Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 23 oktober 2018 - Straatsburg
Overleg over de voorrechten en immuniteiten van Alfonso Luigi Marra
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Manolis Kefalogiannis
 Elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie ***
 Overeenkomst EU-Bahama’s inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU-Mauritius inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU-Antigua en Barbuda inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU-Saint Kitts en Nevis inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU-Barbados inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU-Seychellen inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Portugal – EGF/2018/002 PT/Norte – Centro – Lisboa kleding)
 Benoeming van de algemeen directeur van het EFSI
 Benoeming van de adjunct-algemeen-directeur van het EFSI
 Kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water ***I
 Middelen voor economische, sociale en territoriale samenhang en middelen voor de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" ***I
 Onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van milieubeleid ***I
 De rol van financiële participatie van werknemers bij het creëren van werkgelegenheid en de re-integratie van werklozen

Overleg over de voorrechten en immuniteiten van Alfonso Luigi Marra
PDF 121kWORD 52k
Besluit van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over het verzoek om overleg over de voorrechten en immuniteiten van Alfonso Luigi Marra (2018/2058(IMM))
P8_TA(2018)0385A8-0325/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om overleg over de voorrechten en immuniteiten van Alfonso Luigi Marra, dat op 7 maart 2018 aan het Europees Parlement is voorgelegd door het Hof van Beroep (Corte d’Appello) van Napels (Italië) in verband met gerechtelijke procedures nrs. 4831/2015 RG en 4832/2015 RG, en waarvan op 17 april 2018 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Alfonso Luigi Marra te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien zijn resolutie van 11 juni 2002 over de immuniteit van de Italiaanse leden en de praktijk van de Italiaanse overheid op dit gebied(2),

–  gezien artikel 5, lid 2, en artikel 9, lid 14, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0325/2018),

A.  overwegende dat Alfonso Luigi Marra lid van het Europees Parlement is geweest van 21 juli 1994 tot 19 juli 1999;

B.  overwegende dat tegen de heer Marra twee gerechtelijke procedures zijn ingeleid in verband met vermeende beledigende uitlatingen in een pamflet van 19 september 1996, dat wil zeggen toen hij lid van het Europees Parlement was; overwegende dat de heer Marra is veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de benadeelde partijen, zowel door het gerecht in eerste aanleg (vonnissen van 17 en 22 februari 2000) als door het gerecht in tweede aanleg (vonnissen van 6 maart 2002); overwegende dat het Italiaanse hooggerechtshof (Corte di Cassazione), bij beslissingen van 20 februari 2007, op verzoek van de heer Marra de zaak bij het Hof van Justitie aanhangig heeft gemaakt voor een prejudiciële beslissing over de uitleg van de gemeenschapsregels inzake de immuniteit van leden van het Europees Parlement;

C.  overwegende dat in de tussentijd het Parlement zijn resolutie van 11 juni 2002 heeft aangenomen over de immuniteit van de Italiaanse leden en de praktijk van de Italiaanse overheid op dit gebied; overwegende dat in dat verband het Parlement besloten heeft dat in de zaak Alfonso Luigi Marra prima facie sprake is van de toepassing van de absolute immuniteit en dat de bevoegde rechtbanken verzocht moest worden de nodige documentatie aan het Europees Parlement te sturen om te kunnen vaststellen of in bedoelde gevallen sprake is van absolute immuniteit overeenkomstig artikel 8 van Protocol nr. 7 en dat de terzake bevoegde rechterlijke instanties verzocht moest worden de procedures te schorsen in afwachting van een definitief besluit van het Europees Parlement; overwegende dat het uit de beslissingen tot verwijzing naar het Hof van Justitie blijkt dat de resolutie de Italiaanse rechterlijke instanties niet heeft bereikt;

D.  overwegende dat, in de context van de bovengenoemde verwijzing voor prejudiciële beslissingen, het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat, wanneer voor een nationale rechter een procedure is ingeleid tegen een lid van het Europees Parlement, en aan deze rechter wordt meegedeeld dat een procedure is gestart ter verdediging van de immuniteit en voorrechten van dat parlementslid, zoals voorzien in het Reglement van het Parlement, hij de gerechtelijke procedure dient te schorsen en het Parlement te verzoeken onverwijld zijn advies uit te brengen(3);

E.  overwegende dat, na het arrest van het Hof van Justitie, de Italiaanse Hoge Raad bij arresten van 10 december 2009 de zaak heeft terugverwezen naar het Hof van Beroep van Napels om een beslissing te nemen in de zaak van de heer Marra in het licht van zowel de resolutie van het Parlement van 11 juni 2002, als de toepasselijke jurisprudentie van het Hof van Justitie; overwegende dat het Hof van Beroep bij arresten van 5 december 2012, zonder de procedure aan te houden en het Parlement om zijn advies te vragen, zijn eerdere uitspraken heeft bevestigd, waarbij de heer Marra is veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen; overwegende dat de Italiaanse Hoge Raad bij arresten van 30 april 2015 de besluiten van het Hof van Beroep heeft vernietigd en de zaak heeft terugverwezen zodat de procedure kan worden aangehouden het advies van het Parlement kan worden ingewonnen; overwegende dat het Hof van Beroep de procedure uiteindelijk heeft aangehouden en bij brief van 27 januari 2018 het Europees Parlement heeft geraadpleegd over de voorrechten en immuniteiten van Alfonso Luigi Marra;

F.  overwegende dat de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie elkaar uitsluiten(4); overwegende dat de onderhavige zaak alleen vermeende discriminerende meningen betreft die door een lid van het Europees Parlement zijn uitgebracht; overwegende dat derhalve de toepasselijkheid van uitsluitend artikel 8 voor zichzelf spreekt;

G.  overwegende dat artikel 8 van Protocol nr. 7 luidt: "Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen opsporing plaatsvinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht." overwegende dat een dergelijke immuniteit, aangezien zij strekt tot bescherming van de vrije meningsuiting en de onafhankelijkheid van de leden van het Europees Parlement, dient te worden aangemerkt als een absolute immuniteit die aan elke juridische procedure in de weg staat met betrekking tot een mening of stem die in de uitoefening van het parlementaire ambt is uitgebracht(5);

H.  overwegende dat het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat een mening slechts door de immuniteit wordt gedekt indien zij door een Europees afgevaardigde is uitgebracht "in de uitoefening van zijn ambt", zodat een verband wordt vereist tussen de meningsuiting en het parlementaire ambt; overwegende dat dit verband rechtstreeks moet zijn en duidelijk(6); overwegende dat de vermeende beledigende uitlatingen weliswaar waren gemaakt tussen 1996 en 2001 voorafgaande aan het arrest in de zaak Patriciello in 2011, maar dat de Italiaanse rechterlijke instanties het advies van de Commissie juridische zaken in 2018 hebben verzocht, dat wil zeggen na de totstandkoming van deze jurisprudentie;

I.  overwegende dat de feiten van de zaak, zoals uiteengezet in de documenten die aan de Commissie juridische zaken en tijdens de door de Commissie georganiseerde hoorzitting zijn verstrekt, erop wijzen dat de uitlatingen van de heer Marra geen rechtstreeks en voor de hand liggend verband hebben met zijn parlementaire werkzaamheden;

J.  overwegende dat Alfonso Luigi Marra derhalve niet kan worden geacht te hebben gehandeld in de uitoefening van zijn ambt van lid van het Europees Parlement toen hij zijn meningen in het onderhavige geval uitbracht;

1.  is van oordeel dat de door Alfonso Luigi Marra uitgebrachte meningen niet gedekt zijn door parlementaire immuniteit in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Italiaanse Republiek en aan Alfonso Luigi Marra.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.
(2) PB C 261 E van 30.10.2003, blz. 102.
(3) Gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07 Marra, reeds aangehaald, punt 43.
(4) Gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07 Marra, reeds aangehaald, punt 45.
(5) Gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07 Marra, reeds aangehaald, punt 27.
(6) Zaak C-163/10, Patriciello, reeds aangehaald, punten 33 en 35.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Manolis Kefalogiannis
PDF 119kWORD 50k
Besluit van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Manolis Kefalogiannis (2017/2133(IMM))
P8_TA(2018)0386A8-0333/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Manolis Kefalogiannis, dat op 31 mei 2017 door de procureur-generaal bij het Hooggerechtshof van de Helleense Republiek is ingediend in het kader van procedure nr. ABM:EOE 20/2017, en van de ontvangst waarvan op 3 juli 2017 ter plenaire vergadering kennis is gegeven,

–  na Manolis Kefalogiannis te hebben gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  na ook Kristian Knudsen, waarnemend directeur-generaal van het directoraat-generaal Personeelszaken van het Europees Parlement, te hebben gehoord,

–  na een gedachtewisseling met de adjunct-procureur-generaal van het Hooggerechtshof van de Helleense Republiek,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0333/2018),

A.  overwegende dat de adjunct-procureur-generaal van het Hooggerechtshof van de Helleense Republiek heeft verzocht om opheffing van de parlementaire immuniteit van een lid van het Europees Parlement, Manolis Kefalogiannis, teneinde tegen hem een strafrechtelijke procedure in te leiden wegens twee vermeende strafbare feiten;

B.  overwegende dat artikel 7 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaalt dat tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en dat zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

C.  overwegende dat ingevolge artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend;

D.  overwegende dat overeenkomstig artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek een lid gedurende zijn ambtstermijn niet kan worden vervolgd, gearresteerd, gevangengezet of onderworpen aan andere vrijheidsbenemende maatregelen zonder toestemming van de Kamer van Afgevaardigden,

E.  overwegende dat het verzoek van de adjunct-procureur-generaal van het Hooggerechtshof van de Helleense Republiek betrekking heeft op procedures betreffende vermeende strafbare feiten in de zin van artikel 385, lid 1, onder b), van het Griekse strafwetboek en artikel 4 van wet nr. 2803/2000, die respectievelijk betrekking hebben op afpersing door bedreiging en op fraude;

F.  overwegende dat Manolis Kefalogiannis wordt beschuldigd van pogingen tot fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, met een schade van meer dan 73 000 EUR als gevolg, omdat hij tussen juli 2014 en eind 2016 een deel van het salaris van zijn assistent onrechtmatig heeft proberen verduisteren voor een bedrag van 4 240 EUR per maand;

G.  overwegende dat de Commissie juridische zaken zich overeenkomstig artikel 9, lid 8, van het Reglement van het Europees Parlement in geen geval uitspreekt over de vraag of het betrokken lid al dan niet schuldig is, noch over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de hem toegeschreven meningen of handelingen strafrechtelijk te vervolgen, zelfs indien de commissie door de behandeling van het verzoek uitgebreide kennis van de zaak krijgt;

H.  overwegende dat het niet aan het Europees Parlement is om zich uit te spreken over de vraag of het lid al dan niet schuldig is, over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de handelingen die hem worden verweten strafrechtelijk te vervolgen, of over de merites van het nationale rechtsstelsel of het gerechtelijk apparaat;

I.  overwegende dat volgens artikel 5, lid 2, van het Reglement van het Europees Parlement parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, doch een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;

J.  overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;

K.  overwegende dat, indien de betrokken procedure geen betrekking heeft op meningen of stemmen die zijn uitgebracht door een lid in de zin van artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, de immuniteit dient te worden opgeheven, tenzij blijkt dat de strafvervolging is ingesteld om schade toe te brengen aan de politieke activiteiten van een lid en dus aan de onafhankelijkheid van het Parlement (fumus persecutionis);

L.  overwegende dat elke conclusie moet worden getrokken op basis van de in deze zaak verstrekte informatie en uitleg, waaronder de antwoorden van de adjunct-procureur-generaal van het Hooggerechtshof van de Helleense Republiek tijdens de gedachtewisseling met hem, en gezien de omstandigheden waarin de zaak tegen Manolis Kefalogiannis door de betrokken autoriteiten is behandeld, gezien de onzekerheid over de elementen waarop het verzoek om opheffing van de immuniteit is gebaseerd en gezien de ernstige twijfels over de procedure, waaronder de redenen voor het verzoek om opheffing van de immuniteit;

M.  overwegende dat dan ook is gebleken dat in dit geval kan worden aangenomen dat er sprake is van fumus persecutionis;

N.  overwegende dat de immuniteit van Manolis Kefalogiannis derhalve niet mag worden opgeheven;

1.  besluit de immuniteit van Manolis Kefalogiannis niet op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de procureur-generaal bij het Hooggerechtshof van de Helleense Republiek en aan Manolis Kefalogiannis.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23


Elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie ***
PDF 109kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over het ontwerp van verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 216/2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie (14463/2017 – C8-0412/2018 – 2017/0039(APP))
P8_TA(2018)0387A8-0323/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van verordening van de Raad (14463/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0412/2018),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 39 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie juridische zaken (A8-0323/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van verordening van de Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


Overeenkomst EU-Bahama’s inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 111kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en het Gemenebest van de Bahama's tot wijziging van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Gemenebest van de Bahama's inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12389/2017 – C8-0173/2018 – 2017/0169(NLE))
P8_TA(2018)0388A8-0304/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12389/2017),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en het Gemenebest van de Bahama's tot wijziging van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Gemenebest van de Bahama's inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12388/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0173/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0304/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Gemenebest van de Bahama's.


Overeenkomst EU-Mauritius inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 111kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Mauritius tot wijziging van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Mauritius inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12396/2017 – C8-0177/2018 – 2017/0167(NLE))
P8_TA(2018)0389A8-0303/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12396/2017),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Mauritius tot wijziging van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Mauritius inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12395/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0177/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0303/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek Mauritius.


Overeenkomst EU-Antigua en Barbuda inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 111kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Antigua en Barbuda tot wijziging van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Antigua en Barbuda inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12383/2017 – C8-0174/2018 – 2017/0171(NLE))
P8_TA(2018)0390A8-0305/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12383/2017),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en Antigua en Barbuda tot wijziging van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Antigua en Barbuda inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12382/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0174/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0305/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Antigua en Barbuda.


Overeenkomst EU-Saint Kitts en Nevis inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 113kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federatie van Saint Kitts en Nevis tot wijziging van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Federatie van Saint Kitts en Nevis inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12393/2017 – C8-0176/2018 – 2017/0176(NLE))
P8_TA(2018)0391A8-0306/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12393/2017),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Federatie van Saint Kitts en Nevis tot wijziging van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Federatie van Saint Kitts en Nevis inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12391/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0176/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0306/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Federatie van Saint Kitts en Nevis.


Overeenkomst EU-Barbados inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 112kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Barbados tot wijziging van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Barbados inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12386/2017– C8-0175/2018 – 2017/0179(NLE))
P8_TA(2018)0392A8-0301/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12386/2017),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en Barbados tot wijziging van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Barbados inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12385/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0175/2018),

–  gezien artikel 99, lid 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0301/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Barbados.


Overeenkomst EU-Seychellen inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 112kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek der Seychellen tot wijziging van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek der Seychellen inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12399/2017 – C8-0172/2018 – 2017/0168(NLE))
P8_TA(2018)0393A8-0302/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12399/2017),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek der Seychellen tot wijziging van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek der Seychellen inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (12398/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0172/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0302/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek der Seychellen.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Portugal – EGF/2018/002 PT/Norte – Centro – Lisboa kleding)
PDF 131kWORD 49k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Portugal – EGF/2018/002 PT/Norte – Centro – Lisboa kleding) (COM(2018)0621 – C8-0399/2018 – 2018/2223(BUD))
P8_TA(2018)0394A8-0311/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0621 – C8‑0399/2018),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014‑2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (EFG‑verordening)(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014‑2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8‑0311/2018),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren;

B.  overwegende dat de financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld;

C.  overwegende dat Portugal aanvraag EGF/2018/002 PT/Norte – Centro – Lisboa kleding heeft ingediend voor een financiële bijdrage uit het EFG naar aanleiding van 1 161 ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2-afdeling 14 (Vervaardiging van kleding) in de regio's van NUTS-niveau 2 Norte (PT11), Centro (PT16) en Lisboa (PT17) in Portugal;

D.  overwegende dat de aanvraag is ingediend in het kader van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder b), van de EFG-verordening, dat bepaalt dat binnen een referentieperiode van negen maanden ten minste 500 werknemers gedwongen moeten zijn ontslagen in ondernemingen die actief zijn in dezelfde NACE Rev. 2-afdeling en gevestigd zijn in een regio of in twee of meer dan twee aan elkaar grenzende regio's van NUTS-niveau 2 in een lidstaat, mits er meer dan 500 werknemers getroffen zijn in twee van de regio's tezamen;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder b), van de EFG-verordening en dat Portugal recht heeft op een financiële bijdrage uit hoofde van die verordening ter hoogte van 4 655 883 EUR, wat neerkomt op 60 % van de totale kosten van 7 759 806 EUR;

2.  wijst erop dat de Portugese autoriteiten de aanvraag op 24 april 2018 hebben ingediend en dat de Commissie, nadat Portugal aanvullende gegevens had verstrekt, haar beoordeling op 10 september 2018 heeft afgerond en het Parlement hiervan diezelfde dag in kennis heeft gesteld;

3.  wijst erop dat Portugal de ontslagen verklaart door te verwijzen naar grote structurele veranderingen in de mondiale handelspatronen ingevolge de globalisering, meer in het bijzonder de liberalisering van de handel in textiel en kleding na het verstrijken van het Multivezelakkoord van de Wereldhandelsorganisatie eind 2004, wat heeft geleid tot ingrijpende structurele veranderingen in de wereldhandel in textiel en kleding;

4.  stelt vast dat het werkloosheidspercentage in de kledingsector in de districten waar de ontslagen zich hebben voorgedaan hoger is dan het gemiddelde in de regio's Norte, Centro en Lissabon waar deze districten zich bevinden en dat de kansen op het vinden van een nieuwe baan gering zijn aangezien de betrokken werknemers voornamelijk laagopgeleide vrouwen zijn;

5.  wijst erop dat de ontslagen die bij twee ondernemingen in de Portugese sector vervaardiging van kleding zijn gevallen naar verwachting een aanzienlijk negatief effect zullen hebben op de plaatselijke economie en dat de impact van de ontslagen samenhangt met de moeilijkheden om de betrokkenen aan een nieuwe baan te helpen vanwege de schaarste aan banen, de lage scholing van de ontslagen werknemers en het hoge aantal werkzoekenden;

6.  beveelt aan om gebruik te maken van de structuur- en investeringsfondsen, in het bijzonder het Europees Sociaal Fonds, om de kwalificaties van de Portugese werknemers te verbeteren en zo de werkloosheid, in het bijzonder de jeugdwerkloosheid en de langdurige werkloosheid, terug te dringen;

7.  wijst erop dat de aanvraag betrekking heeft op 1 161 gedwongen ontslagen werknemers, waarvan er 730 in aanmerking zullen komen voor de voorgestelde maatregelen; wijst erop dat de meerderheid van de ontslagen werknemers vrouwen zijn (88,63 %); wijst er verder op dat 20,55 % van de ontslagen werknemers 55 jaar of ouder is; erkent tegen deze achtergrond het belang van door het EFG medegefinancierde actieve arbeidsmarktmaatregelen om de kans te vergroten dat deze kwetsbare groepen opnieuw een baan vinden;

8.  verwelkomt het feit dat door het EFG medegefinancierde individuele dienstverlening verstrekt zal worden aan maximaal 730 jongeren onder de 30 jaar die geen werk hebben, en geen onderwijs of een opleiding volgen (NEET's);

9.  wijst erop dat Portugal drie soorten acties plant voor de ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: (i) opleiding en herscholing, (ii) bevordering van ondernemerschap en (iii) vergoedingen en toelagen;

10.  beklemtoont dat opleiding en herscholing daadwerkelijke alternatieven voor re‑integratie in de regio zal creëren, rekening houdend met sectoren met een toenemende vraag naar werknemers;

11.  stelt vast dat de financiële vergoedingen en toelagen, d.w.z. de vergoedingen en toelagen voor opleiding, mobiliteit en maaltijden, niet méér uitmaken dan het maximum van 35 % als bedoeld in de verordening en dat hierbij de voorwaarde geldt dat de werknemers waarop de maatregelen betrekking hebben actief participeren in sollicitatietrajecten of opleidingsactiviteiten;

12.  wijst erop dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening is opgesteld in overleg met een werkgroep, die bestond uit de openbare dienst voor arbeidsvoorziening, de vertegenwoordigers van de vakbonden, het instituut voor sociale zekerheid en de autoriteit voor arbeidsvoorwaarden;

13.  benadrukt dat de Portugese autoriteiten hebben bevestigd dat voor de subsidiabele acties geen steun uit andere fondsen of financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen, en de verzekering hebben gegeven dat dubbele financiering zal worden voorkomen en dat de maatregelen complementair zullen zijn met acties die uit de Structuurfondsen worden gefinancierd;

14.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren, en is tevreden dat Portugal dat heeft bevestigd;

15.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met de toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het pakket moet passen in de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

16.  verzoekt de Commissie er bij de nationale autoriteiten op aan te dringen om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus waarschijnlijk mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, onder meer over de kwaliteit van de banen en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

17.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

18.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

19.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Portugal – EGF/2018/002 PT/Norte – Centro – Lisboa kleding)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2018/1720.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Benoeming van de algemeen directeur van het EFSI
PDF 112kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over de voordracht voor de benoeming van de algemeen directeur van het Europees Fonds voor strategische investeringen (N8-0100/2018 – C8-0423/2018 – 2018/0903(NLE))
P8_TA(2018)0395A8-0314/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van het bestuur van het Europees Fonds voor strategische investeringen van 19 juli 2018 voor de herbenoeming van de algemeen-directeur (C8‑0423/2018),

–  gezien artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(1),

–  gezien artikel 122 bis van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0314/2018),

A.  overwegende dat overeenkomstig artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) nr. 2015/1017 de algemeen directeur en de adjunct-algemeen-directeur van het EFSI door de EIB moeten worden benoemd voor een eenmalig hernieuwbare vaste termijn van drie jaar, na goedkeuring door het Europees Parlement en aan de hand van een open en transparante selectieprocedure overeenkomstig de procedures van de EIB, gedurende welke het Europees Parlement in elke fase naar behoren en tijdig op de hoogte wordt gehouden;

B.  overwegende dat het bestuur van het EFSI op 19 juli 2018 een voorstel heeft aangenomen voor de herbenoeming van de algemeen directeur en de adjunct-algemeen-directeur van het EFSI en dit voorstel heeft doorgezonden aan het Europees Parlement;

C.  overwegende dat de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken op dinsdag 25 september 2018 een hoorzitting hebben gehouden met Wilhelm Molterer, de voorgestelde kandidaat voor de functie van algemeen directeur van het EFSI, waarbij hij een openingsverklaring heeft afgelegd maakt en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.  hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Wilhelm Molterer als algemeen directeur van het Europees Fonds voor strategische investeringen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Investeringsbank en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.


Benoeming van de adjunct-algemeen-directeur van het EFSI
PDF 112kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over het voorstel voor de benoeming van de adjunct-algemeen directeur van het Europees Fonds voor strategische investeringen (N8-0101/2018 – C8-0424/2018 – 2018/0904(NLE))
P8_TA(2018)0396A8-0312/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van het bestuur van het Europees Fonds voor strategische investeringen van 19 juli 2018 voor de herbenoeming van de adjunct-algemeen-directeur (C8‑0424/2018),

–  gezien artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(1),

–  gezien artikel 122 bis van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0312/2018),

A.  overwegende dat overeenkomstig artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) 2015/1017 de algemeen directeur en de adjunct-algemeen-directeur van het EFSI door de EIB moeten worden benoemd voor een eenmalig hernieuwbare vaste termijn van drie jaar, na goedkeuring door het Europees Parlement en aan de hand van een open en transparante selectieprocedure overeenkomstig de procedures van de EIB, gedurende welke het Europees Parlement in elke fase naar behoren en tijdig op de hoogte wordt gehouden;

B.  overwegende dat het bestuur van het EFSI op 19 juli 2018 een voorstel heeft aangenomen voor de herbenoeming van de algemeen directeur en de adjunct-algemeen-directeur van het EFSI en dit voorstel heeft doorgezonden aan het Europees Parlement;

C.  overwegende dat de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken op 25 september 2018 een hoorzitting hebben gehouden met Iliyana Tsanova, de voorgedragen kandidaat voor de functie van adjunct-algemeen-directeur van het EFSI, gedurende welke zij een openingswoord hield en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.  hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Iliyana Tsanova als adjunct-algemeen directeur van het Europees Fonds voor strategische investeringen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Investeringsbank en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.


Kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water ***I
PDF 358kWORD 116k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 23 oktober 2018 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (COM(2017)0753 – C8-0019/2018 – 2017/0332(COD))(1)
P8_TA(2018)0397A8-0288/2018

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendementen 161, 187, 206 en 213
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Bij Richtlijn 98/83/EG is het rechtskader vastgesteld voor de bescherming van de volksgezondheid tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het gezond en schoon is. Met deze richtlijn moet hetzelfde doel worden nagestreefd. Daartoe moeten op het niveau van de Unie minimumvereisten worden vastgesteld waaraan voor dit doel bestemd water moet voldoen. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat voor menselijke consumptie bestemd water vrij is van micro-organismen, parasieten en stoffen die, in bepaalde gevallen, een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormen, en dat het aan deze minimumvereisten voldoet.
(2)  Bij Richtlijn 98/83/EG is het rechtskader vastgesteld voor de bescherming van de volksgezondheid tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het gezond en schoon is. Met deze richtlijn moet hetzelfde doel worden nagestreefd en moet de universele toegang tot zulk water voor iedereen in de Unie worden verzekerd. Daartoe moeten op het niveau van de Unie minimumvereisten worden vastgesteld waaraan voor dit doel bestemd water moet voldoen. De lidstaten moeten alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat voor menselijke consumptie bestemd water vrij is van micro-organismen, parasieten en stoffen die, in bepaalde gevallen, een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormen, en dat het aan deze minimumvereisten voldoet.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)   In overeenstemming met de mededeling van 2 december 2015 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Maak de cirkel rond - Een EU-actieplan voor de circulaire economie", moet in deze richtlijn worden gestreefd naar het bevorderen van waterbronnenefficiëntie en duurzaamheid, waarmee wordt aangesloten bij de doelstellingen van de circulaire economie.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 ter (nieuw)
(2 ter)   Het recht van de mens op water en sanitaire voorzieningen is door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 28 juli 2010 als mensenrecht erkend, en de toegang tot schoon drinkbaar water mag dus niet beperkt zijn als gevolg van de onbetaalbaarheid ervan voor de eindgebruiker.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 quater (nieuw)
(2 quater)   Het is noodzakelijk samenhang tot stand te brengen tussen Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis en onderhavige richtlijn.
_________________
1 bis Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 quinquies (nieuw)
(2 quinquies)   De in deze richtlijn opgenomen vereisten moeten een afspiegeling vormen van de nationale situatie en de positie van waterleveranciers in de lidstaten.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Het is noodzakelijk, natuurlijk mineraalwater en als geneesmiddel gebruikt water van deze richtlijn uit te sluiten, aangezien deze soorten water respectievelijk vallen onder Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad68 en Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad69. Richtlijn 2009/54/EG heeft echter zowel betrekking op natuurlijk mineraalwater als op bronwater, en alleen de eerstgenoemde categorie moet van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten. Overeenkomstig artikel 9, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2009/54/EG, moet bronwater aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen. In het geval van voor menselijke consumptie bestemd water voor verkoop in flessen of verpakkingen, of voor gebruik bij de vervaardiging, de bereiding of de behandeling van levensmiddelen, moet het water aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen tot aan de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan (d.w.z. de kraan), overeenkomstig artikel 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad7.
(3)  Het is noodzakelijk, natuurlijk mineraalwater en als geneesmiddel gebruikt water van deze richtlijn uit te sluiten, aangezien deze soorten water respectievelijk vallen onder Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad68 en Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad69. Richtlijn 2009/54/EG heeft echter zowel betrekking op natuurlijk mineraalwater als op bronwater, en alleen de eerstgenoemde categorie moet van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten. Overeenkomstig artikel 9, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2009/54/EG, moet bronwater aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen. Deze verplichting mag echter niet worden uitgebreid naar de microbiologische parameters die worden vermeld in deel A van bijlage I bij deze richtlijn. In het geval van voor menselijke consumptie bestemd water afkomstig uit het openbaar waterleidingnet of particuliere bronnen en dat bestemd is voor verkoop in flessen of verpakkingen, of voor gebruik bij de commerciële vervaardiging, de bereiding of de behandeling van levensmiddelen, moet het water in beginsel aan de bepalingen van deze richtlijn blijven voldoen tot aan de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan, en moet het vervolgens als een levensmiddel worden beschouwd overeenkomstig artikel 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad70. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten de bevoegdheid hebben om hergebruik van water in de voedingsmiddelenindustrie toe te staan, mits aan de toepasselijke voedselveiligheidseisen wordt voldaan.
_________________
_________________
68 Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (Herschikking) (PB L 164 van 26.6.2009, blz. 45).
68 Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (Herschikking) (PB L 164 van 26.6.2009, blz. 45).
69 Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
69 Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
70 Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
70 Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Na de afsluiting van het Europees burgerinitiatief inzake het recht op water (Right2Water)71, is een openbare raadpleging en een evaluatie in het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) van Richtlijn 98/83/EG uitgevoerd72. Uit die exercitie is gebleken dat het nodig was sommige bepalingen van Richtlijn 98/83/EG bij te werken. Er zijn vier gebieden aangewezen waar er ruimte voor verbetering is, te weten de lijst met parameterwaarden op kwaliteitsbasis, het beperkte gebruik van een op risico’s gebaseerde benadering, de vage bepalingen over consumentenvoorlichting en de verschillen tussen de goedkeuringssystemen voor materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water. Daarnaast heeft het Europees burgerinitiatief inzake het recht op water nog op het bijkomende probleem gewezen dat een deel van de bevolking, met name gemarginaliseerde groepen, geen toegang heeft tot voor menselijke consumptie bestemd water, terwijl het waarborgen van die toegang ook een verplichting in het kader van duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de Agenda 2030 van de VN vormt. Tot slot is nog het probleem geconstateerd dat er sprake is van een algemeen gebrek aan bewustzijn omtrent waterlekken, die gerelateerd zijn aan een gebrek aan investeringen in onderhoud en vernieuwing van de waterinfrastructuur, zoals ook wordt opgemerkt in het speciale verslag van de Europese Rekenkamer over de waterinfrastructuur73.
(4)  Na de afsluiting van het Europees burgerinitiatief inzake het recht op water (Right2Water)71, waarin de Unie werd opgeroepen meer te doen om universele toegang tot water te bewerkstelligen, is een openbare raadpleging en een evaluatie in het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) van Richtlijn 98/83/EG uitgevoerd72. Uit die exercitie is gebleken dat het nodig was sommige bepalingen van Richtlijn 98/83/EG bij te werken. Er zijn vier gebieden aangewezen waar er ruimte voor verbetering is, te weten de lijst met parameterwaarden op kwaliteitsbasis, het beperkte gebruik van een op risico’s gebaseerde benadering, de vage bepalingen over consumentenvoorlichting en de verschillen tussen de goedkeuringssystemen voor materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en de gevolgen hiervan voor de volksgezondheid. Daarnaast heeft het Europees burgerinitiatief inzake het recht op water nog op het bijkomende probleem gewezen dat een deel van de bevolking, onder kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, beperkte of geen toegang heeft tot betaalbaar voor menselijke consumptie bestemd water, terwijl het waarborgen van die toegang ook een verplichting in het kader van duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de Agenda 2030 van de VN vormt. In dit verband heeft het Europees Parlement erkend dat de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen in de Unie een recht is. Tot slot is nog het probleem geconstateerd dat er sprake is van een algemeen gebrek aan bewustzijn omtrent waterlekken, die gerelateerd zijn aan een gebrek aan investeringen in onderhoud en vernieuwing van de waterinfrastructuur, zoals ook wordt opgemerkt in het speciale verslag van de Europese Rekenkamer over de waterinfrastructuur73, en aan de soms gebrekkige kennis van watersystemen.
_________________
_________________
71 COM(2014)0177.
71 COM(2014)0177.
72 SWD(2016)0428.
72 SWD(2016)0428.
73 Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer SR 12/2017: "Uitvoering van de drinkwaterrichtlijn: betere kwaliteit van en toegang tot water in Bulgarije, Hongarije en Roemenië, maar nog steeds aanzienlijke investeringen nodig".
73 Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer SR 12/2017: "Uitvoering van de drinkwaterrichtlijn: betere kwaliteit van en toegang tot water in Bulgarije, Hongarije en Roemenië, maar nog steeds aanzienlijke investeringen nodig".
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Om de ambitieuze doelstellingen te kunnen verwezenlijken die zijn vastgesteld in het kader van duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de Verenigde Naties, moeten de lidstaten worden verplicht actieplannen ten uitvoer te leggen om uiterlijk in 2030 een universele en billijke toegang tot veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen te waarborgen.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)   Het Europees Parlement heeft op 8 september 2015 een resolutie aangenomen over de follow-up van het Europees burgerinitiatief "Right2Water".
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Voor menselijke consumptie bestemd water speelt een essentiële rol bij de lopende inspanningen van de Unie ter versterking van de bescherming van de volksgezondheid en het milieu tegen hormoonontregelende chemische stoffen. De regulering van hormoonontregelende verbindingen in deze richtlijn vormt een veelbelovende stap in de richting van een geactualiseerde Unie-strategie inzake hormoonontregelaars, die door de Commissie zonder verdere vertraging moet worden voorgelegd.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Indien de wetenschappelijke kennis ontoereikend is om het al dan niet aanwezige risico voor de volksgezondheid of de toelaatbare waarde van een stof in voor menselijke consumptie bestemd water vast te stellen, moet deze stof op grond van het voorzorgsbeginsel en in afwachting van duidelijkere wetenschappelijke gegevens op een lijst van te monitoren stoffen worden geplaatst. Daarom dienen de lidstaten dergelijke nieuwe parameters afzonderlijk te controleren.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)   Indicatorparameters hebben geen rechtstreeks effect op de volksgezondheid. Zij zijn evenwel belangrijk als middel om vast te stellen hoe de waterproductie- en waterdistributievoorzieningen functioneren en om de waterkwaliteit te beoordelen. Zij kunnen van nut zijn om tekortkomingen in de waterbehandeling op te sporen en dragen er tevens in belangrijke mate toe bij het vertrouwen van de consument in de waterkwaliteit te behouden en te vergroten. Daarom moeten zij door de lidstaten worden gecontroleerd.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  Wanneer dit ter bescherming van de volksgezondheid op hun grondgebied noodzakelijk is, moeten de lidstaten ertoe worden verplicht waarden voor aanvullende, niet in bijlage I opgenomen parameters vaststellen .
(7)  Wanneer dit voor de volle toepassing van het voorzorgsbeginsel en ter bescherming van de volksgezondheid op hun grondgebied noodzakelijk is, moeten de lidstaten ertoe worden verplicht waarden voor aanvullende, niet in bijlage I opgenomen parameters vast te stellen.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Preventieve veiligheidsplanning en op risico's gebaseerde elementen zijn slechts in beperkte mate in Richtlijn 98/83/EG aan bod gekomen. De eerste elementen van een op risico's gebaseerde benadering zijn reeds in 2015 ingevoerd bij Richtlijn (EU) 2015/1787, waarbij Richtlijn 98/83/EG werd gewijzigd om het de lidstaten toe te staan af te wijken van de controleprogramma's die zij hebben vastgesteld, mits geloofwaardige risicobeoordelingen worden uitgevoerd, die gebaseerd kunnen zijn op de Richtsnoeren voor de kwaliteit van drinkwater van de WHO76. Die richtsnoeren, waarin het zogenaamde "waterveiligheidsplan" wordt vastgesteld, vormen, samen met norm EN 15975-2 inzake het veiligstellen van de drinkwatervoorziening, internationaal erkende beginselen waarop de productie, de distributie, de controle en de analyse van de parameters van voor menselijke consumptie bestemd water zijn gebaseerd. Zij moeten in deze richtlijn worden gehandhaafd. Om ervoor te zorgen dat die beginselen niet tot controleaspecten beperkt blijven, om tijd en middelen vooral te richten op belangrijke risico’s en kosteneffectieve maatregelen aan de bron, en om te voorkomen dat analyses en inspanningen worden verspild aan irrelevante kwesties, is het passend een complete, op risico’s gebaseerde benadering in te voeren in de hele toeleveringsketen, van het onttrekkingsgebied via de distributie tot aan de kraan. Die benadering moet uit drie onderdelen bestaan: in de eerste plaats een beoordeling door de lidstaat van de gevaren in verband met het onttrekkingsgebied ("gevarenbeoordeling"), overeenkomstig de richtsnoeren en het handboek voor het waterveiligheidsplan van de WHO77; in de tweede plaats een mogelijkheid voor de waterleverancier om de controle aan te passen aan de belangrijkste risico’s ("leveringsrisicobeoordeling"); en op de derde plaats een beoordeling door de lidstaat van de mogelijke risico's die voortvloeien uit het huishoudelijk leidingnet (bv. Legionella of lood) ("risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet"). Die beoordelingen moeten op gezette tijden worden herzien, onder meer naar aanleiding van bedreigingen ten gevolge van klimaatgerelateerde extreme weersomstandigheden, bekende veranderingen in de menselijke activiteit in het onttrekkingsgebied, of brongerelateerde incidenten. De op risico's gebaseerde benadering zorgt voor een voortdurende uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en de waterleveranciers.
(8)  Preventieve veiligheidsplanning en op risico's gebaseerde elementen zijn slechts in beperkte mate in Richtlijn 98/83/EG aan bod gekomen. De eerste elementen van een op risico's gebaseerde benadering zijn reeds in 2015 ingevoerd bij Richtlijn (EU) 2015/1787, waarbij Richtlijn 98/83/EG werd gewijzigd om het de lidstaten toe te staan af te wijken van de controleprogramma's die zij hebben vastgesteld, mits geloofwaardige risicobeoordelingen worden uitgevoerd, die gebaseerd kunnen zijn op de Richtsnoeren voor de kwaliteit van drinkwater van de WHO76. Die richtsnoeren, waarin het zogenaamde "waterveiligheidsplan" wordt vastgesteld, vormen, samen met norm EN 15975-2 inzake het veiligstellen van de drinkwatervoorziening, internationaal erkende beginselen waarop de productie, de distributie, de controle en de analyse van de parameters van voor menselijke consumptie bestemd water zijn gebaseerd. Zij moeten in deze richtlijn worden gehandhaafd. Om ervoor te zorgen dat die beginselen niet tot controleaspecten beperkt blijven, om tijd en middelen vooral te richten op belangrijke risico’s en kosteneffectieve maatregelen aan de bron, en om te voorkomen dat analyses en inspanningen worden verspild aan irrelevante kwesties, is het passend een complete, op risico’s gebaseerde benadering in te voeren in de hele toeleveringsketen, van het onttrekkingsgebied via de distributie tot aan de kraan. Die benadering moet berusten op de reeds verworven kennis en op de maatregelen die zijn uitgevoerd in het kader van Richtlijn 2000/60/EG en moet beter rekening houden met de gevolgen van de klimaatverandering voor de watervoorraden. Een op risico's gebaseerde benadering moet uit drie onderdelen bestaan: in de eerste plaats een beoordeling door de lidstaat van de gevaren in verband met het onttrekkingsgebied ("gevarenbeoordeling"), overeenkomstig de richtsnoeren en het handboek voor het waterveiligheidsplan van de WHO77; in de tweede plaats een mogelijkheid voor de waterleverancier om de controle aan te passen aan de belangrijkste risico’s ("leveringsrisicobeoordeling"); en op de derde plaats een beoordeling door de lidstaat van de mogelijke risico's die voortvloeien uit het huishoudelijk leidingnet (bv. Legionella of lood), met bijzondere aandacht voor prioritaire percelen ("risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet"). Die beoordelingen moeten op gezette tijden worden herzien, onder meer naar aanleiding van bedreigingen ten gevolge van klimaatgerelateerde extreme weersomstandigheden, bekende veranderingen in de menselijke activiteit in het onttrekkingsgebied, of brongerelateerde incidenten. Bij de op risico's gebaseerde benadering vindt een voortdurende uitwisseling van informatie plaats tussen de bevoegde autoriteiten, waterleveranciers en andere belanghebbenden, met inbegrip van degenen die verantwoordelijk zijn voor de bron van verontreiniging of het risico op verontreiniging. Bij wijze van uitzondering moet de toepassing van de op risico's gebaseerde benadering worden aangepast aan de specifieke eisen voor zeeschepen die water ontzilten en passagiers aan boord hebben. Zeeschepen die onder Europese vlag varen, volgen namelijk het internationale regelgevende kader wanneer ze in internationale wateren varen. Bovendien zijn er specifieke eisen voor het vervoer en de productie van voor menselijke consumptie bestemd drinkwater aan boord die een aanpassing van de bepalingen van deze richtlijn vereisen.
_________________
_________________
76 Richtsnoeren voor de drinkwaterkwaliteit, vierde editie, Wereldgezondheidsorganisatie, 2011 http://www.who.int/water_sanitation_health/publications/2011/dwq_guidelines/en/index.html.
76 Richtsnoeren voor de drinkwaterkwaliteit, vierde editie, Wereldgezondheidsorganisatie, 2011 http://www.who.int/water_sanitation_health/publications/2011/dwq_guidelines/en/index.html.
77 Handboek voor het waterveiligheidsplan: stapsgewijs risicobeheer voor drinkwaterleveranciers, Wereldgezondheidsorganisatie, 2009, http://apps.who.int/iris/bitstream/10665/75141/1/9789241562638_eng.pdf.
77 Handboek voor het waterveiligheidsplan: stapsgewijs risicobeheer voor drinkwaterleveranciers, Wereldgezondheidsorganisatie, 2009, http://apps.who.int/iris/bitstream/10665/75141/1/9789241562638_eng.pdf.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)   Inefficiënt watergebruik, met name lekken in de watervoorzieningsinfrastructuur, leidt tot overexploitatie van de schaarse voorraden van voor menselijke consumptie bestemd water. Dit vormt een ernstige belemmering voor de verwezenlijking door de lidstaten van de in Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde doelstellingen.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  De gevarenbeoordeling moet zijn gericht op vermindering van het vereiste niveau van de behandeling voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water, bijvoorbeeld door het terugdringen van belastende factoren die zorgen voor de verontreiniging van waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt. Daartoe moeten de lidstaten gevaren en mogelijke bronnen van verontreiniging identificeren die van belang zijn voor die waterlichamen en controleren op verontreinigende stoffen die zij als relevant aanmerken, bijvoorbeeld op grond van de geïdentificeerde gevaren (bv. microplastics, nitraten, bestrijdingsmiddelen of geneesmiddelen die krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad78 zijn geïdentificeerd), op grond van hun natuurlijke aanwezigheid in het onttrekkingsgebied (bv. arseen) of op grond van informatie van de waterleveranciers (bv. plotselinge toename van een specifieke parameter in ruw water). Die parameters moeten als markers worden gebruikt die de bevoegde autoriteiten ertoe zetten maatregelen te nemen om de druk op de waterlichamen te verminderen, bijvoorbeeld preventieve of verzachtende maatregelen (waar nodig met inbegrip van onderzoek naar de effecten op de gezondheid), en om die waterlichamen te beschermen en de verontreinigingsbron aan te pakken, in samenwerking met de waterleveranciers en belanghebbenden.
(9)  De gevarenbeoordeling moet zijn gebaseerd op een holistische risicobeoordelingsaanpak en uitdrukkelijk zijn gericht op vermindering van het vereiste niveau van de behandeling voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water, bijvoorbeeld door het terugdringen van belastende factoren die zorgen voor de verontreiniging of een risico op verontreiniging van waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt. Daartoe moeten de lidstaten gevaren en mogelijke bronnen van verontreiniging identificeren die van belang zijn voor die waterlichamen en controleren op verontreinigende stoffen die zij als relevant aanmerken, bijvoorbeeld op grond van de geïdentificeerde gevaren (bv. microplastics, nitraten, bestrijdingsmiddelen of geneesmiddelen die krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad78 zijn geïdentificeerd), op grond van hun natuurlijke aanwezigheid in het onttrekkingsgebied (bv. arseen) of op grond van informatie van de waterleveranciers (bv. plotselinge toename van een specifieke parameter in ruw water). Die parameters moeten overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG als markers worden gebruikt die de bevoegde autoriteiten ertoe zetten maatregelen te nemen om de druk op de waterlichamen te verminderen, bijvoorbeeld preventieve of verzachtende maatregelen (waar nodig met inbegrip van onderzoek naar de effecten op de gezondheid), en om die waterlichamen te beschermen en de verontreinigingsbron of het verontreinigingsrisico aan te pakken, in samenwerking met alle belanghebbenden, met inbegrip van die welke verantwoordelijk zijn voor (mogelijke) verontreinigingsbronnen. Indien een lidstaat door middel van de gevarenbeoordeling constateert dat een bepaalde parameter niet van toepassing is in een bepaald onttrekkingsgebied, bijvoorbeeld doordat een stof niet voorkomt in het grond- of oppervlaktewater, dient de lidstaat de desbetreffende waterleveranciers hiervan in kennis te stellen en moet hij kunnen toestaan dat die waterleveranciers de controlefrequentie voor die parameter verlagen of die parameter van de lijst van te controleren parameters schrappen zonder dat zij een leveringsrisicobeoordeling hoeven uit te voeren.
_________________
_________________
78 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
78 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)  Aan de parameterwaarden die worden gebruik om de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water te beoordelen, moet worden voldaan op de plaats waar voor menselijke consumptie bestemd water voor de verbruiker beschikbaar is. De kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water kan echter door het huishoudelijk leidingnet worden beïnvloed. De WHO stelt vast dat Legionella in de Unie het grootste probleem voor de gezondheid vormt waar het watergedragen ziekteverwekkers betreft. Legionella wordt door warmwatersystemen via inademing overgedragen, bijvoorbeeld tijdens het douchen. Er is derhalve een duidelijk verband met het huishoudelijk leidingnet. Aangezien het opleggen van een eenzijdige verplichting om alle particuliere en openbare percelen op deze ziekteverwekker te controleren, tot onredelijk hoge kosten zou leiden, is een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet derhalve beter geschikt om deze kwestie aan te pakken. Daarnaast moeten ook de mogelijke risico’s van producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, in aanmerking worden genomen in de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet. De risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet moet daarom onder meer bestaan uit gerichte controle van prioritaire percelen, beoordeling van de risico’s die voortvloeien uit het huishoudelijk leidingnet en de daarmee samenhangende producten en materialen, en controle van de prestaties van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, op basis van de prestatieverklaring overeenkomstig Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad79. Samen met de prestatieverklaring moet ook de in de artikelen 31 en 33 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad80 bedoelde informatie worden verstrekt. Op basis van deze beoordeling moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om er onder meer voor te zorgen dat er geschikte controle- en beheersmaatregelen (bv. in het geval van uitbraken) van kracht zijn, in lijn met de richtsnoeren van de WHO81, en dat de migratie uit bouwproducten geen gevaar voor de volksgezondheid inhoudt. Onverminderd Verordening (EU) nr. 305/2011 moeten, wanneer deze maatregelen zouden leiden tot beperkingen van het vrije verkeer van producten en materialen in de Unie, deze beperkingen echter naar behoren worden gemotiveerd en strikt evenredig zijn, en mogen zij geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.
(11)  Aan de parameterwaarden die worden gebruik om de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water te beoordelen, moet worden voldaan op de plaats waar voor menselijke consumptie bestemd water voor de verbruiker beschikbaar is. De kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water kan echter door het huishoudelijk leidingnet worden beïnvloed. De WHO stelt vast dat Legionella in de Unie het grootste probleem voor de gezondheid vormt waar het watergedragen ziekteverwekkers betreft, met name de bacterie Legionella pneumophila, die verantwoordelijk is voor de meeste gevallen van veteranenziekte in de Unie. Legionella wordt door warmwatersystemen via inademing overgedragen, bijvoorbeeld tijdens het douchen. Er is derhalve een duidelijk verband met het huishoudelijk leidingnet. Aangezien het opleggen van een eenzijdige verplichting om alle particuliere en openbare percelen op deze ziekteverwekker te controleren, tot onredelijk hoge kosten zou leiden en tegen het subsidiariteitsbeginsel zou indruisen, is een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan prioritaire percelen, derhalve beter geschikt om deze kwestie aan te pakken. Daarnaast moeten ook de mogelijke risico’s van producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, in aanmerking worden genomen in de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet. De risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet moet daarom onder meer bestaan uit gerichte controle van prioritaire percelen, beoordeling van de risico’s die voortvloeien uit het huishoudelijk leidingnet en de daarmee samenhangende producten en materialen, en controle van de prestaties van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, op basis van de prestatieverklaring overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad80. Op basis van deze beoordeling moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om er onder meer voor te zorgen dat er geschikte controle- en beheersmaatregelen (bv. in het geval van uitbraken) van kracht zijn, in lijn met de richtsnoeren van de WHO81, en dat de migratie uit stoffen en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water geen gevaar voor de volksgezondheid inhoudt.
_________________
_________________
79 Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5).
80 Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
80 Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
81 "Legionella and the prevention of Legionellosis", Wereldgezondheidsorganisatie, 2007,
81 "Legionella and the prevention of Legionellosis", Wereldgezondheidsorganisatie, 2007,
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  De bepalingen van Richtlijn 98/83/EG inzake de waarborging van de kwaliteit van behandeling, installatie en materialen zijn er niet in geslaagd belemmeringen voor de interne markt aan te pakken waar het het vrije verkeer van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water betreft. Er zijn nog steeds nationale goedkeuringsregelingen voor producten van kracht, met regels die van de ene lidstaat tot de andere verschillen. Hierdoor is het moeilijk en duur voor de fabrikanten om hun producten in de hele EU op de markt te brengen. De opheffing van technische belemmeringen kan alleen doeltreffend worden verwezenlijkt door geharmoniseerde technische specificaties voor bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water vast te stellen in het kader van Verordening (EU) nr. 305/2011. Die verordening voorziet in de ontwikkeling van Europese normen voor het harmoniseren van beoordelingsmethoden voor bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en in het vaststellen van drempelniveaus en klassen met betrekking tot het prestatieniveau van een essentieel kenmerk. Daartoe is in het werkprogramma 2017 voor normalisatie82 een normalisatieverzoek opgenomen waarin specifiek wordt verzocht om normalisatiewerkzaamheden op het gebied van hygiëne en veiligheid voor producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water in het kader van Verordening (EU) nr. 305/2011, en uiterlijk in 2018 moet een norm hieromtrent zijn uitgevaardigd. De bekendmaking van deze geharmoniseerde norm in het Publicatieblad van de Europese Unie zal zorgen voor rationele besluitvorming bij het in de handel brengen of op de markt aanbieden van veilige bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water. Bijgevolg moeten de bepalingen inzake installaties en materiaal die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water worden geschrapt, deels worden vervangen door bepalingen inzake de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, en worden aangevuld met de desbetreffende geharmoniseerde normen in het kader van Verordening (EU) nr. 305/2011.
(12)  De bepalingen van Richtlijn 98/83/EG inzake de waarborging van de kwaliteit van behandeling, installatie en materialen zijn er niet in geslaagd belemmeringen voor de interne markt aan te pakken waar het het vrije verkeer van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water of een toereikende bescherming van de volksgezondheid betreft. Er zijn nog steeds nationale goedkeuringsregelingen voor producten van kracht, met regels die van de ene lidstaat tot de andere verschillen. Hierdoor is het moeilijk en duur voor de fabrikanten om hun producten in de hele EU op de markt te brengen. Deze situatie is toe te schrijven aan het feit dat er geen Europese minimumnormen op het gebied van hygiëne bestaan voor alle producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, terwijl dit toch een absolute voorwaarde is om te komen tot volledige wederzijdse erkenning tussen de lidstaten. De opheffing van technische belemmeringen en de conformiteit van alle producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water op het niveau van de Unie kunnen dus alleen maar doeltreffend worden verwezenlijkt door op het niveau van de Unie minimumkwaliteitsvereisten vast te stellen. Bijgevolg moeten deze bepalingen worden versterkt aan de hand van een harmonisatieprocedure voor dergelijke producten en materialen. Deze werkzaamheden dienen voort te bouwen op de ervaring die is opgedaan en de vooruitgang die is geboekt door verschillende lidstaten die hun inspanningen sinds een aantal jaren bundelen om voor convergentie van de regelgeving te zorgen.
