kwetsbare personen te beschermen;

11.  verzoekt de Europese Unie ervoor te zorgen dat er opleidingen worden gegeven aan ordehandhavingsdiensten zodat zij beter in staat zijn om jonge meisjes te beschermen tegen huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, huiselijk geweld, het risico om te worden verkracht, alsmede iedere andere praktijk of aantasting van de menselijke waardigheid;

12.  verzoekt de lidstaten aan migrantenvrouwen en -meisjes een eigen verblijfsvergunning te garanderen die niet van de status van hun echtgenoot of partner afhangt, vooral voor slachtoffers van lichamelijk en geestelijk geweld met inbegrip van gedwongen of gearrangeerde huwelijken, alsmede te waarborgen dat alle administratieve maatregelen worden genomen om hen te beschermen, met inbegrip van daadwerkelijke toegang tot bijstands- en beschermingsmechanismen;

13.  roept de EU en haar lidstaten op te overwegen in derde landen beschermingsmaatregelen te ondersteunen en versterken voor slachtoffers van kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, zoals veilige opvanghuizen en toegang tot juridische, medische en – indien nodig – consulaire bijstand;

14.  is zich ervan bewust dat de Europese Unie, die hecht aan eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele waarden, waaronder de eerbiediging van de menselijke waardigheid, absoluut onberispelijk moet zijn in haar lidstaten, en verzoekt de Commissie een grootschalige bewustmakingscampagne te starten en een Europees Jaar te wijden aan de bestrijding van kinderhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken;

15.  is een groot voorstander van het werk van het wereldwijde partnerschap Girls Not Brides om kinderhuwelijken uit te bannen en meisjes de kans te geven hun potentieel te verwezenlijken;

16.  is ingenomen met de permanente campagne van de Afrikaanse Unie om kinderhuwelijken uit te bannen en met het werk van organisaties als de Royal Commonwealth Society die pleiten voor meer actie om kinderhuwelijken uit te bannen en genderongelijkheid aan te pakken;

17.  wijst erop dat aan mannen en jongens dringend informatie en onderricht moeten worden geboden over de verdediging van de mensenrechten, met name de rechten van kinderen en vrouwen;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Naties.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0379.
(2) PB C 289 van 9.8.2016, blz. 57.
(3) https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/131181.pdf
(4) https://eeas.europa.eu/sites/eeas/files/eu_action_plan_on_human_rights_and_democracy_en_2.pdf
(5) Wodon, Quentin T.; Male, Chata; Nayihouba, Kolobadia Ada; Onagoruwa, Adenike Opeoluwa; Savadogo, Aboudrahyme; Yedan, Ali; Edmeades, Jeff; Kes, Aslihan; John, Neetu; Murithi, Lydia; Steinhaus, Mara; Petroni, Suzanne, Economic Impacts of Child Marriage: Global Synthesis Report, Economic Impacts of Child Marriage, Washington, D.C., World Bank Group, 2017.


De definitie van kmo's
PDF 138kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over de definitie van kmo's (2018/2545(RSP))
P8_TA(2018)0293B8-0304/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 februari 2011 getiteld "Evaluatie van de "Small Business Act" voor Europa" (COM(2011)0078) en de desbetreffende resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2011(2),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2012 over kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's): concurrentievermogen en zakelijke kansen(3),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over familiebedrijven in Europa(4),

–  gezien het arrest van het Gerecht van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 september 2016,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2016 getiteld "De toekomstige leiders van Europa: het starters- en opschalingsinitiatief" (COM(2016)0733),

–  gezien de vraag aan de Commissie over de definitie van kmo's (O-000050/2018 – B8‑0031/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie industrie, onderzoek en energie,

–  gezien artikel 128 en artikel 123, lid 2 tot en met 8, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de 23 miljoen kmo's in de Unie, die ongeveer 99 % van alle ondernemingen uitmaken, werk bieden aan bijna twee derde van de Europese beroepsbevolking en meer dan 90 miljoen arbeidsplaatsen en een toegevoegde waarde met een omvang van 3,9 biljoen EUR creëren; overwegende dat zij een beslissende bijdrage leveren aan de economische groei, de sociale cohesie en de creatie en het behoud van duurzame en hoogwaardige banen en dat zij drijvende krachten zijn in het kader van de energietransitie, de strijd tegen de klimaatverandering en de competitiviteit van de EU op het gebied van groene technologie, alsmede een grote bron van innovatie in de EU;

B.  overwegende dat 90 % van de kmo's in de EU en 93 % van alle bedrijven in de niet‑financiële bedrijfssector in de EU micro-ondernemingen zijn, die van alle kmo's de meeste toegevoegde waarde en werkgelegenheid leveren aangezien ze werk bieden aan ongeveer 30 % van de EU-beroepsbevolking, en bijgevolg bijzondere aandacht behoeven;

C.  overwegende dat kmo's, in vergelijking met grotere ondernemingen en ongeacht hun organisatiestructuur, in onevenredige mate te lijden hebben onder administratieve lasten en financiële hindernissen, die een belemmering vormen voor hun concurrentievermogen, uitvoer en banencreatie; overwegende dat zij op EU-, nationaal, regionaal en lokaal niveau specifieke steun genieten, inclusief financieringsmogelijkheden en vereenvoudigde procedures, maar dat bijkomende inspanningen kunnen worden geleverd die verder gaan dan de reeds gedane politieke toezeggingen om een eenvoudiger, kmo-vriendelijk klimaat te creëren;

D.  overwegende dat naar de definitie van kmo's wordt verwezen in ongeveer honderd rechtshandelingen van de EU, vooral op het gebied van het mededingingsbeleid, de wetgeving betreffende de financiële markten en structuur-, onderzoeks- en innovatiemiddelen, maar ook in de wetgeving op het gebied van arbeid, milieu, energie, consumentenbescherming en sociale zekerheid, bijvoorbeeld in de secundaire REACH‑wetgeving en de energie-efficiëntierichtlijn;

E.  overwegende dat een sluitend rechtskader met duidelijke regels gunstig is voor alle ondernemingen en dat een dwingende definitie van kmo's een instrument is dat tekortkomingen van de markt en problemen die inherent zijn aan mededinging tussen ondernemingen die verschillen in omvang, eigendom en bedrijfsmodel, kan matigen;

F.  overwegende dat de Commissie regelmatig controles uitvoert van de tenuitvoerlegging van de definitie van Europese kmo; overwegende dat een aantal keer een evaluatie is uitgevoerd (in 2006, 2009 en voor het laatst in 2012), met als conclusie dat een grondige herziening van de definitie van Europese kmo niet nodig is;

G.  overwegende dat de sectoroverschrijdende waardeketen voor kmo's het mogelijk maakt institutionele, technische en bureaucratische belemmeringen te verminderen, en overwegende dat een doeltreffend ondersteunend beleid nodig is voor de totstandbrenging van netwerken tussen bedrijven;

H.  overwegende dat een definitie van kmo's het scheppen van kwaliteitsbanen moet helpen bevorderen, de arbeidsvoorwaarden en veiligheid op het werk moet helpen verbeteren en eventuele misbruiken tot een absoluut minimum moet helpen beperken;

Kmo-definitie

Activiteiten van de Commissie

1.  is ingenomen met de eerste effectbeoordeling van de Commissie en pleit ervoor dat de nadruk wordt gelegd op ondernemingen die ondersteuning en eenvoudige regels nodig hebben, met als doel de plannings- en rechtszekerheid voor kmo's te verbeteren; is in dat verband verheugd over de door de Commissie gehouden openbare raadpleging;

2.  is van oordeel dat, gezien de kenmerken van dit strategische instrument en de vele verschillen tussen kmo's en tussen lidstaten, de flexibiliteit die door de aanbeveling van 2003 wordt geboden, moet worden behouden; is ervan overtuigd dat de algemene structuur van de definitie moet worden behouden en toegepast met de correcte combinatie van de reeds geïdentificeerde criteria;

Herevaluatie van de kmo-definitie

3.  dringt er bij de Commissie op aan te voorkomen dat grotere actoren proberen kunstmatige bedrijfsstructuren op te zetten om voordeel te halen uit de kmo-definitie, hetgeen kan leiden tot een systeem waarin de beschikbare ondersteuning onjuist en ruimer wordt verspreid, zodat zij niet beschikbaar is voor behoeftige kmo's; benadrukt dat een aanpassing van de kmo-definitie altijd in het voordeel van kmo's moet zijn en ervoor moet zorgen dat zij gemakkelijker toegang hebben tot overheidssteun;

4.  verzoekt de Commissie na te denken over een actualisering van de definitie van kmo's, tevens rekening houdend met de economische prognoses van de Commissie ten aanzien van de inflatie en de arbeidsproductiviteit, om ervoor te zorgen dat de komende paar jaren niet snel een nieuwe aanpassing nodig is; is van mening dat eventuele toekomstige aanpassingen van de definitie van kmo's moeten gebeuren op een wijze die de stabiliteit op lange termijn van de definitie waarborgt;

5.  wijst erop dat het aantal werknemers uitgegroeid is tot een algemeen aanvaard criterium en het belangrijkste criterium moet blijven; erkent dat het criterium van het aantal werknemers bepaalde beperkingen vertoont met betrekking tot de nauwkeurigheid voor een vergelijking in de hele EU en is daarom van mening dat omzet en balanstotaal ook belangrijke criteria zijn in het kader van de definitie; benadrukt verder het feit dat het belangrijk is start-ups en micro-ondernemingen behoorlijk te erkennen, en dus het acroniem mkmo's;

6.  benadrukt dat het nodig is de begrippen "verbonden ondernemingen" en "partnerondernemingen" en de status van kmo's bij fusies te verduidelijken; acht het van cruciaal belang de procedures, de bureaucratie en de toepasselijke regelgeving te vereenvoudigen; verzoekt de Commissie in dit verband de toepasselijke regelgeving verder te vereenvoudigen; is van mening dat, als start-ups samenwerken met joint ventures, ondernemingen die aan de joint ventures gekoppeld zijn, niet in aanmerking mogen worden genomen bij de beoordeling van de kmo-status van de start-up, mits er geen sprake is van een kunstmatige constructie en er geen verdere banden zijn tussen de start-up en de aangekoppelde ondernemingen;

7.  verzoekt de Commissie het samenvoegen van ondernemingen te ondersteunen, met name clusters en bedrijfsnetwerken, teneinde de rationalisering van de kosten te bevorderen en de uitwisseling van kennis en deskundigheid te verbeteren, met name wat betreft innovatie met betrekking tot zowel producten/diensten als processen;

Verdere punten met betrekking tot de kmo-definitie

8.  spreekt zijn steun uit voor het starters- en opschalingsinitiatief van de Commissie; acht het stimuleren van ondernemerschap belangrijk voor de economische groei in de Unie; is ingenomen met de overgangsperiode van twee jaar gedurende welke bijvoorbeeld snelgroeiende ondernemingen hun kmo-status zouden behouden; verzoekt om een evaluatie van de noodzaak om de overgangsperiode te verlengen; verzoekt de Commissie te blijven werken aan de ondersteuning van ondernemers, start-ups en kmo's met betrekking tot fondsenwerving, inclusief nieuwe initiatieven als crowdfunding;

9.  is van oordeel dat door de instrumenten van de economische diplomatie op EU-niveau, zoals de missies voor groei, de economische uitdagingen en kansen op globaal niveau beter aangegaan en benut kunnen worden; verzoekt de Commissie haar inspanningen op dit gebied te intensiveren in het kader van de EU-strategie voor het industriebeleid, zonder dubbele structuren te creëren; dringt er in verband hiermee op aan een indicator "exportpotentieel in verhouding tot de ondernemingsgrootte" te ontwikkelen om de informatieverstrekking en voorbeelden van beste praktijken te verbeteren met betrekking tot mogelijkheden op het gebied van internationalisering en het internationale concurrentievermogen van kmo's, en kmo's met een groot exportpotentieel bijzondere ondersteuning te bieden;

10.  maakt zich zorgen over het feit dat midcaps (ondernemingen die niet meer onder de definitie van kmo's vallen, maar gewoonlijk nog steeds een middelgrote structuur hebben), ondanks de grote bijdrage die zij leveren aan de werkgelegenheid en de groei dankzij hun productiviteit, geen passende aandacht krijgen van de beleidsmakers; dringt er daarom bij de Commissie op aan te overwegen een afzonderlijke definitie van deze ondernemingen vast te stellen, met als doel gerichte maatregelen voor midcaps mogelijk te maken zonder het risico te lopen dat de definitie van kmo's in die mate wordt uitgebreid dat de oorspronkelijke doelstellingen van de definitie hieronder lijden;

11.  stelt vast dat naast kmo's, freelancers en grote ondernemingen ook midcaps bijdragen tot werkgelegenheid en groei, met name dankzij hun productiviteit, zodat zij recht hebben op voldoende aandacht in het kader van het EU-beleid;

12.  verzoekt de Commissie, naast het geven van prioriteit aan maatregelen voor Europese kmo's, de lancering van een initiatief te onderzoeken voor financiering die betrekking zou hebben op de toegang tot onderzoekssamenwerking, digitaliseringsstrategieën en de ontsluiting van exportmarkten;

Rapportageverplichtingen, statistieken, studies en impactbeoordelingen

13.  is van mening dat de toekomstige programma's van COSME, het KP9 en de structuurfondsen in het kader van het volgende MFK voldoende middelen zullen blijven toewijzen voor de ondersteuning van kmo's die willen innoveren en banen creëren;

14.  onderstreept dat het in de context van de lopende onderhandelingen over de uittreding van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie belangrijk is een duidelijke en gemeenschappelijke definitie van kmo's te behouden, aangezien kmo's in het EU-recht worden omschreven en vaak een bijzondere status toegekend krijgen in de handelsovereenkomsten van de Unie;

15.  verzoekt de Commissie de mogelijke gevolgen van de kmo-definitie voor de economische groei en lock‑ineffecten grondig te onderzoeken, die zich zo manifesteren dat ondernemingen vrijwillig afzien van groei om de bureaucratische lasten en overige verplichtingen te vermijden die het gevolg zijn van het verlies van hun kmo-status;

16.  benadrukt dat kleine, plaatselijke openbaredienstverleningsbedrijven die aan de kmo-criteria voldoen, belangrijke taken vervullen voor plaatselijke gemeenschappen en diep geworteld zijn in hun lokale ondernemingsomgeving en onder meer bijdragen aan de groeimogelijkheden van alle andere kmo's; merkt op dat een zich in overheidseigendom bevindende onderneming niet automatisch financiële of regelgevende ondersteuning ontvangt van de overheidsinstantie als gevolg van de nationale wetgeving, de regelgeving inzake overheidssteun of financieel zwakke overheidsinstanties; moedigt de Commissie er daarom toe aan een studie uit te voeren over de gevolgen van de definitie voor overheidsbedrijven die financieel onafhankelijk zijn, georganiseerd zijn overeenkomstig het privaatrecht of concurreren met privébedrijven;

17.  verzoekt de Commissie te onderzoeken in hoeverre sectorale kmo-definities uitvoerbaar zijn, en daarbij de effecten en meerwaarde te onderzoeken die dit voor deze bedrijfstakken zou opleveren;

18.  vraagt dat de kmo-impacttest waarmee het "denk eerst klein"-principe wordt toegepast, verplicht wordt gesteld voor alle EU-wetgevingsvoorstellen, bovenop de toezeggingen van de Commissie; benadrukt dat het resultaat van deze test duidelijk te zien moet zijn in de effectbeoordeling van alle wetgevingsvoorstellen; vraagt om een dienovereenkomstige verplichting voor de Commissie in de volgende interinstitutionele overeenkomst inzake betere regelgeving en is van mening dat een actualisering van de "Small Business Act" voor Europa moet worden overwogen;

Richtsnoeren voor kmo's met betrekking tot de definitie

19.  verzoekt de lidstaten en de Commissie ondernemingen bij het bepalen van de kmo-status tijdig en optimaal richtsnoeren ter beschikking te stellen, evenals informatie over eventuele wijzigingen van de kmo-definitie of -procedures;

o
o   o

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.
(2) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 102.
(3) PB C 68 E van 7.3.2014, blz. 40.
(4) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 57.


Onderhandelingen over de brede overeenkomst tussen de EU en Azerbeidzjan
PDF 163kWORD 58k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 4 juli 2018 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de onderhandelingen voor een brede overeenkomst tussen de EU en Azerbeidzjan (2017/2056(INI))
P8_TA(2018)0294A8-0185/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3 en 8, en gezien Titel V, met name de artikelen 21, 22 en 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, evenals deel vijf van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de start van de onderhandelingen over een nieuwe brede overeenkomst tussen de Europese Unie en Azerbeidzjan op 7 februari 2017, die de overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds, van 1999 moet vervangen(1),

–  gezien de goedkeuring door de Raad van de onderhandelingsrichtsnoeren voor deze overeenkomst op 7 november 2016,

–  gezien het memorandum van overeenstemming inzake een strategisch partnerschap tussen de EU en Azerbeidzjan inzake energie van 7 november 2006,

–  gezien de belangrijkste resultaten van de 15e bijeenkomst van de Samenwerkingsraad tussen de Europese Unie en Azerbeidzjan op 9 februari 2018,

–  gezien het verslag van de Commissie van 19 december 2017 over de betrekkingen tussen de EU en Azerbeidzjan in het kader van het herziene ENB (SWD(2017)0485),

–  gezien de boodschap van het bureau van de Parlementaire Vergadering Euronest aan de staatshoofden en regeringsleiders van 30 oktober 2017,

–  gezien zijn aanbeveling van 15 november 2017 aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over het Oostelijk Partnerschap, in aanloop naar de top in november 2017(2),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over het jaarverslag over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(3),

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de topbijeenkomsten van het Oostelijke Partnerschap, waaronder die van 24 november 2017,

–  gezien de publicatie van de Commissie en EDEO van juni 2016 over de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie en met name de daarin opgenomen voornaamste beginselen,

–  gezien de resolutie van 15 juni 2017 over de zaak van de Azerbeidzjaanse journalist Afgan Mukhtarli(4), en andere resoluties over Azerbeidzjan, met name die over de mensenrechtensituatie en de rechtsstaat,

–  gezien de verklaring van 14 januari 2018 van de woordvoerder voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/Europees nabuurschapsbeleid en uitbreidingsonderhandelingen over de veroordeling van de journalist Afgan Mukhtarli in Azerbeidzjan,

–  gezien de resolutie van 11 oktober 2017 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de werking van de democratische instellingen in Azerbeidzjan,

–  gezien de inleiding van een inbreukprocedure op 5 december 2017 door het Comité van Ministers van de Raad van Europa in verband met de aanhoudende weigering van de Azerbeidzjaanse autoriteiten om de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Ilgar Mammadov tegen Azerbeidzjan ten uitvoer te leggen,

–  gezien het verslag van de missie ter inventarisatie van de behoeften van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR) van 2 maart 2018 over de vervroegde presidentsverkiezingen in Azerbeidzjan,

–  gezien artikel 108, lid 4, en artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie internationale handel (A8-0185/2018),

A.  overwegende dat het Oostelijk Partnerschap (EaP) is gebaseerd op een gedeelde verbintenis van Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Georgië, Moldavië, Oekraïne en de Europese Unie om hun betrekkingen te verdiepen en het internationale recht en kernwaarden te respecteren, waaronder democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; overwegende dat de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Azerbeidzjan de belangen van de Unie in de regio moet begunstigen en tegelijkertijd de waarden van de Unie moet bevorderen;

