Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 13 december 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Snelle afhandeling van handelsgeschillen
 Vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie en het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma ***I
 Vaststelling van het programma Digitaal Europa voor de periode 2021-2027 ***I
 Overeenkomst tussen de VS en de EU betreffende samenwerking op het gebied van de regulering van de burgerluchtvaartveiligheid ***
 Gemeenschappelijk stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten *
 Vennootschapsbelasting op een aanzienlijke digitale aanwezigheid *
 Iran, met name de zaak van Nasrin Sotoudeh
 Egypte, met name de situatie van mensenrechtenactivisten
 Tanzania
 Blockchain: een toekomstgericht handelsbeleid
 Gepastheid van de door Japan geboden bescherming van persoonsgegevens
 Belangenconflict en de bescherming van de EU-begroting in Tsjechië
 Werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2017
 Beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften in 2017

Snelle afhandeling van handelsgeschillen
PDF 153kWORD 56k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018 met aanbevelingen aan de Commissie over snelle afhandeling van handelsgeschillen (2018/2079(INL))
P8_TA(2018)0519A8-0396/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 67, lid 4, VWEU en artikel 81, lid 2, VWEU,

–  gezien artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest"),

–  gezien de studie van het directoraat-generaal Intern Beleid getiteld "Building Competence in Commercial Law in the Member States",

–  gezien het EU-scorebord voor justitie van 2018,

–  gezien de "Beginselen inzake gerechtelijke opleiding" van het Europees netwerk voor justitiële opleiding(1) (ENJO) van 2016,

–  gezien het acquis van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken,

–  gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0396/2018),

A.  overwegende dat het recht op een eerlijke en openbare behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn, zoals verankerd in artikel 47 van het Handvest en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, een van de basisgaranties van de rechtsstaat en de democratie vormt en onlosmakelijk verbonden is met burgerlijke rechtsvordering in het algemeen;

B.  overwegende dat de invoering van een versnelde Europese civiele procedure een bijdrage kan leveren aan de modernisering van nationale procedures, aan een gelijk speelveld voor ondernemingen en aan economische groei door middel van doeltreffende en efficiënte rechtsstelsels, en tevens de toegang tot de rechter in de Unie kan verbeteren en de eerbiediging van de fundamentele vrijheden van de Unie kan bevorderen;

C.  overwegende dat het scorebord voor justitie van 2018 heeft aangetoond dat de toegang tot de rechter, met name voor arme burgers, in belangrijke mate afhangt van de beschikbaarheid van rechtsbijstand en de hoogte van de te betalen griffiekosten;

D.  overwegende dat justitiële samenwerking wordt bevorderd, ondersteund en aangemoedigd door verscheidene procedurele handelingen van afgeleid Unierecht, waaronder de verordening inzake geringe vorderingen, de richtlijn rechtsbijstand, de verordening bewijsverkrijging en de verordening inzake de betekening en de kennisgeving van stukken;

E.  overwegende dat justitiële samenwerking tussen de lidstaten onder meer tot doel heeft om de volledige eerbiediging van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces in grensoverschrijdende zaken te waarborgen, om ook in die situaties doeltreffende en soepele gerechtelijke procedures te garanderen en wederzijds vertrouwen in rechtsstelsels tot stand te brengen, hetgeen de basis vormt voor verdere wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in de gehele Unie;

F.  overwegende dat vele kwesties met betrekking tot het procesrecht op het gebied van civiele rechtspraak op nationaal niveau zijn geregeld, en dat het procesrecht op dit gebied van lidstaat tot lidstaat verschilt, wat in overeenstemming is met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; overwegende dat een versnelde procedure kan leiden tot de nodige onderlinge aanpassing van procedurele regelingen in de Unie;

G.  overwegende dat de samenwerking tussen de autoriteiten en de rechtsstelsels van de lidstaten op Unieniveau moet worden geïntensiveerd om eventuele obstakels die kunnen voortvloeien uit onverenigbaarheden tussen verschillende rechts- en administratieve stelsels weg te nemen;

H.  overwegende dat in de Brussel I-verordening de basisregels zijn vastgelegd voor de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in grensoverschrijdende burgerlijke en handelszaken in de Unie; overwegende dat de herschikte versie, die sinds 2015 van toepassing is (Brussel I bis), een aantal aanpassingen heeft doorgevoerd die van belang zijn voor de beslechting van grensoverschrijdende geschillen in de Unie, wat heeft geleid tot lagere kosten en tijdwinst voor zowel ondernemingen als burgers;

I.  overwegende dat de Rome I-verordening regels vaststelt betreffende het recht dat van toepassing is op civiele en commerciële contractuele verplichtingen;

J.  overwegende dat procedureregels zowel de bescherming van de rechten van de partijen als een snelle beslechting van geschillen moeten waarborgen;

K.  overwegende dat de beslechting van handelsgeschillen door openbare rechtbanken in de lidstaten over het algemeen traag verloopt en niet voldoet aan de verwachtingen van de bij de handelsgeschillen betrokken partijen, hetgeen nog duidelijker is geworden door de invoering van de Europese procedure voor geringe vorderingen, die daarentegen wel tot een aanzienlijk snellere beslechting van consumentengeschillen heeft geleid; overwegende dat een goed gebruik van informatie- en communicatietechnologieën in rechterlijke instanties de procedures vooruit kan helpen en kosten kan beperken;

L.  overwegende dat de trage beslechting van handelsgeschillen in de Unie ertoe kan leiden dat commerciële partijen op zoek gaan naar alternatieve geschillenbeslechting of geschillenbeslechting in een derde land en ervoor kiezen het nationale recht van een derde land toe te passen op contracten;

M.  overwegende dat hoogwaardige beslechting van handelsgeschillen afhankelijk is van een hoog competentieniveau en uitgebreide ervaring van rechters en advocaten en beoefenaars van juridische beroepen op dit gebied;

N.  overwegende dat de beschikbaarheid van een snelle en kostenefficiënte versnelde procedure, ondersteund door zeer ervaren en bekwame rechters en advocaten in de lidstaten, het besluit om te kiezen voor het nationale recht van een lidstaat waarschijnlijker zou maken en bijgevolg de bevoegdheid met betrekking tot burgerlijke en handelszaken in de lidstaten zou verrijken;

O.  overwegende dat het aangewezen is een passende oplossing te vinden voor de verschillende taalregelingen, bijvoorbeeld in de vorm van geharmoniseerde formulieren die in alle officiële talen van de Unie beschikbaar zijn;

P.  overwegende dat in handelszaken gespecialiseerde rechtbanken en kamers zullen zorgen voor een hoger bevoegdheids- en onafhankelijkheidsniveau in dergelijke zaken en daarom dergelijke zaken naar de rechtbanken van de lidstaten zullen trekken;

1.  merkt op dat de beslechting van handelsgeschillen veel trager verloopt dan mogelijk zou zijn en gemiddeld drie tot vier jaar duurt, en dat dit leidt tot aanzienlijke verliezen voor ondernemingen, niet alleen in economisch opzicht maar ook wat betreft tijd, energie en andere middelen die aan andere doeleinden hadden kunnen worden besteed;

2.  benadrukt dat het recht van de partijen op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, volledig moet worden geëerbiedigd en dat de hoge kwaliteit van gerechtelijke procedures in handelszaken moet worden gewaarborgd;

3.  wijst op de succesvolle tenuitvoerlegging van de Europese procedure voor geringe vorderingen, waarmee consumenten- en andere grensoverschrijdende geschillen over kleine bedragen binnen de Unie op snelle en kosteneffectieve wijze kunnen worden beslecht met inachtneming van de bescherming van de rechten van de partijen;

4.  benadrukt dat wederzijds vertrouwen een complex begrip is en dat er veel factoren meespelen bij het opbouwen van dat vertrouwen, zoals gerechtelijke opleiding en bijscholing, grensoverschrijdende justitiële samenwerking en de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken tussen rechters;

5.  benadrukt dat, met het oog op een eerlijk proces en toegang tot de rechter, samenwerkingsnetwerken en databanken ter bevordering van justitiële samenwerking en informatie-uitwisseling behouden moeten blijven en verder moeten worden uitgebreid, met inbegrip van het Europees justitieel netwerk en het Europees e-justitieportaal, dat een centraal aanspreekpunt moet worden op het gebied van justitie in de Unie;

6.  is van mening dat de vaststelling van een verordening die vergelijkbaar is met de Europese procedure voor geringe vorderingen, namelijk een inzake de versnelde Europese civiele procedure die van toepassing is op grensoverschrijdende handelsgeschillen, de beste manier is om de lange wachttijden voor handelsgeschillen in de Unie het hoofd te bieden en kan leiden tot grote besparingen voor Europese ondernemingen en de mobilisatie van ongebruikt kapitaal;

7.  betoogt dat commerciële partijen in een betere positie zouden verkeren om te betalen voor vertegenwoordiging en zich op een rechtszaak voor te bereiden en dus beter in staat zouden zijn om hun rechten te beschermen, wat een versnelde procedure mogelijk zou maken;

8.  merkt op dat een dergelijke procedure kan voortbouwen op de vereisten voor een grondige voorbereiding van de partijen alvorens de procedure begint, strikte termijnen, beperkte mogelijkheden om tijdens de procedure feiten of bewijsmateriaal toe te voegen en de onmogelijkheid om afzonderlijk beroep aan te tekenen tegen procedurele beslissingen, wat een versnelde procedure mogelijk zou maken;

9.  is van mening dat een dergelijk strikt procedureel systeem verenigbaar is met de bescherming van de rechten van de partijen, op voorwaarde dat de versnelde Europese civiele procedure vrijwillig is en uitsluitend van toepassing is:

   indien de partijen zijn overeengekomen gebruik te maken van de procedure nadat het geschil is ontstaan, of
   indien de verweerder aanvaardt deel te nemen aan de procedure nadat de eiser een vordering heeft ingesteld in het kader van de versnelde Europese civiele procedure, mits de verweerder voldoende tijd heeft om zich vóór aanvang van de procedure naar behoren voor te bereiden;

10.  is van mening dat de versnelde Europese civiele procedure in ieder geval slechts van toepassing moet zijn indien de partijen vooraf naar behoren in kennis zijn gesteld van de gevolgen van het verlenen van toestemming om van een dergelijke procedure gebruik te maken; is van oordeel dat de kosten van de versnelde Europese civiele procedure niet buitensporig mogen zijn voor de partijen, teneinde de eerbiediging van het recht op toegang tot de rechter te waarborgen;

11.  benadrukt dat de partijen bij een geschil vaak pas tot een minnelijke schikking komen wanneer de omstandigheden en argumenten volledig zijn uiteengezet, wat betekent dat in een procedureel systeem dat de partijen ertoe verplicht de omstandigheden te onderzoeken en hun argumenten verder te ontwikkelen alvorens naar de rechter te stappen, meer geschillen in een eerder stadium in der minne worden geschikt;

12.  merkt op dat het doel om handelsgeschillen in de Unie sneller en op kosteneffectievere wijze te beslechten, niet alleen kan worden bereikt door de invoering van een geharmoniseerd versneld procedureel systeem; wijst erop dat er behoefte is aan rechtbanken, rechters, advocaten en beoefenaars van juridische beroepen met veel expertise en ervaring op het gebied van handelsrecht en internationaal privaatrecht om een dergelijk procedureel systeem doeltreffend te maken;

13.  wijst op de huidige verschillen in rechtskeuze op het gebied van handelscontracten tussen de verschillende Europese rechtsgebieden;

14.  merkt op dat keuze voor het toepasselijke recht vaak gebaseerd is op complexe overwegingen, maar dat de combinatie van buitenlands recht en een buitenlandse rechtbank een partij vaak blootstelt aan aanzienlijke economische risico's, en dat dergelijke bepalingen in het bijzonder betwistbaar zijn indien ze zijn overeengekomen in het kader van standaardcontracten of in situaties waarin een van de partijen weinig of geen kans heeft om de overeenkomst op dat punt te beïnvloeden;

15.  begrijpt dat taalbarrières een extra obstakel kunnen vormen en dus nog een reden kunnen zijn om voor een bepaald recht te kiezen;

16.  onderstreept dat de beschikbaarheid van uniforme standaardformulieren, die in alle officiële talen van de Unie beschikbaar zijn, de toegang tot de versnelde Europese civiele procedure zou vergemakkelijken;

17.  stelt voor om, teneinde uniforme standaardformulieren te waarborgen, de Commissie uitvoeringsbevoegdheden toe te kennen die worden uitgeoefend overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" van 13 april 2016;

18.  verzoekt de Commissie na te gaan of het nodig is de verordeningen Rome I, Rome II en Brussel I bis te herzien om het verband tussen het doel en het voorwerp van contracten en de gekozen wetgeving te versterken en tegelijkertijd te waarborgen dat de zwakkere partijen in relaties en contracten tussen ondernemingen worden beschermd, en de autonomie van de partijen bij de rechtskeuze in stand te houden;

19.  benadrukt dat wetgevende maatregelen alleen niet voldoende zijn om deze kwesties aan te pakken, maar dat er ook praktische maatregelen ter vergroting van de expertise van zowel rechtbanken als advocaten nodig zijn, zoals een betere opleiding in handelszaken en betere toegang tot het recht van de Unie en het nationale recht van de lidstaten, in het bijzonder de rechtspraak;

20.  merkt op dat het handelsrecht en het internationaal privaatrecht gebieden zijn die minder gecodificeerd zijn dan andere rechtsgebieden, wat betekent dat er een belangrijkere rol is weggelegd voor academisch onderzoek en dat een van de maatregelen ter versterking van de bevoegdheid in handelszaken in de lidstaten dus het beschikbaar stellen van meer middelen voor onderzoek op dit gebied is;

21.  is dan ook verheugd over de negen beginselen inzake gerechtelijke opleiding die door het ENJO tijdens zijn algemene vergadering van 2016 zijn aangenomen, omdat deze beginselen een gemeenschappelijk fundament en kader vormen voor zowel de rechterlijke macht als de gerechtelijke opleidingsinstituten in Europa;

22.  benadrukt dat ook de kwaliteit van het recht dat op handelszaken van toepassing is en de mate van aanpassing ervan aan de praktijken en ontwikkelingen in de handelssector van groot belang zijn;

23.  verzoekt de Commissie daarom op grond van artikel 225 VWEU om vóór 1 januari 2020 op basis van artikel 81, lid 2, VWEU een voorstel in te dienen voor een wetgevingshandeling betreffende een versnelde Europese civiele procedure en, overeenkomstig de in de bijlage uiteengezette aanbevelingen, na een beoordeling door de Commissie van de noodzaak van een dergelijke herziening, een mogelijk voorstel tot wijziging van de verordeningen Rome I, Rome II en Brussel I bis;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten deze voorstellen aan te vullen met andere ondersteunende maatregelen die tot doel hebben de expertise van de lidstaten op het gebied van handelsrecht en internationaal privaatrecht te vergroten;

25.  bevestigt dat in de bij deze resolutie gevoegde aanbevelingen de grondrechten, het beginsel van nationale procedurele autonomie en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden geëerbiedigd;

26.  is van mening dat eventuele financiële gevolgen van het voorstel, met name de kosten van in het kader van de versnelde Europese civiele procedure ingestelde procedures, worden gecompenseerd door navenante besparingen, aangezien de versnelde Europese civiele procedure waarschijnlijk aanzienlijk kosteneffectiever is dan de gewone procedures van de lidstaten en de geschillen in kwestie niet zouden worden opgenomen in het algemene procedurele systeem van de betrokken lidstaat;

27.  benadrukt dat het handelsrecht slechts een van de gebieden is waarop verdere maatregelen op Unieniveau noodzakelijk zijn om te zorgen voor een betere toegang tot de rechter, een hogere kwaliteit van procedures, sterkere waarborgen voor de partijen en een snellere beslechting van geschillen;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN VOOR MAATREGELEN OM EEN VERSNELDE EUROPESE CIVIELE PROCEDURE IN TE VOEREN EN TE ONDERSTEUNEN

BEGINSELEN EN DOELSTELLINGEN VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

I.  Versnelde Europese civiele procedure

Het belangrijkste doel van het voorstel is de invoering van een vrijwillige versnelde Europese civiele procedure, teneinde Europese bedrijven de mogelijkheid te bieden om binnen een redelijke termijn tot de beslechting te komen van zuiver commerciële geschillen tussen ondernemingen met een grensoverschrijdend karakter.

Een versnelde Europese civiele procedure kan worden gebaseerd op de volgende beginselen:

1.  de procedure moet van toepassing zijn op grensoverschrijdende handelsgeschillen waarop de Europese procedure voor geringe vorderingen niet van toepassing is;

2.  de procedure moet van toepassing zijn indien de partijen aldus zijn overeengekomen na het ontstaan van het geschil of wanneer de eiser een vordering uit hoofde van de procedure inleidt en de verweerder deze aanvaardt;

3.  de procedure moet slechts van toepassing zijn indien de partijen vooraf naar behoren in kennis zijn gesteld van de gevolgen van het verlenen van toestemming om van deze procedure gebruik te maken;

4.  de procedure moet de partijen ertoe verplichten hun vorderingen grondig voor te bereiden alvorens naar de rechter te stappen, alsook vanaf een vroeg stadium verbieden dat er in gerechtelijke procedures nieuwe feiten of nieuw bewijsmateriaal worden aangevoerd;

5.  de procedure mag geen afzonderlijk beroep tegen procedurele beslissingen toestaan;

6.  de procedure kan in beginsel schriftelijk zijn, waarbij mondelinge behandeling mogelijk is als ten minste een van de partijen daarom verzoekt;

7.  de procedure moet in beginsel zeer korte termijnen op de procedure toepassen, waarbij de rechter, in overleg met de partijen, langere termijnen kan hanteren in geval van grotere complexiteit;

8.  de procedure moedigt een (buiten)gerechtelijke minnelijke schikking van grensoverschrijdende handelsgeschillen aan, onder meer via bemiddeling;

9.  de procedure moedigt het gebruik van moderne technologieën aan met het oog op mondelinge behandeling, bewijsverkrijging en betekening en kennisgeving van stukken;

10.  de kosten van de procedure moeten worden beperkt om de eerbiediging van het recht op toegang tot de rechter te waarborgen;

11.  de procedure maakt de erkenning en tenuitvoerlegging van de definitieve beslissing in het kader van de procedure mogelijk op de eenvoudigste en meest gebruiksvriendelijke manier uit hoofde van het Unierecht.

II.  Mogelijke wijzigingen van de verordeningen Rome I, Rome II en Brussel I bis

Het voorstel voor een versnelde Europese civiele procedure kan worden ondersteund door een voorstel tot wijziging van de verordeningen Rome I, Rome II en Brussel I bis om het doel van overeenkomsten en het binnen de Unie gekozen recht beter op elkaar af te stemmen en om de partijen bij zuiver commerciële contracten meer autonomie te geven, zonder afbreuk te doen aan de bescherming van de zwakkere partijen in relaties tussen ondernemingen.

Mogelijke wijzigingen in de Rome I-verordening:

1.  overweging van een versterking van het verband tussen het gekozen recht en de inhoud en het doel van het contract en de partijen;

2.  heroverweging van de regels die van toepassing zijn op de geldigheid van een rechtskeuze, op grond van het standaardrecht dat op het contract van toepassing is.

III.  Andere maatregelen ter versterking van de bevoegdheid in handelszaken in de lidstaten

1.  Deze voorstellen moeten verder worden ondersteund door acties van de Commissie en de lidstaten om de bevoegdheid in handelszaken te versterken, zoals:

a)  de opleiding van rechters en advocaten en beoefenaars van juridische beroepen in handelszaken;

b)  vereenvoudigde en betere toegang tot het recht van de Unie en het nationale recht van de lidstaten, met inbegrip van de rechtspraak;

c)  meer aandacht voor het handelsrecht en het internationaal privaatrecht in het juridisch onderwijs;

d)  aanvullende middelen voor academisch onderzoek op het gebied van het handelsrecht en het internationaal privaatrecht; en

e)  de beheersing van een vreemde taal en de rechtsterminologie in die taal.

2.  Daarnaast wordt de lidstaten verzocht ervoor te zorgen dat de rechtbanken die gebruikmaken van de versnelde Europese civiele procedure over specifieke bevoegdheid op het gebied van het handelsrecht beschikken, bijvoorbeeld door handelsrechtbanken of -kamers aan te wijzen of, indien deze al bestaan, te versterken.

3.  Voorts wordt de Commissie verzocht verder te onderzoeken of het mogelijk is een Europese handelsrechtbank op te richten om de rechtbanken van de lidstaten aan te vullen en rechtzoekenden een aanvullend internationaal forum te bieden dat gespecialiseerd is in de beslechting van handelsgeschillen.

4.  Als laatste maatregel wordt de lidstaten verzocht te overwegen hun wetgeving op het gebied van handelszaken in relaties tussen ondernemingen te herzien, aangezien de mate van doeltreffendheid en de kwaliteit van het handelsrecht van een land belangrijke factoren voor rechtskeuze zijn.

