Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 13 november 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Letland
 EU-ontwikkelingshulp op het gebied van onderwijs
 Energie-efficiëntie ***I
 Governance van de energie-unie ***I
 Bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ***I
 Meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
 De rechtsstaat in Roemenië
 Minimumnormen voor minderheden in de EU
 Digitalisering voor ontwikkeling: armoede terugdringen via technologie

Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Letland
PDF 123kWORD 49k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Letland (COM(2018)0658 – C8-0416/2018 – 2018/2230(BUD))
P8_TA(2018)0440A8-0357/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0658 – C8‑0416/2018),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014‑2020(2), en met name artikel 10,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3), en met name punt 11,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0357/2018),

1.  is ingenomen met het besluit als teken van solidariteit van de Unie met de burgers en regio's van de Unie die door een natuurramp worden getroffen;

2.  benadrukt dat er via het Solidariteitsfonds van de Europese Unie ("het fonds") dringend financiële bijstand moet worden verleend aan de regio's die in 2017 door de natuurramp in de Unie zijn getroffen;

3.  steunt de lidstaten die de Europese structuur- en investeringsfondsen aanwenden voor de wederopbouw van de getroffen regio's; verzoekt de Commissie om de financiële herschikking van de partnerschapsovereenkomsten waar de lidstaten om hebben verzocht, te steunen en snel goed te keuren;

4.  dringt er bij de lidstaten op aan de financiële bijdrage uit het fonds op transparante wijze aan te wenden, om een eerlijke verdeling onder de getroffen regio's te garanderen;

5.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

6.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Letland

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2018/1859.)

(1) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


EU-ontwikkelingshulp op het gebied van onderwijs
PDF 149kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over de EU-ontwikkelingshulp op het gebied van onderwijs (2018/2081(INI))
P8_TA(2018)0441A8-0327/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 26 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, volgens welke "eenieder [...] recht [heeft] op onderwijs. Het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat het lager en basisonderwijs betreft",

–  gezien het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde document getiteld "Transforming Our World: The 2030 Agenda for Sustainable Development", waarin wordt erkend dat rechtvaardigheid, inclusie en gendergelijkheid onlosmakelijk verbonden zijn met het recht op onderwijs voor iedereen,

–  gezien de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's), en met name doelstelling 4: "Inclusief, gelijkwaardig en kwalitatief onderwijs en kansen voor levenslang leren voor iedereen", en de verklaring van Incheon en het actiekader voor de tenuitvoerlegging van doelstelling 4, waarin wordt verklaard dat gendergelijkheid onlosmakelijk verbonden is met het recht op onderwijs voor iedereen,

–  gezien de algemene aanbeveling nr. 36 (2017) van de VN-commissie voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen inzake het recht van meisjes en vrouwen op onderwijs,

–  gezien de op 27 juli 2015 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen actieagenda van Addis Abeba over ontwikkelingsfinanciering,

–  gezien resolutie 35/L2 van 22 juni 2017 van de VN-Mensenrechtenraad getiteld "The right to education: follow‑up to Human Rights Council resolution 8/4",

–  gezien de mededeling van de Commissie uit 2002 inzake de rol van onderwijs en scholing in de armoedebestrijding in ontwikkelingslanden (COM(2002)0116),

–  gezien het werkdocument van de Commissie uit 2010 over meer en beter onderwijs in ontwikkelingslanden getiteld "More and Better Education in Developing Countries" (SEC(2010)0121),

–  gezien de mededeling van de Commissie uit 2018 over onderwijs in noodsituaties en aanhoudende crises (COM(2018)0304),

–  gezien de verklaring van Charlevoix over kwaliteitsvol onderwijs voor meisjes, adolescente meisjes en vrouwen in ontwikkelingslanden, die op 9 juni 2018 door de G7 is aangenomen,

–  gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling en de EU‑gedragscode inzake de taakverdeling binnen het ontwikkelingsbeleid (COM(2007)0072),

–  gezien zijn resolutie van 31 mei 2018 over de tenuitvoerlegging van het gezamenlijk werkdocument (SWD(2015)0182) – Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen veranderen via de externe betrekkingen van de EU 2016-2020(1),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over het verbeteren van de schuldhoudbaarheid van de ontwikkelingslanden(2),

–  gezien het in 2017 gepubliceerde Global Monitoring Report van de Unesco over onderwijs getiteld "Accountability in education: Meeting our commitments",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0327/2018),

A.  overwegende dat onderwijs een fundamenteel mensenrecht is en een spilfunctie vervult bij de verwezenlijking van alle doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; overwegende dat onderwijs voorkomt dat armoede wordt overgedragen van de ene generatie op de andere en een centrale rol speelt bij de verwezenlijking van gendergelijkheid en de emancipatie van vrouwen; overwegende dat onderwijs als ruimte van rechten meer omvat dan alleen gelijkheid uitgedrukt in cijfers en doorgaans bijdraagt tot daadwerkelijke gendergelijkheid in en door het onderwijs;

B.  overwegende dat de laatste mededeling van de Commissie over onderwijs in ontwikkelingslanden uit 2002 dateert en pas in 2010 is herzien door middel van een werkdocument;

C.  overwegende dat in 2009 onderwijssteun 8,3 % vertegenwoordigde van de totale ontwikkelingshulp; overwegende dat dit percentage in 2015 tot 6,2 % was gedaald; overwegende dat voor de Unie en haar lidstaten dit percentage in dezelfde periode van 11 % naar 7,6 % is gedaald;

D.  overwegende dat de steun aan het basisonderwijs van de Unie en haar lidstaten tussen 2009 en 2015 met 33,9 % is gedaald, wat een sterkere daling is dan die van de algemene onderwijssteun (15,2 %);

E.  overwegende dat in 2015, 264 miljoen kinderen en jongeren die de leeftijd hadden om naar de lagere of middelbare school te gaan, geen onderwijs volgden;

F.  overwegende dat er eind 2017 wereldwijd meer dan 25,4 miljoen vluchtelingen waren, waaronder 7,4 miljoen kinderen in de basisschoolleeftijd en waarvan er 4 miljoen geen toegang hadden tot welk soort basisonderwijs ook; overwegende dat in landen die te maken hebben met kwetsbaarheid en conflicten 37 % meer meisjes dan jongens niet naar de basisschool gaan en voor jonge vrouwen de kans dat zij niet naar de middelbare school gaan 90 % groter is dan voor jonge vrouwen in landen die niet door een conflict zijn getroffen;

G.  overwegende dat volgens het VN-rapport van 2017 over de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling in 2011 slechts een kwart van de scholen in Afrika ten zuiden van de Sahara elektriciteit had en minder dan de helft ervan toegang tot drinkwater had; overwegende dat Afrika ten zuiden van de Sahara het laagste percentage opgeleide leraren in zowel het basis- als het voortgezet onderwijs heeft;

H.  overwegende dat onderwijssteun in ontwikkelingslanden voorheen te sterk gericht was op het aantal ingeschreven studenten en onvoldoende op de kwaliteit van het onderwijs; overwegende dat de vierde doelstelling voor duurzame ontwikkeling erop gericht is tegen 2030 kwalitatief onderwijs voor iedereen te bieden;

I.  overwegende dat bepaalde bedrijven in ontwikkelingslanden moeite hebben personeel te vinden met de kwalificaties waar zij behoefte aan hebben;

J.  overwegende dat de maatregelen die sinds 2016 zijn genomen, die kunnen worden toegejuicht, echter onvoldoende waren om de geaccumuleerde achterstand in te halen en dan ook op langere termijn moeten worden voortgezet en uitgebreid;

K.  overwegende dat volgens de Unesco de onderwijssteun aan landen met een laag of een lager middeninkomen moet worden verzesvoudigd om de vierde doelstelling voor duurzame ontwikkeling tegen 2030 te kunnen verwezenlijken; overwegende dat volgens de Internationale Commissie inzake de financiering van onderwijsmogelijkheden in de wereld, de onderwijssteun in 2030 op 89 miljard dollar moet komen, waar deze momenteel 12 miljard dollar bedraagt;

Onderwijs tot de kern van ontwikkeling maken

1.  is ervan overtuigd dat onderwijssteun een prioriteit moet zijn, niet alleen omdat onderwijs een grondrecht is maar ook omdat het een belangrijke bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van de andere doelstellingen voor duurzame ontwikkeling: aan economische ontwikkeling en de vermindering van ongelijkheden, aan gendergelijkheid, aan de zelfbeschikking van meisjes en vrouwen, aan de sociale inclusie van personen met een beperking, aan de volksgezondheid, aan democratie en de rechtsstaat, en aan conflictpreventie;

2.  betreurt derhalve dat onderwijssteun geen prioriteit is voor internationale geldschieters; verzoekt met klem dat onderwijs tot de kern wordt gemaakt van het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie en haar lidstaten;

3.  erkent dat voor de verwezenlijking van de vierde doelstelling voor duurzame ontwikkeling massief in de onderwijsstelsels moet worden geïnvesteerd; stelt dat deze investering in de eerste plaats door de ontwikkelingslanden zelf moet worden gedaan, maar dat internationale steun noodzakelijk zal zijn om in de resterende financiële behoeftes te voorzien;

4.  verzoekt de Commissie haar mededeling uit 2002 over onderwijs en opleiding in het kader van de vermindering van armoede in ontwikkelingslanden aan een herziening te onderwerpen, evenals haar werkdocument uit 2010; stelt dat in de nieuwe mededeling moet worden vermeld met welke middelen de vierde doelstelling voor duurzame ontwikkeling tegen 2030 zal worden verwezenlijkt;

5.  verzoekt de Unie en haar lidstaten om 10 % van hun officiële ontwikkelingshulp aan onderwijs te besteden tegen 2024, en 15 % tegen 2030;

6.  herinnert eraan dat de noodzakelijke verhoging van de inspanningen door de ontwikkelingslanden om billijke belastingstelsels te bevorderen en illegale geldstromen te bestrijden en de broodnodige verhoging van de officiële ontwikkelingshulp niet zullen volstaan om het tekort aan financiering te dekken; dringt daarom aan op de invoering van innovatieve financieringsmiddelen, die bestaande financieringsmechanismen en -initiatieven stimuleren en daarop zijn afgestemd, om de nationale onderwijsstelsels te versterken;

7.  volgt met belangstelling het voorstel van de Internationale Commissie inzake de financiering van onderwijsmogelijkheden in de wereld om een internationale financieringsfaciliteit voor onderwijs (IFFEd) tot stand te brengen, mits deze daadwerkelijk ter aanvulling komt van de huidige inspanningen en deze niet vervangt; is van mening dat dit initiatief in samenhang met de actie van het wereldwijde partnerschap voor onderwijs moet worden uitgevoerd; stelt dat voorafgaand aan elke financiering, de leningscapaciteit van de in aanmerking komende landen goed moet worden onderzocht;

8.  merkt op dat de doelstelling om 20 % van de officiële ontwikkelingshulp van de Unie aan sociale inclusie en menselijke ontwikkeling, met inbegrip van sociale basisvoorzieningen waaronder gezondheid en onderwijs te besteden, onnauwkeurig is en het niet mogelijk maakt de uitgaven naar behoren te volgen; dringt erop aan dat de gekwantificeerde doelstellingen in het volgende meerjarig financieel kader worden opgenomen;

De prioriteiten aanpakken

9.  brengt in herinnering dat alleen als de basisvaardigheden, met inbegrip van digitale vaardigheden, beheerst worden verdere vaardigheden kunnen worden ontwikkeld en een vak kan worden uitgeoefend, dat onderwijs voor meisjes een beslissend hefboomeffect heeft op de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, op de volksgezondheid en het algemeen welzijn, evenals op de totstandbrenging van vreedzame samenlevingen, en dat het de minst ontwikkelde landen het vaakst aan financiering ontbreekt terwijl juist in deze landen investeringen het meeste opleveren, voor de mensen zelf, voor de samenleving, voor de economie en voor de volksgezondheid;

10.  brengt in herinnering dat de emancipatie van kwetsbare groepen van cruciaal belang is om een einde te maken aan armoede; dringt erop aan dat alle mensen, ongeacht hun geslacht, leeftijd, etnische afkomst, taal, godsdienst, politieke opvattingen of andere overtuiging, met inbegrip van personen met een handicap, migranten en inheemse mensen, toegang moeten hebben tot inclusief, gelijkwaardig en kwalitatief onderwijs en kansen voor levenslang leren;

11.  stelt dan ook dat de onderwijssteun van de Unie allereerst op twee prioriteiten moet zijn gericht: hoogwaardig en inclusief basisonderwijs en meer steun aan de minst ontwikkelde landen;

12.  legt bijzondere nadruk op de doelstelling voor duurzame ontwikkeling nr. 4.1, gericht op gratis en kwalitatief lager en middelbaar onderwijs gedurende 12 jaar voor iedereen; herhaalt dat dit een belangrijke pijler van het partnerschap tussen Afrika en de EU moet zijn, overeenkomstig de strategische prioriteiten waarover overeenstemming is bereikt tijdens de top van de Europese Unie en de Afrikaanse Unie in 2017; wijst erop dat gratis inhoudt dat er niet alleen geen schoolgeld moet worden betaald, maar ook dat er geen verdoken kosten zijn zoals schoolmateriaal, vervoer en voeding; is van mening dat landen moeten overwegen om beurzen in te voeren om ervoor te zorgen dat ook de minst bevoordeelde kinderen naar school kunnen; herinnert eraan dat het belangrijk is pluralisme en de keuzevrijheid van de ouders te waarborgen; beveelt de Europese Unie en de lidstaten niettemin aan om overeenkomstig de doelstelling voor duurzame ontwikkeling nr. 4.1 en artikel 26 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, de officiële ontwikkelingshulp niet te gebruiken om steun te verlenen aan commerciële onderwijsinstellingen met een winstgevend doel, die de beginselen en waarden van de Unie niet eerbiedigen;

13.  verzoekt de Unie en haar lidstaten om tegen 2030 ten minste de helft van hun onderwijssteun aan basisonderwijs te besteden;

14.  wenst eveneens dat ten minste 40 % van de onderwijssteun van de Unie en de lidstaten naar de minst ontwikkelde landen gaat;

15.  wenst dat bijzondere aandacht uitgaat naar gelijkheid tussen meisjes en jongens, wat van cruciaal belang is om duurzame ontwikkeling te verwezenlijken en te voldoen aan het beginsel om niemand uit te sluiten; roept de EU op inclusief en hoogwaardig onderwijs te bevorderen om hindernissen voor de toegang van meisjes tot onderwijs en het volgen en afronden van opleidingen door meisjes weg te nemen; herinnert aan de doelstelling volgens welke 85 % van de nieuwe programma's van de Europese Unie tegen 2020 gendergelijkheid als belangrijkste of wezenlijke doelstelling moeten hebben; dringt verder aan op de ondersteuning van de invoering van onderwijsstelsels die zijn afgestemd op de behoeften van studenten met een handicap en van andere minderheden en kwetsbare groepen, waarbij rekening wordt gehouden met de plaatselijke omstandigheden;

16.  is ingenomen met het feit dat de Commissie haar mededeling over onderwijs in noodsituaties en aanhoudende crises heeft aangenomen en daarin de doelstelling heeft opgenomen om al in 2019, 10 % van de humanitaire steun van de Unie aan onderwijs te besteden;

17.  herinnert eraan dat onderwijs voor vluchtelingenkinderen of ontheemde kinderen van meet af aan als een prioriteit moet worden beschouwd; benadrukt dat het belangrijk is landen waar zich onstabiele situaties en conflicten voordoen te ondersteunen om hun systemen weerbaarder te maken en te zorgen voor toegang tot hoogwaardig onderwijs, met inbegrip van middelbaar onderwijs, voor vluchtelingenkinderen en -jongeren, binnenlands ontheemden en hun gastgemeenschappen;

18.  benadrukt dat een beter geïntegreerde, snellere, meer stelselmatige en doeltreffender aanpak moet worden gevolgd waarbij alle belanghebbenden zijn betrokken om in te kunnen spelen op de onderwijsbehoeften in noodsituaties overeenkomstig het beginsel volgens welke noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling aan elkaar moeten worden gekoppeld;

19.  wijst erop dat sommige doellanden niet in staat of bereid zijn in de basisbehoeften van de bevolking, onder meer op het gebied van onderwijs, te voorzien; pleit er daarom voor de meest geschikte maatschappelijke partnerorganisatie te kiezen en goede praktijken die in het veld worden uitgevoerd door ngo's en andere actoren uit te breiden en op te schalen;

20.  herinnert aan het belang van middelbaar, technisch en beroepsonderwijs voor de inzetbaarheid van jongeren en duurzame ontwikkeling; is van mening dat deze laatste twee onderwijsvormen uitzicht moeten bieden op fatsoenlijke banen, afgestemd moeten zijn op de ontwikkelingseisen van het land en de behoeften van het bedrijfsleven, in overleg met hen moeten worden aangeboden en voor zover mogelijk door hen moet worden gefinancierd; vestigt de aandacht op projecten waarbij de particuliere sector en opleidingscentra hun krachten bundelen en verzoekt de Commissie na te gaan hoe de ontwikkeling van dergelijke initiatieven financieel kan worden ondersteund; merkt op dat het plan voor externe investeringen van de Unie kan worden ingezet om deze doelstellingen te verwezenlijken en pleit ervoor organisaties uit het maatschappelijk middenveld op strategische wijze te betrekken bij de programmering en uitvoering op dit gebied;

21.  is bezorgd over de zogeheten "braindrain"; merkt op dat sommige lidstaten meer dan de helft van hun onderwijssteun aan opleidingskosten op hun eigen grondgebied besteden; meent dat de verhoging van de onderwijssteun tot een daling van dit aandeel moet leiden; verzoekt de lidstaten goede praktijken en ervaringen, zoals academische en professionele uitwisselingen, te onderzoeken en toe te passen; is van mening dat meervoudige visa deze studenten de mogelijkheid zouden geven hun kennis bij te spijkeren en circulaire mobiliteit zouden bevorderen; verzoekt in dit verband prikkels of maatregelen in te voeren om studenten aan te moedigen na terugkomst voor een minimale periode in de economische of overheidssector in hun thuisland te werken, zodat de opgedane kennis in eerste instantie ten goede komt aan de partnerlanden;

22.  wijst erop dat goede leraren cruciaal zijn voor het onderwijs; stelt met bezorgdheid vast dat de kwaliteit en beschikbaarheid van de lerarenopleiding een ernstig probleem blijft, met name in Afrika ten zuiden van de Sahara; wijst erop dat inspanningen moeten worden geleverd voor de initiële en voortgezette opleiding van leraren, waarbij de nadruk wordt gelegd op kennis en pedagogische vaardigheden, alsook op hun aanwervings-, loon- en arbeidsvoorwaarden, onder meer om hen aan te moedigen in hun land te blijven en hun kennis aan de toekomstige generaties door te geven; pleit voor meer programma's voor de uitwisseling van leraren tussen ontwikkelingslanden en EU‑lidstaten, bijvoorbeeld in het kader van Erasmus+;

23.  wijst erop dat er grote investeringen nodig zijn voor infrastructuur, materieel en uitrusting voor scholen, met name in plattelandsgebieden of dunbevolkte gebieden, om zonder discriminatie een gelijke toegang tot onderwijs voor iedereen te waarborgen;

24.  wijst erop hoe belangrijk nieuwe technologieën zijn om de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs te verbeteren, in het bijzonder voor de verspreiding van kennis, de opleiding, pedagogische vorming en ontwikkeling van leraren en het beheer van onderwijsinstellingen; benadrukt dat de mogelijkheden die de digitalisering biedt moeten worden aangegrepen om ervoor te zorgen dat moderne kennis- en onderwijsmethoden worden ingevoerd in ontwikkelingslanden; benadrukt dat deze nieuwe technologieën de onderwijsinspanningen moeten ondersteunen, en niet vervangen, wat gepaard zou gaan met een verlaging van de onderwijsnormen; verzoekt om betere effectbeoordelingen bij technologische investeringen in leerresultaten; onderstreept het belang van versterking van digitale vaardigheden voor de bevordering van de emancipatie van vrouwen en meisjes;

25.  roept op tot vergroting van de inspanningen voor de aanpak van de uitdagingen van digitale uitsluiting middels onderwijs en opleiding op het gebied van essentiële digitale vaardigheden en initiatieven ter bevordering van ICT-gebruik; roept er bovendien toe op in ontwikkelingslanden digitale geletterdheid op te nemen in de schoolprogramma's op alle onderwijsniveaus, zodat vaardigheden kunnen worden verworven die nodig zijn voor een betere toegang tot informatie;

26.  benadrukt dat onderwijs de volgende generatie erop moet voorbereiden om een volwaardig leven te kunnen leiden in een door robotisering en automatisering veranderde wereld; is van mening dat, om te voldoen aan de verwachtingen van zowel de werkzoekende bevolking als het bedrijfsleven, beschikbare opleidingen daadwerkelijk beroepsgericht moeten zijn en dat met het oog hierop partnerschappen met de particuliere sector op het gebied van beroepsopleiding niet mogen worden uitgesloten; benadrukt in dit verband het belang van flexibele vaardigheden alsook het belang van levens- en sociale vaardigheden in het onderwijs; is er zeker van dat kinderen, naast het onderwijs in academische kennis op school, denkvaardigheden moeten verwerven om vragen te kunnen stellen en creatieve vaardigheden om ideeën in de praktijk te kunnen brengen, en dat een leven lang leren moet geschieden via een leven lang handelen;

27.  benadrukt het verband tussen onderwijs en gezondheid; wijst erop dat via schoolgeneeskunde en gezondheidsvoorlichting, naast de bevordering van onderwijs, grote delen van de maatschappij kunnen worden bereikt; dringt aan op de ontwikkeling van een omvattende, geïntegreerde aanpak voor seksuele voorlichting voor meisjes en jongens die gezondheidskwesties zoals hiv, gezinsplanning en zwangerschap omvat en waarmee ook wordt bijgedragen aan algemenere ontwikkelingen zoals betere toegang tot onderwijs voor meisjes; wijst op het belang van zorgverleners bij de psychosociale ondersteuning, met name in door een conflict getroffen landen, om de weerbaarheid van jonge kinderen te verbeteren;

28.  moedigt de landen aan overeenkomstig de doelstelling voor duurzame ontwikkeling nr. 4.2 ten minste één jaar gratis voorschools onderwijs in te voeren;

