Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 25 oktober 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Invoer van cultuurgoederen ***I
 Bescherming van de financiële belangen van de EU - Terugvordering van geld en activa van derde landen in fraudegevallen
 Het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik ***I
 Geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik ***I
 De vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van gemedicineerde diervoeders ***I
 Het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen ***I
 Bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen ***I
 Meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
 Vestigingsplaats van de zetel van de Europese Bankautoriteit ***I
 Hervestiging van het Europees Geneesmiddelenbureau ***I
 De opkomst van neofascistisch geweld in Europa
 Dierenwelzijn, het gebruik van antimicrobiële stoffen en de milieueffecten van de industriële vleeskippenhouderij
 VN-klimaatconferentie 2018 in Katowice, Polen (COP24)
 14e bijeenkomst van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP14)
 Werkgelegenheids- en sociaal beleid in de eurozone
 Het gebruik van gegevens van Facebook-gebruikers door Cambridge Analytica en de impact op de gegevensbescherming
 De moord op de journalist Jamal Khashoggi in het Saoedische consulaat in Istanboel
 De situatie in de Zee van Azov
 De situatie in Venezuela
 Bevordering van de automatische wederzijdse erkenning van diploma's
 Uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen in de Europese Unie: tijd voor actie!
 Het in goede banen leiden van de mondialisering: handelsaspecten

Invoer van cultuurgoederen ***I
PDF 256kWORD 102k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 25 oktober 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoer van cultuurgoederen (COM(2017)0375 – C8-0227/2017 – 2017/0158(COD))(1)
P8_TA(2018)0418A8-0308/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  In het licht van de conclusies van de Raad van 12 februari 2016 over de bestrijding van terrorismefinanciering, de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad inzake een actieplan ter versterking van de strijd tegen terrorismefinanciering24 en de richtlijn inzake terrorismebestrijding25 moeten gemeenschappelijke voorschriften voor de handel met derde landen worden vastgesteld om cultuurgoederen doeltreffend te beschermen tegen verlies, het culturele erfgoed van de mensheid in stand te houden en de financiering van terrorisme via de verkoop van geroofd cultureel erfgoed aan kopers in de Unie te voorkomen.
(1)  In het licht van de conclusies van de Raad van 12 februari 2016 over de bestrijding van terrorismefinanciering, de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad inzake een actieplan ter versterking van de strijd tegen terrorismefinanciering24 en de richtlijn inzake terrorismebestrijding25 moeten gemeenschappelijke voorschriften voor de handel met derde landen worden vastgesteld om cultuurgoederen doeltreffend te beschermen tegen smokkel, verlies of vernietiging, het culturele erfgoed van de mensheid in stand te houden en de financiering van terrorisme en geld witwassen via de verkoop van geroofd cultureel erfgoed aan kopers in de Unie te voorkomen.
__________________
__________________
24 COM(2016)0050.
24 COM(2016)0050.
25 Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6-21).
25 Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6-21).
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  In het kader van de inspanningen van de Unie gericht op een eerlijke rechtsgang en schadeloosstelling van slachtoffers, en krachtens het statuut en de verdragen van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (Unesco) inzake de bescherming van erfgoed, moet de teruggave van illegaal verhandelde, opgegraven of verkregen voorwerpen worden gewaarborgd. Aangezien de uitbuiting van volkeren en de exploitatie van gebieden doorgaans leiden tot illegale handel in en smokkel van cultuurgoederen, met name wanneer dergelijke illegale handel en smokkel te herleiden zijn naar gebieden waar een gewapend conflict heerst, moet in deze verordening rekening worden gehouden met de regionale en lokale kenmerken van volkeren en gebieden in plaats van de marktwaarde ervan.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Cultureel erfgoed vormt een van de hoekstenen van de beschaving, het verrijkt het culturele leven van alle volkeren en moet daarom worden beschermd tegen onrechtmatige toe-eigening en plundering. Dienovereenkomstig moet de Unie verbieden dat cultuurgoederen die illegaal uit derde landen zijn uitgevoerd, het douanegebied van de Unie worden binnengebracht.
(2)  Cultuurgoederen zijn vaak van groot cultureel, artistiek, historisch en wetenschappelijk belang. Cultureel erfgoed vormt een van de hoekstenen van de beschaving, heeft onder meer symbolische waarde en vormt het cultureel geheugen van de mensheid. Het verrijkt het culturele leven van alle volkeren en verbindt volkeren door gedeelde kennis en ontwikkeling van het geheugen van de beschaving. Daarom moet het worden beschermd tegen onrechtmatige toe-eigening en plundering. Plundering van archeologische vindplaatsen is van alle tijden, maar heeft inmiddels industriële proporties aangenomen. Zolang lucratieve handel in cultuurgoederen die afkomstig zijn uit illegale opgravingen, mogelijk blijft en hier geen noemenswaardig risico aan verbonden is, zullen dergelijke opgravingen en plunderingen in de toekomst doorgaan. De economische en artistieke waarde van cultureel erfgoed heeft tot een grote vraag op de internationale markt geleid, terwijl het gebrek aan krachtige internationale juridische maatregelen of ondoeltreffende handhaving van zulke maatregelen ervoor zorgt dat deze goederen in de schaduweconomie terechtkomen. Plundering van archeologische vindplaatsen en handel in illegaal opgegraven cultureel erfgoed zijn ernstig misdrijven die veel leed toebrengen aan alle al dan niet direct betrokkenen. De illegale handel in cultuurgoederen draagt in veel gevallen bij tot intensieve culturele homogenisering of verdrijving, terwijl roof en plundering van cultuurgoederen onder meer tot desintegratie van culturen leiden. Dienovereenkomstig moet de Unie verbieden dat cultuurgoederen die illegaal uit derde landen zijn uitgevoerd, in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd, en moet speciale aandacht worden besteed aan cultuurgoederen uit derde landen waar een gewapend conflict heerst, met name als er sprake is van uitvoer van dergelijke goederen door terroristische of andere misdaadorganisaties.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  De bevoegde autoriteiten van derde landen beschikken niet altijd over de vereiste capaciteit om de smokkel van en illegale handel in cultuurgoederen te bestrijden. Ook kunnen die autoriteiten te kampen hebben met corruptie of andere vormen van wanbeheer. Wanneer cultuurgoederen uit hun oorspronkelijke context worden weggehaald, verliest de bevolking haar gebruiken en voorwerpen, of haar gedenkplaatsen en religieuze plaatsen. Wanneer de cultuurgoederen en bijbehorende objecten apart van elkaar worden verkocht, gaan de historische context en wetenschappelijke waarde ervan verloren. Gezien het onvervangbare karakter van cultuurgoederen en het algemeen belang ervan, moet het bezit ervan altijd aan bepaalde voorwaarden zijn gebonden. De invoerprocedure moet waarborgen omvatten inzake de passende opslag en documentatie van de cultuurgoederen, de toegang tot deze goederen door academische instellingen en openbare musea, alsook inzake samenwerking in het geval van gerechtvaardigde vorderingen tot teruggave.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Gelet op de uiteenlopende voorschriften die in de lidstaten gelden ten aanzien van het binnenbrengen van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie, moeten maatregelen worden genomen, met name om te garanderen dat de invoer van cultuurgoederen wordt onderworpen aan uniforme controles bij binnenkomst.
(3)  Gelet op de uiteenlopende voorschriften die in de lidstaten gelden ten aanzien van de invoer van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie, moeten maatregelen worden genomen, om te garanderen dat bepaalde invoer van cultuurgoederen wordt onderworpen aan uniforme controles bij binnenkomst in het douanegebied van de Unie, met name op basis van bestaande processen, procedures en administratieve instrumenten die zijn gericht op een uniforme tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad1 bis.
__________________
1 bis Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269, 10.10.2013, blz. 1).
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De gemeenschappelijke voorschriften moeten de douanebehandeling regelen van culturele niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen, dat wil zeggen zowel het in het vrije verkeer brengen van die goederen als het plaatsen ervan onder een bijzondere douaneregeling, met uitzondering van douanevervoer.
(4)  De gemeenschappelijke voorschriften moeten het binnenbrengen en de invoer regelen van culturele niet-Uniegoederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Gezien de bekende mogelijkheid die vrije zones (en zogenaamde "vrijhavens") bieden voor de opslag van cultuurgoederen, moeten zoveel mogelijk douaneregelingen onder het toepassingsgebied van de op te zetten controlemaatregelen vallen. Daarom moeten die controlemaatregelen niet alleen zien op goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, maar ook op goederen die onder een bijzondere douaneregeling worden geplaatst. Dit brede toepassingsgebied mag evenwel niet ingaan tegen het beginsel van de vrije doorvoer van goederen of verder reiken dan hetgeen wordt beoogd, namelijk te voorkomen dat illegaal uitgevoerde cultuurgoederen het douanegebied van de Unie binnenkomen. Dienovereenkomstig moeten de controlemaatregelen gelden ten aanzien van de bijzondere douaneregelingen waaronder goederen kunnen worden geplaatst die het douanegebied van de Unie binnenkomen, maar niet ten aanzien van douanevervoer.
(5)  Controlemaatregelen die worden ingevoerd met betrekking tot vrije zones (en zogenaamde "vrijhavens") moeten een zo breed mogelijk toepassingsgebied hebben waar het gaat om de desbetreffende douaneregelingen, met het oog op het voorkomen van ontwijking van onderhavige verordening via de exploitatie van vrije zones, die een potentiële context vormen voor de verdere verspreiding van illegale producten in de Unie. Daarom moeten die controlemaatregelen niet alleen van toepassing zijn op goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, maar ook op goederen die onder een bijzondere douaneregeling worden geplaatst. Dat brede toepassingsgebied mag niet verder gaan dan het doel te voorkomen dat illegaal uitgevoerde cultuurgoederen het douanegebied van de Unie binnenkomen, behalve wanneer de bevoegde autoriteiten redelijke gronden hebben om aan te nemen dat cultuurgoederen uit het land van herkomst of het derde land zijn uitgevoerd in strijd met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  De definities in de verordening moeten worden gebaseerd op die welke worden gebruikt in de op 14 november 1970 te Parijs ondertekende Unesco-Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen en het op 24 juni 1995 te Rome ondertekende Verdrag van Unidroit inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen, waar een groot aantal lidstaten partij bij is, omdat vele derde landen en de meeste lidstaten vertrouwd zijn met de bepalingen ervan.
(6)  De definities in de verordening moeten worden gebaseerd op die welke worden gebruikt in de op 14 november 1970 te Parijs ondertekende Unesco-Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen (de "Unesco-overeenkomst van 1970") en het op 24 juni 1995 te Rome ondertekende Unidroit-verdrag inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen, waar een groot aantal lidstaten partij bij is, omdat vele derde landen en de meeste lidstaten vertrouwd zijn met de bepalingen ervan.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Het legale karakter van uitvoer moet worden onderzocht aan de hand van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land waar de cultuurgoederen zijn ontdekt of voortgebracht ("land van herkomst"). Om ontwijking te voorkomen wanneer cultuurgoederen de Unie vanuit een ander derde land binnenkomen, moet de persoon die ze in het douanegebied van de Unie wil brengen, aantonen dat deze goederen daar op legale wijze zijn uitgevoerd wanneer het derde land in kwestie een partij bij de Unesco-overeenkomst van 1970 is en zich er dus toe heeft verbonden om de illegale handel in cultuurgoederen te bestrijden. In andere gevallen moet deze persoon aantonen dat ze op legale wijze zijn uitgevoerd uit het land van herkomst.
(7)  Het legale karakter van uitvoer dient te worden gecontroleerd aan de hand van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land waar de cultuurgoederen zijn ontdekt, voortgebracht of verwijderd, opgegraven of gestolen op het land of onder water, of het land dat een zodanig nauwe band heeft met de cultuurgoederen dat het deze goederen beschermt als nationale culturele eigendom en regels vaststelt voor de uitvoer ervan uit zijn grondgebied na rechtmatige verwijdering uit het land waar zij zijn voortgebracht of ontdekt (land van herkomst). Om ontwijking te voorkomen wanneer cultuurgoederen de Unie vanuit een ander derde land binnenkomen, moet de persoon die ze in het douanegebied van de Unie wil brengen, aantonen dat deze goederen daar op legale wijze zijn uitgevoerd. In uitzonderlijke gevallen waarin hetzij het land van herkomst van een cultuurgoed met zekerheid kan worden vastgesteld en die omstandigheid naar behoren gedocumenteerd is en door de bevoegde autoriteit gestaafd wordt, hetzij de cultuurgoederen vóór 1970 uit het land van herkomst zijn uitgevoerd en naar een derde land zijn gebracht voor andere doeleinden dan tijdelijk gebruik, doorvoer, uitvoer of verzending voordat zij in het douanegebied van de Unie werden gebracht, maar de houder niet de vereiste documenten kan overleggen daar dergelijke documenten niet in zwang waren ten tijde van de uitvoer van de cultuurgoederen uit het land van herkomst, gaat de aanvraag vergezeld van de passende bewijsstukken en informatie ten bewijze van het feit dat de cultuurgoederen in kwestie uit het land van herkomst zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land, of dat dergelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen niet bestaan.
Amendementen 10 en 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Artikel 5 van de Unesco-overeenkomst van 1970 roept op tot de instelling van een of meer nationale diensten voor de bescherming van het cultureel erfgoed van lidstaten die partij zijn bij die overeenkomst tegen illegale invoer, uitvoer en doorvoer. In overeenstemming met die overeenkomst moeten die nationale diensten zijn toegerust met voldoende vakbekwaam personeel, om te zorgen voor die bescherming en om de noodzakelijke actieve samenwerking mogelijk te maken tussen de bevoegde autoriteiten van lidstaten die partij zijn bij die overeenkomst, op het gebied van veiligheid en bestrijding van de illegale invoer van cultuurgoederen, met name in crisisgebieden. De lidstaten die reeds partij zijn bij die overeenkomst moeten de daarin neergelegde verplichtingen nakomen, en de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan wordt dringend verzocht de overeenkomst te ratificeren.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Om geen buitensporige hindernissen op te werpen voor de handel in goederen die over de buitengrenzen gaat, moet deze verordening uitsluitend gelden voor goederen met een bepaalde ouderdom. Te dien einde is het passend een minimale ouderdomsdrempel van 250 jaar vast te stellen voor alle categorieën van cultuurgoederen. Deze minimale ouderdomsdrempel zal garanderen dat de in deze verordening vervatte maatregelen gericht zijn op de cultuurgoederen die het meest voor de hand liggende doelwit zijn van plunderaars in conflictgebieden, zonder dat andere goederen worden uitgesloten waarop controle noodzakelijk is met het oog op de bescherming van het cultureel erfgoed.
(8)  Om geen buitensporige hindernissen op te werpen voor de handel in goederen die over de buitengrenzen van de Unie gaat, moet deze verordening uitsluitend gelden voor goederen met een bepaalde ouderdom en waarde. Te dien einde is het passend een minimale ouderdomsdrempel vast te stellen voor de meeste categorieën cultuurgoederen, in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 116/2009, de bepalingen van de Unesco-overeenkomst van 1970 en het Unidroit-verdrag van 1995, alsook een financiële drempel voor bepaalde categorieën cultuurgoederen, zoals vermeld in bijlage I. Voor bepaalde categorieën cultuurgoederen mag geen financiële drempel gelden, aangezien zij extra bescherming nodig hebben vanwege het grotere risico op diefstal, verlies of vernietiging. De minimale ouderdomsdrempel zal garanderen dat de in deze verordening vervatte maatregelen gericht zijn op de cultuurgoederen die het meest voor de hand liggende doelwit zijn van plunderaars in conflictgebieden, zonder dat andere goederen worden uitgesloten waarop controle noodzakelijk is met het oog op de bescherming van het cultureel erfgoed.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Aangezien bepaalde categorieën cultuurgoederen, namelijk oudheidkundige voorwerpen, delen van monumenten, zeldzame manuscripten en wiegedrukken, bijzonder kwetsbaar zijn voor plundering en vernietiging, lijkt het noodzakelijk in een systeem van verscherpt toezicht te voorzien voordat zij het douanegebied van de Unie mogen binnenkomen. In het kader van een dergelijk systeem moet worden verlangd dat een invoervergunning voor de goederen, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van binnenkomst, wordt voorgelegd voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht of onder een bijzondere regeling, met uitzondering van douanevervoer, worden geplaatst. Personen die een dergelijke vergunning aanvragen, moeten kunnen aantonen dat de uitvoer uit het land van herkomst legaal is aan de hand van passende bewijsstukken, met name uitvoercertificaten of -vergunningen afgegeven door het derde land van uitvoer, eigendomstitels, facturen, verkoopovereenkomsten, verzekeringsdocumenten, vervoersdocumenten en expertises. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten op basis van volledig en zorgvuldig ingevulde aanvragen onmiddellijk over de afgifte van een vergunning beslissen.
(10)  Aangezien bepaalde categorieën cultuurgoederen, namelijk oudheidkundige voorwerpen, en delen van monumenten bijzonder kwetsbaar zijn voor plundering en vernietiging, lijkt het noodzakelijk in een systeem van verscherpt toezicht te voorzien voordat zij het douanegebied van de Unie mogen binnenkomen. In het kader van een dergelijk systeem moet worden verlangd dat een invoervergunning voor de goederen, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de eerste lidstaat van geplande invoer, wordt voorgelegd voordat zij in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd. Personen die een dergelijke vergunning aanvragen, moeten kunnen aantonen dat de cultuurgoederen uit het land van herkomst of, in uitzonderlijke gevallen, uit het derde land zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land van herkomst of derde land, of dat dergelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen niet bestaan. Met gepaste inachtneming van de risico's en toepassing van zorgvuldigheidsbeginselen moet de legale uitvoer uit het land van herkomst, of in uitzonderlijke gevallen het derde land, worden aangetoond aan de hand van passende bewijsstukken (uitvoercertificaten of uitvoervergunningen afgegeven door het land van herkomst, een gestandaardiseerd document gebaseerd op de Object ID-standaard – die de internationale standaard vormt voor de beschrijving van cultuurvoorwerpen –, eigendomstitels, facturen, verkoopovereenkomsten, verzekeringsdocumenten, vervoersdocumenten) waaruit blijkt dat de cultuurgoederen in kwestie uit het land van herkomst zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land. Indien er geen bewijsstukken beschikbaar zijn, dient de aanvraag vergezeld te gaan van een expertise wanneer dit noodzakelijk wordt geacht door de bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten op basis van volledig en zorgvuldig ingevulde aanvragen onmiddellijk binnen de gestelde termijnen over de afgifte van een vergunning beslissen.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Gezien de specifieke aard van de goederen spelen culturele deskundigen binnen de douane-instanties een zeer belangrijke rol omdat zij, indien nodig, aanvullende informatie van de aangever kunnen vragen en het cultuurgoed kunnen analyseren door het ter plaatse te onderzoeken.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Voor andere categorieën cultuurgoederen moeten de personen die ze het douanegebied van de Unie willen binnenbrengen, aan de hand van een verklaring bevestigen en de verantwoordelijkheid op zich nemen dat deze goederen legaal zijn uitgevoerd uit het derde land, en zij moeten voldoende informatie over deze goederen verstrekken zodat de douane ze kan identificeren. Om de procedure te vergemakkelijken en rechtszekerheid te bieden, moet de informatie over de cultuurgoederen worden verstrekt met behulp van een gestandaardiseerd document. Het Object ID, de door de Unesco aanbevolen standaard, moet worden gebruikt om de cultuurgoederen te omschrijven. De douane moet de binnenkomst van deze cultuurgoederen registreren, de originele documenten bijhouden en een kopie van de relevante documenten aan de aangever bezorgen, zodat de goederen traceerbaar zijn nadat zij op de interne markt zijn gebracht.
(11)  Voor andere categorieën cultuurgoederen moeten de personen die ze het douanegebied van de Unie willen binnenbrengen, aan de hand van een elektronische verklaring bevestigen en de verantwoordelijkheid op zich nemen dat deze goederen legaal zijn uitgevoerd uit het land van herkomst of, in uitzonderlijke gevallen, uit het derde land, en zij moeten voldoende informatie over deze goederen verstrekken zodat de douane ze kan identificeren. Om de procedure te vergemakkelijken en rechtszekerheid te bieden, moet de informatie over de cultuurgoederen worden verstrekt met behulp van een gestandaardiseerd elektronisch document. Een gestandaardiseerd document dat gebaseerd is op het Object ID, de door de Unesco aanbevolen standaard, moet worden gebruikt om de cultuurgoederen te omschrijven. De elektronische verklaring dient tevens de door het land van herkomst, of in uitzonderlijke gevallen het derde land, verstrekte uitvoervergunningen of -certificaten te omvatten waaruit blijkt dat de cultuurgoederen in kwestie uit dat land zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land van herkomst of derde land, of dat dergelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen niet bestaan. Indien de wetgeving van het land van herkomst of het derde land niet voorziet in de afgifte van uitvoervergunningen of -certificaten, dient de importeursverklaring ook vergezeld te gaan van andere passende bewijsstukken, zoals eigendomstitels, facturen, verkoopovereenkomsten, verzekeringsdocumenten en vervoersdocumenten. Deze cultuurgoederen moeten elektronisch worden geregistreerd en aan de aangever moet een kopie van de relevante documenten worden verstrekt, zodat de goederen traceerbaar zijn nadat zij op de interne markt zijn gebracht. De informatie die aan de bevoegde autoriteiten wordt verstrekt in de vorm van een elektronische verklaring, dient hen in staat te stellen verdere actie te ondernemen indien zij, op basis van een risicoanalyse, van mening zijn dat het mogelijk onrechtmatig ingevoerde goederen betreft.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Voor de tijdelijke invoer van cultuurgoederen voor educatieve doeleinden en wetenschappelijk of academisch onderzoek mag geen vergunning of verklaring worden geëist.
(12)  Voor de tijdelijke invoer van cultuurgoederen voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden of voor podiumkunsten, conservering, restauratie, digitalisering of academisch onderzoek, alsook in het kader van de samenwerking tussen musea en vergelijkbare instellingen zonder winstoogmerk met het oog op de organisatie van culturele tentoonstellingen mag geen invoervergunning of importeursverklaring worden geëist. Voor cultuurgoederen die moeten worden getoond op handelsbeurzen en internationale kunstbeurzen mag geen invoervergunning of importeursverklaring worden geëist. Indien de cultuurgoederen echter worden aangekocht en binnen het grondgebied van de Unie blijven, kan er een invoervergunning of importeursverklaring worden geëist, afhankelijk van de categorie cultuurgoederen.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Ook de opslag van cultuurgoederen uit landen waar een gewapend conflict heerst of een natuurramp is gebeurd, moet worden toegestaan zonder dat een vergunning of verklaring moet worden voorgelegd, teneinde de veiligheid en het behoud ervan te verzekeren.
(13)  Ook de opslag van cultuurgoederen uit landen waar een gewapend conflict heerst of een natuurramp is gebeurd, met de bedoeling om die goederen terug te brengen naar het land van herkomst of het derde land waaruit zij op legale wijze zijn uitgevoerd, zodra de situatie dat toelaat, moet worden toegestaan zonder dat een invoervergunning of importeursverklaring moet worden voorgelegd, teneinde de veiligheid en het behoud ervan te verzekeren.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Om rekening te houden met de ervaringen die worden opgedaan met de tenuitvoerlegging van deze verordening, alsook met wijzigende geopolitieke en andere omstandigheden die een bedreiging vormen voor cultuurgoederen, zonder evenwel buitensporige hindernissen op te werpen voor de handel met derde landen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van de minimale ouderdomsdrempel voor de verschillende categorieën cultuurgoederen. Die bevoegdheid moet de Commissie ook de mogelijkheid bieden om de bijlage bij te werken naar aanleiding van wijzigingen van de gecombineerde nomenclatuur. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201627. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(14)  Om rekening te houden met de ervaringen die worden opgedaan met de tenuitvoerlegging van deze verordening, alsook met wijzigende geopolitieke en andere omstandigheden die een bedreiging vormen voor cultuurgoederen, zonder evenwel buitensporige hindernissen op te werpen voor de handel met derde landen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van de criteria voor de minimale ouderdomsdrempel en de financiële drempel voor de verschillende categorieën cultuurgoederen. Die bevoegdheid moet de Commissie ook de mogelijkheid bieden om bijlage I bij te werken naar aanleiding van wijzigingen van de gecombineerde nomenclatuur en een tweede bijlage (bijlage II) toe te voegen met een lijst van landen en codes van de gecombineerde nomenclatuur, gebaseerd op de "rode lijsten van bedreigde cultuurgoederen" die door de Internationale Museumraad (ICOM) worden opgesteld en aangepast. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven27. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
__________________
__________________
27 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
27 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om specifieke voorwaarden voor de tijdelijke invoer en de opslag van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie, de modellen voor aanvragen en formulieren van invoervergunningen alsook voor importeursverklaringen en bijgaande documenten, en nadere procedureregels voor de indiening en de verwerking daarvan vast te stellen. Aan de Commissie moeten ook uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om voorzieningen te treffen voor het opzetten van een elektronische databank voor de opslag en de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad28.
(15)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om specifieke voorwaarden voor de tijdelijke invoer en de opslag van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie vast te stellen, waarbij met het oog op de specifieke aard van de goederen passende bewaaromstandigheden moeten worden gewaarborgd. Deze regelingen moeten ook gelden voor de elektronische gestandaardiseerde modellen voor elektronische aanvragen en formulieren van invoervergunningen en een lijst van redenen voor afwijzing van een dergelijke aanvraag, alsook voor importeursverklaringen en bijgaande documenten, en voor de nadere procedureregels voor de elektronische indiening en verwerking daarvan. Aan de Commissie moeten ook uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om voorzieningen te treffen voor het opzetten van een elektronische databank voor de opslag en de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten in het kader van Verordening (EU) nr. 952/2013. Het opzetten van een dergelijke databank kan deel uitmaken van het krachtens artikel 280 van die verordening vastgestelde werkprogramma. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad28.
__________________
__________________
28 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
28 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)  Voor de tenuitvoerlegging van deze verordening gelden de bepalingen inzake de procedures voor douanecontroles en -verificaties van Verordening (EU) nr. 952/2013.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Er moeten relevante gegevens over de handelsstromen van cultuurgoederen worden verzameld ter ondersteuning van de efficiënte tenuitvoerlegging van de verordening en als grondslag voor de toekomstige evaluatie ervan. Het toezicht op de handelsstromen van cultuurgoederen kan niet efficiënt worden verricht alleen op basis van de waarde of het gewicht van die goederen, omdat deze twee maatstaven kunnen fluctueren. Het is van wezenlijk belang dat informatie wordt verzameld over het aantal aangegeven artikelen. Aangezien de gecombineerde nomenclatuur geen bijzondere maatstaf voor cultuurgoederen bevat, dient te worden bepaald dat het aantal artikelen moet worden aangegeven.
(16)  Er moeten relevante gegevens over de handelsstromen van cultuurgoederen elektronisch worden verzameld en tussen de lidstaten en de Commissie worden uitgewisseld ter ondersteuning van de efficiënte tenuitvoerlegging van de verordening en als grondslag voor de toekomstige evaluatie ervan. In het belang van de transparantie en de openbare controle moet zoveel mogelijk informatie openbaar worden gemaakt. Het toezicht op de handelsstromen van cultuurgoederen kan niet efficiënt worden verricht alleen op basis van de waarde of het gewicht van die goederen, omdat deze twee maatstaven kunnen fluctueren. Het is van wezenlijk belang dat langs elektronische weg informatie wordt verzameld over het aantal aangegeven artikelen. Aangezien de gecombineerde nomenclatuur geen bijzondere maatstaf voor cultuurgoederen bevat, dient te worden bepaald dat het aantal artikelen moet worden aangegeven.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Met de EU-strategie en het actieplan voor douanerisicobeheer29 wordt onder meer gestreefd naar een versterking van de capaciteiten van de douaneautoriteiten om beter te kunnen reageren op risico's op het gebied van cultuurgoederen. Er moet gebruik worden gemaakt van het bij Verordening (EU) nr. 952/2013 ingestelde gemeenschappelijke risicobeheerskader en tussen de douaneautoriteiten moet relevante informatie over risico's worden uitgewisseld.
(17)  Met de EU-strategie en het actieplan voor douanerisicobeheer29 wordt onder meer gestreefd naar een versterking van de opleiding en de capaciteiten van de douaneautoriteiten om beter te kunnen reageren op risico's op het gebied van cultuurgoederen. Er moet gebruik worden gemaakt van het bij Verordening (EU) nr. 952/2013 ingestelde gemeenschappelijke risicobeheerskader en tussen de douaneautoriteiten moet relevante informatie over risico's worden uitgewisseld.
__________________
__________________
29 COM(2014)0527: Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de EU-strategie en het actieplan voor douanerisicobeheer.
29 COM(2014)0527: Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de EU-strategie en het actieplan voor douanerisicobeheer.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)  Er moeten op kopers van cultuurgoederen gerichte bewustmakingscampagnes worden opgezet om hen op het risico van illegale goederen te wijzen en de marktdeelnemers bij te staan bij het begrijpen en toepassen van onderhavige verordening. De lidstaten dienen relevante nationale contactpunten en andere voorlichtingsdiensten te betrekken bij de verspreiding van deze informatie.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 ter (nieuw)
(17 ter)  De Commissie dient te waarborgen dat micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen adequate technische bijstand kunnen genieten en dient de uitwisseling van informatie met hen te bevorderen, zodat deze verordening efficiënt wordt uitgevoerd. In de Unie gevestigde micro-, kleine en middelgrote ondernemingen die cultuurgoederen invoeren moeten dan ook gebruik kunnen maken van het krachtens Verordening (EU) nr. 1287/2013 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde COSME-programma1 bis.
__________________
1 bis Verordening (EU) nr. 1287/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van een programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (COSME) (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1639/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 33).
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  De lidstaten moeten doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voor de niet-naleving van de bepalingen van deze verordening vaststellen en deze sancties aan de Commissie meedelen.
(18)  De lidstaten moeten doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voor de niet-naleving van de bepalingen van deze verordening vaststellen en deze sancties aan de Commissie meedelen. De lidstaten moeten de Commissie ook op de hoogte stellen indien er sancties worden toegepast. Een gelijk speelveld en een coherente aanpak zijn wenselijk; daarom is het passend dat de sancties in de verschillenden lidstaten vergelijkbaar zijn qua aard en effect.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  De Commissie moet voldoende tijd krijgen om uitvoeringsvoorschriften voor deze verordening vast te stellen, met name betreffende de formulieren die moeten worden gebruikt om een invoervergunning aan te vragen of een importeursverklaring op te stellen. De toepassing van deze verordening moet bijgevolg worden uitgesteld.
(19)  De Commissie moet onverwijld uitvoeringsvoorschriften voor deze verordening vaststellen, met name betreffende de gestandaardiseerde elektronische formulieren die moeten worden gebruikt om een invoervergunning aan te vragen of een importeursverklaring op te stellen.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1
Bij deze verordening worden de voorwaarden en de procedure voor het binnenbrengen van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie vastgesteld.
Bij deze verordening worden de voorwaarden en de procedure voor het binnenbrengen en de invoer van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie vastgesteld.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 2
Deze verordening is niet van toepassing op cultuurgoederen die worden doorgevoerd via het douanegebied van de Unie.
Deze verordening is van toepassing op cultuurgoederen die worden doorgevoerd via het douanegebied van de Unie wanneer de bevoegde autoriteiten redelijke gronden hebben om aan te nemen dat cultuurgoederen uit het land van herkomst of het derde land zijn uitgevoerd in strijd met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land van herkomst of derde land.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – letter a
a)  cultuurgoederen: ieder voorwerp dat van belang is voor de archeologie, de prehistorie, de geschiedenis, de letterkunde, de kunst of de wetenschap, en dat behoort tot een van de categorieën die zijn opgenomen in de tabel in de bijlage, en aan de daarin vastgestelde minimale ouderdomsdrempel voldoet;
a)  cultuurgoederen: ieder artikel dat van belang is voor de archeologie, de prehistorie, de geschiedenis, de letterkunde, de kunst of de wetenschap, en dat behoort tot een van de categorieën die zijn opgenomen in de tabel in de bijlagen, en aan de daarin vastgestelde minimale ouderdomsdrempel en financiële drempel voldoet;
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  "invoer van cultuurgoederen":
i)  het in het vrije verkeer brengen zoals bedoeld in artikel 201 van Verordening (EU) nr. 952/2013; of
ii)  de plaatsing van goederen onder een van de volgende bijzondere douaneregelingen zoals vermeld in artikel 210 van Verordening (EU) nr. 952/2013:
a)  opslag, inhoudende douane-entrepot en vrije zones,
b)  specifieke bestemming, inhoudende tijdelijke invoer en bijzondere bestemming,
c)  actieve veredeling;
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – letter b
b)  land van herkomst: het land op wiens huidige grondgebied de cultuurgoederen zijn voortgebracht of ontdekt;
b)  land van herkomst: het land op wiens huidige grondgebied de cultuurgoederen zijn ontdekt, voortgebracht of verwijderd, opgegraven of gestolen op het land of onder water, of het land dat een zodanig nauwe band heeft met de cultuurgoederen dat het deze goederen beschermt als nationale culturele eigendom en regels vaststelt voor de uitvoer ervan uit zijn grondgebied na rechtmatige verwijdering uit het land waar zij zijn voortgebracht of ontdekt;
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – letter c
c)  land van uitvoer: het laatste land waar de cultuurgoederen zich op duurzame wijze bevonden overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land voordat zij naar de Unie zijn verzonden;
c)  derde land: het laatste land, anders dan het land van herkomst, waar de cultuurgoederen zich bevonden voordat zij in het douanegebied van de Unie werden binnengebracht;
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – letter d
d)   op duurzame wijze: gedurende een periode van ten minste één maand en voor andere doeleinden dan tijdelijk gebruik, doorvoer, uitvoer of verzending;
Schrappen
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – letter h bis (nieuw)
h bis)  Object ID: het internationale standaarddocument van de Unesco waarin cultuurgoederen worden omschreven en een reeks gegevens over de cultuurgoederen is opgenomen;
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – letter h ter (nieuw)
h ter)  bevoegde autoriteiten: de autoriteiten die door de lidstaten zijn aangewezen om invoervergunningen af te geven en importeursverklaringen te registreren.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2
2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de tweede kolom van de tabel in de bijlage te wijzigen naar aanleiding van wijzigingen in de gecombineerde nomenclatuur en om de minimale ouderdomsdrempel in de derde kolom van de tabel in de bijlage te wijzigen in het licht van de ervaringen met de uitvoering van deze verordening.
2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de tweede kolom van de tabel in bijlage I te wijzigen naar aanleiding van wijzigingen in de gecombineerde nomenclatuur en om de minimale ouderdomsdrempel en waardedrempel in de bijlage te wijzigen in het licht van de ervaringen met de uitvoering van deze verordening en van Verordening (EG) nr. 116/2009.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen vast te stellen om wijzigingen aan te brengen in bijlage II met de lijst van landen en voorwerpcategorieën met betrekking waartoe een bijzonder risico van illegale handel bestaat, op basis van de databank van rode lijsten van bedreigde cultuurgoederen die door de Internationale Museumraad (ICOM) worden gepubliceerd. De Commissie zorgt ervoor dat bijlage II regelmatig wordt bijgewerkt.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – titel
Cultuurgoederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen
Binnenbrengen en invoer van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1
1.  Het in het vrije verkeer brengen van cultuurgoederen en de plaatsing van cultuurgoederen onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer zijn slechts toegestaan mits een overeenkomstig artikel 4 afgegeven invoervergunning of een overeenkomstig artikel 5 opgestelde importeursverklaring wordt voorgelegd.
1.  Het binnenbrengen van cultuurgoederen die in strijd met het internationaal recht en de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst of derde land buiten het grondgebied van een land van herkomst zijn gebracht, is verboden.
De invoer van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie is slechts toegestaan mits een overeenkomstig artikel 4 afgegeven invoervergunning of een overeenkomstig artikel 5 opgestelde importeursverklaring wordt voorgelegd.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De succesvolle invoer van cultuurgoederen wordt niet beschouwd als bewijs van legale herkomst of rechtmatige eigendom.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter a
a)  de tijdelijke invoer, in de zin van artikel 250 van Verordening (EU) nr. 952/2013, van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie voor educatieve doeleinden en wetenschappelijk of academisch onderzoek;
a)  de tijdelijke invoer, in de zin van artikel 250 van Verordening (EU) nr. 952/2013, van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden, voor podiumkunsten, conservering, restauratie, digitalisering en academisch onderzoek, alsook in het kader van de samenwerking tussen musea en vergelijkbare overheidsinstellingen zonder winstoogmerk met het oog op de organisatie van culturele tentoonstellingen;
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter a bis (nieuw)
a bis)  de cultuurgoederen die worden getoond op handelsbeurzen en internationale kunstbeurzen, tenzij ze zijn aangekocht binnen het grondgebied van de Unie en er blijven;
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter b
b)  de opslag, in de zin van artikel 237 van Verordening (EU) nr. 952/2013, van cultuurgoederen met het uitdrukkelijke doel het behoud ervan door, of onder het toezicht van, een overheidsinstantie te waarborgen.
b)  de opslag, in de zin van artikel 237 van Verordening (EU) nr. 952/2013, van cultuurgoederen met het doel de veiligheid of het behoud ervan door, of onder het toezicht van, een overheidsinstantie te waarborgen, met de bedoeling om die goederen terug te brengen naar het land van herkomst of het derde land waaruit zij op legale wijze zijn uitgevoerd, zodra de situatie dat toelaat;
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter b bis (nieuw)
b bis)  teruggegeven cultuurgoederen in de zin van artikel 2 van Richtlijn 2014/60/EU.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 3
3.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de specifieke voorwaarden vaststellen voor de tijdelijke invoer of de opslag van cultuurgoederen als bedoeld in lid 2. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
3.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de specifieke voorwaarden vaststellen voor de tijdelijke invoer of de opslag van cultuurgoederen en van teruggegeven cultuurgoederen ten behoeve van hun bescherming als bedoeld in lid 2. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.  Om de in de punten c), d) en h) van de bijlage bedoelde cultuurgoederen in de Unie in het vrije verkeer te brengen of onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer te plaatsen, moet aan de douaneautoriteiten een invoervergunning worden voorgelegd.
1.  Om de in de punten A 1 en A 2 van bijlage I bedoelde cultuurgoederen in de Unie in te voeren, moet aan de douaneautoriteiten een invoervergunning worden voorgelegd.
Dit artikel is uitsluitend van toepassing op de in de eerste alinea bedoelde goederen als deze voorkomen op de lijst van landen en codes van de gecombineerde nomenclatuur zoals neergelegd in bijlage II, indien een dergelijke lijst gebruikt wordt voor het land van herkomst waaruit de cultuurgoederen worden uitgevoerd en het land van herkomst van de cultuurgoederen bekend is.
Dit artikel is ook van toepassing op cultuurgoederen die alleen in bijlage II zijn opgenomen en in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd vanuit een land van herkomst of een derde land.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2
2.  De houder van de goederen vraagt een invoervergunning aan bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van binnenkomst. Bij de aanvraag worden alle bewijsstukken en gegevens gevoegd ten bewijze van het feit dat de cultuurgoederen in kwestie uit het land van herkomst zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land. Wanneer het land van uitvoer evenwel partij is bij de op 14 november 1970 te Parijs ondertekende Unesco-Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen (hierna de "Unesco-overeenkomst van 1970" genoemd), worden bij de aanvraag alle bewijsstukken en gegevens gevoegd ten bewijze van het feit dat de cultuurgoederen uit laatstgenoemd land zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land.
2.  De houder van de goederen vraagt een invoervergunning aan bij de bevoegde autoriteit van de eerste lidstaat van geplande invoer. Bij de aanvraag worden alle passende bewijsstukken en gegevens gevoegd ten bewijze van het feit dat de cultuurgoederen in kwestie uit het land van herkomst zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land, of dat dergelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen niet bestaan. De aanvraag moet bestaan uit:
—  uitvoercertificaten of uitvoervergunningen;
—  een gestandaardiseerd document, gebaseerd op de Object ID-standaard, waarin de cultuurgoederen in kwestie voldoende nauwkeurig zijn beschreven om door de douaneautoriteiten te kunnen worden geïdentificeerd;
—  eigendomstitels;
—  facturen;
—  koopovereenkomsten;
—  verzekeringsdocumenten of vervoersdocumenten.
Indien er geen bewijsstukken beschikbaar zijn, dient de aanvraag tevens vergezeld te gaan van een expertise wanneer dit noodzakelijk wordt geacht door de bevoegde autoriteit.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Onverminderd lid 2 geldt in uitzonderlijke gevallen waarin:
a)  het land van herkomst van de cultuurgoederen niet met zekerheid kan worden vastgesteld en die omstandigheid naar behoren gedocumenteerd is en door de bevoegde autoriteit gestaafd wordt; of
b)  de cultuurgoederen vóór 1970 uit het land van herkomst zijn uitgevoerd en naar een derde land zijn gebracht voor andere doeleinden dan tijdelijk gebruik, doorvoer, uitvoer of verzending voordat zij in het douanegebied van de Unie werden binnengebracht, maar de houder niet de volgens lid 2 vereiste documenten kan overleggen daar dergelijke documenten niet in zwang waren ten tijde van de uitvoer van de cultuurgoederen uit het land van herkomst,
dat bij de aanvraag alle passende bewijsstukken en gegevens worden gevoegd ten bewijze van het feit dat de cultuurgoederen in kwestie uit het derde land zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land, of dat dergelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen niet bestaan.
De bewijsstukken omvatten:
—  uitvoercertificaten of uitvoervergunningen;
—  een gestandaardiseerd document, gebaseerd op de Object ID-standaard, waarin de cultuurgoederen in kwestie voldoende nauwkeurig zijn beschreven om door de douaneautoriteiten te kunnen worden geïdentificeerd;
—  eigendomstitels;
—  facturen;
—  koopovereenkomsten; alsmede
—  verzekeringsdocumenten of vervoersdocumenten.
Indien er geen bewijsstukken beschikbaar zijn, dient de aanvraag tevens vergezeld te gaan van een expertise wanneer dit noodzakelijk wordt geacht door de bevoegde autoriteit.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 3
3.  De bevoegde autoriteit van de lidstaat van binnenkomst controleert of de aanvraag volledig is. Zij verzoekt de aanvrager binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag om alle ontbrekende gegevens of documenten in te dienen.
3.  De bevoegde autoriteit van de eerste lidstaat van geplande invoer controleert of de aanvraag volledig is. Zij verzoekt de aanvrager binnen 21 dagen na ontvangst van de aanvraag om alle ontbrekende of aanvullende gegevens of documenten in te dienen.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 – inleidende formule
4.  De bevoegde autoriteit onderzoekt, binnen 90 dagen na de indiening van de volledige aanvraag, de aanvraag en beslist om de invoervergunning af te geven of de aanvraag af te wijzen. Zij kan de aanvraag om de volgende redenen afwijzen:
4.  De bevoegde autoriteit onderzoekt, binnen 90 dagen na de indiening van de volledige aanvraag, de aanvraag en beslist om de invoervergunning af te geven of de aanvraag af te wijzen. Indien de invoervergunning wordt afgegeven, wordt deze door de bevoegde autoriteit elektronisch geregistreerd. De bevoegde autoriteit wijst de aanvraag om de volgende redenen af:
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 – letter a
a)  wanneer het land van uitvoer geen partij is bij de Unesco-overeenkomst van 1970: er is niet aangetoond dat de cultuurgoederen uit het land van herkomst zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land;
a)  wanneer niet is aangetoond dat de cultuurgoederen uit het land van herkomst zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land die ten tijde van de uitvoer van kracht waren, of bij afwezigheid van die wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen; of, in de in artikel 4, lid 2 bis, genoemde uitzonderlijke gevallen, wanneer niet is aangetoond dat de cultuurgoederen uit het derde land zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land die ten tijde van de uitvoer van kracht waren, of bij afwezigheid van die wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen;
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 – letter b
b)  wanneer het land van uitvoer partij is bij de Unesco-overeenkomst van 1970: er is niet aangetoond dat de cultuurgoederen uit het land van uitvoer zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land;
Schrappen
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 – letter c
c)  de bevoegde autoriteit heeft redelijke gronden om aan te nemen dat de houder van de goederen deze niet op rechtmatige wijze heeft verkregen.
c)  de bevoegde autoriteit heeft redelijke en aantoonbare gronden om aan te nemen dat de houder van de goederen deze niet op rechtmatige wijze heeft verkregen.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 – letter c bis (nieuw)
c bis)  wanneer de aanvraag voor een invoervergunning voor een cultuurgoed voor datzelfde cultuurgoed eerder is afgewezen door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat van de Unie en er geen nader bewijs is verstrekt dat nog niet in verband met de afgewezen aanvraag was overgelegd;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 – letter c ter (nieuw)
c ter)  wanneer niet aan de hand van passende bewijsstukken kan worden aangetoond dat de rechtstreekse uitvoer uit het land van herkomst legaal is, met name met uitvoercertificaten of -vergunningen afgegeven door het land van uitvoer, eigendomstitels, facturen, verkoopovereenkomsten, het Object ID indien beschikbaar, verzekeringsdocumenten, vervoersdocumenten en expertises.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  De bevoegde autoriteit kan de aanvraag afwijzen indien er door de autoriteiten van het land van herkomst ingediende verzoeken om teruggave of schadevergoeding hangende zijn bij de rechtbank.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.  Wanneer een aanvraag wordt afgewezen, gaat het in lid 4 bedoelde administratieve besluit vergezeld van een motivering, met inbegrip van informatie over de beroepsprocedure, die aan de betrokken aanvrager wordt meegedeeld op het moment dat het besluit wordt bekendgemaakt.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 quater (nieuw)
4 quater.  De aanvraag omvat een verklaring dat de goederen niet eerder het voorwerp van een aanvraag hebben gevormd of, in het geval van eerdere afwijzing, een opsomming van de redenen voor de afwijzing, alsmede bijkomend bewijs dat nog niet beschikbaar was toen de aanvraag eerder werd behandeld.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 quinquies (nieuw)
4 quinquies.  Wanneer een lidstaat een elektronische aanvraag afwijst, wordt dit besluit, evenals de redenen voor de afwijzing, meegedeeld aan de overige lidstaten en aan de Commissie. Indien het vermoeden van illegale handel bestaat, stellen de lidstaten ook andere relevante autoriteiten zoals Interpol en Europol in kennis.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 5 – alinea 1
De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn om een invoervergunning af te geven overeenkomstig dit artikel. Zij delen de gegevens van die autoriteiten en elke wijziging daarin mee aan de Commissie.
De lidstaten wijzen onverwijld de autoriteiten aan die bevoegd zijn om een invoervergunning af te geven overeenkomstig dit artikel. Zij delen de gegevens van die autoriteiten en elke wijziging daarin mee aan de Commissie.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 6
6.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen het model voor de aanvraag van een invoervergunning en de procedureregels voor de indiening en de verwerking van die aanvraag vaststellen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
6.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het elektronisch gestandaardiseerd model voor de aanvraag van een invoervergunning en de procedureregels voor de elektronische indiening en de verwerking van die aanvraag vast, samen met de eveneens langs elektronische weg bij te voegen relevante bewijsstukken. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  Om de in de punten a), b), e), f), g), i), j), k) en l) van de bijlage bedoelde cultuurgoederen in de Unie in het vrije verkeer te brengen of onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer te plaatsen, moet aan de douaneautoriteiten van de lidstaat van binnenkomst een importeursverklaring worden voorgelegd.
1.  Om de in de punten A 3 tot en met A 14 van bijlage I bedoelde cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie in te voeren, moet door de aangever van de goederen aan de douaneautoriteiten van de eerste lidstaat van geplande invoer een elektronische importeursverklaring worden voorgelegd.
Dit artikel is eveneens van toepassing op de in de punten A 1 en A 2 genoemde goederen waarvan de codes van de gecombineerde nomenclatuur niet in bijlage II worden genoemd.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  De importeursverklaring bevat een door de houder van de goederen ondertekende bevestiging dat de goederen uit het land van herkomst zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land. Wanneer evenwel het land van uitvoer partij is bij de Unesco-overeenkomst van 1970, bevat de importeursverklaring een door de houder van de goederen ondertekende bevestiging dat de goederen uit laatstgenoemd land zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land.
2.  De importeursverklaring wordt elektronisch geregistreerd. Zij omvat:
a)  een door de houder van de goederen ondertekende verklaring dat de cultuurgoederen uit het land van herkomst zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land, of dat dergelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen niet bestaan;
b)  een gestandaardiseerd document, gebaseerd op de Object ID-standaard, waarin de cultuurgoederen in kwestie voldoende nauwkeurig zijn beschreven om door de douaneautoriteiten te kunnen worden geïdentificeerd;
c)  de uitvoercertificaten of -vergunningen afgegeven door het land van herkomst ten bewijze van het feit dat de cultuurgoederen in kwestie uit het land van herkomst zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Onverminderd lid 2 geldt in uitzonderlijke gevallen waarin:
a)  het land van herkomst van de cultuurgoederen niet met zekerheid kan worden vastgesteld en die omstandigheid naar behoren gedocumenteerd is en door de bevoegde autoriteit gestaafd wordt; of
b)  de cultuurgoederen vóór 1970 uit het land van herkomst zijn uitgevoerd en naar een derde land zijn gebracht voor andere doeleinden dan tijdelijk gebruik, doorvoer, uitvoer of verzending voordat zij in het douanegebied van de Unie werden binnengebracht, maar de houder niet de volgens lid 2 vereiste documenten kan overleggen daar dergelijke documenten niet in zwang waren ten tijde van de uitvoer van de cultuurgoederen uit het land van herkomst,
dat de importeursverklaring het volgende omvat:
a)  een door de houder van de goederen ondertekende verklaring dat de cultuurgoederen uit het derde land zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land, of dat dergelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen niet bestaan;
b)  een gestandaardiseerd document, gebaseerd op de Object ID-standaard, waarin de cultuurgoederen in kwestie voldoende nauwkeurig zijn beschreven om door de douaneautoriteiten te kunnen worden geïdentificeerd; alsmede
c)  de uitvoercertificaten of -vergunningen afgegeven door het derde land ten bewijze van het feit dat de cultuurgoederen in kwestie uit het derde land zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land.
Indien de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst of het derde land niet voorzien in de afgifte van uitvoervergunningen of -certificaten, gaat de importeursverklaring ook vergezeld van andere passende bewijsstukken, zoals eigendomstitels, facturen, verkoopovereenkomsten, verzekeringsdocumenten en vervoersdocumenten.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3
3.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen het model voor de importeursverklaring en de procedureregels voor de indiening en de verwerking van die verklaring vaststellen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
3.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het elektronisch gestandaardiseerd model voor de importeursverklaring en de procedureregels voor de elektronische indiening en de verwerking van die verklaring vast. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 bis (nieuw)
Artikel 5 bis
Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen
De Commissie waarborgt dat micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen adequate technische en financiële bijstand genieten, met inbegrip van het bevorderen van nationale contactpunten in samenwerking met de lidstaten en de inrichting van een specifieke website met alle relevante informatie, en zij bevordert de uitwisseling van informatie tussen micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen enerzijds en de desbetreffende nationale contactpunten anderzijds, zodat deze verordening efficiënt wordt uitgevoerd.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 ter (nieuw)
Artikel 5 ter
Gebruik van een elektronisch systeem
1.  Alle uitwisselingen van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en aangevers op grond van de artikelen 4 en 5, zoals de uitwisseling van verklaringen, aanvragen of besluiten, vinden langs elektronische weg plaats.
2.  De Commissie stelt het in lid 1 bedoelde elektronische systeem vast. Zij neemt uitvoeringshandelingen aan tot vaststelling van:
—  voorzieningen voor de uitrol, de exploitatie en het onderhoud van het in lid 1 bedoelde elektronische systeem;
—  nadere voorschriften voor de indiening, verwerking, opslag en uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten door middel van het elektronische systeem.
De lidstaten werken met de Commissie samen bij de ontwikkeling, het onderhoud en het gebruik van het in lid 1 bedoelde elektronische systeem en bij de opslag van informatie, overeenkomstig deze verordening.
3.  Wat betreft de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening, dienen de aangevers en de bevoegde autoriteiten hun taken uit te voeren overeenkomstig Verordening (EU) nr. 2016/6791 bis van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) .../...*
__________________
1 bis Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
* PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening zoals vermeld in document 2017/0003(COD) in te voegen.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 6
Artikel 6
Schrappen
Controle en verificatie door de douane
1.  De in artikel 4 bedoelde invoervergunning of de in artikel 5 bedoelde importeursverklaring, naargelang het geval, wordt ingediend bij het douanekantoor dat bevoegd is om de cultuurgoederen in het vrije verkeer te brengen of onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer te plaatsen.
2.   Bij cultuurgoederen waarvoor een invoervergunning moet worden afgegeven voordat zij het douanegebied van de Unie mogen binnenkomen, gaan de douaneautoriteiten na of de invoervergunning overeenstemt met de aangebrachte goederen. Te dien einde kunnen zij de cultuurgoederen fysiek controleren, inclusief door het verrichten van een expertise.
3.   Bij cultuurgoederen waarvoor een importeursverklaring moet worden voorgelegd voordat zij het douanegebied van de Unie mogen binnenkomen, gaan de douaneautoriteiten na of de importeursverklaring voldoet aan de in of op basis van artikel 5 vastgestelde vereisten en overeenstemt met de aangebrachte goederen. Te dien einde kunnen zij van de aangever aanvullende gegevens verlangen en de cultuurgoederen fysiek controleren, inclusief door het verrichten van een expertise. Zij registreren de importeursverklaring door deze een volgnummer en een registratiedatum toe te kennen en bezorgen de aangever bij de vrijgave van de goederen een kopie van de geregistreerde importeursverklaring.
4.  Wanneer een aangifte wordt ingediend om cultuurgoederen in het vrije verkeer te brengen of onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer te plaatsen, wordt de hoeveelheid goederen vermeld met behulp van de in de bijlage genoemde bijzondere maatstaf.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – alinea 1
Wanneer lidstaten het aantal douanekantoren beperken dat bevoegd is om cultuurgoederen in het vrije verkeer te brengen of onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer te plaatsen, delen zij de gegevens van die douanekantoren en elke wijziging daarin mee aan de Commissie.
Lidstaten mogen het aantal douanekantoren dat bevoegd is om de invoer van cultuurgoederen toe te staan, beperken. Wanneer lidstaten deze beperking toepassen, delen zij de gegevens van die douanekantoren en elke wijziging daarin mee aan de Commissie.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1
1.  De douaneautoriteiten nemen cultuurgoederen die het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht, in beslag en houden deze tijdelijk in bewaring, wanneer de cultuurgoederen in kwestie het douanegebied van de Unie zijn binnengekomen zonder dat aan de in artikel 3, leden 1 en 2, vastgestelde voorwaarden is voldaan.
1.  De bevoegde autoriteiten nemen cultuurgoederen die het douanegebied van de Unie zijn binnengekomen zonder dat aan de in artikel 3, leden 1 en 2, vastgestelde voorwaarden is voldaan, in beslag en houden deze tijdelijk in bewaring. In geval van bewaring van cultuurgoederen moeten gepaste voorwaarden voor de conservering ervan worden gewaarborgd, overeenkomstig de voorwaarden en verantwoordelijkheden voor de tijdelijke opslag van goederen als vastgelegd in artikel 147 van Verordening (EU) nr. 952/2013, met het oog op de specifieke aard van de goederen.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  Het in lid 1 bedoelde bestuurlijke besluit gaat vergezeld van een motivering, wordt aan de aangever meegedeeld en maakt het voorwerp uit van een doeltreffende voorziening in rechte overeenkomstig procedures van het nationale recht.
2.  Het in lid 1 bedoelde bestuurlijke besluit is onderworpen aan de bepalingen van artikel 22, lid 7, van Verordening (EU) nr. 952/2013.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3
3.  De termijn van een tijdelijke inbewaringneming is strikt beperkt tot de tijd die de douaneautoriteiten of andere rechtshandhavingsinstanties nodig hebben om na te gaan of de omstandigheden van de zaak een inbewaringneming krachtens andere Unie- of nationaalrechtelijke bepalingen rechtvaardigen. De maximale termijn van een tijdelijke inbewaringneming krachtens dit artikel bedraagt zes maanden. Indien er binnen die termijn geen besluit over een langere bewaring van de cultuurgoederen wordt genomen of indien wordt besloten dat de omstandigheden van de zaak geen langere bewaring rechtvaardigen, worden de cultuurgoederen ter beschikking gesteld van de aangever.
3.  De termijn van een tijdelijke inbewaringneming is strikt beperkt tot de tijd die de douaneautoriteiten of andere rechtshandhavingsinstanties nodig hebben om na te gaan of de omstandigheden van de zaak een inbewaringneming krachtens andere Unie- of nationaalrechtelijke bepalingen rechtvaardigen. De maximale termijn van een tijdelijke inbewaringneming krachtens dit artikel bedraagt zes maanden, met een mogelijkheid om deze periode op basis van een gemotiveerd besluit van de douaneautoriteiten met nog eens drie maanden te verlengen. Indien er binnen die termijn geen besluit over een langere bewaring van de cultuurgoederen wordt genomen of indien wordt besloten dat de omstandigheden van de zaak geen langere bewaring rechtvaardigen, worden de cultuurgoederen ter beschikking gesteld van de aangever. De autoriteiten van de lidstaten zien erop toe dat op het moment van teruggave van de cultuurgoederen aan het land van herkomst, in het land van herkomst geen gewapend conflict heerst waardoor de veiligheid van de cultuurgoederen niet kan worden gewaarborgd. In het laatste geval blijven de cultuurgoederen in de Unie totdat de situatie in het land van herkomst is gestabiliseerd.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De douaneautoriteiten stellen het land van herkomst of, indien het land van herkomst van de cultuurgoederen niet met zekerheid kan worden vastgesteld, het derde land alsmede zo nodig Europol en Interpol, onmiddellijk op de hoogte nadat het besluit bedoeld in lid 1 genomen is.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.  Wanneer de bevoegde autoriteiten redelijke gronden hebben om aan te nemen dat cultuurgoederen die in doorvoer zijn op het douanegebied van de Unie in strijd met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst zijn uitgevoerd, geven zij de douaneautoriteiten opdracht om die goederen tijdelijk in beslag te nemen.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – titel
Administratieve samenwerking
Administratieve samenwerking en gebruik van een elektronisch systeem
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.  Met het oog op de tenuitvoerlegging van deze verordening garanderen de lidstaten samenwerking tussen hun bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 3, lid 4.
1.  Met het oog op de tenuitvoerlegging van deze verordening garanderen de lidstaten samenwerking en informatie-uitwisseling tussen hun bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 4, lid 5.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2
2.  Er kan een elektronisch systeem worden opgezet voor de opslag en de uitwisseling van gegevens tussen de autoriteiten van de lidstaten, met name betreffende importeursverklaringen en invoervergunningen.
2.  Er wordt een elektronisch systeem opgezet voor de opslag en de uitwisseling van gegevens tussen de autoriteiten van de lidstaten in het kader van Verordening (EU) nr. 952/2013. Een dergelijk systeem dient met name voor het ontvangen, verwerken, opslaan en uitwisselen van informatie, met name importeursverklaringen en invoervergunningen.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Het in lid 2 bedoelde elektronische systeem kan door de lidstaten worden geraadpleegd tijdens de verwerking van verzoeken die zijn ingediend in verband met uitvoervergunningen als vereist krachtens Verordening (EG) nr. 116/2009. In dergelijke verzoeken kan rechtstreeks worden verwezen naar informatie die aanwezig is in het elektronische systeem.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 – alinea 1 – inleidende formule
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen:
De Commissie zal door middel van uitvoeringshandelingen:
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 – alinea 2
Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13 bedoelde procedure vastgesteld.
Deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op ... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] volgens de in artikel 13 bedoelde procedure vastgesteld.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening vindt alleen plaats met het oog op de doeltreffende bescherming tegen het verlies van cultuurgoederen, het behoud van het cultureel erfgoed van de mensheid en het voorkomen van terrorismefinanciering door de verkoop van geplunderd cultureel erfgoed aan kopers in de Unie.
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.  Alle overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 9 verkregen persoonsgegevens worden uitsluitend opgevraagd en verwerkt door naar behoren gemachtigde personeelsleden van de autoriteiten en worden op passende wijze beschermd tegen ongeoorloofde toegang of verstrekking.
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1
De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de artikelen 3, 4 en 5 en met name op het afleggen van valse verklaringen en het verstrekken van valse informatie om cultuurgoederen het douanegebied van de Unie te kunnen binnenbrengen, en treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de verordening deze regels en maatregelen mee en stellen haar onverwijld in kennis van alle latere wijzigingen die erop van invloed zijn.
De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de artikelen 3 en 5 en met name op het verstrekken van valse informatie om cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie te kunnen invoeren, en de lidstaten treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat deze regels worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Om tot een gelijk speelveld en een coherente aanpak te komen passen de lidstaten sancties toe die vergelijkbaar zijn qua aard en effect. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van de verordening deze regels en maatregelen mee en stellen haar onverwijld in kennis van alle latere wijzigingen die erop van invloed zijn.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – alinea -1 (nieuw)
Bij de voorbereidende werkzaamheden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening werken de Commissie en de lidstaten samen met internationale organisaties, zoals de Unesco, Interpol, Europol, de Werelddouaneorganisatie (WDO), het Internationaal Centrum voor de studie van het behoud en de restauratie van culturele goederen (ICCROM) en de Internationale Museumraad, om doeltreffende opleidings- en capaciteitsopbouwactiviteiten en bewustmakingscampagnes te garanderen, alsook om, waar passend, opdracht te verstrekken tot het verrichten van relevant onderzoek en de ontwikkeling van normen.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – alinea 1
De lidstaten dragen zorg voor opleidings- en capaciteitsopbouwactiviteiten ten behoeve van de effectieve tenuitvoerlegging van deze verordening door de betrokken autoriteiten. Zij kunnen ook bewustmakingscampagnes opzetten om met name kopers van cultuurgoederen te alerteren.
De Commissie draagt, in samenwerking met de lidstaten, zorg voor:
i.   opleidings- en capaciteitsopbouwactiviteiten en bewustmakingscampagnes voor autoriteiten, nationale contactpunten en betrokken beroepsbeoefenaars ten behoeve van de effectieve tenuitvoerlegging van deze verordening;
ii.  maatregelen om de doeltreffende medewerking van landen van herkomst te bevorderen; alsmede
iii.   de uitwisseling van beste praktijken om de uniforme tenuitvoerlegging van deze verordening te bevorderen, met name de gepaste praktijken van lidstaten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening al beschikken over nationale wetgeving inzake de invoer van cultuurgoederen.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – alinea 1 bis (nieuw)
Deze activiteiten, campagnes en maatregelen bouwen voort op de ervaring van bestaande programma's, met inbegrip van de door de WDO en de Commissie bevorderde programma's.
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 bis (nieuw)
Artikel 11 bis
Samenwerking met derde landen
In aangelegenheden die onder haar activiteiten vallen en voor zover nodig voor de uitvoering van haar taken uit hoofde van deze verordening, vergemakkelijkt en bevordert de Commissie de technische en operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen.
De Commissie kan in samenwerking met de lidstaten en derde landen opleidingsactiviteiten organiseren op hun grondgebied.
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.  De in artikel 2, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van … [datum van inwerkingtreding van deze handeling wordt ingevuld door het Publicatiebureau].
2.  De in artikel 2 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van … [datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van … jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – alinea 1 – letter b
b)  informatie over inbreuken op deze verordening;
b)  informatie over inbreuken op deze verordening en de toegepaste sancties;
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – alinea 2
Te dien einde zendt de Commissie de lidstaten relevante vragenlijsten toe. De lidstaten hebben zes maanden tijd om de gevraagde informatie aan de Commissie te verstrekken.
Te dien einde zendt de Commissie de lidstaten relevante vragenlijsten toe. Vanaf het moment van ontvangst van de vragenlijst hebben de lidstaten zes maanden tijd om de gevraagde informatie aan de Commissie te verstrekken.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
De Commissie kan op basis van de antwoorden op de in lid 1 genoemde vragenlijsten de lidstaten vragen haar aanvullende informatie betreffende de behandeling van de aanvragen voor een invoervergunning te verstrekken. De lidstaten verstrekken de gevraagde informatie onverwijld.
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2
2.  Drie jaar na de datum van toepassing van deze verordening en vervolgens om de vijf jaar legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag over de tenuitvoerlegging van deze verordening voor.
2.  Twee jaar na de datum van toepassing van deze verordening en vervolgens om de vier jaar legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag over de tenuitvoerlegging van deze verordening voor. Dat verslag wordt openbaar gemaakt. Het bevat een beoordeling van de praktische uitvoering van de verordening, waaronder de impact ervan op marktdeelnemers in de Unie, met name micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen. In het verslag wordt de uitvoering in de verschillende lidstaten vergeleken en wordt de mate van uniforme toepassing van de verordening sinds de opstelling van het voorgaande verslag beoordeeld. Bij die beoordeling wordt ook gekeken naar de bepalingen inzake sancties en de toepassing daarvan, alsmede de mate waarin zij zorgen voor een gelijk speelveld tussen de lidstaten. Zo nodig kunnen in het verslag aanbevelingen worden gedaan om een ontoereikende tenuitvoerlegging door de lidstaten aan te pakken.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  In het in lid 2 bedoelde verslag wordt rekening gehouden met de praktische gevolgen van deze verordening, met inbegrip van de gevolgen ervan voor marktdeelnemers in de Unie, waaronder micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen. Het verslag moet bewijs verstrekken inzake de verschillende nationale prestaties, een beoordeling omvatten over de mate waarin deze verordening in de desbetreffende periode uniform werd ingevoerd en toegepast, alsook voorzien in aanbevelingen om ontoereikende tenuitvoerlegging door de lidstaten aan te pakken.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – ondertitel 3
Cultuurgoederen die onder artikel 2, lid 1, vallen
Cultuurgoederen die onder artikel 2, lid 1, letter a), vallen
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Bijlage I bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.