(1) http://www.ejtn.eu/PageFiles/15756/Judicial%20Training%20Principles_EN.pdf


Vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie en het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma ***I
PDF 348kWORD 111k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 13 december 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie en het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 377/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU (COM(2018)0447 – C8-0258/2018 – 2018/0236(COD))(1)
P8_TA(2018)0520A8-0405/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Ontwerpwetgevingsresolutie   Amendement
Amendement 1
Ontwerpwetgevingsresolutie
Visum 5 bis (nieuw)
–   gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016, getiteld "Connectiviteit voor een competitieve digitale eengemaakte markt – Naar een Europese gigabitmaatschappij" (COM(2016)0587) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0300),
Amendement 2
Ontwerpwetgevingsresolutie
Visum 5 ter (nieuw)
–   gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016, getiteld "5G voor Europa: een actieplan" (COM(2016)0588) en het begeleidend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0306),
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Ruimtevaarttechnologie, -gegevens en -diensten zijn onmisbaar geworden in het dagelijks leven van de Europeanen en spelen een essentiële rol in de instandhouding van tal van strategische belangen. De ruimtevaartindustrie van de Unie is reeds een van de meest concurrerende ter wereld. De opkomst van nieuwe spelers en de ontwikkeling van nieuwe technologieën brengen echter een omwenteling teweeg in de traditionele industriële modellen. Het is derhalve van cruciaal belang dat de Unie een leidende speler op het wereldtoneel blijft met een ruime vrijheid van handelen op het gebied van de ruimtevaart, dat zij wetenschappelijke en technische vooruitgang aanmoedigt en het concurrentie- en innovatievermogen van de bedrijfstakken van de ruimtevaartsector in de Unie ondersteunt, met name kleine en middelgrote ondernemingen, start-ups en innovatieve ondernemingen.
(1)  Ruimtevaarttechnologie, -gegevens en -diensten zijn onmisbaar geworden in het dagelijks leven van de Europeanen en spelen een essentiële rol in de instandhouding van tal van strategische belangen. De ruimtevaartindustrie van de Unie is reeds een van de meest concurrerende ter wereld. De opkomst van nieuwe spelers en de ontwikkeling van nieuwe technologieën brengen echter een omwenteling teweeg in de traditionele industriële modellen. Het is derhalve van cruciaal belang dat de Unie een leidende speler op het wereldtoneel blijft met een ruime vrijheid van handelen op het gebied van de ruimtevaart, dat zij wetenschappelijke en technische vooruitgang aanmoedigt en het concurrentie- en innovatievermogen van de bedrijfstakken van de ruimtevaartsector in de Unie ondersteunt, en met name kleine en middelgrote ondernemingen, start-ups en innovatieve ondernemingen. Tegelijkertijd is het belangrijk om een passende omgeving tot stand te brengen waarin ondernemingen die actief zijn in de ruimtevaartsector, op gelijke voet kunnen concurreren.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  De ontwikkeling van de ruimtevaartsector is van oudsher gekoppeld aan veiligheid. In veel gevallen zijn de uitrusting, onderdelen en instrumenten die worden gebruikt in de ruimtevaartsector goederen voor tweeërlei gebruik. De mogelijkheden die de ruimtevaart biedt voor de veiligheid van de Unie en haar lidstaten moeten derhalve worden benut.
(2)  De ontwikkeling van de ruimtevaartsector is van oudsher gekoppeld aan veiligheid. In veel gevallen kunnen de uitrusting, onderdelen en instrumenten die in de ruimtevaartsector worden gebruikt, op meerdere gebieden worden ingezet. De mogelijkheden die de ruimtevaart en autonome toegang tot de ruimte bieden op het gebied van de veiligheid en onafhankelijkheid van de Unie en haar lidstaten moeten derhalve worden benut.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  De Unie heeft sinds het eind van de jaren 1990 op het vlak van de ruimtevaart haar eigen initiatieven en programma's ontwikkeld, namelijk het Europees overlaysysteem voor geostationaire navigatie (Egnos) en vervolgens Galileo en Copernicus, die tegemoetkomen aan de behoeften van de EU-burgers en de vereisten van het overheidsbeleid. Niet alleen moet de continuïteit van deze initiatieven worden gewaarborgd, ze moeten ook worden verbeterd, zodat ze een prominente rol blijven spelen in het licht van nieuwe technologische ontwikkelingen en de veranderingen in de digitale, informatie- en communicatietechnologie, voldoen aan de nieuwe behoeften van de gebruikers en kunnen worden ingeschakeld voor politieke prioriteiten zoals klimaatverandering, met inbegrip van het monitoren van de veranderingen in het noordpoolgebied, veiligheid en defensie.
(3)  De Unie heeft sinds het eind van de jaren 1990 op het vlak van de ruimtevaart haar eigen initiatieven en programma's ontwikkeld, namelijk het Europees overlaysysteem voor geostationaire navigatie (Egnos) en vervolgens Galileo en Copernicus, die tegemoetkomen aan de behoeften van de EU-burgers en de vereisten van het overheidsbeleid. De continuïteit van deze initiatieven, evenals de acceptatie en het gebruik ervan, moeten worden gewaarborgd en verbeterd, zodat ze een prominente rol kunnen blijven spelen met het oog op nieuwe technologische ontwikkelingen en veranderingen in de digitale, informatie- en communicatietechnologie, aan de nieuwe behoeften van de gebruikers kunnen voldoen en kunnen worden ingezet voor politieke prioriteiten. Daarnaast moet het Programma het gebruik van op ruimtevaart gebaseerde diensten bevorderen, zodat alle lidstaten en hun burgers ten volle van het Programma kunnen profiteren.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De Unie moet haar handelingsvrijheid en autonomie waarborgen om toegang te hebben tot de ruimte en er veilig gebruik van te kunnen maken. Het is derhalve van essentieel belang dat zij autonome, betrouwbare en kosteneffectieve toegang tot de ruimte handhaaft, in het bijzonder wat betreft kritieke infrastructuur en technologie, openbare veiligheid en de veiligheid van de Unie en haar lidstaten. De Commissie moet daarom de mogelijkheid hebben om lanceerdiensten te aggregeren op Europees niveau, zowel voor haar eigen behoeften en, op hun verzoek, voor die van andere entiteiten, met inbegrip van de lidstaten, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 189, lid 2, van het Verdrag. Het is tevens van cruciaal belang dat de Unie blijft beschikken over moderne, efficiënte en flexibele lanceerinfrastructuren. Naast maatregelen die door de lidstaten en het Europees Ruimteagentschap worden genomen, moet de Commissie manieren in overweging nemen om dergelijke infrastructuren te ondersteunen. Met name indien grondinfrastructuur die nodig is om lanceringen uit te voeren in overeenstemming met de behoeften van het programma moet worden gehandhaafd of verbeterd, moet het mogelijk zijn om dergelijke aanpassingen deels in het kader van het Programma te financieren, overeenkomstig het Financieel Reglement en indien een duidelijke meerwaarde van de EU kan worden vastgesteld, om een betere kostenefficiëntie te bekomen voor het Programma.
(4)  De Unie moet haar handelingsvrijheid en autonomie waarborgen om toegang te hebben tot de ruimte en er veilig gebruik van te kunnen maken. Het is derhalve van essentieel belang dat haar autonome, betrouwbare en kosteneffectieve toegang tot de ruimte in stand wordt gehouden, met inbegrip van alternatieve lanceringstechnologieën en innovatieve systemen of diensten, in het bijzonder wat betreft kritieke infrastructuur en technologie, openbare veiligheid en de veiligheid van de Unie en haar lidstaten. De Commissie moet daarom de mogelijkheid hebben om lanceringsdiensten te aggregeren op Europees niveau, zowel voor haar eigen behoeften en, op hun verzoek, voor die van andere entiteiten, met inbegrip van de lidstaten, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 189, lid 2, van het Verdrag. Het is tevens van cruciaal belang dat de Unie blijft beschikken over moderne, efficiënte en flexibele lanceringsfaciliteiten. Naast maatregelen die door de lidstaten en het Europees Ruimteagentschap worden genomen, moet de Commissie manieren in overweging nemen om dergelijke faciliteiten te ondersteunen. Met name indien de ondersteunende ruimtevaartinfrastructuur op de grond die nodig is om lanceringen in lijn met de behoeften van het Programma uit te voeren, moet worden onderhouden of verbeterd, moet het mogelijk zijn om dergelijke aanpassingen overeenkomstig het Financieel Reglement deels via het Programma te financieren, alsook indien een duidelijke Europese meerwaarde kan worden vastgesteld, met het oog op de bevordering van de kostenefficiëntie van het Programma.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Teneinde het concurrentievermogen van de Europese ruimtevaartindustrie te versterken en capaciteiten te verwerven in het ontwerpen, bouwen en exploiteren van haar eigen systemen, moer de Unie steun verlenen aan de oprichting, groei en ontwikkeling van de gehele ruimtevaartindustrie. De opkomst van een ondernemings- en innovatiegezind model zal eveneens worden ondersteund op Europees, regionaal en nationaal niveau, door middel van de oprichting van ruimtevaarthubs waarin de ruimtevaart-, digitale en gebruikerssectoren samen worden gebracht. De Unie moet de groei ondersteunen van ruimtevaartondernemingen die hun hoofdzetel in de Unie hebben, o.a. door hen te steunen bij het verkrijgen van toegang tot risicofinanciering, gezien het feit dat er binnen de Unie een gebrek is aan passende toegang tot particulier risicokapitaal voor start-ups op het gebied van ruimtevaart, en door innovatiepartnerschappen te creëren (de "first-contract"-benadering).
(5)  Teneinde het concurrentievermogen van de Europese ruimtevaartindustrie te versterken en haar vermogen op het gebied van de vormgeving, bouw en exploitatie van haar eigen systemen op te bouwen, moet de Unie de oprichting, groei en ontwikkeling van de gehele ruimtevaartindustrie ondersteunen. De opkomst van een ondernemings- en innovatiegezind model moet op Europees, regionaal en nationaal niveau worden ondersteund door middel van initiatieven zoals ruimtevaarthubs, waarin de ruimtevaart-, de digitale en de gebruikerssector samen worden gebracht. Ter bevordering van ondernemerschap en vaardigheden moet door de ruimtevaarthubs en de digitale-innovatiehubs worden samengewerkt. De Unie moet de oprichting en groei van ruimtevaartondernemingen die hun hoofdzetel in de Unie hebben, ondersteunen door hen onder meer te steunen bij het verkrijgen van toegang tot risicofinanciering, aangezien er binnen de Unie een gebrek is aan passende toegang tot particulier risicokapitaal voor start-ups die actief zijn op het gebied van de ruimtevaart, en door innovatiepartnerschappen tot stand te brengen (de "first contract"-benadering).
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Dankzij een brede dekking en de capaciteit om te helpen bij de aanpak van wereldwijde uitdagingen heeft het ruimtevaartprogramma van de Unie (het "Programma") een sterke internationale dimensie. De Commissie moet derhalve de mogelijkheid krijgen om namens de Unie activiteiten op het internationale toneel te beheren en te coördineren, met name om de belangen van de Unie en haar lidstaten, o.a. op het vlak van frequenties, te behartigen op internationale fora, de technologie en industrie van de Unie te promoten, en samenwerking aan te moedigen op het vlak van opleiding, met inachtname van het belang van het waarborgen van de wederkerigheid van de rechten en plichten van de partijen. Het is van bijzonder belang dat de Unie wordt vertegenwoordigd door de Commissie in de organen van het internationale programma Cospas-Sarsat of in de relevante sectorale VN-organen, met inbegrip van de Voedsel- en Landbouworganisatie en de Mondiale Meteorologische Organisatie.
(6)  Dankzij een brede dekking en het vermogen om te helpen bij de aanpak van wereldwijde uitdagingen heeft het ruimtevaartprogramma van de Unie (het "Programma") een sterke internationale dimensie. De Commissie moet derhalve de mogelijkheid krijgen om namens de Unie activiteiten op het internationale toneel te beheren en te coördineren, met name om de belangen van de Unie en haar lidstaten, o.a. op het vlak van frequenties, te behartigen op internationale fora. De Commissie moet de economische diplomatie versterken om de technologie en industrie van de Unie te promoten, en samenwerking aan te moedigen op het vlak van opleiding, met inachtneming van het belang van het waarborgen van de wederkerigheid van de rechten en plichten van de partijen en eerlijke concurrentie op internationaal niveau. Het is van bijzonder belang dat de Unie wordt vertegenwoordigd door de Commissie in de organen van het internationale programma Cospas-Sarsat of in de relevante sectorale VN-organen, met inbegrip van de Voedsel- en Landbouworganisatie en de Mondiale Meteorologische Organisatie.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  De Commissie moet samen met de lidstaten en de Hoge Vertegenwoordiger verantwoord gedrag in de ruimte bevorderen en de mogelijkheid om toe te treden tot de relevante VN-verdragen onderzoeken.
(7)  De Commissie moet samen met de lidstaten en de hoge vertegenwoordiger verantwoordelijk gedrag in de ruimte bevorderen, met name door te zoeken naar oplossingen om de verspreiding van ruimteschroot tegen te gaan, en de mogelijkheid onderzoeken om toe te treden tot de relevante VN-verdragen, waaronder het Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte met inbegrip van de maan en andere hemellichamen (het "Verdrag inzake de kosmische ruimte").
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Het programma heeft doelstellingen die soortgelijk zijn aan die van andere programma's van de Unie, met name Horizon Europa, InvestEU, het Europees Defensiefonds en de fondsen in het kader van Verordening (EU) [verordening gemeenschappelijke bepalingen]. Cumulatieve financiering uit deze programma's moet derhalve worden voorzien, op voorwaarde dat zij betrekking hebben op dezelfde kostenposten, in het bijzonder via regelingen voor aanvullende financiering uit EU-programma's waar de beheersvoorschriften dit toelaten – hetzij achtereenvolgens, afwisselend of door een combinatie van middelen voor de gezamenlijke financiering van acties, met, waar mogelijk, innovatiepartnerschappen en blendingverrichtingen. Tijdens de uitvoering van het programma moet de Commissie daarom de bevordering van synergieën met andere aanverwante programma's van de Unie mogelijk maken, met, waar mogelijk, gebruikmaking van de toegang tot risicokapitaal, innovatiepartnerschappen en cumulatieve of gecombineerde financiering.
(8)  Het programma heeft doelstellingen die soortgelijk zijn aan die van andere programma's van de Unie, met name Horizon Europa, InvestEU, het Europees Defensiefonds en de fondsen in het kader van Verordening (EU) [verordening gemeenschappelijke bepalingen]. Daarom moet uit deze programma's cumulatieve financiering worden verstrekt, op voorwaarde dat zij betrekking hebben op dezelfde kosten, in het bijzonder via regelingen voor aanvullende financiering uit EU-programma's waar de beheersvoorschriften dit toelaten – hetzij achtereenvolgens, afwisselend of door een combinatie van middelen voor de gezamenlijke financiering van acties, met, waar mogelijk, innovatiepartnerschappen en blendingverrichtingen. Tijdens de uitvoering van het programma moet de Commissie daarom de bevordering van synergieën met andere aanverwante programma's van de Unie mogelijk maken, met, waar mogelijk, gebruikmaking van de toegang tot risicokapitaal, innovatiepartnerschappen en cumulatieve of gecombineerde financiering. Het is van belang dat er voor continuïteit wordt gezorgd tussen de oplossingen die in het kader van Horizon Europa en andere programma's van de Unie worden ontwikkeld en de onderdelen van het Programma.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Er zijn meer dan 200 000 mensen werkzaam in de Europese ruimtevaartsector. Het is derhalve van essentieel belang dat de ontwikkeling van moderne infrastructuur in deze sector wordt voortgezet om zo economische upstream- en downstreamactiviteiten te stimuleren. Om het concurrentievermogen van de Europese ruimtevaartindustrie in de toekomst te waarborgen, moet het Programma bovendien de ontwikkeling van geavanceerde vaardigheden op verwante gebieden alsook onderwijs- en opleidingsactiviteiten ondersteunen, en moet daarbij bijzondere aandacht worden besteed aan meisjes en vrouwen, teneinde het volledige potentieel van de burgers van de Unie op dit gebied te benutten.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)   Het Programma moet de synergieën tussen de ruimte- en de vervoerssector benutten, aangezien ruimtevaarttechnologieën een strategische rol spelen in het slimmer, efficiënter, veiliger en duurzamer maken en het beter integreren van vervoer over land, ter zee, in de lucht en in de ruimte, en tegelijkertijd zal een groeiende, innovatieve vervoerssector de vraag naar innovatieve en moderne ruimtevaarttechnologieën doen toenemen.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Eventuele inkomsten die gegenereerd zouden worden door het Programma moeten door de Unie worden geïnd ter gedeeltelijke compensatie van de investeringen die zij reeds heeft gedaan, en worden gebruikt ter ondersteuning van de doelstellingen van het Programma. In contracten die met organisaties uit de privésector worden gesloten, kan om dezelfde reden worden voorzien in een mechanisme voor het delen van deze ontvangsten.
(14)  Inkomsten die gegenereerd worden door onderdelen van het Programma, moeten door de Unie worden geïnd ter gedeeltelijke compensatie van de investeringen die zij reeds heeft gedaan, en worden gebruikt ter ondersteuning van de verwezenlijking van de doelstellingen van het Programma. In contracten die met organisaties uit de privésector worden gesloten, kan om dezelfde reden worden voorzien in een mechanisme voor het delen van deze ontvangsten.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Het programma steunt op complexe technologieën die continu in ontwikkeling zijn. Het steunen op dergelijke technologieën zorgt voor onzekerheden en risico's voor aanbestedingsovereenkomsten die in het kader van dit programma worden afgesloten, voor zover deze overeenkomsten betrekking hebben op toezeggingen op lange termijn ten aanzien van uitrusting of diensten. Specifieke maatregelen inzake aanbestedingsovereenkomsten zijn derhalve vereist naast de regels die zijn vastgesteld in het Financieel Reglement. Het moet dus mogelijk zijn om een opdracht te gunnen in de vorm van een opdracht met voorwaardelijke tranches, onder bepaalde voorwaarden in het kader van de uitvoering van een contract een wijziging door middel van aanhangsels bij dat contract te introduceren, of een minimumniveau van uitbesteding aan onderaannemers op te leggen. Ten slotte kunnen prijzen van overeenkomsten, gezien de technologische onzekerheden die de onderdelen van het Programma kenmerken, niet altijd accuraat worden voorspeld, en moet het derhalve mogelijk zijn om overeenkomsten af te sluiten zonder een strikte vaste prijs vast te leggen en om clausules in te bouwen om de financiële belangen van de Unie te waarborgen.
(16)  Het programma steunt op complexe technologieën die continu in ontwikkeling zijn. Het steunen op dergelijke technologieën zorgt voor onzekerheden en risico's voor aanbestedingsovereenkomsten die in het kader van dit programma worden afgesloten, voor zover deze overeenkomsten betrekking hebben op toezeggingen op lange termijn ten aanzien van uitrusting of diensten. Specifieke maatregelen inzake aanbestedingsovereenkomsten zijn derhalve vereist naast de regels die zijn vastgesteld in het Financieel Reglement. Het moet dus mogelijk zijn om een opdracht te gunnen in de vorm van een opdracht met voorwaardelijke tranches, onder bepaalde voorwaarden in het kader van de uitvoering van een contract een wijziging door middel van aanhangsels bij dat contract te introduceren, of een minimumniveau van uitbesteding aan onderaannemers, en met name aan kleine en middelgrote ondernemingen en start-ups, op te leggen. Ten slotte kunnen prijzen van overeenkomsten, gezien de technologische onzekerheden die de onderdelen van het Programma kenmerken, niet altijd accuraat worden voorspeld, en moet het derhalve mogelijk zijn om overeenkomsten af te sluiten zonder een strikte vaste prijs vast te leggen en om clausules in te bouwen om de financiële belangen van de Unie te waarborgen.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Een goed publiek bestuur van het Programma vereist een strikte verdeling van de verantwoordelijkheden en taken tussen de verschillende betrokken entiteiten om dubbel werk te voorkomen en kostenoverschrijdingen en vertragingen te voorkomen.
(25)  Een goed publiek bestuur van het Programma vereist een strikte verdeling van de verantwoordelijkheden en taken tussen de verschillende betrokken entiteiten om dubbel werk te voorkomen en kostenoverschrijdingen en vertragingen te voorkomen, en moet erop gericht zijn prioriteit toe te kennen aan het gebruik van de bestaande Europese infrastructuur en de ontwikkeling van de industriële en beroepssector van de Unie.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)  De ruimtevaartprogramma's zijn gebruikersgestuurd en vereisen daarom de daadwerkelijke en voortdurende betrokkenheid van vertegenwoordigers van de gebruikers bij de uitvoering en ontwikkeling ervan.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  De lidstaten zijn reeds lange tijd actief op het gebied van de ruimtevaart. Zij beschikken over systemen, infrastructuur, nationale agentschappen en organen die verband houden met de ruimtevaart. Zij kunnen bijgevolg een grote bijdrage aan het Programma leveren, met name de uitvoering ervan, en moeten worden verplicht ten volle samen te werken met de Unie voor de promotie van de diensten en toepassingen van het programma. De Commissie moet in staat zijn om de middelen waarover de lidstaten beschikken te mobiliseren, de lidstaten te belasten met taken van niet-regelgevende aard bij de uitvoering van het Programma en een beroep te doen op hun bijstand. Bovendien moeten de betrokken lidstaten alle nodige maatregelen moeten nemen om de op hun grondgebied gevestigde grondstations te beschermen. Daarnaast moeten de lidstaten en de Commissie met elkaar en met de bevoegde internationale organen en regelgevende instanties samenwerken om ervoor te zorgen dat de frequenties die nodig zijn voor het Programma beschikbaar zijn en beschermd worden, om de volledige ontwikkeling en exploitatie van op de aangeboden diensten gebaseerde toepassingen mogelijk te maken, overeenkomstig Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid15.
(26)  De lidstaten zijn reeds lange tijd actief op het gebied van de ruimtevaart. Zij beschikken over systemen, infrastructuur, nationale agentschappen en organen die verband houden met de ruimtevaart. Zij kunnen bijgevolg een grote bijdrage aan het Programma leveren, en met name aan de uitvoering ervan, en moeten ter bevordering van de diensten en toepassingen van het programma worden verplicht ten volle samen te werken met de Unie. De Commissie moet in staat zijn om de middelen waarover de lidstaten beschikken te mobiliseren, de lidstaten te belasten met taken van niet-regelgevende aard bij de uitvoering van het Programma en een beroep te doen op hun bijstand. Bovendien moeten de betrokken lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de op hun grondgebied gevestigde grondstations te beschermen. Daarnaast moeten de lidstaten en de Commissie met elkaar en met de bevoegde internationale organen en regelgevende instanties samenwerken om ervoor te zorgen dat de frequenties die nodig zijn voor het Programma beschikbaar zijn en adequaat worden beschermd, om de volledige ontwikkeling en exploitatie van op de aangeboden diensten gebaseerde toepassingen mogelijk te maken, overeenkomstig Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid15.
__________________
__________________
15 Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid (PB L 81 van 21.3.2012, blz. 7).
15 Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid (PB L 81 van 21.3.2012, blz. 7).
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  Als promotor van het algemene belang van de Unie, is het de taak van de Commissie om het Programma uit te voeren, de algehele verantwoordelijkheid te dragen en het gebruik ervan te bevorderen. Om de middelen en competenties van de verschillende belanghebbenden te optimaliseren, moet de Commissie bepaalde taken kunnen delegeren. De Commissie is ook het best geplaatst om de belangrijkste technische en operationele specificaties vast te stellen die noodzakelijk zijn om de ontwikkeling van systemen en diensten uit te voeren.
(27)  Als voorvechtster van het algemene belang van de Unie, is het de taak van de Commissie om toezicht te houden op de uitvoering van het Programma, de algehele verantwoordelijkheid te dragen en het gebruik ervan te bevorderen. Om de middelen en competenties van de verschillende belanghebbenden te optimaliseren, moet de Commissie bepaalde taken kunnen delegeren. Bovendien is de Commissie het best geplaatst om de belangrijkste vereisten vast te stellen die nodig zijn om de ontwikkeling van systemen en diensten ten uitvoer te leggen.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  De missie van het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma ("het Agentschap"), dat is opgericht als vervanger en opvolger van het bij Verordening (EU) nr. 912/2010 opgerichte Europees GNSS-Agentschap, is om bij te dragen aan het Programma, met name wat betreft veiligheid. Bepaalde taken die verband houden met de beveiliging en de promotie van het Programma moeten derhalve worden toegewezen aan het Agentschap. In het bijzonder met betrekking tot veiligheid en gezien de ervaring van het Agentschap op dit gebied, moet het Agentschap worden belast met de beveiligingshomologatietaken voor alle acties van de Unie op het gebied van ruimtevaart. Bovendien moet het Agentschap de taken uitvoeren die de Commissie aan het Agentschap overdraagt door middel van een of meerdere bijdrageovereenkomsten die betrekking hebben op verschillende andere specifieke taken die verband houden met het Programma.
(28)  De missie van het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma ("het Agentschap"), dat is opgericht als vervanger en opvolger van het bij Verordening (EU) nr. 912/2010 opgerichte Europese GNSS-Agentschap, is om bij te dragen aan het Programma, met name wat betreft veiligheid, cyberbeveiliging en de bevordering van de diensten en de downstreamsector. Taken die verband houden met deze gebieden moeten derhalve worden toegewezen aan het Agentschap. Het Agentschap moet in het bijzonder, gezien zijn ervaring op het gebied van veiligheid, worden belast met de beveiligingshomologatietaken voor alle acties van de Unie op het gebied van ruimtevaart. Voortbouwend op zijn goede staat van dienst op het gebied van de bevordering van de acceptatie van Galileo en Egnos door de gebruikers en de markt en met het oog op de bevordering van de programma's als pakket, moet het Agentschap ook worden belast met promotie- en commercialiseringsactiviteiten in het kader van Copernicus. Bovendien moet het Agentschap de taken uitvoeren die de Commissie aan het Agentschap overdraagt door middel van een of meerdere bijdrageovereenkomsten die betrekking hebben op verschillende andere specifieke taken die verband houden met het Programma.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Het Europees Ruimteagentschap is een internationale organisatie met uitgebreide expertise op het vlak van ruimtevaart die in 2004 een kaderovereenkomst afsloot met de Europese Gemeenschap. Het is derhalve een belangrijke partner bij de uitvoering van het Programma waarmee gepaste relaties moeten worden aangeknoopt. In dit verband, en in overeenstemming met het Financieel Reglement, is het belangrijk om een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap te sluiten met het Europees Ruimteagentschap die van toepassing is op alle financiële relaties tussen de Commissie, het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap en die hun samenhang waarborgt, in overeenstemming met de kaderovereenkomst met het Europees Ruimteagentschap, en met name met artikel 5 daarvan. Aangezien het Europees Ruimteagentschap geen EU-orgaan is en niet is onderworpen aan het recht van de Unie, is het echter van essentieel belang dat, ter bescherming van de belangen van de Unie en haar lidstaten, een dergelijke overeenkomst afhankelijk wordt gesteld van de invoering van passende bedrijfsvoorschriften in het Europees Ruimteagentschap. De overeenkomst moet ook alle nodige bepalingen bevatten om de financiële belangen van de Unie te vrijwaren.
(29)  Het Europees Ruimteagentschap (ESA) is een internationale organisatie met uitgebreide expertise op het vlak van ruimtevaart die in 2004 een kaderovereenkomst afsloot met de Europese Gemeenschap. Het ESA is derhalve een belangrijke partner bij de uitvoering van het Programma waarmee gepaste betrekkingen moeten worden aangeknoopt. In dit verband, en in overeenstemming met het Financieel Reglement, is het belangrijk om een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap te sluiten met het Europees Ruimteagentschap die van toepassing is op alle financiële betrekkingen tussen de Commissie, het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap en hun samenhang waarborgt, in overeenstemming met de kaderovereenkomst met het Europees Ruimteagentschap, en met name met artikel 5. Aangezien het Europees Ruimteagentschap geen EU-orgaan is en niet is onderworpen aan het recht van de Unie, is het van essentieel belang dat deze overeenkomst, ter bescherming van de belangen van de Unie en haar lidstaten, adequate vereisten bevat met betrekking tot de bedrijfsvoorschriften van het Europees Ruimteagentschap. De overeenkomst moet ook alle nodige bepalingen bevatten ter waarborging van de financiële belangen van de Unie.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  Teneinde de vertegenwoordiging van gebruikers structureel te verankeren in het bestuur van Govsatcom en de behoeften en vereisten van gebruikers over nationale grenzen en burgerlijk-militaire tussenschotten te aggregeren, moeten de relevante entiteiten van de Unie die nauwe betrekkingen hebben met de gebruikers, zoals het Europees Defensieagentschap, het Europees Grens- en kustwachtagentschap, het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, het Europees Bureau voor visserijcontrole, het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving, het militair plannings- en uitvoeringsvermogen, het civiel plannings- en uitvoeringsvermogen en het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties, coördinatietaken hebben ten aanzien van bepaalde groepen gebruikers. Op geaggregeerd niveau moeten het Agentschap en het Europees Defensieagentschap respectievelijk de burgerlijke en de militaire gebruikersgemeenschappen vertegenwoordigen en kunnen zij het operationele gebruik, de vraag, de naleving van vereisten en veranderende behoeften en vereisten monitoren.
(31)  Teneinde de vertegenwoordiging van gebruikers structureel in het bestuur van Govsatcom op te nemen en hun behoeften en vereisten over nationale grenzen te tillen en te verenigen, moeten de relevante entiteiten van de Unie die nauwe betrekkingen hebben met de gebruikers, zoals het Europees Grens- en kustwachtagentschap, het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, het Europees Bureau voor visserijcontrole, het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving, het civiel plannings- en uitvoeringsvermogen en het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties, een coördinerende rol spelen ten aanzien van specifieke gebruikersgroepen. Op dit verenigde niveau moet het Agentschap de gebruikersgemeenschap vertegenwoordigen en het operationele gebruik, de vraag, de naleving van vereisten en veranderende behoeften en vereisten kunnen monitoren.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 36
(36)  Om de veilige uitwisseling van informatie te garanderen, moeten passende regels worden vastgesteld om te zorgen voor gelijkwaardigheid van beveiligingsregels voor de verschillende overheids- en particuliere entiteiten, alsook natuurlijke personen die betrokken zijn bij de uitvoering van het Programma.
(36)  Om de veilige uitwisseling van informatie te garanderen, moeten passende regels worden vastgesteld om te zorgen voor gelijkwaardigheid van beveiligingsregels voor de verschillende overheids- en private entiteiten, alsook natuurlijke personen die betrokken zijn bij de uitvoering van het Programma. Daartoe moeten diverse niveaus van toegang tot informatie worden vastgesteld, die uiteraard ook moeten worden beveiligd.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 36 bis (nieuw)
(36 bis)  De cyberbeveiliging van Europese ruimtevaartinfrastructuur, zowel op de grond als in de ruimte, is essentieel om de continuïteit van de exploitatie van de systemen te waarborgen, alsook hun effectieve vermogen om de taken continu uit te voeren en de vereiste diensten te verlenen.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  In een toenemend aantal economische sleutelsectoren, met name vervoer, telecommunicatie, landbouw en energie, neemt het gebruik van satellietnavigatiesystemen gestaag toe, om nog maar te zwijgen van de synergieën met activiteiten in verband met de veiligheid en defensie van de Europese Unie en haar lidstaten. Volledige controle van satellietnavigatie moet daarom de technologische onafhankelijkheid van de Unie, ook op de langere termijn voor de onderdelen van de infrastructuur, garanderen en zorgen voor de strategische autonomie van de Unie.