29.  herhaalt dat alleen in een gunstige omgeving, waarbij de ouders worden betrokken en waaronder ook voedings- en veiligheidsaspecten vallen, evenals toegang tot elektriciteit, water en behoorlijke sanitaire voorzieningen, kwalitatief hoogstaand onderwijs kan worden gegeven dat de leerlingen werkelijk ten goede komt en dat leidt tot een hoger percentage leerlingen dat de school afmaakt, in het bijzonder de lagere school;

De kwaliteit van de steun verbeteren

30.  is van mening dat enkel indien de onderwijsstelsels, met inbegrip van niet-statelijke onderwijsinstellingen, de kwaliteit van het onderwijs en de leerresultaten worden beoordeeld, de doeltreffendheid van de steun kan worden verbeterd; verzoekt de Commissie en de lidstaten om onderzoek, gegevensaggregatie en betrouwbare, technische, niet-discriminerende en onafhankelijke beoordelingsinstrumenten te financieren;

31.  meent dat het van wezenlijk belang is dat geldschieters binnen plaatselijke onderwijsgroepen hun acties beter op elkaar afstemmen teneinde overlapping en zelfs tegenstrijdige doelen van hulpmaatregelen te voorkomen; verzoekt de lidstaten om systematischer gebruik te maken van gezamenlijke programmering en delegatie; brengt in herinnering dat ontwikkelingshulp niet mag dienen om invloedssferen uit te breiden;

32.  onderstreept dat regeringen verplicht zijn om het recht op onderwijs van hun burgers te waarborgen; wijst dan ook op de noodzaak om capaciteit bij de verantwoordelijke instellingen op alle niveaus te garanderen om diensten voor iedereen te verlenen, en om te zorgen voor eerlijke, toegankelijke en niet-discriminerende instellingen, strategieën en plannen voor het nationaal onderwijs onder reëel beheer, en gebaseerd op een raadpleging van betekenis en een strategische participatie van de belangrijkste spelers, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, met specifieke doelstellingen en follow-upmechanismen, regelmatige evaluaties en inspecties, een duidelijke en transparante afbakening van de verantwoordelijkheden, en een toewijzing van de middelen onder onafhankelijk toezicht; pleit voor de vaststelling van nationale regelgevingskaders betreffende de oprichting en werking van de onderwijsdiensten;

33.  legt de nadruk op het belang van voorspelbaarheid van steun en inbreng van partnerlanden; merkt in dit verband op dat begrotingssteun en hulp van multilaterale organisaties het beste op deze vereisten inspelen;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in eerste instantie, indien mogelijk, te kiezen voor sectorale begrotingssteun, met strikte criteria, waaronder goed bestuur, en verregaande controles, met name om corruptie te voorkomen; herinnert eraan dat de begunstigde derde landen zich ertoe verbinden de betalingen in geval van ernstige onregelmatigheden terug te betalen; beveelt aan het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de opvolging van financieringsovereenkomsten; onderstreept de noodzaak om een monitoringmechanisme op te richten om te onderzoeken of ontwikkelingsmiddelen zijn misbruikt en om naar aanleiding daarvan sancties toe te passen, waaronder de herverdeling van financiële middelen om de steun voor landen met betere praktijken op dit gebied uit te breiden;

35.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om de rol van lokale autoriteiten en organisaties uit het maatschappelijk middenveld te bevorderen bij de voorbereiding en de uitvoering van programma's voor onderwijssteun, ook in het kader van begrotingssteun;

36.  merkt op dat slechts een derde van de onderwijssteun via multilaterale organen wordt verleend, tegen twee derde van de steun op het gebied van volksgezondheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook hun financiële bijdrage aan het wereldwijde partnerschap voor onderwijs en het fonds "Education Cannot Wait" (ECW) te verhogen; is van mening dat het wereldwijde partnerschap in staat moet worden gesteld om in zijn volgende strategisch plan voor na 2020 de programmeringsperiode van drie naar zes jaar te verlengen om financiering stabieler en voorspelbaarder te maken, wat in het bijzonder noodzakelijk is voor de versterking van nationale onderwijsstelsels;

o
o   o

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze ontwerpresolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2018)0239.
(2) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2018)0104.


Energie-efficiëntie ***I
PDF 125kWORD 55k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (COM(2016)0761 – C8-0498/2016 – 2016/0376(COD))
P8_TA(2018)0442A8-0391/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0761),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0498/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 april 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0391/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/2002.)

(1) PB C 246 van 28.7.2017, blz. 42.
(2) PB C 342 van 12.10.2017, blz. 119.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 17 januari 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0010).


Governance van de energie-unie ***I
PDF 126kWORD 52k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de governance van de energie-unie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (COM(2016)0759 – C8-0497/2016 – 2016/0375(COD))
P8_TA(2018)0443A8-0402/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0759),

–  gezien artikel 294, lid 2, alsook artikel 192, lid 1, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0497/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 april 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0402/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2018/1999.)

(1) PB C 246 van 28.7.2017, blz. 34.
(2) PB C 342 van 12.10.2017, blz. 111.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 17 januari 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0011).


Bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ***I
PDF 126kWORD 56k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (COM(2016)0767 – C8-0500/2016 – 2016/0382(COD))
P8_TA(2018)0444A8-0392/2017

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0767),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0500/2016),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 april 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(2),

–  gezien de brief van 20 oktober 2017 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 26 juni 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 104, 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie verzoekschriften (A8-0392/2017),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere handelingen met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande handelingen behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3), rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2018/... van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2018/2001.)

(1) PB C 246 van 28.7.2017, blz. 55.
(2) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 17 januari 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0009).


Meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
PDF 259kWORD 82k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren (COM(2017)0097 – C8-0095/2017 – 2017/0043(COD))
P8_TA(2018)0445A8-0337/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0097),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0095/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0337/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2018 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee en de visserijen die deze bestanden exploiteren

P8_TC1-COD(2017)0043


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) dient bij te dragen tot de bescherming van het mariene milieu, tot het duurzame beheer van alle commercieel geëxploiteerde soorten en in het bijzonder tot het bereiken, uiterlijk in 2020, van een goede milieutoestand van het mariene milieu overeenkomstig artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad(4), en een gunstige staat van instandhouding voor soorten en habitats overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG van de Raad(5) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad(6). [Am. 1]

(1 bis)   Tijdens de Top van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling in 2015 in New York hebben de Unie en haar lidstaten zich ertoe verbonden tegen 2020 het vangen van vis doeltreffend te reglementeren, een einde te maken aan overbevissing, aan illegale, niet-gemelde en ongereglementeerde visserij en aan destructieve visserijpraktijken, en wetenschappelijk gefundeerde beheersplannen uit te voeren teneinde de visbestanden in zo kort mogelijke tijd op zijn minst te herstellen op het niveau dat de door hun biologische kenmerken bepaalde maximale duurzame opbrengst kan opleveren. [Am. 2]

(2)  Bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad(7) zijn de regels van het GVB vastgesteld in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij- en aquacultuuractiviteiten uit ecologisch, economisch en sociaal oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen. [Am. 3]

(2 bis)  Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013 zijn om de visserij op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies te kunnen beheren, geharmoniseerde, degelijke en accurate datareeksen nodig. [Am. 4]

(3)  Uit wetenschappelijk advies van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) en van het wetenschappelijk adviescomité van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM – SAC) blijkt dat het niveau waarop de ansjovis- en sardinebestanden in de Adriatische Zee worden geëxploiteerd, te hoog ligt om de maximale duurzame opbrengst (maximum sustainable yield of MSY) te bereiken.

(3 bis)  De Adriatische Zee is een belangrijk deelgebied van het Middellandse Zeegebied, dat goed is voor ongeveer een derde van de totale aanlandingswaarde. [Am. 5]

(4)  Hoewel de ansjovis- en sardinebestanden in de Adriatische Zee worden beheerd aan de hand van zowel een internationaal beheersplan in het kader van de GFCM als van nationale beheersplannen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad(8), worden zij nog steeds overbevist en worden de bestaande beheersmaatregelen onvoldoende geacht om uiterlijk in 2020 de MSY te halen. De lidstaten en belanghebbende partijen hebben zich uitgesproken voor de opstelling en tenuitvoerlegging van beheersplannen op Unieniveau voor deze twee bestanden.

(4 bis)   De ten uitvoer gelegde beheersplannen en de in 2016 ingevoerde technische maatregelen zullen naar verwachting gevolgen hebben voor de visbestanden en moeten worden geanalyseerd en in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van het meerjarenplan voor de pelagische bestanden in de regio. [Am. 6]

(4 ter)   Het introduceren van een benadering met betrekking tot een ondergrens ten aanzien van het ontsnappingsniveau vergt wijzigingen ten aanzien van de biologische bemonsterings- en onderzoeksprotocollen, welke wijzigingen tijd zullen kosten, waardoor er een overgangsperiode moet worden ingelast voordat deze ten uitvoer kan worden gelegd. [Am. 99]

(5)  De huidige beheersmaatregelen voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee hebben betrekking op de toegang tot de wateren, de controle op de visserijinspanning en technische maatregelen om het gebruik van vistuig te regelen. Uit wetenschappelijk advies blijkt dat de controle van de vangsten het meest geschikte middel is om de visserijsterfte aan te passen, en een doeltreffender beheersinstrument is voor kleine pelagische bestanden(9). [Am. 7]

(6)  Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen moeten instandhoudingsmaatregelen als meerjarenplannen, technische maatregelen en vangstmogelijkheden (vaststelling en toewijzing) technische maatregelen, zo nodig met elkaar gecombineerd, worden vastgesteld. [Am. 8]

(6 bis)   De kleine pelagische visserij in de Adriatische Zee, met name in de geografische deelgebieden 17 en 18, hebben belangrijke sociaal-economische gevolgen voor het levensonderhoud en de toekomst van de kustgemeenschappen van de lidstaten. [Am. 9]

(6 ter)   Overeenkomstig de beginselen en doelstellingen van het GVB en overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moet gebruik worden gemaakt van regionalisering om maatregelen vast te stellen en uit te voeren die rekening houden met de specifieke kenmerken van elk visserijgebied en die de milieuomstandigheden in elk van die gebieden beschermen. [Am. 10]

(6 quater)   Vangstmogelijkheden moeten worden toegekend overeenkomstig de beginselen van artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, waarbij gebruik moet worden gemaakt van transparante en objectieve criteria, onder meer die van ecologische, sociale en economische aard. De vangstmogelijkheden moeten ook eerlijk worden verdeeld over de verschillende takken van de visserij, met inbegrip van de traditionele en kleinschalige visserij. Voorts moeten de lidstaten voorzien in stimuleringsmaatregelen voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig of die gebruik maken van minder milieubelastende visserijtechnieken. [Am. 11]

(7)  Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten meerjarenplannen gebaseerd zijn op de beste op dat moment beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen en moeten zij doelstellingen, kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten, instandhoudingsdoelstellingen, technische maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting, maatregelen die beogen ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en vrijwaringsmaatregelen bevatten. [Am. 12]

(8)  Het meerjarenplan moet ten doel hebben bij te dragen aan de doelstellingen van het GVB, in het bijzonder het herstellen en behouden van de MSY voor visbestanden boven een biomassaniveau dat de betrokken bestanden bereiken en behouden MSY kan opleveren, de aanlandingsverplichting uitvoeren, zorgen voor een duurzame en winstgevende visserijsector en voorzien in een doeltreffend beheerskader. [Am. 13]

(8 bis)   Tenzij anders bepaald mag deze verordening niet als precedent worden beschouwd voor andere meerjarenplannen met betrekking tot de Middellandse Zee. [Am. 14]

(8 ter)   Een meerjarenplan moet altijd een evenwicht vinden tussen het haalbare resultaat, rekening houdend met het tijdpad, en de sociaal-economische gevolgen. [Am. 15]

(9)  Voorts is bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 een aanlandingsverplichting ingevoerd, die ook geldt voor alle vangsten van soorten waarvoor minimummaten in de zin van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 gelden. Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1392/2014 van de Commissie(10) is in afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 een driejarig teruggooiplan vastgesteld dat voorziet in een de-minimisvrijstelling van de aanlandingsverplichting voor ansjovis, sardine, makreel en horsmakreel in de Adriatische Zee. Met het oog op de uitvoering van de aanlandingsverplichting is het passend de geldigheidsduur van de in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1392/2014 vervatte maatregelen te verlengen door de desbetreffende bepalingen op te nemen in het meerjarenplan.

(10)  Overeenkomstig de ecosysteemgerichte benadering en in aanvulling op moet dit plan tevens bijdragen tot het visserijgerelateerde beschrijvende element van bereiken van een goede milieutoestand als bedoeld in Richtlijn 2008/56/EG, en dient in het kader van het visserijbeheer rekening te worden gehouden met de in bijlage I bij die richtlijn opgenomen kwalitatief beschrijvende elementen 1, 4 en 6. Dit plan dient voorts bij te dragen tot de verwezenlijking van een gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten respectievelijk overeenkomstig Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG. [Am. 16]

(11)  Krachtens artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden worden vastgesteld overeenkomstig de in de meerjarenplannen bepaalde streefdoelen. [Am. 17]

(12)  Het is passend dat het met de doelstelling inzake het bereiken en behouden van de MSY overeenkomende streefdoel voor de visserijsterfte (target fishing mortality - F) wordt vastgesteld als bandbreedtes van waarden die in samenhang zijn met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY). Deze op het beste beschikbare wetenschappelijk advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om de flexibiliteit te bieden die nodig is om rekening te houden met ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, om bij te dragen aan de uitvoering van de aanlandingsverplichting en om rekening te houden met de kenmerken van gemengde visserij. De FMSY-bandbreedtes zijn berekend door het WTECV(11). en Op basis van dit plan zijn zij zo bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan MSY(12). Bovendien is de bovengrens van de bandbreedte geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. [Am. 18]

(13)  Met het oog op de vaststelling het realiseren van de vangstmogelijkheden moet er een drempel komen voor FMSY‑brandbreedtes bij normaal gebruik en, mits doelstellingen van het meerjarenplan moet het betrokken bestand als in goede staat verkerend wordt beschouwd, een hogere grens voor bepaalde gevallen. De vangstmogelijkheden mogen streefdoel voor elke soort SSBpa zijn. Er mag alleen op de hogere grens een hoger streefdoel worden vastgesteld indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening in het geval van gemengde visserijen of noodzakelijk is om schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te voorkomen, of indien dat tot doel heeft wanneer een van de jaarlijkse schommelingen op het gebied van de vangstmogelijkheden te beperken kleine pelagische bestanden onder SSBlim ligt. [Am. 19]

(14)  Wanneer geen streefdoelen in verband met MSY beschikbaar zijn, dient de voorzorgsbenadering te worden toegepast.

(15)  In het licht van de toepassing van vrijwaringsmaatregelen moeten, voor bestanden waarvoor zij beschikbaar zijn, instandhoudingsreferentiepunten worden vastgesteld, uitgedrukt als MSY Btrigger SSBlim en Blim SSBpa voor ansjovis- en sardinebestanden kleine pelagische bestanden. Indien de bestanden onder MSY Btrigger SSBlim terechtkomen, moet de visserijsterfte moeten passende herstelmaatregelen worden teruggebracht vastgesteld om bij te dragen tot de snelle terugkeer van het betrokken bestand tot onder FMSY een niveau boven SSBpa. [Am. 20]

(16)  Wanneer de bestandsomvang onder het Blim-referentiepunt terechtkomt, dienen verdere vrijwaringsmaatregelen te worden ingevoerd. Vrijwaringsmaatregelen dienen onder meer in te houden dat de vangstmogelijkheden worden gereduceerd en dat er specifieke instandhoudingsmaatregelen worden genomen wanneer een bestand luidens wetenschappelijk advies gevaar loopt. Zo nodig moeten die maatregelen worden aangevuld met andere maatregelen, zoals maatregelen van de Commissie overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 of maatregelen van de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. [Am. 21]

(17)  Voor bestanden waarvoor geen referentiepunten beschikbaar zijn, dient het voorzorgsbeginsel te worden toegepast. In het specifieke geval van de als bijvangst gevangen bestanden dienen, bij ontstentenis van wetenschappelijk advies over het minimale paaibiomassaniveau van die bestanden, specifieke instandhoudingsmaatregelen te worden vastgesteld wanneer luidens wetenschappelijk advies herstelmaatregelen nodig zijn. [Am. 22]

(18)  Om de uitvoering van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting mogelijk te maken, dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen, met name maatregelen voor het geleidelijk uitbannen van teruggooi, het tellen van vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte en het beperken, en zo mogelijk uitbannen, van de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene milieu. Dergelijke maatregelen dienen te worden vastgesteld door middel van gedelegeerde handelingen. [Am. 23]

(18 bis)  Een gezamenlijke aanbeveling van Kroatië, Italië en Slovenië (Adriatica-groep op hoog niveau) en een studie over de technische kenmerken van ringzegens en de impact hiervan op bodempopulaties werden ingediend bij en getoetst door onafhankelijke deskundigen en het WTECV. Daarom is het passend te voorzien in een afwijking van de tweede alinea van artikel 13, lid 3, van en punt 2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1967/2006. [Am. 24]

(19)  Voor de indiening van gemeenschappelijke aanbevelingen van lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dient een uiterste termijn te worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(19 bis)   Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij een aanzienlijke invloed heeft op de visserijsterfte van een bepaald bestand, moet de Raad ook deze vorm van visserij in aanmerking nemen. Hiertoe moet de Raad gemachtigd zijn een totale toegestane vangst (TAC) vast te stellen voor commerciële vangsten waarbij rekening wordt gehouden met de omvang van de recreatievangsten, en/of andere maatregelen vast te stellen om de recreatievisserij te beperken, met inbegrip van meeneemlimieten en sluitingsperioden. [Am. 25]

(20)  Het plan moet voorts voorzien in de vaststelling, door middel van gedelegeerde handelingen, van bepaalde begeleidende technische maatregelen, alsook gebieds- en tijdsgebonden maatregelen, die op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het plan, met name inzake de bescherming van jonge vis, moeten bijdragen of de selectiviteit moeten verbeteren. [Am. 26]

(20 bis)   Bij het vaststellen van technische maatregelen die voortvloeien uit het meerjarenplan of overeenkomstig het plan vastgestelde gedelegeerde handelingen moet het gebruik van ambachtelijk vistuig dat gebaseerd is op van oudsher in visserijgemeenschappen toegepaste praktijken, worden gewaarborgd. [Am. 27]

(21)  Om te waarborgen dat de in deze verordening vervatte maatregelen ten volle worden nageleefd, dienen specifieke controlemaatregelen te worden aangenomen ter aanvulling van die waarin Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad(13) voorziet.

(21 bis)   Om ervoor te zorgen dat de sector de maatregelen ter vermindering van de visserijinspanning en de daaruit voortvloeiende daling van de inkomsten voor bedrijven en zeevarenden aankan, moeten er regelingen zijn voor prioritaire toegang tot passende steun uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) overeenkomstig Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad(14). [Am. 28]

(21 ter)   Om bij de toepassing rekening te houden met de sociaal-economische effecten is het daarom wenselijk om enerzijds afwijkingen toe te staan van de maximale duur van de tijdelijke stopzetting als bedoeld in artikel 33 van Verordening (EU) nr. 508/2014, waarbij die stopzetting uitsluitend wordt uitgebreid naar de vaartuigen die vallen onder dit meerjarenplan, en anderzijds mogelijk te maken dat de definitieve beëindiging als bedoeld in artikel 34 van deze verordening weer wordt opengesteld en dat de bedoelde vissersvaartuigen er toegang toe krijgen. [Am. 29]

(22)  Omdat vaartuigen die in de Adriatische Zee op kleine pelagische bestanden vissen, veelal korte visreizen maken, dient het in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voorgeschreven gebruik van de voorafgaande kennisgeving te worden aangepast zodat de voorafgaande kennisgeving ten minste anderhalf een half uur voor het geraamde tijdstip van aankomst in de haven wordt gedaan. Echter, rekening houdend met het beperkte effect op de betrokken bestanden van visreizen waarmee zeer kleine hoeveelheden vis zijn gemoeid, is het passend een drempelwaarde voor dergelijke voorafgaande kennisgevingen vast te stellen, namelijk dat vaartuigen ten minste één ton ansjovis of sardine kleine pelagische soorten aan boord hebben. [Am. 30]

(23)  Aangezien elektronische controle-instrumenten zorgen voor een betere en snellere controle van de visserijen, met name wat betreft de ruimtelijke spreiding van de visserijactiviteiten en de exploitatie van de bestanden, moet het respectievelijk in de artikelen 9 en 15 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voorgeschreven gebruik van het volgsysteem voor vaartuigen en het elektronische logboek worden uitgebreid tot alle vissersvaartuigen met een lengte over alles van acht meter.

(24)  Overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 moet worden vastgesteld boven welke drempelwaarde een vissersvaartuig zijn vangsten ansjovis en sardine kleine pelagische soorten in een aangewezen haven of op een plaats dicht bij de kust moet aanlanden. Bovendien moeten de lidstaten bij de aanwijzing van die havens of plaatsen dicht bij de kust de criteria van artikel 43, lid 5, van die verordening op zodanige wijze toepassen dat een doeltreffende controle gewaarborgd is. [Am. 31]

(25)  Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, moet de bevoegdheid aan de Commissie worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen op het stuk van herstelmaatregelen voor de instandhouding van makreel en horsmakreel, de uitvoering van de aanlandingsverplichting en technische maatregelen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(15). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen moeten het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten ontvangen, en moeten hun deskundigen systematisch toegang hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 32]

(26)  Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen bepalingen te worden vastgesteld inzake de periodieke beoordeling door de Commissie van de toereikendheid en doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening. Voorafgaand aan deze beoordeling dient het plan op basis van wetenschappelijk advies periodiek te worden geëvalueerd. Die evaluatie moet plaatsvinden binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening en daarna om de vijf jaar plaatsvinden. Die periode biedt voldoende ruimte om de aanlandingsverplichting volledig uit te voeren, om geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren en om zicht te krijgen op de gevolgen voor de bestanden en de visserij. Een kortere periode zou bovendien onwerkbaar zijn voor de wetenschappelijke instanties. [Am. 33]

(27)  Vóór het opstellen van het plan zijn overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de verwachte economische en sociale effecten ervan beoordeeld(16).