B.  overwegende dat het Parlement voorstander is van het verdiepen van de betrekkingen met alle leden van het Oostelijk Partnerschap voor zover zij deze kernwaarden eerbiedigen; overwegende dat binnen het EaP-beleid, het aantrekkelijke "EaP+"-model op langere termijn dat door het Parlement is voorgesteld in zijn resolutie van 15 november 2017 over het Oostelijk Partnerschap en dat uiteindelijk zou kunnen leiden tot toetreding van deze landen tot de douane-unie, de energie-unie, de digitale unie en de Schengenzone, ook zou moeten worden opengesteld voor landen die geen associatieovereenkomst met de EU hebben – zoals Azerbeidzjan – zodra zij klaar zijn voor dergelijke extra verplichtingen en aanzienlijke vorderingen hebben geboekt bij het uitvoeren van onderling overeengekomen hervormingen;

C.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Azerbeidzjan momenteel worden geregeld door de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst van 1999; overwegende dat de EU de grootste handelspartner van Azerbeidzjan is en de grootste uitvoer- en invoermarkt vormt die goed is voor 48,6 % van de totale handel van Azerbeidzjan, en dat de EU tevens de grootste bron van buitenlandse directe investeringen is; overwegende dat Azerbeidzjan een strategische energiepartner voor de EU is, die het mogelijk maakt de energiebronnen van de EU te diversifiëren; overwegende evenwel dat de economie van Azerbeidzjan afhankelijk is van olie en gas die ongeveer 90 % van de uitvoer voor hun rekening nemen, waardoor de economie kwetsbaar is voor schokken van buitenaf en schommelingen in de olieprijzen op de wereldmarkt; overwegende dat Azerbeidzjan nog geen lid van de WTO is, hetgeen ernstige tarifaire en non-tarifaire belemmeringen veroorzaakt die de zakelijke en handelsbetrekkingen met de EU belemmeren;

D.  overwegende dat de EU en Azerbeidzjan in de gezamenlijke verklaring van de top van het Oostelijk Partnerschap van 24 november 2017 hebben onderstreept dat "de EU op gedifferentieerde wijze, in samenspraak met elk van de partnerlanden, waaronder Armenië, Azerbeidzjan en Belarus, aantrekkelijke en realistische opties [zal] blijven bespreken om wederzijdse handel te versterken en investeringen aan te moedigen, daarbij rekening houdend met gezamenlijke belangen, het op het stuk van bescherming van investeringen hervormde investeringsbeleid, internationale handelsvoorschriften en handelsgerelateerde internationale normen, mede op het gebied van intellectuele eigendom, en aldus bijdragen tot de modernisering en diversificatie van de economieën";

E.  overwegende dat de nieuwe overeenkomst naar verwachting positieve gevolgen zal hebben voor Azerbeidzjan wat de bevordering van democratische normen, groei en economische ontwikkeling betreft; overwegende dat dergelijke vooruitzichten van bijzonder belang zijn voor de Azerbeidzjaanse jongeren met het oog op het stimuleren van een nieuwe generatie opgeleide Azerbeidzjanen, om onze kernwaarden hoog te houden en het land te moderniseren; overwegende dat een volledig functionerend maatschappelijk middenveld een cruciale voorwaarde is voor de verwezenlijking van economische diversificatie;

1.  beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid het volgende aan:

Algemene beginselen, kernwaarden en toezegging om het conflict op te lossen

Politieke dialoog en regionale samenwerking

De rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden

Handel en economische samenwerking

Energie en andere samenwerkingsgebieden

Institutionele bepalingen

   a) ervoor te zorgen dat de betrekkingen tussen de EU en Azerbeidzjan afhankelijk worden gemaakt van de handhaving en eerbiediging van de kernwaarden en beginselen van de democratie, de rechtsstaat, goed bestuur, de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting en vereniging, de rechten van minderheden, en gendergelijkheid in het belang van beide partijen en vooral van hun burgers;
   b) de Azerbeidzjaanse autoriteiten te herinneren aan het standpunt dat het Parlement in zijn aanbeveling van 15 november 2017 over het Oostelijk Partnerschap heeft ingenomen waarin Azerbeidzjaan ertoe wordt opgeroepen zijn internationale verplichtingen na te komen en ondubbelzinnig wordt verklaard dat er geen brede overeenkomst zal worden geratificeerd met een land dat de fundamentele waarden en rechten van de EU niet eerbiedigt, met name door besluiten van het EHRM niet ten uitvoer te leggen en door mensenrechtenactivisten, ngo's, oppositieleden, juristen, journalisten en milieuactivisten te treiteren, te intimideren en te vervolgen; ervoor te zorgen dat alle politieke gevangenen en gewetensgevangenen in Azerbeidzjan worden vrijgelaten, zoals aangekondigd door de zijn autoriteiten, voordat een nieuwe overeenkomst tussen EU-Azerbeidzjan wordt gesloten; er zorg voor te dragen dat in de nieuwe overeenkomst een speciaal opschortingsmechanisme wordt opgenomen met duidelijke bepalingen inzake de eerbiediging van de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;
   c) de Azerbeidzjaanse autoriteiten te herinneren aan het standpunt van het Parlement dat het in diezelfde aanbeveling heeft ingenomen, namelijk dat de ratificatie van nieuwe overeenkomsten tussen de EU en elk van de partijen die betrokken zijn bij het conflict over Nagorno-Karabach afhankelijk moet worden gemaakt van wezenlijke afspraken en aanzienlijke voortgang bij de vreedzame oplossing van het conflict, bijvoorbeeld door het staakt-het-vuren te handhaven en de tenuitvoerlegging van de OVSE-basisbeginselen van 2009 en de inspanningen van de covoorzitters van de Minsk-groep van de OVSE te ondersteunen; andermaal te wijzen op de noodzaak zowel het Armeense als het Azerbeidzjaanse middenveld bij elk onderhandelingsproces te betrekken;
   d) ervoor te zorgen dat de toekomstige overeenkomst met Azerbeidzjan ambitieus, alomvattend en toekomstgericht is, strookt met de ambities van zowel de EU als Azerbeidzjan op basis van gedeelde waarden en belangen, aansluit bij de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en voor beide partijen tastbare en concrete voordelen oplevert, niet alleen voor grote ondernemingen, maar ook met inachtneming van de specifieke kenmerken van kmo's, en voor de burgers van de EU en die van Azerbeidzjan;
   e) te waarborgen dat de onderhandelingen snel en bestendig vooruitgaan met als doel deze nieuwe overeenkomst te ondertekenen vóór de volgende top van het Oostelijk Partnerschap in 2019, voor zover aan de bovenstaande voorwaarden is voldaan;
   f) actief en duidelijk te communiceren over de doelstellingen en voorwaardelijkheid van de nieuwe overeenkomst en het lopende onderhandelingsproces teneinde de transparantie en bewustmaking van de bevolking te vergroten, zowel in Azerbeidzjan als in de EU, over de verwachte kansen en voordelen die zouden voortvloeien uit de sluiting van deze overeenkomst, en aldus alle desinformatiecampagnes tegen te gaan;
   g) te voorzien in een regelmatige en diepgaande politieke dialoog teneinde sterke hervormingen te bevorderen die zijn gericht op het schragen van de instellingen en het versterken van de scheiding der machten tussen deze instellingen om deze democratischer en onafhankelijker te maken, de mensenrechten en mediavrijheid te handhaven en een regelgevingskader te creëren waarin het maatschappelijk middenveld zonder onrechtmatige inmenging kan functioneren, ook in het kader van het hervormingsproces;
   h) specifieke maatregelen op te stellen teneinde de aanbevelingen van het OVSE/ODIHR en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa ten uitvoer te leggen met het oog op het boeken van vooruitgang inzake inclusieve, competitieve en transparante verkiezingen en referenda die garanderen dat de burgers van Azerbeidzjan hun standpunten en ambities vrij en eerlijk kunnen uitdrukken;
   i) de voorlopige conclusies van de OVSE en de verkiezingswaarnemingsmissie van de Raad van Europa over de vervroegde presidentsverkiezingen op 11 april 2018 volledig te ondersteunen volgens welke het bij de "verkiezingen ontbrak aan daadwerkelijke concurrentie" ten gevolge van het "restrictieve politieke klimaat", "een rechtskader waarmee de grondrechten en fundamentele vrijheden worden beknot", "het ontbreken van pluralisme, ook in de media", "wijdverbreide veronachtzaming van verplichte procedures, het ontbreken van transparantie en talrijke ernstige onregelmatigheden, zoals het vullen van stembussen met valse stembiljetten";
   j) te streven naar bepalingen waarmee de samenwerking bij het bevorderen van vrede en internationale gerechtigheid wordt vergroot, en met name erop aan te dringen dat Azerbeidzjan voldoet aan zijn internationale verplichtingen, ook als lid van de Raad van Europa, en zich houdt aan de besluiten van het EHRM; Azerbeidzjan ertoe aan te sporen het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (CCI) te ondertekenen en te ratificeren; eveneens te streven naar sterke samenwerkingsmaatregelen bij het tegengaan van de verspreiding van massavernietigingswapens en de aanpak van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens;
   k) te voorzien in nauwere samenwerking op het gebied van buitenlandse zaken, defensie en veiligheid om te zorgen voor zoveel mogelijk convergentie, met name wat betreft de reactie op wereldwijde dreigingen en uitdagingen, ook door terrorisme, conflictpreventie, crisisbeheer en regionale samenwerking waarbij tevens rekening moet worden gehouden met het gediversifieerde buitenlandse beleid van Azerbeidzjan; steun te verlenen aan de ondertekening van een kaderdeelnemingsovereenkomst tussen de EU en Azerbeidzjan om te zorgen voor een wettelijke en politieke basis voor samenwerking bij missies en operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);
   l) te waarborgen dat hoge prioriteit wordt gegeven aan de dialoog tussen Azerbeidzjan en Armenië en aan een sterkere EU-deelname aan een vreedzame oplossing van het conflict over Nagorno-Karabach, in overeenstemming met de OVSE-basisbeginselen van 2009 en met name met de steun van de covoorzitters van de Minsk-groep van de OVSE, waarbij alle initiatieven worden bevorderd die de vredesopbouw ondersteunen, zoals inachtneming van het staakt-het-vuren door alle partijen, dialoog op alle niveaus, ook gesprekken op het hoogste niveau, het bestrijden van haatzaaiende uitlatingen, echte vertrouwenwekkende maatregelen, een aanzienlijke toename van internationale waarnemers van de OVSE en diepgaandere uitwisselingen tussen het Armeense en het Azerbeidzjaanse maatschappelijk middenveld, ook tussen religieuze en culturele persoonlijkheden, teneinde de Armeense en Azerbeidzjaanse samenlevingen voor te bereiden op een vreedzame co-existentie; ernstig verontrusting te uiten over de militaire opbouw en de onevenredige defensie-uitgaven in de regio;
   m) te voorzien in specifieke bepalingen om de autoriteiten te steunen bij hun belangrijke inspanningen om het grote aantal vluchtelingen en binnenlands ontheemden te helpen en om burgers te steunen die wonen in conflictzones binnen de internationaal erkende grenzen van Azerbeidzjan; erop aan te dringen dat de rechten van alle personen die tijdelijk of permanent binnen de grenzen van Azerbeidzjan wonen, worden geëerbiedigd; in het bijzonder bij te dragen aan de eerbiediging van hun recht om terug te keren naar hun huis en eigendom en een vergoeding te ontvangen door alle partijen bij het conflict in overeenstemming met de uitspraken van het EHRM;
   n) steun te verlenen aan de hervorming van het rechtswezen opdat zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende macht gegarandeerd wordt en de rechtsstaat wordt versterkt; vooral de onafhankelijkheid van rechtsbeoefenaars te waarborgen door een einde te maken aan iedere vorm van ongeoorloofde bemoeienis met de werkzaamheden van advocaten, onafhankelijke advocaten in staat te stellen hun cliënten te verdedigen bij notariële volmacht en een einde te maken aan de arbitraire bevoegdheden van de Azerbeidzjaanse balie om advocaten te royeren en te weigeren nieuwe leden tot de balie toe te laten;
   o) tevens steun te verlenen voor de ontwikkeling van een sterk kader voor de bescherming van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en gendergelijkheid; erop te wijzen dat het belangrijk is dat vrouwen op alle niveaus van het overheidsbestuur zijn vertegenwoordigd, met inbegrip van hun gelijke, volwaardige en actieve deelname aan de preventie en beslechting van conflicten, en bij Azerbeidzjan aan te dringen op de ondertekening van het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld;
   p) specifieke bepalingen op te nemen om Azerbeidzjan te steunen bij de bestrijding van economische criminaliteit, waaronder corruptie, witwassen en belastingontduiking; meer transparantie te bevorderen ten aanzien van de uiteindelijke begunstigden van vennootschappen en trusts, alsmede ten aanzien van de financiële activiteiten van grote ondernemingen met betrekking tot de gemaakte winst en de betaalde belastingen; onderzoek naar witwasoperaties, met name de "Laundromat-zaak", te ondersteunen en specifieke toezichts- en controlemechanismen in te voeren, zoals beperkte toegang tot het Europese bankwezen voor degenen die bij het witwas- en fraudeoperaties betrokken zijn;
   q) meer samenwerking mogelijk te maken en Azerbeidzjan te ondersteunen bij de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad en cybercriminaliteit en bij de preventie van radicalisering en grensoverschrijdende criminaliteit; samen te werken, vooral bij de bestrijding van ronselacties door terroristische organisaties;
   r) bepalingen op te nemen inzake de tenuitvoerlegging van het strafrecht in Azerbeidzjan in verband met de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, gericht op het stopzetten van politieke vervolgingen en ontvoeringen, willekeurige reisverboden, het op de korrel nemen van politieke dissidenten, mede via laster, en van onafhankelijke journalisten, mensenrechtenverdedigers, vertegenwoordigers van ngo's en de kwetsbaarste leden van de maatschappij, zoals leden van bepaalde minderheidsgroepen waaronder de LGBTQ-gemeenschap; ervoor te zorgen dat in de overeenkomst speciaal naar deze groepen wordt verwezen; te herhalen dat deze praktijken onaanvaardbaar zijn voor een potentieel partnerland van de EU; een krachtiger forum op te zetten voor een effectieve en resultaatgerichte mensenrechtendialoog tussen de EU en Azerbeidzjan in overleg met de voornaamste internationale en daadwerkelijk onafhankelijke Azerbeidzjaanse ngo's waarvoor elk jaar aan de hand van concrete benchmarks de vooruitgang moet worden beoordeeld;
   s) aan te dringen op de goedkeuring van desbetreffende wetswijzigingen om de legitieme activiteiten van het maatschappelijk middenveld mogelijk te maken, alsmede de beëindiging van onrechtmatige beperkingen van hun registratievoorschriften, operaties en de toegang tot buitenlandse middelen en subsidies, en een eind te maken aan ongepaste strafrechtelijke onderzoeken, onnodige verslaglegging aan diverse regeringsinstanties, invallen in kantoren, de bevriezing van rekeningen, reisverboden en de vervolging van ngo-leiders;
   t) te waarborgen dat Azerbeidzjan, voordat de onderhandelingen zijn afgerond, zijn politieke gevangenen en gewetensgevangenen vrijlaat, onder wie, als meest emblematische gevallen, Ilgar Mammadov, Afgan Mukhtarli, Mehman Huseynov, Ilkin Rustamzada, Seymur Haziyev, Rashad Ramazanov, Elchin Ismayilli, Giyas Ibrahimov, Beyram Mammadov, Asif Yusifli en Fuad Gahramanli, en dat het land na hun vrijlating hun reisverboden opheft, ook die van de journaliste Khadija Ismayilova en de advocaat Intigam Aliyev, en de besluiten van het EHRM volledig ten uitvoering legt, met name voor Ilgar Mammadov; te zorgen voor de vrijlating en verbetering van de situatie van deze mensen, inclusief hun terugkeer en die van hun gezinnen via het gerechtelijk apparaat en de toepassing van de rechtsregels, en de Azerbeidzjaanse dissidenten in de EU te beschermen; te veroordelen dat, in tegenspraak met de aankondigingen van de Azerbeidzjaanse autoriteiten, geen van de bovengenoemde politieke gevangenen werd vrijgelaten, en dat er opnieuw personen gevangen zijn gezet wegens het vreedzaam uitoefenen van hun grondwettelijke rechten, onder wie leden van oppositiepartijen en de mensenrechtenadvocaat Emin Aslan; te eisen dat de administratieve hechtenis van mensenrechtenadvocaat Emin Aslan onmiddellijk wordt opgeheven en dat hij volledig wordt gezuiverd van de dubieuze beschuldiging van "ongehoorzaamheid aan de politie"; te waarborgen dat Azerbeidzjan een einde maakt aan de praktijk van administratieve hechtenis als middel om critici van de regering het zwijgen op te leggen;
   u) ervoor te zorgen dat Azerbeidzjan het recht op vrijheid van vreedzame vergadering eerbiedigt, dat recht niet inperkt op manieren die onverenigbaar zijn met de verplichtingen van het land uit hoofde van het internationaal recht, met inbegrip van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), en alle gevallen van het gebruik van buitensporig geweld, willekeurige arrestatie en onrechtmatige inhechtenisneming van vreedzame manifestanten, onder meer in verband met de gesanctioneerde bijeenkomsten van de oppositie in september 2017 en maart 2018, onverwijld en effectief onderzoekt en de daders voor de rechter brengt;
   v) er, voordat de onderhandelingen worden afgerond, naar te streven dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten toezeggen het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing toe te passen en alle gevallen van mishandeling van politieke gevangenen en gewetensgevangenen daadwerkelijk te onderzoeken, met name het geval van wijlen Mehman Galandarov die in gevangenschap in Azerbeidzjan is overleden, en van leden van de LGBTQ-gemeenschap, die in september 2017 massaal werden lastiggevallen en aangehouden;
   w) de bezorgdheid van de EU te benadrukken over de huidige staat van de persvrijheid in Azerbeidzjan, dat op de wereldindex voor persvrijheid 2018 van Verslaggevers zonder grenzen op de 163e plaats onder 180 landen staat; het belang van vrije en onafhankelijke media, zowel off- als online, te onderstrepen en te zorgen voor versterkte EU-steun, zowel op politiek als op financieel gebied, aan vrije en pluralistische media in Azerbeidzjan, met redactionele onafhankelijkheid ten opzichte van dominante politieke en oligarchische groeperingen en in overeenstemming met de normen van de EU; de autoriteiten te verzoeken de toegang te deblokkeren tot websites van Azadliq en van de drie nieuwsbronnen die vanuit het buitenland moeten opereren: Radio Free Europe/Radio Liberty (RFE/RL) Azerbaijan Service, Meydan TV en Azerbaycan Saati;
   x) billijke en ambitieuze bepalingen over handel en investeringen op te nemen, voor zover dit strookt met het statuut van Azerbeidzjan als niet-lid van de WTO, die volledig overeenstemmen met de normen van de EU en deze niet ondermijnen, met name de sanitaire, fytosanitaire, milieu-, arbeids-, sociale, gendergelijkheids- en non-discriminatienormen, en die de erkenning en bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van geografische aanduidingen, vooral voor wijn en gedistilleerde dranken, waarborgen; Azerbeidzjan bij zijn toetredingsproces tot de WTO te ondersteunen;
   y) robuuste maatregelen vast te stellen die zorgen voor een snelle evolutie naar een beter bedrijfs- en investeringsklimaat in Azerbeidzjan, met name op het gebied van fiscaliteit, het beheer van de overheidsfinanciën en van openbare aanbestedingen – met een verwijzing naar de regels die zijn vastgesteld in de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten – teneinde te komen tot meer transparantie, beter bestuur en een sterkere verantwoordingsplicht, gelijke toegang en eerlijke concurrentie;
   z) nauwere samenwerking in de energiesector mogelijk te maken in overeenstemming met het strategische energiepartnerschap tussen de EU en Azerbeidzjan, en de staat van dienst van Azerbeidzjan als betrouwbare energieleverancier, maar daarbij niettemin rekening te houden met de schorsing en daaropvolgende terugtrekking van Azerbeidzjan uit het Initiatief voor transparantie in de winningsindustrie (EITI) in maart 2017 vanwege de "wijzigingen in de ngo-wetgeving van Azerbeidzjan" die niet voldeden aan de vereisten van de groep met betrekking tot het maatschappelijk middenveld; Azerbeidzjan ertoe te bewegen aan deze vereisten te voldoen teneinde zijn activiteiten in het EITI weer te kunnen hervatten;
   aa) ook de diversificatie van de Azerbeidzjaanse energiemix te ondersteunen door koolstofarme energiebronnen te bevorderen en voorbereidselen te treffen voor de koolstofarme maatschappij door de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen af te bouwen en het gebruik van hernieuwbare energie te bevorderen, mede in het belang van de energiezekerheid; de voltooiing van de zuidelijke gascorridor te ondersteunen nadat de belangrijke punten van zorg zijn aangepakt die over de klimaatverandering en de gevolgen ervan voor de plaatselijke gemeenschappen worden geuit in het besluit van de Europese Investeringsbank over de financiering van de trans-Anatolische gaspijpleiding (Tanap);
   ab) ambitieuze bepalingen inzake milieubescherming en verzachting van de klimaatverandering vast te stellen als onderdeel van de nieuwe overeenkomst, overeenkomstig de agenda van de Unie inzake klimaatverandering en de verplichtingen van beide partijen uit hoofde van de overeenkomst van Parijs, onder meer door deze beleidsmaatregelen te mainstreamen in het beleid van andere sectoren;
   ac) nieuwe vooruitzichten te bieden op intensievere samenwerking op andere gebieden dan energie, vooral op het gebied van onderwijs, gezondheid, vervoer, connectiviteit en toerisme, teneinde de Azerbeidzjaanse economie te diversifiëren, de werkgelegenheid te stimuleren, de industriële en dienstensector te moderniseren en de duurzame ontwikkeling in het bedrijfsleven en het onderzoek te stimuleren; meer persoonlijke contacten, zowel op Europees niveau als in regionale uitwisselingen met Armeense ngo's, mogelijk te maken;
   ad) de samenwerking inzake jongeren- en studentenuitwisselingen te verbeteren door bestaande en reeds succesvolle programma's zoals het netwerk "Young European Neighbours" te versterken en nieuwe beursprogramma's en opleidingscursussen te ontwikkelen, evenals de deelname aan programma's voor hoger onderwijs, met name het ERASMUS+-programma, te vergemakkelijken, hetgeen de ontwikkeling van vaardigheden, ook taalvaardigheden, bevordert en de Azerbeidzjanen in staat zal stellen kennis te maken met de EU en haar waarden;
   ae) de economische groei ook te bevorderen met behulp van vervoer en connectiviteit; het trans-Europees vervoersnet (TEN‑V) uit te breiden naar Azerbeidzjan;
   af) overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van de top van het Oostelijk Partnerschap van 2017 "te zijner tijd, voor zover de omstandigheden dat toelaten, de opening van een dialoog over visumliberalisering met, respectievelijk, Armenië en Azerbeidzjan in overweging te nemen, mits de voorwaarden voor een goed beheerde en veilige mobiliteit, waaronder de daadwerkelijke uitvoering van de visumversoepelingsovereenkomst en de overnameovereenkomsten tussen de partijen, vervuld zijn.
   ag) ervoor te zorgen dat de overeenkomst een robuuste parlementaire dimensie heeft, aan de hand waarvan de huidige bepalingen en mechanismen voor samenwerking worden versterkt zodat een grotere inbreng in en controle op de tenuitvoerlegging mogelijk wordt gemaakt, met name door de oprichting van een verbeterde interparlementaire structuur om zo een regelmatige en constructieve dialoog tussen het Europees Parlement en het parlement van Azerbeidzjan mogelijk te maken over alle aspecten van onze betrekkingen, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van overeenkomsten;
   ah) de onderhandelingen zo transparant mogelijk te voeren; het Parlement van alle stadia van de onderhandelingen op de hoogte te houden, overeenkomstig artikel 218, lid 10, VWEU dat bepaalt dat "het Europees Parlement [...] in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle [wordt] geïnformeerd"; het Parlement eveneens de onderhandelingsteksten en notulen van elke onderhandelingsronde te verstrekken; de Raad eraan te herinneren dat het Hof van Justitie van de Europese Unie reeds besluiten van de Raad inzake de ondertekening en sluiting van verschillende overeenkomsten heeft vernietigd wegens inbreuken op artikel 218, lid 10, VWEU; in gedachte te houden dat de toestemming van het Parlement voor nieuwe overeenkomsten ook in de toekomst kan worden ontzegd totdat de Raad zijn wettelijke verplichtingen nakomt;
   ai) ervoor te zorgen dat de nieuwe overeenkomst niet voorlopig wordt toegepast totdat het Parlement zijn goedkeuring heeft gegeven; te onderstrepen dat de goedkeuring van het Parlement van nieuwe overeenkomsten en andere toekomstige overeenkomsten kan worden opgeschort, indien dit wordt genegeerd;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de president, de regering en het parlement van de Republiek Azerbeidzjan.