Oudheidkundige voorwerpen, ouder dan 100 jaar, afkomstig van:

 

 

–  opgravingen en vindplaatsen op het land en in zee

9705 00 00

 

–  oudheidkundige locaties

9706 00 00

 

–  oudheidkundige collecties

 

2.

Delen die integrerend deel hebben uitgemaakt van artistieke, historische of religieuze monumenten die niet in hun geheel bewaard zijn gebleven, ouder dan 100 jaar

9705 00 00 9706 00 00

3.

Afbeeldingen en schilderijen die niet tot categorie 4 of 5 behoren en geheel met de hand zijn vervaardigd, ongeacht op welke ondergrond en van welke materialen1 bis

9701

4.

Aquarellen, gouaches en pasteltekeningen die geheel met de hand zijn vervaardigd, ongeacht op welke ondergrond1 bis

9701

5.

Mozaïeken, ongeacht van welke materialen, die geheel met de hand zijn vervaardigd en niet tot categorie 1 of 2 behoren, en tekeningen die geheel met de hand zijn vervaardigd, ongeacht op welke ondergrond en van welke materialen1 bis

6914

9701

6.

Oorspronkelijke gravures, prenten, zeefdrukken en lithografieën en hun respectieve matrijzen, alsmede de originele affiches1 bis

Hoofdstuk 49/9702/00008442/99

7.

Oorspronkelijke beelden of oorspronkelijk beeldhouwwerk, alsmede kopieën die zijn verkregen volgens hetzelfde procedé als de oorspronkelijke stukken1 bis, en die niet tot categorie 1 behoren

9703 00 00

8.

Fotoafdrukken, films en negatieven daarvan1 bis

3704

3705

3706

4911 91 80

9.

Wiegendrukken en manuscripten, met inbegrip van geografische kaarten en partituren, afzonderlijk of in verzamelingen1 bis

9702 00 00 9706 00 00 4901 10 00 4901 99 00 4904 00 00 4905 91 00 4905 99 00 4906 00 00

10.

Boeken, ouder dan 100 jaar, afzonderlijk of in verzamelingen

9705 00 00 9706 00 00

11.

Gedrukte geografische kaarten, ouder dan 200 jaar

9706 00 00

12.

Archieven en onderdelen daarvan, ouder dan 50 jaar, ongeacht de drager ervan

3704

3705

3706

4901

4906

9705 00 00 9706 00 00

13.

a)  Verzamelingen1 ter en exemplaren voor verzamelingen van fauna, flora, mineralen en anatomische delen

9705 00 00

 

b)  Verzamelingen1 ter van historisch, paleontologisch, etnografisch of numismatisch belang

9705 00 00

14.

Vervoermiddelen, ouder dan 75 jaar

9705 00 00 Hoofdstuk 86-89

15.

Andere antiquiteiten die niet tot de categorieën A 1 tot en met A 14 behoren

 

 

a)  tussen 50 en 100 jaar oud

 

 

speelgoed, spellen

Hoofdstuk 95

 

glaswerk

7013

 

edelsmidwerk

7114

 

meubelen en meubelstukken

Hoofdstuk 94

 

optische instrumenten en instrumenten voor de fotografie of de cinematografie

Hoofdstuk 90

 

muziekinstrumenten

Hoofdstuk 92

 

uurwerken

Hoofdstuk 91

 

houtwaren

Hoofdstuk 44

 

aardewerk

Hoofdstuk 69

 

tapisserieën

5805 00 00

 

tapijten

Hoofdstuk 57

 

behangselpapier

4814

 

wapens

Hoofdstuk 93

 

b)  meer dan 100 jaar oud

9706 00 00

______________

1 bis Die ouder zijn dan 50 jaar en niet meer in het bezit van de maker.

1 ter Als omschreven in het arrest van het Hof van Justitie in zaak 252/84, namelijk: "Voorwerpen voor verzamelingen in de zin van post 97.05 van het gemeenschappelijk douanetarief zijn voorwerpen die geschikt zijn om in een verzameling te worden opgenomen, dat wil zeggen voorwerpen die relatief zeldzaam zijn, normalerwijs niet overeenkomstig hun oorspronkelijke bestemming worden gebruikt, voorwerp zijn van speciale handelsbranches buiten de gewone handel in soortgelijke gebruiksvoorwerpen en een hoge waarde hebben.".

De bij de categorieën A 1 tot en met A 15 ingedeelde cultuurgoederen vallen alleen  binnen het toepassingsgebied van deze verordening indien de financiële waarde ervan ten minste gelijk is aan de in punt B aangegeven drempels.

B.  Financiële waardedrempels voor bepaalde onder A genoemde categorieën (in EUR)

Waarde:

Ongeacht hun waarde:

1 (Oudheidkundige voorwerpen)

2 (Niet in hun geheel bewaarde monumenten)

9 (Wiegendrukken en manuscripten)

12 (Archieven)

15 000

5 (Mozaïeken en tekeningen)

6 (Gravures)

8 (Fotoafdrukken)

11 (Gedrukte geografische kaarten)

30 000

4 (Aquarellen, gouaches en pasteltekeningen)

50 000

7 (Beelden)

10 (Boeken)

13 (Verzamelingen)

14 (Vervoermiddelen)

15 (Alle andere voorwerpen)

150 000

3 (Schilderijen)

De naleving van de voorwaarden inzake de financiële waardedrempels moet worden beoordeeld bij de indiening van de aanvraag om een uitvoervergunning. De financiële waarde is die van het cultuurgoed op de internationale markt.

De in bijlage I in euro's uitgedrukte waarden worden omgerekend en uitgedrukt in nationale valuta's tegen de wisselkoers die op 31 december 2001 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is gepubliceerd. Deze tegenwaarden in nationale valuta's worden met ingang van 31 december 2001 iedere twee jaar herzien. De berekening van deze tegenwaarden is gebaseerd op het gemiddelde van de dagelijkse waarden van deze valuta's in euro's over de periode van 24 maanden die eindigt op de laatste dag van de maand augustus onmiddellijk voorafgaande aan de herziening die op 31 december in werking treedt. Deze berekeningsmethode wordt op voorstel van de Commissie, in beginsel twee jaar na de eerste toepassing, door het Raadgevend Comité cultuurgoederen opnieuw onderzocht. Bij iedere herziening worden de waarden in euro's en hun tegenwaarden in nationale valuta's periodiek bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie vanaf de eerste dagen van de maand november voorafgaande aan de datum waarop de herziening in werking treedt.

Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Bijlage I ter (nieuw)
Bijlage I ter
Landen en voorwerpcategorieën met betrekking waartoe een bijzonder risico van illegale handel bestaat
[Op grond van artikel 2, lid 2 bis, op te stellen door de Commissie.]

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0308/2018).


Bescherming van de financiële belangen van de EU - Terugvordering van geld en activa van derde landen in fraudegevallen
PDF 124kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over bescherming van de financiële belangen van de EU – Terugvordering van geld en activa van derde landen in fraudegevallen (2018/2006(INI))
P8_TA(2018)0419A8-0298/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het achttiende verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) over het jaar 2017,

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt(1),

–  gezien van Verordening (EU) nr. 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM")(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 april 2016 over een actieplan betreffende de btw: Naar een gemeenschappelijke btw-ruimte in de EU – Tijd om knopen door te hakken (COM(2016)0148),

–  gezien het verslag van de Commissie van 3 september 2018 met als titel "29e jaarverslag over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – Fraudebestrijding – 2017" (COM(2018)0553) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2018)0381-0386),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(3),

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen(4),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven (eindverslag)(5) (CRIM-resolutie) en zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de bestrijding van corruptie en de opvolging van de resolutie van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM)(6),

–  gezien het speciale Eurobarometer 470-verslag,

–  gezien de vraag aan de Commissie over bestrijding van douanefraude en bescherming van de eigen middelen van de EU (O‑000066/2018),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0298/2018),

A.  overwegende dat de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie een essentieel onderdeel moet zijn van het beleid van de EU om het vertrouwen van de burgers te versterken, door te garanderen dat hun geld correct en effectief wordt gebruikt;

B.  overwegende dat de diversiteit van de wettelijke en administratieve stelsels in de lidstaten een uitdagende omgeving is voor de bestrijding van fraude, nu uniforme wetgeving op Europees niveau voor de bestrijding van georganiseerde misdaad ontbreekt;

C.  overwegende dat artikel 325, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de lidstaten ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen nemen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad;

D.  overwegende dat met Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie(7) Europese minimumnormen worden ingevoerd inzake de bevriezing van voorwerpen met het oog op een eventuele confiscatie en inzake de confiscatie van voorwerpen in strafzaken;

E.  overwegende dat met het voorstel van de Commissie van 21 december 2016 voor een verordening inzake de wederzijdse erkenning van bevelen tot bevriezing en confiscatie (2016/0412(COD)) gestandaardiseerde werkwijzen worden ingevoerd voor samenwerking tussen de lidstaten;

F.  overwegende dat geen van deze instrumenten van toepassing kan zijn op derde landen;

G.  overwegende dat Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad, met name artikel 104, voorziet in werkwijzen voor samenwerking met derde landen;

H.  overwegende dat in artikel 3, lid 4, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme (CETS nr. 198), wordt bepaald: "Elke Partij neemt de maatregelen van wetgevende aard en andere maatregelen die noodzakelijk zijn om haar in staat te stellen om te verlangen dat daders ter zake van een ernstig misdrijf of misdrijven als omschreven in het nationale recht, de herkomst van de vermeende opbrengsten of andere voorwerpen die vatbaar zijn voor confiscatie aantonen voorzover een dergelijk vereiste verenigbaar is met de beginselen van haar nationale recht";

I.  overwegende dat op regionaal en mondiaal niveau diverse verdragen en mechanismen inzake confiscatie en ontneming van vermogensbestanddelen zijn ontwikkeld door de VN en de Raad van Europa, met name het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie van 31 oktober 2003, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad van 15 november 2000, het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en terrorismefinanciering van 16 mei 2005 en het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven van 8 november 1990; overwegende dat deze instrumenten om diverse redenen evenwel niet altijd een effectieve en tijdige invordering van gestolen activa mogelijk maken;

J.  overwegende dat deze kwestie door de EU is aangewezen als een van de prioriteiten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid; overwegende dat op dit gebied proefprojecten en voorbereidende acties worden uitgevoerd;

K.  overwegende dat overeenkomstig de artikelen 1, 3 en 14 van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding(8), OLAF bevoegd is om overal waar EU-middelen worden uitgegeven een onderzoek in te stellen, inclusief in derde landen die EU-steun ontvangen;

L.  overwegende dat OLAF krachtens artikel 14 van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 administratieve samenwerkingsregelingen kan aangaan met bevoegde autoriteiten in derde landen, na voorafgaand overleg met de bevoegde diensten van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden;

1.  benadrukt het voortdurende probleem van EU-middelen die verloren zijn als gevolg van fraudegevallen waarbij middelen zijn overgeheveld naar derde landen;

2.  benadrukt dat de overdracht van middelen via financiële tussenpersonen die werkzaam zijn in niet-transparante en niet-coöperatieve rechtsgebieden om redenen van preventie vermeden dient te worden;

3.  benadrukt bezorgd het feit dat tegoeden uit derde landen ook frauduleus kunnen worden overgeheveld naar de EU; onderstreept dat het resultaat van de door de EU gefinancierde voorbereidende actie ter ondersteuning van de landen van de Arabische lente bij de terugvordering van activa via het Interregionaal criminologisch en gerechtelijk onderzoeksinstituut van de VN (United Nations Interregional Crime and Justice Research Institute, UNICRI) moet leiden tot een permanent en breder EU-programma voor de terugvordering van activa;

4.  onderstreept dat de toewijzing van middelen gekoppeld moet worden aan de publicatie van gegevens inzake de feitelijke eigendom van de begunstigden, om in het geval van fraude de terugvordering van activa te vergemakkelijken;

5.  onderstreept dat de EU tot dusver helaas slechts overeenkomsten inzake wederzijdse rechtshulp heeft gesloten met een aantal derde landen, zoals Japan, Liechtenstein, Noorwegen en de VS, ondanks het vermoeden dat tegoeden ook worden overgeheveld naar andere rechtsgebieden; verzoekt de Commissie zich in te spannen om overeenkomsten te sluiten met derde landen die EU-middelen ontvangen;

6.  betreurt het feit dat vele lidstaten momenteel gebruik moeten maken van bilaterale overeenkomsten en dat er geen sprake is van een EU-aanpak van deze ernstige problematiek; dringt derhalve met klem aan op een meer uniforme aanpak;

7.  verzoekt de EU om zo spoedig mogelijk het lidmaatschap aan te vragen van de Groep van Staten tegen corruptie (Greco) van de Raad van Europa, en het Parlement op de hoogte te houden;

8.  verzoekt de Commissie om een harder standpunt in te nemen in de overeenkomsten die zij met derde landen sluit door fraudebestrijdingsclausules toe te voegen; betreurt het feit dat er geen gegevens beschikbaar zijn over het bedrag aan EU-middelen dat jaarlijks verloren gaat als gevolg van fraudegevallen in verband met de overheveling van geld naar derde landen; verzoekt de Commissie het bedrag van de verloren EU-middelen te berekenen;

9.  verzoekt de Commissie een risicobeoordeling uit te voeren van EU-wetgeving die illegale overheveling van geld naar landen buiten de EU vergemakkelijkt en de gevoelige punten in deze wetgeving weg te nemen;

10.  verzoekt de Commissie een gestandaardiseerde methode voor de verzameling van gegevens vast te stellen die identiek is voor alle lidstaten, om de overheveling van frauduleuze activa naar derde landen te kunnen opsporen, teneinde zo spoedig mogelijk een centrale EU-databank te creëren; onderstreept dat een dergelijk mechanisme reeds bestaat voor de bestrijding van witwassen en dat dit mechanisme kan worden uitgebreid;

11.  onderstreept dat het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en terrorismefinanciering van 16 mei 2005 en het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven van 8 november 1990 belangrijke instrumenten zijn om de samenwerking met derde landen inzake het bevriezen en het terugvorderen van activa te bevorderen; is tevreden met de succesvolle afsluiting van de onderhandelingen over het voorstel voor een verordening inzake de wederzijdse erkenning van bevelen tot bevriezing en confiscatie en merkt op dat de belangrijkste elementen hiervan een nuttige basis kunnen vormen voor samenwerking met derde landen in het kader van internationale verdragen en bilaterale overeenkomsten waarbij de EU partij is;

12.  betreurt dat niet alle EU-lidstaten ermee hebben ingestemd deel uit te maken van het EOM; benadrukt dat het belangrijk is dat het EOM het centrale element wordt van elk toekomstig mechanisme voor terugvordering in derde landen, wat betekent dat het overeenkomstig artikel 104 van de EOM-verordening voor dit doel als bevoegde instantie moet worden erkend in de bestaande en toekomstige overeenkomsten inzake wederzijdse rechtshulp en ontneming van vermogensbestanddelen, met name de verdragen van de Raad van Europa en de VN;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en het Europees Bureau voor fraudebestrijding.

(1) PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29.
(2) PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.
(3) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(4) PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.
(5) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 89.
(6) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 96.
(7) PB L 127 van 29.4.2014, blz. 39.
(8) PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1.


Het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik ***I
PDF 124kWORD 55k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (COM(2014)0557 – C8-0142/2014 – 2014/0256(COD))
P8_TA(2018)0420A8-0035/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0557),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 en artikel 168, lid 4, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0142/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 januari 2015(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 13 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0035/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau, Verordening (EG) nr. 1901/2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en Richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik

P8_TC1-COD(2014)0256


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/5.)

(1) PB C 242 van 23.7.2015, blz. 39.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 10 maart 2016 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0088).


Geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik ***I
PDF 127kWORD 53k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (COM(2014)0558 – C8-0164/2014 – 2014/0257(COD))
P8_TA(2018)0421A8-0046/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0558),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 en artikel168, lid 4, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0164/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 januari 2015(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over veiligere gezondheidszorg in Europa: verbetering van de patiëntveiligheid en bestrijding van antimicrobiële resistentie(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 13 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0046/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG

P8_TC1-COD(2014)0257


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/6.)

(1) PB C 242 van 23.7.2015, blz. 54.
(2) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 12.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 10 maart 2016 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0087).


De vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van gemedicineerde diervoeders ***I
PDF 125kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie, het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders met medicinale werking en tot intrekking van Richtlijn 90/167/EEG van de Raad (COM(2014)0556 – C8-0143/2014 – 2014/0255(COD))
P8_TA(2018)0422A8-0075/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0556),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43 en artikel 168, lid 4, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0143/2014),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 januari 2015(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 8 mei 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0075/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van gemedicineerde diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 90/167/EEG van de Raad

P8_TC1-COD(2014)0255


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/4.)

(1) PB C 242 van 23.7.2015, blz. 54.


Het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen ***I
PDF 333kWORD 145k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (COM(2017)0275 – C8-0171/2017 – 2017/0114(COD))
P8_TA(2018)0423A8-0202/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0275),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0171/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Oostenrijkse Bondsraad, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 1 februari 2018(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0202/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen

P8_TC1-COD(2017)0114


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

1)  De verwezenlijking van de door de Commissie in haar Witboek van 28 maart 2011(6) geformuleerde doelstelling, namelijk de volledige toepassing van de beginselen „de vervuiler betaalt” en „de gebruiker betaalt” om inkomsten te genereren en de financiering van toekomstige vervoersinvesteringen te waarborgen, verloopt moeizaam en de toepassing van infrastructuurheffingen voor het wegverkeer in de EU vertoont nog steeds een aantal inconsistenties.

(1 bis)  In dat witboek stelde de Commissie het jaar 2020 vast als uiterste termijn voor "de volledige en verplichte internalisering van de externe kosten (waaronder geluidshinder, plaatselijke verontreiniging en congestie, bovenop de verplichte doorberekening van de slijtagekosten) voor het spoor- en wegvervoer". [Am. 1]

(1 ter)   De verplaatsingen van goederen- en personenvoertuigen dragen bij aan de uitstoot van verontreinigende stoffen in de atmosfeer. Die verontreinigende stoffen, die zeer ernstige gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid en tot een verslechtering van de luchtkwaliteit in de Unie leiden, omvatten onder meer PM2,5, NO2 en O3. Volgens schattingen van het Europees Milieuagentschap uit 2017 waren deze drie verontreinigende stoffen in 2014 verantwoordelijk voor respectievelijk 399 000, 75 000 en 13 600 vroegtijdige sterfgevallen in de Unie als gevolg van langdurige blootstelling. [Am. 2]

(1 quater)   Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie behoort alleen al het lawaai dat wordt veroorzaakt door het wegverkeer tot de schadelijkste milieugerelateerde stressfactoren in Europa, op de tweede plaats na luchtverontreiniging. Ten minste 9 000 vroegtijdige sterfgevallen per jaar kunnen worden toegeschreven aan hartaandoeningen ten gevolge van verkeerslawaai. [Am. 3]

(1 quinquies)   Volgens het verslag over de luchtkwaliteit in Europa van 2017 van het Europees Milieuagentschap was het wegvervoer in 2015 de sector met de grootste NOx-uitstoot en de op een na grootste uitstoot van roetdeeltjes. [Am. 4]

(2)  In haar mededeling over een Europese strategie voor koolstofarme mobiliteit(7) heeft de Commissie aangekondigd dat zij een voorstel zou doen tot herziening van de richtlijn inzake infrastructuurheffingen voor vrachtwagens om een variatie van de heffingen op basis van de koolstofuitstoot mogelijk te maken en de beginselen van de richtlijn uit te breiden naar personenwagens, bestelwagens, minibussen en bussen en touringcars.

(3)  Alle zware voertuigen hebben een aanzienlijke impact op de wegeninfrastructuur en veroorzaken luchtverontreiniging, terwijl en lichte voertuigen zijn verantwoordelijk zijn voor het grootste deel van de door het wegverkeer veroorzaakte schadelijke milieu- en sociale effecten in termen van emissies en congestie. Met het oog op gelijke behandeling en eerlijke concurrentie moet ervoor worden gezorgd dat Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad(8) inzake tolgelden en gebruiksrechten ook van toepassing wordt op de voertuigen waarop zij nog niet van toepassing was. De werkingssfeer van deze richtlijn moet daarom worden uitgebreid tot andere zware voertuigen dan voertuigen voor het vervoer van goederen en tot lichte voertuigen, m.i.v. personenwagens bedrijfsvoertuigen en personenwagens. Heffingen op personenwagens kunnen worden aangepast om te vermijden dat frequente gebruikers al te zeer worden benadeeld. Met het oog op gelijke behandeling moet er ook voor worden gezorgd dat de heffingen worden toegepast zonder te discrimineren, op basis van de voertuigcategorie, alsmede op gedifferentieerde wijze, volgens de impact van voertuigen op de infrastructuur, de effecten van voertuigen op het milieu en de samenleving en de sociaal-economische situatie van sommige gebruikers, die geen andere keuze hebben dan zich naar hun werk te begeven over de weg. [Am. 5].

(3 bis)  De totstandbrenging van een interne markt voor wegvervoer met een gelijk speelveld vereist de uniforme toepassing van regels. Een van de hoofddoelstellingen van deze richtlijn is het wegnemen van factoren die de mededinging tussen gebruikers verstoren. Daarom moeten ook bestelwagens voor goederenvervoer over de weg worden opgenomen in het toepassingsgebied van de heffingen voor zware voertuigen. [Am. 6]

(3 ter)  Om de evenredigheid van deze maatregel te garanderen, is het belangrijk als doelgroep alleen de bestelwagens te nemen die worden gebruikt in het kader van de activiteiten van een ondernemer van goederenvervoer over de weg die geregeld zijn bij Verordening (EG) nr. 1071/2009(9) en Verordening (EG) nr. 1072/2009(10) van het Europees Parlement en de Raad, alsmede bij Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad(11). [Am. 7]

(4)  Tijdsgerelateerde gebruiksrechten zijn per definitie geen correcte afspiegeling van de reële infrastructuurkosten en, om dezelfde reden, geen doeltreffend instrument om schoner en efficiënter vervoer te stimuleren of de congestie terug te dringen. Dit type heffingen moet Voor zware voertuigen moeten tijdsgerelateerde gebruiksrechten daarom geleidelijk worden vervangen door heffingen op basis van afstand, die billijker, efficiënter en doeltreffender zijn. [Am. 8]

(4 bis)   Om ervoor te zorgen dat deze geleidelijke vervanging van tijdsgerelateerde gebruiksrechten door heffingen op basis van afstand geen extra belemmering wordt voor de toegang van vervoer vanuit perifere landen en regio's tot de belangrijkste Europese markten, moet zo spoedig mogelijk een compensatieregeling worden opgezet om de extra kosten op te vangen en zo te garanderen dat er niet zwaar aan concurrentievermogen wordt ingeboet. [Am. 10]

(4 ter)   Om te voorkomen dat het verkeer wordt verplaatst naar tolvrije wegen, met mogelijk verregaande gevolgen voor de verkeersveiligheid en voor de optimale benutting van het wegennet, moeten de lidstaten tol kunnen heffen op alle wegen die rechtstreeks concurreren met de trans-Europese netwerken. [Am. 11]

(4 quater)   Op tijd gebaseerde gebruiksrechten moedigen bestuurders aan om meer te gaan rijden zolang hun vignet geldig is en leiden tot een verkeerde toepassing van de beginselen "de vervuiler betaalt" en "de gebruiker betaalt". [Am. 12]

(4 quinquies)  Om ervoor te zorgen dat deze richtlijn correct wordt toegepast, moet het met behulp van de contractuele kaders voor concessieovereenkomsten voor de inning van tolheffingen eenvoudiger worden deze overeenkomsten aan te passen aan wijzigingen van het regelgevingskader van de Unie, met inachtneming van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad. [Am. 13]

(4 sexies)   In dit verband moet worden bekeken of het mogelijk is de extra kosten die verbonden zijn aan een afgelegen ligging te compenseren door middel van faciliteiten op het vlak van toegang tot een energie-efficiënter wagenpark en het prioritair aanbieden van exclusieve infrastructuur of technologieën zoals e-snelwegen. Die compenserende faciliteiten kunnen deel uitmaken van de toekomstige CEF voor de periode na 2020. [Am. 14]

(5)  Om het draagvlak voor toekomstige tolregelingen bij de gebruikers in stand te houden, moeten de lidstaten, als onderdeel van een breder pakket van mobiliteitsdiensten, de mogelijkheid krijgen passende systemen voor de inning van tolgelden op te zetten. Dergelijke systemen moeten zorgen voor een billijke verdeling van de infrastructuurkosten, en het beginsel „de vervuiler betaalt” in de praktijk omzetten en regelingen omvatten om de inkomsten uit gebruiksrechten af te schermen. Daarbij staat het de lidstaten vrij ook op wegen die niet tot het hoofdverkeersnet behoren tol te heffen. Lidstaten die een dergelijk systeem invoeren, dienen ervoor te zorgen dat het conform is met Richtlijn 2004/52/EG van het Europees Parlement en de Raad(12). [Am. 15]

(5 bis)   De lidstaten moeten ertoe worden aangespoord rekening te houden met sociaal-economische factoren wanneer ze heffingsregelingen voor wegeninfrastructuur toepassen op personenwagens. [Am. 16]

(5 ter)   Een elektronische inning van heffingen voor alle weggebruikers gaat gepaard met een massale vergaring en opslag van persoonsgegevens, waaruit bovendien uitgebreide verplaatsingsprofielen kunnen worden afgeleid. De lidstaten en de Commissie moeten bij de uitvoering van deze richtlijn stelselmatig de beginselen van doelbinding en minimale gegevensverwerking in acht nemen. Technische oplossingen voor het vergaren van gegevens in verband met de inning van gebruiksrechten moeten dan ook geanonimiseerde of versleutelde betalingsmogelijkheden of opties voor vooruitbetaling omvatten. [Am. 17]

(5 quater)  Belastingen op voertuigen kunnen een belemmering vormen voor de invoering van tolgelden. Om de invoering van tolgelden te ondersteunen, moeten de lidstaten over meer ruimte beschikken om de belastingen op voertuigen snel te verlagen, hetgeen impliceert dat de in Richtlijn 1999/62/EG vastgestelde minima zo spoedig mogelijk moeten worden verlaagd. [Am. 18]

(5 quinquies)  Het is van bijzonder belang dat de lidstaten billijke heffingsregelingen vaststellen die niet nadelig uitpakken voor gebruikers van personenwagens die vanwege hun woonplaats op het platteland of in een moeilijk bereikbaar of geïsoleerd gebied gedwongen zijn om vaker gebruik te maken van wegen waarvoor tolheffingen gelden. De lidstaten moeten in het kader van het beleid inzake territoriale ontwikkeling verlaagde heffingen toepassen voor gebruikers uit die gebieden. [Am. 20]

(6)  Net als voor zware bedrijfsvoertuigen, is het ook voor lichte voertuigen belangrijk dat bij een eventuele invoering van tijdsgebonden heffingen door de lidstaten wordt gewaarborgd dat tijdsgebonden heffingen deze proportioneel zijn, ook voor periodes van minder dan één jaar. In dit verband moet er rekening mee worden gehouden dat het gebruikspatroon van lichte voertuigen en zware voertuigen verschilt. Evenredige heffingen op basis van tijd kunnen worden berekend op basis van beschikbare gegevens over reispatronen, op voorwaarde dat wordt gewaakt over non-discriminatie. [Am. 21]

(7)  Op grond van Richtlijn 1999/62/EG mag moet er een externekostenheffing worden ingevoerd die aansluit bij het beginsel "de vervuiler betaalt" en die zo goed mogelijk overeenstemt met de maatschappelijke marginale kosten van het gebruik van het betrokken voertuig. Die methode blijkt de eerlijkste en efficiëntste manier om rekening te houden met de negatieve gevolgen van door zware bedrijfsvoertuigen veroorzaakte luchtvervuiling en geluidsoverlast en zou ervoor zorgen dat zware bedrijfsvoertuigen een billijke bijdrage leveren tot het behalen van de EU-luchtkwaliteitsnormen(13) en de naleving van de geldende geluidsnormen of streefwaarden. De toepassing van dergelijke heffingen moet dan ook worden gefaciliteerd. [Am. 22]

(8)  Daartoe moet de mogelijkheid worden ingevoerd om op wegennetten waarvoor geen infrastructuurheffing geldt een externekostenheffing toe te passen en moet de maximale gewogen gemiddelde externekostenheffing worden vervangen door eenvoudig toepasbare referentiewaarden minimumwaarden die worden aangepast aan de inflatie, de wetenschappelijke vooruitgang bij het ramen van de externe kosten van het wegvervoer en de ontwikkelingen inzake de samenstelling van het wagenpark. [Am. 23]

(8 bis)  Om de doelstelling te helpen realiseren van het Witboek vervoer om te komen tot volledige toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt, moet op wegennetten waarvoor een infrastructuurheffing geldt een externekostenheffing worden toegepast voor zware voertuigen en bestelwagens voor goederenvervoer over de weg. [Am. 24]

(8 ter)   Om te waarborgen dat de opbrengsten van externekostenheffingen op passende wijze worden hergebruikt, is het wenselijk dat die opbrengsten opnieuw in de sector vervoersinfrastructuur worden geïnvesteerd om duurzamere vervoerswijzen met geringere milieueffecten te bevorderen. [Am. 25]

(9)  De variatie van de infrastructuurheffingen op basis van de euro-emissienorm heeft het gebruik van schonere voertuigen bevorderd. Door de vernieuwing van het wagenpark, wordt verwacht dat de variatie van de heffingen op basis van de euro-norm voor het gebruik van het interstedelijk wegennet tegen eind 2020 achterhaald minder doeltreffend zal zijn en tegen die tijd moet worden uitgefaseerd. Tegelijk moet systematisch werk worden gemaakt van externekostenheffingen als gericht middel om de externe kosten door te berekenen in situaties waarin dat het meeste effect sorteert. [Am. 27]

(10)  Het aandeel van de CO2-uitstoot door zware bedrijfsvoertuigen neemt toe. Er moet derhalve werk worden gemaakt van een variatie van de infrastructuurheffingen op basis van de uitstoot, die een hefboom kan vormen om op dit vlak vooruitgang te boeken.

(11)  Lichte voertuigen veroorzaken twee derde van de schadelijke gevolgen van het wegvervoer op het milieu en de volksgezondheid. Daarom is het belangrijk om het gebruik van de schoonste en meest brandstofefficiënte voertuigen aan te moedigen middels een variatie van de tolheffingen op basis van de in Verordening (EU) nr. 2016/427(14) van de Commissie, Verordening (EU) nr. 2016/646(15) van de Commissie, en Verordening (EU) 2017/xxx(16) van de Commissie gedefinieerde factoren.

(12)  Om het gebruik van de schoonste en meest efficiënte efficiëntere voertuigen te bevorderen, moeten de lidstaten voor die voertuigen een aanzienlijke korting toestaan op de tolgelden en gebruiksrechten. Om de uitvoering van regelingen in deze zin te faciliteren en te versnellen, moet de bedoelde korting worden toegepast onafhankelijk van de inwerkingtreding van Verordening (EU).../... van de Commissie tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 wat betreft de certificering van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen. Emissieloze voertuigen mogen niet aan externekostenheffingen voor luchtverontreiniging worden onderworpen. [Am. 28]

(12 bis)   Het transitvervoer door de Alpen betekent voor de regio's in kwestie een extra belasting in de vorm van geluidshinder, luchtverontreiniging en infrastructuurslijtage die vanwege de kostenconcurrentie met de omliggende corridors nog toeneemt. De regio's in kwestie en de lidstaten moet dan ook een grote mate van flexibiliteit worden toegekend bij de berekening van externe kosten en bij het toepassen van maatregelen op het gebied van verkeersbeheer, vooral om ongewenste verplaatsingseffecten en verkeersomleidingen tussen corridors te voorkomen. [Am. 29]

(13)  Congestie, waartoe alle motorvoertuigen in verschillende mate bijdragen, vertegenwoordigt een kostprijs van ongeveer 1 % van het bbp. Een groot deel van die kosten worden veroorzaakt door congestie op interstedelijk niveau. Specifieke congestieheffingen moeten dan ook worden toegestaan, op voorwaarde dat ze gelden voor alle voertuigcategorieën. Om evenredig , doeltreffend en doeltreffend niet-discriminerend te zijn, moeten dergelijke heffingen worden berekend op basis van de marginale congestiekosten en worden gevarieerd naargelang de plaats, het tijdstip en de voertuigcategorie. Ook moeten er compenserende formules worden gevonden die niet discriminerend zijn voor werknemers die in voorsteden wonen en door die omstandigheden misschien zowel de kosten van gebruiksrechten als tolgelden moeten dragen. Om ervoor te zorgen dat congestieheffingen een zo groot mogelijk positief effect sorteren, moeten de opbrengsten ervan worden aangewend voor projecten die de oorzaken van de congestie aanpakken. [Am. 30]

(13 bis)   Om er mee voor te zorgen dat het automobielpatrimonium van de Unie bewaard blijft, moeten de lidstaten voertuigen van historisch belang in een speciale categorie onderbrengen om de verschillende heffingen die krachtens deze richtlijn moeten worden betaald te kunnen aanpassen. [Am. 31]

(14)  De congestieheffingen moeten een weerspiegeling zijn van de werkelijke kosten die een voertuig direct veroorzaakt voor de andere weggebruikers en, op evenredige wijze, indirect voor de samenleving als geheel. Om te voorkomen dat het vrij verkeer van personen en goederen buitensporige hinder ondervindt, mogen congestieheffingen niet hoger liggen dan de specifieke marginale congestiekosten wanneer de maximumcapaciteit bijna bereikt is, d.w.z. wanneer het verkeer bijna het verzadigingspunt bereikt.

(15)  De opbrengstneutrale variatie van de infrastructuurheffingen voor zware vrachtwagens, een suboptimaal instrument in de strijd tegen congestie, moet worden uitgefaseerd.

(15 bis)  Gezien de aanzienlijke externe kosten van ongevallen, die oplopen tot tientallen miljarden euro per jaar, moeten de lidstaten overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2008/96/EG van het Europees Parlement en de Raad(17)s in verband met de gemiddelde maatschappelijke kosten van dodelijke en zware ongevallen de mogelijkheid krijgen niet door verzekeringen gedekte kosten beter te internaliseren. Een deel van die kosten zou dan ten laste komen van de desbetreffende sociale zekerheid of de samenleving als geheel, zoals de administratieve kosten van de overheidsdiensten waarop een beroep is gedaan, bepaalde kosten van medische diensten waarop een beroep is gedaan, het verlies aan menselijk kapitaal en de kosten in verband met fysieke en psychologische schade. [Am. 32]

(16)  Toeslagen op de infrastructuurheffingen kunnen eveneens nuttig zijn om een antwoord te bieden op de aanzienlijke milieuschade of congestie die door het gebruik van bepaalde wegen, niet alleen in berggebieden, wordt veroorzaakt. Daarom moet het eenvoudiger worden toeslagen op te leggen door de huidige regel dat dergelijke toeslagen beperkingen te schrappen op grond waarvan zij alleen in bergachtige gebieden mogen worden opgelegd, en moet daarom het ook gemakkelijker worden geschrapt deze toeslagen toe te wijzen aan projecten in het kader van het kernnetwerk van het trans-Europees vervoersnetwerk. Om te voorkomen dat gebruikers tweemaal moeten betalen, moet moeten er strengere grenzen worden gesteld aan de invoering van toeslagen worden uitgesloten op wegen waar reeds een congestieheffing wordt geïnd. Ook moet het maximumniveau worden aangepast aan verschillende omstandigheden. [Am. 33]

(17)  Indien een lidstaat een tolheffing invoert, kan de toekenning van compensaties in sommige gevallen leiden tot de discriminatie van buitenlandse weggebruikers. De mogelijkheid om compensatie te verlenen moet derhalve worden beperkt tot tolgelden en mag niet langer worden toegestaan voor gebruiksrechten.

(17 bis)   Met betrekking tot lichte bedrijfsvoertuigen is het van belang dat wordt gewaarborgd dat deze richtlijn geen belemmering vormt voor het vrije verkeer van burgers. De lidstaten moeten kortingen en verlagingen kunnen invoeren wanneer bepaalde weggebruikers door geografische of sociale factoren onevenredig veel heffingen opgelegd krijgen. [Am. 34]

(18)  Teneinde potentiële synergieën tussen de bestaande tolsystemen te benutten en de werkingskosten te drukken, moet de Commissie als volwaardige partner worden betrokken bij de samenwerking tussen lidstaten die gezamenlijke en interoperabele tolsystemen wensen in te voeren. [Am. 35]

(19)  De tolsystemen kunnen genereren middelen genereren voor de financiering en de kruisfinanciering van projecten op het vlak van alternatieve vervoersinfrastructuur en het onderhoud en de ontwikkeling van hoogwaardige vervoersinfrastructuur en -diensten. Derhalve moeten de lidstaten ertoe worden aangespoord de opbrengsten uit tolgelden daarvoor te gebruiken en moeten zij verplicht worden verplicht om op passende wijze verslag uit te brengen over de besteding van de opbrengsten. Opbrengsten van infrastructuurheffingen en externekostenheffingen moeten bijgevolg opnieuw worden geïnvesteerd in de vervoerssector. Dat moet met name helpen om mogelijke financieringstekorten in kaart te brengen en om het publiek draagvlak voor tolheffingen te versterken. [Am. 36]

(20)  Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, met name ervoor zorgen dat de nationale tolregelingen voor andere voertuigen dan vrachtwagens worden toegepast binnen een samenhangend kader dat in de hele Unie een gelijke behandeling waarborgt, niet voldoende door de individuele lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar gelet op het grensoverschrijdende karakter van het wegvervoer en van de problemen die met deze richtlijn worden aangepakt, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen treffen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel als uiteengezet in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde proportionaliteitsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(21)  Er moet voor worden gezorgd dat externekostenheffingen een zo correct mogelijke weergave blijven van de door zware bedrijfsvoertuigen veroorzaakte kosten voor luchtverontreiniging en geluidshinder zonder dat de tolregelingen daardoor buitensporig complex worden, dat het gebruik van de meest brandstofefficiënte voertuigen wordt gestimuleerd en dat de stimulansen effectief blijven en de variatie van de tolheffingen actueel blijft. Derhalve moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen tot aanpassing van de referentiewaarden minimumwaarden voor externekostenheffingen aan de wetenschappelijke vooruitgang, tot vaststelling van de modaliteiten voor de opbrengstneutrale variatie van de infrastructuurheffingen op basis van de CO2-uitstoot van zware bedrijfsvoertuigen, en tot aanpassing van de modaliteiten voor de variatie van de infrastructuurheffingen voor lichte voertuigen aan de technische vooruitgang. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016(18). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 37]

(21 bis)   De Commissie komt uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn met een algemeen geldig, transparant en begrijpelijk kader voor de internalisering van de milieu-, congestie- en gezondheidskosten dat als basis zal dienen voor toekomstige berekeningen van infrastructuurheffingen. In dit verband moet de Commissie de mogelijkheid worden geboden een model voor te stellen dat vergezeld gaat van een analyse van de effecten op de internalisering van externe kosten voor alle vervoerswijzen. Wat evenredigheid betreft moeten alle vervoerswijzen in aanmerking worden genomen in verband met externekostenheffingen. [Am. 38]

(21 ter)   Met het oog op transparantie is het wenselijk dat de lidstaten aan de weggebruikers de resultaten bekendmaken die zijn verwezenlijkt dankzij de herinvestering van infrastructuur-, externekosten- en congestieheffingen. Daarom moeten zij bekendmaken welke voordelen dit heeft opgeleverd in termen van grotere verkeersveiligheid, verminderde milieueffecten en verminderde verkeerscongestie. [Am. 39]

(22)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de desbetreffende bepalingen van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. De raadplegingsprocedure moet worden toegepast voorafgaand aan de vaststelling van uitvoeringshandelingen ter bepaling van een geharmoniseerde reeks indicatoren voor de beoordeling van de kwaliteit van het wegennet. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(19).

(23)  Richtlijn 1999/62/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 1999/62/EG wordt als volgt gewijzigd:

(1)  de titel wordt vervangen door:"

“Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen opleggen van heffingen op basis van afstand voor het gebruik van de wegeninfrastructuur aan voertuigen”; [Am. 40]

"

(2)  de artikelen 1 en 2 worden vervangen door:"

"Artikel 1

1.  Deze richtlijn is van toepassing op:

   a) de belasting op zware bedrijfsvoertuigen,
   b) tolgelden en gebruiksrechten die voor alle voertuigen gelden.

2.  Deze richtlijn is niet van toepassing op voertuigen die uitsluitend vervoer verrichten binnen de niet-Europese grondgebieden van de lidstaten.

3.  De richtlijn is evenmin van toepassing op voertuigen die zijn ingeschreven op de Canarische Eilanden, in Ceuta en Melilla en op de Azoren en Madeira, en uitsluitend vervoer verrichten binnen die grondgebieden of tussen die grondgebieden en het vasteland van Spanje, respectievelijk Portugal.

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

   1) „trans-Europees wegennet”: het wegennet als bedoeld in afdeling 3 van hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad*, als weergegeven op de kaarten in bijlage I bij die verordening;
   2) „aanlegkosten": de kosten in verband met de aanleg, inclusief, in voorkomend geval, de financieringskosten, van:
   a) nieuwe infrastructuur of nieuwe infrastructuurverbeteringen (inclusief significante structurele reparaties); of alternatieve vervoersinfrastructuur met het oog op een modal shift); [Am. 41]
   b) infrastructuur of infrastructuurverbeteringen (inclusief significante structurele reparaties) die voltooid waren uiterlijk 30 jaar vóór 10 juni 2008, indien de tolregelingen reeds zijn ingesteld op 10 juni 2008, of die voltooid waren uiterlijk 30 jaar vóór de vaststelling van nieuwe tolregelingen die na 10 juni 2008 zijn ingevoerd;
   c) infrastructuur of infrastructuurverbeteringen die voltooid waren vóór 10 juni 2008, indien:
   i) een lidstaat een tolsysteem heeft ingesteld dat voorziet in het terugbetalen van deze kosten door middel van een overeenkomst met een exploitant van een tolsysteem of andere rechtshandelingen van gelijke werking die in werking is getreden vóór 10 juni 2008, of
   ii) een lidstaat kan aantonen dat de aanleg van de betrokken infrastructuur slechts gerechtvaardigd was als de geplande levensduur meer dan 30 jaar bedroeg;
   3) „financieringskosten": rente over leningen en rendement op eventueel door aandeelhouders beschikbaar gesteld aandelenkapitaal;
   4) „significante structurele reparaties": structurele reparaties, m.u.v. reparaties die niet meer van enig actueel voordeel voor de weggebruiker zijn, bijvoorbeeld wanneer het reparatiewerk is vervangen door verdere vernieuwing van het wegdek of andere aanlegwerkzaamheden;
   5) „autosnelweg”: een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen, zonder toegangen naar aanliggende percelen, en die:
   a) behalve op bepaalde plaatsen of bepaalde tijden, voorzien is van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een strook die niet voor het verkeer bestemd is, hetzij, bij uitzondering, op andere wijze;
   b) geen andere weg, spoorweg of trambaan, fietspad of voetpad gelijkvloers kruist; en
   c) door specifieke verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid;
   6) „tolgeld”: een vastgesteld bedrag dat gebaseerd is op de afstand die een bepaald type voertuig op een infrastructuurvoorziening heeft afgelegd, waarvan de betaling het recht geeft om met het voertuig de infrastructuur te gebruiken en dat is samengesteld uit een of meer van de volgende heffingen: een infrastructuurheffing en desgevallend of een congestieheffing en/of een externekostenheffing; [Am. 42]
   7) „infrastructuurheffing”: een heffing geïnd met het oog op het terugverdienen van door een lidstaat gemaakte aanleg-, onderhouds-, exploitatie- en ontwikkelingskosten in verband met de infrastructuur;
   8) „externekostenheffing”: een heffing toegepast met het oog op het terugverdienen van de in een lidstaat opgetreden kosten in verband met de door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging en/of door het verkeer veroorzaakte geluidhinder;
   9) „congestie”: een situatie waarin het verkeersvolume de wegcapaciteit benadert of overschrijdt;
   10) „congestieheffing”: een heffing die wordt geheven op motorvoertuigen met het oog op het terugverdienen van de in een lidstaat opgetreden congestiekosten en om die congestie te verminderen;
   11) „kosten van door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging”: de kosten van de schade aan de menselijke gezondheid en het milieu die wordt veroorzaakt door de uitstoot, tijdens het gebruik van een voertuig, van deeltjes en van ozonprecursoren zoals stikstofoxide en vluchtige organische stoffen; [Am. 43]
   12) „kosten van door het verkeer veroorzaakte geluidhinder”; : de kosten van de schade aan de menselijke gezondheid en het milieu die wordt veroorzaakt door de geluidhinder voortgebracht door voertuigen of door de interactie van voertuigen met het wegdek; [Am. 44]
   13) „gewogen gemiddelde infrastructuurheffing”: de totale opbrengsten van een infrastructuurheffing over een bepaalde periode, gedeeld door het aantal kilometers dat tijdens die periode door zware bedrijfsvoertuigen op de aan de heffing onderworpen trajecten is afgelegd;
   14) „gebruiksrecht”: een bedrag dat recht geeft om met een voertuig gedurende een bepaalde tijd gebruik te maken van de in artikel 7, leden 1 en 2, bedoelde infrastructuurvoorzieningen;
   15) „voertuig”: een motorvoertuig met minstens vier wielen of een samenstel van voertuigen bedoeld of gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg;
   16) „zwaar bedrijfsvoertuig”: een zware vrachtwagen of een touringcar of bus;
   17) „zware vrachtwagen“: een voertuig voor goederenvervoer met een toegestane maximummassa van meer dan 3,5 ton;
   18) „bus of touringcar“: een voertuig voor het vervoer van de bestuurder en meer dan acht passagiers en met een toegestane maximummassa van meer dan 3,5 ton;
   18 bis) "licht voertuig": een licht bedrijfsvoertuig of een personenwagen; [Am. 46]
   19) „licht voertuig bedrijfsvoertuig”: een personenwagen, minibus minibus, een bestelwagen of een bestelwagen voor goederenvervoer; [Am. 47]
   20) „personenwagen”: een voertuig met vier wielen bestemd voor het vervoer van maximum acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend;
   20 bis) "voertuig van historisch belang": een voertuig van historisch belang als bedoeld in artikel 3, lid 7, van Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad**; [Am. 48]
   21) „minibus“: een voertuig voor het vervoer van de bestuurder en meer dan acht passagiers en met een toegestane maximummassa van maximum 3,5 ton;
   22) „bestelwagen“: een voertuig voor goederenvervoer dat geen personenwagen is, met een toegestane maximummassa van maximum 3,5 ton; [Am. 49]
   22 bis) "bestelwagen voor goederenvervoer": een voertuig dat wordt ingezet in het kader van het beroep van wegvervoerondernemer als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad***, met een maximaal toelaatbare massa in beladen toestand tussen 2,4 en 3,5 ton en een hoogte van meer dan 2 meter; [Am. 50]
   22 ter) "emissieloos gebruik": een voertuig dat bij het gebruik geen uitlaatemissies veroorzaakt tijdens de volledige duur van het gebruik van een aan heffingen onderworpen wegennet, op verifieerbare wijze; [Am. 51]
   23) „emissieloos voertuig”: een voertuig dat geen uitlaatemissies produceert;
   23 bis) "motorfiets": een voertuig met twee wielen, met of zonder zijspan, en alle drie- en vierwielers van de categorieën L3e, L4e, L5e, L6e en L7e, als bedoeld in Verordening (EU) nr. 168/2013; [Am. 52]
   24) „vervoerder”: een onderneming die goederen of passagiers vervoert over de weg;
   25) „EURO 0-voertuig", „EURO I-voertuig", „EURO II-voertuig", „EURO III-voertuig", „EURO IV-voertuig", „EURO V-voertuig", „EURO VI-voertuig": een zwaar bedrijfsvoertuig dat voldoet aan de in bijlage 0 aangegeven emissiegrenswaarden;
   26) „type voertuig": type van een zwaar bedrijfsvoertuig gecategoriseerd op basis van het aantal assen, de afmetingen of het gewicht van het voertuig, of een andere indeling van het voertuig volgens de schade die het aan de weg toebrengt, bijvoorbeeld het in bijlage IV vervatte indelingssysteem op basis van de aan het wegdek toegebrachte schade, mits het indelingssysteem is gebaseerd op voertuigkenmerken die voorkomen in de voertuigdocumentatie die in alle lidstaten wordt gebruikt, dan wel duidelijk zichtbaar zijn;
   27) „concessieovereenkomst": een overheidsopdracht voor werken als omschreven in artikel 1 concessie in de zin van artikel 5, lid 1, van Richtlijn (EU) 2014/24/EU 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad****; [Am. 53]
   28) "concessietolgeld": een tolgeld geheven door een concessiehouder krachtens een concessieovereenkomst;
   29) „ingrijpend gewijzigde tol- of heffingsregeling”: een tol- of heffingsregeling die zodanig is gewijzigd dat de kosten of opbrengsten minstens 5 % 15 % afwijken van de kosten of opbrengsten van het voorgaande jaar, gecorrigeerd voor de inflatie gemeten door veranderingen in het EU-brede geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen, exclusief energie en onbewerkte voedingsmiddelen, zoals gepubliceerd door de Commissie (Eurostat). In het geval van concessieovereenkomsten worden wijzigingen die voldoen aan de criteria van artikel 43, leden 1 en 2, van Richtlijn 2014/23/EU niet als ingrijpend beschouwd; [Am. 54]
   29 bis) "kruisfinanciering": de financiering van efficiënte projecten op het gebied van alternatieve vervoersinfrastructuur met opbrengsten uit tol- en infrastructuurheffingen op bestaande vervoersinfrastructuur; [Am. 55]
   29 ter) "lidstaten": alle autoriteiten van de lidstaten, namelijk de autoriteiten van de centrale overheid, de autoriteiten van een federale geleding en andere territoriale autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op de naleving van het Unierecht. [Am. 56]

Voor de toepassing van punt 2:

   a) mag het aandeel van de aanlegkosten dat in aanmerking wordt genomen, in geen geval groter zijn dan het gedeelte van de huidige geplande levensduur van de infrastructuurcomponenten dat nog moest ingaan op 10 juni 2008 of op de datum waarop de nieuwe tolregelingen worden ingevoerd indien deze datum later valt;
   b) kunnen kosten betreffende infrastructuur of infrastructuurverbeteringen ook de specifieke uitgaven voor infrastructuurvoorzieningen omvatten, onder meer uitgaven die het gevolg zijn van nieuwe regelgevingsvereisten, ter beperking van de geluidshinder, tot invoering van innovatieve technologieën of ter verbetering van de veiligheid op de weg omvatten, en , alsook de daadwerkelijk door de exploitant van de infrastructuur gemaakte kosten, op basis van objectieve milieuaspecten zoals bescherming tegen bodemverontreiniging; [Am. 57]

_______________

* Verordening (EU) nr. 1315/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).

** Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 51).

*** Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51).

**** Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65) Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).”;

"

2 bis)  aan artikel 6, lid 2, wordt het volgende punt toegevoegd:"

"b bis) voertuigen van historisch belang;"; [Am. 58]

"

3)  Artikel 7 wordt vervangen door:"

"Artikel 7

1.  Onverminderd artikel 9, lid 1 bis, mogen de lidstaten tolgelden en gebruiksrechten handhaven of invoeren op het trans-Europese wegennet of op bepaalde trajecten daarvan, en op andere bijkomende trajecten van hun autosnelwegennet die geen deel uitmaken van het trans-Europees wegennet, mits aan de in de leden 3 t.e.m. 9 van dit artikel en de in de artikelen 7 bis tot en met 7 duodecies gestelde voorwaarden is voldaan.

2.  Lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om met inachtneming van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie tolgelden en gebruiksrechten toe te passen op andere wegen, mits het opleggen van tolgelden en gebruiksrechten op dergelijke andere wegen geen discriminerende werking heeft jegens het internationaal verkeer en niet tot concurrentievervalsing tussen vervoerders leidt. Tolgelden en gebruiksrechten die worden toegepast op andere wegen dan snelwegen en wegen die deel uitmaken van het trans-Europese wegennet moeten voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de leden 3 en 4 van dit artikel, artikel 7 bis en artikel 7 undecies, leden 1, 2 en 4.

3.  De lidstaten leggen voor het gebruik van een en hetzelfde traject niet aan een voertuigcategorie zowel tolgelden als gebruiksrechten op. Een lidstaat die voor het gebruik van zijn wegennet een gebruiksrecht oplegt, mag ook tolgelden heffen voor het gebruik van bruggen, tunnels en bergpassen.

4.  De tolgelden en gebruiksrechten maken geen onderscheid, direct of indirect, op grond van de nationaliteit van de weggebruiker, de lidstaat of het derde land waar de vervoerder gevestigd is of waar het voertuig geregistreerd is, of op grond van de herkomst of bestemming van het vervoer.

5.  De lidstaten kunnen voorzien in verlaagde toltarieven of gebruiksrechten, dan wel vrijstellingen van de verplichting tolgeld of gebruiksrechten te betalen, voor zware bedrijfsvoertuigen die zijn vrijgesteld van de verplichting om een controleapparaat te installeren en te gebruiken overeenkomstig Verordening (EU) nr. 165/2014 van de Raad*, en in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, lid 2, onder a), b) en c), van de onderhavige richtlijn.

6.  Onverminderd het bepaalde in lid 9, voeren de lidstaten vanaf 1 januari 2018 [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] geen gebruiksrechten meer in voor zware bedrijfsvoertuigen en bestelwagens voor goederenvervoer. Gebruiksrechten die vóór die datum zijn ingevoerd, mogen worden gehandhaafd tot en met 31 december 2023 2022 en worden op het wegennet dat onder deze richtlijn valt met ingang van 1 januari 2023 vervangen door infrastructuurheffingen. [Am. 59]

7.  Met ingang van [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] mogen de lidstaten geen gebruiksrechten voor lichte voertuigen meer invoeren. Gebruiksrechten die vóór die datum zijn ingevoerd, worden uitgefaseerd tegen 31 december 2027.

8.  Met betrekking tot zware bedrijfsvoertuigen kan een lidstaat er tot 31 december 2019 voor kiezen tolgelden en gebruiksrechten uitsluitend toe te passen op voertuigen met een maximaal toegestaan totaalgewicht van minimaal 12 t indien hij van oordeel is dat een uitbreiding tot voertuigen van minder dan 12 t:

   a) als gevolg van sluipverkeer via alternatieve routes grote negatieve gevolgen zou hebben op de doorstroming van het verkeer, het milieu, de geluidsniveaus, de congestie, de volksgezondheid of de verkeersveiligheid;
   b) administratieve kosten zou meebrengen die meer bedragen dan 30 % van de extra door die uitbreiding gegenereerde inkomsten.

Lidstaten die ervoor kiezen tolgelden en/of gebruiksrechten alleen toe te passen op voertuigen met een maximaal toegestaan totaalgewicht van minimaal 12 t, stellen de Commissie in kennis van hun besluit, met opgave van redenen.

9.  Met ingang van 1 januari 2020 gelden tolheffingen en gebruiksrechten voor zware vrachtvoertuigen voor alle zware bedrijfsvoertuigen en bestelwagens voor goederenvervoer. [Am. 61]

10.  Tot en met 31 december 2022 mogen tolgelden en gebruiksrechten voor zware bedrijfsvoertuigen en bestelwagens voor goederenvervoer enerzijds en voor lichte voertuigen bedrijfsvoertuigen die geen bestelwagens voor goederenvervoer zijn anderzijds mogen onafhankelijk van elkaar worden ingevoerd of gehandhaafd. [Am. 62]

___________

* Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 1).”;

"

(4)  Artikel 7 bis wordt vervangen door:"

"Artikel 7 bis

1.  Gebruiksrechten moeten evenredig zijn met de duur van het gebruik van de betrokken infrastructuurvoorzieningen.

2.  Indien voor zware bedrijfsvoertuigen gebruiksrechten moeten worden betaald, moet de infrastructuur ten minste gedurende de volgende periodes kunnen beschikbaar zijn: een dag, een week, een maand en een jaar. Het maandtarief, het weektarief en het dagtarief bedragen niet meer dan respectievelijk 10 %, 5 % en 2 % van het jaartarief.

Het is een lidstaat toegestaan voor op zijn grondgebied geregistreerde voertuigen alleen jaartarieven te hanteren.

Voor alle zware bedrijfsvoertuigen stellen de lidstaten de gebruiksrechten, m.i.v. de administratieve kosten, vast op een tarief dat niet hoger ligt dan de in bijlage II vastgestelde maximumtarieven.

3.  Indien voor personenwagens gebruiksrechten moeten worden betaald, moet de infrastructuur kunnen worden gebruikt gedurende: een dag, een week, 10 dagen, één maand of twee maanden of beide, en een jaar. Het tarief voor twee maanden, het maandtarief en het 10-dagentarief 10-dagen-, week- en dagtarief bedragen niet meer dan respectievelijk 30 %, 18 % en 8 % van het jaartarief. [Am. 63]

De lidstaten mogen ook gebruiksrechten voor andere perioden aanbieden. In dergelijke gevallen passen de lidstaten tarieven toe overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling tussen gebruikers, rekening houdend met alle relevante factoren, met name het jaartarief en de tarieven voor de andere periodes als bedoeld in de eerste alinea, alsmede met de bestaande gebruikspatronen en de administratieve kosten.

Met betrekking tot gebruiksrechten die vóór 31 mei 2017 zijn vastgesteld, mogen de lidstaten overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling tarieven handhaven die hoger liggen dan de in de eerste alinea vastgestelde maxima, voor zover die vóór die datum reeds van kracht waren, en overeenkomstige tarieven voor andere gebruiksperioden. De tarieven moeten evenwel in overeenstemming worden gebracht met de in de eerste alinea vastgestelde grenswaarden en met de tweede alinea zodra de tolregeling of de gebruiksrechten ingrijpend worden gewijzigd en uiterlijk vanaf 1 januari 2024.

4.  Voor minibussen, bestelwagens en bestelwagens voor goederenvervoer dienen de lidstaten te voldoen aan lid 2 of lid 3. Uiterlijk vanaf 1 januari 2024 hanteren de lidstaten echter hogere gebruiksrechten voor minibussen, bestelwagens en bestelwagens voor goederenvervoer dan voor personenauto’s. [Am. 64]

4 bis.  Met betrekking tot de evenredigheid kan bij het heffen van gebruiksrechten rekening worden gehouden met de bijzondere kenmerken van vervoersactiviteiten die vertrekken vanuit een lidstaat in de periferie van de Unie.”; [Am. 65]

"

4 bis.  Aan artikel 7 ter wordt het volgende lid toegevoegd:"

"2 bis. De trajecten van autosnelwegen waarop een infrastructuurheffing wordt toegepast, beschikken over de nodige infrastructuur om voor alle gebruikers verkeersveiligheid te waarborgen en kunnen beschikken over in alle weersomstandigheden veilige parkeerterreinen, overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 voor wat betreft de minimumeisen voor maximale dagelijkse en wekelijkse rijtijden, minimumonderbrekingen en dagelijkse en wekelijkse rusttijden en Verordening (EU) nr. 165/2014 voor wat betreft positionering met behulp van tachografen (2017/0122(COD))."; [Am. 66]

"

(5)  Artikel 7 quater wordt vervangen door:"

“Artikel 7 quater

1.  De lidstaten kunnen externekostenheffingen invoeren of handhaven op basis van de door verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging en/of geluidshinder.

De externekostenheffingen kunnen worden ingevoerd of behouden op trajecten van het wegennet waar geen infrastructuurheffing geldt.

Voor zware bedrijfsvoertuigen varieert De externekostenheffing voor door verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging of geluidshinder varieert en wordt ze vastgesteld overeenkomstig de in bijlage III bis bedoelde minimumvoorschriften en methoden, en met inachtneming van voldoet ten minste aan de in bijlage III ter vastgestelde referentiewaarden minimumwaarden. [Am. 67]

2.  De in rekening te brengen kosten hebben betrekking op het wegennet of het gedeelte van het wegennet waarop een externekostenheffing wordt toegepast en op de voertuigen die aan deze heffing zijn onderworpen. De lidstaten kunnen ervoor kiezen slechts een percentage van deze kosten door te berekenen.

3.  De externekostenheffingen die gekoppeld zijn aan de door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging, gelden niet voor zware bedrijfsvoertuigen die aan de strengste EURO-emissienormen voldoen.

De eerste alinea vervalt vier jaar vanaf de datum waarop de regelgeving waarbij die normen zijn ingevoerd, van toepassing werd.

4.  Het tarief van de externekostenheffing wordt vastgesteld door de betrokken lidstaat. Indien een lidstaat hiertoe een instantie aanwijst, moet die juridisch en financieel onafhankelijk zijn van de organisatie die belast is met het beheer of de inning van een deel of het geheel van de heffing.

5.  Met ingang van 1 januari 2021 passen de lidstaten op zware bedrijfsvoertuigen en bestelwagens voor goederenvervoer een externekostenheffing toe voor door verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging of geluidshinder op ten minste het deel alle delen van het in artikel 7, lid 1, bedoelde netwerk waar de door zware bedrijfsvoertuigen veroorzaakte milieuschade groter is dan de gemiddelde door zware bedrijfsvoertuigen veroorzaakte milieuschade als gedefinieerd overeenkomstig de in bijlage III bis bedoelde relevante kennisgevingsverplichtingen waarop een infrastructuurheffing wordt toegepast. [Am. 68]

5 bis.  Met ingang van 1 januari 2026 geldt een externekostenheffing op een traject van het wegennet als bedoeld in artikel 7, lid 1, op niet-discriminerende wijze voor alle voertuigcategorieën. [Am. 69]

5 ter.  De lidstaten kunnen afwijkingen toestaan om het tarief van de externekostenheffing aan te passen voor voertuigen van historisch belang.";[Am. 70]

"

(6)  Het volgende artikel 7 quinquies bis wordt toegevoegd:"

"Artikel 7 quinquies bis:

1.  De lidstaten kunnen, overeenkomstig de voorschriften van bijlage V, een congestieheffing invoeren op elk wegvak van hun wegennet dat met congestie kampt. De congestieheffingen mogen alleen worden toegepast op de wegvakken waar geregeld congestie optreedt en alleen gedurende de perioden waarin dat doorgaans het geval is.

2.  De lidstaten definiëren de in lid 1 bedoelde wegvakken en periodes op basis van objectieve criteria die verband houden met de congestiegraad van de wegen en hun omgeving, zoals de gemiddelde verliestijden en filelengte.

3.  Op bepaalde wegvakken ingevoerde congestieheffingen gelden op niet-discriminerende wijze voor alle voertuigcategorieën, in overeenstemming met de standaard equivalentiecoëfficiënten in bijlage V. De lidstaten mogen echter beslissen bussen en touringcars van deze congestieheffingen vrij te stellen ter bevordering van het collectief vervoer, de sociaal-economische ontwikkeling en de territoriale cohesie. [Am. 72]

4.  De congestieheffing is een weerspiegeling van de kosten die een voertuig veroorzaakt voor andere weggebruikers en indirect voor de samenleving, maar mag niet hoger liggen dan de in bijlage VI voor een bepaald type weg vastgestelde maximumniveaus.

5.  De lidstaten voorzien in adequate mechanismen om de impact van de congestieheffingen te monitoren en voor de herziening van die heffingen. Zij evalueren regelmatig, ten minste om de drie jaar, het niveau van de heffingen om ervoor te zorgen dat deze niet hoger liggen dan congestiekosten die in de lidstaat worden veroorzaakt op de wegvakken waar congestieheffingen worden opgelegd.”;

"

(7)  De artikelen 7 septies en 7 octies worden vervangen door:"

“Artikel 7 septies

1.  Nadat hij de Commissie daarvan in kennis heeft gesteld, kan een lidstaat een toeslag heffen op de infrastructuurheffingen voor wegvakken die regelmatig verzadigd zijn, of waarvan het gebruik door voertuigen aanzienlijke milieuschade veroorzaakt, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) de opbrengsten uit de toeslagen worden geïnvesteerd in de aanleg van de vervoersinfrastructuur van het kernnet als gedefinieerd overeenkomstig bijlage III van Verordening (EU) nr. 1315/2013 of vervoersdiensten die rechtstreeks bijdraagt tot de vermindering van de congestie of milieuschade en die zich situeert situeren op dezelfde corridor als die van het traject waarvoor een toeslag wordt aangerekend; [Am. 75]
   b) de toeslag bedraagt ten hoogste 15 % van de gewogen gemiddelde infrastructuurheffing, berekend overeenkomstig artikel 7 ter, lid 1, en artikel 7 sexies, behalve in berggebieden, waar de gegenereerde inkomsten worden geïnvesteerd in grensoverschrijdende trajecten op kernnetwerkcorridors infrastructuurkosten en de klimaat- en milieuschade aanzienlijker zijn, in welk geval de toeslag niet meer dan 25 50 % mag bedragen; [Am. 76]
   c) de invoering van de toeslag leidt niet tot een oneerlijke behandeling van bedrijfsvoertuigen in vergelijking met andere weggebruikers;
   d) vóór de invoering van de toeslag wordt bij de Commissie een beschrijving ingediend van de precieze locatie waarvoor de toeslag wordt toegepast en het bewijs van een besluit om de onder a) bedoelde bouw van kernnetwerkcorridors vervoersinfrastructuur of vervoersdiensten te financieren; [Am. 77]
   e) de periode waarin de toeslag van toepassing zal zijn, is vooraf bepaald en begrensd en, wat de verwachte inkomsten betreft, in overeenstemming met de financiële plannen en kosten/batenanalyse voor de projecten die gecofinancierd worden met de inkomsten uit de toeslag.

1 bis.  Voor nieuwe grensoverschrijdende projecten mogen alleen toeslagen worden ingevoerd indien alle bij die projecten betrokken lidstaten daarmee instemmen. [Ams. 78 en 164]

2.  Een toeslag kan worden geheven op infrastructuurheffingen die overeenkomstig artikel 7 octies of 7 octies bis worden gevarieerd.

3.  Wanneer de Commissie de vereiste inlichtingen heeft ontvangen van een lidstaat die voornemens is een toeslag op te leggen, stelt zij die informatie ter beschikking van de leden van het in artikel 9 quater bedoelde comité. Wanneer de Commissie van oordeel is dat de geplande toeslag niet in overeenstemming is met de in lid 1 gestelde voorwaarden, of wanneer zij van oordeel is dat de geplande toeslag aanzienlijke nadelige gevolgen zal hebben voor de economische ontwikkeling van perifere regio’s, kan zij het door de betrokken lidstaat voorgelegde plan voor heffingen middels een uitvoeringshandeling afwijzen, dan wel om wijziging ervan verzoeken. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 9 quater, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. Als de toeslag wordt toegepast op tolregelingen als bedoeld in artikel 7 sexies, lid 3, wordt deze niet beschouwd als een ingrijpende wijziging in de zin van deze richtlijn. [Am. 79]

4.  Het bedrag van de toeslag wordt afgetrokken van het bedrag van de externekostenheffing die wordt berekend overeenkomstig artikel 7 quater, behalve voor voertuigen van EURO-emissieklassen 0, I en II vanaf 15 oktober 2011, III en IV vanaf 1 januari 2015, V vanaf 1 januari 2019 en VI vanaf januari 2023. Alle opbrengsten die door de gelijktijdige toepassing van toeslagen en externekostenheffingen worden gegenereerd, worden gebruikt voor de financiering van investeringen in de aanleg van de in deel 1 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1316/2013 genoemde kernnetwerkcorridors. [Am. 80]

5.  Er worden geen toeslagen geheven op wegvakken waar een congestieheffing wordt toegepast.

Artikel 7 octies

1.  Tot 31 december 2021 mag de infrastructuurheffing worden gevarieerd om congestie aan te pakken, schade aan de infrastructuur te beperken en het gebruik van de desbetreffende infrastructuur te optimaliseren of de verkeersveiligheid te bevorderen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) de variatie is transparant en openbaar gemaakt en geldt onder gelijke voorwaarden voor alle gebruikers;
   b) de variatie wordt toegepast overeenkomstig het tijdstip van de dag, het soort dag of het seizoen;
   c) geen enkele infrastructuurheffing overschrijdt het maximumniveau van de gewogen gemiddelde infrastructuurheffing als bedoeld in artikel 7 ter met meer dan 175 %;
   d) de piekperioden waarin, ter beperking van de congestie, de hoogste infrastructuurheffingen worden toegepast, duren niet meer dan 5 uur per dag of het aantal uren waarin de congestie hoger is dan 100 % van de capaciteit; [Am. 81]
   e) de variatie op een traject waarop zich congestie voordoet, wordt op een transparante en opbrengstneutrale wijze uitgewerkt en toegepast zodat vervoerders die in daluren reizen verlaagde toltarieven betalen en voor vervoerders die tijdens de spits op datzelfde traject rijden verhoogde toltarieven gelden.

Een lidstaat die zo’n variatie wenst in te voeren of een bestaande variatie wil wijzigen, stelt de Commissie daarvan in kennis en doet haar de nodige informatie toekomen om te kunnen beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan.

2.  Voor zware bedrijfsvoertuigen laten de lidstaten de infrastructuurheffing tot 31 december 2020 variëren volgens de EURO-emissieklasse van het voertuig, met dien verstande dat geen enkele infrastructuurheffing meer dan 100 % hoger mag zijn dan dezelfde heffing aangerekend voor gelijkwaardige voertuigen die aan de strengste emissienormen voldoen. Bestaande concessieovereenkomsten mogen van deze bepaling worden vrijgesteld tot ze worden hernieuwd.

Een lidstaat mag echter afwijken van het voorschrift betreffende een variabele infrastructuurheffing indien:

   i) de samenhang van het tolstelsel op zijn grondgebied hierdoor ernstig zou worden ondermijnd;
   ii) het technisch niet uitvoerbaar is in het desbetreffende tolstelsel een dergelijke variatie aan te brengen;
   iii) de meest vervuilende voertuigen daardoor naar andere trajecten zouden uitwijken, met negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid en volksgezondheid; of
   iv) het tolgeld een externekostenheffing omvat.

Dergelijke afwijkende regelingen of vrijstellingen worden aan de Commissie gemeld.

3.  Wanneer bij een controle een bestuurder of, in voorkomend geval, de vervoerder geen voertuigdocumenten kan overleggen gebruik maakt van betaalmogelijkheden door middel van elektronische tolheffing of geen geldig abonnement heeft, of wanneer zijn voertuig geen door de tolwegexploitant erkende uitrusting aan boord heeft waarmee in het kader van lid 2 de emissieklasse van het voertuig kan worden aangetoond, mogen de lidstaten het hoogste toltarief opleggen. [Am. 82]

4.  Binnen één jaar na de bekendmaking door de Commissie van de officiële gegevens inzake CO2-uitstoot overeenkomstig Verordening (EU) nr.../... *, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 9 sexies een gedelegeerde handeling vast om de referentiewaarden voor CO2-emissies te bepalen, samen met een passende categorisering van de betrokken zware bedrijfsvoertuigen, rekening houdend met emissieverlagende technologieën. [Am. 83]

Binnen één jaar na de inwerkingtreding van die gedelegeerde handeling, variëren de lidstaten de infrastructuurheffingen op basis van de CO2-emissiewaarden en de relevante voertuigcategorisering. Bij de variatie van die heffingen wordt ervoor gezorgd dat de infrastructuurheffingen niet meer dan 100 % hoger liggen dan voor een gelijkwaardig voertuig dat niet emissieloos is maar de laagste CO2-emissie haalt. Emissieloze voertuigen genieten een korting van 75 % op de infrastructuurheffingen ten opzichte van het maximumtarief. [Am. 84]

4 bis.  Met ingang van … [datum van de inwerkingtreding van deze richtlijn] genieten emissieloze voertuigen een korting van 50 % ten opzichte van het laagste tarief van de infrastructuurheffingen. Voor emissieloos gebruik geldt dezelfde korting, op voorwaarde dat dit gebruik kan worden aangetoond. [Am. 85]

4 ter.  De Commissie stelt uiterlijk op ... [vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] een evaluatieverslag op waarin het marktaandeel van emissieloze voertuigen en emissieloos gebruik wordt beoordeeld. De Commissie is bevoegd om, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 9 sexies gedelegeerde handelingen vast te stellen tot herberekening van de korting die op emissieloze voertuigen van toepassing is ten opzichte van het laagste tarief van de infrastructuurheffing. [Am. 86]

5.  De in de leden 1, 2 en 4 bedoelde variaties mogen niet tot doel hebben extra opbrengsten uit tolgeld te genereren. Iedere niet beoogde toename van de opbrengsten moet binnen twee jaar na afloop van het boekjaar waarin de extra opbrengsten zijn gegenereerd worden gecompenseerd door middel van wijzigingen in de structuur van de toegepaste variatie.

____________

* Verordening (EU).../... van de Commissie van XXX tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 wat betreft de certificering van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L ... van ..., blz. ...).”;

"

(8)  Het volgende artikel 7 octies bis wordt toegevoegd:"

"Artikel 7 octies bis:

1.  Tot 31 december 2021 mogen de lidstaten de tolgelden en gebruiksrechten voor lichte voertuigen variëren op basis van de milieuprestaties van het voertuig. [Am. 87. Niet van toepassing op de Nederlandse versie]

2.  Vanaf 1 januari 2022 variëren de lidstaten de tolgelden en, in het geval van gebruiksrechten, minstens de jaarlijkse rechten, op basis van de emissies van CO2 en verontreinigende stoffen overeenkomstig de voorschriften van bijlage VII.

2 bis.  De lidstaten mogen rekening houden met de verbeterde milieuprestaties van het voertuig die worden behaald doordat het voertuig is omgebouwd om op alternatieve brandstoffen te kunnen rijden. Gebruikers moeten via een vast abonnement of een andere door de exploitant van het tolsysteem erkende regeling een variabele tolheffing kunnen genieten waarmee ze worden beloond voor de verbeterde milieuprestaties van het voertuig na de ombouw ervan. [Am. 88]

3.  Wanneer bij een controle een bestuurder of, in voorkomend geval, de vervoerder niet beschikt over een abonnement of een andere door de exploitant erkende regeling of geen voertuigdocumenten kan overleggen waarmee het emissieniveau van het voertuig (conformiteitscertificaat) kan worden aangetoond overeenkomstig Verordening (EU) …/…* van de Commissie, mogen de lidstaten het hoogste toltarief of gebruiksrecht voor één jaar opleggen. Wanneer de desbetreffende documenten waarmee het emissieniveau van het voertuig kan worden aangetoond achteraf kunnen worden voorgelegd, wordt een eventueel verschil tussen het toegepaste toltarief of gebruiksrecht en het voor het betrokken voertuig passende toltarief of gebruiksrecht terugbetaald. [Am. 89]

3 bis.  De lidstaten mogen uitzonderlijke maatregelen vaststellen met het oog op het opleggen van heffingen aan voertuigen van historisch belang. [Am. 90]

4.  De Commissie is gemachtigd om overeenkomstig artikel 9 sexies gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage VII om de in de bijlage gespecificeerde modaliteiten aan te passen aan de technische vooruitgang en rekening te houden met de rol van onderdelen voor de verbetering van zowel de verkeersveiligheid als het koolstofvrij maken van het vervoer. [Am. 91]

_____________

* Verordening (EU) 2017/xxx van de Commissie van XXX tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie, Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 (PB L xxx) en Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).”;

"

(9)  Artikel 7 novies wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt de aanhef vervangen door de volgende tekst:"

“Ten minste zes maanden voor de toepassing van een nieuwe of ingrijpend gewijzigde tolregeling met gebruikmaking van een infrastructuurheffing, zenden de lidstaten de Commissie het volgende toe:”;

"

a bis)   aan artikel 7 nonies, lid 1, onder a), wordt het volgende streepje toegevoegd:"

"– duidelijke informatie over de interoperabiliteit van de uitrusting aan boord van voertuigen die dient voor het betalen van gebruiksrechten en tolgelden. Deze informatie vermeldt de redenen waarom gebruikers voor deze tolregeling geen gebruik kunnen maken van andere uitrusting aan boord die in andere lidstaten wordt gebruikt."; [Am. 92]

"

a ter)  het volgende lid wordt toegevoegd:"

"1 bis. Het contractueel kader voor de betrekkingen tussen de concessiegever en de concessiehouder is bedoeld om de concessieovereenkomsten te kunnen aanpassen aan de ontwikkeling van het regelgevingskader van de Unie of de lidstaten, in verband met de verplichtingen die zijn vastgelegd in de artikelen 7 quater, 7 quinquies bis, 7 octies en 7 octies bis van deze richtlijn."; [Am. 93]

"

b)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. Vóór de uitvoering van een nieuwe of ingrijpend gewijzigde tolregeling met gebruikmaking van een externekostenheffing, stellen de lidstaten de Commissie in kennis van het betrokken netwerk en van de geplande tarieven per voertuigcategorie en emissieklasse.”;

"

c)  lid 4 wordt geschrapt.

(10)  Artikel 7 decies wordt als volgt gewijzigd:

-a)  in lid 2 wordt de inleidende zin vervangen door:"

“2. Voor zware bedrijfsvoertuigen en bestelwagens voor goederenvervoer mogen de lidstaten voorzien in kortingen op of verlagingen van de infrastructuurheffing op voorwaarde dat:”; [Am. 94]

"

a)  in lid 2 worden de punten b) en c) vervangen door:"

“b) de kortingen of verlagingen weerspiegelen de feitelijke vermindering van de administratieve kosten voor de behandeling van frequente gebruikers ten opzichte van incidentele gebruikers;

   c) dergelijke kortingen of verlagingen bedragen niet meer dan 13 20 % van de infrastructuurheffing die wordt betaald door gelijkwaardige voertuigen die niet in aanmerking komen voor de korting of verlaging en door voertuigen voor plaatselijk en/of alledaags gebruik.”; [Am. 95]

"

a bis)  het volgende lid wordt ingevoegd:"

"2 bis. Voor lichte voertuigen, met name voor frequente gebruikers in gebieden met verspreide bewoning en in voorsteden, mogen de lidstaten voorzien in kortingen op of verlagingen van de infrastructuurheffing op voorwaarde dat:

   a) de resulterende tariefstructuur evenredig is, openbaar wordt gemaakt, onder gelijke voorwaarden beschikbaar is voor alle gebruikers en er niet toe leidt dat bijkomende kosten worden doorberekend aan andere gebruikers in de vorm van hogere toltarieven;
   b) dergelijke kortingen en verlagingen bijdragen tot:
   i) sociale samenhang; en/of
   ii) de mobiliteit in perifere regio's en/of afgelegen gebieden;"; [Am. 96]

"

a ter)  het volgende lid wordt ingevoegd:"

"2 ter. De lidstaten of bevoegde autoriteiten mogen een forfaitaire kilometervrijstelling invoeren voor een specifiek gedeelte van de weg om rekening te houden met de mobiliteitspatronen en de economische belangen van perifere regio's, op voorwaarde dat de resulterende tariefstructuur evenredig is, openbaar wordt gemaakt, onder gelijke voorwaarden beschikbaar is voor alle gebruikers en er niet toe leidt dat bijkomende kosten worden doorberekend aan andere gebruikers in de vorm van hogere toltarieven;"; [Am. 97]

"

b)  lid 3 wordt als volgt gewijzigd:"

"3. De toltarieven mogen, mits wordt voldaan aan de in artikel 7 octies, lid 1, onder b), en lid 5, genoemde voorwaarden voor specifieke projecten van groot Europees belang als genoemd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1315/2013/EU, aan andere vormen van variatie worden onderworpen, teneinde de commerciële levensvatbaarheid van die projecten veilig te stellen, wanneer zij worden geconfronteerd met rechtstreekse concurrentie van andere vervoerswijzen. De daaruit voortvloeiende tariefstructuur moet lineair en evenredig zijn, moet openbaar worden gemaakt, en moet voor alle gebruikers onder gelijke voorwaarden beschikbaar zijn, en mag niet leiden tot bijkomende kosten die in de vorm van hogere toltarieven worden doorberekend aan andere gebruikers.”; [Am. 98]

"

b bis)  het volgende lid wordt ingevoegd:"

"3 bis. In berggebieden en perifere regio's mogen de lidstaten of de bevoegde autoriteiten variabele toltarieven invoeren volgens de afstand die de aan een tolheffing onderworpen voertuigen hebben afgelegd, om de sociaal-economische impact zo veel mogelijk te beperken, op voorwaarde dat:

   a) de variatie volgens de afgelegde afstand rekening houdt met de verschillende kenmerken van korte- en langeafstandsvervoer, met name de beschikbare mogelijkheden voor een modal shift naar andere vervoerswijzen;
   b) de variatie op niet-discriminerende wijze wordt toegepast;
   c) de technische uitrusting de opsporing van de plaats van binnenkomst en vertrek van het voertuig over de nationale grenzen heen mogelijk maakt."; [Am. 99]

"

(11)  Artikel 7 undecies wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt de tweede zin vervangen door:"

“Hiertoe werken de lidstaten samen voor de vaststelling van methoden die de weggebruikers in staat stellen de tolgelden en gebruiksrechten 24 uur per dag te betalen, althans hetzij aan de belangrijkste verkooppunten grens, hetzij aan een verkooppunt, met de mogelijkheid om een ontvangstbewijs te krijgen, met gebruikelijke betalingsmiddelen (waaronder elektronisch), zowel binnen als buiten de lidstaten waarin zij worden opgelegd.”; [Am. 100]

"

b)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. Indien een lidstaat een voertuig een tolgeld oplegt, worden het totale bedrag van dat tolgeld, het bedrag van de infrastructuurheffing, het bedrag van de externekostenheffing en het bedrag van de congestieheffing desgevallend vermeld op een aan de eindgebruiker op diens verzoek verstrekt ontvangstbewijs, voor zover mogelijk via elektronische weg.”; [Am. 101]

"

c)  in lid 4 wordt de eerste zin vervangen door:"

“Indien economisch haalbaar, verrichten en innen de lidstaten externekosten- en congestieheffingen door middel van een elektronisch systeem dat voldoet aan de eisen van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2004/52/EG.”;

"

12)  Artikel 7 duodecies wordt vervangen door:"

“Artikel 7 duodecies

Onverminderd de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie laat deze richtlijn de lidstaten die een systeem van tolheffingen invoeren, vrij om daarvoor een adequate compensatie te voorzien, mits dit geen verstoring of negatieve gevolgen voor plaatselijke en/of alledaagse vervoersondernemers met zich meebrengt.”; [Am. 102]

"

13)  Artikel 8, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:

a)  in punt a) wordt de verwijzing naar "artikel 7, lid 7" vervangen door de verwijzing naar “artikel 7 bis";

b)  in punt b) worden de woorden „en 2” ingevoegd na „artikel 7, lid 1”;

13 bis)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 8 bis

Monitoring en rapportage

1.  Elke lidstaat wijst een onafhankelijke autoriteit voor toezicht op de infrastructuurheffingen aan die belast wordt met het toezicht op de naleving van deze richtlijn.

2.  De toezichtautoriteit voert een economische en financiële controle uit van de concessieovereenkomsten, met name om na te gaan of artikel 7 ter is nageleefd.

3.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de aanwijzing van deze toezichtautoriteit."; [Am. 103]

"

14)  Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

-a)  in artikel 9, lid 2, wordt de inleidende zin vervangen door:"

“2. Om de ontwikkeling van het gehele verkeerswegennet mogelijk te maken, worden de inkomsten uit infrastructuur- en externekostenheffingen, of het financiële waarde-equivalent van deze inkomsten, aangewend voor de instandhouding en het onderhoud van het weggennet en tot optimalisering van het gehele vervoersysteem. Met name de inkomsten uit externekostenheffingen, of het financiële waarde-equivalent van deze inkomsten, worden aangewend voor de verduurzaming van het vervoer, hetgeen een of meer van de volgende punten omvat:”; [Am. 104]

"

-a bis)  in lid 2 wordt punt b) vervangen door:"

“b) de door het wegvervoer veroorzaakte luchtverontreiniging en geluidshinder verminderen;”; [Am. 105]

"

-a ter)  in lid 2 wordt het volgende punt ingevoegd:"

"b bis) collectieve en duurzame vervoerswijzen financieren;"; [Am. 106]

"

-a quater)  lid 2, onder e), wordt vervangen door:"

“e) infrastructuur voor alternatieve brandstoffen ontwikkelen, in overeenstemming met Richtlijn 2014/94/EU, en alternatieve dienstverlening voor vervoergebruikers ontwikkelen en/of de bestaande capaciteit uitbreiden;”; [Am. 107]

"

-a quinquies)  in lid 2 wordt punt f) vervangen door:"

“f) het trans-Europese vervoersnet ondersteunen en knelpunten wegwerken;”; [Am. 108]

"

-a sexies)  in lid 2 wordt punt h) vervangen door:"

“h) de verkeersveiligheid en veilige wegeninfrastructuur verbeteren; en”; [Am. 109]

"

-a septies)  in lid 2 wordt punt i) vervangen door:"

“i) veilige en beveiligde parkeerterreinen aanleggen;”; [Am. 110]

"

a)  in lid 2 wordt de tweede alinea geschrapt;

b)  het volgende lid 3 wordt toegevoegd:"

"3. Opbrengsten uit congestieheffingen, of het financiële waarde-equivalent van die inkomsten, moeten worden gebruikt om het congestieprobleem aan te pakken, met name bijvoorbeeld door: [Am. 111]

   a) de ondersteuning van openbaar vervoer en infrastructuur daarvoor;
   b) het wegwerken van knelpunten en ontbrekende schakels op de wegennetten van de lidstaten waar de heffing wordt toegepast en op het trans-Europese vervoersnetwerk; [Am. 112]
   c) de ontwikkeling van alternatieve infrastructuur en multimodale knooppunten voor vervoergebruikers.”; [Am. 113]

"

b bis)  het volgende lid wordt ingevoegd:"

"3 bis. De inkomsten uit infrastructuur- en externekostenheffingen worden gebruikt op het grondgebied van het traject waarop de heffingen worden toegepast."; [Am. 114]

"

15)  De artikelen 9 quinquies en 9 sexies worden vervangen door:"

“Artikel 9 quinquies

De Commissie is gemachtigd om overeenkomstig artikel 9 sexies gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage 0, de bedragen in de tabellen 1 en 2 in bijlage III ter en de formules in de punten 4.1 en 4.2 van bijlage III bis teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

Artikel 9 sexies

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 7 octies, lid 4, artikel 7 octies bis, lid 4, en artikel 9 quinquies bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd een termijn van vijf jaar met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. [Am. 115]

3.  De in artikel 7 octies, lid 4, artikel 7 octies bis, lid 4, en artikel 9 quinquies bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 7 octies, lid 4, artikel 7 octies bis, lid 4, en artikel 9 quinquies vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”;

"

16)  De artikelen 9 septies en 9 octies worden geschrapt.

17)  Artikel 10 bis wordt vervangen door:"

"1. De bedragen in euro in bijlage II en de bedragen in centen in de tabellen 1 en 2 in bijlage III ter worden om de twee jaar aangepast ter verrekening van de wijzigingen in het voor de hele EU geldende geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen, exclusief energie en onbewerkte voedingsmiddelen, als gepubliceerd door de Commissie (Eurostat). De eerste aanpassing vindt plaats uiterlijk op 31 maart [van het jaar volgende op de twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn].

De bedragen worden automatisch aangepast door verhoging van het basisbedrag in euro of centen met de percentagewijziging in die index. De resulterende bedragen worden afgerond tot een rond bedrag in euro met betrekking tot bijlage II en een rond bedrag in een tiende cent met betrekking tot bijlage III ter.

2.  De Commissie publiceert de aangepaste bedragen als bedoeld in lid 1 uiterlijk op 31 maart van het jaar na twee kalenderjaren als bedoeld in lid 1 in het Publicatieblad van de Europese Unie. Die aangepaste bedragen gelden vanaf de eerste dag van de maand volgend op de bekendmaking daarvan.”;

"

18)  Artikel 11 wordt vervangen door:"

"Artikel 11

-1.  De lidstaten of de bevoegde autoriteiten vermelden zo transparant en duidelijk mogelijk hoe zij de opbrengsten uit de door de weggebruikers betaalde heffingen aanwenden. [Am. 116]

1.  Elk jaar publiceren de lidstaten in geaggregeerde vorm een verslag over de op hun grondgebied geheven tolgelden en gebruiksrechten, m.i.v. informatie over het gebruik van de opbrengsten en de kwaliteit van de wegen waarvoor tolgelden of gebruiksrechten worden geheven als gespecificeerd in de leden 2 en 3.

2.  In het overeenkomstig lid 1 gepubliceerde verslag wordt de volgende informatie opgenomen:

   a) de externekostenheffingen die zijn opgelegd voor elke combinatie van voertuigklasse, wegtype en tijdsperiode;
   b) het variëren van de infrastructuurheffingen naar gelang van het voertuigtype;
   c) het gewogen gemiddelde van de infrastructuurheffing en de totale opbrengsten van de infrastructuurheffingen, met vermelding van de eventuele afwijkingen ten opzichte van de reële infrastructuurkosten die voortvloeien uit de variatie van de infrastructuurheffing;
   d) de totale inkomsten uit externekostenheffingen;
   e) de totale inkomsten uit congestieheffingen;
   e bis) de totale opbrengsten van de toeslagen en de delen van het wegennet waarop ze werden geheven. [Am. 117]
   f) de totale inkomsten uit tolgelden en/of gebruiksrechten;
   g) informatie over het gebruik van de door de toepassing van deze richtlijn gegenereerde opbrengsten en van de manier waarop die de lidstaten in staat hebben gesteld om de doelstellingen als bedoeld in artikel 9, leden 2 en 3, te verwezenlijken;
   h) een evaluatie, op basis van objectieve criteria, van de onderhoudstoestand van het wegennet op het grondgebied van de lidstaat, en de evolutie daarvan sinds het vorige verslag;
   i) een evaluatie van de congestie op de tolwegen tijdens de spits, op basis van reële verkeerstellingen of een representatief aantal verzadigde wegvakken van het betrokken netwerk, en de evolutie daarvan sinds het vorige verslag.

3.  Voor de beoordeling van de kwaliteit van de wegvakken waarop tolgelden of gebruiksrechten worden geheven, maken de lidstaten gebruik van kernprestatie-indicatoren. Die indicatoren hebben ten minste betrekking op:

   a) de kwaliteit van het wegdek;
   b) de verkeersveiligheid;
   c) de congestie.

3 bis.  De lidstaten maken de resultaten die zijn behaald dankzij de herinvestering van infrastructuurheffingen en externekostenheffingen openbaar, samen met de voordelen die dit heeft opgeleverd in termen van grotere verkeersveiligheid, verminderde milieueffecten en verminderde verkeerscongestie. [Am. 118]

4.  Binnen drie jaar na [de inwerkingtreding van de herziene richtlijn] stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast volgens de raadplegingsprocedure als bedoeld in artikel 9 quater, lid 2, om een reeks geharmoniseerde indicatoren te definiëren.

5.  Binnen zes jaar [na de inwerkingtreding van de herziene richtlijn] publiceert de Commissie een verslag over de toepassing van de in lid 4 bedoelde indicatoren door de lidstaten.

5 bis.  Binnen de vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn dient de Commissie een verslag in over de ontwikkeling van het marktaandeel van emissieloze voertuigen en herziet zij indien nodig dienovereenkomstig het kortingstarief voor deze voertuigen. [Am. 119]

"

19)  De bijlagen worden als volgt gewijzigd:

a)  De bijlagen 0, III bis, III ter en IV worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

b)  De bijlagen V, VI en VII worden toegevoegd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op … aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

1)  De bijlagen 0, III, III bis, III ter en IV worden als volgt gewijzigd:

a)  In bijlage 0 wordt afdeling 3 als volgt gewijzigd:

i)  de titel wordt vervangen door:

"3. "EURO III-/EURO IV-/EURO V-voertuig""

ii)  in de tabel wordt de regel betreffende „EEV-voertuigen” geschrapt;

iii)  het volgende wordt toegevoegd:

"Euro VI-emissiegrenswaarden

 

Grenswaarden

 

CO

(mg/kWh)

THC

(mg/kWh)

NMHC

(mg/kWh)

CH4

(mg/kWh)

NOX (1)

(mg/kWh)

NH3

(ppm)

Deeltjesmassa

(mg/kWh)

Deeltjesaantal

(#/kWh)

WHSC (CI)

1500

130

 

 

400

10

10

8,0 x 1011

WHTC (CI)

4000

160

 

 

460

10

10

6,0 x 1011

WHTC (PI)

4000

 

160

500

460

10

10

6,0 x 1011

Opmerking:

PI = elektrische ontsteking

CI = compressieontsteking

1)   Het toelaatbare niveau van de NO2-component in de NOx-grenswaarde kan in een later stadium worden bepaald.";

b)  Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

i)  Deel 2 wordt als volgt gewijzigd:

–  in punt 2.1 wordt het zesde streepje vervangen door:

“– De kostentoerekening aan zware bedrijfsvoertuigen elke voertuigcategorie geschiedt op een objectieve en transparante basis, waarbij rekening wordt gehouden met het aandeel van zware bedrijfsvoertuigen de verschillende voertuigcategorieën in het verkeer dat van het wegennet gebruik maakt en de daaraan verbonden kosten. De voertuigkilometers van de zware bedrijfsvoertuigen kunnen hiertoe worden gecorrigeerd aan de hand van objectief verantwoorde "equivalentiecoëfficiënten" zoals die welke zijn opgenomen in punt 4 (*). [Am. 120]

___________

* Bij de toepassing van equivalentiecoëfficiënten door de lidstaten kan rekening worden gehouden met wegenaanleg in fasen of volgens een langelevenscyclusbenadering.”;

–  in punt 2.2 wordt het tweede streepje vervangen door:

“– De kosten worden op basis van werkelijke en voorspelde aandelen voertuigkilometers verdeeld over de zware bedrijfsvoertuigen en het overige verkeer lichte voertuigen, en kunnen worden gecorrigeerd aan de hand van objectief verantwoorde equivalentiecoëfficiënten zoals die welke zijn vermeld in punt 4.”; [Am. 121]

ii)  in deel 4 worden de titel en het eerste streepje vervangen door:

“4. AANDEEL VAN ZWARE BEDRIJFSVOERTUIGEN IN HET VERKEER, EQUIVALENTIECOËFFICIËNTEN EN CORRECTIEMECHANISME

–  De berekening van het tolgeld is gebaseerd op het feitelijke of voorspelde aandeel van zware bedrijfsvoertuigen in de voertuigkilometers, die mogen worden gecorrigeerd aan de hand van equivalentiecoëfficiënten om rekening te houden met de hogere kosten voor aanleg en reparatie van infrastructuur voor gebruik door zware bedrijfsvoertuigen.”;

c)  Bijlage III bis wordt vervangen door:

“BIJLAGE III bis

MINIMUMEISEN VOOR DE TOEPASSING VAN EEN EXTERNEKOSTENHEFFING

In deze bijlage worden de minimumeisen voor de toepassing van een externekostenheffing en, desgevallend, voor de berekening van de maximale externekostenheffing vastgesteld.

1.  Betrokken gedeelten van het wegennet

De lidstaten specificeren nauwkeurig op welk deel of welke delen van hun wegennet een externekostenheffing wordt toegepast.

Wanneer een lidstaat voornemens is een externekostenheffing slechts toe te passen op een deel of delen van zijn wegennet, namelijk zijn aandeel in het trans-Europees netwerk en zijn snelwegen, wordt dit deel of worden deze delen gekozen nadat een beoordeling is gemaakt waarbij is vastgesteld dat:

–  het gebruik van de wegen waarop een externekostenheffing wordt toegepast door voertuigen grotere milieuschade met zich meebrengt dan de gemiddelde milieuschade als beoordeeld op basis van de rapportagevoorschriften inzake luchtkwaliteit, de nationale emissie-inventarissen, de verkeersvolumes en, voor geluid, Richtlijn 2002/49/EG, of

–  het opleggen van een externekostenheffing op andere delen van het aldus samengestelde netwerk negatieve effecten kan hebben op het milieu of de verkeersveiligheid, of dat de toepassing en inning van een externekostenheffing op die gedeelten van het net buitensporige kosten met zich meebrengt. [Am. 122]

2.  Relevante voertuigen, wegen en tijdsperioden

Wanneer een lidstaat voornemens is hogere externekostenheffingen toe te passen dan de in bijlage III ter gespecificeerde referentiewaarden, stelt hij de Commissie in kennis van de voertuigclassificatie op basis waarvan de externekostenheffingen zal worden gevarieerd. De lidstaat stelt de Commissie tevens in kennis van de ligging van de wegen waarop hogere externekostenheffingen worden toegepast (hierna: „voorstadswegen, (inclusief autosnelwegen)”) en van de wegen waarop lagere externekostenheffingen worden toegepast (hierna: „interlokale wegen (inclusief autosnelwegen)”).

Indien van toepassing, stelt hij de Commissie in kennis van de exacte tijdsperioden die overeenstemmen met de nachtperiode, tijdens welke een hogere heffing van externe geluidshinderkosten mag worden opgelegd om de grotere geluidshinder te compenseren.

De indeling van de wegen in voorstadswegen (inclusief autosnelwegen) en interlokale wegen (inclusief autosnelwegen), en de vaststelling van de tijdsperiodes is gebaseerd op objectieve criteria in verband met het niveau van blootstelling van de wegen en hun omgeving aan verontreiniging, zoals de bevolkingsdichtheid, de jaarlijkse gemiddelde luchtverontreiniging (met name van PM10 en NO2) en het aantal dagen (voor PM10) en uren (NO2) waarop de bij Richtlijn 2008/50/EG vastgestelde grenswaarden worden overschreden. De gebruikte criteria worden gespecificeerd in de kennisgeving. [Am. 123]

3.  Hoogte van de heffing

Dit deel is van toepassing wanneer een lidstaat plannen heeft voor de invoering van hogere externekostenheffingen dan de in bijlage III ter gespecificeerde referentiewaarden.

Voor elke voertuigklasse, elk soort weg en elke tijdsperiode stelt de lidstaat, of in voorkomend geval een onafhankelijke instantie, één specifiek tarief vast. De daaruit voortvloeiende heffingsstructuur is transparant, wordt openbaar gemaakt en is onder gelijke voorwaarden voor alle gebruikers beschikbaar. De openbaarmaking moet geruime tijd vóór de toepassing geschieden. Alle parameters, gegevens en andere informatie die nodig zijn om te begrijpen hoe de verschillende externekostenelementen zijn berekend, worden openbaar gemaakt.

Bij de bepaling van de tarieven moet de lidstaat of in voorkomend geval een onafhankelijke instantie zich laten leiden door het beginsel van doelmatige tarifering, zijnde de vaststelling van tarieven die een zo correct mogelijke weergave zijn van de maatschappelijke marginale kosten van het gebruik van het voertuig waarop de heffing wordt toegepast.

Bij de bepaling van de tarieven moet rekening worden gehouden met het risico op sluipverkeer en de negatieve effecten die dat kan hebben voor de verkeersveiligheid, het milieu en de congestie, en moet worden bekeken hoe die risico’s kunnen worden beperkt.

De lidstaat of, in voorkomend geval, een onafhankelijke instantie monitort hoe doeltreffend de heffingsregeling is in het verminderen van de milieuschade ten gevolge van het wegvervoer. Om de twee jaar worden, indien nodig, de tariefstructuur en het specifieke bedrag van de heffing dat is vastgesteld voor een bepaalde voertuigklasse, een wegtype en een periode aangepast aan de veranderingen in vraag en aanbod van het vervoer.

4.  Externekostenelementen

4.1.  Kosten van door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging

Wanneer een lidstaat voornemens is hogere externekostenheffingen toe te passen dan de in bijlage III ter gespecificeerde referentiewaarden, berekent die lidstaat of, in voorkomend geval, een onafhankelijke instantie de in rekening te brengen kosten van de door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging aan de hand van de volgende formule:

20181025-P8_TA(2018)0423_NL-p0000002.png

waarbij

PCVij

=

de luchtverontreinigingskosten van voertuigklasse i op een weg van type j (EUR/voertuig.kilometer),

EFik

=

de emissiefactor van verontreinigende stof k en voertuigklasse i (gram/voertuig.kilometer), en

PCjk

=

in geldwaarde uitgedrukte kosten van verontreinigende stof k voor het wegentype j (EUR/gram).

De emissiefactoren zijn dezelfde als die welke door de lidstaten worden gebruikt om de nationale emissie-inventarissen vast te stellen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen* (waarbij gebruik moet worden gemaakt van het EMEP/EEA-richtsnoer voor de inventarisatie van emissies van luchtverontreinigende stoffen**). De in geldwaarde uitgedrukte kosten van verontreinigende stoffen worden door de lidstaat of, in voorkomend geval, een onafhankelijke instantie als bedoeld in artikel 7 quater, lid 4, geraamd op basis van wetenschappelijk onderbouwde methoden.

De lidstaat of, in voorkomend geval, een onafhankelijke instantie kan wetenschappelijk onderbouwde alternatieve methoden voor de berekening van de kosten van luchtverontreiniging toepassen met gebruikmaking van gegevens van luchtverontreinigingsmetingen en in geldwaarde uitgedrukte plaatselijke kosten van de luchtverontreinigende stoffen.

4.2.  Kosten van door het verkeer veroorzaakte geluidshinder

Wanneer een lidstaat voornemens is om hogere externekostenheffingen toe te passen dan de in bijlage III ter gespecificeerde referentiewaarden, berekent de lidstaat of, in voorkomend geval, een onafhankelijke instantie de in rekening te brengen kosten van de door het verkeer veroorzaakte geluidshinder aan de hand van de volgende formules:

20181025-P8_TA(2018)0423_NL-p0000003.png

waarbij

NCVj =

 

geluidshinderkosten van één zwaar vrachtvoertuig op een weg van het type j (EUR/voertuig.kilometer),

NCjk =

 

geluidshinderkosten per persoon blootgesteld aan geluidsniveau k op weg van het type j (EUR/persoon),

POPk =

 

de bevolking die is blootgesteld aan dagelijks geluidsniveau k per kilometer (persoon/kilometer),

WADT =

 

gewogen gemiddeld dagelijks verkeer (personenwagenequivalent)

a en b

 

wegingsfactoren die zodanig door de lidstaten zijn vastgesteld dat de resulterende gewogen gemiddelde geluidshinderheffing per voertuigkilometer overeenkomt met NCVj (daily).

De door het verkeer veroorzaakte geluidshinder betreft de impact van geluid op de gezondheid van de bevolking langs de weg.

De aan geluidsniveau k blootgestelde bevolking wordt afgeleid uit de strategische geluidsbelastingskaarten die zijn opgesteld overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad ***.

De geluidshinderkosten per aan geluidsniveau k blootgestelde persoon worden door de lidstaat of, in voorkomend geval, een onafhankelijke instantie geraamd aan de hand van wetenschappelijk onderbouwde methoden.

Bij de bepaling van het gewogen gemiddelde dagelijks verkeer wordt uitgegaan van een equivalentiefactor „e” tussen zware vrachtvoertuigen en personenwagens op basis van de geluidsemissies van de gemiddelde vrachtwagen en in het licht van Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG.

De lidstaat of, in voorkomend geval, een onafhankelijke instantie kan gedifferentieerde geluidshinderheffingen toepassen om het gebruik van stillere voertuigen te belonen mits dit niet tot een ongelijke behandeling van buitenlandse voertuigen leidt.

_____________

* Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1).

** Methodologie van het Europees Milieuagentschap, http://www.eea.europa.eu//publications/emep-eea-guidebook-2016.

*** Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12).";

d)  Bijlage III ter wordt vervangen door:

“BIJLAGE III ter

REFERENTIEWAARDEN MINIMUMWAARDEN VOOR EXTERNEKOSTENHEFFINGEN

In deze bijlage worden de referentiewaarden minimumwaarden van de externekostenheffing vastgesteld, m.i.v. de kosten van luchtverontreiniging en geluidshinder. [Am. 126]

Tabel 1: Referentiewaarden Minimumwaarden van de externekostenheffing voor zware vrachtvoertuigen [Am. 127]

Voertuigklasse

Cent/voertuigkilometer

Weg in stedelijk gebied(1)

Weg in buitengebied(2)

Vrachtwagens met een maximaal toegestaan totaalgewicht van

minder dan 14 ton

of met twee assen

EURO 0

13,3

8,3

EURO I

9,1

5,4

EURO II

8,8

5,4

EURO III

7,7

4,3

EURO IV

5,9

3,1

EURO V

5,7

1,9

EURO VI

3,2

0,6

Minder vervuilend dan EURO VI

2,5

0,3

Vrachtwagens met een maximaal toegestaan totaalgewicht

tussen 14 en 28 ton

of met drie assen

EURO 0

23,3

15,1

EURO I

16,4

10,1

EURO II

15,7

10,0

EURO III

13,5

8,2

EURO IV

9,5

5,7

EURO V

8,9

3,7

EURO VI

3,6

0,8

Minder vervuilend dan EURO VI

2,5

0,3

Vrachtwagens met een maximaal toegestaan totaalgewicht

tussen 28 en 40 ton

of met vier assen

EURO 0

30,4

19,7

EURO I

22,6

13,9

EURO II

21,3

13,9

EURO III

17,8

11,2

EURO IV

12,2

7,7

EURO V

9,2

4,0

EURO VI

3,5

0,8

Minder vervuilend dan EURO VI

2,5

0,3

Vrachtwagens met een maximaal toegestaan totaalgewicht

van meer dan 40 ton

of met 5 assen of meer

EURO 0

43,0

28,6

EURO I

31,5

19,8

EURO II

29,2

19,4

EURO III

24,0

15,6

EURO IV

16,2

10,6

EURO V

9,8

4,7

EURO VI

3,6

1,0

Minder vervuilend dan EURO VI

2,5

0,3

(1)   „stedelijk gebied”: gebied met een bevolkingsdichtheid tussen 150 en 900 inwoners/km² (gemiddelde bevolkingsdichtheid van 300 inwoners/km²).

2)   „buitengebied”: gebied met een bevolkingsdichtheid van minder dan 150 inwoners/km².

Tabel 2: Referentiewaarden Minimumwaarden van de externekostenheffing voor touringcars [Am. 128]

Voertuigklasse

Cent/voertuigkilometer

Weg in stedelijk gebied(1)

Weg in buitengebied(2)

Touringcars met een maximaal toegestaan totaalgewicht van 18 ton

of met twee assen

EURO 0

20,3

13,1

EURO I

16,0

10,4

EURO II

15,6

9,9

EURO III

13,9

8,5

EURO IV

10,0

5,7

EURO V

9,0

5,0

EURO VI

2,8

0,8

Minder vervuilend dan EURO VI

1,4

0,2

Touringcars met een maximaal toegestaan totaalgewicht van meer dan 18 ton

of met drie assen of meer:

EURO 0

24,9

16,2

EURO I

19,2

12,3

EURO II

18,5

12,0

EURO III

15,7

9,8

EURO IV

10,6

6,6

EURO V

10,2

5,2

EURO VI

2,8

0,8

Minder vervuilend dan EURO VI

1,4

0,2

(1)   „stedelijk gebied”: gebied met een bevolkingsdichtheid tussen 150 en 900 inwoners/km² (gemiddelde bevolkingsdichtheid van 300 inwoners/km²).

(2)   „buitengebied”: gebied met een bevolkingsdichtheid van minder dan 150 inwoners/km².

