Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 5 juli 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
De politieke crisis in Moldavië na de ongeldigverklaring van de burgemeesterverkiezingen in Chisinau
 Somalië
 Burundi
 Start van de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in Kroatië *
 Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS) ***I
 Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie: taken van Europol ***I
 Financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie ***I
 Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht ***I
 Begroting 2019 - Mandaat voor de trialoog
 73e zitting van de Algemene Vergadering van de VN
 De migratiecrisis en de humanitaire situatie in Venezuela en aan zijn grenzen
 Richtsnoeren voor lidstaten om te voorkomen dat humanitaire bijstand strafbaar wordt gesteld
 Toereikendheid van de door het privacyschild van de EU en de VS geboden bescherming
 De negatieve gevolgen van de Amerikaanse wet naleving belastingplicht buitenlandse rekeningen (FACTA) voor EU-burgers
 Een statuut voor sociale en solidaire ondernemingen

De politieke crisis in Moldavië na de ongeldigverklaring van de burgemeesterverkiezingen in Chisinau
PDF 130kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over de politieke crisis in Moldavië naar aanleiding van de ongeldigverklaring van de burgemeestersverkiezingen in Chișinău (2018/2783(RSP))
P8_TA(2018)0303RC-B8-0322/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Moldavië, met name zijn resolutie van 21 januari 2016 over de associatieovereenkomsten/diepe en brede vrijhandelsruimten met Georgië, Moldavië en Oekraïne(1) (AA/DCFTA),

–  gezien het associatie-uitvoeringsverslag over de Republiek Moldavië van 3 april 2018,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 4 juli 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië(2),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, die aan de wetgevingsresolutie van 4 juli 2017 is gehecht, met het oog op de vaststelling van politieke randvoorwaarden voor de toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië,

–  gezien de stemming in het parlement van de Republiek Moldavië van 20 juli 2017 waarbij wijzigingen zijn aangenomen met betrekking tot het kiesstelsel,

–  gezien de aanbevelingen van het OVSE/ODIHR en de Commissie van Venetië van 19 juli 2017,

–  gezien de verklaringen van 21 juni 2018 van de voorzitter van de Commissie buitenlandse zaken van het Europees Parlement, de rapporteur van deze commissie voor Moldavië en de Euronest-covoorzitter, en de verklaringen van 20 juni 2018 en 27 juni 2018 van de Europese Dienst voor extern optreden over de geldigverklaring van de verkiezing van de burgemeester van Chișinău,

–  gezien artikel 2 van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië, waarin wordt gesteld dat "eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden [...] de grondslag [vormt] van het binnen- en buitenlandse beleid van de partijen en [...] een essentieel element [is] van deze overeenkomst",

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Andrei Năstase bij de vervroegde burgemeestersverkiezingen in Chișinău na twee ronden (op 20 mei en 3 juni 2018) als winnaar uit de bus is gekomen met 52,57 % van de stemmen, waarmee hij Ion Ceban versloeg, die 47,43 % van de stemmen achter zijn naam kon scharen;

B.  overwegende dat de internationale waarnemers van de burgemeestersverkiezingen in Chișinău de uitslag en de competitieve aard van de verkiezingsstrijd hebben erkend;

C.  overwegende dat een rechtbank in Chișinău de uitslag van de burgemeestersverkiezingen op 19 juni 2018 nietig heeft verklaard, op grond van de vaststelling dat beide kandidaten op de verkiezingsdag kiezers hebben benaderd via de sociale media, op een moment dat de campagne wettelijk was afgesloten; overwegende dat niemand van de kandidaten in het verkiezingsproces heeft verzocht om een nietigverklaring van de verkiezingen;

D.  overwegende dat een hof van beroep in Chișinău het besluit van de lagere rechtbank op 21 juni 2018 heeft bevestigd en hierbij concludeerde dat de communicatie met kiezers via de sociale media de verkiezingsuitslag op onwettige wijze heeft beïnvloed;

E.  overwegende dat het Hooggerechtshof van Moldavië de besluiten van de lagere rechtbanken om de uitslag van de verkiezing van de burgemeester van Chișinău ongeldig te verklaren op 25 juni 2018 heeft bevestigd;

F.  overwegende dat de centrale kiescommissie van Moldavië het besluit van het Hooggerechtshof om de burgemeestersverkiezingen in Chișinău ongeldig te verklaren op 29 juni 2018 heeft bevestigd;

G.  overwegende dat de uitnodiging om te gaan stemmen, die door de rechters werd opgevat als het uitoefenen van druk en een onnodige beïnvloeding ten aanzien van de kiezers, tijdens eerdere verkiezingen in Moldavië reeds een gangbare praktijk was en nooit tot een nietigverklaring heeft geleid;

H.  overwegende dat deze ontwikkeling ervoor zorgt dat het land dreigt te ontsporen wat betreft zijn gehechtheid aan Europese waarden en beginselen, en het reeds wankele vertrouwen van de Moldavische burgers in de overheidsinstellingen verder ondermijnt; overwegende dat de Moldavische politieke partijen hebben verklaard dat er een gevaarlijk precedent wordt geschapen voor toekomstige verkiezingen en dat duizenden mensen protest hebben gevoerd tegen het besluit van de rechters in Chișinău;

I.  overwegende dat de internationale gemeenschap, waaronder de Europese Unie en het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, kritiek heeft geleverd op het besluit en daarbij benadrukte dat de wil van de kiezers moet worden geëerbiedigd;

J.  overwegende dat de EU en Moldavië samen de verbintenis zijn aangegaan om hun politieke associatie en economische integratie te bevorderen, een proces dat inhoudt dat het land structurele en andere wezenlijke hervormingen moet goedkeuren en doorvoeren,

K.  overwegende dat de ongeldigverklaring een zorgwekkend en opvallend teken is van de steeds slechtere toepassing van democratische normen in Moldavië, en wijst er met name op dat een onafhankelijke en transparante rechterlijke macht een centrale pijler is van de democratie en de rechtsstaat; overwegende dat de ongeldigverklaring van de verkiezingen blijk geeft van de steeds grotere neiging tot autoritair en arbitrair bestuur en van een aanzienlijke daling van het vertrouwen van de bevolking in de autoriteiten en de instellingen;

L.  overwegende dat het parlement van de Republiek Moldavië, ongeacht de aanbevelingen van de OVSE/ODIHR en de Commissie van Venetië om dit niet te doen, in juli 2017 een controversiële wijziging van de kieswet heeft goedgekeurd die zorgen baart vanwege het risico op ongepaste beïnvloeding van kandidaten, de oprichting van kiesdistricten met één vertegenwoordiger, al te hoge drempels voor parlementaire vertegenwoordiging in de proportionele component en het gevaar van ontoereikende vertegenwoordiging van minderheden en vrouwen; overwegende dat de Commissie van Venetië bovendien heeft benadrukt dat de bestaande polarisering met betrekking tot dit wetgevingsinitiatief niet wijst op een betekenisvol overleg met en een brede consensus onder de belangrijkste belanghebbende partijen;

M.  overwegende dat de speciale rapporteur van de VN voor de situatie van mensenrechtenverdedigers heeft verklaard dat mensenrechtenverdedigers en journalisten in Moldavië het slachtoffer zijn van stigmatiseringscampagnes, te maken krijgen met politiek gemotiveerde strafrechtelijke vervolging of worden bedreigd wanneer ze mensen met een afwijkende mening verdedigen, en dat journalisten beperkte toegang tot informatie hebben;

N.  overwegende dat de EU in oktober 2017 vanwege onvoldoende vooruitgang bij de hervorming van de rechterlijke macht in Moldavië en het verzuim van het land om de EU‑voorwaarden na te leven het besluit heeft genomen een betaling van 28 miljoen EUR in het kader van het EU-programma tot hervorming van het gerechtelijk bestel op te schorten;

1.  toont zich diep bezorgd over het op twijfelachtige gronden en op niet-transparante wijze genomen besluit van het Hooggerechtshof van Moldavië om de uitslag van de verkiezing van de burgemeester van Chișinău ongeldig te verklaren, aangezien dit de integriteit van het verkiezingsproces aanzienlijk heeft ondermijnd;

2.  herinnert eraan dat geloofwaardige, transparante, eerlijke en inclusieve verkiezingen de hoeksteen zijn van elk democratisch stelsel, waarin de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechterlijke macht ten aanzien van elke vorm van politieke invloed worden beschermd, en tevens het fundament zijn van het vertrouwen in het politieke systeem van het land, en dat politieke inmenging in de rechterlijke macht en in het verloop van verkiezingen in strijd is met de Europese normen die Moldavië heeft onderschreven, met name in het kader van de associatieovereenkomst EU-Moldavië;

3.  toont zich nadrukkelijk solidair met de duizenden mensen die protest voeren in de straten van Chișinău en deelt hun eis aan de Moldavische autoriteiten om passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de uitslag van de burgemeestersverkiezingen in Chișinău, die tevens wordt erkend door nationale en internationale waarnemers en de wil van de kiezer weerspiegelt, wordt geëerbiedigd; verzoekt de autoriteiten het recht op vreedzaam protest te waarborgen;

4.  dringt er bij de Moldavische autoriteiten op aan de werking van democratische mechanismen te waarborgen en staat erop dat zowel de uitvoerende als de rechterlijke tak van de macht wederzijds respect opbrengen voor de scheiding der machten, de democratische beginselen ten volle onderschrijven en zich houden aan de rechtsstaat;

5.  is diep verontrust door de verdere achteruitgang van democratische normen in Moldavië; erkent dat het besluit van de rechters, waarvan al meermaals is gezegd dat het is genomen onder invloed en op initiatief van de politiek, een voorbeeld is van "state capture" en blijk geeft van een uiterst diepe crisis van de instellingen in Moldavië; betreurt dat de autoriteiten het vertrouwen van de mensen in de billijkheid en onpartijdigheid van overheidsinstellingen blijven ondergraven, in weerwil van talloze oproepen door de internationale gemeenschap;

6.  is van mening dat naar aanleiding van het besluit om de uitslag van de burgemeestersverkiezingen in Chișinău ongeldig te verklaren, kan worden gesteld dat de politieke voorwaarden voor de uitbetaling van macrofinanciële bijstand niet zijn vervuld, en herinnert eraan dat "voor toekenning van macrofinanciële bijstand als randvoorwaarde geldt dat het begunstigde land doeltreffende democratische mechanismen, waaronder een parlementair meerpartijenstelsel en de rechtsstaat, eerbiedigt, en de eerbiediging van de mensenrechten waarborgt";

7.  dringt er bij de Commissie op aan alle geplande uitbetalingen van macrofinanciële bijstand aan Moldavië op te schorten; is van mening dat er pas na de geplande parlementsverkiezingen een besluit over toekomstige uitbetalingen mag worden genomen, op voorwaarde dat deze verkiezingen overeenkomstig internationaal erkende normen verlopen en worden beoordeeld door gespecialiseerde internationale instanties, en dat de voorwaarden voor macrofinanciële bijstand zijn vervuld;

8.  eist dat de Commissie de begrotingssteun voor Moldavië opschort door zich te beroepen op het precedent van juli 2015, toen een dergelijke opschorting plaatsvond in de nasleep van de bankencrisis; is van mening dat het mechanisme voor de opschorting van EU-begrotingssteun moet worden toegepast als reactie op de ongeldigverklaring van de burgemeestersverkiezingen in Chișinău, en dat dit mechanisme een reeks voorwaarden moet omvatten waaraan de Moldavische autoriteiten gevolg moeten geven, waaronder de geldigverklaring van de verkiezingen in Chișinău, en een concreet, resultaatgericht en volledig transparant onderzoek, alsook ontneming van vermogensbestanddelen en vervolging ten aanzien van plegers van bankfraude;

9.  verzoekt de Moldavische autoriteiten gevolg te geven aan de aanbevelingen van de OVSE/ODIHR en de Commissie van Venetië over hervormingen van het kiesrecht;

10.  herhaalt zijn bezorgdheid in verband met de concentratie van economische en politieke macht in de handen van een beperkte groep mensen, de achteruitgang van de rechtsstaat, van democratische waarden en van de eerbiediging van de mensenrechten, de buitensporige politisering van overheidsinstellingen, de systemische corruptie, het ontoereikende onderzoek naar de bankfraude van 2014 en beperkt pluralisme in de media; toont zich bezorgd over het gebrek aan onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, met name over gevallen van selectieve rechtspraak als manier om druk uit te oefenen op politieke tegenstanders; verzoekt de Moldavische autoriteiten om het rechtsstelsel te hervormen, onder meer door nieuwe rechters te benoemen, teneinde de rechterlijke macht te beletten tussenbeide te komen in electorale en politieke procedures of op andere wijze de democratische wil van het Moldavische volk te ondergraven;

11.  maakt er zich zorgen over dat politieke tegenstanders en hun advocaten worden vervolgd door de Moldavische autoriteiten op basis van valse beschuldigingen en strafrechtelijke procedures, en waarschuwt de autoriteiten dat ze door zo te handelen de rechtsstaat en de rechten van politieke tegenstanders en advocaten schenden;

12.  betreurt dat de autoriteiten na de bankfraude van 2014, waarbij het Moldavische financiële stelsel voor een totaalbedrag van ongeveer 1 miljard USD werd bestolen, erg weinig vooruitgang hebben geboekt bij het voeren van een grondig en onpartijdig onderzoek naar deze kwestie; dringt erop aan dat er vastberaden stappen worden gezet om de gestolen bedragen terug te krijgen en de verantwoordelijken voor de rechter te brengen, ongeacht hun politieke kleur; is van mening dat dit van essentieel belang is om het vertrouwen van de Moldavische burgers in de instellingen te herwinnen en de geloofwaardigheid van de autoriteiten te herstellen;

13.  verzoekt de Moldavische autoriteiten zich te houden aan internationale beginselen en beste praktijken en te zorgen voor een gunstig klimaat voor het maatschappelijk middenveld; toont zich met name bezorgd dat in de ontwerpwetgeving betreffende ngo's die momenteel op tafel ligt en wordt besproken in het parlement sprake is van bepalingen die buitenlandse financiering voor Moldavische ngo's mogelijk aan banden leggen;

14.  verzoekt het Moldavische parlement om te overleggen met het maatschappelijk middenveld en met onafhankelijke media voordat het de nieuwe wet audiovisuele media definitief aanneemt, en de "hervorming met tweeledig doel" van deze wet te verwerpen; uit zijn bezorgdheid over de vraag of de onafhankelijke, plaatselijke en oppositiegezinde media in Moldavië, die onder meer te kampen hebben met ontoereikende financiering, in staat zullen zijn uitvoering te geven aan de vereisten van de nieuwe wet met betrekking tot verplichte lokale inhoud;

15.  verzoekt de EDEO en de Commissie nauwgezet toe te zien op de ontwikkelingen op al deze gebieden en het Parlement hiervan op de hoogte te houden;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), de Europese Dienst voor extern optreden, de Raad, de Commissie en de lidstaten, de president, de premier en het parlement van de Republiek Moldavië, de OVSE/ODIHR en de Commissie van Venetië.

(1) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 82.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0283.


Somalië
PDF 134kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over Somalië (2018/2784(RSP))
P8_TA(2018)0304RC-B8-0323/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Somalië, in het bijzonder die van 15 september 2016(1),

–  gezien zijn resolutie van 18 mei 2017 over het vluchtelingenkamp Dadaab(2),

–  gezien de verklaring van 30 oktober 2017 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden over de aanslag in Somalië, evenals alle eerdere verklaringen van de woordvoerder,

–  gezien de conclusies van de Raad van 3 april 2017 over Somalië,

–  gezien de gezamenlijke strategie EU-Afrika,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het verslag van het Bureau voor de rechten van de mens van de VN "Protection of Civilians: Building the Foundation for Peace, Security and Human Rights in Somalia" van december 2017,

–  gezien het nationaal indicatief programma EU-Somalië voor de Federale Republiek Somalië 2014-2020,

–  gezien de resolutie van 15 mei 2018 van de VN-Veiligheidsraad tot verlenging van het mandaat van de missie van de Afrikaanse Unie in Somalië (Amisom),

–  gezien de resolutie van 27 maart 2018 van de VN-Veiligheidsraad over Somalië, evenals al zijn eerdere resoluties,

–  gezien de briefing van 15 mei 2018 van de speciale VN-vertegenwoordiger voor Somalië aan de VN-Veiligheidsraad,

–  gezien de persverklaringen van de VN-Veiligheidsraad van 25 januari 2018, 25 februari 2018 en 4 april 2018 over Somalië,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 juni 2018 over de Hoorn van Afrika, van 17 juli 2017 over de aanpak van dreigende hongersnood en van 3 april 2017 over Somalië,

–  gezien de verslagen van de secretaris-generaal van de VN van 26 december 2017 en 2 mei 2018 over Somalië,

–  gezien het communiqué van de VN‑Veiligheidsconferentie voor Somalië van 4 december 2017,

–  gezien de resolutie van 29 september 2017 van de VN-Mensenrechtenraad over bijstand aan Somalië op het gebied van mensenrechten,

–  gezien de verklaring van Amisom van 8 november 2017, waarin Amisom het voornemen aankondigt zijn troepen vanaf december 2017 geleidelijk uit Somalië terug te gaan trekken en deze terugtrekking tegen 2020 te willen afronden,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 4 mei 2016 van vier mensenrechtendeskundigen van de VN, waarin zij hun ontsteltenis uitspreken over de toenemende vervolging van vakbondsleden in Somalië,

–  gezien de conclusies en aanbevelingen in het 380e verslag van november 2016 van het Comité voor vakbondsvrijheid van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), zoals goedgekeurd door het IAO-bestuursorgaan voor zaak nr. 3113,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat al-Shabaab talloze terroristische aanslagen heeft gepleegd op Somalisch grondgebied; overwegende dat op 14 oktober 2017 de ernstigste terroristische aanslag in Somalië ooit heeft plaatsgevonden, waarbij volgens officiële berichten ten minste 512 personen om het leven zijn gekomen en er 357 gewond zijn geraakt; overwegende dat al-Shabaab en andere terroristische groeperingen die banden hebben met Islamitische Staat terroristische aanslagen zijn blijven plegen tegen de internationaal erkende Somalische regering en tegen burgers;

B.  overwegende dat al-Shabaab op 1 april 2018 een autobomaanslag heeft gepleegd op een vredeshandhavingsbasis van de Afrikaanse Unie in Bulamarer en nabijgelegen dorpen; overwegende dat op 25 februari 2018 twee terroristische aanslagen plaatsvonden in Mogadishu, waarbij ten minste 32 mensen om het leven kwamen;

C.  overwegende dat veiligheidstroepen van de Somalische regering in juni 2017 burgers om het leven hebben gebracht en verwond tijdens interne gevechten tussen regeringstroepen op een hulpdistributielocatie in Baidoa; overwegende dat de burgerbevolking eveneens doelwit is geweest tijdens gevechten tussen regionale strijdkrachten en clanmilities, met name in de regio's Neder-Shabelle, Galguduud en Hiran;

D.  overwegende dat er volgens het verslag van het VN-Bureau voor de mensenrechten en de bijstandsmissie van de VN in Somalië (UNSOM) over de periode 1 januari 2016 t/m 14 oktober 2017 in Somalië 2078 burgers zijn omgekomen en 2507 gewond zijn geraakt; overwegende dat hiervoor hoofdzakelijk militanten van al-Shabaab verantwoordelijk zijn; overwegende dat een aanzienlijk aandeel van deze sterfgevallen is veroorzaakt door clanmilities en overheidsactoren, met inbegrip van het leger en de politie en zelfs de missie van de Afrikaanse unie in Somalië;

E.  overwegende dat Somalië twee decennia burgeroorlog heeft doorgemaakt; overwegende dat het land sinds 2012, toen een nieuwe, door de internationale gemeenschap gesteunde regering is aangetreden, grote vooruitgang heeft geboekt in de richting van vrede en stabiliteit; overwegende dat de ISIS/Da'esh-subgroep in Somalië, ondanks de grote verliezen die al-Shabaab heeft geleden door terrorismebestrijdingsoperaties, aanzienlijk is gegroeid;

F.  overwegende dat Somalië op 8 februari 2017 zijn eerste vrije verkiezingen heeft gehouden sinds de aantreding van de internationaal gesteunde regering; overwegende dat het kiesstelsel een stap voorwaarts betekende wat de participatie betreft, maar slechts beperkte kiesmogelijkheden bood; overwegende dat de regering heeft toegezegd voor de verkiezingen in 2020/2021 te zullen overstappen naar een ongewogen kiesstelsel op basis van het algemeen kiesrecht;

G.  overwegende dat het mandaat van de missie van de Afrikaanse unie in Somalië is verlengd tot 31 juli 2018; overwegende dat het aantal Amisom-medewerkers in uniform volgens resolutie 2372/17 van de VN-Veiligheidsraad tegen 30 oktober 2018 moet worden teruggebracht tot 20 626; overwegende dat Amisom-medewerkers zijn beschuldigd van mensenrechtenschendingen, seksueel geweld en wangedrag tijdens de dienst;

H.  overwegende dat de vrijheid van meningsuiting, een fundamentele pijler van iedere goedwerkende democratie, in Somalië nog altijd zeer beperkt is; overwegende dat journalisten, mensenrechtenactivisten, activisten uit het maatschappelijk middenveld en politieke leiders nog dagelijks te kampen hebben met bedreigingen; overwegende dat al-Shabaab blijft intimideren, arresteren zonder behoorlijk proces en zelfs doden; overwegende dat de autoriteiten zelden een onderzoek instellen naar dergelijke gevallen; overwegende dat Somalië al acht jaar op rij door de Internationale Federatie van Journalisten (IFJ) is aangemerkt als het dodelijkste land in Afrika voor journalisten en andere mediaprofessionals om te werken en gebruik te maken van hun recht op vrije meningsuiting,

I.  overwegende dat het recht op vrije vergadering en vakbondsactiviteiten van essentieel belang zijn voor de ontwikkeling van iedere goedwerkende democratie; overwegende dat de federale overheid van Somalië de oprichting en het bestaan van onafhankelijke vakbonden niet toestaat; overwegende dat vakbondsleden en activisten die opkomen voor de rechten van werknemers in Somalië dagelijks te maken hebben met intimidatie, represailles en pesterijen; overwegende dat stigmatisering en lastercampagnes tegen vakbondsmedewerkers in Somalië aan de orde van de dag zijn;

J.  overwegende dat de IAO tussenbeide is gekomen naar aanleiding van een klacht over schending van de vrijheid van vereniging door de Somalische regering; overwegende dat de IAO de regering heeft opgedragen de heer Faruk Osman onverwijld te erkennen als leider van de nationale unie van Somalische journalisten (NUSOJ) en de federatie van Somalische vakbonden (FESTU);

K.  overwegende dat de VN-mensenrechtendeskundige openlijk heeft verklaard dat Somalië zijn internationale verplichtingen op het vlak van de mensenrechten niet nakomt en de situatie voor vakbondsleden blijft verslechteren, ondanks specifieke aanbevelingen van het bestuursorgaan van de IAO aan de Somalische regering om zich te weerhouden van verdere inmenging in de in Somalië geregistreerde vakbonden, met bijzondere vermelding van NUSOJ en FESTU;

L.  overwegende dat mensenrechtenschendingen in Somalië wijdverbreid zijn; overwegende dat hiervoor veelal niet-overheidsactoren – al-Shabaab-militanten en clanmilities – maar ook overheidsactoren verantwoordelijk zijn; overwegende dat er sprake is geweest van buitengerechtelijke executies, seksueel en gendergerelateerd geweld, willekeurige arrestaties en detenties en ontvoeringen; overwegende dat de Somalische nationale veiligheids- en inlichtingendienst (NISA) de internationale mensenrechten volgens het Mensenrechtenbureau van de VN stelselmatig schendt; overwegende dat deze dienst vaak buitengerechtelijk te werk gaat en te uitgebreide bevoegdheden heeft;

M.  overwegende dat de politieke situatie echter instabiel is en het bestuur zwak blijft, wat vooruitgang op het vlak van justitie en hervormingen van de veiligheidssector in de weg staat; overwegende dat Somalië volgens Transparency International het meest corrupte land ter wereld is;

N.  overwegende dat militaire rechtbanken een brede waaier aan zaken blijven behandelen, ook met betrekking tot terrorismegerelateerde overtredingen, zonder te voldoen aan de internationale normen voor een eerlijk proces; overwegende dat tegen het derde kwartaal van 2017 ten minste 23 personen terecht waren gesteld naar aanleiding van veroordelingen door een militaire rechtbank, voornamelijk op grond van aanklachten in verband met terrorisme; overwegende dat op 13 februari 2017 zeven beklaagden, onder wie een kind, in Puntland ter dood werden veroordeeld wegens moord, grotendeels op basis van bekentenissen die onder dwang van de inlichtingendiensten van Puntland waren verkregen; overwegende dat vijf van hen in april van hetzelfde jaar zijn terechtgesteld;

O.  overwegende dat het politieke landschap verder wordt bemoeilijkt door buitenlandse belangen; overwegende dat de federale overheid van Somalië neutraal heeft willen blijven in het bredere conflict tussen de Verenigde Arabische Emiraten en Saudi-Arabië enerzijds en Qatar anderzijds; overwegende dat Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten als vergelding hun regelmatige begrotingssteunbetalingen aan Somalië hebben stopgezet, waardoor de overheid nog minder goed in staat is de veiligheidstroepen te betalen;

P.  overwegende dat kinderen tot de grootste slachtoffers van het conflict in Somalië behoren; overwegende dat er talloze gevallen zijn geweest van ontvoeringen en rekrutering van kinderen door terroristische groeperingen; overwegende dat zij door de Somalische veiligheidstroepen als vijand zijn behandeld en dikwijls zijn vermoord, verminkt, gearresteerd en opgesloten;

Q.  overwegende dat in een verslag van Human Rights Watch van 21 februari 2018 wordt gewezen op de schendingen – met inbegrip van foltering, mishandeling, opsluiting en seksueel geweld – waarvan kinderen in hechtenis sinds 2015 het slachtoffer zijn geworden vanwege hun terrorismegerelateerde activiteiten; overwegende dat kinderen in Puntland ter dood zijn veroordeeld wegens terroristische misdrijven;

R.  overwegende dat na jaren van droogte, 230 000 mensen ontheemd zijn geraakt door de overstromingen die werden veroorzaakt door de recente recordhoeveelheid neerslag, en dat naar schatting meer dan de helft van hen kinderen zijn; overwegende dat er in het hele land al ongeveer 2,6 miljoen mensen zijn getroffen door de droogte en het conflict;

S.  overwegende dat een groot aantal van de geregistreerde burgerslachtoffers zijn gemaakt door clanmilities; overwegende dat clanconflicten voornamelijk worden veroorzaakt door onenigheden over grond en grondstoffen, die nog eens worden versterkt door een aanhoudende spiraal van vergelding; overwegende dat dergelijke conflicten worden verergerd door de schaarste van grondstoffen en door droogte; overwegende dat regeringsvijandige elementen deze conflicten uitbuiten om de stabiliteit in bepaalde gebieden verder te ondermijnen;

T.  overwegende dat voedselonzekerheid een groot probleem blijft voor de Somalische staat en bevolking; overwegende dat volgens het directoraat‑generaal Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp van de Commissie ongeveer de helft van de 12 miljoen inwoners van Somalië te kampen heeft met voedselonzekerheid en humanitaire bijstand nodig heeft; overwegende dat naar schatting 1,2 miljoen kinderen acuut ondervoed zijn, en dat 232 000 van hen hierdoor in een levensbedreigende situatie zal komen; overwegende dat grote delen van het land zich nog niet hebben hersteld van de hongersnood van 2011-2012; overwegende dat de voedselonzekerheidsproblematiek in Somalië wordt versterkt door de droogte;

U.  overwegende dat in Kenia verschillende Somalische vluchtelingenkampen zijn, waaronder het Dadaabkamp, waar zich 350 000 vluchtelingen bevinden; overwegende dat de Keniaanse autoriteiten, aangezien de internationale gemeenschap er niet in is geslaagd passende ondersteuning te bieden, van plan zijn deze kampen in te dammen door aan te dringen op terugkeer naar Somalië;

V.  overwegende dat internationale humanitaire actoren een beslissende rol spelen bij het tegengaan van voedselonzekerheid en het bieden van humanitaire bijstand; overwegende dat zij een enorme bijdrage hebben geleverd aan het afwenden van een humanitaire ramp in Somalië; overwegende dat er is geprobeerd humanitaire hulp te gebruiken voor de financiering van oorlogvoering;

W.  overwegende dat de EU haar jaarlijkse humanitaire steun aan Somalië sinds 2016 geleidelijk heeft opgevoerd, met name naar aanleiding van de ernstige droogte waarmee het land te kampen heeft, en in 2017 120 miljoen EUR heeft toegewezen aan humanitaire partners; overwegende dat het internationale humanitaire responsplan voor maar 24 % is gefinancierd;

X.  overwegende dat de EU 486 miljoen EUR heeft verstrekt via het Europees Ontwikkelingsfonds (2014-2020), en daarbij de nadruk heeft gelegd op staats- en vredesopbouw, voedselzekerheid, weerbaarheid en onderwijs; overwegende dat de EU ook Amisom ondersteunt via de Vredesfaciliteit voor Afrika; overwegende dat Amisom, de 22 000 man tellende vredesmacht van de Afrikaanse Unie, bepaalde delen van Somalië een zekere mate van stabiliteit heeft gebracht; overwegende dat delen van het land onder controle blijven van of bedreigd worden door de radicale islamistische Shabaab-beweging, of bestuurd worden door afzonderlijke autoriteiten, zoals het geval is in Somaliland en Puntland;

1.  veroordeelt alle terroristische aanslagen tegen de Somalische bevolking, die gepleegd worden door zowel al-Shabaab als door andere extremistische terroristische groeperingen; herhaalt dat er geen legitieme redenen zijn voor het ondernemen van terroristische activiteiten; dringt erop aan dat de verantwoordelijken voor terroristische aanslagen en mensenrechtenschendingen conform de internationale mensenrechten worden berecht; betuigt zijn innige deelneming aan de slachtoffers van de terroristische aanslagen in Somalië en aan hun achterblijvende gezinnen en betreurt ten zeerste dat er dodelijke slachtoffers zijn gevallen; herinnert de Somalische autoriteiten aan hun verplichting om de mensenrechten te waarborgen en de burgerbevolking onder alle omstandigheden te beschermen;

2.  onderstreept dat het wegnemen van de achterliggende oorzaken van terrorisme, zoals het gebrek aan veiligheid, armoede, mensenrechtenschendingen, de aantasting van het milieu, straffeloosheid, een gebrek aan gerechtigheid en onderdrukking, enorm zou bijdragen aan de uitbanning van terroristische organisaties en activiteiten in Somalië; is van oordeel dat onderontwikkeling en een gebrek aan veiligheid een vicieuze cirkel vormen; roept internationale actoren, waaronder de EU, er daarom toe op de veiligheidssector te hervormen en capaciteitsopbouwinitiatieven te nemen om coherentie tussen hun ontwikkelings- en veiligheidsbeleid in Somalië te waarborgen; verzoekt de EU het vredes- en verzoeningsproces in Somalië te blijven steunen via het kader voor wederzijdse verantwoording en het veiligheidspact;

3.  spoort de federale overheid van Somalië ertoe aan zich te blijven inspannen voor vredes- en staatsopbouw met het oog op de ontwikkeling van sterke instellingen conform de beginselen van de rechtsstaat die in staat zijn fundamentele openbare diensten te bieden, alsook met het oog op het waarborgen van veiligheid, vrijheid van meningsuiting en van vereniging; is verheugd over het feit dat al-Shabaab er niet in is geslaagd het verkiezingsproces van 2016-2017 te ondermijnen; verzoekt de federale overheid van Somalië ervoor te zorgen dat er vóór de verkiezingen van 2020-2021 sprake is van een kiesstelsel op basis het ongewogen algemeen kiesrecht; brengt in herinnering dat blijvende stabiliteit en vrede alleen tot stand kunnen worden gebracht door sociale inclusie, duurzame ontwikkeling en behoorlijk bestuur op grond van de beginselen van democratie en de rechtsstaat;

4.  verzoekt de federale overheid van Somalië haar inspanningen voor de consolidatie van de rechtsstaat in het hele land op te voeren; stelt dat straffeloosheid een belangrijke oorzaak is van de zichzelf in stand houdende geweldspiraal en de verslechtering van de mensenrechtensituatie; wenst dat de Somalische autoriteiten toekomstige civiele zaken onder jurisdictie van een militaire rechtbank overdragen naar een civiele rechtbank; verzoekt de Somalische president hangende doodvonnissen onmiddellijk om te zetten, als een eerste stap in de richting van een moratorium op alle doodvonnissen; is van oordeel dat enkel de rechtsstaat een eind kan maken aan straffeloosheid; verzoekt de regering en internationale actoren te blijven werken aan een onafhankelijke rechterlijke macht, onafhankelijke en geloofwaardige onderzoeken naar tegen Somalische journalisten gepleegde misdrijven, de uitbanning van corruptie, en de opbouw van verantwoordingsplichtige instellingen, met name in de veiligheidssector; juicht in dit verband toe dat de regering vorig jaar in samenwerking met de VN en de EU een landelijk justitieel opleidingsprogramma is gestart;

5.  betreurt de schendingen van de vrijheid van meningsuiting door overheids- en niet-overheidsactoren in Somalië; maakt zich zorgen over de autocratische benadering van de huidige overheid en enkele van de regionale overheden, waarbij politieke tegenstanders en vreedzame critici worden gearresteerd; beschouwt iedere vorm van intimidatie, pesterijen, detentie of doding van journalisten en activisten uit het maatschappelijk middenveld als volledig onaanvaardbaar; vraagt de Somalische autoriteiten te stoppen met het gebruiken van NISA om onafhankelijke journalisten en politieke tegenstanders te intimideren; verzoekt de regering en de EU, in het kader van haar activiteiten in Somalië met betrekking tot de rechtsstaat, om ervoor te zorgen dat voor NISA regels worden vastgesteld met effectieve controlemechanismen; is van mening dat de vrijheid van meningsuiting en van denken onmisbaar zijn voor de ontwikkeling van een sterke en democratische samenleving; verzoekt de federale overheid van Somalië erop toe te zien dat de vrijheid van meningsuiting volledig wordt geëerbiedigd; verzoekt de Somalische regering het strafwetboek, de nieuwe mediawet en andere wetgeving te herzien, om ze aan te passen aan de internationale verplichtingen van Somalië inzake het recht op vrije meningsuiting en vrije media;

6.  uit zijn zorgen over bepaalde buitenlandse belangen waardoor het politieke landschap verder wordt bemoeilijkt; merkt op met betrekking tot het bredere conflict tussen de Verenigde Arabische Emiraten en Saudi-Arabië enerzijds en Qatar anderzijds dat de federale overheid van Somalië, in haar poging neutraal te blijven, het nu moet stellen zonder regelmatige begrotingssteunbetalingen van Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten, waardoor de overheid nog minder goed in staat is de veiligheidstroepen te betalen; verzoekt de Verenigde Arabische Emiraten met klem onmiddellijk een einde te maken aan iedere vorm van destabilisering van Somalië en de soevereiniteit en territoriale integriteit van Somalië te eerbiedigen;

7.  veroordeelt de ernstige schendingen van de vrijheid van vereniging en meningsuiting van de vrije en onafhankelijke Somalische vakbonden, en met name de aanhoudende onderdrukking van de NUSOJ en de FESTU ten stelligste, en dringt aan op een beëindiging van het lopende onderzoek en de zaak van de procureur-generaal tegen de heer Omar Faruk Osman, secretaris-generaal van NUSOJ, wegens het organiseren van een viering van de Werelddag van de persvrijheid zonder toestemming van het Ministerie van Informatie;

8.  veroordeelt de onderdrukking van vakbondsleden door de Somalische staat; roept de Somalische staat ertoe op een eind te maken aan alle vormen van onderdrukking van vakbondsleden; dringt erop aan dat de regering de oprichting van onafhankelijke vakbonden toelaat; is er stellig van overtuigd dat vakbonden onontbeerlijk zijn voor het garanderen van de rechten van werknemers in Somalië; wijst erop dat onafhankelijke vakbonden in grote mate kunnen bijdragen aan de verbetering van de veiligheidssituatie in Somalië;

9.  spoort de federale overheid van Somalië ertoe aan de internationale rechtsorde te eerbiedigen en de besluiten van de IAO met betrekking tot zaak nr. 3113 te aanvaarden en volledig ten uitvoer te leggen;

10.  looft de werkzaamheden van de UNSOM in alle aspecten, en met name op het vlak van het monitoren van de mensenrechten in Somalië, evenals het besluit van de VN-Veiligheidsraad om haar mandaat te verlengen tot 31 maart 2019; is ingenomen met de inspanningen van de Afrikaanse Unie om een zekere mate van stabiliteit in Somalië te doen wederkeren en om het politieke overgangsproces te organiseren; dringt aan op beter EU-toezicht en -capaciteitsopbouw om te zorgen voor verantwoordingsplicht voor misbruik door Amisom-troepen, met name gezien het feit dat de EU de hoofdmoot van de financiering ter beschikking stelt; dringt er bij Amisom op aan zijn mandaat volledig uit te voeren om de burgerbevolking te beschermen.