(1) PB L 246 van 17.9.1999, blz. 3.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0440.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0493.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0267.


Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Jordanië op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
PDF 141kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Jordaanse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)07982018/2060(INI))
P8_TA(2018)0295A8-0232/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Jordaanse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)0798),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 7 en 8,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 6, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 16 en 218,

–  gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(2),

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(3),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(5),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa betreffende gegevensbescherming (ETS nr. 108) en het aanvullend protocol van 8 november 2001 bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens inzake toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdend verkeer van gegevens (ETS nr. 181),

–  gezien advies 2/2018 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) over acht onderhandelingsmandaten met het oog op de sluiting van internationale overeenkomsten waarmee de uitwisseling van gegevens tussen Europol en derde landen wordt toegestaan,

–  gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit(6),

–  gezien de overeenstemming die het Europees Parlement en de Raad hebben bereikt met het oog op het voorstel voor een verordening betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (COM(2017)0008), en met name het hoofdstuk over de verwerking van operationele persoonsgegevens, dat van toepassing is op de organen, bureaus en agentschappen van de Unie bij de uitvoering van activiteiten welke onder het toepassingsgebied van titel V, hoofdstukken 4 en 5, van het derde deel van het VWEU vallen,

–  gezien artikel 108, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0232/2018),

A.  overwegende dat op grond van Verordening (EU) 2016/794 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) persoonsgegevens aan een autoriteit van een derde land of aan een internationale organisatie kunnen worden doorgegeven, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken van Europol, op basis van een adequaatheidsbesluit van de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/680, een internationale overeenkomst uit hoofde van artikel 218 VWEU waarin passende waarborgen worden geboden, of samenwerkingsovereenkomsten die de uitwisseling van persoonsgegevens toestaan en die vóór 1 mei 2017 zijn gesloten, en, in uitzonderlijke situaties, per geval onder strikte voorwaarden, zoals bepaald in artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) 2016/794, en mits er adequate waarborgen bestaan;

B.  overwegende dat internationale overeenkomsten waarbij Europol en derde landen mogen samenwerken en persoonsgegevens mogen uitwisselen, in overeenstemming moeten zijn met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 VWEU, en dus het beginsel van doelbinding, het recht van toegang en het recht op rectificatie moeten eerbiedigen, en onder toezicht van een onafhankelijke autoriteit moeten staan, zoals uitdrukkelijk in het Handvest is bepaald, en aantoonbaar noodzakelijk en evenredig voor de vervulling van de taken van Europol moeten zijn;

C.  overwegende dat een dergelijke doorgifte moet stoelen op een internationale overeenkomst die op grond van artikel 218 VWEU is gesloten tussen de Unie en dat derde land en waarin passende waarborgen zijn opgenomen ter bescherming van de privacy en de fundamentele rechten en vrijheden van personen;

D.  overwegende dat in het programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020(7) erop wordt gewezen dat een meer multidisciplinaire aanpak, met inbegrip van het bundelen van de nodige deskundigheid en informatie van steeds meer partners, steeds belangrijker wordt voor de taakvervulling van Europol;

E.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit heeft benadrukt dat strategische en operationele samenwerkingsovereenkomsten tussen Europol en derde landen zowel de uitwisseling van informatie als de praktische samenwerking in de strijd tegen cybercriminaliteit vergemakkelijken;

F.  overwegende dat Europol in het verleden reeds diverse overeenkomsten over gegevensuitwisseling met derde landen heeft opgesteld, waaronder met Albanië, Australië, Bosnië en Herzegovina, Canada, Colombia, Georgië, IJsland, Liechtenstein, Moldavië, Monaco, Montenegro, Noorwegen, Oekraïne, Servië, de Verenigde Staten van Amerika, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Zwitserland;

G.  overwegende dat de EDPS sinds 1 mei 2017 als toezichthouder voor Europol fungeert en ook de adviseur van de EU-instellingen is inzake beleid en wetgeving inzake gegevensbescherming;

1.  is van mening dat de noodzaak alsook de evenredigheid van de samenwerking met het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië op het gebied van wetshandhaving voor de veiligheidsbelangen van de Europese Unie terdege moeten worden beoordeeld; verzoekt de Commissie in dit verband een grondige effectbeoordeling te verrichten; wijst erop dat passende zorgvuldigheid aan de dag moet worden gelegd bij de vaststelling van het onderhandelingsmandaat voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië inzake de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Jordanese autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme;

2.  is van mening dat moet worden verzekerd dat de ontvangende derde landen volledig conform de artikelen 7 en 8 van het Handvest alsmede andere door het Handvest beschermde fundamentele rechten en vrijheden handelen; doet in dit verband een beroep op de Raad om de door de Commissie voorgestelde onderhandelingsrichtsnoeren aan te vullen met de in deze resolutie vermelde voorwaarden;

3.  neemt er nota van dat tot dusverre geen passende effectbeoordeling is uitgevoerd om gedetailleerd te beoordelen welke risico's aan de overdracht van persoonsgegevens aan het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië kleven voor wat betreft het recht van individuele personen op privacy en gegevensbescherming, maar ook voor andere fundamentele rechten en vrijheden die door het Handvest worden beschermd; verzoekt de Commissie een passende effectbeoordeling uit te voeren om te bepalen welke waarborgen beslist in de overeenkomst moeten worden opgenomen;

4.  stelt dat het beschermingsniveau dat voortvloeit uit de overeenkomst, in wezen gelijkwaardig moet zijn aan het beschermingsniveau dat het Unierecht biedt; benadrukt dat de overeenkomst niet kan worden gesloten als dit niveau niet zowel in de wetgeving als in de praktijk kan worden gegarandeerd;

5.  verzoekt, met het oog op volledige naleving van artikel 8 van het Handvest en artikel 16 VWEU en ter voorkoming van mogelijke aansprakelijkheid van Europol voor schending van het Unierecht inzake gegevensbescherming als gevolg van de overdracht van persoonsgegevens zonder de nodige en passende waarborgen, in de overeenkomst strenge en specifieke bepalingen op te nemen dat het beginsel van doelbinding moet worden geëerbiedigd, alsmede duidelijke voorwaarden voor de verwerking van doorgegeven persoonsgegevens;

6.  verzoekt om aanvulling van richtsnoer B door daarin uitdrukkelijk te verwijzen naar de afspraak dat Europol overeenkomstig artikel 19 van de Europolverordening de beperkingen moet eerbiedigen die gelden voor persoonsgegevens die de lidstaten of andere aanbieders aan Europol verstrekken, met betrekking tot het gebruik van en de toegang tot aan het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië overgedragen gegevens;

7.  verzoekt om in de overeenkomst een duidelijke bepaling op te nemen dat voor verdere verwerking altijd voorafgaande schriftelijke toestemming van Europol vereist is; benadrukt dat deze toestemming door Europol moet worden gedocumenteerd en desgevraagd aan de EDPS ter beschikking moet worden gesteld; wenst dat de overeenkomst ook een bepaling bevat op grond waarvan de bevoegde autoriteiten van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië zich aan deze beperkingen moeten houden en moeten aangeven hoe de naleving van deze beperkingen zal worden gehandhaafd;

8.  dringt erop aan dat de overeenkomst een duidelijke en nauwkeurige bepaling bevat tot vaststelling van de bewaringstermijn van doorgegeven persoonsgegevens en met de verplichting de doorgegeven persoonsgegevens aan het einde van de bewaringstermijn te wissen; verzoekt om opneming van procedurele maatregelen in de overeenkomst om de naleving te waarborgen; dringt erop aan dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer er naar behoren gemotiveerde redenen zijn om de gegevens voor een langere periode, tot na het verstrijken van de bewaringstermijn, op te slaan, deze redenen met de begeleidende documentatie worden meegedeeld aan Europol en de EDPS;

9.  gaat ervan uit dat de in overweging 71 van Richtlijn (EU) 2016/680 vermelde criteria worden toegepast, d.w.z. de doorgifte van persoonsgegevens moet door de bevoegde Jordaanse autoriteiten die van Europol persoonsgegevens ontvangen, worden onderworpen aan verplichtingen inzake vertrouwelijkheid, het beginsel van specificiteit, en dat de persoonsgegevens in geen geval zullen worden gebruikt om de doodstraf of enige vorm van wrede of onmenselijke behandeling te vorderen, uit te spreken of uit te voeren;

10.  is van mening dat de categorieën strafbare feiten waarvoor persoonsgegevens worden uitgewisseld, duidelijk moeten worden gedefinieerd en vermeld in de internationale overeenkomst zelf, voor zover beschikbaar in overeenstemming met de EU-definities van strafbare feiten; benadrukt dat in deze lijst duidelijk en nauwkeurig moet worden omschreven welke activiteiten onder dergelijke misdrijven vallen, alsmede welke personen, groepen en organisaties waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de doorgifte;

11.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de zin van artikel 8, lid 3, van het Handvest met de regering van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië te bepalen welke onafhankelijke toezichthoudende autoriteit zal worden belast met het toezicht op de uitvoering van de internationale overeenkomst; dringt erop aan dat een dergelijke autoriteit wordt overeengekomen en opgericht voordat de internationale overeenkomst in werking kan treden; dringt erop aan dat de naam van deze autoriteit uitdrukkelijk in een bijlage bij de overeenkomst wordt vermeld;

12.  is van mening dat elk van beide partijen de internationale overeenkomst moet kunnen opschorten of intrekken in geval van schending ervan, en dat de onafhankelijke toezichthoudende instantie ook bevoegd moet zijn om opschorting of beëindiging van de overeenkomst voor te stellen in geval van schending ervan; is van mening dat persoonsgegevens die onder de werkingssfeer van de overeenkomst vallen en vóór de opschorting of beëindiging van de overeenkomst zijn overgedragen, overeenkomstig de overeenkomst verder mogen worden verwerkt; is van mening dat er een periodieke evaluatie van de overeenkomst moet worden ingesteld om de naleving van de overeenkomst door de partijen te beoordelen;

13.  is van mening dat er een duidelijke definitie van het begrip "individuele gevallen" moet komen, omdat dit begrip nodig is voor de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijk strafrechtelijk onderzoek;

14.  is van mening dat er een duidelijke definitie van het begrip "redelijke gronden" moet komen, omdat dit begrip nodig is voor de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijk strafrechtelijk onderzoek;

15.  benadrukt dat gegevens die aan een ontvangende autoriteit worden doorgegeven, nooit door andere autoriteiten verder kunnen worden verwerkt en dat daartoe een uitputtende lijst moet worden opgesteld van de bevoegde autoriteiten in het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië waaraan Europol gegevens kan doorgeven, met inbegrip van een beschrijving van de bevoegdheden van die autoriteiten; is van mening dat elke wijziging van deze lijst ter vervanging of toevoeging van een nieuwe bevoegde autoriteit een herziening van de internationale overeenkomst vereist;

16.  stelt dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië aan andere autoriteiten in het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië alleen kan worden toegestaan om aan het oorspronkelijke doel van de doorgifte door Europol te voldoen, en dat de onafhankelijke autoriteit, de EDPS en Europol hiervan altijd in kennis moeten worden gesteld;

17.  onderstreept dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië aan andere landen verboden is en tot onmiddellijke beëindiging van de internationale overeenkomst zou leiden;

18.  is van mening dat in de internationale overeenkomst met Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië het recht van betrokkenen op informatie, rectificatie en wissing van gegevens als bepaald in andere Uniewetgeving inzake gegevensbescherming moet worden vermeld;

19.  wijst erop dat de doorgifte van persoonsgegevens waaruit iemands raciale of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakbond, genetische gegevens of gegevens over gezondheid en seksleven naar voren komen, uiterst gevoelig ligt en aanleiding geeft tot grote bezorgdheid gezien het verschil in rechtskader, maatschappelijke kenmerken en culturele achtergrond tussen het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië en de Europese Unie; benadrukt het feit dat strafbare handelingen in de Unie anders worden gedefinieerd dan in het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië; is van mening dat een dergelijke doorgifte van gegevens daarom alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mag plaatsvinden en omgeven moet zijn met duidelijke waarborgen voor de betrokkene en personen die banden hebben met de betrokkene; acht het noodzakelijk specifieke waarborgen te bepalen die het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië in acht moet nemen wat betreft de grondrechten, waaronder de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst en de menselijke waardigheid;

20.  is van mening dat in de overeenkomst een evaluatiemechanisme moet worden opgenomen en dat de overeenkomst aan periodieke beoordelingen moet worden onderworpen om de werking ervan te evalueren met betrekking tot de operationele behoeften van Europol alsmede de naleving van de Europese rechten en beginselen inzake gegevensbescherming;

21.  verzoekt de Commissie vóór de afronding van de internationale overeenkomst het advies van de EDPS in te winnen, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 en Verordening (EG) nr. 45/2001;

22.  benadrukt dat het Parlement de sluiting van de overeenkomst slechts zal goedkeuren indien het overeenkomstig artikel 218 VWEU op bevredigende wijze bij iedere fase van de procedure wordt betrokken;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië.

(1) PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(3) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(4) PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.
(5) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0366.
(7) Programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020, goedgekeurd door de raad van bestuur van Europol op 30 november 2017, EDOC#856927v18.


Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Turkije op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
PDF 141kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Turkije op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Turkse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)07992018/2061(INI))
P8_TA(2018)0296A8-0233/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Turkije op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Turkse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)0799),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 7 en 8,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 6, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 16 en 218,

–  gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(2),

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(3),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(5),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa betreffende gegevensbescherming (ETS nr. 108) en het aanvullend protocol van 8 november 2001 bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens inzake toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdend verkeer van gegevens (ETS nr. 181),

–  gezien advies 2/2018 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) over acht onderhandelingsmandaten met het oog op de sluiting van internationale overeenkomsten waarmee de uitwisseling van gegevens tussen Europol en derde landen wordt toegestaan,

–  gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit(6),

–  gezien de overeenstemming die het Europees Parlement en de Raad hebben bereikt met het oog op het voorstel voor een verordening betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (COM(2017)0008), en met name het hoofdstuk over de verwerking van operationele persoonsgegevens, dat van toepassing is op de organen en instanties van de Unie bij de uitvoering van activiteiten welke onder het toepassingsgebied van titel V, hoofdstukken 4 en 5, van het derde deel van het VWEU vallen,

–  gezien artikel 108, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0233/2018),

A.  overwegende dat op grond van Verordening (EU) 2016/794 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) persoonsgegevens aan een autoriteit van een derde land of aan een internationale organisatie kunnen worden doorgegeven, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken van Europol, op basis van een adequaatheidsbesluit van de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/680, een internationale overeenkomst uit hoofde van artikel 218 VWEU waarin passende waarborgen worden geboden, of samenwerkingsovereenkomsten die de uitwisseling van persoonsgegevens toestaan en die vóór 1 mei 2017 zijn gesloten, en, in uitzonderlijke situaties, per geval onder strikte voorwaarden, zoals bepaald in artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) 2016/794, en mits er adequate waarborgen bestaan;

B.  overwegende dat internationale overeenkomsten waarbij Europol en derde landen mogen samenwerken en persoonsgegevens mogen uitwisselen, in overeenstemming moeten zijn met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 VWEU, en dus het beginsel van doelbinding en de rechten op toegang en rectificatie en het toezicht door een onafhankelijke, specifiek in het Handvest genoemde instantie moeten eerbiedigen en aantoonbaar noodzakelijk en evenredig voor de vervulling van de taken van Europol moeten zijn;

C.  overwegende dat een dergelijke doorgifte moet stoelen op een internationale overeenkomst die op grond van artikel 218 VWEU is gesloten tussen de Unie en dat derde land en waarin passende waarborgen zijn opgenomen ter bescherming van de privacy en de fundamentele rechten en vrijheden van personen;

D.  overwegende dat in de afgelopen jaren verscheidene mensenrechtenschendingen in de Republiek Turkije aan het licht zijn gebracht; overwegende dat met name afwijkende standpunten meedogenloos onderdrukt worden, en dat onder meer journalisten, politieke activisten en mensenrechtenactivisten hiervan de dupe zijn; overwegende dat voortdurend melding wordt gemaakt van gevallen van foltering, ook na de couppoging van juli 2016; overwegende dat elk doeltreffend onderzoek van mensenrechtenschendingen door overheidsfunctionarissen onmogelijk was vanwege wijdverbreide straffeloosheid, en overwegende dat het geweld van gewapende groepen is blijven voortduren;

E.  overwegende dat er in het programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020(7) op wordt gewezen dat een meer multidisciplinaire aanpak, met inbegrip van het bundelen van de nodige deskundigheid en informatie van steeds meer partners, steeds belangrijker wordt voor de taakvervulling van Europol;

F.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de bestrijding van cybercriminaliteit heeft onderstreept dat strategische en operationele samenwerkingsovereenkomsten tussen Europol en derde landen zowel de uitwisseling van informatie als de praktische samenwerking in de strijd tegen cybercriminaliteit vergemakkelijken;

G.  overwegende dat Europol in het verleden reeds meerdere overeenkomsten over gegevensuitwisseling met derde landen heeft opgesteld, zoals met Albanië, Australië, Bosnië en Herzegovina, Canada, Colombia, Georgië, IJsland, Liechtenstein, Moldavië, Monaco, Montenegro, Noorwegen, Oekraïne, Servië, de Verenigde Staten van Amerika, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Zwitserland;

H.  overwegende dat de EDPS sinds 1 mei 2017 als toezichthouder voor Europol fungeert en ook de adviseur van de EU-instellingen is inzake beleid en wetgeving inzake gegevensbescherming;

1.  is van mening dat de noodzaak alsook de evenredigheid van de samenwerking met de Republiek Turkije op het gebied van wetshandhaving voor de veiligheidsbelangen van de Europese Unie terdege moeten worden beoordeeld; verzoekt de Commissie in dit verband een grondige effectbeoordeling te verrichten; wijst erop dat passende zorgvuldigheid aan de dag moet worden gelegd bij de vaststelling van het onderhandelingsmandaat voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Turkije inzake de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Turkse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme;

2.  is van mening dat moet worden verzekerd dat de ontvangende derde landen volledig conform de artikelen 7 en 8 van het Handvest alsmede andere door het Handvest beschermde fundamentele rechten en vrijheden handelen; doet in dit verband een beroep op de Raad om de door de Commissie voorgestelde onderhandelingsrichtsnoeren aan te vullen met de in deze resolutie vermelde voorwaarden;

3.  is van mening dat er ernstige zorgen bestaan over de eerbiediging van de mensenrechten in de Republiek Turkije, met name wat betreft de vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en het recht niet te worden onderworpen aan foltering of onmenselijke behandeling, zoals verankerd in het Handvest en in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens;

4.  benadrukt dat Turkije als eerste voorwaarde voor het openen van onderhandelingen de horizontale verplichting van volledige, effectieve en niet-discriminerende samenwerking met alle lidstaten op het vlak van justitie en binnenlandse zaken moet nakomen, ook met de Republiek Cyprus;

5.  neemt er nota van dat tot dusverre geen passende effectbeoordeling is uitgevoerd om gedetailleerd te beoordelen welke risico’s aan de overdracht van persoonsgegevens aan de Republiek Turkije kleven voor wat betreft het recht van individuele personen op privacy en gegevensbescherming, maar ook voor andere fundamentele rechten en vrijheden die door het Handvest worden beschermd; verzoekt de Commissie een passende effectbeoordeling uit te voeren om te bepalen welke waarborgen beslist in de overeenkomst moeten worden opgenomen;

6.  stelt dat het beschermingsniveau dat voortvloeit uit de overeenkomst, in wezen gelijkwaardig moet zijn aan het beschermingsniveau dat het Unierecht biedt; benadrukt dat de overeenkomst niet kan worden gesloten als dit niveau niet zowel in de wetgeving als in de praktijk kan worden gegarandeerd;

7.  verzoekt, met het oog op volledige naleving van artikel 8 van het Handvest en artikel 16 VWEU en ter voorkoming van mogelijke aansprakelijkheid van Europol voor schending van het Unierecht inzake gegevensbescherming als gevolg van de overdracht van persoonsgegevens zonder de nodige en passende waarborgen, in de overeenkomst strenge en specifieke bepalingen op te nemen dat het beginsel van doelbinding moet worden geëerbiedigd, alsmede duidelijke voorwaarden voor de verwerking van doorgegeven persoonsgegevens;

8.  verzoekt om aanvulling van richtsnoer B door daarin uitdrukkelijk te verwijzen naar de afspraak dat Europol overeenkomstig artikel 19 van de Europolverordening de beperkingen moet eerbiedigen die gelden voor persoonsgegevens die de lidstaten of andere aanbieders aan Europol verstrekken, met betrekking tot het gebruik van en de toegang tot aan de Republiek Turkije overgedragen gegevens;

9.  verzoekt om in de overeenkomst een duidelijke bepaling op te nemen dat voor verdere verwerking altijd voorafgaande schriftelijke toestemming van Europol vereist is; benadrukt dat deze toestemming door Europol moet worden gedocumenteerd en desgevraagd aan de EDPS ter beschikking moet worden gesteld; wenst dat de overeenkomst ook een bepaling bevat op grond waarvan de bevoegde autoriteiten van de Republiek Turkije zich aan deze beperkingen moeten houden en moeten aangeven hoe de naleving van deze beperkingen zal worden gehandhaafd;

10.  dringt erop aan dat de overeenkomst een duidelijke en nauwkeurige bepaling bevat tot vaststelling van de bewaringstermijn van doorgegeven persoonsgegevens en met de verplichting de doorgegeven persoonsgegevens aan het einde van de bewaringstermijn te wissen; verzoekt om opneming van procedurele maatregelen in de overeenkomst om de naleving te waarborgen; dringt erop aan dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer er naar behoren gemotiveerde redenen zijn om de gegevens voor een langere periode, tot na het verstrijken van de bewaringstermijn, op te slaan, deze redenen met de begeleidende documentatie worden meegedeeld aan Europol en de EDPS;

11.  gaat ervan uit dat de in overweging 71 van Richtlijn (EU) 2016/680 vermelde criteria worden toegepast, d.w.z. de doorgifte van persoonsgegevens moet door de bevoegde Turkse autoriteiten die van Europol persoonsgegevens ontvangen, worden onderworpen aan verplichtingen inzake vertrouwelijkheid, het beginsel van specificiteit, en dat de persoonsgegevens in geen geval zullen worden gebruikt om de doodstraf of enige vorm van wrede of onmenselijke behandeling te vorderen, uit te spreken of uit te voeren;

12.  is van mening dat de categorieën strafbare feiten waarvoor persoonsgegevens worden uitgewisseld, duidelijk moeten worden gedefinieerd en vermeld in de internationale overeenkomst zelf, voor zover beschikbaar in overeenstemming met de EU-definities van strafbare feiten; benadrukt dat in deze lijst duidelijk en nauwkeurig moet worden omschreven welke activiteiten onder dergelijke misdrijven vallen, alsmede welke personen, groepen en organisaties waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de doorgifte;

13.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de zin van artikel 8, lid 3, van het Handvest met de regering van Turkije te bepalen welke onafhankelijke toezichthoudende autoriteit zal worden belast met het toezicht op de uitvoering van de internationale overeenkomst; dringt erop aan dat een dergelijke autoriteit wordt overeengekomen en opgericht voordat de internationale overeenkomst in werking kan treden; dringt erop aan dat de naam van deze autoriteit uitdrukkelijk in een bijlage bij de overeenkomst wordt vermeld;

14.  is van mening dat de Commissie, gezien de vele klachten van burgers over mensenrechtenschendingen in de Republiek Turkije, zorgvuldig dient te onderzoeken in welke mate risico's aan de overdracht van persoonsgegevens aan Turkije verbonden zijn;

15.  is van mening dat elk van beide partijen de internationale overeenkomst moet kunnen opschorten of intrekken in geval van schending ervan, en dat de onafhankelijke toezichthoudende instantie ook bevoegd moet zijn om opschorting of beëindiging van de overeenkomst voor te stellen in geval van schending ervan; is van mening dat persoonsgegevens die onder de werkingssfeer van de overeenkomst vallen en vóór de opschorting of beëindiging van de overeenkomst zijn overgedragen, overeenkomstig de overeenkomst verder mogen worden verwerkt; is van mening dat er een periodieke evaluatie van de overeenkomst moet worden ingesteld om de naleving van de overeenkomst door de partijen te beoordelen;

16.  is van mening dat er een duidelijke definitie van het begrip "individuele gevallen" moet komen, omdat dit begrip nodig is voor de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens; wijst erop dat deze definitie alleen betrekking mag hebben op daadwerkelijke strafrechtelijke onderzoeken en niet op strafrechtelijke inlichtingenoperaties die gericht zijn op specifieke personen die als verdachten worden aangemerkt;

17.  is van mening dat het begrip "redelijke gronden" moet worden gedefinieerd om de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens te kunnen beoordelen; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijke strafrechtelijke onderzoeken;

18.  benadrukt dat gegevens die aan een ontvangende autoriteit worden doorgegeven, nooit door andere autoriteiten verder kunnen worden verwerkt en dat daartoe een uitputtende lijst moet worden opgesteld van de bevoegde autoriteiten in de Republiek Turkije waaraan Europol gegevens kan doorgeven, met inbegrip van een beschrijving van de bevoegdheden van die autoriteiten; is van mening dat elke wijziging van deze lijst ter vervanging of toevoeging van een nieuwe bevoegde autoriteit een herziening van de internationale overeenkomst vereist;

19.  stelt dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van de Republiek Turkije aan andere autoriteiten in de Republiek Turkije alleen kan worden toegestaan om aan het oorspronkelijke doel van de doorgifte door Europol te voldoen, en dat de onafhankelijke autoriteit, de EDPS en Europol hiervan altijd in kennis moeten worden gesteld;

20.  onderstreept dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van de Republiek Turkije aan andere landen verboden is en tot onmiddellijke beëindiging van de internationale overeenkomst zou leiden;

21.  is van mening dat in de internationale overeenkomst met de Republiek Turkije het recht van betrokkenen op informatie, rectificatie en het wissen van gegevens als bepaald in andere Uniewetgeving inzake gegevensbescherming moet worden vermeld;

22.  wijst erop dat de doorgifte van persoonsgegevens waaruit iemands raciale of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakbond, genetische gegevens of gegevens over gezondheid en seksleven naar voren komen, uiterst gevoelig ligt en aanleiding geeft tot grote bezorgdheid gezien het verschillende rechtskader, de maatschappelijke kenmerken en de culturele achtergrond van Turkije in vergelijking met de Europese Unie; benadrukt dat strafbare handelingen in de Unie anders worden gedefinieerd dan in Turkije; is van mening dat een dergelijke doorgifte van gegevens daarom alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mag plaatsvinden en omgeven moet zijn met duidelijke waarborgen voor de betrokkene en personen die banden hebben met de betrokkene; acht het noodzakelijk specifieke waarborgen te bepalen die de Republiek Turkije in acht moet nemen wat betreft de grondrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst en de menselijke waardigheid;

23.  is van mening dat in de overeenkomst een evaluatiemechanisme moet worden opgenomen en dat de overeenkomst aan periodieke beoordelingen moet worden onderworpen om de werking ervan te evalueren met betrekking tot de operationele behoeften van Europol alsmede de naleving van de Europese rechten en beginselen inzake gegevensbescherming;

24.  verzoekt de Commissie vóór de afronding van de internationale overeenkomst het advies van de EDPS in te winnen, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 2016/794 en Verordening (EG) nr. 45/2001;

25.  benadrukt dat het Parlement de sluiting van de overeenkomst slechts zal goedkeuren indien het op bevredigende wijze bij iedere fase van de procedure wordt betrokken overeenkomstig artikel 218 VWEU;

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering van de Republiek Turkije.

(1) PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(3) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(4) PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.
(5) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0366.
(7) Programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020, goedgekeurd door de raad van bestuur van Europol op 30 november 2017, EDOC#856927v18.


Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Israël op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
PDF 144kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over de aanbeveling, van de Commissie, voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Staat Israël op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Israëlische autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)08062018/2062(INI))
P8_TA(2018)0297A8-0235/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Staat Israël op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Israëlische autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)0806),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 7 en 8,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 6, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 16 en 218,

–  gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(2),

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(3),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(5),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa betreffende gegevensbescherming (ETS nr. 108) en het aanvullend protocol van 8 november 2001 bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens inzake toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdend verkeer van gegevens (ETS nr. 181),

–  gezien advies 2/2018 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) over acht onderhandelingsmandaten met het oog op de sluiting van internationale overeenkomsten waarmee de uitwisseling van gegevens tussen Europol en derde landen wordt toegestaan,

–  gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit(6),

–  gezien de overeenstemming die het Europees Parlement en de Raad hebben bereikt met het oog op het voorstel voor een verordening betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (COM(2017)0008), en met name het hoofdstuk over de verwerking van operationele persoonsgegevens, dat van toepassing is op de organen en instanties van de Unie bij de uitvoering van activiteiten welke onder het toepassingsgebied van titel V, hoofdstukken 4 en 5, van het derde deel van het VWEU vallen,

–  gezien artikel 108, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0235/2018),

A.  overwegende dat op grond van Verordening (EU) 2016/794 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) persoonsgegevens aan een autoriteit van een derde land of aan een internationale organisatie kunnen worden doorgegeven, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken van Europol, op basis van een adequaatheidsbesluit van de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/680, een internationale overeenkomst uit hoofde van artikel 218 VWEU waarin passende waarborgen worden geboden, of samenwerkingsovereenkomsten die de uitwisseling van persoonsgegevens toestaan en die vóór 1 mei 2017 zijn gesloten, en, in uitzonderlijke situaties, per geval onder strikte voorwaarden, zoals bepaald in artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) 2016/794, en mits er adequate waarborgen bestaan;

B.  overwegende dat internationale overeenkomsten waarbij Europol en derde landen mogen samenwerken en persoonsgegevens mogen uitwisselen, in overeenstemming moeten zijn met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 VWEU, en dus het beginsel van doelbinding, het recht van toegang en het recht op rectificatie moeten eerbiedigen, en onder toezicht van een onafhankelijke autoriteit moeten staan, zoals uitdrukkelijk in het Handvest is bepaald, en aantoonbaar noodzakelijk en evenredig voor de vervulling van de taken van Europol moeten zijn;

C.  overwegende dat een dergelijke doorgifte moet stoelen op een internationale overeenkomst die op grond van artikel 218 VWEU is gesloten tussen de Unie en dat derde land en waarin passende waarborgen zijn opgenomen ter bescherming van de privacy en de fundamentele rechten en vrijheden van personen;

D.  overwegende dat er in het programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020(7) op wordt gewezen dat een meer multidisciplinaire aanpak, met inbegrip van het bundelen van de nodige deskundigheid en informatie van steeds meer partners, steeds belangrijker wordt voor de taakvervulling van Europol;

E.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit heeft benadrukt dat strategische en operationele samenwerkingsovereenkomsten tussen Europol en derde landen zowel de uitwisseling van informatie als de praktische samenwerking in de strijd tegen cybercriminaliteit vergemakkelijken;

F.  overwegende dat Europol in het verleden reeds diverse overeenkomsten over gegevensuitwisseling met derde landen heeft opgesteld, waaronder met Albanië, Australië, Bosnië en Herzegovina, Canada, Colombia, Georgië, IJsland, Liechtenstein, Moldavië, Monaco, Montenegro, Noorwegen, Oekraïne, Servië, de Verenigde Staten van Amerika, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Zwitserland;

G.  overwegende dat de Staat Israël is opgenomen in de in Besluit 2009/935/JBZ van de Raad van 30 november 2009 bedoelde lijst van derde staten en organisaties waarmee Europol overeenkomsten moet sluiten(8); overwegende dat er in 2010 onderhandelingen over een operationele samenwerkingsovereenkomst van start zijn gegaan, maar dat die niet werden afgerond vóór de inwerkingtreding van de Europol-verordening (Verordening (EU) 2016/794) op 1 mei 2017;

H.  overwegende dat de EDPS sinds 1 mei 2017 als toezichthouder voor Europol fungeert en ook de adviseur van de EU-instellingen is inzake beleid en wetgeving inzake gegevensbescherming;

1.  is van mening dat de noodzaak en de evenredigheid van de samenwerking met de Staat Israël op het gebied van wetshandhaving voor de veiligheidsbelangen van de Europese Unie terdege moeten worden beoordeeld; verzoekt de Commissie in dit verband een grondige effectbeoordeling te verrichten; wijst erop dat gepaste voorzichtigheid geboden is bij de vaststelling van het onderhandelingsmandaat voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Staat Israël inzake de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Israëlische autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme;