_________________
82 SWD(2016)0185.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat programma’s worden vastgesteld om te controleren of voor menselijke consumptie bestemd water aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet. Het grootste deel van de krachtens deze richtlijn uitgevoerde controles wordt door de waterleveranciers verricht. De waterleveranciers moet een zekere soepelheid worden gegund wat betreft de parameters waarop zij voor de leveringsrisicobeoordeling controleren. Indien een parameter niet wordt aangetroffen, moeten de waterleveranciers de mogelijkheid hebben de controlefrequentie te verlagen of de controles op die parameter helemaal stop te zetten. De leveringsrisicobeoordeling moet op de meeste parameters worden toegepast. Er moet echter een lijst met kernparameters zijn waarop met een bepaalde minimumfrequentie wordt gecontroleerd. Deze richtlijn bevat vooral bepalingen over de controlefrequentie ten behoeve van nalevingscontroles en slechts beperkte bepalingen inzake controle voor operationele doeleinden. Aanvullende controle voor operationele doeleinden kan noodzakelijk zijn om de correcte werking van de waterbehandeling te waarborgen, naar goeddunken van de waterleveranciers. In dat verband kunnen waterleveranciers de richtsnoeren en het handboek voor het waterveiligheidsplan van de WHO raadplegen.
(13)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat programma’s worden vastgesteld om te controleren of voor menselijke consumptie bestemd water aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet. Het grootste deel van de krachtens deze richtlijn uitgevoerde controles wordt door de waterleveranciers verricht, maar waar nodig dienen de lidstaten te verduidelijken bij welke bevoegde autoriteiten de uit de omzetting van deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen berusten. De waterleveranciers moet een zekere soepelheid worden gegund wat betreft de parameters waarop zij voor de leveringsrisicobeoordeling controleren. Indien een parameter niet wordt aangetroffen, moeten de waterleveranciers de mogelijkheid hebben de controlefrequentie te verlagen of de controles op die parameter helemaal stop te zetten. De leveringsrisicobeoordeling moet op de meeste parameters worden toegepast. Er moet echter een lijst met kernparameters zijn waarop met een bepaalde minimumfrequentie wordt gecontroleerd. Deze richtlijn bevat vooral bepalingen over de controlefrequentie ten behoeve van nalevingscontroles en slechts beperkte bepalingen inzake controle voor operationele doeleinden. Aanvullende controle voor operationele doeleinden kan noodzakelijk zijn om de correcte werking van de waterbehandeling te waarborgen, naar goeddunken van de waterleveranciers. In dat verband kunnen waterleveranciers de richtsnoeren en het handboek voor het waterveiligheidsplan van de WHO raadplegen.
Amendement 188
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  De op risico’s gebaseerde benadering moet geleidelijk worden toegepast door alle waterleveranciers, waaronder kleine waterleveranciers, aangezien uit de evaluatie van Richtlijn 98/83/EG is gebleken dat de uitvoering ervan door die leveranciers tekortschiet, in sommige gevallen vanwege de kosten voor het uitvoeren van onnodige controlewerkzaamheden. Bij het toepassen van de op risico’s gebaseerde benadering moet rekening worden gehouden met beveilingskwesties.
(14)  De op risico's gebaseerde benadering moet worden toegepast door alle waterleveranciers, waaronder zeer kleine, kleine en middelgrote waterleveranciers, aangezien uit de evaluatie van Richtlijn 98/83/EG is gebleken dat de uitvoering ervan door die leveranciers tekortschiet, in sommige gevallen vanwege de kosten voor het uitvoeren van onnodige controlewerkzaamheden; voor zeer kleine leveranciers kunnen evenwel afwijkingen worden toegestaan. Bij het toepassen van de op risico's gebaseerde benadering moet rekening worden gehouden met beveiligingskwesties en met het beginsel dat de vervuiler betaalt. In het geval van kleinere waterleveranciers moet de bevoegde autoriteit middels deskundige hulp ondersteuning bieden bij de controlewerkzaamheden.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)   Om een zo groot mogelijke bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, moeten de lidstaten in overeenstemming met hun nationale institutionele en wettelijke kader zorgen voor een duidelijke en evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheid voor de toepassing van de op risico's gebaseerde benadering.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  De betrokken lidstaten moeten in geval van niet-naleving van de normen van deze richtlijn onmiddellijk een onderzoek naar de oorzaak instellen en ervoor zorgen dat zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen worden getroffen om de waterkwaliteit te herstellen. In gevallen waarin de watervoorziening een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormt, moet de levering van dergelijk water worden verboden of het gebruik ervan worden ingeperkt. Daarnaast is het belangrijk om te verduidelijken dat niet-naleving van de minimumvereisten voor de waarden die betrekking hebben op microbiologische en chemische parameters, door de lidstaten automatisch als een potentieel gevaar voor de volksgezondheid moet worden beschouwd. In gevallen waarin maatregelen voor het herstel van de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water noodzakelijk zijn, moet overeenkomstig artikel 191, lid 2, van het Verdrag voorrang worden gegeven aan maatregelen die het probleem bij de bron oplossen.
(15)  De betrokken lidstaten moeten in geval van niet-naleving van de normen van deze richtlijn onmiddellijk een onderzoek naar de oorzaak instellen en ervoor zorgen dat zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen worden getroffen om de waterkwaliteit te herstellen. In gevallen waarin de watervoorziening een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormt, moet de levering van dergelijk water worden verboden of het gebruik ervan worden ingeperkt en moet tijdig passende informatie worden verstrekt aan mogelijk getroffen burgers. Daarnaast moet bij niet-naleving van de minimumvereisten voor de waarden die betrekking hebben op microbiologische en chemische parameters, door de lidstaten worden vastgesteld of overschrijding van de waarden een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormt. Daartoe moeten de lidstaten rekening houden met de mate waarin de minimumvereisten zijn overschreden en met het type parameter dat bij de overschrijding betrokken is. In gevallen waarin maatregelen voor het herstel van de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water noodzakelijk zijn, moet overeenkomstig artikel 191, lid 2, van het Verdrag voorrang worden gegeven aan maatregelen die het probleem bij de bron oplossen.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)   Het is van belang om potentieel gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van verontreinigd water te voorkomen. De levering van dergelijk water moet daarom worden verboden of het gebruik ervan ingeperkt.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  De lidstaten mogen niet langer het recht hebben afwijkingen van deze richtlijn toe te staan. Oorspronkelijk werd gebruikgemaakt van afwijkingen om de lidstaten maximaal negen jaar de tijd te geven om een niet-naleving van een parameterwaarde te verhelpen. Deze procedure is voor zowel de lidstaten als de Commissie belastend gebleken. Daarnaast leidde zij in sommige gevallen tot vertragingen bij het nemen van herstelmaatregelen, aangezien de mogelijkheid tot afwijking als een overgangsperiode werd opgevat. De bepaling inzake afwijkingen moet derhalve worden geschrapt. Wanneer er parameterwaarden worden overschreden, moeten, omwille van de bescherming van de volksgezondheid, de bepalingen inzake herstelmaatregelen onmiddellijk van toepassing zijn, zonder dat het mogelijk is om een afwijking van de parameterwaarde toe te staan. Door de lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 98/83/EG toegestane afwijkingen die op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn nog steeds van toepassing zijn, moeten echter van toepassing blijven tot de afloop van hun termijn, maar mogen niet worden verlengd.
(16)  De lidstaten moeten het recht hebben afwijkingen van deze richtlijn toe te staan. Oorspronkelijk werd gebruikgemaakt van afwijkingen om de lidstaten maximaal negen jaar de tijd te geven om een niet-naleving van een parameterwaarde te verhelpen. Deze procedure is voor de lidstaten nuttig gebleken gezien het ambitieniveau van de richtlijn. Er zij echter opgemerkt dat deze procedure in sommige gevallen heeft geleid tot vertragingen bij het nemen van herstelmaatregelen, aangezien de mogelijkheid tot afwijking soms als een overgangsperiode werd opgevat. In het licht van de versterking van de kwaliteitsparameters die in deze richtlijn zijn vervat, enerzijds, en de toenemende opsporing van nieuwe verontreinigende stoffen die beoordelings‑, toezicht- en beheersmaatregelen vereisen, anderzijds, blijft het evenwel nodig om een daaraan aangepaste afwijkingsprocedure te behouden, op voorwaarde dat de afwijking geen mogelijk gevaar oplevert voor de volksgezondheid en dat de levering van voor menselijke consumptie bestemd water in het betrokken gebied op geen enkele andere redelijke manier kan worden verzekerd. De bepaling in Richtlijn 98/83/EG inzake afwijkingen moet derhalve worden gewijzigd opdat de lidstaten de naleving van de vereisten van deze richtlijn sneller en doeltreffender kunnen garanderen. Door de lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 98/83/EG toegestane afwijkingen die op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn nog steeds van toepassing zijn, moeten van toepassing blijven volgens de regelingen die zijn vastgesteld in de bepalingen die golden bij de opstart van de afwijkingsprocedure.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  In haar antwoord op het Europees burgerinitiatief "Right2Water" van 201483 heeft de Commissie de lidstaten verzocht de toegang tot een minimale watervoorziening te waarborgen voor alle burgers, in overeenstemming met de aanbevelingen van de WHO. De Commissie verplichtte zich er ook toe te blijven werken aan "verbetering van de toegang tot veilig drinkwater [...] voor iedereen via het milieubeleid"84. Dit is in lijn met duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de VN en de daarmee samenhangende doelstelling om universele en billijke toegang tot veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen te verwezenlijken. Het begrip billijke toegang omvat een breed scala van aspecten zoals de beschikbaarheid (bijvoorbeeld als gevolg van geografische omstandigheden, gebrek aan infrastructuur of de specifieke situatie van bepaalde delen van de bevolking), kwaliteit, aanvaardbaarheid, of financiële haalbaarheid. Met betrekking tot de betaalbaarheid van water is het van belang eraan te herinneren dat de lidstaten bij het bepalen van watertarieven volgens het beginsel van kostenterugwinning zoals beschreven in Richtlijn 2000/60/EG rekening kunnen houden met verschillen in de economische en sociale omstandigheden van de bevolking en derhalve sociale tarieven kunnen vaststellen of maatregelen kunnen nemen ter bescherming van sociaaleconomische achtergestelde bevolkingsgroepen. Deze richtlijn heeft met name betrekking op die aspecten van de toegang tot water die te maken hebben met kwaliteit en beschikbaarheid. Om die aspecten aan te pakken, als gedeeltelijk antwoord op het Europees burgerinitiatief, en om bij te dragen tot het in praktijk brengen van beginsel 20 van de Europese pijler van sociale rechten85 ("Iedereen heeft recht op toegang tot essentiële diensten van goede kwaliteit, waaronder water [...]") moeten de lidstaten ertoe worden verplicht de kwestie van de toegang tot water op nationaal niveau aan te pakken, waarbij zij wel moeten beschikken over enige vrijheid ten aanzien van het exacte soort te nemen maatregelen. Dit kan gebeuren door middel van acties die onder meer gericht zijn op het verbeteren van de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen, bijvoorbeeld met vrij toegankelijke drinkwaterfonteinen in steden, en het gebruik van dat water te bevorderen door de gratis verstrekking van voor menselijke consumptie bestemd water in openbare gebouwen en restaurants aan te moedigen
(17)  In haar antwoord op het Europees burgerinitiatief "Right2Water" van 201483 heeft de Commissie de lidstaten verzocht de toegang tot een minimale watervoorziening te waarborgen voor alle burgers, in overeenstemming met de aanbevelingen van de WHO. De Commissie verplichtte zich er ook toe te blijven werken aan "verbetering van de toegang tot veilig drinkwater [...] voor iedereen via het milieubeleid"84. Dit is in lijn met de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit is eveneens in lijn met duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de VN en de daarmee samenhangende doelstelling om universele en billijke toegang tot veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen te verwezenlijken. Het begrip billijke toegang omvat een breed scala van aspecten zoals de beschikbaarheid (bijvoorbeeld als gevolg van geografische omstandigheden, gebrek aan infrastructuur of de specifieke situatie van bepaalde delen van de bevolking), kwaliteit, aanvaardbaarheid, of financiële haalbaarheid. Met betrekking tot de betaalbaarheid van water is het van belang eraan te herinneren dat de lidstaten bij het bepalen van watertarieven volgens het beginsel van kostenterugwinning zoals beschreven in Richtlijn 2000/60/EG, onverminderd artikel 9, lid 4, van die richtlijn, rekening kunnen houden met verschillen in de economische en sociale omstandigheden van de bevolking en derhalve sociale tarieven kunnen vaststellen of maatregelen kunnen nemen ter bescherming van sociaaleconomisch achtergestelde bevolkingsgroepen. Deze richtlijn heeft met name betrekking op die aspecten van de toegang tot water die te maken hebben met kwaliteit en beschikbaarheid. Om die aspecten aan te pakken, als gedeeltelijk antwoord op het Europees burgerinitiatief, en om bij te dragen tot het in praktijk brengen van beginsel 20 van de Europese pijler van sociale rechten85 ("Iedereen heeft recht op toegang tot essentiële diensten van goede kwaliteit, waaronder water [...]") moeten de lidstaten ertoe worden verplicht de kwestie van de toegang tot betaalbaar water op nationaal niveau aan te pakken, waarbij zij wel moeten beschikken over een zekere beoordelingsvrijheid ten aanzien van het exacte soort te nemen maatregelen. Dit kan gebeuren door middel van acties die onder meer gericht zijn op het verbeteren van de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen, bijvoorbeeld door de kwaliteitseisen voor water niet onrechtmatig te verscherpen uit het oogpunt van de volksgezondheid, waardoor de waterprijs voor de burgers zou stijgen, met vrij toegankelijke drinkwaterfonteinen in steden, en door het gebruik van dat water te bevorderen door de gratis verstrekking van voor menselijke consumptie bestemd water aan te moedigen in openbare gebouwen, restaurants, winkelcentra en recreatiecentra alsook op plaatsen met veel voetgangersverkeer en grote bezoekersaantallen, zoals treinstations en luchthavens. De lidstaten moeten de juiste mix van dergelijke instrumenten, rekening houdend met hun specifieke nationale omstandigheden, vrij kunnen bepalen.
_________________
_________________
83 COM(2014)0177.
83 COM(2014)0177.
84 COM(2014)0177, blz. 12.
84 COM(2014)0177, blz. 12.
85 Interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten (2017/C 428/09) van 17 november 2017 (PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10).
85 Interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten (2017/C 428/09) van 17 november 2017 (PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10).
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie over de follow-up van het Europees burgerinitiatief "Right2Water"86 opgemerkt „dat de lidstaten speciale aandacht zouden moeten schenken aan de behoeften van kwetsbare groepen in de samenleving"87. De specifieke situatie van minderheidsculturen, zoals Roma, Sinti, Travellers, Kalé, Gens du voyage enz., ook als zij sedentair leven – met name hun gebrek aan toegang tot drinkwater – is ook bevestigd in het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma88 en van de aanbeveling van de Raad over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten89. In het licht van deze algemene context is het passend dat de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, door de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze groepen toegang hebben tot water. Onverminderd het recht van de lidstaten die groepen te omschrijven, moeten daartoe ten minste vluchtelingen, nomadische gemeenschappen, dak- en thuislozen en minderheidsculturen zoals de Roma, Sinti, Travellers, Kalé, Gens du voyage enz., ook als zij sedentair leven, worden gerekend. Dergelijke maatregelen om de toegang tot water te waarborgen, de keuze waarvoor aan de beoordeling van de lidstaten wordt overgelaten, zouden bijvoorbeeld kunnen bestaan uit het beschikbaar stellen van alternatieve watervoorzieningssystemen (individuele waterbehandelingssystemen), levering van water via tankers (vrachtwagens en cisternes) en te zorgen voor de nodige infrastructuur voor kampen.
(18)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie over de follow-up van het Europees burgerinitiatief "Right2Water"86 opgemerkt „dat de lidstaten speciale aandacht zouden moeten schenken aan de behoeften van kwetsbare groepen in de samenleving"87. De specifieke situatie van minderheidsculturen, zoals Roma en Travellers, ook als zij sedentair leven – met name hun gebrek aan toegang tot drinkwater – is ook bevestigd in het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma88 en van de aanbeveling van de Raad over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten89. In het licht van deze algemene context is het passend dat de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, door de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze groepen toegang hebben tot water. Met inachtneming van het beginsel van de terugwinning van de kosten van waterdiensten dat is vastgesteld in Richtlijn 2000/60/EG verbeteren de lidstaten de toegang tot water voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen zonder dat de levering van betaalbaar water van goede kwaliteit aan iedereen in het gedrang komt. Onverminderd het recht van de lidstaten die groepen te omschrijven, moeten daartoe ten minste vluchtelingen, nomadische gemeenschappen, dak- en thuislozen en minderheidsculturen zoals de Roma en Travellers, ook als zij sedentair leven, worden gerekend. Dergelijke maatregelen om de toegang tot water te waarborgen, de keuze waarvoor aan de beoordeling van de lidstaten wordt overgelaten, zouden bijvoorbeeld kunnen bestaan uit het beschikbaar stellen van alternatieve watervoorzieningssystemen (individuele waterbehandelingssystemen), levering van water via tankers (vrachtwagens en cisternes) en te zorgen voor de nodige infrastructuur voor kampen. Wanneer de verantwoordelijkheid voor de naleving van deze verplichtingen wordt toegewezen aan lokale overheden, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat zij beschikken over toereikende financiële middelen en voldoende technische en materiële capaciteit, en moeten zij hen ondersteunen, bijvoorbeeld door deskundige hulp te bieden. In het bijzonder mag de waterdistributie aan kwetsbare en gemarginaliseerde groepen voor lokale overheden geen onevenredige kosten met zich meebrengen.
_________________
_________________
86 P8_TA(2015)0294.
86 P8_TA(2015)0294.
87 P8_TA(2015)0294, punt 62.
87 P8_TA(2015)0294, punt 62.
88 COM(2014)0209.
88 COM(2014)0209.
89 Aanbeveling (2013/C 378/01) van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1).
89 Aanbeveling (2013/C 378/01) van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1).
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19
(19)  In het zevende milieuactieprogramma voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"90, is bepaald dat het publiek toegang moet hebben tot duidelijke informatie over het milieu op nationaal niveau. Richtlijn 98/83/EG voorzag enkel in passieve toegang tot informatie, hetgeen betekent dat de lidstaten er enkel voor hoefden te zorgen dat er informatie beschikbaar was. Die bepalingen moeten derhalve worden vervangen om ervoor te zorgen dat actuele informatie gemakkelijk toegankelijk is, bijvoorbeeld op een website waarvan de link actief moet worden verspreid. De actuele informatie moet niet alleen bestaan uit de resultaten van de controleprogramma's, maar ook aanvullende informatie omvatten die nuttig zou kunnen zijn voor het publiek, zoals informatie over indicatoren (ijzer, hardheid, mineralen enz.), die vaak van invloed zijn op de perceptie die de consument van het kraanwater heeft. Daartoe moeten de indicatorparameters van Richtlijn 98/83/EG die geen gezondheidsgerelateerde informatie leverden, worden vervangen door online informatie over die parameters. Voor zeer grote waterleveranciers moet ook aanvullende informatie over onder meer energie-efficiëntie, beheer, bestuur, kostenstructuur en de toegepaste behandeling online beschikbaar zijn. Er wordt van uitgegaan dat een betere kennis van de consumenten en meer transparantie zullen bijdragen tot een groter vertrouwen van de burgers in het aan hen geleverde water. De verwachting is dat dit er vervolgens weer toe zal leiden dat meer gebruik wordt gemaakt van kraanwater, hetgeen bijdraagt tot vermindering van de hoeveelheid kunststofzwerfvuil en broeikasgasemissies en positieve effecten heeft op de mitigatie van klimaatverandering en op het milieu als geheel.
(19)  In het zevende milieuactieprogramma voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"90, is bepaald dat het publiek toegang moet hebben tot duidelijke informatie over het milieu op nationaal niveau. Richtlijn 98/83/EG voorzag enkel in passieve toegang tot informatie, hetgeen betekent dat de lidstaten er enkel voor hoefden te zorgen dat er informatie beschikbaar was. Die bepalingen moeten derhalve worden vervangen om ervoor te zorgen dat actuele informatie begrijpelijk, relevant en gemakkelijk toegankelijk is voor de consument, bijvoorbeeld in een folder, op een website of via een slimme applicatie. De actuele informatie moet niet alleen bestaan uit de resultaten van de controleprogramma's, maar ook aanvullende informatie omvatten die nuttig zou kunnen zijn voor het publiek, zoals de resultaten van genomen maatregelen om waterleveranciers te controleren wat betreft de kwaliteitsparameters van het water en informatie over de in bijlage I, deel B bis opgenomen indicatorparameters. Voor zeer grote waterleveranciers moet ook aanvullende informatie over onder meer de tariefstructuur en de toegepaste behandeling online beschikbaar zijn. Betere kennis van de consumenten van relevante informatie en meer transparantie moeten ertoe leiden dat de burger meer vertrouwen krijgt in het geleverde water alsook in de waterdiensten, hetgeen op zijn beurt moet leiden tot een groter gebruik van kraanwater als drinkwater, wat zou bijdragen tot vermindering van de hoeveelheid kunststofzwerfvuil en broeikasgasemissies, positieve effecten heeft op de mitigatie van klimaatverandering en op het milieu als geheel.
_________________
_________________
90 Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 „Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).
90 Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 „Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20
(20)  Om dezelfde redenen, en om consumenten bewuster te maken van de gevolgen van hun waterverbruik, moeten zij ook informatie ontvangen (bijvoorbeeld op hun factuur of door middel van slimme applicaties) over de verbruikte hoeveelheid, de kostenstructuur van het door de waterleverancier in rekening gebrachte tarief, met inbegrip van vaste en variabele kosten, alsook over de literprijs van het voor menselijke consumptie bestemde water, waardoor het mogelijk wordt deze te vergelijken met de prijs van water in flessen.
(20)  Om dezelfde redenen, en om consumenten bewuster te maken van de gevolgen van hun waterverbruik, moeten zij ook informatie ontvangen, die begrijpelijk, relevant en gemakkelijk toegankelijk is, bijvoorbeeld op hun factuur of via een slimme applicatie, over de jaarlijks verbruikte hoeveelheid, veranderingen in de consumptie, een vergelijking met het gemiddelde verbruik voor huishoudens, indien de waterleverancier over deze informatie beschikt, de structuur van het door de waterleverancier in rekening gebrachte tarief, met inbegrip van de verdeling van de vaste en variabele bestanddelen ervan, alsook over de literprijs van het voor menselijke consumptie bestemde water, waardoor het mogelijk wordt deze te vergelijken met de prijs van water in flessen.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21
(21)  De beginselen waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van watertarieven, namelijk het beginsel van de terugwinning van de kosten van waterdiensten en het beginsel dat de vervuiler betaalt, zijn neergelegd in Richtlijn 2000/60/EG. De financiële houdbaarheid van de levering van waterdiensten is echter niet altijd gewaarborgd, wat soms leidt tot achterblijvende investeringen in het onderhoud van de waterinfrastructuur. Dankzij verbeterde controletechnieken worden de lekkagepercentages – die vooral te wijten zijn aan dergelijke achterblijvende investeringen – steeds duidelijker zichtbaar, en op het niveau van de Unie moet het terugdringen van waterverliezen worden gestimuleerd om de doelmatigheid van de waterinfrastructuur te verbeteren. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moet dat vraagstuk worden aangepakt door de transparantie te vergroten en meer informatie aan de consument te verstrekken over lekkagepercentages en energie-efficiëntie.
(21)  De fundamentele beginselen waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van watertarieven, namelijk het beginsel van de terugwinning van de kosten van waterdiensten en het beginsel dat de vervuiler betaalt, zijn, onverminderd artikel 9, lid 4, van Richtlijn 2000/60/EG, neergelegd in diezelfde richtlijn. De financiële houdbaarheid van de levering van waterdiensten is echter niet altijd gewaarborgd, wat soms leidt tot achterblijvende investeringen in het onderhoud van de waterinfrastructuur. Dankzij verbeterde controletechnieken worden de lekkagepercentages – die vooral te wijten zijn aan dergelijke achterblijvende investeringen – steeds duidelijker zichtbaar, en op het niveau van de Unie moet het terugdringen van waterverliezen worden gestimuleerd om de doelmatigheid van de waterinfrastructuur te verbeteren. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moet desbetreffende informatie op transparantere wijze met de consument worden gedeeld om de bewustwording over dit probleem te vergroten.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25
(25)  Overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" moet de Commissie een evaluatie uitvoeren van deze richtlijn binnen een bepaalde termijn na de uiterste datum voor de omzetting ervan. Die evaluatie moet zijn gebaseerd op de ervaring die is opgedaan en de gegevens die zijn verkregen tijdens de implementatie van de richtlijn, op relevante wetenschappelijke, analytische en epidemiologische gegevens, alsmede op eventueel beschikbare aanbevelingen van de WHO.
(25)  Overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" moet de Commissie een evaluatie uitvoeren van deze richtlijn binnen een bepaalde termijn na de uiterste datum voor de omzetting ervan. Die evaluatie moet zijn gebaseerd op de ervaring die is opgedaan en de gegevens die zijn verkregen tijdens de implementatie van de richtlijn, op eventueel beschikbare aanbevelingen van de WHO alsmede op relevante wetenschappelijke, analytische en epidemiologische gegevens.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28
(28)  Teneinde deze richtlijn aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, of teneinde controlevoorschriften te specificeren voor de gevarenbeoordeling en de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de bijlagen I tot en met IV bij deze richtlijn te wijzigen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. Daarnaast is de machtiging in bijlage I, deel C, opmerking 10, bij Richtlijn 98/83/EG om de controlefrequentie en -methoden voor radioactieve stoffen aan te nemen, overbodig geworden door de vaststelling van Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad96 en moet zij derhalve worden geschrapt. De machtiging in bijlage III, deel A, tweede alinea, bij Richtlijn 98/83/EG betreffende wijzigingen van de richtlijn is niet langer nodig en moet worden geschrapt.
(28)  Teneinde deze richtlijn aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, of teneinde controlevoorschriften te specificeren voor de gevarenbeoordeling en de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de bijlagen I tot en met IV bij deze richtlijn te wijzigen en de nodige maatregelen te nemen overeenkomstig de bij artikel 10 bis ingevoerde wijzigingen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. Daarnaast is de machtiging in bijlage I, deel C, opmerking 10, bij Richtlijn 98/83/EG om de controlefrequentie en -methoden voor radioactieve stoffen aan te nemen, overbodig geworden door de vaststelling van Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad96 en moet zij derhalve worden geschrapt. De machtiging in bijlage III, deel A, tweede alinea, bij Richtlijn 98/83/EG betreffende wijzigingen van de richtlijn is niet langer nodig en moet worden geschrapt.
_________________
_________________
96 Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad van 22 oktober 2013 tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 296 van 7.11.2013, blz. 12).
96 Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad van 22 oktober 2013 tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 296 van 7.11.2013, blz. 12).
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1
1.  Deze richtlijn heeft betrekking op de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water.
1.  Deze richtlijn heeft betrekking op de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen in de Unie.
Amendementen 163, 189, 207 en 215
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 2
2.  De richtlijn heeft ten doel de volksgezondheid te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het gezond en schoon is.
2.  De richtlijn heeft ten doel de volksgezondheid te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het gezond en schoon is, en de universele toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water te bevorderen.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1