(38)  In een toenemend aantal belangrijke economische sectoren, en met name in de sectoren vervoer, telecommunicatie, landbouw en energie, neemt het gebruik van satellietnavigatiesystemen gestaag toe. Satellietnavigatie speelt ook een belangrijke rol op het gebied van de veiligheid van de Europese Unie en haar lidstaten. Volledige controle van satellietnavigatie moet daarom de technologische onafhankelijkheid van de Unie, ook op de langere termijn voor de onderdelen van de infrastructuur, garanderen en zorgen voor de strategische autonomie van de Unie.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 40
(40)  Het doel van Egnos is de verbetering van de kwaliteit van open signalen van bestaande mondiale systemen voor satellietnavigatie, met name die welke worden uitgestoten door het Galileo-systeem. De door Egnos geboden diensten moeten als prioriteit het binnen Europa gelegen grondgebied van de lidstaten dekken, voor deze doelstelling met inbegrip van de Azoren, de Canarische eilanden en Madeira, met als doel dit grondgebied te dekken tegen het einde van 2025. Afhankelijk van de technische haalbaarheid en, voor de bescherming van mensenlevens, op basis van internationale overeenkomsten, kan de geografische dekking van de door Egnos geleverde diensten naar andere regio's in de wereld worden uitgebreid. Onverminderd Verordening [2018/XXXX] [EASA-Verordening] en de noodzakelijke kwaliteitsmonitoring van de dienstverlening van Galileo voor doeleinden in de luchtvaart moet worden opgemerkt dat hoewel de door Galileo uitgezonden signalen doeltreffend kunnen worden gebruikt om de positionering van vliegtuigen te vergemakkelijken, enkel plaatselijke of regionale augmentatiesystemen zoals Egnos in Europa diensten op het vlak van luchtverkeersbeheer (ATM) en luchtvaartnavigatie (ANS) mogen verlenen.
(40)  Egnos is gericht op de verbetering van de kwaliteit van open signalen van bestaande mondiale systemen voor satellietnavigatie, en met name van signalen die worden uitgezonden door het Galileo-systeem. De door Egnos geboden diensten moeten als prioriteit het binnen Europa gelegen grondgebied van de lidstaten dekken, voor deze doelstelling met inbegrip van de Azoren, de Canarische eilanden en Madeira, met als doel dit grondgebied te dekken tegen het einde van 2025. Afhankelijk van de technische haalbaarheid en, voor de bescherming van mensenlevens, op basis van internationale overeenkomsten, kan de geografische dekking van de door Egnos geleverde diensten naar andere regio's in de wereld worden uitgebreid. Onverminderd Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad1 bis en de noodzakelijke kwaliteitsmonitoring van de dienstverlening en veiligheidsprestaties van Galileo voor doeleinden in de luchtvaart moet worden opgemerkt dat hoewel de door Galileo uitgezonden signalen doeltreffend kunnen worden gebruikt om de positionering van vliegtuigen te vergemakkelijken, enkel plaatselijke of regionale augmentatiesystemen zoals Egnos in Europa diensten op het vlak van luchtverkeersbeheer (ATM) en luchtvaartnavigatie (ANS) mogen verlenen.
_________________
1 bis Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1).
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 40 bis (nieuw)
(40 bis)   Egnos kan van nut zijn voor de precisielandbouw en kan Europese landbouwers helpen om verspilling tegen te gaan, het overmatig gebruik van meststoffen en herbiciden te verminderen, en de oogstopbrengsten te optimaliseren. Egnos heeft al een belangrijke "gebruikersgemeenschap", maar het aantal landbouwmachines dat verenigbaar is met navigatietechnologie, is beperkter. Deze kwestie moet worden aangepakt.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 41
(41)  Het is van essentieel belang dat de continuïteit, de duurzaamheid en de toekomstige beschikbaarheid van de door de Galileo- en Egnossystemen geleverde diensten worden gewaarborgd. In een veranderende omgeving en een snel veranderende markt moet hun ontwikkeling ook worden voortgezet en nieuwe generaties van deze systemen moeten worden voorbereid.
(41)  Het is van essentieel belang dat de continuïteit, de duurzaamheid, de veiligheid, de betrouwbaarheid, de nauwkeurigheid en de toekomstige beschikbaarheid van de door de Galileo- en Egnossystemen geleverde diensten worden gewaarborgd. Met het oog op de veranderende omgeving en de markt die zich in snel tempo ontwikkelt, moeten deze diensten verder worden ontwikkeld en moeten daarnaast voorbereidingen worden getroffen voor de nieuwe generaties van deze systemen.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 44 bis (nieuw)
(44 bis)    Ter ondersteuning van de exploitatie van de door Galileo en Egnos verleende diensten en ter ondersteuning van de downstreamdiensten, met name in de vervoerssector, moeten de bevoegde autoriteiten gemeenschappelijke normen en certificeringen ontwikkelen op internationaal niveau. 
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 45
(45)  Gezien het belang voor Galileo en Egnos van hun grondinfrastructuur en het effect ervan op hun veiligheid, moet de bepaling van de locatie van de infrastructuur door de Commissie gebeuren. De stationering van de grondinfrastructuur van de systemen moet volgens een open en transparant proces blijven verlopen.
Schrappen
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 46
(46)  Teneinde de socio-economische voordelen van Galileo en Egnos te maximaliseren, voornamelijk op het vlak van veiligheid, moet het gebruik van de door Egnos en Galileo verleende diensten in andere beleidsdomeinen van de Unie worden bevorderd waar dit gerechtvaardigd is en voordelen kan opleveren.
(46)  Teneinde de socio-economische voordelen van Galileo en Egnos te maximaliseren, voornamelijk op het vlak van veiligheid, moet het gebruik van de door Egnos en Galileo verleende diensten waar mogelijk in andere beleidsdomeinen van de Unie worden opgenomen. Daarnaast is het van belang om tijdens dit proces maatregelen te treffen ter bevordering van het gebruik van deze diensten in alle lidstaten.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 47
(47)  Copernicus moet zorgen voor autonome toegang tot milieukennis en cruciale technologieën voor aardobserverings- en geo-informatiediensten, waardoor de Unie tot onafhankelijke besluitvorming en zelfstandig optreden in staat is, o.a. op het gebied van milieu, klimaatverandering, civiele bescherming, veiligheid en de digitale economie.
(47)  Copernicus moet zorgen voor autonome toegang tot milieukennis en cruciale technologieën voor aardobserverings- en geo-informatiediensten, waardoor de Unie tot onafhankelijke besluitvorming en zelfstandig optreden in staat is, onder meer op het gebied van milieu, met inbegrip van landbouw, biodiversiteit, grondgebruik, bosbouw, plattelandsontwikkeling, visserij en klimaatverandering, alsook op het gebied van cultureel erfgoed, civiele bescherming, veiligheid, ook van infrastructuur, en de digitale economie.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 48
(48)  Copernicus moet tevens voortbouwen op en continuïteit verzekeren met de werkzaamheden en verworvenheden in het kader van Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma van de Europese Unie voor aardobservatie en ‑monitoring (Copernicus)17 en Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele diensten18 ter oprichting van zijn voorloper, het programma voor wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid (GMES), en de voorschriften voor de implementatie van zijn initiële operationele diensten. Hierbij moet rekening worden gehouden met recente tendensen op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkelingen en innovaties die gevolgen hebben voor het domein van de aardobservatie, alsook ontwikkelingen op het vlak van de analyse van big data en artificiële intelligentie en verwante strategieën en initiatieven op het niveau van de Unie19. In de mate van het mogelijke moet gebruik worden gemaakt van de capaciteiten voor satellietobservaties van de lidstaten, het Europees Ruimteagentschap, Eumetsat20 en andere entiteiten, met inbegrip van commerciële initiatieven in Europa, waardoor ook wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van een levensvatbare commerciële ruimtevaartsector in Europa. Indien haalbaar en passend moet tevens gebruik worden gemaakt van de beschikbare in-situ- en aanvullende gegevens die in hoofdzaak door de lidstaten worden verstrekt overeenkomstig Richtlijn 2007/2/EG21. De Commissie moet samenwerken met de lidstaten en het Europees Milieuagentschap om voor Copernicus een efficiënte toegang tot en een efficiënt gebruik van de in-situgegevens te verzekeren.
(48)  Er moet worden voortgebouwd op bestaande vermogens en deze moeten worden aangevuld met nieuwe elementen, die gezamenlijk kunnen worden ontwikkeld door de bevoegde entiteiten. Daartoe moet de Commissie nauw samenwerken met het Europees Ruimteagentschap, de lidstaten en, in voorkomend geval, andere entiteiten die over ruimtevaartactiva en activa in de ruimte beschikken. Copernicus moet tevens voortbouwen op en de continuïteit verzekeren van de werkzaamheden en verworvenheden in het kader van Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad17, waarbij het programma van de Europese Unie voor aardobservatie en ‑monitoring (Copernicus) werd vastgesteld, en Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad18, waarbij de voorloper van Copernicus werd vastgesteld, het programma voor wereldwijde monitoring van milieu en veiligheid (GMES), evenals de voorschriften voor de tenuitvoerlegging van de initiële operationele diensten van het programma. Hierbij moet rekening worden gehouden met recente tendensen op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkelingen en innovaties die gevolgen hebben voor het domein van aardobservatie, alsook ontwikkelingen op het vlak van de analyse van big data en kunstmatige intelligentie en verwante strategieën en initiatieven op het niveau van de Unie19. Er moet zo goed mogelijk gebruik worden gemaakt van het satellietobservatievermogen van de lidstaten, het Europees Ruimteagentschap, Eumetsat20 en andere entiteiten, met inbegrip van commerciële initiatieven in Europa, waardoor ook wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van een levensvatbare commerciële ruimtevaartsector in Europa. Indien dit haalbaar en passend wordt geacht, moet tevens gebruik worden gemaakt van de beschikbare in-situ- en aanvullende gegevens die in hoofdzaak door de lidstaten worden verstrekt overeenkomstig Richtlijn 2007/2/EG21. De Commissie moet samenwerken met de lidstaten en het Europees Milieuagentschap om voor Copernicus een efficiënte toegang tot en een efficiënt gebruik van de in-situgegevens te verzekeren.
__________________
__________________
17 Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot vaststelling van het Copernicus-programma en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 911/2010 (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 44).
17 Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot vaststelling van het Copernicus-programma en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 911/2010 (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 44).
18 Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011 tot 2013) (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 1).
18 Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011-2013) (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 1).
19 Mededeling "Artificial Intelligence for Europe" (Kunstmatige intelligentie voor Europa) (COM(2018)0237), Mededeling "Towards a common European data space" (Naar een gemeenschappelijke Europese gegevensruimte) (COM(2018)0232), Proposal for a Council Regulation on establishing the European High Performance Computing Joint Undertaking (Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming high performance computing) (COM(2018)0008).
19 Mededeling "Kunstmatige intelligentie voor Europa" (COM(2018)0237), mededeling "Naar een gemeenschappelijke Europese gegevensruimte" (COM(2018)0232), voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing (COM(2018)0008).
20 De Europese Organisatie voor de Exploitatie van Meteorologische Satellieten.
20 De Europese Organisatie voor de Exploitatie van Meteorologische Satellieten.
21 Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire).
21 Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire).
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 49 bis (nieuw)
(49 bis)  Het potentieel van Copernicus moet volledig worden benut en moet ten goede komen aan de gehele Europese gemeenschap en economie, en niet alleen aan de rechtstreekse begunstigden. Daartoe moeten meer maatregelen worden genomen om de acceptatie ervan door gebruikers aan te moedigen en meer te doen om niet-specialisten in staat te stellen de gegevens te gebruiken, hetgeen de groei, de werkgelegenheid en de kennisoverdracht zal stimuleren.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 52
(52)  Met betrekking tot gegevensverwerving moeten de activiteiten in het kader van Copernicus gericht zijn op de voltooiing en handhaving van de bestaande ruimtevaartinfrastructuur, de voorbereiding van de vervanging van de satellieten aan het einde van hun levensduur, evenals het opstarten van nieuwe missies met betrekking tot nieuwe observatiesystemen ter ondersteuning van de succesvolle aanpak van mondiale klimaatverandering (bv. monitoring van antropogene CO2- en andere broeikasgasemissies). Wat de activiteiten in het kader van Copernicus betreft, moet de wereldwijde monitoring uitgebreid worden tot de poolgebieden en de naleving van milieuvoorschriften, verplichte milieumonitoring en -verslaglegging en innovatieve milieutoepassingen (bv. voor de monitoring van gewassen, waterbeheer en betere brandmonitoring) ondersteunen. Copernicus moet daarbij zoveel mogelijk als hefboom worden aangewend en maximaal voordeel halen uit de investeringen die in het kader van de vorige financieringsperiode (2014-2020) zijn gedaan, en tezelfdertijd nieuwe operationele en zakelijke modellen onderzoeken ter verdere aanvulling van de capaciteiten van Copernicus. Copernicus moet ook voortbouwen op de succesvolle partnerschappen met lidstaten om de veiligheidsdimensie verder te ontwikkelen in het kader van passende bestuursmechanismen om tegemoet te komen aan de veranderende gebruikersbehoeften in de veiligheidssector.
(52)  Met betrekking tot gegevensverwerving moeten de activiteiten in het kader van Copernicus gericht zijn op de voltooiing en handhaving van de bestaande ruimtevaartinfrastructuur, de voorbereiding van de vervanging van de satellieten aan het einde van hun levensduur, evenals het opstarten van nieuwe missies, waarvan de haalbaarheid momenteel door het Europees Ruimteagentschap wordt bestudeerd, met betrekking tot nieuwe observatiesystemen ter ondersteuning van de succesvolle aanpak van de mondiale klimaatverandering (bv. monitoring van antropogene CO2- en andere broeikasgasemissies). Wat de activiteiten in het kader van Copernicus betreft, moet de wereldwijde monitoring worden uitgebreid tot de poolgebieden en moeten de naleving van milieuvoorschriften, verplichte milieumonitoring en -verslaglegging en innovatieve milieutoepassingen (bv. voor de monitoring van gewassen, waterbeheer en betere brandmonitoring) worden ondersteund. Copernicus moet daarbij zoveel mogelijk als hefboom worden aangewend en maximaal voordeel halen uit de investeringen die in het kader van de vorige financieringsperiode (2014-2020) zijn gedaan, en tezelfdertijd nieuwe operationele en zakelijke modellen onderzoeken om het vermogen van Copernicus verder aan te vullen. Copernicus moet ook voortbouwen op de succesvolle partnerschappen met lidstaten om de veiligheidsdimensie verder te ontwikkelen in het kader van passende bestuursmechanismen en zo tegemoet te komen aan de veranderende gebruikersbehoeften in de veiligheidssector.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 53
(53)  In het kader van de taak van Copernicus op het vlak van gegevens- en informatieverwerking moet het programma de duurzaamheid op lange termijn en de verdere ontwikkeling van zijn kerndiensten waarborgen door informatie te verstrekken om te voldoen aan de behoeften van de overheidssector en de behoeften die voortvloeien uit de internationale verplichtingen van de Unie, en om optimaal gebruik te maken van de kansen voor commerciële exploitatie. In het bijzonder moet Copernicus op lokaal, nationaal, Europees en mondiaal niveau, informatie leveren over de toestand van de atmosfeer; informatie over de toestand van de oceanen; informatie inzake landmonitoring ter ondersteuning van de uitvoering van lokale, nationale en Europese beleidsmaatregelen; informatie ter ondersteuning van de aanpassing aan of de mitigatie van klimaatverandering; geospatiale informatie ter ondersteuning van crisisbeheersing, met inbegrip van preventiemaatregelen, waarborging van de naleving van milieuvoorschriften, evenals civiele bescherming, met inbegrip van ondersteuning van het externe optreden van de Unie. De Commissie dient passende contractuele regelingen vast te stellen ter bevordering van de continuïteit van de dienstverlening.
(53)  In het kader van de taak van Copernicus op het vlak van gegevens- en informatieverwerking moet het programma de duurzaamheid op lange termijn en de verdere ontwikkeling van zijn kerndiensten waarborgen, en informatie verstrekken om te voldoen aan de behoeften van de overheidssector en de behoeften die voortvloeien uit de internationale verplichtingen van de Unie, alsook om optimaal gebruik te maken van de kansen voor commerciële exploitatie. In het bijzonder moet Copernicus op lokaal, nationaal, Europees en mondiaal niveau, informatie verstrekken over de toestand van de atmosfeer, waaronder informatie over de luchtkwaliteit, informatie over de toestand van de oceanen, informatie inzake landmonitoring, ter ondersteuning van de uitvoering van lokale, nationale en Europese beleidsmaatregelen, informatie ter ondersteuning van de aanpassing aan en de beperking van de klimaatverandering, en geospatiale informatie ter ondersteuning van het beheer van noodsituaties, onder andere door middel van preventiemaatregelen, de waarborging van de naleving van milieuvoorschriften, en civiele bescherming, met inbegrip van steun voor het externe optreden van de Unie. De Commissie dient passende contractuele regelingen vast te stellen ter bevordering van de continuïteit van de dienstverlening.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 54 bis (nieuw)
(54 bis)  Om de doelstellingen van Copernicus op duurzame wijze te verwezenlijken, kan een comité (het Copernicus-subcomité) worden opgericht om de Commissie bij te staan bij de coördinatie van de bijdragen aan Copernicus door de Unie, de gebruikersfora en de lidstaten, alsook door intergouvernementele organisaties en de private sector, waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van het bestaande vermogen en lacunes op het niveau van de Unie worden vastgesteld.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 55
(55)  Door de uitvoering van de Copernicusdiensten moeten diensten bovendien gemakkelijker ingang kunnen vinden bij het publiek, aangezien gebruikers zo kunnen inspelen op de beschikbaarheid en de ontwikkeling van diensten, alsmede op samenwerking met lidstaten en andere partijen. Daartoe moeten de Commissie en de entiteiten waaraan zij de levering van diensten heeft toevertrouwd nauw samenwerken met verschillende gebruikersgemeenschappen in Europa bij de verdere ontwikkeling van het aanbod van Copernicusdiensten en -informatie, om aan de veranderende behoeften van de publieke sector en het beleid te voldoen en zodoende een zo breed mogelijke benutting van aardobservatiegegevens te verwezenlijken. De Commissie en de lidstaten moeten samenwerken om de in-situcomponent van Copernicus te ontwikkelen en om de integratie van in-situgegevensreeksen met gegevensreeksen uit de ruimtevaart te vergemakkelijken met het oog op verbeterde Copernicusdiensten.
(55)  Door de uitvoering van de Copernicusdiensten moeten diensten bovendien gemakkelijker ingang kunnen vinden bij het publiek, aangezien gebruikers zo kunnen inspelen op de beschikbaarheid en de ontwikkeling van diensten, alsmede op samenwerking met lidstaten en andere partijen. Daartoe moeten het Agentschap en de aan Copernicus toevertrouwde entiteiten nauw samenwerken met verschillende gebruikersgemeenschappen in Europa bij de verdere ontwikkeling van het aanbod van Copernicusdiensten en -informatie, om aan de veranderende behoeften van de overheidssector en het beleid te voldoen en zodoende in het belang van de Europese burgers een zo breed mogelijke benutting van aardobservatiegegevens te verwezenlijken. De Commissie en de lidstaten moeten samenwerken om het in-situ-onderdeel van Copernicus te ontwikkelen en om de integratie van in-situgegevensreeksen met gegevensreeksen uit de ruimtevaart te vergemakkelijken met het oog op verbeterde Copernicusdiensten.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 56 bis (nieuw)
(56 bis)  De lidstaten, de Commissie en de bevoegde entiteiten moeten op gezette tijden informatiecampagnes over de voordelen van Copernicus voeren, zodat alle potentiële gebruikers toegang hebben tot de relevante informatie en gegevens.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 57 bis (nieuw)
(57 bis)  De klimaatveranderingsdiensten van Copernicus bevinden zich nog in een pre-operationele fase, maar liggen desalniettemin goed op schema, aangezien het aantal gebruikers tussen 2015 en 2016 is verdubbeld. Alle klimaatveranderingsdiensten moeten zo snel mogelijk volledig operationeel worden om zo de continue stroom van gegevens te leveren die nodig is voor doeltreffende maatregelen ter beperking van en ter aanpassing aan de klimaatverandering.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 59
(59)  Teneinde het gebruik van aardobservatiegegevens en -technologieën door lokale overheden, kleine en middelgrote ondernemingen, wetenschappers en onderzoekers te bevorderen en te faciliteren, moeten speciale netwerken voor Copernicus-gegevensdistributie, waaronder nationale en regionale instanties, worden bevorderd middels op gebruikersacceptatie gerichte activiteiten. Hiertoe moeten de Commissie en de lidstaten ernaar streven nauwere banden te smeden tussen Copernicus en beleidsmaatregelen op EU- en nationaal niveau teneinde de vraag naar commerciële toepassingen en diensten aan te moedigen, en ondernemingen, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen en start-ups, in staat te stellen toepassingen te ontwikkelen op basis van gegevens en informatie van Copernicus met het oog op de ontwikkeling van een concurrerend ecosysteem voor aardobservatiegegevens in Europa.
(59)  Teneinde het gebruik van aardobservatiegegevens en -technologieën door lokale en regionale overheden, kleine en middelgrote ondernemingen, wetenschappers en onderzoekers te bevorderen en te faciliteren, moeten speciale netwerken voor Copernicus-gegevensdistributie, waaronder nationale en regionale instanties, worden bevorderd door middel van activiteiten die gericht zijn op de acceptatie ervan door gebruikers. Hiertoe moeten de Commissie en de lidstaten ernaar streven nauwere banden te smeden tussen Copernicus en beleidsmaatregelen op EU- en nationaal niveau teneinde de vraag naar commerciële toepassingen en diensten te stimuleren en ondernemingen, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen en start-ups, in staat te stellen toepassingen te ontwikkelen op basis van gegevens en informatie van Copernicus met het oog op de ontwikkeling van een concurrerend ecosysteem voor aardobservatiegegevens in Europa.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 59 bis (nieuw)
(59 bis)   Gezien het grote potentieel van satellietbeelden voor een duurzaam en efficiënt beheer van hulpbronnen, waarbij bijvoorbeeld tijdig betrouwbare informatie over de toestand van gewassen en de bodemgesteldheid wordt verstrekt, moet die dienst verder worden verbeterd om aan de behoeften van de eindgebruiker te voldoen en de koppeling van gegevens te waarborgen.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 62
(62)  Naar aanleiding van de verzoeken van het Europees Parlement en de Raad heeft de Unie een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en monitoring (SST) vastgesteld bij Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en monitoring24. Ruimteschroot is inmiddels een ernstige bedreiging voor de beveiliging, de veiligheid en de haalbaarheid van ruimtevaartactiviteiten. Het SST is derhalve essentieel om de continuïteit van de componenten van het Programma en hun bijdragen aan het beleid van de Unie te vrijwaren. Door de verspreiding van ruimteschroot te proberen voorkomen, draagt het SST bij aan het waarborgen van duurzame en gegarandeerde toegang tot en het gebruik van de ruimte, een mondiaal gemeengoed.
(62)  Naar aanleiding van de verzoeken van het Europees Parlement en de Raad heeft de Unie een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en -monitoring (SST) vastgesteld bij Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad24. Ruimteschroot is inmiddels een ernstige bedreiging voor de beveiliging, de veiligheid en de haalbaarheid van ruimtevaartactiviteiten. Het SST is derhalve essentieel om de continuïteit van de onderdelen van het Programma en de bijdrage daarvan aan het beleid van de Unie te verzekeren. Door te trachten de verspreiding van ruimteschroot voorkomen, draagt het SST bij aan de waarborging van duurzame en gegarandeerde toegang tot en het gebruik van de ruimte – een mondiaal gemeengoed. Het SST is ook bedoeld om de voorbereiding van Europese "saneringsprojecten" in een baan om de aarde te vergemakkelijken.
__________________
__________________
24 PB L 158 van 27.5.2014, blz. 227.
24 Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en monitoring (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 227).
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 63
(63)  Binnen het SST moet verder worden gewerkt aan de ontwikkeling van de prestaties en autonomie van SST-capaciteiten. Te dien einde moet het leiden tot de oprichting van een autonome Europese catalogus van voorwerpen in de ruimte, die is gebaseerd op gegevens uit het netwerk van SST-sensoren. De SST moet ook steun blijven verlenen voor de exploitatie en verstrekking van SST-diensten. Aangezien het SST een gebruikersgestuurd systeem is, moeten passende mechanismen worden ingevoerd om de behoeften van de gebruikers te verzamelen, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de veiligheid.
(63)  Binnen het SST moet verder worden gewerkt aan de ontwikkeling van de prestaties en autonomie van het SST-vermogen. Te dien einde moet het leiden tot de oprichting van een autonome Europese catalogus van voorwerpen in de ruimte, die is gebaseerd op gegevens uit het netwerk van SST-sensoren. De catalogus zou het voorbeeld kunnen volgen van andere landen die actief zijn in de ruimtevaart en een deel van de gegevens beschikbaar kunnen stellen voor niet-commerciële en onderzoeksdoeleinden. Het SST moet ook de exploitatie en verstrekking van SST-diensten blijven ondersteunen. Aangezien het SST een gebruikersgestuurd systeem is, moeten passende mechanismen worden ingevoerd om de behoeften van de gebruikers te verzamelen, waaronder behoeften op het gebied van veiligheid en de doorgifte van nuttige informatie aan en door openbare instellingen, ter verbetering van de doeltreffendheid van het systeem.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 67
(67)  Daarnaast moet het SST een aanvulling vormen op de bestaande beperkingsmaatregelen, zoals de richtlijnen inzake het beperken van ruimteschroot van de Commissie voor het vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte (COPUOS) en de richtsnoeren voor de houdbaarheid op lange termijn van activiteiten in de ruimte of andere initiatieven om de veiligheid, de beveiliging en de duurzaamheid van activiteiten in de ruimte te garanderen. Met het oog op het verminderen van de risico's op botsingen moet het SST ook synergieën nastreven met initiatieven voor actieve verwijdering en passivering van ruimteschroot. Het SST moet bijdragen tot het vreedzame gebruik en de vreedzame verkenning van de ruimte. De toename van de activiteiten in de ruimte kan gevolgen hebben voor de internationale initiatieven op het gebied van het ruimteverkeersbeheer. De Unie moet deze ontwikkelingen monitoren en kan ze in aanmerking nemen in het kader van de tussentijdse evaluatie van het huidige meerjarig financieel kader.
(67)  Daarnaast moet het SST een aanvulling vormen op de bestaande beperkingsmaatregelen, zoals de richtlijnen inzake het beperken van ruimteschroot van de Commissie voor het vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte (COPUOS) en de richtsnoeren voor de houdbaarheid op lange termijn van activiteiten in de ruimte of andere initiatieven om de veiligheid, de beveiliging en de duurzaamheid van activiteiten in de ruimte te garanderen. Om het risico op botsingen te verminderen, moet het SST ook synergieën nastreven met initiatieven die gericht zijn op de bevordering van de ontwikkeling en de uitrol van de voor actieve verwijdering van ruimteschroot ontworpen technologische systemen. Het SST moet bijdragen tot het vreedzame gebruik en de vreedzame verkenning van de ruimte. De toename van de activiteiten in de ruimte kan gevolgen hebben voor de internationale initiatieven op het gebied van het beheer van ruimteverkeer. De Unie moet deze ontwikkelingen monitoren en kan ze in aanmerking nemen in het kader van de tussentijdse evaluatie van het huidige MFK.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Overweging 70
(70)  Extreme en grootschalige ruimteweersverschijnselen kunnen een bedreiging vormen voor de veiligheid van de burgers en de exploitatie van infrastructuur in de ruimte en op de grond verstoren. Een ruimteweerfunctie moet derhalve worden ingesteld als onderdeel van het Programma met het oog op de beoordeling van risico's in verband met ruimteweersverschijnselen en daaraan verbonden gebruikersbehoeften, om de bewustwording van risico's in verband met ruimteweersverschijnselen te verhogen, het verstrekken van gebruikersgestuurde ruimteweerdiensten te waarborgen, en het vermogen van lidstaten om ruimteweerdiensten te produceren te verbeteren. De Commissie moet prioriteit toekennen aan de sectoren waaraan de operationele ruimteweerdiensten moeten worden verleend, rekening houdend met de behoeften van de gebruikers, de risico's en de technologische paraatheid. Op de lange termijn kunnen de behoeften van andere sectoren worden aangepakt. De verstrekking van diensten op het niveau van de Unie in overeenstemming met de behoeften van de gebruikers zal gericht, gecoördineerd en voortgezet onderzoek en ontwikkelingsactiviteiten vereisen om de ontwikkeling van ruimteweerdiensten te ondersteunen. De verstrekking van de ruimteweerdiensten moet voortbouwen op de bestaande capaciteiten op nationaal niveau en op het niveau van de Unie en moet brede deelname van lidstaten en betrokkenheid van de private sector mogelijk maken.
(70)  Extreme en grootschalige weersverschijnselen in de ruimte kunnen een bedreiging vormen voor de veiligheid van de burgers en de exploitatie van infrastructuur in de ruimte en op de grond verstoren. Er moet derhalve een ruimteweerfunctie worden ingesteld als onderdeel van het Programma met het oog op de beoordeling van risico's in verband met weersverschijnselen in de ruimte en daaraan verbonden gebruikersbehoeften, om de bewustwording van risico's in verband met weersverschijnselen in de ruimte te verhogen, het verstrekken van gebruikersgestuurde ruimteweerdiensten te waarborgen, en het vermogen van lidstaten om ruimteweerdiensten te produceren te verbeteren. De Commissie moet prioriteit toekennen aan de sectoren waaraan de operationele ruimteweerdiensten moeten worden verleend, rekening houdend met de behoeften van de gebruikers, de risico's en de technologische paraatheid. Op de lange termijn kunnen de behoeften van andere sectoren worden aangepakt. De verstrekking van diensten op het niveau van de Unie in overeenstemming met de behoeften van de gebruikers zal gericht, gecoördineerd en voortgezet onderzoek en ontwikkelingsactiviteiten vereisen om de ontwikkeling van ruimteweerdiensten te ondersteunen. De verstrekking van de ruimteweerdiensten moet voortbouwen op het bestaande vermogen op nationaal en EU-niveau en moet de brede betrokkenheid van lidstaten, internationale organisaties en de private sector mogelijk maken.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Overweging 73
(73)  Govsatcom is een gebruikersgericht programma met een sterke veiligheidsdimensie. De gebruikstoepassingen van Govsatcom kunnen worden geanalyseerd voor drie hoofdgroepen: crisisbeheersing, waaronder mogelijk civiele en militaire missies van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, natuurlijke en door de mens veroorzaakte rampen, humanitaire crises en maritieme noodsituaties; bewaking, waaronder mogelijk bewaking aan en voor de grenzen, aan de zeegrenzen en op zee, en monitoring van de illegale handel; en belangrijke infrastructuur, waaronder mogelijk het diplomatieke netwerk, politiecommunicatie, kritieke infrastructuur (bijvoorbeeld energie, vervoer, waterkeringen) en ruimte-infrastructuur.
(73)  Govsatcom is een gebruikersgericht programma met een sterke veiligheidsdimensie. De gebruikstoepassingen van Govsatcom kunnen worden geanalyseerd voor drie hoofdgroepen: crisisbeheersing, natuurlijke en door de mens veroorzaakte rampen, humanitaire crises en maritieme noodsituaties; bewaking, waaronder mogelijk bewaking aan en voor de grenzen, aan de zeegrenzen en op zee, en monitoring van de illegale handel; en belangrijke infrastructuur, waaronder mogelijk het diplomatieke netwerk, politiecommunicatie, digitale infrastructuur (zoals datacentra en servers), kritieke infrastructuur (zoals energie, vervoer, waterkeringen, bv. dammen) en ruimte-infrastructuur.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Overweging 78
(78)  Voor de gebruikers van satellietcommunicatie is de gebruikersapparatuur de uiterst belangrijke operationele interface. De EU-Govsatcom-aanpak maakt het voor de meeste gebruikers mogelijk om gebruik te blijven maken van hun bestaande gebruikersapparatuur voor Govsatcom-diensten voor zover zij gebruikmaken van technologieën van de Unie.