11.  betreurt de rekrutering van kindsoldaten in Somalië en beschouwt dit als een afgrijselijke oorlogsmisdaad; is van oordeel dat kinderen een van de kwetsbaarste groepen vormen in het conflict; verzoekt alle gewapende groeperingen onmiddellijk een eind te maken aan deze praktijk en alle reeds gerekruteerde kinderen vrij te laten; verzoekt de staat ze niet als overtreders maar als terrorisme- en oorlogsslachtoffers te behandelen, en roept de EU ertoe op de Somalische regering te steunen bij de rehabilitatie en re-integratie; vraagt de Somalische autoriteiten met klem een eind te maken aan de willekeurige detentie van kinderen die vermoedelijk onrechtmatig met al-Shabaab in verband worden gebracht; spoort alle actoren in Somalië ertoe aan de doelstellingen van het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind betreffende de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten te eerbiedigen, en vraagt de federale overheid van Somalië dit verdrag onverwijld te ratificeren;

12.  is ingenomen met de selectie van commissarissen voor de onlangs opgerichte onafhankelijke nationale mensenrechtencommissie van Somalië, en verzoekt de Somalische regering de commissie zo spoedig mogelijk te benoemen; maakt zich grote zorgen over de berichten dat Somalische veiligheidstroepen zich schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen, met inbegrip van moord, willekeurige detentie, foltering, verkrachting en ontvoering; verzoekt de autoriteiten erop toe te zien dat alle schendingen volledig worden onderzocht en dat de schuldigen worden berecht; spoort de regering en de EU ertoe aan de technische deskundigheid van de Somalische criminele inlichtingendienst (CID) te verbeteren, zodat deze grondige en effectieve onderzoeken kan uitvoeren, met eerbiediging van de rechten van de burgers; verzoekt binnenlandse en buitenlandse troepen die betrokken zijn bij de strijd tegen al‑Shabaab het internationaal recht te eerbiedigen; verzoekt de Somalische regering een eind te maken aan de gedwongen uitzetting van binnenlands ontheemden, ook in Mogadishu, de hoofdstad van het land;

13.  prijst de Somalische regering ervoor dat zij na een driedaagse nationale grondwetsconventie in mei 2018 is gestart met de herziening van de Somalische tijdelijke grondwet, welke zal leiden tot een permanente Somalische grondwet; spoort de Somalische regering ertoe aan het Somalische nationale actieplan voor de preventie en bestrijding van gewelddadig extremisme, als onderdeel van de door Amisom gesteunde brede veiligheidsaanpak van het land, af te ronden;

14.  beschouwt gendergerelateerd en seksueel geweld tegen vrouwen, mannen, jongens en meisjes, waarbij vooral vrouwen en meisjes worden getroffen, als een afschuwelijke oorlogsmisdaad; roept de staat op zich sterker in te zetten voor de bescherming van kwetsbare groepen in de samenleving; juicht in dit verband toe dat de regering vorig jaar in samenwerking met de VN en de EU een landelijk justitieel opleidingsprogramma is gestart; geeft nogmaals uiting aan zijn diepe zorgen over de rechten van vrouwen; verzoekt de bevoegde autoriteiten gendergelijkheid en een sterkere positie van vrouwen te bevorderen; veroordeelt het illegaal verklaren van homoseksualiteit in Somalië en de criminalisering van LGBTI;

15.  betreurt de barre mensenrechtensituatie die een bedreiging vormt voor het leven van miljoenen Somaliërs; brengt in herinnering dat het dodental als gevolg van de hongersnood van 2011 nog hoger uitviel door de onveiligheid en de acties van de extremistische militanten van al-Shabaab, die voedselleveringen in gebieden in zuidelijk Centraal-Somalië die zich destijds onder hun controle bevonden, bemoeilijkten; roept de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap ertoe op de steun aan de Somalische bevolking op te voeren, om de levensomstandigheden van de kwetsbaarste bevolkingsgroepen te verbeteren en het hoofd te bieden aan de gevolgen van ontheemding, voedselonzekerheid, epidemieën en natuurrampen; veroordeelt alle aanslagen op humanitaire actoren en vredeshandhavers in Somalië; dringt erop aan dat de EU-steun wordt afgestemd op internationaal overeengekomen beginselen voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, om de onlangs goedgekeurde doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te verwezenlijken;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de president, de premier en het parlement van Somalië, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) PB C 204 van 13.6.2018, blz. 127.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0229.


Burundi
PDF 131kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over Burundi (2018/2785(RSP))
P8_TA(2018)0305RC-B8-0333/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Burundi, met name die van 9 juli 2015(1), 17 december 2015(2), 19 januari 2017(3) en 6 juli 2017(4),

–  gezien de herziene Overeenkomst van Cotonou, en met name artikel 96,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien het Afrikaanse Handvest inzake de rechten van mensen en volkeren,

–  gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad 2248 (2015) van 12 november 2015 en 2303 (2016) van 29 juli 2016 over de situatie in Burundi,

–  gezien de mondelinge briefing van de VN-onderzoekscommissie voor Burundi (UNCI) aan de Mensenrechtenraad van de VN, van 27 juni 2018,

–  gezien het eerste verslag van de secretaris-generaal van de VN over de situatie in Burundi, dat op 23 februari 2017 gepubliceerd is, en de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad over de politieke situatie en het voortdurende geweld in Burundi, waarin sterk wordt aangedrongen bij de regering en alle partijen om dergelijk geweld onmiddellijk te staken en af te wijzen,

–  gezien het persbericht van de VN-Veiligheidsraad van 13 maart 2017 over de situatie in Burundi en de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad van 5 april 2018 waarin alle schendingen van en inbreuken op de mensenrechten in Burundi veroordeeld worden,

–  gezien het verslag van de onafhankelijke onderzoekscommissie van de VN over Burundi (UNIIB), gepubliceerd op 20 september 2016,

–  gezien de resolutie van de Mensenrechtenraad van de VN van 30 september 2016 over de situatie van de mensenrechten in Burundi,

–  gezien de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening in Burundi van 28 augustus 2000,

–  gezien de verklaring van de top van de Afrikaanse Unie op 13 juni 2015 over de situatie in Burundi,

–  gezien het besluit van de Raad voor vrede en veiligheid en de toestand van vrede en veiligheid in Afrika (Assembly/AU/Dec.598 (XXVI), aangenomen tijdens de 26e gewone zitting van de Vergadering van staatshoofden en regeringsleiders van de Afrikaanse Unie, die op 30 en 31 januari 2016 in Addis Abeba (Ethiopië) is gehouden,

–  gezien de besluiten en verklaringen van de Raad voor vrede en veiligheid en de toestand van vrede en veiligheid in Afrika (Assembly/AU/Dec.605-620 (XXVII), aangenomen tijdens de 27e gewone zitting van de Vergadering van staatshoofden en regeringsleiders van de Afrikaanse Unie, die op 17 en 18 juli 2016 in Kigali (Rwanda) is gehouden,

–  gezien de resolutie van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en de volkeren van 4 november 2016 over de situatie van de mensenrechten in de Republiek Burundi,

–  gezien de verklaring van de top van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap van 31 mei 2015 over de situatie in Burundi,

–  gezien Besluit (EU) 2016/394 van de Raad van 14 maart 2016 betreffende de afsluiting van het overleg met de Republiek Burundi krachtens artikel 96 van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds(5),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1755 van de Raad van 1 oktober 2015(6), alsook de besluiten (PESC) 2015/1763 van 1 oktober 2015(7) en (PESC) 2016/1745 van 29 september 2016(8) van de Raad betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi,

–  gezien de conclusies van de Raad over Burundi van 16 maart, 18 mei, 22 juni, 16 november 2015 en 15 februari 2016 over Burundi,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, van 28 mei 2015, 19 december 2015, 21 oktober 2016 en 27 oktober 2017;

–  gezien de verklaring van 8 juni 2018 van de woordvoerder van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger (VV/HV) over de situatie in Burundi,

–  gezien de verklaring van de VV/HV namens de EU van 8 mei 2018 over de situatie in Burundi in de aanloop naar het grondwettelijk referendum,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de VV/HV van 6 januari 2017 over het verbieden van de Ligue Iteka in Burundi,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Burundi vanaf april 2015 een politieke, mensenrechten- en humanitaire crisis kent, toen president Nkurunziza aankondigde dat hij zich kandidaat zou stellen voor een omstreden derde termijn, en die aankondiging gevolgd werd door maanden van dodelijke onrust gedurende welke 593 personen gedood zijn volgens het Internationaal Strafhof (ICC), en sindsdien, volgens de UNHCR, 413 000 mensen het land zijn ontvlucht en 169 000 intern zijn ontheemd; overwegende dat, volgens het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA), 3,6 miljoen mensen in het land humanitaire hulp nodig hebben ;

B.  overwegende dat de grondwetswijzigingen waarmee tijdens het referendum ingestemd is de uitbreiding van bevoegdheden van de president omvat, alsmede de beperking van de macht van de vicepresident, de benoeming van de eerste minister door de president, de invoering van een procedure waarmee wetten en wetswijzigingen met een gewone meerderheid van stemmen in het Parlement kunnen worden aangenomen, de mogelijkheid om de door de Overeenkomst van Arusha ten uitvoer gelegde quota te herzien, en het verbod op regeringsdeelname van politieke partijen die minder dan 5 % van de stemmen hebben; overwegende dat dit alles de Overeenkomst van Arusha in gevaar brengt;

C.  overwegende dat in de aanloop naar het referendum over de grondwet op 17 mei 2018 het geweld tegen en intimidatie van politieke tegenstanders in het hele land is geëscaleerd met de gedwongen verdwijning en intimidatie van tegenstanders van de genoemde constitutionele herziening; overwegende dat het grondwettelijk referendum het ook mogelijk maakt de na onderhandelingen tot stand gekomen bepalingen van de Overeenkomst van Arusha te schrappen, wat kan leiden tot minder inclusiviteit en tot ernstige gevolgen voor de politieke stabiliteit in Burundi; overwegende dat, ondanks de wijzigingen in de grondwet, president Nkurunziza heeft aangekondigd niet deel te nemen aan de verkiezingen van 2020;

D.  overwegende dat, volgens Amnesty International, tijdens de officiële campagneperiode, dikwijls melding is gemaakt van arrestaties, mishandeling en intimidatie van hen die campagne voerden om "nee" te stemmen; overwegende dat het referendum plaatsvond in een dusdanige context van voortdurende repressie dat de Burundese katholieke bisschoppen hebben gezegd dat veel burgers zozeer in angst leven dat mensen niet durven te zeggen wat zij denken, uit angst voor represailles;

E.  overwegende dat de UNCI erop heeft gewezen dat politiek geweld, willekeurige arrestaties, buitengerechtelijke executies, mishandelingen, haatzaaiende uitlatingen en diverse andere vormen van geweld een plaag blijven voor de bevolking; overwegende dat de Imbonerakure, de jeugdliga van de heersende politieke partij, blijft doorgaan met het plegen van mensenrechtenschendingen en intimidatiepraktijken, zoals het opzetten van wegblokkades en controleposten in sommige provincies, afpersing, het lastig vallen van voorbijgangers, arrestatie van personen die zij verdenken van banden met de oppositie, van wie velen worden vastgehouden, gemarteld, verkracht, mishandeld en van wie sommigen sterven als gevolg daarvan;

F.  overwegende dat tijdens de periode van het referendum in 2018, mensenrechtenorganisaties melding hebben gemaakt van gevallen van een krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld en een verslechterend mediaklimaat, zowel op nationaal als op lokaal niveau; overwegende dat sinds 2015 lokale ngo's en mensenrechtenactivisten steeds vaker bedreigd en als doelwit gekozen worden door de regering en de persvrijheid en de omstandigheden waaronder journalisten werken voortdurend verslechteren; overwegende dat particuliere media en journalisten reeds een hoge prijs hebben betaald in de strijd met de regering, door onder meer het slachtoffer te zijn van arrestaties, standrechtelijke executies en gedwongen verdwijningen of soms door de regering aangemerkt te worden als crimineel of zelfs terrorist;

G.  overwegende dat Verslaggevers zonder Grenzen in zijn World Press Freedom Index 2018 Burundi op de 156e plaats (van 180) heeft gezet;

H.  overwegende dat veel mensenrechtenactivisten lange celstraffen uitzitten, zoals met name Germain Rukuki, die voor de "Association des juristes catholiques du Burundi" werkzaam is en tot 32 jaar is veroordeeld, dan wel in afwachting van een proces vastgehouden worden, zoals Nestor Nibitanga; overwegende dat restrictieve wetten zijn goedgekeurd om lokale en internationale ngo's te controleren; overwegende dat sommige organisaties gedwongen zijn om hun activiteiten op te schorten en andere om definitief te sluiten, zoals de Iteka-liga, de Focode en ACAT; overwegende dat veel leiders en mensenrechtenactivisten in ballingschap zijn gegaan terwijl zij die nog aanwezig zijn onder niet aflatende druk staan of gearresteerd kunnen worden; overwegende dat Emmanuel Nshimirimana, Aimé Constant Gatore, en Marius Nizigama tot gevangenisstraffen van 10 tot 32 jaar zijn veroordeeld, terwijl Nestor Nibitanga 20 jaar kan worden opgelegd; overwegende dat de journalist Jean Bigirimana al twee jaar vermist wordt en een van de vele slachtoffers is van gedwongen verdwijningen tijdens deze crisis;

I.  overwegende dat de rechters van het ICC in oktober 2017 de aanklager van het ICC toestemming hebben verleend om een onderzoek te starten naar misdaden die binnen de jurisdictie van het Hof vallen en naar verluidt tussen 26 april 2015 en 26 oktober 2017 in Burundi en door staatsburgers van Burundi buiten Burundi zijn gepleegd; overwegende dat Burundi op 27 oktober 2017 de eerste natie was die zich uit het Internationaal Strafhof heeft teruggetrokken nadat het Hof in april 2016 besloten had om een voorlopig onderzoek te starten naar geweld en mensenrechtenschendingen en mogelijke misdaden tegen de menselijkheid in Burundi, terwijl in het land het regime straffeloos blijf doden;

J.  overwegende dat de aanwezigheid van Burundese troepen in vredesmissies het de regering van president Pierre Nkurunziza mogelijk maakt om de realiteit van de interne problemen te verhullen en Burundi als een stabiliserende factor in andere in een crisis verkerende landen te presenteren, in tijden dat dit land zelf een ongekende crisis doormaakt die gekenmerkt wordt door brute schendingen van mensenrechten; overwegende dat Burundi op deze wijze enorme hoeveelheden geld verdient dat niet wordt herverdeeld ten behoeve van de bevolking; overwegende dat vreedzame, vrije, democratische en onafhankelijke verkiezingen niet mogelijk zijn zolang de militie Imbonerakure niet wordt ontbonden;

K.  overwegende dat Burundi in een steeds verslechterende socio-economische toestand verkeert en op de een na laatste plaats staat wat de bnp per capita betreft; overwegende dat 3,6 miljoen Burundezen (30 % van de bevolking) hulp nodig heeft en 1,7 miljoen mensen in voedselonzekerheid verkeren; overwegende dat deze armoedetoestand is verslechterd door een invoering van een "vrijwillige" bijdrage aan de verkiezingen van 2020, die dikwijls gedwongen wordt geïnd door de Imbonerakure en ongeveer 10 % of meer bedraagt van het maandsalaris van ambtenaren;

L.  overwegende dat op de 30e top van de Afrikaanse Unie en de 19e top van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, de Afrikaanse Unie en de Oost-Afrikaanse Gemeenschap hun steun hebben toegezegd aan een vreedzame oplossing van de politieke situatie in Burundi door middel van een inclusieve dialoog op basis van de Arusha-overeenkomst van 28 augustus 2000;

M.  overwegende dat een aantal bilaterale en multilaterale partners, gezien de situatie in Burundi, hun financiële en technische steun aan de regering van Burundi hebben opgeschort; overwegende dat de EU de rechtstreekse financiële steun aan de Burundese regering, waaronder begrotingssteun, heeft opgeschort, maar haar steun voor de bevolking handhaaft;

N.  overwegende dat de EU en de VS gerichte en individuele sancties hebben vastgesteld tegen Burundi; overwegende dat de Raad op 23 oktober 2017 de beperkende maatregelen van de EU tegen Burundi heeft verlengd tot 31 oktober 2018; overwegende dat deze maatregelen bestaan uit een reisverbod en een bevriezing van tegoeden ten aanzien van personen wier activiteiten geacht worden de democratie te ondermijnen of de zoektocht naar een politieke oplossing voor de crisis in Burundi te belemmeren;

O.  overwegende dat de Mensenrechtenraad van de VN de resultaten van de universele periodieke evaluatie van Burundi tijdens zijn 38e zitting op 28 juni 2018 heeft overgenomen; overwegende dat Burundi 125 van de 242 aanbevelingen van de evaluatie heeft aanvaard, en met name die aanbevelingen heeft verworpen die oproepen tot praktische stappen ter verbetering van de reputatie van het land op het gebied van de mensenrechten;

P.  overwegende dat het Grondwettelijk Hof de uitslag van het referendum van 17 mei 2018 heeft bevestigd en een verzoekschrift van de oppositie dat gewag maakt van intimidatie en geweld, heeft verworpen;

1.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de endemische straffeloosheid en schendingen van de mensenrechten, waaronder standrechtelijke executies, foltering, gedwongen verdwijningen en willekeurige detentie; herinnert Burundi aan zijn verplichting, als lid van de Mensenrechtenraad van de VN, opnieuw en volledig samen te werken met de UNCI over Burundi en het team van drie VN-deskundigen, en de speciale VN-rapporteur voor de situatie van verdedigers van de mensenrechten toegang tot het land te verlenen;

2.  verzoekt de regering van Burundi om de Overeenkomst van Arusha volledig na te komen als het belangrijkste instrument voor vrede en stabiliteit in het land; verzoekt de regering van Burundi, als partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), zijn internationale juridische verplichtingen met betrekking tot de mensen- en burgerrechten na te komen, en de in het verdrag verankerde vrijheid van meningsuiting en vereniging te beschermen;

3.  veroordeelt nogmaals de intimidatie van, de onderdrukking van en het geweld tegen journalisten, aanhangers van de oppositie en mensenrechtenactivisten; dringt er bij de Burundese autoriteiten op aan de rechtsstaat en fundamentele mensenrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media, te eerbiedigen, en onmiddellijk en onvoorwaardelijk Germain Rukuki, Nestor Nibitanga, Emmanuel Nshimirimana, Aimé Constant Gatore en Marius Nizigama vrij te laten, vijf mensenrechtenactivisten die uitsluitend worden vastgehouden voor hun activiteiten op het gebied van de mensenrechten, maar door de autoriteiten beschuldigd worden van ondermijning van de binnenlandse staatsveiligheid; verzoekt de Burundese autoriteiten onderzoeken te starten naar de situatie van de journalist Jean Bigirimana;

4.  veroordeelt het besluit van Burundi om zich uit het ICC terug te trekken; staat achter de voortzetting van het onderzoek van het ICC naar de talrijke misdaden en gevallen van repressie in Burundi; vraagt de Unie zich te blijven inspannen voor de verantwoordingsplicht voor de in Burundi gepleegde misdaden; verwacht dat Burundi de samenwerking met het Internationaal Strafhof hervat en voortzet, gelet op het feit dat de strijd tegen straffeloosheid, de vervolging van alle schendingen van de mensenrechten, en verantwoordingsplicht noodzakelijke stappen zijn om aan de crisis een einde te maken en tot een blijvende vreedzame oplossing te komen;

5.  is ingenomen met de mondelinge briefing van de UNCI en prijst haar cruciale werkzaamheden bij het documenteren van de voortdurende mensenrechtencrisis in het land;

6.  benadrukt zijn bezorgdheid over de humanitaire situatie, die gekenmerkt wordt door 169 000 intern ontheemden, 1,67 miljoen mensen die humanitaire hulp nodig hebben, en meer dan 410 000 Burundezen die hun toevlucht zoeken in buurlanden; prijst de gastlanden om hun inspanningen en verzoekt de regeringen in de regio ervoor te zorgen dat de terugkeer van vluchtelingen gebaseerd is op weloverwogen beslissingen en veilig en waardig uitgevoerd wordt;

7.  betreurt evenwel het trage proces van de inter‑Burundese dialoog die door de Oost-Afrikaanse Gemeenschap wordt geleid en het gebrek aan inzet van de kant van de regering van Burundi in dat verband, en verzoekt alle partijen, met name de Burundese autoriteiten, zich te verbinden tot een dringende hervatting van de inter-Burundese dialoog, die moet worden georganiseerd in een daadwerkelijk inclusief kader en zonder voorwaarden;

8.  vraagt om een vernieuwde en gecoördineerde aanpak tussen de AU, de EU, de Economische Commissie voor Afrika (ECA) van de VN en de VN als geheel; betreurt het dat de regering van Burundi geen rekening houdt met de verslagen van de secretaris-generaal van de VN, de resoluties van de Mensenrechtenraad van de VN in Genève, het besluit van de AU van januari 2018 en de bemiddelingsinspanningen van de ECA; moedigt bilaterale en multilaterale partners en de regering van Burundi aan om hun dialoog voort te zetten met de bedoeling dat de regering van Burundi voorwaarden schept die bevorderlijk zijn voor de hervatting van de hulp; verzoekt alle Burundese belanghebbenden actief aan dit proces deel te nemen; spreekt nogmaals zijn steun uit aan het bemiddelingsproces met de steun van de AU en de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN;

9.  prijst de bijstand die bilaterale en multilaterale partners verlenen om de humanitaire situatie te verlichten en verzoekt de internationale gemeenschap steun te blijven geven om aan de humanitaire behoeften in het land tegemoet te komen; spoort de Commissie aan in 2018 aanvullende rechtstreekse steun te verlenen aan de bevolking; benadrukt dat een terugkeer naar een klassieke vorm van samenwerking de terugkeer vereist van de rechtsstaat en democratie, waartoe de bestrijding van straffeloosheid en bescherming van de Burundese burgers behoren;

10.  is ongerust dat de voortdurende politiek crisis kan uitmonden in een etnisch conflict door het gebruik van propaganda, verklaringen die tot haat aanzetten of oproepen tot geweld, waarbij opposanten, leden van maatschappelijke organisaties, journalisten en de Tutsi gelijkgesteld worden met "vijanden van het regime" die moeten worden uitgeschakeld; dringt er bij alle partijen in Burundi op aan zich te onthouden van elke gedraging of taaluiting die het geweld kan verergeren, de crisis kan verdiepen of de regionale stabiliteit op de lange termijn kan aantasten;

11.  blijft ernstig bezorgd dat de nieuwe grondwet die bij het referendum van 17 mei 2018 is aanvaard, een begin kan zijn van het uithollen van de bepalingen in de Overeenkomst van Arusha, waarover met zorg is onderhandeld en die geholpen hebben een einde te maken aan de burgeroorlog in Burundi;

12.  bevestigt nogmaals zijn steun aan het besluit van de Europese Unie, na overleg met de autoriteiten van Burundi overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, de rechtstreekse financiële steun aan de Burundese regering op te schorten en verwelkomt de vaststelling door de EU van reisbeperkingen en de bevriezing van tegoeden van de degenen die verantwoordelijk zijn voor het schenden van mensenrechten en het tegenwerken van de vredesinspanningen;

13.  eist dat een einde wordt gemaakt aan verdere betaling aan de Burundese soldaten en de verschillende contingenten uit Burundi die betrokken zijn bij vredesmissies van de VN en de AU; neemt kennis van de aankondiging van president Nkurunziza dat hij niet voor een nieuwe ambtstermijn in 2020 in aanmerking wil komen; verzoekt de internationale gemeenschap de situatie in Burundi nauwlettend te volgen, ongeacht de verklaring van president Nkurunziza over de verkiezingen van 2020;

14.  herinnert aan de krachtige verklaring van de VV/HV van 8 mei 2018 over de start van de laatste voorbereidende fase voor het constitutioneel referendum van 17 mei 2018; betreurt het gebrek aan consensus tussen de diverse maatschappelijke en politieke groepen in Burundi, het gebrek aan officiële informatie over de belangrijkste elementen van de ontwerpgrondwet, en de nauwlettende controle van journalisten en de media;

15.  herinnert de regering van Burundi eraan dat de voorwaarden voor inclusieve, geloofwaardige en transparante verkiezingen in 2020 het recht op vrije meningsuiting, toegang tot informatie en het bestaan van een vrije ruimte waarin mensenrechtenactivisten zich kunnen uitspreken zonder intimidatie of angst voor represailles, omvatten;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regering van Burundi, de ACS-EU-Raad van ministers, de Commissie, de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten van de EU, de lidstaten en instellingen van de Afrikaanse Unie, en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 137.
(2) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 190.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0004.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0310.
(5) PB L 73 van 18.3.2016, blz. 90.
(6) PB L 257 van 2.10.2015, blz. 1.
(7) PB L 257 van 2.10.2015, blz. 37.
(8) PB L 264 van 30.9.2016, blz. 29.


Start van de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in Kroatië *
PDF 111kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over het uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in Kroatië (06986/2018 – C8-0164/2018 – 2018/0806(CNS))
P8_TA(2018)0306A8-0225/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (06986/2018),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0164/2018),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0225/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS) ***I
PDF 132kWORD 54k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399 en (EU) 2016/1624 (COM(2016)0731 – C8-0466/2016 – 2016/0357A(COD))
P8_TA(2018)0307A8-0322/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0731),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 77, lid 2, onder b) en d), en artikel 87, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0466/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2017(1),

–  gezien het besluit van de Conferentie van voorzitters van 14 september 2017 om de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken toestemming te geven om het voornoemde Commissievoorstel te splitsen en op basis daarvan twee afzonderlijke wetgevingsverslagen op te stellen,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 25 april 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Begrotingscommissie (A8-0322/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees reisinformatie en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226

P8_TC1-COD(2016)0357A


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1240.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad

De exploitatie- en onderhoudskosten van het Etias-informatiesysteem, de centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheden worden volledig gedekt door de ontvangsten uit de leges. De leges dienen derhalve waar nodig te worden aangepast aan de kosten. Dit omvat zowel de kosten die de EU-lidstaten maken als de kosten die de met Schengen geassocieerde landen in dit verband maken, in overeenstemming met de bepalingen van de Etias-verordening. De kosten in verband met de ontwikkeling van het Etias-informatiesysteem, de integratie van de bestaande nationale grensinfrastructuur en de koppeling met de nationale uniforme interface alsook in verband met het hosten van de nationale uniforme interface, en het opzetten van de centrale Etias-eenheid en de nationale Etias-eenheden, met inbegrip van de kosten die de EU-lidstaten en de met Schengen geassocieerde landen maken, worden respectievelijk gedragen door het Fonds voor interne veiligheid (Grenzen en Visa) en zijn opvolger(s).

Deze kosten mogen daarom niet worden meegewogen bij de berekening van de bijdrage van de met Schengen geassocieerde landen aan Etias uit hoofde van de desbetreffende associatieovereenkomst en de bijbehorende specifieke regelingen voor de deelname van de met Schengen geassocieerde landen aan de agentschappen. Dit moet met name in aanmerking worden genomen in het kader van de onderhandelingen over de opvolger(s) van het Fonds voor interne veiligheid (Grenzen en Visa) en de specifieke regelingen voor de deelname hieraan van de met Schengen geassocieerde landen.

Het Europees Parlement en de Raad verzoeken de Commissie onverwijld na de vaststelling van deze verordening een voorstel in te dienen over de in artikel 95 van deze verordening bedoelde specifieke regelingen.

(1) PB C 246 van 28.7.2017, blz. 28.


Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie: taken van Europol ***I
PDF 124kWORD 39k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/794 tot instelling van een Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS) (COM(2016)0731 – C8-0466/2016 – 2016/0357B(COD))
P8_TA(2018)0308A8-0323/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0731),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 88, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0466/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het besluit van de Conferentie van voorzitters van 14 september 2017 om de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken toestemming te geven om het voornoemde Commissievoorstel te splitsen en op basis daarvan twee afzonderlijke wetgevingsverslagen op te stellen,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 25 april 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0323/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/794 met het oog op de oprichting van een Europees reisinformatie- en autorisatiesysteem (Etias)

P8_TC1-COD(2016)0357B


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1241.)


Financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie ***I
PDF 145kWORD 54k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2012/2002, (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1308/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad en Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0605 – C8-0372/2016 – 2016/0282A(COD))
P8_TA(2018)0309A8-0211/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0605),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 42, artikel 43, lid 2, artikel 46, onder d), artikel 149, artikel 153, lid 2, onder a), artikel 164, artikel 168, lid 4, onder b), artikelen 172, 175, 177 en 178, artikel 189, lid 2, artikel 212, lid 2, artikel 322, lid 1, en artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0372/2016),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Rekenkamer nr. 1/2017 van 26 januari 2017(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 april 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie visserij en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0211/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

4.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie haar voorstel door een nieuwe tekst vervangt, ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aanbrengt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU, Euratom) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012

P8_TC1-COD(2016)0282A


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU, Euratom) 2018/1046.)

Bijlage I bij de wetgevingsresolutie

Verklaring met betrekking tot artikel 38 Bekendmaking van informatie over ontvangers en andere informatie:

"De Commissie zal de uitwisseling van goede praktijken ten aanzien van de bekendmaking van informatie over ontvangers van in gedeeld beheer uitgevoerde middelen van de Unie via netwerken met de lidstaten ondersteunen. De Commissie zal bij de voorbereiding van het volgende meerjarig financieel kader terdege rekening houden met de lessen uit het verleden."

Verklaring met betrekking tot artikel 266 Specifieke bepalingen voor onroerendgoedprojecten:

"De Commissie en de EDEO zullen het Europees Parlement en de Raad in het kader van het in artikel 266 bedoelde werkdocument informeren over alle eventuele verkopen en aankopen van gebouwen, met inbegrip van die welke onder de in dat artikel vastgesteld drempelwaarden liggen."

Bijlage II bij de wetgevingsresolutie

Gezamenlijke verklaring over de kwijtingsprocedure en de datum van vaststelling van de definitieve rekeningen van de EU

"Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zullen – in samenwerking met de Europese Rekenkamer – een pragmatische kalender opstellen voor de kwijtingsprocedure.

In dat verband bevestigt de Commissie dat zij ernaar zal streven de geconsolideerde jaarrekening van de EU voor het begrotingsjaar 2017 uiterlijk op 30 juni 2018 vast te stellen, mits de Europese Rekenkamer alle bevindingen betreffende de betrouwbaarheid van deze EU-rekening en alle geconsolideerde rekeningen van entiteiten uiterlijk op 15 mei 2018, en haar ontwerpjaarverslag uiterlijk op 15 juni 2018, toezendt.

De Commissie bevestigt tevens dat zij ernaar zal streven haar antwoorden op het jaarverslag van de Europese Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2017 uiterlijk op 15 augustus 2018 te verstrekken, mits de Europese Rekenkamer haar ontwerpopmerkingen uiterlijk op 1 juni 2018 aan de Commissie doet toekomen."

(1) PB C 91 van 23.3.2017, blz. 1.


Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht ***I
PDF 126kWORD 55k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2011 (COM(2017)0352 – C8-0216/2017 – 2017/0145(COD))
P8_TA(2018)0310A8-0404/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0352),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 74, artikel 77, lid 2, onder a) en b), artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 82, lid 1, onder d), artikel 85, lid 1, artikel 87, lid 2, onder a), en artikel 88, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0216/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 7 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0404/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA), tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2011

P8_TC1-COD(2017)0145


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1726.)


Begroting 2019 - Mandaat voor de trialoog
PDF 173kWORD 61k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2019 (2018/2024(BUD))
P8_TA(2018)0311A8-0247/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, goedgekeurd door de Commissie op 23 mei 2018 (COM(2018)0600),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en de latere wijziging daarvan bij Verordening (EU, Euratom) 2017/1123 van de Raad van 20 juni 2017(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2018 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2019, afdeling III – Commissie(5),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 februari 2018 over de begrotingsrichtsnoeren voor 2019 (06315/2018),

–  gezien artikel 86 bis van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0247/2018),

Ontwerpbegroting 2019 – de solidariteit versterken en de weg bereiden voor een duurzame toekomst

1.  herinnert eraan dat het in zijn resolutie van 15 maart 2018 de volgende prioriteiten voor de EU-begroting voor 2019 heeft aangemerkt: duurzame groei, innovatie, concurrentievermogen, veiligheid, de strijd tegen klimaatverandering en de transitie naar hernieuwbare energie, alsook migratie; herinnert eraan dat het tevens heeft gepleit voor specifieke aandacht voor jongeren;

2.  benadrukt dat de Unie een koploper moet zijn bij de tenuitvoerlegging van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) door deze te integreren in alle beleidsdomeinen van de Unie;

3.  herinnert eraan dat de onderhandelingen over de EU-begroting voor 2019 de laatste zullen zijn tijdens de huidige zittingsperiode van het Parlement en zullen samenvallen met de onderhandelingen over het volgende meerjarig financieel kader (MFK) en de hervorming van de eigen middelen van de EU; herinnert er ook aan dat het VK heeft toegezegd te zullen bijdragen en deelnemen aan de uitvoering van de jaarlijkse begrotingen van de Unie voor 2019 en 2020 alsof het na maart 2019 nog steeds lid van de Unie was;

4.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie en is van mening dat het in grote lijnen overeenkomt met de prioriteiten van het Parlement; is voornemens belangrijke programma's te versterken en dienovereenkomstig een passend niveau van financiering te waarborgen; neemt kennis van de stijging van 3,1 % in vastleggingskredieten en het lagere percentage van het bni ten opzichte van 2018 voor zowel de vastleggingskredieten (1 % tegenover 1,02 %) als de betalingskredieten (0,9 % tegenover 0,92 %);

5.  is ingenomen met de voorgestelde verhogingen voor Horizon 2020, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), Erasmus + en programma's die bijdragen aan meer veiligheid voor de EU-burgers; wijst er echter op dat de steun voor kmo's, die essentieel zijn om economische groei en nieuwe banen tot stand te brengen, verder moet worden verhoogd en dat er passende middelen moeten worden uitgetrokken die specifiek bestemd zijn voor de digitalisering van de industrie in de EU en de bevordering van digitale vaardigheden en digitaal ondernemerschap, alsook voor programma's ter ondersteuning van jongeren, meer bepaald ErasmusPro; herhaalt ervan overtuigd te zijn dat de begroting van Erasmus+ voor 2019 ten minste moet worden verdubbeld;

6.  is ingenomen met de lancering van DiscoverEU, de verdeling van 15 000 Interrailpassen onder Europeanen van 18 jaar in 2018, alsook met het Commissievoorstel van 700 miljoen EUR voor het MFK 2021-2027, dat goed aansluit op de doelstellingen van de EU ter bevordering van leermobiliteit, actief burgerschap, sociale inclusie van en solidariteit onder alle jongeren; betreurt dat de Commissie geen kredieten heeft voorgesteld voor 2019 en 2020; is vastbesloten om de voorbereidende actie in 2019 en 2020 voort te zetten;

7.  neemt kennis van de door de Commissie uitgevoerde evaluatie vooraf van de voortzetting van de voorbereidende actie inzake de Kindergarantie; onderstreept de verwijzing daarin naar een mogelijk breedschaligere tenuitvoerlegging in het kader van het Europees Sociaal Fonds; stelt voor dat de gelegenheid van een derde uitvoeringsfase wordt aangegrepen voor de voorbereiding op deze breedschaligere implementatie in het kader van ESF+;

8.  betreurt dat de stijging voor het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme) in vergelijking met de begroting voor 2018 slechts 2,3 % bedraagt (362,2 miljoen EUR in vastleggingskredieten), en dat de voorgestelde betalingskredieten 0,6 % lager liggen; wijst erop dat het om een succesvol programma gaat waarvoor het aantal kandidaten groter is dan het aantal ontvangers van financiering; benadrukt dat kmo's een belangrijke motor voor werkgelegenheid, economische groei en concurrentievermogen in de EU zijn, de ruggengraat van de Europese economie vormen en in staat zijn groei en banen te creëren; dringt erop aan dat dit bij wijze van topprioriteit wordt weerspiegeld in de hoeveelheid middelen die wordt toegewezen aan kmo-programma's en een verdere stijging van de kredieten voor Cosme, gezien het succes van dit programma;

9.  prijst de rol van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) bij het verkleinen van de investeringskloof in de EU; dringt in het kader van een optimaal evenwicht binnen de regio's en de sectoren aan op een versterking van de sociale dimensie van het gebruik van het EFSI, onder meer op het gebied van innovatie in de gezondheidszorg en geneeskunde, sociale infrastructuur, milieubescherming, duurzaam vervoer, hernieuwbare energie en infrastructuur voor energieopslag; herhaalt zijn aloude standpunt dat alle nieuwe initiatieven binnen het MFK moeten worden gefinancierd met nieuwe kredieten en niet ten koste mogen gaan van de bestaande programma's; herhaalt tevens dat het vasthoudt aan een versterking van Horizon 2020 en de CEF, zodat de bezuinigingen op die programma's om de uitbreiding van het EFSI te financieren zoveel mogelijk worden teruggedraaid in de begroting voor 2019;

10.  neemt kennis van het engagement voor een vernieuwde defensieagenda van de EU, met name door het akkoord over een industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie (European Defence Industrial Development Programme, EDIDP), als eerste fase van het Europees Defensiefonds; is van mening dat dit gemeenschappelijk engagement zal bijdragen aan het realiseren van schaalvoordelen en een betere coördinatie tussen lidstaten en bedrijven, zodat de EU haar strategische autonomie kan behouden en een echte mondiale speler kan worden;

11.  merkt op dat de Commissie een verhoging heeft voorgesteld voor het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) van 233 miljoen EUR, overeenkomstig de financiële programmering; herhaalt nogmaals dat het Parlement niet heeft ingestemd met enige frontloading in verband met de aanvullende middelen voor 2018-2020 als gevolg van de tussentijdse evaluatie van het MFK; blijft erbij dat de begrotingsautoriteit ten volle haar prerogatieven behoudt met betrekking tot het vaststellen van het financieringsniveau van alle programma's, met inbegrip van de programma's die aan bod zijn gekomen in de tussentijdse evaluatie van het MFK; benadrukt het belang van loyale samenwerking tussen de instellingen en verzoekt alle betrokken partijen het vertrouwen te behouden gedurende de hele begrotingsprocedure 2019;