De waarden van de tabellen 1 en 2 mogen met een factor referentiefactor van maximaal 2 4 worden vermenigvuldigd in bergachtige gebieden en rond agglomeraties, voor zover dat gerechtvaardigd is door de lagere bevolkingsspreiding, het hellingspercentage van de wegen, de hoogte en/of temperatuurinversies. Indien er wetenschappelijk bewijs is ter ondersteuning van een hogere berg- of agglomeratiefactor, kan deze referentiewaarde worden verhoogd op basis van een gedetailleerde motivering.”; [Am. 129]

Tabel 3: Minimumwaarden van de externekostenheffing voor personenwagens (cent/voertuigkilometer)

Voertuig

Motor

EURO-klasse

Weg in stedelijk gebied

Weg in buitengebied

Autodiesel

<1,4l

EURO II

1,9

0,9

 

 

EURO III

1,6

0,9

 

 

EURO IV

1,3

0,7

 

 

EURO V

0,9

0,5

 

 

EURO VI

0,6

0,3

 

1,4-2,0l

EURO 0

3,6

1,0

 

 

EURO I

1,9

0,9

 

 

EURO II

1,8

0,8

 

 

EURO III

1,7

0,9

 

 

EURO IV

1,4

0,7

 

 

EURO V

0,9

0,5

 

 

EURO VI

0,6

0,3

 

>2,0l

EURO 0

3,9

1,3

 

 

EURO I

1,9

0,9

 

 

EURO II

1,8

0,9

 

 

EURO III

1,7

0,9

 

 

EURO IV

1,4

0,7

 

 

EURO V

0,9

0,5

 

 

EURO VI

0,6

0,3

Autobenzine

<1,4l

EURO 0

3,7

2,4

 

 

EURO I

1,0

0,4

 

 

EURO II

0,7

0,3

 

 

EURO III

0,5

0,2

 

 

EURO IV

0,5

0,2

 

 

EURO V

0,5

0,2

 

 

EURO VI

0,5

0,2

 

1,4-2,0l

EURO 0

3,9

3,0

 

 

EURO I

1,1

0,4

 

 

EURO II

0,7

0,3

 

 

EURO III

0,5

0,2

 

 

EURO IV

0,5

0,2

 

 

EURO V

0,4

0,2

 

 

EURO VI

0,4

0,2

 

>2,0l

EURO 0

4,0

3,0

 

 

EURO I

1,0

0,4

 

 

EURO II

0,5

0,3

 

 

EURO III

0,5

0,2

 

 

EURO IV

0,5

0,2

 

 

EURO V

0,4

0,2

 

 

EURO VI

0,4

0,2

[Am. 124]

Tabel 4: Minimumwaarden van de externekostenheffing voor lichte bedrijfsvoertuigen (cent/voertuigkilometer):

Voertuig

EURO-klasse

Weg in stedelijk gebied

Weg in buitengebied

Benzine voor lichte bedrijfsvoertuigen

EURO I

2,4

0,7

 

EURO II

1,9

0,4

 

EURO III

1,8

0,4

 

EURO IV

1,7

0,3

 

EURO V

1,6

0,3

 

EURO VI

1,6

0,3

Diesel voor lichte bedrijfsvoertuigen

EURO I

4,0

1,7

 

EURO II

4,1

1,7

 

EURO III

3,5

1,3

 

EURO IV

3,0

1,1

 

EURO V

2,2

0,8

 

EURO VI

1,9

0,5

[Am. 125]

e)  in bijlage IV wordt de tabel met het kopje „Voertuigcombinaties (gelede voertuigen en samenstellen)” vervangen door:

“Voertuigcombinaties (gelede voertuigen en samenstellen)

Aangedreven assen voorzien van luchtvering of van een als gelijkwaardig erkende vering

Andere veringssystemen van aangedreven assen

Schadeklasse

Aantal assen en maximaal toegestaan totaalgewicht (in t)

Aantal assen en maximaal toegestaan totaalgewicht (in t)

 

Gelijk aan of meer dan

Minder dan

Gelijk aan of meer dan

Minder dan

 

2 + 1 assen

 

7,5

12

14

16

18

20

22

23

25

12

14

16

18

20

22

23

25

28

7,5

12

14

16

18

20

22

23

25

12

14

16

18

20

22

23

25

28

I

2 + 2 assen

 

23

25

26

28

25

26

28

29

23

25

26

28

25

26

28

29

 

29

31

29

31

II

31

33

31

33

 

33

36

36

38

33

36

III

2 + 3 assen

II

36

38

38

40

36

38

 

 

 

38

40

III

3 + 2 assen

II

36

38

38

40

36

38

 

 

 

38

40

40

44

III

40

44

 

 

 

3 + 3 assen

 

36

38

38

40

36

38

I

 

 

38

40

II

40

44

40

44

 

7 assen

40

50

40

50

II

50

60

50

60

III

60

 

60

 

8 of 9 assen

40

50

40

50

I

50

60

50

60

II

60

60

III";

e bis)  aan bijlage IV wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Voor alle door alternatieve brandstoffen aangedreven motorvoertuigen wordt het maximaal toegestane gewicht met het voor de alternatieve brandstoftechnologie vereiste extra gewicht verhoogd met ten hoogste 1 ton.”; [Am. 130]

2)  De volgende bijlagen V, VI en VII worden toegevoegd:

"BIJLAGE V

MINIMUMEISEN VOOR DE TOEPASSING VAN CONGESTIEHEFFINGEN

In deze bijlage worden de minimumeisen voor de toepassing van een congestieheffing vastgesteld.

1.  De delen van het netwerk, de voertuigen en de periodes waarop congestieheffingen worden toegepast

De lidstaten specificeren duidelijk:

a)  op welk deel of welke delen van hun netwerk, bestaande uit hun aandeel in het trans-Europese wegennet en hun snelwegen, als bedoeld in artikel 7, lid 1, congestieheffingen worden ingevoerd overeenkomstig artikel 7 quinquies bis, leden 1 en 3.

b)  de indeling van de wegvakken van hun netwerk waar congestie optreedt in „grootstedelijke” en „niet-grootstedelijke” wegen. Voor de indeling van alle wegvakken hanteren de lidstaten de in tabel 1 genoemde criteria.

Tabel 1 Criteria voor de indeling van de wegen van het netwerk als bedoeld in punt a) in „grootstedelijke” en „niet-grootstedelijke” wegen.

Wegencategorie

Indelingscriterium

„Grootstedelijke wegen”:

delen van het netwerk die binnen agglomeraties met 250 000 inwoners of meer zijn gelegen.

„Niet-grootstedelijke wegen”:

Delen van het netwerk die niet als „grootstedelijke wegen” zijn gekwalificeerd.

c)  voor elk individueel wegvak, de periode waarin de heffing van toepassing is. Wanneer tijdens de heffingsperiode verschillende heffingen van toepassing zijn, specificeren de lidstaten duidelijk het begin en het einde van elke periode waarin een specifieke heffing wordt toegepast.

De lidstaten gebruiken de in tabel 2 genoemde equivalentiefactoren voor het bepalen van de verhouding tussen de heffingsniveaus voor verschillende voertuigcategorieën:

Tabel 2: Equivalentiecoëfficiënten voor de verhouding tussen de niveaus van de congestieheffing voor de verschillende voertuigcategorieën

Voertuigcategorie

Equivalentiefactor

Lichte voertuigen

1

Niet-gelede vrachtwagens

1,9

Bussen en touringcars

2,5 1,5

Vrachtwagens met oplegger en/of aanhangwagen

2,9

[Am. 131]

2.  Bedrag van de heffing

Voor elke voertuigcategorie, elk wegvak en elke periode, bepaalt de lidstaat, of in voorkomend geval een onafhankelijke instantie, één specifiek tarief overeenkomstig het bepaalde in deel 1 van deze bijlage en rekening houdend met de overeenkomstige in de tabel in bijlage VI vastgestelde maxima. De daaruit voortvloeiende heffingsstructuur is transparant, wordt openbaar gemaakt en is onder gelijke voorwaarden voor alle gebruikers beschikbaar.

De lidstaat publiceert alle hierna genoemde informatie voldoende lang vóór de congestieheffing wordt ingevoerd:

a)  alle parameters, gegevens en andere informatie die nodig zijn om te begrijpen hoe wegen en voertuigen zijn ingedeeld en hoe de periodes waarin de heffing van toepassing is, zijn bepaald;

b)  een volledig overzicht van de congestieheffingen voor iedere voertuigcategorie op elk wegvak en in elke periode.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle informatie die zij op grond van de punten a) en b) moeten publiceren.

Vooraleer de tarieven worden bepaald moet rekening worden gehouden met het risico op sluipverkeer en de negatieve effecten die dat kan hebben voor de verkeersveiligheid, het milieu en de congestie, en moet worden bekeken hoe die risico’s kunnen worden beperkt.

De lidstaat of, in voorkomend geval, een onafhankelijke instantie monitort hoe doeltreffend de heffingsregeling is in het verminderen van de congestie. Elk jaar worden, indien nodig, de tariefstructuur, de periodes en het specifieke bedrag van de heffing dat is vastgesteld voor elke voertuigcategorie, elk type weg en elke periode aangepast aan de veranderingen in vraag en aanbod van het vervoer.

BIJLAGE VI

MAXIMALE CONGESTIEHEFFING

In deze bijlage wordt het maximumniveau van de congestieheffing bepaald.

De in de onderstaande tabel vermelde maximumniveaus gelden voor lichte voertuigen. De wijzigingen voor andere voertuigcategorieën worden bepaald door vermenigvuldiging van de heffing voor lichte voertuigen met de equivalentiefactoren in de tabel in bijlage V.

Tabel: Maximumniveau van de congestieheffing voor lichte voertuigen

Cent/voertuigkilometer

Grootstedelijke wegen

Niet-grootstedelijke wegen

Autosnelwegen

67

34

Hoofdwegen

198

66

BIJLAGE VII

VARIATIE VAN DE TOLGELDEN EN GEBRUIKSRECHTEN VOOR LICHTE VOERTUIGEN

In deze bijlage worden de emissiecategorieën gespecificeerd op basis waarvan tolgelden en gebruiksrechten worden gevarieerd.

De emissies van verontreinigende stoffen worden gemeten overeenkomstig Verordening (EU) nr..../... *.

De laagste tarieven gelden voor alle personenwagens en lichte bedrijfsvoertuigen waarvan de specifieke CO2-emissies, gemeten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad **, lager liggen dan de niveaus die overeenkomen met de toepasselijke doelstellingen voor het EU-wagenpark als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad *** en Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad ****.

Tabel: emissiecategorieën voor lichte voertuigen

Conformiteitsfactor

1,5-2,1

1-1,5

Lager dan 1

Emissieloze voertuigen

Heffing per km

10 % minder dan het hoogste percentage

20 % minder dan het hoogste percentage

30 % minder dan het hoogste percentage

75 % minder dan het hoogste percentage

__________________

* Verordening (EU) .../... van de Commissie van XXX tot wijziging van Verordening (EU) 2017/xxx van de Commissie en Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen onder reële rijomstandigheden (Euro 6) [RDE 3] (PB L ... van ... 2017, blz ....).

** Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1).

*** Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1).

**** Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1).”.

(1) PB C 81 van 2.3.2018, blz. 188.
(2) PB C 176 van 23.5.2018, blz. 66.
(3)PB C 81 van 2.3.2018, blz. 188.
(4)PB C 176 van 23.5.2018, blz. 66.
(5) Standpunt van het Europees Parlement van 25 oktober 2018.
(6)Witboek van 28 maart 2011 "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144).
(7)COM(2016)0501.
(8)Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PB L 187 van 20.7.1999, blz. 42).
(9) Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51).
(10) Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 72).
(11) Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 1).
(12)Richtlijn 2004/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de interoperabiliteit van elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer in de Gemeenschap (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 124).
(13)Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1).
(14)Verordening (EU) 2016/427 van de Commissie van 10 maart 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (PB L 82 van 31.3.2016, blz. 1).
(15)Verordening (EU) 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (PB L 109 van 26.4.2016, blz. 1).
(16)...
(17) Richtlijn 2008/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur (PB L 319 van 29.11.2008, blz. 59).
(18)PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(19)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).


Bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen ***I
PDF 256kWORD 87k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 25 oktober 2018 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/33/EG inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (COM(2017)0653 – C8-0393/2017 – 2017/0291(COD))(1)
P8_TA(2018)0424A8-0321/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  In de Europese strategie voor emissiearme mobiliteit21 heeft de Commissie aangekondigd dat de decarbonisatie van de vervoerssector moet worden versneld en dat we tegen het midden van deze eeuw stevig op weg moeten zijn naar een nuluitstoot van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen ten gevolge van vervoer als we de verbintenissen willen naleven die de Unie is aangegaan tijdens de 21ste Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), die in 2015 in Parijs plaatsvond. Bovendien moeten de emissies van luchtverontreinigende stoffen van het vervoer die schadelijk zijn voor de gezondheid zonder aarzelen aanzienlijk worden teruggedrongen. Dit kan worden bereikt door een reeks beleidsinitiatieven, waaronder het gebruik van overheidsopdrachten voor schone voertuigen.
(2)  In de Europese strategie voor emissiearme mobiliteit21 heeft de Commissie aangekondigd dat de decarbonisatie van de vervoerssector moet worden versneld en dat we tegen het midden van deze eeuw stevig op weg moeten zijn naar een nuluitstoot van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen ten gevolge van vervoer als we de verbintenissen willen naleven die de Unie is aangegaan tijdens de 21ste Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), die in 2015 in Parijs plaatsvond. Bovendien moeten de emissies van luchtverontreinigende stoffen van het vervoer die schadelijk zijn voor de gezondheid en het milieu zonder aarzelen aanzienlijk worden teruggedrongen. Dit kan worden bereikt door een reeks beleidsinitiatieven, waaronder maatregelen ter ondersteuning van een modal shift naar openbaar vervoer en het gebruik van overheidsopdrachten voor schone voertuigen.
_________________
_________________
21 COM(2016)0501.
21 COM(2016)0501.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Zoals aangekondigd in de Mededeling van de Commissie "Europa in beweging – Agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen"23 maakt dit voorstel deel uit van een tweede pakket aan voorstellen dat de Unie zal helpen om emissiearme mobiliteit tot stand te brengen. Dit pakket, dat is gepresenteerd in de mededeling van de Commissie "Invulling geven aan emissiearme mobiliteit – Een Europese Unie die de planeet beschermt, haar consumenten sterker maakt en haar industrie en werknemers verdedigt", bevat een combinatie van aanbod- en vraaggerichte maatregelen om de EU op weg te zetten naar emissiearme mobiliteit en tegelijk de concurrentiekracht van het mobiliteits-ecosysteem in de EU te versterken.
(4)  Zoals aangekondigd in de Mededeling van de Commissie "Europa in beweging – Agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen"23 maakt dit voorstel deel uit van een tweede pakket aan voorstellen dat de Unie zal helpen om emissiearme mobiliteit tot stand te brengen. Dit pakket, dat is gepresenteerd in de mededeling van de Commissie "Invulling geven aan emissiearme mobiliteit – Een Europese Unie die de planeet beschermt, haar consumenten sterker maakt en haar industrie en werknemers verdedigt", bevat een combinatie van aanbod- en vraaggerichte maatregelen om de EU op weg te zetten naar emissiearme mobiliteit en tegelijk de concurrentiekracht van het mobiliteits-ecosysteem in de EU te versterken. De bevordering van duurzame voertuigen dient gelijke tred te houden met de verdere ontwikkeling van het openbaar vervoer, aangezien dat de snelste en meest kostenefficiënte manier is om het aantal voertuigen op de weg te verminderen en daarmee de luchtkwaliteit te verbeteren en de emissies terug te dringen.
_________________
_________________
23 COM(2017)0283.
23 COM0(2017)0283.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Nieuwe innoverende technologieën helpen de emissies van voertuigen terug te dringen, hetgeen bijdraagt tot de decarbonisering van de vervoerssector. De emissies van CO2 en bepaalde verontreinigende stoffen (stofdeeltjes, stikstofoxiden en niet-metaalhoudende koolwaterstoffen) zullen waarschijnlijk afnemen naarmate emissiearme en emissievrije voertuigen meer ingang vinden op de markt, en het concurrentievermogen en de groei van de Europese voertuigsector op de groeiende mondiale markt voor emissiearme en emissievrije voertuigen zal verbeteren.
(5)  Nieuwe innoverende technologieën helpen de emissies van voertuigen terug te dringen en de geluidshinder te verminderen en dragen tegelijk bij tot de decarbonisering van de vervoerssector. De emissies van CO2 en bepaalde verontreinigende stoffen (stofdeeltjes, stikstofoxiden en niet-methaanhoudende koolwaterstoffen) zullen afnemen naarmate emissiearme en emissievrije voertuigen meer ingang vinden op de markt, wat ten goede zal komen aan de luchtkwaliteit in steden en andere verontreinigde gebieden, en tevens zal bijdragen aan het concurrentievermogen en de groei van de Europese voertuigsector op de groeiende mondiale markt voor emissiearme en emissievrije voertuigen en zal zorgen voor de ontwikkeling van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen. Bovendien moet het beginsel van technologische neutraliteit het absolute basisbeginsel zijn van alle inspanningen, teneinde een klimaat van concurrentie te garanderen en te stimuleren en aan te sporen tot bijkomend onderzoek en verdere innovaties op dit gebied. Om de luchtvervuiling en geluidshinder terug te dringen en te voldoen aan de luchtkwaliteitsnormen van de Unie in stedelijke en plattelandsgebieden zijn concrete en ambitieuze maatregelen en beleidskeuzes nodig, waaronder het gebruik van overheidsopdrachten voor schone voertuigen.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Ramingen betreffende het moment waarop er prijspariteit zal ontstaan tussen voertuigen met een verbrandingsmotor (ICEV's) en elektrische voertuigen met batterij (BEV's) liggen tussen 2020 en 2028. Bovendien hebben verschillende producenten van originele onderdelen (OEM's) voorbeelden gegeven van prijspariteit voor een aantal nieuwe modellen in 2020. Gezien de lagere operationele kosten van BEV's zal het moment van pariteit van de totale kosten van eigendom (TCO) eerder vallen dan het jaar van de aankoopprijspariteit, normaal gezien twee tot zes jaar eerder.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)   Volgens marktprognoses zullen schone voertuigen, zoals volledig elektrische auto's, vanaf 2020 aanzienlijk in prijs dalen en zeer concurrerend en zelfs goedkoper in het gebruik worden dan conventionele voertuigen, vooral wanneer de totale kosten van eigendom in aanmerking worden genomen, vanwege de lagere kosten van batterijen, maar ook door andere kostenbesparingen die zich zullen voordoen als gevolg van de lagere brandstofkosten en lagere onderhoudskosten die met het gebruik van een elektrisch voertuig gepaard gaan.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 quater (nieuw)
(5 quater)   Hoewel de Unie een van de toonaangevende regio's is wat betreft onderzoek en hoogwaardige eco-innovatie, herbergt de regio Azië-Stille Oceaan de grootste fabrikanten van bussen en batterijen. Evenzo zijn de markten in China en de Verenigde Staten – die samen goed zijn voor ongeveer 60 % van de mondiale markt, ten opzichte van een aandeel van 28 % voor de Unie – de drijvende kracht achter de ontwikkelingen op de mondiale markt voor elektrische voertuigen met batterij. Daarom is er een ambitieus beleidskader van de Unie nodig om innovatie te stimuleren en het concurrentievermogen en de groei van de Europese industrie op de groeiende mondiale markt voor schone voertuigen en de bijbehorende technologische infrastructuur verder te bevorderen.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 quinquies (nieuw)
(5 quinquies)   De Unie moet meer stimulansen bieden ter bevordering van de technologische ontwikkeling van duurzame en recycleerbare batterijen, waarvan de productie moet worden afgestemd op de ambitie een zo klein mogelijke milieuvoetafdruk achter te laten.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 sexies (nieuw)
(5 sexies)   De milieueffecten van de productie van batterijen binnen de Unie en daarbuiten moeten zoveel mogelijk worden beperkt teneinde te voldoen aan de doelstellingen op het gebied van duurzaamheid, met name wat betreft de winning van de grondstoffen voor de productie van batterijen. Ook de uitstoot van broeikasgassen tijdens het gehele productieproces moet in aanmerking worden genomen. De Commissie moet, in overeenstemming met de herziening van Richtlijn 2006/66/EG, ambitieuze doelstellingen voor de recycleerbaarheid van batterijen voorstellen.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Via hun aanbestedingsbeleid kunnen overheidsinstanties markten voor innoverende goederen en diensten oprichten en ondersteunen. In Richtlijnen 2014/24/EU24 en 2014/25/EU25 zijn de minimumregels vastgesteld die overheidsinstanties en bepaalde exploitanten van diensten van openbaar nut moeten volgen om op geharmoniseerde wijze overheidsopdrachten te plaatsen voor goederen, werken en diensten. In die regels zijn met name algemene drempels vastgesteld voor het volume van de contracten die onder de wetgeving van de Unie moeten vallen; deze drempels gelden ook voor de richtlijn inzake schone voertuigen.
(6)  Gezien het feit dat overheidsuitgaven voor goederen, werken en diensten ongeveer 14 % van het bbp uitmaken, goed voor zo'n 1,8 biljoen EUR per jaar, kunnen overheidsinstanties via hun aanbestedingsbeleid markten voor innoverende goederen en diensten oprichten en ondersteunen. In Richtlijnen 2014/24/EU24 en 2014/25/EU25 zijn de minimumregels vastgesteld die overheidsinstanties en bepaalde exploitanten van diensten van openbaar nut moeten volgen om op geharmoniseerde wijze overheidsopdrachten te plaatsen voor goederen, werken en diensten in overeenstemming met de milieueisen voor aangekochte goederen (met inbegrip van voertuigen). In die regels zijn met name algemene drempels vastgesteld voor het volume van de contracten die onder de wetgeving van de Unie moeten vallen; deze drempels gelden ook voor de richtlijn inzake schone voertuigen. Om dit doel te bereiken, moet de richtlijn zowel duidelijke en transparante voorschriften als een eenvoudige berekeningsmethode voor de aanbestedingsdoelstellingen bevatten.
_________________
_________________
24 PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
24 PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
25 PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243.
25 PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)   De beschikbaarheid van oplaad- en tankinfrastructuur is een noodzakelijke voorwaarde voor elke vorm van vervoer met voertuigen op alternatieve brandstoffen, en dus ook voor het openbaar vervoer. Daarom moeten in Richtlijn 2014/94/EU de elementen die gericht zijn op de bevordering van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen voor het openbaar vervoer worden versterkt. In afwachting van een herziening van die richtlijn moet de Commissie een actieplan voor openbaarvervoersinfrastructuur opstellen.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)   De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om distributiesysteembeheerders (DSB's) de opdracht te geven een minimale kritische massa van oplaadstations in het publieke domein te bezitten, ontwikkelen, beheren en exploiteren met vrije toegang tot alle elektriciteitsleveranciers, om ervoor te zorgen dat er voldoende oplaadpunten beschikbaar zijn.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 quater (nieuw)
(6 quater)   De lidstaten moeten worden aangemoedigd na te gaan of het mogelijk is in het kader van openbare diensten het gebruik van voertuigen met ultralage emissies te ondersteunen en de kosten van dit gebruik te verminderen, bijvoorbeeld door een vrijstelling of verlaging van energiebelastingen in te voeren voor voertuigen met ultralage emissies.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Uit de effectbeoordeling blijkt duidelijk dat een wijziging van de algemene beleidsaanpak, waarbij op het niveau van de Unie de overheidsopdrachten verschuiven naar schone voertuigen, tal van voordelen biedt. Door minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten vast te stellen, kan de doelstelling om schone voertuigen ingang te doen vinden op de markt beter worden bereikt dan door externe kosten mee te nemen in besluiten voor overheidsopdrachten; verder wordt er ook op gewezen dat het belangrijk is in alle besluiten voor overheidsopdrachten rekening te houden met milieuaspecten. De voordelen voor de Europese burgers op middellange en lange termijn rechtvaardigen deze aanpak, voor zover geen specifieke technologie wordt opgelegd aan aanbestedende diensten, entiteiten en exploitanten.
(8)  Uit de effectbeoordeling blijkt duidelijk dat een wijziging van de algemene beleidsaanpak, waarbij op het niveau van de Unie de overheidsopdrachten verschuiven naar schone en energiezuinige voertuigen, tal van voordelen biedt. Door minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten vast te stellen, kan de doelstelling om schone voertuigen ingang te doen vinden op de markt beter worden bereikt dan door externe kosten mee te nemen in besluiten voor overheidsopdrachten; verder wordt er ook op gewezen dat het belangrijk is in alle besluiten voor overheidsopdrachten rekening te houden met milieuaspecten. De voordelen voor de Europese burgers op middellange en lange termijn rechtvaardigen deze aanpak, voor zover geen specifieke technologie wordt opgelegd aan aanbestedende diensten, entiteiten en exploitanten.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  Door het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden tot leasing, renting en huurkoop van voertuigen, en tot contracten voor openbare vervoersdiensten over de weg, passagiersvervoer over de weg voor speciale doeleinden, niet-geregeld passagiersvervoer en huur van bussen en touringcars met bestuurder, en tot specifieke post- en koerierdiensten en afvalverwijderingsdiensten, wordt gegarandeerd dat alle relevante aanbestedingspraktijken onder de richtlijn vallen.
(9)  Door het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden tot leasing, renting en huurkoop en retrofitting van voertuigen, en tot contracten voor openbare vervoersdiensten over de weg, passagiersvervoer over de weg voor speciale doeleinden, niet-geregeld passagiersvervoer en huur van bussen en touringcars met bestuurder, en tot specifieke post- en koerierdiensten en afvalverwijderingsdiensten, wordt gegarandeerd dat alle relevante aanbestedingspraktijken onder de richtlijn vallen, hoewel bestaande contracten niet met terugwerkende kracht aan deze richtlijn mogen worden onderworpen. Bovendien moet de Commissie de haalbaarheid van groene overheidsopdrachten voor andere vervoerswijzen bestuderen.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  De meeste belanghebbenden zijn voorstander van een definitie van schone voertuigen die rekening houdt met de eisen inzake de vermindering van broeikasgassen en luchtverontreinigende emissies van lichte en zware bedrijfsvoertuigen. Om te garanderen dat er in de Unie passende stimulansen worden gegeven om emissiearme en emissievrije voertuigen ingang te doen vinden op de markt, moeten de in deze wijziging vastgestelde bepalingen inzake overheidsopdrachten voor dergelijke voertuigen in overeenstemming worden gebracht met de bepalingen van de Uniewetgeving inzake CO2-emissies van voertuigen en bestelwagens voor de periode na 202026. Maatregelen die in het kader van de gewijzigde richtlijn worden uitgevoerd, zullen bijdragen tot de naleving van de vereisten van deze normen. Een ambitieuzere benadering van overheidsopdrachten kan een belangrijke aanvullende marktprikkel geven.
(10)  De gewijzigde richtlijn moet bijdragen aan de vermindering van broeikasgassen en luchtverontreinigende emissies van lichte en zware bedrijfsvoertuigen. Om te garanderen dat er in de Unie passende stimulansen worden gegeven om emissievrije en emissiearme voertuigen ingang te doen vinden op de markt, moeten de in deze wijziging vastgestelde bepalingen inzake overheidsopdrachten voor dergelijke voertuigen in overeenstemming worden gebracht met de bepalingen van de Uniewetgeving inzake CO2-emissies van voertuigen en bestelwagens voor de periode na 202026. Maatregelen die in overeenstemming met deze richtlijn worden uitgevoerd, zullen ook bijdragen tot de naleving van de vereisten van deze normen en zullen de uitrol van de bijbehorende oplaadinfrastructuur bevorderen. Een ambitieuzere benadering van overheidsopdrachten zal een belangrijke aanvullende marktprikkel geven.
_________________
_________________
26 COM(2017)0676.
26 COM(2017)0676.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)   Om de luchtkwaliteit in steden en gemeenten te verbeteren, is het van cruciaal belang het wagenpark te vervangen door voertuigen die voldoen aan de normen voor schone voertuigen. Bovendien houden de beginselen van de circulaire economie in dat de levensduur van producten moet worden verlengd. Daarom mogen voertuigen die door retrofitting zijn aangepast om ze in overeenstemming te brengen met de normen voor schone voertuigen worden meegeteld om de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten als vastgesteld in de tabellen 4 en 5 van de bijlage te behalen.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 ter (nieuw)
(10 ter)   Voertuigen die aan de uitlaat nul emissies uitstoten, kunnen toch een aanzienlijke milieuvoetafdruk hebben als gevolg van het productieproces van de onderdelen en de graad van recycleerbaarheid of efficiëntie van de brandstofproductie. Daarom moeten technologieën die inspelen op dit probleem, zoals duurzame en recycleerbare batterijen, meer steun krijgen in verband met het behalen van de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten als vastgesteld in de tabellen 4 en 5 van de bijlage. Onderzoek en ontwikkeling op het gebied van deze technologieën moeten tevens worden bevorderd in andere beleidsmaatregelen van de Unie.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 quater (nieuw)
(10 quater)  De berekening van de CO2-uitstoot moet gebaseerd zijn op de emissies van bron tot wiel om rekening te houden met de gehele keten van de brandstofvoorziening, van winning tot uitlaat. Dit geeft een nauwkeuriger beeld van de totale emissies van een voertuig. Daarom moet de Commissie uiterlijk op 31 december 2022 de methode vastleggen voor het bijhouden van de emissies van bron tot wiel.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)  Lichte en zware bedrijfsvoertuigen worden gebruikt voor verschillende doeleinden en hebben verschillende niveaus van marktmaturiteit; het zou nuttig zijn in overheidsopdrachten rekening te houden met deze verschillen. Uit de effectbeoordeling is gebleken dat een benadering op basis van alternatieve brandstoffen een meerwaarde biedt, in afwachting van de vaststelling van technologisch neutrale eisen voor CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen op het niveau van de Unie, die de Commissie voornemens is in de toekomst vast te stellen. In de effectbeoordeling werd verder erkend dat de markt voor emissiearme en emissievrije stadsbussen volwassener is geworden, terwijl de markt voor emissiearme en emissievrije vrachtwagens zich nog in een pril stadium bevindt.
(11)  Twee- en driewielers en lichte en zware bedrijfsvoertuigen worden gebruikt voor verschillende doeleinden en hebben verschillende niveaus van marktmaturiteit; het zou nuttig zijn in overheidsopdrachten rekening te houden met deze verschillen. Verder moet worden erkend dat op de markt voor emissiearme en emissievrije stadsbussen recent vooruitgang is geboekt, terwijl de markt voor emissiearme en emissievrije vrachtwagens zich nog in een beginstadium bevindt.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)   Het potentieel om emissies enkel via openbare aanbestedingen te verminderen is beperkt en het openbaar vervoer is verantwoordelijk voor slechts een klein aandeel van de emissies die afkomstig zijn van de vervoerssector. De lidstaten moeten daarom worden aangemoedigd om de aankoop van schone voertuigen door andere wagenparkeigenaars zoals taxi-, autoverhuur- en ride-pooling-bedrijven te reguleren.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  De vaststelling van minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten voor schone voertuigen tegen 2025 en 2030 op het niveau van de lidstaten draagt bij tot de beleidszekerheid op markten waar investeringen in emissiearme en emissievrije mobiliteit noodzakelijk zijn. De minimumstreefcijfers ondersteunen de marktcreatie in de hele Unie. Ze zorgen voor de nodige tijd om de processen voor overheidsopdrachten aan te passen en geven een duidelijk marktsignaal. In de effectbeoordeling wordt erop gewezen dat steeds meer lidstaten streefcijfers vaststellen, afhankelijk van hun economische capaciteit en de ernst van het probleem. Er moeten verschillende doelstellingen worden vastgesteld voor verschillende lidstaten, al naargelang hun economische capaciteit (bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking) en de blootstelling aan vervuiling (bevolkingsdichtheid in steden). De minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten moeten worden aangevuld met de verplichting voor aanbestedende diensten, entiteiten en exploitanten om in al hun aanbestedingsprocedures rekening te houden met relevante energie- en milieuaspecten. Uit de territoriale effectbeoordeling van deze gewijzigde richtlijn bleek dat het effect gelijk verspreid zal zijn over de regio's in de Unie.
(12)  De vaststelling van minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten voor schone voertuigen die moeten worden bereikt tegen 2025 en 2030 op het niveau van de lidstaten draagt bij tot de beleidszekerheid op markten waar investeringen in emissiearme en emissievrije mobiliteit noodzakelijk zijn. De minimumstreefcijfers ondersteunen de marktcreatie in de hele Unie. Ze zorgen voor de nodige tijd om de processen voor overheidsopdrachten aan te passen en geven een duidelijk marktsignaal. In de effectbeoordeling wordt erop gewezen dat steeds meer lidstaten streefcijfers vaststellen, afhankelijk van hun economische capaciteit en de ernst van het probleem. Er moeten verschillende doelstellingen worden vastgesteld voor verschillende lidstaten, al naargelang hun economische capaciteit (bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking) en de blootstelling aan vervuiling (bevolkingsdichtheid in steden). De minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten moeten worden aangevuld met de verplichting voor aanbestedende diensten, entiteiten en exploitanten om in al hun aanbestedingsprocedures rekening te houden met relevante energie- en milieuaspecten. Uit de territoriale effectbeoordeling van deze gewijzigde richtlijn bleek dat het effect gelijk verspreid zal zijn over de regio's in de Unie.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)   In zijn aanbeveling aan de Raad en de Commissie van 4 april 2017 naar aanleiding van het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector10bis verzocht het Europees Parlement de lidstaten om groen beleid inzake overheidsopdrachten te stimuleren, waarbij overheidsinstanties emissieloze voertuigen (ZEV's) en voertuigen met ultralage emissies (ULEV's) aankopen voor hun eigen wagenpark of voor (semi)openbare autodeelprogramma's, en om nieuwe CO2-uitstotende auto's tegen 2035 geleidelijk te verwijderen.
_________________
10bis PB C 298 van 23.8.2018, blz. 140.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  Het effect van overheidsopdrachten voor schone voertuigen zal het grootst zijn in gebieden met relatief veel luchtverontreiniging. De overheden van de lidstaten worden aangespoord om vooral op dergelijke gebieden te focussen bij de vaststelling van hun binnenlandse minimumstreefcijfers en om de desbetreffende maatregelen op te nemen in hun verslagen in het kader van deze gewijzigde richtlijn.
(13)  Het effect van overheidsopdrachten voor schone voertuigen zal het grootst zijn in gebieden met relatief veel luchtverontreiniging en geluidshinder. De overheden van de lidstaten worden aangespoord om vooral op dergelijke gebieden te focussen bij de vaststelling van hun binnenlandse minimumstreefcijfers en om de desbetreffende maatregelen op te nemen in hun verslagen in het kader van deze gewijzigde richtlijn. Om onevenredige lasten te voorkomen en de potentiële resultaten van deze richtlijn te optimaliseren, moeten de overheden passende technische bijstand krijgen.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)   De gewijzigde richtlijn moet bijdragen tot een vermindering van de emissies van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen, en tot de bevordering van schoon openbaar vervoer over de weg. Een afschrikkend effect op de ontwikkeling van niet voor de weg bestemd schoon vervoer zoals trams en metrotreinen moet worden vermeden.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)   Zonder de ontwikkeling van marktklare en technisch volgroeide producten kunnen de in deze richtlijn vastgelegde drempelwaarden moeilijk worden ingevoerd. Om ervoor te zorgen dat de informatie over de voortgang regelmatig wordt geactualiseerd, moet de Commissie om de twee jaar een verslag indienen waarin zij evalueert of er marktklare oplossingen voor schone voertuigen beschikbaar zijn. Voorts moeten de Commissie en de lidstaten sterkere financiële en niet-financiële stimulansen bieden om dergelijke schone voertuigen sneller ingang te doen vinden op de markt.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 quater (nieuw)
(13 quater)  Gezien het aanzienlijke verschil in financiële speelruimte waarover particuliere vervoersexploitanten beschikken om potentieel duurdere voertuigen op alternatieve brandstoffen in te zetten, moet in mechanismen worden voorzien om in het kader van aanbestedingsprocedures te zorgen voor een gelijk speelveld voor openbare en particuliere vervoersexploitanten en om ervoor te zorgen dat de kosten voor naleving van de in deze richtlijn vastgestelde minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten niet worden afgewenteld op de lokale overheden, met name in het geval van kleine gemeenten, en ook niet leiden tot de externalisering van hogere kosten door middel van hogere prijzen voor vervoersbewijzen, hogere lokale belastingen of een beperking van openbaarvervoersdiensten.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  Om effectieve monitoring van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn mogelijk te maken, moeten de verslagen over overheidsopdrachten in het kader van deze gewijzigde richtlijn een duidelijk marktoverzicht bevatten. In 2023 moet voor het eerst een tussentijds verslag worden ingediend; het eerste volledige verslag over de tenuitvoerlegging van de minimumstreefcijfers moet voor het eerst in 2026, en daarna om de drie jaar worden ingediend. Om de administratieve lasten voor individuele overheidsorganen tot een minimum te beperken en een doeltreffend marktoverzicht op te stellen, moet eenvoudige rapportering mogelijk worden gemaakt. De Commissie zorgt voor volledige rapportering over emissiearme en emissievrije voertuigen en andere voertuigen op alternatieve brandstoffen in het kader van de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten van de Unie. Specifieke codes in de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten zullen helpen bij de registratie en monitoring in de TED-gegevensbank (Tender Electronic Daily).
(15)  Om effectieve monitoring van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn mogelijk te maken, moeten de verslagen over overheidsopdrachten in het kader van deze gewijzigde richtlijn een duidelijk marktoverzicht bevatten. In 2023 moet eerst een voorlopig verslag van de lidstaten bij de Commissie worden ingediend in het kader van de rapportering krachtens de wetgevingshandelingen van de Unie over openbare aanbestedingen en het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten; het eerste volledige verslag over de tenuitvoerlegging van de minimumstreefcijfers moet voor het eerst in 2026, en daarna om de drie jaar worden ingediend. Om de administratieve lasten voor individuele overheidsorganen tot een minimum te beperken en een doeltreffend marktoverzicht op te stellen, moet eenvoudige rapportering mogelijk worden gemaakt. Deze verslagen moeten informatie bevatten over de stappen die zijn genomen om Richtlijn 2009/33/EG ten uitvoer te leggen en moeten in overeenstemming zijn met de categorieën van de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten van de Unie. De Commissie moet bij het Europees Parlement en de Raad regelmatig verslagen indienen over de toepassing van Richtlijn 2009/33/EG. De Commissie moet ook beoordelen of bouwmachines kunnen worden opgenomen in het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/33/EG, en zo ja, een methode uitwerken om een definitie vast te stellen van "schone bouwmachines".
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)  Om in de toekomst met meer kennis van zaken beleidskeuzes te kunnen maken in de sector, door een nauwkeuriger beeld te geven van de totale emissies van een bepaald voertuig waarbij de hele waardeketen in aanmerking wordt genomen, moet de Commissie een methode voorstellen om voor voertuigen de CO2-emissies gedurende de gehele levenscyclus en de CO2-emissies van bron tot wiel te berekenen. Deze emissies moeten in aanmerking worden genomen bij de herziening door de Commissie van Richtlijn 2009/33/EG en eventuele andere relevante wetgeving in verband met alternatieve brandstoffen.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  Door gerichte openbare steunmaatregelen te nemen op het niveau van de lidstaten en de Unie kan de marktopname van schone voertuigen verder worden ondersteund. Dit omvat een betere uitwisseling van kennis en afstemming van overheidsopdrachten om acties mogelijk te maken op een schaal die groot genoeg is om de kosten te drukken en een effect te hebben op de markt. De mogelijkheid van overheidssteun ter bevordering van de ontwikkeling van de infrastructuur die nodig is voor de distributie van alternatieve brandstoffen wordt erkend in de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-202027. De bepalingen van het EG-Verdrag, in het bijzonder de artikelen 107 en 108, blijven echter van toepassing op dergelijke staatssteun.
(16)  Door gerichte openbare steunmaatregelen te nemen op het niveau van de lidstaten en de Unie kan de marktopname van schone voertuigen verder worden ondersteund. Dit omvat een betere uitwisseling van kennis en afstemming van overheidsopdrachten om acties mogelijk te maken op een schaal die groot genoeg is om de kosten te drukken en een effect te hebben op de markt. Bovendien moeten regionale proefprojecten worden aangemoedigd, met name op plaatsen met onderlinge verbindingen tussen landelijke en stedelijke gebieden. De mogelijkheid van overheidssteun ter bevordering van de ontwikkeling van de infrastructuur die nodig is voor de distributie van alternatieve brandstoffen wordt erkend in de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-202027. De bepalingen van het EG-Verdrag, in het bijzonder de artikelen 107 en 108, blijven echter van toepassing op dergelijke staatssteun.
_________________
_________________
27 PB C 200 van 28.6.2014, blz. 1.
27 PB C 200 van 28.6.2014, blz. 1.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)   Met het oog op verdere vermindering van emissies en luchtvervuilende stoffen moeten de lidstaten in voorkomend geval worden gestimuleerd om verschillende prikkels en mechanismen voor wagenparkontwikkeling toe te passen in andere sectoren dan diegene die onder de gewijzigde richtlijn vallen.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 ter (nieuw)
(16 ter)   De lidstaten zien erop toe dat de kosten die met de naleving van de in deze richtlijn vastgestelde minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten zijn gemoeid niet worden afgewenteld op de lokale overheden en dat er voldoende financiële middelen ter beschikking worden gesteld aan de aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 quater (nieuw)
(16 quater)   Gerichte steunmaatregelen voor de aankoop van schone voertuigen zijn van essentieel belang. Om de doelstellingen van deze richtlijn te helpen bereiken, moeten de lidstaten hun financiële en niet-financiële stimulansen uitbreiden om schone voertuigen sneller ingang te doen vinden op de markt.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 quinquies (nieuw)
(16 quinquies)  Indien er krachtens deze richtlijn minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten worden opgelegd voor lichte en zware bedrijfsvoertuigen, moeten er bijkomende financiële middelen worden vrijgemaakt ten gunste van aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten. Daarom moet er in het begrotings- en financieel beleid van de Unie voor de periode na 2020 voldoende financiële steun worden uitgetrokken voor aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten. Dat moet tot uiting komen in het toekomstig meerjarig financieel kader en in de regels betreffende duurzame financiering en de financiële instellingen van de Unie.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 sexies (nieuw)
(16 sexies)   Om ervoor te zorgen dat overheidsinstanties gestimuleerd worden om schone voertuigen aan te kopen en dat de lidstaten in de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen investeren, maar ook om te voorkomen dat dergelijke aankopen tot hogere prijzen voor reizigers leiden, moet het begrotings- en financieel beleid van de Unie voor de periode na 2020 voorzien in steun voor aanbestedende entiteiten. Dat moet tot uiting komen in het toekomstig meerjarig financieel kader en in de regels betreffende duurzame financiering en de financiële instellingen van de Unie. Daarnaast moeten de lidstaten meer financiële en niet-financiële stimulansen bieden en milieuaudits overwegen om schone voertuigen sneller ingang te doen vinden op de markt. Deze inspanningen zullen de aanvankelijke hoge investeringskosten van de infrastructuuraanpassingen drukken en bijdragen tot de decarbonisatie van de vervoerssector.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 septies (nieuw)
(16 septies)   In het kader van het huidig meerjarig financieel kader (MFK) beschikt de Unie over een reeks verschillende fondsen om de lidstaten, lokale overheden en betrokken exploitanten te ondersteunen bij hun omschakeling naar duurzame mobiliteit. Voor de periode 2014-2020 heeft de Unie 13,7 miljard EUR van de Europese structuur- en investeringsfondsen toegewezen aan de financiering van stedelijke mobiliteit. In het kader van Horizon 2020, het onderzoeksprogramma van de Unie, zal ongeveer 200 miljoen EUR beschikbaar worden gesteld voor stedelijke mobiliteit en 650 miljoen EUR voor slimme steden, en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen zal zo'n 200 miljoen EUR uittrekken voor oproepen tot het indienen van voorstellen voor stedelijke knooppunten. In het kader van het volgende MFK moeten de Commissie en de lidstaten duurzame projecten voor stedelijke mobiliteit blijven ondersteunen en de nodige synergieën tussen de verschillende financieringsbronnen en -programma's versterken. Met name de koppelingen tussen stedelijke mobiliteit, de nieuwe Digitale Agenda en de energie-unie moeten worden versterkt, zoals de mogelijkheid om uit de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen synergieprojecten te financieren, met een extra medefinancieringspercentage voor vervoersprojecten met energie- en telecommunicatie-elementen die een enorm potentieel hebben voor stedelijke projecten.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 octies (nieuw)
(16 octies)   Een gerichter gebruik van Uniefinancieringsinstrumenten, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen of de faciliteit voor schoner vervoer van de Europese Investeringsbank, die kunnen bijdragen aan de financiering van wagenparken en materieel, moet worden bevorderd. Hiertoe moet er een betere beschikbaarheid komen van technische en financiële adviesdiensten voor lokale overheden en exploitanten, bijvoorbeeld via de Europese investeringsadvieshub, Jaspers, Jessica of fi-compass (adviesplatform financieringsinstrumenten), om hun institutionele capaciteit te versterken, de voorbereiding en tenuitvoerlegging van projecten te verbeteren en optimaal gebruik te maken van Uniemiddelen en -financieringsinstrumenten, onder meer door de risico's van innovatieve inschrijvingen te beperken.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 nonies (nieuw)
(16 nonies)   Overheden moeten tevens worden aangemoedigd om bij de aankoop van voertuigen de in artikel 82 van Richtlijn 2014/25/EU omschreven criteria van de economisch voordeligste inschrijving te volgen, waarbij zij rekening houden met de kosteneffectiviteit gedurende de gehele levensduur van het voertuig, alsook met milieu- en sociale aspecten.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 decies (nieuw)
(16 decies)   Om de effecten van de investeringen te maximaliseren, moeten mobiliteits- en stadsplanning beter worden gecoördineerd, bijvoorbeeld met behulp van duurzame stedelijke mobiliteitsplanning (SUMP's). SUMP's zijn plannen die over verschillende afzonderlijke beleidsterreinen heen en in samenwerking met verschillende bestuursniveaus worden ontwikkeld en waarin verschillende vervoerswijzen, verkeersveiligheid, goederenvervoer, mobiliteitsbeheer en intelligente vervoerssystemen worden gecombineerd. SUMP's kunnen een belangrijke rol spelen bij het behalen van de streefcijfers van de Unie voor CO2-emissies en de beperking van geluidshinder en luchtverontreiniging. De toepassing van SUMP's moet daarom een belangrijk aandachtspunt zijn bij de financiering van Unieprojecten op het gebied van stedelijk vervoer, waaronder bij de tenuitvoerlegging van deze gewijzigde richtlijn. De Commissie moet in dit verband de bevoegde autoriteiten de nodige begeleiding en technische ondersteuning bieden bij de ontwikkeling van SUMP's, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 undecies (nieuw)
(16 undecies)   Overheidsopdrachten zijn niet alleen bevorderlijk voor een breder gebruik van schone voertuigen, maar zijn ook een motor voor nieuwe vormen van mobiliteit. Niet alleen krijgen schone voertuigen een stimulans en wordt de uitrol van infrastructuur in stedelijke gebieden bespoedigd, maar daarnaast zal de digitalisering het personen- en goederenvervoer ook efficiënter maken. Multimodale en gedeelde mobiliteit zijn naast geïntegreerde vervoersbewijzen van essentieel belang voor de transitie naar mobiliteit als dienst (MaaS).
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  Om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd, teneinde de bepalingen met betrekking tot CO2-emissienormen voor zware bedrijfsvoertuigen te actualiseren voor een periode van vijf jaar die begint op [datum van inwerkingtreding invoegen]. Deze periode moet daarna stilzwijgend met eenzelfde periode worden verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich tegen dergelijke verlenging verzet. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidend werk tot passende raadpleging overgaat, ook op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.
Schrappen
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18 bis (nieuw)
(18 bis)  Overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven1 bis moet er bijzondere aandacht worden besteed aan het volgen van de effecten van Uniewetgeving. De evaluatie van Richtlijn 2009/33/EG moet als basis dienen voor een effectbeoordeling van de mogelijkheden voor verdere maatregelen. Daarom moet de Commissie op basis van de beste en meest recente beschikbare wetenschappelijke bewijzen beoordelen of het nodig is die richtlijn te herzien zodat hierin rekening wordt gehouden met de CO2-emissies gedurende de gehele levenscyclus en de CO2-emissies van bron tot wiel van voertuigen, teneinde transparantie en verantwoordingsplicht te waarborgen met betrekking tot de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen, en moet ze indien nodig noodzakelijke verbeteringen voorstellen. In voorkomend geval moet de Commissie in dit verband ook andere relevante wetgeving met betrekking tot alternatieve brandstoffen evalueren.
______________
1bis PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18 ter (nieuw)
(18 ter)   Bij een groot deel van de aankopen in verband met openbaar vervoer zijn lokale openbaarvervoersinstanties betrokken, die in het algemeen in handen zijn van lokale autoriteiten met beperkte financiële middelen. Regels inzake de aankoop van schone voertuigen mogen daarom geen aanzienlijke bijkomende financiële lasten met zich meebrengen en ook niet leiden tot de externalisering van eventuele hogere kosten door middel van hogere prijzen voor vervoersbewijzen, hogere lokale belastingen of een beperking van het openbaar vervoer.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18 quater (nieuw)
(18 quater)   De Unie moet EU-fabrikanten beschermen tegen oneerlijke concurrentie in derde landen, waar EU-fabrikanten geen toegang hebben tot aanbestedingsprocedures voor de aankoop, leasing, renting of huurkoop van wegvoertuigen. Daarom moet de Commissie oneerlijke concurrentiepraktijken in derde landen nader onderzoeken en passende maatregelen treffen om bescherming van de Europese industrie te waarborgen.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 2009/33/EG
Titel
Richtlijn 2009/33/EG inzake de bevordering van schone wegvoertuigen ter ondersteuning van emissiearme mobiliteit
Richtlijn 2009/33/EG inzake de bevordering van schone wegvoertuigen in het kader van overheidsopdrachten, ter ondersteuning van emissiearme mobiliteit
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 1 – alinea 1
(1 bis)   In artikel 1 wordt de eerste alinea vervangen door:
Op grond van deze richtlijn moeten aanbestedende diensten, aanbestedende entiteiten en bepaalde exploitanten bij de aankoop van wegvoertuigen rekening houden met energie- en milieueffecten tijdens de volledige levensduur, met inbegrip van energieverbruik en CO2-uitstoot en de uitstoot van bepaalde verontreinigende stoffen, teneinde de markt voor schone en energiezuinige voertuigen te bevorderen en de bijdrage van de vervoerssector aan het milieu-, klimaat- en energiebeleid van de Europese Gemeenschap te verbeteren.
"Op grond van deze richtlijn moeten aanbestedende diensten, aanbestedende entiteiten en bepaalde exploitanten bij de aankoop, leasing, renting of huurkoop van wegvoertuigen rekening houden met energie- en milieueffecten tijdens de volledige levensduur, met inbegrip van energieverbruik en CO2-uitstoot en de uitstoot van bepaalde verontreinigende stoffen, teneinde de markt voor schone en energiezuinige voertuigen te bevorderen en de bijdrage van de vervoerssector aan het milieu-, klimaat- en energiebeleid van de Unie te verbeteren.".
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 ter (nieuw)
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 2 – alinea 1
(1 ter)  In artikel 2 wordt de eerste alinea vervangen door:
Lidstaten mogen contracten voor de aankoop van voertuigen zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van Richtlijn 2007/46/EG, waarvoor geen typegoedkeuring of individuele goedkeuring op hun grondgebied vereist is, vrijstellen van de toepassing van de bepalingen van de onderhavige richtlijn.
"Lidstaten mogen contracten voor de aankoop, leasing, renting of huurkoop van voertuigen zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van Richtlijn 2007/46/EG, waarvoor geen typegoedkeuring of individuele goedkeuring op hun grondgebied vereist is, vrijstellen van de toepassing van de bepalingen van de onderhavige richtlijn.".
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 3 – alinea 1 – inleidende formule
Deze richtlijn is van toepassing op overeenkomsten voor de aankoop, leasing, renting of huurkoop van wegvoertuigen:
Deze richtlijn is van toepassing op overeenkomsten voor de aankoop, leasing, renting of huurkoop of retrofitting van wegvoertuigen:
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 3 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)   instellingen, agentschappen en organen van de Europese Unie.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 4 – alinea 1– punt 4
4.  "schoon voertuig":
4.  "schoon voertuig": een voertuig, ongeacht de categorie, dat rijdt op alternatieve brandstoffen als gedefinieerd in artikel 2, eerste alinea, punt 1), van Richtlijn 2014/94/EU, met uitzondering van biobrandstoffen die niet worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, van Richtlijn 2018/... (RED II) vermelde grondstoffen of die worden geproduceerd uit palmolie*, met inbegrip van hybride voertuigen waarbij elektriciteit enkel wordt gebruikt voor een deel van het operationele gebruik van het voertuig, emissiearme voertuigen en emissievrije voertuigen. Voor voertuigen met verbrandingsmotor mogen de emissies onder reële rijomstandigheden (RDE)** als percentage van de emissiegrenswaarden*** niet meer dan 80 % bedragen.
a)  een voertuig van categorie M1 of M2 met een maximale uitlaatemissie, uitgedrukt in gram CO2/km, en verontreinigende emissies in echte rijomstandigheden die lager zijn dan een percentage van de in tabel 2 van de bijlage vermelde toepasselijke emissiegrenzen; of
b)  een voertuig van categorie N1 met een maximale uitlaatemissie, uitgedrukt in gram CO2/km, en verontreinigende emissies in echte rijomstandigheden die lager zijn dan een percentage van de in tabel 2 van de bijlage vermelde toepasselijke emissiegrenzen; of
c)  een voertuig van categorie M3, N2 of N3 zoals gedefinieerd in tabel 3 van de bijlage.
_____________________________
* Dit wordt aangetoond aan de hand van een contract voor aankoop van de biobrandstof of andere middelen om toegang te krijgen tot de biobrandstof.
** RDE van ultrafijne stofdeeltjes in #/km (PN), stikstofoxiden in mg/km (NOx), gemeten volgens de toepasselijke versie van bijlage IIIA bij Verordening (EU) 2017/1151.
*** De toepasselijke emissiegrenswaarde als vermeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 715/2007.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 4 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
4 bis.  "emissievrij voertuig": een voertuig waarvan de CO2-, NOx- en fijnstofemissies aan de uitlaat nul bedragen.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 4 – alinea 1 – punt 4 ter (nieuw)
4 ter.  "emissiearm voertuig": een voertuig met een maximale uitstoot als vermeld in tabel 2 van de bijlage.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 4 – alinea 1 – punt 4 quater (nieuw)
4 quater.  "door retrofitting aan de normen voor schone voertuigen aangepast voertuig": een voertuig met een motor die door retrofitting is aangepast aan de normen voor schone voertuigen als gedefinieerd in de eerste alinea, punt 4), van dit artikel. In het geval van een door retrofitting aangepaste motor op biobrandstoffen als gedefinieerd in artikel 2, tweede alinea, onder i), van Richtlijn 2009/28/EG, op synthetische brandstoffen of op paraffinehoudende brandstoffen, moet het voertuig in overeenstemming zijn met de meest recente Euro-normen of nieuwe normen ter vervanging daarvan.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 4 bis
(4)  Het volgende artikel 4 bis wordt ingevoegd:
Schrappen
"Artikel 4 bis
Bevoegdheidsdelegatie
De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 8 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde CO2-uitlaatemissies en emissies van luchtverontreinigende stoffen van zware bedrijfsvoertuigen op te nemen in tabel 3 van de bijlage, zodra op het niveau van de Unie normen voor CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen van kracht zijn".
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 5 – lid 1
1.  De lidstaten zien erop toe dat de aankoop, leasing, renting of huurkoop van wegvoertuigen, openbaredienstcontracten voor personenvervoer per spoor en over de weg en openbaredienstcontracten als vermeld in artikel 3 van deze richtlijn voldoen aan de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten voor lichte bedrijfsvoertuigen als bedoeld in tabel 4 van de bijlage en voor zware bedrijfsvoertuigen als bedoeld in tabel 5 van de bijlage.
1.  De lidstaten zien erop toe dat de aankoop, leasing, renting, huurkoop of het door retrofitting aan de normen voor schone voertuigen aanpassen van wegvoertuigen, openbaredienstcontracten voor personenvervoer per spoor en over de weg en openbaredienstcontracten als vermeld in artikel 3 van deze richtlijn voldoen aan de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten voor schone lichte bedrijfsvoertuigen als bedoeld in tabel 4 van de bijlage en voor zware bedrijfsvoertuigen als bedoeld in tabel 5 van de bijlage.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 5 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Bij de berekening van de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten wordt uitgegaan van de datum waarop de openbare aanbestedingsprocedure door middel van de ondertekening van het contract wordt afgerond.
De minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten worden berekend als een gemiddelde van alle contracten die zijn ondertekend tussen de dag volgend op de datum van omzetting van deze richtlijn en 31 december 2024 voor de eerste referentieperiode, en tussen 1 januari 2025 en 31 december 2029 voor de tweede referentieperiode.
Indien er voor de referentieperiode vanaf 1 januari 2030 niet tijdig nieuwe streefcijfers worden vastgesteld, blijven de streefcijfers voor 2030 van toepassing.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 5 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.   Om de streefcijfers voor overheidsopdrachten te behalen, baseren de aanbestedende entiteiten de gunning van opdrachten op de economisch meest voordelige inschrijving, zoals omschreven in artikel 82 van Richtlijn 2014/25/EU. In de aanbestedingsspecificaties wordt niet alleen aandacht besteed aan de totale kosten van eigendom (TCO), maar ook aan andere voertuigkenmerken, zoals toegankelijkheid, inpassing in het stadslandschap, geluidsniveau, energie-efficiëntie en de recycleerbaarheid van batterijen en voertuigonderdelen.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 5 bis
Financiële middelen
1.  De lidstaten stellen voldoende financieringsinstrumenten ter beschikking voor de aankoop van schone voertuigen en de aanleg van de bijbehorende infrastructuur op hun grondgebied. De oprichting van de fondsen verloopt volgens een grondige beoordeling van de financiële behoeften van overheden en aanbestedende entiteiten, gekoppeld aan de op nationaal niveau vastgestelde streefcijfers voor overheidsopdrachten.
2.  De Unie stelt aanvullende financieringsinstrumenten ter beschikking om de ingebruikneming van schone voertuigen en de aanleg van de bijbehorende infrastructuur in de lidstaten te bevorderen.".
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 ter (nieuw)
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 5 ter (nieuw)
(5 ter)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 5 ter
Actieplan inzake alternatieve brandstoffen voor het openbaar vervoer
1.  Uiterlijk op 31 december 2020 legt de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een actieplan voor om de aanleg van oplaad- en tankinfrastructuur voor zware bedrijfsvoertuigen van vervoersbedrijven in hun eigen stelplaatsen en onderhoudszones en in de openbare ruimte te bespoedigen.
2.  Dit actieplan omvat voorlichting over de beschikbare financieringsinstrumenten van de Unie en duidelijk omschreven procedures voor steunverlening in dit kader, en vermeldt tevens hoe deze steun zich verhoudt tot de bestaande Europese staatssteunregels.
3.  Het verslag bevat tevens een evaluatie van de wijze waarop de financieringsinstrumenten van de Unie kunnen worden herzien om prioriteit te kunnen geven aan steun voor openbaarvervoerbedrijven van uiteenlopende omvang met het oog op de vervanging van hun voertuigen.".
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 quater (nieuw)
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 5 quater (nieuw)
(5 quater)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 5 quater
Unieplatform voor de grensoverschrijdende en gezamenlijke aanbesteding van emissiearme en energiezuinige wegvoertuigen
Om te bevorderen dat de streefcijfers van de bijlage bij deze richtlijn worden gehaald en om schaalvoordelen te bewerkstelligen, zet de Commissie een Unieplatform op voor de grensoverschrijdende en gezamenlijke aanbesteding van emissiearme en energiezuinige wegvoertuigen. De in artikel 3 bedoelde aanbestedende diensten, aanbestedende entiteiten en exploitanten mogen deelnemen aan dit platform voor de gezamenlijke aanbesteding van voertuigen. De Commissie ziet erop toe dat het platform publiek toegankelijk is en op een doeltreffende manier alle partijen bij elkaar brengt die hun middelen wensen te bundelen. Om het opzetten en verwezenlijken van dergelijke gezamenlijke aanbestedingen te faciliteren, verleent de Commissie technische bijstand en ontwikkelt zij modellen voor samenwerkingsovereenkomsten. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 8 bis een gedelegeerde handeling vast te stellen tot oprichting van het Unieplatform voor de gezamenlijke aanbesteding van emissiearme en energiezuinige wegvoertuigen.".
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 8 bis
(7)   Een nieuw artikel 8 bis wordt ingevoegd:
Schrappen
"Artikel 8 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt met ingang van [datum van inwerkingtreding invoegen] voor een periode van vijf jaar aan de Commissie verleend. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van 5 jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 4 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.
5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.  Een overeenkomstig artikel 4 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze termijn met twee maanden verlengd.".
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 9
(8)  Artikel 9 wordt vervangen door:
(8)  Artikel 9 wordt geschrapt.
"1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.
Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
3.  Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comité daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt."
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter a
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 10 – lid 1
1.  De Commissie dient om de drie jaar, beginnende op 1 januari 2027, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van deze richtlijn en de maatregelen die individuele lidstaten hebben genomen met het oog op de effectieve tenuitvoerlegging van deze richtlijn, op basis van de verslagen van de lidstaten.
1.  De lidstaten dienen uiterlijk op 18 april 2026, en vervolgens om de drie jaar, bij de Commissie een verslag in over de toepassing van deze richtlijn als onderdeel van de rapporten waarin is voorzien in artikel 83, lid 3, tweede alinea, van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 99, lid 3, tweede alinea van Richtlijn 2014/25/EU. De lidstaten dienen uiterlijk op 18 april 2023 een voorlopig verslag in bij de Commissie.
Deze verslagen bevatten informatie over de maatregelen die zijn genomen om deze richtlijn ten uitvoer te leggen, onder meer over het aantal en de categorieën voertuigen die door autoriteiten en entiteiten zijn aangeschaft, de dialoog tussen de verschillende bestuursniveaus, informatie over de plannen van de lidstaten met betrekking tot de bovengenoemde rapporteringsactiviteiten en eventuele andere nuttige informatie.
Deze informatie moet in overeenstemming zijn met de categorieën van Verordening (EG) nr. 2195/2002 betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV), zoals vermeld in tabel 1 van de bijlage.
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter a bis (nieuw)
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 10 – lid 2
a bis)  Lid 2 wordt vervangen door:
2.  In die verslagen worden de effecten van de richtlijn, en met name van de in artikel 5, lid 3, bedoelde opties, beoordeeld, wordt de noodzaak nagegaan voor verdere actie, en worden in voorkomend geval nieuwe maatregelen voorgesteld.
"2. Uiterlijk op 31 december 2022 stelt de Commissie een methode voor het berekenen van de CO2-emissies gedurende de gehele levenscyclus en de CO2-emissies van bron tot wiel van voertuigen voor.
De Commissie maakt in die verslagen een vergelijking tussen de nominale en relatieve aantallen aangekochte voertuigen die qua energie- en milieueffecten gedurende de levensduur overeenstemmen met het beste op de markt verkrijgbare alternatief in elk van de in tabel 3 van de bijlage vermelde categorieën voertuigen, en de totale markt voor die voertuigen, en beoordeelt in hoeverre de in artikel 5, lid 3, vermelde criteria de markt hebben beïnvloed. De Commissie zal de noodzaak nagaan voor verdere actie, en zal in voorkomend geval nieuwe maatregelen voorstellen.
Uiterlijk op 18 april 2027 evalueert de Commissie Richtlijn 2009/33/EG en enige andere wetgeving in verband met alternatieve brandstoffen, waarbij zij rekening houdt met de CO2-emissies gedurende de gehele levenscyclus en de CO2-emissies van bron tot wiel van voertuigen.".
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter a ter (nieuw)
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 10 – lid 3
a ter)  Lid 3 wordt vervangen door:
3.  Uiterlijk op de datum van het eerste verslag onderzoekt de Commissie de in artikel 5, lid 3, bedoelde opties, dient zij een evaluatie in van de in artikel 6 omschreven methode en stelt zij, indien nodig, de nodige aanpassingen voor.
"3. Uiterlijk op 18 april 2024, en vervolgens om de drie jaar, dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze richtlijn waarin ze specificeert welke maatregelen afzonderlijke lidstaten hebben genomen in dit verband, en gaat ze na of er verdere maatregelen nodig zijn, in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze richtlijn.".
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter b
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 10 – lid 4
4.  De lidstaten dienen uiterlijk op 1 januari 2026 en vervolgens om de drie jaar een verslag over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in bij de Commissie. De lidstaten dienen uiterlijk op 1 januari 2023 een tussentijds verslag in bij de Commissie. Dat verslag bevat informatie over de maatregelen die zijn genomen om deze richtlijn ten uitvoer te leggen, onder meer over het aantal en de categorieën voertuigen die door autoriteiten en entiteiten zijn aangeschaft, de dialoog tussen de verschillende bestuursniveaus, informatie over de plannen van de lidstaten met betrekking tot de bovengenoemde rapporteringsactiviteiten en alle andere nuttige informatie. Deze informatie moet worden ingedeeld volgens de categorieën van Verordening (EG) nr. 2195/2002 betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten31, zoals aangegeven in de bijlage.
Schrappen
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter b
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 10 – lid 5
5.  De Commissie wordt gemachtigd om, door middel van uitvoeringshandelingen, richtsnoeren vast te stellen voor de inhoud van de in punt 4 bedoelde verslagen van de lidstaten.
5.  De Commissie wordt gemachtigd om, door middel van uitvoeringshandelingen, richtsnoeren vast te stellen voor de inhoud van de in lid 1 bedoelde verslagen van de lidstaten.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 –letter b bis (nieuw)
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 10 – lid 5 bis (nieuw)
b bis)  Het volgende lid wordt toegevoegd:
"5 bis. De lidstaten kunnen beslissen om mechanismen op te zetten om de aankoop van schone voertuigen door andere wagenparkeigenaars, zoals taxi-, autodeel- en ride-pooling-bedrijven, te reguleren.".
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter b ter (nieuw)
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 10 – lid 5 ter (nieuw)
b ter)  Het volgende lid wordt toegevoegd:
"5 ter. Uiterlijk op 31 december 2021 legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een actieplan voor om de aanleg van oplaad- en tankinfrastructuur voor zware bedrijfsvoertuigen van vervoersbedrijven in hun eigen stelplaatsen en onderhoudszones en in de openbare ruimte te bespoedigen. Dit actieplan omvat voorlichting over de beschikbare financieringsinstrumenten van de Unie en vermeldt hoe steun kan worden verleend zonder afbreuk te doen aan de Europese staatssteunregels.".
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter b quater (nieuw)
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 10 – lid 5 quater (nieuw)
b quater)  Het volgende lid wordt toegevoegd:
"5 quater. De Commissie gaat na of het nodig is de relevante wetgeving in verband met de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen te herzien met betrekking tot het gebruik van banden uit de hoogste categorie en gecoverde banden, en in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel in te dienen.".
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter b quinquies (nieuw)
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 10 – lid 5 quinquies (nieuw)
b quinquies)  Het volgende lid wordt toegevoegd:
"5 quinquies. De Commissie verstrekt de lidstaten richtsnoeren over de verschillende fondsen van de Unie die voor de toepassing van deze richtlijn kunnen worden gebruikt, waarbij bijvoorbeeld middelen uit de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen ter ondersteuning van de ontwikkeling van zeer performante, duurzame en op efficiënte wijze onderling verbonden trans-Europese netwerken op het gebied van vervoer en het Europees Fonds voor strategische investeringen of de faciliteit voor schoner vervoer ter ondersteuning van de uitrol van schonere voertuigen en de bijbehorende infrastructuurbehoeften kunnen worden ingezet.".
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter b sexies (nieuw)
Richtlijn 2009/33/EG
Artikel 10 – lid 5 sexies (nieuw)
b sexies)  Het volgende lid wordt toegevoegd:
"5 sexies. Bij deze transitie spelen advieshubs een belangrijke rol door investeringen te faciliteren en te bevorderen en de institutionele capaciteiten te versterken. De Commissie zorgt daarom voor een aanzienlijke versterking van de rol en de capaciteit van de Europese investeringsadvieshub, met name door te voorzien in lokale aanwezigheid en een proactieve rol bij de voorbereiding van projecten.".
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op XXXX [24 maanden na de inwerkingtreding] aan deze richtlijn te voldoen. Zij doen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen toekomen.
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op XXXX [18 maanden na de inwerkingtreding] aan deze richtlijn te voldoen. Zij doen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen toekomen.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I
Richtlijn 2009/33/EG
Bijlage - tabel 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Tabel 1: In artikel 3 bedoelde codes van de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten

Code van de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten

Beschrijving

60112000-6

Openbaarvervoersdiensten

60130000-8

Diensten voor speciaal personenvervoer over land

60140000-1

Personenvervoer zonder dienstregeling

60172000-3

Bus- en autobusverhuur met chauffeur

90511000-2

Diensten voor ophalen van vuilnis

60160000-7

Postvervoer over de weg

60161000-4

Pakketvervoer

Amendement

Tabel 1: In artikel 3 bedoelde codes van de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten

Code van de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten

Beschrijving

60112000-6

Openbaarvervoersdiensten

60130000-8

Diensten voor speciaal personenvervoer over land

60140000-1

Personenvervoer zonder dienstregeling

60172000-3

Bus- en autobusverhuur met chauffeur

90511000-2

Diensten voor ophalen van vuilnis

60160000-7

Postvervoer over de weg

60161000-4

Pakketvervoer

64121100-1

Postbezorging

64121200-2

Pakketbezorging

60170000-0

Verhuur van voertuigen voor personenvervoer met chauffeur

60171000-7

Verhuur van personenauto's met chauffeur

60181000-0

Verhuur van vrachtwagens met chauffeur

60180000-3

Verhuur van voertuigen voor goederenvervoer met chauffeur

90511100-3

Ophalen van vast stadsafval

90511200-4

Ophalen van huisvuil

90511300-5

Diensten voor het verzamelen van straatafval

90511400-6

Diensten voor het verzamelen van oud papier

Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE I
Richtlijn 2009/33/EG
Bijlage - tabel 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Tabel 2: Emissiedrempels voor lichte bedrijfsvoertuigen

Voertuigcategorieën

2025

2030

 

CO2 g/km

RDE emissies van luchtverontreinigende stoffen*, uitgedrukt als percentage van de emissiegrenswaarden**

CO2 g/km

RDE emissies van luchtverontreinigende stoffen*, uitgedrukt als percentage van de emissiegrenswaarden

M1-voertuigen

25

80%

0

n.v.t.

M2-voertuigen

25

80%

0

n.v.t.

N1-voertuigen

40

80%

0

n.v.t.

* emissies onder reële rijomstandigheden van ultrafijne stofdeeltjes in #/km (PN), stikstofoxiden in mg/km (NOx), gemeten volgens de toepasselijke versie van bijlage IIIA van Verordening 2017/1151.

** De toepasselijke emissiegrenswaarde in bijlage I van Verordening (EG) nr. 715/2007 of de opvolgingsinstrumenten daarvan.

Amendement

Tabel 2: Emissiedrempels voor lichte bedrijfsvoertuigen

Voertuigcategorieën

2025

2030

 

CO2 g/km

RDE emissies van luchtverontreinigende stoffen*, uitgedrukt als percentage van de emissiegrenswaarden**

CO2 g/km

RDE emissies van luchtverontreinigende stoffen*, uitgedrukt als percentage van de emissiegrenswaarden

L-voertuigen

25

 

 

 

M1-voertuigen

50

80%

0

n.v.t.

M2-voertuigen

50

80%

0

n.v.t.

N1-voertuigen

50

80%

0

n.v.t.

M3-voertuigen

n.v.t.

 

 

 

N2-voertuigen

n.v.t.

 

 

 

N3-voertuigen

n.v.t.

 

 

 

* emissies onder reële rijomstandigheden van ultrafijne stofdeeltjes in #/km (PN), stikstofoxiden in mg/km (NOx), gemeten volgens de toepasselijke versie van bijlage IIIA van Verordening 2017/1151.

** De toepasselijke emissiegrenswaarde in bijlage I van Verordening (EG) nr. 715/2007 of de opvolgingsinstrumenten daarvan.

Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I
Richtlijn 2009/33/EG
Bijlage – tabel 3
[…..]
geschrapt
Amendementen 75 en 85
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE I
Richtlijn 2009/33/EG
Bijlage - tabel 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Tabel 4: Minimumstreefcijfer voor het aandeel lichte bedrijfswagens overeenkomstig tabel 2 in de totale overheidsopdrachten voor lichte bedrijfswagens per lidstaat*

Lidstaat

2025

2030

Luxemburg

35%

35%

Zweden

35%

35%

Denemarken

34%

34%

Finland

35%

35%

Duitsland

35%

35%

Frankrijk

34%

34%

Verenigd Koninkrijk

35%

35%

Nederland

35%

35%

Oostenrijk

35%

35%

België

35%

35%

Italië

35%

35%

Ierland

35%

35%

Spanje

33%

33%

Cyprus

29%

29%

Malta

35%

35%

Portugal

27%

27%

Griekenland

23%

23%

Slovenië

20%

20%

Tsjechië

27%

27%

Estland

21%

21%

Slowakije

20%

20%

Litouwen

19%

19%

Polen

20%

20%

Kroatië

17%

17%

Hongarije

21%

21%

Letland

20%

20%

Roemenië

17%

17%

Bulgarije

16%

16%

*Voor het behalen van het streefcijfer worden voertuigen zonder uitlaatemissies meegerekend als 1 voertuig. Alle andere voertuigen die voldoen aan de eisen van tabel 2 van deze bijlage worden meegerekend als 0,5 voertuig.

Amendement

Tabel 4: Minimumstreefcijfer voor het aandeel lichte bedrijfswagens in de totale overheidsopdrachten voor lichte bedrijfswagens per lidstaat1, 2

 

Voertuigcategorie M1, M2, N1

Voertuigcategorie L

Lidstaat

2025

2030

2025

2030

EU-instellingen, -agentschappen en -organen

[50%]

[50%]

[50%]

[50%]

Luxemburg

50%

50%

50%

50%

Zweden

50%

50%

50%

50%

Denemarken

50%

50%

50%

50%

Finland

50%

50%

50%

50%

Duitsland

50%

50%

50%

50%

Frankrijk

50%

50%

50%

50%

Verenigd Koninkrijk

50%

50%

50%

50%

Nederland

50%

50%

50%

50%

Oostenrijk

50%

50%

50%

50%

België

50%

50%

50%

50%

Italië

50%

50%

50%

50%

Ierland

50%

50%

50%

50%

Spanje

50%

50%

50%

50%

Cyprus

50%

50%

50%

50%

Malta

50%

50%

50%

50%

Portugal

50%

50%

50%

50%

Griekenland

35%

35%

35%

35%

Slovenië

35%

35%

35%

35%

Tsjechië

50%

50%

50%

50%

Estland

35%

35%

35%

35%

Slowakije

35%

35%

35%

35%

Litouwen

35%

35%

35%

35%

Polen

35%

35%

35%

35%

Kroatië

25%

25%

25%

25%

Hongarije

25%

25%

25%

25%

Letland

25%

25%

25%

25%

Roemenië

25%

25%

25%

25%

Bulgarije

25%

25%

25%

25%

1 Ten minste 70 % van de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten voor schone lichte bedrijfsvoertuigen voor de eerste referentieperiode (tot 2025) wordt ingevuld met emissievrije en emissiearme voertuigen, en voor de tweede referentieperiode (2025-2030) en de daaropvolgende referentieperioden met emissievrije voertuigen.

2 Voor het behalen van het streefcijfer worden voertuigen zonder uitlaatemissies meegerekend als 1 voertuig. Emissiearme voertuigen of voertuigen op aardgas die volledig op biomethaan rijden, hetgeen moet worden aangetoond aan de hand van een contract voor aankoop van biomethaan of andere middelen om toegang te krijgen tot biomethaan, worden meegerekend als 0,66 voertuig. Alle andere schone voertuigen worden meegerekend als 0,5 voertuig.

Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE I
Richtlijn 2009/33/EG
Bijlage - tabel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Tabel 5: Minimumstreefcijfer voor het aandeel zware bedrijfswagens overeenkomstig tabel 3 in de totale overheidsopdrachten voor zware bedrijfswagens per lidstaat*

Lidstaat

Vrachtwagens

Bussen

 

2025

2030

2025

2030

Luxemburg

10%

15%

50%

75%

Zweden

10%

15%

50%

75%

Denemarken

10%

15%

50%

75%

Finland

9%

15%

46%

69%

Duitsland

10%

15%

50%

75%

Frankrijk

10%

15%

48%

71%

Verenigd Koninkrijk

10%

15%

50%

75%

Nederland

10%

15%

50%

75%

Oostenrijk

10%

15%

50%

75%

België

10%

15%

50%

75%

Italië

10%

15%

50%

75%

Ierland

10%

15%

50%

75%

Spanje

10%

14%

50%

75%

Cyprus

10%

13%

50%

75%

Malta

10%

15%

50%

75%

Portugal

8%

12%

40%

61%

Griekenland

8%

10%

38%

57%

Slovenië

7%

9%

33%

50%

Tsjechië

9%

11%

46%

70%

Estland

7%

9%

36%

53%

Slowakije

8%

9%

39%

58%

Litouwen

9%

8%

47%

70%

Polen

7%

9%

37%

56%

Kroatië

6%

7%

32%

48%

Hongarije

8%

9%

42%

63%

Letland

8%

9%

40%

60%

Roemenië

6%

7%

29%

43%

Bulgarije

8%

7%

39%

58%

* Voertuigen zonder uitlaatemissies of voertuigen op aardgas die volledig op biomethaan rijden, hetgeen moet worden aangetoond aan de hand van een contract voor aankoop van biomethaan of andere middelen om toegang te krijgen tot biomethaan, worden meegerekend als 1 voertuig. Deze berekeningswijze wordt niet gebruikt voor lidstaten waar het minimumstreefcijfer voor overheidsopdrachten meer dan 50 % van het totale volume aan overheidsopdrachten bedraagt, waarbij de grens op 50 % ligt. Alle andere voertuigen die voldoen aan de eisen van tabel 2 van deze bijlage worden meegerekend als 0,5 voertuig.

Amendement

Tabel 5: Minimumstreefcijfer voor het aandeel zware bedrijfswagens overeenkomstig artikel 4, lid 4, in de totale overheidsopdrachten voor zware bedrijfswagens per lidstaat

Lidstaat

Vrachtwagens

Bussen

 

20251

20302

20251

20302

EU-instellingen, -agentschappen en -organen

[10%]

[15%]

[50%]

[75%]

Luxemburg

10%

15%

50%

75%

Zweden

10%

15%

50%

75%

Denemarken

10%

15%

50%

75%

Finland

9%

15%

46%

69%

Duitsland

10%

15%

50%

75%

Frankrijk

10%

15%

48%

71%

Verenigd Koninkrijk

10%

15%

50%

75%

Nederland

10%

15%

50%

75%

Oostenrijk

10%

15%

50%

75%

België

10%

15%

50%

75%

Italië

10%

15%

50%

75%

Ierland

10%

15%

50%

75%

Spanje

10%

14%

50%

75%

Cyprus

10%

13%

50%

75%

Malta

10%

15%

50%

75%

Portugal

8%

12%

40%

61%

Griekenland

8%

10%

38%

57%

Slovenië

7%

9%

33%

50%

Tsjechië

9%

11%

46%

70%

Estland

7%

9%

36%

53%

Slowakije

8%

9%

39%

58%

Litouwen

9%

8%

47%

70%

Polen

7%

9%

37%

56%

Kroatië

6%

7%

32%

48%

Hongarije

8%

9%

42%

63%

Letland

8%

9%

40%

60%

Roemenië

6%

7%

29%

43%

Bulgarije

8%

7%

39%

58%

1 Ten minste 66 % van de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten voor schone zware bedrijfsvoertuigen wordt ingevuld met emissievrije voertuigen of voertuigen op aardgas die volledig op biomethaan rijden, hetgeen wordt aangetoond aan de hand van een contract voor aankoop van biomethaan of andere middelen om toegang te krijgen tot biomethaan. De telling van het aandeel voertuigen op biomethaan voor het substreefcijfer stopt wanneer 30 % van het substreefcijfer is bereikt.

2 Ten minste 75 % van de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten voor schone zware bedrijfsvoertuigen wordt ingevuld met emissievrije voertuigen of voertuigen op aardgas die volledig op biomethaan rijden, hetgeen wordt aangetoond aan de hand van een contract voor aankoop van biomethaan of andere middelen om toegang te krijgen tot biomethaan. De telling van het aandeel voertuigen op biomethaan voor het substreefcijfer stopt wanneer 30 % van het substreefcijfer is bereikt.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0321/2018).


Meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
PDF 238kWORD 89k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 25 oktober 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008 (COM(2018)0149 – C8-0126/2018– 2018/0074(COD))(1)
P8_TA(2018)0425A8-0310/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Titel
Voorstel voor een
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008
tot vaststelling van een meerjarenplan voor de demersale bestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Het GVB heeft onder meer tot doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.
(4)  Het GVB heeft onder meer tot doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn en beheerd worden op een manier die aansluit op de doelstellingen om positieve economische, sociale en werkgelegenheidseffecten teweeg te brengen, de afhankelijkheid van de Uniemarkt van de invoer van levensmiddelen te verminderen en de indirecte en directe schepping van banen en de economische ontwikkeling in de kustgebieden te stimuleren, het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Overeenkomstig de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid en om een gelijk speelveld en eerlijke concurrentie tussen de zeebekkens te garanderen, moeten alle meerjarenplannen volgens een uniform kader worden vastgesteld en mogen geen specifieke afwijkingen voor een zeebekken worden toegestaan met betrekking tot de beginselen voor de vaststelling van quota.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen dienen instandhoudingsmaatregelen als meerjarenplannen, technische maatregelen en vangstmogelijkheden (vaststelling en toewijzing), zo nodig met elkaar gecombineerd, te worden vastgesteld.
(5)  Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen moeten instandhoudingsmaatregelen als meerjarenplannen, technische maatregelen en vangstmogelijkheden (vaststelling en toewijzing), zo nodig met elkaar gecombineerd, worden vastgesteld in overeenstemming met het best beschikbare wetenschappelijke advies.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Met Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt expliciet beoogd de populaties van de beviste soorten op een omvang te herstellen en te behouden die boven het niveau ligt dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Om dit doel te bereiken, is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 bepaald dat het exploitatieniveau voor de maximale duurzame opbrengst voor alle bestanden indien mogelijk tegen 2015, en geleidelijk toenemend uiterlijk 2020 wordt verwezenlijkt.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen meerjarenplannen gebaseerd te zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen. Overeenkomstig die artikelen dient dit plan doelstellingen te omvatten, alsmede kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten, vrijwaringsmaatregelen en technische maatregelen die beogen ongewenste vangsten te voorkomen en te beperken.
(6)  Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen meerjarenplannen gebaseerd te zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen. Overeenkomstig die artikelen dient dit plan doelstellingen te omvatten, alsmede kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten, vrijwaringsmaatregelen en technische maatregelen die beogen ongewenste vangsten te voorkomen en te beperken, de impact op het mariene milieu tot een minimum terug te dringen, met name de verstoring van de habitat en de zeebodem, en sociale en economische doelstellingen te realiseren.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  De Commissie dient voor de bestanden die binnen de werkingssfeer van het meerjarenplan vallen, het beste beschikbare wetenschappelijke advies in te winnen. Zij sluit daartoe memoranda van overeenstemming met de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). Het wetenschappelijke advies van de ICES dient gebaseerd te zijn op dit meerjarenplan en dient in het bijzonder FMSY-bandbreedtes en biomassareferentiepunten (MSY Trigger en Blim) te vermelden. Die waarden dienen te worden vermeld in het desbetreffende bestandsadvies en, waar van toepassing, in andere openbaar beschikbare wetenschappelijke adviezen, waaronder bijvoorbeeld ICES-adviezen met betrekking tot gemengde visserij.
(8)  De Commissie dient voor de bestanden die binnen de werkingssfeer van het meerjarenplan vallen, het beste beschikbare wetenschappelijke advies in te winnen. Zij sluit daartoe memoranda van overeenstemming met de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). Het wetenschappelijke advies van de ICES dient gebaseerd te zijn op dit meerjarenplan en dient in het bijzonder FMSY-bandbreedtes en biomassareferentiepunten (MSY Btrigger en Blim) te vermelden. Die waarden dienen te worden vermeld in het desbetreffende bestandsadvies en, waar van toepassing, in andere openbaar beschikbare wetenschappelijke adviezen, waaronder bijvoorbeeld ICES-adviezen met betrekking tot gemengde en/of meersoortenvisserij.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  In de Verordeningen (EG) nr. 811/200418, (EG) nr. 2166/200519, (EG) nr. 388/200620, (EG) nr. 509/200721, (EG) nr. 1300/200822 en (EG) nr. 1342/200823 van de Raad zijn regels vastgesteld voor de exploitatie van het noordelijke heekbestand, de bestanden van heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland, tong in de Golf van Biskaje, tong in het westelijk Kanaal, haring in het gebied ten westen van Schotland en kabeljauw in het Kattegat, de Noordzee, het gebied ten westen van Schotland en de Ierse Zee. Vis uit deze en andere demersale bestanden wordt geoogst in het kader van gemengde visserij. Daarom dient één meerjarenplan te worden vastgesteld waarin rekening wordt gehouden met zulke technische interacties.
(9)  In de Verordeningen (EG) nr. 811/200418, (EG) nr. 2166/200519, (EG) nr. 388/200620, (EG) nr. 509/200721, (EG) nr. 1300/200822 en (EG) nr. 1342/200823 van de Raad zijn regels vastgesteld voor de exploitatie van het noordelijke heekbestand, de bestanden van heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland, tong in de Golf van Biskaje, tong in het westelijk Kanaal, haring in het gebied ten westen van Schotland en kabeljauw in het Kattegat, de Noordzee, het gebied ten westen van Schotland en de Ierse Zee. Vis uit deze en andere demersale bestanden wordt geoogst in het kader van gemengde en/of meersoortenvisserij. Daarom dient één meerjarenplan te worden vastgesteld waarin rekening wordt gehouden met zulke technische interacties.
_________________
_________________
18 Verordening (EG) nr. 811/2004 van de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor het noordelijke heekbestand (PB L 150 van 30.4.2004, blz. 1).
18 Verordening (EG) nr. 811/2004 van de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor het noordelijke heekbestand (PB L 150 van 30.4.2004, blz. 1).
19 Verordening (EG) nr. 2166/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van de bestanden van zuidelijke heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 345 van 28.12.2005, blz. 5).
19 Verordening (EG) nr. 2166/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van de bestanden van zuidelijke heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 345 van 28.12.2005, blz. 5).
20 Verordening (EG) nr. 388/2006 van de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje (PB L 65 van 7.3.2006, blz. 1).
20 Verordening (EG) nr. 388/2006 van de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje (PB L 65 van 7.3.2006, blz. 1).
21 Verordening (EG) nr. 509/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in het westelijk Kanaal (PB L 122 van 11.5.2007, blz. 7).
21 Verordening (EG) nr. 509/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in het westelijk Kanaal (PB L 122 van 11.5.2007, blz. 7).
22 Verordening (EG) nr. 1300/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren (PB L 344 van 20.12.2008, blz. 6).
22 Verordening (EG) nr. 1300/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren (PB L 344 van 20.12.2008, blz. 6).
23 Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20).
23 Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20).
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Sommige demersale bestanden worden zowel in de westelijke wateren als in daaraan grenzende wateren geëxploiteerd. Daarom dient de werkingssfeer van de bepalingen in het plan die betrekking hebben op streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen voor bestanden die voornamelijk in de westelijke wateren worden geëxploiteerd, te worden uitgebreid tot de betrokken gebieden buiten de westelijke wateren. Bovendien dienen voor bestanden die ook aanwezig zijn in de westelijke wateren, maar die voornamelijk buiten de westelijke wateren worden geëxploiteerd, de streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen te worden vastgesteld in meerjarenplannen voor de gebieden buiten de westelijke wateren waar die bestanden voornamelijk worden geëxploiteerd, waarbij de werkingssfeer van die meerjarenplannen dient te worden uitgebreid tot de westelijke wateren.
(11)  Sommige demersale bestanden worden zowel in de westelijke wateren als in daaraan grenzende wateren geëxploiteerd. Daarom dient de werkingssfeer van de bepalingen in het plan die betrekking hebben op streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen voor demersale bestanden die voornamelijk in de westelijke wateren worden geëxploiteerd, te worden uitgebreid tot de gebieden van deze bestanden die gelegen zijn buiten de westelijke wateren, op voorwaarde dat deze gebieden niet onder de soevereiniteit of rechtsmacht vallen van derde landen. Bovendien dienen voor bestanden die ook aanwezig zijn in de westelijke wateren, maar die voornamelijk buiten de westelijke wateren worden geëxploiteerd, de streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen te worden vastgesteld in meerjarenplannen voor de gebieden buiten de westelijke wateren waar die demersale bestanden voornamelijk worden geëxploiteerd, waarbij de werkingssfeer van die meerjarenplannen dient te worden uitgebreid tot de westelijke wateren.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)   In het beheersplan mag niet alleen worden ingegaan op mechanismen om de vangstmogelijkheden op korte termijn te bepalen, want dat zou leiden tot onzekerheid en een gebrek aan transparantie voor de sector.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  De geografische werkingssfeer van het meerjarenplan dient gebaseerd te zijn op de geografische spreiding van de bestanden, zoals opgenomen in het meest recente wetenschappelijke advies van de ICES. Het is mogelijk dat de geografische spreiding van de bestanden zoals opgenomen in het meerjarenplan in de toekomst moet worden gewijzigd ten gevolge van betere wetenschappelijke informatie of van migratie van bestanden. Daarom dient de Commissie te worden gemachtigd om gedelegeerde handelingen aan te nemen tot aanpassing van de geografische spreiding van de bestanden als opgenomen in het meerjarenplan, indien uit het wetenschappelijk advies van de ICES blijkt dat de geografische verdeling van de betrokken bestanden is gewijzigd.
(12)  De geografische werkingssfeer van het meerjarenplan dient gebaseerd te zijn op de geografische spreiding van de demersale bestanden, zoals opgenomen in het meest recente wetenschappelijke advies van de ICES. Het is mogelijk dat de geografische spreiding van de bestanden zoals opgenomen in het meerjarenplan in de toekomst moet worden gewijzigd ten gevolge van betere wetenschappelijke informatie of van migratie van demersale bestanden. Daarom dient de Commissie te worden gemachtigd om gedelegeerde handelingen aan te nemen tot aanpassing van de geografische spreiding van de bestanden als opgenomen in het meerjarenplan, indien uit het wetenschappelijk advies van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, blijkt dat de geografische verdeling van de betrokken bestanden is gewijzigd.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Dit plan dient erop gericht te zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het GVB, en met name het bereiken en behouden van de MDO voor de doelbestanden, de uitvoering van de aanlandingsverplichting voor demersale bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden en het bevorderen van een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, met aandacht voor de kustvisserij en de sociaaleconomische aspecten. Ook dient het plan een ecosysteemgerichte benadering toe te passen op het visserijbeheer om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het dient in overeenstemming te zijn met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken (overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG) en de doelstellingen van Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad. In dit plan dienen ook nadere bepalingen te worden opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle bestanden van soorten waarvoor de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is.
(14)  Dit plan dient erop gericht te zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het GVB, en met name het bereiken en behouden van alle bestanden van deze verordening boven het niveau van de biomassa dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, de uitvoering van de aanlandingsverplichting voor demersale bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden en het bevorderen van een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, met aandacht voor de kustvisserij en de sociaal-economische aspecten. Ook dient het plan een ecosysteemgerichte benadering toe te passen op het visserijbeheer om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het dient in overeenstemming te zijn met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken (overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG) en de doelstellingen van Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad. In dit plan dienen ook nadere bepalingen te worden opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle in het kader van demersale visserij gevangen bestanden waarvoor de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Het streefdoel voor de visserijsterfte (F) dat in overeenstemming is met de doelstelling om de MDO te bereiken en te behouden, dient te worden vastgesteld in de vorm van een bandbreedte van waarden die in overeenstemming zijn met het bereiken van de MDO (FMSY). Deze op het beste beschikbare wetenschappelijke advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om op flexibele wijze te kunnen inspelen op ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, bij te dragen tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting en rekening te houden met de kenmerken van gemengde visserij. De FMSY-bandbreedtes dienen te worden berekend door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), met name in het kader van de periodieke vangstadviezen. De bandbreedtes dienen op basis van dit plan zo te worden bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO24. De bovengrens van de bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. Deze bovengrens komt ook overeen met de "adviesregel" van de ICES, die inhoudt dat, wanneer de toestand op het gebied van paaibiomassa of abundantie slecht is, F moet worden verminderd tot een waarde die niet hoger is dan een bovengrens gelijk aan de FMSY-puntwaarde vermenigvuldigd met de paaibiomassa of de abundantie in het TAC-jaar (TAC = totaal toegestane vangsten), gedeeld door MSY Btrigger. De ICES hanteert deze overwegingen en deze adviesregel wanneer hij wetenschappelijk advies verstrekt over visserijsterfte en vangstopties.
(16)  Het streefdoel voor de visserijsterfte (F) dat in overeenstemming is met de doelstelling om de MDO te bereiken en te behouden, dient te worden vastgesteld in de vorm van een bandbreedte van waarden die in overeenstemming zijn met het bereiken van de MDO (FMSY). Deze op het beste beschikbare wetenschappelijke advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om op flexibele wijze te kunnen inspelen op ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, bij te dragen tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting en rekening te houden met de kenmerken van gemengde visserij. De FMSY-bandbreedtes dienen onder andere te worden berekend door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), met name in het kader van de periodieke vangstadviezen. De bandbreedtes dienen op basis van dit plan zo te worden bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO24. De bovengrens van de bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. Deze bovengrens komt ook overeen met de "adviesregel" van de ICES, die inhoudt dat, wanneer de toestand op het gebied van paaibiomassa of abundantie slecht is, F moet worden verminderd tot een waarde die niet hoger is dan een bovengrens gelijk aan de FMSY-puntwaarde vermenigvuldigd met de paaibiomassa of de abundantie in het TAC-jaar (TAC = totaal toegestane vangsten), gedeeld door MSY Btrigger. De ICES hanteert deze overwegingen en deze adviesregel wanneer hij wetenschappelijk advies verstrekt over visserijsterfte en vangstopties.
___________
___________
24 Verzoek van de EU aan de ICES om FMSY-brandbreedtes te verstrekken voor bepaalde bestanden in de ICES-deelgebieden 5 tot en met 10.
24 Verzoek van de EU aan de ICES om FMSY-brandbreedtes te verstrekken voor bepaalde bestanden in de ICES-deelgebieden 5 tot en met 10.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)   Teneinde de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken is het passend het streefdoel voor de visserijsterfte (F) op een dusdanig niveau vast te stellen dat het exploitatieniveau voor de maximale duurzame opbrengst niet wordt overschreden. Dit exploitatieniveau moet zo snel mogelijk en geleidelijk toenemend voor alle bestanden waarop deze verordening van toepassing is uiterlijk tegen 2020 worden verwezenlijkt.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  De TAC-hoeveelheden voor langoustine in de westelijke wateren moeten kunnen worden vastgesteld als de som van de vangstbeperkingen voor elke functionele eenheid en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden in dat TAC-gebied. Dit sluit het vaststellen van maatregelen ter bescherming van specifieke functionele eenheden evenwel niet uit.
(20)  De TAC-hoeveelheden voor een langoustinebestand in de westelijke wateren moeten kunnen worden vastgesteld als de som van de vangstbeperkingen voor elke functionele eenheid en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden in het voor dit bestand gedefinieerde gebied. Dit sluit het vaststellen van maatregelen ter bescherming van specifieke functionele eenheden evenwel niet uit.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  Er moet onmiddellijk een aantal verbodsbepalingen voor de visserij worden vastgesteld met betrekking tot zeebaars en witte koolvis, met name om de oudervissen van deze soorten te beschermen tijdens de voortplantingsperiode. Om de afnemende bestanden van zeebaars en witte koolvis te beschermen, moeten de lidstaten passende herstelmaatregelen nemen in zowel de commerciële als de recreatievisserij, zoals vastgesteld door het beste beschikbare wetenschappelijke bewijs.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Wanneer de Raad in het kader van het vaststellen van de vangstmogelijkheden voor een bepaald bestand rekening houdt met een significante impact van de recreatievisserij, behoort hij over de mogelijkheid te beschikken een TAC vast te stellen voor commerciële vangsten die rekening houdt met de in het kader van de recreatievisserij gevangen hoeveelheden, en/of andere maatregelen te nemen ter beperking van de recreatievisserij, zoals meeneemlimieten en sluitingsperioden.
(22)  Wanneer de visserijsterfte in de recreatievisserij een significante impact heeft op een bestand dat beheerd wordt op basis van de MDO, moet de Raad individuele, niet-discriminerende vangstmogelijkheden kunnen vaststellen voor recreatievissers. Deze individuele vangstmogelijkheden voor de recreatievisserij moeten betrekking hebben op perioden die niet korter mogen zijn dan een maand, rekening houdend met de reële praktijken en vangsten in de recreatievisserij. Ook moet bij de recreatieve vangsten van bepaalde soorten met een hoge handelswaarde een deel van de staartvin worden verwijderd, om de mogelijkheid te beperken dat deze vangsten op illegale wijze worden gebruikt in het handelsverkeer.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Met het oog op de naleving van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen, die nader dienen te worden uitgewerkt overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
(23)  Met het oog op de naleving van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting en om de negatieve gevolgen voor het ecosysteem tot een minimum te beperken dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen, met name maatregelen om teruggooi geleidelijk te vermijden en uit te bannen en de negatieve gevolgen van visserij voor het ecosysteem tot een minimum te beperken, rekening houdend met het beste beschikbare wetenschappelijke advies, die in voorkomend geval nader dienen te worden uitgewerkt overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Ook moet worden gespecificeerd dat de aanlandingsverplichting niet geldt voor de recreatievisserij. Indien geen gemeenschappelijke aanbevelingen worden ingediend, mag de Commissie gedelegeerde handelingen vaststellen.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)   Met het oog op de bescherming van kwetsbare soorten en habitats, met name die welke ernstig worden bedreigd en worden aangetast door visserijdruk, moeten in het plan beheersmaatregelen voor de betrokken visserijen worden vastgesteld, waaronder aanpassing van vistuig, aanpassing van de activiteiten van vaartuigen en aanpassing van de vaartuigen zelf. Het plan moet aanvullende beheersmaatregelen omvatten die overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 nader moeten worden gespecificeerd. De Commissie moet uitvoeringshandelingen kunnen vaststellen waarmee een analyse van het zeegebied wordt uitgevoerd en de vorm en het tijdschema voor de indiening en goedkeuring van beheersmaatregelen worden bepaald.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 24 bis (nieuw)
(24 bis)  De Commissie dient jaarlijks verslag uit te brengen aan het Europees Parlement over de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen die gebruikt zijn voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden of de toepassing van de vrijwaringsmaatregelen door de Raad, en zij dient het Europees Parlement vooraf te informeren over situaties waar het wetenschappelijk advies kan leiden tot grote verschillen bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, dient de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gemachtigd om in aanvulling op deze verordening handelingen vast te stellen met betrekking tot herstelmaatregelen en de uitvoering van de aanlandingsverplichting. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201625. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(26)  Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, dient de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gemachtigd om in aanvulling op deze verordening handelingen vast te stellen met betrekking tot herstelmaatregelen en de uitvoering van de aanlandingsverplichting. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging van de adviesraden van de betrokken segmenten overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201625. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
_________________
_________________
25 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
25 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  Het gebruik van dynamische verwijzingen naar FMSY-bandbreedtes en naar instandhoudingsreferentiepunten garandeert dat die parameters, die van essentieel belang zijn voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden, actueel blijven en dat de Raad zich steeds kan baseren op de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen. Voorts dient die benadering, met dynamische verwijzingen naar de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen, ook voor het beheer van de bestanden in de Oostzee te worden gevolgd. Met "het beste beschikbare wetenschappelijke advies" wordt hier bedoeld: openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat wordt ondersteund door de meest actuele wetenschappelijke gegevens en methoden en dat is uitgebracht of beoordeeld door een onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Europese Unie of op internationaal niveau. Verordening (EU) 2016/113927 dient derhalve te worden gewijzigd.
(28)  Het gebruik van dynamische verwijzingen naar FMSY-bandbreedtes en naar instandhoudingsreferentiepunten garandeert dat die parameters, die van essentieel belang zijn voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden, actueel blijven en dat de Raad zich steeds kan baseren op de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen. Voorts dient die benadering, met dynamische verwijzingen naar de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen, ook worden gevolgd voor het beheer van de bestanden in de Oostzee. De Commissie moet ook een jaarlijks verslag indienen bij het Europees Parlement over de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen die gebruikt zijn en zij moet het Europees Parlement vooraf informeren over situaties waar het wetenschappelijk advies kan leiden tot grote verschillen bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden. Met "het beste beschikbare wetenschappelijke advies" wordt hier bedoeld: openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat intercollegiaal is getoetst door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) of andere deskundige wetenschappelijke instanties zoals de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). Het wordt ondersteund door de meest actuele wetenschappelijke gegevens en methoden die beschikbaar zijn en zal aan de vereisten van artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voldoen.
_________________
27 Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (PB L 191 van 15.7.2016, blz. 1).
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – inleidende formule
1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna "het plan" genoemd) vastgesteld voor de volgende demersale bestanden, met inbegrip van diepzeebestanden, in de westelijke wateren, en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren; voor bestanden die zich uitstrekken tot buiten de westelijke wateren, geldt het plan ook in de daaraan grenzende wateren:
1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna "het plan" genoemd) vastgesteld voor de hierna opgesomde demersale bestanden, met inbegrip van diepzeebestanden, in de westelijke wateren en, voor bestanden die zich uitstrekken tot buiten de westelijke wateren, in de daaraan grenzende wateren die niet onder de soevereiniteit of rechtsmacht vallen van derde landen, alsmede voor de visserijen die deze bestanden exploiteren:
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – punt 4
4)  zeebaars (Dicentrarchus labrax) in de sectoren 4b, 4c, 7a, en 7d–h;
4)  zeebaars (Dicentrarchus labrax) in de sectoren 4b, 4c, 7a-b, 7d-h en 7j, in deelgebied 8 en in sector 9a;
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 23 – streepje 1
–  in het zuidelijk deel van de Golf van Biskaje (FU 25);
–  in de Golf van Biskaje (FU 23-24);
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 24 – streepje 1
–  in Westelijk Galicië (FU 26-27);
–  in Westelijk Galicië (FU 26);
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 24 – streepje 2
–  in de Iberische wateren (FU 28-29);
Schrappen
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 24 – streepje 2 bis (nieuw)
–  ten noorden van Portugal (FU 27);
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 – punt 24 – streepje 2 ter (nieuw)
–   in Portugese wateren (zuiden van Portugal en de Algarve) (FU 28-29);
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – alinea 2
Wanneer in wetenschappelijk advies wordt aangegeven dat de geografische spreiding van de in de eerste alinea van dit lid vermelde bestanden is gewijzigd, kan de Commissie daarmee rekening houden door deze verordening te wijzigen bij een overeenkomstig artikel 15 vastgestelde gedelegeerde handeling tot aanpassing van de voornoemde gebieden. Die aanpassing strekt niet tot uitbreiding van de bestandsgebieden buiten de wateren van de Unie van de deelgebieden 4 tot en met 10 en de CECAF-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0.
Wanneer in het beste wetenschappelijk advies dat beschikbaar is, met name dat van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), wordt aangegeven dat de geografische spreiding van de in de eerste alinea van dit lid vermelde bestanden is gewijzigd, kan de Commissie daarmee rekening houden door deze verordening te wijzigen bij een overeenkomstig artikel 15 vastgestelde gedelegeerde handeling tot aanpassing van de voornoemde gebieden. Die aanpassing strekt niet tot uitbreiding van de bestandsgebieden buiten de wateren van de Unie van de deelgebieden 4 tot en met 10 en de CECAF-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2
2.  Wanneer de Commissie op basis van wetenschappelijk advies van oordeel is dat de lijst in de eerste alinea van lid 1 dient te worden gewijzigd, kan zij daartoe een voorstel indienen.
2.  Wanneer de Commissie op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies van oordeel is dat de lijst in de eerste alinea van lid 1 dient te worden gewijzigd, kan zij daartoe een voorstel indienen.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 3
3.  Met betrekking tot de aangrenzende wateren in de zin van lid 1 van dit artikel zijn alleen de artikelen 4 en 6 en de maatregelen inzake vangstmogelijkheden krachtens artikel 7 van deze verordening van toepassing.
3.  Met betrekking tot de aangrenzende wateren in de zin van lid 1 van dit artikel zijn alleen de artikelen 4 en 6 en de maatregelen inzake vangstmogelijkheden krachtens artikel 7 van deze verordening, alsmede artikel 9, lid 3 bis, en artikel 9 bis van deze verordening van toepassing.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 4
4.  Deze verordening is ook van toepassing op bijvangsten die in de westelijke wateren bij de visserij op de in lid 1 genoemde bestanden worden gevangen. Indien voor die bestanden echter FMSY-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake biomassa zijn vastgesteld bij andere rechtshandelingen van de Unie tot vaststelling van meerjarenplannen, zijn die bandbreedtes en maatregelen van toepassing.
4.  Deze verordening is ook van toepassing op bijvangsten die in de westelijke wateren bij de visserij op de in lid 1 genoemde demersale bestanden worden gevangen en moet ervoor zorgen dat alle biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de MDO kan opleveren, in overeenstemming met artikel 2, lid 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   Deze verordening bevat ook nadere bepalingen voor de uitvoering van maatregelen om de impact op het mariene milieu tot een minimum te beperken, met name de incidentele vangsten van beschermde soorten in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle visserijen die daar actief zijn. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarmee een analyse van het zeegebied wordt uitgevoerd en de vorm en het tijdschema voor de indiening en goedkeuring van beheersmaatregelen worden bepaald.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 5
5.  Deze verordening bevat ook nadere bepalingen met betrekking tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle bestanden van soorten waarop de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is.
5.  Deze verordening bevat ook nadere bepalingen met betrekking tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor bestanden van soorten waarop de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is en die in het kader van demersale visserij gevangen zijn.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 6
6.  Deze verordening voorziet in technische maatregelen, als uiteengezet in artikel 8, voor alle bestanden in de westelijke wateren.
6.  Deze verordening voorziet in technische maatregelen voor commerciële en recreatievisserij, als uiteengezet in artikel 8, voor alle demersale bestanden in de westelijke wateren.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
2)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de bestaande gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is van dien aard dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de maximale duurzame opbrengst. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;
2)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de bestaande gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is van dien aard dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de maximale duurzame opbrengst. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5
5)  "FMSY-puntwaarde": de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en bij de heersende milieuomstandigheden de maximale langetermijnopbrengst oplevert;
5)  "FMSY": de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en bij de heersende milieuomstandigheden de maximale langetermijnopbrengst oplevert;
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 8
8)  "Blim": het referentiepunt voor bestandsomvang, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, onder hetwelk een verlaagde reproductiecapaciteit kan voorkomen;
8)  "Blim": het referentiepunt voor bestandsomvang, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, onder hetwelk een verlaagde reproductiecapaciteit kan voorkomen;
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 9
9)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, of voor abundantie in het geval van langoustines, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, onder hetwelk specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren.
9)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, of voor abundantie in het geval van langoustines, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, onder hetwelk specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 9 bis (nieuw)
9 bis)  "beste beschikbare wetenschappelijke advies": openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat wordt ondersteund door de meest actuele wetenschappelijke gegevens en methoden, dat is uitgebracht of beoordeeld door een onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Europese Unie of op internationaal niveau, zoals het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) of de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), en dat voldoet aan de vereisten van artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1
1.  Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toe te passen, en beoogt ervoor te zorgen dat de biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de MDO kan opleveren.
1.  Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toe te passen, en beoogt ervoor te zorgen dat de biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de MDO kan opleveren. Naast het nastreven van duurzaamheid vanuit milieuoogpunt, wordt het plan uitgevoerd op een manier die in overeenstemming is met de doelstellingen om positieve economische, sociale en werkgelegenheidseffecten teweeg te brengen en tegelijkertijd bij te dragen aan de beschikbaarheid van levensmiddelen.
De graad van bevissing die de maximale duurzame opbrengst oplevert, wordt voor alle bestanden geleidelijk maar uiterlijk in 2020 bereikt en vanaf dat moment behouden.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2
2.  Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de uitvoering van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder deze verordening vallende bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden.
2.  Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, onder andere door het gebruik van innovatieve, selectieve soorten vistuig en vistechnieken, alsook tot de uitvoering, van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder deze verordening vallende bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 3
3.  Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het is in overeenstemming met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken, zoals omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, en met de doelstellingen van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2009/147/EG en de artikelen 6 en 12 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad.
3.  Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem, en in het bijzonder voor kwetsbare habitats en beschermde soorten, zoals zeezoogdieren, zeereptielen, zeevogels, diepzeeheuvels, diepzeeriffen en koraaltuinen of sponsdierkoloniën, tot een minimum worden beperkt en bij voorkeur worden voorkomen, en zeker te stellen dat vissers duurzaam en selectief blijven vissen. Het is in overeenstemming met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken, zoals omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, en met de doelstellingen van Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 4 – letter b
b)  bij te dragen tot de vervulling van andere relevante beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, in verhouding tot de rol die visserijen voor de vervulling ervan spelen.
b)  ervoor te zorgen dat de negatieve impact van visserijactiviteiten op het mariene ecosysteem, in het bijzonder op bedreigde habitats en beschermde soorten, zoals zeezoogdieren en zeevogels, tot een minimum wordt beperkt.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 5
5.  De maatregelen uit hoofde van het plan worden genomen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies. Wanneer er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, wordt een vergelijkbaar niveau van instandhouding van de betrokken bestanden nagestreefd.
5.  De maatregelen uit hoofde van het plan worden genomen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies. Het beste beschikbare wetenschappelijke advies wordt intercollegiaal getoetst door betrouwbare en deskundige wetenschappelijke instanties zoals de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) of het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV). Het wordt uiterlijk openbaar gemaakt wanneer deze maatregelen door de Commissie worden voorgesteld. Wanneer er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, wordt een vergelijkbaar niveau van instandhouding van de betrokken bestanden nagestreefd.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2
2.  De ICES wordt verzocht die FMSY-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.
2.  De ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, wordt verzocht die FMSY-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 5 – letter a
a)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserij;
a)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde en/of meersoortenvisserij, met name om de sociaal-economische beperkingen die aan de visserijen worden opgelegd, te verminderen;
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 5 – letter c
c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.
c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken, behalve in situaties waarin de consequenties van verstikking of van andere fenomenen die de activiteit van bepaalde vloten stilleggen of negatief beïnvloeden, worden gecompenseerd.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   Om te voorkomen dat kortetermijnbeheer de uitvoering van meerjarig beheer in de weg staat en om de deelname van belanghebbenden in de besluitvorming te bevorderen, is het mogelijk exploitatieregels binnen het kader van deze verordening goed te keuren via regionalisering.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  Wanneer geen adequate wetenschappelijke informatie beschikbaar is, worden die bestanden beheerd volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
2.  Wanneer geen adequate wetenschappelijke informatie beschikbaar is, worden die bestanden beheerd volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en moet worden gezorgd voor een niveau van instandhouding dat ten minste vergelijkbaar is met exploitatieniveaus in overeenstemming met de MDO zoals vereist volgens artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3
3.  Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt bij het beheer van gemengde visserij op de in artikel 1, lid 4, van de onderhavige verordening bedoelde bestanden in aanmerking genomen dat het moeilijk is alle bestanden tegelijkertijd op MDO-niveau te bevissen, vooral in gevallen waarin dit zou leiden tot een vroegtijdige sluiting van de visserij.
3.  Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt bij het beheer van gemengde en/of meersoortenvisserij op de in artikel 1, lid 4, van de onderhavige verordening bedoelde bestanden in aanmerking genomen dat het moeilijk is alle bestanden tegelijkertijd op MDO-niveau te bevissen, vooral in gevallen waarin dit zou leiden tot een vroegtijdige sluiting van de visserij.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – inleidende formule
De ICES wordt verzocht op basis van dit plan opgave te doen van de volgende instandhoudingsreferentiepunten voor de bescherming van de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden:
De ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, wordt verzocht in overeenstemming met de definitie van best beschikbaar wetenschappelijk advies op basis van dit plan opgave te doen van de volgende instandhoudingsreferentiepunten voor de bescherming van de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden:
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1
1.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden voor een bepaald jaar lager is dan MSY Btrigger, worden passende herstelmaatregelen getroffen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, de vangstmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot onder het bovenste segment van de FMSY-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.
1.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde demersale bestanden voor een bepaald jaar lager is dan MSY Btrigger, worden passende herstelmaatregelen getroffen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, de vangstmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot onder het bovenste segment van de FMSY-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
2.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden lager is dan Blim, worden verdere herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, inhouden dat de gerichte visserij voor het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid wordt geschorst en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.
2.  Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde demersale bestanden lager is dan Blim, worden verdere herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel weer boven het niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, inhouden dat de gerichte visserij voor het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid wordt geschorst en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 – inleidende formule
1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 15 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van de onderhavige verordening wat de volgende technische maatregelen betreft:
1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 15 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van de onderhavige verordening wat de volgende technische maatregelen voor visserijen die de demersale bestanden in de westelijke wateren exploiteren betreft:
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 – letter a
a)  de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;
a)  de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen, met name van jonge exemplaren, of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.
2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen en zijn van toepassing op zowel de commerciële als de recreatievisserij.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 bis (nieuw)
Artikel 8 bis
Zones en perioden met een visserijverbod voor zeebaars
1.  Commerciële en recreatievisserij op zeebaars zijn verboden in de westelijke wateren in de ICES-sectoren 4b en 4c tussen 1 februari en 30 april. In deze zones is het verboden aan de kust gevangen zeebaars aan boord te houden, over te laden, te verplaatsen of aan te landen, alsmede te behouden.
2.  Het is voor vissersvaartuigen van de Unie eveneens verboden om te vissen op zeebaars in de ICES-sectoren 7b, 7c, 7j en 7k, alsmede in de wateren van de ICES-sectoren 7a en 7g die zich meer dan 12 zeemijl van de basislijn die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen, bevinden. Het is voor vissersvaartuigen van de Unie verboden om in die zones gevangen zeebaars aan boord te hebben, over te laden, te verplaatsen of aan te landen.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3
3.  Onverminderd artikel 7 mag de totale toegestane vangst voor de langoustinebestanden in de westelijke wateren de som zijn van de vangstbeperkingen voor de functionele eenheden en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden.
3.  Onverminderd artikel 7 mag de totale toegestane vangst voor een gegeven langoustinebestand de som zijn van de vangstbeperkingen voor de functionele eenheden en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden van de voor dit bestand gedefinieerde zones.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4
4.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij aanzienlijke gevolgen heeft voor de visserijsterfte bij een bepaald bestand, houdt de Raad bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden rekening met die recreatievisserij en kan zij daaraan een beperking opleggen om te vermijden dat het totale streefdoel voor visserijsterfte wordt overschreden.
Schrappen
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 bis (nieuw)
Artikel 9 bis
Recreatievisserij
1.  Bij de toewijzing van de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden als bedoeld in artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 houden de lidstaten rekening met de visserijsterfte in de recreatievisserij, om te voorkomen dat het totale streefdoel voor visserijsterfte wordt overschreden.
Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij aanzienlijke gevolgen heeft voor de visserijsterfte bij een in artikel 1, lid 1, van deze verordening opgenomen bestand, kan de Raad individuele, niet-discriminerende vangstmogelijkheden vaststellen voor recreatievissers.
2.  Bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor de recreatievisserij baseert de Raad zich op transparante, objectieve criteria, onder andere criteria van ecologische, sociale en economische aard. De criteria die worden gehanteerd, kunnen onder meer betrekking hebben op de impact van deze visserij op het milieu, het maatschappelijke belang van deze activiteit en de bijdrage ervan aan de economie in de kustgebieden.
3.  De lidstaten nemen de nodige proportionele maatregelen voor het controleren en verzamelen van gegevens voor een betrouwbare schatting van het effectieve niveau van de in lid 1 bedoelde vangsten.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 ter (nieuw)
Artikel 9 ter
Markering van vangsten in de recreatievisserij
1.  De exemplaren van zeebaars, kabeljauw, witte koolvis en tong die gevangen zijn in de in artikel 1, lid 1, genoemde zones van de bestanden van deze soorten, krijgen een markering wanneer zij door een recreatievisser worden behouden.
2.  Deze markering bestaat uit het verwijderen van het onderste of bovenste deel van de staartvin, waarbij evenwel het meten van de grootte van de vis niet wordt verhinderd.
3.  Deze markering geschiedt onmiddellijk na de vangst en het doden, hetzij op de oever, hetzij nadat de vis aan boord is gebracht, in het geval van recreatievisserij vanaf een vaartuig. Exemplaren die aan boord van een vaartuig van de recreatievisserij zijn gebracht en daar levend en in goede conditie worden gehouden alvorens te worden vrijgelaten, worden evenwel niet gemarkeerd.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1
Voor alle bestanden van soorten in de westelijke wateren waarvoor de aanlandingsverplichting geldt krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 15 van de onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen aan te nemen tot aanvulling van deze verordening middels de vaststelling van nadere bepalingen met betrekking tot de aanlandingsverplichting, als bedoeld in artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Voor alle bestanden van demersale soorten in de westelijke wateren waarvoor de aanlandingsverplichting geldt krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en voor incidentele vangsten van pelagische soorten in visserijen die in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden exploiteren waarvoor de aanlandingsverplichting geldt, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 15 van de onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen aan te nemen tot aanvulling van deze verordening middels de vaststelling van nadere bepalingen met betrekking tot de aanlandingsverplichting, als bedoeld in artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1 bis (nieuw)
De in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde aanlandingsverplichting is niet van toepassing op de recreatievisserij, met inbegrip van de gevallen waar de Raad individuele vangstmogelijkheden vaststelt uit hoofde van artikel 9 bis van deze verordening.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Ambachtelijke en kustvisserij in de ultraperifere gebieden
In deze verordening wordt rekening gehouden met de beperkingen in verband met de grootte van de vaartuigen van de ambachtelijke en kustvisserij die in de ultraperifere gebieden worden gebruikt. De aanlanding van bijvangsten moet dienovereenkomstig worden toegestaan voor zover dit de impact op de paaibiomassa niet verergert.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1
1.  De lidstaten geven voor elk van de in artikel 1, lid 1, van deze verordening bedoelde ICES-zones overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vismachtigingen af aan vaartuigen die hun vlag voeren en die in dat gebied visserijactiviteiten uitvoeren. De lidstaten kunnen in die vismachtigingen ook de in kW uitgedrukte totale capaciteit van de vaartuigen die gebruikmaken van een specifiek vistuig, beperken.
1.  De lidstaten geven voor de in artikel 1, lid 1, van deze verordening bedoelde ICES-zones overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vismachtigingen af aan vaartuigen die hun vlag voeren en die in dat gebied visserijactiviteiten uitvoeren.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   De lidstaten kunnen in de in lid 1 bedoelde vismachtigingen ook de totale capaciteit beperken van de in genoemd lid bedoelde vaartuigen die gebruikmaken van een specifiek vistuig.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 13 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen om beperkingen op te leggen van de totale capaciteit van de vloten van de betrokken lidstaten, om de verwezenlijking van de in artikel 3 vermelde doelstellingen te faciliteren.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1
1.  Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 8 en 10 van de onderhavige verordening genoemde maatregelen.
1.  Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 8, 10 en 11 ter van de onderhavige verordening genoemde maatregelen.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2
2.  Voor de toepassing van lid 1 van het onderhavige artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de noordwestelijke wateren en lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de zuidwestelijke wateren gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 14. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer de toestand van een van de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, plotseling verandert. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend.
2.  Voor de toepassing van lid 1 van het onderhavige artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de noordwestelijke wateren en lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de zuidwestelijke wateren gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 14. De lidstaten kunnen ook verdere aanbevelingen indienen wanneer noodzakelijk, met name wanneer de toestand van een van de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, verandert, alsmede om een plan op te stellen met maatregelen om de ecosysteemgerichte benadering op het visserijbeheer in de westelijke wateren toe te passen. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend, of zo snel mogelijk wanneer deze gemeenschappelijke aanbevelingen bedoeld zijn om noodsituaties die door het nieuwste wetenschappelijke advies zijn blootgelegd, aan te pakken.
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Onverminderd het bepaalde in artikel 18, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 kan de Commissie gedelegeerde handelingen ook vaststellen wanneer een in die leden bedoelde gemeenschappelijke aanbeveling ontbreekt.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 bis (nieuw)
Artikel 13 bis
Follow-up en voorafgaande kennisgeving van wijzigingen van het wetenschappelijk advies
1.  Jaarlijks dient de Commissie uiterlijk op 1 april een verslag in bij het Europees Parlement over de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen die als basis hebben gediend voor de Raadsbesluiten tot vaststelling van de vangstmogelijkheden die met toepassing van deze verordening zijn genomen tussen 1 februari van het voorgaande jaar en 31 januari van het lopende jaar.
Dit verslag omvat in het bijzonder voor alle betrokken visbestanden en ‑soorten de vangstmogelijkheden die door de Raad zijn vastgesteld krachtens artikel 4, artikel 5 en, in voorkomend geval, artikel 7 van deze verordening, met vermelding van de overeenkomstige waarden uitgedrukt in visserijsterftecijfers. Deze gegevens worden vergeleken met de wetenschappelijke referentie-adviezen voor de brandbreedtes voor visserijsterfte (MSY Flower, FMSY en MSY Fupper en de overeenkomstige vangstmogelijkheden) en voor de ramingen van de paaibiomassa en de biomassareferentiedrempels (MSY Btrigger en Blim).
2.  De Commissie brengt het Europees Parlement zo spoedig mogelijk nadat zij er kennis van heeft gekregen, en in elk geval vóór de vaststelling van een nieuw Raadsbesluit tot vaststelling van vangstmogelijkheden, op de hoogte van de situaties waar de recentste FMSY-waarden overeenkomen met schommelingen van de vangstmogelijkheden die meer dan 20 % afwijken van de vangstmogelijkheden die overeenkomen met de FMSY-puntwaarden van het wetenschappelijk advies dat heeft gediend voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor de lopende periode. De Commissie brengt het Europees Parlement ook zo spoedig mogelijk, en in elk geval vóór de vaststelling van een nieuw Raadsbesluit, op de hoogte van de gevallen waar de wetenschappelijke adviezen betreffende de verschillende referentieniveaus voor de paaibiomassa het nemen van vrijwaringsmaatregelen op grond van artikel 7 verantwoorden.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – titel
Evaluatie van het plan
Evaluatie en uitvoering van het plan
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2
2.  De in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
2.  De in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10, alsmede in artikel 11, lid 1 ter, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 3
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10, alsmede in artikel 11, lid 1 ter, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 6
6.  Een overeenkomstig artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
6.  Een overeenkomstig artikel 1, lid 1, en de artikelen 8 en 10, alsmede artikel 11, lid 1 ter, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
2)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de bestaande gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is van dien aard dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de maximale duurzame opbrengst. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;
2)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de bestaande gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is van dien aard dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de maximale duurzame opbrengst. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel 2 – alinea 1 – punt 8
8)  "Blim": het referentiepunt voor bestandsomvang, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, onder hetwelk een verlaagde reproductiecapaciteit kan voorkomen;
8)  "Blim": het referentiepunt voor bestandsomvang, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, onder hetwelk een verlaagde reproductiecapaciteit kan voorkomen;
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel 2 – alinea 1 – punt 9
9)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, onder hetwelk specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;
9)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, onder hetwelk specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel 4 – lid 2
2.  De ICES wordt verzocht die FMSY-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.
2.  De ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, wordt verzocht die FMSY-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel 4 – lid 5 – letter c
c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.
c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken, behalve in situaties waarin de consequenties van verstikking of van andere fenomenen die de activiteit van bepaalde vloten stopzetten of negatief beïnvloeden, worden gecompenseerd.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – punt 3
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel 4 bis – alinea 1 – inleidende formule
De ICES wordt verzocht op basis van dit plan opgave te doen van de volgende instandhoudingsreferentiepunten voor de bescherming van de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden:
De ICES, of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, wordt verzocht op basis van dit plan opgave te doen van de volgende instandhoudingsreferentiepunten voor de bescherming van de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden:
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – alinea 1 – lid 4 bis (nieuw)
Verordening (EU) 2016/1139
Artikel -15 (nieuw)
4 bis.  Het volgende artikel wordt in Hoofdstuk IX ingevoegd:
"Artikel -15
Follow-up en voorafgaande kennisgeving van wijzigingen van het wetenschappelijk advies
1.  Jaarlijks dient de Commissie uiterlijk op 1 april een verslag in bij het Europees Parlement over de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen die als referentie hebben gediend voor de Raadsbesluiten tot vaststelling van de vangstmogelijkheden die met toepassing van deze verordening zijn genomen tussen 1 februari van het voorgaande jaar en 31 januari van het lopende jaar.
Dit verslag omvat in het bijzonder voor alle betrokken visbestanden en ‑soorten de vangstmogelijkheden die door de Raad zijn vastgesteld krachtens artikel 4, artikel 5 en, in voorkomend geval, artikel 7 van deze verordening, met vermelding van de overeenkomstige waarden uitgedrukt in visserijsterftecijfers. Deze gegevens worden vergeleken met de wetenschappelijke referentie-adviezen voor de brandbreedtes voor visserijsterfte (MSY Flower, FMSY en MSY Fupper en de overeenkomstige vangstmogelijkheden) en voor de ramingen van de paaibiomassa en de biomassareferentiedrempels (MSY Btrigger en Blim).
2.  De Commissie brengt het Europees Parlement zo spoedig mogelijk nadat zij er kennis van heeft gekregen, en in elk geval vóór de vaststelling van een nieuw Raadsbesluit tot vaststelling van vangstmogelijkheden, op de hoogte van de situaties waar de recentste wetenschappelijke FMSY-waarden overeenkomen met schommelingen van de vangstmogelijkheden die meer dan 20 % afwijken van de vangstmogelijkheden die overeenkomen met de FMSY-waarden van het wetenschappelijk advies dat heeft gediend voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor de lopende periode. De Commissie brengt het Europees Parlement ook zo spoedig mogelijk, en in elk geval vóór de vaststelling van een nieuw Raadsbesluit, op de hoogte van de gevallen waar de wetenschappelijke adviezen betreffende de verschillende referentieniveaus voor de paaibiomassa het nemen van vrijwaringsmaatregelen op grond van artikel 7 verantwoorden.";