(78)  De operationele interface is voor de gebruikers van satellietcommunicatie de cruciale gebruikersapparatuur. De EU-Govsatcom-aanpak moet het voor gebruikers mogelijk maken om gebruik te blijven maken van hun bestaande gebruikersapparatuur voor Govsatcom-diensten.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Overweging 86
(86)  Specifieke infrastructuur voor het Programma kan extra onderzoek en innovatie vereisen, wat kan worden ondersteund in het kader van Horizon Europa. Hierbij moet worden gestreefd naar samenhang met de werkzaamheden op dit gebied van het Europees Ruimteagentschap. Synergieën met Horizon Europa moeten ervoor zorgen dat de onderzoeks- en innovatiebehoeften van de ruimtevaartsector worden geïdentificeerd en als onderdeel van het strategische planningsproces op het gebied van onderzoek en innovatie worden opgevat. Ruimtevaartgegevens en -diensten die gratis beschikbaar worden gesteld door het Programma zullen worden gebruikt voor de ontwikkeling van baanbrekende oplossingen via onderzoek en innovatie, onder meer in het kader van Horizon Europa, in het bijzonder op het vlak van duurzaam voedsel en duurzame natuurlijke hulpbronnen, klimaatmonitoring, slimme steden, geautomatiseerde voertuigen, veiligheid en rampenbeheersing. De strategische planningsprocedure in het kader van Horizon Europa zal onderzoeks- en innovatieactiviteiten identificeren die gebruik moeten maken van infrastructuren die de Unie bezit, zoals Galileo, Egnos en Copernicus. Onderzoeksinfrastructuren, met name netwerken voor observatie ter plaatse, zullen essentiële elementen zijn van de infrastructuur voor observatie ter plaatse waardoor de Copernicus-diensten mogelijk worden.
(86)  Specifieke infrastructuur voor het Programma kan extra onderzoek en innovatie vereisen, wat kan worden ondersteund in het kader van Horizon Europa. Hierbij moet worden gestreefd naar samenhang met de werkzaamheden van het Europees Ruimteagentschap op dit gebied. Synergieën met Horizon Europa moeten ervoor zorgen dat de onderzoeks- en innovatiebehoeften van de ruimtevaartsector worden geïdentificeerd en als onderdeel van het strategische planningsproces op het gebied van onderzoek en innovatie worden opgevat. Het is van belang dat de continuïteit tussen de via Horizon Europa ontwikkelde oplossingen en de activiteiten van de onderdelen van het Programma wordt gewaarborgd. Ruimtevaartgegevens en -diensten die gratis beschikbaar worden gesteld door het Programma zullen worden gebruikt voor de ontwikkeling van baanbrekende oplossingen via onderzoek en innovatie, onder meer in het kader van Horizon Europa, met betrekking tot de voornaamste Europese beleidsmaatregelen. De strategische planningsprocedure in het kader van Horizon Europa zal onderzoeks- en innovatieactiviteiten identificeren waarbij gebruik moet worden gemaakt van infrastructuur waarover de Unie reeds beschikt, zoals Galileo, Egnos en Copernicus. De onderzoeksinfrastructuur, en met name de netwerken voor observatie ter plaatse, zal van essentieel belang zijn voor de observatie-infrastructuur ter plaatse die ter ondersteuning dient van de Copernicus-diensten.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Overweging 87
(87)  Bij Verordening (EU) nr. 912/2010 is een EU-agentschap genaamd Europees GNSS-Agentschap opgericht om bepaalde aspecten van de Galileo- en Egnos-satellietnavigatieprogramma's te beheren. De onderhavige verordening bepaalt met name dat het Europees GNSS-Agentschap nieuwe taken krijgt, niet alleen ten aanzien van Galileo en Egnos, maar ook voor andere onderdelen van het programma, met name op het gebied van beveiligingshomologatie. De naam, de taken en de organisatorische aspecten van het Europese GNSS-Agentschap moeten daarom dienovereenkomstig worden aangepast.
(87)  Bij Verordening (EU) nr. 912/2010 werd het zogenaamde Europese GNSS-Agentschap opgericht, dat zich moest richten op het beheer van bepaalde aspecten van de Galileo- en Egnos-satellietnavigatieprogramma's. In de verordening werd in het bijzonder bepaald dat het Europese GNSS-Agentschap nieuwe taken zou krijgen, niet alleen in het kader van Galileo en Egnos, maar ook in verband met andere onderdelen van het Programma, met name op het gebied van beveiligingshomologatie en cyberbeveiliging. De naam, de taken en de organisatorische aspecten van het Europese GNSS-Agentschap moeten daarom dienovereenkomstig worden aangepast.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Overweging 88
(88)  Met het oog op de uitbreiding van het toepassingsgebied, dat niet langer beperkt zal zijn tot Galileo en Egnos, moet het Europees GNSS-Agentschap worden aangepast. De continuïteit van de activiteiten van de het Europees GNSS-Agentschap, onder andere op het gebied van rechten en verplichtingen, personeel en de geldigheid van genomen besluiten, moet echter door het Agentschap worden gewaarborgd.
(88)  Met het oog op de uitbreiding van het toepassingsgebied, dat niet langer beperkt zal zijn tot Galileo en Egnos, moet het Europees GNSS-Agentschap veranderingen ondergaan. Wanneer de Commissie taken aan het Agentschap toevertrouwt, moet zij voor passende financiering voor het beheer en de uitvoering van die taken zorgen, waaronder voor voldoende personele en financiële middelen. De continuïteit van de activiteiten van het Europees GNSS-Agentschap, onder andere op het gebied van rechten en verplichtingen, personeel en de geldigheid van genomen besluiten, moet echter door het Agentschap worden gewaarborgd.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
(2)  "weersomstandigheden in de ruimte": van nature optredende veranderingen in de omstandigheden tussen de zon en de aarde, waaronder zonnevlammen, energierijke zonnedeeltjes, zonnewind en plasmawolken, die kunnen leiden tot zonnestormen (geomagnetische stormen, stralingsstormen en ionosferische verstoringen) en mogelijk gevolgen voor de aarde kunnen hebben;
(2)  "weersverschijnselen in de ruimte": van nature optredende variaties in de ruimte tussen de zon en de aarde, waaronder zonnevlammen, energierijke zonnedeeltjes, zonnewind en plasmawolken, die kunnen leiden tot zonnestormen (geomagnetische stormen, stralingsstormen en ionosferische verstoringen) en mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de aarde of voor de infrastructuur in de ruimte;
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5
(5)  "omgevingsbewustzijn in de ruimte" (space situational awareness, "SSA"): een alomvattende benadering van de voornaamste gevaren in de ruimte, waaronder botsingen tussen satellieten en ruimteschroot, ruimteweerverschijnselen en aardscheerders;
(5)  "omgevingsbewustzijn in de ruimte" (space situational awareness, SSA): diepgaande kennis van en uitgebreid inzicht in de voornaamste gevaren in de ruimte, waaronder botsingen tussen satellieten en ruimteschroot, weersverschijnselen in de ruimte en aardscheerders;
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6
(6)  "blendingverrichtingen": door de EU-begroting ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten uit de EU-begroting worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;
(6)  "blendingverrichting": een door de EU-begroting ondersteunde actie, ook binnen blendingfaciliteiten, overeenkomstig artikel 2, lid 6, van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugvorderbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten en/of begrotingsgaranties uit de EU-begroting worden gecombineerd met terugvorderbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 10
(10)  "SST-gegevens": de fysieke parameters van voorwerpen in de ruimte die door SST-sensoren zijn geregistreerd of de baanparameters van voorwerpen in de ruimte die zijn afgeleid van de waarnemingen van SST-sensoren in het kader van het SST-onderdeel (ruimtebewaking en -monitoring, "space surveillance and tracking");
(10)  "SST-gegevens": de fysieke parameters van voorwerpen in de ruimte, met inbegrip van ruimteschroot, die door SST-sensoren zijn geregistreerd of de baanparameters van voorwerpen in de ruimte die zijn afgeleid van de waarnemingen van SST-sensoren in het kader van het onderdeel met betrekking tot het ondersteuningskader voor ruimtebewaking en -monitoring (het SST-onderdeel);
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 14 bis (nieuw)
(14 bis)   "Copernicusinformatie van derden": informatie die op basis van een vergunning via andere kanalen dan de Sentinel-satellieten van Copernicus wordt verstrekt om binnen activiteiten in het kader van Copernicus te worden gebruikt;
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 23 – alinea 1
"Copernicuskerngebruikers" die profiteren van Copernicusgegevens en -informatie en de aanvullende taak hebben de evolutie van Copernicus aan te drijven; hieronder vallen de instellingen en organen van de Unie en Europese nationale of regionale openbare instanties die zijn belast met een openbaredienstverleningstaak voor de vaststelling, uitvoering, handhaving of monitoring van beleid op het gebied van milieu, civiele bescherming, veiligheid of beveiliging;
"Copernicuskerngebruikers": gebruikers die profiteren van Copernicusgegevens en -informatie en de aanvullende taak hebben de evolutie van Copernicus aan te drijven; hieronder vallen de instellingen en organen van de Unie en Europese nationale of regionale overheidsinstanties die belast zijn met een openbaredienstverleningstaak in verband met de vaststelling, uitvoering, handhaving of monitoring van beleid op het gebied van milieu, cultureel erfgoed, civiele bescherming, veiligheid, ook van infrastructuur, of beveiliging;
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 23 – alinea 2 bis (nieuw)
"Copernicuskerndiensten": de operationele diensten die geclusterd zijn in het gegevens- en informatieverwerkingsonderdeel of het dienstenonderdeel, die van algemeen en gemeenschappelijk belang zijn voor de lidstaten en de Unie;
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 23 bis (nieuw)
(23 bis)  "ruimtevaartsector": sector die in de volgende twee sectoren kan worden onderverdeeld:
"upstreamsector": sector die activiteiten omvat die gericht zijn op de verwezenlijking van een operationeel ruimtevaartsysteem en de verkenning van de ruimte;
"downstreamsector": sector die activiteiten omvat met betrekking tot de exploitatie van satellietgegevens voor de ontwikkeling van ruimtevaartgerelateerde producten en diensten voor eindgebruikers.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – letter a
a)  een autonoom wereldwijd satellietnavigatiesysteem (GNSS) voor civiel gebruik dat onder civiele controle staat en bestaat uit een constellatie van satellieten, centra en een mondiaal netwerk van grondstations, dat diensten voor plaatsbepaling, navigatie en tijdmeting verleent en de veiligheidsbehoeften- en vereisten volledig integreert ("Galileo");
a)  een autonoom wereldwijd satellietnavigatiesysteem (GNSS) voor civiel gebruik dat onder civiele controle staat en bestaat uit een constellatie van satellieten, centra en een mondiaal netwerk van grondstations, dat diensten voor plaatsbepaling, navigatie en tijdmeting verleent, waarbij in voorkomend geval de veiligheidsbehoeften- en vereisten in acht worden genomen ("Galileo");
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – letter c
c)  een autonoom, door gebruikers gestuurd aardobservatiesysteem dat onder civiele controle staat en geo-informatiegegevens en -diensten verleent, en dat bestaat uit satellieten, infrastructuur op de grond, faciliteiten voor gegevens- en informatieverwerking en verspreidingsinfrastructuur, en de veiligheidsbehoeften- en vereisten volledig integreert ("Copernicus");
c)  een autonoom, gebruikersgestuurd aardobservatiesysteem dat onder civiele controle staat en op basis van een beleid van kosteloze en open gegevens geo-informatiegegevens en -diensten verleent, en dat bestaat uit satellieten, infrastructuur op de grond, faciliteiten voor gegevens- en informatieverwerking en verspreidingsinfrastructuur, waarbij de veiligheidsbehoeften- en vereisten volledig in acht worden genomen ("Copernicus");
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – letter d
d)  een systeem voor ruimtebewaking en -monitoring dat is gericht op de het verbeteren, opereren en leveren van gegevens, informatie en diensten op het gebied van de bewaking en monitoring van actieve en inactieve ruimtevaartuigen, afgeworpen trappen van draagraketten, schroot en schrootfragmenten die zich in een baan om de aarde bewegen, en dat wordt aangevuld door observatieparameters in verband met de monitoring weeromstandigheden in de ruimte en het risico van aardscheerders die de aarde naderen ("SST");
d)  een systeem voor ruimtebewaking en -monitoring dat gericht is op de verbetering, exploitatie en verstrekking van gegevens, informatie en diensten op het gebied van de bewaking en monitoring van ruimteschroot en (in)actieve ruimtevaartuigen die zich in een baan om de aarde bewegen, dat wordt aangevuld door observatieparameters met betrekking tot de monitoring van weersverschijnselen in de ruimte en de risico's in verband met aardscheerders (het "SST");
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 2
Voorts omvat het programma maatregelen om voor de waarborging van efficiënte toegang tot de ruimte voor het programma en voor de bevordering van een innovatieve ruimtevaartsector.
Voorts omvat het Programma maatregelen voor de waarborging van autonome toegang tot de ruimte, alsook maatregelen voor het aanpakken van cyberbedreigingen, voor de bevordering van een innovatieve en concurrerende ruimtevaartsector en voor de ondersteuning van diplomatie op het gebied van ruimtevaart.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – inleidende formule
1.  De doelstellingen van het programma zijn:
1.  Met het Programma worden de volgende algemene doelstellingen nagestreefd:
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter a
a)  het verstrekken, of het leveren van een bijdrage tot het verstrekken van, hoogwaardige, geactualiseerde en, in voorkomend geval, veilige met de ruimtevaart verband houdende gegevens, informatie en diensten zonder onderbrekingen en zoveel mogelijk op mondiaal niveau, waarbij aan de bestaande en toekomstige behoeften wordt voldaan en dit in overeenstemming met de politieke prioriteiten van de Unie, onder meer wat betreft klimaatverandering, veiligheid en defensie;
a)  het verstrekken van of het leveren van een bijdrage aan de verstrekking van hoogwaardige, geactualiseerde en, in voorkomend geval, beveiligde gegevens, informatie en diensten die verband houden met de ruimtevaart, zonder onderbrekingen en zoveel mogelijk op mondiaal niveau, waarbij aan de bestaande en toekomstige behoeften en de politieke prioriteiten van de Unie wordt voldaan; alsook het ondersteunen van het vermogen van de Unie en haar lidstaten om onafhankelijk empirisch onderbouwde besluiten te nemen;
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter b
b)  het maximaliseren van de socio-economische voordelen, onder meer door bevordering van een zo ruim mogelijk gebruik van de gegevens, informatie en diensten die door de onderdelen van het programma worden verstrekt;
b)  het maximaliseren van de socio-economische voordelen, zowel binnen als buiten de Unie, met name door de Europese downstreamsector te versterken en zo de groei en de werkgelegenheid in de Unie te bevorderen, alsook door een optimale acceptatie van de diensten en een zo ruim mogelijk gebruik van de gegevens, informatie en diensten die door de onderdelen van het Programma worden verstrekt, te bevorderen;
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter c
c)  het verhogen van de veiligheid van de Unie en haar lidstaten, haar handelingsvrijheid en haar strategische onafhankelijkheid, met name op het vlak van technologische, op bewijzen gestoelde besluitvorming;
c)  het verhogen van de veiligheid evenals de cyberbeveiliging van de Unie en haar lidstaten en het versterken van haar strategische onafhankelijkheid, met name op industrieel en technologisch vlak;
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  het versterken van het Europese industriële en wetenschappelijke ecosysteem op het gebied van de ruimtevaart door een samenhangend kader tot stand te brengen waarin de uitmuntendheid van Europese opleidingen en knowhow, de ontwikkeling van hoogwaardige ontwerpen, het productievermogen en de strategische visie die nodig is in een steeds concurrerendere sector worden gecombineerd;
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter d
d)  het bevorderen van de rol van Unie op het internationale niveau als een voortrekker in de ruimtevaartsector en het versterken van de rol van de Unie bij de aanpak van wereldwijde uitdagingen en de ondersteuning van internationale initiatieven, onder meer wat betreft klimaatverandering en duurzame ontwikkeling.
d)  het bevorderen van de rol van Unie als voortrekster in de ruimtevaartsector op internationaal niveau en het versterken van haar rol bij de aanpak van wereldwijde uitdagingen en de ondersteuning van internationale initiatieven, onder meer met betrekking tot duurzame ontwikkeling.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter d bis (nieuw)
d bis)  het versterken van de diplomatie van de Unie in de ruimtevaartsector en het aanmoedigen van internationale samenwerking om het bewustzijn van de ruimte als gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid te vergroten;
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter d ter (nieuw)
d ter)  het bevorderen van de technologie en industrie van de Unie, alsook van het beginsel van wederkerigheid en eerlijke concurrentie op internationaal niveau;
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter d quater (nieuw)
d quater)  het verbeteren van de veiligheid van de Unie en haar lidstaten op diverse gebieden, en met name op het gebied van vervoer (luchtvaart, met inbegrip van onbemande luchtvaartuigen, spoorwegvervoer, navigatie, wegvervoer, autonoom rijden), de aanleg en monitoring van infrastructuur, landmonitoring en milieu.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – letter a
a)  voor Galileo en Egnos: het verstrekken van geavanceerde en, waar dat gepast is, beveiligde diensten voor plaatsbepaling, navigatie en tijdsbepaling;
a)  voor Galileo en Egnos: het op lange termijn en continu verstrekken van geavanceerde en, waar dat gepast is, beveiligde diensten voor plaatsbepaling, navigatie en tijdsbepaling;
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – letter b
b)  voor Copernicus: het verstrekken van nauwkeurige en betrouwbare aardobservatiegegevens en -informatie op langetermijnbasis, ter ondersteuning van de uitvoering en monitoring van het beleid van de Unie en haar lidstaten op het gebied van milieu, klimaatverandering, landbouw en plattelandsontwikkeling, civiele bescherming, veiligheid en beveiliging en de digitale economie;
b)  voor Copernicus: het op lange termijn verstrekken van nauwkeurige en betrouwbare aardobservatiegegevens en ‑informatie, ter ondersteuning van de uitvoering en monitoring van de gebruikersgestuurde beleidsmaatregelen en acties van de Unie en haar lidstaten;
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – letter c
c)  voor omgevingsbewustzijn in de ruimte ("SSA"): het versterken van de SST-capaciteiten om voorwerpen in de ruimte te monitoren, bewaken en identificeren, ruimteweer te monitoren en de NEO-capaciteiten van de lidstaten in kaart te brengen en met elkaar te verbinden;
c)  voor omgevingsbewustzijn in de ruimte (SSA): het versterken van het SST-vermogen om voorwerpen in de ruimte en ruimteschroot te bewaken, te monitoren en te identificeren, alsook van het vermogen om weersverschijnselen in de ruimte te monitoren en de NEO-vermogens van de lidstaten in kaart te brengen en met elkaar te verbinden;
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – letter e
e)  het bijdragen, waar dat voor het programma vereist is, tot een autonoom, veilig en kostenefficiënt ruimtevaartvermogen;
e)  het waarborgen van een autonoom, veilig en kostenefficiënt ruimtevaartvermogen;
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – letter f
f)  het ondersteunen en versterken van het concurrentievermogen, ondernemerschap, vaardigheden en de innovatiecapaciteiten van natuurlijke en -rechtspersonen in de Unie die in die sector actief zijn of dat wensen te worden, met name wat de positie en de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen en startende ondernemingen betreft.
f)  het bevorderen van de ontwikkeling van een krachtige en concurrerende Europese ruimtevaarteconomie en het maximaliseren van de mogelijkheden voor Europese ondernemingen uit alle regio's van de Unie, ongeacht hun omvang.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – inleidende formule
Het programma ondersteunt:
Het Programma ondersteunt door middel van synergieën met andere programma's en financieringsregelingen van de EU en het ESA:
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter a
a)  de levering van lanceerdiensten voor behoeften van het programma;
a)  de verlening van lanceringsdiensten in het kader van het Programma, met inbegrip van geaggregeerde lanceringsdiensten voor de Unie en voor andere entiteiten, op hun verzoek, rekening houdend met de essentiële veiligheidsbelangen van de Unie overeenkomstig artikel 25, om het concurrentievermogen van Europese draagraketten en industrieën op de wereldmarkt te vergroten;
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter b
b)  ontwikkelingsactiviteiten in verband met de autonome, betrouwbare en kostenefficiënte toegang tot de ruimte;
b)  ontwikkelingsactiviteiten in verband met de autonome, betrouwbare en kostenefficiënte toegang tot de ruimte, waaronder alternatieve lanceringstechnologieën en innovatieve systemen of diensten, rekening houdend met de essentiële veiligheidsbelangen van de Unie en haar lidstaten overeenkomstig artikel 25;
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter c
c)  de noodzakelijke aanpassingen aan de ruimtevaartinfrastructuur op de grond, waar dat voor de behoeften van het programma vereist is.
c)  waar dit met het oog op de doelstellingen van het Programma vereist is, de nodige steun voor het onderhoud, de aanpassing en de ontwikkeling van de ruimtevaartinfrastructuur, en met name van bestaande infrastructuur, rakettrajecten en onderzoekscentra.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – titel
Acties ter ondersteuning van een innovatieve ruimtevaartsector voor de Unie
Acties ter ondersteuning van een innovatieve en concurrerende Europese ruimtevaartsector
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter a
a)  innovatieactiviteiten voor een optimaal gebruik van ruimtevaarttechnologieën, -infrastructuur en -diensten;
a)  innovatieactiviteiten die gericht zijn op de ontwikkeling en het optimaal gebruik van ruimtevaarttechnologieën, -infrastructuur en -diensten;
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  passende maatregelen om het gebruik van innovatieve oplossingen die voortvloeien uit onderzoeks- en innovatieactiviteiten te vergemakkelijken, met name door middel van synergieën met andere fondsen van de Unie, zoals Horizon Europa en InvestEU, ter ondersteuning van de ontwikkeling van de downstreamsectoren van alle onderdelen van het Programma;
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter a ter (nieuw)
a ter)  versterking van de Europese ruimtevaartsector in de exportmarkt;
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter b
b)  de oprichting van innovatiepartnerschappen op het gebied van ruimtevaart voor de ontwikkeling van innovatieve producten of diensten en de daaropvolgende aankoop van de daaruit resulterende diensten;
b)  de oprichting van innovatiepartnerschappen op het gebied van ruimtevaart met het oog op de ontwikkeling van innovatieve producten of diensten en de daaropvolgende aankoop van de daaruit resulterende producten of diensten om aan de behoeften in het kader van het Programma te voldoen;
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)  de vormgeving, beproeving, tenuitvoerlegging en toepassing van gegevensgestuurde interoperabele ruimtevaartoplossingen voor overheidsdiensten, de bevordering van innovatie en de vaststelling van gemeenschappelijke kaders om het volledige potentieel van overheidsdiensten voor burgers en bedrijven te benutten;
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter c
c)  ondernemerschap, vanaf de eerste fasen tot de opschaling, overeenkomstig artikel 21 en andere financieringsbepaling als bedoeld in artikel 18 en hoofdstuk II van titel III:
c)  ondernemerschap, ook in een vroeg stadium tot schaalvergroting, overeenkomstig artikel 21 en door een beroep te doen op andere bepalingen inzake toegang tot financiering als bedoeld in artikel 18 en titel III, hoofdstuk I;
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter d
d)  samenwerking tussen ondernemingen, in de vorm van ruimtevaarthubs op regionaal en nationaal niveau, waarin actoren en gebruikers uit de ruimtevaartsector en de digitale sector worden samengebracht en waarmee steun wordt verleend aan burgers en ondernemingen bij de ontwikkeling van ondernemerschap en vaardigheden;
d)  samenwerking in de vorm van een netwerk van ruimtevaarthubs, waarin actoren en gebruikers uit de ruimtevaartsector en de digitale sector worden samengebracht, met name op regionaal en nationaal niveau, en waarmee steun, faciliteiten en diensten worden verleend aan burgers en ondernemingen ter ontwikkeling van ondernemerschap en vaardigheden; de bevordering van samenwerking tussen de ruimtevaarthubs en de digitale-innovatiehubs die in het kader van het programma Digitaal Europa zijn opgericht;
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter d bis (nieuw)
d bis)  de mogelijke ontwikkeling van een "first contract"-strategie voor de benadering van alle relevante spelers uit de overheidssector en de private sector om de ontwikkeling van start-ups op het gebied van ruimtevaart te ondersteunen;
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter d ter (nieuw)
d ter)  synergieën met de vervoerssector, de ruimtevaartsector en de digitale sector om het bredere gebruik van nieuwe technologieën (zoals e-call, de digitale tachograaf, verkeerstoezicht en -beheer, autonoom rijden, onbemande voertuigen en drones) te bevorderen en in te spelen op behoeften zoals veilige en naadloze connectiviteit, precieze plaatsbepaling, intermodaliteit en interoperabiliteit, om zo het concurrentievermogen van vervoersdiensten en de vervoersindustrie te vergroten;
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter e
e)  activiteiten op het gebied van onderwijs en opleiding;
e)  activiteiten op het gebied van onderwijs en opleiding, zodat geavanceerde vaardigheden op het vlak van ruimtevaart kunnen worden ontwikkeld;
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter f
f)  toegang tot verwerkings- en testinstallaties;
f)  toegang tot verwerkings- en testfaciliteiten voor beroepsbeoefenaren uit de overheidssector en de private sector, studenten en ondernemers;
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – letter c
c)  het derde land of de internationale organisatie geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;
c)  het derde land of de internationale organisatie in kwestie geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het Programma of toegang tot gevoelige of gerubriceerde informatie verleent;
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2 – letter d bis (nieuw)
d bis)  de strategische en soevereine belangen van de Unie op alle relevante gebieden, met inbegrip van de Europese strategische autonomie op technologisch of industrieel gebied, in voorkomend geval in stand houdt;
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3
3.  De Commissie treft de nodige maatregelen om te waarborgen dat de contracten, overeenkomsten of andere regelingen in verband met de in lid 1 bedoelde activiteiten bepalingen bevatten waarin voor die activa een passende eigendomsregeling wordt vastgesteld en, wat punt c) betreft, waarin wordt vastgelegd dat de Unie de PRS-ontvangers vrijelijk kan gebruiken overeenkomstig Besluit nr. 1104/2011/EU.
3.  De Commissie treft de nodige maatregelen om te waarborgen dat de contracten, overeenkomsten of andere regelingen in verband met de in lid 2 bedoelde activiteiten bepalingen bevatten waarin voor die activa een passende eigendoms- en gebruiksregeling wordt vastgesteld en, wat punt c) betreft, waarin wordt vastgelegd dat de Unie de PRS-ontvangers vrijelijk kan gebruiken en het gebruik ervan kan toestaan overeenkomstig Besluit nr. 1104/2011/EU.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1
De door de onderdelen van het programma geleverde diensten, gegevens en informatie worden verstrekt zonder enige expliciete of impliciete garantie ten aanzien van de kwaliteit, nauwkeurigheid, beschikbaarheid, betrouwbaarheid en geschiktheid voor een bepaald doel ervan. Daartoe treft de Commissie de nodige maatregelen om te waarborgen dat de gebruikers van die diensten, gegevens en informatie op gepaste wijze in kennis worden gesteld van het ontbreken van dergelijke garantie.
De door de onderdelen van het Programma geleverde diensten, gegevens en informatie worden verstrekt zonder enige expliciete of impliciete garantie ten aanzien van de kwaliteit, nauwkeurigheid, beschikbaarheid, betrouwbaarheid en geschiktheid ervan voor een bepaald doel, tenzij een dergelijke garantie door de toepasselijke Uniewetgeving wordt vereist voor de verlening van de desbetreffende diensten. Daartoe treft de Commissie de nodige maatregelen om te waarborgen dat de gebruikers van die diensten, gegevens en informatie op gepaste wijze in kennis worden gesteld van het ontbreken van dergelijke garantie.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 – alinea 1
De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021 - 2027 bedragen [16] miljard EUR in lopende prijzen.
De financiële middelen voor de uitvoering van het Programma voor de periode 2021-2027 bedragen [16,9] miljard EUR in lopende prijzen.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 – alinea 2 – letter b
b)  voor Copernicus: [5,8] miljard EUR;
b)  voor Copernicus: [6] miljard EUR;
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 – alinea 2 – letter c
c)  voor SSA/Govsatcom: [0,5] miljard EUR.
c)  voor SSA/Govsatcom: [1,2] miljard EUR.
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2
2.  Horizontale activiteiten als voorzien in artikel 3 worden in het kader van de onderdelen van het programma gefinancierd.
2.  Horizontale activiteiten als voorzien in de artikelen 3, 5 en 6 worden in het kader van de onderdelen van het programma gefinancierd.
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – alinea 1 – letter a
a)  in alle lidstaten, in de hele toeleveringsketen, een zo breed en open mogelijke deelname van startende ondernemingen, nieuwe marktdeelnemers en kleine en middelgrote ondernemingen en andere marktdeelnemers bevorderen, waaronder de vereiste van onderaanneming door de inschrijvers;
a)  in de hele Unie en in de hele toeleveringsketen, een zo breed en open mogelijke deelname van alle marktdeelnemers, en in het bijzonder startende ondernemingen, nieuwe marktdeelnemers en kleine en middelgrote ondernemingen bevorderen, waaronder de vereiste van onderaanneming door de inschrijvers;
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – alinea 1 – letter d
d)  de onafhankelijkheid van de Unie bevorderen, met name op technologisch vlak;
d)  de strategische onafhankelijkheid van de Unie bevorderen, met name op industrieel en technologisch vlak, in de hele waardeketen;
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – alinea 1 – letter d bis (nieuw)
d bis)  de beginselen van open toegang en eerlijke mededinging in de gehele industriële bevoorradingsketen in acht te nemen, inschrijving op basis van transparante en tijdige informatie, duidelijke bekendmaking van de geldende voorschriften voor aanbestedingen, selectie- en gunningscriteria en eventuele andere relevante informatie die ervoor zorgen dat alle potentiële inschrijvers gelijke kansen hebben;
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 1
1.  Om nieuwe marktdeelnemers, kleine en middelgrote ondernemingen en startende ondernemingen aan te moedigen en om een zo groot mogelijke geografische dekking te bieden en de strategische autonomie van de Unie te beschermen, kan de aanbestedende dienst de inschrijver verzoeken een deel van de opdracht door middel van een open aanbesteding op het passende niveau van onderaanneming uit te besteden aan bedrijven buiten de groep waartoe de inschrijver behoort.
1.  Om nieuwe marktdeelnemers, met name kleine en middelgrote ondernemingen en startende ondernemingen aan te moedigen en om een zo groot mogelijke geografische dekking te bieden en de strategische autonomie van de Unie te beschermen, tracht de aanbestedende dienst de inschrijver te verzoeken een deel van de opdracht door middel van een open aanbesteding op het passende niveau van onderaanneming uit te besteden aan bedrijven buiten de groep waartoe de inschrijver behoort.
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2
2.  De aanbestedende dienst drukt het deel van de opdracht dat in onderaanneming moet worden gegeven, uit door middel van een minimum- en een maximumpercentage.
2.  De aanbestedende dienst drukt het deel van de opdracht dat in onderaanneming moet worden gegeven aan de industrie op alle niveaus, overeenkomstig lid 1, uit door middel van een minimum- en een maximumpercentage.
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3
3.  Eventuele afwijking van een verzoek overeenkomstig lid 1 wordt door de inschrijver gemotiveerd.
3.  Eventuele afwijking van een verzoek overeenkomstig lid 1 wordt door de inschrijver gemotiveerd en door de aanbestedende autoriteit beoordeeld.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – alinea 2
Bij een gezamenlijke oproep tot het indienen van voorstellen worden gezamenlijke procedures voor de selectie en beoordeling van voorstellen vastgesteld. Bij die procedures moet een evenwichtige groep deskundigen betrokken zijn, benoemd door elke partij.