12.  blijft zich inzetten voor de bestrijding van de werkloosheid, met name de jeugdwerkloosheid; is in verband hiermee van mening dat het YEI verder moet worden versterkt en dat dit strookt met de noodzaak om meer EU-financiering uit te trekken voor de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten, ondanks de complexiteit die gepaard gaat met een herprogrammering van de YEI- en ESF-programma's in geval van wijzigingen in de middelen voor het YEI; beseft dat de jeugdwerkloosheid niet in de hele EU adequaat is aangepakt, met een jeugdwerkloosheid die nog steeds hoger ligt dan in 2007; verzoekt de Commissie te waarborgen dat de lidstaten in hun strijd tegen de jeugdwerkloosheid hun eigen beleid en financiering niet vervangen door YEI-financiering, maar deze middelen eerder gebruiken als aanvulling; benadrukt dat zowel het beroepsonderwijs als leerlingplaatsen efficiënte praktijken zijn om de jeugdwerkloosheid aan te pakken; benadrukt dat dankzij de mobiliteit in het kader van ErasmusPro sterk wordt aangezet tot benchmarking om optimale praktijken toe te passen;

13.  benadrukt dat de cohesiebeleidsprogramma's in 2019 op kruissnelheid zullen zijn en onderstreept zijn vaste voornemen om voor gepaste kredieten voor deze programma's te zorgen; is verheugd over het feit dat bijna alle beheersautoriteiten voor de programma's van de periode 2014-2020 nu zijn aangewezen; wijst erop dat de onaanvaardbare vertragingen bij de tenuitvoerlegging van operationele programma's in grote mate te wijten waren aan de late aanwijzing van deze autoriteiten; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de tenuitvoerlegging van de programma's versneld wordt om de achterstand weg te werken en hiervoor een beroep te doen op hulp van de Commissie;

14.  neemt kennis van de verslagen over de werking van het cohesiebeleid in de Unie en de economische uitdagingen waarmee achterstandgebieden worden geconfronteerd, waarin steeds weer wordt gewezen op tekortkomingen wat de doelmatigheid en de resultaten betreft;

15.  stelt vast dat het voorstel van de Commissie het mogelijk zou maken in 2019 het streefdoel te verwezenlijken dat 20 % van de begroting wordt besteed aan klimaatgerelateerde uitgaven; betreurt evenwel dat de Commissie geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van het Parlement inzake compensatie van de lagere toewijzingen tijdens de eerste jaren van het MFK; is van mening dat dit voorstel tekortschiet, omdat in totaal slechts 19,3 % van de EU-begroting voor 2014-2020 zal worden besteed aan klimaatgerelateerde maatregelen waardoor de EU haar streefdoel niet zal halen om in de periode 2014-2020 een klimaatmainstreaming van ten minste 20 % te realiseren, temeer indien ze in 2020 opnieuw slechts 20 % van de begroting toewijst aan klimaatbescherming; betreurt dat de Commissie er niet in is geslaagd ontwerpbegrotingen voor te leggen die zijn afgestemd op de toezeggingen en streefdoelen van de Unie op dit gebied als genoemd in de conclusies van de Europese Raad van 7-8 februari 2013; is van mening dat meer moet worden ondernomen door een actieplan uit te werken binnen programma's met een groot potentieel, zoals Horizon 2020, de CEF, het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) of LIFE+, aangezien met deze programma's met name kan worden geïnvesteerd in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie; wijst nogmaals op de onderbouwde kritiek van de Rekenkamer met betrekking tot de door de Commissie toegepaste methodiek en vraagt om spoedige verbeteringen in dit licht en in dit verband;

16.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de methode voor het traceren van biodiversiteitsgerelateerde uitgaven te verbeteren; spreekt evenwel zijn afkeuring uit over de voorgestelde verlaging van de totale bijdrage aan de bescherming van de biodiversiteit tot 8,2 %, wat in strijd is met de doelstelling om in 2020 het verlies aan biodiversiteit en ecosysteemdiensten tot staan te brengen en om te buigen;

17.  is van mening dat het waarborgen van de veiligheid van de burgers van de Unie en het aanpakken van de migratie- en vluchtelingenproblematiek de twee belangrijkste prioriteiten van de Unie blijven in 2019; acht het van cruciaal belang het niveau van de uitgaven op deze gebieden in stand te houden, zodat er voldoende middelen zijn om te beantwoorden aan de behoeften die op het Afrikaanse continent zijn ontstaan als gevolg van de migratie- en vluchtelingencrisis, met name in de Sahel, alsook in de landen van de Levant en het Middellandse Zeegebied; is van mening dat in de EU-begroting rekening moet worden gehouden met de noodzakelijke solidariteit tussen de lidstaten bij het beheer van de migratiestroom, met name zodra de herziene Dublinverordening wordt vastgesteld; neemt er nota van dat in de ontwerpbegroting 2019 de budgettaire gevolgen van het Commissievoorstel zijn opgenomen;

18.  benadrukt dat diverse belangrijke wetgevingsinitiatieven waarover wordt onderhandeld of die zich in de eerste uitvoeringsfasen bevinden, zoals de herziening van de Dublinverordening, de instelling van het inreis-uitreissysteem en het Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie, de modernisering van het Schengeninformatiesysteem en het initiatief inzake interoperabiliteit van de informatiesystemen van de EU voor veiligheid, grensbeheer en migratiebeheer, naar verwachting aanzienlijke budgettaire gevolgen zullen hebben voor de begroting 2019 en onderstreept dat het belangrijk is te beschikken over een passend financieringsniveau om de ambities van de Unie op deze gebieden te kunnen waarmaken; moedigt de Commissie aan om in verband met bovenstaande initiatieven een open, proactieve dialoog aan te gaan met de begrotingsautoriteit om die in staat te stellen waar nodig kredieten te wijzigen, en zonder tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure op de uitkomst van de lopende wetgevingsprocedures vooruit te lopen;

19.  betreurt het voorstel van de Commissie voor de financiering van de tweede tranche van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (FRT) en de op 29 juni 2018 in de Raad tot stand gekomen afspraak tussen de lidstaten; steunt de voortzetting van de FRT, maar is van mening dat, zoals eveneens werd voorgesteld door de Commissie op 14 maart 2018, de EU-begroting moet bijdragen tot de financiering hiervan tot een bedrag van 1 miljard EUR, terwijl de lidstaten moeten instaan voor 2 miljard EUR door middel van bilaterale bijdragen, zodat in de bijzondere instrumenten van het MFK toereikende marges overblijven voor onvoorziene gebeurtenissen in de laatste twee jaar van het huidige MFK en de financiering van andere prioriteiten; is voorts van mening dat de FRT moet worden gefinancierd met nieuwe kredieten, aangezien het om een nieuw initiatief binnen dit MFK gaat; betreurt dat er tot nog toe tussen het Parlement en de Raad geen onderhandelingen hebben plaatsgevonden over de financiering van de tweede tranche van de FRT, ondanks het duidelijke verzoek van het Parlement om volledig te worden betrokken bij het besluitvormingsproces inzake de uitbreiding van de faciliteit, onder andere om een herhaling van de procedure voor de instelling ervan te voorkomen; deelt de lidstaten mee dat het Parlement alle recht heeft zijn rol als tak van de begrotingsautoriteit van de Unie te vervullen en dat dit ook het geval zal zijn, zoals reeds bij eerdere gelegenheden is aangekondigd;

20.  merkt op dat in de ontwerpbegroting voor 2019 geen marge of zeer beperkte marges overblijven onder de maxima van het MFK in de rubrieken 1a, 1b, 3 en 4, als gevolg van de geringe flexibiliteit van het huidige MFK wat betreft het reageren op nieuwe uitdagingen en het onderbrengen van nieuwe initiatieven; spreekt zijn voornemen uit om in het herziene MFK meer middelen uit de flexibiliteitsbepalingen in te zetten als onderdeel van het wijzigingsproces;

21.  blijft bezorgd over een mogelijke nieuwe ophoping van onbetaalde rekeningen aan het eind van de huidige MFK-periode; wijst op de bescheiden verhoging van de betalingskredieten met 2,7 % ten opzichte van de begroting 2018, voornamelijk als gevolg van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en de FRT; neemt kennis van de voorgestelde marge van 19,3 miljard EUR onder het maximum van de betalingskredieten; verzoekt de Commissie waakzaam te blijven ten aanzien van de ontwikkeling van de betalingen, om de begrotingsautoriteit in staat te stellen de nodige maatregelen te nemen om een abnormale achterstand tijdig te voorkomen; is ervan overtuigd dat de geloofwaardigheid van de EU voor een deel afhangt van haar capaciteit om voor een niveau van betalingskredieten in de EU-begroting te zorgen dat hoog genoeg is om haar verbintenissen na te komen;

Rubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

22.  merkt op dat het voorstel van de Commissie voor 2019 in vergelijking met 2018 overeenkomt met een verhoging van de vastleggingskredieten in rubriek 1a met +3,9 %, tot 22 860 miljoen EUR; merkt op dat Horizon 2020, de CEF, grote infrastructuurprojecten en Erasmus+ goed zijn voor een belangrijk deel van deze verhoging, aangezien de vastleggingskredieten ervan respectievelijk zijn toegenomen met 8,5 %, 36,4 %, 7,8 % en 10,4 %; onderstreept evenwel dat deze verhogingen grotendeels overeenkomen met de financiële programmering en dus geen bijkomende verhogingen zijn;

23.  wijst er nogmaals op dat programma's voor onderzoek en innovatie, zoals Horizon 2020, van essentieel belang zijn voor het creëren van banen en concurrentievermogen binnen Europa; dringt er bij de Commissie op aan dit in haar prioriteiten tot uiting te laten komen; verzoekt om voldoende financiering voor programma's met betrekking tot onderzoek en innovatie; benadrukt dat vooral de lidstaten met economische en financiële moeilijkheden ondersteuning moeten krijgen op dit gebied;

24.  herinnert eraan dat nieuwe initiatieven in de afgelopen jaren, zoals het EFSI (I en II), Wifi4EU en het EDIDP, ten koste zijn gegaan van de middelen voor diverse programma's in subrubriek 1a, die zwaar getroffen zijn door herschikkingen, met name Horizon 2020, de CEF, Galileo, ITER, Copernicus en de European Geostationary Navigation Overlay Service (Egnos);

25.  benadrukt dat Erasmus + nog steeds het belangrijkste programma is om de mobiliteit van jongeren op alle niveaus van onderwijs en beroepsopleiding te stimuleren en jongeren aan te moedigen deel te nemen aan de Europese democratie; herinnert eraan dat er administratieve inspanningen moeten worden gedaan om de toegang tot Erasmus+ te verhogen en dat de huidige begroting bij lange na niet toereikend is om tegemoet te kunnen komen aan alle in aanmerking komende aanvragen; is daarom van mening dat de begroting voor Erasmus+ voldoende groot moet zijn om te kunnen beantwoorden aan de in aanmerking komende aanvragen voor dit programma, met name de aanvragen die betrekking hebben op een leven lang leren;

26.  neemt met bezorgdheid kennis van de discussies over de financiering van het Europees Solidariteitskorps, die de vrees van het Parlement bevestigen dat nieuwe initiatieven wellicht weer ten koste gaan van bestaande, goed functionerende programma's; neemt eveneens met bezorgdheid kennis van het precedent dat is geschapen door de uitkomst van de trialoogprocedure, die geen duidelijkheid biedt over de financieringsbronnen voor het initiatief en verdere verduidelijking hierover doorschuift naar de jaarlijkse begrotingsprocedure; rekent erop dat de Commissie het akkoord uitvoert op een wijze die volledig overeenstemt met de discussies tijdens de trialoog en met de geest van het akkoord;

27.  toont zich verheugd dat in het akkoord dat is bereikt over de financiering van het EDIDP voorzien is in veel geringere bezuinigingen in programma's binnen subrubriek 1a dan oorspronkelijk door de Commissie was voorgesteld; is echter bezorgd door het feit dat de Raad meer nadruk lijkt te leggen op het behoud van marges dan op de terbeschikkingstelling van voldoende middelen voor wat de Raad zelf aanmerkt als hoge prioriteiten;

28.  is ingenomen dat voor de jaren 2019 en 2020 een bedrag van 500 miljoen EUR is toegewezen aan het EDIDP; stelt vast dat, volgens ramingen van de EPRS, het gebrek aan samenwerking tussen de nationale industrieën op dit gebied de EU 10 miljard EUR per jaar kost; is van mening dat defensie een duidelijk voorbeeld is van hoe een grotere doeltreffendheid kan worden bereikt door een aantal momenteel door de lidstaten uitgeoefende bevoegdheden en uitgevoerde acties en daarmee corresponderende kredieten aan de EU over te dragen; benadrukt dat dit een goed voorbeeld zou zijn van Europese meerwaarde en de mogelijkheid zou bieden de totale lasten van overheidsuitgaven in de EU te beperken;

29.  is verheugd over het voorstel voor de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing, ter bevordering van de meest recente infrastructuur voor high-performance computing en data-infrastructuur en ter ondersteuning van de ontwikkeling van de desbetreffende technologie en de toepassing ervan op een groot aantal terreinen, ten voordele van wetenschappers, industrie en overheidssector;

Rubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

30.  merkt op dat de totale vastleggingskredieten voor subrubriek 1b 57 113,4 miljoen EUR bedragen, een stijging met 2,8 % ten opzichte van de begroting 2018; merkt bovendien op dat het voorgestelde bedrag van 47 050,8 miljoen EUR aan betalingskredieten 1,1 % hoger is dan in 2018;

31.  is tevreden met het feit dat de tenuitvoerlegging van de programma's 2014-2020 op kruissnelheid komt en herhaalt dat een "abnormale" ophoping van onbetaalde rekeningen in de toekomst moet worden voorkomen; is ook tevreden met het feit dat de overgrote meerderheid van de nationale beheersautoriteiten nu is aangewezen; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle hangende kwesties op te lossen zodat de tenuitvoerlegging soepel kan verlopen;

32.  herinnert eraan dat, als gevolg van de herziene ramingen van de lidstaten, de betalingskredieten in subrubriek 1b met gewijzigde begroting nr. 6/2017 zijn verlaagd met 5,9 miljard EUR; hoopt oprecht dat zowel de nationale autoriteiten als de Commissie hun ramingen voor de betalingsbehoeften in de begroting 2019 hebben verbeterd en dat het voorgestelde niveau van de betalingskredieten volledig ten uitvoer zal worden gelegd;

33.  onderstreept dat in tijden van snelle technologische ontwikkeling – onder meer op domeinen als AI – de kloof tussen zich snel ontwikkelende regio's en regio's die achterblijven groter kan worden als de impact van de structuurfondsen niet wordt vergroot door het stellen van voorwaarden met betrekking tot efficiëntie;

34.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie om het YEI te blijven financieren, alsook van de voorgestelde beschikbaarstelling van 233,3 miljoen EUR uit de overkoepelende marge voor vastleggingen; herinnert eraan dat elke verhoging in de specifieke toewijzing voor het YEI aan het overeenstemmende bedrag uit het ESF moet worden gekoppeld; herinnert aan de toezegging die door de Commissie is gedaan tijdens het overleg over de begroting 2018 om snel de herziening te presenteren van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (VGR) om de verhoging van 2018 voor het YEI hierin op te nemen; onderstreept dat de Commissie haar toezegging niet is nagekomen, en verzoekt om een gedetailleerde uitleg waarin de redenen voor de vertraging die is opgelopen bij de presentatie van de VGR-herziening worden toegelicht;

35.  verbindt zich ertoe om snel de nieuwe wetgeving inzake het YEI en het ESF aan te nemen, teneinde een ambitieuze toename van de kredieten voor het YEI in 2019 te faciliteren zonder andere programma's die in het kader van het ESF in de lidstaten lopen te ondermijnen, wellicht door de lidstaten van hun verplichting te ontheffen om ESF-kredieten die zijn toegewezen aan jeugdwerkgelegenheid aan te vullen, onder de strikte voorwaarde dat de voorgestelde wijzigingen de lidstaten niet de mogelijkheid bieden om de financiële toezeggingen op dit gebied die zij reeds zijn aangegaan te ontlopen, en dat dit geen algemene daling van aan de bestrijding van jeugdwerkloosheid toegewezen EU-begrotingskredieten met zich mee zou brengen;

Rubriek 2 – Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

36.  neemt kennis van de voorgestelde 59 991,1 miljoen EUR in vastleggingskredieten (+1,2 % in vergelijking met 2018) en 57 790,4 miljoen EUR in betalingskredieten (3 %) voor rubriek 2; merkt op dat de uitgaven van het ELGF voor 2019 worden geraamd op 44 162,5 miljoen EUR, hetgeen minder is dan in de begroting 2018 (‑547,9 miljoen EUR);

37.  merkt op dat de Commissie een marge van 344,9 miljoen EUR heeft gelaten onder het maximum voor rubriek 2; wijst erop dat de toegenomen volatiliteit van de landbouwmarkten die zich laat voelen sinds het Russische invoerverbod een beroep op deze marge kan verantwoorden; vraagt de Commissie zich ervan te vergewissen dat de onder de maxima voorziene marge volstaat om eventuele toekomstige crisissen het hoofd te bieden;

38.  merkt op dat sommige maatregelen in verband met het Russische invoerverbod die waren opgenomen in de begroting 2018 niet zullen worden verlengd (bv. voor groenten en fruit, waar de marktsituatie nog steeds moeilijk is), terwijl er in de zuivelsector nog steeds sprake is van een problematische marktsituatie; kijkt uit naar de nota van wijzigingen van de Commissie, die verwacht wordt in oktober en gebaseerd zou moeten zijn op geactualiseerde informatie over financiering uit het ELGF, teneinde de werkelijke behoeften in de landbouwsector te peilen; onderstreept dat de gevallen waar marktinterventie in het kader van het ELGF nodig is, beperkt blijven en slechts een relatief klein gedeelte vormen van het ELGF (ongeveer 5,9 %);

39.  benadrukt dat een deel van de oplossing voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid ligt in het verlenen van passende steun aan jongeren in plattelandsgebieden; betreurt dat de Commissie niet heeft voorgesteld de begrotingslijn voor jonge landbouwers te verhogen;

40.  benadrukt dat de uitvoering van het EFMZV in een versnelling komt en in 2019 dicht bij haar kruissnelheid moet komen, na een trage start in het begin van de programmeringsperiode; is ingenomen met de verhoging van de vastleggingskredieten voor het LIFE+-programma (+6 %), in overeenstemming met de financiële programmering; merkt op dat het Europees Milieuagentschap (EMA) in de periode 2019-2020 extra bevoegdheden zal krijgen op het gebied van milieumonitoring en -rapportage en de controle op CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

41.  wijst erop dat een totaalbedrag van 3 728,5 miljoen EUR aan vastleggingskredieten wordt voorgesteld voor rubriek 3, hetgeen neerkomt op een stijging van 6,7 % ten opzichte van 2018, en dat het totaal voor betalingskredieten 3 486,4 miljoen EUR bedraagt, een stijging van 17 % ten opzichte van de voorstellen van vorig jaar; onderstreept evenwel dat deze verhogingen volgen op jaren van afnemende financieringsniveaus en dat de totale financiering van diverse belangrijke gebieden, zoals migratie, grensbeheer of interne veiligheid, nog steeds slechts goed is voor 2,3 % van de totale voorgestelde EU-uitgaven in 2019; plaatst vraagtekens bij het voorgestelde bedrag van 281,2 miljoen EUR aan vastleggingen voor de ondersteuning van legale migratie naar de Unie en de bevordering van de integratie van onderdanen van derde landen en de verbetering van billijke en doeltreffende terugkeerstrategieën, hetgeen neerkomt op een daling van 14,4 % in vergelijking met 2018; verzoekt de Commissie nadere uitleg te verschaffen over de redenen voor deze besparing;

42.  merkt op dat voor het vierde opeenvolgende jaar alle marges onder het maximum van rubriek 3 uitgeput zijn, hetgeen aantoont dat de EU-begroting in zijn huidige vorm onvoldoende uitgerust is om het hoofd te bieden aan de omvang en de ernst van de huidige migratie- en veiligheidsuitdagingen waarmee de Unie geconfronteerd wordt; is in verband hiermee tevreden met het voorstel middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter beschikking te stellen voor een bedrag van 927,5 miljoen EUR aan vastleggingskredieten;

43.  verwacht dat de druk op de migratie- en asielsystemen van sommige lidstaten net als de druk op hun grenzen in 2019 hoog zal blijven en dringt er bij de Unie op aan waakzaam te blijven met betrekking tot alle toekomstige, onvoorspelbare behoeften op dit gebied; pleit in dit verband voor een versterking van de controles aan de buitengrenzen, en daarmee samenhangend voor een passende financiering en personeelsbezetting voor de desbetreffende EU-agentschappen, en herhaalt dat het aanpakken van de onderliggende oorzaken van de migratie- en vluchtelingencrisis een duurzame oplossing op de lange termijn oplevert, samen met de stabilisatie van de buurlanden van de EU, en dat investeringen in de landen van herkomst van migranten en vluchtelingen essentieel zijn om dit doel te verwezenlijken;

44.  is verheugd over het verzoek van de Europese Raad van 28 juni 2018 om Frontex via meer financiële middelen en een krachtiger mandaat verder te versterken; dringt aan op meer informatie over de vraag hoeveel personeelsleden door de lidstaten zullen worden geleverd en hoeveel personeelsleden het agentschap zelf direct nodig heeft; verzoekt de Commissie om haar ontwerpbegroting dit najaar in de nota van wijzigingen dienovereenkomstig aan te passen; is tevens verheugd over het toekennen van een bijkomend bedrag van 45,6 miljoen EUR om Griekenland en Spanje te ondersteunen bij het beheer van de stroom op hun grondgebied aankomende migranten; benadrukt dat een doeltreffend grenstoezicht moet vergezeld gaan van een goede zorg voor aankomende migranten;

45.  merkt op dat het instrument voor het verstrekken van humanitaire noodhulp binnen de Unie in maart 2019 afloopt; verzoekt de Commissie om in het licht van de aanhoudende humanitaire behoeften van vluchtelingen en asielzoekers in bepaalde lidstaten te beoordelen of het passend zou zijn dit instrument te reactiveren en aan te vullen; wijst erop dat er meer solidariteit nodig is met de landen waar de meeste aankomsten en asielzoekers zijn; onderstreept, in de tussentijd, dat het belangrijk is voortdurend financiering beschikbaar te houden via de mechanismen voor noodhulp in het kader van het AMIF, met name voor de voortgezette steun voor Griekenland; is van mening dat ook Italië financiële steun moet krijgen; verzoekt de Commissie daarom de redenen op te geven waarom ze heeft besloten dit niet te doen; herinnert eraan dat Italië de enige lidstaat is waar een meerderheid van de bevolking van oordeel is dat zij geen voordelen heeft gehaald uit het lidmaatschap van de Europese Unie; betreurt de drastische verlaging van vastleggingskredieten voor het tweede onderdeel van het AMIF "Ondersteuning van legale migratie naar de Unie en bevordering van de integratie van onderdanen van derde landen en billijke en doeltreffende terugkeerstrategieën";

46.  is van mening dat de EU-begroting in het kader van een hele reeks veiligheidsproblemen, waaronder veranderende vormen van radicalisering, cybercriminaliteit, geweld en terrorisme die de responscapaciteit van afzonderlijke lidstaten overstijgen, moet stimuleren tot samenwerking op veiligheidsgerelateerde gebieden met de hulp van bestaande EU-agentschappen; vraagt zich in deze context af hoe deze risicovolle veiligheidscontext te verzoenen valt met de voorgestelde aanzienlijke verlaging van de vastleggingskredieten (-26,6 %) voor het ISF; benadrukt dat de uitgaven op dit gebied alleen doeltreffend zijn als belemmeringen voor intra-Europese samenwerking en gerichte informatie-uitwisseling worden weggenomen, met volledige inachtneming van eventuele regels inzake gegevensbescherming overeenkomstig de EU-wetgeving; betreurt het dat de Commissie nog geen voorstel heeft ingediend waarin wordt vastgelegd dat er op EU-niveau uiting wordt gegeven aan financiële solidariteit ten aanzien van slachtoffers van terroristische daden en hun gezinsleden, en roept de Commissie ertoe op het nodige te doen om ervoor te zorgen dat deze hulp er snel komt;

47.  neemt kennis van de voorgestelde herziening van de rechtsgrondslag van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, dat, zodra het is vastgesteld, naar verwachting een groot effect zal hebben op de begroting in de laatste twee jaar van het huidige MFK, met 256,9 miljoen EUR ten laste van rubriek 3 alleen; benadrukt dat het maar logisch is dat deze aanzienlijke opwaardering van essentieel Uniebeleid gefinancierd wordt via nieuwe en bijkomende middelen; waarschuwt voor het gebruik van herschikkingen, die duidelijk ten koste gaan van andere waardevolle, goed functionerende beleidsmaatregelen en programma's;

48.  bevestigt nogmaals dat het Parlement programma's van de Unie op het gebied van cultuur, justitie, grondrechten en burgerschap krachtig steunt; is verheugd over de voorgestelde verhoging voor het programma Creatief Europa; dringt voorts aan op voldoende financiering voor het programma Europa voor de burger en de Europese burgerinitiatieven, met name in de aanloop naar de Europese verkiezingen;

49.  wijst op de steun van het Parlement voor het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" en het programma "Justitie"; onderstreept dat de EU moet vasthouden aan haar verbintenis vrouwen- en LGBTI-rechten te versterken;

50.  is ingenomen met de verhoging van de vastleggingskredieten voor het programma "Levensmiddelen en diervoeders", dat de Unie in staat moet stellen om uitbraken van ernstige dierziekten en plantplagen, zoals de recente vogelgriepepidemie die diverse lidstaten heeft getroffen in de afgelopen jaren, doeltreffend te beheren;

51.  verzoekt de Commissie genoeg begrotingsmiddelen uit te trekken om de verkiezingen van het Europees Parlement van 2019 meer zichtbaarheid te geven en meer aan bod te laten komen in de media, met name om het concept van de "Spitzenkandidaten" – de kandidaten voor het voorzitterschap van de Commissie – meer bekendheid te geven;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

52.  neemt kennis van de algemene verhoging van de voorgestelde financiering voor rubriek 4 (+13,1 % in vergelijking met de begroting 2018), goed voor een bedrag van 11 384,2 miljoen EUR aan vastleggingskredieten; merkt op dat deze verhoging voornamelijk verband houdt met de financiering van de tweede tranche van de FRT, waarvoor de Commissie voorstelt gebruik te maken van de overkoepelende marge voor vastleggingen (1 116,2 miljoen EUR); merkt op dat dit voorstel zou leiden tot het ontbreken van een marge onder het maximum van rubriek 4;

53.  verzoekt de lidstaten meer bij te dragen aan het trustfonds voor Afrika, het Madad-fonds, en het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, teneinde stabilisatie in crisisgebieden te ondersteunen, steun te verlenen aan vluchtelingen, en de sociale en economische ontwikkeling op het Afrikaanse continent en in de landen van het Europees nabuurschapsgebied te bevorderen;

54.  blijft ervan overtuigd dat de uitdagingen waarmee de EU in haar buitenlands optreden wordt geconfronteerd langdurige financiering noodzakelijk maken op een niveau dat de huidige omvang van rubriek 4 overschrijdt; blijft erbij dat nieuwe initiatieven gefinancierd moeten worden met bijkomende kredieten en dat alle flexibiliteitsopties volledig moeten worden benut; verzet zich echter tegen de voorgestelde financiering van de uitbreiding van de FRT en de op 29 juni 2018 in de Raad tot stand gekomen afspraak hieromtrent, omdat deze aanzienlijke beperkingen met zich mee zouden brengen, zowel voor de financieringsmogelijkheden van andere prioritaire gebieden binnen rubriek 4 als voor de rol van de EU-begroting als instrument voor het bereiken van mensen in nood en het bevorderen van fundamentele waarden;

55.  is ingenomen met de verhoging voor migratiegerelateerde projecten in verband met de route door het centrale Middellandse Zeegebied, alsmede met de lichte verhoging voor de oostelijke component van het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) en de herschikking van de prioriteiten in het kader van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) naar het Midden-Oosten; vraagt de toewijzing van voldoende financiële middelen aan de UNRWA, om te zorgen voor permanente steun voor de Palestijnse vluchtelingen in de regio, in het licht van de recente beslissing van de VS om hun bijdrage aan de organisatie in te trekken;

56.  is ingenomen met de toegenomen steun voor regionale activiteiten in de Westelijke Balkan; is evenwel van mening dat de steun voor politieke hervormingen verder moet worden opgevoerd; betreurt de grotere steun voor politieke hervormingen in Turkije (IPA II) en zet vraagtekens bij de aanpassing aan het besluit van de begrotingsautoriteit om de kredieten op dit begrotingsonderdeel voor het lopende begrotingsjaar te verlagen; herhaalt zijn standpunt waarin wordt opgeroepen om fondsen die bestemd zijn voor de Turkse autoriteiten in het kader van IPA II afhankelijk te stellen van verbeteringen op het gebied van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat; verzoekt de kredieten voor dit begrotingsonderdeel, indien er geen vooruitgang wordt geboekt op dit vlak en rekening houdend met de beperkte manoeuvreerruimte, volledig te heroriënteren naar het maatschappelijk middenveld met het oog op de uitvoering van maatregelen ter ondersteuning van de doelstellingen op het gebied van de rechtsstaat, de democratie, de mensenrechten en de vrijheid van de media; steunt de algemene neerwaartse trend voor politieke hervormingen in de toewijzingen voor Turkije;

57.  onderstreept de aanzienlijke daling van het bedrag dat in de begroting 2019 als voorziening moet worden opgenomen voor het garantiefonds voor operaties ten behoeve van derde landen dat wordt beheerd door de Europese Investeringsbank (EIB), alsmede de aanzienlijke vermindering van het geplande bedrag voor subsidies in het kader van macrofinanciële bijstand (MFB), als gevolg van een lager bedrag van uitstaande EIB-leningen dan eerder geraamd, alsmede van lagere uitbetalingen van MFB-leningen ten opzichte van de recentste financiële programmering;

58.  bevestigt nogmaals zich volledig aan te sluiten bij de toezeggingen die de EU heeft gedaan tijdens de conferenties over Syrië in Brussel, die een bevestiging vormen van eerdere toezeggingen; stemt in met de versterking van het ENI en van de humanitaire hulp met telkens 120 miljoen EUR om deze toezeggingen in 2019 na te komen;

59.  herhaalt zijn steun voor het toewijzen van toereikende financiële middelen voor strategische EU-communicatie die gericht is op de bestrijding van desinformatiecampagnes en cyberaanvallen, alsook op het uitdragen van een objectief beeld van de Unie buiten haar grenzen;

Rubriek 5 – Administratie

60.  merkt op dat de uitgaven van rubriek 5 worden verhoogd met 3,0 % in vergelijking met de begroting 2018, tot 9 956,9 miljoen EUR (+ 291,4 miljoen EUR) aan vastleggingskredieten; merkt op dat, net als voor het vorige begrotingsjaar, de verhoging voornamelijk het gevolg is van de ontwikkelingen van de pensioenen (+ 116,7 miljoen EUR), die goed zijn voor 20,2 % van de uitgaven van rubriek 5; merkt op dat het aandeel van de uitgaven voor administratie in de ontwerpbegroting ongewijzigd blijft op een niveau van 6,0 % aan vastleggingskredieten;

61.  merkt op dat de Commissie inspanningen heeft geleverd om alle mogelijkheden op het gebied van rationalisering en besparingen in de niet-salarisgerelateerde uitgaven in haar eigen begroting op te nemen; merkt op dat de evolutie van de uitgaven van de Commissie (+ 2,0 %) grotendeels het gevolg is van de automatische aanpassing van de uitgaven voor salarissen en contractuele verplichtingen; neemt voorts kennis van de interne personeelsherschikking van de Commissie om uitvoering te geven aan haar nieuwe prioriteiten;

62.  stelt vast dat de feitelijke marge, na verrekening van 253,9 miljoen EUR voor het gebruik in 2018 van de marge voor onvoorziene uitgaven, 575,2 miljoen EUR onder het maximum bedraagt; acht de marge belangrijk in nominale termen en is van mening dat zij de inspanningen van de Commissie reflecteert, met name om de ontwikkeling van de niet-salarisgerelateerde uitgaven te bevriezen; is van mening dat een extra inspanning om de administratieve uitgaven van de Commissie te stabiliseren of te verlagen kan leiden tot uitstel van belangrijke investeringen of ten koste kan gaan van de goede werking van de administratie;

Proefprojecten – voorbereidende acties

63.  onderstreept hoe essentieel proefprojecten en voorbereidende acties zijn om politieke prioriteiten te formuleren en nieuwe initiatieven in te voeren die kunnen uitmonden in permanente EU-acties en -programma's; is van plan over te gaan tot de inventarisering van een evenwichtig pakket proefprojecten en voorbereidende acties die de politieke prioriteiten van het Parlement weerspiegelen en waarbij rekening wordt gehouden met een behoorlijk en tijdig vooronderzoek door de Commissie; merkt op dat de marge voor sommige rubrieken in het huidige voorstel beperkt of zelfs onbestaand is, en is van plan mogelijkheden te onderzoeken om ruimte te maken voor eventuele proefprojecten en voorbereidende acties zonder de middelen voor andere politieke prioriteiten te verlagen;

Agentschappen

64.  neemt kennis van de algemene verhoging in de ontwerpbegroting 2019 van de toewijzingen voor de gedecentraliseerde agentschappen met 10,8 % (zonder rekening te houden met de bestemmingsontvangsten) en 259 posten; is ingenomen met het feit dat voor het merendeel van de agentschappen de eigen begroting stijgt, terwijl de EU-bijdrage daalt; merkt in verband hiermee op dat het Parlement momenteel de mogelijkheden onderzoekt om de financiering van gedecentraliseerde agentschappen met vergoedingen verder uit te breiden; stelt met tevredenheid vast dat de agentschappen met "nieuwe taken" (ESMA, eu-LISA en Frontex) een forse verhoging krijgen wat de kredieten en de personeelsformatie betreft; verzoekt om bijkomende financiële steun voor de agentschappen die te maken hebben met uitdagingen op het gebied van migratie en veiligheid; is van mening dat Europol en Eurojust verder moeten worden versterkt en dat het EASO toereikende financiering moet krijgen voor de transformatie van het bureau tot het Asielagentschap van de Europese Unie;

65.  herhaalt zijn standpunt dat het streefdoel van een personeelsinkrimping met 5 % is bereikt en onderstreept dat deze praktijk volgens de snelle evaluatie ("rapid case review") van de Rekenkamer niet noodzakelijkerwijs de verwachte resultaten heeft opgeleverd; is van mening dat de gedecentraliseerde agentschappen moeten worden beoordeeld aan de hand van een benadering per geval; is tevreden met de bekrachtiging door alle instellingen van de aanbevelingen van de interinstitutionele werkgroep;

66.  is ingenomen met de oprichting van twee nieuwe EU-instanties die moeten worden beschouwd als gedecentraliseerde agentschappen, het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Arbeidsautoriteit (ELA); merkt op dat kredieten voor de ELA in de reserve zijn geplaatst in afwachting van de afronding van de wetgevingsprocedure; merkt op dat het EOM zijn zetel in Luxemburg heeft en verzoekt het de twee takken van de begrotingsautoriteit alle informatie te verstrekken over zijn vastgoedbeleid overeenkomstig het Financieel Reglement; is van mening dat nieuwe agentschappen moeten worden opgericht door de toewijzing van nieuwe middelen en nieuwe posten, met vermijding van elke vorm van herschikking, tenzij duidelijk wordt aangetoond dat bepaalde activiteiten volledig worden overgeheveld van de Commissie of andere bestaande organen, zoals Eurojust, naar de nieuwe agentschappen; neemt er nota van dat Eurojust bevoegd blijft voor PIF-zaken, in nauwe samenwerking met het EOM, en volledig betrokken is bij het waarborgen van operationele steun aan de lidstaten in de strijd tegen georganiseerde misdaad, terrorisme, cybercriminaliteit en migrantensmokkel; herinnert aan de bepalingen van de gemeenschappelijke aanpak voor nieuwe gedecentraliseerde agentschappen;

67.  rekent erop dat de onderhandelingen over de begroting 2019 worden gebaseerd op het beginsel dat de twee takken van de begrotingsautoriteit zich verbinden om de onderhandelingen in een zo vroeg mogelijk stadium te beginnen en de tijdspanne van de hele bemiddelingsperiode volledig te benutten, en dat wordt gezorgd voor een vertegenwoordiging die groot genoeg is om een echte politieke dialoog te waarborgen;

o
o   o

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

GEZAMENLIJKE VERKLARING OVER DE DATA VOOR DE BEGROTINGSPROCEDURE EN REGELS VOOR DE WERKING VAN HET BEMIDDELINGSCOMITÉ IN 2018

A.  Overeenkomstig deel A van de bijlage bij het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie voor de begrotingsprocedure voor 2019 de volgende belangrijke data overeen:

1.  de Commissie streeft ernaar de ontwerpraming 2019 tegen eind mei te presenteren;

2.  op 12 juli wordt in de ochtend, voorafgaand aan de vaststelling van het standpunt van de Raad, een trialoogvergadering belegd;

3.  de Raad tracht voor week 37 (derde week van september) zijn standpunt vast te stellen en aan het Europees Parlement toe te zenden, opdat tijdig een akkoord met het Europees Parlement kan worden bereikt;

4.  de Begrotingscommissie van het Europees Parlement tracht uiterlijk aan het eind van week 41 (medio oktober) amendementen op het standpunt van de Raad aan te nemen;

5.  op 18 oktober wordt na de middag, voorafgaand aan de lezing door het Europees Parlement, een trialoogvergadering belegd;

6.  het Europees Parlement stelt in week 43 (plenaire vergadering van 22-25 oktober) zijn lezing vast;

7.  de bemiddelingsperiode begint op 30 oktober. Overeenkomstig artikel 314, punt 4, onder c), van het VWEU verstrijkt de voor bemiddeling voorziene periode op 19 november 2018;

8.  het bemiddelingscomité vergadert op 7 november, na de middag, in het Europees Parlement, op 16 november in de Raad en kan, indien nodig, ook nadien nog bijeenkomen; de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité worden voorbereid tijdens één of meerdere trialogen. Een eerste trialoog staat gepland op 7 november, voor de middag. Aanvullende trialogen kunnen plaatsvinden tijdens de bemiddelingsperiode van 21 dagen, bijvoorbeeld op 13 en 14 november (in Straatsburg).