2.  is van mening dat moet worden verzekerd dat de ontvangende derde landen volledig conform de artikelen 7 en 8 van het Handvest alsmede andere door het Handvest beschermde fundamentele rechten en vrijheden handelen; doet in dit verband een beroep op de Raad om de door de Commissie voorgestelde onderhandelingsrichtsnoeren aan te vullen met de in deze resolutie vermelde voorwaarden;

3.  neemt er nota van dat tot dusverre geen passende effectbeoordeling is uitgevoerd om gedetailleerd te beoordelen welke risico's aan de overdracht van persoonsgegevens aan de Staat Israël kleven voor wat betreft het recht van individuele personen op privacy en gegevensbescherming, maar ook voor andere fundamentele rechten en vrijheden die door het Handvest worden beschermd; verzoekt de Commissie een passende effectbeoordeling uit te voeren om te bepalen welke waarborgen beslist in de overeenkomst moeten worden opgenomen;

4.  stelt dat het beschermingsniveau dat voortvloeit uit de overeenkomst, in wezen gelijkwaardig moet zijn aan het beschermingsniveau dat het Unierecht biedt; benadrukt dat de overeenkomst niet kan worden gesloten als dit niveau niet zowel in de wetgeving als in de praktijk kan worden gegarandeerd; is in dit verband verheugd dat de Commissie Israël in 2011 formeel heeft erkend als een land dat een passend niveau van gegevensbescherming biedt met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens krachtens Richtlijn 95/46/EG;

5.  verzoekt, met het oog op volledige naleving van artikel 8 van het Handvest en artikel 16 VWEU en ter voorkoming van mogelijke aansprakelijkheid van Europol voor schending van het Unierecht inzake gegevensbescherming als gevolg van de overdracht van persoonsgegevens zonder de nodige en passende waarborgen, in de overeenkomst strenge en specifieke bepalingen op te nemen dat het beginsel van doelbinding moet worden geëerbiedigd, alsmede duidelijke voorwaarden voor de verwerking van doorgegeven persoonsgegevens;

6.  verzoekt om aanvulling van richtsnoer B door daarin uitdrukkelijk te verwijzen naar de afspraak dat Europol overeenkomstig artikel 19 van de Europolverordening de beperkingen moet eerbiedigen die gelden voor persoonsgegevens die de lidstaten of andere aanbieders aan Europol verstrekken, met betrekking tot het gebruik van en de toegang tot aan de Staat Israël overgedragen gegevens;

7.  verzoekt om in de overeenkomst een duidelijke bepaling op te nemen dat voor verdere verwerking altijd voorafgaande schriftelijke toestemming van Europol vereist is; benadrukt dat deze toestemming door Europol moet worden gedocumenteerd en desgevraagd aan de EDPS ter beschikking moet worden gesteld; wenst dat de overeenkomst ook een bepaling bevat op grond waarvan de bevoegde autoriteiten van de Staat Israël zich aan deze beperkingen moeten houden en moeten aangeven hoe de naleving van deze beperkingen zal worden gehandhaafd;

8.  dringt erop aan dat de overeenkomst een duidelijke en nauwkeurige bepaling bevat tot vaststelling van de bewaringstermijn van doorgegeven persoonsgegevens en met de verplichting de doorgegeven persoonsgegevens aan het einde van de bewaringstermijn te wissen; verzoekt om opneming van procedurele maatregelen in de overeenkomst om de naleving te waarborgen; dringt erop aan dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer er naar behoren gemotiveerde redenen zijn om de gegevens voor een langere periode, tot na het verstrijken van de bewaringstermijn, op te slaan, deze redenen met de begeleidende documentatie worden meegedeeld aan Europol en de EDPS;

9.  gaat ervan uit dat de in overweging 71 van Richtlijn (EU) 2016/680 vermelde criteria worden toegepast, d.w.z. de doorgifte van persoonsgegevens moet door de bevoegde Israëlische autoriteiten die van Europol persoonsgegevens ontvangen, worden onderworpen aan verplichtingen inzake vertrouwelijkheid, het beginsel van specificiteit, en dat de persoonsgegevens in geen geval zullen worden gebruikt om de doodstraf of enige vorm van wrede of onmenselijke behandeling te vorderen, uit te spreken of uit te voeren;

10.  is van mening dat de categorieën strafbare feiten waarvoor persoonsgegevens worden uitgewisseld, duidelijk moeten worden gedefinieerd en vermeld in de internationale overeenkomst zelf, voor zover beschikbaar in overeenstemming met de EU-definities van strafbare feiten; benadrukt dat in deze lijst duidelijk en nauwkeurig moet worden omschreven welke activiteiten onder dergelijke misdrijven vallen, alsmede welke personen, groepen en organisaties waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de doorgifte;

11.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de zin van artikel 8, lid 3, van het Handvest met de regering van Israël te bepalen welke onafhankelijke toezichthoudende autoriteit zal worden belast met het toezicht op de uitvoering van de internationale overeenkomst; dringt erop aan dat een dergelijke autoriteit wordt overeengekomen en opgericht voordat de internationale overeenkomst in werking kan treden; dringt erop aan dat de naam van deze autoriteit uitdrukkelijk in een bijlage bij de overeenkomst wordt vermeld;

12.  is van mening dat elk van beide partijen de internationale overeenkomst moet kunnen opschorten of intrekken in geval van schending ervan, en dat de onafhankelijke toezichthoudende instantie ook bevoegd moet zijn om opschorting of beëindiging van de overeenkomst voor te stellen in geval van schending ervan; is van mening dat persoonsgegevens die onder de werkingssfeer van de overeenkomst vallen en vóór de opschorting of beëindiging van de overeenkomst zijn overgedragen, overeenkomstig de overeenkomst verder mogen worden verwerkt; is van mening dat er een periodieke evaluatie van de overeenkomst moet worden ingesteld om de naleving van de overeenkomst door de partijen te beoordelen;

13.  is van mening dat er een duidelijke definitie van het begrip "individuele gevallen" moet komen, omdat dit begrip nodig is voor de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijk strafrechtelijk onderzoek;

14.  is van mening dat het begrip "redelijke gronden" moet worden gedefinieerd om de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens te kunnen beoordelen; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijk strafrechtelijk onderzoek;

15.  benadrukt dat gegevens die aan een ontvangende autoriteit worden doorgegeven, nooit door andere autoriteiten verder kunnen worden verwerkt en dat daartoe een uitputtende lijst moet worden opgesteld van de bevoegde autoriteiten in de Staat Israël waaraan Europol gegevens kan doorgeven, met inbegrip van een beschrijving van de bevoegdheden van die autoriteiten; is van mening dat elke wijziging van deze lijst ter vervanging of toevoeging van een nieuwe bevoegde autoriteit een herziening van de internationale overeenkomst vereist;

16.  stelt dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van de Staat Israël aan andere autoriteiten in de Staat Israël alleen kan worden toegestaan om aan het oorspronkelijke doel van de doorgifte door Europol te voldoen, en dat de onafhankelijke autoriteit, de EDPS en Europol hiervan altijd in kennis moeten worden gesteld;

17.  onderstreept dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van de Staat Israël aan andere landen verboden is en tot onmiddellijke beëindiging van de internationale overeenkomst zou leiden;

18.  is van mening dat in de internationale overeenkomst met de Staat Israël het recht van betrokkenen op informatie, rectificatie en wissing van gegevens als bepaald in andere Uniewetgeving inzake gegevensbescherming moet worden vermeld;

19.  wijst erop dat de doorgifte van persoonsgegevens waaruit iemands raciale of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakbond, genetische gegevens of gegevens over gezondheid en seksleven naar voren komen, uiterst gevoelig ligt en aanleiding geeft tot grote bezorgdheid gezien het verschillende rechtskader, de maatschappelijke kenmerken en de culturele achtergrond van de Staat Israël in vergelijking met de Europese Unie; benadrukt dat strafbare handelingen in de Unie anders worden gedefinieerd dan in de Staat Israël; is van mening dat een dergelijke doorgifte van gegevens daarom alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mag plaatsvinden en omgeven moet zijn met duidelijke waarborgen voor de betrokkene en personen die banden hebben met de betrokkene; acht het noodzakelijk specifieke waarborgen te bepalen die de Staat Israël in acht moet nemen wat betreft de grondrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst en de menselijke waardigheid;

20.  is van mening dat in de overeenkomst een evaluatiemechanisme moet worden opgenomen en dat de overeenkomst aan periodieke beoordelingen moet worden onderworpen om de werking ervan te evalueren met betrekking tot de operationele behoeften van Europol alsmede de naleving van de Europese rechten en beginselen inzake gegevensbescherming;

21.  verzoekt de Commissie vóór de afronding van de internationale overeenkomst het advies van de EDPS in te winnen, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 2016/794 en Verordening (EG) nr. 45/2001;

22.  benadrukt dat het Parlement de sluiting van de overeenkomst slechts zal goedkeuren indien het overeenkomstig artikel 218 VWEU op bevredigende wijze bij iedere fase van de procedure wordt betrokken;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering van de Staat Israël.

(1) PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(3) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(4) PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.
(5) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0366.
(7) Programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020, goedgekeurd door de raad van bestuur van Europol op 30 november 2017, EDOC#856927v18.
(8) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 12.


Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Tunesië op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
PDF 141kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en Tunesië op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Tunesische autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)08072018/2063(INI))
P8_TA(2018)0298A8-0237/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en Tunesië op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Tunesische autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)0807),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 7 en 8,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 6, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 16 en 218,

–  gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(2),

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(3),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(5),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa betreffende gegevensbescherming (ETS nr. 108) en het aanvullend protocol van 8 november 2001 bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens inzake toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdend verkeer van gegevens (ETS nr. 181),

–  gezien advies 2/2018 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) over acht onderhandelingsmandaten met het oog op de sluiting van internationale overeenkomsten waarmee de uitwisseling van gegevens tussen Europol en derde landen wordt toegestaan,

–  gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit(6),

–  gezien de overeenstemming die het Europees Parlement en de Raad hebben bereikt met het oog op het voorstel voor een verordening betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (COM(2017)0008), en met name het hoofdstuk over de verwerking van operationele persoonsgegevens, dat van toepassing is op de organen en instanties van de Unie bij de uitvoering van activiteiten welke onder het toepassingsgebied van titel V, hoofdstukken 4 en 5, van het derde deel van het VWEU vallen,

–  gezien artikel 108, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0237/2018),

A.  overwegende dat op grond van Verordening (EU) 2016/794 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) persoonsgegevens aan een autoriteit van een derde land of aan een internationale organisatie kunnen worden doorgegeven, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken van Europol, op basis van een adequaatheidsbesluit van de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/680, een internationale overeenkomst uit hoofde van artikel 218 VWEU waarin passende waarborgen worden geboden, of samenwerkingsovereenkomsten die de uitwisseling van persoonsgegevens toestaan en die vóór 1 mei 2017 zijn gesloten, en, in uitzonderlijke situaties, per geval onder strikte voorwaarden, zoals bepaald in artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) 2016/794, en mits er adequate waarborgen bestaan;

B.  overwegende dat internationale overeenkomsten waarbij Europol en derde landen mogen samenwerken en persoonsgegevens mogen uitwisselen, in overeenstemming moeten zijn met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 VWEU, hetgeen inhoudt dat de gegevensuitwisseling in overeenstemming moet zijn met het beginsel van doelbinding, het recht van toegang en het recht op rectificatie, en onderworpen moet zijn aan toetsing door een onafhankelijke autoriteit, zoals in het Handvest uitdrukkelijk is bepaald, en bovendien evenredig moet zijn en noodzakelijk met het oog op de vervulling van de taken van Europol;

C.  overwegende dat een dergelijke doorgifte moet stoelen op een internationale overeenkomst die op grond van artikel 218 VWEU is gesloten tussen de Unie en dat derde land en waarin passende waarborgen zijn opgenomen ter bescherming van de privacy en de fundamentele rechten en vrijheden van personen;

D.  overwegende dat in het programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020(7) erop wordt gewezen dat een meer multidisciplinaire aanpak, met inbegrip van het bundelen van de nodige deskundigheid en informatie van steeds meer partners, steeds belangrijker wordt voor de taakvervulling van Europol;

E.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit heeft benadrukt dat strategische en operationele samenwerkingsovereenkomsten tussen Europol en derde landen zowel de uitwisseling van informatie als de samenwerking in de praktijk in de strijd tegen cybercriminaliteit vergemakkelijken;

F.  overwegende dat Europol in het verleden reeds diverse overeenkomsten over gegevensuitwisseling met derde landen heeft opgesteld, waaronder met Albanië, Australië, Bosnië en Herzegovina, Canada, Colombia, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Georgië, IJsland, Liechtenstein, Moldavië, Monaco, Montenegro, Noorwegen, Servië, Zwitserland, Oekraïne en de Verenigde Staten van Amerika;

G.  overwegende dat de EDPS sinds 1 mei 2017 als toezichthouder voor Europol fungeert en ook de adviseur van de EU-instellingen is inzake beleid en wetgeving inzake gegevensbescherming;

1.  is van mening dat de noodzaak alsook de evenredigheid van de samenwerking met Tunesië op het gebied van wetshandhaving voor de veiligheidsbelangen van de Europese Unie terdege moeten worden beoordeeld; verzoekt de Commissie in dit verband een grondige effectbeoordeling te verrichten; wijst erop dat passende zorgvuldigheid aan de dag moet worden gelegd bij de vaststelling van het onderhandelingsmandaat voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en Tunesië inzake de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Tunesische autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme;

2.  is van mening dat moet worden verzekerd dat de ontvangende derde landen volledig conform de artikelen 7 en 8 van het Handvest alsmede andere door het Handvest beschermde fundamentele rechten en vrijheden handelen; doet in dit verband een beroep op de Raad om de door de Commissie voorgestelde onderhandelingsrichtsnoeren aan te vullen met de in deze resolutie vermelde voorwaarden;

3.  neemt er nota van dat tot dusverre geen passende effectbeoordeling is uitgevoerd om gedetailleerd te beoordelen welke risico’s aan de overdracht van persoonsgegevens aan Tunesië kleven voor wat betreft het recht van individuele personen op privacy en gegevensbescherming, maar ook voor andere fundamentele rechten en vrijheden die door het Handvest worden beschermd; verzoekt de Commissie een passende effectbeoordeling uit te voeren om te bepalen welke waarborgen beslist in de overeenkomst moeten worden opgenomen;

4.  stelt dat het beschermingsniveau dat voortvloeit uit de overeenkomst, in wezen gelijkwaardig moet zijn aan het beschermingsniveau dat het EU-recht biedt; benadrukt dat de overeenkomst niet kan worden gesloten als dit niveau niet zowel in de wetgeving als in de praktijk kan worden gegarandeerd;

5.  verzoekt, met het oog op volledige naleving van artikel 8 van het Handvest en artikel 16 VWEU en ter voorkoming van mogelijke aansprakelijkheid van Europol voor schending van het Unierecht inzake gegevensbescherming als gevolg van de overdracht van persoonsgegevens zonder de nodige en passende waarborgen, in de overeenkomst strenge en specifieke bepalingen op te nemen dat het beginsel van doelbinding moet worden geëerbiedigd, alsmede duidelijke voorwaarden voor de verwerking van doorgegeven persoonsgegevens;

6.  verzoekt om aanvulling van richtsnoer B door daarin uitdrukkelijk te verwijzen naar de afspraak dat Europol overeenkomstig artikel 19 van de Europolverordening de beperkingen moet eerbiedigen die gelden voor persoonsgegevens die de lidstaten of andere aanbieders aan Europol verstrekken, met betrekking tot het gebruik van en de toegang tot aan Tunesië overgedragen gegevens;

7.  verzoekt om in de overeenkomst een duidelijke bepaling op te nemen dat voor verdere verwerking altijd voorafgaande schriftelijke toestemming van Europol vereist is; benadrukt dat deze toestemming door Europol moet worden gedocumenteerd en desgevraagd aan de EDPS ter beschikking moet worden gesteld; wenst dat de overeenkomst ook een bepaling bevat op grond waarvan de bevoegde autoriteiten van Tunesië zich aan deze beperkingen moeten houden en moeten aangeven hoe de naleving van deze beperkingen zal worden gehandhaafd;

8.  dringt erop aan dat de overeenkomst een duidelijke en nauwkeurige bepaling bevat tot vaststelling van de bewaringstermijn van doorgegeven persoonsgegevens en met de verplichting de doorgegeven persoonsgegevens aan het einde van de bewaringstermijn te wissen; verzoekt om opneming van procedurele maatregelen in de overeenkomst om de naleving te waarborgen; dringt erop aan dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer er naar behoren gemotiveerde redenen zijn om de gegevens voor een langere periode, tot na het verstrijken van de bewaringstermijn, op te slaan, deze redenen met de begeleidende documentatie worden meegedeeld aan Europol en de EDPS;

9.  gaat ervan uit dat de in overweging 71 van Richtlijn (EU) 2016/680 vermelde criteria worden toegepast, d.w.z. de doorgifte van persoonsgegevens moet door de bevoegde Tunesische autoriteiten die van Europol persoonsgegevens ontvangen, worden onderworpen aan verplichtingen inzake vertrouwelijkheid, het beginsel van specificiteit, en dat de persoonsgegevens in geen geval zullen worden gebruikt om de doodstraf of enige vorm van wrede of onmenselijke behandeling te vorderen, uit te spreken of uit te voeren;

10.  is van mening dat de categorieën strafbare feiten waarvoor persoonsgegevens worden uitgewisseld, duidelijk moeten worden gedefinieerd en vermeld in de internationale overeenkomst zelf, voor zover beschikbaar in overeenstemming met de EU-definities van strafbare feiten; benadrukt dat in deze lijst duidelijk en nauwkeurig moet worden omschreven welke activiteiten onder dergelijke misdrijven vallen, alsmede welke personen, groepen en organisaties waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de doorgifte;

11.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de zin van artikel 8, lid 3, van het Handvest met de regering van Tunesië te bepalen welke onafhankelijke toezichthoudende autoriteit zal worden belast met het toezicht op de uitvoering van de internationale overeenkomst; dringt erop aan dat een dergelijke autoriteit wordt overeengekomen en opgericht voordat de internationale overeenkomst in werking kan treden; dringt erop aan dat de naam van deze autoriteit uitdrukkelijk in een bijlage bij de overeenkomst wordt vermeld;

12.  is van mening dat elk van beide partijen de internationale overeenkomst moet kunnen opschorten of intrekken in geval van schending ervan, en dat de onafhankelijke toezichthoudende instantie ook bevoegd moet zijn om opschorting of beëindiging van de overeenkomst voor te stellen in geval van schending ervan; is van mening dat persoonsgegevens die onder de werkingssfeer van de overeenkomst vallen en vóór de opschorting of beëindiging van de overeenkomst zijn overgedragen, overeenkomstig de overeenkomst verder mogen worden verwerkt; is van mening dat er een periodieke evaluatie van de overeenkomst moet worden ingesteld om de naleving van de overeenkomst door de partijen te beoordelen;

13.  is van mening dat er een duidelijke definitie van het begrip "individuele gevallen" moet komen, omdat dit begrip nodig is voor de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijk strafrechtelijk onderzoek;

14.  is van mening dat het begrip "redelijke gronden" moet worden gedefinieerd om de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens te kunnen beoordelen; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijk strafrechtelijk onderzoek;

15.  benadrukt dat gegevens die aan een ontvangende autoriteit worden doorgegeven, nooit door andere autoriteiten verder kunnen worden verwerkt en dat daartoe een uitputtende lijst moet worden opgesteld van de bevoegde autoriteiten in Tunesië waaraan Europol gegevens kan doorgeven, met inbegrip van een beschrijving van de bevoegdheden van die autoriteiten; is van mening dat elke wijziging van deze lijst ter vervanging of toevoeging van een nieuwe bevoegde autoriteit een herziening van de internationale overeenkomst vereist;

16.  stelt dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van Tunesië aan andere autoriteiten in Tunesië alleen kan worden toegestaan om aan het oorspronkelijke doel van de doorgifte door Europol te voldoen, en dat de onafhankelijke autoriteit, de EDPS en Europol hiervan altijd in kennis moeten worden gesteld;

17.  onderstreept dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van Tunesië aan andere landen verboden is en tot onmiddellijke beëindiging van de internationale overeenkomst zou leiden;

18.  is van mening dat in de internationale overeenkomst met Tunesië het recht van betrokkenen op informatie, rectificatie en wissing van gegevens als bepaald in andere Uniewetgeving inzake gegevensbescherming moet worden vermeld;

19.  wijst erop dat de doorgifte van persoonsgegevens waaruit iemands raciale of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakbond, genetische gegevens of gegevens over gezondheid en seksleven naar voren komen, uiterst gevoelig ligt en aanleiding geeft tot grote bezorgdheid gezien het verschillende rechtskader, de maatschappelijke kenmerken en de culturele achtergrond van Tunesië in vergelijking met de Europese Unie; benadrukt dat strafbare handelingen in de Unie anders worden gedefinieerd dan in Tunesië; is van mening dat een dergelijke doorgifte van gegevens daarom alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mag plaatsvinden en omgeven moet zijn met duidelijke waarborgen voor de betrokkene en personen die banden hebben met de betrokkene; acht het noodzakelijk specifieke waarborgen te bepalen die Tunesië in acht moet nemen wat betreft de grondrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst en de menselijke waardigheid;

20.  is van mening dat in de overeenkomst een evaluatiemechanisme moet worden opgenomen en dat de overeenkomst aan periodieke beoordelingen moet worden onderworpen om de werking ervan te evalueren met betrekking tot de operationele behoeften van Europol alsmede de naleving van de Europese rechten en beginselen inzake gegevensbescherming;

21.  verzoekt de Commissie vóór de afronding van de internationale overeenkomst het advies van de EDPS in te winnen, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 2016/794 en Verordening (EG) nr. 45/2001;

22.  benadrukt dat het Parlement de sluiting van de overeenkomst slechts zal goedkeuren indien het overeenkomstig artikel 218 VWEU op bevredigende wijze bij iedere fase van de procedure wordt betrokken;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering van Tunesië.