Bij een gezamenlijke oproep tot het indienen van voorstellen worden gezamenlijke procedures voor de selectie en beoordeling van voorstellen vastgesteld. Bij de procedures wordt een evenwichtige groep van door alle partijen aangestelde deskundigen betrokken. Dergelijke deskundigen voeren geen evaluaties uit en adviseren en ondersteunen niet in aangelegenheden waarin zij tegenstrijdige belangen hebben.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
1.  In aanvulling op de bepalingen van [artikel 165] van het Financieel Reglement kunnen de Commissie en het Agentschap gezamenlijke aanbestedingsprocedures uitvoeren met het Europees Ruimteagentschap of andere internationale organisaties die bij de uitvoering van de onderdelen van het programma zijn betrokken.
1.  In aanvulling op de bepalingen van [artikel 165] van het Financieel Reglement kunnen de Commissie en/of het Agentschap gezamenlijke aanbestedingsprocedures uitvoeren met het Europees Ruimteagentschap of andere internationale organisaties die bij de uitvoering van de onderdelen van het programma zijn betrokken.
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – alinea 1 – letter a
a)  een strikte verdeling van de taken en verantwoordelijkheden tussen de bij de uitvoering van het programma betrokken entiteiten, met name tussen de lidstaten, de Commissie, het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap;
a)  een strikte verdeling van de taken en verantwoordelijkheden tussen de bij de uitvoering van het programma betrokken entiteiten, met name tussen de lidstaten, de Commissie, het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap, op basis van de bevoegdheden van elk van de entiteiten, wat zorgt voor meer transparantie, een betere doeltreffendheid en kostenefficiëntie en wat een overlapping van activiteiten vermijdt;
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – alinea 1 – letter b
b)  een strenge controle van het programma, onder meer om te waarborgen dat alle entiteiten zich, binnen hun respectieve bevoegdheden en overeenkomstig deze verordening, strikt aan de ramingen voor de kosten en het tijdschema houden;
b)  een strenge controle van het programma, onder meer om te waarborgen dat alle entiteiten zich, binnen hun respectieve bevoegdheden en overeenkomstig deze verordening, strikt aan de ramingen voor de kosten en technische prestaties houden;
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – alinea 1 – letter d
d)  systematisch aandacht besteden aan de gebruikersbehoeften van de door de onderdelen van het programma geleverde diensten, en van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang op het gebied van die diensten;
d)  systematisch aandacht besteden aan de gebruikersbehoeften van de door de onderdelen van het programma geleverde diensten, en van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang op het gebied van die diensten, onder meer door de raadpleging van de adviserende gebruikersfora op nationaal en Unieniveau;
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 2
2.  De Commissie, of voor de in artikel 30 bedoelde taken, het Agentschap, kan specifieke taken toevertrouwen aan lidstaten of nationale agentschappen of aan groepen lidstaten of nationale agentschappen. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om te zorgen voor een goede werking van het programma en om het gebruik ervan te bevorderen, waaronder door de voor het programma benodigde frequenties te helpen beschermen.
2.  De Commissie, of voor de in artikel 30 bedoelde taken, het Agentschap, kan specifieke taken toevertrouwen aan lidstaten of aan groepen lidstaten, op basis van een specifieke goedkeuring per geval. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om te zorgen voor een goede werking van het programma en om het gebruik ervan te bevorderen, waaronder door de voor het programma benodigde frequenties op een gepast niveau te helpen beschermen.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten streven naar een proactieve en gecoördineerde raadpleging van gemeenschappen van eindgebruikers, in het bijzonder met betrekking tot Galileo, Egnos en Copernicus, ook via adviserende gebruikersfora.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1
1.  De Commissie heeft de algemene verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma, met inbegrip van het beveiliging. In overeenstemming met deze verordening stelt zij de prioriteiten en de ontwikkeling op de lange termijn van het programma vast, en houdt zij toezicht op de uitvoering ervan, waarbij de nodige aandacht wordt besteed aan het effect ervan op andere beleidsterreinen van de Unie.
1.  De Commissie heeft de algemene verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma en de verantwoordelijkheid met betrekking tot beveiliging voor de onderdelen van het programma die niet aan het Agentschap zijn toevertrouwd krachtens artikel 30. In overeenstemming met deze verordening stelt zij de prioriteiten en de ontwikkeling op de lange termijn van het programma vast, en houdt zij toezicht op de uitvoering ervan, waarbij de nodige aandacht wordt besteed aan het effect ervan op andere beleidsterreinen van de Unie.
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2
2.  De Commissie beheert die onderdelen van het programma waarvan het beheer niet aan andere entiteiten is toevertrouwd.
2.  De Commissie beheert die onderdelen van het programma waarvan het beheer niet aan de andere in artikel 30, 31 en 32 bedoelde entiteiten is toevertrouwd.
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 3
3.  De Commissie zorgt voor een duidelijke taakverdeling tussen de verschillende entiteiten die betrokken zijn bij het programma en coördineert de activiteiten van die entiteiten.
3.  De Commissie zorgt voor een duidelijke taakverdeling tussen de verschillende entiteiten die betrokken zijn bij het programma en coördineert de activiteiten van die entiteiten, en waarborgt de volledige bescherming van de belangen van de Unie, het behoorlijke beheer van haar middelen en de toepassing van haar voorschriften, in het bijzonder die met betrekking tot aanbestedingen. Derhalve sluit de Commissie een overeenkomst over een financieel kaderpartnerschap met het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap in verband met de taken die aan deze twee entiteiten zijn toevertrouwd, zoals bedoeld in artikel 31 bis.
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De Commissie stelt gedelegeerde handelingen vast overeenkomstig artikel 105 betreffende de specifieke bepaling met betrekking tot de werking en de governance van de functie met betrekking tot ruimteweer en de NEO-functie.
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 4 – alinea 1
Indien dat voor de goede werking van het programma en de soepele dienstverlening door de onderdelen van het programma noodzakelijk is, stelt de Commissie, door middel van uitvoeringshandelingen, de technische en operationele specificaties voor de uitvoering en ontwikkeling van die onderdelen en de daardoor geleverde diensten vast, na raadpleging van de gebruikers en alle andere relevante belanghebbenden. Bij het vaststellen van die technische en operationele specificaties voorkomt de Commissie dat het algemene beveiligingsniveau wordt verlaagd en zorgt zij voor achterwaartse compatibiliteit.
Indien dat voor de goede werking van het programma en de soepele dienstverlening door de onderdelen van het programma noodzakelijk is, stelt de Commissie, door middel van gedelegeerde handelingen, de eisen van hoog niveau voor de uitvoering en ontwikkeling van die onderdelen en de daardoor geleverde diensten vast, na raadpleging van de gebruikers en alle andere relevante belanghebbenden, met inbegrip van de downstreamsector. Bij het vaststellen van die eisen van hoog niveau voorkomt de Commissie dat het algemene beveiligingsniveau wordt verlaagd en zorgt zij voor achterwaartse compatibiliteit.
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 4 – alinea 2
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Deze gedelegeerde handelingen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 21.
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 5
5.  De Commissie bevordert en waarborgt de ingebruikneming en het gebruik van de door de onderdelen van het programma geleverde gegevens en diensten in de publieke en de private sectoren, waaronder door de juiste ontwikkeling van die diensten te ondersteunen en een stabiel klimaat op de lange termijn te bevorderen. Zij ontwikkelt synergieën tussen de toepassingen van de verschillende onderdelen van het programma. Ook zorgt zij voor complementariteit, consistentie, synergieën en de koppeling tussen het programma en andere acties en programma's van de Unie.
5.  De Commissie zorgt voor complementariteit, consistentie, synergieën en de koppeling tussen het programma en andere acties en programma's van de Unie. Zij ondersteunt en levert in nauwe samenwerking met het Agentschap en, waar van toepassing, het Europees Ruimteagentschap en de aan Copernicus toegewezen entiteiten bijdragen aan:
—  de activiteiten in verband met de acceptatie en het gebruik van de door de onderdelen van het programma geleverde gegevens en diensten in de publieke en private sector,
—  de ontwikkeling van synergieën tussen de aanvragen,
—  de toereikende ontwikkeling van deze diensten,
—  de bevordering van een stabiel klimaat op lange termijn.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 6
6.  Waar passend zorgt zij voor de coördinatie met de activiteiten in de ruimtevaartsector die worden verricht op nationaal, internationaal en Unieniveau. De Commissie moedigt samenwerking tussen de lidstaten aan en bevordert de convergentie van hun technische vermogens en ontwikkeling op het gebied van ruimtevaart.
6.  Waar passend en in samenwerking met het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap zorgt de Commissie voor de coördinatie met de activiteiten in de ruimtevaartsector die worden verricht op nationaal, internationaal en Unieniveau. De Commissie moedigt samenwerking tussen de lidstaten aan en bevordert de convergentie van hun technische vermogens en ontwikkeling op het gebied van ruimtevaart.
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)  de acceptatie en het gebruik bevorderen en waarborgen van de door de onderdelen van het programma geleverde gegevens en diensten, met inbegrip van de ontwikkeling van downstreamtoepassingen en -diensten op basis van de onderdelen van het programma;
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – letter b ter (nieuw)
b ter)  maatregelen nemen ter ondersteuning van een innovatie ruimtesector in de Unie, overeenkomstig artikel 6;
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – letter b quater (nieuw)
b quater)  toegang ondersteunen tot financiering via de financiële instrumenten onder titel III en InvestEU, alsook, in samenwerking met de EIB, via de financieringsinstrumenten die door deze laatste zijn ingevoerd en die met name gericht zijn op kmo's;
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – letter c
c)  communicatie- en promotieactiviteiten verrichten, alsmede activiteiten in verband met de commercialisering van de door Galileo en Egnos geboden diensten;
c)  communicatie- en promotieactiviteiten verrichten, alsmede activiteiten in verband met de commercialisering van met name de door Galileo, Egnos en Copernicus geboden diensten;
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  wat Galileo en Egnos betreft: Galileo en Egnos beheren, als bedoeld in artikel 43;
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1 – letter d
d)  de Commissie technische deskundigheid leveren.
d)  de Commissie technische deskundigheid leveren, en daarbij vermijden dat dubbel werk geleverd wordt met de taken van het ESA uit hoofde van artikel 27 en artikel 31.
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 2 – letter a
a)  de exploitatie van Egnos en Galileo beheren, als bedoeld in artikel 43;
Schrappen
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 2 – letter b bis (nieuw)
b bis)  aanbevelingen verstrekken aan de Commissie over de prioriteiten op ruimtevaartgebied in Horizon Europa, en deelnemen aan de tenuitvoerlegging daarvan;
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 2 – letter c
c)  uitvoeringsactiviteiten in verband met de ontwikkeling van downstreamtoepassingen en -diensten op basis van de onderdelen van het programma.
Schrappen
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 3
3.  De Commissie kan andere taken aan het Agentschap toevertrouwen, waaronder activiteiten op het gebied van communicatie, promotie en marketing van gegevens en informatie, alsook activiteiten op het gebied van ingebruikneming door gebruikers wat de andere onderdelen van het programma dan Galileo en Egnos betreft.
3.  De Commissie kan andere taken aan het Agentschap toevertrouwen, maar moet daarbij dubbel werk vermijden en zich baseren op een verbeterde efficiëntie bij de uitvoering van de doelstellingen van het programma.
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Het Agentschap kan, met het oog op de vervulling van zijn taken, partnerschapsovereenkomsten of andere overeenkomsten afsluiten met nationale ruimtevaartagentschappen, een groep van nationale ruimtevaartagentschappen of andere entiteiten.
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 4
4.  De in de leden 2 en 3 bedoelde taken worden door de Commissie toegewezen door middel van een bijdrageovereenkomst overeenkomstig [artikel 2, lid 18] en [titel VI] van het Financieel Reglement.
4.  De in de leden 2 en 3 bedoelde taken worden door de Commissie toegewezen door middel van een bijdrageovereenkomst overeenkomstig [artikel 2, lid 18] en [titel VI] van het Financieel Reglement en worden geëvalueerd in overeenstemming met artikel 102, lid 6, van deze verordening, in het bijzonder wat betreft het Copernicus-onderdeel.
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Wanneer de Commissie taken aan het Agentschap toevertrouwt, zorgt zij voor passende financiering voor het beheer en de uitvoering van die taken, waaronder voldoende personele en financiële middelen.
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1 – letter a
a)  wat Copernicus betreft: de ontwikkeling, het ontwerp en de constructie van de ruimtevaartinfrastructuur van Copernicus, met inbegrip van de werkzaamheden van die infrastructuur;
a)  wat Copernicus betreft: de ontwikkeling, het ontwerp en de constructie van de grond- en ruimtevaartinfrastructuur van Copernicus, met inbegrip van de werkzaamheden van die infrastructuur;
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1 – letter b
b)  wat Galileo en Egnos betreft: evolutie van systemen, ontwikkeling van het grondsegment en het ontwerp en de ontwikkeling van satellieten;
b)  wat Galileo en Egnos betreft: steun voor het Agentschap bij de uitvoering van zijn kerntaken. Wanneer daarin is voorzien in specifieke overeenkomsten tussen het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap, aanbestedingen in naam van en voor het Agentschap met betrekking tot de evolutie van systemen, ontwikkeling van het grondsegment en het ontwerp en de ontwikkeling van het ruimtesegment;
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1 – letter c
c)  wat alle onderdelen van het programma betreft: onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten op zijn vakgebied.
c)  wat alle onderdelen van het programma betreft: onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten betreffende de infrastructuur van onderdelen van het programma.
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  aanmoediging van de samenwerking tussen de lidstaten en bevordering van de convergentie van hun technische vermogens en ontwikkelingen in het ruimtesegment.
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2
2.  De Commissie sluit een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap met het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap zoals voorzien in [artikel 130] van het Financieel Reglement. In de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap:
Schrappen
–  worden de verantwoordelijkheden en verplichtingen van het Europees Ruimteagentschap met betrekking tot het programma duidelijk gedefinieerd;
–  wordt vereist dat het Europees Ruimteagentschap voldoet aan de veiligheidsvoorschriften van het Unie-programma, met name wat de verwerking van gerubriceerde informatie betreft;
–  worden de voorwaarden voor het beheer van de aan het Europees Ruimteagentschap toegewezen fondsen vastgelegd, met name op het gebied van openbare aanbestedingen, beheersprocedures, de te verwachten resultaten, gemeten aan de hand van prestatie-indicatoren, de te treffen maatregelen in geval van een gebrekkige of uitvoering frauduleuze van contracten voor wat betreft de kosten, het tijdschema en de resultaten, de communicatiestrategie en de eigendomsregeling voor alle materiële en immateriële activa; die voorwaarden zijn conform de titels III en V van deze verordening en het Financieel Reglement;
–  wordt deelname van de Commissie vereist, en indien relevant van het Agentschap, bij de bijeenkomsten van de Raad voor de beoordeling van de inschrijvingen va het Europees Ruimteagentschap die betrekking hebben op het programma;
–  worden de toezicht- en controlemaatregelen vastgesteld, die met name een systeem voor kostenraming omvatten, alsmede systematische verstrekking van informatie aan de Commissie of, waar passend, aan het Agentschap, over de kosten en het tijdschema en, indien er een verschil is tussen de voorziene begrotingen, prestaties en tijdschema, corrigerende maatregelen om te waarborgen dat de activiteiten binnen de grenzen van de begrotingstoewijzingen worden gerealiseerd en aan het Europees Ruimteagentschap op te leggen sancties indien dat verschil rechtstreeks te wijten is aan dat agentschap;
–  worden de beginselen voor de vergoeding van het Europees Ruimteagentschap vastgelegd, die evenredig moet zijn aan de moeilijkheidsgraad van de uit te voeren taken, conform de marktprijzen en de vergoedingen van de andere betrokken entiteiten, waaronder de Unie, en, waar dat passend is, op prestatie-indicatoren kan worden gebaseerd; die vergoeding mag geen betrekking hebben op algemene kosten die niet zijn verbonden aan de activiteiten die door de Unie aan het Europees Ruimteagentschap zijn toevertrouwd.
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 3
3.  Het sluiten van de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap als bedoeld in lid 2 is afhankelijk van de oprichting binnen het Europees Ruimteagentschap van interne structuren en een operationele methode, met name voor besluitvorming, beheermethoden en aansprakelijkheid, waarmee de belangen van de Unie maximaal kunnen worden beschermd en waarmee haar besluiten kunnen worden nageleefd, waaronder die met betrekking op de door het Europees Ruimteagentschap gefinancierde activiteiten die gevolgen voor het programma hebben.
Schrappen
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 4
4.  Onverminderd de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap als bedoeld in lid 4 kunnen de Commissie of het Agentschap het Europees Ruimteagentschap verzoeken om de technische deskundigheid en de informatie die nodig zijn voor de uitoefening van de aan hen toegewezen taken in het kader van deze verordening.
Schrappen
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 bis (nieuw)
Artikel 31 bis
De overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap
1.  De Commissie sluit een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap met het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap zoals voorzien in [artikel 130] van het Financieel Reglement. In de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap:
a)  worden de rollen, verantwoordelijkheden en verplichtingen van de Commissie, het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap met betrekking tot het programma duidelijk gedefinieerd;
b)  worden de instrumenten voor de coördinatie en beheersing van de uitvoering van de programmaonderdelen duidelijk gedefinieerd, met inachtneming van de rol en verantwoordelijkheden die de Commissie heeft met betrekking tot de algehele coördinatie van de programmaonderdelen;
c)  wordt vereist dat het Europees Ruimteagentschap voldoet aan de veiligheidsvoorschriften van het Unie-programma, met name wat de verwerking van gerubriceerde informatie betreft;
d)  worden de voorwaarden voor het beheer van de aan het Europees Ruimteagentschap toegewezen fondsen vastgelegd, waaronder de toepassing van de Unieregels voor openbare aanbestedingen indien uit naam van en namens de Unie wordt aanbesteed, beheersprocedures, de te verwachten resultaten, gemeten aan de hand van prestatie-indicatoren, de te treffen maatregelen in geval van een gebrekkige of uitvoering frauduleuze van contracten voor wat betreft de kosten, het tijdschema en de resultaten, de communicatiestrategie en de eigendomsregeling voor alle materiële en immateriële activa; die voorwaarden zijn conform de titels III en V van deze verordening en het Financieel Reglement;
e)  wordt deelname van de Commissie en, wanneer relevant, van het Agentschap vereist bij de bijeenkomsten van de Raad voor de beoordeling van de inschrijvingen van het Europees Ruimteagentschap die betrekking hebben op het programma indien deze laatste aanbesteedt uit naam van en namens de Unie op grond van lid 1 bis;
f)  worden de toezicht- en controlemaatregelen vastgesteld, die met name een systeem voor kostenraming omvatten, alsmede systematische verstrekking van informatie aan de Commissie of, waar passend, aan het Agentschap, over de kosten en het tijdschema en, indien er een verschil is tussen de voorziene begrotingen, prestaties en tijdschema, corrigerende maatregelen om te waarborgen dat de activiteiten binnen de grenzen van de begrotingstoewijzingen worden gerealiseerd en aan het Europees Ruimteagentschap op te leggen sancties indien dat verschil rechtstreeks te wijten is aan dat agentschap;
g)  worden de beginselen voor de vergoeding van het Europees Ruimteagentschap vastgelegd, rekening houdend met het kostenmodel als openbare entiteit, die evenredig moet zijn aan de moeilijkheidsgraad van de uit te voeren taken, conform de marktprijzen en de vergoedingen van de andere betrokken entiteiten, waaronder de Unie, en, waar dat passend is, op prestatie-indicatoren kan worden gebaseerd; die vergoeding mag geen betrekking hebben op algemene kosten die niet zijn verbonden aan de activiteiten die door de Unie aan het Europees Ruimteagentschap zijn toevertrouwd;
h)  wordt geëist dat het Europees Ruimteagentschap volledige bescherming waarborgt van de belangen van de Unie en haar beslissingen, wat ook kan betekenen dat het Europees Ruimteagentschap zijn besluitvormings- en beheermethoden en aansprakelijkheidsbepalingen moet aanpassen.
2.  Onverminderd de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap als bedoeld in artikel 31 bis kan de Commissie of het Agentschap het Europees Ruimteagentschap verzoeken om de technische deskundigheid en de informatie die nodig zijn voor de uitoefening van de aan hen toegewezen taken in het kader van deze verordening. De voorwaarden voor dergelijke verzoeken en de tenuitvoerlegging ervan worden wederzijds overeengekomen.
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – titel
Rol van andere entiteiten
Rol van Eumetsat en andere entiteiten
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 1 – inleidende formule
1.  De Commissie kan de uitvoering van de onderdelen van het programma door middel van bijdrageovereenkomsten geheel of gedeeltelijk toewijzen aan andere entiteiten dan de in artikel 30 en 31 bedoelde entiteiten, waaronder:
1.  De Commissie kan de uitvoering van de volgende taken door middel van bijdrageovereenkomsten geheel of gedeeltelijk toewijzen aan andere entiteiten dan de in artikel 30 en 31 bedoelde entiteiten, waaronder:
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 1 – letter a
a)  de werking van de ruimtevaartinfrastructuur van Copernicus of van delen daarvan, aan Eumetsat;
a)  de modernisering en werking van de ruimtevaartinfrastructuur van Copernicus of van delen daarvan, aan Eumetsat;
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 1 – letter b
b)  de uitvoering van de Copernicusdiensten of onderdelen daarvan, aan relevante agentschappen, organen of organisaties.
b)  de uitvoering van de Copernicusdiensten of onderdelen daarvan, aan relevante agentschappen, organen of organisaties, die ook de verwerving van informatie van derde partijen beheren.
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De Commissie zal bij de uitvoering van het programma het wetenschappelijke en technische advies van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek in acht nemen.
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – alinea 1 – inleidende formule
De beveiliging van het programma moet worden gebaseerd op de volgende beginselen:
De beveiliging van het programma wordt gebaseerd op de volgende beginselen:
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – alinea 1 – letter a
a)  rekening houden met de ervaringen van de lidstaten op het gebied van beveiliging en inspiratie putten uit hun beste praktijken;
a)  rekening houden met de ervaringen van de lidstaten op het gebied van beveiliging en inspiratie putten uit hun beste praktijken en nationale wetten;
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  rekening houden met de ervaring die is opgedaan tijdens de exploitatie van Galileo, Egnos en Copernicus;
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
De Commissie zorgt op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen voor een hoge mate van beveiliging, in het bijzonder met betrekking tot:
De Commissie en het Agentschap zorgen op de gebieden die onder hun bevoegdheid vallen voor een hoge mate van beveiliging, in het bijzonder met betrekking tot:
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 1 – alinea 2
Te dien einde zorgt de Commissie ervoor dat voor elk onderdeel van het programma een risico- en dreigingsanalyse wordt uitgevoerd. Op basis van die risico- en dreigingsanalyse, stelt zij, door middel van uitvoeringshandelingen, voor elk onderdeel van het programma de algemene beveiligingsvereisten vast. Daarbij houdt de Commissie rekening met de gevolgen van die vereisten voor de goede werking van dat onderdeel, met name wat de kosten, het risicobeheer en het tijdschema betreft, en zorgt zij ervoor het algemene beveiligingsniveau niet te verlagen en geen afbreuk te doen aan de werking van de op dat onderdeel gebaseerde bestaande apparatuur. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Te dien einde voeren de Commissie en het Agentschap, in overleg met de eindgebruikers in de lidstaten en met de relevante entiteiten die de uitvoering van een onderdeel van het programma beheren, een risico- en dreigingsanalyse uit voor de onderdelen Copernicus, SST en Govsatcom. Het Agentschap voert een risico- en dreigingsanalyse uit voor de onderdelen Galileo en Egnos. Op basis van die risico- en dreigingsanalyse stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen voor elk onderdeel van het programma de algemene beveiligingsvereisten vast in overleg met eindgebruikers in de lidstaten en met de relevante entiteiten die de uitvoering van een onderdeel van het programma beheren. Daarbij houdt de Commissie rekening met de gevolgen van die vereisten voor de goede werking van dat onderdeel, met name wat de kosten, het risicobeheer en het tijdschema betreft, en zorgt zij ervoor het algemene beveiligingsniveau niet te verlagen en geen afbreuk te doen aan de werking van de op dat onderdeel gebaseerde bestaande apparatuur. De algemene beveiligingsvereisten bevatten de procedures die moeten worden gevolgd wanneer de beveiliging van de Unie of haar lidstaten door de exploitatie van een onderdeel in het gedrang kan komen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 2
2.  De entiteit die verantwoordelijk is voor het beheer van een onderdeel van het programma is verantwoordelijk voor het beheer van de beveiliging van dat onderdeel en verricht te dien einde een risico- en dreigingsanalyse en alle nodige activiteiten om de beveiliging van dat onderdeel te waarborgen en in het oog te houden, waaronder met name het vaststellen van technische specificaties en operationele procedures, en ziet erop toe dat deze aan de in lid 1 bedoelde algemene beveiligingsvereisten voldoen.
2.  De Commissie is verantwoordelijk voor het beheer van de beveiliging van de onderdelen Copernicus, SST en Govsatcom. Het Agentschap is verantwoordelijk voor het beheer van de beveiliging van de onderdelen Galileo en Egnos. Te dien einde verrichten zij alle nodige activiteiten om de beveiliging van de onderdelen waarvoor zij verantwoordelijk zijn te waarborgen en in het oog te houden, waaronder met name het vaststellen van technische specificaties en operationele procedures, en zien zij erop toe dat deze aan de in lid 1, derde alinea, bedoelde algemene beveiligingsvereisten voldoen.
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 3 – inleidende formule
3.  Het Agentschap:
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 3 – letter d bis (nieuw)
d bis)  waarborgt de cyberbeveiliging van het programma;
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 4 – letter a
a)  nemen maatregelen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke noodzakelijk zijn voor de bescherming van Europese kritieke infrastructuren zoals bedoeld in Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren29 en aan die welke noodzakelijk zijn voor de bescherming van de eigen nationale kritieke infrastructuren, teneinde zorg te dragen voor de bescherming van de ruimtevaartinfrastructuren op de grond die integraal deel uitmaken van het programma en die op hun grondgebied gelegen zijn;
a)  nemen maatregelen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke noodzakelijk zijn voor de bescherming van Europese kritieke infrastructuren zoals bedoeld in Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren29 en aan die welke noodzakelijk zijn voor de bescherming van de eigen nationale kritieke infrastructuren, teneinde zorg te dragen voor de bescherming van de ruimtevaartinfrastructuren die integraal deel uitmaken van het programma en die op hun grondgebied gelegen zijn;
__________________
__________________
29 PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75.
29 PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75.
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 5
5.  De entiteiten die betrokken zijn bij het programma nemen alle nodige maatregelen om de beveiliging van het programma te waarborgen.
5.  De entiteiten die betrokken zijn bij het programma nemen alle nodige maatregelen om de beveiliging van het programma te waarborgen, ook in het licht van de in de risicoanalyse vastgestelde problemen.
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 2
2.  Een vertegenwoordiger van het Europees Ruimteagentschap wordt uitgenodigd om de vergaderingen van de Raad voor de beveiligingshomologatie als waarnemer bij te wonen. Bij uitzondering kunnen ook vertegenwoordigers van agentschappen van de Unie, derde landen of internationale organisaties worden uitgenodigd om vergaderingen als waarnemers bij te wonen voor aangelegenheden die die derde landen of internationale organisaties rechtstreeks aanbelangen, in het bijzonder aangelegenheden met betrekking tot de aan hen toebehorende of op hun grondgebied ingerichte infrastructuur. Regelingen voor die deelname van vertegenwoordigers van derde landen of internationale organisaties en de voorwaarden ervan worden in de desbetreffende overeenkomsten vastgelegd en stemmen overeen met het reglement van orde van de Raad voor de beveiligingshomologatie.
2.  Een vertegenwoordiger van het Europees Ruimteagentschap wordt uitgenodigd om de vergaderingen van de Raad voor de beveiligingshomologatie als waarnemer bij te wonen. Bij uitzondering kunnen ook vertegenwoordigers van agentschappen van de Unie, derde landen of internationale organisaties worden uitgenodigd om vergaderingen als waarnemers bij te wonen, in het bijzonder voor aangelegenheden met betrekking tot de aan hen toebehorende of op hun grondgebied ingerichte infrastructuur. Regelingen voor die deelname van vertegenwoordigers van derde landen of internationale organisaties en de voorwaarden ervan worden in de desbetreffende overeenkomsten vastgelegd en stemmen overeen met het reglement van orde van de Raad voor de beveiligingshomologatie.
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – alinea 1 – letter b
b)  het beheer, het onderhoud, de voortdurende verbetering, de ontwikkeling en de bescherming van de grondinfrastructuur, in het bijzonder netwerken, locaties en ondersteuningsfaciliteiten, met inbegrip van opwaardering en het beheer inzake veroudering;
b)  het beheer, het onderhoud, de voortdurende verbetering, de ontwikkeling en de bescherming van de grondinfrastructuur, met inbegrip van de infrastructuur die zich buiten het grondgebied van de Unie bevindt, maar die noodzakelijk is met het oog op een volledige dekking door Galileo en Egnos van de grondgebieden van de lidstaten die geografisch in Europa liggen, in het bijzonder netwerken, locaties en ondersteuningsfaciliteiten, met inbegrip van opwaardering en het beheer inzake veroudering;
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – alinea 1 – letter c
c)  de ontwikkeling van toekomstige generaties van de systemen en de evolutie van de door Galileo en Egnos aangeboden diensten, onverminderd toekomstige besluiten over de financiële vooruitzichten van de Unie;
c)  de ontwikkeling van toekomstige generaties van de systemen en de evolutie van de door Galileo en Egnos aangeboden diensten, onverminderd toekomstige besluiten over de financiële vooruitzichten van de Unie, rekening houdend met de behoeften van relevante belanghebbenden;
Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – alinea 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  de ondersteuning van de ontwikkeling en evolutie van fundamentele technologische elementen, zoals met Galileo compatibele chipsets en ontvangers;
Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – alinea 1 – letter c ter (nieuw)
c ter)  de ondersteuning van de ontwikkeling van downstreamtoepassingen van Egnos en Galileo, en van geïntegreerde downstreamtoepassingen met gebruikmaking van zowel Egnos/Galileo als Copernicus;
Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – alinea 1 – letter e
e)  de levering en de marktontwikkeling van de door Galileo en Egnos aangeboden diensten;
e)  de levering en de marktontwikkeling van de door Galileo en Egnos aangeboden diensten, met name om de in artikel 4, lid 1, bedoelde sociaal-economische voordelen te maximaliseren;
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 – letter c
c)  een dienst beveiliging van levens (de "Safety-of-Life Service" of SoL), zonder heffingen voor de rechtstreekse gebruiker, die informatie verschaft voor plaatsbepaling en synchronisering met een hoog niveau van continuïteit, beschikbaarheid en nauwkeurigheid en die een integriteitsfunctie omvat waarmee de gebruiker wordt gewaarschuwd voor slecht functioneren of "buiten tolerantie"-signalen van Galileo en andere GNSS'en die het versterkt binnen het dekkingsgebied, met name ten behoeve van gebruikers voor wie veiligheid essentieel is, in het bijzonder voor luchtvaartnavigatiediensten in de burgerluchtvaart.
c)  een dienst beveiliging van levens (de "Safety-of-Life Service" of SoL), zonder heffingen voor de rechtstreekse gebruiker, die informatie verschaft voor plaatsbepaling en tijdsynchronisering met een hoog niveau van continuïteit, beschikbaarheid, nauwkeurigheid en integriteit. Deze dienst wordt verleend in overeenstemming met de EASA-verordening om te verzekeren dat de eisen voor de luchtvaartveiligheid worden nageleefd, en omvat een integriteitsfunctie waarmee de gebruiker wordt gewaarschuwd voor slecht functioneren of "buiten tolerantie"-signalen van Galileo en andere GNSS'en die het versterkt binnen het dekkingsgebied, met name ten behoeve van gebruikers voor wie veiligheid essentieel is, in het bijzonder voor luchtvaartnavigatiediensten in de burgerluchtvaart.
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 2 – alinea 1
De in lid 1 bedoelde diensten worden met voorrang aangeboden op het grondgebied van de lidstaten dat zich geografisch in Europa bevindt.
De in lid 1 bedoelde diensten worden met voorrang aangeboden op het grondgebied van de lidstaten dat zich geografisch in Europa bevindt, met als doel uiterlijk eind 2023 de continentale grondgebieden te dekken en uiterlijk eind 2025 alle grondgebieden.
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 3
3.  De kosten van een dergelijke uitbreiding, met inbegrip van de daaraan verbonden specifieke exploitatiekosten voor deze regio's, worden niet gedekt door de in artikel 11 bedoelde begroting. Een dergelijke uitbreiding mag niet leiden tot vertraging in het aanbieden van de in lid 1 bedoelde diensten op het gehele grondgebied van de lidstaten dat zich geografisch in Europa bevindt.
3.  De kosten van een dergelijke uitbreiding, met inbegrip van de daaraan verbonden specifieke exploitatiekosten voor deze regio's, worden niet gedekt door de in artikel 11 bedoelde begroting, maar de Commissie neemt de exploitatie van partnerschapsprogramma's en -overeenkomsten en, indien van toepassing, de ontwikkeling van specifieke financiële instrumenten ter ondersteuning ervan in overweging. Een dergelijke uitbreiding mag niet leiden tot vertraging in het aanbieden van de in lid 1 bedoelde diensten op het gehele grondgebied van de lidstaten dat zich geografisch in Europa bevindt.
Amendement 168
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – titel
Compatibiliteit en interoperabiliteit
Compatibiliteit, interoperabiliteit en normalisering
Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 2
2.  Galileo en Egnos, en de daardoor aangeboden diensten, zijn compatibel en operabel met andere satellietnavigatiesystemen en met conventionele radionavigatiemiddelen, indien de nodige vereisten van compatibiliteit en interoperabiliteit in internationale overeenkomsten zijn vastgelegd.
2.  Galileo en Egnos, en de daardoor aangeboden diensten, zijn wederzijds compatibel en operabel met andere satellietnavigatiesystemen en met conventionele radionavigatiemiddelen, indien de nodige vereisten van compatibiliteit en interoperabiliteit in internationale overeenkomsten zijn vastgelegd.
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Galileo en Egnos streven ernaar te voldoen aan internationale normen en certificeringen.
Amendement 171
Voorstel voor een verordening
Artikel 48 – lid 1
1.  Copernicus wordt uitgevoerd door voort te bouwen op eerdere investeringen van de Unie en, in voorkomend geval, gebruik te maken van de nationale of regionale capaciteiten van de lidstaten, rekening houdend met de capaciteiten van commerciële leveranciers van vergelijkbare gegevens en informatie en de noodzaak om de concurrentie en de marktontwikkeling.
1.  Copernicus wordt uitgevoerd door voort te bouwen op eerdere investeringen van de Unie, het Europees Ruimteagentschap en Eumetsat en, in voorkomend geval, gebruik te maken van de nationale of regionale capaciteiten van de lidstaten, rekening houdend met de capaciteiten van commerciële leveranciers van vergelijkbare gegevens en informatie en de noodzaak om de concurrentie en de marktontwikkeling.
Amendement 172
Voorstel voor een verordening
Artikel 48 – lid 2
2.  Bij de levering van gegevens en informatie streeft Galileo naar een volledig, vrij en open gegevensbeleid.
2.  Bij de levering van gegevens en informatie past Galileo een volledig, vrij en open gegevensbeleid toe.
Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Artikel 48 – lid 3 – letter a – streepje 1
–  de ontwikkeling en de exploitatie van de Sentinels van Copernicus;
–  de ontwikkeling en de exploitatie van de Sentinel-satellieten van Copernicus;
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Artikel 48 – lid 3 – letter c
c)  een onderdeel voor de toegang tot en de verspreiding van gegevens, dat infrastructuur en diensten omvat voor het waarborgen van het opzoeken en raadplegen van, het toegang krijgen tot en de verspreiding en benutting van Copernicusgegevens en -informatie;
c)  een onderdeel voor de toegang tot en de verspreiding van gegevens, dat infrastructuur en diensten omvat voor het waarborgen van het opzoeken en raadplegen van, de archivering op lange termijn van, het toegang krijgen tot en de verspreiding en benutting van Copernicusgegevens en -informatie, op een gebruiksvriendelijke manier;
Amendement 175
Voorstel voor een verordening
Artikel 48 – lid 3 – letter d
d)  een onderdeel voor de acceptatie door de gebruikers en de marktontwikkeling overeenkomstig artikel 29, lid 5, dat relevante activiteiten, middelen en diensten omvat om Copernicus en gegevens en diensten ervan op alle niveaus te bevorderen teneinde de in artikel 4, lid 1, bedoelde socio-economische voordelen te maximaliseren.
d)  een onderdeel voor de acceptatie door de gebruikers, de capaciteitsopbouw en de marktontwikkeling overeenkomstig artikel 29, lid 5, dat relevante activiteiten, middelen en diensten omvat om Copernicus en gegevens en diensten ervan op alle niveaus te bevorderen teneinde de in artikel 4, lid 1, bedoelde socio-economische voordelen te maximaliseren.
Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Artikel 48 – lid 4
4.  Om zijn mondiale dimensie en complementariteit te versterken, rekening houdend met de bestaande internationale overeenkomsten en coördinatieprocessen, bevordert Galileo de internationale coördinatie van de observatiesystemen en de desbetreffende uitwisseling van gegevens.
4.  Om zijn mondiale dimensie en complementariteit te versterken, rekening houdend met de bestaande en toekomstige internationale overeenkomsten en coördinatieprocessen, bevordert Galileo de internationale coördinatie van de observatiesystemen en de desbetreffende uitwisseling van gegevens.
Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – titel
Gegevensverwerving
In aanmerking komende acties
Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – alinea 1 – letter a
a)  acties om te zorgen voor continuïteit van de bestaande Sentinel-missies en om verdere Sentinels te ontwikkelen, lanceren, onderhouden en exploiteren, waarbij prioriteit wordt gegeven aan: observatiecapaciteiten voor het monitoren van de antropogene emissies van CO2 en andere broeikasgassen, waardoor de polen kunnen worden bestreken en innovatieve milieutoepassingen in de domeinen landbouw, bossen en waterbeheer mogelijk worden gemaakt;
a)  acties om te zorgen voor continuïteit van de bestaande Sentinel-missies en om verdere Sentinels te ontwikkelen, lanceren, onderhouden en exploiteren, zoals: observatiecapaciteiten voor het monitoren van de antropogene emissies van CO2 en andere broeikasgassen, waardoor de polen kunnen worden bestreken en innovatieve milieutoepassingen in de domeinen landbouw, bossen en waterbeheer mogelijk worden gemaakt;
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – alinea 1 – letter b
b)  acties om toegang te verlenen tot gegevens van derden die nodig zijn voor het genereren van Copernicusdiensten of voor gebruik door de instellingen, agentschappen en gedecentraliseerde diensten van de Unie;
b)  acties om toegang te verlenen tot gegevens van derden die nodig zijn voor het genereren van Copernicusdiensten of voor gebruik door de eindgebruikers, waarbij prioriteit wordt gegeven aan gegevens verstrekt en/of gefinancierd openbare entiteiten in de lidstaten, zoals nationale agentschappen;
Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – alinea 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  ondersteuning van de ontwikkeling van relevante downstreamtoepassingen en -diensten van Copernicus.
Amendement 181
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – alinea 1 – inleidende formule
Copernicus omvat acties ter ondersteuning van de volgende diensten:
Copernicus omvat acties ter ondersteuning van de volgende kerndiensten:
Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – alinea 1 – letter a – streepje 3
–  landmonitoring en landbouw om informatie te verschaffen over landbedekking, landgebruik en verandering in landgebruik, stedelijke gebieden, kwantiteit en kwaliteit van binnenwateren, bossen, landbouw en andere natuurlijke hulpbronnen, biodiversiteit en cryosfeer;
–  landmonitoring en landbouw om informatie te verschaffen over landbedekking, landgebruik en verandering in landgebruik, bodemkwaliteit, woestijnvorming, culturele erfgoedsites, kwantiteit en kwaliteit van binnenwateren, bossen en met name ontbossing, landbouw en andere natuurlijke hulpbronnen, biodiversiteit en cryosfeer; de lidstaten zullen de informatie en gegevens als gevolg van de monitoring van het landbouwareaal met betrekking tot de mate van landbedekking en het gebruik van landbouwgrond kunnen gebruiken om de administratieve lasten bij het toekennen van landbouwsubsidies verder te verminderen;
Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – alinea 1 – letter a – streepje 4 bis (nieuw)
–  het in kaart brengen van landbouwgronden die geïrrigeerd moeten worden, oogstprognoses en landgebruik, en het zorgen voor een betere voedselveiligheid en -kwaliteit door het beschermen van het milieu;
Amendement 184
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – alinea 1 – letter a – streepje 4 ter (nieuw)
–   monitoring van visserijactiviteiten, teneinde voor een betere voedselveiligheid en -kwaliteit te zorgen door het beschermen van het milieu;
Amendement 185
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  de monitoring van de steun voor de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie;
Amendement 186
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – alinea 1 – inleidende formule
Het SST-onderdeel ondersteunt de volgende activiteiten:
Het SST-programma streeft ernaar de Unie geleidelijk aan uit te rusten met een autonome SST-capaciteit.
Het SST-onderdeel ondersteunt de volgende activiteiten:
Amendement 187
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – alinea 1 – letter a
a)  de oprichting, ontwikkeling en exploitatie van een netwerk van op de grond en/of in de ruimte gestationeerde sensoren van de lidstaten, met inbegrip van sensoren die zijn ontwikkeld met tussenkomst van het Europees Ruimteagentschap en op nationaal niveau beheerde sensoren van de Unie, voor het bewaken en volgen van voorwerpen en voor het ontwikkelen van een Europese catalogus van voorwerpen in de ruimte die is aangepast aan de behoeften van de in artikel 55 bedoelde gebruikers;
a)  de oprichting, ontwikkeling en exploitatie van een netwerk van op de grond en/of in de ruimte gestationeerde sensoren van de lidstaten of van de Unie, met inbegrip van sensoren die zijn ontwikkeld met tussenkomst van het Europees Ruimteagentschap en op nationaal niveau beheerde sensoren van de Unie, voor het bewaken en volgen van voorwerpen en voor het ontwikkelen van een Europese catalogus van voorwerpen in de ruimte die is aangepast aan de behoeften van de in artikel 55 bedoelde gebruikers;
Amendement 188
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
Lidstaten die wensen deel te nemen aan de levering van de in artikel 54 bedoelde SST-diensten, dienen een gezamenlijk voorstel in bij de Commissie waarin wordt aangetoond dat aan de onderstaande criteria is voldaan:
Lidstaten die wensen deel te nemen aan de levering van de in artikel 54 bedoelde SST-diensten, dienen een individueel of gezamenlijk voorstel in bij de Commissie waarin wordt aangetoond dat aan de onderstaande criteria is voldaan:
Amendement 189
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 8
8.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, nadere regels vast met betrekking tot de werking van het organisatorisch kader van de deelname van de lidstaten aan SST. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
8.  De Commissie stelt gedelegeerde handelingen vast overeenkomstig artikel 105 betreffende de specifieke bepaling ter bepaling van nadere regels met betrekking tot de werking van het organisatorisch kader van de deelname van de lidstaten aan SST. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 190
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 bis (nieuw)
Artikel 58 bis
Toezicht op vraag en aanbod voor SST
Voor 31 december 2024 evalueert de Commissie de uitvoering van het SST-onderdeel, met name met betrekking tot de ontwikkeling van de gebruikersbehoeften met betrekking tot de capaciteit van sensoren op de grond en in de ruimte, en voltooit zij de productie van de Europese catalogus waarin in artikel 53, lid 1 bis, is voorzien.
Bij de evaluatie wordt met name onderzocht of aanvullende ruimte- en grondinfrastructuur nodig is.
De evaluatie gaat zo nodig vergezeld van een passend voorstel voor de ontwikkeling van aanvullende ruimte- en grondinfrastructuur in het kader van het SST-onderdeel.
Amendement 191
Voorstel voor een verordening
Artikel 60 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  het opzetten van een Europese NEO-catalogus.
Amendement 192
Voorstel voor een verordening
Artikel 61 – alinea 1 – inleidende formule
In het kader van het Govsatcom-onderdeel worden capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie samengebracht in een gemeenschappelijke pool op het niveau van de Unie van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie. Dit onderdeel omvat:
In het kader van het Govsatcom-onderdeel worden capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie samengebracht in een gemeenschappelijke pool op het niveau van de Unie van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie met gepaste beveiligingsvereisten. Dit onderdeel kan bestaan uit::
Amendement 193
Voorstel voor een verordening
Artikel 61 – alinea 1 – letter a
a)  de ontwikkeling, bouw en exploitatie van de infrastructuur van het grondsegment;
a)  de ontwikkeling, bouw en exploitatie van de infrastructuur van het grond- en ruimtesegment;
Amendement 194
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 3
3.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, het dienstenpakket vast voor in het kader van Govsatcom aangeboden diensten, in de vorm van een lijst van categorieën van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie en de eigenschappen daarvan, met inbegrip van geografische dekking, frequentie, bandbreedte, gebruikersapparatuur en beveiligingsaspecten. Die maatregelen worden gebaseerd op de in lid 1 bedoelde operationele en beveiligingsvereisten en geven prioriteit aan diensten die op het niveau van de Unie aan gebruikers worden aangeboden. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
3.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, het dienstenpakket vast voor in het kader van Govsatcom aangeboden diensten, in de vorm van een lijst van categorieën van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie en de eigenschappen daarvan, met inbegrip van geografische dekking, frequentie, bandbreedte, gebruikersapparatuur en beveiligingsaspecten. Die maatregelen worden gebaseerd op de in lid 1 bedoelde operationele en beveiligingsvereisten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 195
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Het in lid 3 bedoelde dienstenpakket houdt rekening met bestaande commercieel beschikbare diensten om de concurrentie op de interne markt niet te verstoren.
Amendement 196
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – alinea 1 – letter b
b)  rechtspersonen die overeenkomstig de procedure voor beveiligingshomologatie van artikel 36 naar behoren zijn gehomologeerd voor het aanbieden van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie, op basis van de in artikel 34, lid 1, bedoelde specifieke beveiligingsvereisten voor het Govsatcom-onderdeel.
b)  rechtspersonen die overeenkomstig de procedure voor beveiligingshomologatie van artikel 36 naar behoren zijn gehomologeerd voor het aanbieden van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie.
Amendement 197
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)  De aanbieders van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie in het kader van dit onderdeel voldoen aan de specifieke beveiligingsvereisten voor het Govsatcom-onderdeel als bedoeld in artikel 34, lid 1.
Amendement 198
Voorstel voor een verordening
Artikel 65 – lid 1
1.  De in een gezamenlijk pool samengebrachte capaciteiten, diensten en gebruikersapparatuur op het gebied van satellietcommunicatie worden gedeeld en geprioriteerd tussen Govsatcom-deelnemers op basis van een analyse van de beveiligingsrisico's door de gebruikers op het niveau van de Unie en de lidstaten. Bij deze deling en prioritering wordt voorrang gegeven aan gebruikers op het niveau van de Unie.
1.  De in een gezamenlijk pool samengebrachte capaciteiten, diensten en gebruikersapparatuur op het gebied van satellietcommunicatie worden gedeeld en geprioriteerd tussen Govsatcom-deelnemers op basis van een analyse van de beveiligingsrisico's door de gebruikers op het niveau van de Unie en de lidstaten.
Amendement 199
Voorstel voor een verordening
Artikel 66 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Govsatcom-hubs houden rekening met bestaande commercieel beschikbare diensten om de concurrentie op de interne markt niet te verstoren.
Amendement 200
Voorstel voor een verordening
Artikel 69 – alinea 1
Voor het einde van 2024 evalueert de Commissie de uitvoering van het Govsatcom-onderdeel, met name met betrekking tot de ontwikkeling van de gebruikersbehoeften met betrekking tot de capaciteit op het gebied van satellietcommunicatie. Bij de evaluatie wordt met name onderzocht of er aanvullende ruimte-infrastructuur nodig is. De evaluatie gaat zo nodig vergezeld van een passend voorstel voor de ontwikkeling van aanvullende ruimte-infrastructuur in het kader van het Govsatcom-onderdeel.
Voor het einde van 2024 evalueert de Commissie, in samenwerking met de verantwoordelijke entiteiten, de uitvoering van het Govsatcom-onderdeel, met name met betrekking tot de ontwikkeling van de gebruikersbehoeften met betrekking tot de capaciteit op het gebied van satellietcommunicatie. Bij de evaluatie wordt met name onderzocht of er aanvullende ruimte-infrastructuur nodig is. De evaluatie gaat zo nodig vergezeld van een passend voorstel voor de ontwikkeling van aanvullende ruimte-infrastructuur in het kader van het Govsatcom-onderdeel.
Amendement 201
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – alinea 1
De zetel van het Agentschap is gevestigd in Praag (Tsjechië).
De zetel van het Agentschap is gevestigd in Praag (Tsjechië). Overeenkomstig de behoeften van het programma kunnen er lokale kantoren van het Agentschap als bedoeld in artikel 79, lid 2, worden geopend.
Amendement 202
Voorstel voor een verordening
Artikel 73 – lid 4
4.  De leden van de Raad van bestuur en hun plaatsvervangers worden benoemd op grond van hun kennis op het gebied van de kerntaken van het Agentschap, met inachtneming van hun relevante bestuurlijke, administratieve en budgettaire vaardigheden. Het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten trachten het verloop van hun vertegenwoordigers in de Raad van bestuur te beperken om te zorgen voor continuïteit in de activiteiten. Alle partijen streven naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de Raad van bestuur.
4.  De leden van de Raad van bestuur en hun plaatsvervangers worden benoemd op grond van hun kennis op het gebied van de taken van het Agentschap, met inachtneming van hun relevante bestuurlijke, administratieve en budgettaire vaardigheden. Het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten trachten het verloop van hun vertegenwoordigers in de Raad van bestuur te beperken om te zorgen voor continuïteit in de activiteiten. Alle partijen streven naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de Raad van bestuur.
Amendement 203
Voorstel voor een verordening
Artikel 73 – lid 5
5.  De ambtstermijn van de leden van de Raad van bestuur en van hun plaatsvervangers bedraagt vier jaar en kan eenmaal worden verlengd.
5.  De ambtstermijn van de leden van de raad van bestuur en van hun plaatsvervangers bedraagt vier jaar en kan worden verlengd.
Amendement 204
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 3
3.  De Raad van bestuur houdt tweemaal per jaar een gewone vergadering. Daarnaast komt de Raad van bestuur, op initiatief van zijn voorzitter of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden, bijeen.
3.  De Raad van bestuur houdt ten minste tweemaal per jaar een gewone vergadering. Daarnaast komt de Raad van bestuur, op initiatief van zijn voorzitter of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden, bijeen.
Amendement 205
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 5
5.  Voor onderdelen van het programma die het gebruik van gevoelige nationale infrastructuur met zich meebrengen, mogen enkel de vertegenwoordigers van de lidstaten die over dergelijke infrastructuur beschikken en de vertegenwoordiger van de Commissie deelnemen aan de vergaderingen en de beraadslagingen van de Raad van bestuur en aan de stemming. Indien de voorzitter van de Raad van bestuur geen lidstaat vertegenwoordigt die over dergelijke infrastructuur beschikt, wordt hij/zij vervangen door een van de vertegenwoordigers van een lidstaat die over dergelijke infrastructuur beschikt.
5.  Voor onderdelen van het programma die het gebruik van gevoelige nationale infrastructuur met zich meebrengen, mogen de vertegenwoordigers van de lidstaten en de vertegenwoordiger van de Commissie deelnemen aan de vergaderingen en de beraadslagingen van de Raad van bestuur, maar mogen enkel de vertegenwoordigers van de lidstaten die dergelijke infrastructuur bezitten deelnemen aan de stemming. Indien de voorzitter van de Raad van bestuur geen lidstaat vertegenwoordigt die over dergelijke infrastructuur beschikt, wordt hij/zij vervangen door een van de vertegenwoordigers van een lidstaat die over dergelijke infrastructuur beschikt.
Amendement 206
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 2 – letter a bis (nieuw)
a bis)  hij stelt uiterlijk op 30 juni van het eerste jaar van het meerjarig financieel kader als bedoeld in artikel 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het meerjarig werkprogramma van het Agentschap op voor de periode die onder het meerjarig financieel kader valt, na er, zonder enige wijziging, het deel in te hebben opgenomen dat de Raad voor de veiligheidsaccreditatie overeenkomstig artikel 80, onder a), heeft opgesteld en na het advies van de Commissie te hebben ontvangen. Het Europees Parlement wordt geraadpleegd over dit meerjarig werkprogramma;
Amendement 207
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 2 – letter d bis (nieuw)
d bis)  hij stelt transparantieregelingen over industriële contracten vast en wordt hiervan regelmatig op de hoogte gehouden door de uitvoerend directeur;
Amendement 208
Voorstel voor een verordening
Artikel 79 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  hij voldoet aan de transparantieregelingen over industriële contracten en brengt de Raad van bestuur hiervan op de hoogte;
Amendement 209
Voorstel voor een verordening
Artikel 79 – lid 2
2.  De uitvoerend directeur beslist of het voor de efficiënte en effectieve uitvoering van de taken van het Agentschap noodzakelijk is een of meer personeelsleden te vestigen in een of meer lidstaten. Alvorens te beslissen een plaatselijk kantoor te openen, vraagt de uitvoerend directeur de toestemming van de Commissie, de Raad van bestuur en de betrokken lidstaat/lidstaten. In het besluit wordt het toepassingsgebied van de in dat lokale kantoor te verrichten activiteiten omschreven, op zodanige wijze dat onnodige kosten en verdubbeling van administratieve functies van het Agentschap worden vermeden. Het kan nodig zijn een zetelovereenkomst met de betrokken lidstaat/lidstaten te sluiten.
2.  De uitvoerend directeur beslist of het voor de efficiënte en effectieve uitvoering van de taken van het Agentschap noodzakelijk is een of meer personeelsleden te vestigen in een of meer lidstaten. Alvorens te beslissen een plaatselijk kantoor te openen, vraagt de uitvoerend directeur de toestemming van de Raad van bestuur en de betrokken lidstaat/lidstaten. In het besluit wordt het toepassingsgebied van de in dat lokale kantoor te verrichten activiteiten omschreven, op zodanige wijze dat onnodige kosten en verdubbeling van administratieve functies van het Agentschap worden vermeden. Het kan nodig zijn een zetelovereenkomst met de betrokken lidstaat/lidstaten te sluiten. Waar mogelijk wordt de impact met betrekking tot personeelstoewijzing en begroting opgenomen in het jaarlijkse werkprogramma, en dit project wordt in elk geval ter kennis van de begrotingsautoriteit gebracht overeenkomstig artikel 84, lid 11.
Amendement 210
Voorstel voor een verordening
Artikel 88 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Het personeel van het Agentschap wordt betaald uit de eigen middelen van het Agentschap en in voorkomend geval via de middelen die door de Commissie worden toegewezen indien door de Commissie aan het Agentschap gedelegeerde taken worden uitgevoerd.
Amendement 211
Voorstel voor een verordening
Artikel 89 – lid 1 – alinea 2
De uitvoerend directeur wordt op grond van verdiensten en van door bewijsstukken gedocumenteerde bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden, alsook relevante bekwaamheid en ervaring, door de Raad van bestuur benoemd aan de hand van een door de Commissie voorgestelde lijst van kandidaten, na een transparant algemeen vergelijkend onderzoek volgend op de bekendmaking van een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie of elders.
De uitvoerend directeur wordt op grond van verdiensten en van door bewijsstukken gedocumenteerde bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden, alsook relevante bekwaamheid en ervaring, door de Raad van bestuur benoemd aan de hand van een door de Commissie voorgestelde lijst van ten minste drie kandidaten, na een transparant algemeen vergelijkend onderzoek volgend op de bekendmaking van een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie of elders.
Amendement 212
Voorstel voor een verordening
Artikel 89 – lid 2 – alinea 2
Op basis van een voorstel van de Commissie, waarin rekening wordt gehouden met de in de eerste alinea bedoelde beoordeling, kan de Raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal met ten hoogste vier jaar verlengen.
Op basis van een voorstel van de Commissie, waarin rekening wordt gehouden met de in de eerste alinea bedoelde beoordeling, kan de Raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal met ten hoogste vijf jaar verlengen.
Amendement 213
Voorstel voor een verordening
Artikel 92 – titel
Zetelovereenkomst en operationele voorwaarden
Overeenkomst met betrekking tot de zetel en de lokale kantoren en operationele voorwaarden
Amendement 214
Voorstel voor een verordening
Artikel 92 – lid 1
1.  De nodige regelingen betreffende de huisvesting van het Agentschap in de lidstaat van vestiging en de voorzieningen die deze lidstaat moet treffen, alsmede de bijzondere regels die in de lidstaat van vestiging van toepassing zijn op de uitvoerend directeur, de leden van de Raad van bestuur, de werknemers van het Agentschap en hun gezinsleden, worden vastgelegd in een zetelovereenkomst tussen het Agentschap en de lidstaat van vestiging, die gesloten wordt nadat de Raad van bestuur deze heeft goedgekeurd.
1.  De nodige regelingen betreffende de huisvesting van het Agentschap in de lidstaten van vestiging en de voorzieningen die deze lidstaat moet treffen, alsmede de bijzondere regels die in de lidstaten van vestiging van toepassing zijn op de uitvoerend directeur, de leden van de Raad van bestuur, de werknemers van het Agentschap en hun gezinsleden, worden vastgelegd in een overeenkomst met betrekking tot de zetel en de lokale kantoren tussen het Agentschap en de lidstaat waar de zetel of de lokale infrastructuur zich bevindt, die gesloten wordt nadat de Raad van bestuur deze heeft goedgekeurd.
Amendement 215
Voorstel voor een verordening
Artikel 98 – lid 1
1.  Het Agentschap staat open voor deelname van derde landen die met de Unie overeenkomsten in die zin hebben gesloten.
1.  Het Agentschap staat open voor deelname van derde landen en internationale organisaties die met de Unie overeenkomsten in die zin hebben gesloten.
Amendement 216
Voorstel voor een verordening
Artikel 101 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   De Commissie stelt een methode vast voor de vaststelling van kwalitatieve indicatoren voor een nauwkeurige beoordeling van de vorderingen bij de verwezenlijking van de in artikel 4, lid 1, onder a), b) en c), genoemde algemene doelstellingen. Op basis van deze methode vult de Commissie de bijlage uiterlijk op 1 januari 2021 aan.
Amendement 217
Voorstel voor een verordening
Artikel 102 – lid 2
2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, maar uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.
2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, maar uiterlijk drie jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen. Een specifiek deel van deze evaluatie is gewijd aan de governance van het programma, bedoeld om informatie op te leveren over of er wijzigingen moeten worden aangebracht aan taken en bevoegdheden die aan de verschillende actoren van het programma zijn toevertrouwd.
Amendement 218
Voorstel voor een verordening
Artikel 102 – lid 4
4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties samen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties samen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, en laat de evaluatie waar nodig gepaard gaan met een nieuw wetgevingsvoorstel.
Amendement 219
Voorstel voor een verordening
Artikel 102 – lid 6 – alinea 1
Uiterlijk op 30 juni 2024, en vervolgens om de vijf jaar, evalueert de Commissie de prestaties van het Agentschap, in het bijzonder met betrekking tot de doelstellingen, het mandaat, de taken en de locatie ervan overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie. De evaluatie richt zich met name op de vraag of het noodzakelijk is het mandaat van het Agentschap te wijzigen, alsmede op de financiële implicaties van zulke wijziging. Deze evaluatie betreft ook het beleid van het Agentschap inzake belangenconflicten en de onafhankelijkheid en de autonomie van de Raad voor de beveiligingshomologatie.
Uiterlijk op 30 juni 2024, en vervolgens om de drie jaar, evalueert de Commissie de prestaties van het Agentschap, in het bijzonder met betrekking tot de doelstellingen, het mandaat, de taken en de locatie ervan overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie. De evaluatie richt zich op de vraag of het noodzakelijk is het mandaat van het Agentschap te wijzigen, met name ten aanzien van de mogelijkheid er overeenkomstig artikel 30 aanvullende taken aan toe te vertrouwen, alsmede op de financiële implicaties van zulke wijziging. Deze evaluatie betreft ook het beleid van het Agentschap inzake belangenconflicten en de onafhankelijkheid en de autonomie van de Raad voor de beveiligingshomologatie.
Amendement 220
Voorstel voor een verordening
Artikel 105 – lid 2
2.  De in de artikelen 52 en 101 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd tot en met 31 december 2028.
2.  De in de artikelen 52 en 101 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028.
Amendement 221
Voorstel voor een verordening
Artikel 107 – lid 1
1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité dat samenkomt in specifieke configuraties/subgroepen voor elk van de onderdelen van het programma (Galileo en Egnos, Copernicus, SSA, Govsatcom). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
Amendement 222
Voorstel voor een verordening
Artikel 107 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Door de Unie gesloten internationale overeenkomsten kunnen, voor zover van toepassing, voorzien in de deelname van vertegenwoordigers van derde landen of van internationale organisaties aan de werkzaamheden van het comité, onder de bij het reglement van orde ervan vastgestelde voorwaarden, met inachtneming van de veiligheid van de Unie.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0405/2018).