1.  "voor menselijke consumptie bestemd water": al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of -productie, of andere huishoudelijke doeleinden, zowel in openbare als in particuliere percelen, ongeacht de herkomst en of het water wordt geleverd via een distributienet, wordt geleverd uit een tankschip of tankauto, of, voor bronwater, in flessen wordt gedaan ;
1.  "voor menselijke consumptie bestemd water": al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of -productie, of andere voedingsdoeleinden, zowel in openbare als in particuliere percelen, met inbegrip van levensmiddelenbedrijven, ongeacht de herkomst en of het water wordt geleverd via een distributienet, wordt geleverd uit een tankschip of tankauto of in flessen of verpakkingen wordt gedaan;
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
2.  "huishoudelijk leidingnet": de leidingen, fittingen en toestellen die geïnstalleerd worden tussen de kranen die normaliter , zowel in openbare als in particuliere percelen, worden gebruikt voor menselijke consumptie en het distributienet, maar slechts indien die volgens de desbetreffende nationale wetgeving niet onder de verantwoordelijkheid van de waterleverancier in zijn hoedanigheid van waterleverancier vallen.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 3
3.  "waterleverancier": een entiteit die gemiddeld per dag ten minste 10 m3 voor menselijke consumptie bestemd water levert;
3.  "waterleverancier": een juridische entiteit die gemiddeld per dag ten minste 10 m3 voor menselijke consumptie bestemd water levert;
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 –alinea 1 – punt 3 bis (nieuw)
3bis.  "zeer kleine waterleverancier": een waterleverancier die per dag minder dan 50 m3 levert of die minder dan 250 mensen bedient;
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4
4.  "kleine waterleverancier": een waterleverancier die per dag minder dan 500 m3 levert of die minder dan 5 000 mensen bedient;
4.  "kleine waterleverancier": een waterleverancier die per dag minder dan 500 m3 levert of die minder dan 2 500 mensen bedient;
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 –alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
4 bis.  "middelgrote waterleverancier": een waterleverancier die per dag ten minste 500 m3 levert of die ten minste 2 500 mensen bedient;
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5
5.  "grote waterleverancier": een waterleverancier die per dag ten minste 500 m3 levert of die ten minste 5 000 mensen bedient;
5.  "grote waterleverancier": een waterleverancier die per dag ten minste 5 000 m3 levert of die ten minste 25 000 mensen bedient;
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6
6.  "zeer grote waterleverancier": een waterleverancier die per dag ten minste 5 000 m3 levert of die ten minste 50 000 mensen bedient;
6.  "zeer grote waterleverancier": een waterleverancier die per dag ten minste 20 000 m3 levert of die ten minste 100 000 mensen bedient;
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
7.  "prioritaire percelen": grote percelen met veel gebruikers die aan watergerelateerde risico's blootgesteld zouden kunnen worden, waaronder ziekenhuizen, zorginstellingen, gebouwen met overnachtingsfaciliteiten, strafinrichtingen en kampeerterreinen, zoals door de lidstaten aangewezen;
7.  "prioritaire percelen": grote, niet-huishoudelijke percelen met veel mensen, met name gevoelige doelgroepen, die aan watergerelateerde risico's blootgesteld zouden kunnen worden, waaronder ziekenhuizen, zorginstellingen, bejaardentehuizen, scholen, universiteiten en andere onderwijsinstellingen, crèches en kinderdagverblijven, sport-, recreatie-, ontspannings-, en tentoonstellingsfaciliteiten, gebouwen met overnachtingsfaciliteiten, strafinrichtingen en kampeerterreinen, zoals door de lidstaten aangewezen;
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 –alinea 1 – punt 8 bis (nieuw)
8 bis.   "levensmiddelenbedrijf": een levensmiddelenbedrijf als gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Verordening (EG) nr. 178/2002.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Op water dat in levensmiddelenbedrijven wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen, zijn alleen de artikelen 4, 5, 6 en 11 van deze richtlijn van toepassing. Geen van de artikelen van deze richtlijn zijn evenwel van toepassing wanneer een exploitant van een levensmiddelenbedrijf bij de bevoegde nationale autoriteit naar tevredenheid kan aantonen dat de kwaliteit van het water dat hij gebruikt de hygiënische kwaliteit van de uit zijn activiteiten voortkomende producten of stoffen niet nadelig beïnvloedt, en dat deze producten of stoffen voldoen aan Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad1bis.
________________
1 bis Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1).
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  Een producent van voor menselijke consumptie bestemd water dat in flessen of verpakkingen wordt gedaan, wordt niet als een waterleverancier beschouwd.
De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op voor menselijke consumptie bestemd water voor zover zij niet onder verplichtingen uit hoofde van andere Uniewetgeving vallen.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 quater (nieuw)
1 quater.  Zeeschepen die water ontzilten, passagiers aan boord hebben en optreden als waterleveranciers zijn uitsluitend onderworpen aan de artikelen 1 tot en met 7 en 9 tot en met 12 van deze richtlijn en de bijlagen erbij.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 – letter c
c)  de lidstaten hebben alle andere nodige maatregelen genomen om aan de vereisten van de artikelen 5 tot en met 12 van deze richtlijn te voldoen .
c)  de lidstaten hebben alle andere nodige maatregelen genomen om aan de vereisten te voldoen in:
i)   de artikelen 4 tot en met 12 van deze richtlijn met betrekking tot voor menselijke consumptie bestemd water dat aan de eindverbruiker wordt geleverd via een distributienet of uit een tankschip of tankauto;
ii)  de artikelen 4, 5 en 6 en artikel 11, lid 4, van deze richtlijn met betrekking tot voor menselijke consumptie bedoeld water dat in een levensmiddelenbedrijf in flessen of verpakkingen wordt gedaan
iii)  de artikelen 4, 5, 6 en 11 van deze richtlijn voor water dat in een levensmiddelenbedrijf wordt geproduceerd en gebruikt voor de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen;
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn er in geen geval, direct of indirect, toe kunnen leiden dat de huidige kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water achteruitgaat, of dat de verontreiniging van water dat wordt gebruikt voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water toeneemt.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn volledig in overeenstemming zijn met het voorzorgsbeginsel en er in geen geval, direct of indirect, toe kunnen leiden dat de huidige kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water achteruitgaat, of dat de verontreiniging van water dat wordt gebruikt voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water toeneemt.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten een evaluatie van het aantal waterlekken op hun grondgebied uitvoeren, en de mogelijkheden bekijken om het aantal waterlekken in de drinkwatersector terug te dringen. In deze evaluatie wordt rekening gehouden met de relevante volksgezondheids-, milieu-, technische en economische aspecten. Uiterlijk op 31 december 2022 stellen de lidstaten nationale streefdoelen vast om de lekkagepercentages van waterleveranciers op hun grondgebied voor 31 december 2030 te beperken. De lidstaten kunnen voorzien in zinvolle stimulansen om te waarborgen dat de waterleveranciers op hun grondgebied aan de nagestreefde nationale doelstellingen voldoen.
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  Indien een bevoegde autoriteit die is belast met de productie en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water het beheer van de waterproductie of de leveringsactiviteiten volledig of gedeeltelijk overdraagt aan een waterleverancier, worden de verantwoordelijkheden van de beide partijen uit hoofde van deze richtlijn gespecificeerd in het contract tussen beide partijen.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1
1.  De lidstaten stellen voor de in bijlage I vermelde parameters de waarden vast die van toepassing zijn op voor menselijke consumptie bestemd water, die niet minder streng zijn dan de in die bijlage vermelde waarden.
1.  De lidstaten stellen voor de in bijlage I vermelde parameters de waarden vast die van toepassing zijn op voor menselijke consumptie bestemd water.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De overeenkomstig lid 1 vastgestelde waarden mogen niet minder streng zijn dan de in de delen A, B en B bis van bijlage I vermelde waarden. Voor de in bijlage I, deel B bis vermelde parameters worden de waarden uitsluitend vastgesteld voor controledoeleinden en met het oog op de door artikel 12 opgelegde verplichtingen.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat de in het watervoorzieningssysteem met het oog op ontsmetting toegepaste behandelingsmiddelen, materialen en desinfectieprocedures geen nadelig effect hebben op de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water. Eventuele verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water als gevolg van het gebruik van dergelijke middelen, materialen en procedures wordt beperkt, zonder evenwel de doeltreffendheid van de ontsmetting te ondermijnen.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – inleidende formule
Aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voor de in de lijsten in bijlage I, delen A en B, opgenomen parameters moet worden voldaan:
Aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voor de in de lijsten in bijlage I, delen A, B en C, opgenomen parameters moet worden voldaan:
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – alinea 1 – letter c
c)  voor bronwater , op het punt waarop het water in de flessen wordt gedaan .
c)  voor voor menselijke consumptie bestemd water dat in flessen of verpakkingen wordt gedaan, op het punt waarop het water in de flessen of verpakkingen wordt gedaan;
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – alinea 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  voor water dat wordt gebruikt in een levensmiddelenbedrijf waar water door een waterleverancier wordt geleverd, op het punt waar het in het bedrijf wordt gebruikt.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – alinea 1 bis (nieuw)
1 bis.  Voor water zoals omschreven in lid 1, onder a), worden de lidstaten geacht aan hun verplichtingen krachtens dit artikel, te hebben voldaan wanneer kan worden vastgesteld dat de overschrijding van de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameter wordt veroorzaakt door een privaat leidingnet of het onderhoud daarvan, behalve op prioritaire percelen.
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1 – letter a
a)  een gevarenbeoordeling van waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water, overeenkomstig artikel 8;
a)  een door de lidstaten verrichte gevarenbeoordeling van waterlichamen of delen van waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water, overeenkomstig artikel 8;
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7– lid 1 – letter b
b)  een door de waterleveranciers uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling met het oog op de controle van de kwaliteit van het door hen geleverde water, overeenkomstig artikel 9 en bijlage II, deel C;
b)  een door de waterleveranciers in elk watervoorzieningssysteem uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling met het oog op het waarborgen en controleren van de kwaliteit van het door hen geleverde water, overeenkomstig artikel 9 en bijlage II, deel C;
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De lidstaten mogen de tenuitvoerlegging van de op risico's gebaseerde benadering aanpassen, zonder dat de doelstelling van deze richtlijn betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water en de gezondheid van consumenten hierbij in het geding komt, wanneer er sprake is van bijzondere beperkingen als gevolg van geografische omstandigheden zoals een afgelegen ligging of de toegankelijkheid van waterleveringsgebieden.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  Lidstaten zorgen voor een duidelijke en passende verdeling van de verantwoordelijkheden tussen belanghebbenden, als gedefinieerd door de lidstaten, voor de toepassing van de op risico's gebaseerde benadering met betrekking tot de waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en de huishoudelijke leidingnetten. Een dergelijke verdeling van verantwoordelijkheden wordt afgestemd op hun institutioneel en juridisch kader.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 2
2.  De gevarenbeoordelingen worden uiterlijk op [3 years after the end-date for transposition of this Directive] uitgevoerd. Zij worden om de drie jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt.
2.  De gevarenbeoordelingen worden uiterlijk op ... [drie jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn] uitgevoerd. Zij worden om de drie jaar herzien, met inachtneming van het in artikel 7 van Richtlijn 2000/60/EG opgenomen voorschrift dat lidstaten waterlichamen aanwijzen, en waar nodig bijgewerkt.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 3
3.  De leveringsrisicobeoordelingen worden door zeer grote waterleveranciers en grote waterleveranciers uiterlijk op [3 years after the end-date for transposition of this Directive], en door kleine waterleveranciers uiterlijk op [6 years after the end-date for transposition of this Directive], uitgevoerd. Zij worden met regelmatige tussenpozen van niet langer dan zes jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt.
3.  De leveringsrisicobeoordelingen worden door waterleveranciers uiterlijk op ... [zes jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn], uitgevoerd. Zij worden met regelmatige tussenpozen van niet langer dan zes jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Overeenkomstig artikelen 8 en 9 van deze richtlijn nemen de lidstaten de nodige corrigerende maatregelen in het kader van de maatregelenprogramma's en stroomgebiedsbeheersplannen als bepaald in de respectieve artikelen 11 en 13 van Richtlijn 2000/60/EG.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 4
4.   De risicobeoordelingen van het huishoudelijk leidingnet worden uiterlijk op [3 years after the end-date for transposition of this Directive] uitgevoerd. Zij worden om de drie jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt.
4.   De risicobeoordelingen van het huishoudelijk leidingnet op de in artikel 10, lid 1 bedoelde percelen worden uiterlijk op ... [drie jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn] uitgevoerd. Zij worden om de drie jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt.
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – titel
Gevarenbeoordeling van waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water
Beoordeling, controle en beheer van gevaren betreffende waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – inleidende formule
1.  Onverminderd de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2000/60/EG zorgen de lidstaten ervoor dat een gevarenbeoordeling wordt uitgevoerd met betrekking tot alle voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water gebruikte waterlichamen die gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren. De gevarenbeoordeling omvat de volgende elementen:
1.  Onverminderd Richtlijn 2000/60/EG, en met name de artikelen 4 tot en met 8 ervan, zorgen de lidstaten er, samen met hun voor watervoorziening bevoegde autoriteiten, voor dat een gevarenbeoordeling wordt uitgevoerd met betrekking tot alle voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water gebruikte waterlichamen die gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren. De gevarenbeoordeling omvat de volgende elementen:
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – letter a
a)  identificatie van en georeferenties voor alle onttrekkingspunten in de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen;
a)  identificatie van en georeferenties voor alle onttrekkingspunten in de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen of delen van waterlichamen. Aangezien de in dit punt genoemde gegevens mogelijk gevoelig zijn, met name betreffende de bescherming van de volksgezondheid, waarborgen de lidstaten dat dergelijke gegevens worden beschermd en uitsluitend aan de bevoegde autoriteiten worden meegedeeld;
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – letter b
b)  kaarten van de beschermingszones, voor zover die overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG zijn vastgesteld, en de beschermde gebieden zoals bedoeld in artikel 6 van die richtlijn;
b)  kaarten van de beschermingszones, voor zover die overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG zijn vastgesteld;
Amendement 216
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – letter c
c)  identificatie van gevaren en mogelijke bronnen van verontreiniging met gevolgen voor de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen. De lidstaten kunnen hiervoor de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten gebruiken, alsmede de overeenkomstig bijlage II, punt 1.4, bij die richtlijn verzamelde informatie over significante belastingen;
c)  identificatie van gevaren en mogelijke bronnen van verontreiniging met gevolgen voor de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen. De methoden voor het onderzoek naar en de vaststelling van bronnen van verontreiniging worden regelmatig geactualiseerd zodat de nieuwe stoffen met invloed op microplastics, met name PFAS, kunnen worden gedetecteerd. De lidstaten kunnen hiervoor de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten gebruiken, alsmede de overeenkomstig bijlage II, punt 1.4, bij die richtlijn verzamelde informatie over significante belastingen;
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – letter d – inleidende formule
d)  regelmatige controle in de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen op relevante verontreinigende stoffen die uit de volgende lijsten worden geselecteerd:
d)  regelmatige controle in de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen of delen van waterlichamen op verontreinigende stoffen die relevant zijn voor de waterlevering en die uit de volgende lijsten worden geselecteerd:
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – letter d – punt iv
iv)  lijsten van overige relevante verontreinigende stoffen, zoals microplastics, of stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen, zoals door de lidstaten opgesteld op basis van de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten en de overeenkomstig bijlage II, punt 1.4, bij die richtlijn verzamelde informatie over significante belastingen.
iv)  parameters voor controledoeleinden uitsluitend in deel C bis van bijlage I, of overige relevante verontreinigende stoffen, zoals microplastics, mits er een methodologie is ingesteld voor het meten van microplastics als omschreven in artikel 11, lid 5 ter, of stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen, zoals door de lidstaten opgesteld op basis van de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten en de overeenkomstig bijlage II, punt 1.4, bij die richtlijn verzamelde informatie over significante belastingen.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Zeer kleine waterleveranciers kunnen worden vrijgesteld van de onder a), b) en c) van dit lid vermelde verplichtingen, mits de bevoegde autoriteit van tevoren over geactualiseerde, gedocumenteerde kennis beschikt over de relevante in deze punten genoemde parameters. Deze uitzondering wordt ten minste elke drie jaar door de bevoegde autoriteit herzien en indien nodig geactualiseerd.
Amendement 217
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – alinea 3
Voor de regelmatige controle kunnen de lidstaten ook gebruikmaken van de overeenkomstig andere wetgeving van de Unie uitgevoerde controles.
Voor de regelmatige controle en voor de detectie van nieuwe schadelijke stoffen dankzij nieuw onderzoek, kunnen de lidstaten ook gebruikmaken van de overeenkomstig andere wetgeving van de Unie uitgevoerde controles en ingevoerde onderzoekscapaciteit.
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 3
3.  De lidstaten stellen de waterleveranciers die het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam gebruiken op de hoogte van de resultaten van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle en kunnen, op basis van die controleresultaten:
Schrappen
a)   voorschrijven dat de waterleveranciers aanvullende controles of behandeling uitvoeren voor bepaalde parameters;
b)   toestaan dat de waterleveranciers de controlefrequentie voor bepaalde parameters verlagen, zonder hen ertoe te verplichten een leveringsrisicobeoordeling uit te voeren, mits het niet gaat om kernparameters in de zin van bijlage II, deel B, punt 1, en mits geen enkele redelijkerwijs te voorziene factor aanwezig is waardoor de kwaliteit van het water achteruit zou kunnen gaan.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 4
4.  In gevallen waarin wordt toegestaan dat een waterleverancier de controlefrequentie verlaagd, zoals bedoeld in lid 3, onder b), blijven de lidstaten regelmatig controleren op die parameters in het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam.
Schrappen
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5 – alinea 1 – inleidende formule
Op basis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 verzamelde informatie en de krachtens Richtlijn 2000/60/EG vergaarde informatie nemen de lidstaten in samenwerking met de waterleveranciers en andere belanghebbenden de volgende maatregelen, of zorgen zij ervoor dat die maatregelen door de waterleveranciers worden genomen:
Op basis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 verzamelde informatie en de krachtens Richtlijn 2000/60/EG vergaarde informatie nemen de lidstaten in samenwerking met de waterleveranciers en andere belanghebbenden de volgende maatregelen:
Amendement 178
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5 – alinea 1 – letter a
a)  preventiemaatregelen om het vereiste niveau van de behandeling te verlagen en de waterkwaliteit veilig te stellen, met inbegrip van de in artikel 11, lid 3, onder d), van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde maatregelen;
Schrappen
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  maatregelen om te waarborgen dat vervuilers, in samenwerking met waterleveranciers en andere relevante belanghebbenden, preventiemaatregelen nemen om het vereiste niveau van de behandeling te verlagen of behandeling te vermijden en de waterkwaliteit veilig te stellen, met inbegrip van de in artikel 11, lid 3, onder d), van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde maatregelen, evenals aanvullende maatregelen die op basis van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle noodzakelijk worden geacht;
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5 – alinea 1 – letter b
b)  verzachtende maatregelen die op basis van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle noodzakelijk worden geacht om de bron van de verontreiniging te identificeren en aan te pakken.
b)  verzachtende maatregelen die op basis van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle noodzakelijk worden geacht om de bron van de verontreiniging te identificeren en aan te pakken en aanvullende behandeling te vermijden, wanneer preventiemaatregelen worden verondersteld niet haalbaar of niet voldoende effectief te zijn om de bron van verontreiniging tijdig aan te pakken.
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)  indien de onder a bis) en b)genoemde maatregelen niet toereikend worden geacht om de volksgezondheid adequaat te beschermen, van waterleveranciers eisen dat zij voor bepaalde parameters aanvullende controles uitvoeren op het onttrekkingspunt of, indien dit strikt noodzakelijk is om gezondheidsrisico's te voorkomen, behandeling uitvoeren;
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  De lidstaten stellen de waterleveranciers die het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam of delen van het waterlichaam gebruiken op de hoogte van de resultaten van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle en kunnen, op basis van die controleresultaten en de op grond van de leden 1 en 2 en krachtens Richtlijn 2000/60/EG verzamelde informatie:
a)  toestaan dat de waterleveranciers de controlefrequentie voor bepaalde parameters of het aantal parameters dat wordt gecontroleerd verlagen, zonder hen ertoe te verplichten een leveringsrisicobeoordeling uit te voeren, mits het niet gaat om kernparameters in de zin van bijlage II, deel B, punt 1, en mits geen enkele redelijkerwijs te voorziene factor aanwezig is waardoor de kwaliteit van het water achteruit zou kunnen gaan;
b)  in gevallen waarin wordt toegestaan dat een waterleverancier de controlefrequentie verlaagd, zoals bedoeld onder a), regelmatig blijven controleren op die parameters in het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam.
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – titel
Leveringsrisicobeoordeling
Leveringsrisicobeoordeling, -controle en -beheer
Amendement 87
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten zorgen ervoor dat waterleveranciers een leveringsrisicobeoordeling uitvoeren, waarbij zij de mogelijkheid bieden de controlefrequentie voor elk van de in de lijsten in bijlage I, delen A en B, opgenomen parameters, voor zover het geen kernparameters overeenkomstig bijlage II, deel B, betreft, aan te passen, afhankelijk van het optreden ervan in het onbehandelde water.
De lidstaten zorgen ervoor dat waterleveranciers een leveringsrisicobeoordeling uitvoeren in overeenstemming met bijlage II, deel C, waarbij zij de mogelijkheid bieden de controlefrequentie voor elk van de in de lijsten in bijlage I, delen A, B en B bis, opgenomen parameters, voor zover het geen kernparameters overeenkomstig bijlage II, deel B, betreft, aan te passen, afhankelijk van het optreden ervan in het onbehandelde water.
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1 – alinea 2
Voor die parameters zorgen de lidstaten ervoor dat de waterleveranciers overeenkomstig de specificaties in bijlage II, deel C, af mogen wijken van de in bijlage II, deel B, vastgestelde bemonsteringsfrequenties.
Voor die parameters zorgen de lidstaten ervoor dat de waterleveranciers overeenkomstig de specificaties in bijlage II, deel C, en afhankelijk van het optreden ervan in het onbehandelde water en de behandelopzet, af mogen wijken van de in bijlage II, deel B, vastgestelde bemonsteringsfrequenties.
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1 – alinea 3
Met het oog daarop worden de waterleveranciers ertoe verplicht rekening te houden met de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn uitgevoerde gevarenbeoordeling en van de overeenkomstig artikel 7, lid 1, en artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde monitoring.
Met het oog daarop houden de waterleveranciers rekening met de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn uitgevoerde gevarenbeoordeling en van de overeenkomstig artikel 7, lid 1, en artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde monitoring.
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De lidstaten kunnen zeer kleine waterleveranciers vrijstelling verlenen van lid 1, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit beschikt over eerdere, gedocumenteerde en actuele kennis over de relevante parameters en van mening is dat deze vrijstellingen geen risico voor de volksgezondheid zullen opleveren, onverminderd de verplichtingen van de autoriteit uit hoofde van artikel 4.
Deze vrijstellingen worden ten minste om de 3 jaar of wanneer een nieuw verontreinigingsrisico in het stroomgebied is vastgesteld door de bevoegde autoriteit beoordeeld, en worden waar nodig bijgewerkt.
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 2
2.  Leveringsrisicobeoordelingen worden door de bevoegde autoriteiten goedgekeurd.
2.  Leveringsrisicobeoordelingen zijn de verantwoordelijkheid van de waterleveranciers die waarborgen dat deze beoordelingen voldoen aan deze richtlijn. Hiertoe kunnen waterleveranciers ondersteuning van de bevoegde autoriteiten vragen.
De lidstaten kunnen de bevoegde autoriteiten ertoe verplichten de leveringsrisicobeoordelingen van de waterleveranciers goed te keuren of te controleren.
Amendement 92
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Op basis van de resultaten van de krachtens lid 1 uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling zorgen de lidstaten ervoor dat de waterleveranciers een waterveiligheidsplan opstellen dat geschikt is voor de geïdentificeerde risico's en in verhouding staat tot de omvang van de waterleverancier. Dit waterveiligheidsplan kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de gebruikte materialen die in contact komen met water, waterbehandelingsproducten, mogelijke risico's als gevolg van lekkende leidingen of maatregelen voor aanpassingen aan huidige en toekomstige uitdagingen, zoals de klimaatverandering, en wordt nader gespecificeerd door de lidstaten.
Amendement 93
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – titel
Risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet
Beoordeling, controle en beheer van de risico’s betreffende het huishoudelijk leidingnet
Amendement 94
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – inleidende formule
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet wordt uitgevoerd, die de volgende elementen omvat:
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet in prioritaire percelen wordt uitgevoerd, die de volgende elementen omvat:
Amendement 95
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – letter a
a)  een beoordeling van de potentiële risico’s in verband met de huishoudelijke leidingnetten en de daarmee samenhangende producten en materialen, en van de vraag of deze risico’s van invloed zijn op de kwaliteit van het water op de plaatsen waar het uit de kranen komt die normaliter worden gebruikt voor menselijke consumptie, met name waar het publiek van water wordt voorzien in prioritaire percelen;
a)  een beoordeling van de potentiële risico’s in verband met de huishoudelijke leidingnetten en de daarmee samenhangende producten en materialen, en van de vraag of deze risico’s van invloed zijn op de kwaliteit van het water op de plaatsen waar het uit de kranen komt die normaliter worden gebruikt voor menselijke consumptie;
Amendement 96
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – letter b – alinea 1
b)  regelmatige controle van de in de lijst in bijlage I, deel C, opgenomen parameters in percelen waar het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid het grootst wordt geacht. Relevante parameters en percelen voor de controle worden geselecteerd op basis van de onder a) bedoelde beoordeling.
b)  regelmatige controle van de in de lijst in bijlage I, deel C, opgenomen parameters in prioritaire percelen waar tijdens de onder a) bedoelde beoordeling specifieke risico's voor de waterkwaliteit zijn vastgesteld.
Amendement 97
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – letter b – alinea 2
Met betrekking tot de regelmatige controle zoals bedoeld in de eerste alinea, kunnen de lidstaten een controlestrategie opstellen die op prioritaire percelen is toegespitst;
Met betrekking tot de regelmatige controle waarborgen de lidstaten toegang tot de installaties in de prioritaire percelen voor de bemonstering en kunnen zij een controlestrategie opstellen, met name betreffende Legionella pneumophila;
Amendement 98