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0310/2018).


Vestigingsplaats van de zetel van de Europese Bankautoriteit ***I
PDF 146kWORD 48k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 wat betreft de vestigingsplaats van de zetel van de Europese Bankautoriteit (COM(2017)0734 – C8-0420/2017 – 2017/0326(COD))
P8_TA(2018)0426A8-0153/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0734),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0420/2017),

–  gezien artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, alsmede het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven, waarin deze instellingen zich ertoe hebben verbonden in alle stadia van de wetgevingscyclus loyaal en transparant samen te werken en daarbij herinneren aan de gelijkheid van beide medewetgevers,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over de gedecentraliseerde agentschappen van 19 juli 2012,

–  gezien de procedure met het oog op een besluit over de hervestiging van het Europees Geneesmiddelenbureau en de Europese Toezichthoudende Autoriteit (de Europese Bankautoriteit) (EBA) in het kader van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, zoals goedgekeurd in de marge van de Europese Raad (artikel 50 VEU-samenstelling) op 22 juni 2017,

–  na raadpleging van de Europese Centrale Bank,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 januari 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 17 oktober 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie constitutionele zaken (A8–0153/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt nota van de als bijlage bij deze resolutie gevoegde verklaring van de Raad;

3.  vraagt dat de gemeenschappelijke aanpak die als bijlage bij de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 19 juli 2012 over de gedecentraliseerde agentschappen is gevoegd, onverwijld wordt herzien om naar behoren rekening te houden met de rol van het Parlement in het besluitvormingsproces over de vestigingsplaats van agentschappen, gelet op zijn prerogatieven als medewetgever in de gewone wetgevingsprocedure, en vraagt daarom dat het Parlement nauw bij dat besluitvormingsproces wordt betrokken;

4.  herinnert aan de criteria voor de hervestiging van de agentschappen van de Unie in Londen in het kader van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, zoals door de Commissie vastgesteld en door de staatshoofden en regeringsleiders van de EU27 tijdens de Europese Raad (in de samenstelling van artikel 50 VEU) op 22 juni 2017 bekrachtigd, te weten: i. de verzekering dat het agentschap op de locatie kan worden opgezet en zijn taken verder kan verrichten vanaf de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie; ii. de toegankelijkheid van de vestigingsplaats; iii. de aanwezigheid van adequate onderwijsvoorzieningen voor de kinderen van personeelsleden van het agentschap; iv. toegang tot de arbeidsmarkt, sociale zekerheid en gezondheidszorg voor echtgenoten en kinderen; v. continuïteit van de werkzaamheden, en vi. geografische spreiding;

5.  betreurt dat het Parlement niet is betrokken bij de vaststelling en de weging van de criteria voor de selectie van de vestigingsplaats van de zetel van de EBA, ondanks zijn prerogatieven, waaronder het Parlement en de Raad gelijkwaardige medewetgevers zijn ten aanzien van Verordening (EU) nr. 1093/2010(2) tot oprichting van de EBA en tot vaststelling van haar vestigingsplaats;

6.  herinnert eraan dat het besluit van 2010 betreffende de vestigingsplaats van de EBA, net als het besluit betreffende de vestigingsplaats van de EIOPA en de ESMA, genomen is overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure, na een volledige trialoogprocedure; wijst erop dat het besluit betreffende de zetel van het agentschap in Londen dat eveneens hervestigd moet worden, genomen is in onderlinge overeenstemming tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders; wijst erop dat de Raad (in de samenstelling van artikel 50 VEU) de nieuwe zetel van de EBA gekozen heeft op basis van de gezamenlijke verklaring over de gedecentraliseerde agentschappen van 19 juli 2012, die een lagere juridische status heeft dan Verordening (EU) nr. 1093/2010;

7.  betreurt het gebrek aan transparantie en democratische verantwoording bij de stemprocedure in de Raad op 20 november 2017, waarmee het nemen van definitieve besluiten neerkomt op het trekken van lootjes; wijst erop dat de agentschappen op dit moment gedeeltelijk worden gefinancierd met middelen van de begroting van de Unie en dat de hervestigingskosten ook gedeeltelijk ten laste van de begroting van de Unie zouden kunnen komen (een kwestie waarover de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk momenteel nog onderhandelen); beklemtoont in dit verband het belang van democratische verantwoording, alsmede van een transparant en inzichtelijk besluitvormingsproces, in het belang van de Europese burgers; verzoekt om meer gedetailleerde informatie over de weging van de door de Raad gehanteerde criteria voor de selectie van de vestigingsplaats van het EBA;

8.  is van oordeel dat het Parlement stelselmatig en op voet van gelijkwaardigheid met de Commissie en de Raad betrokken moet worden bij de vaststelling en de weging van de criteria voor de selectie van de vestigingsplaats van de zetel van alle organen en agentschappen van de Unie; verzoekt de Commissie en de Raad om herziening van de gezamenlijke verklaring over de gedecentraliseerde agentschappen van 19 juli 2012, met als doel het garanderen van een sterke betrokkenheid van het Parlement, met inachtneming van in het bijzonder zijn medebeslissingsbevoegdheden;

9.  beklemtoont de verschillende taken en gebieden van expertise van de Europese toezichthoudende autoriteiten EBA, EIOPA en ESMA; herinnert aan het weloverwogen besluit van de medewetgevers om drie autoriteiten in het leven te roepen met verschillende taken en gebieden van expertise, één voor banken, één voor effecten, en één voor verzekeringen en pensioenen; eist dat deze verdeling weerspiegeld blijft in de regelgevings- en toezichtsbevoegdheden en de governance van deze toezichthoudende autoriteiten, alsmede in de belangrijkste aspecten van de opzet en de financiering van hun activiteiten, ongeacht hun vestigingsplaats, mét ruimte voor het – in voorkomend geval – delen van administratieve ondersteunende diensten en bedrijfsondersteuningsdiensten die geen verband houden met de kerntaken, en verzoekt de Commissie en de Raad de huidige opzet van de drie toezichthoudende autoriteiten gedurende en ná de hervestiging van de EBA te handhaven; eist dat het hierover regelmatig door de Commissie wordt geïnformeerd, in het bijzonder gedurende de lopende wetgevingsprocedure voor de evaluatie van de Europese toezichthoudende autoriteiten (COM(2017)0536)); herinnert eraan dat artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 onderdeel uitmaakt van de wetgevingsprocedure voor de evaluatie van de Europese toezichthoudende autoriteiten (COM(2017)0536));

10.  onderstreept dat de hervestiging afgerond en de nieuwe gebouwen gereed moeten zijn op het moment dat het Verenigd Koninkrijk zich daadwerkelijk terugtrekt uit de Europese Unie;

11.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

12.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 wat betreft de zetel van de Europese Bankautoriteit

P8_TC1-COD(2017)0326


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1717.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Raad inzake EBA/EMA

Herinnerend aan de verbintenis van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie om loyaal en transparant samen te werken, en in het licht van de voor de hervestiging van het EMA en de EBA gevolgde procedure, die specifiek op de situatie was gericht en geen precedent voor de vestiging van agentschappen in de toekomst vormde;

Indachtig de Verdragen erkent de Raad dat het waardevol zou zijn om vanaf de beginstadia van toekomstige procedures voor de vestiging van agentschappen intensiever informatie uit te wisselen.

Een dergelijke vroege uitwisseling van informatie zou het voor de drie instellingen gemakkelijker maken hun rechten overeenkomstig de Verdragen via de desbetreffende procedures uit te oefenen.

De Raad neemt nota van het verzoek van het Europees Parlement om zo spoedig mogelijk de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak inzake gedecentraliseerde agentschappen van 2012 te herzien. Als eerste stap verzoekt hij de Commissie om uiterlijk in april 2019 een grondige analyse van de uitvoering van de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak inzake de vestiging van gedecentraliseerde agentschappen te verstrekken. Deze analyse zal als basis dienen voor een beoordeling van de volgende stappen in het kader van de procedure voor een dergelijke herziening.

(1) PB C 197 van 8.6.2018, blz. 72.
(2) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).


Hervestiging van het Europees Geneesmiddelenbureau ***I
PDF 132kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004 wat betreft de zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau (COM(2017)0735 – C8-0421/2017 – 2017/0328(COD))
P8_TA(2018)0427A8-0063/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0735),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 114 en 168, lid 4, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0421/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 17 oktober 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A8-0063/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(1);

2.  bekritiseert de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 19 juli 2012 over de gedecentraliseerde agentschappen en de gemeenschappelijke aanpak in de bijlage daarbij, en dringt aan op nauwe betrokkenheid van het Europees Parlement bij het besluitvormingsproces over de vestigingsplaats en de hervestiging van bureaus en agentschappen, gelet op zijn prerogatieven als medewetgever in de gewone wetgevingsprocedure;

3.  hecht zijn goedkeuring aan de als bijlage bij deze resolutie gevoegde verklaring;

4.  neemt nota van de als bijlage bij deze resolutie gevoegde verklaring van de Raad;

5.  betreurt dat het Europees Parlement, dat uiteindelijk de burgers van de Unie vertegenwoordigt, niet volledig betrokken is geweest bij de procedure voor de vaststelling van de nieuwe zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), en dat deze procedure plaatsvond door middel van een loting, terwijl het hier ging om een uitermate belangrijk besluit; besluiten inzake de vaststelling van de zetel van organen en agentschappen moeten – op grond van het recht – genomen worden via de gewone wetgevingsprocedure, waarbij de prerogatieven van het Europees Parlement geëerbiedigd worden en het Europees Parlement en de Raad als gelijkwaardige medewetgevers optreden;

6.  betreurt het besluit van de Raad dat leidt tot een nog grotere geografische onbalans, aangezien slechts negen van de 37 gedecentraliseerde agentschappen van de EU een zetel hebben in een nieuwe lidstaat, hetgeen niet in overeenstemming is met de conclusies 5381/04 en 11018/1/08 van de Europese Raad, waarin prioriteit wordt gegeven aan nieuwe lidstaten;

7.  verzoekt de begrotingsautoriteiten en de Commissie om te waarborgen dat de kosten die gepaard gaan met de overplaatsing van de zetel van het EMA volledig gedekt zullen worden door het huidige gastland; wijst erop dat een deel van de kosten van de hervestiging uit de begroting van de Unie moet worden voorgefinancierd, in afwachting van de financiële afwikkeling met het huidige gastland;

8.  verzoekt de begrotingsautoriteiten en de Commissie om te waarborgen dat de extra kosten ten gevolge van de verhuizing van het EMA in twee etappes, namelijk eerst naar een tijdelijke locatie en vervolgens naar het Vivaldigebouw, volledig voor rekening zullen komen van de Nederlandse regering en dus niet zullen drukken op de algemene begroting van de Unie;

9.  verzoekt de begrotingsautoriteiten en de Commissie om ervoor te zorgen dat deze verhuizing in twee etappes geen gevaar oplevert als het gaat om de normale operationele behoeften van het EMA en dat de continuïteit van de werkzaamheden en de goede werking van het EMA, zonder onderbrekingen, ook na maart 2019 gewaarborgd worden;

10.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

11.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 726/2004 wat betreft de zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau

P8_TC1-COD(2017)0328


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1718.)

BIJLAGEN BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van het Europees Parlement

Het Europees Parlement betreurt dat zijn rol als medewetgever niet naar behoren in aanmerking is genomen, doordat het Parlement niet betrokken is geweest bij de procedure voor de vaststelling van de nieuwe zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA).

Het Europees Parlement herinnert aan zijn prerogatieven als medewetgever en dringt erop aan dat met betrekking tot de vestigingsplaats van organen en agentschappen de gewone wetgevingsprocedure volledig in acht wordt genomen.

Als enige rechtstreeks verkozen instelling van de Unie en als vertegenwoordiger van de burgers van de Unie zet het Europees Parlement zich als geen ander in voor de eerbiediging van de beginselen van de democratie in de Unie.

Het Europees Parlement is het niet eens met de procedure die gevolgd is bij de vaststelling van de nieuwe zetel van het EMA, omdat zijn prerogatieven daarbij de facto zijn veronachtzaamd, aangezien het Parlement niet betrokken is geweest bij dit proces en nu wordt geacht eenvoudigweg de gekozen vestigingsplaats te bekrachtigen via de gewone wetgevingsprocedure.

Het Europees Parlement herinnert eraan dat de gemeenschappelijke aanpak die als bijlage bij de in 2012 ondertekende gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over de gedecentraliseerde agentschappen is gevoegd, juridisch niet-bindend is, zoals in de verklaring zelf is vastgelegd, en is overeengekomen onverminderd de wetgevende bevoegdheden van de instellingen.

Het Parlement dringt er daarom op aan dat de procedure voor de vaststelling van de vestigingsplaats van agentschappen wordt herzien en dat deze procedure in de toekomst niet meer in deze vorm wordt toegepast.

Tot slot herinnert het Europees Parlement eraan dat de drie instellingen zich er in het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" van 13 april 2016(2) toe hebben verbonden loyaal en transparant samen te werken, daarbij herinnerend aan de gelijkheid van beide medewetgevers, zoals neergelegd in de Verdragen.

Verklaring van de Raad inzake EBA/EMA

Herinnerend aan de verbintenis van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie om loyaal en transparant samen te werken, en in het licht van de voor de hervestiging van het EMA en de EBA gevolgde procedure, die specifiek op de situatie was gericht en geen precedent voor de vestiging van agentschappen in de toekomst vormde;

Indachtig de Verdragen erkent de Raad dat het waardevol zou zijn om vanaf de beginstadia van toekomstige procedures voor de vestiging van agentschappen intensiever informatie uit te wisselen.

Een dergelijke vroege uitwisseling van informatie zou het voor de drie instellingen gemakkelijker maken hun rechten overeenkomstig de Verdragen via de desbetreffende procedures uit te oefenen.

De Raad neemt nota van het verzoek van het Europees Parlement om zo spoedig mogelijk de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak inzake gedecentraliseerde agentschappen van 2012 te herzien. Als eerste stap verzoekt hij de Commissie om uiterlijk in april 2019 een grondige analyse van de uitvoering van de gezamenlijke verklaring en de gemeenschappelijke aanpak inzake de vestiging van gedecentraliseerde agentschappen te verstrekken. Deze analyse zal als basis dienen voor een beoordeling van de volgende stappen in het kader van de procedure voor een dergelijke herziening.

(1) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 15 maart 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0086).
(2) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.


De opkomst van neofascistisch geweld in Europa
PDF 139kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over de opkomst van neofascistisch geweld in Europa (2018/2869(RSP))
P8_TA(2018)0428RC-B8-0481/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het verslag van 9 mei 2017 van de speciaal rapporteur van de Verenigde Naties over hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante vormen van onverdraagzaamheid,

–  gezien resolutie 71/179 van de Algemene Vergadering van de VN van 19 december 2016 getiteld "Combating glorification of Nazism, neo-Nazism and other practices that contribute to fuelling contemporary forms of racism, racial discrimination, xenophobia and related intolerance" (Bestrijding van verheerlijking van nazisme, neonazisme en andere praktijken die bijdragen tot het aanwakkeren van hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante vormen van onverdraagzaamheid),

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en met name artikel 14 van protocol nr. 12 bij dit Verdrag,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000(1) houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (richtlijn inzake rassengelijkheid),

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(2),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen(4),

–  gezien de oprichting in juni 2016 van de EU-groep op hoog niveau voor de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid,

–  gezien de resolutie van de Raad van Europa van 30 september 2014 over optreden tegen manifestaties van neonazi's en rechts-extremisten;

–  gezien de praktijkcode over desinformatie van de EU,

–  gezien de gedragscode tegen illegale haatzaaiende uitlatingen op internet,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat krachtens artikel 2 VEU eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie berust; overwegende dat alle lidstaten deze waarden delen;

B.  overwegende dat het uitblijven van serieus optreden tegen neofascistische en neonazistische groeperingen ertoe geleid heeft dat vreemdelingenhaat nu zo sterk toeneemt in Europa;

C.  overwegende dat openlijk neofascistische, neonazistische, racistische en xenofobe groeperingen en politieke partijen hebben opgeroepen tot haat en geweld in de samenleving en ons eraan herinneren waartoe zij in staat waren in het verleden;

D.  overwegende dat online haatzaaien vaak leidt tot een toename van geweld, ook door neofascistische groeperingen;

E.  overwegende dat neofascistische groeperingen duizenden mensen hebben vermoord, waaronder vluchtelingen en immigranten, etnische en religieuze minderheden, mensen met een LGBTQI-achtergrond, mensenrechtenactivisten, politici en leden van politiekorpsen;

F.  overwegende dat neofascistische groeperingen onze democratische middelen misbruiken om haat en geweld te verspreiden;

G.  overwegende dat Europol heeft gemeld dat de EU-commissaris voor Veiligheid, Sir Julian King, in zijn toespraak op 22 maart 2017 bij de herdenking van de aanslagen in Brussel van 2016 wees op de toenemende dreiging van gewelddadig rechts-extremisme en verklaarde dat er bij zijn weten geen enkele EU-lidstaat was die niet op enigerlei wijze te maken had met dit fenomeen, waarbij hij met name verwees naar de aanslagen in Noorwegen in 2011, de moord op het Britse parlementslid Jo Cox, en de aanslagen op asielzoekerscentra en moskeeën in heel Europa om te wijzen op deze "onderbelichte" veiligheidsdreiging; overwegende dat neofascistische en neonazistische groeperingen zich op diverse manieren uiten; overwegende dat de meeste van deze groeperingen bepaalde individuen en groepen buitensluiten van de samenleving; overwegende dat deze organisaties vaak agressieve taal bezigen jegens minderheden en zich daarbij vaak beroepen op de vrijheid van meningsuiting; overwegende dat de vrijheid van meningsuiting niet absoluut is;

H.  overwegende dat in artikel 30 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens duidelijk wordt verklaard dat niets in deze Verklaring "zodanig [zal] mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard ook te verrichten, die vernietiging van een van de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, ten doel hebben";

I.  overwegende dat in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie wordt bekrachtigd dat de staten die partij zijn bij dit verdrag alle propaganda en organisaties veroordelen die gebaseerd zijn op ideeën of theorieën over de superioriteit van een bepaald ras of een groep personen met een bepaalde huidskleur of etnische afkomst;

J.  overwegende dat de bevordering van fascisme in verschillende lidstaten bij wet verboden is;

K.  overwegende dat in het TESAT-verslag van Europol uit 2018 melding wordt gemaakt van bijna een verdubbeling van het aantal personen dat in 2017 gearresteerd werd vanwege rechts-extremistische vergrijpen;

L.  overwegende dat er op 22 juli 2011 bij de aanslagen in Noorwegen 77 doden en 151 gewonden vielen;

M.  overwegende dat Jo Cox, lid van het parlement van het VK, op 16 juni 2016 op wrede wijze vermoord is in het Britse Birstall;

N.  overwegende dat volgens het TESAT-verslag van Europol uit 2018 er in 2017(5) in het Verenigd Koninkrijk melding is gemaakt van vijf verijdelde, mislukte of geslaagde terroristische aanslagen die werden toegeschreven aan ultrarechtse daders;

O.  overwegende dat Eleonora Forenza, lid van het Parlement, en haar medewerker Antonio Perillo op 21 september 2018 aangevallen werden na een antifascistische demonstratie in Bari, Italië;

P.  overwegende dat de Franse inlichtingendienst zijn bezorgdheid heeft geuit over het toenemende aantal werknemers van het leger en rechtshandhavingsinstanties dat zich aansluit bij gewelddadige ultrarechtse groeperingen(6);

Q.  overwegende dat de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI), die is opgericht door de Raad van Europa, in een verslag dat is gepubliceerd op 15 mei 2018 de noodklok heeft geluid vanwege de opkomst van rechts-extremisme en neofascisme in Kroatië(7);

R.  overwegende dat in Polen, tijdens een demonstratie in november 2017, foto's van zes leden van het Europees Parlement die zich inzetten voor tolerantie, de rechtsstaat en andere Europese waarden, op een plein van de zuidelijke stad Katowice aan een provisorische galg werden opgeknoopt door leden van de ultrarechtse Poolse beweging ONR (Nationaal Radicaal Kamp); overwegende dat de zaak nog wordt onderzocht, maar dat er tot dusver geen vervolging tegen de vermoedelijke daders is ingesteld, hoewel in diverse media verslag werd gedaan van het evenement, onder meer met videomateriaal;

S.  overwegende dat ultrarechtse organisaties ter ere van de Onafhankelijkheidsdag van Polen in november 2017 een grote demonstratie organiseerden in Warschau waar meer dan 60 000 mensen aan deelnamen; overwegende dat de betogers xenofobe spandoeken droegen met slogans als "wit Europa van broedernaties", soms met een afbeelding van het falanga-symbool, een fascistisch symbool uit de jaren dertig van de twintigste eeuw;

T.  overwegende dat in Griekenland de rechtszaak tegen de neonazistische Gouden Dageraad, die ervan wordt beschuldigd een criminele organisatie te zijn en die naast andere misdrijven wordt beschuldigd van de moord op Pavlos Fyssas, nog steeds loopt;

U.  overwegende dat de LGBTQI-activist Zak Kostopoulos op 21 september 2018 op brute wijze werd vermoord in het centrum van Athene; overwegende dat een van de verdachten naar verluidt in verband wordt gebracht met extreemrechtse groeperingen; overwegende dat er een diepgaand onderzoek moet komen om ervoor te zorgen dat degenen die verantwoordelijk zijn voor zijn mishandeling en dood kunnen worden berecht;

V.  overwegende dat een Italiaanse man tot 12 jaar gevangenisstraf is veroordeeld wegens het beschieten en verwonden van zes Afrikaanse migranten tijdens een door racistische motieven ingegeven aanslag in de stad Macerata in het midden van Italië;

W.  overwegende dat zeven leden van een ultrarechtse "burgerwacht" die half september 2018 in Chemnitz werden gearresteerd wegens het verstoren van de vrede onlangs in staat van beschuldiging zijn gesteld op verdenking van het vormen van een terroristische organisatie die zichzelf Revolution Chemnitz noemt; overwegende dat volgens federale openbaar aanklagers rechercheurs de aanklacht hebben verzwaard van crimineel naar terroristisch na het bekijken van de interne communicatie van de groepering;

X.  overwegende dat in Frankrijk op 7 december 2017 vijf leden van de beweging Génération Identitaire werden veroordeeld wegens aanzetten tot godsdienst- en rassenhaat; overwegende dat personen die banden onderhouden met ultrarechtse groeperingen, zoals Action Française, voorbereidingen troffen om tijdens de presidentsverkiezingen in 2017 een terroristische aanslag op een aantal Franse politici en moskeeën te plegen; overwegende dat op 24 juni 2018 10 leden van de ultrarechtse groep Action des Forces Opérationnelles (AFO) zijn gearresteerd wegen het voorbereiden van een reeks aanslagen op leden van de moslimgemeenschap; overwegende dat op 14 september 2018 twee voormalige skinheads schuldig zijn bevonden aan de moord op Clément Méric, een jonge student en antifascistische activist die in juni 2013 werd vermoord;

Y.  overwegende dat in Spanje momenteel een onderzoek loopt naar 12 leden van de neonazistische organisatie Hogar Social Madrid wegens het aanzetten tot haat; overwegende dat leden van de Spaanse fascistische groeperingen Falange, Alianza Nacional en Democracia Nacional zijn gearresteerd en door het hooggerechtshof van Spanje zijn veroordeeld voor de aanval op het culturele centrum Blanquerna in Madrid tijdens feestelijkheden voor de nationale feestdag van Catalonië in 2013; overwegende dat de antiracistische ngo SOS Racismo in 2016 309 gevallen van xenofoob geweld heeft gedocumenteerd; overwegende dat de voorzitter van deze organisaties doodsbedreigingen ontving nadat hij deze gevallen bekendmaakte, en dat hij zich kritisch heeft uitgelaten over het ontbreken van een doeltreffend mechanisme om dergelijke misdaden aan de kaak te stellen;

Z.  overwegende dat de Francisco Franco-stichting, een instelling die een dictatoriaal regime en zijn misdaden verheerlijkt, en de familie Franco 19 personen hebben beschuldigd van diverse misdrijven waarvoor zij tot 13 jaar gevangenisstraf zouden kunnen krijgen, vanwege hun betrokkenheid bij een vreedzame en symbolische actie, waarbij zij twee grote spandoeken van het herenhuis Pazo de Meirás naar beneden lieten zakken om de overheidsautoriteiten op te roepen dit pand terug te geven aan de bevolking van Galicië;

AA.  overwegende dat het Spaanse congres van afgevaardigden heeft besloten een motie goed te keuren om de stoffelijke resten van Francisco Franco weg te halen uit de graftombe bij het oorlogsmonument dat bekend staat als de vallei der gevallenen, een bedevaartsoord voor ultrarechts; overwegende dat alle resterende symbolen of monumenten die dienen ter verheerlijking van de militaire opstand, de burgeroorlog en het dictatorschap van Franco daadwerkelijk moeten worden verwijderd, en overwegende dat de symbolen en monumenten die niet kunnen worden verwijderd, moeten worden voorzien van de noodzakelijke context en herinterpretatie, zodat zij bijdragen tot het publieke bewustzijn en het herdenken van het verleden;

AB.  overwegende dat de neonazistische Noordse Verzetsbeweging (NMR) in heel Scandinavië geregeld bijeenkomsten houdt, waarbij slogans worden gescandeerd en er wordt gezwaaid met de groen-witte vlaggen van de organisatie; overwegende dat diverse leden van de NMR zijn veroordeeld wegens gewelddadige aanvallen op burgers en politieagenten; overwegende dat de Zweedse regering vanwege het grote aantal gevallen van brandstichting bij opvangcentra voor vluchtelingen in 2015 heeft besloten om de locatie van gebouwen die zijn bestemd om vluchtelingen te huisvesten, geheim te houden;

AC.  overwegende dat in Riga op 16 maart jaarlijks duizenden mensen bijeen komen voor de Letse Legioen Dag ter ere van Letse soldaten die bij de Waffen-SS dienden;

AD.  overwegende dat C14 en andere ultrarechtse groeperingen in Oekraïne, zoals de aan Azov gelieerde Nationale Milities, Rechtse Sector, Karpatska Sich en andere, sinds begin 2018 herhaaldelijk aanvallen hebben uitgevoerd op groepen Roma, alsook op antifascistische demonstraties, gemeenteraadsvergaderingen, een door Amnesty International georganiseerd evenement, kunsttentoonstellingen, LGBTQI-evenementen, vrouwenrechtenactivisten en milieuactivisten;

1.  veroordeelt en betreurt de terroristische aanslagen, moorden, het psychologisch geweld, de gewelddadige aanvallen en marsen door neofascistische en neonazistische organisaties die hebben plaatsgevonden in diverse EU-lidstaten ten stelligste;

2.  is ernstig bezorgd over de toenemende normalisering van fascisme, racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid in de Europese Unie, en is bezorgd over berichten uit sommige lidstaten over samenzwering tussen politieke leiders, politieke partijen en ordehandhavingstroepen en neofascisten en neonazi's;

3.  is met name verontrust over het neofascistische geweld dat de samenleving als geheel schaadt en gericht is tegen specifieke minderheden, zoals zwarte Europeanen/mensen van Afrikaanse afkomst, joden, moslims, Roma, mensen uit derde landen, mensen met een LGBTI-achtergrond en personen met een beperking;

4.  beschouwt alle gewelddadige aanvallen door neofascistische groeperingen op politici en leden van politieke partijen, die gemeld worden in een aantal lidstaten, als zeer verwerpelijk, en met name de recente aanval door fascistische brigades van CasaPound op Europarlementariër Eleonora Forenza, haar assistent Antonio Perillo, en anderen die deelnamen aan een antiracistische demonstratie in Bari, Italië, op 21 september 2018;

5.  is zeer bezorgd over de straffeloosheid waarmee neofascistische en neonazistische groeperingen in sommige lidstaten te werk gaan, en benadrukt dat dit gevoel van straffeloosheid een van de redenen is voor de alarmerende toename van gewelddadigheden die door bepaalde ultrarechtse organisaties worden begaan;

6.  is zich bewust van de zorgelijke tendens dat neofascistische en neonazistische groeperingen gebruikmaken van sociale media en internet om zich overal in de Europese Unie te organiseren en strategieën uit te werken;

7.  betreurt het feit dat de publieke omroep in sommige lidstaten is verworden tot een spreekbuis voor de partijpropaganda van een enkele partij, waarbij oppositiepartijen en minderheden vaak worden buitengesloten en zelfs wordt opgeroepen tot geweld;

8.  herinnert eraan dat de fascistische ideologie en onverdraagzaamheid altijd in verband worden gebracht met een aanval op het wezen van de democratie;

9.  roept de lidstaten op om haatmisdrijven, haatzaaiende taal van en het zoeken naar zondebokken door politici en ambtenaren op alle niveaus en in alle soorten media, ronduit te veroordelen en te bestraffen, aangezien zij haat en geweld in de samenleving direct normaliseren en versterken;

10.  verzoekt de lidstaten verdere maatregelen te nemen om haatzaaiende taal en haatmisdrijven te voorkomen, te veroordelen en te bestrijden;

11.  dringt er bij de Commissie, de lidstaten en socialemediabedrijven op aan op te treden tegen het verspreiden van racisme, fascisme en vreemdelingenhaat op het internet, in samenwerking met de relevante maatschappelijke organisaties op nationaal en internationaal niveau;

12.  verzoekt de lidstaten haatmisdrijven te onderzoeken en te vervolgen en goede werkmethoden uit te wisselen voor het in kaart brengen en onderzoeken van haatmisdrijven, zo ook de misdrijven die specifiek zijn ingegeven door de verschillende vormen van vreemdelingenhaat;

13.  verzoekt de lidstaten voldoende steun te voorzien en te bieden aan de slachtoffers van racistische of xenofobe misdrijven en haatmisdrijven, en toe te zien op de bescherming van alle getuigen tegen de daders;

14.  dringt er bij de lidstaten op aan eenheden voor anti-haatmisdrijven op te zetten in hun politiemachten; verzoekt de politiemachten erop toe te zien dat hun personeel zich niet leent voor racistische, xenofobe of discriminerende handelingen, en dat dergelijke handelingen die desondanks begaan zijn onderzocht worden en de daders berecht worden;

15.  verzoekt de Commissie maatschappelijke organisaties op te roepen haatzaaiende taal en haatmisdrijven in de lidstaten in de gaten te houden en hiervan melding te maken;

16.  steunt, prijst en pleit voor de bescherming van belangengroepen en maatschappelijke organisaties die fascisme, racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid bestrijden;

17.  pleit voor geconsolideerde EU-wetgeving inzake non-discriminatie, waaronder de omzetting/tenuitvoerlegging van bestaande wetgeving en het aannemen van nieuwe wetgeving, zoals de richtlijn inzake gelijke behandeling;

18.  wijst erop dat Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht, waarvan de termijn voor tenuitvoerlegging november 2010 was, voorziet in een rechtsgrond om straffen op te leggen aan rechtspersonen die aanzetten tot geweld of haat tegen een minderheidsgroepering, zoals uitsluiting van overheidssteun, verbod op het uitoefenen van commerciële activiteiten, plaatsing onder toezicht van de rechter of rechterlijk bevel tot ontbinding;

19.  dringt er bij de Commissie op aan haar verslag uit 2014 over de tenuitvoerlegging van bovengenoemd kaderbesluit bij te werken, en inbreukprocedures in te stellen tegen de lidstaten die niet hebben voldaan aan de bepalingen van het besluit;

20.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat zij aan de bepalingen van het kaderbesluit van de Raad voldoen, organisaties die in de publieke ruimte en online haatzaaiende taal en geweld verspreiden te bestrijden en neofascistische en neonazistische groeperingen en andere stichtingen of verenigingen die nazisme en fascisme verheerlijken doeltreffend te verbieden, waarbij de nationale rechtsorde en jurisdictie worden geëerbiedigd;

21.  dringt aan op volledige en tijdige samenwerking tussen rechtshandhavingsdiensten, inlichtingendiensten, de rechterlijke macht en maatschappelijke organisaties in de strijd tegen fascisme, racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid;

22.  dringt er bij de lidstaten op aan gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Raad van Europa inzake maatregelen tegen neonazistische en rechts-extremistische manifestaties;

23.  verzoekt de lidstaten op alle niveaus te voorzien in verplichte, op mensenrechten gebaseerde en op dienstverlening gerichte trainingen op de werkvloer voor rechtshandhavingsambtenaren en ambtenaren die werkzaam zijn binnen het gerechtelijk apparaat;

24.  dringt er bij de lidstaten op aan zich te concentreren op preventie door educatie, bewustmaking en de uitwisseling van beste praktijken;

25.  dringt er bij de lidstaten, nationale sportfederaties, en met name voetbalclubs, op aan op te treden tegen de gesel van racisme, fascisme en vreemdelingenhaat in voetbalstadions en in de voetbalcultuur, door de verantwoordelijken te veroordelen en te straffen, en door positieve educatieve activiteiten te bevorderen die gericht zijn op jonge fans in samenwerking met scholen en relevante maatschappelijke organisaties;

26.  spoort de lidstaten aan opleidingen aan te bieden aan werknemers bij de publieke omroep en de media om hen bewust te maken van de uitdagingen en discriminatie waarmee de slachtoffers van neofascistische en neonazistische groeperingen te maken krijgen;

27.  verzoekt de lidstaten nationale "exitprogramma's" op te zetten om mensen te helpen gewelddadige neofascistische en neonazistische groeperingen te verlaten; onderstreept dat deze programma's veel verder moeten gaan dan één-op-éénmaatregelen, en langetermijnondersteuning moeten bieden aan mensen die moeite hebben een baan te vinden, zich elders te vestigen en een nieuw en veilig sociaal netwerk op te bouwen;

28.  wijst erop dat historisch bewustzijn een noodzakelijke voorwaarde is om dergelijke misdrijven in de toekomst te voorkomen, en dat dit een belangrijke rol speelt in het onderwijs aan de jongere generaties;

29.  dringt er bij de lidstaten op aan alle vormen van ontkenning van de holocaust te veroordelen en daartegen op te treden, inclusief het bagatelliseren en minimaliseren van de misdaden van de nazi's en hun collaborateurs; wijst erop dat de waarheid over de holocaust niet mag worden gebagatelliseerd in politieke betogen en uitlatingen in de media;

30.  roept op tot een gemeenschappelijke cultuur van herdenking waarin de fascistische misdaden uit het verleden worden verworpen; is ernstig bezorgd over het feit dat jongere generaties in Europa en elders zich steeds minder zorgen maken over de geschiedenis van het fascisme, en daardoor onverschilliger lijken te gaan staan ten opzichte van nieuwe dreigingen;

31.  spoort de lidstaten aan educatie via de mainstreamcultuur over de diversiteit van onze samenleving en over onze gemeenschappelijke geschiedenis aan te moedigen, inclusief de wreedheden die zijn begaan in de Tweede Wereldoorlog, zoals de holocaust, en de stelselmatige en jarenlange ontmenselijking van de slachtoffers;

32.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de Verenigde Naties.

(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(2) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(3) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(4) PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1.
(5) https://www.europol.europa.eu/activities-services/main-reports/european-union-terrorism-situation-and-trend-report-2018-tesat-2018
(6) https://www.mediapart.fr/journal/france/090418/forces-de-l-ordre-liees-l-ultra-droite-violente-la-dgsi-s-inquiete?onglet=full
(7) https://rm.coe.int/fifth-report-on-croatia/16808b57be


Dierenwelzijn, het gebruik van antimicrobiële stoffen en de milieueffecten van de industriële vleeskippenhouderij
PDF 132kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over dierenwelzijn, het gebruik van antimicrobiële stoffen en de milieugevolgen van de industriële vleeskuikenhouderij (2018/2858(RSP))
P8_TA(2018)0429RC-B8-0484/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2007/43/EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens(1) ("de vleeskuikenrichtlijn"),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over een nieuwe strategie voor het welzijn van dieren voor de periode 2016-2020(2),

–  gezien het Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie van 2017,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 januari 2012 over de strategie van de EU voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015 (COM(2012)0006),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2018 over de toepassing van Richtlijn 2007/43/EG en de invloed daarvan op het welzijn van vleeskuikens alsook over de ontwikkeling van welzijnsindicatoren (COM(2018)0181),

–  gezien de studie van de Commissie van 21 november 2017 over de toepassing van Richtlijn 2007/43/EG van de Raad en de ontwikkeling van welzijnsindicatoren,

–  gezien het akkoord(3) over de verordening inzake geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, dat op 5 juni 2018 werd bereikt,

–  gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving")(4),

–  gezien Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen(5),

–  gezien de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren en Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake hetzelfde onderwerp(6),

–  gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/302 van de Commissie van 15 februari 2017 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij(7),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU een belangrijke mondiale vleeskuikenproducent is, waarbij er ongeveer 7 miljard voor voedingsdoeleinden worden geslacht; overwegende dat de pluimveesector, die produceert volgens het Europese "van boer tot bord"-beginsel, werkt biedt aan meer dan een kwart miljoen mensen en dat er in Europa 23 000 grote vleeskuikenbedrijven zijn;

B.  overwegende dat in Richtlijn 2007/43/EG (de vleeskuikenrichtlijn) minimumvoorschriften zijn neergelegd voor de bescherming van vleeskuikens; overwegende dat het van belang is dat de Commissie, de lidstaten en de producenten deze voorschriften naleven en regelmatig controles op dit gebied verrichten;

C.  overwegende dat uit de studie van de Commissie van 21 november 2017 over de toepassing van Richtlijn 2007/43/EG van de Raad blijkt dat 34 % van de vleeskuikens wordt gehouden in een bezettingsdichtheid van 33 kg/m2, wat de algemene regel is, 40 % in een bezettingsdichtheid tussen 34 en 39 kg/m2, en 26 % in de hoogste, door de richtlijn toegelaten bezettingsdichtheid (tot 42 kg/m2);

D.  overwegende dat de vleeskuikenrichtlijn niet op uniforme wijze wordt gehandhaafd en dat uit het recente verslag van de Commissie over de toepassing ervan blijkt dat de handhaving in de verschillende lidstaten op zijn best inconsistent is;

E.  overwegende dat het overmatig gebruik van antimicrobiële diergeneesmiddelen, als groeibevorderaar en voor metafylaxe en profylaxe, een van de belangrijkste factoren is die een rol spelen bij het ontstaan van bacteriën met antimicrobiële resistentie; overwegende dat een slecht welzijn als gevolg van een hoge bezettingsdichtheid en warmtestress immunologische tekorten kan veroorzaken waardoor vleeskuikens vatbaarder worden voor ziekten;

F.  overwegende dat de aanwezigheid van multiresistente zoönotische stammen van campylobacter spp. en salmonella spp. in vleeskuikenbedrijven en in het vlees van vleeskuikens volgens de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) een steeds grotere bedreiging vormt voor de volksgezondheid;

G.  overwegende dat de regels inzake dierenwelzijn geactualiseerd moeten worden op basis van nieuwe wetenschappelijke bevindingen, waarbij ook gekeken moet worden naar het concurrentievermogen op de lange termijn van de agrarische veehouderij; overwegende dat de toepassing van landbouwsystemen die het welzijn vergroten, de resultaten op het gebied van diergezondheid en dierenwelzijn kan verbeteren en zo bijdraagt tot een vermindering van de behoefte aan antimicrobiële stoffen, waarbij een hoogwaardige productkwaliteit gewaarborgd blijft;

H.  overwegende dat uit het wetenschappelijk advies van de EFSA van 2010 over de invloed van genetische parameters op het welzijn en de stressbestendigheid van commerciële vleeskuikens blijkt dat genetische selectie op basis van het groeitempo van vleeskuikens de gezondheid en het welzijn van deze dieren in gevaar kan brengen;

I.  overwegende dat Europese burgers veel belang hechten aan dierenwelzijn en als consumenten in staat willen zijn met meer kennis van zaken keuzes te maken;

J.  overwegende dat uit de laatste speciale Eurobarometer over dierenwelzijn blijkt dat meer dan 50 % van de Europese burgers bij het kopen van dierlijke producten op zoek zijn naar informatie over de productiemethode en dat zij bereid zijn meer te betalen voor meer dierenwelzijn; overwegende dat meer dan 80 % van de Europese burgers willen dat het welzijn van gekweekte dieren in de EU toeneemt;

K.  overwegende dat 25 % van het borstpluimveevlees dat in de EU geconsumeerd wordt, geïmporteerd wordt uit derde landen waar de wetgeving inzake dierenwelzijn minder streng is; overwegende dat het grootste deel van het ingevoerde pluimveevlees wordt gebruikt voor verwerking in levensmiddelen en in de horeca, waar bekendmaking van informatie over de oorsprong en etikettering van het vlees niet verplicht is;

L.  overwegende dat Thailand, Brazilië en Oekraïne, samen goed voor 90 % van de invoer uit derde landen, audits hebben ondergaan door DG SANTE van de Commissie, waarbij belangrijke tekortkomingen aan het licht zijn gekomen in het productieproces en met betrekking tot de EU-wetgeving; overwegende dat EU-landbouwers en ngo's hun bezorgdheid hebben geuit over de economische, sociale en milieugevolgen van de invoer van goedkoop kippenvlees en de misleidende etikettering van kippenvlees dat in de Europese Unie wordt verwerkt, maar afkomstig is uit derde landen;

1.  neemt kennis van de resultaten van het verslag van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 2007/43/EG en de invloed ervan op het welzijn van vleeskuikens, waaruit blijkt dat slechts twee derde van de lidstaten de richtlijn naar behoren toepast; is bezorgd over het feit dat uit het verslag blijkt dat een hoge bezettingsdichtheid van meer dan de algemene regel van 33 kg/m2 op veel plaatsen voorkomt;

2.  is bezorgd over de toename van multiresistente zoönoseverwekkers die typisch zijn voor de vleeskuikenhouderij, zoals campylobacter spp., salmonella spp. en E. coli;

3.  erkent de inspanningen die de pluimveehouders bij de toepassing van de richtlijn in de verschillende lidstaten al hebben geleverd op het gebied van het welzijn van vleeskuikens, met name in het kader van vrijwillige regelingen;

4.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor een geharmoniseerde tenuitvoerlegging en volledige handhaving van Richtlijn 2007/43/EG op het gebied van bouwspecificaties en veiligheid, om de doelstellingen van de richtlijn te waarborgen;

5.  benadrukt dat oneerlijke concurrentie leidt tot ongelijke voorwaarden, omdat degenen die de regels niet naleven degenen die de regels wel naleven onderuit halen;

6.  verzoekt de Commissie te zorgen voor robuuste en meetbare geharmoniseerde dierenwelzijnsindicatoren voor vleeskuikens en ouderdieren, met inbegrip van richtsnoeren voor de beste beschikbare praktijken voor broederijen;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het probleem van pluimveestalbranden aan te pakken door goede praktijken te bevorderen; verzoekt de lidstaten zich er ten volle voor in te zetten dat personen die belast zijn met de zorg voor dieren passende en voldoende scholing krijgen, zoals bepaald in Richtlijn 2007/43/EG;

8.  verzoekt de EFSA een advies uit te brengen over de prevalentie en risicofactoren voor antimicrobieel resistente campylobacter spp., salmonella spp. en E. coli met zoönotisch potentieel;

9.  is ingenomen met het feit dat er op 5 juni 2018 een akkoord is bereikt over de verordening inzake geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik; is ingenomen met de bepalingen ter beperking van het gebruik van antibiotica voor metafylaxe en profylaxe; herinnert aan zijn standpunt over preventieve maatregelen en aan het gezamenlijk wetenschappelijk advies van het EMA en de EFSA(8) waarin wordt opgeroepen tot het gebruik van fokdieren die gezonder en trager groeien, een bezettingsdichtheid die het risico op ziekte niet vergroot, kleinere groepen, afzondering van zieke dieren (artikel 10 van Verordening (EU) 2016/429) en toepassing van de bestaande wetgeving op het gebied van welzijn; vertrouwt erop dat de verordening het broodnodige optreden inzake antimicrobiële resistentie (AMR) zal vergemakkelijken en innovatie op het gebied van diergeneeskunde zal bevorderen; is van mening dat de Europese pluimveesector en de nationale overheden initiatieven nemen om het gebruik van antibiotica te beperken door pluimveebedrijven te moderniseren;

10.  benadrukt dat de levenskwaliteit van pluimvee kan worden verbeterd en de noodzaak tot het gebruik van antimicrobiële stoffen kan worden verminderd door verbetering van de technieken voor de dierhouderij, bijvoorbeeld door te zorgen voor natuurlijk licht, schone lucht, meer leefruimte en minder uitstoot van ammoniak; herinnert de Commissie aan haar verklaring in de strategie voor diergezondheid en aan de uitspraak die zij in dat kader heeft gedaan dat voorkomen beter is dan genezen;

11.  benadrukt dat de bevordering van dierenwelzijn op zich ook al een preventieve maatregel is, omdat daarmee de kans dat dieren ziek worden kleiner wordt en dus ook minder gebruik moet worden gemaakt van antimicrobiële stoffen, en de productiecijfers vaak ook hoger liggen; merkt op dat onjuist gebruik van antimicrobiële stoffen ertoe kan leiden dat deze stoffen niet langer doeltreffend zijn, wat dus een gevaar vormt voor de volksgezondheid;

12.  verzoekt de Commissie AMR-onderzoek en goede praktijken te bevorderen en ervoor te zorgen dat de lidstaten daadwerkelijk preventieve maatregelen uitvoeren, zoals het bewaken van ziekten en het verrichten van controles;

13.  dringt er bij de Commissie op aan beleid te bevorderen om het gebruik van alternatieve houderijsystemen voor vleeskuikens en van traditionele en/of vleeskuikenrassen die meer welzijn mogelijk maken aan te moedigen;

14.  verzoekt de Commissie een stappenplan op te stellen ter ondersteuning van een concurrentiële en duurzame vleesproductie van pluimvee en van houderijmethoden die meer welzijn van vleeskuikens waarborgen;

15.  verzoekt de Commissie om de controles aan de grenzen bij de invoer van kippenvlees uit derde landen te verbeteren, om ervoor te zorgen dat deze invoer in overeenstemming is met de EU-wetgeving inzake dierenwelzijn, voedselveiligheid en milieubescherming;

16.  wijst erop dat de invoer van kippenvlees uit landen met lagere normen op het gebied van milieu, sociaal beleid, voedselveiligheid en dierenwelzijn is toegenomen; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat ingevoerd kippenvlees en vleesproducten en bereidingen afkomstig van kip geproduceerd zijn overeenkomstig de normen op het gebied van milieu, sociaal beleid, voedselveiligheid en dierenwelzijn die in de Unie gelden, om zo eerlijke en gelijke concurrentievoorwaarden voor EU-producenten te waarborgen;

17.  verzoekt de Commissie wetgeving voor te stellen inzake verplichte etikettering van de oorsprong van in de EU ingevoerd vlees dat verder wordt verwerkt in de detailhandel, de catering en de horeca, om consumenten in staat te stellen met kennis van zaken hun keuze te bepalen;

18.  verzoekt de Commissie een EU-methode vast te stellen voor de productmarkering voor vleeskuikens die vergelijkbaar is met de bestaande EU-methode voor eieren, om de transparantie en de communicatie met de consumenten inzake dierenwelzijn in de landbouwproductie te verbeteren;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 182 van 12.7.2007, blz. 19.
(2) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 149.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0421.
(4) PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.
(5) PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1.
(6) PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23.
(7) PB L 43 van 21.2.2017, blz. 231.
(8) Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik van het EMA (CVMP) en Panel voor biologische gevaren van de EFSA (BIOHAZ), 2016: EMA and EFSA Joint Scientific Opinion on measures to reduce the need to use antimicrobial agents in animal husbandry in the European Union, and the resulting impacts on food safety.