(27 bis)   Om de vissers te ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van de bij deze verordening vastgestelde maatregelen moeten de lidstaten zo ruim mogelijk gebruikmaken van de bij Verordening (EU) nr. 508/2014 vastgestelde maatregelen. Er moet worden verduidelijkt dat maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken, in aanmerking kunnen komen voor steun krachtens Verordening (EU) nr. 508/2014 om rekening te houden met de sociaal-economische aspecten van deze verordening. Voorts moet voor de vaartuigen waarop dit meerjarenplan betrekking heeft, een afwijking worden toegestaan met betrekking tot de perioden tijdens welke steun mag worden verleend en met betrekking tot de maximale bijdrage van het EFMZV voor tijdelijke stopzetting als bedoeld in Verordening (EU) nr. 508/2014, [Am. 34]

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan vastgesteld voor de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee.

2.  Deze verordening is van toepassing op de bestanden ansjovis (Engraulis encrasicolus) en sardine (Sardina pilchardus) in de Adriatische Zee (hierna "de betrokken bestanden" "kleine pelagische soorten" genoemd) en op de visserijen die deze bestanden exploiteren. Zij bevissen. Met het oog op de uitvoering van de aanlandingsverplichting, zoals vastgesteld in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, is deze verordening eveneens van toepassing op de bijvangsten van makreel (Scomber spp.) en horsmakreel (Trachurus spp.) in de Adriatische Zee die bij de visserij op een van de betrokken bestanden of op de beide betrokken bestanden kleine pelagische soorten worden gevangen. [Am. 35]

Artikel 2

Definities

1.  Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities die zijn vastgesteld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1967/2006.

2.  Daarnaast wordt verstaan onder:

a)  "Adriatische Zee": de geografische deelgebieden 17 en 18 van de GFCM;

b)  "geografisch deelgebied van de GFCM": geografisch deelgebied van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (General Fisheries Commission for the Mediterranean – GFCM) zoals afgebakend in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad(17);

b bis)  "gericht vissen": een visserijactiviteit waarbij sardine of ansjovis ten minste 50 % van de vangst in levend gewicht uitmaakt; [Am. 37]

c)  "kleine pelagische bestanden" soorten": de in artikel 1, lid 2, van deze verordening vermelde bestanden of een combinatie van daar vermelde bestanden ansjovis (Engraulis encrasicolus) en sardine (Sardina pilchardus). [Am. 38]

c bis)  "Beste beschikbare wetenschappelijke advies" verwijst naar openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat wordt geschraagd door de meest recente wetenschappelijke gegevens en methoden en is afgegeven of intercollegiaal getoetst door een op internationaal of EU-niveau erkend onafhankelijk wetenschappelijk orgaan zoals het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) en de GFCM, met inachtneming van de vereisten van artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. [Am. 104]

d)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden waarin alle niveaus van visserijsterfte binnen de wetenschappelijk aangegeven grenswaarden van die bandbreedte bij gemengde visserij volgens wetenschappelijk advies een maximale duurzame opbrengst (maximum sustainable yield – MSY) op lange termijn opleveren bij bestaande gemiddelde milieuomstandigheden zonder beduidende nadelige gevolgen voor het reproductieproces voor de betrokken bestanden; [Am. 39]

d bis)  "visdag": elke aaneengesloten periode van 24 uur, of elk deel daarvan, waarin een visserijvaartuig visserijactiviteit verricht, bijvoorbeeld het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen, het kooien, het vetmesten en het aanlanden van vis en visserijproducten, zoals gedefinieerd in artikel 28, lid 1, punt 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013; [Am. 40]

d ter)  "SSBlim": het referentiepunt voor paaibiomassa waaronder corrigerende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de bestanden worden teruggebracht tot een niveau dat boven de biologisch veilige grens ligt; [Am. 41]

d quater)  "SSBpa": het voorzorgsreferentiepunt voor paaibiomassa waaronder beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de bestanden worden teruggebracht tot een niveau dat boven de biologisch veilige grens ligt; [Am. 42]

e)  "MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn MSY kan opleveren; [Am. 43]

f)  "vangstmogelijkheid": een gekwantificeerd legaal recht om te vissen, in termen van vangsten en/of visserijinspanning.

Artikel 3

Doelstellingen

1.  Het meerjarenplan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid., met name door bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toe te passen, en beoogt ervoor te zorgen dat de mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat MSY kan opleveren. [Am. 45]

2.  Het meerjarenplan voorziet in een doeltreffend, eenvoudig en stabiel beheerskader voor de exploitatie van de kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee.

2 bis.   Bij de ontwikkeling of wijziging van het meerjarenplan wordt overeenkomstig artikel 2, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten. [Am. 47]

3.  Het meerjarenplan draagt bij tot het uitbannen verminderen van teruggooi door ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de uitvoering van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de daaronder vallende soorten waarop de onderhavige verordening van toepassing is. [Am. 48]

4.  Het meerjarenplan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem, in het bijzonder voor bedreigde habitats en beschermde soorten, waaronder zeezoogdieren, zeevogels en reptielen, tot een minimum worden beperkt en zo mogelijk uitgebannen. Het is coherent met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken, alsook met de streefdoelen en voorschriften zoals vastgelegd in Richtlijn 2009/147/EG en Richtlijn 92/43/EEG. [Am. 49]

5.  Het meerjarenplan heeft met name ten doel:

a)  ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de in beschrijvend element 3 van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG beschreven voorwaarden, en

b)  bij te dragen tot de vervulling van andere relevante beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, in verhouding tot de rol die visserij voor de vervulling ervan speelt.

5 bis.   Maatregelen in het kader van het plan worden genomen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies. [Am. 50]

HOOFDSTUK II

SOCIAAL-ECONOMISCHE STREEFDOELEN, VRIJWARINGSMAATREGELEN EN SPECIFIEKE MAATREGELEN [Am. 51]

Artikel 4

Streefdoelen voor ansjovis en sardine kleine pelagische soorten [Am. 52]

1.  Het streefdoel voor visserijsterfte wordt De nagestreefde referentiepunten voor de betrokken bestanden kleine pelagische soorten worden zo spoedig mogelijk en, geleidelijk toenemend, uiterlijk in 2020 verwezenlijkt en wordt van dan af gehandhaafd binnen boven de in bijlage I vermelde bandbreedtes waarden en overeenkomstig de in artikel 3, lid 1, neergelegde doelstellingen. [Am. 53]

2.  De vangstmogelijkheden beheersmaatregelen voor kleine pelagische soorten zijn in overeenstemming met de streefbandbreedtes voor de visserijsterfte nagestreefde referentiepunten die zijn opgenomen in kolom A van bijlage I bij deze verordening [Am. 54].

3.  Niettegenstaande de leden 1 en 2 kunnen de vangstmogelijkheden worden vastgesteld beheersmaatregelen gericht zijn op niveaus die overeenkomen met lagere visserijsterfteniveaus hogere waarden dan die welke in kolom A van bijlage I zijn opgenomen:

a)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserij;

b)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te voorkomen; of

c)  indien een van de bestanden van kleine pelagische soorten zich onder het in kolom B van bijlage I vermelde referentiepunt bevindt. [Am. 55]

4.  Onverminderd de leden 2 en 3 kunnen de vangstmogelijkheden voor een bestand worden vastgesteld in overeenstemming met de bandbreedtes voor de visserijsterfte als opgenomen in kolom B van bijlage I, mits het betrokken bestand zich bevindt boven het in kolom A van bijlage II opgenomen referentiepunt voor minimale paaibiomassa:

a)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserijen,

b)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te beperken, of

c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken. [Am. 56]

4 bis.   Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij een aanzienlijke invloed heeft op de visserijsterfte van een bepaald bestand, neemt de Raad ook deze vorm van visserij in aanmerking en kan hij bij het vaststellen van de vangstmogelijkheden besluiten tot beperking van de recreatievisserij teneinde te voorkomen dat het algehele streefdoel voor visserijsterfte wordt overschreden. [Am. 57]

Artikel 4 bis

Sociaal-economische doelstellingen

Om rekening te houden met de sociaal-economische doelstellingen als bedoeld in artikel 2, lid 5, onder f), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, maken de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de technische en instandhoudingsmaatregelen waarin in deze verordening is voorzien, ruim gebruik van de desbetreffende maatregelen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 508/2014. [Am. 58]

Artikel 5

Vrijwaringsmaatregelen

1.  De instandhoudingsreferentiepunten, uitgedrukt als minimumniveau en grensniveau voor de paaibiomassa van een bestand, die moeten worden toegepast om de volledige reproductiecapaciteit van het betrokken bestand niet aan te tasten. , zijn opgenomen in bijlage II. [Am. 59]

1 bis.   Drie jaar na de datum van toepassing van de in artikel 6, lid 1 bis, bedoelde beheersmaatregelen wordt middels wetenschappelijk onderzoek beoordeeld of de genomen maatregelen doeltreffend zijn, met name voor de bestanden waarop deze verordening van toepassing is en de visserijen die deze bestanden exploiteren. [Am. 60]

2.  Wanneer luidens wetenschappelijk advies de paaibiomassa van een van de beide betrokken bestanden kleine pelagische soorten lager is dan het in kolom A B van bijlage II I vermelde referentiepunt voor minimale paaibiomassa, worden alle passende herstelmaatregelen vastgesteld om bij te dragen tot een snelle terugkeer van het betrokken bestand de kleine pelagische soorten boven een niveau dat MSY kan opleveren, te waarborgen het in kolom A van bijlage I vermelde referentiepunt. In het bijzonder worden de vangstmogelijkheden voor de betrokken bestanden beheersmaatregelen in afwijking van artikel 4, leden lid 2, en overeenkomstig artikel 4, lid 3, van deze verordening vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die op een waarde onder de in kolom A bijlage I bij vermelde bandbreedte is teruggebracht aangepast, rekening houdend met de afname van de biomassa van dat bestand. [Am. 61]

3.  Wanneer luidens wetenschappelijk advies de paaibiomassa van een van de beide betrokken bestanden kleine pelagische soorten lager is dan het in kolom B van bijlage II I vermelde referentiepunt voor de grenspaaibiomassa (Blim SSBlim), worden verdere herstelmaatregelen genomen om bij te dragen tot een snelle terugkeer van het betrokken bestand beide bestanden boven een niveau dat MSY kan opleveren, te waarborgen het in kolom A van bijlage I vermelde referentiepunt. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden lid 2, en 4, inhouden dat de gerichte visserij op het betrokken bestand wordt geschorst en de vangstmogelijkheden op dat er andere passende wijze beheersmaatregelen worden verlaagd genomen. [Am. 62]

Artikel 6

Specifieke instandhoudingsmaatregelen

1.   Wanneer luidens wetenschappelijk advies herstelmaatregelen nodig zijn voor de instandhouding van de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde kleine pelagische bestanden soorten of, in het geval van ansjovis en sardine, wanneer de paaibiomassa van een van die beide bestanden voor een bepaald jaar lager is dan de in kolom A B van bijlage II I bij de onderhavige deze verordening opgenomen instandhoudingsreferentiepunten, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 16 van de onderhavige deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen. met betrekking tot:

a)  de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de constructie van het vistuig en de afmetingen van het vistuig of het gebruik van voorzieningen voor selectiviteit, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren;

b)  het gebruik van het vistuig en de diepte waarop het vistuig wordt ingezet, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren;

c)  een verbod op of beperking van het vissen in specifieke gebieden, om paaiende en jonge vis of vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere soorten dan de doelvissoorten te beschermen;

d)  een verbod op of beperking van het vissen of het gebruik van bepaalde soorten vistuig gedurende specifieke perioden, om paaiende vis of vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere niet-doelvissoorten te beschermen;

e)  minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, om jonge exemplaren van mariene organismen te beschermen;

f)  andere kenmerken gerelateerd aan selectiviteit. [Am.  63]

1 bis.  Niettegenstaande de eerste alinea zijn de volgende maatregelen van toepassing voor de jaren 2019-2022 om de in artikel 4 vastgestelde streefdoelen te bereiken:

a)  in 2019 wordt de vangstbeperking voor kleine pelagische soorten vastgesteld op het niveau van 2014; met ingang van 2020 wordt de vangstbeperking voor kleine pelagische soorten voor de lidstaat in kwestie tot 2022 elk jaar geleidelijk verlaagd met 4 % ten opzichte van het voorgaande jaar; de verlaging is evenwel niet van toepassing wanneer de totale vangst voor elke betrokken lidstaat 2 % lager ligt dan de vangst van 2014;

b)  de visserijinspanning van vissersvaartuigen die gericht vissen op kleine pelagische soorten bedraagt ten hoogste 180 visdagen per jaar en 20 visdagen per maand, met maximaal 144 visdagen per jaar voor gericht vissen op sardines en maximaal 144 visdagen voor gericht vissen op ansjovis;

c)  elk jaar worden gebieds- of tijdsgebonden sluitingen toegepast om broed- en paaiplaatsen te beschermen; deze sluitingen voor diverse soorten vistuig gelden voor het gehele verspreidingsgebied van kleine pelagische soorten in de Adriatische Zee, voor perioden van niet minder dan 15 opeenvolgende dagen en tot 30 opeenvolgende dagen; deze sluitingen vinden plaats in de volgende perioden:

i)  voor sardine, van 1 oktober tot en met 31 maart, en

ii)  voor ansjovis, van 1 april tot en met 30 september;

d)  extra sluitingen voor vaartuigen van meer dan 12 meter lengte over alles, voor elke soort vistuig afzonderlijk, worden toegepast gedurende minimaal zes maanden; deze sluitingen betreffen ten minste 30 % van het gebied dat als broed- en paaigebied is aangemerkt of als gebied dat van belang is voor de bescherming van jonge leeftijdsklassen van vis (in de territoriale en de binnenzee);

e)  de totale vlootcapaciteit van trawlers en ringzegenvaartuigen die actief vissen op kleine pelagische soorten is niet hoger dan de geregistreerde vlootcapaciteit van de actieve vloot in 2014 wat betreft brutotonnage (BT) en/of brutoregisterton (BRT), motorvermogen (kW) en aantal vaartuigen. [Am. 70]

1 ter.  Niettegenstaande lid 1 bis varieert de duur van de onder c) en d) van dat lid bedoelde sluitingen niet meer dan 10 % tussen opeenvolgende jaren, om de stabiliteit te waarborgen en om variaties in beheersmaatregelen te beperken. [Am. 71]

Artikel 6 bis

Technische maatregelen

1.  Voor de toepassing van deze verordening zijn de tweede alinea van artikel 13, lid 3, van en punt 2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 niet van toepassing.

2.  Voor de toepassing van deze verordening wordt de maximale lengte van omsluitingsnetten (ringzegens en zegens zonder sluitlijn) beperkt tot 600 meter met een netdiepte van ten hoogste een derde van de lengte. [Am. 72]

HOOFDSTUK III

BEPALINGEN IN SAMENHANG MET DE AANLANDINGSVERPLICHTING

Artikel 7

Bepalingen in samenhang met de aanlandingsverplichting voor kleine pelagische bestanden die in de Adriatische Zee zijn gevangen

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 15 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot: [Am. 73]

a)  vrijstellingen van de toepassing van de aanlandingsverplichting voor soorten waarvan op basis van het beste beschikbare wetenschappelijk advies vaststaat dat zij een hoge overlevingskans hebben, rekening houdend met de kenmerken van het vistuig, de visserijpraktijken en het ecosysteem, om de uitvoering van de aanlandingsverplichting te faciliteren; [Am. 74]

b)  de-minimisvrijstellingen, om de uitvoering van de aanlandingsverplichting mogelijk te maken; die de-minimisvrijstellingen worden verleend voor in artikel 15, lid 5, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde gevallen, overeenkomstig de voorwaarden van dat artikel; en

c)  specifieke bepalingen betreffende het documenteren van vangsten, in het bijzonder met het oog op de monitoring van de uitvoering van de aanlandingsverplichting.

d)  het vaststellen van minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, om jonge exemplaren van mariene organismen te beschermen. [Am. 75]

HOOFDSTUK IV

REGIONALISERING

Artikel 8

Regionale samenwerking

1.  Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 6 en 7 van de onderhavige verordening genoemde maatregelen.

2.  Voor de toepassing van lid 1 kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het meerjarenplan overeenkomstig artikel 14 van deze verordening. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer de toestand van een van de beide bestanden waarop deze verordening van toepassing is, plotseling verandert. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juni van het voorgaande jaar ingediend.

3.  De bij de artikelen 6 en 7 van deze verordening toegekende bevoegdheden laten de bevoegdheden die krachtens andere bepalingen van het Unierecht, onder andere bij Verordening (EU) nr. 1380/2013, aan de Commissie zijn verleend, onverlet.

HOOFDSTUK V

CONTROLE EN HANDHAVING

Artikel 9

Verhouding tot Verordening (EG) nr. 1224/2009

De in dit hoofdstuk vastgestelde controlemaatregelen zijn van toepassing ter aanvulling van die van Verordening (EG) nr. 1224/2009, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.

Artikel 10

Voorafgaande kennisgeving

1.  In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 wordt de in dat artikel bedoelde voorafgaande kennisgeving ten minste anderhalf een half uur vóór het geplande tijdstip van aankomst in de haven gedaan. De bevoegde autoriteiten van de kustlidstaten kunnen per geval toestemming geven om de haven op een vroeger tijdstip binnen te varen. [Am. 76]

2.  De verplichting tot voorafgaande kennisgeving geldt voor kapiteins van Unievissersvaartuigen die ten minste één twee ton ansjovis of één twee ton sardine aan boord hebben. Deze hoeveelheden worden berekend na aftrek van de vangsten als bedoeld in artikel 15, lid 11, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. [Am. 77]

Artikel 11

Volgsysteem voor vaartuigen

1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt het toepassingsgebied van de bepalingen van artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 uitgebreid tot vissersvaartuigen met een lengte over alles van acht meter of meer die in de Adriatische Zee doelgericht op kleine pelagische soorten vissen.

2.  De in artikel 9, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op vaartuigen die overeenkomstig deze verordening doelgericht vissen op kleine pelagische soorten in de Adriatische Zee, ongeacht hun lengte.

Artikel 12

Elektronisch invullen en verzenden van visserijlogboeken

1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 neergelegde verplichting om een elektronisch visserijlogboek bij te houden en minstens eenmaal per dag elektronisch door te sturen naar de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat, uitgebreid tot kapiteins van Unievissersvaartuigen met een lengte over alles van acht meter of meer die doelgericht vissen op ansjovis of sardine.

2.  De in artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op kapiteins van vaartuigen die doelgericht vissen op ansjovis of sardine, ongeacht de lengte van het vaartuig.

2 bis.   In afwijking van artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 zenden de kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van 12 meter of meer de informatie als bedoeld in artikel 14 van deze verordening door vóór de start van de aanlandingswerkzaamheden. [Am. 78]

Artikel 13

Aangewezen havens

De in levend gewicht uitgedrukte drempel voor de desbetreffende bestanden die onder het meerjarenplan vallen, bij overschrijding waarvan een vissersvaartuig zijn vangsten overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 in een aangewezen haven of op een plaats dicht bij de kust moet aanlanden, bedraagt:

a)  2 000 kg ansjovis;

b)  2 000 kg sardine.

HOOFDSTUK VI

EVALUATIE

Artikel 14

Evaluatie van het meerjarenplan

Vijf Drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening en daarna om de vijf jaar ziet de Commissie erop toe dat een evaluatie plaatsvindt van de gevolgen van het meerjarenplan voor de onder deze verordening vallende bestanden en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren. De Commissie deelt de resultaten van die evaluatie mee aan het Europees Parlement en de Raad en dient, indien nodig, een voorstel in tot wijziging van deze verordening. [Am. 80]

HOOFDSTUK VII

PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 15

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 neergelegde voorwaarden. [Am. 81]

2.  De in de artikelen 6 en 7 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een termijn van vijf jaar, met ingang van... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 6 en 7 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig de artikelen 6 en 7 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 15 bis

Steun uit het EFMZV

1.  Maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het meerjarenplan te verwezenlijken, worden voor de toepassing van artikel 33, lid 1, onder a) en c), van Verordening (EU) nr. 508/2014 beschouwd als tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten.

2.  In afwijking van artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) nr. 508/2014 bedraagt de maximale duur van de steun tot 31 december 2020 krachtens die verordening negen maanden voor vaartuigen waarop de in deze verordening bedoelde gebieds- en tijdsgebonden sluitingen van toepassing zijn.

3.  Om de uitvoering van lid 2 van dit artikel te garanderen is het in afwijking van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) nr. 508/2014 mogelijk de totale financiële bijdrage uit het EFMZV te verhogen tot boven de in dat artikel vermelde bovengrens van 15 %.

4.  Bij de tenuitvoerlegging van de acties in artikel 30 van Verordening (EU) nr. 508/2014 wordt prioriteit verleend aan vissers die gevolgen ondervinden van de tenuitvoerlegging van de maatregelen in dit meerjarenplan.

5.  Tot en met 31 december 2020 en in afwijking van de tijdslimiet in artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 508/2014, komen vaartuigen die alle visserijactiviteit hebben stopgezet als gevolg van de in deze verordening opgenomen maatregelen om de visserijinspanning te beperken, in aanmerking voor de steun voor definitieve beëindiging als bedoeld in artikel 34 van Verordening (EU) nr. 508/2014. [Am. 82]

HOOFDSTUK VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 16

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Streefreferentiepunten

(als bedoeld in de artikelen 4 en 5) [Am. 86]

Bestand

Streefbandbreedte voor de visserijsterfte die in samenhang is met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY) Streefreferentiepunten voor kleine pelagische soorten

Kolom A

Kolom B

Ansjovis

0,23 – 0,30 SSBpa

0,30 – 0,364 SSBlim

Sardine

0,065 – 0,08

0,08 – 0,11 SSBlim

[Am. 87]

BIJLAGE II

Instandhoudingsreferentiepunten

(als bedoeld in artikel 5)

Bestand

Referentiepunt voor minimale paaibiomassa (ton) (MSY Btrigger)

Referentiepunt voor de grensbiomassa (ton) (Blim)

Kolom A

Kolom B

Ansjovis

139 000

69 500

Sardine

180 000

36 000

[Am. 84]

(1) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 68.
(2)PB C 288 van 31.8.2017, blz. 68.
(3)Standpunt van het Europees Parlement van 13 november 2018.
(4)Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(5) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(6) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(7)Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(8)Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (Middellandse Zeeverordening) (PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6).
(9)Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) – Beoordeling van bestanden in de Middellandse Zee – deel 2 (STECF-11-14).
(10)Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1392/2014 van de Commissie van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde kleine pelagische visserijen in de Middellandse Zee (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 21).
(11)Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij – Kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee. Beoordelingen met betrekking tot de Middellandse Zee, deel 1 (STECF-15-14). 2015. [Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, EUR 27492 EN, JRC 97707, 52 blz.] [The second part of this reference seems to be mistaken. OPOCE, please check.].
(12) Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij – Kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee. Beoordelingen met betrekking tot de Middellandse Zee, deel 1 (STECF-15-14). 2015. [Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, EUR 27492 EN, JRC 97707, 52 blz.] [The second part of this reference seems to be mistaken. OPOCE, please check.].
(13)Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(14) Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).
(15) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(16)Effectbeoordeling… [include reference when published].
(17)Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee (PB L 347 van 30.12.2011, blz. 44).