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – letter c
c)  verificatie of de prestaties van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water adequaat zijn ten opzichte van de essentiële kenmerken in verband met de in bijlage I, punt 3, onder e), bij Verordening (EU) nr. 305/2011 gespecificeerde fundamentele eis voor bouwwerken.
c)  verificatie of de prestaties van producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water adequaat zijn ten opzichte van de bescherming van de volksgezondheid.
Amendement 99
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  verificatie of de gebruikte materialen geschikt zijn om in contact te komen met voor menselijke consumptie bedoeld water en of wordt voldaan aan de in artikel 11 genoemde vereisten.
Amendement 100
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 2
2.  Indien de lidstaten op basis van de beoordeling overeenkomstig lid 1, onder a), van mening zijn dat er een risico bestaat voor de volksgezondheid dat voortvloeit uit het huishoudelijk leidingnet of uit de daarmee samenhangende producten en materialen, of indien uit de controle overeenkomstig lid 1, onder b), blijkt dat niet aan de parameterwaarden van bijlage I, deel C, wordt voldaan:
2.  Indien de lidstaten op basis van de beoordeling overeenkomstig lid 1, onder a), van mening zijn dat er een risico bestaat voor de volksgezondheid dat voortvloeit uit het huishoudelijk leidingnet van prioritaire percelen of uit de daarmee samenhangende producten en materialen, of indien uit de controle overeenkomstig lid 1, onder b), blijkt dat niet aan de parameterwaarden van bijlage I, deel C, wordt voldaan, waarborgen de lidstaten dat passende maatregelen worden genomen om het risico op niet-naleving van de parameterwaarden van bijlage I, deel C weg te nemen of te beperken.
a)  nemen zij passende maatregelen om het risico op de niet-naleving van de parameterwaarden van bijlage I, deel C weg te nemen of te verkleinen;
b)  nemen zij alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat de migratie van stoffen of chemicaliën uit bouwproducten die worden gebruikt bij de bereiding of distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, geen direct of indirect gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert;
c)  nemen zij, in samenwerking met de waterleveranciers, andere maatregelen, zoals de toepassing van adequate conditioneringstechnieken, om de aard of de eigenschappen van het water voor de levering zodanig te veranderen dat het risico op niet-naleving van de parameterwaarden na de levering, wordt weggenomen of verkleind;
d)  informeren en adviseren zij de consumenten naar behoren over de voorwaarden voor consumptie en gebruik van het water en over mogelijke maatregelen om te voorkomen dat het risico zich opnieuw voordoet;
e)  organiseren zij scholing voor loodgieters en andere beroepsgroepen die zich bezighouden met huishoudelijke leidingnetten en de installatie van bouwproducten;
f)  zorgen zij er wat betreft Legionella voor dat er doeltreffende controle- en beheersmaatregelen beschikbaar zijn om mogelijke ziekte-uitbraken te voorkomen en aan te pakken.
Amendement 101
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Om de met het huishoudelijke leidingnet samenhangende risico's te beperken in alle huishoudelijke leidingnetten:
a)  moedigen de lidstaten eigenaren van openbare en particuliere percelen aan een risicobeoordeling van het huishoudelijke leidingnet uit te voeren;
b)  informeren de lidstaten de consumenten en eigenaren van openbare en particuliere percelen over de maatregelen om het risico op de niet-naleving van de kwaliteitseisen van voor menselijke consumptie bestemd water als gevolg van het huishoudelijk leidingnet weg te nemen of te beperken;
c)  informeren en adviseren de zij de consumenten naar behoren over de voorwaarden voor consumptie en gebruik van het water en over mogelijke maatregelen om te voorkomen dat het risico zich opnieuw voordoet;
d)  organiseren zij scholing voor loodgieters en andere beroepsgroepen die zich bezighouden met huishoudelijke leidingnetten en de installatie van bouwproducten en materialen die in contact komen met water; en
e)  zorgen de lidstaten er wat betreft Legionella, en in het bijzonder Legionella pneumophila, voor dat er doeltreffende controle- en beheersmaatregelen beschikbaar zijn die evenredig zijn met het risico om mogelijke uitbraken van de ziekte te voorkomen en aan te pakken.
Amendement 102
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Minimumvereisten inzake hygiënecriteria voor producten, stoffen en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water
1.   De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat de stoffen en materialen voor de vervaardiging van nieuwe producten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en die in de handel worden gebracht en gebruikt voor de onttrekking, behandeling of distributie of dat de onzuiverheden die uit die stoffen voortkomen:
a)  de bescherming van de volksgezondheid zoals bedoeld in deze richtlijn niet direct of indirect verminderen;
b)  de geur en de smaak van voor menselijke consumptie bestemd water niet aantasten;
c)  niet in een zodanige concentratie in voor menselijke consumptie bestemd water aanwezig zijn dat het niveau dat nodig is om het doel te bereiken waarvoor ze worden gebruikt, wordt overschreden; en
d)  de microbiologische ontwikkeling niet bevorderen.
2.   Om de geharmoniseerde toepassing van lid 1 te waarborgen, stelt de Commissie uiterlijk ... [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] gedelegeerde handelingen vast overeenkomstig artikel 19 om deze richtlijn aan te vullen, waarbij de minimumvereisten inzake hygiënecriteria en de lijst van binnen de Unie toegelaten stoffen die worden gebruikt voor de productie van materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water worden vastgesteld, met inbegrip van, in voorkomend geval, specifieke migratielimieten en bijzondere gebruiksvoorwaarden. De Commissie herziet en actualiseert deze lijst regelmatig op basis van de laatste wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen.
3.  Om de Commissie te ondersteunen bij het vaststellen en wijzigen van de gedelegeerde handelingen uit hoofde van lid 2, wordt een permanent comité opgezet dat bestaat uit vertegenwoordigers die door de lidstaten worden aangewezen, waarbij een beroep kan worden gedaan op deskundigen of adviseurs.
4.  De materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water die onder andere rechtshandelingen van de Unie vallen, zoals Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad1bis, beantwoorden aan de in de leden 1 en 2 van dit artikel gestelde eisen.
______________
1 bis Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5).
Amendement 103
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 1
1.  Om na te gaan of het voor de verbruikers beschikbare water aan de vereisten van deze richtlijn en in het bijzonder aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voldoet, treffen de lidstaten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water regelmatig wordt gecontroleerd. Er worden monsters genomen die representatief zijn voor de kwaliteit van het gedurende het jaar verbruikte water. Ingeval voor menselijke consumptie bestemd water bij de bereiding of distributie gedesinfecteerd wordt, treffen de lidstaten voorts alle maatregelen om ervoor te zorgen dat de doelmatigheid van de toegepaste desinfectiebehandeling wordt gecontroleerd.
1.  Om na te gaan of het voor menselijke consumptie bestemd water aan de vereisten van deze richtlijn en in het bijzonder aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voldoet, treffen de lidstaten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit ervan regelmatig wordt gecontroleerd. Er worden monsters genomen die representatief zijn voor de kwaliteit van het gedurende het jaar verbruikte water. Ingeval voor menselijke consumptie bestemd water bij de bereiding of distributie gedesinfecteerd wordt, treffen de lidstaten voorts alle maatregelen om ervoor te zorgen dat de doelmatigheid van de toegepaste desinfectiebehandeling wordt gecontroleerd.
Amendement 104
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk... [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] en vervolgens ieder jaar in kennis van de resultaten van de uitgevoerde controle van de in de lijsten in bijlage I, deel C bis, opgenomen parameters.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op het wijzigen van deze richtlijn, door de lijst van "onder toezicht" geplaatste parameters in deel C bis van bijlage I te actualiseren. De Commissie kan besluiten stoffen toe te voegen indien het risico bestaat dat deze in voor menselijke consumptie bestemd water voorkomen en een potentieel gevaar voor de volksgezondheid, maar waarvoor wetenschappelijke gegevens niet hebben aangetoond dat er een risico voor de gezondheid van de mens aan verbonden is. Daartoe baseert de Commissie zich met name op het wetenschappelijk onderzoek van de WHO. De toevoeging van elke nieuwe stof moet naar behoren worden gemotiveerd op grond van artikel 1 van deze richtlijn.
Amendement 105
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 5 ter (nieuw)
5 ter.  Uiterlijk... [één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast teneinde deze richtlijn aan te vullen door een methodologie vast te stellen om de in de lijst van "onder toezicht" geplaatste parameters in deel C bis van bijlage I opgenomen microplastics te meten.
Amendement 106
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 1
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat elk geval waarin niet aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden wordt voldaan, onmiddellijk wordt onderzocht om de oorzaak vast te stellen.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat elk geval waarin op de plaats waar overeenkomstig artikel 6 aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan, niet aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden wordt voldaan, onmiddellijk wordt onderzocht om de oorzaak vast te stellen.
Amendement 107
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 2 – alinea 2
In geval van niet-naleving van de parameterwaarden in bijlage I, deel C, omvatten de herstelmaatregelen de in artikel 10, lid 2, onder a) tot en met f), bedoelde maatregelen.
In geval van niet-naleving van de parameterwaarden in bijlage I, deel C, omvatten de herstelmaatregelen de in artikel 10, lid 2 bis, bedoelde maatregelen.
Amendement 108
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 3 – alinea 2
De lidstaten beschouwen elk geval van niet-naleving van de in bijlage I, delen A en B, vastgestelde minimumvereisten voor de parameterwaarden als een potentieel gevaar voor de volksgezondheid.
De lidstaten beschouwen een geval van niet-naleving van de in bijlage I, delen A en B, vastgestelde minimumvereisten voor de parameterwaarden als een potentieel gevaar voor de volksgezondheid, behalve wanneer de bevoegde autoriteiten de niet-naleving van parameterwaarden onbeduidend achten.
Amendement 109
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 4 – inleidende formule
4.  In de in de leden 2 en 3 beschreven gevallen nemen de lidstaten zo spoedig mogelijk alle volgende maatregelen:
4.  In de in de leden 2 en 3 beschreven gevallen nemen de lidstaten, zodra de niet-naleving van de parameterwaarden wordt beschouwd als een potentieel gevaar voor de menselijke gezondheid, zo spoedig mogelijk alle volgende maatregelen:
Amendement 110
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
De onder a), b) en c) vermelde maatregelen worden genomen in samenwerking met de betrokken waterleverancier.
Amendement 111
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 5
5.  De bevoegde autoriteiten of andere betrokken instanties besluiten welke maatregelen krachtens lid 3 worden genomen en houden daarbij tevens rekening met de risico’s die onderbreking van de levering of inperking van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water zouden opleveren voor de volksgezondheid.
5.  Wanneer de niet-conformiteit wordt vastgesteld op de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan, besluiten de bevoegde autoriteiten of andere betrokken instanties welke maatregelen krachtens lid 3 worden genomen en houden daarbij tevens rekening met de risico’s die onderbreking van de levering of inperking van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water zouden opleveren voor de volksgezondheid.
Amendement 112
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 bis (nieuw)
Artikel 12 bis
Afwijkingen
1.  De lidstaten kunnen tot een door hen vast te stellen maximumwaarde voorzien in afwijkingen van de parameterwaarden van bijlage I, deel B, of die welke zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, indien de afwijking geen gevaar vormt voor de volksgezondheid en de levering van voor menselijke consumptie bestemd water in het betrokken gebied op geen enkele andere redelijke manier kan worden verzekerd. Deze afwijkingen worden beperkt tot de volgende gevallen:
a)  een nieuw waterleveringsgebied;
b)  een nieuwe bron van verontreiniging in een waterleveringsgebied of nieuw opgespoorde of vastgestelde parameters.
Afwijkingen worden gebonden aan een zo kort mogelijke termijn die niet langer mag zijn dan drie jaar. Aan het einde van deze termijn voeren de lidstaten een evaluatie uit om na te gaan of de situatie voldoende is verbeterd.
Onder uitzonderlijke omstandigheden kan een lidstaat een tweede afwijking ten aanzien van de punten a) en b) van de eerste alinea toestaan. Lidstaten die een tweede maal een afwijking willen toestaan, zenden de evaluatie en de redenen waarop hun besluit omtrent die tweede afwijking is gebaseerd, toe aan de Commissie. Een dergelijke tweede afwijking geldt voor maximaal drie jaar.
2.  Elke toegekende afwijking overeenkomstig lid 1 omvat de volgende informatie:
a)  de redenen van de afwijking;
b)  de parameter waarop het besluit omtrent de afwijking betrekking heeft, voorgaande relevante controleresultaten die met deze parameter verband houden en de maximaal toelaatbare waarde ingevolge het besluit omtrent de afwijking;
c)  het geografisch gebied, de hoeveelheid geleverd water per dag, de betrokken bevolkingsgroep en of de afwijking al dan niet gevolgen heeft voor enig betrokken levensmiddelenbedrijf;
d)  een passend controleschema met, zo nodig, een verhoogde controlefrequentie;
e)  een samenvatting van het plan voor de noodzakelijke herstelmaatregelen, met inbegrip van een tijdschema voor het werk, een raming van de kosten en voorzieningen voor de evaluatie; en
f)  de vereiste duur van de afwijking.
3.  Indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de overschrijding van de parameterwaarde onbeduidend is en indien herstelmaatregelen overeenkomstig artikel 12, lid 2, het probleem binnen maximaal 30 dagen kunnen oplossen, moeten de inlichtingen van lid 2 van dit artikel niet worden vermeld in de afwijking.
In dat geval stellen de bevoegde autoriteiten of andere bij de afwijking betrokken instanties alleen de maximaal toelaatbare parameterwaarde vast en de tijd waarin het probleem moet worden opgelost.
4.  Lid 3 kan niet langer worden toegepast wanneer dezelfde parameterwaarde voor een bepaalde waterlevering in de voorafgaande twaalf maanden in totaal meer dan 30 dagen is overschreden.
5.  De lidstaten die van de in dit artikel bedoelde afwijkingsmogelijkheden gebruik hebben gemaakt, zorgen ervoor dat de betrokken bevolking zo spoedig mogelijk naar behoren over het besluit omtrent de afwijking en de daaraan verbonden voorwaarden wordt geïnformeerd. Bovendien zorgen de lidstaten ervoor dat specifieke bevolkingsgroepen waarvoor de afwijking een speciaal risico kan opleveren zo nodig advies wordt verstrekt.
Behoudens andersluidend besluit van de bevoegde autoriteiten, zijn de in de eerste alinea genoemde verplichtingen niet van toepassing in de in lid 3 vermelde omstandigheden.
6.  Met uitzondering van afwijkingen krachtens lid 3, stellen de lidstaten de Commissie binnen twee maanden in kennis van afwijkingen die betrekking hebben op een waterlevering van gemiddeld meer dan 1 000 m3 per dag of aan meer dan 5 000 personen; daarbij verstrekken zij de in lid 2 genoemde gegevens.
7.  De bepalingen van dit artikel hebben geen betrekking op voor menselijke consumptie bestemd water dat in flessen of verpakkingen te koop wordt aangeboden.
Amendementen 113, 165, 191, 208, 166, 192, 169, 195, 170, 196, 197, 220
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 1
1.  Onverminderd artikel 9 van Richtlijn 2000/60/EG nemen de lidstaten alle nodige maatregelen ter verbetering van de toegang voor iedereen tot voor menselijke consumptie bestemd water en ter bevordering van het gebruik ervan op hun grondgebied. Deze omvatten alle hieronder genoemde maatregelen:
1.  Onverminderd artikel 9 van Richtlijn 2000/60/EG en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid nemen de lidstaten, hierbij rekening houdend met de lokale en regionale perspectieven en omstandigheden met betrekking tot de distributie van water, alle nodige maatregelen ter verbetering van de toegang voor iedereen tot voor menselijke consumptie bestemd water en ter bevordering van het gebruik ervan op hun grondgebied.
a)  de identificatie van personen die geen toegang hebben tot voor menselijke consumptie bestemd water en de redenen waarom zij geen toegang hebben (zoals het behoren tot een kwetsbare en gemarginaliseerde groep), het beoordelen van de mogelijkheden om de toegang voor deze mensen te verbeteren en de informatieverstrekking aan deze mensen over de mogelijkheden om te worden aangesloten op het distributienet of over alternatieve manieren om toegang tot dat water te krijgen;
a)  de identificatie van personen die geen of beperkte toegang hebben tot voor menselijke consumptie bestemd water, met inbegrip van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, en de redenen waarom zij geen toegang hebben, het beoordelen van de mogelijkheden en het treffen van maatregelen om de toegang voor deze mensen te verbeteren en de informatieverstrekking aan deze mensen over de mogelijkheden om te worden aangesloten op het distributienet of over alternatieve manieren om toegang tot dat water te krijgen;
a bis)   het waarborgen van de openbare voorziening van voor menselijke consumptie bestemd water;
b)  het opzetten en onderhouden van apparatuur buiten en binnen voor vrije toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water in openbare ruimten;
b)  het opzetten en onderhouden van apparatuur buiten en binnen, met inbegrip van bijvulpunten, voor vrije toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water in openbare ruimten, met name in gebieden waar veel mensen komen; dit wordt gedaan voor zover technisch haalbaar, op een wijze die in verhouding staat tot de behoefte aan dergelijke maatregelen en waarbij specifieke plaatselijke omstandigheden in aanmerking worden genomen, zoals klimaat en geografie;
c)  het stimuleren van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water door:
c)  het stimuleren van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water door:
i)  campagnes te lanceren om burgers te informeren over de kwaliteit van dat water;
i)  campagnes te lanceren om burgers te informeren over de hoge kwaliteit van kraanwater en om de bekendheid te vergroten van het dichtstbijzijnde aangewezen bijvulpunt;
i bis)  campagnes te lanceren om het grote publiek aan te moedigen herbruikbare waterflessen te gebruiken en initiatieven op te starten om mensen op de hoogte te brengen van de locatie van bijvulpunten;
(ii)  de verstrekking van dat water in openbare en overheidsgebouwen aan te moedigen;
(ii)  de gratis verstrekking van dat water in openbare en overheidsgebouwen te verzekeren en het gebruik van water in plastic flessen of verpakkingen voor eenmalig gebruik in dergelijke openbare en overheidsgebouwen te ontmoedigen;
iii)  de gratis verstrekking van dat water door restaurants, kantines en cateringdiensten aan te moedigen.
iii)  het gratis of tegen een lage dienstvergoeding verstrekken aan klanten van dat water door restaurants, kantines en cateringdiensten aan te moedigen.
Amendement 114
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2 – alinea 1
Op basis van de uit hoofde van lid 1, onder a), verzamelde informatie nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen te waarborgen.
Op basis van de uit hoofde van lid 1, onder a), verzamelde informatie nemen de lidstaten maatregelen die zij nodig en passend achten om de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen te waarborgen.
Amendementen 173, 199 en 209
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Wanneer er krachtens dit artikel verplichtingen rusten op lokale overheidsinstanties uit hoofde van het nationaal recht, zorgen de lidstaten ervoor dat deze autoriteiten de financiële en andere middelen hebben om toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water te waarborgen en dat eventuele maatregelen in dit verband in verhouding staan tot de capaciteit en de omvang van het betreffende distributienet.
Amendementen 174, 200 en 210
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.   Op basis van de gegevens die worden verzameld uit hoofde van de bepalingen in artikel 15, lid 1, onder a), werkt de Commissie met de lidstaten en de Europese Investeringsbank samen om gemeenten in de Unie die onvoldoende kapitaal hebben te helpen toegang te krijgen tot technische ondersteuning, beschikbare Unie-fondsen en langetermijnleningen tegen een preferentieel rentetarief, met name om waterinfrastructuur te onderhouden en vernieuwen om de levering van kwalitatief hoogwaardig water te garanderen en de water- en sanitaire diensten uit te breiden zodat deze ook beschikbaar zijn voor kwetsbare en gemarginaliseerde bevolkingsgroepen.
Amendement 116
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 1
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat passende en actuele informatie over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water online ter beschikking staat van alle personen aan wie dat water wordt geleverd, overeenkomstig bijlage IV.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat passende, actuele en toegankelijke informatie over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water online, of op een andere gebruikersvriendelijke wijze, ter beschikking staat van alle personen aan wie dat water wordt geleverd, overeenkomstig bijlage IV, met inachtneming van alle toepasselijke gegevensbeschermingsregels.
Amendement 117
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – inleidende formule
De lidstaten zorgen ervoor dat alle personen aan wie dat water wordt geleverd, regelmatig en ten minste eenmaal per jaar en in de meest geschikte vorm (bijvoorbeeld op hun factuur of door middel van slimme applicaties), zonder dat zij daarom hoeven te vragen, de volgende informatie ontvangen:
De lidstaten zorgen ervoor dat alle personen aan wie dat water wordt geleverd, regelmatig en ten minste eenmaal per jaar en in de meest geschikte en makkelijk toegankelijke vorm (bijvoorbeeld op hun factuur of door middel van slimme applicaties), als bepaald door de bevoegde autoriteiten, de volgende informatie ontvangen:
Amendement 118
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter a – inleidende formule
a)  informatie over de kostenstructuur van het berekende tarief per kubieke meter voor menselijke consumptie bestemd water, met inbegrip van vaste en variabele kosten, waarbij ten minste vermelding gemaakt wordt van de kosten in verband met de volgende elementen:
a)  indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel informatie over de kostenstructuur van het berekende tarief per kubieke meter voor menselijke consumptie bestemd water, met inbegrip van de verdeling van de vaste en variabele kosten;
Amendement 119
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter a – punt i
i)  de door de waterleveranciers genomen maatregelen met het oog op de gevarenbeoordeling uit hoofde van artikel 8, lid 5;
Schrappen
Amendement 120
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter a – punt ii
ii)  de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water;
Schrappen
Amendement 121
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter a – punt iii
iii)  de verzameling en behandeling van afvalwater;
Schrappen
Amendement 122
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter a – punt iv
iv)  maatregelen genomen uit hoofde van artikel 13, indien de waterleveranciers dergelijke maatregelen hebben genomen;
Schrappen
Amendement 123
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  informatie over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, inclusief de indicatorparameters;
Amendement 124
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter b
b)  de prijs per liter en per kubieke meter van het voor menselijke consumptie bestemde water;
b)  indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel, de prijs per liter en per kubieke meter van de levering van het voor menselijke consumptie bestemde water; indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel, de totale jaarlijkse kosten die ten laste komen van het watersysteem om te zorgen voor naleving van deze richtlijn, vergezeld van relevante en achtergrondinformatie over hoe voor menselijke consumptie bestemd water aan het gebied wordt geleverd;
Amendement 125
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)   de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water;
Amendement 126
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter c
c)  de door het huishouden verbruikte hoeveelheid, ten minste per jaar of per factureringsperiode, samen met de jaarlijkse tendens in het verbruik;
c)  de door het huishouden verbruikte hoeveelheid, ten minste per jaar of per factureringsperiode, samen met de jaarlijkse tendens in het huishoudelijke verbruik, voor zover dit technisch mogelijk is en uitsluitend indien de waterleverancier over deze gegevens beschikt;
Amendement 127
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter d
d)  vergelijking van het jaarlijkse waterverbruik van het huishouden met een gemiddeld verbruik voor een huishouden in dezelfde categorie;
d)  vergelijking van het jaarlijkse waterverbruik van het huishouden met een gemiddeld verbruik voor een huishouden, voor zover van toepassing ingevolge letter c;
Amendement 128
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 2
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de uit hoofde van de eerste alinea te verstrekken informatie wordt gespecificeerd. Die uitvoeringsmaatregelen worden volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
De lidstaten stellen een duidelijke verdeling vast van de verantwoordelijkheden met betrekking tot de informatieverstrekking uit hoofde van de eerste alinea, tussen waterleveranciers, belanghebbenden en bevoegde lokale instanties. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn waarin het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de uit hoofde van de eerste alinea te verstrekken informatie worden gespecificeerd.
Amendement 129
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 1 – alinea 1 – letter d
d)  een gegevensverzameling samen, die zij vervolgens jaarlijks bijwerken, en die informatie bevat over incidenten met het drinkwater die een potentieel gevaar voor de volksgezondheid hebben veroorzaakt, ongeacht of zich een geval van niet-naleving van de parameterwaarden heeft voorgedaan, die langer dan tien dagen achter elkaar heeft geduurd en ten minste 1 000 mensen heeft getroffen, met inbegrip van de oorzaken van die incidenten en de overeenkomstig artikel 12 genomen maatregelen.
d)  een gegevensverzameling samen, die zij vervolgens jaarlijks bijwerken, en die informatie bevat over incidenten met het drinkwater die een potentieel risico voor de volksgezondheid hebben veroorzaakt, ongeacht of zich een geval van niet-naleving van de parameterwaarden heeft voorgedaan, die langer dan tien dagen achter elkaar heeft geduurd en ten minste 1 000 mensen heeft getroffen, met inbegrip van de oorzaken van die incidenten en de overeenkomstig artikel 12 genomen maatregelen.
Amendement 130
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 4 – alinea 1
4.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de overeenkomstig de leden 1 en 3 te verstrekken informatie wordt gespecificeerd, met inbegrip van gedetailleerde voorschriften voor de indicatoren, de overzichtskaarten voor de hele Unie en de overzichtsverslagen over de lidstaten, zoals bedoeld in lid 3.
4.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn waarin het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de overeenkomstig de leden 1 en 3 te verstrekken informatie wordt gespecificeerd, met inbegrip van gedetailleerde voorschriften voor de indicatoren, de overzichtskaarten voor de hele Unie en de overzichtsverslagen over de lidstaten, zoals bedoeld in lid 3.
Amendement 131
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 4 – alinea 2
De in de eerste alinea bedoelde richtsnoeren worden volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Schrappen
Amendement 132
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 – lid 2 – letter b
b)  de bepalingen inzake de toegang tot water van artikel 13;
b)  de bepalingen inzake de toegang tot water van artikel 13 en het aandeel van de bevolking dat geen toegang tot water heeft;
Amendement 133
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 – lid 2 – letter c
c)  de bepalingen met betrekking tot de aan het publiek te verstrekken informatie van artikel 14 en bijlage IV.
c)  de bepalingen met betrekking tot de aan het publiek te verstrekken informatie van artikel 14 en bijlage IV, met inbegrip van een gebruikersvriendelijk overzicht op Unieniveau van de in punt 7 van bijlage IV genoemde gegevens.
Amendement 134
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De Commissie doet aan het Europees Parlement en de Raad uiterlijk ... [vijf jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn] en daarna wanneer passend een verslag toekomen over het potentiële gevaar van microplastics, geneesmiddelen en eventueel andere opkomende verontreinigende stoffen voor bronnen van voor menselijke consumptie bestemd water, en over de daarmee verbonden potentiële gezondheidsrisico's. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 19 indien nodig gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn door de specificatie van de maximumwaarden voor microplastics, geneesmiddelen en andere opkomende verontreinigende stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.
Amendement 135
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De Commissie beoordeelt uiterlijk ... [vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] of artikel 10 bis heeft geleid tot een toereikend niveau van harmonisatie van de hygiënevereisten voor materialen en producten die in contact komen met drinkwater, en neemt indien noodzakelijk aanvullende passende maatregelen.
Amendement 136
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 2
2.  Door de lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 98/83/EG toegestane afwijkingen die op [end-date for transposition of this Directive] nog steeds van toepassing zijn, blijven van toepassing tot de afloop van hun termijn. Zij mogen niet verder worden verlengd.
2.  Door de lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 98/83/EG toegestane afwijkingen die op [end-date for transposition of this Directive] nog steeds van toepassing zijn, blijven van toepassing tot de afloop van hun termijn.
Amendement 179
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – deel A – tabel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Clostridium perfringens-sporen