(1) PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(3) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(4) PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.
(5) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0366.
(7) Programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020, goedgekeurd door de raad van bestuur van Europol op 30 november 2017, EDOC#856927v18.


Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Marokko op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
PDF 140kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Marokkaanse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)08082018/2064(INI))
P8_TA(2018)0299A8-0238/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Marokkaanse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)0808),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 7 en 8,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 6, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 16 en 218,

–  gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(2),

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(3),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(5),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa betreffende gegevensbescherming (ETS nr. 108) en het aanvullend protocol van 8 november 2001 bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens inzake toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdend verkeer van gegevens (ETS nr. 181),

–  gezien advies 2/2018 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) over acht onderhandelingsmandaten met het oog op de sluiting van internationale overeenkomsten waarmee de uitwisseling van gegevens tussen Europol en derde landen wordt toegestaan,

–  gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit(6),

–  gezien de overeenstemming die het Europees Parlement en de Raad hebben bereikt met het oog op het voorstel voor een verordening betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (COM(2017)0008), en met name het hoofdstuk over de verwerking van operationele persoonsgegevens, dat van toepassing is op de organen en instanties van de Unie bij de uitvoering van activiteiten welke onder het toepassingsgebied van titel V, hoofdstukken 4 en 5, van het derde deel van het VWEU vallen,

–  gezien artikel 108, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0238/2018),

A.  overwegende dat op grond van Verordening (EU) 2016/794 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) persoonsgegevens aan een autoriteit van een derde land of aan een internationale organisatie kunnen worden doorgegeven, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken van Europol, op basis van een adequaatheidsbesluit van de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/680, een internationale overeenkomst uit hoofde van artikel 218 VWEU waarin passende waarborgen worden geboden, of samenwerkingsovereenkomsten die de uitwisseling van persoonsgegevens toestaan en die vóór 1 mei 2017 zijn gesloten, en, in uitzonderlijke situaties, per geval onder strikte voorwaarden, zoals bepaald in artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) 2016/794, en mits er adequate waarborgen bestaan;

B.  overwegende dat internationale overeenkomsten waarbij Europol en derde landen mogen samenwerken en persoonsgegevens mogen uitwisselen, in overeenstemming moeten zijn met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 VWEU, en dus het beginsel van doelbinding, het recht van toegang en het recht op rectificatie moeten eerbiedigen, en onder toezicht van een onafhankelijke autoriteit moeten staan, zoals uitdrukkelijk in het Handvest is bepaald, en aantoonbaar noodzakelijk en evenredig voor de vervulling van de taken van Europol moeten zijn;

C.  overwegende dat een dergelijke doorgifte moet stoelen op een internationale overeenkomst die op grond van artikel 218 VWEU is gesloten tussen de Unie en dat derde land en waarin passende waarborgen zijn opgenomen ter bescherming van de privacy en de fundamentele rechten en vrijheden van personen;

D.  overwegende dat er in het programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020(7) op wordt gewezen dat een meer multidisciplinaire aanpak, met inbegrip van het bundelen van de nodige deskundigheid en informatie van steeds meer partners, steeds belangrijker wordt voor de taakvervulling van Europol;

E.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit heeft benadrukt dat strategische en operationele samenwerkingsovereenkomsten tussen Europol en derde landen zowel de uitwisseling van informatie als de praktische samenwerking in de strijd tegen cybercriminaliteit vergemakkelijken;

F.  overwegende dat Europol in het verleden reeds diverse overeenkomsten over gegevensuitwisseling met derde landen heeft opgesteld, waaronder met Albanië, Australië, Bosnië en Herzegovina, Canada, Colombia, Georgië, IJsland, Liechtenstein, Moldavië, Monaco, Montenegro, Noorwegen, Oekraïne, Servië, de Verenigde Staten van Amerika, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Zwitserland;

G.  overwegende dat de EDPS sinds 1 mei 2017 als toezichthouder voor Europol fungeert en ook de adviseur van de EU-instellingen is inzake beleid en wetgeving inzake gegevensbescherming;

1.  is van mening dat de noodzaak alsook de evenredigheid van de samenwerking met het Koninkrijk Marokko op het gebied van wetshandhaving voor de veiligheidsbelangen van de Europese Unie terdege moeten worden beoordeeld; verzoekt de Commissie in dit verband een grondige effectbeoordeling te verrichten; wijst erop dat passende zorgvuldigheid aan de dag moet worden gelegd bij de vaststelling van het onderhandelingsmandaat voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko inzake de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Marokkaanse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme;

2.  is van mening dat moet worden verzekerd dat de ontvangende derde landen volledig conform de artikelen 7 en 8 van het Handvest alsmede andere door het Handvest beschermde fundamentele rechten en vrijheden handelen; doet in dit verband een beroep op de Raad om de door de Commissie voorgestelde onderhandelingsrichtsnoeren aan te vullen met de in deze resolutie vermelde voorwaarden;

3.  neemt er nota van dat tot dusverre geen passende effectbeoordeling is uitgevoerd om gedetailleerd te beoordelen welke risico's aan de overdracht van persoonsgegevens aan het Koninkrijk Marokko kleven voor wat betreft het recht van individuele personen op privacy en gegevensbescherming, maar ook voor andere fundamentele rechten en vrijheden die door het Handvest worden beschermd; verzoekt de Commissie een passende effectbeoordeling uit te voeren om te bepalen welke waarborgen beslist in de overeenkomst moeten worden opgenomen;

4.  stelt dat het beschermingsniveau dat voortvloeit uit de overeenkomst, in wezen gelijkwaardig moet zijn aan het beschermingsniveau dat het Unierecht biedt; benadrukt dat de overeenkomst niet kan worden gesloten als dit niveau niet zowel in de wetgeving als in de praktijk kan worden gegarandeerd;

5.  verzoekt, met het oog op volledige naleving van artikel 8 van het Handvest en artikel 16 VWEU en ter voorkoming van mogelijke aansprakelijkheid van Europol voor schending van het Unierecht inzake gegevensbescherming als gevolg van de overdracht van persoonsgegevens zonder de nodige en passende waarborgen, in de overeenkomst strenge en specifieke bepalingen op te nemen dat het beginsel van doelbinding moet worden geëerbiedigd, alsmede duidelijke voorwaarden voor de verwerking van doorgegeven persoonsgegevens;

6.  verzoekt om aanvulling van richtsnoer B door daarin uitdrukkelijk te verwijzen naar de afspraak dat Europol overeenkomstig artikel 19 van de Europolverordening de beperkingen moet eerbiedigen die gelden voor persoonsgegevens die de lidstaten of andere aanbieders aan Europol verstrekken, met betrekking tot het gebruik van en de toegang tot aan het Koninkrijk Marokko overgedragen gegevens;

7.  verzoekt om in de overeenkomst een duidelijke bepaling op te nemen dat voor verdere verwerking altijd voorafgaande schriftelijke toestemming van Europol vereist is; benadrukt dat deze toestemming door Europol moet worden gedocumenteerd en desgevraagd aan de EDPS ter beschikking moet worden gesteld; wenst dat de overeenkomst ook een bepaling bevat op grond waarvan de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Marokko zich aan deze beperkingen moeten houden en moeten aangeven hoe de naleving van deze beperkingen zal worden gehandhaafd;

8.  dringt erop aan dat de overeenkomst een duidelijke en nauwkeurige bepaling bevat tot vaststelling van de bewaringstermijn van doorgegeven persoonsgegevens en met de verplichting de doorgegeven persoonsgegevens aan het einde van de bewaringstermijn te wissen; verzoekt om opneming van procedurele maatregelen in de overeenkomst om de naleving te waarborgen; dringt erop aan dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer er naar behoren gemotiveerde redenen zijn om de gegevens voor een langere periode, tot na het verstrijken van de bewaringstermijn, op te slaan, deze redenen met de begeleidende documentatie worden meegedeeld aan Europol en de EDPS;

9.  gaat ervan uit dat de in overweging 71 van Richtlijn (EU) 2016/680 vermelde criteria worden toegepast, d.w.z. de doorgifte van persoonsgegevens moet door de bevoegde Marokkaanse autoriteiten die van Europol persoonsgegevens ontvangen, worden onderworpen aan verplichtingen inzake vertrouwelijkheid, het beginsel van specificiteit, en dat de persoonsgegevens in geen geval zullen worden gebruikt om de doodstraf of enige vorm van wrede of onmenselijke behandeling te vorderen, uit te spreken of uit te voeren;

10.  is van mening dat de categorieën strafbare feiten waarvoor persoonsgegevens worden uitgewisseld, duidelijk moeten worden gedefinieerd en vermeld in de internationale overeenkomst zelf, voor zover beschikbaar in overeenstemming met de EU-definities van strafbare feiten; benadrukt dat in deze lijst duidelijk en nauwkeurig moet worden omschreven welke activiteiten onder dergelijke misdrijven vallen, alsmede welke personen, groepen en organisaties waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de doorgifte;

11.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de zin van artikel 8, lid 3, van het Handvest met de regering van het Koninkrijk Marokko te bepalen welke onafhankelijke toezichthoudende autoriteit zal worden belast met het toezicht op de uitvoering van de internationale overeenkomst; dringt erop aan dat een dergelijke autoriteit wordt overeengekomen en opgericht voordat de internationale overeenkomst in werking kan treden; dringt erop aan dat de naam van deze autoriteit uitdrukkelijk in een bijlage bij de overeenkomst wordt vermeld;

12.  is van mening dat elk van beide partijen de internationale overeenkomst moet kunnen opschorten of intrekken in geval van schending ervan, en dat de onafhankelijke toezichthoudende instantie ook bevoegd moet zijn om opschorting of beëindiging van de overeenkomst voor te stellen in geval van schending ervan; is van mening dat persoonsgegevens die onder de werkingssfeer van de overeenkomst vallen en vóór de opschorting of beëindiging van de overeenkomst zijn overgedragen, overeenkomstig de overeenkomst verder mogen worden verwerkt; is van mening dat er een periodieke evaluatie van de overeenkomst moet worden ingesteld om de naleving van de overeenkomst door de partijen te beoordelen;

13.  is van mening dat er een duidelijke definitie van het begrip "individuele gevallen" moet komen, omdat dit begrip nodig is voor de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijke strafrechtelijke onderzoeken;

14.  is van mening dat het begrip "redelijke gronden" moet worden gedefinieerd om de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens te kunnen beoordelen; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijke strafrechtelijke onderzoeken;

15.  benadrukt dat gegevens die aan een ontvangende autoriteit worden doorgegeven, nooit door andere autoriteiten verder kunnen worden verwerkt en dat daartoe een uitputtende lijst moet worden opgesteld van de bevoegde autoriteiten in het Koninkrijk Marokko waaraan Europol gegevens kan doorgeven, met inbegrip van een beschrijving van de bevoegdheden van die autoriteiten; is van mening dat elke wijziging van deze lijst ter vervanging of toevoeging van een nieuwe bevoegde autoriteit een herziening van de internationale overeenkomst vereist;

16.  stelt dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Marokko aan andere autoriteiten in het Koninkrijk Marokko alleen kan worden toegestaan om aan het oorspronkelijke doel van de doorgifte door Europol te voldoen, en dat de onafhankelijke autoriteit, de EDPS en Europol hiervan altijd in kennis moeten worden gesteld;

17.  onderstreept dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Marokko aan andere landen verboden is en tot onmiddellijke beëindiging van de internationale overeenkomst zou leiden;

18.  is van mening dat in de internationale overeenkomst met het Koninkrijk Marokko het recht van betrokkenen op informatie, rectificatie en wissing van gegevens als bepaald in andere Uniewetgeving inzake gegevensbescherming moet worden vermeld;

19.  wijst erop dat de doorgifte van persoonsgegevens waaruit iemands raciale of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakbond, genetische gegevens of gegevens over gezondheid en seksleven naar voren komen, uiterst gevoelig ligt en aanleiding geeft tot grote bezorgdheid gezien het verschil in rechtskader, maatschappelijke kenmerken en culturele achtergrond tussen het Koninkrijk Marokko en de Europese Unie; benadrukt het feit dat strafbare handelingen in de Unie anders worden gedefinieerd dan in het Koninkrijk Marokko; is van mening dat een dergelijke doorgifte van gegevens daarom alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mag plaatsvinden en omgeven moet zijn met duidelijke waarborgen voor de betrokkene en personen die banden hebben met de betrokkene; acht het noodzakelijk specifieke waarborgen te bepalen die het Koninkrijk Marokko in acht moet nemen wat betreft de grondrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst en de menselijke waardigheid;

20.  is van mening dat in de overeenkomst een evaluatiemechanisme moet worden opgenomen en dat de overeenkomst aan periodieke beoordelingen moet worden onderworpen om de werking ervan te evalueren met betrekking tot de operationele behoeften van Europol alsmede de naleving van de Europese rechten en beginselen inzake gegevensbescherming;

21.  verzoekt de Commissie vóór de afronding van de internationale overeenkomst het advies van de EDPS in te winnen, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 en Verordening (EG) nr. 45/2001;

22.  benadrukt dat het Parlement de sluiting van de overeenkomst slechts zal goedkeuren indien het op bevredigende wijze bij iedere fase van de procedure wordt betrokken overeenkomstig artikel 218 VWEU;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering van het Koninkrijk Marokko.

(1) PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(3) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(4) PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.
(5) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0366.
(7) Programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020, goedgekeurd door de raad van bestuur van Europol op 30 november 2017, EDOC#856927v18.


Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Libanon op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
PDF 141kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over de aanbeveling, van de Commissie, voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Libanon op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Libanese autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)08052018/2065(INI))
P8_TA(2018)0300A8-0234/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling, van de Commissie, voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Libanon op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Libanese autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)0805),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 7 en 8,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 6, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 16 en 218,

–  gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(2),

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(3),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(5),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa betreffende gegevensbescherming (ETS nr. 108) en het aanvullend protocol van 8 november 2001 bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens inzake toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdend verkeer van gegevens (ETS nr. 181),

–  gezien advies 2/2018 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) over acht onderhandelingsmandaten met het oog op de sluiting van internationale overeenkomsten waarmee de uitwisseling van gegevens tussen Europol en derde landen wordt toegestaan,

–  gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit(6),

–  gezien de overeenstemming die het Europees Parlement en de Raad hebben bereikt met het oog op het voorstel voor een verordening betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (COM(2017)0008), en met name het hoofdstuk over de verwerking van operationele persoonsgegevens, dat van toepassing is op de organen en instanties van de Unie bij de uitvoering van activiteiten welke onder het toepassingsgebied van titel V, hoofdstukken 4 en 5, van het derde deel van het VWEU vallen,

–  gezien artikel 108, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0234/2018),

A.  overwegende dat op grond van Verordening (EU) 2016/794 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) persoonsgegevens aan een autoriteit van een derde land of aan een internationale organisatie kunnen worden overgedragen, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken van Europol, op basis van een adequaatheidsbesluit van de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/680, een internationale overeenkomst uit hoofde van artikel 218 VWEU waarin passende waarborgen worden geboden, of samenwerkingsovereenkomsten die de uitwisseling van persoonsgegevens toestaan en die vóór 1 mei 2017 zijn gesloten, en, in uitzonderlijke gevallen, per geval onder strikte voorwaarden, zoals bepaald in artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) 2016/794, en mits er adequate waarborgen bestaan;

B.  overwegende dat internationale overeenkomsten waarbij Europol en derde landen mogen samenwerken en persoonsgegevens mogen uitwisselen, in overeenstemming moeten zijn met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 VWEU, hetgeen inhoudt dat de gegevensuitwisseling in overeenstemming moet zijn met het beginsel van doelbinding, het recht van toegang en het recht op rectificatie, en onderworpen moet zijn aan toetsing door een onafhankelijke autoriteit, zoals in het Handvest uitdrukkelijk is bepaald, en bovendien evenredig moet zijn en noodzakelijk met het oog op de vervulling van de taken van Europol;

C.  overwegende dat een dergelijke overdracht moet stoelen op een internationale overeenkomst die op grond van artikel 218 VWEU is gesloten tussen de Unie en dat derde land en waarin passende waarborgen zijn opgenomen ter bescherming van de privacy en de fundamentele rechten en vrijheden van personen;

D.  overwegende dat in het programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020(7) erop wordt gewezen dat een meer multidisciplinaire aanpak, met inbegrip van het bundelen van de nodige deskundigheid en informatie van steeds meer partners, steeds belangrijker wordt voor de taakvervulling van Europol;

E.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit heeft benadrukt dat strategische en operationele samenwerkingsovereenkomsten tussen Europol en derde landen zowel de uitwisseling van informatie als de praktische samenwerking in de strijd tegen cybercriminaliteit vergemakkelijken;