De rechtsstaat in Roemenië
PDF 135kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over de rechtsstaat in Roemenië (2018/2844(RSP))
P8_TA(2018)0446B8-0522/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de EU‑Verdragen, en in het bijzonder de artikelen 2, 3, 4, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM),

–  gezien de grondwet van Roemenië,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 getiteld "Een nieuw EU‑kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien het debat in het Parlement op 2 februari 2017 over democratie en justitie in Roemenië,

–  gezien het debat in het Parlement op 7 februari 2018 over bedreigingen voor de rechtsstaat naar aanleiding van de hervorming van de Roemeense justitie,

–  gezien het debat in het Parlement op 3 oktober 2018 over de rechtsstaat in Roemenië,

–  gezien de gedachtewisseling op 1 oktober 2018 in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken met Frans Timmermans, eerste vicevoorzitter van de Europese Commissie,

–  gezien de hoorzitting in 22 maart 2017 in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over democratie en justitie in Roemenië,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 24 januari 2018 van voorzitter Juncker van de Commissie en eerste vicevoorzitter Timmermans over de laatste ontwikkelingen in Roemenië,

–  gezien het gezamenlijk advies van de Commissie van Venetië van 16 maart 2018 over het Roemeense wetsontwerp nr. 140/2017 houdende wijziging van regeringsdecreet nr. 26/2000 inzake verenigingen en stichtingen,

–  gezien het gezamenlijk advies van de Commissie van Venetië van 20 oktober 2018 over wijzigingen aan de Roemeense wetten nr. 303/2004 (houdende het statuut van rechters en openbaar aanklagers), nr. 304/2004 (houdende de rechterlijke organisatie), en nr. 317/2004 (houdende de Hoge Raad voor de magistratuur),

–  gezien het advies van de Commissie van Venetië van 20 oktober 2018 over wijzigingen aan het Roemeense wetboek van strafrecht en het Roemeense wetboek van strafvordering, wetten die ook van invloed zijn op wet nr. 78/2000 houdende de preventie, de opsporing en de bestraffing van corruptie, en wet nr. 304/2004 houdende de rechterlijke organisatie,

–  gezien het ad‑hocverslag over Roemenië van 11 april 2018 van de Groep van Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (GRECO),

–  gezien het verslag van de Commissie van 15 november 2017, uitgebracht in het kader van het samenwerkings- en verificatiemechanisme, over vooruitgang in Roemenië,

–  gezien de vaststelling – in december 2017 – door het Roemeense parlement van drie wetten houdende hervorming van justitie, tot wijziging van wet nr. 303/2004 houdende het statuut van rechters en openbaar aanklagers, wet nr. 304/2004 houdende de rechterlijke organisatie, en wet nr. 317/2004 houdende de Hoge Raad voor de magistratuur; gezien de aanneming van wijzigingen aan het wetboek van strafrecht in juni 2018, en aan het wetboek van strafvordering in juli 2018,

–  gezien resolutie nr. 2226/2018 en aanbeveling nr. 2134/2018 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (PACE),

–  gezien de uitspraak van het Roemeense grondwettelijke hof van 20 oktober 2018 dat 64 van de 96 wijzigingen aan het wetboek van strafvordering ongrondwettelijk zijn; gezien de verklaring van het grondwettelijke hof van 25 oktober 2018 dat 30 van de wijzigingen aan het wetboek van strafrecht onverenigbaar zijn met de grondwet,

–  gezien de herhaaldelijke grootschalige demonstraties sinds januari 2017 tegen de corruptie en vóór de rechtsstaat, waaronder het massaprotest 'Diaspora at Home' op 10 augustus 2018 in Boekarest, waar honderden mensen medisch moesten worden behandeld naar aanleiding van het gewelddadige optreden van de politie,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie op de volgende waarden berust: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, en overwegende dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen (artikel 2 VEU);

B.  overwegende dat in artikel 6, lid 3, VEU wordt bevestigd dat de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het EVRM en zoals ze uit de gemeenschappelijke grondwettelijke tradities van de lidstaten voortvloeien, algemene beginselen van het recht van de Unie vormen;

C.  overwegende dat de EU functioneert op grond van de veronderstelling van het wederzijdse vertrouwen dat de lidstaten zich schikken naar democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als vervat in het EVRM en in het Handvest van de grondrechten;

D.  overwegende dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht verankerd is in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en artikel 6 van het EVRM, en dat zij een essentiële vereiste is van het democratische beginsel van de scheiding der machten;

E.  overwegende dat de Groep van Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (GRECO) in haar verslag over Roemenië van april 2018 ernstige bezorgdheid tot uitdrukking heeft gebracht over bepaalde aspecten van de wetten houdende het statuut van rechters en openbaar aanklagers, de rechterlijke organisatie en de Hoge Raad voor de magistratuur zoals vastgesteld door het Roemeense parlement, alsook over aspecten van de ontwerpamendementen op de strafwetgeving; overwegende dat de GRECO vraagtekens plaatst bij het wetgevingsproces, vreest voor de gevolgen voor de rechterlijke onafhankelijkheid en waarschuwt voor een impliciete schending van de anti‑corruptienormen;

F.  overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies nr. 924/2018 van 20 oktober 2018, dat beperkt was tot 'bepaalde, buitengewoon controversiële aspecten van de ontwerpen', concludeert dat 'wordt toegejuicht dat de ontwerpen naar aanleiding van kritiek en een aantal besluiten van het grondwettelijke hof op een aantal punten zijn verbeterd, maar dat ze desalniettemin meerdere belangrijke aspecten hebben die in druk op rechters en openbaar aanklagers zouden kunnen resulteren, en, uiteindelijk, in ondermijning van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en haar leden, waardoor, in combinatie met de regelingen voor vervroegde pensionering, de doeltreffendheid en de kwaliteit ervan zouden kunnen worden aangetast, met negatieve gevolgen voor de bestrijding van corruptie', en stelt dat het aannemelijk is dat die aspecten tot 'ondermijning van het publieke vertrouwen in de rechterlijke macht' zullen leiden(1);

G.  overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies nr. 930/2018 van 20 oktober 2018 concludeert dat het 'noodzakelijk en geëigend was dat het Roemeense parlement de strafwetboeken heeft hervormd om uitvoering te geven aan besluiten van het grondwettelijke hof en ter zaken doende richtlijnen van de EU', en dat veel van de wijzigingen 'een significante negatieve invloed zullen hebben op de doeltreffendheid van het Roemeense strafrechtsysteem wat de aanpak betreft van de zware criminaliteit, waaronder corruptiegerelateerde misdrijven, gewelddadige misdrijven en de georganiseerde criminaliteit'(2);

H.  overwegende dat de Commissie van Venetië in haar gezamenlijk advies nr. 914/2018 van 16 maart 2018 toejuicht dat 'de initiatiefnemers van de ontwerpwet tijdens de bijeenkomsten in Boekarest hebben aangegeven bereid te zijn een aantal aspecten van de ontwerpwet te wijzigen', en de Roemeense autoriteiten oproept rekening te houden met haar voornaamste aanbeveling, namelijk dat 'de nieuwe verslagleggings- en openbaarmakingsvereisten als bedoeld in de ontwerpwet, inclusief de sancties, in concreto het opschorten van activiteiten en ontbinding in het geval van niet-naleving, overduidelijk onnodige en onevenredig zijn, en moeten worden ingetrokken', en aangeeft dat de gedetailleerde publicatie van financiële verslagen elke zes maanden en de vermelding van de inkomstenbron, ongeacht het bedrag, in combinatie met de sanctie van ontbinding een 'ontmoedigend effect op het maatschappelijk middenveld' zal hebben en botst met het beginsel van vrijheid van vereniging en het recht op eerbiediging van het privéleven(3);

I.  overwegende dat de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa Roemenië heeft opgeroepen de onlangs gepresenteerde wetsontwerpen houdende aanvullende financiële verslagleggingsverplichtingen voor ngo's te verwerpen, ze te wijzigen in overeenstemming met de aanbevelingen van de Commissie van Venetië en het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR), en ze pas vast te stellen na een brede openbare raadpleging(4);

J.  overwegende dat de Commissie Roemenië op 19 juli 2018 naar het Europees Hof van Justitie heeft verwezen vanwege het niet in het nationale recht omzetten van de vierde antiwitwasrichtlijn; overwegende dat het Roemeense parlement op 24 oktober 2018 goedkeuring heeft gehecht aan het 'wetsontwerp ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering';

K.  overwegende dat er al langer een debat wordt gevoerd over de rol van de Roemeense inlichtingendienst (SRI) en de vermeende bemoeienis van deze dienst met de activiteiten van de Roemeense justitie, waarbij onduidelijk is hoe groot deze bemoeienis is en welke vorm deze precies heeft; overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies van 20 oktober 2018 concludeert dat 'een grondige toetsing van de wettelijke regels inzake het toezicht op de inlichtingendiensten nodig lijkt;

L.  overwegende dat in mei 2016 een petitie is gestart voor het herzien van de Roemeense grondwet, met het oog op het beperken van de definitie van gezin tot een huwelijk tussen een man en een vrouw; overwegende dat talrijke mensenrechtengroeperingen de bezorgdheid hebben geuit dat dit voorstel tot aantasting van de internationale mensenrechtennormen en tot meer homofobe discriminatie in Roemenië zou kunnen leiden; overwegende dat de herziening in het parlement met een tweederdemeerderheid is goedgekeurd; overwegende dat aan het desbetreffende referendum niet door de vereiste 30 % van de kiesgerechtigden is deelgenomen;

M.  overwegende dat Roemenië in het rapport "Jaarlijkse Evaluatie van de mensenrechtensituatie van LGBTI-mensen in Europa 2018" van de Europese afdeling van de International Gay and Lesbian Association (ILGA-Europe) 25e is van de 28 lidstaten van de EU wat betreft wetgeving betreffende, haatuitingen tegen en discriminatie van LGBTI-mensen;

N.  overwegende dat de Europese Unie zich ertoe heeft verbonden de vrijheid en pluriformiteit van de media te beschermen, alsook het recht op informatie en de vrijheid van meningsuiting; overwegende dat "klokkenluiden" een essentieel onderdeel van onderzoeksjournalistiek en persvrijheid vormt, en dat, volgens de mededeling van de Commissie van 23 april 2018 over versterking van de bescherming van klokkenluiders op EU-niveau (COM(2018)0214), in de meeste lidstaten klokkenluiders slechts in zeer eng gedefinieerde situaties bescherming genieten; overwegende dat de openbare rol van de media als waakhond essentieel is voor de handhaving van deze rechten en de bescherming van alle andere grondrechten;

O.  overwegende dat Verslaggevers zonder Grenzen de aandacht heeft gevestigd op de pogingen om de Roemeense media tot politieke propaganda-instrumenten om te vormen, en zijn bezorgdheid heeft geuit over de politieke censuur in de media(5);

P.  overwegende dat in artikel 12 van het Handvest van de grondrechten staat dat eenieder recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging op alle niveaus, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied;

Q.  overwegende dat de berichten over het gewelddadige ingrijpen door de Roemeense politie tijdens de demonstraties op 10 augustus 2018 tot grote vraagtekens leiden omtrent de evenredigheid van het gebruikte geweld en de inbreuken op de grondrechten van de demonstranten, resulterend in lopende onderzoeken door de Roemeense wetshandhavingsautoriteiten;

R.  overwegende dat corruptie onverminderd een uitdaging is in de EU; overwegende dat de aard en de omvang van corruptie van lidstaat tot lidstaat mogen verschillen, maar dat de EU als zodanig én haar economieën en samenlevingen er schade door ondervinden, en dat corruptie de economische ontwikkeling belemmert, de democratie ondermijnt en de rechtsstaat aantast;

S.  overwegende dat de hoofdaanklager van het nationale anticorruptiedirectoraat (DNA) op 9 juli 2018 uit zijn functie is ontheven, in weerwil van het advies van de Nationale Raad voor Justitie na een uitspraak van het grondwettelijke hof houdende inperking van de bevoegdheden van de president; overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies van 20 oktober 2018 daarentegen aangeeft dat het juist belangrijk is 'de onafhankelijkheid van aanklagers te versterken en de rol van instituties als de president en de Hoge Raad van de magistratuur in stand te houden en te vergroten, als tegenwicht tegen de invloed van de minister (van Justitie); overwegende dat de minister van Justitie op 24 oktober 2018 om het ontslag van de baas van het Openbaar Ministerie heeft gevraagd op beschuldiging van het overschrijden van zijn bevoegdheden;

1.  benadrukt dat het van fundamenteel belang is te waarborgen dat de in artikel 2 VEU opgesomde gemeenschappelijke Europese waarden volledig worden geëerbiedigd en dat de grondrechten zoals die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden gewaarborgd;

2.  maakt zich grote zorgen over de herziene wetgeving houdende de Roemeense justitiële en strafwetgeving, en met name over het gevaar dat deze de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en het vermogen om de corruptie in Roemenië doeltreffend aan te pakken, structureel zou kunnen ondermijnen en de rechtsstaat zou kunnen verzwakken;

3.  veroordeelt het geweld en het onevenredige karakter van het ingrijpen door de politie tijdens de demonstraties in Boekarest in augustus 2018; verzoekt de Roemeense autoriteiten erop toe te zien dat er een transparant, onpartijdig en doeltreffend onderzoek komt naar het optreden van de oproerpolitie;

4.  verzoekt de Roemeense autoriteiten waarborgen te creëren voor een transparante en legale basis voor institutionele samenwerking, en om inmenging, waarmee het beginsel van de scheiding der machten wordt omzeild, te vermijden; dringt aan op versterking van het parlementaire toezicht op de inlichtingendiensten;

5.  verzoekt de Roemeense autoriteiten met klem geen maatregelen te nemen die corruptie bij officiële contacten decriminaliseren, en de nationale anticorruptiestrategie ten uitvoer te leggen;

6.  beveelt met klem aan de wetgeving inzake de financiering, de organisatie en de werking van ngo's nog eens tegen het licht te houden gezien het in potentie intimiderende effect ervan op het maatschappelijk middenveld en het feit dat deze haaks staat op het beginsel van de vrijheid van vereniging en het recht op privacy; is van oordeel dat deze wetgeving volledig in overeenstemming moet worden gebracht met het EU‑kader;

7.  verzoekt het Roemeense parlement en de Roemeense regering met klem alle aanbevelingen van de Commissie, GRECO en de Commissie van Venetië onverkort op te volgen en zich te onthouden van hervormingen die de eerbiediging van de rechtsstaat, waaronder de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, in gevaar kunnen brengen; dringt aan op een permanente dialoog met het maatschappelijk middenveld, en benadrukt dat de hierboven bedoelde kwesties middels een transparant en inclusief proces moeten worden aangepakt; dringt erop aan de bedoelde wetgevingsmaatregelen voordat ze definitief worden vastgesteld proactief aan de Commissie van Venetië voor te leggen voor beoordeling;

8.  dringt er bij de Roemeense regering op aan samen te werken met de Commissie overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking als vastgelegd in het Verdrag;

9.  betuigt nogmaals zijn spijt dat de Commissie heeft besloten het EU‑corruptiebestrijdingsverslag niet te publiceren in 2017 en verzoekt de Commissie met klem haar jaarlijkse toezicht op corruptiebestrijding in alle lidstaten onverwijld te hervatten; verzoekt de Commissie een systeem van strikte indicatoren en gemakkelijk toepasbare, uniforme criteria te ontwikkelen om de omvang van de corruptie in de lidstaten te meten en hun anticorruptiebeleid te evalueren, overeenkomstig de resolutie van het Parlement van 8 maart 2016 over het jaarverslag 2014 over de bescherming van de financiële belangen van de EU(6);

10.  dringt met klem aan op een regelmatig, stelselmatig en objectief proces van toezicht op en dialoog met alle lidstaten, teneinde de fundamentele waarden van de EU, namelijk democratie, grondrechten en de rechtstaat, te waarborgen, een proces waarbij de Raad, de Commissie en het Parlement worden betrokken, zoals voorgesteld in zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de instelling van een EU‑mechanisme voor democratie, rechtstaat en grondrechten (het DRF‑pact)(7); herhaalt dat dit mechanisme moet bestaan uit een jaarverslag met landenspecifieke aanbevelingen(8);

11.  verzoekt de Commissie, als hoedster van de Verdragen, de follow-up van de aanbevelingen door de Roemeense autoriteiten te monitoren, en Roemenië haar volledige ondersteuning te blijven bieden bij het vinden van adequate oplossingen;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de president van Roemenië.

(1) Advies nr. 924/2018 van de Commissie van Venetië van 20 oktober 2018 (CDL‑AD(2018)017).
(2) Advies nr. 930/2018 van de Commissie van Venetië van 20 oktober 2018 (CDL‑AD(2018)021).
(3) Gezamenlijk advies nr. 914/2018 van de Commissie van Venetië van 16 maart 2018 (CDL‑AD(2018)004).
(4) Resolutie nr. 2226/2018 en aanbeveling nr. 2134/2018 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.
(5) https://rsf.org/en/romania
(6) PB C 50 van 9.2.2018, blz. 2.
(7) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.
(8) Zie: resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2016 over de situatie op het gebied van de grondrechten in de Europese Unie in 2015 (PB C 238 van 6.7.2018, blz. 2).


Minimumnormen voor minderheden in de EU
PDF 182kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over minimumnormen voor minderheden in de EU (2018/2036(INI))
P8_TA(2018)0447A8-0353/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 10, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(1) (richtlijn inzake rassengelijkheid),

–  gezien de criteria van Kopenhagen en het geheel van EU‑regels waaraan een kandidaat-lidstaat moet voldoen als hij wil toetreden tot de Unie (het acquis),

–  gezien de VN-Verklaring inzake de rechten van personen behorend tot nationale, etnische, godsdienstige of taalkundige minderheden en de VN‑Verklaring over de rechten van inheemse volkeren,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die in 1948 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien de op 1 november 2005 door de Algemene Vergadering aangenomen VN‑resolutie A/RES/60/7 over de herdenking van de Holocaust,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de protocollen daarbij, in het bijzonder Protocol nr. 12 betreffende non-discriminatie,

–  gezien het verslag over de grondrechten 2018 en de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU‑MIDIS II) van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA),

–  gezien het VN‑Verdrag over de rechten van personen met een handicap, en het op 13 december 2006 aangenomen facultatief protocol daarbij (A/RES/61/106),

–  gezien het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden,

–  gezien Resolutie 1985 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de situatie en rechten van nationale minderheden in Europa, aangenomen in 2014,

–  gezien Resolutie 2153 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de bevordering van de inclusie van Roma en Travellers, aangenomen in 2017,

–  gezien Resolutie 2196 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de bescherming en bevordering van regionale of minderheidstalen in Europa, aangenomen in 2018,

–  gezien Resolutie 424 van het Congres van Lokale en Regionale Overheden van de Raad van Europa over regionale en minderheidstalen in het Europa van vandaag, aangenomen in 2017,

–  gezien Aanbeveling 1201 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa voor een aanvullend protocol inzake de rechten van minderheden bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, vastgesteld in 1993,

–  gezien de op 1 februari 2012 aangenomen verklaring van het Comité van Ministers van de Raad van Europa over de toename van zigeunerhaat en racistisch geweld tegenover Roma in Europa,

–  gezien richtsnoer nr. 5 over de betrekkingen tussen de Raad van Europa en de Europese Unie, vastgesteld op de derde Top van staatshoofden en regeringsleiders van de Raad van Europa in Warschau op 16 en 17 mei 2005,

–  gezien het document van Kopenhagen uit 1990 van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de vele thematische aanbevelingen en richtsnoeren over minderheidsrechten, uitgegeven door de Hoge Commissaris van de OVSE inzake nationale minderheden en het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten,

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over de bescherming en non-discriminatie ten aanzien van minderheden in de EU‑lidstaten(2),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2017 over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat(3),

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(4),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de Internationale Dag van de Roma – zigeunerhaat en de erkenning door de EU van de herdenkingsdag van de genocide op Roma tijdens WO II(6),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(7),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2005 over de bescherming van minderheden en maatregelen ter bestrijding van discriminatie in een uitgebreid Europa(8),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2017 over het verslag over het EU‑burgerschap 2017: versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering(9),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(10),

–  gezien de uitspraken en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), met name zaak T‑646/13 (Minority SafePack – one million signatures for diversity in Europe/Europese Commissie) en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

–  gezien de verslagen en onderzoeken van het FRA, zoals het verslag over respect voor en bescherming van personen die tot minderheden behoren 2008‑2010, alsook andere relevante verslagen van nationale, Europese en internationale organisaties en ngo's ter zake,

–  gezien de werkzaamheden en bevindingen van de Intergroep voor traditionele minderheden, nationale gemeenschappen en talen van het Europees Parlement,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8‑0353/2018),

A.  overwegende dat de rechten van personen die tot minderheden behoren integraal deel uitmaken van de mensenrechten, die universeel, ondeelbaar en onafhankelijk zijn; overwegende dat de bescherming en de bevordering van de rechten van minderheden van essentieel belang zijn voor vrede, veiligheid en stabiliteit, alsook voor het bevorderen van verdraagzaamheid, wederzijds respect, begrip en samenwerking tussen alle personen die op een bepaald grondgebied wonen;

B.  overwegende dat de EU een mozaïek is van culturen, talen, religies, tradities en geschiedenis, waardoor zij een gemeenschap vormt van diverse burgers die door hun gemeenschappelijke kernwaarden worden verenigd; overwegende dat de rijkdom van Europa geen vanzelfsprekendheid is en moet worden beschermd en gekoesterd;