VN-klimaatconferentie 2018 in Katowice, Polen (COP24)
PDF 188kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over de VN-klimaatconferentie in 2018 in Katowice, Polen (COP24) (2018/2598(RSP))
P8_TA(2018)0430B8-0477/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21, de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC en de 11e conferentie van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

–  gezien de 18e conferentie van de partijen (COP18) bij het UNFCCC en de 8e conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP8), die van 26 november t/m 8 december 2012 in Doha, Qatar, hebben plaatsgevonden, en de goedkeuring van een amendement op het protocol met daarin een tweede verbintenisperiode in het kader van het Kyotoprotocol, die ingaat op 1 januari 2013 en eindigt op 31 december 2020,

–  gezien de openstelling voor ondertekening van de Overeenkomst van Parijs in het VN‑hoofdkwartier in New York op 22 april 2016, en gezien het feit dat deze openstelling op 21 april 2017 is beëindigd, dat 195 landen de Overeenkomst van Parijs hebben ondertekend en dat 175 landen akten van bekrachtiging hebben neergelegd,

–  gezien de 23e Conferentie van de partijen (COP23) bij het UNFCCC, de 13e sessie van de bijeenkomst van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP13) en de 2e sessie van de Conferentie van de partijen waarin de partijen bij de Overeenkomst van Parijs bijeenkomen (CMA2), die van 4 t/m 16 november 2017 in Bonn, Duitsland, hebben plaatsgevonden,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de Verenigde Naties,

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2018 over klimaatverandering(1),

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23)(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 juli 2016, getiteld "Een snellere overgang van Europa naar een koolstofarme economie" (COM(2016)0500),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 15 februari 2016, 30 september 2016, 23 juni 2017 en 22 maart 2018,

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 oktober 2017, 26 februari 2018 en 9 oktober 2018,

–  gezien besluit (EU) 2017/1541 van de Raad van 17 juli 2017 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de wijziging van Kigali van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken(3),

–  gezien de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (INDC's) van de EU en haar lidstaten, die Letland en de Europese Commissie op 6 maart 2015 bij het UNFCCC hebben ingediend,

–  gezien het vijfde evaluatierapport (AR5) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC), het samenvattend verslag hiervan, en het speciaal verslag van de IPPC getiteld "Global Warming of 1.5 °C",

–  gezien het achtste samenvattende verslag van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) van november 2017, getiteld "The Emissions Gap Report 2017" en het derde rapport van het UNEP van 2017 over de aanpassingskloof,

–  gezien het verslag van het Internationaal Energieagentschap, getiteld "Global Energy & CO2 Status Report 2017",

–  gezien de "Statement on the state of the global climate in 2017" van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) van maart 2018 en het 13e "Greenhouse Gas Bulletin" van de WMO van 30 oktober 2017,

–  gezien het "Global Risks Report 2018"(4) van het World Economic Forum,

–  gezien de verklaring van de Green Growth Group van 5 maart 2018, ondertekend door 14 milieu- en klimaatministers van de EU, over "Financing EU climate action – reinforcing climate spending and mainstreaming in the next Multiannual Financial Framework (MFF)"(5),

–  gezien het verslag van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie van november 2017, getiteld "CO2 – an operational anthropogenic CO2 emissions monitoring and verification support capacity"(6),

–  gezien de Verklaring van Fairbanks, die door de ministers van Buitenlandse Zaken van de landen rond de Noordpool is aangenomen tijdens de 10e ministersontmoeting van de Arctische Raad, die op 10 en 11 mei 2017 in Fairbanks, Alaska, heeft plaatsgevonden,

–  gezien de eerste bijeenkomst van de One Planet Summit op 12 december 2017 in Parijs, en de tijdens die top aangenomen twaalf toezeggingen,

–  gezien de encycliek van paus Franciscus getiteld "Laudato Si",

–  gezien de verklaring van Meseberg van 19 juni 2018,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Overeenkomst van Parijs op 4 november 2016 in werking is getreden en dat 181 van de 197 partijen bij het UNFCCC hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de VN hebben ingediend (per 11 oktober 2018);

B.  overwegende dat de EU op 6 maart 2015 de voorgenomen nationaal bepaalde bijdrage (INDC) van de EU en haar lidstaten heeft ingediend bij het UNFCCC en hierin verklaart zich te willen inzetten voor een bindend streefcijfer van ten minste 40 % interne reductie van de broeikasgasemissies tegen 2030 ten opzichte van het niveau van 1990;

C.  overwegende dat de verbintenissen die de lidstaten van de Overeenkomst van Parijs tot nu toe zijn aangegaan, niet voldoende zullen zijn om de gezamenlijke doelstelling te halen; overwegende dat de huidige nationaal bepaalde bijdragen (NDC's) die de EU en haar lidstaten hebben ingediend, niet stroken met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en daarom moeten worden herzien;

D.  overwegende dat essentiële elementen van de EU-wetgeving die bijdragen tot het verwezenlijken van de NDC's van de EU met een verhoogde ambitie zijn geformuleerd, met name de richtlijn hernieuwbare energie en de richtlijn energie-efficiëntie, waardoor de broeikasgasemissies van de EU tegen 2030 met minstens 45 % worden verminderd; overwegende dat een vermindering van 45 % in de EU tegen 2030 nog niet zal volstaan om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de doelstelling voor CO2-neutraliteit tegen 2050 te halen;

E.  overwegende dat transparantie in emissiemetingen van doorslaggevend belang is om op rechtvaardige wijze aanzienlijke vooruitgang te boeken in de wereldwijde vermindering van broeikasgasemissies;

F.  overwegende dat de wereldwijde en Europese koolstofemissies, na drie jaar waarin de cijfers stationair bleven, in 2017 weer zijn toegenomen; overwegende dat de stijging niet overal in de wereld even groot is;

G.  overwegende dat het grote aantal extreme weersomstandigheden en temperatuurrecords in 2017 wereldwijde klimaatactie steeds dringender noodzakelijk maakt;

H.  overwegende dat een ambitieus beleid van beperking van de klimaatverandering voor groei en werkgelegenheid kan zorgen; overwegende dat een aantal specifieke sectoren echter kwetsbaar zijn voor koolstoflekkage als de ambitie op andere markten niet vergelijkbaar is; overwegende dat passende bescherming tegen koolstoflekkage dan ook nodig is om de werkgelegenheid in deze specifieke sectoren te beschermen;

I.  overwegende dat de klimaatverandering een multiplicator is van een aantal andere bedreigingen die de ontwikkelingslanden onevenredig zwaar treffen; overwegende dat droogte en andere ongunstige weersomstandigheden hulpbronnen waarvan arme mensen rechtstreeks afhankelijk zijn voor hun levensonderhoud, aantasten en vernietigen en tot meer concurrentie om de resterende hulpbronnen leiden, wat bijdraagt tot humanitaire crises, spanningen, gedwongen verplaatsing, radicalisering en conflicten; overwegende dat er aanwijzingen zijn dat klimaatverandering een rol heeft gespeeld in de onrust en de verspreiding van geweld in het Midden-Oosten, de Sahel en de Hoorn van Afrika, met gevolgen tot ver daarbuiten;

J.  overwegende dat in het "1,5 °C"-verslag van de IPCC ook wordt aangetoond dat een dergelijke temperatuurstijging waarschijnlijk veel minder ernstige gevolgen zal hebben dan een temperatuurstijging van 2 °C;

K.  overwegende dat de beperking van de klimaatverandering op lange termijn slechts kan slagen als er veel sterkere maatregelen worden genomen – met name door de ontwikkelde landen – om de koolstofeconomie te laten varen en klimaatslimme groei te bevorderen, ook in de ontwikkelingslanden; overwegende dat er blijvende inspanningen moeten worden geleverd om de ontwikkelingslanden meer financiële en technologische steun en steun voor capaciteitsopbouw te verstrekken;

L.  overwegende dat grote uitstoters er niet in slagen om hun broeikasgasemissies te verminderen overeenkomstig de maatregelen die nodig zijn om de wereldwijde gemiddelde temperatuurstijging tot 1,5 °C of 2 °C te beperken, waardoor de reeds enorme omvang en kosten van de noodzakelijke aanpassing aan de klimaatverandering alleen maar groter worden, met bijzonder ernstige gevolgen voor de minst ontwikkelde landen (MOL's) en kleine eilandstaten in ontwikkeling (SIDS); overwegende dat alle initiatieven van de MOL's en SIDS om informatie over risico's en vroegtijdige waarschuwingen te produceren, moeten worden ondersteund;

M.  overwegende dat de groeiende kloof tussen de behoeften en de inspanningen op het vlak van aanpassing dringend moet worden gedicht door veel sterkere mitigatie- en aanpassingsmaatregelen;

N.  overwegende dat het onhoudbaar is om elk land voor zijn eigen aanpassingskosten te laten opdraaien, en dat degenen die de grootste verantwoordelijkheid voor de uitstoot van broeikasgassen dragen, het grootste deel van de wereldwijde last voor hun rekening moeten nemen;

O.  overwegende dat in artikel 7 van de Overeenkomst van Parijs een algemene aanpassingsdoelstelling is vastgesteld en dat deze doelstelling nu onverwijld ten uitvoer moet worden gelegd; overwegende dat er een belangrijke rol is weggelegd voor de nationale aanpassingsplannen (NAP's);

P.  overwegende dat bossen in aanzienlijke bijdrage mate bijdragen aan de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering; overwegende dat ontbossing goed is voor bijna 20 % van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen en met name het gevolg is van de uitbreiding van intensieve veeteelt en de industriële productie van soja en palmolie, ook voor de EU-markt; overwegende dat de EU haar indirecte bijdrage aan ontbossing ("embodied deforestation"), waarvoor zij verantwoordelijkheid draagt, moet verminderen;

Q.  overwegende dat land een schaarse hulpbron is en dat het gebruik ervan voor de teelt van conventionele biobrandstofgewassen en biobrandstofgewassen van de eerste generatie de voedselonzekerheid kan verergeren en de bestaansmiddelen van arme mensen in ontwikkelingslanden kan vernietigen, met name door landroof, gedwongen verplaatsing, milieuvervuiling en schendingen van de rechten van inheemse volkeren; overwegende dat koolstofcompensatie- en herbebossingsprogramma's ook dergelijke schade kunnen veroorzaken als ze niet goed worden ontworpen en uitgevoerd;

1.  herinnert eraan dat de klimaatverandering, als oorzaak en multiplicator van andere risico's, een van de meest dringende uitdagingen is waarmee de mensheid wordt geconfronteerd, en dat alle staten en actoren wereldwijd er alles aan moeten doen om deze uitdaging aan te pakken door sterke individuele maatregelen; onderstreept ook dat tijdige internationale samenwerking en solidariteit en een consequente en volgehouden verbintenis om gezamenlijk actie te ondernemen, de enige optie zijn met het oog op de collectieve verantwoordelijkheid om de hele planeet en haar biodiversiteit te behouden voor de huidige en toekomstige generaties; benadrukt dat de EU bereid is een leidende rol te blijven spelen bij deze wereldwijde inspanning en tegelijkertijd te zorgen voor duurzame economische ontwikkeling met lage broeikasgasemissies, die zorgt voor energiezekerheid, een concurrentievoordeel voor de Europese industrie en banencreatie;

Wetenschappelijke basis voor klimaatactie

2.  wijst erop dat 2015, 2016 en 2017 volgens de WMO de drie warmste jaren sinds het begin van de metingen waren, wat heeft geresulteerd in zeer hoge temperaturen in het noordpoolgebied, die langdurige gevolgen zullen hebben voor de algemene zeespiegel en de weerpatronen wereldwijd;

3.  meent dat de ingrijpende en hoogstwaarschijnlijk onomkeerbare gevolgen van een stijging van 2 °C van de wereldwijde temperatuur wellicht kunnen worden vermeden als de ambitieuzere doelstelling van 1,5 °C wordt nagestreefd, maar dat dit zou vereisen dat de stijgende wereldwijde broeikasgasemissies uiterlijk in 2050 tot nul dalen; wijst erop dat de nodige technologische oplossingen voorhanden zijn en in kostenopzicht steeds concurrerender worden, en dat alle EU-beleidsmaatregelen nauwkeurig op de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs moeten worden afgestemd en regelmatig aan deze doelstellingen moeten worden getoetst; kijkt dan ook uit naar de bevindingen van het speciale verslag van de IPCC over de gevolgen van een stijging van de wereldwijde temperatuur met 1,5 °C boven het pre-industriële niveau;

4.  onderstreept dat de klimaatverandering volgens de WHO gevolgen heeft voor de sociale en milieudeterminanten van gezondheid (schone lucht, veilig drinkwater, voldoende voedsel en veilig wonen), en dat tussen 2030 en 2050 250 000 extra doden per jaar te verwachten zijn als gevolg van ondervoeding, malaria, diarree en hittestress; merkt op dat extreem hoge temperaturen rechtstreeks bijdragen tot sterfgevallen door hart- en vaatziekten en ademhalingsproblemen, met name bij ouderen; erkent dat klimaatverandering een katalysator is voor conflicten; meent dat de volledige uitvoering van de Overeenkomst van Parijs in hoge mate zou bijdragen tot de Europese en internationale veiligheid en vrede;

Ratificatie van de Overeenkomst van Parijs en uitvoering van de toezeggingen

5.  is verheugd over het ongekende tempo van de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs, alsook over de wereldwijde mobilisatie en vastberadenheid van zowel overheids- als niet-overheidsactoren om de overeenkomst volledig en snel uit te voeren, zoals tot uitdrukking is gebracht in de toezeggingen in het kader van grote mondiale bijeenkomsten zoals de Noord-Amerikaanse klimaattop in Chicago van 4 t/m 6 december 2017, de One Planet Summit in Parijs op 12 december 2017 en de Global Climate Action Summit in San Francisco van 12 t/m 14 september 2018;

6.  benadrukt dat de wereldwijde temperatuurstijging door de huidige NDC's slechts tot ongeveer 3,2 °C(7) zou worden beperkt en niet eens in de buurt zou komen van 2 °C; vraagt alle partijen een constructieve bijdrage te leveren aan het proces met het oog op 2020, wanneer de NDC's moeten worden geactualiseerd, en ervoor te zorgen dat hun NDC's aansluiten bij de temperatuurdoelstelling op lange termijn van de Overeenkomst van Parijs om de wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 °C boven het pre-industriële niveau te houden en ernaar te streven de temperatuurstijging tot 1,5 °C te beperken; is zich ervan bewust dat de huidige toezeggingen, ook die welke de Unie en haar lidstaten hebben ingediend, onvoldoende zijn om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken; benadrukt in dit verband dat de wereldwijde broeikasgasemissies zo spoedig mogelijk hun hoogste niveau moeten bereiken en dat alle partijen, en vooral de EU en alle G20-landen, hun inspanningen moeten opvoeren en hun NDC's tegen 2020, na de Talanoa-dialoog van 2018, moeten actualiseren om de resterende kloof met de temperatuurdoelstelling van 1,5 °% te dichten;

7.  is van mening dat de bepalingen betreffende koolstoflekkage, met name voor sectoren met een hoog risico op koolstoflekkage, behouden moeten blijven om het algemene concurrentievermogen van de Europese industrie te waarborgen als andere grote economieën geen toezeggingen doen die vergelijkbaar zijn met die van de EU betreffende de vermindering van broeikasgasemissies;

8.  betreurt dat in de meeste derde landen die in het kader van de Overeenkomst van Parijs toezeggingen hebben gedaan, het debat over een verhoging van hun bijdragen slechts erg traag op gang komt; vraagt de Commissie daarom de overwegingen van de EU om haar toezeggingen te verhogen, te stroomlijnen en zich sterker in te spannen om andere partners te motiveren om dat ook te doen;

9.  beklemtoont hoe belangrijk het is dat de EU een ambitieus klimaatbeleid voert om een geloofwaardige en betrouwbare partner in de wereld te zijn, dat de EU op wereldvlak een leidende rol op klimaatgebied blijft vervullen, en dat zij zich aan de Overeenkomst van Parijs houdt; is verheugd dat het Europees Parlement en de Raad zijn overeengekomen om de doelstellingen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie tegen 2030 tot respectievelijk 32 % en 32,5 % op te trekken, waardoor de broeikasgasemissies tegen 2030 met ruim 45 % zullen dalen; is dan ook ingenomen met de opmerkingen van de Commissie over de actualisering van de NDC's van de EU, namelijk dat zij rekening zal houden met deze hogere ambitie en de emissiereductiedoelstelling voor 2030 zal opvoeren; verzoekt de Commissie tegen eind 2018 een ambitieuze nulemissiestrategie voor de EU voor het midden van de eeuw op te stellen, waarin een kostenefficiënt traject wordt uitgestippeld om uiterlijk in 2050 de doelstelling van CO2-neutraliteit die in de Overeenkomst van Parijs is vastgesteld, te verwezenlijken en de economie in de Unie CO2-neutraal te maken, overeenkomstig een billijk aandeel van de Unie in het resterende mondiale koolstofbudget; is voorstander van een actualisering van de NDC's van de Unie met voor de hele economie een doelstelling om de interne broeikasgasemissies tegen 2030 met 55 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990;

10.  is verheugd dat de secretaris-generaal van de VN heeft aangekondigd dat in september 2019 in de marge van de 74e Algemene Vergadering een klimaattop zal worden georganiseerd om sneller klimaatactie te ondernemen met het oog op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en om ertoe aan te zetten de ambitie van de klimaatverbintenissen te verhogen; vraagt de EU en haar lidstaten deze inspanning te steunen door engagement en politieke wil te tonen om hun eigen verbintenissen te verhogen en te pleiten voor sterke bijdragen van andere partijen;

11.  betreurt het voornemen van de Amerikaanse president Donald Trump om de Verenigde Staten uit de Overeenkomst van Parijs terug te trekken, en beschouwt dit als een stap achteruit; is tevreden dat alle grote partijen na de mededeling van president Trump hebben bevestigd de Overeenkomst van Parijs te zullen nakomen; is bijzonder verheugd dat belangrijke staten, steden, universiteiten en andere niet-overheidsactoren in de VS zich voor klimaatactie blijven inzetten in het kader van de "We are still in"-campagne;

12.  benadrukt dat het met name na de aankondiging van president Trump belangrijk is dat er de nodige bepalingen tegen koolstoflekkage zijn, en dat ervoor moet worden gezorgd dat de beste presteerders kosteloze emissierechten krijgen, zoals overeengekomen in de ETS-richtlijn; verzoekt de Commissie de doeltreffendheid en wettelijkheid te onderzoeken van extra maatregelen om bedrijfstakken te beschermen tegen het risico van koolstoflekkage, zoals koolstofbelastingaanpassingen aan de grens en heffingen op koolstofverbruik, met name voor producten die komen uit landen die hun verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs niet nakomen;

13.  is verheugd over de inwerkingtreding van de wijziging van Kigali van het Protocol van Montreal op 1 januari 2019, met tot nu toe 27 partijen, waaronder zeven lidstaten van de EU, die hun akten van bekrachtiging hebben ingediend; verzoekt de partijen bij het Protocol van Montreal, in het bijzonder de lidstaten die hun akten van bekrachtiging nog niet hebben ingediend, al het nodige te doen om het snel te ratificeren, als noodzakelijke bijdrage aan de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen op middellange en lange termijn;

14.  juicht het toe dat alle lidstaten de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto hebben geratificeerd en op 21 december 2017 de gezamenlijke akte van ratificatie van de Unie hebben ingediend; is van oordeel dat dit een belangrijke troef zal zijn in de gesprekken met het oog op de succesvolle voltooiing van de klimaatonderhandelingen van 2018 en dat de broeikasgasemissies hierdoor effectief zullen dalen dankzij gezamenlijke inspanningen;

15.  beklemtoont dat uitvoering vóór 2020 en ambitie sleutelelementen waren tijdens de COP23-onderhandelingen; juicht het besluit toe om tijdens de COP's in 2018 en 2019 twee inventarisaties te houden; vraagt de Commissie en de lidstaten bijdragen voor te bereiden om de emissies tot 2020 te beperken en deze te presenteren bij de inventarisatie van de periode vóór 2020 tijdens de COP24; denkt dat dit belangrijk is opdat alle partijen hun ambitie voor de periode na 2020 verhogen, en kijkt dan ook met belangstelling uit naar de uitkomst van de eerste inventarisatie in Katowice, die de vorm zou moeten aannemen van een besluit van de COP waarin de verbintenis wordt bevestigd om de ambitie van de NDC's van de partijen voor 2030 tegen 2020 te verhogen zodat ze aansluiten bij de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

16.  vraagt de Commissie en de lidstaten communicatiestrategieën en -activiteiten in te zetten om van het publiek en het beleid meer steun te krijgen voor klimaatactie en aan bewustmaking te doen over de bijkomende voordelen van de strijd tegen klimaatverandering, zoals betere luchtkwaliteit en volksgezondheid, behoud van natuurlijke hulpbronnen, economische groei en meer werkgelegenheid, grotere energiezekerheid en lagere kosten voor de invoer van energie, alsook voordelen bij internationale concurrentie door innovatie en technologische ontwikkeling; benadrukt dat de aandacht ook moet worden gevestigd op de onderlinge verbanden tussen klimaatverandering en sociale onrechtvaardigheid, migratie, instabiliteit en armoede en op het feit dat wereldwijde klimaatactie in grote mate kan bijdragen tot de oplossing van deze problemen;

17.  benadrukt de synergieën tussen de Overeenkomst van Parijs, de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, het kader van Sendai en het actieagenda van Addis Ababa (Finance for Development) alsook met andere conventies van Rio, aangezien dit belangrijke en onderling verweven stappen in de goede richting zijn die ervoor zorgen dat armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling hand in hand gaan;

De COP24 in Katowice

18.  erkent dat de voorzitterschappen van de COP22 en de COP23 er gezamenlijk in geslaagd zijn de opzet van Talanoa-dialoog in 2018 voor te bereiden, die breed door de partijen is goedgekeurd en in januari 2018 van start is gegaan; kijkt uit naar de eerste resultaten van deze dialoog tijdens de COP24 en naar de politieke conclusies daarna om onze collectieve ambitie tegen 2020 in overeenstemming te brengen met de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; stelt het op prijs dat de Talanoa-dialoog niet beperkt blijft tot besprekingen tussen nationale regeringen, maar ook diverse belanghebbenden, waaronder regio's en steden en hun verkozen vertegenwoordigers, de kans geeft om belangrijke problemen met betrekking tot klimaatactie onder de aandacht van nationale en wereldwijde beleidsmakers te brengen; is verheugd over de Talanoa-dialogen met steden en regio's en kijkt uit naar verdere dialogen in Europa; kijkt uit naar de input van de niet-overheidsactoren en verzoekt alle partijen hun bijdragen tijdig in te dienen, teneinde de politieke discussie in Katowice te vergemakkelijken;

19.  stelt daarnaast vast dat er, ondanks de aanzienlijke vooruitgang die tijdens de COP23 met het Action Work Programme van Parijs (het "rulebook") is geboekt, nog significante uitdagingen zijn om het af te ronden en tijdens de COP24 tot concrete besluiten te komen; dringt erop aan het noodzakelijke voorbereidende werk vóór de top te doen teneinde het rulebook af te ronden, wat van het grootste belang is voor de tijdige uitvoering van de Overeenkomst van Parijs;

20.  is voorstander van een rulebook dat alle partijen een hoge mate van transparantie en bindende regels oplegt om de vooruitgang correct te kunnen meten en verder vertrouwen op te bouwen tussen de partijen die bij het internationale proces betrokken zijn; is bezorgd over het feit dat een aantal partijen nog steeds geen werk willen maken van volledige transparantie bij de meting van emissies; roept alle grote economieën op om een voortrekkersrol te spelen bij de onderhandelingen over het rulebook en te pleiten voor bindende vereisten voor monitoring- en toezichtssystemen, met inbegrip van tijdige en betrouwbare gegevens en ramingen over broeikasgasemissies;

21.  benadrukt dat het belangrijk is het rulebook aan te vullen met op observatie gebaseerde weergegevens om de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de verslaglegging te vergroten; vraagt de Commissie, het Europees Ruimteagentschap (ESA), de Europese Organisatie voor de Exploitatie van Meteorologische Satellieten (Eumetsat), het Europees Centrum voor weersvoorspellingen op middellange termijn (ECWMT), de Europese onderzoeksinfrastructuur Integrated Carbon Observation System (ICOS), de nationale inventarisagentschappen en onderzoekscentra en andere belangrijke spelers operationele capaciteit te ontwikkelen die informatie over antropogene emissies kan genereren aan de hand van satellietgegevens en tegelijkertijd voldoet aan de nodige vereisten, waaronder een constellatie van satellieten;

22.  beklemtoont dat het belangrijk is dat de EU tijdens de COP24 in Katowice met één stem spreekt om politiek sterk te staan en geloofwaardig te zijn; vraagt alle lidstaten bij de onderhandelingen en bij bilaterale ontmoetingen met andere actoren het EU-mandaat te steunen;

23.  vraagt de Commissie en de lidstaten klimaatactie op de agenda te zetten van belangrijke internationale fora binnen de VN en fora zoals de G7 en de G20, en op zoek te gaan naar multilaterale partnerschappen rond specifieke onderwerpen in verband met de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de SDG's;

Openheid, inclusiviteit en transparantie

24.  vraagt de Commissie en de lidstaten strategische partnerschappen met zowel ontwikkelde landen als opkomende economieën te onderhouden en te versterken om de komende jaren een kopgroep op klimaatgebied te vormen, en zich meer solidair te tonen met kwetsbare staten; ondersteunt de langdurige en actieve inzet van de EU binnen de coalitie met een hoge ambitie en met de leden daarvan om uiting te geven aan hun vastberadenheid om te komen tot een​betekenisvolle uitvoering van de Overeenkomst van Parijs door de vaststelling van een solide rulebook in 2018 en een succesvolle Talanoa-dialoog tijdens de COP24;

25.  benadrukt dat om de stijging van de gemiddelde wereldwijde temperatuur tot 1,5 °C te beperken, effectieve deelname van alle partijen is vereist, wat op zijn beurt vereist dat problemen met gevestigde of tegengestelde belangen worden aangepakt; herhaalt in dit verband zijn steun voor het initiatief van regeringen die de meerderheid van de wereldbevolking vertegenwoordigen om een specifiek beleid tegen belangenconflicten in het kader van het UNFCCC te introduceren; vraagt de Commissie en de lidstaten constructief aan dat proces mee te werken zonder de doelen en doelstellingen van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs in gevaar te brengen;

26.  benadrukt dat 80 % van de mensen die door klimaatverandering ontheemd zijn geraakt, vrouwen zijn, en dat vrouwen over het algemeen meer onder klimaatverandering te lijden hebben dan mannen, maar een zwaardere last te dragen hebben en minder betrokken zijn bij de besluitvorming over klimaatverandering; benadrukt dan ook dat empowerment van vrouwen en volledige en gelijkwaardige deelname en leiderschap van vrouwen in internationale fora zoals het UNFCCC en nationale, regionale en lokale klimaatactie, van vitaal belang zijn voor het welslagen en de doeltreffendheid van dergelijke actie; vraagt de EU en de lidstaten het genderperspectief in het klimaatbeleid te integreren en de participatie van inheemse vrouwen en verdedigers van vrouwenrechten in het UNFCCC-kader te bevorderen;

27.  verwelkomt het besluit van de COP23 betreffende de voortzetting van het Aanpassingsfonds en de rol ervan in het kader van de Overeenkomst van Parijs; onderkent het belang van het Aanpassingsfonds voor de gemeenschappen die het gevoeligst zijn voor klimaatverandering, en juicht het derhalve toe dat de lidstaten nieuwe toezeggingen aan het fonds ten belope van 93 miljoen USD hebben gedaan;

28.  neemt er kennis van dat de EU en haar lidstaten de grootste verstrekkers van publieke klimaatfinanciering zijn; vindt het zorgwekkend dat hetgeen de ontwikkelde landen tot nu toe daadwerkelijk hebben toegezegd, ver achterblijft bij het collectieve doel van 100 miljard USD per jaar; benadrukt dat het belangrijk is dat alle ontwikkelde partijen hun bijdrage aan dit doel leveren, aangezien langetermijnfinanciering van doorslaggevend belang is om ontwikkelingslanden in staat te stellen hun aanpassings- en mitigatiedoelstellingen te verwezenlijken;

29.  benadrukt dat de begroting van de Unie moet stroken met haar internationale verbintenissen op het vlak van duurzame ontwikkeling en met haar klimaat- en energiedoelstellingen op middellange en lange termijn, en dus niet contraproductief mag zijn en de verwezenlijking ervan niet mag bemoeilijken; stelt bezorgd vast dat de Unie haar doelstelling om 20 % van haar totale uitgaven aan klimaatmaatregelen te besteden, waarschijnlijk niet gaat halen, en dringt dan ook aan op corrigerende maatregelen; onderstreept voorts dat de klimaat- en energiedoelstellingen van meet af aan centraal moeten staan in de politieke discussies over het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode na 2020, zodat de nodige middelen beschikbaar zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken; herinnert aan zijn standpunt dat de huidige klimaatgerelateerde uitgaven zo snel mogelijk en uiterlijk in 2027 moeten worden verhoogd van 20 % naar 30 %; is van mening dat alle overige MFK-uitgaven in overeenstemming moeten zijn met de Overeenkomst van Parijs en niet contraproductief mogen zijn ten aanzien van de klimaatinspanningen;

30.  vraagt dat er een specifiek en automatisch openbaar financieringsmechanisme van de EU wordt ingesteld dat voorziet in extra en adequate steun opdat de EU haar billijke aandeel kan leveren met het oog op de internationale klimaatfinancieringsdoelstelling van 100 miljard USD;

De rol van niet-overheidsactoren

31.  herinnert eraan dat in de Overeenkomst van Parijs de belangrijke rol van meerlagig bestuur in klimaatbeleid wordt erkend, alsook de noodzaak om samen te werken met regio's, steden en niet-overheidsactoren;

32.  juicht het toe dat een steeds bredere coalitie van niet-overheidsactoren zich wereldwijd voor het klimaat inzet met concrete en meetbare doelstellingen; benadrukt dat er voor het maatschappelijk middenveld, de particuliere sector en overheden op plaatselijk en regionaal niveau een belangrijke rol is weggelegd om de publieke opinie te beïnvloeden en de staat tot actie aan te sporen; vraagt de EU, de lidstaten en alle partijen om niet-overheidsactoren te stimuleren en te faciliteren, en op volledig transparante wijze met hen de dialoog aan te gaan, aangezien het juist deze groepen zijn die steeds meer het voortouw nemen bij de bestrijding van klimaatverandering, en hetzelfde te doen met actoren op subnationaal niveau, met name daar waar de betrekkingen van de EU met nationale regeringen op het vlak van klimaatbeleid zijn verslechterd; spreekt in dit verband zijn lof uit voor de toezegging – gedaan tijdens de COP23 – van 25 voorlopersteden, met in totaal 150 miljoen inwoners, om tegen 2050 hun emissies tot nul te reduceren;

33.  vraagt de Commissie haar betrekkingen met lokale en regionale overheden verder te versterken, thematische en sectorale samenwerking tussen steden en regio's, zowel binnen als buiten de EU, uit te breiden, aanpassings- en weerbaarheidsinitiatieven uit te werken en duurzameontwikkelingsmodellen en emissiereductieplannen te versterken in sleutelsectoren zoals energie, industrie, technologie, landbouw en vervoer, zowel in stedelijke als in plattelandsgebieden, bijvoorbeeld door jumelageprogramma's, via het internationaal samenwerkingsprogramma voor steden, door steun aan platformen zoals het Burgemeestersconvenant en door het oprichten van nieuwe fora voor de uitwisseling van best practices; vraagt de EU en de lidstaten steun te verlenen aan inspanningen van regionale en lokale actoren om regionaal en lokaal bepaalde bijdragen in te voeren (analoog met NDC's) als de klimaatambitie daardoor kan worden verhoogd;

34.  moedigt de Commissie aan om in haar voorstel voor de EU-strategie voor CO2‑neutraliteit tegen het midden van de eeuw concrete broeikasgasemissiereductiedoelstellingen voor 2050 in alle sectoren vast te stellen en een duidelijk plan op te stellen voor de wijze waarop deze doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt, met inbegrip van concrete mijlpalen voor 2035, 2040 en 2045; vraagt de Commissie voorstellen op te nemen over hoe er overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs meer verwijderingen per put kunnen worden gerealiseerd om uiterlijk in 2050 broeikasgasneutraliteit in de Unie te verwezenlijken en spoedig daarna tot negatieve emissies te komen; vraagt dat in deze strategie wordt voorzien in een billijke verdeling van de inspanning tussen sectoren en een mechanisme om de resultaten van de vijfjaarlijkse mondiale inventarisatie te verwerken, zodat rekening wordt gehouden met de bevindingen van het op handen zijnde speciale verslag van de IPCC, de aanbevelingen en standpunten van het Europees Parlement, alsook de standpunten van niet-overheidsactoren, zoals lokale en regionale overheden, het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector;

35.  benadrukt dat de langetermijnstrategie van de EU moet worden gezien als een mogelijkheid om strategische toekomstige prioriteiten te stellen voor een moderne, groene EU-economie waar volledig gebruik wordt gemaakt van het potentieel van technologische vooruitgang en met een hoog niveau van sociale zekerheid en hoge consumentennormen, en die gunstig zal zijn voor de industrie en het maatschappelijk middenveld, vooral op de lange termijn;

36.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om strategieën en programma's uit te werken voor de transitie binnen sectoren die wordt veroorzaakt door decarbonisatie en technologische ontwikkelingen, en uitwisseling van kennis en good practices tussen de regio's, werknemers en bedrijven in kwestie mogelijk te maken, alsook steun te verlenen aan regio's en werknemers om hen te helpen zich voor te bereiden op structurele veranderingen, actief op zoek te gaan naar nieuwe economische mogelijkheden en strategische locatiebeleidsmaatregelen uit te werken om te zorgen voor een verantwoorde overgang naar een CO2-neutrale economie in Europa;

37.  is van mening dat, om ervoor te zorgen dat NDC's stroken met de voor de hele economie geldende inspanningen die door de Overeenkomst van Parijs zijn vereist, de partijen moeten worden aangemoedigd om de emissies van de internationale scheepvaart en luchtvaart daarin op te nemen en in te stemmen met en uitvoering te geven aan maatregelen op internationaal, regionaal en nationaal niveau om de emissies van deze sectoren aan te pakken;

Alomvattende inspanningen van alle sectoren

38.  juicht het toe dat wereldwijd steeds meer regelingen voor emissiehandel worden ingevoerd, en met name ook dat China in december 2017 de eerste fase van een nationale regeling voor emissiehandel in de elektriciteitssector heeft geïntroduceerd; verwelkomt ook de overeenkomst inzake het onderling koppelen van de Europese regeling voor emissiehandel en de Zwitserse regeling, die eind 2017 is ondertekend, en vraagt de Commissie te bekijken of er met de CO2-markten van nog andere derde landen en regio's vergelijkbare koppelingen en andere vormen van samenwerking mogelijk zijn, en de oprichting te bevorderen van nog meer CO2-markten en andere koolstofbeprijzingsmechanismen, die bijdragen tot de reductie van de wereldwijde emissies, voor meer efficiëntie en kostenbesparingen zorgen en het risico van koolstoflekkage reduceren doordat ze voor een wereldwijd level playing field zorgen; vraagt de Commissie vrijwaringsmechanismen in te stellen om ervoor te zorgen dat koppelingen met de EU ETS-regeling extra en permanente mitigatiebijdragen blijven opleveren en de interne verbintenissen van de Unie op het van gebied van broeikasgassen niet ondermijnen;

39.  betreurt het dat de vervoerssector de enige sector is waar de emissies sinds 1990 zijn toegenomen; benadrukt dat dit niet verenigbaar is met duurzame ontwikkeling op lange termijn, die integendeel vereist dat de emissies van alle sectoren van de samenleving verder en sneller afnemen; herinnert eraan dat de vervoerssector tegen 2050 volledig koolstofvrij moet zijn;

40.  is erg teleurgesteld over het voorstel van de Commissie met betrekking tot de CO2-emissienormen voor de periode na 2020 voor personenauto's en lichte bedrijfswagens, aangezien deze niet stroken met de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

41.  maakt zich zorgen over het ambitieniveau van de regeling voor koolstofcompensatie en ‑reductie voor de internationale luchtvaart (Corsia) van de ICAO, gezien de lopende werkzaamheden met betrekking tot de normen en de aanbevolen praktijken (SARP's) voor de implementatie van de regeling vanaf 2019; is sterk gekant tegen de pogingen om Corsia op te leggen voor vluchten binnen Europa, waarbij EU-wetgeving en onafhankelijke besluitvorming aan de kant worden geschoven; benadrukt dat een verdere uitholling van het ontwerp van de SARP's voor Corsia onaanvaardbaar is; vraagt de Commissie en de lidstaten al het mogelijke te doen om de bepalingen van Corsia te verscherpen en zo de impact van de regeling in de toekomst te vergroten;

42.  herinnert aan Verordening (EU) nr. 2017/2392 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG om de huidige beperkingen van het toepassingsgebied voor luchtvaartactiviteiten voort te zetten en de tenuitvoerlegging van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel vanaf 2021 voor te bereiden(8), en met name artikel 1, lid 7, waarin duidelijk wordt gesteld dat het Europees Parlement en de Raad als medewetgevers de enige instellingen zijn die kunnen beslissen over eventuele latere wijzigingen van de ETS-richtlijn; roept de lidstaten op om in de geest van het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven" een formeel voorbehoud in te dienen tegen de SARP's voor Corsia, en daarin te stellen dat voor de tenuitvoerlegging van Corsia en voor deelname aan de vrijwillige fasen voorafgaande goedkeuring van de Raad en het Europees Parlement vereist is;

43.  herinnert eraan dat de Unie de afwijking van de EU-regeling voor emissiehandel voor vluchten buiten de EER nog eens heeft verlengd, tot 2024, om de ICAO in de gelegenheid te stellen met een wereldwijde oplossing voor de emissies door de luchtvaart te komen; beklemtoont evenwel dat elke verdere wijziging van de wetgeving alleen mag worden toegestaan als deze strookt met de verbintenissen van de EU betreffende de voor de hele economie geldende broeikasgasemissiereducties, waarin niet in het gebruik van compensatiecredits na 2020 is voorzien;

44.  is verheugd dat EU-regeling voor de emissiehandel in de luchtvaart al voor zo'n 100 miljoen ton CO2‑reducties/‑compensaties heeft gezorgd;

45.  wijst er nog eens op dat de CO2-emissies van de scheepvaart tussen nu en 2050 naar verwachting met 50 à 250 % zullen toenemen en dat er reeds technische oplossingen bestaan om de emissies van schepen sterk te verminderen; verwelkomt het akkoord over de IMO-strategie voor de reductie van de broeikasgasemissies van schepen, dat in april 2018 tijdens de 72e sessie van het Comité voor de bescherming van het mariene milieu van de IMO is bereikt, als een eerste stap waarmee de sector een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs; roept de IMO op snel afspraken te maken over nieuwe verplichte maatregelen voor emissiereducties die nodig zijn voor het halen van de doelstellingen, en beklemtoont hoe belangrijk en urgent het is deze vóór 2023 uit te voeren; onderstreept dat er verdere maatregelen en acties nodig zijn om de emissie van schepen aan te pakken, en vraagt de EU en de lidstaten in dit verband nauwlettend toe te zien op de uitvoering en het effect van het IMO-akkoord, en na te denken over aanvullende EU-maatregelen om ervoor te zorgen dat de broeikasgasemissies van schepen overeenkomen met de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs; dringt er bij de Commissie op aan de internationale scheepvaart op te nemen in haar toekomstige decarbonisatiestrategie voor 2050 teneinde de investeringsbeslissingen van de EU in de richting van koolstofneutrale brandstoffen en aandrijvingstechnologieën voor de scheepvaart te sturen;

46.  overwegende dat ontbossing en aantasting van bossen bijna 20 % van de mondiale CO2‑emissies veroorzaken; onderstreept de belangrijke rol die bossen en moerasgebied vervullen bij de beperking van klimaatverandering, aangezien zij veel koolstof kunnen vasthouden; wijst erop dat natuurlijke koolstofputten en -reservoirs in de EU en de rest van de wereld op de lange termijn in stand moeten worden gehouden en moeten worden uitgebreid, en dat de totale oppervlakte aan bossen in de wereld, alsook hun aanpassingsvermogen en klimaatbestendigheid, verder moeten worden vergroot om de langetermijndoelstelling van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken; benadrukt voorts dat er behoefte is aan mitigatiemaatregelen voor het tropisch regenwoud, maar dat ook de onderliggende oorzaken van de verdwijning van bossen en van de klimaatverandering moeten worden aangepakt;

Klimaatbestendigheid door aanpassing

47.  verzoekt de Commissie de EU-aanpassingsstrategie te herzien, aangezien aanpassing voor alle landen een absolute noodzaak is als zij de negatieve gevolgen van de klimaatverandering tot een minimum willen beperken en ten volle gebruik willen maken van de mogelijkheden voor klimaatbestendige groei en duurzame ontwikkeling;

48.  beschouwt het operationeel worden van het platform van plaatselijke gemeenschappen en inheemse volkeren als een van de succesverhalen van de COP23 en alweer een belangrijke stap in de richting van de uitvoering van de besluiten die in Parijs zijn genomen; is van oordeel dat het platform zal bijdragen tot een effectieve uitwisseling van ervaringen en best practices op het gebied van aanpassingsinspanningen en ‑strategieën;

49.  benadrukt dat er openbare, transparante en gebruiksvriendelijke structuren en instrumenten moeten worden ontwikkeld om op de hoogte te blijven van de voortgang en de doeltreffendheid van de nationale plannen en maatregelen;

Klimaatdiplomatie

50.  is groot voorstander van de voortzetting en verdere versterking van het EU-beleid van politieke toenadering en klimaatdiplomatie, dat essentieel is om klimaatactie beter bekend te maken in de partnerlanden en de wereldwijde publieke opinie; vraagt dat de EDEO en de Commissie personele en financiële middelen krijgen die beter aansluiten bij de sterke inzet voor en de grotere betrokkenheid bij klimaatdiplomatie; benadrukt dat er een alomvattende strategie voor de klimaatdiplomatie van de EU moet worden uitgestippeld en dat klimaatactie op alle gebieden van het externe optreden van de EU een plaats moet krijgen, waaronder handel, ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp en veiligheid en defensie;

51.  wijst op de groter wordende gevolgen van de klimaatverandering voor de internationale veiligheid en de regionale stabiliteit, als gevolg van de achteruitgang van het milieu, het verlies van bestaansmiddelen, door het klimaat veroorzaakte ontheemding en daarmee gepaard gaande onrust, waarbij de klimaatverandering vaak als multiplicator van bedreigingen kan worden beschouwd; roept de EU en de lidstaten dan ook op om met hun partners in de rest van de wereld samen te werken om de destabiliserende gevolgen van de klimaatverandering beter te begrijpen en te integreren, er beter op te anticiperen en er beter mee om te gaan; beklemtoont dan ook dat het belangrijk is klimaatdiplomatie tot een vast onderdeel van het Europese beleid voor conflictpreventie te maken;

52.  vraagt de Commissie en de lidstaten allianties met een hoge ambitie in het leven te roepen om het voortouw te nemen bij de integratie van klimaatactie in verschillende kwesties betreffende buitenlands beleid, zoals handel, internationale migratie, de hervorming van de internationale financiële instellingen en vrede en veiligheid;

53.  verzoekt de Commissie het aspect klimaatverandering op te nemen in internationale handels- en investeringsovereenkomsten en van de ratificatie en uitvoering van de Overeenkomst van Parijs een voorwaarde te maken voor toekomstige handelsovereenkomsten; verzoekt de Commissie grondig te beoordelen in welke mate de bestaande overeenkomsten stroken met de Overeenkomst van Parijs;

Industrie en concurrentievermogen

54.  benadrukt dat klimaatverandering bovenal een maatschappelijke uitdaging is en dat de bestrijding ervan daarom een van de leidende beginselen van het beleid en het optreden van de EU moet blijven, ook op het gebied van industrie, energie, onderzoek en digitale technologie;

55.  is verheugd over de inspanningen die de Europese burgers, bedrijven en industrie hebben geleverd om de verplichtingen van de Overeenkomst van Parijs na te komen, en over de vooruitgang die zij tot nu toe hebben geboekt; moedigt hen aan om hogere ambities te stellen, ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden die uit de Overeenkomst van Parijs voortvloeien en gelijke tred te houden met de technologische ontwikkelingen;

56.  benadrukt dat een stabiel en voorspelbaar juridisch kader en duidelijke beleidssignalen op mondiaal en EU-niveau klimaatgerelateerde investeringen faciliteren en bevorderen; benadrukt in dit verband hoe belangrijk de wetgevingsvoorstellen in het kader van het pakket "Schone energie voor alle Europeanen" zijn om het concurrentievermogen van de EU te versterken, burgers mondiger te maken en doelstellingen vast te stellen die stroken met de verbintenissen van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs en de vijfjaarlijkse herziening;

57.  is verheugd dat verscheidene landen waar belangrijke concurrenten van de energie-intensieve sectoren van de EU gevestigd zijn, een emissiehandelssysteem of andere prijsstellingsmechanismen hebben ingevoerd; moedigt andere landen aan om dat ook te doen;

58.  benadrukt het belang van een toename van het aantal kwalitatief hoogwaardige banen en geschoolde werknemers in de EU-industrie om innovatie en een duurzame transitie te stimuleren; pleit voor een holistisch en inclusief proces om een visie te ontwikkelen voor een alternatief bedrijfsmodel in steenkool- en koolstofintensieve regio's met een hoog percentage werknemers in sectoren die afhankelijk zijn van koolstof, teneinde een duurzame transformatie voor bloeiende industrieën en diensten te vergemakkelijken, met erkenning voor het erfgoed en de beschikbare vaardigheden van de beroepsbevolking; onderstreept dat er voor de lidstaten een belangrijke rol is weggelegd bij het bespoedigen van hervormingen die kunnen leiden tot een billijke transitie van de beroepsbevolking in deze regio's; herinnert eraan dat extra financiële steun van de EU in dit verband een onmisbare rol speelt;

Energiebeleid

59.  herinnert eraan dat de investeringen in hernieuwbare energie in de EU afnemen; wijst er daarom op dat hernieuwbare energie en energie-efficiëntie van groot belang zijn voor het verminderen van de emissies, alsook voor energiezekerheid en het voorkomen en verminderen van energiearmoede om kwetsbare huishoudens te beschermen en te helpen; dringt aan op een wereldwijde bevordering van maatregelen voor energie-efficiëntie en energiebesparingen en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen (bijvoorbeeld door stimulansen voor het zelf opwekken van hernieuwbare energie voor eigen gebruik);

60.  herinnert eraan dat voorrang voor energie-efficiëntie, onder meer aan de hand van het beginsel "energie-efficiëntie eerst", en wereldwijd leiderschap op het gebied van hernieuwbare energiebronnen twee van de belangrijkste doelstellingen van de energie-unie van de EU zijn; benadrukt het belang van ambitieuze wetgeving in het kader van het pakket schone energie voor de verwezenlijking van deze doelstellingen, alsook van de komende strategie om de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs om de stijging van de gemiddelde temperatuur wereldwijd ruim onder 2 °C te houden, met als verdere doelstelling deze onder 1,5 °C te houden, tegen het midden van de eeuw effectief ten uitvoer te leggen in het EU-beleid;

61.  onderstreept hoe belangrijk het is technologie voor energieopslag, slimme energienetten en vraagsturing te ontwikkelen om ervoor te helpen zorgen dat hernieuwbare energiebronnen effectief worden ingezet bij de opwekking van elektriciteit en in de sector verwarming en koeling voor particuliere huishoudens;

62.  vraagt de EU de internationale gemeenschap ertoe aan te sporen onverwijld concrete maatregelen te nemen, met inbegrip van een tijdschema, voor het geleidelijk afbouwen van voor het milieu schadelijke subsidies die concurrentieverstorend werken, een belemmering vormen voor internationale samenwerking en innovatie in de weg staan;

Beleid inzake onderzoek, innovatie, digitale technologieën en ruimtevaart

63.  onderstreept dat verder en meer onderzoek en innovatie op het gebied van beperking van de klimaatverandering, aanpassingsbeleid, efficiënt gebruik van hulpbronnen, duurzame emissiearme en emissievrije technologieën, duurzaam gebruik van secundaire grondstoffen ("circulaire economie") en het verzamelen van gegevens over klimaatverandering essentieel zijn voor een kosteneffectieve bestrijding van de klimaatverandering en ons minder afhankelijk helpen maken van fossiele brandstoffen; dringt daarom aan op wereldwijde verbintenissen om investeringen op deze gebieden te bevorderen en te focussen; benadrukt dat in het kader van het nieuwe programma "Horizon Europa" prioriteit moet worden gegeven aan de financiering van projecten op het gebied van duurzame energie, gezien de verbintenissen die de Unie in het kader van de energie-unie en de Overeenkomst van Parijs is aangegaan;

64.  benadrukt dat de SDG's een radicale verandering in het internationale beleid inzake ontwikkelingssamenwerking inhouden en dat de EU zich ertoe heeft verbonden de SDG's in haar interne en externe beleid ten uitvoer te leggen; benadrukt, in overeenstemming met de externe dimensie van de SDG's, dat verschillende methoden moeten worden onderzocht om ontwikkelingslanden en opkomende economieën te helpen bij hun energietransitie, onder meer door middel van capaciteitsopbouwende maatregelen, hulp bij het verminderen van de kapitaalkosten van hernieuwbare energiebronnen en projecten voor energie-efficiëntie, technologieoverdracht en oplossingen voor de ontwikkeling van slimme steden en afgelegen gemeenschappen en plattelandsgemeenschappen, zodat zij hun verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs kunnen nakomen; is in dit verband verheugd over het onlangs opgerichte Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling;

65.  herinnert eraan dat onderzoek, innovatie en concurrentievermogen tot de vijf pijlers van de EU-strategie voor de energie-unie behoren; stelt vast dat de EU vastbesloten is om op deze gebieden een wereldleider te blijven, en tegelijk nauwe wetenschappelijke samenwerking met internationale partners ontwikkelt; wijst erop hoe belangrijk het is dat zowel in de ontwikkelde als in de opkomende landen een sterke innovatiecapaciteit voor het inzetten van technologieën voor schone en duurzame energie wordt opgebouwd en gehandhaafd;

66.  herinnert eraan dat digitale technologieën een fundamentele rol spelen bij de ondersteuning van de energietransitie en met name de verbetering van de energie-efficiëntie en energiebesparingen; wijst op de klimaatvoordelen die de digitalisering van de Europese industrie kan opleveren door een efficiënt gebruik van hulpbronnen, een lagere materiaalintensiteit en het vergroten van het huidige arbeidspotentieel;

67.  is er vast van overtuigd dat de ruimtevaartprogramma's van de Unie zodanig moeten worden opgezet dat zij bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering en mitigatiestrategieën; herinnert er in dit verband aan dat het Copernicus-systeem een bijzondere rol speelt en dat het over een dienst voor CO2-monitoring moet beschikken; benadrukt hoe belangrijk het is het beleid van vrije, volledige en open gegevens te handhaven, aangezien dit essentieel is voor de wetenschappelijke gemeenschap en internationale samenwerking op dit gebied ondersteunt;

Klimaatactie in de ontwikkelingslanden

68.  benadrukt dat het mogelijk moet blijven om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C en dat grote uitstoters, met inbegrip van de EU, de plicht hebben om hun mitigatie-inspanningen, die aanzienlijke nevenvoordelen op het gebied van duurzame ontwikkeling kunnen opleveren, snel op te voeren en hun steun voor klimaatmaatregelen in de ontwikkelingslanden aanzienlijk op te voeren;

69.  onderstreept het belang van klimaatgeïnformeerde besluitvorming en de ondersteuning daarvan door de verbetering van klimaatdiensten, die van bijzonder belang zijn voor ontwikkelingslanden; dringt erop aan dat dit een belangrijke doelstelling van door de EU gefinancierd onderzoek wordt en dat de EU zich sterk inspant om de overdracht van technologie naar ontwikkelingslanden te vergemakkelijken; dringt aan op een WTO-verklaring over intellectuele-eigendomsrechten en klimaatverandering, naar analogie met de Verklaring van Doha van 2001 over de TRIPS-overeenkomst en de volksgezondheid;

70.  herinnert eraan dat de ontwikkelde landen zich ertoe hebben verbonden nieuwe en extra financiering te verstrekken voor klimaatmaatregelen in de ontwikkelingslanden, die tegen 2020 100 miljard USD per jaar moet bedragen; erkent de noodzaak van een voortdurende toename en een striktere boekhouding van de financiële inspanningen, onder meer door aandacht te besteden aan de vereiste dat de financiering nieuw en aanvullend moet zijn en door alleen het subsidie-equivalent van leningen op te nemen, berekend volgens de methode die is overeengekomen in de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO; beveelt aan dat de EU-lidstaten de werkwijze volgen die de Commissie heeft ontwikkeld voor het gebruik van de Rio-indicatoren voor officiële ontwikkelingshulp met een klimaatdoelstelling;

71.  verzoekt de EU zich te houden aan het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, zoals vastgelegd in artikel 208 VWEU, aangezien dit een fundamenteel aspect vormt van de bijdrage van de EU aan de Overeenkomst van Parijs; vraagt de EU daarom te zorgen voor samenhang tussen haar ontwikkelings-, handels-, landbouw- en klimaatbeleid;

72.  herinnert eraan dat de klimaatverandering zowel directe als indirecte gevolgen heeft voor de productiviteit van de landbouw; herhaalt zijn oproep om de manier waarop we voedsel produceren en consumeren, te veranderen in de richting van een agro-ecologische praktijk, overeenkomstig de conclusies van de Internationale beoordeling van landbouwkennis, wetenschap en technologie voor ontwikkeling (IAASTD) en de aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel; looft de initiatieven van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) om de agro-ecologie uit te breiden teneinde de SDG's te verwezenlijken; vraagt de EU en haar lidstaten hun ontwikkelingsbeleid in deze zin uit te stippelen, ook in het onderdeel landbouwinvesteringen van de EFDO;

73.  onderstreept dat de nog steeds stijgende CO2-uitstoot als gevolg van vervoer en handel de doeltreffendheid van de klimaatveranderingsstrategie van de EU ondermijnt; merkt op dat de bevordering van een op export gerichte ontwikkeling, ook via exportgerichte industriële landbouw, moeilijk te verenigen is met de dringende noodzaak om de gevolgen van de klimaatverandering te beperken;

74.  is van mening dat de EU moet nagaan hoe de Europese handel in en consumptie van producten die bossen in gevaar brengen, zoals soja, palmolie, eucalyptus, rundvlees, leder en cacao, kan worden gecontroleerd, rekening houdend met de lessen die zijn geleerd uit het FLEGT-actieplan en de houtverordening en uit de EU-maatregelen om andere toeleveringsketens te reguleren teneinde ernstige schade een halt toe te roepen of te voorkomen; wijst erop dat de sleutel tot het welslagen van dergelijke inspanningen onder meer gelegen is in de handhaving van traceerbaarheid en verplichte zorgvuldigheidseisen in de hele toeleveringsketen;

75.  vraagt de Europese Investeringsbank spoedig een einde te maken aan kredietverlening voor projecten rond fossiele brandstoffen en verzoekt de EU-lidstaten een einde te maken aan alle exportkredietgaranties voor projecten rond fossiele brandstoffen; pleit voor specifieke publieke garanties ten behoeve van groene investeringen, labels en fiscale voordelen voor groene investeringsfondsen en de uitgifte van groene obligaties;

76.  benadrukt hoe belangrijk het is de wereldwijde doelstelling inzake aanpassing te verwezenlijken en omvangrijke nieuwe fondsen te mobiliseren voor aanpassing in ontwikkelingslanden; vraagt de EU en haar lidstaten zich ertoe verbinden om de aanpassingsfinanciering die zij verstrekken, aanzienlijk te verhogen; erkent dat er ook vooruitgang moet worden geboekt op het gebied van verlies en schade, waarvoor extra middelen moeten worden uitgetrokken via innovatieve bronnen van overheidsfinanciering met behulp van het internationale mechanisme van Warschau;

77.  benadrukt de noodzaak van bottom-up, lokaal geleide projecten die bijzonder kwetsbare mensen en gemeenschappen bereiken; merkt op dat de huidige nadruk op blendingverrichtingen en waarborgen om particuliere investeringen te faciliteren, grote projecten bevoordeelt, en vraagt om een passend evenwicht in het gebruik van de steunfondsen;

78.  merkt op dat de luchtvaartsector sterk afhankelijk is van koolstofcompensaties en dat boskoolstofcompensatie moeilijk te meten en onmogelijk te garanderen is; benadrukt dat erop moet worden toegezien dat het koolstofcompensatie- en -reductieprogramma voor de internationale luchtvaart (Corsia) en andere projecten op generlei wijze schade toebrengen aan de voedselzekerheid, de landrechten, de rechten van inheemse volkeren of de biodiversiteit, en dat het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming in acht wordt genomen;

Rol van het Europees Parlement

79.  is van mening dat het Parlement goed in de EU-delegatie moet worden geïntegreerd, aangezien het zijn goedkeuring moet geven aan internationale overeenkomsten en als medewetgever een centrale rol speelt bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs in Europa; rekent er dan ook op dat het de coördinatievergaderingen van de EU in Katowice mag bijwonen en dat het vanaf het begin van de onderhandelingen toegang krijgt tot alle voorbereidende documenten;

o
o   o

80.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek de resolutie ook toe te zenden aan alle partijen die geen lid zijn van de EU.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0280.
(2) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 70.
(3) PB L 236 van 14.9.2017, blz. 1.
(4) http://www3.weforum.org/docs/WEF_GRR18_Report.pdf
(5) http://www.bmub.bund.de/fileadmin/Daten_BMU/Download_PDF/Europa___International/green_growth_group_financing_climate_action_bf.pdf
(6) http://copernicus.eu/news/report-operational-anthropogenic-co2-emissions-monitoring
(7) UNEP, "The Emissions Gap Report 2017 – The emissions gap and its implications", blz. 18.
(8) PB L 350 van 29.12.2017, blz. 7.