F.  overwegende dat Europol in het verleden reeds meerdere overeenkomsten over gegevensuitwisseling met derde landen heeft opgesteld, zoals met Albanië, Australië, Bosnië en Herzegovina, Canada, Colombia, Georgië, IJsland, Liechtenstein, Moldavië, Monaco, Montenegro, Noorwegen, Oekraïne, Servië, de Verenigde Staten van Amerika, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Zwitserland;

G.  overwegende dat de EDPS sinds 1 mei 2017 als toezichthouder voor Europol fungeert en ook de adviseur van de EU-instellingen is inzake beleid en wetgeving inzake gegevensbescherming;

1.  is van mening dat de noodzaak alsook de evenredigheid van de samenwerking met de Republiek Libanon op het gebied van wetshandhaving voor de veiligheidsbelangen van de Europese Unie terdege moeten worden beoordeeld; verzoekt de Commissie in dit verband een grondige effectbeoordeling te verrichten; wijst erop dat passende zorgvuldigheid aan de dag moet worden gelegd bij de vaststelling van het onderhandelingsmandaat voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Libanon inzake de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Libanese autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme;

2.  is van mening dat moet worden verzekerd dat de ontvangende derde landen volledig conform de artikelen 7 en 8 van het Handvest alsmede andere door het Handvest beschermde fundamentele rechten en vrijheden handelen; doet in dit verband een beroep op de Raad om de door de Commissie voorgestelde onderhandelingsrichtsnoeren aan te vullen met de in deze resolutie vermelde voorwaarden;

3.  neemt er nota van dat tot dusverre geen passende effectbeoordeling is uitgevoerd om gedetailleerd te beoordelen welke risico's aan de overdracht van persoonsgegevens aan de Republiek Libanon kleven voor wat betreft het recht van individuele personen op privacy en gegevensbescherming, maar ook voor andere fundamentele rechten en vrijheden die door het Handvest worden beschermd; verzoekt de Commissie een passende effectbeoordeling uit te voeren om te bepalen welke waarborgen beslist in de overeenkomst moeten worden opgenomen;

4.  stelt dat het beschermingsniveau dat voortvloeit uit de overeenkomst, in wezen gelijkwaardig moet zijn aan het beschermingsniveau dat het Unierecht biedt; benadrukt dat de overeenkomst niet kan worden gesloten als dit niveau niet zowel in de wetgeving als in de praktijk kan worden gegarandeerd;

5.  verzoekt, met het oog op volledige naleving van artikel 8 van het Handvest en artikel 16 VWEU en ter voorkoming van mogelijke aansprakelijkheid van Europol voor schending van het Unierecht inzake gegevensbescherming als gevolg van de overdracht van persoonsgegevens zonder de nodige en passende waarborgen, in de overeenkomst strenge en specifieke bepalingen op te nemen dat het beginsel van doelbinding moet worden geëerbiedigd, alsmede duidelijke voorwaarden voor de verwerking van doorgegeven persoonsgegevens;

6.  verzoekt om aanvulling van richtsnoer B door daarin uitdrukkelijk te verwijzen naar de afspraak dat Europol overeenkomstig artikel 19 van de Europolverordening de beperkingen moet eerbiedigen die gelden voor persoonsgegevens die de lidstaten of andere aanbieders aan Europol verstrekken, met betrekking tot het gebruik van en de toegang tot aan de Republiek Libanon overgedragen gegevens;

7.  verzoekt om in de overeenkomst een duidelijke bepaling op te nemen dat voor verdere verwerking altijd voorafgaande schriftelijke toestemming van Europol vereist is; benadrukt dat deze toestemming door Europol moet worden gedocumenteerd en desgevraagd aan de EDPS ter beschikking moet worden gesteld; wenst dat de overeenkomst ook een bepaling bevat op grond waarvan de bevoegde autoriteiten van de Republiek Libanon zich aan deze beperkingen moeten houden en moeten aangeven hoe de naleving van deze beperkingen zal worden gehandhaafd;

8.  dringt erop aan dat de overeenkomst een duidelijke en nauwkeurige bepaling bevat tot vaststelling van de bewaringstermijn van doorgegeven persoonsgegevens en met de verplichting de doorgegeven persoonsgegevens aan het einde van de bewaringstermijn te wissen; verzoekt om opneming van procedurele maatregelen in de overeenkomst om de naleving te waarborgen; dringt erop aan dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer er naar behoren gemotiveerde redenen zijn om de gegevens voor een langere periode, tot na het verstrijken van de bewaringstermijn, op te slaan, deze redenen met de begeleidende documentatie worden meegedeeld aan Europol en de EDPS;

9.  gaat ervan uit dat de in overweging 71 van Richtlijn (EU) 2016/680 vermelde criteria worden toegepast, d.w.z. de doorgifte van persoonsgegevens moet door de bevoegde Libanese autoriteiten die van Europol persoonsgegevens ontvangen, worden onderworpen aan verplichtingen inzake vertrouwelijkheid, het beginsel van specificiteit, en dat de persoonsgegevens in geen geval zullen worden gebruikt om de doodstraf of enige vorm van wrede of onmenselijke behandeling te vorderen, uit te spreken of uit te voeren;

10.  is van mening dat de categorieën strafbare feiten waarvoor persoonsgegevens worden uitgewisseld, duidelijk moeten worden gedefinieerd en vermeld in de internationale overeenkomst zelf, voor zover beschikbaar in overeenstemming met de EU-definities van strafbare feiten; benadrukt dat in deze lijst duidelijk en nauwkeurig moet worden omschreven welke activiteiten onder dergelijke misdrijven vallen, alsmede welke personen, groepen en organisaties waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de doorgifte;

11.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de zin van artikel 8, lid 3, van het Handvest met de regering van de Republiek Libanon te bepalen welke onafhankelijke toezichthoudende autoriteit zal worden belast met het toezicht op de uitvoering van de internationale overeenkomst; dringt erop aan dat een dergelijke autoriteit wordt overeengekomen en opgericht voordat de internationale overeenkomst in werking kan treden; dringt erop aan dat de naam van deze autoriteit uitdrukkelijk in een bijlage bij de overeenkomst wordt vermeld;

12.  is van mening dat elk van beide partijen de internationale overeenkomst moet kunnen opschorten of intrekken in geval van schending ervan, en dat de onafhankelijke toezichthoudende instantie ook bevoegd moet zijn om opschorting of beëindiging van de overeenkomst voor te stellen in geval van schending ervan; is van mening dat persoonsgegevens die onder de werkingssfeer van de overeenkomst vallen en vóór de opschorting of beëindiging van de overeenkomst zijn overgedragen, overeenkomstig de overeenkomst verder mogen worden verwerkt; is van mening dat er een periodieke evaluatie van de overeenkomst moet worden ingesteld om de naleving van de overeenkomst door de partijen te beoordelen;

13.  is van mening dat er een duidelijke definitie van het begrip "individuele gevallen" moet komen, omdat dit begrip nodig is voor de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijke strafrechtelijke onderzoeken;

14.  is van mening dat het begrip "redelijke gronden" moet worden gedefinieerd om de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens te kunnen beoordelen; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijke strafrechtelijke onderzoeken;

15.  benadrukt dat gegevens die aan een ontvangende autoriteit worden doorgegeven, nooit door andere autoriteiten verder kunnen worden verwerkt en dat daartoe een uitputtende lijst moet worden opgesteld van de bevoegde autoriteiten in de Republiek Libanon waaraan Europol gegevens kan doorgeven, met inbegrip van een beschrijving van de bevoegdheden van die autoriteiten; is van mening dat elke wijziging van deze lijst ter vervanging of toevoeging van een nieuwe bevoegde autoriteit een herziening van de internationale overeenkomst vereist;

16.  stelt dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van de Republiek Libanon aan andere autoriteiten in de Republiek Libanon alleen kan worden toegestaan om aan het oorspronkelijke doel van de doorgifte door Europol te voldoen, en dat de onafhankelijke autoriteit, de EDPS en Europol hiervan altijd in kennis moeten worden gesteld;

17.  onderstreept dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van de Republiek Libanon aan andere landen verboden is en tot onmiddellijke beëindiging van de internationale overeenkomst zou leiden;

18.  is van mening dat in de internationale overeenkomst met de Republiek Libanon het recht van betrokkenen op informatie, rectificatie en wissing van gegevens als bepaald in andere Uniewetgeving inzake gegevensbescherming moet worden vermeld;

19.  wijst erop dat de doorgifte van persoonsgegevens waaruit iemands raciale of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakbond, genetische gegevens of gegevens over gezondheid en seksleven naar voren komen, uiterst gevoelig ligt en aanleiding geeft tot grote bezorgdheid gezien het verschillende rechtskader, de maatschappelijke kenmerken en de culturele achtergrond van de Republiek Libanon in vergelijking met de Europese Unie; benadrukt het feit dat strafbare handelingen in de Unie anders worden gedefinieerd dan in de Republiek Libanon; is van mening dat een dergelijke doorgifte van gegevens daarom alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mag plaatsvinden en omgeven moet zijn met duidelijke waarborgen voor de betrokkene en personen die banden hebben met de betrokkene; acht het noodzakelijk specifieke waarborgen te bepalen die de Republiek Libanon in acht moet nemen wat betreft de grondrechten, waaronder de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst en de menselijke waardigheid;

20.  is van mening dat in de overeenkomst een evaluatiemechanisme moet worden opgenomen en dat de overeenkomst aan periodieke beoordelingen moet worden onderworpen om de werking ervan te evalueren met betrekking tot de operationele behoeften van Europol alsmede de naleving van de Europese rechten en beginselen inzake gegevensbescherming;

21.  verzoekt de Commissie vóór de afronding van de internationale overeenkomst het advies van de EDPS in te winnen, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 en Verordening (EG) nr. 45/2001;

22.  benadrukt dat het Parlement de sluiting van de overeenkomst slechts zal goedkeuren indien het op bevredigende wijze bij iedere fase van de procedure wordt betrokken overeenkomstig artikel 218 VWEU;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering van de Republiek Libanon.

(1) PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(3) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(4) PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.
(5) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0366.
(7) Programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020, goedgekeurd door de raad van bestuur van Europol op 30 november 2017, EDOC#856927v18.


Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Egypte op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
PDF 142kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Arabische Republiek Egypte op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Egyptische autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)08092018/2066(INI))
P8_TA(2018)0301A8-0236/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Arabische Republiek Egypte op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Egyptische autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)0809),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 7 en 8,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 6, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 16 en 218,

–  gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(2),

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(3),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(5),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa betreffende gegevensbescherming (ETS nr. 108) en het aanvullend protocol van 8 november 2001 bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens inzake toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdend verkeer van gegevens (ETS nr. 181),

–  gezien advies 2/2018 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) over acht onderhandelingsmandaten met het oog op de sluiting van internationale overeenkomsten waarmee de uitwisseling van gegevens tussen Europol en derde landen wordt toegestaan,

–  gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit(6),

–  gezien de overeenstemming die het Europees Parlement en de Raad hebben bereikt met het oog op het voorstgel voor een verordening betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG COM(2017)0008, en met name het hoofdstuk over de verwerking van operationele persoonsgegevens, dat van toepassing is op de organen en instanties van de Unie bij de uitvoering van activiteiten welke onder het toepassingsgebied van titel V, hoofdstukken 4 en 5, van het derde deel van het VWEU vallen,

–  gezien artikel 108, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0236/2018),

A.  overwegende dat op grond van Verordening (EU) 2016/794 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) persoonsgegevens aan een autoriteit van een derde land of aan een internationale organisatie kunnen worden doorgegeven, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken van Europol, op basis van een adequaatheidsbesluit van de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/680, een internationale overeenkomst uit hoofde van artikel 218 VWEU waarin passende waarborgen worden geboden, of samenwerkingsovereenkomsten die de uitwisseling van persoonsgegevens toestaan en die vóór 1 mei 2017 zijn gesloten, en, in uitzonderlijke situaties, per geval onder strikte voorwaarden, zoals bepaald in artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) 2016/794, en mits er adequate waarborgen bestaan;

B.  overwegende dat internationale overeenkomsten waarbij Europol en derde landen mogen samenwerken en persoonsgegevens mogen uitwisselen, in overeenstemming moeten zijn met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 VWEU, en dus het beginsel van doelbinding en de rechten op toegang en rectificatie en het toezicht door een onafhankelijke, specifiek in het Handvest genoemde instantie moeten eerbiedigen en aantoonbaar noodzakelijk en evenredig voor de vervulling van de taken van Europol moeten zijn;

C.  overwegende dat een dergelijke doorgifte moet stoelen op een internationale overeenkomst die op grond van artikel 218 VWEU is gesloten tussen de Unie en dat derde land en waarin passende waarborgen zijn opgenomen ter bescherming van de privacy en de fundamentele rechten en vrijheden van personen;

D.  overwegende dat in de afgelopen jaren verscheidene mensenrechtenschendingen in de Arabische Republiek Egypte bekend zijn geworden; overwegende dat met name afwijkende standpunten meedogenloos onderdrukt zijn, waarbij onder meer journalisten, politieke activisten en mensenrechtenactivisten geviseerd zijn; overwegende dat voortdurend melding is gemaakt van gevallen van foltering; overwegende dat elk doeltreffend onderzoek van mensenrechtenschendingen door overheidsfunctionarissen onmogelijk was vanwege wijdverbreide straffeloosheid;

E.  overwegende dat er in het programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020(7) op wordt gewezen dat een meer multidisciplinaire aanpak, met inbegrip van het bundelen van de nodige deskundigheid en informatie van steeds meer partners, steeds belangrijker wordt voor de taakvervulling van Europol;

F.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de bestrijding van cybercriminaliteit heeft onderstreept dat strategische en operationele samenwerkingsovereenkomsten tussen Europol en derde landen zowel de uitwisseling van informatie als de praktische samenwerking in de strijd tegen cybercriminaliteit vergemakkelijken;

G.  overwegende dat Europol in het verleden reeds meerdere overeenkomsten over gegevensuitwisseling met derde landen heeft opgesteld, zoals met Albanië, Australië, Bosnië en Herzegovina, Canada, Colombia, Georgië, IJsland, Liechtenstein, Moldavië, Monaco, Montenegro, Noorwegen, Oekraïne, Servië, de Verenigde Staten van Amerika, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Zwitserland;

H.  overwegende dat de EDPS sinds 1 mei 2017 als toezichthouder voor Europol fungeert en ook de adviseur van de EU-instellingen is inzake beleid en wetgeving inzake gegevensbescherming;

1.  is van mening dat de noodzaak alsook de evenredigheid van de samenwerking met de Arabische Republiek Egypte op het gebied van wetshandhaving voor de veiligheidsbelangen van de Europese Unie terdege moeten worden beoordeeld; verzoekt de Commissie in dit verband een grondige effectbeoordeling te verrichten; wijst erop dat passende zorgvuldigheid aan de dag moet worden gelegd bij de vaststelling van het onderhandelingsmandaat voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Arabische Republiek Egypte inzake de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Egyptische autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme;

2.  is van mening dat moet worden verzekerd dat de ontvangende derde landen volledig conform de artikelen 7 en 8 van het Handvest alsmede andere door het Handvest beschermde fundamentele rechten en vrijheden handelen; doet in dit verband een beroep op de Raad om de door de Commissie voorgestelde onderhandelingsrichtsnoeren aan te vullen met de in deze resolutie vermelde voorwaarden;

3.  is van mening dat er ernstige zorgen bestaan over de eerbied voor de mensenrechten in de Arabische Republiek Egypte, met name wat betreft vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en het recht niet te worden onderworpen aan foltering of onmenselijke behandeling, zoals verankerd in het Handvest en in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens;

4.  neemt er nota van dat tot dusverre geen passende effectbeoordeling is uitgevoerd om gedetailleerd te beoordelen welke risico's aan de overdracht van persoonsgegevens aan de Arabische Republiek Egypte kleven voor wat betreft het recht van individuele personen op privacy en gegevensbescherming, maar ook voor andere fundamentele rechten en vrijheden die door het Handvest worden beschermd; verzoekt de Commissie een passende effectbeoordeling uit te voeren om te bepalen welke waarborgen beslist in de overeenkomst moeten worden opgenomen;

5.  stelt dat het beschermingsniveau dat voortvloeit uit de overeenkomst, in wezen gelijkwaardig moet zijn aan het beschermingsniveau dat het Unierecht biedt; benadrukt dat de overeenkomst niet kan worden gesloten als dit niveau niet zowel in de wetgeving als in de praktijk kan worden gegarandeerd;

6.  verzoekt, met het oog op volledige naleving van artikel 8 van het Handvest en artikel 16 VWEU en ter voorkoming van mogelijke aansprakelijkheid van Europol voor schending van het Unierecht inzake gegevensbescherming als gevolg van de overdracht van persoonsgegevens zonder de nodige en passende waarborgen, in de overeenkomst strenge en specifieke bepalingen op te nemen dat het beginsel van doelbinding moet worden geëerbiedigd, alsmede duidelijke voorwaarden voor de verwerking van doorgegeven persoonsgegevens;

7.  verzoekt om aanvulling van richtsnoer B door daarin uitdrukkelijk te verwijzen naar de afspraak dat Europol overeenkomstig artikel 19 van de Europolverordening de beperkingen moet eerbiedigen die gelden voor persoonsgegevens die de lidstaten of andere aanbieders aan Europol verstrekken, met betrekking tot het gebruik van en de toegang tot aan de Arabische Republiek Egypte overgedragen gegevens;

8.  verzoekt om in de overeenkomst een duidelijke bepaling op te nemen dat voor verdere verwerking altijd voorafgaande schriftelijke toestemming van Europol vereist is; benadrukt dat deze toestemming door Europol moet worden gedocumenteerd en desgevraagd aan de EDPS ter beschikking moet worden gesteld; wenst dat de overeenkomst ook een bepaling bevat op grond waarvan de bevoegde autoriteiten van de Arabische Republiek Egypte zich aan deze beperkingen moeten houden en moeten aangeven hoe de naleving van deze beperkingen zal worden gehandhaafd;

9.  dringt erop aan dat de overeenkomst een duidelijke en nauwkeurige bepaling bevat tot vaststelling van de bewaringstermijn van doorgegeven persoonsgegevens en met de verplichting de doorgegeven persoonsgegevens aan het einde van de bewaringstermijn te wissen; verzoekt om opneming van procedurele maatregelen in de overeenkomst om de naleving te waarborgen; dringt erop aan dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer er naar behoren gemotiveerde redenen zijn om de gegevens voor een langere periode, tot na het verstrijken van de bewaringstermijn, op te slaan, deze redenen met de begeleidende documentatie worden meegedeeld aan Europol en de EDPS;

10.  gaat ervan uit dat de in overweging 71 van Richtlijn (EU) 2016/680 vermelde criteria worden toegepast, d.w.z. de doorgifte van persoonsgegevens moet door de bevoegde Egyptische autoriteiten die van Europol persoonsgegevens ontvangen, worden onderworpen aan verplichtingen inzake vertrouwelijkheid, het beginsel van specificiteit, en dat de persoonsgegevens in geen geval zullen worden gebruikt om de doodstraf of enige vorm van wrede of onmenselijke behandeling te vorderen, uit te spreken of uit te voeren;