C.  overwegende dat ongeveer 8 % van alle EU-burgers tot een nationale minderheid behoort en dat ongeveer 10 % een regionale of minderheidstaal spreekt; overwegende dat aanhoudende intimidatie, discriminatie – met inbegrip van meervoudige en intersectionele discriminatie – en geweld mensen belemmeren om ten volle hun fundamentele rechten en vrijheden te genieten en hun gelijke participatie in de samenleving ondermijnen;

D.  overwegende dat er door middel van de bescherming van de rechten van personen die tot minderheden behoren kan worden bijgedragen aan het opbouwen van een duurzame toekomst voor Europa en aan het waarborgen van de eerbiediging van de beginselen van waardigheid, gelijkheid en non‑discriminatie; overwegende dat de voordelen hiervan niet beperkt blijven tot minderheden, omdat deze bescherming en bevordering iedereen stabiliteit, economische ontwikkeling en welvaart zal brengen;

E.  overwegende dat de term "personen die tot minderheden behoren" in het Verdrag van Lissabon in het primaire EU‑recht is geïntroduceerd, de eerste expliciete verwijzing ooit in de geschiedenis van het EU‑recht; overwegende dat artikel 2 VEU bepaalt dat "[d]e waarden waarop de Unie berust [...] eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten [zijn], waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren", en dat de lidstaten "[d]eze waarden [...] gemeen [hebben] in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, nondiscriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen"; terwijl alle lidstaten deze waarden gemeen hebben en dat deze waarden door de EU en door elke lidstaat afzonderlijk in alle interne en externe beleidsmaatregelen consequent moeten worden geëerbiedigd en actief moeten worden bevorderd; overwegende dat deze rechten dezelfde behandeling verdienen als de andere in de Verdragen verankerde rechten;

F.  overwegende dat in de EU‑Verdragen, in navolging van het internationaal recht in dit verband, het begrip "minderheden" niet wordt gedefinieerd; overwegende dat in artikel 17 VEU is bepaald dat de Commissie toeziet op de toepassing van de Verdragen;

G.  overwegende dat in artikel 19 VWEU wordt bepaald dat de Raad met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, na goedkeuring door het Europees Parlement, passende maatregelen kan nemen om discriminatie te bestrijden;

H.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het begrip "nationale minderheden" tot een EU‑rechtsterm heeft gemaakt; overwegende dat in artikel 21 van het Handvest nadrukkelijk wordt onderstreept dat discriminatie verboden is; overwegende dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van de grondrechten van degenen die zich in de kwetsbaarste situaties bevinden;

I.  overwegende dat, bij de omschrijving van het burgerschap van de Unie, artikel 9 VEU uitdrukkelijk vermeldt dat de Unie het beginsel eerbiedigt van gelijkheid van haar burgers, die gelijke aandacht genieten van haar instellingen, organen en instanties;

J.  overwegende dat het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden een definitie van minderheden (FCNM) en het taalhandvest grote verwezenlijkingen zijn van het internationale systeem voor de bescherming van minderheden, alsook belangrijke internationale hulpmiddelen voor normering voor de staten die partij zijn; overwegende dat het effect van deze overeenkomsten in wordt verzwakt door een traag ratificatieproces, de door de partijen aangetekende bezwaren en een gebrek aan controlebevoegdheden, waardoor ze zijn overgeleverd aan de goodwill van de staten; merkt op dat de stelselmatige niet-uitvoering van uitspraken, besluiten en aanbevelingen ook tot een normalisering van de niet‑naleving van de twee internationale instrumenten leidt;

K.  overwegende dat bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke Europese minimumnormen ter bescherming van de rechten van personen die tot een minderheid behoren rekening moet worden gehouden met beste praktijken die al in de lidstaten worden toegepast, zoals in Italië (Alto Adige/Zuid-Tirol) of Duitsland (Sleeswijk-Holstein);

L.  overwegende dat de rechten van personen die tot minderheden behoren door multilaterale en bilaterale internationale overeenkomsten worden gewaarborgd en in de grondwettelijke stelsels van tal van lidstaten zijn verankerd, en dat de eerbiediging ervan een belangrijke eerste vereiste is ter beoordeling van de rechtsstaat;

M.  overwegende dat de richtlijn inzake rassengelijkheid een belangrijke wettelijke maatregel vormt voor het bestrijden van discriminatie op grond van etnische afstamming of ras; overwegende dat een aantal lidstaten deze richtlijn nog steeds niet volledig ten uitvoer heeft gelegd; overwegende dat in artikel 5 van de richtlijn is bepaald dat, om volledige gelijkheid te waarborgen, het beginsel van gelijke behandeling niet belet dat een lidstaat specifieke maatregelen handhaaft of aanneemt om nadelen die verband houden met ras of etnische afstamming te voorkomen of te compenseren;

N.  overwegende dat het in 2000 vastgestelde motto van de Europese Unie "In verscheidenheid verenigd" is, waarmee de nadruk wordt gelegd op respect voor verscheidenheid als een van de fundamentele waarden van de Europese Unie;

O.  overwegende dat de criteria van Kopenhagen deel uitmaken van de EU‑toetredingscriteria; overwegende dat er in een van de drie criteria van Kopenhagen duidelijk wordt vereist dat landen democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de eerbiediging en bescherming van minderheden garanderen; overwegende dat er geen verdere monitoring van de rechten van minderheden plaatsvindt nadat een kandidaat-lidstaat tot de EU is toegetreden;

P.  overwegende dat de ervaring heeft geleerd dat kandidaat-lidstaten meer bereid zijn te voldoen aan de criteria van Kopenhagen; overwegende dat, als gevolg van het ontbreken van een passend kader om ervoor te zorgen dat na toetreding aan deze criteria wordt voldaan, lidstaten in grote mate kunnen terugkrabbelen nadat zij tot de EU zijn toegetreden; overwegende dat de EU op het niveau van de Unie nog steeds niet over gemeenschappelijke normen beschikt voor de bescherming van minderheden in de lidstaten;

Q.  overwegende dat de Unie momenteel slechts beperkt doeltreffende hulpmiddelen heeft om te reageren op systematische en institutionele uitingen van discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat; overwegende dat er, ondanks de vele oproepen aan de Commissie, slechts in beperkte mate stappen zijn gezet om te zorgen voor een doeltreffende bescherming van personen die tot minderheden behoren;

R.  overwegende dat er krachtige rechtsstatelijkheidsmechanismen en -processen moeten worden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat de beginselen en waarden van het Verdrag overal in de Unie worden nageleefd; overwegende dat de eerbiediging van de rechten van personen die tot minderheden behoren een wezenlijk onderdeel van deze waarden is; overwegende dat er sprake moet zijn van doeltreffende mechanismen om de resterende lacunes op te vullen; overwegende dat dergelijke mechanismen op feiten gebaseerd, objectief en niet-discriminerend moeten zijn, de beginselen van subsidiariteit, noodzakelijkheid en evenredigheid moeten eerbiedigen, in gelijke mate van toepassing moeten zijn op de lidstaten en de instellingen van de Unie en moeten worden gebaseerd op een trapsgewijze aanpak die zowel een preventief als een corrigerend onderdeel omvat; overwegende dat het Parlement in dit verband zijn steun heeft uitgesproken in zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU‑mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, en dat dit centraal zou kunnen staan in een gecoördineerde Europese benadering op het gebied van governance, iets wat momenteel ontbreekt;

S.  overwegende dat talen integraal deel uitmaken van de Europese identiteit en de meest directe uitdrukking van cultuur zijn; overwegende dat de eerbiediging van taalkundige verscheidenheid een fundamentele waarde van de EU is, zoals vastgelegd in bijvoorbeeld artikel 22 van het Handvest en de preambule van het VEU, waarin het volgende staat vermeld: "geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat";

T.  overwegende dat taalkundige verscheidenheid een belangrijk onderdeel is van de culturele rijkdom van een regio; overwegende dat veertig tot vijftig miljoen mensen in de EU een van haar zestig regionale en minderheidstalen spreken, waarvan sommige ernstig in het gedrang komen; overwegende dat de achteruitgang van minderheidstalen in heel Europa merkbaar is; overwegende dat door kleine gemeenschappen gesproken talen die geen officiële status hebben nog meer het risico lopen te verdwijnen;

U.  overwegende dat naar schatting een op de duizend personen een nationale gebarentaal als eerste taal gebruikt; overwegende dat deze talen een officiële status moeten krijgen toegekend;

V.  overwegende dat in inclusieve samenlevingen zowel individuele identiteit als nationale identiteit belangrijk zijn en zij elkaar niet uitsluiten; overwegende dat de nationale wetgevingssystemen van de lidstaten belangrijke leemten ten aanzien van minderheden en een geringe mate van harmonisatie en symmetrie bevatten;

W.  overwegende dat het culturele erfgoed van Europa rijk en verscheiden is; overwegende dat cultureel erfgoed de individuele levens van burgers verrijkt; overwegende dat artikel 3 VEU bevestigt dat "de Unie [...] haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal [eerbiedigt] en [toeziet] op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed"; overwegende dat personen die behoren tot minderheden die al eeuwenlang in Europa leven, bijdragen aan dit rijke, unieke en diverse erfgoed en integraal onderdeel zijn van de Europese identiteit;

X.  overwegende dat tussen de lidstaten grote verschillen bestaan waar het de erkenning van minderheden en de eerbiediging van hun rechten betreft; overwegende dat minderheden in de EU nog steeds te kampen hebben met geïnstitutionaliseerde discriminatie en denigrerende stereotypen, en dat zelfs hun verworven rechten vaak worden ingeperkt of selectief worden toegepast;

Y.  overwegende dat er een verschil is tussen bescherming van minderheden en antidiscriminatiebeleid; overwegende dat non-discriminatie niet toereikend is om assimilatie een halt toe te roepen; overwegende dat effectieve gelijkheid verder gaat dan afzien van discriminatie en inhoudt dat de uitoefening van de rechten van minderheden wordt gewaarborgd, zoals het recht op identiteit, taalgebruik en onderwijs, culturele en burgerrechten enz. op het niveau van de meerderheid;

Z.  overwegende dat de toename van xenofoob geweld en haatzaaiende uitingen in de Europese Unie, vaak bevorderd door extreemrechtse krachten, tot minderheden behorende personen treft en tot doelwit heeft;

AA.  overwegende dat tot minderheden behorende EU‑burgers verwachten dat er op Europees niveau meer wordt gedaan voor de bescherming van hun rechten, zoals blijkt uit het grote aantal bij het Europees Parlement ingediende verzoekschriften ter zake;

AB.  overwegende dat het Europese burgerinitiatief "Minority SafePack" 1 215 879 handtekeningen in de hele EU heeft opgebracht, hetgeen de wil aantoont van deze EU‑burgers om het wetgevingskader voor minderheidsbeleid op EU‑niveau te versterken;

AC.  overwegende dat er veel ruimte voor verbetering is wat betreft de manier waarop effectief uitvoering wordt gegeven aan de bescherming van de rechten van minderheden in de EU; overwegende dat de legitimiteit van de democratische instellingen is gestoeld op de participatie en vertegenwoordiging van alle groepen in de samenleving, met inbegrip van personen die tot minderheden behoren;

1.  wijst er nogmaals op dat de lidstaten verplicht zijn te waarborgen dat minderheden hun mensenrechten ten volle kunnen uitoefenen, zowel individueel als in gemeenschap;

2.  herinnert eraan dat er, hoewel de bescherming van minderheden een onderdeel vormt van de criteria van Kopenhagen, voor zowel de kandidaat-lidstaten als de lidstaten geen garantie bestaat dat kandidaat-lidstaten zich, zodra zij lidstaten worden, zullen houden aan de toezeggingen die zijn gedaan in het kader van de criteria van Kopenhagen;

3.  merkt op dat het de EU nog steeds aan doeltreffende hulpmiddelen ontbreekt om de naleving van de rechten van minderheden te monitoren en te handhaven; betreurt dat de EU met betrekking tot de bescherming van minderheden ofwel uitgaat van het standpunt dat de lidstaten de rechten van minderheden eerbiedigen, ofwel vertrouwt op externe monitoringinstrumenten, zoals die van de VN, de Raad van Europa of de OVSE;

4.  merkt op dat de naleving van de criteria van Kopenhagen, waartoe de lidstaten vóór en na hun toetreding tot de EU gehouden zijn, voortdurend gemonitord moet worden en het voorwerp moet zijn van een voortdurende dialoog tussen het Parlement, de Commissie en de Raad; benadrukt de noodzaak van een alomvattend EU‑systeem voor de bescherming van minderheden in combinatie met een solide monitoringmechanisme;

5.  herinnert eraan dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, VEU als hoedster van de Verdragen gerechtigd en bevoegd is erop toe te zien dat de lidstaten de rechtsstaat en andere waarden van artikel 2 VEU eerbiedigen; is derhalve van oordeel dat de maatregelen die de Commissie neemt om deze taak uit te voeren en om erop toe te zien dat er nog altijd wordt voldaan aan de voorwaarden zoals die waren voordat de lidstaten tot de Unie toetraden, geen schending van de soevereiniteit van de lidstaten vormen;

6.  herinnert eraan dat volgens bestaande internationale normen elke lidstaat het recht heeft een definitie te geven van tot een nationale minderheid behorende personen;

7.  herinnert eraan dat er geen gemeenschappelijke EU‑norm voor rechten van minderheden in het EU‑beleid bestaat, noch een gemeenschappelijke opvatting over wie als persoon behorend tot een minderheid kan worden beschouwd; merkt op dat er noch in de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen behorend tot nationale, etnische, godsdienstige of taalkundige minderheden, noch in het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden (FCNM) een definitie van minderheden staat; onderstreept dat alle nationale of etnische, religieuze en taalkundige minderheden moeten worden beschermd, ongeacht de definitie, en benadrukt dat elke definitie op flexibele wijze moet worden toegepast, aangezien de opneming van begunstigden in de bescherming van de rechten van minderheden vaak de facto deel uitmaakt van een evolutionair proces dat uiteindelijk tot formele erkenning kan leiden; beveelt aan dat, met betrekking tot de beginselen van subsidiariteit, evenredigheid en non‑discriminatie, de definitie van een "nationale minderheid" moet worden gebaseerd op de definitie die is neergelegd in Aanbeveling 1201 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (1993) voor een aanvullend protocol inzake de rechten van minderheden bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, waarin een "nationale minderheid" wordt omschreven als een groep personen in een land die

   op het grondgebied van dat land verblijven en burgers daarvan zijn;
   al lange tijd een solide, duurzame band met dat land hebben;
   specifieke kenmerken vertonen op etnisch, cultureel, religieus of taalgebied;
   voldoende representatief zijn, hoewel kleiner in aantal dan de rest van de bevolking van dat land of een regio in daarvan;
   en streven naar de instandhouding van hun gemeenschappelijke identiteit, met inbegrip van hun cultuur, tradities, godsdienst of taal;

8.  herinnert aan richtsnoer nr. 5 over de betrekkingen tussen de Raad van Europa en de Europese Unie, vastgesteld door de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Raad van Europa in Warschau op 16 en 17 mei 2005, waarin wordt gesteld dat de Europese Unie ernaar streeft om binnen haar bevoegdheid die aspecten van de verdragen van de Raad van Europa om te zetten in recht van de Europese Unie;

9.  merkt op dat delen van de bepalingen van het FCNM en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (het "taalhandvest") onder de bevoegdheden van de EU vallen en herinnert aan de conclusie van het FRA dat hoewel de Unie geen algemene wetgevende bevoegdheid heeft om te beslissen over de bescherming van nationale minderheden als zodanig, zij uitspraak kan doen over tal van kwesties die van invloed zijn op personen die tot nationale minderheden behoren;

10.  is van mening dat er behoefte is aan een wetgevingsvoorstel inzake minimumnormen voor de bescherming van minderheden in de EU, na een passende effectbeoordeling en overeenkomstig de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid die van toepassing zijn op de lidstaten, om de situatie van minderheden te verbeteren en de reeds bestaande rechten in alle lidstaten te beschermen, waarbij dubbele normen worden vermeden; is van mening dat deze normen, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, gebaseerd moeten zijn op de reeds in internationale rechtsinstrumenten neergelegde normen en stevig verankerd moeten zijn in een juridisch kader dat garant staat voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten in de hele EU en gepaard gaat met een goed functionerend monitoringmechanisme; verzoekt de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat hun rechtsstelsels waarborgen dat personen die tot een minderheid behoren niet worden gediscrimineerd, en om gerichte beschermingsmaatregelen te nemen en ten uitvoer te leggen;

11.  herinnert eraan dat de bescherming van de rechten van minderheden deel uitmaakt van het voorstel voor de sluiting van een EU‑Pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (EU‑Pact voor DRG); herinnert in dit verband aan het verzoek van het Parlement in zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de instelling van een EU‑mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten, en herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen voor de sluiting van een EU‑Pact voor DRG; verzoekt de Commissie de rechten van minderheden op te nemen in alle mogelijke onderdelen van het EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten;

12.  moedigt de Commissie aan een orgaan op het niveau van de Unie op te richten (binnen de bestaande structuren of als afzonderlijk orgaan) voor de erkenning en bescherming van minderheden in de EU;

13.  is ingenomen met de succesvolle registratie en verzameling van handtekeningen in het kader van het Europees burgerinitiatief getiteld "Minority SafePack", waarin wordt opgeroepen tot een Europees kader voor de bescherming van minderheden; moedigt de Commissie aan te onderzoeken op welke manieren de belangen en behoeften van minderheden in de toekomst beter kunnen worden vertegenwoordigd op EU‑niveau;

14.  moedigt de lidstaten en de Commissie aan het recht van personen die tot minderheden behoren te beschermen met betrekking tot het behoud, de bescherming en de ontwikkeling van hun eigen identiteit en de nodige stappen te ondernemen om effectieve deelname van minderheden aan het maatschappelijke, economische, culturele en openbare leven te bevorderen;

15.  wijst er nogmaals op dat toegang tot EU‑burgerschap wordt verkregen middels de nationaliteit van een lidstaat, hetgeen geregeld is door nationale wetgeving; benadrukt nogmaals dat de lidstaten in verband met de toegang tot nationaal burgerschap moeten uitgaan van de beginselen van het Unierecht, zoals evenredigheid en non-discriminatie, die beide goed zijn uitgewerkt in de jurisprudentie van het HvJ‑EU; wijst er nogmaals op dat artikel 20 VWEU bepaalt dat eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, ook burger van de Unie is, met de rechten en plichten die bij de Verdragen en het Handvest zijn bepaald; benadrukt nogmaals dat volgens de Verdragen elke EU‑burger gelijke aandacht moet genieten van de EU‑instellingen;

16.  geeft nogmaals uiting aan zijn grote bezorgdheid over het aantal staatloze Roma in Europa, een situatie die leidt tot de volledige ontkenning van hun toegang tot sociale, onderwijs- en gezondheidsdiensten en hen drijft naar de marges van de samenleving; verzoekt de lidstaten staatloosheid af te schaffen en ervoor te zorgen dat iedereen de fundamentele mensenrechten kan uitoefenen;

17.  moedigt de lidstaten aan doeltreffende maatregelen te nemen om alle belemmeringen weg te nemen voor de toegang tot het gezondheidszorgstelsel voor personen die tot minderheden behoren; merkt op dat minderheidsgroepen minder toegang hebben tot gezondheidsdiensten en ‑informatie; moedigt de Commissie en de lidstaten aan ervoor te zorgen dat minderheden toegang hebben tot zowel lichamelijke als geestelijke gezondheidszorg, zonder discriminatie;

18.  verzoekt de Europese Unie toe te treden tot het FCNM en het taalhandvest en verzoekt de lidstaten deze documenten te ratificeren; verzoekt hen de beginselen die in deze documenten zijn vastgelegd, te eerbiedigen; verzoekt de lidstaten en de Commissie af te zien van handelingen die indruisen tegen die beginselen; benadrukt dat de instellingen en de lidstaten minimumnormen voor minderheden in de EU in het leven moeten roepen en zich moeten onthouden van het aannemen van wetten en bestuurlijke maatregelen die de rechten van personen die tot minderheden behoren verzwakken of daaraan afbreuk doen;

19.  bevestigt nogmaals dat inheemse volkeren bij de uitoefening van hun rechten vrij moeten zijn van alle vormen van discriminatie en recht moeten hebben op de waardigheid en verscheidenheid van hun cultuur, tradities, geschiedenis en ambities die naar behoren in onderwijs en publieke voorlichting tot uiting moeten komen; moedigt de lidstaten die dit nog niet gedaan hebben aan om het Verdrag betreffende inheemse en in stamverband levende volken (Verdrag nr. 169 van de IAO) te ratificeren en te goeder trouw ten uitvoer te leggen;

20.  is van mening dat er gemeenschappelijke en Europese minimumnormen moeten worden ontwikkeld voor de bescherming van de rechten van personen die tot minderheden behoren en dat dit moet gebeuren volgens de procedurele beginselen van goed nabuurschap en vriendschappelijke betrekkingen, waarbij wordt gezorgd voor samenwerking tussen de lidstaten en tussen lidstaten en landen van het nabuurschap, op basis van de tenuitvoerlegging van internationale standaarden en normen; is van mening dat de vaststelling van gemeenschappelijke Europese minimumnormen de reeds bestaande rechten en normen ter bescherming van personen die tot minderheden behoren, niet mag inperken; herinnert eraan dat de vastgestelde toezeggingen en beginselen die zijn ontwikkeld door de OVSE, met name in het kader van haar thematische aanbevelingen en richtsnoeren, ten uitvoer moeten worden gelegd; herinnert eraan dat de Commissie in het kader van de criteria van Kopenhagen al rekening heeft gehouden met deze normen tijdens de toetredingsonderhandelingen; verzoekt de Commissie in dit verband voor alle EU-lidstaten dezelfde normen te hanteren;

21.  benadrukt dat beleidsmaatregelen ter bestrijding van discriminatie alleen niet voldoende zijn om de problemen op te lossen waarmee minderheden te kampen hebben en hun assimilatie niet voorkomen; merkt op dat personen die tot minderheden behoren zich in een speciale categorie bevinden wat betreft het verhaalsrecht en specifieke behoeften hebben waaraan moet worden voldaan om volledige en daadwerkelijke gelijkheid te bereiken, en dat hun rechten moeten worden geëerbiedigd en bevorderd, met inbegrip van het recht om hun culturele of taalkundige identiteit vrijelijk te uiten, te behouden en te ontwikkelen, met eerbiediging van de identiteit, waarden en beginselen van het land waarin zij verblijven; moedigt de Commissie aan regelmatige monitoring van de taalkundige en culturele diversiteit in de EU te bevorderen;