B.  De regels voor de werking van het bemiddelingscomité staan in deel E van de bijlage bij bovengenoemd Interinstitutioneel Akkoord.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB L 163 van 24.6.2017, blz. 1.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0089.


73e zitting van de Algemene Vergadering van de VN
PDF 196kWORD 76k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 5 juli 2018 aan de Raad betreffende de 73e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (2018/2040(INI))
P8_TA(2018)0312A8-0230/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien de resolutie van 3 april 2006 (A/RES/60/251) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name de artikelen 21, 34 en 36,

–  gezien het EU-Jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2016 en het beleid van de Europese Unie ter zake,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens, met name de preambule en artikel 18, en de mensenrechtenverdragen van de VN alsmede de facultatieve protocollen daarbij,

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 5 juli 2017 over de 72e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(1),

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 3 mei 2011 over de deelname van de Europese Unie aan de werkzaamheden van de Verenigde Naties, waarin de EU het recht is verleend om te interveniëren in de Algemene Vergadering van de VN, mondeling voorstellen en amendementen in te dienen die op verzoek van een lidstaat in stemming zullen worden gebracht, en het recht op weerwoord uit te oefenen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 juli 2017 over de prioriteiten van de EU voor de 72e Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien de Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten van 19 september 2016,

–  gezien resoluties 1325 (2000), 1820 (2009), 1888 (2009), 1889 (2010), 1960 (2011), 2106 (2013), 2122 (2013) en 2242 (2015) van de VN‑Veiligheidsraad (UNSC)) over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien de in de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU van juni 2016 vervatte kernbeginselen, in het bijzonder met betrekking tot de soevereiniteit, de territoriale integriteit en de onschendbaarheid van de landsgrenzen, die door alle deelnemende landen in gelijke mate worden geëerbiedigd,

–  gezien de resolutie van 13 december 2017 over het het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(2),

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de Verenigde Naties,

–  gezien artikel 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0230/2018),

A.  overwegende dat de EU en haar lidstaten zich blijven inzetten voor het multilateralisme, goed mondiaal bestuur, de bevordering van de kernwaarden van de VN als vast onderdeel van het buitenlands beleid van de EU en de drie pijlers van het VN-stelsel: mensenrechten, vrede en veiligheid, en ontwikkeling; overwegende dat een multilateraal systeem dat gebaseerd is op universele regels en waarden, het meest geschikt is om mondiale crises, uitdagingen en bedreigingen aan te pakken; overwegende dat de toekomst van het multilateraal systeem op zich meer dan ooit onder druk staat;

B.  overwegende dat de integrale EU-strategie een afspiegeling is van de omvang van de huidige mondiale uitdagingen, die om een sterke en efficiëntere VN-organisatie en een intensievere samenwerking op het niveau van de lidstaten binnen de EU en binnen de VN vragen;

C.  overwegende dat de EU-lidstaten er alles aan moeten doen om hun optreden in de organen van het VN-stelsel te coördineren door met één stem te spreken op grond van het internationaal recht inzake mensenrechten en de kernwaarden van de EU; overwegende dat deze samenwerking gebaseerd moet zijn op gezamenlijke inspanningen om verdere escalatie van bestaande conflicten te voorkomen en hun oplossing te ondersteunen, effectieve ontwapening en wapencontrole te bevorderen, met name wat kernwapenarsenalen betreft, de SDG's en de Overeenkomst van Parijs inzake Klimaatverandering ten uitvoer te leggen, en bij te dragen aan een op regels gebaseerde internationale orde, overeenkomstig het in artikel 34, lid 1, VEU vastgestelde mandaat;

D.  overwegende dat de mondiale politieke orde en de veiligheidssituatie een snelle ontwikkeling doormaken, waarop op mondiale schaal moet worden gereageerd; overwegende dat de VN nog altijd centraal staat in het multilaterale stelsel van samenwerking tussen de lidstaten om deze uitdagingen te overwinnen en de meest geschikte organisatie is om internationale crises en wereldwijde uitdagingen en bedreigingen aan te pakken;

E.  overwegende dat de wereld wordt geconfronteerd met mondiale uitdagingen door bestaande en opkomende conflicten en de gevolgen daarvan, zoals klimaatverandering en terrorisme, die op mondiale schaal moeten worden aangepakt; overwegende dat de huidige structuur van de UNSC nog steeds gebaseerd is op een gedateerd politiek scenario en het besluitvormingsproces de veranderende wereldorde niet goed weerspiegelt; overwegende dat de EU en haar lidstaten de drijvende kracht zijn geweest achter de vormgeving van de mondiale VN-Agenda 2030 en de EU ernaar blijft streven een koploper te zijn wat betreft het mobiliseren van alle uitvoeringsmiddelen en een krachtig follow-up-, monitoring- en evaluatiemechanisme om vorderingen en verantwoording te garanderen, en dat dit wordt weerspiegeld in het externe optreden van de EU en ander beleid via de verschillende financiële instrumenten van de EU;

F.  overwegende dat de drie pijlers van de VN, namelijk vrede en veiligheid, ontwikkeling, en mensenrechten en de rechtsstaat, onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en elkaar versterken; overwegende dat het oorspronkelijke doel van de VN om vrede te handhaven in gevaar wordt gebracht door voortdurende complexe crises;

G.  overwegende dat de omslachtige bureaucratische procedures en de complexe en starre structuur van de VN de goede werking van de instelling en haar vermogen om snel op crises en wereldwijde uitdagingen te reageren soms hebben belemmerd;

H.  overwegende dat een doeltreffend multilateraal systeem dat gegrondvest is op universele regels en waarden, noodzakelijk is om succesvol op wereldwijde crises, bedreigingen en uitdagingen te reageren;

I.  overwegende dat verschillende nationalistische en protectionistische bewegingen in de wereld vraagtekens zetten bij de internationale orde die is gebaseerd op samenwerking, dialoog en mensenrechten;

J.  overwegende dat het alsmaar groeiende takenpakket van het VN-stelsel om passende financiering door de lidstaten vraagt; overwegende dat er sprake is van een groeiende kloof tussen de behoeften en de door de organisatie verstrekte financiering; overwegende dat, gezien het voornemen van de Verenigde Staten om minder te gaan bijdragen aan de VN-begroting, de EU en de lidstaten samen nog steeds de grootste financiële bijdrage aan de financiering van de VN leveren, en zij de secretaris-generaal van de VN (UNSG) actief moeten ondersteunen bij zijn inspanningen om de behoorlijke werking en financiering van de VN veilig te stellen, met als voornaamste doelstellingen om armoede uit te bannen, duurzame vrede en stabiliteit te bevorderen, de mensenrechten te verdedigen, sociale ongelijkheden te bestrijden, en humanitaire hulp te bieden aan bevolkingen, landen en regio's die te kampen hebben met alle soorten natuurlijke of door de mens veroorzaakte crises; overwegende dat de EU-bijdragen aan de VN meer zichtbaarheid moeten krijgen; overwegende dat de VN-agentschappen, met inbegrip van de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA), grote bezuinigingen hebben ondergaan; overwegende dat het huidige algehele financieringsniveau voor de VN ontoereikend is en de organisatie niet in staat stelt haar mandaat uit te voeren en de huidige mondiale uitdagingen het hoofd te bieden;

K.  overwegende dat de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat in verschillende delen van de wereld steeds ernstiger worden bedreigd en het maatschappelijk middenveld in veel VN-lidstaten steeds minder ruimte heeft; overwegende dat mensenrechtenverdedigers en burgeractivisten wereldwijd door hun legitieme werk met steeds ernstigere bedreigingen en gevaren te maken hebben;

L.  overwegende dat bevordering en bescherming van de mensenrechten de kern van het multilateralisme vormen en een centrale rol in het VN-stelsel spelen; overwegende dat de EU een groot voorstander is van alle mensenrechten, die universeel, ondeelbaar, onderling afhankelijk en met elkaar verbonden zijn; overwegende dat de EU een van de meest toegewijde beschermers en pleitbezorgers is van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, culturele waarden en diversiteit, de democratie en de rechtsstaat; overwegende dat deze waarden in verschillende delen van de wereld steeds ernstiger worden bedreigd; overwegende dat mensenrechtenverdedigers en burgeractivisten voor hun legitieme werk met steeds ernstigere bedreigingen en gevaren te maken hebben en steeds vaker ook met represailles wanneer zij met organen en mechanismen van de VN in contact treden; overwegende dat de internationale gemeenschap en de EU zich sterker moeten inzetten om mensenrechtenverdedigers te beschermen en te ondersteunen en internationale maatstaven van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat te eerbiedigen, met name ten aanzien van de rechten van de personen die tot minderheden behoren of personen in kwetsbare situaties, waaronder vrouwen, kinderen, jongeren, etnische, raciale of religieuze minderheden, migranten, vluchtelingen en in eigen land ontheemde burgers, personen met een handicap, lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI-personen) en inheemse mensen;

1.  beveelt de Raad het volgende aan:

Hervorming van het VN-stelsel, met een hervorming van de Veiligheidsraad

Vrede en veiligheid

Agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid

Conflictpreventie en bemiddeling

Non-proliferatie, wapenbeheersing en ontwapening

Mensenrechten, democratie en de rechtsstaat

Mondiale pacten voor migratie en inzake vluchtelingen

Ontwikkeling

Klimaatverandering en klimaatdiplomatie

   (a) actieve steun te geven aan de drieledige hervormingsagenda van de UNSG, met het doel om het VN-stelsel daadwerkelijk gecoördineerd, doeltreffend, effectief, geïntegreerd, transparant en verantwoordingsplichtig te maken; steun te geven aan het stroomlijnen van de structuur voor vrede en veiligheid, die efficiënter, gerichter, beter gefinancierd en operationeler moet gaan werken, waarbij de macht op evenwichtigere wijze moet worden verdeeld en voor meer daadwerkelijke diversiteit in de regionale vertegenwoordiging in alle organen moet worden gezorgd;
   (b) vermindering van de bureaucratie, vereenvoudigde procedures en gedecentraliseerde besluitvorming te ondersteunen, met meer transparantie en verantwoording ten aanzien van missies en werk van VN-personeel, met name wat betreft activiteiten in het veld;
   (c) steun te geven aan de door de UNSG nagestreefde substantiële verandering om het VN-ontwikkelingsbestel op één lijn te brengen met de prioriteiten van de Agenda 2030, de SDG's en de verantwoordelijkheid om te beschermen (R2P), en dit bestel zodanig aan te passen dat het de tenuitvoerlegging daarvan beter ondersteunt;
   (d) de VN-lidstaten op te roepen om zowel aan de UNSG als aan de adjunct-secretaris-generaal en aan hun respectieve autoriteiten een grotere bevoegdheid toe te kennen bij het stroomlijnen van het VN-management, teneinde de VN en zijn organen doeltreffender, flexibeler, reactiever en rendabeler te maken;
   (e) alle VN-lidstaten te herinneren aan hun verplichting om hun financiële inspanningen om alle VN-agentschappen te ondersteunen op peil te houden en hun verbintenissen wat betreft uitgaven voor ontwikkelingshulp na te komen en tegelijkertijd de effectiviteit en de efficiëntie te vergroten en regeringen verantwoordelijk te houden voor de tenuitvoerlegging van de mondiale SDG's;
   (f) de UNSG actief te ondersteunen bij de inspanningen voor de uitvoering van de VN-strategie inzake gendergelijkheid als cruciaal middel om een gelijke vertegenwoordiging van vrouwen in het VN-stelsel te verwezenlijken; op het niveau van het hoofdkantoor van de VN meer vrouwen, met name vrouwen die tot minderheidsgroepen behoren, in hogere leidinggevende functies te benoemen en in de begroting rekening te houden met gender en gelijkheid van mannen en vrouwen; de EU en de VN op te roepen om meer vrouwelijke politieofficieren en soldaten te selecteren voor missies en operaties; aan te dringen op intersectionele genderadviseurs voor afzonderlijke missies en operaties en specifieke actieplannen waarin wordt vastgelegd op welke manier resoluties 1325 en 2242 van de UNSC ten uitvoer wordt gelegd tijdens missies en operaties; ervoor te zorgen dat voor alle VN-troepen dezelfde minimumvereisten voor opleiding en vaardigheden worden gehanteerd en daarbij een duidelijke gender-, LGBTI- en antiracistische visie wordt gevolgd, met een nultolerantiebeleid voor alle vormen van seksuele uitbuiting en seksueel geweld en met inbegrip van een effectieve klokkenluidersregeling binnen de VN, opdat strafbare feiten die door VN-personeel worden gepleegd tegen VN-personeel of de lokale bevolking anoniem kunnen worden gemeld;
   (g) te wijzen op het belang dat de EU-lidstaten hechten aan coördinatie van hun handelen binnen de organen en instellingen van het bestel van de VN;
   (h) op te roepen tot een globale hervorming van de UNSC met het oog op een betere representativiteit, op basis van een brede consensus om ervoor te zorgen dat deze sneller en doeltreffender op bedreigingen van de internationale vrede en veiligheid reageert; zich ervoor in te zetten dat de werkzaamheden van de Algemene Vergadering nieuw leven wordt ingeblazen en dat de coördinatie en de samenhang tussen de acties van alle VN-instellingen worden verbeterd;
   (i) een extra inspanning te leveren om met name de UNSC te hervormen, door een aanzienlijke beperking van het vetorecht of door het gebruik ervan te reguleren, met name in gevallen waarin bewezen is dat er sprake is van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid en dit de besluitvormingsprocedure belemmerd heeft, en door een wijziging van de samenstelling van de Veiligheidsraad zodat deze de huidige globale wereldorde beter weerspiegelt, o.a. via een permanente zetel voor de Europese Unie;
   (j) er bij de EU en haar lidstaten op aan te dringen met één stem te spreken; steun te geven aan de inspanningen van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), de EU-delegaties in New York en Genève en de lidstaten om de EU-standpunten beter te coördineren en een gemeenschappelijke werkwijze van de EU te bereiken bij stemprocedures, teneinde de coherentie en geloofwaardigheid van de EU binnen de VN te verbeteren;
   (k) opnieuw zijn steun te betuigen aan het werk van de speciale procedures van de Mensenrechtenraad van de VN (UNHCR), met inbegrip van de speciale rapporteurs en andere thematische en landspecifieke mensenrechtenmechanismen, en alle VN-lidstaten opnieuw op te roepen ook alle speciale rapporteurs uit te nodigen hun landen te bezoeken;
   (l) steun te geven aan de lancering van een open en inclusief intergouvernementeel voorbereidingsproces, onder auspiciën van de Algemene Vergadering van de VN, voor een VN-top in 2020 ter gelegenheid van het 75‑jarig jubileum van de VN, waarbij uitgebreide hervormingsmaatregelen voor een vernieuwing en versterking van de VN worden overwogen;
   (m) te pleiten voor oprichting van een parlementaire vergadering van de VN (VNPV) binnen het VN-bestel, om het democratische karakter, de democratische verantwoordingsplicht en de transparantie van mondiale governance te vergroten, de burgers meer te laten deelnemen aan de VN‑activiteiten, en met name bij te dragen aan de succesvolle tenuitvoerlegging van de VN-Agenda 2030 en de SDG's;
   (n) er bij de EU en de VN op aan te dringen dat zij elkaar aanvullen en versterken telkens wanneer de vrede en de veiligheid gevaar lopen; de aanzet te geven tot een gestructureerde politieke samenwerking tussen de EU en de VN;
   (o) een krachtigere inzet van de lidstaten voor vrede en veiligheid op zowel internationaal als binnenlands niveau te bevorderen; de UNSG te ondersteunen bij zijn inspanningen om de betrokkenheid van de VN bij vredesonderhandelingen te vergroten; er bij de VN op aan te dringen prioriteit te verlenen aan preventie, bemiddeling en politieke oplossingen voor conflicten en tegelijkertijd de onderliggende oorzaken en aanjagende factoren van de crises aan te pakken; het werk, de acties en de initiatieven van de speciale gezanten van de VN gericht op het oplossen van deze conflicten te blijven ondersteunen; de steun van de lidstaten voor vredeshandhavings- en vredesopbouwoperaties van de VN te vergroten, met name door personeel en uitrusting te leveren, en de EU in dit verband een grotere ondersteunende rol te laten spelen; te zorgen voor grotere zichtbaarheid van deze steun en bijdrage; ervoor te zorgen dat alle vredeshandhavings- en vredesopbouwoperaties van de VN een mensenrechtenmandaat hebben en zijn toegerust met voldoende personeel om deze taak uit te voeren;
   (p) de samenwerking met de VN in het kader van het strategisch partnerschap op het gebied van vredeshandhaving en crisismanagement te verdiepen; de samenwerking tussen de EU en de VN bij de hervorming van de veiligheidssector (SSR) aan te moedigen; er bij de VN op aan te dringen vredeshandhavingsoperaties geloofwaardiger en transparanter te maken door doeltreffende mechanismen in te stellen en te versterken om eventueel misbruik door VN-personeel te voorkomen en personeelsleden aansprakelijk te stellen; in het gehele proces van de missies een multilaterale aanpak te hanteren; contacten met lokale gemeenschappen te intensiveren en bescherming en hulp te bieden; ervoor te zorgen dat de bescherming van burgers bij vredeshandhavingsmissies centraal staat; de steun aan lokale actoren te vergroten door de meest kwetsbare groepen in staat te stellen te fungeren als aanjagers van verandering en de ruimten te creëren om hen te betrekken in alle fasen van de humanitaire en vredesopbouwwerkzaamheden; er bij de VN op aan te dringen het algemene milieueffect van VN-vredeshandhavingsoperaties te verlagen en voor een betere kostenefficiëntie en veiligheid voor zowel troepen als burgers van gastlanden te zorgen;
   (q) te onderstrepen dat het bij mondiale en regionale bedreigingen en gezamenlijke mondiale zorgen nodig is dat de hele internationale gemeenschap sneller reageert en haar verantwoordelijkheid neemt; te benadrukken dat wanneer een staat niet in staat of niet bereid is zijn verantwoordelijkheid om te beschermen uit te oefenen, deze verantwoordelijkheid toevalt aan de internationale gemeenschap, met inbegrip van alle permanente leden van de UNSC, waarbij ook alle andere belangrijke opkomende economieën en ontwikkelingslanden integraal moeten worden betrokken, en te onderstrepen dat degenen die het internationaal recht schenden daarvoor moeten worden berecht; de capaciteiten van de blauwhelmen te versterken; er bij de EU op aan te dringen opkomende en ontwikkelingslanden aan te moedigen deel uit te maken van de internationale gemeenschap wanneer deze in actie komt op grond van haar R2P;
   (r) zich verheugd te tonen over de samenwerking tussen de EU, de VN en andere intergouvernementele organisaties, zoals de trilaterale samenwerking tussen de Afrikaanse Unie (AU), de EU en de VN, als een krachtige manier om het multilateralisme en de mondiale governance en de verlening van bijstand aan personen die behoefte hebben aan internationale bescherming te versterken, waarbij moet worden gewaarborgd dat de mensenrechten en het internationaal humanitair recht worden geëerbiedigd; aan te dringen op gezamenlijke inspanningen voor capaciteitsopbouw in dit opzicht door de EU, de VN en de AU;
   (s) een brede definitie van het begrip menselijke veiligheid en het beginsel van de R2P verder te bevorderen en bij de uitvoering daarvan een sterke rol van de VN verder te ondersteunen; de rol van R2P te versterken als belangrijk beginsel bij de werkzaamheden van de VN-lidstaten op het gebied van conflictoplossing, mensenrechten en ontwikkeling; steun te blijven verlenen aan de inspanningen om het R2P-concept in de praktijk te brengen en de VN te ondersteunen om een cruciale rol te blijven spelen inzake het bijstaan van landen bij de toepassing van dat beginsel teneinde ervoor te zorgen dat de mensenrechten, de rechtsstaat en het internationaal humanitair recht worden geëerbiedigd; te herinneren aan de verbintenis van de EU met betrekking tot de uitoefening van haar R2P en de preventie en beëindiging van mensenrechtenschendingen in de context van gruweldaden;
   (t) alle instrumenten te gebruiken die de Raad tot zijn beschikking heeft om ervoor te zorgen dat het optreden van statelijke en niet-statelijke actoren in overeenstemming is met het internationaal humanitair recht (IHR); de inspanningen te ondersteunen die worden geleid door het Internationaal Comité van het Rode Kruis teneinde een effectief mechanisme tot stand te brengen voor een betere naleving van het IHR;
   (u) terrorisme nogmaals ondubbelzinnig te veroordelen en opnieuw zijn volledige steun uit te spreken voor maatregelen die gericht zijn op het verslaan en uitroeien van terroristische organisaties, die een onmiskenbare bedreiging voor de regionale en internationale veiligheid vormen, met name Da'esh/ISIS; samen te werken met de Algemene Vergadering van de UN en de UNSC om de financiering van terrorisme te bestrijden, rekening houdend met de aanbevelingen van het Parlement van 1 maart 2018(3), en mechanismen voor het aanwijzen van terroristische personen en organisaties op te zetten en mechanismen voor de bevriezing van tegoeden op wereldschaal te versterken om het Interregionaal criminologisch en gerechtelijk onderzoeksinstituut van de VN (UNICRI) te ondersteunen bij het uitvoeren en in de praktijk brengen van het Mondiaal Terrorismebestrijdingsforum (GCTF), voortbouwend op het mondiale initiatief tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad; de gezamenlijke inspanningen van de EU en de VN in de strijd tegen de oorzaken van terrorisme, in het bijzonder bestrijding van hybride dreigingen en ontwikkeling van onderzoek en capaciteitsopbouw op het gebied van cyberdefensie, kracht bij te zetten; uit te gaan van de bestaande initiatieven die zijn opgezet door de lokale partners om benaderingen voor de bestrijding van radicalisering en de rekrutering voor terrorisme te ontwerpen, uit te voeren en te ontwikkelen; meer inspanningen te leveren om rekrutering tegen te gaan en terroristische propaganda te bestrijden, zowel op socialemediaplatforms als via netwerken van geradicaliseerde haatpredikers; acties te ondersteunen ter versterking van de spankracht van gemeenschappen die vatbaar zijn voor radicalisering, onder meer door de economische, sociale, culturele en politieke oorzaken ervan aan te pakken; de doeltreffendheid van de internationale politie-, juridische en justitiële samenwerking in de strijd tegen terrorisme en grensoverschrijdende misdaad te vergroten; onderwijs te bevorderen als middel om terrorisme te voorkomen; beleid ter bestrijding van radicalisering en met het oog op deradicalisering te ondersteunen, in overeenstemming met het VN-actieplan ter voorkoming van gewelddadig extremisme; steun te verlenen aan een grotere bijdrage van de EU aan de initiatieven van de VN voor capaciteitsopbouw in het kader van de strijd tegen buitenlandse terroristische strijders en gewelddadig extremisme;
   (v) aan te dringen op krachtigere multilaterale toezeggingen om duurzame politieke oplossingen te vinden voor de huidige conflicten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika; het werk, de acties en de initiatieven van de speciale gezanten van de VN gericht op het oplossen van deze conflicten te blijven ondersteunen; de rol van de EU op humanitair gebied te blijven ondersteunen; aan te dringen op blijvende humanitaire, financiële en politieke bijstand van de internationale gemeenschap; plegers van schendingen van het internationaal humanitair recht en de internationale mensenrechtenverdragen te berechten en werk te maken van de onmiddellijke beëindiging van geweld; te benadrukken dat een door Syriërs geleid politiek proces met vrije en eerlijke verkiezingen als einddoel, onder begeleiding en toezicht van de VN en georganiseerd op basis van een nieuwe grondwet, de enige manier is om vrede te brengen in het land; te beklemtonen dat een nationaal inclusief staakt-het-vuren en een vreedzame, wederzijds aanvaardbare oplossing voor de crisis in Syrië kunnen worden bereikt onder auspiciën van de VN en, zoals voorzien in het communiqué van Genève van 2012 en resolutie 2254 (2015) van de UNSC, met steun van de speciale gezant van de VN voor Syrië; de internationale gemeenschap op te roepen alles te doen wat in haar macht ligt om degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid in het conflict in Syrië met kracht te veroordelen; steun te geven aan het verzoek van de UNSG om een nieuwe onpartijdige en onafhankelijke instantie op te richten om de plegers van de chemische aanslagen in Syrië aan te wijzen, aangezien zonder een dergelijke instantie het risico op een militaire escalatie toeneemt; het initiatief van de VN tot een vredesplan in Jemen te ondersteunen en de aanhoudende humanitaire crisis met spoed aan te pakken; alle partijen op te roepen de mensenrechten en de vrijheden van alle burgers van Jemen te eerbiedigen, en te wijzen op de noodzaak om via een inclusieve dialoog binnen Jemen een politieke overeenkomst uit te onderhandelen;
   (w) ervoor te zorgen dat de Algemene Vergadering van de VN, in samenwerking met de EU, voorziet in alle positieve instrumenten om te waarborgen dat een tweestatenoplossing, op basis van de grenzen van 1967, met Jeruzalem als de hoofdstad van beide staten, waarbij een veilige staat Israël met veilige en erkende grenzen en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid, duurzaam en doeltreffend is;
   (x) de inspanningen van de VN te steunen om een eerlijke en duurzame oplossing voor het conflict in de Westelijke Sahara te garanderen, die is gebaseerd op het recht op zelfbeschikking van het Sahrawi-volk en die in overeenstemming is met de relevante VN-resoluties;
   (y) te blijven werken aan de grote veiligheidsbedreigingen in de Sahel, de Sahara, de Hoorn van Afrika en de regio rond het Tsjaadmeer, met als doel de terroristische dreiging van groeperingen die gelieerd zijn aan ISIS/Da'esh en Al Qaida, alsmede van Boko Haram en overige aanverwante terroristische groeperingen, uit te roeien;
   (z) het nucleaire akkoord tussen Iran en de leden van de Veiligheidsraad plus Duitsland te bekrachtigen als een belangrijk succes van de internationale, en in het bijzonder de EU-diplomatie en bij de Verenigde Staten te blijven aandringen op de praktische uitvoering van het akkoord;
   (aa) te blijven oproepen tot de volledige eerbiediging van de soevereiniteit, internationaal overeengekomen grenzen en de territoriale integriteit van Georgië, Moldavië en Oekraïne, gezien de schendingen van het internationaal recht in deze gebieden; de diplomatieke inspanningen voor een vreedzame en duurzame oplossing van deze lopende en geblokkeerde conflicten te steunen en nieuw leven in te blazen; de internationale gemeenschap ertoe aan te sporen het beleid om de illegale annexatie van de Krim niet te erkennen, volledig uit te voeren;
   (ab) steun te geven aan de gesprekken tussen Noord- en Zuid-Korea bij hun inspanningen om het Koreaanse schiereiland kernwapenvrij te maken; alle betrokken internationale actoren op te roepen op een actieve en positieve manier door middel van dialoog tot deze doelstelling bij te dragen;
   (ac) er bij de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad van de VN op aan te dringen de spanningen in de Zuid-Chinese Zee te bespreken, met de intentie alle betrokken partijen aan te moedigen om de onderhandelingen over een gedragscode te beëindigen;
   (ad) er bij alle lidstaten op aan te dringen om de acht bovengenoemde resoluties van de UNSC die de Agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid vormen, te blijven ondersteunen en uit te voeren, en sturing te geven aan de werkzaamheden om volledige gendergelijkheid te bereiken en de participatie, de bescherming en de rechten van vrouwen tijdens de hele conflictcyclus, van conflictpreventie tot wederopbouw na een conflict, te verzekeren, en tegelijkertijd een aanpak te ontwikkelen waarin de slachtoffers centraal staan om verder leed voor vrouwen en meisjes die rechtstreeks door het conflict worden getroffen, te beperken;
   (ae) eraan te herinneren dat de deelname van vrouwen in vredesprocessen het aspect van de Agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid is waarbij de minste vooruitgang is geboekt, terwijl vrouwen de voornaamste slachtoffers van veiligheids-, politieke en humanitaire crises zijn; te benadrukken dat de belangrijkste doelstelling van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, te weten het beschermen van vrouwen en het aanmerkelijk versterken van hun deelname aan politieke en besluitvormingsprocessen, niet is verwezenlijkt; eraan te herinneren dat gelijkheid van vrouwen en mannen een kernbeginsel is van de Europese Unie en haar lidstaten en dat de bevordering van deze gelijkheid een van de voornaamste doelstellingen van de Unie is; gelijkheid tussen mannen en vrouwen en non-discriminatie te blijven bevorderen en verdere maatregelen tegen de schending van LGBTI-rechten actief te bevorderen; de meest kwetsbare personen op alle niveaus van besluitvorming en in alle processen te betrekken;
   (af) eraan te herinneren dat in gewapende conflicten zowel mannen als vrouwen kwetsbaar zijn, maar dat vrouwen een groter risico lopen op economisch en seksueel misbruik, gedwongen arbeid, ontheemding en detentie, en seksueel geweld, zoals verkrachting, dat als oorlogstactiek wordt gebruikt en een oorlogsmisdaad is; ervoor te zorgen dat er veilige medische bijstand is voor gevallen van verkrachting tijdens een oorlog; aan te dringen op een sterkere bescherming van minderjarigen, vrouwen, meisjes en ouderen in conflictsituaties, met name tegen seksueel geweld, en gedwongen, vroege en kinderhuwelijken, en ook van mannen en jongens die slachtoffer hiervan zijn, aangezien hun aantallen in conflictgebieden volgens de WHO en internationale onderzoeken zwaar worden onderschat(4); er bij alle VN-lidstaten op aan te dringen alle noodzakelijke financiële en personele middelen vrij te maken om de bevolking in de conflictgebieden te helpen;
   (ag) er bij de VN op aan te dringen doeltreffende procedures in te stellen om zorgen over of bewijzen van misbruik, fraude, corruptie en wangedrag in verband met activiteiten van het militaire en civiele personeel van de VN tijdens vredeshandhavingsmissies te melden, en deze gevallen door middel van specifieke onderzoeken tijdig aan te pakken; onmiddellijk verandering aan te brengen in het feit dat het momenteel louter een vrijwillige keuze is om gerechtelijke stappen te ondernemen naar aanleiding van vermeende gevallen van misbruik, en dat het een keuze is die afhangt van het troepenleverende land; urgent en onverwijld aandacht te besteden aan alle aspecten van het evaluatierapport van de VN van 15 mei 2015 over handhavings- en bijstandsinspanningen ter bestrijding en voorkoming van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik door VN- en aanverwant personeel bij vredeshandhavingsoperaties, en de daders te berechten; onverwijld en daadkrachtig onderzoek te voeren naar al het militaire en civiele personeel dat zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel geweld en hen te vervolgen en veroordelen; ervoor te pleiten het VN-vredeshandhavingspersoneel verder bij te scholen met betrekking tot het internationaal protocol over de documentatie van en het onderzoek naar seksueel geweld in conflicten, teneinde deskundigheid op het gebied van kwesties omtrent seksueel geweld te bevorderen;
   (ah) via de VN internationale inspanningen te ondersteunen en te versterken die erop gericht zijn genderanalyses te garanderen en aan de genderproblematiek en de mensenrechten een plaats toe te kennen in alle activiteiten van de VN, met name in vredeshandhavingsoperaties, humanitaire operaties, wederopbouw na een conflict en verzoeningsprocessen; indicatoren te ontwikkelen en monitoringinstrumenten toe te passen om de vooruitgang te meten bij de deelname van vrouwen aan vredes- en veiligheidsactiviteiten, ook in vredeshandhavingsoperaties, en om voor een verantwoordingsplicht te zorgen, en daarnaast daadwerkelijke interactie met gemeenschappen te bewerkstelligen en te zorgen voor verbeterde culturen en gedragingen, die ook in overeenstemming zijn met het panel op hoog niveau van de UNSG voor economische empowerment van vrouwen; te verzekeren dat bij de tenuitvoerlegging van de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid voorzien wordt in voldoende financiering en ondersteuning om vrouwen een centrale rol toe te bedelen in alle inspanningen voor het aanpakken van wereldwijde uitdagingen, waaronder toenemend gewelddadig extremisme, conflictpreventie en -bemiddeling, humanitaire crises, armoede, klimaatverandering, migratie, duurzame ontwikkeling, vrede en veiligheid;
   (ai) de internationale inspanningen in het kader van de VN te ondersteunen en te versterken om een einde te maken aan het misbruik van kinderen in gewapende conflicten en om de gevolgen van conflict- en post-conflictsituaties voor meisjes doeltreffender aan te pakken; steun te geven aan de rol van de werkgroep van de VN voor kinderen in gewapende conflicten, om de rechten van jonge mensen die door de oorlog worden getroffen beter te beschermen, en de VN-campagne "Children, Not Soldiers" (Kinderen, geen soldaten) te ondersteunen om een einde te maken aan de werving en inzet van kinderen door gewapende troepen van regeringen en niet-statelijke actoren in conflicten;
   (aj) met de VN te blijven samenwerken voor de follow-up en de doeltreffende tenuitvoerlegging van het Spotlight-initiatief dat tot doel heeft alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes te stoppen;
   (ak) alle middelen beschikbaar te stellen voor proactieve steun aan de prioriteiten van de UNSG inzake conflictpreventie en bemiddeling(5), bijvoorbeeld door de instelling van een adviesorgaan op hoog niveau voor bemiddeling, en in overeenstemming met de prioriteiten van de instrumenten van het VN-fonds voor bijzondere politieke missies en vredesopbouw; ervoor te zorgen dat de mensenrechten centraal staan in het beleid op het gebied van conflictpreventie en bemiddeling;
   (al) de operationele kant van de prioriteiten van de EU en de VN voor conflictpreventie en -beperking te versterken, o.a. door ervoor te zorgen dat er ervaren bemiddelaars en adviseurs op het gebied van bemiddeling beschikbaar zijn, onder wie vrouwelijke afgezanten en hooggeplaatste ambtenaren, en te zorgen voor een effectievere coördinatie van de politieke, humanitaire, veiligheids- en ontwikkelingsinstrumenten van de VN;
   (am) rekening te houden met het feit dat vrouwen duidelijk zijn ondervertegenwoordigd aan de vredesonderhandelingstafel, waar cruciale besluiten over herstel na conflicten en bestuur worden genomen, ondanks het feit dat, wanneer vrouwen in het vredesproces een duidelijke rol spelen, de kans op een overeenkomst die ten minste twee jaar gehandhaafd blijft 20 % groter is, en de kans op een overeenkomst die ten minste 15 jaar gehandhaafd blijft 35 % groter is;
   (an) krachtige steun te geven aan de Agenda voor jongeren, vrede en veiligheid en de daarin opgenomen doelstelling om jongeren een krachtigere stem te geven in de besluitvorming op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau; in dit verband steun te geven aan de opzet van mechanismen die jonge mensen in staat stellen op zinvolle wijze aan vredesprocessen deel te nemen;
   (ao) de samenwerking tussen de EU en de VN verder te versterken bij het ontwerpen van instrumenten waarmee het steeds terugkerende probleem van verkiezingsgeweld kan worden aangepakt, o.a. door gebruik te maken van de ervaring van EP-leden als verkiezingswaarnemers en de parlementaire dialoog met politieke partijen voorafgaande aan verkiezingen, teneinde verkiezingen geloofwaardiger te maken in landen die ernaar streven hun democratische procedures te versterken, en een sterk signaal af te geven aan diegenen die erop uit zijn het systeem te misbruiken;
   (ap) eens te meer te wijzen op de aanzienlijke bijdragen van de EU (instrumenten voor externe financiering) aan het VN-stelsel, waaronder ook aan de wereldvrede, de rechtsstaat en de mensenrechten, en de ontwikkelingsagenda;
   (aq) krachtige steun te geven aan de voorstellen van de secretaris-generaal om het VN-ontwikkelingsbestel doeltreffender vorm te geven en een bekrachtigend standpunt vast te stellen ten aanzien van de voorgestelde financieringsovereenkomst die de doeltreffendheid, transparantie en verantwoording moet verbeteren;
   (ar) stelselmatig steun te verlenen aan VN-acties in verband met de ontwapening, de non-proliferatie en het tegengaan van de proliferatie van massavernietigingswapens, met inbegrip van de ontwikkeling, de productie, de verwerving, de opslag, het in bezit houden, de overdracht en het gebruik van chemische wapens door een statelijke of niet-statelijke partij;
   (as) zorgen te uiten over de uitholling van het bestaande wapenbeheersings- en ontwapeningssysteem en de juridische instrumenten ervan; steun te geven aan alle inspanningen om de wapenbeheersings- en ontwapeningsagenda opnieuw te lanceren, o.a. door de conferentie over ontwapening nieuw leven in te blazen; de non-proliferatie van kernwapens te bevorderen via het herzieningsproces voor 2020 door het Alomvattend kernstopverdrag (CTBT) onverwijld in werking te doen treden; inspanningen te leveren om het Verdrag inzake chemische wapens (CWC) te handhaven; zijn verbintenis aan de doelen van dit verdrag opnieuw te bevestigen en alle VN-lidstaten ertoe aan te sporen dit verdrag te bekrachtigen of ertoe toe te treden; de Organisatie voor het verbod van chemische wapens (OPCW) te versterken en haar werkzaamheden uit te bouwen door ervoor te zorgen dat zij over passende financiële en personele middelen beschikt om haar doelstellingen te verwezenlijken; te garanderen dat in gevallen waarin melding wordt gemaakt van het gebruik van chemische wapens, de daders worden vervolgd; ervoor te zorgen dat degenen die wapenbeheersings- en ontwapeningsverdragen schenden ter verantwoording worden geroepen door bestaande mechanismen van wapenbeheersings- en ontwapeningsinstrumenten te gebruiken; steun te geven aan het Verdrag inzake het verbod op kernwapens, dat in 2017 door 122 VN‑lidstaten werd bekrachtigd, en ervoor te ijveren dat dit verdrag door alle VN‑lidstaten wordt ondertekend en geratificeerd; dringend vorderingen te maken met de nucleaire ontwapening op zowel regionaal als mondiaal niveau, overeenkomstig de resolutie van 27 oktober 2016 van het Parlement(6), waarin alle EU-lidstaten worden opgeroepen steun te geven aan de VN-conferentie voor de vaststelling van een juridisch bindend instrument om kernwapens te verbieden; steun te verlenen aan de inspanningen van de VN om te voorkomen dat niet-overheidsactoren en terroristische groeperingen massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor ontwikkelen, produceren, verwerven of overdragen; aan te dringen op de volledige naleving van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPV), het Verdrag inzake chemische wapens en het Verdrag inzake biologische wapens;
   (at) het Wapenhandelsverdrag (WHV) volledig ten uitvoer te leggen en alle VN‑lidstaten ertoe aan te sporen dit verdrag te bekrachtigen of ertoe toe te treden;
   (au) werk te maken van doeltreffender optreden tegen het doorsluizen van en de illegale handel in wapens en munitie, met inbegrip van handvuurwapens en lichte wapens, met name door een wapentraceringssysteem te ontwikkelen; de VN-leden te vragen om actief stappen te ondernemen ten behoeve van de wereldwijde ontwapening en de preventie van wapenwedlopen;
   (av) speciale aandacht te besteden aan de technologische vooruitgang op het gebied van de militarisering van de robotica en in het bijzonder bewapende robots en drones en de mate waarin zij in overeenstemming zijn met het internationaal recht; een juridisch kader te creëren voor drones en bewapende robots in overeenstemming met het bestaande IHR, om te voorkomen dat deze technologie door statelijke en niet-statelijke actoren wordt misbruikt voor illegale activiteiten; ertoe aan te sporen effectieve onderhandelingen te starten over een verbod op drones en gewapende robots die aanvallen zonder menselijke controle kunnen uitvoeren; zijn steun te betuigen aan het op de VN gebaseerde juridische kader waarin strikt wordt bepaald dat het gebruik van gewapende drones in overeenstemming moet zijn met internationaal humanitair recht en mensenrechtenverdragen; de wijdverspreide schending van mensenrechten en van het internationaal humanitair recht sterk te veroordelen; betere bescherming te eisen van de mensenrechten en fundamentele vrijheden op alle gebieden, onder meer in de context van nieuwe technologieën; stappen te zetten op weg naar een internationaal verbod op wapensystemen met te weinig menselijke controle op het gebruik van geweld, waar het Parlement meermaals om heeft verzocht, en in voorbereiding op desbetreffende bijeenkomsten op VN-niveau dringend een gemeenschappelijk standpunt over autonome wapensystemen te ontwikkelen en vast te stellen, en op desbetreffende fora met één stem te spreken en hiernaar te handelen;
   (aw) alle VN-lidstaten aan te sporen om het Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens te ondertekenen en te ratificeren;
   (ax) stappen te zetten, gelet op resolutie UNEP/EA.3/Res.1 van de VN-Milieuvergadering en resolutie 34/20 van de VN-Mensenrechtenraad, op weg naar een verduidelijking en ontwikkeling van verplichtingen na conflicten inzake zuivering en beheer van besmetting als gevolg van het gebruik van wapens met verarmd uranium en hulp aan gemeenschappen die hierdoor zijn getroffen;
   (ay) eraan te herinneren dat de mensenrechten ondeelbaar en van elkaar afhankelijk zijn en onderling samenhangen; de EU en de VN te verzoeken om niet alleen de verontrustende mondiale trend van marginalisering en ontkenning van de mensenrechten en de democratie krachtig te veroordelen om negatieve tendensen te stoppen, ook met betrekking tot de ruimte voor het maatschappelijk middenveld, maar ook effectief gebruik te maken van de beschikbare juridische instrumenten, met name artikel 2 van de associatieovereenkomsten van de EU met derde landen, in voorkomend geval; alle VN-lidstaten dringend te verzoeken alle belangrijke mensenrechtenverdragen van de VN te bekrachtigen en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen, met inbegrip van het VN-verdrag tegen foltering en het daarbij behorende facultatieve protocol, de facultatieve protocollen van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten waarin klachten- en onderzoeksmechanismen zijn vastgesteld, en de bij deze instrumenten vastgestelde verslagleggingsverplichtingen en de toezegging om in goed vertrouwen met VN-mensenrechtenmechanismen samen te werken, na te leven; de aandacht te vestigen op het mondiale verzet tegen mensenrechtenverdedigers en voorstanders van democratisering;
   (az) erop toe te zien dat de hervormingen op mensenrechtengebied volledig geïntegreerd blijven in de drie hervormingspijlers van de VN; ertoe bij te dragen dat de mensenrechtendimensie een gangbaar onderdeel wordt van alle werkzaamheden van de VN;
   (ba) met het oog hierop de vrijheid van deïsten en theïsten en van mensen die zichzelf als atheïsten, agnosten, humanisten en vrije denkers beschouwen, te bevorderen;
   (bb) te blijven ijveren voor de vrijheid van godsdienst en overtuiging; te pleiten voor meer inspanningen voor de bescherming van de rechten van religieuze en andere minderheden; aan te dringen op een betere bescherming van religieuze minderheden tegen vervolging en geweld; op te roepen tot de intrekking van wetten waarin godslastering of geloofsafval strafbaar wordt gesteld en die als voorwendsel dienen voor de vervolging van religieuze minderheden en niet‑gelovigen; steun te verlenen aan de werkzaamheden van de speciale rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; er actief naar te streven dat de door ISIS/Da'esh gepleegde genocide tegen religieuze en overige minderheden door de VN wordt erkend en dat zaken van vermoedelijke misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en volkerenmoord naar het Internationaal Strafhof (ICC) worden verwezen;
   (bc) de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC) aan te moedigen toezicht te houden op de eerbiediging van de mensenrechten in zijn eigen lidstaten, om fouten uit het verleden te voorkomen, zoals het toekennen van het lidmaatschap aan landen die de mensenrechten met voeten treden en het vaststellen van antisemitische politieke standpunten;
   (bd) alle VN-lidstaten aan te sporen om ervoor te zorgen dat hun burgers de mogelijkheid hebben zich volledig bij politieke, sociale en economische processen, met inbegrip van de vrijheid van godsdienst of overtuiging, te betrekken, zonder discriminatie;
   (be) alle nationale en internationale autoriteiten op te roepen met spoed bindende instrumenten aan te nemen voor de effectieve bescherming van de mensenrechten, en ervoor te zorgen dat alle nationale en internationale verplichtingen die voortvloeien uit internationale regels volledig worden gehandhaafd; eens meer te wijzen op het belang van de UNHRC; te herinneren aan de verplichting van de Algemene Vergadering om bij de verkiezing van de leden van de UNHRC rekening te houden met de eerbied van de kandidaten voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, de rechtsstatelijkheid en de democratie; te verzoeken om vaststelling van duidelijke criteria op basis van de prestaties op het gebied van de mensenrechten voor lidmaatschap van de UNHRC;
   (bf) betreurt ten zeerste het besluit van de VS om zich terug te trekken uit de UNHRC; herinnert aan de deelname aan en steun van de EU voor dit onmisbare mensenrechtenorgaan en dringt er bij de administratie van de VS op aan dit besluit te heroverwegen;
   (bg) er bij alle landen, met inbegrip van de EU-lidstaten, op aan te dringen het facultatieve protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten houdende de vaststelling van klachten- en onderzoeksmechanismen snel te ratificeren;
   (bh) met alle VN-lidstaten samen te werken om het recht op vrijheid van meningsuiting, zoals opgenomen in artikel 19 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, te eerbiedigen, en de nadruk te leggen op het belang van pers- en mediavrijheid in een gezonde samenleving en de rol van elke burger daarin; de nadruk te leggen op het belang van mediavrijheid, pluralisme en media-onafhankelijkheid en veiligheid van journalisten om de nieuwe uitdagingen aan te pakken; een debat te beginnen om het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds de bescherming van de mediavrijheid en de vrijheid van meningsuiting en anderzijds de bestrijding van valse informatie; te trachten bescherming te bieden aan journalisten die werken rond corruptiezaken met gevaar voor hun eigen leven;
   (bi) zich krachtig te blijven inzetten voor de bevordering van de afschaffing van de doodstraf wereldwijd; te blijven pleiten voor een nultolerantiebeleid ten aanzien van de doodstraf; op te roepen tot een moratorium op het gebruik van de doodstraf en zich verder in te spannen voor de algehele afschaffing ervan; de toename van het beroep dat wordt gedaan op doodvonnissen voor drugsdelicten te veroordelen en erop aan te dringen dat het gebruik van de doodstraf en van standrechtelijke executie als straf voor deze delicten strafbaar wordt gesteld;
   (bj) via de VN internationale inspanningen te ondersteunen en te versterken die erop gericht zijn genderanalyses te garanderen en aan de genderproblematiek en de mensenrechten een plaats toe te kennen in alle activiteiten van de VN; op te roepen tot de uitbanning van alle vormen van geweld en discriminatie tegen vrouwen en meisjes, door ook rekening te houden met discriminatie op basis van genderidentiteit; voorvechter te zijn van de rechten van LGBTI's en deze rechten te beschermen en te verzoeken om intrekking van wetgeving in VN‑lidstaten die mensen criminaliseert op basis van hun seksualiteit of genderidentiteit; de Veiligheidsraad aan te moedigen de rechten van LGBTI's verder te behandelen en te versterken;
   (bk) de rol van ICC en de internationale strafrechtspraak te versterken om de verantwoordingsplicht te bevorderen en een einde te maken aan straffeloosheid; het Strafhof te voorzien van krachtige diplomatieke, politieke en financiële ondersteuning; alle VN-lidstaten op te roepen zich bij het ICC aan te sluiten door zo spoedig mogelijk het Statuut van Rome te ratificeren, en aan te sporen tot ratificatie en tenuitvoerlegging van de in Kampala overeengekomen wijzigingen; staten die zich uit het ICC terugtrekken te verzoeken hun besluit terug te draaien; het ICC als belangrijkste instelling voor het berechten van daders en het helpen van slachtoffers om gerechtigheid te krijgen, te ondersteunen en te versterken, en een krachtige dialoog en nauwe samenwerking tussen het ICC, de VN en zijn agentschappen en de VN-Veiligheidsraad aan te moedigen;
   (bl) krachtig te veroordelen dat mensenrechtenverdedigers wereldwijd geconfronteerd worden met juridische pesterijen, detentie, moord, bedreigingen en intimidatie als gevolg van hun legitieme mensenrechtenwerk; te pleiten voor internationale inspanningen en de VN-lidstaten te verzoeken beleidsmaatregelen aan te nemen om bescherming en steun te bieden aan mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen, om hen in staat te stellen hun werk uit te voeren; een beleid vast te stellen om moord op mensenrechtenverdedigers stelselmatig en op ondubbelzinnige wijze te veroordelen, net als elke poging om hen te onderwerpen aan allerlei vormen van geweld, vervolging, bedreiging, intimidatie, verdwijning, gevangenneming of willekeurige arrestatie; om zich krachtig uit te spreken tegen al wie dergelijke wreedheden begaat of laat gebeuren, en om intensiever aan publieksdiplomatie te doen om mensenrechtenverdedigers te ondersteunen; te benadrukken dat mensenrechtenverdedigers en burgeractivisten behoren tot de belangrijkste actoren voor duurzame ontwikkeling; de VN-lidstaten te verzoeken beleidsmaatregelen aan te nemen om bescherming en steun te bieden aan mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen; te erkennen dat inheemse mensenrechtenverdedigers en zij die zich inzetten voor het milieu en land steeds meer met bedreigingen te maken krijgen;
   (bm) zich in te spannen, rekening houdend met het Europese acquis op het gebied van corruptiebestrijding, om de inclusie in de VN-programma's voor corruptiebestrijding te bevorderen en te versterken;
   (bn) de EU en haar lidstaten te verzoeken samen te werken met partners voor de verdere tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake bedrijven en mensenrechten te ondersteunen door alle landen, inclusief de EU-lidstaten, dringend te verzoeken nationale actieplannen te ontwerpen en uit te voeren die bedrijven verplichten de mensenrechten te eerbiedigen; de EU en haar lidstaten nogmaals aan te sporen actief en constructief te werken aan de formulering, op zo kort mogelijke termijn, van een juridisch bindend instrument van internationaal recht inzake de mensenrechten dat de activiteiten van transnationale bedrijven en andere ondernemingen reguleert, om mensenrechtenschendingen te voorkomen en, indien zij plaatsvinden, deze te onderzoeken en te voorzien in verhaalmogelijkheden en toegang tot rechtsmiddelen; steun te geven aan een bindend VN-verdrag inzake bedrijven en mensenrechten om ervoor te zorgen dat bedrijven ter verantwoording worden geroepen; in dit verband steun te betuigen aan het werk van de VN‑werkgroep voor bedrijven en mensenrechten, en de VN, de EU en de EU‑lidstaten eens te meer te verzoeken constructief samen te werken om deze onderhandelingen te versnellen en de resterende zorgpunten van de EU aan te pakken;
   (bo) zijn inspanningen in het kader van de internationale alliantie voor handel zonder foltering, die door de EU is opgezet in samenwerking met regionale partners, op te voeren; een internationaal fonds op te richten om landen bij te staan bij het ontwikkelen en uitvoeren van wetgeving voor het verbieden van goederen die voor foltering en de doodstraf gebruikt zouden kunnen worden; steun te geven aan de opzet van een internationaal instrument voor het verbieden van de handel in dergelijke goederen, voortbouwend op de ervaring met Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad over dit onderwerp;
   (bp) ervoor te zorgen dat vrouwen toegang hebben tot gezinsplanning en het volledige bereik aan openbare en universele seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten, met inbegrip van moderne contraceptie en veilige en legale abortus; te benadrukken dat universele toegang tot gezondheid, in het bijzonder tot seksuele en reproductieve gezondheid en tot de daarmee verband houdende rechten, een fundamenteel mensenrecht is, om tegenwicht te bieden aan de "global gag rule" die begin 2017 opnieuw werd ingevoerd door de regering van de Verenigde Staten;
   (bq) een op de mensenrechten gebaseerde benadering van invaliditeit te steunen in risicosituaties, overeenkomstig het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van de Verenigde Naties;
   (br) in overweging te nemen dat de Roma tot de minderheden in de wereld behoren die het meest worden gediscrimineerd en dat de discriminatie in verschillende landen erger wordt; eraan te herinneren dat de Roma op alle continenten leven en dit dus een wereldwijd probleem is; de VN op te roepen een speciale rapporteur voor Roma-kwesties aan te stellen om het bewustzijn te vergroten en te waarborgen dat de VN-programma's ook de Roma bereiken;
   (bs) de VN-lidstaten, met inbegrip van de EU-lidstaten, te verzoeken om de aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur voor hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante onverdraagzaamheid uit te voeren;
   (bt) volledige steun te geven aan de pogingen onder leiding van de VN om op basis van de Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten van september 2016 twee mondiale pacten voor migratie en inzake vluchtelingen tot stand te brengen, om een meer doeltreffende internationale reactie op de kwestie te ontwikkelen en aan het daaraan verbonden proces voor de ontwikkeling van wereldwijde governance, voor nauwere samenwerking op het gebied van internationale migratie, mobiliteit van mensen, grote vluchtelingenstromen en langdurige vluchtelingensituaties, en voor de invoering van duurzame oplossingen en benaderingen om het onvermogen om de rechten van vluchtelingen en migranten te beschermen, duidelijk te omschrijven; de EU-lidstaten te verzoeken zich bij dit standpunt aan te sluiten en de onderhandelingen over deze belangrijke kwestie actief te bevorderen en vooruit te helpen; eraan te herinneren dat in de SDG's van de VN-Agenda 2030 wordt erkend dat geplande en goed aangestuurde beleidsmaatregelen op het gebied van migratie kunnen bijdragen aan het verwezenlijken van duurzame ontwikkeling en inclusieve groei, alsmede het verminderen van de ongelijkheid binnen en tussen landen;
   (bu) aan te dringen op ambitieuze, evenwichtige bepalingen die een effectievere internationale samenwerking en een eerlijker, voorspelbare mondiale verdeling van verantwoordelijkheid mogelijk maken bij de aanpak van migratiebewegingen en het ontheemdenvraagstuk, om vluchtelingen in de hele wereld adequaat te kunnen ondersteunen;
   (bv) steun te geven aan alle inspanningen om te zorgen voor degelijke en duurzame steun aan ontwikkelingslanden die grote aantallen vluchtelingen onderdak bieden, en om ervoor te zorgen dat vluchtelingen duurzame oplossingen worden aangeboden, onder meer door zelfredzaam te worden en geïntegreerd te worden in de gemeenschappen waar zij leven; eraan te herinneren dat de uitvoering van het mondiaal pact een unieke mogelijkheid biedt om humanitaire hulp en ontwikkelingsbeleid sterker met elkaar te verbinden;
   (bw) ervoor te zorgen dat de mondiale pacten mensgericht zijn, op de mensenrechten zijn gebaseerd en in duurzame en alomvattende langetermijnmaatregelen voorzien die aan alle betrokken partijen ten goede komen; bijzondere aandacht te besteden aan migranten in een kwetsbare positie, zoals kinderen, vrouwen die gevaar lopen, slachtoffers van mensenhandel en personen met een handicap, en aan andere groepen die risico lopen, met inbegrip van de LGBTI-gemeenschap, waarbij het belang onderstreept moet worden van de ontwikkeling van een migratiebeleid vanuit een intersectioneel gezichtspunt, om aan de specifieke behoeften van de migranten te kunnen voldoen; de aandacht te vestigen op de noodzaak om een hernieuwd en horizontaal genderperspectief te ontwikkelen voor een gemeenschappelijke internationale respons op vluchtelingen waarmee aan de specifieke beschermingsbehoeften van vrouwen wordt voldaan, inclusief de bestrijding van geweld tegen vrouwen, en waarmee de bekwaamheden en vaardigheden van vrouwen bij wederopbouw en verzoening worden versterkt; de VN-lidstaten te verzoeken een autonome verbintenis aan te gaan om gendergelijkheid en empowerment van vrouwen en meisjes te bevorderen als centraal element van het mondiaal pact, overeenkomstig SDG 5;
   (bx) te vragen dat er meer inspanningen worden geleverd ter voorkoming van irreguliere migratie en ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel, in het bijzonder door de strijd tegen criminele netwerken via de snelle en doeltreffende uitwisseling van relevante inlichtingen; de methoden te verbeteren om slachtoffers te identificeren en te beschermen en de samenwerking met derde landen te versterken om de opbrengsten van criminele activiteiten in deze sector op te sporen, in beslag te nemen en in te vorderen; op VN-niveau te hameren op het belang van de ratificatie en volledige uitvoering van het VN-Verdrag ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en de bijbehorende protocollen tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, en inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel;
   (by) ervoor te zorgen dat bijzondere aandacht wordt besteed aan vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers, die doelwit zijn van diverse vormen van discriminatie en kwetsbaarder zijn voor seksueel en genderspecifiek geweld, zowel in hun land van herkomst als tijdens hun reis naar veiliger bestemmingen; eraan te herinneren dat vrouwen en meisjes die asiel aanvragen specifieke behoeften en problemen hebben die anders zijn dan bij mannen, en die het noodzakelijk maken dat al het asielbeleid en alle asielprocedures individueel en op basis van gender worden afgestemd; op te roepen tot een versterking van de stelsels voor de bescherming van het kind en concrete maatregelen te steunen in het belang van minderjarige vluchtelingen en migranten, op basis van het Verdrag inzake de rechten van het kind;
   (bz) het wijdverbreide fenomeen van stateloosheid aan te pakken, dat acute uitdagingen met betrekking tot mensenrechten met zich meebrengt; te garanderen dat deze kwestie tijdens de lopende onderhandeling over het mondiaal pact op passende wijze wordt aangepakt;
   (ca) de steun, waaronder de financiële steun, aan de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) voor de uitvoering van zijn internationale mandaat ter bescherming van vluchtelingen voort te zetten en uit te breiden, en in dit verband vluchtelingen ook te beschermen tegen criminele bendes en personen die betrokken zijn bij mensenhandel en mensensmokkel in de herkomst- en doorvoerlanden;
   (cb) de landen van het Oostelijk Partnerschap te helpen bij het aanpakken van problemen waarmee zij te kampen hebben als gevolg van de massale gedwongen binnenlandse ontheemding uit conflictgebieden en om daadkrachtig op te treden om de rechten van ontheemden te beschermen en te herstellen, in het bijzonder hun recht op terugkeer, hun eigendomsrechten en het recht op persoonlijke veiligheid;
   (cc) er eens te meer op te wijzen dat onderwijs voor meisjes en vrouwen van zeer groot belang is om economische kansen te creëren;
   (cd) nogmaals uiting te geven aan zijn zorgen om het feit dat honderdduizenden binnenlandse ontheemden en vluchtelingen die vanwege aanhoudende conflicten hun thuisland zijn ontvlucht, nog steeds ontheemd zijn, en nogmaals te wijzen op het recht van alle binnenlandse ontheemden en vluchtelingen om veilig en waardig naar hun plaats van herkomst terug te keren;
   (ce) nadrukkelijk te wijzen op de noodzaak om specifieke financiering te verstrekken voor de deelname van vrouwen aan internationale besluitvormingsprocessen;
   (cf) de ambitieuze VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de daarin vastgestelde 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's) ten uitvoer te leggen; de nadruk te leggen op de leidende rol van de EU in het proces dat heeft geleid tot de vaststelling van de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de Addis Abeba-actieagenda; concrete stappen te nemen om te zorgen voor een doelmatige tenuitvoerlegging van de VN‑Agenda 2030 en de Addis Abeba-agenda als belangrijke instrumenten voor preventie en ontwikkeling; ervoor te zorgen dat de EU en de VN een cruciale rol blijven spelen in de tenuitvoerlegging van de VN-Agenda 2030 om armoede uit te bannen en collectieve welvaart te creëren, ongelijkheden aan te pakken, een veiligere en meer rechtvaardige wereld te creëren, klimaatverandering te bestrijden en het milieu te beschermen;
   (cg) concrete stappen te nemen om te zorgen voor een doelmatige tenuitvoerlegging van de VN-Agenda 2030 en alle 17 SDG's als belangrijke instrumenten voor preventie en duurzame ontwikkeling; landen aan te sporen en te ondersteunen om zelf verantwoordelijkheid te nemen en nationale kaders vast te stellen om de 17 SDG's te verwezenlijken; de VN-lidstaten aan te sporen hun begrotingen af te stemmen op de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling; te herhalen dat de EU nog steeds de grootste donor van ontwikkelingshulp ter wereld is met een bijdrage van 75,7 miljard EUR, en de aanhoudende groei van de collectieve hulp van de EU aan te moedigen, die het fundament vormt van de voortdurende inspanningen van de lidstaten om vrede, welvaart en duurzame ontwikkeling in de hele wereld te bevorderen; de VN-lidstaten ertoe aan te zetten hun toezeggingen op het gebied van uitgaven voor ontwikkelingshulp na te komen en aan te dringen op de vaststelling van een solide kader van indicatoren en het gebruik van statistische gegevens om de situatie van de ontwikkelingslanden te beoordelen, de vooruitgang te monitoren en de verantwoordingsplicht te waarborgen; ernaar te streven beleidscoherentie voor ontwikkeling te bewerkstelligen voor al het EU-beleid, aangezien dit cruciaal is voor het realiseren van de SDG's, en op VN-niveau aan te dringen op grotere beleidscoherentie in overeenstemming met SDG 17;
   (ch) de verbintenis van de EU aan de Overeenkomst van Parijs nogmaals te bevestigen, alle VN-lidstaten aan te moedigen deze te bekrachtigen en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen en te benadrukken dat de Overeenkomst van Parijs wereldwijd en door alle VN-lidstaten moet worden uitgevoerd; opnieuw de noodzaak van een ambitieus EU-klimaatbeleid te bevestigen, nogmaals te verklaren bereid te zijn om de op EU-niveau bestaande nationaal bepaalde bijdragen (NDC's) voor 2030 te verbeteren, ook die van de EU, en eens te meer te wijzen op de noodzaak van de tijdige ontwikkeling van een langetermijnstrategie voor 2050, en elk initiatief in deze richting te ondersteunen; werk te maken van doeltreffendere maatregelen voor duurzaamheid van het milieu, met name in de strijd tegen de klimaatverandering, door zich in te zetten voor internationale maatregelen en acties voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu en voor het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen; ons ambitieniveau ten aanzien van emissiereducties verder te verhogen en de rol van de EU als mondiale leider op het gebied van klimaatactie te benadrukken;
   (ci) te herhalen dat klimaatactie een belangrijke prioriteit is voor de Europese Unie; ervoor te zorgen dat de EU het voortouw blijft nemen in de strijd tegen de klimaatverandering, en op dit gebied met de VN blijft samenwerken; een beroep te doen op alle VN-leden om de Overeenkomst van Parijs te bekrachtigen en te zorgen voor een snelle tenuitvoerlegging van de besluiten die zijn genomen op de VN-conferentie over klimaatverandering in 2016; meer inspanningen te leveren om de VS opnieuw te betrekken in de multilaterale samenwerking op het gebied van klimaatverandering;
   (cj) bij alle inspanningen van de VN een proactieve partner te zijn om wereldwijde partnerschappen en samenwerking op het gebied van klimaatverandering te bevorderen, waarbij benadrukt moet worden dat klimaat een aanknopingspunt kan vormen voor diplomatieke betrekkingen met partners met wie overige agendapunten sterk worden betwist, waardoor de mogelijkheid tot versterking van de stabiliteit en vrede ontstaat;
   (ck) zijn inspanningen op het gebied van klimaatdiplomatie op te schroeven door een alomvattende klimaatdiplomatiestrategie te ontwikkelen en klimaatmaatregelen binnen alle gebieden van het externe optreden van de EU een plaats te geven, waaronder handel, ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp en veiligheid en defensie, en daarbij in overweging te nemen dat een in milieuopzicht niet-duurzaam systeem tot instabiliteit leidt; een krachtig bondgenootschap te vormen van landen en actoren die vasthouden aan de doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 °C en tegelijkertijd te streven naar een temperatuurstijging van hoogstens 1,5 °C, en aan de verwezenlijking hiervan te blijven bijdragen;
   (cl) eraan te herinneren dat de gevolgen van de klimaatverandering door vrouwen en mannen anders worden ervaren; te beklemtonen dat vrouwen kwetsbaarder zijn en om diverse redenen met grotere risico's en hindernissen te maken hebben, die uiteenlopen van ongelijke toegang tot hulpbronnen, onderwijs, banen en landrechten tot sociale en culturele normen; te benadrukken dat hier dienovereenkomstig rekening mee moet worden gehouden; ervoor te zorgen dat vrouwen een centrale rol spelen bij het vinden van oplossingen voor de beperking van en aanpassing aan klimaatuitdagingen, o.a. bij internationale klimaatonderhandelingen, opdat genderbewuste responsen worden ontwikkeld om de onderliggende ongelijkheden aan te pakken;
   (cm) eraan te herinneren dat waar vrouwen beperkte toegang tot en beperkte controle over productiemiddelen hebben en hun rechten beperkt zijn, zij minder mogelijkheden hebben om vorm te geven aan de besluitvorming en het beleid te beïnvloeden, zoals officieel is erkend sinds de 13e Conferentie van de partijen inzake klimaatverandering (COP 13) op Bali in 2007;
   (cn) nauw samen te werken met kleine eilandstaten en andere landen die het meest worden geconfronteerd met de ernstigste gevolgen van klimaatverandering om te garanderen dat hun stemmen in de verschillende VN-fora worden gehoord en er rekening wordt gehouden met hun behoeften;
   (co) een uitgebreid publiek debat aan te zwengelen met alle VN-lidstaten over het belang van het eerbiedigen van de grondwettelijke grenzen aan de presidentiële mandaten in de wereld;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de Europese Dienst voor extern optreden, de Commissie en, ter informatie, de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de secretaris‑generaal van de Verenigde Naties.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0304.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0493.
(3) Aanbeveling van het Europees Parlement van 1 maart 2018 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid inzake de drooglegging van inkomstenbronnen voor jihadi's – bestrijding van de financiering van terrorisme. Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0059.
(4) Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), "World Report on Violence and Health" (Wereldverslag over geweld en gezondheid), Genève, 2002, blz. 154; Bureau van de Verenigde Naties voor de coördinatie van humanitaire zaken (UNOCHA), "Discussion paper 2: the nature, scope and motivation for sexual violence against men and boys in armed conflict" (Discussienota 2: de aard en omvang van seksueel geweld tegen mannen en jongens in gewapende conflicten en de motieven ervoor), nota gepresenteerd tijdens de onderzoeksbijeenkomst van UNOCHA over het gebruik van seksueel geweld in gewapende conflicten: hiaten op onderzoeksgebied ontdekken om informatie te verschaffen met het oog op doeltreffendere interventies, 26 juni 2008.
(5) zoals uiteengezet in zijn eerste verklaring in de UNSC op 10 januari 2017.
(6) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 202.


De migratiecrisis en de humanitaire situatie in Venezuela en aan zijn grenzen
PDF 129kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over de migratiecrisis en de humanitaire situatie in Venezuela en aan de grenzen van het land met Colombia en Brazilië (2018/2770(RSP))
P8_TA(2018)0313RC-B8-0315/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Venezuela, met name die van 27 februari 2014 over de situatie in Venezuela(1), van 18 december 2014 over de vervolging van de democratische oppositie in Venezuela(2), van 12 maart 2015 over de situatie in Venezuela(3), van 8 juni 2016 over de situatie in Venezuela(4), van 27 april 2017 over de situatie in Venezuela(5), van 8 februari 2018 over de situatie in Venezuela(6), en van 3 mei 2018 over de presidentsverkiezingen in Venezuela(7),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

–  gezien de verklaring van 8 februari 2018 van de procureur-generaal van het Internationaal Strafhof, mevrouw Fatou Bensouda,

–  gezien de verklaring over Venezuela van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties van 31 maart 2017,

–  gezien het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens van de VN (UNHCR) getiteld "Human Rights Violations in the Bolivarian Republic of Venezuela" van 22 juni 2018,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 28 april 2017 van de speciale VN-rapporteur voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies, de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging, de speciale VN-rapporteur voor de situatie van mensenrechtenactivisten, en de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie,

–  gezien de verklaring van de leiders van de G7 van 23 mei 2018,

–  gezien de verklaringen van de Groep van Lima van 23 januari 2018, 14 februari 2018, 21 mei 2018, 2 juni 2018 en 15 juni 2018,

–  gezien de verklaring van 20 april 2018 van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) over de verslechterende humanitaire situatie in Venezuela,

–  gezien het rapport van het secretariaat-generaal van de OAS en het panel van onafhankelijke internationale deskundigen van 29 mei 2018 over de vermeende misdaden tegen de menselijkheid in Venezuela,

–  gezien het rapport van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de rechten van de mens getiteld "Democratic Institutions, the Rule of Law and Human Rights in Venezuela" van 12 februari 2018, evenals haar resolutie van 14 maart 2018,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 26 januari, 19 april en 22 mei 2018 over de laatste ontwikkelingen in Venezuela,

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 november 2017, 22 januari 2018, 28 mei 2018 en 25 juni 2018,

–  gezien de verklaring van de EU-commissaris voor Humanitaire Hulp en Crisisbeheersing, Christos Stylianides, tijdens zijn werkbezoek aan Colombia in maart 2018,

–  gezien de verklaring van zijn Coördinatiegroep democratieondersteuning en verkiezingen van 23 april 2018,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de situatie van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat in Venezuela blijft verslechteren; overwegende dat Venezuela te kampen heeft met een ongekende politieke, sociale, economische en humanitaire crisis, gekenmerkt door onzekerheid, geweld, mensenrechtenschendingen, een verslechtering van de rechtsstaat, een gebrek aan geneesmiddelen en sociale diensten, een verlies aan inkomsten en toenemende armoede, met een steeds hoger aantal sterfgevallen en toenemende aantallen vluchtelingen en migranten tot gevolg;

B.  overwegende dat steeds meer mensen in Venezuela, en met name kwetsbare groepen, zoals vrouwen, kinderen en zieken, aan ondervoeding lijden als gevolg van de beperkte beschikbaarheid van kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorgdiensten, geneesmiddelen, voedsel en water; overwegende dat 87 % van de Venezolaanse bevolking in armoede leeft, en 61,2 % in extreme armoede; overwegende dat de moedersterfte en kindersterfte met 60 % respectievelijk 30 % zijn toegenomen; overwegende dat malaria in 2017 is toegenomen met 69 % in vergelijking met een jaar eerder, wat de grootste stijging ter wereld is; overwegende dat andere ziekten, zoals tuberculose en mazelen, epidemieën dreigen te worden;

C.  overwegende dat hoewel de internationale gemeenschap heeft aangegeven klaar te staan om hulp te bieden, de Venezolaanse regering het probleem helaas hardnekkig blijft ontkennen en weigert de distributie van internationale humanitaire hulp openlijk te accepteren en te faciliteren;

D.  overwegende dat de economische situatie in het land sterk is verslechterd; overwegende dat de hyperinflatie in Venezuela volgens projecties van het Internationaal Monetair Fonds in 2018 zal oplopen tot 13 000 % (tegen naar schatting 2 400 % in 2017), waardoor de prijzen met gemiddeld bijna 1,5 % per uur zullen stijgen;

E.  overwegende dat er in het VN-mensenrechtenrapport van 22 juni 2018 op wordt gewezen dat de Venezolaanse autoriteiten er niet in slagen de daders van ernstige mensenrechtenschendingen, waaronder moorden, het gebruik van buitensporig geweld tegen demonstranten, willekeurige detentie, mishandeling en foltering, ter verantwoording te roepen; overwegende dat de straffeloosheid ook op grote schaal geldt voor de leden van de veiligheidstroepen die verdacht worden van de standrechtelijke executie van demonstranten;

F.  overwegende dat volgens het verslag dat op 29 mei 2018 is gepresenteerd door het "Panel of Independent International Experts" zoals benoemd door de OAS, ten minste sinds februari 2014 zeven misdaden tegen de menselijkheid in Venezuela zijn gepleegd en de regering zelf verantwoordelijk kan worden gesteld voor de huidige humanitaire crisis in de regio; overwegende dat de procureur-generaal van het Internationaal Strafhof (ICC) heeft aangekondigd dat een preliminair onderzoek zal worden geopend naar de misdaden die sinds april 2017 in Venezuela bedreven zouden zijn;

G.  overwegende dat bij de verkiezingen van 20 mei 2018 niet is voldaan aan de internationale minimumnormen voor een geloofwaardig verkiezingsproces, politiek pluralisme, democratie, transparantie en de rechtsstaat, hetgeen de oplossing van de politieke crisis verder bemoeilijkt; overwegende dat dit het vinden van een oplossing voor de politieke crisis verder bemoeilijkt; overwegende dat de EU en andere democratische organen noch de verkiezingen zelf, noch de autoriteiten die middels dit onwettige proces aan de macht zijn gekomen, erkennen;

H.  overwegende dat de huidige multidimensionale crisis in Venezuela de grootste verplaatsing van bevolkingsgroepen in de geschiedenis van de regio heeft veroorzaakt; overwegende dat volgens de UNHCR en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) het aantal Venezolanen dat het land heeft verlaten dramatisch is toegenomen, van 437 000 in 2005 tot meer dan 1,6 miljoen in 2017; overwegende dat circa 945 000 Venezolanen tussen 2015 en 2017 het land hebben verlaten; overwegende dat het totale aantal mensen dat sinds 2014 het land heeft verlaten in 2018 meer dan 2 miljoen bedraagt; overwegende dat het aantal Venezolaanse staatsburgers dat wereldwijd asiel zoekt sinds 2014 met 2 000 % is gestegen en medio juni 2018 meer dan 280 000 bedroeg;

I.  overwegende dat 520 000 Venezolanen in de regio alternatief legaal verblijf hebben gevonden; overwegende dat meer dan 280 000 Venezolanen ergens ter wereld de vluchtelingenstatus hebben aangevraagd; overwegende dat het aantal verzoeken van Venezolanen om internationale bescherming in de EU tussen 2014 en 2017 met meer dan 3 500 % is toegenomen; overwegende dat geschat wordt dat meer dan 60 % van de Venezolanen zich in een irreguliere situatie bevindt;

J.  overwegende dat volgens het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (UNOCHA) het grootste deel van deze vluchtelingen wordt opgevangen door Colombia, waar meer dan 820 000 Venezolanen wonen; overwegende dat grote stromen vluchtelingen, vaak in dramatische gezondheid en sterk ondervoed, in de aan de grens met Venezuela gelegen plaatsen Cúcuta en Boa Vista aankomen; overwegende dat Peru, Chili, Argentinië, Panama, Brazilië, Ecuador, Mexico, de Dominicaanse Republiek, Costa Rica, Uruguay, Bolivia en Paraguay eveneens met grote aantallen vluchtelingen en migranten te kampen hebben; overwegende dat steeds meer mensen over zee het land verlaten, met name naar eilanden in het Caribisch gebied, zoals Aruba, Curaçao, Bonaire, Trinidad en Tobago en Guyana; overwegende dat ook Europa, en met name Spanje, Portugal en Italië, met steeds meer Venezolaanse vluchtelingen te maken krijgen; overwegende dat het verlenen van bijstand aan nieuwkomers een steeds grotere belasting vormt voor de gastlanden;