Vaststelling van het programma Digitaal Europa voor de periode 2021-2027 ***I
PDF 325kWORD 107k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 13 december 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Digitaal Europa voor de periode 2021-2027 (COM(2018)0434 – C8-0256/2018 – 2018/0227(COD))(1)
P8_TA(2018)0521A8-0408/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Ontwerpwetgevingsresolutie   Amendement
Amendement 1
Ontwerpwetgevingsresolutie
Visum 3 bis (nieuw)
–   gezien zijn resolutie van 17 mei 2017 over fintech: de invloed van technologie op de toekomst van de financiële sector,
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Volgens [verwijzing bij te werken overeenkomstig nieuw besluit betreffende LGO's] artikel 88 van Besluit / /EU van de Raad53 komen in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft.
(4)  Volgens [verwijzing bij te werken overeenkomstig nieuw besluit betreffende LGO's] artikel 88 van Besluit / /EU van de Raad53 komen in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. Bij de uitvoering van het programma moet rekening worden gehouden met de problemen die verband houden met de deelname van de landen of gebieden overzee, en hun effectieve deelname aan het programma moet worden gemonitord en regelmatig worden geëvalueerd.
_________________
_________________
53 Besluit / /EU van de Raad.
53 Besluit / /EU van de Raad.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Op grond van de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201654 moet dit programma worden geëvalueerd op basis van informatie die aan de hand van specifieke monitoringvoorschriften wordt verzameld, waarbij overregulering en administratieve lasten, met name voor de lidstaten, moeten worden vermeden. Deze voorschriften kunnen, wanneer passend, meetbare indicatoren omvatten op basis waarvan de praktische effecten van het programma worden geëvalueerd.
(5)  Op grond van de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201654 moet dit programma worden geëvalueerd op basis van informatie die aan de hand van specifieke monitoringvoorschriften wordt verzameld, informatie in verband met bestaande behoeften en in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad54 bis, waarbij overregulering en administratieve lasten voor alle begunstigden, met name voor de lidstaten en kmo's, moeten worden vermeden. Deze voorschriften moeten, wanneer passend, meetbare kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren omvatten op basis waarvan de praktische effecten van het programma worden geëvalueerd.
__________________
__________________
54 Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven, PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
54 Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven, PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
54 bis Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  Het programma dient te zorgen voor transparantie, verantwoordingsplicht en democratische toetsing van de innovatieve financieringsinstrumenten en -mechanismen waaraan steun met middelen van de EU-begroting wordt toegekend, in het bijzonder voor wat betreft hun verwachte en werkelijke bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Op de digitale top van Tallinn55 in september 2017 en in de conclusies van de Europese Raad56 van 19 oktober 2017 werd erop gewezen dat Europa moet investeren in de digitalisering van onze economieën en in het aanpakken van de kloof tussen beschikbare en gevraagde vaardigheden om het Europese concurrentievermogen, onze levenskwaliteit en het sociale weefsel in stand te houden en te verbeteren. De Europese Raad concludeerde dat de digitale transformatie enorme kansen biedt voor innovatie, groei en werkgelegenheid, een bijdrage zal leveren aan onze mondiale concurrentiepositie en de creatieve en culturele diversiteit zal versterken. Om deze kansen te grijpen, moeten we een aantal uitdagingen die voortkomen uit de digitale transformatie gezamenlijk aanpakken en beleid dat met de gevolgen van de digitale transformatie te maken krijgt, herzien.
(6)  Op de digitale top van Tallinn55 in september 2017 en in de conclusies van de Europese Raad56 van 19 oktober 2017 werd erop gewezen dat Europa moet investeren in de doeltreffende digitalisering van onze economieën en in het aanpakken van de kloof tussen beschikbare en gevraagde vaardigheden om het Europese concurrentievermogen en de Europese innovatie, onze levenskwaliteit en het sociale weefsel in stand te houden en te verbeteren. De Europese Raad concludeerde dat de digitale transformatie enorme kansen biedt voor innovatie, groei en werkgelegenheid, een bijdrage zal leveren aan onze mondiale concurrentiepositie en de creatieve en culturele diversiteit zal versterken. Om deze kansen te grijpen, moeten we de uitdagingen die voortkomen uit de digitale transformatie gezamenlijk op meerdere manieren aanpakken, waaronder door ervoor te zorgen dat de essentiële bouwstenen waarop de nieuwe technologieën gebaseerd zijn, aanwezig zijn, door doeltreffende en gemakkelijk te handhaven wettelijke regels vast te stellen, door beleid dat met de gevolgen van de digitale transformatie te maken krijgt, te herzien, en door een innovatievriendelijke omgeving tot stand te brengen waarin de belangen van de gebruikers volledig worden beschermd. Optimaal worden de financiële middelen voor dit programma, een inspanning op Europees niveau, uitgebreid met aanzienlijke middelen uit de particuliere sector en bijdragen van de lidstaten.
__________________
__________________
55 https://www.eu2017.ee/news/insights/conclusions-after-tallinn-digital-summit
55 https://www.eu2017.ee/news/insights/conclusions-after-tallinn-digital-summit
56 https://www.consilium.europa.eu/media/21620/19-euco-final-conclusions-en.pdf
56 https://www.consilium.europa.eu/media/21620/19-euco-final-conclusions-en.pdf
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  De toekomst van de Europese samenleving en de Europese economie zal in sterke mate afhankelijk zijn van een geharmoniseerd en consistent spectrumbeleid en 5G-infrastructuur. Bijgevolg moet er een infrastructuurdoelstelling voor netwerken met zeer hoge capaciteit worden vastgesteld met het oog op het leveren van hoogwaardige en snellere communicatiediensten. Dit is een voorwaarde voor de goede uitvoering van het programma. In dit opzicht moet het programma profiteren van de goede uitvoering van de Connecting Europe Facility en met name het WiFi4EU-initiatief, dat tot doel heeft de connectiviteit voor burgers in de openbare ruimten van de Unie te bevorderen. De combinatie van beide programma's moet een maximaal resultaat opleveren en de EU-doelstellingen betreffende het leveren van een betrouwbare en consistente dekking door hogesnelheidsnetwerken in de hele Unie helpen te verwezenlijken.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  De Europese Raad concludeerde in het bijzonder dat de Unie dringend moet inspelen op nieuwe trends: hiertoe behoren onder meer vraagstukken als kunstmatige intelligentie en "distributed ledger"-technologieën (bijvoorbeeld blockchain), waarbij tegelijkertijd een hoog niveau van gegevensbescherming, digitale rechten en ethische normen moet worden gewaarborgd. De Europese Raad heeft de Commissie verzocht uiterlijk begin 2018 een Europese aanpak inzake kunstmatige intelligentie te presenteren, en de Commissie verzocht de nodige initiatieven voor te leggen ter versterking van de randvoorwaarden, teneinde de EU in staat te stellen nieuwe markten te verkennen door middel van risicogebaseerde radicale innovaties en de leidende rol van haar industrie te bevestigen.
(7)  De Europese Raad concludeerde in het bijzonder dat de Unie dringend moet inspelen op nieuwe trends: hiertoe behoren onder meer vraagstukken als de digitale kloof en kunstmatige intelligentie, waarbij tegelijkertijd een hoog niveau van gegevensbescherming in volledige overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679, rechten, grondrechten en ethische normen moet worden gewaarborgd. De Europese Raad heeft de Commissie verzocht uiterlijk begin 2018 een Europese aanpak inzake kunstmatige intelligentie te presenteren, en de Commissie verzocht de nodige initiatieven voor te leggen ter versterking van de randvoorwaarden, teneinde de EU in staat te stellen nieuwe markten te verkennen door middel van risicogebaseerde radicale innovaties en de leidende rol van haar industrie te bevestigen.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)   Op 10 april 2018 spraken de lidstaten hun steun en gezamenlijke wil uit om samen te werken aan initiatieven op het gebied van infrastructuurdiensten voor kunstmatige intelligentie en "distributed ledger"-technologieën (bijvoorbeeld blockchain) door het ondertekenen van samenwerkingsovereenkomsten.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)   Voor een geslaagde uitvoering van dit programma is meer nodig dan het volgen van trends. De Unie dient zich in te zetten voor technologieën die de privacy beschermen (bijvoorbeeld cryptografie en gedecentraliseerde toepassingen (DApps)), alsmede meer te investeren in toekomstbestendige infrastructuur ((glasvezel)netwerken) om een autonome gedigitaliseerde samenleving mogelijk te maken.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 quater (nieuw)
(7 quater)   Europa moet in de toekomst beslissende investeringen doen en strategische digitale capaciteit opbouwen om van de digitale revolutie te profiteren. Voor dit doel moet op EU-niveau een aanzienlijke begroting (van ten minste 9,2 miljard EUR) worden gewaarborgd en dit bedrag moet worden aangevuld met grote investeringsinspanningen op nationaal en regionaal niveau, namelijk door een consistente, aanvullende link te creëren met de structuurfondsen en het Cohesiefonds.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  De mededeling van de Commissie "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020"57 omvat opties voor het toekomstige financiële kader, waaronder een programma voor de digitale transformatie van Europa dat "voor een sterke vooruitgang [zou] zorgen wat betreft slimme groei op gebieden zoals hoogwaardige data-infrastructuur, connectiviteit en cyberbeveiliging". Tevens zou Europa een leidende rol kunnen spelen op het gebied van supercomputers, het internet van de volgende generatie, kunstmatige intelligentie, robotica en big data. Dit zou leiden tot een sterkere concurrentiepositie van de industrie en het bedrijfsleven in Europa in de gedigitaliseerde economie. Daarnaast zou dit ook aanzienlijke gevolgen hebben voor het dichten van de vaardigheidskloof in de hele Unie.
(8)  De mededeling van de Commissie "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020"57 omvat opties voor het toekomstige financiële kader, waaronder een programma voor de digitale transformatie van Europa dat "voor een sterke vooruitgang [zou] zorgen wat betreft slimme groei op gebieden zoals hoogwaardige data-infrastructuur, connectiviteit, cyberbeveiliging en de digitalisering van overheidsdiensten". Tevens zou Europa een leidende rol kunnen spelen op het gebied van supercomputers, het internet van de volgende generatie, kunstmatige intelligentie, robotica en big data. Dit zou leiden tot een sterkere concurrentiepositie van de industrie en het bedrijfsleven in Europa in de gedigitaliseerde economie. Daarnaast zou dit ook aanzienlijke gevolgen hebben voor het overbruggen en dichten van de vaardigheidskloof in de hele Unie en ervoor zorgen dat de Europese burgers over de nodige vaardigheden, competenties en kennis beschikken met het oog op de digitale transformatie.
__________________
__________________
57 COM(2018)0098
57 COM(2018)0098
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)   Omdat vertraging is opgelopen bij de ontwikkeling van onze strategische digitale capaciteiten en omdat inspanningen moeten worden geleverd om deze achterstand in te halen, moet worden voorzien in een begroting die overeenkomt met de voor dit programma opgegeven ambities, d.w.z. minimum 9,2 miljard EUR.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  De mededeling "Naar een gemeenschappelijke Europese gegevensruimte"58 heeft betrekking op de nieuwe maatregel waarmee een belangrijke stap voorwaarts wordt gezet naar een gemeenschappelijke gegevensruimte in de EU, een naadloze digitale ruimte met een omvang die de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten op basis van gegevens mogelijk moet maken.
(9)  De mededeling "Naar een gemeenschappelijke Europese gegevensruimte"58 heeft betrekking op de nieuwe maatregel waarmee een belangrijke stap voorwaarts wordt gezet naar een gemeenschappelijke gegevensruimte in de EU, een naadloze digitale ruimte met een omvang die de ontwikkeling en innovatie van nieuwe producten en diensten op basis van gegevens mogelijk moet maken.
_________________
_________________
58 COM(2018)0125
58 COM(2018)0125
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   Het initiatief voor het internet van de volgende generatie dat de Europese Commissie in 2017 heeft gelanceerd, moet ook de basis vormen voor de uitvoering van het programma Digitaal Europa. Het is immers gericht op een opener internet met betere diensten, hogere intelligentie en grotere betrokkenheid en participatie, waarbij de technologische mogelijkheden worden aangegrepen die voortvloeien uit de geboekte vooruitgang op verschillende onderzoeksgebieden, gaande van nieuwe netwerkarchitectuur en softwaregedefinieerde infrastructuur tot nieuwe concepten voor diensten en toepassingen.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  De algemene doelstelling van het programma moet zijn ondersteuning te geven aan de digitale transformatie van het bedrijfsleven en een betere benutting van het industriële potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling te stimuleren, ten bate van bedrijven en burgers in de hele Unie. Het programma moet worden onderverdeeld in vijf specifieke doelstellingen die een weerspiegeling zijn van de volgende essentiële beleidsterreinen: high-performance computing, cyberbeveiliging, kunstmatige intelligentie, geavanceerde digitale vaardigheden, uitrol, optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit. Voor al deze gebieden moet het programma er ook naar streven het beleid van de Unie, het beleid van de lidstaten en het regionale beleid beter op elkaar af te stemmen, en particuliere en industriële middelen te bundelen teneinde de investeringen te doen toenemen en sterkere synergieën te ontwikkelen.
(10)  De algemene doelstelling van het programma moet zijn ondersteuning te geven aan de digitale transformatie van het bedrijfsleven en een betere benutting van het industriële potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling te stimuleren, alsook specifieke sectoren van algemeen belang te moderniseren, ten bate van bedrijven, in het bijzonder kmo's, en burgers in de hele Unie. Verder moet het programma het concurrentievermogen en de economische veerkracht van de Unie versterken.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)   Bij wijze van prioriteit moet steun worden verleend aan kmo's die voornemens zijn hun productieprocessen digitaal te transformeren. Via onderzoek en innovatie in de digitale sector kunnen kmo's bijdragen aan de groei van de Europese economie, middels een efficiënt gebruik van de middelen.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 ter (nieuw)
(10 ter)  Het programma moet worden gestructureerd rond vijf specifieke doelstellingen, die een afspiegeling zijn van de volgende essentiële beleidsterreinen: (a) high-performance computing, (b) kunstmatige intelligentie en "distributed ledger"-technologie, (c) cyberbeveiliging, (d) geavanceerde digitale vaardigheden, en (e) uitrol, optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit. Voor al deze gebieden moet het programma er ook naar streven het beleid van de Unie, het beleid van de lidstaten en het regionale beleid beter op elkaar af te stemmen, en particuliere en industriële middelen te bundelen teneinde de investeringen te doen toenemen en sterkere synergieën te ontwikkelen.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 quater (nieuw)
(10 quater)  Naast digitale transformatie als algemeen doel moet het programma bijdragen aan de realisatie van de strategische langetermijndoelstellingen op het gebied van veiligheid door in de Unie capaciteiten en vermogens op te bouwen. Daarbij moet voorrang uitgaan naar acties die het strategische potentieel vergroten en de afhankelijkheid van leveranciers en producten uit derde landen beperken, terwijl het economische en innovatieve concurrentievermogen van de Unie wordt gewaarborgd.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  In de uitvoering van het programma moeten de digitale-innovatiehubs een centrale rol spelen en moet de brede invoering van geavanceerde digitale technologieën door het bedrijfsleven, openbare organisaties en de academische wereld worden gestimuleerd. Een netwerk van digitale-innovatiehubs moet zorgen voor een optimale geografische dekking in heel Europa59. Een eerste reeks digitale-innovatiehubs zal worden geselecteerd op basis van voorstellen van de lidstaten en vervolgens zal het netwerk worden uitgebreid door middel van een open en vergelijkende procedure. De digitale-innovatiehubs dienen als toegangspunten tot de meest recente digitale capaciteiten, met inbegrip van high-performance computing (HPC), kunstmatige intelligentie, cyberbeveiliging en andere bestaande innovatieve technologieën, waaronder sleuteltechnologieën, die ook in fablabs of citylabs beschikbaar zijn. De hubs treden op als centrale toegangspunten voor de toegang tot geteste en gevalideerde technologieën, waarbij open innovatie wordt bevorderd. Verder zullen de hubs steun bieden op het gebied van geavanceerde digitale vaardigheden. Het netwerk van digitale-innovatiehubs moet ook bijdragen tot de participatie van de ultraperifere regio's in de digitale eengemaakte markt.
(11)  In de uitvoering van het programma moeten de Europese digitale-innovatiehubs een centrale rol spelen en moet de brede invoering van geavanceerde digitale technologieën door het bedrijfsleven – met inbegrip van kmo's –, openbare organisaties en de academische wereld worden gestimuleerd. Een netwerk van Europese digitale-innovatiehubs moet zorgen voor een optimale geografische dekking in heel Europa59. Een eerste reeks Europese digitale-innovatiehubs zal worden geselecteerd op basis van voorstellen van de lidstaten en vervolgens zal het netwerk worden uitgebreid door middel van een open, transparante en vergelijkende procedure. De Europese digitale-innovatiehubs dienen als toegangspunten tot de meest recente digitale capaciteiten, met inbegrip van high-performance computing (HPC), kunstmatige intelligentie, cyberbeveiliging en andere bestaande innovatieve technologieën, waaronder sleuteltechnologieën, die ook in fablabs of citylabs beschikbaar zijn. De hubs treden op als onestopshops voor de toegang tot geteste en gevalideerde technologieën, waarbij open innovatie wordt bevorderd. Verder zullen de hubs steun bieden op het gebied van geavanceerde digitale vaardigheden. Het netwerk van Europese digitale-innovatiehubs moet ook bijdragen tot de participatie van de ultraperifere regio's in de digitale eengemaakte markt en de digitale transformatie in de landen en gebieden overzee ondersteunen.
__________________
__________________
59 Overeenkomstig de mededeling betreffende de digitalisering van het Europese bedrijfsleven (COM(2016)0180).
59 Overeenkomstig de mededeling betreffende de digitalisering van het Europese bedrijfsleven (COM(2016)0180).
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)  Om synergie-effecten tussen investeringen in het kader van dit programma en onderzoek- en ontwikkelingsinvesteringen van de Unie, met name investeringen in het kader van Horizon Europa, tot stand te brengen, moeten Europese digitale-innovatiehubs als platform fungeren waar bedrijven en overheden die aan nieuwe technologieoplossingen behoefte hebben enerzijds, en andere bedrijven, met name start-ups en kmo's, die beschikken over marktklare oplossingen, anderzijds, bij elkaar worden gebracht.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 ter (nieuw)
(11 ter)  De planning, ontwikkeling en aanbestedingen in het kader van het programma moeten gericht zijn op een versterking van de capaciteiten en het concurrentievermogen van de Unie op middellange en lange termijn. Daarbij moet voorrang uitgaan naar acties die het strategische potentieel en het concurrentievermogen van de Unie vergroten en de afhankelijkheid van leveranciers en producten uit derde landen beperken. De deelname van derde landen aan specifieke doelstellingen van het programma moet daarom afhangen van de bijdrage die deze landen aan de Unie leveren.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Het programma moet worden uitgevoerd door middel van projecten die essentiële digitale capaciteiten en het brede gebruik ervan versterken. Mede-investeringen door de lidstaten en, wanneer nodig, de particuliere sector dienen daarvan deel uit te maken. Er dient daarbij met name bij de aanbestedingen een kritieke massa te worden bereikt om tot een betere kosteneffectiviteit te komen en te garanderen dat de leveranciers in Europa met het oog op de technologische vooruitgang koploper blijven.
(12)  Het programma moet worden uitgevoerd door middel van projecten die essentiële digitale capaciteiten en de strategische autonomie van de Unie versterken. Met het oog hierop moet voor het programma een EU-begroting van ten minste 9,2 miljard EUR worden gewaarborgd, aangevuld met mede-investeringen uit de lidstaten en/of de particuliere sector. Er dient daarbij met name bij de aanbestedingen een kritieke massa te worden bereikt om tot een betere kosteneffectiviteit te komen en te garanderen dat de leveranciers in Europa met het oog op de technologische vooruitgang koploper worden.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  De acties in het kader van het programma moeten worden gebruikt om marktfalen of suboptimale investeringssituaties aan te pakken, waarbij op een evenredige manier te werk moet worden gegaan en moet worden voorkomen dat particuliere investeringen worden gedupliceerd of verdrongen, en naar een duidelijke Europese meerwaarde moet worden gestreefd.
(14)  De acties in het kader van het programma moeten worden gebruikt om de digitale basis van de Unie te versterken en uit te breiden, belangrijke maatschappelijke uitdagingen aan te pakken en de digitale industriële vaardigheden van de Unie verder te vergroten, alsmede marktfalen of suboptimale investeringssituaties aan te pakken, waarbij op een evenredige manier te werk moet worden gegaan en moet worden voorkomen dat particuliere investeringen worden gedupliceerd of verdrongen, en naar een duidelijke Europese meerwaarde moet worden gestreefd.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Teneinde tijdens de volledige looptijd van het programma maximale flexibiliteit te bereiken en synergieën tussen de onderdelen ervan te ontwikkelen, kan elk van de specifieke doelstellingen worden geïmplementeerd via alle instrumenten die in het kader van het Financieel Reglement beschikbaar zijn. De te gebruiken uitvoeringsmechanismen zijn direct beheer en indirect beheer wanneer EU-financiering moet worden gecombineerd met andere bronnen van financiering of wanneer de uitvoering vereist dat er gezamenlijk beheerde structuren worden opgezet.
(15)  Teneinde tijdens de volledige looptijd van het programma maximale flexibiliteit te bereiken en synergieën tussen de onderdelen ervan te ontwikkelen, kan elk van de specifieke doelstellingen worden geïmplementeerd via alle instrumenten die in het kader van het Financieel Reglement beschikbaar zijn. De te gebruiken uitvoeringsmechanismen zijn direct beheer en indirect beheer wanneer EU-financiering moet worden gecombineerd met andere bronnen van financiering of wanneer de uitvoering vereist dat er gezamenlijk beheerde structuren worden opgezet. In het geval van indirect beheer ziet de Commissie erop toe dat de kwaliteits- en veiligheidsnormen die voor het directe beheer van het programma gelden, worden gehandhaafd en geëerbiedigd.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  De capaciteiten betreffende high-performance computing en aanverwante gegevensverwerking in de Unie moeten het mogelijk maken een breder gebruik van high-performance computing door het bedrijfsleven en, in algemenere zin, op gebieden van algemeen belang te waarborgen, zodat de unieke kansen worden aangegrepen die supercomputers voor de maatschappij te bieden hebben op het gebied van gezondheid, milieu en veiligheid, alsmede wat betreft het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, en met name van kleine en middelgrote ondernemingen.
(16)  De capaciteiten betreffende high-performance computing en aanverwante gegevensverwerking en -opslag in de Unie moeten het mogelijk maken een breder gebruik van high-performance computing door het bedrijfsleven en, in algemenere zin, op gebieden van algemeen belang te waarborgen, zodat de unieke kansen worden aangegrepen die supercomputers voor de maatschappij te bieden hebben op het gebied van gezondheid, milieu en veiligheid, alsmede wat betreft het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, en met name van kleine en middelgrote ondernemingen. De Unie dient supercomputers van wereldklasse te verwerven, haar toeleveringssysteem veilig te stellen en diensten voor simulatie, visualisering en prototypeontwikkeling aan te bieden, en daarbij te zorgen voor een HPC-systeem dat in overeenstemming is met de waarden en beginselen van de Unie.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  De Raad60 en het Europees Parlement61 hebben hun steun uitgesproken voor het optreden van de Unie op dit gebied. Bovendien hebben negen lidstaten in 2017 de EuroHPC-verklaring62 ondertekend; het betreft een overeenkomst tussen meerdere regeringen waarin deze toezeggen met de Commissie samen te werken aan de opbouw en uitrol van geavanceerde HPC- en data-infrastructuur in Europa die in de hele Unie beschikbaar moet zijn voor wetenschappelijke gemeenschappen alsmede publieke en private partners.
(17)  De Raad60 en het Europees Parlement61 hebben hun steun uitgesproken voor het optreden van de Unie op dit gebied. Bovendien hebben negen lidstaten in 2017 de EuroHPC-verklaring62 ondertekend; het betreft een overeenkomst tussen meerdere regeringen waarin deze toezeggen met de Commissie samen te werken aan de opbouw en uitrol van geavanceerde HPC- en data-infrastructuur in Europa die in de hele Unie beschikbaar moet zijn voor wetenschappelijke gemeenschappen alsmede publieke en private partners en de toegevoegde waarde van de EU moet versterken.
__________________
__________________
60
60
61
61
62
62
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Voor de specifieke doelstelling inzake high-performance computing wordt een gemeenschappelijke onderneming als meest geschikte uitvoeringsmechanisme beschouwd, met name met het oog op de coördinatie van de nationale en EU-strategieën en investeringen in infrastructuur voor high-performance computing en onderzoek en ontwikkeling, het bundelen van publieke en private middelen, en het waarborgen van de economische en strategische belangen van de Unie63. Daarnaast zullen kenniscentra voor high-performance computing in de lidstaten diensten op het gebied van high-performance computing leveren aan het bedrijfsleven, de academische wereld en overheden.
(18)  Voor de specifieke doelstelling inzake high-performance computing wordt een gemeenschappelijke onderneming als meest geschikte uitvoeringsmechanisme beschouwd, met name met het oog op de coördinatie van de nationale en EU-strategieën en investeringen in infrastructuur voor high-performance computing en onderzoek en ontwikkeling, het bundelen van publieke en private middelen, en het waarborgen van de economische en strategische belangen van de Unie63. Daarnaast zullen kenniscentra voor high-performance computing in de lidstaten diensten op het gebied van high-performance computing leveren aan het bedrijfsleven, met inbegrip van kmo's en start-ups, aan de academische wereld en aan overheden in de Unie.
__________________
__________________
63 Effectbeoordeling bij het voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming EuroHPC (https://ec.europa.eu/digital-single-market/en/news/proposal-council-regulation-establishing-eurohpc-joint-undertaking-impact-assessment).
63 Effectbeoordeling bij het voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming EuroHPC (https://ec.europa.eu/digital-single-market/en/news/proposal-council-regulation-establishing-eurohpc-joint-undertaking-impact-assessment).
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Het ontwikkelen van capaciteit met betrekking tot kunstmatige intelligentie is een cruciale motor voor de digitale transformatie van het bedrijfsleven en de overheidssector. In fabrieken, diepzeetoepassingen, huizen, steden en ziekenhuizen worden steeds meer autonome robots gebruikt. Commerciële platforms voor kunstmatige intelligentie hebben de testfase afgerond en gebruiken nu echte toepassingen in de sectoren gezondheid en milieu; alle grote autofabrikanten ontwikkelen zelfrijdende auto's, en machine-learning vormt de kern van alle belangrijke internetplatforms en "big-data"-toepassingen.
(19)  Het ontwikkelen van capaciteit met betrekking tot kunstmatige intelligentie is een cruciale motor voor de digitale transformatie van het bedrijfsleven en de overheidssector. In fabrieken, diepzeetoepassingen, huizen, steden en ziekenhuizen worden steeds meer autonome robots gebruikt. Commerciële platforms voor kunstmatige intelligentie hebben de testfase afgerond en gebruiken nu echte toepassingen in de sectoren gezondheid en milieu; alle grote autofabrikanten ontwikkelen zelfrijdende auto's, en machine-learning vormt de kern van alle belangrijke internetplatforms en "big-data"-toepassingen. Om de beste randvoorwaarden te scheppen voor de bevordering van deze nieuwe technologieën in Europa, moet de Unie het innovatiebeginsel integreren in haar beleidsvormingsproces.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)   In zijn resolutie van 1 juni 2017 over de digitalisering van de Europese industrie wees het Europees Parlement op de gevolgen van taalbarrières voor de industrie en de digitalisering ervan. In deze context is de ontwikkeling van grootschalige, op kunstmatige intelligentie gebaseerde taaltechnologieën zoals automatische vertaling, spraakherkenning, "big-data"-tekstanalyse en dialoog- en vraag-en-antwoordsystemen van essentieel belang om de taalkundige verscheidenheid te behouden, inclusiviteit te waarborgen en communicatie tussen mensen onderling, maar ook tussen mens en machine, mogelijk te maken.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 ter (nieuw)
(19 ter)  De steeds snellere ontwikkeling van zelflerende robots en kunstmatige intelligentie en het vermogen daarvan om kennis en leerinhoud in een tijdsbestek van seconden te vermenigvuldigen, maakt het moeilijk om voor het einde van het programma in 2027 voorspellingen te doen over ontwikkelingsfasen. Bijgevolg moet de Commissie bijzondere aandacht besteden aan deze zich snel ontwikkelende digitale trend en indien nodig de doelstellingen van het werkprogramma tijdig en dienovereenkomstig aanpassen.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 quater (nieuw)
(19 quater)  In het licht van de groeiende vraag van het Europese bedrijfsleven naar KI-roboticaoplossingen en om een groot investeringstekort op dit gebied te voorkomen, moeten de doelstellingen van het programma inzake kunstmatige intelligentie ook door kunstmatige intelligentie aangedreven robotica omvatten.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 quinquies (nieuw)
(19 quinquies)  Op kunstmatige intelligentie gebaseerde producten en diensten moeten standaard gebruikersvriendelijk zijn, aan alle wettelijke eisen voldoen en consumenten meer keuze en meer informatie bieden, met name inzake de kwaliteit van de producten en diensten.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  De beschikbaarheid van grootschalige datasets en test- en experimenteervoorzieningen zijn van groot belang voor de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie.
(20)  De beschikbaarheid van grootschalige datasets en test- en experimenteervoorzieningen ter waarborging van de interne markt bij gebruik van kunstmatige intelligentie en toegang tot tekst en datamining zijn van groot belang voor de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie, met inbegrip van taaltechnologieën.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)   Op 25 april 2018 heeft de Commissie zich ertoe verbonden een Europese aanpak voor te stellen door ontwerprichtsnoeren voor kunstmatige intelligentie te ontwerpen in samenwerking met de belanghebbenden binnen de KI-alliantie, een groep van deskundigen op het gebied van kunstmatige intelligentie, teneinde toepassingen en bedrijven op basis van KI in Europa te stimuleren.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  In zijn resolutie van 1 juni 2017 over de digitalisering van de Europese industrie64 heeft het Europees Parlement het belang van een gemeenschappelijke Europese aanpak van cyberbeveiliging benadrukt en erkend dat moet worden gezorgd voor meer bewustwording ten aanzien van het verbeteren van de cyberveiligheid. Verder werd benadrukt dat cyberveerkracht een cruciale verantwoordelijkheid is van bedrijfsleiders en degenen die op nationaal en Europees niveau het industrie- en veiligheidsbeleid bepalen.
(21)  In zijn resolutie van 1 juni 2017 over de digitalisering van de Europese industrie64 heeft het Europees Parlement het belang van een gemeenschappelijke Europese aanpak van cyberbeveiliging benadrukt en erkend dat moet worden gezorgd voor meer bewustwording ten aanzien van het verbeteren van de cyberveiligheid. Verder werd benadrukt dat cyberveerkracht alsook de tenuitvoerlegging van beveiliging en privacy door ontwerp, en beveiliging en privacy door standaardinstellingen, een cruciale verantwoordelijkheid is van bedrijfsleiders en degenen die op nationaal en Europees niveau het industrie- en veiligheidsbeleid bepalen.
__________________
__________________
64 Document ref. A8-0183/2017, beschikbaar op: http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+TA+P8-TA-2017-0240+0+DOC+XML+V0//NL
64 Document ref. A8-0183/2017, beschikbaar op: http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+TA+P8-TA-2017-0240+0+DOC+XML+V0//NL
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Cyberbeveiliging is een uitdaging voor de hele Unie die niet meer alleen kan worden aangepakt door middel van versnipperde nationale initiatieven. De capaciteit inzake cyberbeveiliging van Europa moet worden versterkt om Europa te voorzien van de capaciteiten die nodig zijn om zijn burgers en bedrijven te beschermen tegen cyberdreigingen. Bovendien moeten de consumenten worden beschermd bij het gebruik van met het internet verbonden producten die kunnen worden gehackt en hun veiligheid in het gedrang kunnen brengen. Dit moet samen met de lidstaten en de particuliere sector worden bereikt door het ontwikkelen en waarborgen van coördinatie tussen projecten die de capaciteiten op het gebied van cyberbeveiliging van Europa versterken, en te zorgen voor brede uitrol van de meest actuele cyberbeveiligingsoplossingen in de hele economie, alsmede door het bundelen van de bekwaamheden op dit gebied teneinde een kritieke massa tot stand te brengen en uitmuntende prestaties te leveren.
(22)  Cyberbeveiliging is een uitdaging voor de hele Unie die niet meer alleen kan worden aangepakt door middel van versnipperde nationale initiatieven. De capaciteit inzake cyberbeveiliging van Europa moet worden versterkt om Europa te voorzien van de capaciteiten die nodig zijn om burgers, overheden en bedrijven te beschermen tegen cyberdreigingen. Bovendien moeten de consumenten worden beschermd bij het gebruik van met het internet verbonden producten die kunnen worden gehackt en hun veiligheid in het gedrang kunnen brengen. Dit moet samen met de lidstaten en de particuliere sector worden bereikt door het ontwikkelen en waarborgen van coördinatie tussen projecten die de capaciteiten op het gebied van cyberbeveiliging van Europa versterken, en te zorgen voor brede uitrol van de meest actuele cyberbeveiligingsoplossingen in de hele economie, alsmede door het bundelen van de bekwaamheden op dit gebied teneinde een kritieke massa tot stand te brengen en uitmuntende prestaties te leveren.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  In september 2017 heeft de Commissie een pakket initiatieven gepresenteerd65 met een allesomvattende benadering van de Unie voor cyberbeveiliging, met als doel versterking van de capaciteiten van Europa om te reageren op cyberaanvallen en -dreigingen en versterking van de technologie en de industriële capaciteit op dit gebied.
(23)  In september 2017 heeft de Commissie een pakket initiatieven gepresenteerd65 met een allesomvattende benadering van de Unie voor cyberbeveiliging, met als doel versterking van de capaciteiten van Europa om te reageren op cyberaanvallen en -dreigingen, versterking van de cyberweerbaarheid en versterking van de technologie en de industriële capaciteit op dit gebied.
_________________
_________________
65 https://ec.europa.eu/digital-single-market/en/policies/cybersecurity
65 https://ec.europa.eu/digital-single-market/en/policies/cybersecurity
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)  Cyberbeveiligings-oplossingen moeten in principe veiligheids- en beveiligingsnormen omvatten, als kernparameters van het ontwerp, die moeten zijn gebaseerd op de beste beschikbare technologie en de beginselen van "beveiliging door ontwerp" en "beveiliging door standaardinstellingen".
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  De digitale eengemaakte markt werkt alleen als er vertrouwen is. Technologieën betreffende cyberbeveiliging, zoals digitale identiteiten, cryptografie of inbraakdetectie, en de toepassing daarvan op gebieden als financiën, industrie 4.0, energie, vervoer, gezondheidszorg of e-overheid, zijn van essentieel belang voor het waarborgen van de beveiliging en het vertrouwen in het kader van online activiteiten en transacties door burgers, overheden en bedrijven.
(24)  De digitale eengemaakte markt werkt alleen als er vertrouwen is. Technologieën betreffende cyberbeveiliging, zoals "distributed ledger"-technologie, digitale identiteiten, cryptografie, versleuteling of inbraakdetectie, en de toepassing daarvan op gebieden als financiën, industrie 4.0, logistiek, energie, vervoer, toerisme, gezondheidszorg of e-overheid, zijn van essentieel belang voor het waarborgen van de beveiliging, de transparantie en het vertrouwen in het kader van online activiteiten, met inbegrip van 5G-platforms, en transacties door burgers, overheden en bedrijven.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  In zijn conclusies van 19 oktober 2017 heeft de Raad erop gewezen dat de Unie om met succes een digitaal Europa op te bouwen met name behoefte heeft aan arbeidsmarkten en opleidings- en onderwijsstelsels die aangepast zijn aan het digitale tijdperk en aan investeringen in digitale vaardigheden, teneinde alle Europeanen toe te rusten met de nodige capaciteiten en mogelijkheden.