0

Aantal/100 ml

Colibacteriën

0

Aantal/100 ml

Enterokokken

0

Aantal/100 ml

Escherichia coli (E. coli)

0

Aantal/100 ml

Heterotroof kiemgetal (HPC) bij 22° C

Geen abnormale verandering

 

Somatische colifagen

0

Aantal/100 ml

Troebelingsgraad

< 1

NTE

Amendement

Parameter

Parameterwaarde

Parameter

Clostridium perfringens-sporen

0

Aantal/100 ml

Enterokokken

0

Aantal/100 ml

Escherichia coli (E. coli)

0

Aantal/100 ml

Somatische colifagen

0

Aantal/100 ml

Noot:

De in dit deel vermelde parameters gelden niet voor bronwater en mineraalwater overeenkomstig Richtlijn 2009/54/EG.

Amendementen 138 en 180
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – Deel B – tabel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Chemische parameters

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Acrylamide

0,10

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Antimoon

5,0

μg/l

 

Arsenicum

10

μg/l

 

Benzeen

1,0

μg/l

 

Benzo(a)pyreen

0,010

μg/l

 

ß-Oestradiol (50-28-2)

0,001

μg/l

 

Bisfenol A

0,01

μg/l

 

Boor

1,0

mg/l

 

Bromaat

10

μg/l

 

Cadmium

5,0

μg/l

 

Chloraat

0,25

mg/l

 

Chloriet

0,25

mg/l

 

Chroom

25

μg/l

Uiterlijk op [10 years after the entry into force of this Directive] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor chroom 50 μg/l.

Koper

2,0

mg/l

 

Cyanide

50

μg/l

 

1,2-dichloorethaan

3,0

μg/l

 

Epichloorhydrine

0,10

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Fluoride

1,5

mg/l

 

Gehalogeneerde azijnzuren (HAA's)

80

μg/l

Som van de volgende negen representatieve stoffen: monochloor-, dichloor- en tricholoorazijnzuur, mono- en dibroomazijnzuur, broomchloorazijnzuur, broomdichloorazijnzuur, dibroomchloorazijnzuur en tribroomazijnzuur.

Lood

5

μg/l

Uiterlijk op [10 years after the entry into force of this Directive] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor lood 10 μg/l.

Kwik

1,0

μg/l

 

Microcystine-LR

10

μg/l

 

Nikkel

20

μg/l

 

Nitraten

50

mg/l

De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarde [nitraat]/50 + [nitriet]/3 ≤ 1, waarbij de rechte haken de concentratie in mg/l uitdrukken, voor nitraat in NO3, en voor nitriet in NO2, vervuld wordt en dat aan de waarde van 0,10 mg/l voor nitriet voldaan wordt af waterbehandelingsinstallatie.

Nitriet

0.50

mg/l

De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarde [nitraat]/50 + [nitriet]/3 ≤ 1, waarbij de rechte haken de concentratie in mg/l uitdrukken, voor nitraat in NO3, en voor nitriet in NO2, vervuld wordt en dat aan de waarde van 0,10 mg/l voor nitriet voldaan wordt af waterbehandelingsinstallatie.

Nonylfenol

0,3

μg/l

 

Pesticiden

0,10

μg/l

Onder "pesticiden" worden de volgende zaken verstaan:

 

 

 

organische insecticiden;

 

 

 

organische herbiciden;

 

 

 

organische fungiciden;

 

 

 

organische nematociden;

 

 

 

organische acariciden;

 

 

 

organische algiciden;

 

 

 

organische rodenticiden;

 

 

 

organische slimiciden;

 

 

 

en de relevante metabolieten daarvan zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 32, van Verordening (EG) nr. 1107/20091.

 

 

 

De parameterwaarde geldt voor elk afzonderlijk pesticide.

 

 

 

In het geval van aldrin, dieldrin, heptachloor en heptachloorepoxide is de parameterwaarde 0,030 μg/l.

Totaal pesticiden

0,50

μg/l

"Pesticiden – totaal" is de som van alle afzonderlijke pesticiden, als gedefinieerd in de vorige rij, die bij de controleprocedure worden opgespoord en gekwantificeerd.

PFAS

0,10

μg/l

Onder "PFAS" wordt elke afzonderlijke per- en polyfluoralkylverbinding verstaan (chemische formule: CnF2n+1−R).

PFAS'en — totaal

0,50

μg/l

"PFAS'en — totaal" is de som voor alle per- en polyfluoralkylverbindingen (chemische formule: CnF2n+1−R).

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

0,10

μg/l

Som van de concentraties van de volgende gespecificeerde verbindingen: benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[ghi]peryleen en indeno(1,2,3-cd)pyreen.

Seleen (selenium)

10

μg/l

 

Tetrachlooretheen en trichlooretheen

10

μg/l

Som van de concentraties van de gespecificeerde parameters

Totaal trihalomethanen (THM)

100

μg/l

Waar mogelijk streven de lidstaten, zonder dat evenwel de desinfectie in gevaar mag komen, naar een lagere waarde.

 

 

 

Som van de concentraties van de volgende gespecificeerde verbindingen: chloroform, bromoform, dibroomchloormethaan, broomdichloormethaan.

Uraan

30

μg/l

 

Vinylchloride

0,50

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

__________________

1.   Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

Amendement

Chemische parameters

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Acrylamide

0,10

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Antimoon

5,0

μg/l

 

Arsenicum

10

μg/l

 

Benzeen

1,0

μg/l

 

Benzo(a)pyreen

0,010

μg/l

 

ß-Oestradiol (50-28-2)

0,001

μg/l

 

Bisfenol A

0,1

μg/l

 

Boor

1,5

mg/l

 

Bromaat

10

μg/l

 

Cadmium

5,0

μg/l

 

Chloraat

0,25

mg/l

 

Chloriet

0,25

mg/l

 

Chroom

25

μg/l

Uiterlijk op [tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor chroom 50 μg/l.

Koper

2,0

mg/l

 

Cyanide

50

μg/l

 

1,2-dichloorethaan

3,0

μg/l

 

Epichloorhydrine

0,10

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Fluoride

1,5

mg/l

 

Gehalogeneerde azijnzuren (HAA's)

80

μg/l

Som van de volgende negen representatieve stoffen: monochloor-, dichloor- en tricholoorazijnzuur, mono- en dibroomazijnzuur, broomchloorazijnzuur, broomdichloorazijnzuur, dibroomchloorazijnzuur en tribroomazijnzuur.

Lood

5

μg/l

Uiterlijk op [tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor lood 10 μg/l.

Kwik

1,0

μg/l

 

Microcystine-LR

10

μg/l

 

Nikkel

20

μg/l

 

Nitraten

50

mg/l

De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarde [nitraat]/50 + [nitriet]/3 ≤ 1, waarbij de rechte haken de concentratie in mg/l uitdrukken, voor nitraat in NO3, en voor nitriet in NO2, vervuld wordt en dat aan de waarde van 0,10 mg/l voor nitriet voldaan wordt af waterbehandelingsinstallatie.

Nitriet

0.50

mg/l

De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarde [nitraat]/50 + [nitriet]/3 ≤ 1, waarbij de rechte haken de concentratie in mg/l uitdrukken, voor nitraat in NO3, en voor nitriet in NO2, vervuld wordt en dat aan de waarde van 0,10 mg/l voor nitriet voldaan wordt af waterbehandelingsinstallatie.

Nonylfenol

0,3

μg/l

 

Pesticiden

0,10

μg/l

Onder "pesticiden" worden de volgende zaken verstaan:

 

 

 

organische insecticiden;

 

 

 

organische herbiciden;

 

 

 

organische fungiciden;

 

 

 

organische nematociden;

 

 

 

organische acariciden;

 

 

 

organische algiciden;

 

 

 

organische rodenticiden;

 

 

 

organische slimiciden;

 

 

 

en de relevante metabolieten daarvan zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 32, van Verordening (EG) nr. 1107/20091.

 

 

 

De parameterwaarde geldt voor elk afzonderlijk pesticide.

 

 

 

In het geval van aldrin, dieldrin, heptachloor en heptachloorepoxide is de parameterwaarde 0,030 μg/l.

Totaal pesticiden

0,50

μg/l

"Pesticiden – totaal" is de som van alle afzonderlijke pesticiden, als gedefinieerd in de vorige rij, die bij de controleprocedure worden opgespoord en gekwantificeerd.

PFAS

0,10

μg/l

Onder "PFAS" wordt elke afzonderlijke per- en polyfluoralkylverbinding verstaan (chemische formule: CnF2n+1−R).

In de formule wordt een onderscheid gemaakt tussen “lange-keten” en “korte-keten” PFAS’en. Deze richtlijn geldt alleen voor “lange-keten” PFAS’en.

 

 

 

Deze parameterwaarde voor afzonderlijke PFAS-verbindingen geldt alleen voor die PFAS-verbindingen die waarschijnlijk aanwezig zijn en die gevaarlijk zijn voor de menselijke gezondheid, overeenkomstig de in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde gevarenbeoordeling.

PFAS'en — totaal

0,50

μg/l

"PFAS'en — totaal" is de som voor alle per- en polyfluoralkylverbindingen (chemische formule: CnF2n+1−R).

 

 

 

Deze parameterwaarde voor PFAS’en – totaal geldt alleen voor die PFAS-verbindingen die waarschijnlijk aanwezig zijn en die gevaarlijk zijn voor de menselijke gezondheid, overeenkomstig de in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde gevarenbeoordeling.

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

0,10

μg/l

Som van de concentraties van de volgende gespecificeerde verbindingen: benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[ghi]peryleen en indeno(1,2,3-cd)pyreen.

Seleen (selenium)

10

μg/l

 

Tetrachlooretheen en trichlooretheen

10

μg/l

Som van de concentraties van de gespecificeerde parameters

Totaal trihalomethanen (THM)

100

μg/l

Waar mogelijk streven de lidstaten, zonder dat evenwel de desinfectie in gevaar mag komen, naar een lagere waarde.

 

 

 

Som van de concentraties van de volgende gespecificeerde verbindingen: chloroform, bromoform, dibroomchloormethaan, broomdichloormethaan.

Uraan

30

μg/l

 

Vinylchloride

0,50

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

__________________

1.   Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

Amendement 139
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – Deel B bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Indicatorparameters

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Aluminium

200

μg/l

 

Ammonium

0,50

mg/l

 

Chloriden

250

mg/l

Opmerking 1

Kleur

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Conductiviteit

2 500

μS cm-1 bij 20 °C

Opmerking 1

Waterstofionenconcentratie

≥ 6,5 en ≤ 9,5

pH-eenheden

Opmerkingen 1 en 3

IJzer

200

μg/l

 

Mangaan

50

μg/l

 

Geur

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Sulfaten

250

mg/l

Opmerking 1

Natrium

200

mg/l

 

Smaak

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Kiemgetal bij 22 °C

Geen abnormale verandering

 

 

Colibacteriën

0

Aantal/100 ml

 

Totaal aan organische koolstof (TOC)

Geen abnormale verandering

 

 

Troebelingsgraad

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Opmerking 1:

Het water mag niet agressief zijn.

Opmerking 2:

Deze parameter behoeft enkel te worden gemeten als het water afkomstig is van of beïnvloed wordt door oppervlaktewater. Indien niet aan deze parameterwaarde wordt voldaan, onderzoeken de betrokken lidstaten de waterlevering om zich ervan te vergewissen dat er geen potentieel gevaar voor de menselijke gezondheid bestaat ten gevolge van de aanwezigheid van pathogene micro-organismen, bijvoorbeeld cryptosporidium.

Opmerking 3:

Voor niet-bruisend water in flessen of verpakkingen kan de minimumwaarde verlaagd worden tot 4,5 pH-eenheden.

Voor water in flessen of verpakkingen dat van nature rijk is aan kooldioxide of kunstmatig verrijkt is met kooldioxide kan de minimumwaarde lager zijn.

Amendement 140
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – Deel C

Door de Commissie voorgestelde tekst

Relevante parameters voor de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Legionella

< 1 000

Aantal/l

Indien de parameterwaarde < 1 000/l voor Legionella niet wordt gehaald, wordt herbemonstering voor Legionella pneumophila verricht. Indien Legionella pneumophila niet aanwezig is, bedraagt de parameterwaarde voor Legionella < 10 000/l.

Lood

5

μg/l

Uiterlijk op [10 years after the entry into force of this Directive] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor lood 10 μg/l.

Amendement

Relevante parameters voor de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Legionella pneumophila

< 1 000

Aantal/l

 

Legionella

< 10 000

Aantal/l

Indien Legionella pneumophila, waarvoor de parameterwaarde < 1 000/l bedraagt, niet aanwezig is, bedraagt de parameterwaarde voor Legionella < 10 000/l.

Lood

5

μg/l

Uiterlijk op ... [tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor lood 10 μg/l.

Amendement 141
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – Deel C bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Nieuwe parameters onder toezicht

Microplastics

Het toezicht vindt plaats overeenkomstig de methodologie voor het meten van microplastics die is vastgelegd in de overeenkomstig artikel 11, lid 5 ter, vermelde gedelegeerde handeling.

Amendement 142
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage II – Deel B – punt 1 – alinea 1
Escherichia coli (E. coli), Clostridium perfringens-sporen en somatische colifagen worden als "kernparameters" beschouwd en mogen geen voorwerp vormen van een leveringsrisicobeoordeling overeenkomstig deel C van deze bijlage. Zij worden altijd gecontroleerd volgens de in tabel 1 van punt 2 vermelde frequenties.
Escherichia coli (E. Coli) en enterokokken worden als "kernparameters" beschouwd en mogen geen voorwerp vormen van een leveringsrisicobeoordeling overeenkomstig deel C van deze bijlage. Zij worden altijd gecontroleerd volgens de in tabel 1 van punt 2 vermelde frequenties.
Amendement 186
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage II – Deel B – punt 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Bemonsteringsfrequenties

Alle overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameters worden ten minste volgens de in de volgende tabel vermelde frequentie gecontroleerd, tenzij op basis van een overeenkomstig artikel 9 en deel C van deze bijlage uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling een andere bemonsteringsfrequentie is bepaald:

Tabel 1

Minimumfrequentie voor monsterneming en analyse voor nalevingscontrole

Dagelijks binnen een leveringsgebied gedistribueerde of geproduceerde hoeveelheid (m3) water

Minimumaantal monsternemingen per

jaar

≤ 100

> 100 ≤ 1 000

> 1 000 ≤ 10 000

> 10 000 ≤ 100 000

> 100 000

10a

10a

50b

365

365

a: alle monsters moeten worden genomen op tijdstippen waarop het risico van het doorbreken van maag-darmpathogenen naar het behandelde water hoog is.

b: ten minste 10 monsters moeten worden genomen op tijdstippen waarop het risico van het doorbreken van maag-darmpathogenen naar het behandelde water hoog is.

Opmerking 1: Een leveringsgebied is een geografisch afgebakend gebied waarbinnen het voor menselijke consumptie bestemde water afkomstig is uit één of enkele bronnen en waarbinnen het water kan worden geacht van vrijwel uniforme kwaliteit te zijn.

Opmerking 2: De hoeveelheden zijn gemiddelden berekend over een kalenderjaar. Het vaststellen van de minimumfrequentie mag worden gebaseerd op het aantal inwoners in een leveringsgebied in plaats van op de hoeveelheid water uitgaande van een waterverbruik van 200 l/(dag*hoofd van de bevolking).

Opmerking 3: Lidstaten die hebben besloten afzonderlijke voorzieningen uit te zonderen overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder b), van deze richtlijn, passen deze frequenties enkel toe voor leveringsgebieden die tussen 10 en 100 m3 per dag distribueren.

Amendement

Bemonsteringsfrequenties

Alle overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameters worden ten minste volgens de in de volgende tabel vermelde frequentie gecontroleerd, tenzij op basis van een overeenkomstig artikel 9 en deel C van deze bijlage uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling een andere bemonsteringsfrequentie is bepaald:

Tabel 1

Minimumfrequentie voor monsterneming en analyse voor nalevingscontrole

Dagelijks binnen een leveringsgebied gedistribueerde of geproduceerde hoeveelheid water

(zie opmerkingen 1 en 2) m3

Microbiologische parameters (groep A) -

aantal monsternemingen per jaar

(zie opmerking 3)

Chemische parameters (groep B) -

aantal monsternemingen per jaar

 

≤ 100

> 0

(zie opmerking 4)

> 0

(zie opmerking 4)

> 100

≤ 1 000

4

1

> 1 000

≤ 10 000

4

+3

voor elke 1 000 m3/d en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

1

+1

voor elke 1 000 m3/d en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

> 10 000

 

≤ 100 000

3

+ 1

voor elke 10 000 m3/dag en

fractie daarvan van de totale hoeveelheid

> 100 000

 

12

+ 1

voor elke 25 000 m3/dag en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

Opmerking 1: Een leveringsgebied is een geografisch afgebakend gebied waarbinnen het voor menselijke consumptie bestemde water afkomstig is uit één of enkele bronnen en waarbinnen het water kan worden geacht van vrijwel uniforme kwaliteit te zijn.

Opmerking 2: De hoeveelheden zijn gemiddelden berekend over een kalenderjaar. Het vaststellen van de minimumfrequentie mag worden gebaseerd op het aantal inwoners in een leveringsgebied in plaats van op de hoeveelheid water uitgaande van een waterverbruik van 200 l/(dag*hoofd van de bevolking).

Opmerking 3: De vermelde frequentie wordt als volgt berekend: bijv. 4 300 m3/dag = 16 monsters (vier voor de eerste 1 000 m3/dag + 12 voor een bijkomende 3 300 m3/dag).

Opmerking 4: Lidstaten die hebben besloten afzonderlijke voorzieningen uit te zonderen overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder b), van deze richtlijn, passen deze frequenties enkel toe voor leveringsgebieden die tussen 10 en 100 m3 per dag distribueren.

Amendement 144
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage II – Deel D – punt 2 bis (nieuw)
2 bis.  monsternemingen voor Legionella worden in huishoudelijke leidingnetten op risicoplaatsen verricht in het kader van de verspreiding van en/of de blootstelling aan Legionella pneumophila. De lidstaten stellen richtsnoeren op voor bemonsteringsmethoden voor Legionella.
Amendement 145
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage II bis (nieuw)
Minimumvereisten inzake hygiëne voor stoffen en materialen voor het vervaardigen van nieuwe producten die in aanraking komen met voor menselijke consumptie bestemd water:
a)  een lijst van stoffen die zijn goedgekeurd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van die materialen, waaronder onder meer organische materialen, elastomeren, siliconen, metalen, cement, ionenwisselende harsen en samengestelde materialen, alsmede de daaruit vervaardigde producten;
b)  specifieke voorschriften voor het gebruik van stoffen in die materialen en de daaruit vervaardigde producten;
c)  specifieke beperkingen voor de migratie van bepaalde stoffen in het voor menselijke consumptie bestemde water;
d)  regels voor hygiëne met betrekking tot andere eigenschappen die nodig zijn om aan de voorschriften te voldoen;
e)  basisregels om de naleving van de punten a) tot en met d) te controleren;
f)  regels met betrekking tot bemonsterings- en analysemethoden om de naleving van de punten a) tot en met d) te controleren.
Amendementen 177 en 224
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage III – Deel B – punt 1 – tabel 1 – regel 28

Door de Commissie voorgestelde tekst

PFAS'en

50

 

Amendement

PFAS'en

20

 

Amendement 146
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – titel
INFORMATIE VOOR HET PUBLIEK DIE ONLINE MOET WORDEN AANGEBODEN
INFORMATIE VOOR HET PUBLIEK
Amendement 147
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – inleidende formule
De volgende informatie wordt online ter beschikking gesteld van consumenten, op een gebruikersvriendelijke en op consumenten toegesneden wijze:
De volgende informatie wordt online ter beschikking gesteld van consumenten, op evenzo gebruikersvriendelijke en op consumenten toegesneden wijzen:
Amendement 148
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 1
1)  identificatie van de desbetreffende waterleverancier;
1)  identificatie van de desbetreffende waterleverancier, het gebied waaraan en het aantal mensen aan wie het water wordt geleverd, en de waterproductiemethode;
Amendement 149
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 2 – inleidende formule
2)  de recentste controleresultaten voor de in de lijsten in bijlage I, delen A en B, opgenomen parameters, met inbegrip van de frequentie en locatie van bemonsteringspunten, voor zover relevant voor het gebied dat van belang is voor de persoon aan wie het water wordt geleverd, samen met de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden. De controleresultaten mogen niet ouder zijn dan:
2)  een herziening van de recentste controleresultaten per waterleverancier voor de in de lijsten in bijlage I, delen A, B en B bis opgenomen parameters, met inbegrip van de frequentie en de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden. De controleresultaten mogen niet ouder zijn dan:
Amendement 202
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 2 – letter b
(b)  zes maanden, voor grote waterleveranciers;
(b)  zes maanden, voor middelgrote en grote waterleveranciers;
Amendement 203
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 2 – letter c
(c)  één jaar, voor kleine waterleveranciers;
(c)  één jaar, voor kleine en zeer kleine waterleveranciers;
Amendement 150
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 3
3)  indien de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden worden overschreden, informatie over het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid en het daarmee verbonden gezondheids- en consumptieadvies of een hyperlink waarmee dergelijke informatie te vinden is;
3)  indien sprake is van mogelijk gevaar voor de menselijke gezondheid, als vastgesteld door de bevoegde autoriteiten nadat de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden werden overschreden, informatie over het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid en het daarmee verbonden gezondheids- en consumptieadvies of een hyperlink waarmee dergelijke informatie te vinden is;
Amendement 151
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 4
4)  een samenvatting van de desbetreffende leveringsrisicobeoordeling;
Schrappen
Amendement 152
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 5
5)  informatie over de volgende indicatorparameters en de bijbehorende parameterwaarden:
5)  informatie over de in bijlage I, deel B bis, opgenomen indicatorparameters en de bijbehorende parameterwaarden;
a)  kleur;
b)  pH (waterstofionenconcentratie);
c)  geleidingsvermogen voor elektriciteit;
d)  ijzer;
e)  mangaan;
f)  geur;
g)  smaak;
h)  hardheid;
i)  in water opgeloste mineralen, anionen/kationen:
—  boraat BO3-
—  carbonaat CO32-
—  chloride Cl-
—  fluoride F-
—  waterstofcarbonaat HCO3-
—  nitraat NO3-
—  nitriet NO2-
—  fosphaat PO43-
—  silicaat SiO2
—  sulfaat SO42-
—  sulfide S2-
—  aluminium Al
—  ammonium NH4+
—  calcium Ca
—  magnesium Mg
—  kalium K
—  natrium Na
Die parameterwaarden en andere niet-geïoniseerde verbindingen en sporenelementen kunnen samen met een referentiewaarde en/of een uitleg worden getoond;
Amendement 153
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 6
(6)  consumentenadvies over manieren om het waterverbruik terug te dringen;
(6)  consumentenadvies over manieren om het waterverbruik waar nodig terug te dringen en water naargelang de plaatselijke omstandigheden op een verantwoorde wijze te gebruiken;
Amendement 154
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 7
(7)  voor zeer grote waterleveranciers, jaarlijkse gegevens over:
(7)  voor grote en zeer grote waterleveranciers, jaarlijkse gegevens over:
Amendement 155
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 7 – letter a
a)  de algemene prestaties van het watersysteem in termen van efficiëntie, met inbegrip van lekkagepercentages en energieverbruik per kubieke meter geleverd water;
a)  de algemene prestaties van het watersysteem in termen van efficiëntie, met inbegrip van door de lidstaten vastgestelde lekkagepercentages ;
Amendement 156
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 7 – letter b
b)  informatie over het beheer en bestuur van de waterleveranciers, met inbegrip van de samenstelling van de raad van bestuur;
b)  informatie over het model en de eigendomsstructuur van de waterlevering door de waterleveranciers;
Amendement 157
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 7 – letter d
d)  informatie over de kostenstructuur van het aan consumenten berekende tarief per kubieke meter water, met inbegrip van vaste en variabele kosten, waarbij ten minste vermelding gemaakt wordt van de kosten in verband met het energieverbruik per kubieke meter geleverd water, de door de waterleveranciers genomen maatregelen met het oog op de gevarenbeoordeling uit hoofde van artikel 8, lid 4, de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, de verzameling en behandeling van afvalwater, en de kosten in verband met maatregelen uit hoofde van artikel 13, indien de waterleveranciers dergelijke maatregelen hebben genomen;
d)  indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel, informatie over de tariefstructuur per kubieke meter water, met inbegrip van vaste en variabele kosten, evenals de kosten in verband met de door de waterleveranciers genomen maatregelen met het oog op de gevarenbeoordeling uit hoofde van artikel 8, lid 4, de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, en de kosten in verband met maatregelen uit hoofde van artikel 13, indien de waterleveranciers dergelijke maatregelen hebben genomen;
Amendement 158
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 7 – letter e
e)  het bedrag aan investeringen dat de leverancier nodig acht om de financiële duurzaamheid van de levering van waterdiensten (met inbegrip van het onderhoud van de infrastructuur) te waarborgen, alsmede het daadwerkelijk ontvangen of terugverdiende bedrag aan investeringen;
e)  het bedrag aan verrichte, lopende en geplande investeringen, evenals het financieringsplan;
Amendement 159
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 7 – letter g
g)  samenvatting en statistieken over consumentenklachten en over de mate waarin tijdig en adequaat op problemen wordt gereageerd;
g)  samenvatting en statistieken over consumentenklachten en de oplossing ervan;
Amendement 160
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 8
(8)  toegang tot historische gegevens voor de in de punten 2) en 3) genoemde informatie, tot 10 jaar terug en op verzoek.
(8)  toegang tot historische gegevens voor de in de punten 2) en 3) genoemde informatie, tot 10 jaar terug, en niet eerder dan de datum van omzetting van deze richtlijn, en op verzoek.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0288/2018).


Middelen voor economische, sociale en territoriale samenhang en middelen voor de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" ***I
PDF 125kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft de middelen voor economische, sociale en territoriale samenhang en tot rectificatie van die verordening wat betreft de middelen voor de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" (COM(2018)0498 – C8-0307/2018 – 2018/0265(COD))
P8_TA(2018)0398A8-0282/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0498),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 177 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0307/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0282/2018),

A.  overwegende dat het om redenen van urgentie gerechtvaardigd is om tot stemming over te gaan vóór het verstrijken van de in artikel 6 van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bedoelde termijn van acht weken;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 23 oktober 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft de middelen voor economische, sociale en territoriale samenhang en de middelen voor de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid"

P8_TC1-COD(2018)0265


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1719.)


Onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van milieubeleid ***I
PDF 196kWORD 67k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 23 oktober 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van milieubeleid en tot wijziging van Richtlijnen 86/278/EEG, 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU, Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 en Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad (COM(2018)0381 – C8-0244/2018 – 2018/0205(COD))(1)
P8_TA(2018)0399A8-0324/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Titel
Voorstel voor een
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van milieubeleid en tot wijziging van Richtlijnen 86/278/EEG, 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU, Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 en Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad
betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van wetgeving die verband houdt met het milieu en tot wijziging van Richtlijnen 86/278/EEG, 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU, Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 en Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
(Voor de EER relevante tekst)
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Teneinde te kunnen inspelen op de behoefte aan informatie over de tenuitvoerlegging en de naleving en rekening houdend met de resultaten van het verslag van de Commissie betreffende de maatregelen om milieuverslaglegging te stroomlijnen45 en de bijbehorende geschiktheidscontrole46, is het nodig een milieuwetgevingsteksten te wijzigen.
(1)  Teneinde te kunnen inspelen op de behoefte aan informatie over de tenuitvoerlegging en de naleving en rekening houdend met de resultaten van het verslag van de Commissie betreffende de maatregelen om milieuverslaglegging te stroomlijnen45 en de bijbehorende geschiktheidscontrole46, is het nodig een aantal wetgevingsteksten die verband houden met het milieu te wijzigen.
__________________
__________________
45 COM(2017)0312.
45 COM(2017)0312.
46 SWD(2017)0230.
46 SWD(2017)0230.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)   Deze verordening heeft ten doel het informatiebeheer te moderniseren en een consequente benadering ten aanzien van de door deze verordening bestreken wetgevingsteksten te waarborgen door de verslaglegging te vereenvoudigen om de administratieve lasten te verminderen, de databank voor toekomstige beoordelingen te verbeteren en de transparantie voor het publiek te verhogen, met inachtneming van de omstandigheden.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Bij de het toegankelijk stellen van gegevens moet ervoor worden gezorgd dat de administratieve lasten voor alle entiteiten zo beperkt mogelijk blijven. Om de nodige infrastructuur voor de toegang van het publiek, de verslaglegging en de uitwisseling van gegevens tussen overheidsinstanties te waarborgen wordt in het voorstel actieve verpreiding van de informatie op nationaal niveau voorgeschreven, in overeenstemming met Richtlijnen 2003/4/EG47 en 2007/2/EG48 van het Europees Parlement en de Raad en de uitvoeringsbepalingen daarvan.
(2)  Bij de het toegankelijk stellen van gegevens moet ervoor worden gezorgd dat de administratieve lasten voor alle entiteiten zo beperkt mogelijk blijven, met name voor niet-gouvernementele entiteiten zoals kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's). Om de nodige infrastructuur voor de toegang van het publiek, de verslaglegging en de uitwisseling van gegevens tussen overheidsinstanties te waarborgen wordt in het voorstel actieve verspreiding van de informatie op nationaal niveau voorgeschreven, in overeenstemming met Richtlijnen 2003/4/EG47 en 2007/2/EG48 van het Europees Parlement en de Raad en de uitvoeringsbepalingen daarvan.
_________________
_________________
47 Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).
47 Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).
48 Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).
48 Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  De door de lidstaten verstrekte gegevens zijn cruciaal voor de Commissie bij het volgen, beoordelen en toetsen van de mate waarin de wetgeving haar doelstellingen tot stand brengt en de resultaten daarvan vormen de basis van toekomstige beoordelingen van die wetgeving, in overeenstemming met punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven van 13 april 201649. Het is dan ook aangewezen in verschillende wetgevingshandelingen in de milieusector bepalingen op te nemen met het oog op hun toekomstige beoordeling, op basis van de gegevens die tijdens de tenuitvoerlegging werden verzameld, eventueel aangevuld met bijkomende wetenschappelijke, analytische gegevens. Er bestaat in dat verband een behoefte aan relevante gegevens die het mogelijk maken om de doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde van de Uniewetgeving voor de EU beter te beoordelen; vandaar de behoefte aan geschikte verslagleggingsmechanismen die in dat verband ook kunnen dienen als indicatoren.
(3)  Uitgebreide en tijdige rapportering van relevante gegevens door de lidstaten is cruciaal voor de Commissie bij het volgen, beoordelen en toetsen van de mate waarin de wetgeving haar doelstellingen tot stand brengt en de resultaten daarvan vormen de basis van toekomstige beoordelingen van die wetgeving, in overeenstemming met punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven van 13 april 201649. Het is dan ook aangewezen in verschillende wetgevingshandelingen in de milieusector bepalingen op te nemen met het oog op hun toekomstige beoordeling, op basis van de gegevens die tijdens de tenuitvoerlegging werden verzameld, eventueel aangevuld met bijkomende wetenschappelijke, analytische gegevens. Er bestaat in dat verband een behoefte aan relevante gegevens die het mogelijk maken om de doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde van de Uniewetgeving voor de EU beter te beoordelen; vandaar de behoefte aan geschikte verslagleggingsmechanismen die in dat verband ook kunnen dienen als indicatoren, zowel voor besluitvormers als voor het algemene publiek.
_________________
_________________
49 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
49 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Ingevolge de beoordeling van Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad50 moeten de verslagleggingstermijnen voor geluidsbelastingkaarten en actieplannen worden gestroomlijnd opdat er voldoende tijd is voor de openbare raadpleging over de actieplannen. Te dien einde wordt de termijn voor de herziening of aanpassing van de actieplannen eenmalig met één jaar uitgesteld; de termijn van de volgende (vierde) ronde actieplannen is dan niet 18 juli 2023 maar 18 juli 2024. Daardoor zullen de lidstaten vanaf de vierde ronde ongeveer twee jaar de tijd hebben tussen het opmaken van de geluidsbelastingkaarten en het voltooien van de herziening of aanpassing van de actieplannen, in plaats van één jaar zoals op dit moment het geval is. Voor de daaropvolgende ronden actieplannen zal de periode van vijf jaar voor de herziening of aanpassing worden hervat. Daarnaast moeten de lidstaten, om de doelstellingen van Richtlijn 2002/49/EG beter te kunnen verwezenlijken en om een basis te kunnen leggen voor de uitwerking van maatregelen op het niveau van de Unie, elektronische hulpmiddelen aanwenden voor de verslaglegging. Er moet ook worden gezorgd voor meer publieksparticipatie door te eisen dat bepaalde informatie openbaar wordt gemaakt en tegelijkertijd moet die verplichting worden afgestemd op andere Uniewetgeving, zoals Richtlijn 2007/2/EG, zonder daarbij de praktische vereisten te dupliceren.
(5)  Ingevolge de beoordeling van Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad50 moeten de verslagleggingstermijnen voor geluidsbelastingkaarten en actieplannen worden gestroomlijnd opdat er voldoende tijd is voor de openbare raadpleging over de actieplannen. Te dien einde wordt de termijn voor de herziening of aanpassing van de actieplannen eenmalig met één jaar uitgesteld; de termijn van de volgende (vierde) ronde actieplannen is dan niet 18 juli 2023 maar 18 juli 2024. Daardoor zullen de lidstaten vanaf de vierde ronde ongeveer twee jaar de tijd hebben tussen het opmaken van de geluidsbelastingkaarten en het voltooien van de herziening of aanpassing van de actieplannen, in plaats van één jaar zoals op dit moment het geval is. Voor de daaropvolgende ronden actieplannen zal de periode van vijf jaar voor de herziening of aanpassing worden hervat. Daarnaast moeten de lidstaten, om de doelstellingen van Richtlijn 2002/49/EG beter te kunnen verwezenlijken en om een basis te kunnen leggen voor de uitwerking van maatregelen op het niveau van de Unie, elektronische hulpmiddelen aanwenden voor de verslaglegging. Er moet ook worden gezorgd voor meer publieksparticipatie door te eisen dat begrijpelijke, nauwkeurige en vergelijkbare informatie openbaar wordt gemaakt en tegelijkertijd moet die verplichting worden afgestemd op andere Uniewetgeving, zoals Richtlijn 2007/2/EG, zonder daarbij de praktische vereisten te dupliceren.
_________________
_________________
50 Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002).
50 Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002).
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  In het licht van het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG en de REFIT-evaluatie52 is het, met het oog op de vereenvoudiging van de uitvoering van die richtlijn en de beperking van de administratieve lasten bij het toezicht door de lidstaten, niet langer nodig om de lidstaten te verplichten driejaarlijkse verslagen in te dienen bij de Commissie en om de Commissie te verplichten een samenvattend verslag in te dienen bij het Europees Parlement en de Raad, aangezien de geschiktheidscontrole betreffende de verslaglegging heeft bevestigd dat dergelijke verslagen slechts in beperkte mate worden gebruikt53.
(7)  In het licht van het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG en de REFIT-evaluatie52 is het, met het oog op de vereenvoudiging van de uitvoering van die richtlijn en de beperking van de administratieve lasten bij het toezicht door de lidstaten, niet langer nodig om de lidstaten te verplichten driejaarlijkse verslagen in te dienen bij de Commissie en om de Commissie te verplichten een samenvattend verslag in te dienen bij het Europees Parlement en de Raad, aangezien de geschiktheidscontrole betreffende de verslaglegging heeft bevestigd dat dergelijke verslagen slechts in beperkte mate worden gebruikt53. Desalniettemin moet de Commissie doorgaan met het – met geregelde tussenpozen – evalueren van die richtlijn en het openbaar maken van de bedoelde evaluaties.
_________________
_________________
52 COM(2016)0478 en SWD(2016)0273.
52 COM(2016)0478 en SWD(2016)0273.
53 COM(2017)0312.
53 COM(2017)0312.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  De rapportageverplichtingen van artikelen 43, 54 en 57 van Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad56 moeten worden gewijzigd. Teneinde de transparantie te verhogen en de administratieve lasten te verlagen, behelzen die bepalingen onder meer het opzetten van een centrale, vrij toegankelijke en doorzoekbare databank voor niet-technische projectsamenvattingen en de bijbehorende beoordelingen achteraf, het verlenen van uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie om een gemeenschappelijke wijze vast te stellen voor het indienen van niet-technische projectsamenvattingen en de bijbehorende beoordelingen achteraf, informatie over de tenuitvoerlegging, en vervanging van de verplichting van driejaarlijkse verslaglegging door de Commissie over statistische gegevens door de eis dat een dynamische, door de Commissie te beheren centrale databank wordt opgezet, waarmee elk jaar informatie wordt vrijgegeven.
(9)  De rapportageverplichtingen van artikelen 43, 54, 57 en 58 van Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad56 moeten worden gewijzigd. Teneinde de transparantie te verhogen en de administratieve lasten te verlagen, behelzen die bepalingen onder meer het opzetten van een centrale, vrij toegankelijke en doorzoekbare databank voor niet-technische projectsamenvattingen en de bijbehorende beoordelingen achteraf, het verlenen van uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie om een gemeenschappelijke wijze vast te stellen voor het indienen van niet-technische projectsamenvattingen en de bijbehorende beoordelingen achteraf, informatie over de tenuitvoerlegging, en vervanging van de verplichting van driejaarlijkse verslaglegging door de Commissie over statistische gegevens door de eis dat een dynamische, door de Commissie te beheren centrale databank wordt opgezet, waarmee elk jaar informatie wordt vrijgegeven. In het licht van een verslag van de Commissie van 201756 bis, moet de clausule voor een evaluatie van die richtlijn als bedoeld in artikel 58 van die tekst worden overwogen met het oog op een toekomstige evaluatie.
__________________
__________________
56 Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33).
56 Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33).
56 bis Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's in overeenstemming met artikel 58 van Richtlijn 2010/63/EU betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, (COM(2017)0631).
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  De Richtlijnen 86/278/EEG, 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU, Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 en Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Richtlijn 86/278/EEG
Artikel 2 – alinea 1 – letter d bis (nieuw)
-1)  In artikel 2 wordt het volgende punt toegevoegd:
"d bis) "diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens": de verwerking van de ruimtelijke gegevens die zich in die verzamelingen bevinden of de verwerking van de aanverwante metagegevens door middel van een computertoepassing, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 4,van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad*;".
__________________
* Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 bis (nieuw)
Richtlijn 86/278/EEG
Artikel 2 – alinea 1 – letter d ter (nieuw)
-1 bis  ) In artikel 2 wordt het volgende punt toegevoegd:
"d ter) "verzameling ruimtelijke gegevens": een identificeerbare verzameling ruimtelijke gegevens zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2007/2/EG;".
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 86/278/EEG
Artikel 10 – lid 1 – letter d
d)   de namen en adressen van de ontvangers van het slib en de plaatsen waar het slib wordt gebruikt;
Schrappen
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 86/278/EEG
Artikel 10 – lid 1 – letter e
e)  enige andere informatie met betrekking tot de omzetting en tenuitvoerlegging van deze richtlijn die door de lidstaten aan de Commissie wordt verstrekt ingevolge artikel 17.
Schrappen
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 86/278/EEG
Artikel 10 – lid 1 – alinea 2
Voor het presenteren van de verzamelingen ruimtelijke gegevens op basis van informatie uit die registers wordt gebruik gemaakt van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens in de zin van artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad*.
Voor het presenteren van de verzamelingen ruimtelijke gegevens op basis van informatie uit die registers wordt gebruik gemaakt van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 86/278/EEG
Artikel 10 – lid 2 – alinea 1
De in lid 1 genoemde gegevens worden voor elk kalenderjaar ter beschikking gesteld van het publiek, uiterlijk drie maanden na het einde van het betrokken kalenderjaar, op een geconsolideerde wijze zoals vastgelegd in de bijlage bij Beschikking 94/741/EG van de Commissie** of in een andere vorm ingevolge artikel 17.
De in lid 1 genoemde gegevens worden voor elk kalenderjaar in gemakkelijk toegankelijke vorm ter beschikking gesteld van het publiek, uiterlijk drie maanden na het einde van het betrokken kalenderjaar, op een geconsolideerde wijze zoals vastgelegd in de bijlage bij Beschikking 94/741/EG van de Commissie** of in een andere vorm ingevolge artikel 17.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 86/278/EEG
Artikel 10 – lid 3
3.  Gegevens over de behandelingsmethoden en analyseresultaten worden op verzoek aan de bevoegde autoriteiten overgelegd.
3.  Gegevens over de behandelingsmethoden en analyseresultaten worden aan de bevoegde autoriteiten overgelegd.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 86/278/EEG
Artikel 17
De Commissie is bevoegd om door middel van een uitvoeringshandeling te bepalen in welke vorm de lidstaten informatie moeten verstrekken over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 86/278/EEG, zoals voorgeschreven in artikel 10 van deze richtlijn. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De diensten van de Commissie publiceren een overzicht voor de hele Unie met kaarten op basis van de gegevens die door de lidstaten beschikbaar werden gesteld ingevolge artikel 10 en artikel 17.
De Commissie is bevoegd om door middel van een uitvoeringshandeling te bepalen in welke vorm de lidstaten informatie moeten verstrekken over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 86/278/EEG, zoals voorgeschreven in artikel 10 van deze richtlijn. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De diensten van de Commissie publiceren een overzicht voor de hele Unie met kaarten op basis van de gegevens die door de lidstaten beschikbaar werden gesteld ingevolge artikel 10 en artikel 17. Aan de hand van deze gegevens dient de Commissie zo nodig passende voorstellen in voor een betere bescherming van bodem en milieu.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2002/49/EG
Artikel 10 – lid 2
"2. De lidstaten dragen er zorg voor dat de in de strategische geluidsbelastingkaarten vervatte gegevens en de samenvattingen van de actieplannen, als nader omschreven in bijlage VI, binnen zes maanden na de in artikel 7 respectievelijk artikel 8 genoemde datums aan de Commissie worden toegezonden. De lidstaten verstrekken daartoe uitsluitend op elektronische wijze informatie aan het gegevensarchief, dat moet worden opgezet in overeenstemming met de in artikel 13, lid 3, genoemde regelgevingsprocedure met toetsing. Indien een lidstaat informatie wenst bij te werken, beschrijft hij, op het moment dat hij de bijgewerkte aanlevert voor opname in het gegevensarchief, de verschillen tussen de bijgewerkte en de oorspronkelijke informatie en de redenen voor de bijwerking.".
"2. De lidstaten dragen er zorg voor dat de in de strategische geluidsbelastingkaarten vervatte gegevens en de samenvattingen van de actieplannen, als nader omschreven in bijlage VI, binnen zes maanden na de in artikel 7 respectievelijk artikel 8 genoemde datums aan de Commissie worden toegezonden. De lidstaten verstrekken daartoe uitsluitend op elektronische wijze informatie aan een verplicht gegevensarchief. Indien een lidstaat informatie wenst bij te werken, beschrijft hij, op het moment dat hij de bijgewerkte aanlevert voor opname in het gegevensarchief, de verschillen tussen de bijgewerkte en de oorspronkelijke informatie en de redenen voor de bijwerking.".
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1– punt 4 bis (nieuw)
Richtlijn 2002/49/EG
Artikel 10 – lid 2 bis (nieuw)
4 bis)  In artikel 10 wordt na lid 2 het volgende lid toegevoegd:
"2 bis. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 bis gedelegeerde handelingen vast als aanvulling op deze richtlijn met betrekking tot het opzetten van een verplicht gegevensarchief zoals vermeld in lid 2, en de gedetailleerde regels van het digitaal mechanisme voor de uitwisseling van informatie om de informatie uit de strategische geluidsbelastingkaarten en samenvattingen van de actieplannen uit te wisselen.".
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 ter (nieuw)
Richtlijn 2002/49/EG
Artikel 12 bis (nieuw)
4 ter)  Het volgende artikel wordt toegevoegd:
"Artikel 12 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  De bevoegdheid om de in artikel 10, lid 2 bis, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een periode van vijf jaar vanaf ... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 10, lid 2 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.
6.  Een overeenkomstig artikel 10, lid 2 bis, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
__________________
* PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.".
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 2002/49/EG
Bijlage VI – punt 3
5)  Bijlage VI, punt 3, wordt vervangen door:
5)  Bijlage VI, punt 3, wordt geschrapt.
"3. Mechanisme voor de uitwisseling van informatie
De Commissie, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, ontwikkelt een verplicht digitaal mechanisme voor de uitwisseling van informatie om de informatie uit de in artikel 10, lid 2, genoemde strategische geluidsbelastingkaarten en samenvattingen van de actieplannen uit te wisselen in overeenstemming met de in artikel 13, lid 3, genoemde regelgevingsprocedure met toetsing.".
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Richtlijn 2004/35/EG
Artikel 2 – alinea 1– punt 16 bis (nieuw)
-1)  In artikel 2 wordt het volgende punt toegevoegd:
"16 bis. "diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens": de verwerking van de ruimtelijke gegevens die zich in de verzamelingen ruimtelijke gegevens bevinden of de verwerking van de aanverwante metagegevens door middel van een computertoepassing, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad*;
__________________
* Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).".
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2004/35/EG
Artikel 18 – alinea 1
De lidstaten dragen er zorg voor dat toereikende en actuele informatie over ten minste de onmiddellijke gevaren voor milieuschade online, in een open gegevensformaat, ter beschikking staan van het publiek, overeenkomstig bijlage VI bij deze richtlijn en artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad*. Voor elk incident wordt ten minste de in bijlage VI bij deze richtlijn genoemde informatie verstrekt.
1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat toereikende en actuele informatie over ten minste de onmiddellijke gevaren voor milieuschade online, in een open gegevensformaat, ter beschikking staan van het publiek en van de Commissie, overeenkomstig bijlage VI bij deze richtlijn en artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad*. Voor elk incident wordt ten minste de in bijlage VI bij deze richtlijn genoemde informatie verstrekt.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2004/35/EG
Artikel 18 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 18 bis een gedelegeerde handeling vast tot wijziging van bijlage VI bij deze richtlijn met betrekking tot de gedetailleerde criteria op grond waarvan de omvang en het type van de milieuschade zullen worden ingedeeld.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2004/35/EG
Artikel 18 – lid 2
2.  Voor het presenteren van de verzamelingen ruimtelijke gegevens op basis van de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie (zoals de ruimtelijke plaats van incidenten), moet gebruik worden gemaakt van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens in de zin van artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad**.
2.  Voor het presenteren van de verzamelingen ruimtelijke gegevens op basis van de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie (zoals de ruimtelijke plaats van incidenten), moet gebruik worden gemaakt van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2004/35/EG
Artikel 18 – lid 3
3.  De diensten van de Commissie publiceren op basis van de gegevens die ingevolge lid 1 door de lidstaten beschikbaar werden gesteld een overzicht voor de hele Unie, met kaarten.
3.  De diensten van de Commissie publiceren op basis van de gegevens die ingevolge lid 1 door de lidstaten beschikbaar werden gesteld een overzicht voor de hele Unie, met kaarten, en zorgen ervoor dat dit regelmatig wordt geactualiseerd.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2004/35/EG
Artikel 18 – lid 4 – inleidende formule
4.  De Commissie verricht op gezette tijden een beoordeling van deze richtlijn. De beoordeling berust onder meer op de volgende elementen:
4.  De Commissie verricht uiterlijk op 1 januari 2022 en vervolgens ten minste iedere vijf jaar een beoordeling van deze richtlijn en de tenuitvoerlegging ervan. De beoordeling wordt openbaar gemaakt en berust onder meer op de volgende elementen:
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2004/35/EG
Artikel 18 – lid 4 – letter b bis (nieuw)
b bis)  een analyse van de ontwikkelingen en relevante veranderingen in de lidstaten.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2004/35/EG
Artikel 18 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   De Commissie brengt te zijner tijd verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van de in lid 4 bedoelde evaluatie, en laat dit verslag indien nodig vergezeld gaan van passende wetgevingsvoorstellen.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2004/35/EG
Artikel 18 – lid 4 ter (new)
4 ter.   In de in lid 4 bedoelde beoordeling wordt ook rekening gehouden met de uitbreiding van de definitie van "milieuschade" als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, en van de reikwijdte van deze richtlijn, waar nu ook schade aan de volksgezondheid onder valt, en derhalve ook luchtvervuiling, die aanzienlijke risico's voor de volksgezondheid met zich meebrengt.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2004/35/EG
Artikel 18 bis (nieuw)
2 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 18 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  De in artikel 18, lid 1 bis, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt met ingang van ... [datum van de inwerkingtreding van deze verordening] voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 18, lid 1 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.
6.  Een overeenkomstig artikel 18, lid 1 bis, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd."
__________________
* PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.".
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2004/35/EG
Bijlage VI – alinea 1 – inleidende formule
De in artikel 18, lid 1, bedoelde informatie heeft betrekking op emissies, gebeurtenissen of incidenten die milieuschade of een onmiddellijke dreiging van schade hebben veroorzaakt, met daarbij voor elk geval de volgende informatie en gegevens:
De in artikel 18, lid 1, bedoelde informatie bevat een lijst van emissies, gebeurtenissen of incidenten die milieuschade of een onmiddellijke dreiging van schade hebben veroorzaakt, met daarbij voor elk geval de volgende informatie en gegevens:
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2004/35/EG
Bijlage VI – punt 7 – letter c bis (nieuw)
c bis)   gerechtelijke procedures ter zake;
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – punt 1 – letter a bis (nieuw)
Richtlijn 2007/2/EG
Artikel 21 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
a bis)  in lid 2, wordt het volgende punt ingevoegd:
"c bis) een analyse van de ontwikkeling van de infrastructuur voor Inspire in de lidstaten;";
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1– punt 2
Richtlijn 2007/2/EG
Artikel 23 – alinea 2 – inleidende formule
De Commissie verricht op gezette tijden een beoordeling van deze richtlijn. De beoordeling berust onder meer op de volgende elementen:
De Commissie verricht uiterlijk op 1 januari 2022 en vervolgens ten minste iedere vijf jaar een beoordeling van deze richtlijn en de tenuitvoerlegging ervan, en maakt deze openbaar. De beoordeling berust onder meer op de volgende elementen:
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1– punt 2
Richtlijn 2007/2/EG
Artikel 23 – alinea 2 bis (nieuw)
De Commissie brengt te zijner tijd verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van de in lid 2 bedoelde evaluatie, en laat dit verslag indien nodig vergezeld gaan van passende wetgevingsvoorstellen.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 2009/147/EG
Artikel 12 – lid 1
1.  De lidstaten dienen om de zes jaar, op hetzelfde moment als het verslag dat uit hoofde van artikel 17 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad* wordt opgesteld, bij de Commissie een verslag in over de tenuitvoerlegging van de maatregelen die in het kader van deze richtlijn zijn getroffen en over de belangrijkste effecten van die maatregelen. Dat verslag bevat met name informatie over de staat en de ontwikkelingen van in het wild levende vogelsoorten die door deze richtlijn worden beschermd, de bedreigingen en druk op die vogelsoorten, de voor hen genomen instandhoudingsmaatregelen en de bijdrage van het netwerk van speciale beschermingszones aan de doelstellingen, zoals uiteengezet in artikel 2 van deze richtlijn.
1.  De lidstaten dienen om de zes jaar, op hetzelfde moment als het verslag dat uit hoofde van artikel 17 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad* wordt opgesteld, bij de Commissie een verslag in over de tenuitvoerlegging van de maatregelen die in het kader van deze richtlijn zijn getroffen en over de belangrijkste effecten van die maatregelen. Dat verslag is toegankelijk voor het publiek en bevat met name informatie over de staat en de ontwikkelingen van in het wild levende vogelsoorten die door deze richtlijn worden beschermd, de bedreigingen en druk op die vogelsoorten, de voor hen genomen instandhoudingsmaatregelen en de bijdrage van het netwerk van speciale beschermingszones aan de doelstellingen, zoals uiteengezet in artikel 2 van deze richtlijn.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2009/147/EG
Artikel 12 – lid 2 – zin 1
2.  De Commissie, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, stelt om de zes jaar een samenvattend verslag op aan de hand van de in lid 1 bedoelde gegevens.
2.  De Commissie, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, stelt om de zes jaar een samenvattend verslag op aan de hand van de in lid 1 bedoelde gegevens en publiceert dit verslag.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Richtlijn 2010/63/EU
Artikel 54 – lid 1 – alinea 3
De diensten van de Commissie drager er zorg voor dat het op basis van de door de lidstaten ingediende gegevens opgesteld overzicht voor de hele Unie wordt geopenbaard.
Uiterlijk zes maanden na de indiening van de gegevens door de lidstaten als bedoeld in de tweede alinea, publiceren de diensten van de Commissie een overzicht voor de hele Unie op basis van die gegevens, en zien erop toe dat dit regelmatig wordt geactualiseerd.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – punt 2 – letter b
Richtlijn 2010/63/EU
Artikel 54 – lid 4
4.  De Commissie stelt volgens de in artikel 56, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure de gemeenschappelijke inhoud en het gemeenschappelijk formaat vast voor indiening van de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde gegevens.
4.  De Commissie stelt volgens de in artikel 56, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure de gemeenschappelijke inhoud en het gemeenschappelijk formaat vast voor indiening van de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde gegevens.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1– punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2010/63/EU
Artikel 56 – lid 3
2 bis)   Artikel 56, lid 3, wordt vervangen door:
3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
"3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 166/2006
Artikel 7 – lid 2
2.  De lidstaten verstrekken elk jaar alle in artikel 5, leden 1 en 2, bedoelde gegevens via elektronische gegevensoverdracht aan de Commissie, in het formaat en binnen een termijn zoals door de Commissie in uitvoeringshandelingen is vastgesteld, overeenkomstig de in artikel 19, lid 2, bedoelde procedure. De gegevens worden uiterlijk negen maanden na het einde van het verslagjaar verstrekt.
2.  De lidstaten verstrekken elk jaar uiterlijk 31 maart alle in artikel 5, leden 1 en 2, bedoelde gegevens via elektronische gegevensoverdracht aan de Commissie, in het formaat zoals door de Commissie in uitvoeringshandelingen is vastgesteld, overeenkomstig de in artikel 19, lid 2, bedoelde procedure. De gegevens worden uiterlijk negen maanden na het einde van het verslagjaar verstrekt.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1
Verordening (EU) nr. 995/2010
Artikel 20 – lid 1
1.  De lidstaten stellen uiterlijk op 30 april van elk jaar informatie beschikbaar aan het publiek en de Commissie over de tenuitvoerlegging van deze verordening in het voorgaande kalenderjaar. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen het formaat en de procedure voor de bekendmaking van dergelijke informatie door de lidstaten vaststellen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1
Verordening (EU) nr. 995/2010
Artikel 20 – lid 3
3.  Uiterlijk op 3 december 2015, en daarna om de zes jaar, evalueert de Commissie de werking en de doeltreffendheid van deze verordening op basis van de informatie over en ervaringen met de toepassing van deze verordening, met inbegrip van het verhinderen dat illegaal gekapt hout en producten van dergelijk hout op de markt worden gebracht. Zij let daarbij met name op de administratieve gevolgen voor het midden- en kleinbedrijf en de onder de werkingssfeer vallende producten. De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van de evaluatie, en laat die verslagen indien nodig vergezeld gaan van passende wetgevingsvoorstellen.".
3.  Uiterlijk op 3 december 2021, en daarna om de vijf jaar, evalueert de Commissie de werking en de doeltreffendheid van deze verordening op basis van de informatie over en ervaringen met de toepassing van deze verordening, met inbegrip van het verhinderen dat illegaal gekapt hout en producten van dergelijk hout op de markt worden gebracht. Zij let daarbij met name op de administratieve gevolgen voor het midden- en kleinbedrijf en de onder de werkingssfeer vallende producten. De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van de evaluatie, en laat die verslagen indien nodig vergezeld gaan van passende wetgevingsvoorstellen.".
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EG) nr. 2173/2005
Artikel 8 – lid 1
1.  De lidstaten stellen uiterlijk op 30 april van elk jaar informatie beschikbaar aan het publiek en de Commissie over de tenuitvoerlegging van deze verordening in het voorgaande kalenderjaar.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 2173/2005
Artikel 9 – alinea 1
Uiterlijk in december 2021, en daarna om de zes jaar, evalueert de Commissie de werking en de doeltreffendheid van deze verordening op basis van de informatie over en ervaringen met de tenuitvoerlegging van deze verordening. Daarbij moet de Commissie rekening houden met de voortgang die is geboekt bij de uitvoering van de vrijwillige partnerschapsovereenkomsten. De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van de evaluatie, en laat, voor zover nodig, die verslagen vergezeld gaan van voorstellen voor verbetering van het Flegt-vergunningensysteem.".
Uiterlijk in december 2021, en daarna om de vijf jaar, evalueert de Commissie de werking en de doeltreffendheid van deze verordening op basis van de informatie over en ervaringen met de tenuitvoerlegging van deze verordening. Daarbij houdt de Commissie rekening met de voortgang die is geboekt bij de uitvoering van de vrijwillige partnerschapsovereenkomsten. De Commissie brengt om de vijf jaar verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van de evaluatie, en laat, voor zover nodig, die verslagen vergezeld gaan van voorstellen voor verbetering van het Flegt-vergunningensysteem.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EG) nr. 338/97
Artikel 15 – lid 4 – punt c
c)  Onverminderd artikel 20 verstrekken de administratieve instanties van de lidstaten de Commissie één jaar vóór elke vergadering van de Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst alle relevante informatie betreffende de voorgaande periode die vereist is voor het opstellen van de in artikel VIII, lid 7, onder b), van de overeenkomst bedoelde verslagen en gelijkwaardige informatie over de bepalingen van deze verordening die buiten het toepassingsgebied van de Overeenkomst vallen. De Commissie bepaalt volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure welke informatie moet worden verstrekt en in welke vorm dat dient te geschieden.
c)  Onverminderd artikel 20 verstrekken de administratieve instanties van de lidstaten de Commissie één jaar vóór elke vergadering van de Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst alle relevante informatie betreffende de voorgaande periode die vereist is voor het opstellen van de in artikel VIII, lid 7, onder b), van de overeenkomst bedoelde verslagen en gelijkwaardige informatie over de bepalingen van deze verordening die buiten het toepassingsgebied van de Overeenkomst vallen. De Commissie bepaalt volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure in welke vorm dat dient te geschieden.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 338/97
Artikel 18 – lid 2
Artikel 18, lid 2, wordt vervangen door:
2.  Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.
"2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.".
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden. Voor de taken waarvoor het comité krachtens artikel 19, punten 1 en 2, bevoegd is, worden de voorgestelde maatregelen, indien de Raad na verloop van een termijn van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad, geen besluit heeft genomen, door de Commissie vastgesteld.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0324/2018).