K.  overwegende dat de Colombiaanse nationale en lokale autoriteiten zich op prijzenswaardige wijze inzetten om ervoor te zorgen dat de vluchtelingen uit Venezuela fundamentele mensenrechten genieten, zoals toegang tot basisonderwijs en basisgezondheidsdiensten, ongeacht hun status; overwegende dat in Colombia lokale gemeenschappen, religieuze instellingen en gewone mensen allen Venezolaanse migranten verwelkomen in de geest van broederschap en blijk geven van grote veerkracht en solidariteit;

L.  overwegende dat de Commissie op 7 juni 2018 heeft aangekondigd een bedrag van 35,1 miljoen EUR aan nood- en ontwikkelingshulp te zullen vrijmaken om het Venezolaanse volk en de door de crisis getroffen buurlanden te ondersteunen; overwegende dat deze financiële bijdrage een aanvulling vormt op de 37 miljoen EUR die de EU reeds voor humanitaire hulp en samenwerkingsprojecten in het land heeft uitgetrokken; overwegende dat er op 13 juni 2018 een financieringskloof was van 56 % in verband met het aanvullende verzoek van het UNHCR voor 46,1 miljoen USD;

M.  overwegende dat er elke maand meer dan 12 000 Venezolanen de Braziliaanse deelstaat Roraima binnenkomen, waarvan er ongeveer 2 700 in Boa Vista blijven; overwegende dat deze Venezolanen momenteel 7 % van de inwoners van Boa Vista uitmaken en dat er, als dit tempo aanhoudt, tegen het eind van het jaar meer dan 60 000 Venezolanen in de stad zullen wonen; overwegende dat deze demografische instroom een enorme druk met zich meebrengt voor de overheidsdiensten van de stad, met name voor de volksgezondheid en het onderwijs; overwegende dat Roraima met zijn uiterst beperkte arbeidsmarkt en eenvoudige economie een van de armste deelstaten van Brazilië is, wat de integratie van de migranten en vluchtelingen nog meer belemmert;

N.  overwegende dat het Parlement van 25 t/m 30 juni 2018 een ad-hocdelegatie naar de grens van Venezuela met Colombia en Brazilië heeft gestuurd om de gevolgen van de crisis ter plaatse te bestuderen;

1.  maakt zich ernstige zorgen over en is geschokt door de rampzalige humanitaire situatie in Venezuela, resulterend in grote aantallen doden en een ongekende instroom van migranten en vluchtelingen in de buur- en andere landen; spreekt zijn solidariteit uit met alle Venezolanen die gedwongen zijn hun land te verlaten als gevolg van het gebrek aan fundamentele voorzieningen zoals voedsel, drinkwater, gezondheidszorgdiensten en geneesmiddelen;

2.  spoort de Venezolaanse autoriteiten aan te erkennen dat er sprake is van een humanitaire crisis, te voorkomen dat de situatie verder verslechtert, en zich in te zetten voor politieke en economische oplossingen die zorgen voor veiligheid voor alle burgers en voor stabiliteit voor het land en de regio;

3.  roept de Venezolaanse autoriteiten op humanitaire hulp met spoed en ongehinderd tot het land toe te laten, om een verslechtering van de humanitaire en volksgezondheidscrisis te voorkomen, en met name te vermijden dat ziekten als de mazelen, malaria, difterie, en mond- en klauwzeer opnieuw de kop opsteken, en daarbij onbelemmerde toegang te verschaffen aan internationale organisaties die bijstand willen verlenen aan alle getroffen sectoren van de samenleving; dringt er met klem op aan op korte termijn maatregelen te nemen voor het aanpakken van de ondervoeding bij de meest kwetsbare groepen, zoals vrouwen, kinderen en zieken; is uitermate bezorgd over het aanzienlijke aantal niet-begeleide kinderen dat de grenzen oversteekt;

4.  prijst de Colombiaanse regering ervoor dat zij zo snel steun aan alle naar het land komende Venezolanen ter beschikking heeft gesteld; prijst verder Brazilië en de andere landen in de regio, met name Peru, en de regionale en internationale organisaties, particuliere en publieke entiteiten, de katholieke kerk, alsook de burgers van de hele regio voor hun actieve hulp voor en solidariteit met de Venezolaanse vluchtelingen en migranten; verzoekt de lidstaten onmiddellijk actie te ondernemen om Venezolaanse migranten die zich op hun grondgebied bevinden te beschermen, onder meer aan de hand van humanitaire visa, speciale verblijfsregelingen of andere regionale migratiekaders en door de nodige beschermingswaarborgen te bieden; roept de Venezolaanse autoriteiten ertoe op de afgifte en verlenging van identiteitsdocumenten aan de onderdanen van het land, in en buiten Venezuela, te faciliteren en te versnellen;

5.  verzoekt de internationale gemeenschap, waaronder de EU, een gecoördineerde, alomvattende en regionale reactie op de crisis te formuleren, en hun financiële en materiële bijstand aan de begunstigde landen op te voeren door zich aan hun toezeggingen te houden; is ingenomen met de humanitaire hulp die de EU tot nu toe heeft toegekend en dringt aan op snel meer humanitaire ondersteuning, die in het bijzonder ter beschikking moet worden gesteld via noodfondsen, om tegemoet te komen aan de snel groter wordende behoeften van de mensen in de buurlanden die met de gevolgen van de crisis in Venezuela worden geconfronteerd;

6.  herhaalt dat de huidige humanitaire crisis het gevolg is van een politieke crisis; dringt er met klem bij de Venezolaanse autoriteiten op aan onmiddellijk een eind te maken aan alle mensenrechtenschendingen en aan alle aanvallen op burgers, en alle mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en de vrijheid van vergadering, volledig te eerbiedigen; dringt er bij de Venezolaanse autoriteiten op aan alle democratische verkozen instellingen, en dan met name de Nationale Vergadering, te respecteren, alle politieke gevangenen vrij te laten, en de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten te eerbiedigen; verzoekt de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) al het mogelijke te doen om de internationale bemiddelingspogingen te faciliteren die nodig zijn om ruimte vrij te maken voor een levensvatbare oplossing voor de huidige humanitaire en politieke crisis;

7.  dringt aan op nieuwe presidentsverkiezingen met inachtneming van de internationaal erkende democratische normen en de Venezolaanse grondwet, binnen een transparant, gelijk en eerlijk kader dat ruimte biedt voor internationale waarneming, waarin geen beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de deelnemende politieke partijen en kandidaten, en waarin de politieke rechten van alle Venezolanen volledig worden geëerbiedigd; benadrukt dat de wettige regering die na deze verkiezingen zal aantreden de huidige economische en sociale crisis in Venezuela dringend moet aanpakken en zich moet inzetten voor verzoening in het land;

8.  herinnert eraan dat alle mogelijke sancties door de internationale gemeenschap gericht en omkeerbaar moeten zijn, en geen enkele schade mogen berokkenen aan de bevolking van Venezuela; is verheugd over de snelle aanneming van aanvullende, gerichte en omkeerbare sancties en het wapenembargo dat in november 2017 is ingesteld; herhaalt dat deze sancties opgelegd zijn aan hooggeplaatste functionarissen vanwege ernstige schendingen van de mensenrechten, het ondermijnen van de democratie en de rechtsstaat in Venezuela en het houden van onwettige verkiezingen op 20 mei 2018, die niet internationaal erkend werden en die plaatsvonden zonder overeenstemming over de datum en de voorwaarden, in omstandigheden die het onmogelijk maakten dat alle politieke partijen er op voet van gelijkheid aan konden deelnemen; herinnert aan de mogelijkheid om deze uit te breiden tot diegenen die de verantwoordelijkheid dragen voor de toegenomen politieke, maatschappelijke, economische, en humanitaire crisis, in het bijzonder president Nicolás Maduro, in overeenstemming met zijn eerdere resoluties;

9.  herinnert eraan dat zij die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten ter verantwoording moeten worden geroepen; staat volledig achter het preliminaire onderzoek van het ICC naar de talrijke misdaden van en gevallen van repressie door het Venezolaanse regime, en vraagt de EU in dit verband een actieve rol te spelen; steunt volledig de oproep van het "Panel of Independent International Experts" zoals benoemd door de secretaris-generaal van de OAS en de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens tot de instelling van een commissie van onderzoek naar de situatie in Venezuela en tot een grotere rol voor het ICC;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en Nationale Vergadering van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, de regering en het parlement van de Republiek Colombia, van de Republiek Brazilië en van de Republiek Peru, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering en de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten en de Groep van Lima.

(1) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 145.
(2) PB C 294 van 12.8.2016, blz. 21.
(3) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 190.
(4) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 101.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0200.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0041.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0199.


Richtsnoeren voor lidstaten om te voorkomen dat humanitaire bijstand strafbaar wordt gesteld
PDF 120kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over richtsnoeren voor lidstaten om te voorkomen dat humanitaire bijstand strafbaar wordt gesteld (2018/2769(RSP))
P8_TA(2018)0314B8-0314/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf(1) (de "richtlijn hulpverlening"),

–  gezien Kaderbesluit 2002/946/JBZ van de Raad van 28 november 2002 tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf(2) (het "kaderbesluit"),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2015 tot vaststelling van een EU‑actieplan tegen migrantensmokkel (2015-2020) (COM(2015)0285),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 22 maart 2017 over de REFIT-evaluatie van het EU-rechtskader tegen hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf: het hulpverleningspakket (Richtlijn 2002/90/EG en Kaderbesluit 2002/946/JBZ) (SWD(2017)0117),

–  gezien zijn resolutie van 18 april 2018 over de voortgang met de mondiale pacten van de VN inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie en inzake vluchtelingen(3),

–  gezien de studie getiteld "Geschikt voor het doel? De richtlijn inzake hulp en de criminalisering van humanitaire bijstand aan irreguliere migranten", door het directoraat-generaal Intern Beleid gepubliceerd in 2016,

–  gezien de studie van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten over criminalisering van migranten in een irreguliere situatie en bij hen betrokken personen, gepubliceerd in 2014,

–  gezien de discussienota van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa van 4 februari 2010 getiteld "Criminalisering van migratie in Europa: gevolgen voor de mensenrechten",

–  gezien het VN-protocol inzake het smokkelen van immigranten over land, door de lucht en over zee, zoals opgenomen bij het Verdrag van de VN ter bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, aangenomen bij resolutie 55/25 van 15 november 2000 tijdens de 55e zitting van de Algemene Vergadering van de VN (het "VN-protocol tegen smokkel"),

–  gezien het verslag van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten van migranten van 24 april 2013 getiteld "Regionaal onderzoek naar het beheer van de buitengrenzen van de Europese Unie en de gevolgen daarvan voor de mensenrechten van migranten",

–  gezien de vraag aan de Commissie over richtsnoeren voor lidstaten om te voorkomen dat humanitaire bijstand strafbaar wordt gesteld (O‑000065/2018 – B8‑0034/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Commissie in het EU-actieplan tegen migrantensmokkel (2015‑2020) wijst op de noodzaak om "voor passende strafrechtelijke sancties te zorgen, maar tevens te voorkomen dat wie migranten in nood humanitaire bijstand verleent, het risico loopt te worden gecriminaliseerd" en om het bestaande EU‑hulpverleningspakket, dat de richtlijn hulpverlening en het bijbehorende kaderbesluit omvat, te verbeteren;

B.  overwegende dat artikel 1, lid 2, van de richtlijn hulpverlening voorziet in een niet‑bindende uitzondering voor humanitaire hulp, waarbij lidstaten kunnen besluiten geen sancties toe te passen wanneer de hulpverlening van humanitaire aard is;

C.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 18 april 2018 over de voortgang met de mondiale pacten van de VN inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie en inzake vluchtelingen vraagt dat humanitaire hulp niet strafbaar wordt gesteld, en aandringt op een grotere opsporings- en reddingscapaciteit voor personen in nood, de inzet van een grotere capaciteit door alle staten en de erkenning van de ondersteuning door particuliere actoren en ngo's bij het uitvoeren van reddingsoperaties op zee en op het land;

D.  overwegende dat de Commissie in haar werkdocument over de REFIT-evaluatie van het hulpverleningspakket onderstreept dat een intensievere uitwisseling van kennis en juiste handelwijzen tussen openbare aanklagers, rechtshandhavingsinstanties en het maatschappelijk middenveld zou kunnen bijdragen tot het verbeteren van de huidige situatie en zou kunnen vermijden dat echte humanitaire bijstand wordt gecriminaliseerd;

E.  overwegende dat artikel 1, lid 1, onder b), van de richtlijn hulpverlening de lidstaten niet verplicht om hulpverlening bij illegaal verblijf níet te bestraffen indien er geen sprake is van winstbejag, en overwegende dat het kaderbesluit geen bindende bepalingen bevat om bestraffing van hulpverlening voor humanitaire doeleinden of in noodsituaties te voorkomen;

1.  herinnert eraan dat de lidstaten krachtens de richtlijn hulpverlening en het bijbehorende kaderbesluit verplicht zijn om regelgeving vast te stellen met het oog op de invoering van strafrechtelijke sancties tegen hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf;

2.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de ongewenste consequenties van het hulpverleningspakket voor burgers die humanitaire bijstand verlenen aan migranten en voor de sociale cohesie van het gastland als geheel;

3.  wijst erop dat het verlenen van humanitaire bijstand op grond van het VN-protocol tegen smokkel niet strafbaar mag worden gesteld;

4.  merkt op dat de actoren die betrokken zijn bij het bieden van humanitaire hulp ter ondersteuning en aanvulling van levensreddende acties van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, binnen de in de hulpverleningsrichtlijn vastgestelde bevoegdheid voor humanitaire hulp moeten blijven, en wijst erop dat hun acties onder controle van de lidstaten moeten staan;

5.  betreurt dat de uitzondering voor humanitaire hulp waarin door de richtlijn hulpverlening wordt voorzien, door de lidstaten slechts zeer beperkt in nationaal recht is omgezet en merkt op dat de uitzondering moet worden toegepast om vervolging te voorkomen, zodat personen en maatschappelijke organisaties die om humanitaire redenen hulp verlenen aan migranten niet worden vervolgd;

6.  verzoekt de lidstaten de in de richtlijn hulpverlening opgenomen uitzondering voor humanitaire hulp in nationaal recht om te zetten en passende mechanismen in het leven te roepen om de handhaving en doeltreffende praktische uitvoering van het hulpverleningspakket te verzekeren, door jaarlijks informatie te verzamelen en te registreren over het aantal personen dat aan de grens of in het binnenland wegens hulpverlening wordt gearresteerd, het aantal ingestelde gerechtelijke procedures en het aantal veroordelingen, alsook informatie over hoe straffen worden vastgesteld en de redenen waarom onderzoeken worden stopgezet;

7.  dringt er bij de Commissie op aan richtsnoeren voor de lidstaten vast te stellen waarin wordt gespecificeerd welke vormen van hulpverlening niet strafbaar mogen worden gesteld, om te zorgen voor een duidelijke en eenvormige toepassing van het huidige acquis, met inbegrip van artikel 1, lid 1, onder b), en artikel 1, lid 2, van de richtlijn hulpverlening, en onderstreept dat duidelijke criteria een waarborg zijn voor meer samenhang in de strafrechtelijke voorschriften inzake hulpverlening in de lidstaten en het voorkomen van ongewenste strafbaarstelling;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 328 van 5.12.2002, blz. 17.
(2) PB L 328 van 5.12.2002, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0118.


Toereikendheid van de door het privacyschild van de EU en de VS geboden bescherming
PDF 172kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming (2018/2645(RSP))
P8_TA(2018)0315B8-0305/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de artikelen 6, 7, 8, 11, 16, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het "EU-Handvest"),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(1), en Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(2),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14, Maximillian Schrems/Data Protection Commissioner(3),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 december 2016 in zaak C-203/15, Tele2 Sverige AB/Post- och telestyrelsen, en in zaak C-698/15, Secretary of State for the Home Department/Tom Watson e.a.(4),

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1250 van de Commissie van 12 juli 2016 overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming(5),

–  gezien Advies 4/2016 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) van 30 mei 2016 inzake het ontwerpbesluit betreffende de gepastheid van de bescherming geboden door het EU-VS-privacyschild(6),

–  gezien Advies 01/2016 van de Groep gegevensbescherming artikel 29 (WP29) van 13 april 2016 over het ontwerpbesluit betreffende de gepastheid van het EU-VS-privacyschild(7) en de verklaring WP29 van de Groep van 26 juli 2016(8),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2017 over de eerste jaarlijkse evaluatie van de werking van het EU-VS-privacyschild (COM(2017)0611) en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2017)0344),

–  gezien het WP29-document van 28 november 2017 getiteld "EU-U.S. Privacy Shield – First Annual Review" (Het EU-VS-privacyschild – Eerste jaarlijkse evaluatie)(9),

–  gezien de brief van de WP29 van 11 april 2018 als reactie op de hernieuwde toestemming voor Section 702 van de Amerikaanse Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA),

–  gezien zijn resolutie van 6 april 2017 over de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming(10),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14, Maximillian Schrems/Data Protection Commissioner, de veiligehavenregeling ongeldig heeft verklaard en heeft verduidelijkt dat de uitdrukking "passend beschermingsniveau" zo moet worden opgevat dat die vereist dat het beschermingsniveau in een derde land "in grote lijnen overeenkomt" met het beschermingsniveau dat binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd op grond van Richtlijn 95/46/EG, gelezen in samenhang met het EU-Handvest, en overwegende dat het Hof erop wees dat de onderhandelingen over een nieuwe regeling dringend afgerond moeten worden om rechtszekerheid te waarborgen met betrekking tot de manier waarop persoonsgegevens van de EU naar de VS moeten worden overgedragen;

B.  overwegende dat de Commissie bij de beoordeling van het in een derde land geboden beschermingsniveau verplicht is de inhoud te beoordelen van de in dat land toepasselijke regels die zijn afgeleid van de nationale wetgeving of internationale verbintenissen van dat land, alsook de praktijken die zijn ingevoerd om de naleving van deze regels te waarborgen, aangezien ze volgens artikel 25, lid 2, van Richtlijn 95/46/EG rekening moet houden met alle omstandigheden die op de doorgifte van gegevens van invloed zijn; overwegende dat bij deze beoordeling niet alleen naar de wetgeving en praktijken met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens voor commerciële en particuliere doeleinden moet worden gekeken, maar naar alle aspecten van het kader dat van toepassing is op dat land of die sector, in het bijzonder, maar niet uitsluitend, rechtshandhaving, nationale veiligheid en eerbieding van de grondrechten;

C.  overwegende dat de overdracht van persoonsgegevens tussen commerciële organisaties uit de EU en de VS gezien de almaar toenemende digitalisering van de wereldeconomie een belangrijk aspect vormt van de trans-Atlantische betrekkingen; overwegende dat deze overdrachten moeten worden uitgevoerd met volledige inachtneming van het recht op de bescherming van persoonsgegevens en het recht op privacy; overwegende dat de bescherming van de in het EU-Handvest verankerde grondrechten tot de hoofddoelstellingen van de EU behoort;

D.  overwegende dat Facebook, een van de ondertekenende partijen bij het privacyschild, heeft bevestigd dat zich onder de gegevens die zijn misbruikt door het politiek consultancybureau Cambridge Analytica ook de gegevens van 2,7 miljoen EU-burgers bevonden;

E.  overwegende dat de EDPS in Advies 4/2016 op een aantal vlakken zijn bezorgdheid heeft geuit over het ontwerpbesluit betreffende het privacyschild; overwegende dat de EDPS zich in hetzelfde advies positief uitspreekt over de inspanningen van alle partijen om een oplossing te vinden voor de overdracht van persoonsgegevens van de EU naar de VS voor commerciële doeleinden in het kader van een systeem van zelfcertificering;

F.  overwegende dat de WP29 zich in Advies 01/2016 over het ontwerpuitvoeringsbesluit inzake de gepastheid van het EU-VS-privacyschild positief heeft uitgesproken over de verbeteringen die door het privacyschild teweeg zijn gebracht in vergelijking met het veiligehavenbesluit, hoewel ze ook haar ernstige bezorgdheid heeft geuit over zowel de commerciële aspecten als het verlenen van toegang aan overheidsdiensten tot gegevens die in het kader van het privacyschild zijn doorgegeven;

G.  overwegende dat de Commissie, na verdere besprekingen met de Amerikaanse regering, op 12 juli 2016 haar Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1250 heeft aangenomen, waarin de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming van persoonsgegevens die vanuit de Unie worden doorgegeven aan organisaties in de Verenigde Staten wordt afgekondigd;

H.  overwegende dat het EU-VS-privacyschild vergezeld gaat van verscheidene unilaterale verbintenissen en toezeggingen van de Amerikaanse regering waarin onder meer uitleg wordt gegeven over de beginselen van gegevensbescherming, over de werking van toezichts-, handhavings- en verhaalmechanismen en over de beschermingsregelingen en garanties die gelden wanneer veiligheidsdiensten persoonsgegevens willen raadplegen en verwerken;

I.  overwegende dat de WP29 zich in haar verklaring van 26 juli 2016 positief uitspreekt over de verbeteringen die het mechanisme van het EU-VS-privacyschild teweeg heeft gebracht in vergelijking met de veiligehavenregeling, en woorden van lof heeft voor de Commissie en de Amerikaanse autoriteiten omdat deze de bezwaren van de Groep in overweging hebben genomen; overwegende dat de WP29 niettemin aangeeft dat niet alle bezwaren zijn weggenomen, zowel over de commerciële aspecten als over het verlenen van toegang aan Amerikaanse overheidsdiensten tot overgedragen gegevens uit de EU, zoals het gebrek aan specifieke regels inzake geautomatiseerde besluitvorming en aan een algemeen recht om bezwaar te maken, de noodzaak van strengere waarborgen in verband met de onafhankelijkheid en de bevoegdheden van het ombudsmechanisme, of het gebrek aan concrete toezeggingen om niet massaal en ongedifferentieerd persoonsgegevens te vergaren (gegevensverzameling op grote schaal);

J.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 6 april 2017 weliswaar erkent dat het EU-VS-privacyschild aanzienlijke verbeteringen bevat wat de duidelijkheid van de normen betreft in vergelijking met de voormalige EU-VS-veiligehavenregeling, maar ook aangeeft dat er belangrijke kwesties onopgelost blijven over bepaalde commerciële aspecten, nationale veiligheid en rechtshandhaving; overwegende dat de Commissie wordt verzocht om in het kader van de eerste jaarlijkse gezamenlijke evaluatie een grondige en diepgaande analyse te maken van alle tekortkomingen en zwakheden en aan te tonen hoe deze zijn aangepakt om ervoor te zorgen dat het EU-Handvest en het Unierecht worden nageleefd, alsook om nauwkeurig de effectiviteit en uitvoerbaarheid te beoordelen van de in de toezeggingen en verduidelijkingen van de Amerikaanse regering genoemde mechanismen en garanties;

K.  overwegende dat in het verslag van de Commissie aan het Parlement en de Raad over de eerste jaarlijkse evaluatie van de werking van het EU-VS-privacyschild en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie weliswaar wordt erkend dat de Amerikaanse autoriteiten de nodige structuren en procedures hebben ingevoerd om te waarborgen dat het privacyschild naar behoren functioneert en wordt geconcludeerd dat de Verenigde Staten nog steeds een passend beschermingsniveau waarborgen voor persoonsgegevens die in het kader van het EU-VS-privacyschild worden doorgegeven, maar toch tien aanbevelingen formuleert ter attentie van de Amerikaanse autoriteiten om een aantal bezorgdheden aan te pakken met betrekking tot de taken en activiteiten van het Amerikaanse ministerie van Handel (Department of Commerce, DoC) als bevoegde beheerder voor toezicht op de certificering van privacyschild-organisaties en de handhaving van de beginselen, alsook met betrekking tot kwesties die verband houden met nationale veiligheid, zoals de hernieuwde toestemming voor Section 702 van de FISA of de benoeming van een permanente ombudsman en het feit dat een aantal leden van het Privacy and Civil Liberties Oversight Board (PCLOB) nog steeds niet is benoemd;

L.  overwegende dat in het advies van de WP29 van 28 november 2017 getiteld "EU-U.S. Privacy Shield – First Annual Review", dat is gepubliceerd naar aanleiding van de eerste jaarlijkse gezamenlijke evaluatie, wordt erkend dat het privacyschild een vooruitgang betekent in vergelijking met de ongeldig verklaarde veiligehavenregeling; overwegende dat de WP29 zich bewust is van de inspanningen die zijn geleverd door de Amerikaanse autoriteiten en de Commissie om het privacyschild ten uitvoer te leggen;

M.  overwegende dat de WP29 heeft gewezen op een aantal belangrijke onopgeloste kwesties die zorgen baren, zowel wat commerciële kwesties betreft als in verband met het verlenen van toegang aan Amerikaanse overheidsdiensten tot aan de VS in het kader van het privacyschild overgedragen gegevens (met het oog op rechtshandhaving dan wel nationale veiligheid), en die nog moeten worden aangepakt door de Commissie en de Amerikaanse autoriteiten; overwegende dat het heeft verzocht onmiddellijk een actieplan op te stellen om aan te tonen dat aan al deze kwesties aandacht zal worden besteed, ten laatste bij de tweede gezamenlijke evaluatie;

N.  overwegende dat de leden van de WP29 in het geval dat er binnen de gegeven termijnen geen oplossing wordt gevonden voor de bezwaren van de Groep passende maatregelen zullen nemen, onder meer door het besluit over de gepastheid van het privacyschild te verwijzen naar nationale rechtbanken, zodat deze de zaak op hun beurt kunnen verwijzen naar het HvJ-EU met het oog op een prejudiciële beslissing;

O.  overwegende dat een beroep tot nietigverklaring (zaak T-738/16, La Quadrature du Net e.a./Commissie) en een verwijzing door het Ierse hooggerechtshof in de zaak tussen de Data Protection Commissioner van Ierland en Facebook Ireland Limited en Maximilian Schrems (de zaak Schrems II) voor het Europees Hof van Justitie zijn gebracht; overwegende dat in de verwijzing wordt opgemerkt dat grootschalig toezicht nog steeds plaatsvindt en wordt onderzocht of er in het Amerikaanse recht doeltreffende rechtsmiddelen voorhanden zijn voor EU-burgers wier persoonsgegevens worden doorgegeven aan de Verenigde Staten;

P.  overwegende dat het Amerikaanse Congres op 11 januari 2018 via een amendement hernieuwde toestemming heeft gegeven voor Section 702 van de FISA voor een periode van zes jaar, zonder in te gaan op de bezwaren uit het Commissieverslag over de gezamenlijke evaluatie en het advies van de WP29;

Q.  overwegende dat het Amerikaanse congres de Clarifying Overseas Use of Data Act (CLOUD) heeft vastgesteld als onderdeel van de omnibuswetgeving betreffende de begroting die wettelijk is bekrachtigd op 23 maart 2018; overwegende dat de toegang uit rechtshandhavingsoverwegingen tot de inhoud van communicatie en andere bijbehorende gegevens met deze wet gemakkelijker wordt, doordat de Amerikaanse rechtshandhavingsinstanties de overdracht van communicatiegegevens kunnen afdwingen, ook al zijn die gegevens buiten de Verenigde Staten opgeslagen, en doordat bepaalde derde landen uitvoeringsovereenkomsten kunnen afsluiten met de Verenigde Staten waardoor Amerikaanse dienstverleners wordt toegestaan in te gaan op bepaalde instructies van derde landen om toegang te krijgen tot communicatiegegevens;

R.  overwegende dat Facebook Inc., Cambridge Analytica en SCL Elections Ltd in het kader van het privacyschild gecertificeerde bedrijven zijn en als zodanig voordeel hebben gehaald uit het gepastheidsbesluit, omdat dit een rechtsgrond vormt voor de overdracht en de verdere verwerking van persoonsgegevens uit de Europese Unie naar de Verenigde Staten;

S.  overwegende dat de Commissie op grond van artikel 45, lid 5, van de algemene verordening gegevensbescherming wanneer uit beschikbare informatie blijkt dat een derde land niet langer een passend beschermingsniveau waarborgt, overgaat tot intrekking, wijziging of schorsing van het gepastheidsbesluit;

1.  benadrukt dat het privacyschild zwakheden blijft vertonen met betrekking tot de eerbiediging van de grondrechten van de betrokkenen; onderstreept tevens dat het risico toeneemt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1250 van de Commissie betreffende het privacyschild ongeldig zal verklaren;

2.  stelt vast dat er verbeteringen zijn aangebracht in vergelijking met de veiligehavenovereenkomst, waaronder de toevoeging van essentiële definities, strengere verplichtingen in verband met gegevensbewaring en de verdere doorgifte aan derde landen, de aanstelling van een ombudsman om individuele verhaalmogelijkheden en onafhankelijk toezicht te waarborgen, checks-and-balances om de rechten van betrokkenen te waarborgen (PCLOB), externe en interne nalevingscontroles, regelmatigere en zorgvuldigere documentering en monitoring, de beschikbaarheid van diverse middelen om naar de rechtbank te stappen, en een prominente rol voor nationale gegevensbeschermingsautoriteiten bij het onderzoeken van vorderingen;

3.  wijst erop dat de WP29 de uiterste termijn van 25 mei 2018 heeft vastgesteld om openstaande kwesties op te lossen, en dat de Groep bij het uitblijven van oplossingen kan besluiten het privacyschild te verwijzen naar nationale rechtbanken, zodat deze de zaak op hun beurt kunnen verwijzen naar het Europees Hof van Justitie met het oog op een prejudiciële beslissing(11);

Institutionele kwesties/benoemingen

4.  betreurt dat het erg lang geduurd heeft om voor het PCLOB twee bijkomende leden aan te stellen in samenhang met de benoeming van een voorzitter en dringt er bij de Senaat op aan hun profielen te onderzoeken met het oog op de ratificatie van hun aanstelling, zodat het quorum van de onafhankelijke instantie weer op peil is en het PCLOB zijn opdracht kan vervullen met betrekking tot de preventie van terrorisme en de noodzakelijke bescherming van de privacy en de burgerlijke vrijheden;

5.  stelt met bezorgdheid vast dat de afwezigheid van een voorzitter en een quorum tot gevolg heeft gehad dat het PCLOB slechts in beperkte mate heeft kunnen handelen en aan zijn verplichtingen heeft kunnen voldoen; wijst erop dat het PCLOB in een periode waarin het quorum niet wordt bereikt geen initiatieven mag nemen voor het opstellen van nieuwe adviezen of het uitoefenen van toezicht, en ook geen personeel mag aanwerven; wijst erop dat het PCLOB zijn langverwachte verslag over het uitvoeren van surveillance uit hoofde van presidentieel besluit 12333 nog niet heeft bekendgemaakt; merkt op dat in dit verslag informatie moet worden verstrekt over de concrete werking van dit presidentieel besluit en over de noodzaak en de evenredigheid ervan met betrekking tot interferenties die in deze context worden veroorzaakt ten aanzien van gegevensbescherming; merkt op dat dit verslag zeer wenselijk is, gezien de onzekerheid en de onvoorspelbaarheid over de manier waarop presidentieel besluit 12333 wordt gebruikt; betreurt dat het PCLOB geen nieuw verslag heeft gepubliceerd over Section 702 van de FISA voor er in januari 2018 hernieuwde toestemming werd gegeven; is van mening dat het ontbreken van het vereiste quorum de garanties en toezeggingen van de Amerikaanse autoriteiten in verband met naleving en toezicht ernstig ondermijnt; dringt er bij de Amerikaanse autoriteiten dan ook op aan onverwijld over te gaan tot de aanstelling en bekrachtiging van nieuwe leden voor het PCLOB;

6.  dringt erop aan dat het verslag van het PCLOB over presidentiële beleidsrichtlijn 28 (PPD 28) wordt gepubliceerd, aangezien deze richtlijn een van de centrale onderdelen is waarop het privacyschild is gebaseerd; merkt op dat dit verslag nog onder het presidentieel privilege valt en dus nog niet is vrijgegeven;

7.  herhaalt zijn standpunt dat het ombudsmechanisme dat door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken is ingesteld onvoldoende onafhankelijk is en dat de bevoegdheden waarover het beschikt niet doeltreffend genoeg zijn om zijn taken te kunnen uitvoeren en te voorzien in doeltreffende rechtsmiddelen voor EU-burgers; benadrukt dat nog niet helemaal duidelijk is wat de bevoegdheden van het ombudsmechanisme precies inhouden, vooral met betrekking tot de bevoegdheden van de ombudsman ten aanzien van het inlichtingennetwerk en de mate waarin zijn of haar besluiten een doeltreffend rechtsmiddel vormen; betreurt dat de ombudsman slechts kan verzoeken om maatregelen en informatie van de Amerikaanse overheidsorganen en de autoriteiten niet kan opdragen te stoppen en op te houden met onwettige surveillancepraktijken of informatie permanent te vernietigen; wijst erop dat er dan wel een fungerende ombudsman is, maar dat de Amerikaanse regering nog steeds geen nieuwe permanente ombudsman heeft benoemd, hetgeen niet bevorderlijk is voor het wederzijdse vertrouwen; is van mening dat bij gebrek aan een benoemde onafhankelijke en ervaren ombudsman met voldoende bevoegdheden, de garanties van de VS inzake doeltreffende rechtsmiddelen voor EU-burgers van nul en generlei waarde zijn;

8.  neemt kennis van de bekrachtiging door de Senaat van een nieuwe voorzitter voor de Federal Trade Commission (FTC) en van vier FTC-commissarissen; betreurt dat tot op de dag van deze bekrachtiging vier van de vijf FTC-zetels onbezet zijn gebleven, aangezien de FTC de bevoegde instantie is voor de handhaving van de beginselen van het privacyschild door Amerikaanse organisaties;

9.  benadrukt dat de recente onthullingen in verband met de praktijken van Facebook en Cambridge Analytica duidelijk aantonen dat er behoefte is aan proactief toezicht en handhavingsmaatregelen die niet enkel gebaseerd zijn op klachten maar ook systematische controles omvatten om na te gaan of privacybeleid in de praktijk conform de beginselen van het privacyschild is gedurende de hele certificeringscyclus; verzoekt de bevoegde EU-gegevensbeschermingsautoriteiten passende maatregelen te nemen en overdrachten op te schorten in het geval van niet-naleving;

Commerciële kwesties

10.  is van mening dat het DoC met het oog op transparantie en om valse beweringen over certificering te vermijden niet mag aanvaarden dat Amerikaanse bedrijven openbare verklaringen over hun certificering in het kader van het privacyschild doen uitgaan voordat het DoC de certificering heeft afgerond en het bedrijf op de privacyschildlijst heeft geplaatst; stelt met bezorgdheid vast dat het DoC geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid waarin wordt voorzien in de privacyschildregeling om in verband met toezicht op naleving te verzoeken om een exemplaar van de contractuele voorwaarden die door gecertificeerde bedrijven worden gebruikt in hun contracten met derde partijen; is daarom van mening dat er geen sprake is van daadwerkelijke controle om na te gaan of gecertificeerde bedrijven de bepalingen van het privacyschild feitelijk naleven; verzoekt het DoC proactief en op regelmatige basis nalevingsevaluaties van rechtswege te verrichten om erop toe te zien dat bedrijven de regels en voorschriften van het privacyschild daadwerkelijk naleven;

11.  is van mening dat de diverse verhaalmogelijkheden voor EU-burgers mogelijk te ingewikkeld, weinig gebruiksvriendelijk en bijgevolg minder doeltreffend zullen blijken te zijn; merkt op dat volgens bedrijven die onafhankelijke verhaalmechanismen aanbieden de meeste klachten rechtstreeks bij het bedrijf terechtkomen en afkomstig zijn van personen die algemene informatie zoeken over het privacyschild en de verwerking van hun gegevens; beveelt de Amerikaanse autoriteiten daarom aan om op de website van het privacyschild concretere informatie te publiceren in een toegankelijke en gemakkelijk te begrijpen vorm om personen te informeren over hun rechten en de beschikbare rechtsmiddelen en verhaalmogelijkheden;

12.  verzoekt de Amerikaanse autoriteiten die bevoegd zijn voor de handhaving van het privacyschild om als reactie op de recente onthullingen in verband met het misbruik van persoonsgegevens door bedrijven die gecertificeerd zijn in het kader van het privacyschild (zoals Facebook en Cambridge Analytica) onverwijld maatregelen te nemen die ten volle overeenstemmen met hun toezeggingen en verbintenissen tot handhaving van de huidige privacyschildregeling, en om deze bedrijven in voorkomend geval te schrappen van de privacyschildlijst; richt zich tevens tot de bevoegde EU-gegevensbeschermingsautoriteiten om deze onthullingen te onderzoeken en om gegevensoverdrachten in het kader van het privacyschild in voorkomend geval op te schorten of te verbieden; is van mening dat de onthullingen duidelijk aantonen dat de privacyschildregeling geen gepaste bescherming biedt voor het recht op gegevensbescherming;

13.  toont zich ernstig bezorgd over de wijziging van de gebruiksvoorwaarden van Facebook voor niet-EU-gebruikers buiten de Verenigde Staten en Canada, die tot nu toe beschikten over rechten uit hoofde van het EU-recht inzake gegevensbescherming, maar zich nu akkoord moeten verklaren met de voorwaarde dat hun gegevens worden beheerd door Facebook US in plaats van Facebook Ireland; meent dat dit over een overdracht van persoonsgegevens naar een derde land gaat van ongeveer 1,5 miljard gebruikers; betwijfelt ten zeerste of een dergelijke ongeziene grootschalige inperking van de grondrechten van gebruikers van een platform dat de facto monopoliehouder is tot de doelstellingen van het privacyschild behoort; verzoekt de EU-gegevensbeschermingsautoriteiten deze kwestie te onderzoeken;

14.  spreekt er zijn oprechte bezorgdheid over uit dat dergelijke gevallen van misbruik van persoonsgegevens door diverse entiteiten die op die manier de politieke voorkeur of het stemgedrag van mensen willen manipuleren, wanneer deze kwestie niet wordt aangepakt een bedreiging kunnen vormen voor het democratische proces en de onderliggende gedachte dat stemgerechtigden in staat zijn hun eigen geïnformeerde, op feiten gebaseerde beslissingen te nemen;