22.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan in samenspraak met vertegenwoordigers van minderheden de verzameling van betrouwbare en degelijke gegevens inzake gelijkheid te blijven ondersteunen en financieren, teneinde ongelijkheden en discriminatie in kaart te brengen; dringt erop aan op doeltreffende wijze in de hele EU toezicht te houden op de situatie van nationale en etnische minderheden; is van oordeel dat het FRA discriminatie van nationale en etnische minderheden in de lidstaten nauwlettender moet controleren;

23.  erkent de belangrijke rol van maatschappelijke en niet-gouvernementele organisaties bij de bescherming van minderheden, daar zij discriminatie bestrijden en de rechten van minderheden bevorderen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan voldoende financiering en steun voor deze organisaties te bevorderen;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de bescherming van minderheden binnen minderheden te waarborgen en ongelijkheden binnen ongelijkheden aan te pakken, aangezien personen die tot minderheden behoren vaak met meerdere en intersectionele discriminatie te kampen hebben; verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek te doen naar de complexe kwestie van meervoudige en intersectionele discriminatie;

Bestrijding van discriminatie, haatmisdrijven en haatzaaiende uitingen

25.  is bezorgd over de alarmerende toename van haatmisdrijven en haatzaaiende uitingen met motieven die verband houden met racisme, vreemdelingenhaat of religieuze intolerantie jegens minderheden in Europa; roept de EU en de lidstaten op de strijd tegen haatmisdrijven en discriminerende houdingen en gedragingen op te voeren; verzoekt de Commissie en het FRA hun werk op het gebied van monitoring van haatmisdrijven en haatzaaiende uitingen jegens minderheden in de lidstaten voort te zetten en regelmatig verslag uit te brengen over gevallen en tendensen;

26.  veroordeelt krachtig alle vormen van discriminatie op welke grond dan ook en alle vormen van segregatie, haatzaaiende uitingen, haatmisdrijven en sociale uitsluiting, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontkenning van wreedheden tegen nationale en etnische minderheden duidelijk te veroordelen en te bestraffen; herhaalt zijn in zijn resolutie van 25 oktober 2017 uiteengezette standpunt over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat; herinnert eraan dat alle Europese burgers evenveel bijstand en bescherming moeten krijgen, ongeacht hun etnische of culturele afkomst; verzoekt de Commissie een Europees kader in te stellen en verzoekt de lidstaten specifieke nationale plannen uit te werken om door vreemdelingenhaat ingegeven geweld en haatzaaiende uitingen tegen personen die tot minderheden behoren, aan te pakken;

27.  benadrukt dat de lidstaten vriendschappelijke en stabiele betrekkingen onderling moeten bevorderen en moedigt hen aan een open en ondersteunende dialoog te voeren met buurlanden, met name in grensregio's waar meerdere talen en culturen aanwezig kunnen zijn;

28.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan bewustmakingsactiviteiten in te voeren om de bevolking van de EU bewust te maken van het belang van diversiteit, en alle vreedzame vormen van uitingen van minderheidsculturen te bevorderen; spoort de lidstaten aan de geschiedenis van nationale en etnische minderheden op te nemen in hun onderwijsprogramma's en een cultuur van verdraagzaamheid op hun scholen te bevorderen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan culturele dialogen te beginnen, onder andere op scholen, over de verschillende vormen en uitdrukkingen van haat jegens minderheidsgroepen; moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat non-discriminatie, evenals de geschiedenis en rechten van mensen die tot minderheden behoren, deel gaan uitmaken van de reguliere inhoud van hun nationale onderwijsstelsel;

29.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan campagnes tegen haatzaaiende uitingen op te zetten, binnen de politiediensten eenheden ter bestrijding van haatmisdrijven op te richten op basis van de kennis van de problemen waarmee verschillende minderheidsgroepen worden geconfronteerd en bijscholingscursussen te organiseren, ervoor te zorgen dat personen die tot minderheden behoren gelijk zijn voor de wet en te waarborgen dat zij gelijke toegang hebben tot de rechter en procedurele rechten;

30.  is van mening dat de Commissie en de lidstaten ervoor moeten zorgen dat personen die tot minderheden behoren hun rechten zonder angst kunnen uitoefenen; moedigt de lidstaten in dit verband aan verplicht onderwijs op het gebied van mensenrechten, democratisch burgerschap en politieke geletterdheid op te nemen in hun onderwijsprogramma's op alle niveaus; moedigt de Commissie en de lidstaten aan verplichte trainingen aan te bieden aan gezagsdragers, die een centrale rol spelen bij de correcte tenuitvoerlegging van EU- en nationale wetgeving en die moeten worden uitgerust om alle burgers te dienen vanuit een op mensenrechten gebaseerde benadering; vraagt de Commissie en de lidstaten intersectionele discriminatie aan te pakken, zowel middels hun beleidsmaatregelen als via hun financieringsprogramma's;

31.  moedigt de lidstaten aan om, met het oog op de totstandbrenging van wederzijds vertrouwen, nationale waarheids- en verzoeningscommissies op te richten om de onderdrukking, uitsluiting en verstoting van personen die tot minderheden behoren door de eeuwen heen te erkennen en dit te documenteren; verzoekt de lidstaten de ontkenning van wreedheden tegen personen die tot minderheden behoren, duidelijk te veroordelen en te bestraffen, en moedigt hen aan belangrijke herdenkingsdagen van minderheidsgroepen op nationaal niveau af te kondigen en daaraan eer te betuigen, zoals de herdenkingsdag van de holocaust van de Roma; moedigt hen aan instellingen in het leven te roepen die de geschiedenis en cultuur van minderheidsgroepen tentoonspreiden en hen zowel financieel als administratief te ondersteunen;

32.  acht actieve en betekenisvolle maatschappelijke, economische, politieke en culturele participatie door minderheidsgroepen van cruciaal belang; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom strategieën uit te werken aan de hand van zowel proactieve als reactieve maatregelen die uitgaan van reële, stelselmatige raadpleging van vertegenwoordigers van minderheidsgroepen, en deze te betrekken bij de uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van algemene programma's en projecten die op alle niveaus worden geïnitieerd, ook op lokaal niveau, teneinde ervoor te zorgen dat ze inclusief en niet-discriminerend zijn;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de richtlijn inzake rassengelijkheid volledig en nauwgezet wordt uitgevoerd, toegepast en gehandhaafd, en moedigt hen aan bewustmakingscampagnes op te zetten met betrekking tot antidiscriminatiewetgeving; is van mening dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat sancties voldoende doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, zoals voorgeschreven door de richtlijn; vraagt de Commissie naar behoren toezicht te houden op de uitvoering van de richtlijn;

34.  betreurt het dat het voorstel voor een richtlijn inzake gelijke behandeling uit 2008 (COM(2008)0426) nog altijd door de Raad moet worden goedgekeurd; herhaalt zijn oproep aan de Raad zo snel mogelijk zijn standpunt over dit voorstel te bepalen;

Nationale en etnische minderheden

35.  merkt op dat nationale en etnische minderheden groepen personen zijn die tot minderheden behoren die op hetzelfde grondgebied wonen en een gemeenschappelijke identiteit delen, in sommige gevallen als het gevolg van grenswijzigingen, in andere gevallen als het gevolg van het lang leven in een gebied, waarbij ze erin zijn geslaagd hun identiteit te behouden; roept de Commissie en de lidstaten op de culturele en taalkundige identiteit van nationale en etnische minderheden te beschermen en voorwaarden te scheppen voor de bevordering van die identiteit; wijst op de belangrijke rol die regionale en lokale autoriteiten in de EU kunnen vervullen als het gaat om de bescherming van nationale en etnische minderheden, en is van mening dat bestuurlijke reorganisaties en de herverdeling van grondgebied in districten geen nadelige gevolgen mogen hebben voor die groepen; moedigt de lidstaten aan om vanuit de centrale begroting financiële middelen ter beschikking te stellen voor de tenuitvoerlegging van de rechten van minderheden, teneinde lokale begrotingen te ontlasten;

36.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan te zorgen voor gelijke kansen voor nationale en etnische minderheden om aan het politieke en maatschappelijke leven deel te nemen; moedigt de lidstaten aan verkiezingsstelsels en wetten in te voeren die de vertegenwoordiging van nationale en etnische minderheden eenvoudiger maken; roept de lidstaten op per direct corrigerende maatregelen te treffen om discriminerende geboorteregistratie een halt toe te roepen, de geboorteregistratie van leden van minderheidsgroepen zonder discriminatie te laten verlopen en ervoor te zorgen dat uitgegeven identiteitsbewijzen niet‑discriminerend zijn;

37.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan een coherente analyse van hun huidige minderhedenbeleid uit te voeren om op te helderen wat de sterke punten en uitdagingen zijn en de naleving van de rechten van nationale en etnische minderheden te garanderen;

38.  verzoekt het FRA een advies op te stellen over hoe instrumenten kunnen worden gecreëerd om de rechten van personen die tot nationale minderheden behoren te beschermen en te bevorderen, in overeenstemming met de uitspraak in zaak T‑646/13 van het HvJ‑EU;

Culturele rechten

39.  benadrukt dat culturele activiteiten van essentieel belang zijn voor de instandhouding van de identiteit van nationale en etnische minderheden en dat de instandhouding van de tradities van minderheden en de uitdrukking van artistieke waarden in de moedertaal van bijzonder belang zijn voor het behoud van de Europese diversiteit; merkt op dat het behoud van het culturele erfgoed van minderheden een gemeenschappelijk belang is van de EU en de lidstaten; moedigt de Commissie en de lidstaten aan de culturele rechten van minderheden te ondersteunen, te verbeteren en te bevorderen;

40.  wijst er nogmaals op dat een goed begrip van wat onder "cultuur" moet worden verstaan, van essentieel belang is om de reikwijdte van de rechten van minderheden in dit verband te bepalen; merkt op dat cultuur in brede zin neerkomt op het geheel van de materiële en niet-materiële activiteiten en verwezenlijkingen van een gemeenschap en op datgene waarin zij zich van andere gemeenschappen onderscheidt; benadrukt dat culturele rechten het recht deel te nemen aan het culturele leven, het recht cultuur te beoefenen, het recht te kunnen kiezen om deel uit te maken van een groep, taalrechten en de bescherming van het cultureel en wetenschappelijk erfgoed moeten omvatten;

41.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan de bijdrage van nationale en etnische minderheden aan het culturele erfgoed van de Unie te erkennen, de dialoog met vertegenwoordigers van minderheden en personen die tot minderheden behoren te versterken en gecoördineerd beleid en gecoördineerde acties voor het duurzame beheer van het behoud en de ontwikkeling van hun cultuur te identificeren en uit te voeren; moedigt de lidstaten aan een passend niveau van institutionalisering van praktijken op nationaal niveau te garanderen om de culturele rechten te beschermen;

42.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan nationale en etnische minderheden en personen die daartoe behoren te betrekken en te ondersteunen bij het bevorderen van kennis en vaardigheden die nodig zijn om cultureel erfgoed te beschermen, duurzaam te beheren en te ontwikkelen en die aan toekomstige generaties moeten worden doorgegeven; moedigt de Commissie en de lidstaten aan substantiële culturele fondsen voor personen die tot minderheden behoren in te stellen en te behouden, zowel op horizontaal als op verticaal niveau, teneinde voor effectieve, transparante en gelijke steun voor het culturele leven van minderheidsgemeenschappen te zorgen;

43.  benadrukt dat de media een centrale rol spelen met betrekking tot culturele en taalrechten; herinnert eraan dat de toegang tot en het kunnen ontvangen en publiceren van informatie en inhoud in een taal die volledig wordt begrepen en waarin kan worden gecommuniceerd een voorwaarde is voor een gelijke en effectieve deelname aan het openbare, economische, maatschappelijke en culturele leven; merkt in dit verband op dat speciale aandacht moet worden besteed aan de behoeften van personen die tot nationale en etnische minderheden behoren die in grens-, afgelegen en plattelandsgebieden wonen; is bezorgd over de onderfinanciering van mediakanalen die in regionale of minderheidstalen publiceren of uitzenden; moedigt de Commissie en de lidstaten aan passende financiering te verstrekken aan organisaties of mediakanalen die minderheden vertegenwoordigen, teneinde bij te dragen tot het behoud van de culturele identiteit van minderheden en hen in staat te stellen hun standpunten, taal en cultuur te delen met de meerderheid;

44.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de media onafhankelijk kunnen functioneren, het gebruik van minderheidstalen in de media te bevorderen en rekening te houden met nationale en etnische minderheden bij het verlenen van licenties voor mediadiensten, waaronder het toewijzen van radio- en televisieomroepen; roept de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor adequate financiering voor organisaties die minderheden vertegenwoordigen, met het oog op het bevorderen van hun gevoel van verbondenheid en identificatie met hun respectieve minderheidsgroepen, en om hun identiteit, talen, geschiedenis en cultuur onder de aandacht van de meerderheid te brengen;

45.  herinnert aan de fundamentele rol van de publieke media bij de bevordering van dergelijke inhoud, in het bijzonder in de context van democratisch toezicht van lokale of regionale autoriteiten; moedigt de Commissie aan de wettelijke en regelgevingsvoorwaarden te scheppen om vrije dienstverlening, doorgifte en ontvangst van audiovisuele inhoud te garanderen in regio's waar minderheden wonen, zodat zij inhoud in hun moedertaal kunnen bekijken en beluisteren die grensoverschrijdend wordt uitgezonden en niet aan geografische beperkingen wordt onderworpen;

46.  roept de Commissie en de lidstaten op er met passende middelen voor te zorgen dat audiovisuele media geen inhoud bevatten die aanzet tot geweld of haat jegens mensen die tot minderheden behoren; beklemtoont dat de media een belangrijke rol spelen bij de berichtgeving over schendingen van rechten van minderheden en dat de dagelijkse realiteit waarmee minderheden worden geconfronteerd onzichtbaar blijft als er geen verslag van wordt gedaan;

47.  moedigt de lidstaten aan zich te onthouden van politieke en wettelijke maatregelen en beleid die erop zijn gericht restrictieve maatregelen voor te schrijven, zoals ondertitelings- en/of vertaalverplichtingen en verplichte quota voor programma's in officiële talen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan de aanwezigheid van media met regionale of minderheidstalen toe te staan en te bevorderen, ook op online-interfaces; roept de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor passende financiering of subsidies voor organisaties en media die nationale en etnische minderheden vertegenwoordigen, met het oog op hun specifieke regionale kenmerken en behoeften;

48.  verzoekt de lidstaten in het licht van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed hun minderheidsculturen te versterken en te bevorderen, de verspreiding van hun geschiedenis en tradities te stimuleren en ervoor te zorgen dat de betreffende gemeenschappen niet geïsoleerd blijven;

49.  wijst erop dat de ontwikkeling van beleid op het gebied van cultureel erfgoed inclusief en participatief moet zijn en dat daartoe een op de gemeenschap gebaseerde aanpak moet worden gevolgd, waarbij de betrokken minderheidsgemeenschappen geraadpleegd en bij overleg betrokken moeten worden;

Het recht op onderwijs

50.  merkt op dat onderwijs een sleutelrol speelt bij socialisatie en identiteitsontwikkeling en het belangrijkste instrument blijft om bedreigde minderheidstalen te revitaliseren en in stand te houden; benadrukt dat elke persoon die deel uitmaakt van een nationale minderheidsgroep recht heeft op onderwijs in een minderheidstaal; benadrukt dat de continuïteit van het moedertaalonderwijs essentieel is voor het behoud van de culturele en taalkundige identiteit; merkt op dat er, als het gaat om onderwijs in minderheidstalen, geen enkel model van beste praktijken bestaat dat geschikt is voor alle nationale en etnische minderheden; wijst erop dat er speciale aandacht moet uitgaan naar mensen die zich bedienen van gebarentaal;

51.  wijst er nogmaals op dat in artikel 14 van de Kaderovereenkomst van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden wordt aanbevolen dat de staten die partij zijn ernaar streven ervoor zorg te dragen, voor zover mogelijk en binnen het kader van hun onderwijsstelsels, dat personen die tot nationale minderheden behoren voldoende mogelijkheden hebben om de betreffende minderheidstaal te leren of om onderwijs in die taal te krijgen, onverminderd het leren van de officiële taal of het onderwijzen in die taal;

52.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om bij hun verdere acties passende instrumenten te creëren voor de bevordering en ondersteuning van het officiële gebruik van door nationale en ethische minderheden gesproken talen in de gebieden waar zij wonen, op lokaal of regionaal niveau, in overeenstemming met de beginselen van het FCNM en het taalhandvest, waarbij wordt gewaarborgd dat de bescherming en aanmoediging van het gebruik van regionale en minderheidstalen niet ten koste gaat van de officiële talen en de verplichting om deze te leren;

53.  betreurt het dat sommige lidstaten het taalhandvest nog niet hebben geratificeerd en dat sommige van de lidstaten die het wel hebben geratificeerd, het nog niet doelmatig ten uitvoer hebben gelegd; is teleurgesteld door het feit dat in sommige lidstaten de bestaande rechten niet worden uitgevoerd of simpelweg worden genegeerd;

54.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan er overeenkomstig internationale normen voor te zorgen dat de rechten van personen die tot nationale en ethische minderheden behoren, worden gewaarborgd en dat deze personen over adequate mogelijkheden beschikken met betrekking tot het volgen van onderwijs in een minderheidstaal en hun moedertaal, in zowel openbare als particuliere onderwijsinstellingen; moedigt de lidstaten aan passend onderwijsbeleid te formuleren en de beleidsmaatregelen uit te voeren die het best aansluiten bij de behoeften van nationale en etnische minderheden, onder andere in de vorm van specifieke onderwijsprogramma's of speciale lesprogramma's en tekstboeken; moedigt de lidstaten aan te voorzien in financiering voor de opleiding van leerkrachten om doeltreffend onderwijs in minderheidstalen te waarborgen, en de beste praktijken op het gebied van het onderwijzen van vreemde talen op te nemen in de onderwijsmethodiek voor officiële talen als het gaat om onderwijsprogramma's voor scholen die onderwijs in een minderheidstaal verzorgen; benadrukt dat de lidstaten het onderwijs van zowel de regionale taal als de minderheidstalen en de officiële taal met behulp van passende methoden moeten bevorderen;

55.  moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat degenen die een regionale of minderheidstaal als moedertaal hebben, de mogelijkheid krijgen de officiële taal naar behoren te leren, door goede praktijken van het onderwijs in buitenlandse en tweede talen op te nemen in de methodologische benadering voor het onderwijs van de officiële taal van de lidstaat;

56.  benadrukt dat personen die tot minderheden behoren ook de taal moeten leren en over de geschiedenis en cultuur moeten leren van de meerderheidsbevolking, en dat het publiek bekend moet worden gemaakt met de geschiedenis en cultuur van minderheden en de kans moet krijgen om talen van minderheden te leren;

57.  spoort de lidstaten aan de productie van handboeken te bevorderen die voldoen aan de behoeften van sprekers van regionale en minderheidstalen of, als dit onhaalbaar zou blijken, het gebruik te bevorderen van handboeken uit andere landen die in die talen zijn gepubliceerd, zulks in samenwerking met de regelgevende instanties op het gebied van onderwijs van de landen waar de betreffende talen worden gebruikt;

58.  benadrukt het belang van hoger onderwijs in de moedertaal en van de opleiding van specialisten met kennis van specifieke terminologie, met name in regio's met een grote hoeveelheid sprekers van de desbetreffende taal; wijst op de dringende noodzaak om artsen op te leiden in minderheidstalen;

59.  spoort de regeringen van de lidstaten aan vertegenwoordigers van minderheden te betrekken bij besprekingen over de organisatie van hun onderwijsstelsels;

60.  moedigt de lidstaten aan preferentiële drempels vast te stellen voor het leren van regionale of minderheidstalen, teneinde gelijkheid binnen het onderwijs te waarborgen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan het recht van tot nationale of etnische minderheden behorende personen die woonachtig zijn in gebieden met een aanzienlijk aantal tot deze minderheden behorende inwoners, met inbegrip van plattelandsgebieden of gebieden met wijd verspreide nederzettingen, om onderwijs in een minderheidstaal te krijgen, met name in hun moedertaal, te bevorderen als er voldoende vraag naar is; roept de Commissie en de lidstaten op ervoor te zorgen dat onderwijshervormingen en ‑beleid het recht op onderwijs in een minderheidstaal niet beperken;

61.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan de beschikbaarheid van geïntegreerde ondersteuning op verticaal niveau voor minderheids- en regionale talen in onderwijsstelsels te bevorderen, met name door het oprichten van eenheden bij de ministeries van Onderwijs van de lidstaten en binnen de Commissie, die verantwoordelijk zijn voor de integratie van het minderheids- en regionaal taalonderwijs in de onderwijsprogramma's van scholen; spoort de lidstaten en de Commissie aan een ononderbroken leerlijn voor minderheidstalen te bevorderen, vanaf de kleuterschool tot en met het hoger onderwijs;

62.  benadrukt dat de opleiding van leerkrachten en de toegang tot tekstboeken en lesmateriaal van goede kwaliteit essentiële voorwaarden zijn voor het waarborgen van kwaliteitsonderwijs voor studenten; is van oordeel dat onderwijsprogramma's en ‑materiaal en geschiedenistekstboeken een eerlijk, nauwkeurig en informatief beeld moeten schetsen van de samenlevingen en culturen van minderheidsgroepen; merkt op dat het gebrek aan lesmateriaal van hoge kwaliteit en naar behoren opgeleide minderheidstaal-docenten een algemeen erkend probleem voor het minderheidstalenonderwijs is dat moet worden aangepakt; merkt op dat multidimensionaal geschiedenisonderwijs op alle scholen een vereiste zou moeten zijn, ongeacht of het minderheids- of meerderheidsgemeenschappen betreft; wijst op het belang van de ontwikkeling van lerarenopleidingen om te voldoen aan de behoeften van onderwijs op verschillende niveaus en in verschillende schoolvormen;

63.  onderstreept dat het onderwijzen van minderheidstalen bijdraagt tot wederzijds begrip tussen meerderheden en minderheden en gemeenschappen dichter bij elkaar brengt; moedigt de lidstaten aan positieve maatregelen te treffen met als doel te zorgen voor een passende vertegenwoordiging van minderheden in het onderwijs, evenals in het openbaar bestuur en bij uitvoerende agentschappen op nationaal, regionaal en gemeenteniveau;