14e bijeenkomst van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP14)
PDF 151kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over de 14e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP14) (2018/2791(RSP))
P8_TA(2018)0431B8-0478/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2016 over de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie(2),

–  gezien het verslag van de Commissie van 20 mei 2015 getiteld "De stand van de natuur in de Europese Unie: Verslag over de staat van en trends voor typen van habitats en soorten die onder de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn vallen voor de periode 2007‑2012, zoals vereist krachtens artikel 17 van de Habitatrichtlijn en artikel 12 van de Vogelrichtlijn" (COM(2015)0219),

–  gezien de vragen aan de Commissie en de Raad over de 14e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP14) (O‑000115/2018 – B8‑0413/2018 en O‑000116/2018 – B8‑0414/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de verklaarde doelstelling van het strategische plan voor biodiversiteit 2011‑2020, in 2010 goedgekeurd door de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD), is doeltreffende en urgente actie te ondernemen om het verlies aan biodiversiteit (de buitengewone variatie van ecosystemen, soorten en genetische hulpbronnen die ons omringen) een halt toe te roepen teneinde ervoor te zorgen dat de ecosystemen uiterlijk in 2020 veerkrachtig zijn en essentiële diensten blijven bewijzen, en op die manier de diversiteit van het leven op onze planeet te vrijwaren en bij te dragen tot menselijk welzijn en het uitbannen van armoede;

B.  overwegende dat Visie 2050, aangenomen in het kader van het VBD, is "In harmonie met de natuur leven", zodat "tegen 2050, biodiversiteit wordt gewaardeerd, behouden, hersteld en verstandig gebruikt, door ecosysteemdiensten te handhaven, een gezonde planeet in stand te houden en te laten profiteren van voordelen die essentieel zijn voor alle mensen";

C.  overwegende dat Visie 2050 wordt ondersteund door vijf hoofddoelstellingen: a) aanpak van de achterliggende oorzaken van het verlies van biodiversiteit door overheid en samenleving van biodiversiteit bewust te maken; b) vermindering van de directe druk op biodiversiteit en stimuleren van duurzaam gebruik; c) de status van de biodiversiteit verbeteren door ecosysteemdiensten, soorten en genetische diversiteit te beschermen; d) de baten van biodiversiteit en ecosysteemdiensten voor iedereen vergroten; en e) de tenuitvoerlegging versterken door participatieplanning, kennismanagement en capaciteitsopbouw;

D.  overwegende dat het Protocol van Nagoya inzake toegang en verdeling van voordelen ten doel heeft ervoor te zorgen dat de uit het gebruik van genetische rijkdommen voortvloeiende voordelen eerlijk en billijk worden verdeeld;

E.  overwegende dat de EU 2020 biodiversiteitsstrategie erop gericht is het verlies van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de EU tegen te gaan en het biodiversiteitsverlies wereldwijd tegen 2020 een halt toe te roepen, rekening houdend met de intrinsieke waarde van biodiversiteit en de essentiële bijdrage van ecosysteemdiensten aan het menselijk welzijn en economische voorspoed;

F.  overwegende dat de EU en de lidstaten Agenda 2030 en haar doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s) hebben aangenomen, waarin opgeroepen wordt om onze wereld te veranderen en onze planeet te beschermen, inclusief het leven op het land en in het water, en hebben toegezegd deze agenda volledig ten uitvoer te zullen leggen;

G.  overwegende dat verslechtering van de ecosystemen enorme sociale en economische verliezen voor de EU met zich meebrengt;

Algemene opmerkingen

1.  merkt met bezorgdheid op dat de 2020 Aichi-biodiversiteitsdoelstellingen niet gehaald kunnen worden met de huidige ontwikkeling van het biodiversiteitsverlies en dringt er bij alle partijen en belanghebbenden bij het VBD op aan hun inspanningen te verhogen; dringt er in dit verband bij de Commissie en de lidstaten op aan zich te committeren aan onmiddellijke, substantiële en aanvullende inspanningen om de diversiteit te behouden en zo de EU‑doelstellingen te halen;

2.  benadrukt dat de bescherming van de mondiale biodiversiteit een essentiële uitdaging is en dus een strategisch EU-belang dat hoog op de politieke agenda moet staan; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan zich actief in te zetten, met name via hun externe instrumenten, voor derde landen om beleidsmaatregelen voor het behoud van biodiversiteit te bevorderen en te versterken, met name in alle multilaterale overeenkomsten;

3.  benadrukt dat er een allesomvattend bestuursmodel moet komen waarin het behoud en het duurzaam gebruik van biodiversiteit en ecosysteemdiensten wordt gestimuleerd; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan zich te blijven inzetten voor verdere aanscherping van het VBD en het voortouw te nemen bij de voorbereiding van het kader post‑2020, met name in de aanloop naar de veertiende en vijftiende bijeenkomst van de Conferentie van de partijen (COP), en hun visies en prioriteiten voor het mondiale biodiversiteitskader post‑2020 op transparante wijze uiteen te zetten;

4.  brengt in herinnering dat de instandhouding en het herstel van de biodiversiteit van belang zijn om de meeste SDG's te halen en essentieel zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het EU‑beleid op het gebied van o.a. milieu, voedselveiligheid, beperking van en aanpassing aan klimaatverandering, volksgezondheid, rampenrisicovermindering en migratie;

5.  herinnert eraan dat biodiversiteit en behoud van ecosystemen inherent synergetisch zijn en een kernelement van duurzame ontwikkeling; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te faciliteren dat biodiversiteit en verbeterde samenhang van het milieubeleid worden gemainstreamd in al het interne en externe beleid van de EU, ook met het oog op hun inspanningen om de SDG's van de VN vóór 2030 volledig ten uitvoer te leggen;

6.  acht het van essentieel belang de belangrijkste oorzaken van biodiversiteitsverlies en ‑verslechtering aan te pakken met een strategische benadering die gericht is op de lange termijn en om effectieve besluiten en maatregelen te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen, van het aanduiden en in stand houden van beschermde gebieden op basis van de gevoeligheid van die gebieden, de aanwezigheid van bedreigde soorten of de vastgestelde kenniskloven en/of effectief bestuur, om het biodiversiteitsverlies en de negatieve gevolgen voor het grondgebied en het bestaan van inheemse en lokale gemeenschappen te beperken, en om ecosystemen en hun diensten ook buiten beschermde gebieden te herstellen, tot het mainstreamen van biodiversiteit in andere beleidssectoren, zoals landbouw, bosbouw, ruimtelijke ordening, ontwikkelingssamenwerking, onderzoek en innovatie, transport, mijnbouw en gezondheidszorg, en het afschaffen van averechts werkende subsidies; acht het van essentieel belang biodiversiteitsverlies en de negatieve impact ervan voor het land en voor de bestaansmiddelen van lokale en inheemse gemeenschappen, te beperken;

Tenuitvoerlegging van het Verdrag en het strategisch plan voor biodiversiteit 2011-2020

7.  herinnert eraan dat het op de COP14 in Egypte vijfentwintig jaar geleden was dat het Verdrag in werking trad; is derhalve van mening dat het van het uiterste belang is de inspanningen te verhogen voor de tenuitvoerlegging van het huidige strategische plan voor biodiversiteit 2011‑2020, te focussen op verwezenlijking van de Aichi-biodiversiteitsdoelstellingen en de kernonderdelen van het Protocol van Nagoya inzake toegang en verdeling van voordelen en te werken aan een ambitieus strategisch plannings- en tenuitvoerleggingsmechanisme voor de periode post‑2020, teneinde een 2050-scenario te ontwikkelen waarbij rekening wordt gehouden met de nieuwe uitdagingen op het gebied van biodiversiteit in lijn met de Agenda 2030 voor SDG's;

8.  benadrukt de rol van de Aichi-biodiversiteitsdoelstellingen voor het behalen van de Agenda 2030 en de SDG's, met name SDG14 (Behoud en maak duurzaam gebruik van oceanen, zeeën en maritieme hulpbronnen) en SDG15 (Bescherm ecosystemen op het vasteland, beheer bossen duurzaam, bestrijd woestijnvorming, stop landdegradatie en draai het terug en roep het verlies aan biodiversiteit een halt toe);

9.  merkt met bezorgdheid op dat uit de beoordelingen(3) van de staat van instandhouding van soorten en habitattypen in de EU blijkt dat slechts 7 % van mariene soorten en 9 % van mariene habitattypen een "gunstige staat van instandhouding" heeft en dat 27 % van de soorten en 66 % van de habitattypen een "ongunstige staat van instandhouding" heeft;

Mondiaal biodiversiteitskader voor de periode post-2020

10.  dringt aan op stappen om het ambitieniveau op te schroeven en de werking van het mondiaal biodiversiteitskader voor de periode post‑2020 te verbeteren; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan zich actief in te zetten voor de ontwikkeling van duidelijke, kwantitatieve, meetbare doelen met prestatie-indicatoren, betere meetinstrumenten, vastleggingsprocessen en beoordelings- en rapportage-regelingen met gemeenschappelijke normen, naar het voorbeeld van de regelingen van de Overeenkomst van Parijs, om de transparantie en de verantwoordingsplicht van de partijen bij het verdrag te verbeteren, alsmede de algehele effectiviteit van het volgende mondiale biodiversiteitskader;

11.  benadrukt dat er een sterker internationaal kader nodig is om de mondiale biodiversiteit te beschermen, om de huidige neergang tegen te gaan en om de biodiversiteit zoveel mogelijk te herstellen; is van mening dat een dergelijk kader gebaseerd zou moeten zijn op doelstellingen en vrijwillige toezeggingen, o.a. nationaal vastgestelde bijdragen, die worden ondersteund met lokale en regionale bijdragen, en andere passende instrumenten, financiële toezeggingen en verbeterde capaciteitsopbouwgaranties, alsmede een vijfjarige herzieningsregeling, met een nadruk op beter bestuur van beschermde gebieden, effectievere instandhoudingsmaatregelen en een stijgend ambitieniveau;

12.  benadrukt het belang van het zoveel mogelijk bekorten van de termijnen tussen de goedkeuring van het mondiale biodiversiteitskader voor de periode post‑2020 en de omzetting ervan in nationale biodiversiteitsdoelstellingen om te voorkomen dat er vertraging wordt opgelopen bij het nemen van concrete maatregelen om verlies van biodiversiteit tegen te gaan;

Economische overwegingen en financiering 

13.  benadrukt dat economische groei duurzame ontwikkeling alleen kan faciliteren als ze wordt losgekoppeld van achteruitgang van biodiversiteit en de capaciteit van de natuur om te voorzien in het menselijk welzijn en benadrukt dat op de natuur gebaseerde oplossingen moeten worden opgeschaald zodat samenlevingen complexe vraagstukken met sociale en economische aspecten op een volledig duurzame manier kunnen aanpakken;

14.  wijst op het belang van voldoende financiering voor biodiversiteit; benadrukt het feit dat het volgende Meerjarig Financieel Kader biodiversiteitsbestendig moet zijn en dat er wellicht middelen moeten worden gereserveerd voor biodiversiteit wil het een aanzienlijk en positief effect hebben op de verwezenlijking van de Visie 2050;

15.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de invoering van nieuwe internationale financieringsinstrumenten voor behoud van biodiversiteit in het kader van het VBD te bevorderen en wijst op het belang van private financieringsinitiatieven in dit verband;

16.  benadrukt het belang van hogere investeringen om de toezeggingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken om de gevolgen van de klimaatverandering voor biodiversiteit te beperken, en om te zorgen voor samenhang tussen beleid inzake de beperking van en aanpassing aan klimaatverandering en biodiversiteit;

Bosbouw en landbouw

17.  is verheugd over het feit dat in aanbeveling 10.2.g (XXI/1.) voor het COP14-besluit het potentieel van bosbouw en landbouw wordt genoemd; benadrukt het feit dat landbouwactiviteiten en het behoud van biodiversiteit nauw samenhangen; benadrukt het feit dat duurzame land- en bosbouw in sterke mate bijdragen tot een grote rijkdom aan soorten, habitats en ecosystemen, en de gevolgen van klimaatverandering beperken;

18.  wijst echter op de negatieve gevolgen van intensieve landbouw op de biodiversiteit, met name met betrekking tot ontbossing en het gebruik van pesticiden; herinnert aan de verontrustende achteruitgang van bestuivers, die essentieel zijn voor goed functionerende ecosystemen; dringt er bij de partijen op aan zich sterk in te zetten voor duurzame land- en bosbouw, inclusief voorschriften voor de bevordering van agro‑ecologische benaderingen, en het geleidelijk afschaffen van gewasbeschermingsmiddelen en strategieën om te zorgen voor bescherming van bodems en habitats;

Innovatie

19.  is verheugd over het feit dat in 10.2.h (XXI/1.) technologische ontwikkeling wordt genoemd; herinnert aan het belang van innovatie, onderzoek en ontwikkeling voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Visie 2050, en vraagt de partijen daarbij in het bijzonder te focussen op het verband tussen het behoud van biodiversiteit en de positieve effecten op de gezondheid en het economisch welzijn van mensen, en de maatregelen ten behoeve van het verzamelen van gegevens te coördineren;

Capaciteitsopbouw, bewustmaking en betrokkenheid van alle actoren

20.  benadrukt dat capaciteitsopbouw en bewustmaking, onder meer over de waarde van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, essentieel zijn voor een succesvolle tenuitvoerlegging; is derhalve verheugd over het feit dat de COP13 in haar besluit XIII/23 alsmede in aanbeveling XXI/1 een actieplan voor de korte termijn (2017‑2022) heeft goedgekeurd om de capaciteitsopbouw te vergroten en te ondersteunen en haar communicatiestrategie, en dringt er bij de COP14 op aan deze aspecten verder uit te werken;

21.  benadrukt dat er een uitgebreid en participatief proces moet zijn om het kader na 2020 vorm te geven;

22.  is verheugd over het feit dat in XXI/1 bewustmakingscampagnes worden overwogen voor de voorbereiding van COP14 en dringt er bij de partijen op aan het bewustzijn van het publiek en de betrokkenheid van alle belanghebbenden te vergroten om te zorgen voor op maat gesneden oplossingen voor plaatselijke gemeenschappen en inheemse volkeren teneinde duurzaam gebruik van land te stimuleren voor meer biodiversiteit, zodat regionale verschillen in landschappen en habitats volledig worden gerespecteerd;

23.  is verheugd over de intentie om meerdere belanghebbenden, inclusief regionale en locale actoren, actief te benaderen wat van fundamenteel belang is om biodiversiteit te waarderen, beschermen, behouden, duurzaam te gebruiken, en te herstellen en benadrukt dat een grotere betrokkenheid van en tussen bestuursniveaus en sectoren, alsmede platforms voor bedrijfsleven en biodiversiteit, mogelijkheden zal creëren om biodiversiteitsdoelstellingen beter ten uitvoer te leggen en in overig beleid te mainstreamen;

o
o   o

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 2.
(2) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 38.
(3) Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services, ‘The Regional Assessment Report on Biodiversity and Ecosystem Services for Europe and Central Asia’, 2018.


Werkgelegenheids- en sociaal beleid in de eurozone
PDF 160kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over het werkgelegenheids- en sociaal beleid van de eurozone (2018/2034(INI))
P8_TA(2018)0432A8-0329/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 3 en 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het witboek van de Commissie van 16 februari 2012 getiteld "Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen" (COM(2012)0055),

–  gezien de artikelen 9, 145, 148, 149, 152, 153, 174 en 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven(1),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name titel IV (solidariteit),

–  gezien het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN, met name de doelstellingen 1, 3, 4, 5, 8, 10 en 13,

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015 getiteld "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie",

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 14 mei 2018 over het economisch beleid van de eurozone(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2015 over de bevordering van de sociale economie als centrale motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 mei 2018 getiteld "Europees semester 2018: landenspecifieke aanbevelingen" (COM(2018)0400),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2017 getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2018" (COM(2017)0690),

–  gezien het ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad van 22 november 2017 bij de mededeling van de Commissie van 22 november 2017 over de jaarlijkse groeianalyse 2018 (COM(2017)0674),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 22 november 2017 voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2017)0677), en het desbetreffende standpunt van het Parlement van 19 april 2018(3),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 22 november 2017 voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2017)0770),

–  gezien het verslag van de Commissie van 22 november 2017 getiteld "Waarschuwingsmechanismeverslag 2018" (COM(2017)0771),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2017 getiteld "Ontwerpbegrotingsplannen 2018: Algemene beoordeling" (COM(2017)0800),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 inzake de oprichting van een Europese pijler van sociale rechten (COM(2017)0250),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 getiteld "Een initiatief om het evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en mantelzorgers te ondersteunen" (COM(2017)0252),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 26 april 2017, getiteld 'Taking stock of the 2013 Recommendation on "Investing in children: breaking the cycle of disadvantage"' (Balans van de aanbeveling uit 2013 "Investeren in kinderen: de cyclus van benadeling doorbreken") (SWD(2017)0258),

–  gezien het Strategic Engagement for Gender Equality 2016-2019 van de Commissie en het Europees pact voor gendergelijkheid 2011-2020 en de conclusies van de Raad van 7 maart 2011(4),

–  gezien de Barcelona-kinderopvangdoelstellingen van 2002, nl. om in 2010 voor minimaal 90 % van de kinderen tussen de drie jaar en de leerplichtige leeftijd en voor minstens 33 % van de kinderen onder de drie jaar voor kinderopvang te zorgen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (COM(2016)0604),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 getiteld "Stimuleren van Europese investeringen voor banen en groei: naar een tweede fase van het Europees Fonds voor strategische investeringen en een nieuw Europees extern investeringsplan" (COM(2016)0581),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen" (COM(2016)0381),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2016 getiteld "Een Europese agenda voor de deeleconomie" (COM(2016)0356),

–  gezien het pakket circulaire economie(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016 getiteld "Europa investeert weer – Balans van het investeringsplan voor Europa en volgende stappen" (COM(2016)0359),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2016 getiteld "Lancering van een raadpleging over een Europese pijler van sociale rechten" (COM(2016)0127) en de bijlagen hierbij,

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2018 over trajecten voor de re‑integratie van werknemers die herstellen van letsel of ziekte in een hoogwaardige baan(6),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2018 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2018(7),

–  gezien zijn resolutie van 16 november 2017 over de bestrijding van ongelijkheid als hefboom om het scheppen van banen en groei te stimuleren(8),

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2017 over het economisch beleid van de eurozone(9),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over beleid ter garantie van een minimuminkomen als instrument om de armoede te bestrijden(10),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2017 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa(11),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(12),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief(13),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020(14),

–  gezien het verslag van de Commissie met als titel "Pension Adequacy Report 2018: Current and future income adequacy in old age in the EU",

–  gezien het Commissieverslag "The 2018 Ageing Report: Economic and Budgetary Projections for the EU Member States (2016‑2070)",

–  gezien zijn standpunt van 2 februari 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij het voorkomen en tegengaan van zwartwerk(15),

–  gezien het (herziene) Europees Sociaal Handvest en het Proces van Turijn, dat in 2014 werd gelanceerd met als doel het gedragssysteem van het Europees Sociaal Handvest binnen de Raad van Europa te versterken en het nauwer te laten aansluiten bij het recht van de Europese Unie(16),

–  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over het initiële verslag van de Europese Unie (september 2015),

–  gezien speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer van maart 2017 getiteld: "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt? Een evaluatie van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8‑0329/2018),

A.  overwegende dat het voor seizoen gecorrigeerde werkloosheidspercentage in de eurozone in juni 2018 8,3 % bedroeg, wat neerkomt op een daling ten opzichte van 9,0 % in juni 2017, en dat dit het laagste percentage in de eurozone sinds december 2008 is; overwegende dat het verschil in werkloosheidspercentage tussen de lidstaten van de eurozone significant is, waarbij de laagste werkloosheidspercentages in juni 2018 werden geregistreerd in Malta (3,9 %) en Duitsland (3,4 %), terwijl de hoogste werkloosheidspercentages werden opgetekend in Griekenland (20,2 % in april 2018) en Spanje (15,2 %), waar de arbeidsparticipatiegraad respectievelijk 57,8 % en 65,5 % was;

B.  overwegende dat het jeugdwerkloosheidspercentage in de eurozone in juni 2018 16,9 % bedroeg, tegenover 18,9 % in juni 2017; overwegende dat dit percentage ondanks de gestage daling, nog steeds onaanvaardbaar hoog is en meer dan dubbel zo hoog is dan de totale gemiddelde werkloosheid, met in bepaalde landen een op de drie jongeren die werkloos is; overwegende dat het in eerste instantie de lidstaten zijn die de jeugdwerkloosheid moeten aanpakken door regelgevingskaders voor de arbeidsmarkt, onderwijs- en opleidingsstelsels en actief arbeidsmarktbeleid te ontwikkelen en uit te voeren, om er onder andere voor te zorgen dat er fatsoenlijke banen voor fatsoenlijke lonen worden gecreëerd;

C.  overwegende dat het verschil in jeugdwerkloosheidspercentage tussen de lidstaten van de eurozone ook significant is, waarbij de laagste jeugdwerkloosheidspercentages in de eurozone in juni 2018 werden opgetekend in Malta (5,5 %) en Duitsland (6,2 %), terwijl de hoogste werden geregistreerd in Griekenland (42,3 % in april 2018), Spanje (34,1 %) en Italië (32,6 %);

D.  overwegende dat andere lidstaten worden geconfronteerd met structurele uitdagingen op de arbeidsmarkt zoals een lage participatie, mismatches in vaardigheden en kwalificaties; overwegende dat er een stijgende behoefte is aan concrete maatregelen voor de integratie of re‑integratie van inactieven om tegemoet te komen aan de behoeften van de arbeidsmarkt;

E.  overwegende dat de totale arbeidsparticipatiegraad in de eurozone in 2017 71,0 % bedroeg, terwijl de arbeidsparticipatiegraad voor vrouwen 65,4 % bedroeg; overwegende dat de doelstelling voor de Europese Unie in het kader van de Europa 2020-strategie een arbeidsparticipatiegraad van 75 % is voor personen in de leeftijdscategorie 20‑64, met een grotere betrokkenheid van vrouwen en oudere werknemers en een betere integratie van migranten op de arbeidsmarkt; overwegende dat de participatiegraad in de eurozone eind 2016 het hoogste punt vóór de crisis oversteeg en in het tweede kwartaal van 2018 met 1,5 % toenam ten opzichte van hetzelfde kwartaal van het voorgaande jaar; overwegende echter dat dit nog altijd lager ligt dan de werkgelegenheidsniveaus die tien jaar geleden in sommige lidstaten werden geregistreerd, waarbij bedacht moet worden dat dit in oostelijke landen kan worden toegeschreven aan een langdurige afname van de totale bevolking en niet zozeer aan negatieve arbeidsmarktontwikkelingen; overwegende dat de dalende tendens van het aantal gewerkte uren per werknemer als gevolg van onvrijwillige deeltijdarbeid zorgwekkend is, met een lichte daling (0,3 %) in 2017 ten opzichte van het voorgaande jaar en nog steeds op een niveau dat ongeveer 3,0 % lager ligt dan in 2008(17);

F.  overwegende dat de arbeidsmarktsegmentatie vooral vrouwen, laaggeschoolden, jongeren en ouderen, mensen met een handicap en mensen met een migrantenachtergrond treft, die ook vaker in deeltijd en als uitzendkracht werken, wat naast afwijkende en atypische arbeidsvormen en schijnzelfstandigheid blijft aanhouden; overwegende dat de arbeidsparticipatiegraad van 55‑64-jarigen in 2017 57 % bedroeg in de EU, 10 procentpunten lager dan de algemene arbeidsparticipatiegraad, en dat de genderkloof in die leeftijdsgroep 13 procentpunten bedroeg, 3 procentpunten hoger dan het corresponderende percentage voor de totale bevolking in de werkende leeftijd; overwegende dat volgens de ontwikkelingen in de demografie het aantal oudere werknemers zal toenemen;

G.  overwegende dat universele toegang tot kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg een basisbehoefte is die lidstaten moeten waarborgen en waarin ze moeten investeren;

H.  overwegende dat in 2016 23,1 % van de mensen in de eurozone het risico liep op armoede of sociale uitsluiting, nog steeds hoger dan het percentage in 2009, en dat het armoedepercentage bij werkenden 9,5 % bedroeg; overwegende dat nog steeds 118 miljoen Europese burgers het risico lopen op armoede of sociale uitsluiting, 1 miljoen meer dan voor de crisis; overwegende dat de Europa 2020-doelstelling om het risico van armoede en sociale uitsluiting met 20 miljoen te verminderen ten opzichte van de benchmark van 2008, nog lang niet wordt gehaald; overwegende dat de cijfers inzake materiële ontbering weliswaar afnemen, maar dat de monetaire armoede en het armoederisico toenemen;

I.  overwegende dat de langdurige werkloosheid in de eurozone afneemt (van 5 % in 2016 tot 4,4 % in 2017), maar nog steeds 48,5 % van de totale werkloosheid uitmaakt, hetgeen onaanvaardbaar hoog is;

J.  overwegende dat volgens de jaarlijkse evaluatie van de Werkgelegenheids- en sociale ontwikkelingen in Europa ("Employment and Social Developments in Europe", ESDE) van 2018 de beperkte productiviteitsstijging per werkende die van invloed is op loonstijgingen, verband houdt met factoren zoals het hogere aandeel deeltijdbanen en het lagere aantal arbeidsuren;

K.  overwegende dat de participatiegraad in deeltijdarbeid en uitzendwerk in de eurozone sinds 2013 stabiel is gebleven, hoewel zij een groot aandeel van de totale werkgelegenheid blijven uitmaken, waarbij deeltijdwerk in 2017 goed was voor 21,2 % van alle overeenkomsten; overwegende dat het aandeel van deeltijdarbeid onder vrouwen aanzienlijk hoger is (31,4 %) dan dat onder mannen (8,2 %), wat significante gevolgen kan hebben voor het inkomen en het recht op uitkeringen; overwegende dat jongeren in 2016 veruit het grootste aandeel tijdelijke contracten hadden – 43,8 % van alle werknemers van 15 tot 24 jaar;

L.  overwegende dat de toereikendheid van de pensioenen nog steeds een uitdaging is, aangezien het risico van sociale uitsluiting toeneemt met de leeftijd en de pensioenkloof van 37 % tussen mannen en vrouwen nog steeds een uitdaging vormt voor veel oudere vrouwen en hun risico op armoede en sociale uitsluiting doet toenemen; overwegende dat de pensioenrechten van personen met een niet-standaardarbeidsovereenkomst en zelfstandigen lager zijn dan die van werknemers;

M.  overwegende dat de toegang tot sociale diensten, zoals kinderopvang, gezondheidszorg en diensten voor langdurige zorg of betaalbare diensten ter bevordering van de mobiliteit, een aanzienlijk effect heeft op de toereikendheid van het inkomen, met name voor personen met lage inkomens of die afhankelijk zijn van sociale bescherming;

1.  merkt op dat de economische situatie in de eurozone op dit moment weliswaar gunstig is en de totale werkgelegenheid gestaag toeneemt, maar dat het economisch herstel niet gelijk verdeeld is in de eurozone en dat er nog veel ruimte is voor verbetering in termen van economische convergentie, de bestrijding van jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid, genderongelijkheid, segmentatie en ongelijkheden op de arbeidsmarkt, met name voor kwetsbare groepen, en in termen van het terugdringen van het aantal mensen dat werkt onder hun kwalificatieniveau, armoede in het algemeen en armoede onder werkenden in het bijzonder, het uitbannen van kinderarmoede, en het stimuleren van productiviteit en loonstijging; merkt op dat de inkomensongelijkheid nog veel groter geweest zou zijn zonder de herverdelingseffecten van de sociale transfers, waardoor het percentage mensen dat het risico loopt op armoede in 2015 met een derde is gedaald (33,7 %); betreurt echter dat het effect ervan ontoereikend was en sterk uiteenliep in de lidstaten, waardoor de inkomensongelijkheid met meer dan 20 % afnam in België, Finland en Ierland, maar met minder dan 10 % in Estland, Griekenland, Italië, Letland en Portugal;

2.  benadrukt dat het genot van sociale rechten en een goed functionerend socialebeschermingsstelsel dat adequate bescherming biedt aan alle werkenden, ongeacht hun soort arbeidsverhouding, overeenkomst of arbeidsvorm, naast actief en duurzaam arbeidsmarktbeleid, een belangrijke voorwaarde zijn om armoede en sociale uitsluiting tegen te gaan, met name voor de meest kwetsbaren, en te zorgen voor inclusieve nationale arbeidsmarkten en de veerkracht en het concurrentievermogen van de economie van de eurozone als geheel te versterken;

3.  is ingenomen met de verhoogde financiële steun die via het steunprogramma voor structurele hervormingen (SRSP) aan de lidstaten wordt verleend om hun hervormingen voort te zetten op het gebied van het scheppen van hoogwaardige banen om de werkgelegenheid te bevorderen, het terugdringen van de werkloosheid met nadruk op het aanpakken van langdurige werkloosheid en jeugdwerkloosheid en het streven naar loonstijging; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de werkingssfeer van het SRSP uit te breiden tot landen die de euro niet als munt hebben, teneinde de economische en sociale convergentie in de gehele EU te bevorderen;

4.  neemt nota van de landenspecifieke aanbevelingen van de Commissie voor 2018, die een belangrijk onderdeel van het Europees semester vormen, en is verheugd over de speciale aandacht die daarin aan sociale uitdagingen wordt besteed; moedigt de Commissie aan ervoor te zorgen dat er samenhang is tussen de sociale en economische landenspecifieke aanbevelingen en de flexibiliteitsclausule in het stabiliteits- en groeipact te eerbiedigen, als opgenomen in het gemeenschappelijk overeengekomen standpunt over flexibiliteit binnen het stabiliteits- en groeipact; stelt met bezorgdheid vast dat slechts 50 % van de aanbevelingen voor 2017 geheel of gedeeltelijk ten uitvoer is gelegd en moedigt de lidstaten derhalve aan meer inspanningen te leveren om de aanbevelingen uit te voeren, met name op de volgende gebieden:

   armoede en sociale uitsluiting, inclusief kinderarmoede en armoede onder werkenden, met name onder kwetsbare groepen,
   jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid overeenkomstig de aanbeveling van de Raad betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt(18),
   inkomensongelijkheden,
   loonontwikkelingen,
   bestrijding van vroegtijdig schoolverlaten en het hoge aantal NEET's,
   onderwijs, levenslang leren, beroepsonderwijs en ‑opleiding (VET),
   de houdbaarheid en geschiktheid van pensioenregelingen,
   gezondheidszorg, inclusief langdurige zorg,
   veilige en flexibele werkgelegenheid,
   genderevenwicht, met name arbeidsmarktparticipatie, en de genderkloof en de pensioenkloof;

5.  benadrukt dan ook dat het scheppen van hoogwaardige banen, toegang tot sociale bescherming, ongeacht de arbeidsverhouding of het soort arbeidsovereenkomst, en loonstijging een aanzienlijk effect hebben op het verminderen van ongelijkheden, het risico op armoede en sociale uitsluiting, en ertoe zullen bijdragen dat de levensstandaard wordt verbeterd en het economisch herstel wordt ondersteund; benadrukt dat de hervormingen van de lidstaten, die de Commissie via de landenspecifieke aanbevelingen aanmoedigt, daarom in het bijzonder moeten worden gericht op beleid dat de productiviteit en het duurzame groeipotentieel verhoogt, het scheppen van hoogwaardige banen ondersteunt en ongelijkheid en armoede, voornamelijk kinderarmoede, vermindert; moedigt het creëren van arbeidsrelaties voor onbepaalde duur aan, waarbij het aanpassingsvermogen wordt gestimuleerd, een inclusieve arbeidsmarkt wordt bevorderd en gezorgd wordt voor een goed evenwicht tussen werk en privéleven;

6.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 13 maart 2018 met als titel "De uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten monitoren" (COM(2018)0130), waarin de pijler wordt afgestemd op de cyclus van het Europees semester door de prioriteiten van de Europese pijler van sociale rechten te weerspiegelen in de analyse van de genomen maatregelen en de geboekte vooruitgang op nationaal niveau; benadrukt dat de sociale doelstellingen en ‑verbintenissen van de EU op gelijke voet moeten staan met de economische doelstellingen; roept de Commissie en de lidstaten op de sociale rechten te versterken door de Europese pijler van sociale rechten (EPSR) zodanig ten uitvoer te leggen dat er een echte sociale dimensie van de EU tot stand wordt gebracht (door wetgeving, beleidsvormings- en financiële instrumenten op het passende niveau);

7.  merkt op dat de arbeidsmarkten van de landen van de eurozone sterk verschillen, hetgeen een uitdaging vormt voor hun goede werking; dringt daarom aan, zij het onverminderd het subsidiariteitsbeginsel, op goed opgezette arbeidsmarktbeleidsmaatregelen en -hervormingen die hoogwaardige banen scheppen, gelijke kansen en gelijke behandeling van werkenden bevorderen, en de sociale en solidaire economie, de gelijke toegang tot de arbeidsmarkt en de sociale bescherming vergemakkelijken, de sociale mobiliteit bevorderen, de werklozen re-integreren en ongelijkheden en wanverhoudingen tussen mannen en vrouwen bestrijden; verzoekt de lidstaten om sociaal en economisch beleid te ontwikkelen in overeenstemming met de beginselen van de aanbeveling van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(19), en met name te zorgen voor de verstrekking van passende inkomenssteun, toegankelijke arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige diensten. Al deze elementen worden fundamenteel geacht voor duurzame resultaten;

8.  onderstreept dat de arbeidsparticipatiegraad moet worden verhoogd en dat er fatsoenlijke banen moeten worden gecreëerd, met name voor langdurig werklozen, laaggeschoolde, jongere en oudere werknemers, vrouwen, migranten, mensen met een handicap, minderheden en gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma, teneinde de Europa 2020-doelstelling van een arbeidsparticipatiegraad van ten minste 75 % te verwezenlijken en het risico op armoede, met name kinderarmoede en armoede onder werkenden, en sociale uitsluiting waarmee zij worden geconfronteerd, te beperken; benadrukt dat het aantal mensen dat in armoede leeft, moet worden verminderd om de Europa 2020-doelstelling om armoede terug te dringen met 20 miljoen mensen te verwezenlijken; benadrukt dat kinderarmoede moet worden teruggedrongen door de uitvoering van een EU-brede kindergarantie;

9.  verzoekt de lidstaten om acties en strategieën te ontwikkelen in overeenstemming met de Europese pijler van sociale rechten om tegemoet te komen aan de sociale behoeften van degenen voor wie de arbeidsmarkt niet toegankelijk is, bijvoorbeeld de mensen die met extreme achterstelling worden geconfronteerd zoals daklozen, kinderen en jongeren en mensen met chronische fysieke en mentale gezondheidsproblemen;

10.  verzoekt om nationale strategieën en coördinatie op EU-niveau om leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkten als antwoord op een toenemend aantal oudere werknemers in de EU-beroepsbevolking te bestrijden, door onder andere bewustmaking over Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(20), door afstemming van voorschriften op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk met het oog op duurzame werkgelegenheid, rekening houdend met nieuwe en opkomende beroepsrisico's, door de toegang tot levenslang leren te waarborgen en door een beter beleid ter bevordering van de combinatie van werk en gezinsleven;

11.  roept de lidstaten van de eurozone op ten volle profijt te trekken van de positieve economische vooruitzichten en door te gaan met arbeidsmarkthervormingen die gericht zijn op het creëren van banen die voorspelbare, zekere arbeidsovereenkomsten van onbeperkte duur en rechtszekere arbeidsovereenkomsten bevorderen die de algemene arbeidsvoorwaarden vaststellen, schijnzelfstandigheid voorkomen en aanpakken en zorgen voor adequate sociale bescherming, ongeacht de arbeidsverhouding of het soort overeenkomst; verzoekt de lidstaten de voorgestelde aanbeveling van de Raad met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming goed te keuren en uit te voeren en mensen met een afwijkende arbeidsvorm aan te moedigen deel te nemen aan socialebeschermingsstelsels; benadrukt het belang van de lopende onderhandelingen over een richtlijn betreffende voorspelbare en transparante arbeidsvoorwaarden;

12.  roept de lidstaten op om te investeren in zorgdiensten voor de hele levenscyclus, de Barcelona-doelstellingen van 2002 inzake kinderopvang te blijven nastreven en zorgdoelstellingen te ontwikkelen voor ouderen en niet-zelfstandige personen; is van mening dat de verlening van zorgdiensten binnen het gezin geen negatieve gevolgen mag hebben voor de sociale of pensioenuitkeringen; dringt er in dit verband bij de lidstaten op aan te zorgen voor een nationaal mechanisme voor de opbouw van voldoende pensioenrechten;

13.  roept de lidstaten van de eurozone op de genderkloof op het gebied van pensioenen te verkleinen en te zorgen voor gelijkheid tussen de generaties door te voorzien in fatsoenlijke en toereikende pensioenuitkeringen zodat armoede en sociale uitsluiting onder ouderen wordt uitgeroeid, en om tegelijkertijd te voorzien in duurzame en adequate pensioenstelsels, de arbeidsparticipatie aan hoogwaardige banen te bevorderen zodat meer wordt bijgedragen aan de overheidspensioenstelsels en de jongere generatie niet wordt overbelast; stelt met bezorgdheid vast dat in de meeste lidstaten van de eurozone de genderkloof op het gebied van pensioenen en het aantal vervroegde uittredingen nog steeds groot is; wijst erop dat de duurzaamheid van pensioenstelsels kan worden verbeterd door o.a. de werkloosheid te verlagen, zwartwerk doeltreffend te bestrijden, en migranten en vluchtelingen te integreren op de arbeidsmarkt; is verheugd over de aanbeveling van de Commissie in het verslag getiteld "Pension Adequacy Report 2018" over de behoefte aan een holistische benadering van de toereikendheid van ouderdomspensioenen en de financiële houdbaarheid van pensioenstelsels; vraagt ook om de situatie van de "oudste ouderen", wier pensioenuitkeringen in de loop van de tijd misschien gedaald zijn als gevolg van de inflatie, grondiger te analyseren;

14.  meent dat de lidstaten bij hun hervormingen van de stelsels voor sociale bescherming ernaar moeten streven de arbeidsmarktparticipatie te bevorderen van mensen die kunnen werken door werk lonend te maken; beklemtoont in dit verband dat inkomenssteun moet worden gericht op degenen die daar de grootste behoefte aan hebben;

15.  stelt vast dat het aantal vacatures in de eurozone in het eerste kwartaal van 2018 2,1 % bedroeg, tegen 1,9 % in 2017; benadrukt dat adequate vaardigheden kunnen worden verworven en dat de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden kan worden aangepakt door de kwaliteit, beschikbaarheid, betaalbaarheid en toegankelijkheid van onderwijs en opleiding, waaronder gerichte kwaliteitsopleidingen, te verbeteren, door de wederzijdse erkenning van kwalificaties te verbeteren, en maatregelen voor bijscholing en omscholing te versterken, met bijzondere aandacht voor basisvaardigheden en door niet-formele mogelijkheden voor volwassenenonderwijs te bieden, hetgeen passende steun vereist, zoals EU-financiering, onverminderd artikel 149 VWEU, en financiering op nationaal en regionaal niveau; dringt in dit verband aan op gerichte maatregelen ter ondersteuning van kwetsbare groepen, waaronder de Roma, mensen met een handicap, vroegtijdige schoolverlaters, langdurig werklozen en migranten en vluchtelingen; wijst op de noodzaak om de relevantie van beroepsopleiding voor de arbeidsmarkt te vergroten en maatregelen te nemen om de aantrekkelijkheid ervan ten opzichte van academische trajecten te vergroten; steunt voortzetting van de tenuitvoerlegging en monitoring van het bijscholingstrajecten-initiatief om ervoor te zorgen dat mensen fundamentele vaardigheden voor de 21e eeuw verwerven; verzoekt de lidstaten uitgebreide opleiding in digitale en ondernemersvaardigheden tot prioriteit te verheffen en in de context van bijscholing en omscholing rekening te houden met de verschuiving naar een digitale economie;

16.  is verontrust over het feit dat het gemiddelde van de algemene overheidsuitgaven voor onderwijs als percentage van het bbp in de EU19 tussen 2009 en 2016 gestaag is gedaald(21); benadrukt dat goed gefinancierde openbare onderwijsstelsels van vitaal belang zijn voor gelijkheid en sociale inclusie;

17.  constateert met grote bezorgdheid dat er nog steeds een groot aantal Europese burgers is met slechte lees- en schrijfvaardigheden en problemen met geletterdheid, waaronder functionele en media-ongeletterdheid, hetgeen ernstige zorgen baart als het gaat om een zinvolle en doeltreffende deelname aan het openbare leven en de arbeidsmarkt;

18.  moedigt de bevordering van duale onderwijsstelsels en andere vergelijkbare maatregelen aan; onderstreept dat doeltreffende dwarsverbanden tussen onderwijs, onderzoek, innovatie en de arbeidsmarkt een doorslaggevende bijdrage aan het scheppen van banen kunnen leveren;

19.  benadrukt dat een veilige en passende leeromgeving essentieel is voor het welzijn van scholieren/studenten en onderwijspersoneel;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke maatregelen te ontwikkelen binnen het werkgelegenheids-, onderwijs- en sociaal beleid om te zorgen voor doeltreffende inclusie van mensen met een handicap en mensen uit randgroepen;

21.  wijst op de noodzaak om georganiseerde en moderne beroepskeuzeprogramma's in scholen te plannen en te promoten, met name op het platteland en in grens-, berg- en eilandgebieden;

22.  is voorstander van mobiliteit van scholieren/studenten, werknemers, sporters en kunstenaars in de EU en de eurozone; is evenwel bezorgd dat grote verschillen in levens- en arbeidsstandaard in de eurozone onbedoeld tot migratie aanzetten, hetgeen het effect van de zogeheten braindrain nog eens versterkt; wijst erop dat een essentiële voorwaarde voor het aanpakken van het verschijnsel "brain drain" het creëren van fatsoenlijke banen is, alsmede de bevordering van doeltreffende strategieën voor onderwijs, opleiding en beroepskeuze; dringt erop aan dat toekomstige beleidsmaatregelen op het vlak van onderwijs en werk dit verschijnsel daadkrachtig tegengaan, onder meer door de Europese onderwijsruimte volledig te ontwikkelen; onderstreept dat er een Europese scholieren/studentenkaart moet worden ontwikkeld om de onderwijsmobiliteit te stimuleren en de wederzijdse erkenning van certificaten, diploma's en beroepskwalificaties te vergemakkelijken, de administratieve lasten te verminderen en de kosten voor scholieren/studenten en voor onderwijs- en opleidingsinstellingen terug te dringen;

23.  benadrukt dat volgens de onderwijs- en opleidingsbenchmarks 2020 (ET 2020) in het jaar 2020 niet meer dan 15 % van de 15‑jarigen over te weinig vaardigheden zouden mogen beschikken op het gebied van lezen, wiskunde en wetenschappelijke vakken; spreekt zijn voldoening uit over de opname van de "onderprestatie in het onderwijs"-benchmark voor 15-jarigen (resultaten voor geringe prestaties op het gebied van wiskunde in de studie naar het programma voor internationale evaluatie van studenten (PISA)) in het nieuwe sociaal scorebord;

24.  herinnert eraan dat in 2020 volgens de ET 2020-benchmarks ten minste 95 % van alle kinderen (vanaf 4 jaar tot de leerplichtige leeftijd) zouden moeten deelnemen aan voorschools onderwijs; benadrukt dat het sociaal scorebord voor het onderwerp "voorschoolse opvang" slechts één indicator kent, voor kinderen onder de drie jaar in formele opvang; merkt op dat er geen informatie is over de opvang van oudere kinderen onder de leerplichtige leeftijd, evenals informatie over de omvang van kinderopvang gemeten in het aantal opvanguren;

25.  houdt rekening met de positieve rol van open onderwijs en open universiteiten bij het verwerven van kennis en vaardigheden, met name online scholingsprogramma's voor werknemers, daar dit een dynamische vorm van leren is die beantwoordt aan de huidige behoeften en belangen van de deelnemers;

26.  herhaalt zijn verzoek om het Erasmus+-budget in het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK) ten minste te verdrievoudigen, teneinde veel meer jongeren, jongerenorganisaties en scholieren in het secundair onderwijs alsmede het leerlingstelsel in heel Europa te bereiken; verzoekt om bijzondere aandacht te besteden aan de deelname aan het programma van mensen met een achtergrond van sociaaleconomische achterstand, evenals van personen met een handicap, overeenkomstig de verplichtingen van de EU en de lidstaten krachtens het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD);

27.  herinnert aan het strategische potentieel van de culturele en creatieve sector als motor voor banen en rijkdom in de EU; onderstreept dat de culturele en creatieve sector 11,2 % van alle particuliere ondernemingen en 7,5 % van alle werknemers in de totale EU‑economie omvat, en 5,3 % van de totale Europese bruto toegevoegde waarde vertegenwoordigt; onderstreept de rol van de culturele en creatieve sector bij het behoud en de bevordering van de Europese culturele en taalverscheidenheid en de bijdrage van deze sector aan economische groei, innovatie en werkgelegenheid, met name voor werkgelegenheid voor jongeren;

28.  wijst erop dat adequate investering en planning op het gebied van onderwijs, met name wat betreft digitale vaardigheden en programmering, van essentieel belang zijn om de concurrentiepositie van de Unie veilig te stellen, evenals de beschikbaarheid van geschoolde werknemers en de inzetbaarheid van werknemers;

29.  verzoekt de Commissie jongeren stimulansen en technische bijstand te bieden voor het opzetten van een eigen bedrijf en maatregelen voor te stellen om ondernemerschap te promoten, ook via schoolprogramma's in de lidstaten;

30.  benadrukt dat er hervormingen moeten worden doorgevoerd die de arbeidsmarkt en de werknemers voorbereiden op de digitale transformatie voor mensen van alle leeftijden en ongeacht hun achtergrond, op basis van een flexibele, op de leerling gerichte benadering, met name door te zorgen voor adequate mogelijkheden voor levenslang leren en opleidingen in digitale vaardigheden, wat van cruciaal belang is in een kenniseconomie; benadrukt het belang van levenslange loopbaanbegeleiding om te waarborgen dat mensen geschikte, flexibele en hoogwaardige opleidings- en carrièrepaden volgen; herinnert in dit verband eraan dat moeilijk kan worden voorspeld welke vaardigheden er nodig zullen zijn omdat de arbeidsmarkt snel verandert en benadrukt in dat verband het belang van transversale vaardigheden zoals communicatie, probleemoplossing, creativiteit en het vermogen om te leren, die mensen veerkrachtiger maken en hen beter in staat stellen zich gedurende hun hele leven aan te passen aan veranderingen en nieuwe vaardigheden te verwerven; onderstreept dat ervoor gezorgd moet worden dat nationale socialebeschermingsstelsels werknemers adequate bescherming bieden, ook bij nieuwe vormen van werk en nieuwe soorten overeenkomsten, en om de dekking te verbeteren van mensen die niet kunnen werken of geen baan kunnen vinden; roept de lidstaten op een arbeidsmarktbeleid te ontwikkelen dat de mobiliteit tussen sectoren en de omscholing van werknemers ondersteunt, wat steeds belangrijker zal worden naarmate onze arbeidsmarkten zich aanpassen aan de digitale transformatie van onze economieën; benadrukt dat er met het oog op een ​eerlijke transformatie voor gezorgd moet worden dat zowel vakbonden als werkgeversorganisaties bij het proces worden betrokken;

31.  roept de lidstaten van de eurozone op de nodige hervormingen door te voeren en de sociale investeringen te verhogen om de toegankelijkheid, beschikbaarheid, betaalbaarheid, de kwaliteit en de kosteneffectiviteit van hun gezondheidszorgstelsels te waarborgen; verzoekt om een hernieuwde Europese doelstelling om het aantal gezonde levensjaren aanzienlijk te verhogen door in het gezondheidsbeleid van de EU voorrang te geven aan preventie, naast curatieve maatregelen; dringt aan op het uitvoeren van gezondheidsbevorderingscampagnes;

32.  verzoekt om een Europese strategie voor hoogwaardige en toegankelijke systemen voor langdurige zorg, waarbij wordt gestreefd naar een op rechten en de gemeenschap gebaseerde benadering van langdurige zorg en ondersteuning; verzoekt om sterk te investeren in diensten voor langdurige zorg om de verwachte toegenomen behoeften in het licht van de demografische veranderingen voor te bereiden; erkent dat de sector van de langdurige zorg ontoereikende arbeidsomstandigheden kent en dringt aan op een herwaardering van de zorg en de arbeidsomstandigheden in zorgdiensten als manier om de kwaliteit van de langdurige zorg te waarborgen;

33.  wijst op de noodzaak van goed opgezet beleid voor een beter evenwicht tussen werk en privéleven, met inbegrip van betaalbare kinderopvang, opvang voor de jongste kinderen en langdurige opvang, door een nieuw evenwicht aan te brengen tussen de zorgtaken van mannen en vrouwen, door aanpasbare werkregelingen te bevorderen en het opnemen van voordelig en betaald moederschaps-, vaderschaps-, ouderschaps- en zorgverlof; is van mening dat de goedkeuring van de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers een noodzakelijke stap is in de richting van een beter evenwicht tussen werk en privéleven; dringt bovendien aan op een Europees initiatief inzake sociale bescherming en diensten voor mantelzorgers;

34.  benadrukt het belang dat de gestructureerde dialoog en de deelname van werkgeversorganisaties, vakbonden en maatschappelijke organisaties aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid en hervormingen op werkgelegenheids- en sociaal gebied worden versterkt en dat zij actief worden betrokken in het Europees semester;

35.  is van mening dat het mondiale concurrentievermogen kan worden gehandhaafd en verbeterd door middel van een duidelijk, eenvoudig en flexibel regelgevingskader voor de arbeidsmarkt in de lidstaten, dat tegelijkertijd hoge arbeidsnormen handhaaft;

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(2) PB C 179 van 25.5.2018, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0181.
(4) PB C 155 van 25.5.2011, blz. 10.
(5) Richtlijnen (EU) 2018/849, (EU) 2018/850, (EU) 2018/851 en (EU) 2018/852.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0325.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0078.
(8) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 89.
(9) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 200.
(10) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 156.
(11) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 135.
(12) PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.
(13) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.
(14) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 117.
(15) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 157.
(16) https://www.coe.int/en/web/turin-european-social-charter/turin-process
(17) http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=8030&furtherPubs=yes
(18) PB C 67 van 20.2.2016, blz. 1.
(19) PB L 307 van 18.11.2008, blz. 11.
(20) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(21) Gegevens van Eurostat.


Het gebruik van gegevens van Facebook-gebruikers door Cambridge Analytica en de impact op de gegevensbescherming
PDF 163kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2018 over het gebruik van gegevens van Facebookgebruikers door Cambridge Analytica en gevolgen voor de gegevensbescherming (2018/2855(RSP))
P8_TA(2018)0433B8-0480/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 7, 8, 11, 12, 39, 40, 47 en 52, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met name de artikelen 8, 9, 10, 11, 13, 16 en 17, en het protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met name artikel 3,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met name de artikelen 2, 17, 19, 20 en 25,

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(1), en Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(2),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en het aanvullende protocol daarbij,

–  gezien het onderzoek naar nepnieuws van het Lagerhuis en het 5e tussentijdse verslag van zijn commissie voor digitale zaken, cultuur, media en sport over desinformatie en nepnieuws,

–  gezien de hoorzittingen in de commissie voor energie en handel van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden,

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1250 van de Commissie van 12 juli 2016 overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming(3),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2018 over de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming(4),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14, Maximillian Schrems/Data Protection Commissioner(5),

–  gezien het arrest van het HvJ-EU van 25 januari 2018 in zaak C-498/16, Maximillian Schrems/Facebook Ireland Limited(6),

–  gezien het arrest van het HvJ-EU van 5 juni 2018 in zaak C-210/16, Unabhängiges Landeszentrum für Datenschutz Schleswig-Holstein/Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein GmbH(7),

–  gezien het formele verzoek van David Carroll waarin hij Cambridge Analytica oproept zijn persoonsgegevens over te dragen en de bron ervan bekend te maken,

–  gezien advies 3/2018 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) van 19 maart 2018 over onlinemanipulatie en persoonsgegevens(8),

–  gezien de richtsnoeren van de Groep artikel 29 van 3 oktober 2017 inzake geautomatiseerde individuele besluitvorming en profilering voor de toepassing van Verordening (EU) 2016/679(9),

–  gezien de twee reeksen schriftelijke antwoorden op de vragen die onbeantwoord waren gebleven tijdens de ontmoeting tussen fractieleiders van het Europees Parlement en CEO van Facebook Zuckerberg, die Facebook publiceerde op respectievelijk 23 mei(10) en 4 juni 2018(11),

–  gezien Aanbeveling (EU) 2018/234 van de Commissie van 14 februari 2018 over het bevorderen van het Europese karakter en het efficiënte verloop van de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2019(12), de aanbeveling van de Commissie van 12 september 2018 betreffende electorale samenwerkingsnetwerken, onlinetransparantie, bescherming tegen cyberincidenten en bestrijding van desinformatiecampagnes in het kader van de verkiezingen voor het Europees Parlement (C(2018)5949) en de mededeling van de Commissie van 12 september 2018 getiteld "Vrije en eerlijke Europese verkiezingen garanderen" (COM(2018)0637),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 12 september 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 wat betreft een verificatieprocedure in verband met inbreuken op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens in de context van verkiezingen voor het Europees Parlement (COM(2018)0636),

–  gezien de richtsnoeren van de Commissie van 12 september 2018 voor de toepassing van de EU-gegevensbeschermingswetgeving in het kader van verkiezingen (COM(2018)0638),

–  gezien de diepgaande hoorzitting die de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken heeft gehouden in opdracht van het Europees Parlement, over het gebruik van gegevens van Facebookgebruikers door Cambridge Analytica en gevolgen voor de gegevensbescherming,

–  gezien de verslagen van de gegevensbeschermingsautoriteit van het Verenigd Koninkrijk (Information Commissioner's Office) over het onderzoek naar het gebruik van gegevensanalyse in politieke campagnes en het verslag getiteld "Democracy disrupted"(13),

–  gezien de getuigenis van het Europees Bureau van Consumentenverenigingen (BEUC) van 25 juni 2018(14),

–  gezien de verklaring van de Commissie van 23 oktober 2018,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat onderzoeksjournalistiek omvangrijke lekken van gegevens van Facebookgebruikers aan het licht heeft gebracht en openbaar heeft gemaakt in verband met de toegang die Facebook verleende aan applicaties van derden, en het daaropvolgende misbruik van deze gegevens voor verkiezingscampagnes en andere inbreuken in verband met persoonsgegevens in het bezit van grote socialemediabedrijven die later werden ontdekt;

B.  overwegende dat deze inbreuken in verband met persoonsgegevens gevolgen hebben gehad voor burgers over de hele wereld, waaronder Europese burgers en niet-Europese burgers die op het grondgebied van de Europese Unie verblijven; overwegende dat diverse nationale parlementen hoorzittingen hebben gehouden, onderzoeken hebben verricht en hun bevindingen ter zake hebben gepubliceerd;

C.  overwegende dat deze inbreuken in verband met persoonsgegevens zich gedurende een langere periode hebben voorgedaan; overwegende dat de betrokken bedrijven inbreuk maakten op het destijds geldende EU‑recht inzake gegevensbescherming, met name Richtlijn 95/46/EG en Richtlijn 2002/58/EG;

D.  overwegende dat het gegevensmisbruik dat aan het licht kwam in de context van het Cambridge Analytica-schandaal plaatsvond vóór de toepassing van de algemene verordening gegevensbescherming;

E.  overwegende dat Facebook heeft bevestigd dat er geen informatie inzake bankrekeningen, creditcards of nationale identiteitsgegevens met Cambridge Analytica werden gedeeld;

F.  overwegende dat Cambridge Analytica heeft verklaard dat de verzamelde gegevens officieel werden verwerkt voor onderzoeksdoeleinden, maar vervolgens werden doorgegeven voor politieke en commerciële doeleind