15.  waardeert en steunt elke oproep aan de Amerikaanse wetgever om toe te werken naar een omnibuswet inzake privacy en gegevensbescherming;

16.  spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan specifieke regels en garanties in het privacyschild voor besluiten die gebaseerd zijn op geautomatiseerde verwerking/profilering, waaraan voor een persoon rechtsgevolgen zijn verbonden of die een persoon wezenlijk treffen; neemt kennis van het voornemen van de Commissie om een studie te bestellen om feitelijk bewijsmateriaal te verzamelen en verder te beoordelen of geautomatiseerde besluitvorming relevant is voor gegevensoverdrachten in het kader van het privacyschild; verzoekt de Commissie specifieke regels op te stellen voor geautomatiseerde besluitvorming, teneinde te voorzien in voldoende waarborgen, indien de studie daarvoor pleit; neemt in dit verband kennis van de informatie die is verstrekt in de gezamenlijke evaluatie en die stelt dat geautomatiseerde besluitvorming niet mag plaatsvinden op basis van persoonsgegevens die zijn overgedragen in het kader van het privacyschild; betreurt echter dat de WP29 in deze evaluatie opmerkt dat de feedback van de bedrijven erg algemeen van aard bleef, zodat het moeilijk te bepalen is of deze beweringen overeenstemmen met de realiteit van alle bij het privacyschild aangesloten bedrijven; benadrukt voorts de toepasbaarheid van de algemene verordening gegevensbescherming wat betreft de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van deze verordening;

17.  benadrukt dat er verbeteringen nodig zijn met betrekking tot de uitlegging en behandeling van HR-gegevens vanwege de verschillende interpretatie van het concept "HR-gegevens" door de Amerikaanse regering enerzijds en de Commissie en de WP29 anderzijds; is het volmondig eens met de oproep van de WP29 aan de Commissie om onderhandelingen aan te knopen met de Amerikaanse autoriteiten om de privacyschildregeling op dit gebied te wijzigen;

18.  spreekt er nogmaals zijn bezorgdheid over uit dat de beginselen van het privacyschild niet in overeenstemming zijn met het EU-model van verwerking op basis van toestemming, maar slechts in zeer specifieke omstandigheden een opt-out/recht van bezwaar mogelijk maken; dringt er daarom in het licht van de gezamenlijke evaluatie op aan dat het DoC samenwerkt met de Europese gegevensbeschermingsautoriteiten om nauwkeuriger omschreven richtsnoeren te verstrekken over essentiële beginselen van het privacyschild, zoals het Keuzebeginsel, het Kennisgevingsbeginsel, verdere doorgifte, de betrekkingen tussen verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers, alsook het Toegangsbeginsel, die beter aansluiten op de rechten van de betrokkene uit hoofde van Verordening (EU) 2016/679;

19.  uit nogmaals zijn bezorgdheid over de verwerping door het Congres in maart 2017 van de door de Federal Communications Commission ingediende regel met betrekking tot de bescherming van de privacy van klanten van breedband- en andere telecommunicatiediensten, waardoor in de praktijk een eind werd gemaakt aan de privacyregels voor breedband die aanbieders van internetdiensten ertoe verplicht zouden hebben alleen met de expliciete toestemming van consumenten gegevens over bezochte websites en andere privé-informatie te mogen verkopen aan of delen met adverteerders en andere bedrijven; beschouwt dit als de zoveelste bedreiging voor de privacywaarborgen in de Verenigde Staten;

Kwesties in verband met rechtshandhaving en nationale veiligheid

20.  is van mening dat de term "nationale veiligheid" in de privacyschildregeling niet voldoende specifiek wordt omschreven om te kunnen waarborgen dat inbreuken op de gegevensbescherming op doeltreffende wijze kunnen worden beoordeeld door de rechter om naleving te garanderen aan de hand van een strenge analyse van wat noodzakelijk en evenredig is; dringt dan ook aan op een duidelijke definitie van "nationale veiligheid";

21.  stelt vast dat het aantal doelwitten dat is opgenomen in Section 702 van de FISA is toegenomen vanwege veranderingen in technologie- en communicatiepatronen en een veranderende dreigingssituatie;

22.  betreurt dat de VS bij de hernieuwde toestemming die onlangs is gegeven voor Section 702 van de FISA niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om de waarborgen waarin wordt voorzien in PPD 28 in de tekst op te nemen; dringt aan op bewijzen en wettelijk bindende toezeggingen die waarborgen dat gegevensverzameling in het kader van Section 702 van de FISA niet ongedifferentieerd is en dat toegang niet op gegeneraliseerde gronden verloopt (gegevensverzameling op grote schaal), hetgeen in tegenspraak zou zijn met het EU-Handvest; neemt kennis van de toelichting van de Commissie in het werkdocument van haar diensten dat surveillance in het kader van Section 702 van de FISA steeds gebaseerd is op selectoren en dat gegevensverzameling op grote schaal dus niet is toegestaan; treedt de oproep van de WP29 dus bij om het PCLOB te verzoeken een geactualiseerd verslag op te stellen over de definitie van "doelwitten", over de "tasking van selectoren" en over de concrete procedure voor het toepassen van de selectoren in de context van het UPSTREAM-programma om te verduidelijken en te beoordelen of grootschalige toegang tot persoonsgegevens in die context voorkomt; betreurt dat EU-burgers worden uitgesloten van de bijkomende bescherming die wordt geboden door de hernieuwde toestemming voor Section 702 van de FISA; betreurt dat de hernieuwde toestemming voor Section 702 verscheidene amendementen bevat die louter procedureel van aard zijn en geen antwoord bieden op de meest problematische kwesties, zoals ook wordt aangekaart door de WP29; verzoekt de Commissie de komende analyse van de WP29 over Section 702 van de FISA ernstig te nemen en dienovereenkomstig te handelen;

23.  bevestigt dat de hernieuwde toestemming voor Section 702 van de FISA voor een periode van nog eens zes jaar vragen oproept over de wettelijkheid van het privacyschild;

24.  wijst nogmaals op zijn bezwaren met betrekking tot presidentieel besluit 12333, dat de NSA toestaat enorme hoeveelheden privégegevens die zijn vergaard zonder enige volmacht, rechterlijke beslissing of toestemming van het Congres te delen met 16 andere instanties, waaronder de FBI, de federale narcoticadienst en het ministerie van Binnenlandse Veiligheid; betreurt het gebrek aan rechterlijke toetsing van surveillanceactiviteiten die worden uitgevoerd op basis van presidentieel besluit 12333;

25.  wijst met nadruk op de belemmeringen in verband met verhaalmogelijkheden voor niet-VS-burgers op wie een surveillancemaatregel van toepassing is op grond van Section 702 van de FISA of presidentieel besluit 12333, die blijven bestaan als gevolg van de procedurele voorwaarden voor de kwestie van de procesbevoegdheid (locus standi) volgens de huidige interpretatie van de Amerikaanse rechtbanken, teneinde niet-VS-burgers in staat te stellen tegen een besluit dat hen treft een rechtszaak aan te spannen voor een Amerikaanse rechtbank;

26.  uit zijn bezorgdheid over de gevolgen die presidentieel besluit 13768 "Enhancing Public Safety in the Interior of the United States" (Bevordering van de openbare veiligheid in het binnenland van de Verenigde Staten) kan hebben voor gerechtelijke en administratieve verhaalmogelijkheden waarover personen in de VS beschikken, aangezien de bescherming die werd geboden in de privacywet niet langer van toepassing is op niet-VS-burgers; neemt kennis van het standpunt van de Commissie dat de beoordeling van de gepastheid niet afhankelijk is van de bescherming die werd geboden in de privacywet en dat dit presidentieel besluit dan ook geen invloed heeft op het privacyschild; is van mening dat presidentieel besluit 13768 niettemin een indicatie geeft van de bedoelingen van de Amerikaanse uitvoerende macht om eerder aan EU-burgers toegekende garanties inzake gegevensbescherming terug te draaien en de toezeggingen aan de EU die tijdens het presidentschap van Obama zijn gedaan terzijde te schuiven;

27.  toont zich uiterst verontrust door de recente aanneming van de CLOUD-wet ("Clarifying Lawful Overseas Use of Data Act", H.R. 4943), die een uitbreiding inhoudt van het vermogen van Amerikaanse en buitenlandse rechtshandhavingsinstanties om op doelgerichte wijze persoonsgegevens te raadplegen over de internationale grenzen heen, zonder gebruik te maken van de verdragsinstrumenten voor wederzijdse rechtshulp die zorgen voor passende waarborgen en eerbiediging van de rechterlijke bevoegdheden van de landen waar de informatie zich bevindt; benadrukt dat de CLOUD-wet ernstige gevolgen kan hebben voor de EU, vanwege de ingrijpende aard van de wet en doordat er een mogelijk conflict kan ontstaan met de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming;

28.  is van mening dat het een evenwichtigere oplossing zou vormen om het bestaande internationale stelsel van verdragen inzake wederzijdse rechtshulp te versterken, teneinde aan te sporen tot internationale en justitiële samenwerking; herhaalt dat wederzijdse rechtsbijstand en andere internationale overeenkomsten de voorkeur wegdragen als mechanisme om toegang te verlenen tot persoonsgegevens in het buitenland, zoals bepaald in artikel 48 van de algemene verordening gegevensbescherming;

29.  betreurt dat de Amerikaanse autoriteiten er niet in zijn geslaagd op proactieve wijze tegemoet te komen aan hun toezegging om de Commissie te voorzien van tijdige en uitgebreide informatie over elke ontwikkeling die van belang kan zijn voor het privacyschild, waaronder het verzuim om de Commissie in kennis te stellen van wijzigingen aan het Amerikaanse rechtskader, bijvoorbeeld met betrekking tot presidentieel besluit 13768 "Enhancing Public Safety in the Interior of the United States" van president Trump of de intrekking van de privacyregels voor aanbieders van internetdiensten;

30.  wijst op de opmerking in zijn resolutie van 6 april 2017 dat noch de beginselen van het privacyschild noch de door de Amerikaanse regering verstrekte brieven verduidelijkingen en garanties bevatten die het bestaan aantonen van doeltreffende wettelijke verhaalsrechten voor personen in de EU wier persoonsgegevens worden gebruikt door Amerikaanse overheidsinstanties voor rechtshandhavingsdoeleinden of andere doeleinden van openbaar belang, wat door het HvJ-EU in zijn arrest van 6 oktober 2015 als het wezen van het fundamentele recht in artikel 47 van het EU-Handvest is bestempeld;

Conclusies

31.  verzoekt de Commissie alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat het privacyschild volledig in regel wordt gesteld met Verordening (EU) 2016/679, die met ingang van 25 mei 2018 moet worden toegepast, en met het EU-Handvest, zodat gepastheid niet tot gevolg heeft dat er achterdeurtjes of concurrentievoordelen ontstaan voor Amerikaanse bedrijven;

32.  betreurt dat de Commissie en de bevoegde Amerikaanse autoriteiten niet opnieuw in gesprek zijn gegaan over de privacyschildregeling en geen actieplan hebben opgesteld om zo snel mogelijk iets te doen aan de vastgestelde tekortkomingen, zoals is gevraagd door de WP29 in haar verslag over de gezamenlijke evaluatie van december; verzoekt de Commissie en de bevoegde Amerikaanse autoriteiten hier onverwijld mee te beginnen;

33.  wijst erop dat privacy en gegevensbescherming wettelijk afdwingbare grondrechten zijn die verankerd zijn in de Verdragen, het EU-Handvest en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook in wetgeving en jurisprudentie; benadrukt dat beide moeten worden toegepast op een wijze die geen onnodige belemmeringen veroorzaakt voor handel of internationale betrekkingen, maar niet kunnen worden "afgewogen" tegen commerciële of politieke belangen;

34.  is van oordeel dat de huidige privacyschildregeling niet het gepaste beschermingsniveau biedt als vereist door het Unierecht inzake gegevensbescherming en het EU-Handvest als uitgelegd door het Europees Hof van Justitie;

35.  meent dat de Commissie er niet in is geslaagd te handelen overeenkomstig artikel 45, lid 5, van de algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de VS uiterlijk op 1 september 2018 volledig in overeenstemming zijn; verzoekt de Commissie daarom het privacyschild op te schorten tot de Amerikaanse autoriteiten voldoen aan de voorwaarden van de regeling;

36.  verzoekt de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken te blijven toezien op de ontwikkelingen op dit gebied, met inbegrip van de zaken die voor het Hof van Justitie worden gebracht, en om toe te zien op het gevolg dat wordt gegeven aan de aanbevelingen van deze resolutie;

o
o   o

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de Raad van Europa.

(1) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(2) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(3) ECLI:EU:C:2015:650.
(4) ECLI:EU:C:2016:970.
(5) PB L 207 van 1.8.2016, blz. 1.
(6) PB C 257 van 15.7.2016, blz. 8.
(7) http://ec.europa.eu/justice/article-29/documentation/opinion-recommendation/files/2016/wp238_en.pdf
(8) http://ec.europa.eu/justice/article-29/press-material/press-release/art29_press_material/2016/20160726_wp29_wp_statement_eu_us_privacy_shield_en.pdf
(9) WP 255, beschikbaar op http://ec.europa.eu/newsroom/article29/item-detail.cfm?item_id=612621
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0131.
(11) https://ec.europa.eu/newsroom/just/document.cfm?doc_id=48782


De negatieve gevolgen van de Amerikaanse wet naleving belastingplicht buitenlandse rekeningen (FACTA) voor EU-burgers
PDF 131kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 over de nadelige gevolgen van de Amerikaanse Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA) voor EU-burgers en met name "accidental Americans" (2018/2646(RSP))
P8_TA(2018)0316B8-0306/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 7, 8 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(1),

–  gezien Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties(2),

–  gezien Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 11 oktober 2016 over belastingtransparantie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 juli 2016 over verdere maatregelen om de transparantie te verhogen en belastingontduiking en ‑ontwijking te bestrijden (COM(2016)0451),

–  gezien zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(4),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(5),

–  gezien de Common Reporting Standard (CRS) van de OESO, die op 15 juli 2014 door de Raad van de OESO is goedgekeurd,

–  gezien de vragen aan de Commissie en de Raad over de nadelige gevolgen van de FATCA voor EU-burgers en met name "accidental Americans" (O‑000052/2018 – B8‑0033/2018 en O‑000053/2018 – B8‑0032/2018),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat een collectief van Europese burgers bij de Commissie verzoekschriften een verzoekschrift heeft ingediend waarin het zijn bezorgdheid uit over de negatieve gevolgen van de FATCA, de intergouvernementele overeenkomsten (IGA's) tot uitvoering daarvan en het extraterritoriale effect van belastingheffing op grond van staatsburgerschap (CBT);

B.  overwegende dat financiële instellingen in de EU sinds de inwerkingtreding van de FATCA en de daarmee verband houdende IGA's tussen de lidstaten en de VS, onder bedreiging met sancties zoals intrekking van hun licentie in de VS en een bronbelasting van 30 %, nu gedetailleerde informatie over rekeningen van vermoedelijke "US persons" via hun nationale overheden aan de Amerikaanse belastingdienst (IRS) moeten verstrekken; overwegende dat dit een inbreuk op de regels inzake gegevensbescherming en de grondrechten van de EU zou kunnen vormen;

C.  overwegende dat de FATCA tot doel heeft belastingontduiking door "US persons" te voorkomen en buitenlandse financiële instellingen ertoe verplicht "US persons" op te sporen aan de hand van een hele reeks indicatoren, zoals geboorteplaats in de VS, een telefoonnummer in de VS en aanwijzingen dat er een volmacht over een rekening is gegeven aan een persoon met een adres in de VS, waarbij de betrokkene moet bewijzen dat hij geen "US person" is;

D.  overwegende dat dit door de FATCA opgelegde gebruik van indicatoren ertoe kan leiden dat mensen op willekeurige wijze worden blootgesteld en bestraft hoewel zij in werkelijkheid misschien geen substantiële banden met de VS hebben; overwegende dat de FATCA in de praktijk van toepassing is op een grote groep mensen, zoals mensen met een dubbele Europese en Amerikaanse nationaliteit en hun niet-Amerikaanse familieleden, en in het bijzonder op zogenoemde "accidental Americans", die bij hun geboorte de Amerikaanse nationaliteit hebben geërfd maar verder geen enkele band met de VS hebben omdat zij nooit in de VS gewoond, gewerkt of gestudeerd hebben en geen Amerikaans socialezekerheidsnummer hebben;

E.  overwegende dat de Commissie heeft erkend dat de FATCA en de daarmee verbonden IGA's als onbedoeld gevolg hebben dat ze de toegang tot financiële diensten in de EU ontzeggen aan Amerikaanse staatsburgers en alle personen van wie kan worden aangenomen dat de FATCA op hen van toepassing kan zijn ("US persons");

F.  overwegende dat het dagelijkse leven en de bestaansmiddelen van duizenden gezagsgetrouwe EU-burgers en hun EU-familieleden zeer zwaar onder de FATCA te lijden hebben, aangezien de spaarrekeningen van personen die onder de definitie van "US person" vallen, zijn bevroren en deze personen de toegang wordt ontzegd tot alle bankdiensten, met inbegrip van levensverzekeringen, pensioenen en hypotheken, omdat financiële instellingen geen zin hebben om de dure rapportageverplichtingen van de FATCA na te leven; bovendien worden de persoonsgegevens van hun EU-familieleden gedeeld met de VS en wordt hun toegang tot EU-bankdiensten (bv. gezamenlijke rekeningen en/of hypotheken) beperkt;

G.  overwegende dat "accidental Americans" die geen gevolgen van de FATCA willen ondervinden, worden verplicht om formeel af te zien van hun Amerikaans staatsburgerschap, hetgeen een zeer omslachtig proces is waarvoor een Amerikaans socialezekerheidsnummer of een Amerikaans internationaal fiscaal identificatienummer vereist is, dat o.a. de meeste "accidental Americans" niet hebben;

H.  overwegende dat Amerikaanse internetplatformen zoals AirBnB, Tripadvisor en Amazon verplicht zijn om van alle EU-burgers die van deze onlinediensten gebruikmaken, belastinginformatie te verzamelen en deze informatie door te geven aan de IRS, de Amerikaanse federale belastingdienst; overwegende dat deze praktijk tot doel heeft na te gaan of de gebruiker Amerikaans staatsburger is en zo te bepalen of de via deze platformen ontvangen inkomsten onderworpen zijn aan belastingrapportering aan de VS in het kader van de FATCA; overwegende dat deze praktijk duidelijk indruist tegen de EU-regels inzake gegevensbescherming;

I.  overwegende dat Richtlijn 2014/92/EU (richtlijn betaalrekeningen) de lidstaten verplicht ervoor te zorgen dat kredietinstellingen consumenten niet discrimineren op grond van hun nationaliteit of woonplaats;

J.  overwegende dat de lidstaten de richtlijn betaalrekeningen uiterlijk op 18 september 2016 moesten omzetten;

K.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect nota heeft genomen van een aanzienlijk gebrek aan wederkerigheid tussen de VS en de EU in het kader van de FATCA-overeenkomst;

L.  overwegende dat de FATCA en de Common Reporting Standard (CRS) van de OESO voor de automatische uitwisseling van belastinggegevens essentiële instrumenten zijn voor de bestrijding van corruptie, grensoverschrijdende belastingfraude en belastingontduiking;

M.  overwegende dat de Franse Nationale Vergadering in oktober 2016 een verslag heeft gepubliceerd naar aanleiding van haar bipartiete informatieopdracht om de extraterritoriale effecten van bepaalde Amerikaanse wetten, waaronder de FATCA, te onderzoeken, waarin de Franse regering wordt aanbevolen hetzij te onderhandelen over een wijziging van haar belastingverdrag met de VS, hetzij de Amerikaanse wetgevers te verzoeken de Amerikaanse wetgeving te wijzigen om Franse "accidental Americans" in staat te stellen zonder kosten, zonder registratie en zonder sancties uit het Amerikaanse stelsel te stappen en afstand te doen van hun ongewenste Amerikaanse staatsburgerschap; overwegende dat er onlangs een commissie is opgericht die zich specifiek moet bezighouden met de extraterritoriale belasting van Franse "accidental Americans" door de VS, en dat in november 2017 zowel in de Senaat als in de Nationale Vergadering resoluties over deze kwestie zijn ingediend; overwegende dat de Franse Senaat op 15 mei 2018 met eenparigheid van stemmen een resolutie heeft aangenomen waarin de regering wordt verzocht onmiddellijk maatregelen te nemen om het recht van Franse "accidental Americans" op een bankrekening af te dwingen, een einde te maken aan de discriminerende praktijken van Franse banken in het kader van de FATCA, en onmiddellijk een informatiecampagne op te zetten om Franse staatsburgers die in de VS wonen, te informeren over de gevolgen van de Amerikaanse nationaliteits- en belastingwetgeving; overwegende dat in de resolutie ook wordt gevraagd dat er sterke diplomatieke inspanningen worden geleverd om een oplossing voor de Franse "accidental Americans" te vinden zodat zij zonder kosten, zonder registratie en zonder boetes afstand kunnen doen van hun ongewenste Amerikaanse staatsburgerschap, en dat de VS hun belofte van wederkerigheid gestand doen, op grond waarvan Frankrijk ermee heeft ingestemd zijn IGA te ondertekenen;

N.  overwegende dat de VS en Eritrea de twee enige landen ter wereld zijn die belastingen op grond van burgerschap (CBT) heffen en dat Eritrea door de VN is veroordeeld wegens zijn pogingen om zijn "diasporabelasting" af te dwingen;

O.  overwegende dat de VS in 2017 een ingrijpende belastinghervorming hebben goedgekeurd, waarbij de belastingheffing op grond van burgerschap echter niet is afgeschaft voor particulieren, maar wel een op grondgebied gebaseerde belastingheffing is ingevoerd voor Amerikaanse multinationals;

1.  vraagt de lidstaten en de Commissie de eerbiediging van de grondrechten van alle burgers en met name zogenoemde "accidental Americans" te waarborgen, in het bijzonder recht op eerbiediging van privéleven, familie-en gezinsleven, het recht op privacy en het beginsel van non-discriminatie, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens;

2.  vraagt de lidstaten te zorgen voor een volledige en correcte omzetting van de richtlijn betaalrekeningen, en met name de artikelen 15 en 16, en alle EU-burgers, ongeacht hun nationaliteit, het recht te garanderen op toegang tot een betaalrekening met basisfuncties;

3.  vraagt de Commissie haar analyse van de nationale maatregelen tot omzetting van de richtlijn betaalrekeningen te bespoedigen, bij haar beoordeling rekening te houden met de situatie van "accidental Americans", burgers met een dubbele nationaliteit en legaal in de EU verblijvende Amerikaanse staatsburgers, en daarbij de nodige aandacht te besteden aan elke vorm van discriminatie door financiële instellingen van belastingplichtigen die legaal in de EU verblijven en als "US persons" worden beschouwd voor de toepassing van de FATCA;

4.  vraagt de Commissie onverwijld inbreukprocedures in te leiden als er inbreuken worden vastgesteld bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn betaalrekeningen, en verslag uit te brengen aan het Parlement en de Raad over de maatregelen die zijn genomen om voor een correcte tenuitvoerlegging van deze richtlijn te zorgen;

5.  benadrukt hoe belangrijk het is de persoonsgegeven die in het kader van de FATCA aan de VS worden doorgegeven, afdoende te beschermen, met volledige inachtneming van de nationale en EU-wetgeving inzake gegevensbescherming; vraagt de lidstaten hun IGA's te herzien en zo nodig te wijzigen om ze af te stemmen op de rechten en beginselen van de algemene verordening gegevensbescherming; vraagt de Commissie en het Europees Comité voor gegevensbescherming onverwijld een onderzoek in te stellen naar inbreuken op de EU-regels inzake gegevensbescherming door lidstaten waarvan de wetgeving toestaat dat persoonsgegevens aan de Amerikaanse IRS worden doorgegeven voor de toepassing van de FATCA, en inbreukprocedures in te leiden tegen lidstaten die de EU-regels inzake gegevensbescherming niet naar behoren handhaven;

6.  vraagt de Commissie een volledige beoordeling te verrichten van het effect van de FATCA en de extraterritoriale toepassing van CBT door de VS op EU-burgers, financiële instellingen in de EU en economieën in de EU, rekening houdend met de inspanningen die Frankrijk en andere lidstaten leveren, en toe te lichten of er een ernstige discrepantie bestaat tussen EU‑burgers en/of ‑ingezetenen in de verschillende EU-lidstaten, met name wat betreft de EU-regels inzake gegevensbescherming en de normen inzake grondrechten als gevolg van de FATCA en "US indicia"; vraagt de Commissie de stand van zaken in de EU met betrekking tot wederkerigheid, of het gebrek aan wederkerigheid, in het kader van de FATCA uitgebreid te evalueren en na te gaan of de VS hun verplichtingen uit hoofde van de verscheidene met lidstaten gesloten IGA's nakomen;

7.  vraagt de Commissie de in het Handvest van de grondrechten en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens vastgelegde grondrechten en waarden van de EU, zoals het recht op privacy en het beginsel van non-discriminatie, alsook de EU-regels inzake gegevensbescherming te evalueren en zo nodig maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze in het kader van de FATCA en de automatische uitwisseling van belastinggegevens met de VS worden nageleefd;

8.  betreurt het inherente gebrek aan wederkerigheid van de door de lidstaten gesloten IGA's, met name wat betreft de reikwijdte van de uit te wisselen informatie, die voor de lidstaten groter is dan voor de VS; vraagt alle lidstaten de toepassing van hun IGA's (of het delen van alle andere informatie dan informatie over rekeningen die in de VS wonende Amerikaanse burgers in de EU aanhouden) collectief op te schorten totdat de VS akkoord gaan met een multilaterale aanpak van de automatische uitwisseling van informatie (AEOI), hetzij door de FATCA in te trekken en zich aan te sluiten bij CRS, hetzij door met de hele EU opnieuw over de FATCA te gaan onderhandelen op basis van identieke, wederkerige verplichtingen inzake het delen van informatie voor beide zijden van de Atlantische Oceaan;

9.  vraagt de Commissie en de Raad een gezamenlijke EU-aanpak ten aanzien van de FATCA voor te stellen om de rechten van Europese burgers (en met name "accidental Americans") adequaat te beschermen en de gelijke wederkerigheid bij de automatische uitwisseling van informatie door de VS te verbeteren;

10.  vraagt de Raad de Commissie een mandaat te geven om onderhandelingen met de VS aan te gaan over een overeenkomst tussen de EU en de VS inzake de FATCA, teneinde voor volledige wederzijdse uitwisseling van informatie te zorgen en de grondbeginselen van het EU-recht en de richtlijn betaalrekeningen te handhaven, en "accidental Americans" in de EU in staat te stellen zonder kosten, zonder registratie en zonder sancties afstand te doen van hun ongewenste Amerikaanse staatsburgerschap;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(2) PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214.
(3) PB L 359 van 16.12.2014, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0491.
(5) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 79.


Een statuut voor sociale en solidaire ondernemingen
PDF 182kWORD 68k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2018 met aanbevelingen aan de Commissie over een statuut voor sociale en solidaire ondernemingen (2016/2237(INL))
P8_TA(2018)0317A8-0231/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn verklaring van 10 maart 2011 over de opstelling van een Europees Statuut voor onderlinge maatschappijen, verenigingen en stichtingen,

–  gezien de artikelen 225 en 50 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de sociale economie(1),

–  gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over het Initiatief voor sociaal ondernemerschap – Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie(2),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over sociaal ondernemerschap en sociale innovatie bij de bestrijding van werkloosheid(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2015 getiteld "De bevordering van de sociale economie als belangrijkste motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa"(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 april 2011, getiteld "Single Market Act – Twaalf hefbomen om de groei aan te jagen en het vertrouwen te versterken – "Samenwerken om nieuwe groei te creëren""(COM(2011)0206),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2011 getiteld "Initiatief voor sociaal ondernemerschap – Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie" (COM(2011)0682),

–  gezien Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad(6), en met name artikel 2, lid 1, hiervan,

–  gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 20, hiervan,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad(8),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het Statuut van de Europese onderlinge maatschappij(9),

–  gezien de door de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van het Parlement bestelde studie van juli 2011 met als titel "The role of mutual societies in the 21st century" (De rol van onderlinge maatschappijen in de 21e eeuw),

–  gezien het verslag van de deskundigengroep van de Commissie inzake sociaal ondernemerschap (GECES) van oktober 2016 over "Sociale ondernemingen en de sociale economie in de toekomst"(10),

–  gezien de studie besteld door beleidsafdeling C van het Europees Parlement van februari 2017 getiteld "A European Statute for Social and Solidarity-Based Enterprise",

–  gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8‑0231/2018),

A.  overwegende dat de begrippen "sociale onderneming" en "solidaire onderneming" vaak als synoniemen worden gebruikt, ook al zijn deze ondernemingen niet altijd dezelfde en kunnen ze sterk verschillen van de ene lidstaat tot de andere; overwegende dat het concept "sociale onderneming" voornamelijk betrekking heeft op traditionelere organisaties van de sociale economie, zoals coöperaties, onderlinge maatschappijen, associaties en stichtingen; overwegende dat de grenzen van het concept "sociale onderneming" aanleiding geven tot belangrijke discussies onder sociale wetenschappers en juristen; overwegende dat het noodzakelijk lijkt om zonder vertraging richting een betere erkenning van het concept "sociale en solidaire onderneming" te gaan door een juridische basisdefinitie vast te stellen die een solide bijdrage kan leveren tot de inspanningen van de Europese Unie en de lidstaten om sociale en solidaire ondernemingen te ontwikkelen zodat zij kunnen profiteren van de interne markt;

B.  overwegende dat de sociale en solidaire economie een belangrijke bijdrage levert aan de economie van de Unie; overwegende dat het Parlement in zijn resoluties van 19 februari 2009, 20 november 2012 en 10 september 2015 heeft benadrukt dat de sociale en solidaire economie werkgelegenheid biedt voor meer dan 14 miljoen personen, wat neerkomt op ongeveer 6,5 % van de werknemers en 10 % van de ondernemingen in de EU; overwegende dat deze sector bijzonder veerkrachtig is gebleken tegenover de economische en financiële crisis en potentieel heeft voor sociale en technologische innovatie, de creatie van fatsoenlijke, inclusieve, plaatselijke en duurzame banen, bevordering van de economische groei, milieubescherming en het versterken van de sociale, economische en regionale cohesie; overwegende dat sociale en solidaire ondernemingen nieuwe wegen inslaan voor het oplossen van maatschappelijke problemen in een snel veranderende wereld; overwegende dat de sociale en solidaire economie blijft ontwikkelen en zo een aanjager van groei en werkgelegenheid is en aangemoedigd en ondersteund moet worden;

C.  overwegende dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de lidstaten in de wijze waarop ze sociale en solidaire ondernemingen reguleren en in de organisatievormen die sociale ondernemers ter beschikking hebben onder hun rechtsstelsels; overwegende dat de verschillende organisatievormen van sociale en solidaire ondernemingen afhangen van de bestaande wettelijke kaders, de politieke economie van de welzijnszorg en solidariteit, en de culturele en historische tradities in elk land;

D.  overwegende dat in sommige lidstaten specifieke rechtsvormen zijn gecreëerd door het aannemen van het coöperatieve model, de vereniging van onderlinge hulp, vereniging of stichting en andere of door het invoeren van rechtsvormen die het sociale engagement erkennen dat wordt aangegaan door een groot aantal entiteiten en die bepaalde kenmerken bevatten die specifiek zijn voor sociale en solidaire ondernemingen; overwegende dat in andere lidstaten geen specifieke rechtsvorm werd gecreëerd voor sociale en solidaire ondernemingen en zij dus werken met behulp van reeds bestaande rechtsvormen, waaronder rechtsvormen die worden gebruikt door conventionele bedrijven, zoals de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of de naamloze vennootschap; overwegende dat in sommige lidstaten de rechtsvorm die sociale en solidaire ondernemingen kunnen aannemen, optioneel kan zijn; overwegende dat moet worden opgemerkt dat zelfs wanneer voor hen specifieke rechtsvormen werden ontworpen, sociale en solidaire ondernemingen vaak kiezen voor andere rechtsvormen die beter aan hun behoeften en doelstellingen voldoen;

E.  overwegende dat de aanname van verschillende wettelijke kaders voor sociale en solidaire ondernemingen in verschillende lidstaten de ontwikkeling bevestigt van een nieuw soort ondernemerschap op basis van de beginselen van solidariteit en verantwoording en die meer is gericht op de creatie van sociale toegevoegde waarde, lokale verbindingen en de bevordering van een duurzamere economie; overwegende dat door die diversiteit ook wordt bevestigd dat sociaal ondernemerschap een innovatief en nuttig gebied is;

F.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 10 september 2015 over sociaal ondernemerschap en sociale innovatie bij de bestrijding van werkloosheid heeft benadrukt dat sociale innovatie betrekking heeft op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van nieuwe ideeën, of dat nu producten, diensten of modellen voor sociale organisatie zijn, die inspelen op nieuwe behoeftes en uitdagingen op sociaal, territoriaal en milieugebied, zoals de vergrijzende bevolking, ontvolking, de combinatie van werk en gezin, diversiteitsmanagement, de aanpak van jeugdwerkloosheid, de integratie van degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan, en de bestrijding van de klimaatsverandering;

G.  overwegende dat in het licht van die verscheidenheid aan beschikbare rechtsvormen voor de oprichting van een sociale en solidaire onderneming in de lidstaten, er momenteel geen consensus is in de Europese Unie over het oprichten van een specifieke vorm van sociale en solidaire onderneming; overwegende dat het Parlement al het belang heeft benadrukt van de ontwikkeling van nieuwe rechtskaders op EU-niveau, maar altijd erop heeft gewezen dat deze facultatief moeten zijn voor ondernemingen ten opzichte van nationale kaders en dat er eerst een effectbeoordeling moet plaatsvinden om rekening te houden met de verschillende sociale bedrijfsmodellen in de lidstaten; overwegende dat het Parlement ook heeft benadrukt dat maatregelen een toegevoegde waarde op Unieniveau moeten hebben;

H.  overwegende dat de sociale dialoog van cruciaal belang is zowel voor de verwezenlijking van de doelstelling van de sociale markteconomie, die volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang inhoudt, als voor het concurrentievermogen en de eerlijkheid in de interne markt van de EU; overwegende dat de sociale dialoog en de raadpleging van sociale partners een belangrijke sociale innovatie vormen binnen het beleidsvormingsproces van de EU;

I.  overwegende dat het feit dat er keuze bestaat in de beschikbare rechtsvormen het voordeel heeft dat sociale en solidaire ondernemingen hun structuur kunnen vormgeven op de wijze die het beste bij hen past gezien de gegeven omstandigheden, de traditie waarin ze hun wortels hebben en het soort zaken dat ze willen doen;

J.  overwegende dat niettegenstaande het voorgaande, uit nationale ervaring op lidstaatniveau een aantal onderscheidende kenmerken en criteria kunnen worden afgeleid waaraan ondernemingen moeten voldoen, ongeacht hun rechtsvorm, om als sociale onderneming te worden beschouwd; overwegende dat het wenselijk lijkt op EU‑niveau een gemeenschappelijke set kenmerken en criteria vast te stellen in de vorm van minimumnormen, zodat een efficiënter en consistenter rechtskader voor die ondernemingen kan worden gecreëerd, ondanks hun diversiteit, evenals een gemeenschappelijke identiteit voor alle sociale en solidaire ondernemingen ongeacht de lidstaat van oprichting; overwegende dat dergelijke institutionele kenmerken moeten helpen om ervoor te zorgen dat sociale en solidaire ondernemingen een voordeel behouden tegenover alternatieve organisatievormen inzake het leveren van diensten, waaronder sociale diensten;

K.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 25 oktober 2011, getiteld "Initiatief voor sociaal ondernemerschap", een sociale onderneming heeft gedefinieerd als "deelnemer in de sociale economie [...] die vooral een sociaal effect beoogt, en niet zozeer een zo groot mogelijke winst voor de eigenaren of de aandeelhouders. Zij is actief op de markt en levert goederen en diensten op een ondernemers- en innovatieve wijze, waarbij zij de winsten in hoofdzaak voor het realiseren van sociale doelstellingen aanwenden. Zij wordt op een verantwoorde en transparante wijze bestuurd, waarbij met name de werknemers, consumenten en de door haar commerciële activiteiten beïnvloede partijen worden betrokken";

L.  overwegende dat in het kader van Verordening (EU) nr. 1296/2013, "sociale onderneming" een onderneming is die, ongeacht haar juridische vorm:

   a) overeenkomstig haar oprichtingsakte, statuten of enig ander juridisch document waarbij zij wordt opgericht, als hoofddoel heeft het realiseren van meetbare positieve sociale effecten en niet het genereren van winst voor de eigenaren, leden en aandeelhouders, en die:
   i) innovatieve goederen of diensten met een maatschappelijke opbrengst levert en/of
   ii) een productiemethode voor haar goederen of diensten gebruikt die haar sociale doelstelling belichaamt;
   b) haar winst op de eerste plaats gebruikt om haar hoofddoel te realiseren en voor uitkering van winst aan aandeelhouders en eigenaren, vooraf bepaalde procedures en regels heeft ingesteld, die ervoor zorgen dat dergelijke uitkering van winst de primaire doelstelling niet ondermijnt; en
   c) op zakelijke, controleerbare en transparante wijze wordt beheerd, in het bijzonder door participatie van de werknemers, afnemers en belanghebbenden bij de bedrijfsactiviteiten;