64.  moedigt de Commissie aan programma's die gericht zijn op de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken op het vlak van onderwijs in regionale en minderheidstalen in Europa meer onder de aandacht te brengen; verzoekt de EU en de Commissie meer nadruk te leggen op regionale en minderheidstalen in de volgende generatie van de programma's Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor de burger in het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK);

65.  betreurt ten zeerste dat leerlingen die tot minderheden behoren in sommige lidstaten geen toegang hebben tot onderwijsinstellingen van de meerderheid maar op speciale scholen worden geplaatst met als argument dat zij de instructietaal onvoldoende beheersen; brengt in herinnering dat onderwijs in een minderheidstaal of het behoren tot een specifieke minderheid niet mag worden gebruikt als excuus om kinderen af te scheiden op basis van identiteit; verzoekt de lidstaten dergelijke segregatie niet toe te passen en toereikende maatregelen te nemen om deze leerlingen in staat te stellen onderwijs te volgen op reguliere scholen; moedigt de lidstaten aan te overwegen in de onderwijsprogramma's van scholen onderwerpen over fundamentele mensenrechten en in het bijzonder minderheidsrechten op te nemen als middel om culturele diversiteit en tolerantie via het onderwijs te bevorderen;

Taalrechten

66.  merkt op dat taal een essentieel aspect van culturele identiteit en de mensenrechten van minderheden is; benadrukt dat het recht op het gebruik van een minderheidstaal, zowel privé als in het openbaar en zonder discriminatie, moet worden bevorderd in gebieden met een aanzienlijk aantal personen dat tot een minderheid behoort, om ervoor te zorgen dat talen van de ene generatie op de andere kunnen worden doorgegeven, en om de taalkundige verscheidenheid in de Unie te beschermen; roept de Commissie op haar plan ter bevordering van het onderwijs in en gebruik van regionale talen te versterken, als mogelijke manier om discriminatie op basis van taal in de EU aan te pakken, en taalkundige verscheidenheid te bevorderen; herinnert eraan dat het bevorderen van kennis van minderheidstalen onder mensen die niet behoren tot de betreffende minderheid, een manier is om wederzijds begrip en wederzijdse erkenning te stimuleren;

67.  benadrukt dat het Parlement in zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(11) nogmaals heeft benadrukt dat de Commissie aandacht moet besteden aan het feit dat sommige lidstaten en regio's er door hun beleid toe bijdragen dat de overleving van talen binnen hun grenzen in gevaar komt, ook al gaat het om talen die in de bredere Europese context niet in gevaar zijn; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de administratieve en wettelijke obstakels die het gebruik van de betreffende talen in de weg staan;

68.  merkt op dat de EU naast haar 24 officiële talen ook nog 60 andere talen herbergt, die tevens deel uitmaken van haar culturele en taalkundige erfgoed en die door 40 miljoen mensen in specifieke regio's of door specifieke groepen worden gesproken; merkt op dat de meertaligheid van de Europese Unie uniek is op het niveau van internationale organisaties; merkt op dat het beginsel van meertaligheid in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is verankerd en dat het de EU ertoe verplicht de taalkundige verscheidenheid te eerbiedigen en het rijke taalkundige en culturele erfgoed van Europa te ondersteunen door het leren van talen en taalkundige verscheidenheid te bevorderen;

69.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om, in de context van bestuurlijke autoriteiten en overheidsorganisaties, het gebruik van regionale of minderheidstalen in de praktijk toe te staan en te bevorderen, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, bijvoorbeeld in de betrekkingen tussen particulieren en organisaties enerzijds en overheidsinstanties anderzijds; moedigt de lidstaten aan om informatie en openbare diensten in deze talen beschikbaar te stellen, onder meer op internet, in gebieden met een aanzienlijk aantal tot nationale en etnische minderheden behorende inwoners;

70.  moedigt de lidstaten aan de toegang tot regionale en minderheidstalen te bevorderen door vertaling, nasynchronisatie en ondertiteling te financieren en te ondersteunen en door passende, niet‑discriminerende terminologie in de administratieve, commerciële, economische, sociale, technische en juridische registers te codificeren;

71.  moedigt de gemeentelijke autoriteiten aan het gebruik van regionale en minderheidstalen in de betreffende gebieden te waarborgen; moedigt de lidstaten aan reeds op nationaal niveau bestaande goede praktijken als richtsnoeren te gebruiken;

72.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan het gebruik van regionale en minderheidstalen op lokaal en regionaal niveau te bevorderen; moedigt met dit in het achterhoofd de gemeentelijke autoriteiten actief aan ervoor te zorgen dat de betreffende talen in de praktijk ook worden gebezigd;

73.  spoort de Commissie en de lidstaten aan ervoor te zorgen dat, in gebieden met een aanzienlijk aantal tot nationale minderheden behorende inwoners, veiligheidsaanduidingen en -etikettering, belangrijke verplichte instructies en openbare aankondigingen die van belang zijn voor burgers, ongeacht of deze door de autoriteiten of de particuliere sector worden verstrekt, evenals plaatsnamen en topografische aanduidingen, in de juiste vorm worden geschreven en beschikbaar zijn in de talen die in een bepaalde regio vaak worden gebruikt, ook op borden die aangeven of men de stedelijke gebieden betreedt of verlaat en op alle andere verkeersborden met informatie;

74.  merkt op dat de visuele weergave van regionale en minderheidstalen – verkeersborden, straatnamen, de namen van bestuurlijke, openbare en commerciële instellingen enz. – van essentieel belang is voor de bevordering en bescherming van de rechten van nationale en etnische minderheden, aangezien die een afspiegeling is van en bijdraagt aan het vitale gebruik van regionale en minderheidstalen, en omdat personen die tot nationale en etnische minderheden behoren hierdoor worden aangemoedigd hun specifieke taalkundige identiteit en taalrechten te gebruiken, te behouden en te ontwikkelen, hun multi-etnische lokale identiteit te uiten en hun gevoel van betrokkenheid als leden van groepen in een lokale of regionale gemeenschap te versterken;

75.  roept de lidstaten op zich te onthouden van wetspraktijken, dan wel deze af te schaffen, die de toetreding van minderheden tot het volledige spectrum van in die lidstaat beoefende beroepen belemmeren; vraagt de lidstaten om te zorgen voor adequate toegang tot gerechtelijke en juridische diensten; benadrukt dat vertegenwoordigers van minderheden uitdrukkelijk moeten worden geïnformeerd over de op grond van het nationaal recht te volgen procedures wanneer hun rechten als tot een minderheid behorende personen zijn geschonden;

76.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan te erkennen dat elke persoon die tot een nationale minderheid behoort, het recht heeft zijn of haar achternaam (vadersnaam) en voornamen in de minderheidstaal te gebruiken, evenals het recht op officiële erkenning daarvan, ook in het kader van het vrij verkeer binnen de EU;

77.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan maatregelen te nemen om de bestuurlijke en financiële obstakels weg te nemen die de taalkundige verscheidenheid op Europees en nationaal niveau alsook de uitoefening en tenuitvoerlegging van taalrechten van personen die tot nationale en etnische minderheden behoren, kunnen belemmeren; dringt er bij de lidstaten op aan een einde te maken aan alle discriminerende taalpraktijken;

Conclusie

78.  verzoekt de Commissie een gemeenschappelijk kader van EU‑minimumnormen voor de bescherming van minderheden uit te werken; beveelt aan dat dit kader meetbare mijlpalen met regelmatige rapportage bevat en ten minste uit het volgende bestaat:

   het opstellen van richtsnoeren waarin goede praktijken in de lidstaten worden weerspiegeld, in samenwerking met verschillende belanghebbenden die betrokken zijn bij de bescherming van de rechten van minderheden;
   een aanbeveling van de Commissie, waarbij rekening moet worden gehouden met bestaande nationale maatregelen, subsidiariteit en evenredigheid;
   een wetgevingsvoorstel voor een richtlijn, dat moet worden opgesteld na een gedegen effectbeoordeling, in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zoals die van toepassing zijn in de lidstaten en gebaseerd op bovengenoemde punten, over minimumnormen voor minderheden in de EU, met inbegrip van duidelijke ijkpunten en sancties;

79.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat het kader gegevensverzameling en op veldwerk gebaseerde, financiële en kwaliteitsgerichte toezichts- en rapportagemethoden omvat, aangezien die elementen effectief, wetenschappelijk onderbouwd beleid versterken en kunnen bijdragen aan verbetering van de effectiviteit van de strategieën, acties en maatregelen;

o
o   o

80.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, de OVSE, de OESO, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0032.
(3) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 171.
(4) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(5) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 2.
(6) PB C 328 van 6.9.2016, blz. 4.
(7) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 52.
(8) PB C 124 E van 25.5.2006, blz. 405.
(9) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 11.
(10) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.
(11) PB C 93 van 9.3.2016, blz. 52.


Digitalisering voor ontwikkeling: armoede terugdringen via technologie
PDF 160kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2018 over digitalisering voor ontwikkeling: vermindering van armoede door technologie (2018/2083(INI))
P8_TA(2018)0448A8-0338/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 208, 209, 210, 211 en 214 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering goedgekeurde slotdocument getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development", alsmede de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's),

–  gezien de in mei 2017 aangenomen Europese consensus inzake ontwikkeling "Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst"(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld "Handel voor iedereen. Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 2 mei 2017 getiteld "Digital4Development: mainstreaming digital technologies and services into EU Development Policy’ (SWD(2017)0157),

–  gezien de in mei 2015 aangenomen Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa (DSM),

–  gezien het Europees plan voor externe investeringen,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de uitvoering van de strategie voor handelsbeleid "Handel voor iedereen. Zorgen voor een vooruitstrevend handelsbeleid om de mondialisering in goede banen te leiden" (COM(2017)0491),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2017 getiteld "Naar een digitale handelsstrategie"(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 inzake voorbereiding voor de humanitaire wereldtop: uitdagingen en kansen voor humanitaire hulp(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2014 getiteld "Een sterkere rol voor de particuliere sector bij het streven naar inclusieve en duurzame groei in ontwikkelingslanden" (COM(2014)0263),

–  gezien de conclusies van de Raad van november 2017 over "Digital for Development",

–  gezien de van 10 tot en met 13 december 2017 in Buenos Aires, Argentinië, gehouden elfde ministeriële conferentie van de WTO,

–  gezien de initiatieven van de Internationale Telecommunicatie-unie van de VN ter ondersteuning van ontwikkelingslanden (ITU‑D),

–  gezien de Informatietechnologieovereenkomst (ITA) van de WTO,

–  gezien de in 2016 in Cancún afgelegde ministeriële verklaring van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) over de digitale economie,

–  gezien de tijdens hun bijeenkomst in Takamatsu, Japan, op 29 en 30 april 2016 overeengekomen gezamenlijke verklaring van de ICT‑ministers van de G7,

–  gezien het initiatief "eTrade for All" van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD),

–  gezien het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap, en het facultatief protocol daarbij (A/RES/61/106),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8‑0338/2018),

A.  overwegende dat in de Europese consensus over ontwikkeling van 2017 wordt benadrukt dat informatie- en communicatietechnologieën en -diensten belangrijke katalysatoren zijn voor inclusieve groei en duurzame ontwikkeling;

B.  overwegende dat de "Digital for Development"-strategie ("D4D") van de Commissie betrekking heeft op economische groei en mensenrechten, gezondheid, onderwijs, landbouw en voedselzekerheid, basisinfrastructuur, water en sanitaire voorzieningen, bestuur, sociale bescherming en horizontale doelstellingen op het gebied van gender en het milieu;

C.  overwegende dat digitale technologieën het potentieel hebben om duurzaamheid en milieubescherming te waarborgen; overwegende, echter, dat voor de productie van digitale apparatuur gebruik gemaakt wordt van zeldzame metalen die moeilijk te recyclen zijn en waarvan de toegankelijke voorraden beperkt zijn, en dat elektronisch en elektrisch afval een milieu- en gezondheidsuitdaging vormt; overwegende dat volgens een gezamenlijke studie van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en Interpol(4), afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) een belangrijke plaats inneemt binnen de milieucriminaliteit;

D.  overwegende dat volgens de update van 2017 van "Identification for Development Global Dataset" (ID4D), een databank van de Wereldbank, naar schatting 1,1 miljard mensen wereldwijd hun identiteit niet officieel, onder andere via een geboortebewijs, kunnen aantonen, en dat 78 % van deze groep in Sub-Sahara-Afrika of Azië woont; overwegende dat dit een belangrijk obstakel is om doelstelling 16.9 van de SDG's te halen, maar ook om actief deel te nemen aan de digitale wereld en er voordeel uit te halen;

E.  overwegende dat in vijf van de SDG's digitale technologieën uitdrukkelijk worden genoemd (SDG 4 inzake onderwijs, SDG 5 inzake gendergelijkheid, SDG 8 inzake fatsoenlijk werk en economische groei, SDG 9 inzake infrastructuur, industrialisering en innovatie, en SDG 17 inzake partnerschap);

F.  overwegende dat in de SDG's wordt onderstreept dat het voor het bevorderen van de ontwikkeling in de minst ontwikkelde landen van cruciaal belang is dat de bevolking vóór 2020 de beschikking krijgt over algemeen toegankelijk en betaalbaar internet, aangezien de ontwikkeling van een digitale economie een aanjager zou kunnen zijn van fatsoenlijke werkgelegenheid en inclusieve groei, exportvolumes en exportdiversificatie;

G.  overwegende dat digitalisering volgens UNCTAD almaar meer leidt tot monopolies en nieuwe uitdagingen creëert voor het antitrust- en mededingingsbeleid van zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden(5);

H.  overwegende dat de Algemene Vergadering van de VN in haar globale evaluatie van de tenuitvoerlegging van de uitkomsten van de wereldtop over de informatiemaatschappij(6) heeft aangegeven de mogelijkheden van informatie- en communicatietechnologieën te zullen inzetten voor het bewerkstelligen van de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en andere internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelen, waarbij ze opmerkte dat ICT bij alle 17 SDG's de vooruitgang zou kunnen versnellen;

I.  overwegende dat connectiviteit nog altijd een uitdaging en zorg is die aan de basis ligt van verschillende digitale kloven, zowel wat toegang tot als het gebruik van ICT betreft;

J.  overwegende dat de snelheid waarmee de digitale economie zich ontwikkelt en de aanzienlijke verschillen die er bestaan in ontwikkelingslanden op het gebied van digitale economie voor wat betreft de voorziening van veilig nationaal beleid, regelgeving en consumentenbescherming, accentueren dat er met spoed meer capaciteit moet worden opgebouwd in, en meer technische bijstand moet worden geboden aan ontwikkelingslanden, en met name de minst ontwikkelde landen;

K.  overwegende dat voor sociale en persoonlijke verbetering en vooruitgang, alsook voor de bevordering van ondernemerschap en de opbouw van sterke digitale economieën digitale geletterdheid en vaardigheden onontbeerlijk zijn;

L.  overwegende dat middels digitalisering tevens de verstrekking van humanitaire hulp, opbouw van weerbaarheid, rampenrisicovermindering en overgangssteun kan worden verbeterd, door humanitaire hulp en ontwikkelingshulp in kwetsbare en door conflicten getroffen omgevingen met elkaar te verbinden;

M.  overwegende dat meer dan de helft van de wereldbevolking nog altijd geen internettoegang heeft, en er maar langzaam vooruitgang wordt geboekt bij het bereiken van de doelstelling onder SDG 9 om de toegang tot informatie- en communicatietechnologieën aanzienlijk te vergroten en te streven naar universele en betaalbare internettoegang in de minst ontwikkelde landen in 2020;

N.  overwegende dat over de hele wereld het gebruik van mobiele diensten op dit moment enorm toeneemt en het aantal gebruikers van mobiele telefoons nu hoger is dan het aantal mensen dat toegang heeft tot elektriciteit, sanitaire voorzieningen of schoon water;

O.  overwegende dat humanitaire innovatie in overeenstemming moet zijn met de humanitaire beginselen (menselijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid) en met het waardigheidsbeginsel;

P.  overwegende dat humanitaire innovatie tot doel moet hebben de rechten, waardigheid en capaciteiten van de ontvangende bevolking te bevorderen en dat alle leden van een door crisis getroffen gemeenschap van de innovatie moeten kunnen profiteren zonder enige discriminatoire belemmeringen;

Q.  overwegende dat risicobeoordeling en ‑beperking ingezet moeten worden om onopzettelijke schade, ook op het gebied van persoonlijke levenssfeer, gegevensbeveiliging en impact op lokale economieën te voorkomen;

R.  overwegende dat experimenten, proefprojecten en beproevingen in overeenstemming met internationaal erkende ethische normen moeten worden uitgevoerd;

De noodzaak om digitalisering in ontwikkelingslanden te ondersteunen

1.  verwelkomt de D4D-strategie van de Commissie, in zoverre deze strategie digitale technologieën integreert in het ontwikkelingsbeleid van de EU teneinde bij te dragen aan het bewerkstelligen van de SDG's; beklemtoont dat digitalisering waarbij de SDG's centraal worden gesteld, moet worden gestimuleerd; wijst erop dat de digitale revolutie samenlevingen voor allerlei nieuwe uitdagingen plaatst en zowel risico's als kansen met zich meebrengt;

2.  wijst nogmaals op het enorme potentieel van digitale technologie en diensten voor het bereiken van de SDG's, op voorwaarde dat maatregelen worden genomen om de ontwrichtende effecten van technologie tegen te gaan, zoals de automatisering van banen en de gevolgen daarvan voor inzetbaarheid, digitale uitsluiting en ongelijkheid, cyberveiligheid, bescherming van persoonsgegevens en regelgevingskwesties; herinnert eraan dat een digitale strategie altijd volledig in lijn moet zijn met en moet bijdragen aan de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, in het bijzonder met betrekking tot SDG 4 inzake kwaliteitsonderwijs, SDG 5 inzake gendergelijkheid en empowerment voor alle vrouwen en meisjes, SDG 8 inzake fatsoenlijk werk en economische groei, en SDG 9 inzake industrie, innovatie en infrastructuur; herinnert eraan dat een sterker wereldwijd, nationaal, regionaal en lokaal partnerschap nodig is tussen gouvernementele, wetenschappelijke, economische en maatschappelijke actoren willen we de SDG's voor 2030 bewerkstelligen;

3.  wijst erop dat ondanks de ruimere dekking van het internet vele ontwikkelingslanden en opkomende economieën nog een achterstand hebben in het benutten van de digitalisering, vele mensen nog geen toegang tot ICT hebben, en er grote ongelijkheden bestaan tussen landen en tussen stedelijke en plattelandsgebieden; herinnert eraan dat digitale technologie een instrument blijft en geen doel op zich is; is van oordeel dat, gezien de financiële beperkingen, prioriteit moet worden gegeven aan de meest doeltreffende manieren om de SDG's te verwezenlijken, en dat het in sommige landen, ook al kan digitalisering er nuttig zijn, nog steeds nodig is om de invulling van menselijke basisbehoeften te verzekeren, met name wat betreft toegang tot voedsel, energie, water en sanitaire voorzieningen, onderwijs en gezondheidszorg, als onderstreept in het VN-verslag over de SDG's van 2017; is echter van mening dat in het ontwerp van infrastructuur van meet af aan ruimte moet worden voorzien voor digitale ontwikkeling, ook al wordt deze pas in een latere fase gerealiseerd;

4.  wijst erop dat een strategie voor digitale handel altijd volledig in lijn moet zijn met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD), dat van essentieel belang is om de SDG's te bewerkstelligen; onderstreept dat toegang tot internetconnectiviteit en betrouwbare digitale betaalmethoden die voldoen aan de internationale normen, aan de wetgeving inzake consumentenbescherming bij de onlineaankoop van goederen en diensten, aan de intellectuele-eigendomsrechten, aan regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en de voor digitale handel geldende douane- en belastingwetgeving, essentieel zijn om digitale handel, duurzame ontwikkeling en inclusieve groei mogelijk te maken; wijst in dit verband op het potentieel van de handelsfacilitatieovereenkomst om digitale initiatieven in ontwikkelingslanden ter bevordering van grensoverschrijdende handel te ondersteunen;

5.  vraagt dat er een actieplan wordt opgezet voor technische innovatie bij humanitaire hulp om overeenstemming te waarborgen met de juridische en ethische beginselen die zijn vastgelegd in documenten zoals de nieuwe Europese consensus over ontwikkeling – "Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst" en "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling";

6.  benadrukt dat alle aspecten van humanitaire innovatie moeten worden geëvalueerd en gemonitord, met inbegrip van een beoordeling van de primaire en secundaire gevolgen van het innovatieproces; merkt op dat er voor de start van projecten op het gebied van humanitaire innovatie en digitalisering ethische evaluaties en risicobeoordelingen moeten worden uitgevoerd, en dat daarbij waar mogelijk externe deskundigen of deskundigen van derde partijen betrokken moeten worden;

7.  vraagt dat bij het extern optreden van de EU de beginselen uit de Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa worden toegepast door de regelgevingskaders van de EU‑partners te ondersteunen;

8.  roept op tot beschikbaarstelling van voldoende middelen in het meerjarig financieel kader (MFK) 2021‑2027 om integratie van digitale technologieën in alle aspecten van ontwikkelingsbeleid mogelijk te maken;

9.  stelt vast dat ontwikkelingslanden er bij nieuwe digitale technologie vaak niet snel genoeg in slagen overheidsinstellingen, regelgeving en andere mechanismen te creëren die de daaraan verbonden nieuwe uitdagingen, met name op het gebied van cyberveiligheid, kunnen helpen beheersen; beklemtoont dat de samenwerking tussen onderzoekers en innovatoren op interregionaal niveau moet worden verdiept en dat onderzoek en ontwikkeling ter bevordering van wetenschappelijke vooruitgang en kennis- en technologieoverdracht moeten worden gestimuleerd; roept ertoe op digitalisering, gezien het belang ervan voor inclusieve en duurzame ontwikkeling, een prominente rol toe te kennen in de toekomstige opvolger van de Overeenkomst van Cotonou overeenkomstig de onderhandelingsrichtsnoeren;