11.  is van mening dat de categorieën strafbare feiten waarvoor persoonsgegevens worden uitgewisseld, duidelijk moeten worden gedefinieerd en vermeld in de internationale overeenkomst zelf, voor zover beschikbaar in overeenstemming met de EU-definities van strafbare feiten; benadrukt dat in deze lijst duidelijk en nauwkeurig moet worden omschreven welke activiteiten onder dergelijke misdrijven vallen, alsmede welke personen, groepen en organisaties waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de doorgifte;

12.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de zin van artikel 8, lid 3, van het Handvest met de regering van de Arabische Republiek Egypte te bepalen welke onafhankelijke toezichthoudende autoriteit zal worden belast met het toezicht op de uitvoering van de internationale overeenkomst; dringt erop aan dat een dergelijke autoriteit wordt overeengekomen en opgericht voordat de internationale overeenkomst in werking kan treden; dringt erop aan dat de naam van deze autoriteit uitdrukkelijk in een bijlage bij de overeenkomst wordt vermeld;

13.  is van mening dat elk van beide partijen de internationale overeenkomst moet kunnen opschorten of intrekken in geval van schending ervan, en dat de onafhankelijke toezichthoudende instantie ook bevoegd moet zijn om opschorting of beëindiging van de overeenkomst voor te stellen in geval van schending ervan; is van mening dat persoonsgegevens die onder de werkingssfeer van de overeenkomst vallen en vóór de opschorting of beëindiging van de overeenkomst zijn overgedragen, overeenkomstig de overeenkomst verder mogen worden verwerkt; is van mening dat er een periodieke evaluatie van de overeenkomst moet worden ingesteld om de naleving van de overeenkomst door de partijen te beoordelen;

14.  is van mening dat er een duidelijke definitie van het begrip "individuele gevallen" moet komen, omdat dit begrip nodig is voor de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijke strafrechtelijke onderzoeken;

15.  is van mening dat het begrip "redelijke gronden" moet worden gedefinieerd om de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens te kunnen beoordelen; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijke strafrechtelijke onderzoeken;

16.  benadrukt dat gegevens die aan een ontvangende autoriteit worden doorgegeven, nooit door andere autoriteiten verder kunnen worden verwerkt en dat daartoe een uitputtende lijst moet worden opgesteld van de bevoegde autoriteiten in de Arabische Republiek Egypte waaraan Europol gegevens kan doorgeven, met inbegrip van een beschrijving van de bevoegdheden van die autoriteiten; is van mening dat elke wijziging van deze lijst ter vervanging of toevoeging van een nieuwe bevoegde autoriteit een herziening van de internationale overeenkomst vereist;

17.  stelt dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van de Arabische Republiek Egypte aan andere autoriteiten in de Arabische Republiek Egypte alleen kan worden toegestaan om aan het oorspronkelijke doel van de doorgifte door Europol te voldoen, en dat de onafhankelijke autoriteit, de EDPS en Europol hiervan altijd in kennis moeten worden gesteld;

18.  onderstreept dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van de Arabische Republiek Egypte aan andere landen verboden is en tot onmiddellijke beëindiging van de internationale overeenkomst zou leiden;

19.  is van mening dat in de internationale overeenkomst met de Arabische Republiek Egypte het recht van betrokkenen op informatie, rectificatie en wissing van gegevens als bepaald in andere Uniewetgeving inzake gegevensbescherming moet worden vermeld;

20.  wijst erop dat de doorgifte van persoonsgegevens waaruit iemands raciale of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakbond, genetische gegevens of gegevens over gezondheid en seksleven naar voren komen, uiterst gevoelig ligt en aanleiding geeft tot grote bezorgdheid gezien het verschil in rechtskader, maatschappelijke kenmerken en culturele achtergrond tussen de Arabische Republiek Egypte en de Europese Unie; benadrukt het feit dat strafbare handelingen in de Unie anders worden gedefinieerd dan in de Arabische Republiek Egypte; is van mening dat een dergelijke doorgifte van gegevens daarom alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mag plaatsvinden en omgeven moet zijn met duidelijke waarborgen voor de betrokkene en personen die banden hebben met de betrokkene; acht het noodzakelijk specifieke waarborgen te bepalen die de Arabische Republiek Egypte in acht moet nemen wat betreft de grondrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst en de menselijke waardigheid;

21.  is van mening dat in de overeenkomst een evaluatiemechanisme moet worden opgenomen en dat de overeenkomst aan periodieke beoordelingen moet worden onderworpen om de werking ervan te evalueren met betrekking tot de operationele behoeften van Europol alsmede de naleving van de Europese rechten en beginselen inzake gegevensbescherming;

22.  verzoekt de Commissie vóór de afronding van de internationale overeenkomst het advies van de EDPS in te winnen, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 en Verordening (EG) nr. 45/2001;

23.  benadrukt dat het Parlement de sluiting van de overeenkomst slechts zal goedkeuren indien het op bevredigende wijze bij iedere fase van de procedure wordt betrokken overeenkomstig artikel 218 VWEU;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regering van de Arabische Republiek Egypte.

(1) PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(3) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(4) PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.
(5) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0366.
(7) Programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020, goedgekeurd door de raad van bestuur van Europol op 30 november 2017, EDOC#856927v18.


Het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de EU en Algerije op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme
PDF 144kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018 over de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Democratische Volksrepubliek Algerije op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Algerijnse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)08112018/2067(INI))
P8_TA(2018)0302A8-0239/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Democratische Volksrepubliek Algerije op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Algerijnse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme (COM(2017)0811),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 7 en 8,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 6, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 16 en 218,

–  gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ(1) van de Raad,

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(2),

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(3),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ(5) van de Raad,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa betreffende gegevensbescherming (ETS nr. 108) en het aanvullend protocol van 8 november 2001 bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens inzake toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdend verkeer van gegevens (ETS nr. 181),

–  gezien advies 2/2018 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) over acht onderhandelingsmandaten met het oog op de sluiting van internationale overeenkomsten waarmee de uitwisseling van gegevens tussen Europol en derde landen wordt toegestaan,

–  gezien zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit(6),

–  gezien de overeenstemming die het Europees Parlement en de Raad hebben bereikt met het oog op het voorstel voor een verordening betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (COM(2017)0008), en met name het hoofdstuk over de verwerking van operationele persoonsgegevens, dat van toepassing is op de organen en instanties van de Unie bij de uitvoering van activiteiten welke onder het toepassingsgebied van het derde deel, titel V, hoofdstukken 4 en 5, VWEU vallen;

–  gezien artikel 108, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0239/2018),

A.  overwegende dat op grond van Verordening (EU) 2016/794 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) persoonsgegevens aan een autoriteit van een derde land of aan een internationale organisatie kunnen worden doorgegeven, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken van Europol, op basis van een adequaatheidsbesluit van de Commissie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/680, een internationale overeenkomst uit hoofde van artikel 218 VWEU waarin passende waarborgen worden geboden, of samenwerkingsovereenkomsten die de uitwisseling van persoonsgegevens toestaan en die vóór 1 mei 2017 zijn gesloten, en, in uitzonderlijke situaties, per geval onder strikte voorwaarden, zoals bepaald in artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) 2016/794, en mits er adequate waarborgen bestaan;

B.  overwegende dat internationale overeenkomsten waarbij Europol en derde landen mogen samenwerken en persoonsgegevens mogen uitwisselen, in overeenstemming moeten zijn met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten en artikel 16 VWEU, hetgeen inhoudt dat de gegevensuitwisseling in overeenstemming moet zijn met het beginsel van doelbinding, het recht van toegang en het recht op rectificatie, en onderworpen moet zijn aan toetsing door een onafhankelijke autoriteit, zoals in het Handvest uitdrukkelijk is bepaald, en bovendien evenredig moet zijn en noodzakelijk met het oog op de vervulling van de taken van Europol;

C.  overwegende dat een dergelijke doorgifte moet stoelen op een internationale overeenkomst die op grond van artikel 218 VWEU is gesloten tussen de Unie en dat derde land en waarin passende waarborgen zijn opgenomen ter bescherming van de privacy en de fundamentele rechten en vrijheden van personen;

D.  overwegende dat in het programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020(7) erop wordt gewezen dat een meer multidisciplinaire aanpak, met inbegrip van het bundelen van de nodige deskundigheid en informatie van steeds meer partners, steeds belangrijker wordt voor de taakvervulling van Europol;

E.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 3 oktober 2017 over de strijd tegen cybercriminaliteit heeft benadrukt dat strategische en operationele samenwerkingsovereenkomsten tussen Europol en derde landen zowel de uitwisseling van informatie als de samenwerking in de praktijk in de strijd tegen cybercriminaliteit vergemakkelijken;

F.  overwegende dat Europol in het verleden reeds diverse overeenkomsten over gegevensuitwisseling met derde landen heeft opgesteld, waaronder met Albanië, Australië, Bosnië en Herzegovina, Canada, Colombia, Georgië, IJsland, Liechtenstein, Moldavië, Monaco, Montenegro, Noorwegen, Oekraïne, Servië, de Verenigde Staten van Amerika, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Zwitserland;

G.  overwegende dat de EDPS sinds 1 mei 2017 als toezichthouder voor Europol fungeert en ook de adviseur van de EU-instellingen is inzake beleid en wetgeving inzake gegevensbescherming;

1.  is van mening dat de noodzaak en de evenredigheid van de samenwerking met de Democratische Volksrepubliek Algerije op het gebied van wetshandhaving voor de veiligheidsbelangen van de Europese Unie terdege moeten worden beoordeeld; verzoekt de Commissie in dit verband een grondige effectbeoordeling te verrichten; wijst erop dat gepaste voorzichtigheid geboden is bij de vaststelling van het onderhandelingsmandaat voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Democratische Volksrepubliek Algerije inzake de uitwisseling van persoonsgegevens tussen het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en de Algerijnse autoriteiten die bevoegd zijn voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme;

2.  is van mening dat moet worden verzekerd dat de ontvangende derde landen volledig conform de artikelen 7 en 8 van het Handvest alsmede andere door het Handvest beschermde fundamentele rechten en vrijheden handelen; doet in dit verband een beroep op de Raad om de door de Commissie voorgestelde onderhandelingsrichtsnoeren aan te vullen met de in deze resolutie vermelde voorwaarden;

3.  neemt er nota van dat tot dusverre geen passende effectbeoordeling is uitgevoerd om gedetailleerd te beoordelen welke risico’s aan de overdracht van persoonsgegevens aan de Democratische Volksrepubliek Algerije kleven voor wat betreft het recht van individuele personen op privacy en gegevensbescherming, maar ook voor andere fundamentele rechten en vrijheden die door het Handvest worden beschermd; verzoekt de Commissie een passende effectbeoordeling uit te voeren om te bepalen welke waarborgen beslist in de overeenkomst moeten worden opgenomen;

4.  stelt dat het beschermingsniveau dat voortvloeit uit de overeenkomst, in wezen gelijkwaardig moet zijn aan het beschermingsniveau dat het Unierecht biedt; benadrukt dat de overeenkomst niet kan worden gesloten als dit niveau niet zowel in de wetgeving als in de praktijk kan worden gegarandeerd;

5.  verzoekt, met het oog op volledige naleving van artikel 8 van het Handvest en artikel 16 VWEU en ter voorkoming van mogelijke aansprakelijkheid van Europol voor schending van het Unierecht inzake gegevensbescherming als gevolg van de overdracht van persoonsgegevens zonder de nodige en passende waarborgen, in de overeenkomst strenge en specifieke bepalingen op te nemen dat het beginsel van doelbinding moet worden geëerbiedigd, alsmede duidelijke voorwaarden voor de verwerking van doorgegeven persoonsgegevens;

6.  verzoekt om aanvulling van richtsnoer B door daarin uitdrukkelijk te verwijzen naar de afspraak dat Europol overeenkomstig artikel 19 van de Europolverordening de beperkingen moet eerbiedigen die gelden voor persoonsgegevens die de lidstaten of andere aanbieders aan Europol verstrekken, met betrekking tot het gebruik van en de toegang tot aan de Democratische Volksrepubliek Algerije overgedragen gegevens;

7.  verzoekt om in de overeenkomst een duidelijke bepaling op te nemen dat voor verdere verwerking altijd voorafgaande schriftelijke toestemming van Europol vereist is; benadrukt dat deze toestemming door Europol moet worden gedocumenteerd en desgevraagd aan de EDPS ter beschikking moet worden gesteld; wenst dat de overeenkomst ook een bepaling bevat op grond waarvan de bevoegde autoriteiten van de Democratische Volksrepubliek Algerije zich aan deze beperkingen moeten houden en moeten aangeven hoe de naleving van deze beperkingen zal worden gehandhaafd;

8.  dringt erop aan dat de overeenkomst een duidelijke en nauwkeurige bepaling bevat tot vaststelling van de bewaringstermijn van doorgegeven persoonsgegevens en met de verplichting de doorgegeven persoonsgegevens aan het einde van de bewaringstermijn te wissen; verzoekt om opneming van procedurele maatregelen in de overeenkomst om de naleving te waarborgen; dringt erop aan dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer er naar behoren gemotiveerde redenen zijn om de gegevens voor een langere periode, tot na het verstrijken van de bewaringstermijn, op te slaan, deze redenen met de begeleidende documentatie worden meegedeeld aan Europol en de EDPS;

9.  gaat ervan uit dat de in overweging 71 van Richtlijn (EU) 2016/680 vermelde criteria worden toegepast, d.w.z. de doorgifte van persoonsgegevens moet door de bevoegde Algerijnse autoriteiten die van Europol persoonsgegevens ontvangen, worden onderworpen aan verplichtingen inzake vertrouwelijkheid, het beginsel van specificiteit, en dat de persoonsgegevens in geen geval zullen worden gebruikt om de doodstraf of enige vorm van wrede of onmenselijke behandeling te vorderen, uit te spreken of uit te voeren;

10.  is van mening dat de categorieën strafbare feiten waarvoor persoonsgegevens worden uitgewisseld, duidelijk moeten worden gedefinieerd en vermeld in de internationale overeenkomst zelf, in overeenstemming met de EU-definities van strafbare feiten indien beschikbaar; benadrukt dat in deze lijst duidelijk en nauwkeurig moet worden omschreven welke activiteiten onder dergelijke misdrijven vallen, alsmede welke personen, groepen en organisaties waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de doorgifte;

11.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in de zin van artikel 8, lid 3, van het Handvest met de regering van de Democratische Volksrepubliek Algerije te bepalen welke onafhankelijke toezichthoudende autoriteit zal worden belast met het toezicht op de uitvoering van de internationale overeenkomst; dringt erop aan dat een dergelijke autoriteit wordt overeengekomen en opgericht voordat de internationale overeenkomst in werking kan treden; dringt erop aan dat de naam van deze autoriteit uitdrukkelijk in een bijlage bij de overeenkomst wordt vermeld;

12.  is van mening dat elk van beide partijen de internationale overeenkomst moet kunnen opschorten of intrekken in geval van schending ervan, en dat de onafhankelijke toezichthoudende instantie ook bevoegd moet zijn om opschorting of beëindiging van de overeenkomst voor te stellen in geval van schending ervan; is van mening dat persoonsgegevens die onder de werkingssfeer van de overeenkomst vallen en vóór de opschorting of beëindiging van de overeenkomst zijn overgedragen, overeenkomstig de overeenkomst verder mogen worden verwerkt; is van mening dat er een periodieke evaluatie van de overeenkomst moet worden ingesteld om de naleving van de overeenkomst door de partijen te beoordelen;

13.  is van mening dat er een duidelijke definitie van het begrip "individuele gevallen" moet komen, omdat dit begrip nodig is voor de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijk strafrechtelijk onderzoek;

14.  is van mening dat het begrip "redelijke gronden" moet worden gedefinieerd om de noodzaak en evenredigheid van de doorgifte van gegevens te kunnen beoordelen; wijst erop dat deze definitie betrekking moet hebben op daadwerkelijk strafrechtelijk onderzoek;

15.  benadrukt dat gegevens die aan een ontvangende autoriteit worden doorgegeven, nooit door andere autoriteiten verder kunnen worden verwerkt en dat daartoe een uitputtende lijst moet worden opgesteld van de bevoegde autoriteiten in de Democratische Volksrepubliek Algerije waaraan Europol gegevens kan doorgeven, met inbegrip van een beschrijving van de bevoegdheden van die autoriteiten; is van mening dat elke wijziging van deze lijst waarbij een autoriteit wordt vervangen of een nieuwe bevoegde autoriteit wordt toegevoegd, een herziening van de internationale overeenkomst vereist;

16.  stelt dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van de Democratische Volksrepubliek Algerije aan andere autoriteiten in de Democratische Volksrepubliek Algerije alleen kan worden toegestaan om aan het oorspronkelijke doel van de doorgifte door Europol te voldoen, en dat de onafhankelijke autoriteit, de EDPS en Europol hiervan altijd in kennis moeten worden gesteld;

17.  onderstreept dat uitdrukkelijk vermeld moet worden dat verdere doorgifte van gegevens door de bevoegde autoriteiten van de Democratische Volksrepubliek Algerije aan andere landen verboden is en tot onmiddellijke beëindiging van de internationale overeenkomst leidt;

18.  is van mening dat in de internationale overeenkomst met de Democratische Volksrepubliek Algerije het recht van betrokkenen op informatie, rectificatie en wissing van gegevens als bepaald in andere Uniewetgeving inzake gegevensbescherming moet worden vermeld;

19.  wijst erop dat de doorgifte van persoonsgegevens waaruit iemands raciale of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakbond, genetische gegevens of gegevens over gezondheid en seksleven naar voren komen, uiterst gevoelig ligt en aanleiding geeft tot grote bezorgdheid gezien het verschil in rechtskader, maatschappelijke kenmerken en culturele achtergrond tussen de Democratische Volksrepubliek Algerije en de Europese Unie; benadrukt dat strafbare handelingen in de Unie anders worden gedefinieerd dan in de Democratische Volksrepubliek Algerije; is van mening dat een dergelijke doorgifte van gegevens daarom alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mag plaatsvinden en omgeven moet zijn met duidelijke waarborgen voor de betrokkene en personen die banden hebben met de betrokkene; acht het noodzakelijk specifieke waarborgen vast te stellen die de Democratische Volksrepubliek Algerije in acht moet nemen wat betreft de grondrechten, waaronder de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst en de menselijke waardigheid;

20.  is van mening dat in de overeenkomst een evaluatiemechanisme moet worden opgenomen en dat de overeenkomst aan periodieke beoordelingen moet worden onderworpen om de werking ervan te evalueren met betrekking tot de operationele behoeften van Europol alsmede de naleving van de Europese rechten en beginselen inzake gegevensbescherming;

21.  verzoekt de Commissie vóór de afronding van de internationale overeenkomst het advies van de EDPS in te winnen, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 en Verordening (EG) nr. 45/2001;

22.  benadrukt dat het Parlement de sluiting van de overeenkomst slechts zal goedkeuren indien het overeenkomstig artikel 218 VWEU op bevredigende wijze bij iedere fase van de procedure wordt betrokken;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en de regering van de Democratische Volksrepubliek Algerije.

(1) PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(3) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(4) PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.
(5) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0366.
(7) Programmeringsdocument van Europol voor 2018-2020, goedgekeurd door de raad van bestuur van Europol op 30 november 2017, EDOC#856927v18.

Juridische mededeling - Privacybeleid