M.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 10 september 2015 heeft opgemerkt dat ondernemingen in de sociale en solidaire economie, die niet noodzakelijkerwijs organisaties zonder winstoogmerk hoeven te zijn, gericht zijn op de verwezenlijking van hun sociaal doel, namelijk het creëren van werkgelegenheid voor kwetsbare groepen, het verlenen van diensten aan hun leden of, meer in het algemeen, het op positieve wijze beïnvloeden van de maatschappij en het milieu, en hun winst hoofdzakelijk opnieuw investeren om deze doelstellingen te bereiken; overwegende sociale en solidaire ondernemingen zich onderscheiden door hun toegewijdheid aan het handhaven van de volgende waarden:

   voorrang van individuele en sociale doelen boven kapitaal;
   democratisch bestuur door de leden;
   combinatie van het algemeen belang en de belangen van de leden/gebruikers;
   verdediging en toepassing van de beginselen van solidariteit en verantwoordelijkheid;
   herinvestering van overtollige middelen in langetermijndoelstellingen op ontwikkelingsgebied, of in dienstverlening in het belang van de leden of het algemeen belang;
   toegang voor iedereen, op vrijwillige basis;
   autonoom en onafhankelijk beheer van overheidsdiensten;

N.  overwegende dat bovenstaande definities onderling verenigbaar zijn en de kenmerken lijken samen te brengen die worden gedeeld door alle sociale en solidaire ondernemingen ongeacht de lidstaat van oprichting en de rechtsvorm die zij hebben gekozen aan te nemen naar nationaal recht; overwegende dat die kenmerken de basis dienen te vormen voor een transversale en definitievere juridische definitie van het begrip "sociale onderneming" universeel aanvaard en toegepast op EU-niveau;

O.  overwegende dat sociale en sociale ondernemingen particuliere organisaties zijn die niet afhankelijk zijn van overheidsinstanties;

P.  overwegende dat sociale en solidaire ondernemingen op een zakelijke manier op de markt actief zijn; overwegende dat daaruit volgt dat zij activiteiten uitvoeren van economische aard;

Q.  overwegende dat plattelandsgebieden aanzienlijke kansen bieden voor sociale en solidaire ondernemingen en dat derhalve moet worden voorzien in een passende infrastructuur in landelijke regio's;

R.  overwegende dat onderwijs en opleiding een prioritaire rol moeten spelen bij het bevorderen van een ondernemerscultuur onder jongeren;

S.  overwegende dat de onderlinge maatschappijen die actief zijn in de sectoren gezondheidszorg en sociale bijstand in de Unie, werk bieden aan 8,6 miljoen mensen en steun verlenen aan 120 miljoen burgers; dat deze onderlinge maatschappijen een marktaandeel hebben van 24 % en meer dan 4 % van het bbp van de Unie genereren;

T.  overwegende dat de bijdrage aan het creëren van sociale waarde het hoofddoel moet zijn van een sociale en solidaire onderneming; overwegende dat deze sociale en solidaire ondernemingen uitdrukkelijk het doel moeten nastreven om de gemeenschap in haar geheel of een specifieke groep personen ten goede te komen, niet alleen de leden; overwegende dat de sociale doelstelling van een sociale en solidaire onderneming duidelijk moet zijn vermeld in de oprichtingsdocumenten; overwegende dat het begrip "sociale en solidaire onderneming" niet mag worden verward met het begrip "maatschappelijk verantwoord ondernemen", ook al kunnen commerciële ondernemingen met belangrijke activiteiten op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen sterk verbonden zijn met de sector van het sociaal ondernemen; overwegende dat sociale en solidaire ondernemingen de verwezenlijking van traditionele commerciële winst niet als doel mogen hebben, maar daarentegen elke gecreëerde meerwaarde moeten gebruiken voor de verdere ontwikkeling van projecten ter verbetering van de omgeving van hun doelgroepen;

U.  overwegende dat digitalisering, ambitieuze klimaatdoelstellingen, migratie, ongelijkheid, gemeenschapsontwikkeling, vooral in gemarginaliseerde gebieden, sociale voorzieningen en gezondheidsdiensten, de behoeften van personen met een beperking en de bestrijding van armoede, sociale uitsluiting, langdurige werkloosheid en genderongelijkheid en specifieke milieutaken een groot potentieel vormen voor sociaal ondernemerschap; overwegende dat de meeste sociale en solidaire ondernemingen op een zakelijke manier op de markt actief zijn en economische risico's dragen;

V.  overwegende dat sociale en solidaire ondernemingen een sociaal nuttige activiteit moeten uitoefenen; overwegende dat ze een brede waaier aan activiteiten kunnen uitoefenen; overwegende dat sociale en solidaire ondernemingen doorgaans betrokken waren bij de levering van diensten ter verbetering van de levensomstandigheden van de gemeenschap, in het bijzonder diensten ter ondersteuning van personen in precaire omstandigheden of sociaaleconomische uitsluiting en ter facilitering van de arbeidsintegratie voor kansarme groepen; overwegende dat in het licht van de gecreëerde sociale waarde en hun mogelijkheid om langdurig werklozen opnieuw te integreren en sociale cohesie en economische groei te bevorderen, er een gemeenschappelijke trend lijkt te bestaan in nationale wetgevingen om het bereik van activiteiten waarop sociale en solidaire ondernemingen actief mogen zijn te verruimen, op voorwaarde dat het activiteiten van algemeen belang en/of sociaal nut betreft, zoals het leveren van gemeenschapsdiensten, o.a. op het gebied van onderwijs, cultuur, ontspanning en milieu;

W.  overwegende dat sociale en solidaire ondernemingen een zakenmodel voor de 21e eeuw biedt waarbij een evenwicht wordt gevonden tussen financiële en sociale behoeften; overwegende dat sociale en solidaire ondernemingen in het algemeen geassocieerd worden met sociale, technologische en economische innovatie ten gevolge van de uitbreiding van hun activiteiten naar nieuwe domeinen zoals de productie van goederen of de verlening van diensten, waaronder milieu-, gezondheids-, culturele, onderwijs- en ontspanningsdiensten, en/of de invoering van innovatieve productie- of werkorganisatiemethoden, die erop gericht zijn aan nieuwe sociale, territoriale en ecologische behoeften en uitdagingen te voldoen, zoals de vergrijzing van de bevolking, ontvolking, het evenwicht tussen werk en privéleven, diversiteit, jongerenwerkloosheid, de integratie van zij die meest worden uitgesloten van de arbeidsmarkt en de bestrijding van de klimaatverandering;

X.  overwegende dat sociale en solidaire ondernemingen dankzij hun sociale en integrerende karakter werkgelegenheid bieden aan die groepen werknemers die het meest van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, en overwegende dat zij in belangrijke mate bijdragen tot de re‑integratie van langdurig werklozen en de bestrijding van werkloosheid in het algemeen, waardoor sociale cohesie en economische groei worden bevorderd;

Y.  overwegende dat de sociale economie gezien de specifieke aard van zijn ondernemingen en organisaties, zijn specifieke regels, zijn sociale verplichtingen en innovatieve methoden op verschillende aangelegenheden heeft aangetoond dat ze veerkrachtig kan zijn ten opzichte van economische tegenspoed en dat ze het potentieel heeft sneller crises te boven te komen;

Z.  overwegende dat met name in kleine en middelgrote ondernemingen de financiële participatie van werknemers vaak een sociaal doel dient, zoals blijkt uit het "best practice" voorbeeld van de succesvolle re-integratie van langdurig werklozen in Spanje door middel van het bedrijfsmodel "Sociedad Laboral (SL)", waarbij werkzoekenden hun werkloosheidsuitkering kunnen gebruiken om een bedrijf op te richten en zo meer banen te creëren, waarbij de staat steun en advies verleent over beheerskwesties;

AA.  overwegende dat sociale en solidaire ondernemingen niet noodzakelijk organisaties zonder winstoogmerk zijn en ook commercieel kunnen zijn op voorwaarde dat hun activiteiten volledig voldoen aan de criteria voor het verkrijgen van het label "Europese sociale economie"; overwegende dat de belangrijkste focus van sociale en solidaire ondernemingen desalniettemin op sociale waarden moet liggen en op het hebben van een positief, duurzaam effect op het maatschappelijk welzijn en de economische ontwikkeling, eerder dan op het maken van winst voor de eigenaren, leden of aandeelhouders; overwegende dat in dat verband een ernstige beperking op de distributie van winst en activa onder leden of aandeelhouders, ook bekend als "vergrendeling van kapitaal" van essentieel belang is voor sociale en solidaire ondernemingen; overwegende dat een beperkte winstdistributie kan worden toegestaan, rekening houdende met de rechtsvorm van de sociale en solidaire onderneming, maar dat de procedures en regels inzake die distributie er altijd voor moeten zorgen dat de sociale hoofddoelstelling van de onderneming niet wordt ondermijnd; overwegende dat in elk geval het grootste en belangrijkste deel van de winst die een sociale en solidaire onderneming maakt opnieuw moet worden geïnvesteerd of anderszins gebruikt voor het behouden en realiseren van haar sociale doelstelling;

AB.  overwegende dat, om effectief te zijn, de distributiebeperking betrekking moet hebben op een aantal aspecten, met name de betaling van periodieke dividenden, de distributie van opgebouwde reserves, de overdracht van resterende activa bij de ontbinding van de entiteit, de omvorming van de sociale en solidaire onderneming tot een ander soort organisatie, indien toegelaten, en het verlies van de status van dergelijke onderneming; overwegende dat de distributiebeperking ook indirect kan worden overtreden door werknemers of directeuren een loon te betalen dat ongerechtvaardigd is en boven het marktniveau ligt;

AC.  overwegende dat sociale en solidaire ondernemingen moeten worden beheerd volgens democratische governancemodellen waarbij werknemers, klanten en door de activiteit getroffen belanghebbenden worden betrokken; overwegende dat dit participatiemodel een structurele procedure vertegenwoordigt om het effectieve nastreven van de sociale doelen van de organisatie te controleren; overwegende dat de beslissingsbevoegdheid van leden niet enkel of hoofdzakelijk mag zijn gebaseerd op hun kapitaalbelang, ook indien de sociale en solidaire onderneming de rechtsvorm heeft van een commerciële onderneming;

AD.  overwegende dat sociale en solidaire ondernemingen in bepaalde lidstaten de rechtsvorm kunnen aannemen van een commerciële onderneming; overwegende dat de mogelijkheid voor dergelijke ondernemingen om op EU-niveau erkend te worden als sociale en solidaire onderneming afhankelijk moet worden gemaakt van het vervullen van eisen en voorwaarden die de mogelijke tegenstellingen tussen de ondernemingsvorm en het model van de sociale en solidaire onderneming helpen oplossen;

AE.  overwegende dat de behandeling van werknemers in sociale en solidaire ondernemingen vergelijkbaar moet zijn met die van werknemers in traditionele ondernemingen;

AF.  overwegende dat de positieve impact van sociale en solidaire ondernemingen op de gemeenschap kan rechtvaardigen dat concrete steunmaatregelen worden genomen, zoals het toekennen van subsidies en het aannemen van gunstige belastingmaatregelen en maatregelen inzake overheidsopdrachten; overwegende dat die maatregelen in principe als verenigbaar met de Verdragen moeten worden beschouwd, aangezien ze moeten bijdragen aan de ontwikkeling van economische activiteiten of gebieden die vooral zijn bedoeld om positieve gevolgen te hebben voor de maatschappij en de mogelijkheid van deze ondernemingen om financiering aan te trekken en winst te maken is beperkter dan die van commerciële ondernemingen;

AG.  overwegende dat in Verordening (EU) nr. 346/2013van het Europees Parlement en de Raad(11) de voorwaarden en vereisten worden vastgesteld voor het oprichten van Europese sociaalondernemerschapsfondsen;

AH.  overwegende dat de Unie een certificaat of label voor sociale en solidaire ondernemingen moet creëren om dergelijke ondernemingen meer zichtbaarheid te geven en een coherenter rechtskader te bevorderen; overwegende dat overheidsinstanties moeten controleren en verzekeren dat een bepaalde onderneming aan de vereisten voldoet om zo'n label te krijgen als een sociale en solidaire onderneming alvorens er een te krijgen en zo voordeel kan halen uit maatregelen die op EU-niveau in hun voordeel werden vastgesteld; overwegende dat het certificaat van een sociale en solidaire onderneming moet worden ingetrokken indien ze die eisen en haar wettelijke verplichtingen niet nakomt;

AI.  overwegende dat sociale en solidaire ondernemingen op jaarbasis een sociaal verslag moeten afgeven waarin ze ten minste rekenschap afleggen over hun activiteiten, resultaten, participatie van belanghebbenden, toekenning van winst, lonen, subsidies en andere voordelen;

1.  benadrukt het grote belang van de ongeveer 2 miljoen sociale en solidaire ondernemingen in Europa(12) met meer dan 14,5 miljoen werknemers(13) en hun enorme betekenis voor het scheppen van kwalitatief hoogstaande banen, de sociale en regionale cohesie en de aanhoudende economische groei op de interne markt;

2.  verzoekt de Commissie om op het niveau van de Unie een label "Europese sociale economie" voor sociale en solidaire ondernemingen in te voeren dat is gebaseerd op duidelijke criteria en is ontworpen om de specifieke kenmerken van deze ondernemingen en hun sociale impact in de verf te zetten, hun zichtbaarheid te vergroten, investeringen te stimuleren, de toegang tot financiering en tot de interne markt te faciliteren voor degene die landelijk of naar andere lidstaten willen uitbreiden, waarbij tegelijk rekening wordt gehouden met de diverse rechtsvormen en ‑kaders in de sector en in de lidstaten;

3.  meent dat het label "Europese sociale economie" beschikbaar moet zijn voor particuliere organisaties en entiteiten die strikt aan de wettelijke vereisten voor sociale en solidaire ondernemingen voldoen in al hun activiteiten, ongeacht de rechtsvorm waarin ze zijn opgericht in een lidstaat; wijst erop dat het label optioneel moet zijn voor de onderneming;

4.  is van mening dat het label "Europese sociale economie" facultatief moet zijn voor de ondernemingen, maar erkend moet worden door alle lidstaten;

5.  meent dat de wettelijke vereisten voor het verkrijgen en behouden van het label "Europese sociale economie" moeten worden vastgesteld met verwijzing naar bepaalde kenmerken en gemeenschappelijke criteria zoals vermeld in de bijlage bij deze resolutie;

6.  wijst erop dat, gelet op de stijgende behoefte aan sociale voorzieningen, sociale en solidaire ondernemingen in de Unie steeds belangrijker worden voor het verlenen van sociale diensten aan mensen die met armoede en sociale uitsluiting worden bedreigd of die hiermee te maken hebben; benadrukt dat sociale en solidaire ondernemingen de door de overheid verstrekte sociale diensten niet moeten vervangen, maar een aanvullende rol moeten spelen; wijst op het belang van sociale en solidaire ondernemingen voor het verrichten van sociale, gezondheids- of onderwijsdiensten en specifieke milieutaken in samenwerking met de plaatselijke autoriteiten en vrijwilligers; benadrukt dat sociale en solidaire ondernemingen mogelijk bepaalde sociale uitdagingen kunnen oplossen door middel van een bottom-upaanpak;

7.  wijst op het feit dat sociale en solidaire ondernemingen arbeidskansen creëren voor personen met een beperking en personen uit andere kansarme groepen;

8.  onderstreept dat sociale en solidaire ondernemingen op lokaal en regionaal niveau sterk zijn ingeworteld, wat hun het voordeel geeft dat ze specifieke behoeften beter herkennen en dus producten en diensten kunnen aanbieden waaraan plaatselijk behoefte is en zo de economische, sociale en territoriale samenhang kunnen verbeteren;

9.  merkt op dat sociale en solidaire ondernemingen kunnen bijdragen tot grotere gendergelijkheid en het dichten van de genderloonkloof;

10.  onderstreept het feit dat werk moet worden geboden aan de personen die het meest van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, door langdurig werklozen te re-integreren en werkloosheid in het algemeen te bestrijden;

11.  meent dat een mechanisme moet worden vastgesteld waarbij de lidstaten worden betrokken, om entiteiten die aan de betreffende wettelijke vereisten voldoen het label "Europese sociale economie" toe te kennen, en waarbij alle rechtspersonen die door privaat recht worden geregeerd en aan de wettelijke criteria voldoen, aanspraak moeten kunnen maken op het EU-label, ongeacht of de lidstaat van oprichting een speciale rechtsvorm heeft voor "sociale en solidaire ondernemingen";

12.  meent dat in nauwe samenwerking met de lidstaten een mechanisme moet worden vastgesteld om het label "Europese sociale economie" te beschermen en om te voorkomen dat "valse" sociale en solidaire ondernemingen worden opgericht en geëxploiteerd; is van mening dat dat mechanisme ervoor moet zorgen dat ondernemingen die over het label "Europese sociale economie" beschikken regelmatig worden gecontroleerd in verband met hun naleving van de bepalingen die zijn neergelegd in het label; is van mening dat de lidstaten effectieve en evenredige sancties moeten vaststellen om ervoor te zorgen dat het etiket niet onrechtmatig wordt verkregen of gebruikt;

13.  meent dat sociale en solidaire ondernemingen die over het label "Europese sociale economie" beschikken als dusdanig moeten worden erkend in alle lidstaten, naargelang de soort activiteiten die ze uitoefenen, en van dezelfde voordelen, rechten en verplichtingen moeten genieten als de ondernemingen die zijn opgericht onder het recht van de lidstaat waarin ze actief zijn;

14.  benadrukt de behoefte aan een brede en inclusieve EU-definitie waarin de nadruk wordt gelegd op het belang van het beginsel dat een aanzienlijk percentage van de door de onderneming gemaakte winst moet worden geherinvesteerd of op een andere manier moet worden gebruikt om het maatschappelijk doel van de sociale en solidaire ondernemingen te behalen; wijst op de bijzondere uitdagingen waarmee sociale coöperaties en sociale ondernemingen ter bevordering van arbeidsintegratie (Work Integration Social Enterprises, WISE's) te maken krijgen in het kader van hun missie van het helpen van personen die het meest van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten en benadrukt het feit dat deze organisaties onder het nieuwe label moeten vallen;

15.  is van mening dat de minimumcriteria en wettelijke vereisten voor het verkrijgen en behouden van een label "Europese sociale economie" betrekking moeten hebben op een sociaal nuttige activiteit, die op het niveau van de Unie moet worden gedefinieerd; wijst erop dat deze activiteit meetbaar moet zijn wat sociale impact betreft op gebieden als de sociale integratie van kwetsbare mensen, de integratie op de arbeidsmarkt, in hoogwaardige en duurzame banen, van personen die het risico lopen van uitsluiting, vermindering van de genderongelijkheid, aanpak van de marginalisering van migranten, verbetering van gelijke kansen door middel van gezondheidszorg, onderwijs, cultuur, behoorlijke huisvesting, en bestrijding van armoede en ongelijkheid; benadrukt dat de sociale en solidaire ondernemingen bij hun eigen prestaties in overeenstemming moeten zijn met de beste praktijken op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden;

16.  benadrukt dat gewaarborgd moet zijn dat de kosten en arbeid voor het verkrijgen van het label beperkt blijven, zodat sociale en solidaire ondernemingen niet worden benadeeld, met bijzondere aandacht voor kleine en middelgrote sociale en solidaire ondernemingen; wijst erop dat de Uniebrede gemeenschappelijke criteria bijgevolg eenvoudig en duidelijk moeten zijn en gebaseerd moeten zijn op wezenlijke in plaats van formele factoren en dat de desbetreffende procedures niet belastend mogen zijn; merkt op dat rapportageverplichtingen een redelijk middel zijn om na te gaan of sociale en solidaire ondernemingen nog steeds recht op het label "Europese sociale economie" hebben, maar dat de frequentie van deze rapporten en de verplichte informatie die moet worden opgenomen, niet overdreven zwaar mogen zijn; begrijpt dat de kosten van een proces voor het labelen of de certificering beperkt kunnen worden als de centrale administratie wordt uitgevoerd op het niveau van de nationale autoriteiten die, in samenwerking met de sociale en solidaire ondernemingen, de administratie en afhandeling kunnen overdragen aan een onafhankelijke nationale instantie nadat op pan-Europees niveau de criteria voor sociale en solidaire ondernemingen zijn vastgesteld;

17.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om het label "Europese sociale economie" actief te promoten en bekendheid te geven aan de sociale en economische voordelen van sociale en solidaire ondernemingen, zoals het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid en sociale cohesie;

18.  herinnert eraan dat het toepassen van strategieën voor sociale verantwoordelijkheid in het kader van de commerciële activiteiten van een onderneming op zichzelf niet voldoende is om de onderneming te beschouwen als een sociale en solidaire onderneming, benadrukt daarom dat het belangrijk is een duidelijk onderscheid te maken tussen een sociale en solidaire onderneming en een onderneming die kiest voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO);

19.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat haar beleid overeenstemt met een engagement om een gunstig klimaat te scheppen voor sociale en solidaire ondernemingen; roept de Commissie in dit verband op om samen met de lidstaten en de sector van het sociaal ondernemen een vergelijkende studie uit te voeren van de verschillende nationale en regionale wettelijke kaders waarmee sociale en solidaire ondernemingen in de hele EU worden geregeld, van de exploitatievoorwaarden voor sociale en solidaire ondernemingen en de kenmerken ervan, met inbegrip van de grootte en het aantal van de ondernemingen en hun activiteitengebieden, en van de verschillende nationale certificerings-, status- en labelingsystemen;

20.  onderstreept het feit dat sociale en solidaire ondernemingen in de meeste lidstaten een lange geschiedenis hebben en zich hebben gemanifesteerd als cruciale en belangrijke spelers op de markt;

21.  is van mening dat de investeringsprioriteiten voor ondernemingen van de sociale economie en sociale en solidaire ondernemingen niet beperkt mogen zijn tot sociale insluiting, maar werk en onderwijs moeten omvatten, om rekening te houden met de ruime waaier aan economische activiteiten waar zij aanwezig zijn;

22.  dringt aan op de voortzetting van het programma "Erasmus voor jonge ondernemers", alsook op een efficiënte besteding van de financiële middelen en een optimale informatieverstrekking over het programma;

23.  pleit ervoor de procedures voor het opzetten van sociale en solidaire ondernemingen te vereenvoudigen, zodat sociaal ondernemerschap niet door administratieve barrières wordt belemmerd;

24.  roept de Commissie op om samen met de lidstaten een lijst (die herzien moet worden) op te stellen van de bestaande rechtsvormen in lidstaten die de kenmerken hebben van sociale ondernemingen, en die lijst up-to-date te houden met respect voor de historische en juridische kenmerken van sociale en solidaire ondernemingen;

25.  verzoekt de Commissie de sociale economie beter te integreren in de wetgeving van de Unie om een gelijk speelveld tot stand te brengen voor sociale en solidaire ondernemingen enerzijds en overige ondernemingsvormen anderzijds;

26.  wijst op het belang van de netwerkvorming van sociale en solidaire ondernemingen en verzoekt de lidstaten de kennisoverdracht en uitwisseling van beste praktijken te stimuleren binnen de lidstaten (bijvoorbeeld door het opzetten van nationale contactpunten) en in heel de Unie, niet alleen tussen sociale en solidaire ondernemingen, maar ook met klassieke bedrijven, de academische wereld en andere geïnteresseerde partijen; verzoekt de Commissie in het verband van de Adviesgroep van deskundigen inzake sociaal ondernemerschap en in samenwerking met de lidstaten informatie over bestaande goede praktijken te blijven verzamelen en delen en een analyse te maken van zowel kwalitatieve als kwantitatieve gegevens over de bijdrage van sociale en solidaire ondernemingen aan zowel de ontwikkeling van het overheidsbeleid als aan lokale gemeenschappen;

27.  benadrukt dat de Commissie en de lidstaten, alsmede de regionale en lokale autoriteiten, de dimensie van de sociale en solidaire onderneming moeten integreren in het beleid, de programma's en de praktijken die hiermee verband houden;

28.  wijst er nadrukkelijk op dat de regels betreffende het functioneren van sociale en solidaire ondernemingen de principes inzake eerlijke mededinging moeten eerbiedigen en dat er geen oneerlijke concurrentie mag zijn, teneinde mogelijk te maken dat klassieke kleine en middelgrote ondernemingen naar behoren functioneren.

29.  roept de Commissie op de bestaande wetgeving van de Unie te herzien en waar nodig wetgevingsvoorstellen in te dienen tot vaststelling van een samenhangender en vollediger wettelijk kader ter ondersteuning van sociale en solidaire ondernemingen, in het bijzonder (maar niet uitsluitend) op het gebied van openbare aanbestedingen, het mededingingsrecht en fiscaliteit zodat die ondernemingen op een wijze worden behandeld die in overeenstemming is met hun specifieke aard en hun bijdrage aan sociale cohesie en economische groei; is van mening dat dergelijke maatregelen ter beschikking moeten worden gesteld aan ondernemingen die het label "Europese sociale economie" hebben gekregen, dat garandeert dat zij voldoen aan de criteria om als een sociale en solidaire onderneming te worden beschouwd; is van mening dat deze wetgevingsvoorstellen het vooral gemakkelijker kunnen maken voor sociale en solidaire ondernemingen om met andere soortgelijke bedrijven grensoverschrijdend samen te werken en transacties uit te voeren;

30.  verzoekt de Commissie en de lidstaten tastbare stappen te zetten om de publieke en particuliere investeringen te deblokkeren en aan te trekken die sociale en solidaire ondernemingen nodig hebben, met inbegrip van de bevordering van een label "Europese sociale economie";

31.  vraagt om een voor het publiek toegankelijk meertalig Europees online platform voor sociale en solidaire ondernemingen, waarop zij zich kunnen informeren en van gedachten kunnen wisselen over hun oprichting, de mogelijkheden van EU-financiering en de vereisten hiervoor, deelname aan aanbestedingen en mogelijke rechtsvormen;

32.  meent dat de Commissie de mogelijkheid moet onderzoeken om een financieringslijn vast te stellen voor het ondersteunen van vernieuwing in sociale en solidaire ondernemingen, met name wanneer de vernieuwende aard van de activiteiten die door de onderneming worden uitgevoerd het moeilijk maakt voor de onderneming om voldoende financiering te verkrijgen onder normale marktomstandigheden; verzoekt de Commissie en de lidstaten tastbare stappen te zetten om het sociale en solidaire ondernemingen gemakkelijker te maken de middelen aan te trekken die zij nodig hebben om te blijven functioneren;

33.  onderstreept de noodzaak om sociale en solidaire ondernemingen te ondersteunen door hen voldoende financiering te bieden, aangezien financiële duurzaamheid van essentieel belang is voor hun voortbestaan; benadrukt dat het noodzakelijk is te stimuleren dat particuliere investeerders en entiteiten uit de publieke sector financiële ondersteuning bieden aan sociale en solidaire ondernemingen op regionaal, nationaal en Europees niveau, met bijzondere aandacht voor de financiering van innovatie, verzoekt de Commissie om in het kader van het volgend meerjarig financieel kader (MFK) 2021‑2027 de sociale dimensie van de bestaande EU-financiering te versterken, zoals het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie, teneinde de sociale economie en het sociaal ondernemerschap te bevorderen; verzoekt de Commissie de uitvoering van het Europees programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) en de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap ervan te verbeteren en de financiële sector meer vertrouwd te maken met de kenmerken en de economische en sociale voordelen van sociale en solidaire ondernemingen; acht het bovendien noodzakelijk om in het algemeen alternatieve financieringsmiddelen te ondersteunen, zoals durfkapitaalfondsen, financiering voor startups, microkredieten en crowdfunding, teneinde de investeringen in de sector te vergroten, gebaseerd op het label "Europese sociale economie";

34.  dringt aan op een efficiënte benutting van de middelen van de Unie en wijst erop dat de toegang tot deze middelen voor de begunstigden vergemakkelijkt moet worden, ook om sociale en solidaire ondernemingen te ondersteunen en te versterken bij hun primaire doelstelling een maatschappelijke impact te realiseren, veeleer dan winstmaximalisatie, hetgeen uiteindelijk een rendement op investeringen oplevert voor de samenleving op lange termijn; verzoekt de Commissie in het kader van het volgende MFK 2021-2027 het regelgevingskader voor ethische beleggingsfondsen te herzien, om de toegang tot de financiële markten voor sociale en solidaire ondernemingen te vergemakkelijken; dringt in dit verband aan op een effectieve Europese campagne om de bureaucratische rompslomp te verminderen en het label "Europese sociale economie" te promoten;

35.  merkt in verband hiermee op dat de sociale economie nog steeds moeilijkheden ondervindt bij het verkrijgen van toegang tot openbare aanbestedingen, bijvoorbeeld door belemmeringen op het gebied van omvang en financiële capaciteit; wijst er nogmaals op dat het belangrijk is dat de lidstaten het hervormingspakket inzake overheidsopdrachten effectief ten uitvoer leggen, om te komen tot een grotere deelneming van deze ondernemingen aan aanbestedingsprocedures voor overheidsopdrachten, door de regels en criteria voor en informatie over aanbestedingen beter te verspreiden en door de toegang tot opdrachten voor deze ondernemingen te verbeteren, met inbegrip van sociale clausules en criteria, een vereenvoudiging van de procedures en een dusdanige opstelling van aanbestedingen dat deze beter toegankelijk worden voor kleinere spelers;

36.  erkent dat het belangrijk is ondernemingen van de sociale en solidaire economie financieel te ondersteunen; verzoekt de Commissie rekening te houden met de specifieke kenmerken van sociale en solidaire ondernemingen bij de toekenning van overheidssteun; stelt voor van de toegang tot financiering te vergemakkelijken naar het voorbeeld van de categorieën in Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie(14);

37.  merkt op dat naast financiering het verstrekken van diensten op het gebied van onderwijs en opleiding voor personen die werkzaam zijn bij sociale en solidaire ondernemingen, vooral voor het bevorderen van ondernemerschapsvaardigheden en economische basiskennis over het beheren van een onderneming, evenals het verlenen van gespecialiseerde ondersteuning en het vereenvoudigen van de administratie, cruciaal zijn om de groei van deze sector te vergroten; verzoekt de lidstaten beleidsmaatregelen vast te stellen om een gunstige fiscale behandeling in te voeren voor sociale en solidaire ondernemingen;

38.  roept de Commissie en de lidstaten op zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens te verzamelen, en analyses uit te voeren van sociale en solidaire ondernemingen en hun bijdrage aan het overheidsbeleid in landen en over landsgrenzen heen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van deze ondernemingen en gebruikmakend van geschikte en relevante criteria, om het uitstippelen van beleid en strategieën te verbeteren en instrumenten te ontwikkelen om hen te ondersteunen in hun ontwikkeling;

39.  verzoekt de Commissie op basis van artikel 50 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een voorstel in te dienen voor een wetgevingshandeling betreffende de vaststelling van een label "Europese sociale economie" voor sociale en solidaire ondernemingen, aan de hand van de aanbevelingen in de bijlage hierbij;

40.  meent dat de financiële gevolgen van het verlangde voorstel moeten worden gedekt door de Unie en de lidstaten;

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de bijgaande aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsook aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Aanbeveling 1 (vaststelling van het Europees sociaal label en de in aanmerking komende ondernemingen)

Het Europees Parlement meent dat de aan te nemen wetgevingshandeling een label "Europese sociale economie" moet vaststellen dat optioneel is voor ondernemingen gebaseerd op de sociale economie en solidariteit (sociale en solidaire ondernemingen), ongeacht de rechtsvorm die ze aannemen onder hun nationale wetgeving.

Het Europees Parlement meent dat het label "Europese sociale economie" enkel mag worden toegekend aan ondernemingen die cumulatief aan de volgende criteria voldoen:

a)  de organisatie moet een entiteit naar privaat recht zijn die is opgericht in eender welke vorm die in de lidstaat en onder het EU-recht beschikbaar is, en moet onafhankelijk zijn van de staat en overheidsinstanties;

b)  haar doelstelling moet hoofdzakelijk van algemeen belang of openbaar nut zijn;

c)  ze moet in wezen een sociaal nuttige en op solidariteit gebaseerde activiteit uitoefenen, dit wil zeggen dat zij via haar activiteiten steun moet verlenen aan kwetsbare groepen, sociale uitsluiting, ongelijkheid en schendingen van de grondrechten moet bestrijden, onder andere op internationaal niveau, of het milieu, de biodiversiteit, het klimaat en de natuurlijke hulpbronnen moet helpen beschermen;

d)  ze moet zijn onderworpen aan een minstens gedeeltelijke beperking op winstdistributie en specifieke regels inzake de toekenning van winst en activa tijdens de hele levensduur van de onderneming, ook bij de ontbinding ervan; in elk geval moet de onderneming de meerderheid van haar winst opnieuw investeren of anderszins gebruiken om haar sociale doelstelling te realiseren;

e)  ze moet worden beheerd volgens democratische governancemodellen waarbij werknemers, klanten en door de activiteiten getroffen belanghebbenden worden betrokken; de beslissingsbevoegdheid en het gewicht van leden mag niet zijn gebaseerd op hun kapitaalbelang.

Het Europees Parlement meent dat niets conventionele ondernemingen belet om het "Europese sociale economie" te verkrijgen indien ze voldoen aan de bovenvermelde eisen, met name wat betreft de doelstelling, winstdistributie, governance en besluitvorming.

Aanbeveling 2 (certificerings-, toezichts- en controlemechanismen voor het label "Europese sociale economie")

De wetgevingshandeling moet een certificerings-, toezichts- en controlemechanisme voor het wettelijke label met participatie van de lidstaten en vertegenwoordigers van de sociale economie instellen, wat essentieel is om het wettelijke label van "onderneming gebaseerd op de sociale economie en solidariteit" te beschermen en de intrinsieke waarde ervan te handhaven. Het Europees Parlement meent dat bij die controle organisaties kunnen worden betrokken die representatief zijn voor de sector van het sociaal ondernemen.

Boetes voor overtreding van de relevante regels kunnen variëren van een loutere vermaning tot de intrekking van het label.

Aanbeveling 3 (erkenning van het label "Europese sociale economie")

Het label "Europese sociale economie" moet geldig zijn in alle lidstaten. Een onderneming die over het label beschikt moet als sociale en solidaire onderneming worden erkend in alle lidstaten. Het label moet ondernemingen in staat stellen hun hoofdactiviteit in andere lidstaten uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als nationale ondernemingen met dat label. Ze moeten van dezelfde voordelen, rechten en verplichtingen kunnen genieten als de sociale en solidaire ondernemingen die zijn opgericht onder het recht van de lidstaat waarin ze actief zijn.

Aanbeveling 4 (verslagleggingsverplichtingen)

In de wetgevingshandeling moeten sociale en solidaire ondernemingen die het label willen behouden worden verplicht om op jaarbasis een sociaal rapport af te geven over hun activiteiten, resultaten, de participatie van belanghebbenden, winsttoekenning, lonen, subsidies en andere ontvangen voordelen. De Commissie moet bevoegd zijn een model op te stellen om sociale en solidaire ondernemingen daarbij te helpen.

Aanbeveling 5 (richtsnoeren inzake goede praktijken)

Middels de wetgevingshandeling moet de Commissie ook de bevoegdheid krijgen om richtsnoeren op te stellen voor goede praktijken voor sociale en solidaire ondernemingen in Europa. Dergelijke goede praktijken moeten met name het volgende omvatten:

a)  modellen van effectieve democratische governance;

b)  consultatieprocedures voor het vaststellen van een effectieve bedrijfsstrategie;

c)  aanpassing aan de sociale behoeften en de arbeidsmarkt, in het bijzonder op plaatselijk niveau;

d)  loonbeleid, beroepsopleiding, gezondheid en veiligheid op het werk en de kwaliteit van de werkgelegenheid;

e)  relaties met gebruikers en klanten en de reactie op sociale behoeften waarvoor de markt of de staat niet instaat;

f)  de situatie van de onderneming met betrekking tot diversiteit, non-discriminatie en gelijke kansen voor mannen en vrouwen onder hun leden, met inbegrip van verantwoordelijke en leidende functies.

Aanbeveling 6 (lijst van rechtsvormen)

De wetgevingshandeling moet een lijst per lidstaat bevatten van rechtsvormen van ondernemingen die in aanmerking komen voor het label "Europese sociale economie". Deze lijst moet regelmatig worden herzien.

Met het oog op transparantie en doeltreffende samenwerking tussen de lidstaten moet deze lijst op de website van de Europese Commissie worden gepubliceerd.

Aanbeveling 7 (herziening van bestaande wetgeving)

De Commissie wordt uitgenodigd om de bestaande wetgeving te herzien en waar nodig wetgevingsvoorstellen in te dienen tot vaststelling van een samenhangender en vollediger wettelijk kader ter ondersteuning van sociale en solidaire ondernemingen;

Aanbeveling 8 (ecosysteem voor sociale en solidaire ondernemingen en samenwerking tussen lidstaten)

De Commissie moet ervoor zorgen dat haar beleid overeenstemt met het engagement om een ecosysteem voor sociale en solidaire ondernemingen te creëren. Aan de Commissie wordt gevraagd rekening te houden met het feit dat ondernemingen in de sociale en solidaire economie een sterke lokale en regionale invloed hebben, wat hun het voordeel geeft dat ze specifieke behoeften beter herkennen en daaraan aangepaste producten en diensten kunnen aanbieden – waarvan het merendeel in de gemeenschap – en zo de sociale en territoriale samenhang verbeteren. Aan de Commissie wordt gevraagd maatregelen te treffen ter bevordering van de samenwerking tussen sociale en solidaire ondernemingen in verschillende landen en sectoren zodat de uitwisseling van kennis en praktijken zodanig wordt bevorderd dat de ontwikkeling van dergelijke ondernemingen wordt ontwikkeld.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0062.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0429.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0320.
(4) 13766/15 SOC 643 EMPL 423.
(5) Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 18).
(6) Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("EaSI") en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238).
(7) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(8) Verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van 22 juli 2003 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SCE), (PB L 207 van 18.8.2003, blz. 1).
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0094.
(10) http://ec.europa.eu/growth/tools-databases/newsroom/cf/itemdetail.cfm?item_id=9024
(11) Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 18).
(12) https://ec.europa.eu/growth/sectors/social-economy_nl
(13) http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=nl&pubId=7523, blz. 47.
(14) Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).

Juridische mededeling - Privacybeleid