10.  roept op tot verdere gezamenlijke samenwerkingsacties voor digitale infrastructuur, aangezien dit een van de belangrijkste activiteiten binnen de partnerschappen tussen de EU en regionale organisaties, met name de Afrikaanse Unie, moet worden; wijst op het belang van technische bijstand en overdracht van expertise aan instellingen die een digitaal beleid op nationaal, regionaal en continentaal niveau aan het uitwerken zijn;

11.  vraagt dat digitalisering wordt opgenomen in de nationale ontwikkelingsstrategieën van de lidstaten;

12.  roept op tot meer gezamenlijke en holistische horizontale inspanningen van de internationale gemeenschap, met inbegrip van niet-overheidsactoren zoals vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, de derde sector, particuliere ondernemingen en academici, om te verzekeren dat bij de verschuiving naar een meer digitale economie niemand wordt buitengesloten, de VN‑agenda voor duurzame ontwikkeling verder wordt verwezenlijkt, alle economische actoren en burgers toegang hebben tot digitale technologieën en diensten, en sterk uiteenlopende benaderingen met onverenigbaarheden, overlappingen of lacunes in de wetgevingen tot gevolg te vermijden; roept op tot een betere politieke koppeling tussen de EU, de lidstaten en andere relevante actoren, met het oog op meer coördinatie, complementariteit en synergie;

13.  wijst erop dat technologie, kunstmatige intelligentie en automatisering nu al een groot aantal laag- en middengeschoolde banen overbodig hebben gemaakt; vraagt de Commissie een digitalisering waarbij de SDG's centraal staan aan te moedigen, en benadrukt dat door de overheid gefinancierde socialebeschermingsniveaus essentieel zijn voor de aanpak van enkele van de ontwrichtende gevolgen van nieuwe technologieën, om de grote verschuivingen op de mondiale arbeidsmarkten en in de internationale arbeidsverdeling, waarvan vooral laaggeschoolde arbeiders in ontwikkelingslanden het slachtoffer worden, te ondervangen;

14.  verzoekt de particuliere sector op een verantwoorde manier aan D4D bij te dragen met technologie en innovatie, deskundigheid, investeringen, risicobeheer, duurzame bedrijfsmodellen en groei, en daarbij aandacht te hebben voor de voorkoming en beperking van het gebruik van grondstoffen, alsook hun reparatie, recycling en hergebruik;

15.  betreurt dat minder dan de helft van alle ontwikkelingslanden over gegevensbeschermingswetgeving beschikt; spoort de EU aan om, met name vanuit haar ervaring en eigen wetgeving, die internationaal wordt erkend als een model ter zake, aan de betrokken overheden technische bijstand te verlenen om dergelijke wetgeving op te stellen; benadrukt dat rekening gehouden moet worden met de kosten die met name kmo's kunnen hebben om zich in regel te stellen met deze wetgevingen; wijst erop dat, gezien de grensoverschrijdende aard van digitalisering, moet worden vermeden dat de gegevensbeschermingswetgevingen te veel verschillen vertonen en dus niet compatibel zijn;

16.  roept alle belanghebbenden op tot de verzameling, verwerking, analyse en verspreiding van gegevens en statistieken op lokaal, regionaal, landelijk en mondiaal niveau om een hoog niveau van gegevensbescherming overeenkomstig de relevante internationale normen en instrumenten te verzekeren, teneinde de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling te kunnen uitvoeren; merkt op dat een tijdige en nauwkeurige verzameling van gegevens een goede monitoring van de tenuitvoerlegging mogelijk maakt, alsook aanpassingen van het beleid en interventies waar nodig, en evaluatie van de behaalde resultaten en hun effect; wijst er echter op dat, hoewel het dankzij de "gegevensrevolutie" gemakkelijker, sneller en goedkoper is geworden om gegevens uit uiteenlopende bronnen te produceren en te analyseren, er ook enorme veiligheids- en privacy-uitdagingen zijn ontstaan; beklemtoont daarom dat innovaties inzake gegevensverzameling in de ontwikkelingslanden de officiële statistieken niet kunnen vervangen maar er een aanvulling op vormen;

17.  betreurt het feit dat in alle landen digitale kloven blijven bestaan op basis van gender, locatie, leeftijd, inkomen, etnische afkomst, gezondheid of handicap en andere factoren van discriminatie; dringt er daarom op aan dat in de internationale ontwikkelingssamenwerking gestreefd wordt naar grotere vooruitgang en een betere inclusie van persoon die zich in een benadeelde of kwetsbare situatie bevinden, en dat tegelijk wordt geijverd voor een verantwoord gebruik van digitale middelen en een voldoende groot bewustzijn van de mogelijke risico's; roept op om innovatie op maat van de plaatselijke behoeften en de overgang naar kenniseconomieën te ondersteunen;

18.  roept daarom op tot vergroting van de inspanningen voor de aanpak van de uitdagingen van digitale uitsluiting middels onderwijs en opleiding op het gebied van essentiële digitale vaardigheden, alsook initiatieven ter bevordering van ICT‑gebruik en het gebruik van digitale instrumenten in de tenuitvoerlegging van participatieve methodologieën, rekening houdend met leeftijd, persoonlijke situatie en achtergrond, ook voor ouderen en personen met een handicap; merkt op dat de internationale ontwikkelingssamenwerking gebruik zou kunnen maken van digitale technologieën voor een betere inclusie van benadeelde groepen mits zij toegang hebben tot digitale technologieën; is opgetogen over initiatieven zoals de "Africa Code Week", die de positie van de jonge Afrikanen helpt versterken door in te zetten op digitale geletterdheid; wijst op het belang van e-leren en afstandsonderwijs om afgelegen gebieden en mensen van alle leeftijden te bereiken;

19.  roept ertoe op in ontwikkelingslanden digitale geletterdheid op te nemen in de leerprogramma's op alle onderwijsniveaus, van de lagere school tot de universiteit, zodat vaardigheden kunnen worden verworven die nodig zijn voor een betere toegang tot informatie; is evenwel van oordeel dat ICT-instrumenten en nieuwe technologieën geen vervanging mogen zijn van echte leerkrachten en scholen, maar gebruikt moeten worden als een middel om de toegang tot onderwijs en de kwaliteit ervan te verbeteren; benadrukt dat nieuwe technologieën een belangrijk instrument voor de verspreiding van kennis, de opleiding van leerkrachten en het beheer van onderwijsinstellingen zijn; beklemtoont ook dat er meer lokale centra voor meer gespecialiseerd onderwijs (waaronder programmeerscholen) moeten worden opgericht, om ontwikkelaars op te leiden en de ontwikkeling van informatica-oplossingen en digitale toepassingen die zijn afgestemd op de plaatselijke realiteit en behoeften te stimuleren;

20.  benadrukt dat om de digitale kloof te dichten de aanwezigheid en toegankelijkheid van een betaalbare, betrouwbare en veilige infrastructuur met een adequate dekking van hoge kwaliteit, in het bijzonder in landelijke en afgelegen gebieden, onontbeerlijk is; merkt op dat een beperkte connectiviteit in de meeste gevallen te wijten is aan armoede en een gebrek aan essentiële diensten, samen met onderontwikkelde landlijnnetwerken, gebrek aan faciliterend overheidsbeleid en regelgevingskaders, hoge belastingen op digitale producten en diensten, weinig marktconcurrentie en/of het ontbreken van een energienet;

21.  uit zijn bezorgdheid over de technologische afhankelijkheid van een klein aantal spelers, en vooral van GAFA (Google, Apple, Facebook en Amazon) en vraagt dat alternatieven ontwikkeld worden om concurrentie te bevorderen; merkt op dat de EU en Afrika een partnerschap zouden kunnen aangaan om die ambitie te realiseren;

22.  herinnert eraan dat de ontwikkelingslanden verre van immuun zijn voor cyberaanvallen en onderstreept het risico op verstoring van de economische, politieke en democratische stabiliteit als de digitale veiligheid niet gewaarborgd is; verzoekt alle belanghebbenden in de digitaal verbonden wereld actief verantwoordelijkheid te nemen voor het vergroten van de bewustwording en kennis op het gebied van cyberveiligheid door concrete initiatieven op te zetten; wijst er in dit verband op dat menselijk kapitaal op alle niveaus moet worden ontwikkeld om de gevaren voor de cyberveiligheid door opleiding, onderwijs en bewustmaking te verminderen, dat passende strafrechtelijke en transnationale kaders moeten worden opgezet om cybercriminaliteit te bestrijden, en dat actief moet worden deelgenomen aan internationale fora zoals het wereldforum inzake digitale beveiliging van de OESO;

23.  wijst op de mogelijkheden die digitalisering biedt om het verschil in sociale inclusie, toegang tot informatie en economisch isolement in de perifere regio's te verkleinen;

Digitalisering: instrument voor duurzame ontwikkeling

24.  is ingenomen met het plan voor externe investeringen van de EU waarmee investeringen in innovatieve digitale oplossingen voor lokale behoeften, financiële inclusie en fatsoenlijke werkgelegenheid worden bevorderd; wijst erop dat digitalisering een belangrijke investeringsmogelijkheid vormt en dat blending op basis van samenwerking met Europese en internationale financiële instellingen en de particuliere sector dan ook een belangrijk instrument zou zijn in de ontsluiting van financiële middelen;

25.  verzoekt de Commissie met nieuwe initiatieven te komen met bijzondere aandacht voor het ontwikkelen van digitale infrastructuur, stimuleren van e-governance en digitale vaardigheden, versterken van de digitale economie en bevorderen van ecosystemen voor startende bedrijven, en met een centrale rol voor de SDG's, met inbegrip van financieringsmogelijkheden voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, waardoor zij in staat worden gesteld op digitale wijze te communiceren met multinationale ondernemingen en toegang te krijgen tot mondiale waardeketens;

26.  roept de Commissie op digitale technologieën en diensten te blijven mainstreamen in het ontwikkelingsbeleid van de EU, zoals beschreven in onder andere de D4D-agenda; benadrukt dat het gebruik van digitale technologieën in specifieke beleidsdomeinen, waaronder e‑governance, landbouw, onderwijs, waterbeheer, gezondheid en energie, bevorderd moet worden;

27.  verzoekt de Commissie de investeringen in digitale infrastructuur in ontwikkelingslanden uit te breiden om de aanzienlijke digitale kloof te dichten op een op beginselen gebaseerde en ontwikkelingsbevorderende manier;

28.  herinnert eraan dat in ontwikkelingslanden micro-, kleine en middelgrote ondernemingen het grootste deel van de bedrijven uitmaken en de meeste werknemers in de productie- en de dienstensector bij deze bedrijven in dienst zijn; herinnert eraan dat het vereenvoudigen van goed gereguleerde grensoverschrijdende elektronische handel een directe invloed zal hebben op verbetering van de levensomstandigheden, bevordering van de werkgelegenheid en een hogere levensstandaard en stimulering van de economische ontwikkeling; herhaalt dat dergelijke inspanningen een bijdrage zouden leveren aan gendergelijkheid, aangezien een groot aantal van dergelijke bedrijven eigendom is van vrouwen en door vrouwen wordt gerund; benadrukt dat de juridische, administratieve en sociale belemmeringen voor ondernemerschap moeten worden weggewerkt, in het bijzonder voor vrouwen; dringt erop aan dat digitalisering ook wordt gebruikt om onderwijs en capaciteitsopbouw voor ondernemerschap in ontwikkelingslanden te bevorderen en een gunstig klimaat te scheppen voor startende ondernemingen en innovatieve bedrijven;

29.  benadrukt dat een halt moet worden toegeroepen aan de handel in mineralen waarvan de opbrengst voor gewapende conflicten wordt gebruikt of die door dwangarbeiders worden ontgonnen; herinnert eraan dat coltan een belangrijke grondstof is voor de meeste elektronische apparaten (bijvoorbeeld smartphones) en dat de burgeroorlog die ten gevolge van zijn winning, ontginning en illegale handel in het Grote Merengebied in Afrika en met name in de Democratische Republiek Congo, is uitgebroken, al meer dan 8 miljoen slachtoffers heeft geëist; dringt aan op de beëindiging van de uitbuiting van minderjarigen in de coltanmijnen en van de illegale handel in coltan, ten gunste van een correcte winning waarvan de opbrengsten ten goede komen aan de plaatselijke bevolking;

30.  wijst erop dat digitale technologieën mogelijke voordelen kunnen bieden aan de grootste sector van de economie in Afrika, de landbouw; benadrukt dat digitale platforms in ontwikkelingslanden kunnen worden gebruikt om landbouwers te informeren over marktprijzen en hen in contact te brengen met potentiële kopers, en hun praktische informatie kunnen bieden over groeimethoden en marktontwikkelingen, weergegevens en waarschuwingen en adviezen betreffende planten- en dierenziekten; wijst er echter op dat in een wereld waarin de landbouw almaar kennisintensiever en hightech wordt, digitale landbouw in ontwikkelingslanden ook enorme ontwrichtende gevolgen kan hebben op sociaal en milieugebied, omdat misschien alleen grote en geïndustrialiseerde landbouwbedrijven, die op de exportmarkt en in commerciële teelten actief zijn, toegang zullen hebben tot de meest recente technologie en de kleinschalige landbouw door beperkte kennis en vaardigheden nog verder gemarginaliseerd kan raken;

31.  dringt erop aan de EU-financiering voor landbouw in ontwikkelingslanden af te stemmen op de transformatieve aard van Agenda 2030 en de Overeenkomst van Parijs, en bijgevolg ook op de conclusies van de internationale beoordeling van landbouwkennis, wetenschap en technologie voor ontwikkeling (IAASTD) en de aanbevelingen van de speciale VN‑rapporteur voor het recht op voedsel; benadrukt dat dit inhoudt dat ter bevordering van lokale voedselsystemen en kleinschalige landbouw moet worden ingezien dat de landbouw een multifunctioneel karakter heeft, en dat er snel een overstap moet worden gemaakt van een op het gebruik van chemische middelen gebaseerde monocultuur naar op agro‑ecologische landbouwmethoden gebaseerde, gediversifieerde, duurzame landbouw, ter bevordering van lokale voedselsystemen en kleinschalige landbouw;

32.  wijst erop dat ICT‑middelen kunnen worden gebruikt voor de verspreiding van informatie die cruciaal kan zijn in het geval van zowel natuurrampen als door technologie veroorzaakte rampen en noodsituaties, alsook in kwetsbare en door conflicten getroffen gebieden; benadrukt dat digitale technologieën gemeenschappen met lage inkomens en andere kwetsbare gemeenschappen toegang kunnen geven tot basisvoorzieningen van goede kwaliteit (zoals gezondheidszorg, onderwijs, water, sanitaire voorzieningen en elektriciteit), evenals tot humanitaire hulp en andere publieke en particuliere diensten; wijst op het belang van de bestrijding van desinformatie online (fake news) en benadrukt dat er als reactie op deze uitdagingen specifieke programma's voor mediageletterdheid moeten komen;

33.  onderstreept dat technologische innovatie in humanitaire bijstand, vooral in het geval van gedwongen verhuizingen, prioriteit heeft met het oog op duurzame oplossingen die mensen stabiliteit en waardigheid in hun leven brengen, en de koppeling tussen humanitaire hulp en ontwikkeling kan ondersteunen; is ingenomen met wereldwijde initiatieven ter bevordering van humanitaire innovatie, zoals de Global Alliance for Humanitarian Innovation (GAHI), het Humanitarian Innovation Fund (HIF) en Global Pulse van de VN, en roept de EU op het gebruik van open gegevens te stimuleren en ruime ondersteuning te bieden aan de wereldwijde gemeenschappen van softwareontwikkelaars en ‑programmeurs die praktische opensourcetechnologie bouwen met het oog op oplossingen voor internationale ontwikkelings- en humanitaire problemen;

34.  benadrukt dat arme en geïsoleerde gemeenschappen en personen met een beperking middels digitale technologieën zoals sms en mobieletelefoonapps de beschikking kunnen krijgen over nieuwe instrumenten voor het rondsturen van belangrijke informatie; wijst op het potentieel van mobieletelefoontechnologie, die voordelen kan bieden zoals lagere toegangskosten dankzij een uitgebreidere netwerkdekking, gebruiksvriendelijkheid en lagere kosten voor telefoongesprekken en sms berichten; wijst er echter ook op dat mobiele telefoontoestellen gezondheids- en milieurisico's inhouden, met name door de ontginning van mineralen en de toename van het elektronisch en elektrisch afval; beklemtoont dat digitalisering de democratie zowel kan versterken als ondermijnen, en vraagt de EU om grondig na te denken over deze risico’s om misbruik van digitale technologieën te voorkomen bij de bevordering van het gebruik van technologische innovatie in de ontwikkelingshulp, en om het gebruik van internetgovernance te stimuleren;

35.  onderstreept dat een duurzaam ecosysteem voor de digitale economie gecreëerd moet worden om de ecologische impact van de digitalisering te beperken door een efficiënt gebruik van hulpbronnen te ontwikkelen in zowel de digitale als de energiesector, met name door prioriteit te geven aan de circulaire economie; vraagt om in het plan voor externe investeringen (EIP) producentenverantwoordelijkheid te ondersteunen, met name door kmo's te steunen die activiteiten ontwikkelen op het gebied van hergebruik, reparatie en renovatie, en die terugnameregelingen opnemen in hun zakelijke activiteiten met het oog op de verwijdering van gevaarlijke onderdelen in elektrische en elektronische apparatuur; vraagt om het consumentenbewustzijn over de milieueffecten van elektronische toestellen te versterken en de producentenverantwoordelijkheid in de productie van elektrische en elektronische apparaten effectief aan te pakken; beklemtoont evenzeer dat statistieken over elektronisch afval en nationale beleidsmaatregelen inzake elektronisch en elektrisch afval ("e‑afval)" in de ontwikkelingslanden moeten worden ondersteund om de productie van e‑afval zo klein mogelijk te houden, illegale dumping en verkeerde verwerking van e‑afval te voorkomen, recycling aan te moedigen en banen te creëren in de renovatie- en recyclingsector;

36.  erkent dat digitale technologieën voor de energiesector innovatieve instrumenten zijn om het hulpmiddelengebruik te optimaliseren; wijst er echter op dat digitale technologieën een aanzienlijke ecologische voetafdruk hebben omdat ze gebruikmaken van energie (de CO2‑emissies van digitale technologie worden geraamd op 2‑5 % van de totale emissies) en metalen (zoals zilver, kobalt, koper en tantaal), wat vragen oproept omtrent hun duurzaamheid op lange termijn; wijst er nogmaals op dat een verschuiving in de productie- en consumptiepatronen noodzakelijk is om de klimaatverandering tegen te gaan;

37.  erkent de rol die digitale technologie kan spelen bij het bevorderen van de democratie en burgerparticipatie bij besluitvorming;

38.  benadrukt dat er informatieve digitale overheidsplatformen moeten worden opgezet en gebruikt die de burgers beter in staat stellen ten volle op de hoogte te zijn van hun rechten, alsook van de diensten die de overheid de burgers biedt;

39.  wijst erop dat elektronische overheidstoepassingen snellere en goedkopere toegang tot openbare diensten mogelijk maken, zorgen voor een hogere consistentie en meer tevredenheid bij burgers, de samenhang en activiteiten van het maatschappelijk middenveld bevorderen, en zorgen voor meer transparantie, waardoor sterk wordt bijgedragen aan de bevordering van democratisering en de bestrijding van corruptie; wijst op het cruciale belang van technologie en digitalisering voor een doeltreffend fiscaal beleid en een effectieve belastingdienst, waardoor binnenlandse middelen beter kunnen worden gemobiliseerd en belastingontduiking en fiscale fraude beter kunnen worden bestreden; benadrukt dat het noodzakelijk is om veilige digitale identiteiten te creëren, zodat eenvoudiger kan worden vastgesteld hoeveel mensen behoefte hebben aan bepaalde basisdiensten;

40.  spoort ertoe aan de mogelijkheden van digitale technologie te benutten om de officiële geboorte-, overlijdens- en huwelijksregistratie te verbeteren; beklemtoont dat er volgens ramingen van UNICEF in Sub-Sahara-Afrika alleen al 95 miljoen zogenaamde "spookkinderen" zijn(7) van wie de geboorte niet is aangegeven en die dus niet over een geboorteakte beschikken, waardoor zij juridisch niet worden erkend en daarmee samenhangend vanaf de geboorte en als volwassene sociaal niet bestaan, waardoor de nationale demografische gegevens niet kloppen, wat aanzienlijke gevolgen heeft bij de beoordeling van de behoeften van de bevolking, met name op het gebied van toegang tot onderwijs of gezondheidszorg;

41.  erkent de centrale rol van digitale technologie in het beheer van gezondheidsvoorzieningen, noodrespons bij epidemieën, de verspreiding van voorlichtingscampagnes over volksgezondheid, de openbare toegang tot gezondheidsvoorzieningen en de opleiding van gezondheidsmedewerkers, de ondersteuning en bevordering van basisonderzoek en de ontwikkeling van gezondheids- en e‑gezondheidsinformatiediensten; verzoekt beleidsmakers dan ook beleids- en regelgevingskaders op te stellen waarmee e‑gezondheidsprojecten kunnen worden opgeschaald; verzoekt de Commissie te voorzien in de hiervoor vereiste financiële middelen;

42.  is opgetogen over het onlineprogramma "DEVCO Academy" dat onlineopleidingen biedt voor EU‑partners; roept op om meer opleidingsprogramma's te ontwikkelen voor plaatselijke verantwoordelijken en om procedures op te zetten voor het aanvragen voor EU‑subsidies zodat deze partners een beter inzicht krijgen in de verwachtingen, doelstellingen en voorwaarden en zo een grotere kans maken dat hun projecten worden aanvaard; beklemtoont dat dergelijke initiatieven, op voorwaarde dat ze gemakkelijk toegankelijk, doeltreffend en ter zake doend zijn, een positieve impact zouden hebben op de opname van steun en op het imago van de EU bij haar partners;

o
o   o

43.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Dienst voor Extern Optreden.

(1) PB C 210 van 30.6.2017, blz. 1.
(2) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 22.
(3) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 106.
(4) Studie van UNEP en Interpol, "The Rise of Environmental Crime: a growing Threat to Natural Resources, Peace, Development and Security", 2016.
(5) UNCTAD, "South-South Digital Cooperation for Industrialisation: A Regional Integration Agenda", 2017.
(6) Algemene vergadering van de VN, GA/RES/70/125.
(7) https://www.unicef.org/french/publications/files/UNICEF_SOWC_2016_French_LAST.pdf

Juridische mededeling - Privacybeleid