De rol van financiële participatie van werknemers bij het creëren van werkgelegenheid en de re-integratie van werklozen
PDF 135kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2018 over de rol van financiële participatie van werknemers bij het creëren van werkgelegenheid en de re-integratie van werklozen (2018/2053(INI))
P8_TA(2018)0400A8-0293/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name artikel 3, lid 3,

–  gezien artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin wordt bepaald dat de EU zich moet inzetten voor de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid,

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2015 over de bevordering van de sociale economie als centrale motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2016 getiteld "Een Europese agenda voor de deeleconomie" (COM(2016)0356),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 maart 2014 getiteld "De langetermijnfinanciering van de Europese economie" (COM(2014)0168),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 december 2012 getiteld "Actieplan: Europees vennootschapsrecht en corporate governance – een modern rechtskader voor meer betrokken aandeelhouders en duurzamere ondernemingen" (COM(2012)0740),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2012 getiteld "Akte voor de interne markt II - Samen voor nieuwe groei" (COM(2012)0573),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 - Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 juni 2008 getiteld "Denk eerst klein" - Een "Small Business Act" voor Europa (COM(2008)0394), alsook de werkprogramma's van de Commissie voor 2008 en 2009,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 maart 2006 getiteld "Uitvoering van het communautair Lissabonprogramma voor groei en werkgelegenheid: Overdracht van ondernemingen - Continuïteit door een nieuwe start" (COM(2006)0117),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 juli 2002 getiteld "Een kader voor de bevordering van de financiële participatie van werknemers" (COM(2002)0364), en de resolutie hierover van het Europees Parlement van 5 juni 2003(2),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociale Comité (EESC) van 21 oktober 2010 over de financiële participatie van werknemers in Europa,

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 over informatie voor en raadpleging van werknemers, anticipatie en beheer van herstructurering(3),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de financiële participatie van werknemers in bedrijfswinsten(4), en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (2013/2127(INI)),

–  gezien de door de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van het Parlement in opdracht gegeven en in september 2012 gepubliceerde studie naar de financiële participatie van werknemers in bedrijfswinsten,

–  gezien de tussentijdse evaluatie van het op 8 juni 2017 gepubliceerde actieplan kapitaalmarktenunie (COM(2017)0292),

–  gezien het proefproject van de Commissie getiteld "Promotion of employee ownership and participation", waarvan de definitieve versie in 2014 werd gepubliceerd,

–  gezien het rapport PEPPER IV, getiteld "Benchmarking of employee participation in profits and enterprise results in the member and candidate countries of the European Union", dat in oktober 2009 werd gepubliceerd door de Vrije Universiteit van Berlijn,

–  gezien het rapport PEPPER III, getiteld "Promotion of employee participation in profits and enterprise results in the new member and candidate countries of the European Union", dat in juni 2006 werd gepubliceerd door de Vrije Universiteit van Berlijn,

–  gezien het verslag van 18 december 2003 van de groep op hoog niveau van onafhankelijke deskundigen over transnationale belemmeringen voor meer financiële participatie van werknemers in multinationale ondernemingen,

–  gezien het rapport PEPPER II, getiteld "Promotion of participation by employed persons in profits and enterprise results (including equity participation) in Member States", dat in januari 1997 door de Commissie werd gepubliceerd (COM(1996)0697),

–  gezien het rapport PEPPER I, getiteld "Promotion of employee participation in profits and enterprise results", dat in maart 1991 werd gepubliceerd door de Commissie en het Europees Universitair Instituut,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8‑0293/2018),

A.  overwegende dat er verschillende modellen voor de financiële participatie van werknemers (FPW) zijn waaruit een werkgever kan kiezen: winstdeling, individueel werknemersaandeelhouderschap ("individual employee share ownership"), werknemerseigendom in coöperatieve modellen en werknemersparticipatieplannen "employee stock ownership plans" (ESOP's);

B.  overwegende dat de keuze voor het meest gepaste FPW-model zorgvuldig door de onderneming en de werknemers moet worden overwogen, rekening houdend met de specifieke nationale belastingregels en de sectorale context, en vooral zal afhangen van de grootte, het soort activiteit en de status van de onderneming, met name wanneer deze beursgenoteerd is; overwegende dat het niet gepast zou zijn om één enkel, voor de hele EU geldend FPW-model te ontwikkelen;

C.  overwegende dat FPW-regelingen volgens gegevens van de Europese bedrijvenenquête 2013(5) sterk kunnen variëren naar gelang van de kenmerken van de onderneming; overwegende dat 62 % van de Europese ondernemingen een of andere vorm van variabele beloning gebruikt, waarbij winstdeling 30 % uitmaakt en op groepsprestaties gebaseerde beloning 25 %; overwegende dat 5 % van de ondernemingen gebruikmaakt van regelingen voor werknemersaandelen; overwegende dat deze FPW-regelingen vaker voorkomen in de particuliere sector dan in de openbare sector (op enkele nationale uitzonderingen na), alsook in bepaalde economische sectoren, met name de IT-sector, de financiële sector, het verzekeringswezen en de consultancysector; overwegende dat grote ondernemingen vaker FPW-regelingen gebruiken dan kleine en middelgrote ondernemingen, met name als het gaat om ondernemingen met buitenlands kapitaal, multinationals en ondernemingen in economisch centraal gelegen of geavanceerde gebieden(6);

D.  overwegende dat ESOP's een vorm van FPW zijn waarbij gebruik wordt gemaakt van een intermediaire entiteit die stemrechten of andere vormen van governance kan uitoefenen namens de werknemers, die er vrijwillig voor kunnen kiezen;

E.  overwegende dat FPW waarbij werknemers aan overleg en besluitvorming deelnemen, voor zowel de werknemers als de onderneming aangetoonde(7) voordelen heeft, met name op het vlak van duurzame governance, transparantie, sociale dialoog, wederzijds respect tussen werknemers en werkgevers en andere aspecten zoals aanwerving, personeelsbehoud, motivatie, arbeidssatisfactie en ontwikkeling van vaardigheden, alsook algemene prestaties en winstgevendheid;

F.  overwegende dat werknemersparticipatie in de besluitvorming de prestaties van de organisatie en de levenskwaliteit op het werk kan verbeteren, en overwegende dat het een instrument kan zijn om te innoveren op de werkplek(8) teneinde een gevoel van betrokkenheid te bevorderen, de informatiestroom in de onderneming te verbeteren en meer vertrouwen te wekken tussen werkgevers en werknemers;

G.  overwegende dat FPW een positief effect op de economie van de lidstaten kan hebben door ondernemingen, met inbegrip van kmo's, en de arbeidsmarkt te ondersteunen; overwegende dat financiële participatie van werknemers in hun onderneming kan bijdragen tot arbeidssatisfactie, een gevoel van betrokkenheid, wederzijds respect tussen werkgevers en werknemers en de algemene prestaties, en werknemers kan helpen om kansen in hun eigen land te vinden;

H.  overwegende dat FPW in het kader van de ontwikkeling van de kapitaalmarktenunie (CMU) kan bijdragen aan de CMU-doelstellingen van inclusieve groei en transparantie van de economische activiteit; overwegende dat FPW, in combinatie met opleiding voor deelnemers door de ondernemingen en de lidstaten, de financiële educatie van de EU-burgers zou kunnen verbeteren, met als mogelijk gevolg dat zij minder terughoudend zouden zijn om te beleggen en dat retailbeleggingen zouden toenemen;

I.  overwegende dat de Europese werkgelegenheidsstrategie en de Europa 2020-strategie prioriteiten omvatten die moeten zorgen voor betere banen en betere arbeidsomstandigheden; overwegende dat een grotere participatie van de werknemers in de financiële resultaten van de onderneming en betere beloningsregelingen kunnen helpen om deze doelstellingen te verwezenlijken;

J.  overwegende dat FPW gepaard moet gaan met uitgebreide informatieverstrekking, opleiding en raadpleging van de werknemers, zodat zij volledig op de hoogte zijn van de voorwaarden van de financiële-participatieregelingen waaraan zij kunnen deelnemen en aldus met volledige kennis van zaken de mogelijke risico's en voordelen van die regelingen kunnen beoordelen, bijvoorbeeld in geval van failliet van de onderneming;

K.  overwegende dat werkgevers via FPW, meer sociaal overleg en strategische besluitvorming kunnen investeren in ontwikkelingsmogelijkheden voor hun personeel en aldus kunnen bijdragen tot het bestrijden van sociale uitsluiting en het verzekeren van een hoog opleidingsniveau;

L.  overwegende dat FPW, door de werknemers aan het besluitvormingsproces te laten deelnemen – afhankelijk van de specifieke kenmerken van de regeling – ondernemingen, met inbegrip van kmo's, kan helpen bij het herstructureren en voortzetten van de onderneming, door problemen met de opvolging en de generatiewissel binnen de onderneming aan te pakken, bijvoorbeeld in familiebedrijven;

M.  overwegende dat niet uit het oog mag worden verloren dat aan FPW zowel positieve als negatieve elementen verbonden zijn;

N.  overwegende dat FPW een aantal financiële risico's inhoudt, maar ook als schokdemper kan werken door bonussen of andere beloningen mogelijk te maken en er ook voor te zorgen dat de werknemers een portefeuille van bijeengespaarde aandelen hebben; overwegende dat met name ESOP's een voorbeeld kunnen zijn van een buy-outmodel voor werknemers van niet-beursgenoteerde ondernemingen, waarbij de prioritaire buy-outprocedure werknemers in staat kan stellen om potentieel hun eigen baan veilig te stellen wanneer de mogelijkheid van een buy-out door een andere onderneming bestaat;

O.  overwegende dat er dus maatregelen nodig zijn om werknemers te beschermen tegen risico's zoals het verlies van zowel hun baan als het geïnvesteerde kapitaal indien hun werkgever door een crisis wordt getroffen; overwegende dat FPW niet mag worden gebruikt om afbreuk te doen aan de verworven sociale en arbeidsrechten van de werknemers en evenmin in de plaats mag komen van een normaal basisloon, andere vormen van beloning of bijdragen aan pensioenregelingen, en geen manier mag zijn om risico's op de werknemer af te schuiven of zich aan de arbeidswetgeving te onttrekken;

P.  overwegende dat deelname aan de FPW vrijwillig moet blijven voor de werknemers, met name in kmo's, en geen afbreuk mag doen aan hun mobiliteit op de arbeidsmarkt, hun sociale zekerheid of hun recht op collectieve actie; overwegende dat de werknemers te allen tijde toegang moeten hebben tot informatie over de economische situatie van de onderneming, met uitzondering van haar bedrijfsgeheimen en commercieel gevoelige informatie, en informatie moeten krijgen over de voor- en nadelen van elke beschikbare FPW-regeling;

Q.  overwegende dat fiscale prikkels essentieel zijn voor het bevorderen van FPW en op middellange tot de lange termijn kunnen renderen, aangezien landen met een lange traditie op het gebied van financiële participatie van werknemers ook het meest ontwikkelde werknemersaandeelhouderschap hebben en de grootste fiscale voordelen laten zien;

R.  overwegende dat proactieve werkgelegenheidsmaatregelen, zoals steun voor mensen die als echte zelfstandige aan de slag willen gaan en voor sociaal ondernemerschap, essentiële instrumenten zijn voor de re-integratie van werklozen op de arbeidsmarkt, in lijn met het in januari 2013 vastgestelde Europees Actieplan voor ondernemerschap;

S.  overwegende dat het huidig Europees Sociaal Fonds sociaal ondernemerschap en de sociale en solidaire economie bevordert, en dat dit ook met het komende ESF+ moet worden voortgezet; overwegende dat FPW een waardevolle bijdrage aan de ontwikkeling van de sociale en solidaire economie kan leveren door bijvoorbeeld investeringen of financiering toegankelijker te maken;

T.  overwegende dat FPW een aanvulling kan zijn op EU-programma's ter verbetering van de toegang tot kapitaal, met name voor kmo's, zoals het Cosme-programma, het programma InnovFin, het programma Creatief Europa en de Europese structuur- en investeringsfondsen;

U.  overwegende dat FPW een aanvulling kan vormen op het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, dat mensen helpt die hun baan hebben verloren na grote structurele veranderingen ten gevolge van de mondialisering of de economische en financiële crisis, met betrekking tot omscholing, opleiding, steun voor zelfstandigen, start-ups en overnames door werknemers;

V.  overwegende dat EU-richtsnoeren voor FPW de lidstaten zouden kunnen helpen om kaders voor FPW-regelingen te ontwikkelen die zowel werkgevers als werknemers ten goede kunnen komen en het publiek meer bewust kunnen maken van FPW;

1.  verzoekt de Commissie na te denken over passende aanbevelingen om de lidstaten en ondernemingen, in het bijzonder kmo's, aan te moedigen om FPW-regelingen te ontwikkelen en aan te bieden die ten goede komen aan en het belang dienen van zowel de werknemers als de ondernemingen; benadrukt dat deze regelingen:

   de inkomenszekerheid van de werknemers moeten beschermen;
   werknemers in een crisissituatie niet mogen uitbuiten;
   geen ondernemersrisico op de werknemers mogen afschuiven;
   een hoge mate van bescherming van de beleggingen van de werknemers moeten garanderen;

2.  verzoekt de lidstaten bij het promoten van regelingen voor werknemersaandeelhouderschap bij ondernemingen en werknemers te voorzien in niet-verplichte stimulansen, waaronder belastingprikkels (die niet mogen indruisen tegen de nationale belastingregels), in overeenstemming met de beginselen van best practices, en tegelijk de hoogste normen inzake sociale bescherming van werknemers te steunen en het recht van werknemers op collectieve actie te waarborgen;

3.  onderstreept dat FPW moet worden ingebed in een systeem van betrokkenheid van de werknemers, bijvoorbeeld bij de besluitvorming in de onderneming, en dat FPW niet in de plaats mag komen van een billijk en fatsoenlijk loon, noch een alternatief mag zijn voor overheidspensioenen of collectief overeengekomen pensioenregelingen;

4.  vraagt de Commissie uitvoering te geven aan het uit vijf punten bestaande actieplan dat is opgenomen in het eindverslag over het proefproject ter bevordering van eigenaarschap en participatie van werknemers uit 2014;

5.  onderkent het verband tussen wetgevingsmaatregelen op nationaal niveau ter bevordering van FPW-regelingen en het aantal ondernemingen en werknemers dat daar gebruik van maakt;

6.  wijst op de transnationale obstakels waarmee zowel ondernemingen die dergelijke regelingen in meerdere lidstaten aanbieden als werknemers worden geconfronteerd, namelijk discrepanties in de wetgeving en het risico op dubbele belasting met alle aanzienlijke administratieve kosten van dien, die het vrije verkeer van werknemers kunnen inperken, terwijl dit vrije verkeer van werknemers een belangrijke rol speelt bij het bestrijden van de werkloosheidsplaag en het bevorderen van convergentie en integratie tussen de lidstaten;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten aan bewustmaking te doen, zoals wordt aanbevolen in het eindverslag over het proefproject ter bevordering van eigenaarschap en participatie van werknemers uit 2014, de resultaten van onderzoeksprojecten te benutten, de grensoverschrijdende meeneembaarheid van best practices te stimuleren, en een voorstel in te dienen voor een reeks eenvoudige, elementaire basismodellen voor ondersteuning;

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten speciale websites op te zetten met modelovereenkomsten voor winstdelingsregelingen die kmo's en micro-ondernemingen makkelijk kunnen gebruiken, en informatie over de daaraan verbonden risico's en ander relevant materiaal te verschaffen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om, met de hulp van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden, gegevens te blijven verzamelen over het gebruik en de verspreiding van financiële-participatieregelingen en ook te onderzoeken welk effect financiële participatie heeft op het functioneren van de onderneming, de arbeidskwaliteit en het personeelsbehoud;

9.  verzoekt de lidstaten Commissie ondernemingen die belangstelling voor FPW tonen, te helpen met oplossingen en specifieke steunmaatregelen om buitensporige administratieve en ontwikkelingskosten in verband met de tenuitvoerlegging van FPW – met name in kmo's – te voorkomen, externe beheerders zoals banken en investeringsfondsen aan te moedigen om eenvoudige FPW-regelingen op maat van dit soort ondernemingen voor te stellen, en er tegelijkertijd op toe te zien dat intermediairs niet van de kleinste ondernemingen profiteren en dat er geen verborgen kosten zijn;

10.  verzoekt de Commissie en de lidstaten financiële educatie te bevorderen om de EU-burgers te empoweren en beter bewust te maken van de implicaties van FPW;

11.  verzoekt de Commissie en de lidstaten bij het begin van het proces met de sociale partners, werknemersaandeelhouderschapsorganisaties en andere betrokken partijen te overleggen om de meest passende FPW-kaders te ontwerpen, en wanneer een FPW-regeling relevant wordt geacht, daar per bedrijf over te onderhandelen, rekening houdend met de omvang van de onderneming, de soort onderneming, haar werknemers en haar financiële situatie, maar ook met de nationale wetgeving en praktijk;

12.  beveelt aan om per bedrijfstak over werknemersspaarregelingen en ‑instrumenten te onderhandelen zodat kmo's en micro-ondernemingen over modelovereenkomsten beschikken die zij direct en makkelijk kunnen gebruiken;

13.  beklemtoont dat alle werknemers op niet-discriminerende wijze, ongeacht leeftijd, geslacht, nationaliteit, voltijd- of deeltijdwerk enz., aan FPW moeten kunnen deelnemen;

14.  stelt dat differentiatie tussen werknemers gerechtvaardigd kan zijn om rekening te houden met de uiteenlopende behoeften en belangen van de werknemers, bijvoorbeeld aan beperkingen onderworpen aandelenplannen die alleen voor leidinggevenden bestemd zijn;

15.  overwegende dat ESOP's werknemers de mogelijkheid moeten bieden om hun ESOP-rekening voor andere aandelen dan die van de huidige werkgever te gebruiken teneinde het concentratierisico te beperken, met name in het geval van kmo's;

16.  wijst erop dat het besluit om aan een FPW-regeling deel te nemen, geheel vrijwillig moet zijn, d.w.z. dat er geen actie mag worden ondernomen tegen werknemers die besluiten niet deel te nemen, en dat als ze besluiten deel te nemen, die deelname gebaseerd moet zijn op de nodige opleiding en de geïnformeerde instemming van de werknemers, die zich ten volle bewust moeten zijn van hun rechten en plichten, de risico's, de situatie van de onderneming, de voor- en nadelen van elke regeling, de fiscale gevolgen van deelname aan de regeling en de voorwaarden die gelden wanneer zij de onderneming verlaten of uit de regeling stappen;

17.  is van oordeel dat FPW niet in de plaats mag komen van, en niet mag resulteren in een vermindering van het normale basisloon of andere vormen van beloning zoals socialezekerheidsbijdragen, maar veeleer complementair moet zijn aan alle sociale en contractuele rechten, wat een allereerste voorwaarde is om FPW toe te passen;

18.  is van mening dat er meer dwarsverbanden tot stand moeten worden gebracht tussen FPW en de sociale economie, met name via programma's zoals Creatief Europa, dat microleningen ten belope van maximaal 25 000 EUR verstrekt aan kleine ondernemingen en sociale ondernemingen;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten er rekening mee te houden dat de arbeidsmarkt zich snel ontwikkelt en verandert, wat uitdagingen met betrekking tot vaardigheden, digitalisering, automatisering, vermogensongelijkheid en besparingen in de sociale zekerheid met zich brengt, en dat er voortdurend nieuwe mogelijkheden ontstaan om werknemers te steunen en te beschermen en hen in staat te stellen zich aan te passen en zich op professioneel en persoonlijk vlak te ontwikkelen;

20.  onderstreept de belangrijke rol die FPW kan spelen bij het bevorderen van ondernemerschap en ondernemingszin door onderzoek en toegang tot kapitaal te vergemakkelijken, met name voor start-ups;

21.  benadrukt dat micro-ondernemingen weliswaar een belangrijke rol spelen in de economie van de meeste lidstaten van de EU, maar dat er nog steeds geen maatregelen zijn genomen om werknemersaandeelhouderschap in micro-ondernemingen te ondersteunen;

22.  verwelkomt de initiatieven van de directoraten-generaal EMPL, FISMA en GROW van de Commissie om de werkgelegenheid, kmo's en de kapitaalmarktenunie te ondersteunen, en vraagt dat er een gecoördineerde benadering wordt gevolgd om de beschikbare hulpbronnen optimaal te gebruiken, in de wetenschap dat de eindbegunstigde de Europese burger is;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 307 van 18.11.2008, blz. 11.
(2) PB C 68 E van 18.3.2004, blz. 429.
(3) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 23.
(4) PB C 482 van 23.12.2016, blz. 41.
(5) Derde Europese bedrijvenenquête (2013), Eurofound.
(6) Veranderingen in belonings- en compensatieregelingen, Eurofound, 2016.
(7) Jaarlijkse economische enquête over werknemersaandeelhouderschap in Europese landen.
(8) Innovatie op de werkplek in Europese bedrijven, Eurofound, 2016.

Juridische mededeling - Privacybeleid