(25)  In zijn conclusies van 19 oktober 2017 heeft de Raad erop gewezen dat de Unie om met succes een digitaal Europa op te bouwen met name behoefte heeft aan arbeidsmarkten en opleidings- en onderwijsstelsels die aangepast zijn aan het digitale tijdperk en aan investeringen in de ontwikkeling van digitale vaardigheden en een betere digitale geletterdheid, teneinde met een geïntegreerde aanpak alle Europeanen toe te rusten met de nodige capaciteiten en mogelijkheden.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 26 bis (nieuw)
(26 bis)   Gezien de behoefte aan een holistische aanpak moet in het programma ook rekening worden gehouden met factoren als inclusie, kwalificatie, opleiding en specialisatie, die, naast de geavanceerde digitale vaardigheden, bepalend zijn voor het creëren van toegevoegde waarde in de kennismaatschappij.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  In zijn resolutie van 1 juni 2017 betreffende de digitalisering van de Europese industrie67 heeft het Europees Parlement gesteld dat onderwijs, opleiding en een leven lang leren de hoekstenen zijn van maatschappelijke cohesie in een digitale maatschappij.
(27)  In zijn resolutie van 1 juni 2017 betreffende de digitalisering van de Europese industrie67 heeft het Europees Parlement gesteld dat onderwijs, opleiding en een leven lang leren de hoekstenen zijn van maatschappelijke cohesie in een digitale maatschappij. Daarnaast heeft het Europees Parlement gevraagd om het genderperspectief op te nemen in alle digitale initiatieven, waarbij werd beklemtoond dat de ernstige genderkloof in de ICT-sector moet worden aangepakt, aangezien dit essentieel is voor de groei en welvaart van Europa op de lange termijn.
__________________
__________________
67 Document ref. A8-0183/2017, beschikbaar op: http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+TA+P8-TA-2017-0240+0+DOC+XML+V0//NL
67 Document ref. A8-0183/2017, beschikbaar op: http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+TA+P8-TA-2017-0240+0+DOC+XML+V0//NL
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 27 bis (nieuw)
(27 bis)  In zijn resolutie van 28 april 2016 over gendergelijkheid en het versterken van de positie van de vrouw in het digitale tijdperk heeft het Europees Parlement de noodzaak onderstreept om naar gender uitgesplitste gegevens over ICT-gebruik te verzamelen en streefcijfers, indicatoren en benchmarks te ontwikkelen waarmee de vooruitgang van de toegang van vrouwen tot ICT kan worden gevolgd, en om voorbeelden van beste praktijken bij bedrijven te bevorderen.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 27 ter (nieuw)
(27 ter)  In zijn resolutie van 19 januari 2016 getiteld "Naar een akte voor een digitale interne markt", heeft het Europees Parlement zijn volledige steun en aanmoediging uitgesproken voor een digitale ondernemerscultuur voor vrouwen, alsmede de integratie in en deelname van vrouwen aan de informatiemaatschappij.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  De geavanceerde digitale technologieën die met dit programma worden ondersteund, waaronder high-performance computing, cyberbeveiliging en kunstmatige intelligentie, zijn nu zo ver ontwikkeld dat deze de onderzoeksfase zijn ontgroeid en op EU-niveau kunnen worden uitgerold en uitgevoerd, en dat schaalvergroting kan plaatsvinden. De uitrol van deze technieken vereist een reactie van de Unie en dat geldt eveneens voor de dimensie vaardigheden. Er moeten in de hele EU meer en betere opleidingsmogelijkheden op het gebied geavanceerde digitale vaardigheden komen. Indien dat niet gebeurt, kan dat de soepele uitrol van geavanceerde digitale technologieën belemmeren en afbreuk doen aan de algehele concurrentiekracht van de economie van de Unie. De door middel van dit programma ondersteunde acties zijn een aanvulling op de acties die worden ondersteund door middel van de programma's ESF, Efro en Horizon Europa.
(28)  De geavanceerde digitale technologieën die met dit programma worden ondersteund, waaronder high-performance computing, cyberbeveiliging, cloudcomputing, gegevensbescherming, informatiebeheer en kunstmatige intelligentie, zijn nu zo ver ontwikkeld dat deze de onderzoeksfase zijn ontgroeid en op EU-niveau kunnen worden uitgerold en uitgevoerd, en dat schaalvergroting kan plaatsvinden. De uitrol van deze technieken vereist een reactie van de Unie en dat geldt eveneens voor de dimensie vaardigheden. Er moeten in de hele EU meer en betere onderwijs- en opleidingsmogelijkheden op het gebied van geavanceerde digitale vaardigheden komen. Indien dat niet gebeurt, kan dat de soepele uitrol van geavanceerde digitale technologieën belemmeren en afbreuk doen aan de algehele concurrentiekracht van de economie van de Unie. De door middel van dit programma ondersteunde acties zijn een aanvulling op de acties die worden ondersteund door middel van de programma's ESF, Efro, Erasmus en Horizon Europa.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Modernisering van overheden en overheidsdiensten via digitale middelen is van cruciaal belang voor het verlagen van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de burgers in het algemeen, doordat hun contacten met overheidsdiensten sneller, gemakkelijker en goedkoper worden en doordat de efficiëntie en de kwaliteit van de aan de burgers en het bedrijfsleven aangeboden diensten toenemen. Aangezien een aantal diensten van algemeen belang reeds over een EU-dimensie beschikt, moet de ondersteuning op EU-niveau van de uitvoering en uitrol ervan waarborgen dat de burgers en bedrijven zullen profiteren van de toegang tot hoogwaardige digitale diensten in heel Europa.
(29)  Modernisering van overheden en overheidsdiensten via digitale middelen is van cruciaal belang voor het verlagen van de administratieve lasten voor de burgers en het bedrijfsleven, doordat hun contacten met overheidsdiensten sneller, gemakkelijker en goedkoper worden, doordat de efficiëntie, de transparantie en de kwaliteit van de aan de burgers en het bedrijfsleven aangeboden diensten toenemen en tegelijkertijd de doelmatigheid van overheidsuitgaven wordt verhoogd. Aangezien een aantal diensten van algemeen belang reeds over een EU-dimensie beschikt, moet de ondersteuning op EU-niveau van de uitvoering en uitrol ervan waarborgen dat de burgers en bedrijven kunnen profiteren van de toegang tot hoogwaardige meertalige digitale diensten in heel Europa. Het is ook belangrijk dat deze diensten toegankelijk zijn voor personen met een handicap.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Overweging 29 bis (nieuw)
(29 bis)   Digitalisering kan onbelemmerde toegankelijkheid voor iedereen, ook voor ouderen, personen met beperkte mobiliteit of een handicap en personen in afgelegen of rurale gebieden, faciliteren en verbeteren.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  Met het oog op de digitale transformatie van de gebieden van algemeen belang, zoals gezondheidszorg68, mobiliteit, justitie, monitoring van de aarde en het milieu, onderwijs en cultuur, moeten digitalediensteninfrastructuren worden voortgezet en uitgebreid die de grensoverschrijdende uitwisseling van gegevens mogelijk maken en de ontwikkeling op nationaal niveau bevorderen. Met de coördinatie daarvan in het kader van deze verordening kan het potentieel van synergieën optimaal worden benut.
(30)  Met het oog op de digitale transformatie van de gebieden van algemeen belang, zoals gezondheidszorg68, mobiliteit, justitie, monitoring van de aarde en het milieu, veiligheid, vermindering van de koolstofemissies, energie-infrastructuur, onderwijs en opleiding en cultuur, moeten digitalediensteninfrastructuren worden voortgezet, gemoderniseerd en uitgebreid die de grensoverschrijdende en taaloverschrijdende uitwisseling van gegevens en informatie mogelijk maken en de ontwikkeling op nationaal niveau bevorderen. Met de coördinatie daarvan in het kader van deze verordening kan het potentieel van synergieën en complementariteit optimaal worden benut. Er moet echter ook rekening worden gehouden met het feit dat er burgers zijn aan wie, om welke reden dan ook, de digitale transformatie voorbijgaat. Daarom moet steun worden geboden aan netwerken die voorlichting verstrekken aan die burgers, om te waarborgen dat hun rechten gewaarborgd worden en zij aan het maatschappelijke leven kunnen blijven deelnemen en hun burgerplichten kunnen blijven vervullen.
_________________
_________________
68 http://ec.europa.eu/newsroom/dae/document.cfm?doc_id=51628
68 http://ec.europa.eu/newsroom/dae/document.cfm?doc_id=51628
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Overweging 30 bis (nieuw)
(30 bis)   De digitale transformatie in deze sector moet de Europese burgers in elk geval toegang verlenen tot hun eigen gegevens en hen de kans geven ze veilig te gebruiken en te beheren op grensoverschrijdend niveau, onafhankelijk van de fysieke plaats waar de burgers en de gegevens zich bevinden.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Overweging 30 ter (nieuw)
(30 ter)   Voor de uitrol van en toegang tot geavanceerde technologieën op gebieden van algemeen belang, zoals onderwijs, is ook scholing nodig die gericht is op het verwerven van vaardigheden die nodig zijn om gebruik te maken van deze technologieën. Daarom moeten de doelstellingen die deel uitmaken van specifieke doelstelling 8 ook scholingsprogramma's omvatten gericht op personen die de geavanceerde technologieën gaan gebruiken.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Overweging 32
(32)  De modernisering van Europese overheden is een van de belangrijkste prioriteiten voor de succesvolle uitvoering van de strategie voor de digitale eengemaakte markt. In de tussentijdse evaluatie van de strategie werd de nadruk erop gelegd dat de transformatie van overheden moet worden versterkt en dat moet worden gewaarborgd dat de burgers op gemakkelijke, betrouwbare en naadloze wijze toegang tot overheidsdiensten hebben.
(32)  De modernisering van Europese overheden is een van de belangrijkste prioriteiten voor de succesvolle uitvoering van de strategie voor de digitale eengemaakte markt. In de tussentijdse evaluatie van de strategie werd de nadruk erop gelegd dat de transformatie van overheden moet worden versterkt en dat moet worden gewaarborgd dat de burgers op gemakkelijke, betrouwbare, veilige, naadloze en inclusieve wijze toegang tot overheidsdiensten hebben.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  Uit de door de Commissie in 2017 gepubliceerde jaarlijkse groeianalyse69 blijkt in dat verband dat de kwaliteit van de Europese overheden rechtstreeks van invloed is op het economische klimaat en om die reden cruciaal is voor het stimuleren van de productiviteit, het concurrentievermogen, economische samenwerking, groei en werkgelegenheid. Een efficiënt en transparant openbaar bestuur en doeltreffende rechtsstelsels zijn met name nodig om de economische groei te ondersteunen en hoogwaardige diensten voor bedrijven en burgers te kunnen leveren.
(33)  Uit de door de Commissie in 2017 gepubliceerde jaarlijkse groeianalyse69 blijkt in dat verband dat de kwaliteit van de Europese overheden rechtstreeks van invloed is op het economische klimaat en om die reden cruciaal is voor het stimuleren van de productiviteit, het concurrentievermogen, economische samenwerking, duurzame groei, werkgelegenheid en hoogwaardige banen. Een efficiënt en transparant openbaar bestuur en doeltreffende rechtsstelsels zijn met name nodig om de economische groei te ondersteunen en hoogwaardige diensten voor bedrijven en burgers te kunnen leveren.
__________________
__________________
69 COM(2016)0725
69 COM(2016)0725
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Overweging 34
(34)  De interoperabiliteit van Europese overheidsdiensten betreft alle overheidsniveaus: die van de Unie alsmede het nationale, regionale en lokale niveau. Door middel van interoperabiliteit worden niet alleen belemmeringen weggewerkt die een werkende eengemaakte markt in de weg staan, maar wordt ook de succesvolle uitvoering van beleidsmaatregelen vergemakkelijkt. en ontstaan er veel mogelijkheden om grensoverschrijdende elektronische barrières te voorkomen, waardoor het ontstaan van nieuwe of de consolidatie van zich ontwikkelende overheidsdiensten op EU-niveau verder wordt gewaarborgd. Teneinde een einde te maken aan de versnippering van Europese diensten alsmede fundamentele vrijheden en operationele wederzijdse erkenning in de EU te ondersteunen, moet een allesomvattende sector- en grensoverschrijdende aanpak ten aanzien van interoperabiliteit worden bevorderd op de meest doeltreffende manier, waarbij zoveel mogelijk wordt ingespeeld op de eindgebruikers. Interoperabiliteit moet dus in brede zin worden opgevat, van technische tot juridische lagen, en met inbegrip van de beleidsaspecten op dat gebied. De reikwijdte van de activiteiten dient daarom verder te gaan dan de gebruikelijke levensduur van oplossingen en alle interventie-elementen te omvatten die de nodige randvoorwaarden voor aanhoudende interoperabiliteit in het algemeen kunnen scheppen.
(34)  De interoperabiliteit van Europese overheidsdiensten betreft alle overheidsniveaus: die van de Unie alsmede het nationale, regionale en lokale niveau. Door middel van interoperabiliteit worden niet alleen belemmeringen weggewerkt die een werkende eengemaakte markt in de weg staan, maar worden ook grensoverschrijdende samenwerking, de totstandbrenging van gemeenschappelijke standaarden en de succesvolle uitvoering van beleidsmaatregelen vergemakkelijkt en ontstaan er veel mogelijkheden om grensoverschrijdende elektronische hindernissen en taalbarrières te voorkomen en bureaucratie te reduceren, waardoor het ontstaan van nieuwe of de consolidatie van zich ontwikkelende overheidsdiensten op EU-niveau verder wordt gewaarborgd, en onnodige dubbele opslag wordt vermeden. Teneinde een einde te maken aan de versnippering van Europese diensten alsmede fundamentele vrijheden en operationele wederzijdse erkenning in de EU te ondersteunen, moet een allesomvattende, technologieneutrale sector- en grensoverschrijdende aanpak ten aanzien van interoperabiliteit worden bevorderd op de meest doeltreffende manier, waarbij zoveel mogelijk wordt ingespeeld op de eindgebruikers en een hoog niveau van gegevensbescherming wordt gewaarborgd. Interoperabiliteit moet dus in brede zin worden opgevat, van technische tot juridische lagen, en met inbegrip van de beleidsaspecten op dat gebied. De reikwijdte van de activiteiten dient daarom verder te gaan dan de gebruikelijke levensduur van oplossingen en alle interventie-elementen te omvatten die de nodige randvoorwaarden voor aanhoudende interoperabiliteit in het algemeen kunnen scheppen.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Overweging 34 bis (nieuw)
(34 bis)  Op 6 oktober 2017 verklaarden de EU-ministers in Tallinn dat de Europese digitale strategie op samenwerking en interoperabiliteit moet worden gebaseerd, met inbegrip van het gebruik van open licenties en open standaarden. Ten behoeve van hergebruik, groter vertrouwen en de waarborging van transparantie moet het programma daarom opensourceoplossingen bevorderen. Dit zal een positieve uitwerking hebben op de duurzaamheid van activiteiten die worden gefinancierd.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Overweging 37
(37)  In april 2016 heeft de Commissie het initiatief betreffende de digitalisering van het Europese bedrijfsleven aangenomen teneinde ervoor te zorgen dat "alle industrieën in Europa, ongeacht hun sector, locatie of omvang, ten volle kunnen profiteren van digitale innovatie"71.
(37)  In april 2016 heeft de Commissie het initiatief betreffende de digitalisering van het Europese bedrijfsleven aangenomen teneinde ervoor te zorgen dat "alle industrieën in Europa, ongeacht hun sector, locatie of omvang, ten volle kunnen profiteren van digitale innovatie". Dit is van bijzonder belang voor kleine en middelgrote ondernemingen in de culturele en de creatieve sector.
__________________
71 nihil
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Overweging 39
(39)  Volgens de mededeling betreffende de digitalisering van het Europese bedrijfsleven73 kan het voor het bereiken van de doelstellingen nodig zijn het potentieel van aanvullende technologieën op het gebied van netwerken en computing als hefboom te gebruiken; in de mededeling wordt erkend dat "de aanwezigheid van netwerk- en cloudinfrastructuur van wereldklasse" een essentieel bestanddeel van de digitalisering van het bedrijfsleven is.
(39)  Volgens de mededeling betreffende de digitalisering van het Europese bedrijfsleven73 kan het voor het bereiken van de doelstellingen nodig zijn het potentieel van aanvullende technologieën op het gebied van netwerken en computing als hefboom te gebruiken; in de mededeling wordt erkend dat "de aanwezigheid van netwerk- en cloudinfrastructuur van wereldklasse" een essentiële component van de digitalisering van het bedrijfsleven is.
__________________
__________________
73 COM(2016)0180: "De digitalisering van het Europese bedrijfsleven – De voordelen van een digitale eengemaakte markt ten volle benutten".
73 COM(2016)0180: "De digitalisering van het Europese bedrijfsleven – De voordelen van een digitale eengemaakte markt ten volle benutten".
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Overweging 40
(40)  De algemene verordening gegevensbescherming die sinds mei 2018 van toepassing is, omvat een reeks regels die rechtstreeks van toepassing zijn in de rechtsorde van de lidstaten. Die verordening garandeert het vrije verkeer van persoonsgegevens tussen de EU-lidstaten en versterkt het vertrouwen en de beveiliging van personen, twee elementen die onontbeerlijk zijn voor een echte digitale eengemaakte markt. Acties die in het kader van dit programma worden ondernomen en die betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens, moeten daarom de toepassing van de algemene verordening gegevensbescherming ondersteunen, bijvoorbeeld op het gebied van kunstmatige intelligentie en blockchaintechnologie.
(40)  Verordening (EU) 2016/679 omvat een reeks regels die rechtstreeks van toepassing zijn in de rechtsorde van de lidstaten en garandeert het vrije verkeer van persoonsgegevens tussen de EU-lidstaten en versterkt het vertrouwen en de beveiliging van personen, twee elementen die onontbeerlijk zijn voor een echte digitale eengemaakte markt. Alle acties die in het kader van dit programma worden ondernomen en die betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens, moeten daarom in volledige overeenstemming zijn met die verordening. Zij moeten in het bijzonder bijdragen tot de ontwikkeling van digitale technologieën die voldoen aan de verplichtingen met betrekking tot 'gegevensbescherming door ontwerp', die uit hoofde van de verordening in kwestie een bindend karakter hebben, en indien de verwerking betrekking heeft op gegevens van elektronische communicatie moet ook het bepaalde in Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis in acht worden genomen.
_________________
1 bis Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Overweging 41
(41)  Bij de uitvoering van het programma moeten het internationale en EU-kader inzake de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten volledig worden nageleefd. De doeltreffende bescherming van intellectuele eigendom speelt een doorslaggevende rol bij innovatie en is derhalve noodzakelijk voor de doeltreffende uitvoering van het programma.
(41)  Bij de uitvoering van het programma moeten het internationale en EU-kader inzake de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten volledig worden nageleefd. De doeltreffende bescherming van intellectuele eigendom speelt een doorslaggevende rol bij innovatie en om de Europese toegevoegde waarde te behouden en is derhalve noodzakelijk voor de doeltreffende uitvoering van het programma.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Overweging 42
(42)  Instanties die dit programma uitvoeren, dienen in het bijzonder de bepalingen na te leven die van toepassing zijn op de EU-instellingen alsmede de nationale wetgeving inzake de behandeling van informatie, in het bijzonder gevoelige niet-gerubriceerde informatie en gerubriceerde EU-informatie.
(42)  Voor zover instanties die dit programma uitvoeren gevoelige, niet-gerubriceerde informatie of gerubriceerde informatie van de Unie behandelen, moeten zij de toepasselijke, in Unie- of nationale wetgeving vastgelegde bepalingen inzake de behandeling van informatie in acht nemen, indien van toepassing.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Overweging 43
(43)  Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zal het programma bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling van 25 % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen74. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma zullen de relevante acties worden geïdentificeerd, en vervolgens in het kader van de desbetreffende evaluaties en herzieningsprocessen worden herbeoordeeld.
(43)  Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de verplichtingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zal het programma bijdragen aan de integratie van klimaatactie en helpen een algemene doelstelling te verwezenlijken van 25 % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen74. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma moeten de relevante acties worden geïdentificeerd, en vervolgens in het kader van de desbetreffende evaluaties en herzieningsprocessen worden herbeoordeeld, om te garanderen dat deze verplichtingen volledig worden nagekomen.
_________________
_________________
74 COM(2018)0321, blz. 1.
74 COM(2018)0321, blz. 1.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Overweging 44
(44)  Teneinde te zorgen voor eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor de vaststelling van de werkprogramma's, zodat de doelstellingen van het programma worden behaald in overeenstemming met de prioriteiten van de Unie en de lidstaten en tegelijkertijd wordt gezorgd voor samenhang, transparantie en continuïteit van gezamenlijk door de Unie en de lidstaten ondernomen acties. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig de raadplegingsprocedure die is vastgesteld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/201175 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren.
Schrappen
__________________
75 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Overweging 45
(45)  De werkprogramma's moeten in beginsel normaliter om de twee jaar worden vastgesteld als meerjarige werkprogramma's of, indien gerechtvaardigd door behoeften in verband met de uitvoering van het programma, als jaarlijkse werkprogramma's. De in deze verordening bedoelde financieringsvormen en uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het verwezenlijken van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, forfaits en schalen van eenheidskosten en financiering worden overwogen, alsook niet aan financiering gekoppelde kosten als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.
(45)  Er moeten werkprogramma's worden vastgesteld om te waarborgen dat de doelstellingen van het programma worden verwezenlijkt in overeenstemming met de prioriteiten van de Unie en de lidstaten, waarbij gezorgd wordt voor samenhang, transparantie en continuïteit van gezamenlijk door de Unie en de lidstaten ondernomen acties. De werkprogramma's moeten in beginsel om de twee jaar of, indien noodzakelijk met het oog op de uitvoering van het programma, op jaarlijkse basis worden vastgesteld. De in deze verordening bedoelde financieringsvormen en uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het verwezenlijken van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Dit moet mede omvatten dat het gebruik wordt overwogen van vaste bedragen, forfaits en eenheidskosten, en van financiering die niet gekoppeld is aan kosten, zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Overweging 46
(46)  De bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen, moet aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot wijzigingen van bijlage II teneinde de indicatoren te herzien en/of aan te vullen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(46)  De bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen, moet aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot wijzigingen van de bijlagen I en II teneinde de indicatoren te herzien en/of aan te vullen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Overweging 46 bis (nieuw)
(46 bis)   Om langetermijnfinanciering voor het programma Digitaal Europa te garanderen, te behouden en te ontwikkelen, zijn er duidelijke gemeenschappelijke EU-regels nodig die toekomstgericht en concurrentiebevorderend zijn om investeringen en innovatie te stimuleren en de betaalbaarheid te waarborgen.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Overweging 47
(47)  Deze verordening is in overeenstemming met de grondrechten en de beginselen vervat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name die bedoeld in de artikelen [8], [11], [16], [21], [35], [38] en [47] betreffende de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het verbod op discriminatie, gezondheidszorg, consumentenbescherming en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een onpartijdig gerecht. Deze verordening moet door de lidstaten worden toegepast met eerbiediging van deze rechten en beginselen.
(47)  De acties die onder het toepassingsgebied van het programma vallen, moeten in overeenstemming zijn met de grondrechten en de beginselen van met name het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name die bedoeld in de artikelen [8], [11], [16], [21], [22], [35], [38], [41] en [47] betreffende de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het verbod op discriminatie, de verscheidenheid van taal en het recht om in onverschillig welke EU-taal te communiceren, gezondheidszorg, consumentenbescherming en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een onpartijdig gerecht. Dergelijke acties moeten voldoen aan alle wettelijke verplichtingen, met inbegrip van het internationale recht en relevante besluiten van de Commissie, en aan ethische beginselen, onder meer het voorkomen van elke inbreuk op de integriteit van het wetenschappelijk onderzoek.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Overweging 47 bis (nieuw)
(47 bis)  In april 2018 heeft de Commissie zich ertoe verbonden1 bis, om een kader voor belanghebbenden en deskundigen vast te stellen om een ontwerp van ethische richtsnoeren voor kunstmatige intelligentie op te stellen in samenwerking met de Europese Groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën. De Commissie zal ondersteuning bieden aan consumentenorganisaties en toezichthoudende autoriteiten voor gegevensbescherming op nationaal en EU-niveau om een inzicht te krijgen in op kunstmatige intelligentie gebaseerde applicaties, met inbreng van de Europese Consumentenadviesgroep en het Europees Comité voor gegevensbescherming.
__________________
1 bis Mededeling van 25.4.2018 over kunstmatige intelligentie voor Europa, COM(2018)0237, beschikbaar op: http://www.europarl.europa.eu/RegData/docs_autres_institutions/commission_europeenne/com/2018/0237/COM_COM(2018)0237_NL.pdf
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Overweging 48
(48)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) mogen deelnemen aan Unie-programma's in het krachtens de EER-overeenkomst vastgestelde samenwerkingskader, dat voorziet in de uitvoering van de programma's door een besluit in het kader van die overeenkomst. Er moet een specifieke bepaling in deze verordening worden opgenomen ter verlening van de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.
Schrappen
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1
Bij deze verordening wordt het programma Digitaal Europa (hierna "het programma" genoemd) vastgesteld.
Bij deze verordening wordt het programma Digitaal Europa (hierna "het programma" genoemd) vastgesteld, dat wordt uitgevoerd in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – letter e
e)  "digitale-innovatiehub": een juridische entiteit die door middel van een open en vergelijkende procedure is aangewezen of geselecteerd om taken in het kader van het programma uit te voeren, en met name toegang verleent tot technologische expertise en experimenteervoorzieningen, zoals apparatuur en software, teneinde de digitale transformatie van het bedrijfsleven mogelijk te maken;
e)  "Europese digitale-innovatiehub": een bestaande of nieuwe juridische entiteit die of een consortium van juridische entiteiten dat door middel van een open, transparante en vergelijkende procedure is aangewezen of geselecteerd om taken in het kader van het programma uit te voeren, en met name toegang verleent tot technologische expertise en experimenteervoorzieningen, zoals apparatuur en software, teneinde de digitale transformatie van het bedrijfsleven mogelijk te maken, alsook de toegang tot financiering vergemakkelijkt. Een Europese digitale-innovatiehub staat open voor alle soorten bedrijven van welke omvang ook, met name kmo's, doorgroeiers en overheidsdiensten in de hele Unie.
Europese digitale-innovatiehubs fungeren als onestopshops waar bedrijven, in het bijzonder kmo's, start-ups en midcaps, bijstand kunnen krijgen om hun bedrijf, productieproces, producten en diensten te verbeteren met behulp van digitale technologie die tot meerwaarde kan leiden. De hubs creëren daartoe in de hele Unie een gedecentraliseerd netwerk dat bedrijven steun biedt om te waarborgen dat de vaardigheden van hun werknemers aansluiten bij de deskundigheid die nodig is om de beschikbare digitale technologie te kunnen gebruiken. De hubs overleggen ook met onderwijsaanbieders om de opleiding van studenten en opleidingen op de werkplek voor werknemers te ondersteunen.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – letter f bis (nieuw)
f bis)   "mediageletterdheid": de analytische vaardigheden die nodig zijn om je weg te vinden in de digitale wereld.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – letter f ter (nieuw)
f ter)  "Europees partnerschap": een initiatief waarbij de Unie zich er, samen met particuliere en/of publieke partners (bijvoorbeeld de industrie, onderzoeksorganisaties, organen met een openbaredienstverleningstaak op lokaal, regionaal, nationaal of internationaal niveau of maatschappelijke organisaties, met inbegrip van stichtingen en kmo-organisaties), toe verbindt om de ontwikkeling en uitvoering van activiteiten inzake digitale innovatie en de uitrol van technologie, met inbegrip van die welke verband houden met toepassingen op de markt, de regelgeving of het beleid, gezamenlijk te ondersteunen.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – letter f quater (nieuw)
f quater)  "kleine en middelgrote ondernemingen" of "kmo's": kleine en middelgrote ondernemingen als gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie;
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – letter f quinquies (nieuw)
f quinquies)  "consortium": een samenwerkingsverband van ondernemingen dat is opgericht om een actie in het kader van het programma uit te voeren.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – inleidende formule
1.  De algemene doelstelling van het programma is: de digitale transformatie van de Europese economie en samenleving ondersteunen en de Europese burgers en bedrijven ten goede komen. Het programma zal:
1.  De algemene doelstelling van het programma is: de digitale transformatie van de Europese economie, het bedrijfsleven en de samenleving ondersteunen en versnellen, de Europese burgers, overheidsdiensten en bedrijven ten goede komen en de strategische autonomie en cohesie van de Unie versterken en daarbij het concurrentievermogen veiligstellen en de digitale kloof dichten. Het programma:
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – letter b
b)  de verspreiding en het gebruik ervan op gebieden van algemeen belang en in de particuliere sector verruimen.
b)  verruimt de verspreiding en het gebruik ervan in de particuliere sector en op gebieden van algemeen belang, ondersteunt hun digitale transformatie en waarborgt toegang tot digitale technologieën;
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a
a)  een geïntegreerde exaschaal supercomputing- en data-infrastructuur van wereldklasse77 in de Unie uitrollen, coördineren en gebruiken die op niet-commerciële basis toegankelijk is voor publieke en particuliere gebruikers en voor door de overheid gefinancierd onderzoek;
a)  een interoperabele exaschaal supercomputing- en data-infrastructuur van wereldklasse77 in de Unie uitrollen, coördineren en gebruiken die toegankelijk is voor publieke en particuliere gebruikers en voor door de overheid of de particuliere sector gefinancierd onderzoek;
__________________
__________________
77 Een miljard miljard zwevendekommabewerkingen per seconde.
77 Een miljard miljard zwevendekommabewerkingen per seconde.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b
b)  gebruiksklare/operationele technologie uitrollen die voortkomt uit onderzoek en innovatie om een geïntegreerd EU-ecosysteem inzake high-performance computing op te bouwen dat alle segmenten van de wetenschappelijke en industriële waardeketen dekt, in het bijzonder op het gebied van hardware, software, toepassingen, diensten, interconnectie en digitale vaardigheden;
b)  gebruiksklare/operationele technologie uitrollen die voortkomt uit onderzoek en innovatie om een geïntegreerd EU-ecosysteem inzake high-performance computing op te bouwen dat alle segmenten van de wetenschappelijke en industriële waardeketen dekt, in het bijzonder op het gebied van hardware, software, toepassingen, diensten, interconnectie en digitale vaardigheden, en tegelijkertijd een hoog niveau van beveiliging en gegevensbescherming waarborgen;
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter c
c)  een post-exaschaalinfrastructuur78 uitrollen en gebruiken, met inbegrip van de integratie daarvan ten opzichte van quantumcomputingtechnologieën, en nieuwe onderzoeksinfrastructuren ten behoeve van de computerwetenschappen ontwikkelen.
c)  een post-exaschaalinfrastructuur78 uitrollen en gebruiken, met inbegrip van de integratie daarvan ten opzichte van quantumcomputingtechnologieën, en nieuwe onderzoeksinfrastructuren ontwikkelen; de ontwikkeling in de Unie aanmoedigen van de hardware en software die voor deze uitrol nodig zijn, ten behoeve van de computerwetenschappen.
__________________
__________________
78 Duizendmaal sneller dan exaschaal.
78 Duizendmaal sneller dan exaschaal.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 bis (nieuw)
1 bis.  De acties in het kader van specifieke doelstelling 1 worden hoofdzakelijk uitgevoerd via de gemeenschappelijke onderneming die de Commissie heeft voorgesteld en die op 25 juni 2018 door de Raad van ministers is goedgekeurd, overeenkomstig Verordening (EU) ... van het Europees Parlement en de Raad1 bis.
__________________
1 bis Verordening tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing. 10594/18. Brussel, 18 september 2018 (OR. en). http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10594-2018-INIT/nl/pdf
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter a
a)  opbouwen en versterken van essentiële capaciteiten op het gebied van kunstmatige intelligentie in de Unie, met inbegrip van gegevenshulpmiddelen en bibliotheken van algoritmen in overeenstemming met de wetgeving inzake gegevensbescherming;
a)  opbouwen en versterken van essentiële capaciteiten op het gebied van kunstmatige intelligentie in de Unie, met inbegrip van gegevenshulpmiddelen en bibliotheken van algoritmen. In overeenstemming met de wetgeving inzake gegevensbescherming wordt voor op kunstmatige intelligentie gebaseerde beschikbaar gestelde oplossingen en hulpmiddelen het beginsel beveiliging en privacy door ontwerp in acht genomen en wordt gewaarborgd dat de mens in het middelpunt blijft staan van de ontwikkeling en uitrol van kunstmatige intelligentie;
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter b
b)  het toegankelijk maken van die capaciteiten voor alle bedrijven en overheden;
b)  het toegankelijk maken van die capaciteiten voor bedrijven, met name kmo's en start-ups, en overheden, met inbegrip van non-profitorganisaties, onderzoeksinstellingen en universiteiten;
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  het ontwikkelen en versterken van industriële toepassingen en productiesystemen om de integratie van technologieën in waardeketens en de ontwikkeling van innovatieve bedrijfsmodellen te bevorderen en de periode tussen innovatie en industrialisering te verkorten, en het bevorderen van de invoering van op kunstmatige intelligentie gebaseerde oplossingen op gebieden van algemeen belang en in de maatschappij.
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 bis (nieuw)
De acties in het kader van deze specifieke doelstelling, kunstmatige intelligentie, worden uitsluitend via direct beheer door de Commissie of door een uitvoerend agentschap ten uitvoer gelegd op basis van een kosten-batenanalyse.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 ter (nieuw)
Acties die in het kader van specifieke doelstelling 2 ten uitvoer worden gelegd dienen te voldoen aan ethische beginselen en aan de toepasselijke nationale, EU- en internationale wet- en regelgeving, inclusief het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het Protocol daarbij. De Commissie stelt, rekening houdend met de aanbevelingen van de deskundigengroep op hoog niveau inzake kunstmatige intelligentie, de voorwaarden vast betreffende ethische vraagstukken in de werkprogramma's in het kader van specifieke doelstelling 2. De oproepen of subsidieovereenkomsten omvatten de desbetreffende voorwaarden zoals neergelegd in de werkprogramma's. Tijdens de evaluatie van elke actie wordt een ethische beoordeling van elk project uitgevoerd, en acties die ethisch onaanvaardbaar zijn of niet aan de in de overeenkomst neergelegde voorwaarden voldoen, komen niet in aanmerking voor subsidie.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter a
a)  samen met de lidstaten de aanschaf van geavanceerde apparatuur, instrumenten en data-infrastructuur inzake cyberbeveiliging ondersteunen en daarbij de wetgeving inzake gegevensbescherming volledig naleven;
a)  samen met de lidstaten de aanschaf van geavanceerde apparatuur, instrumenten en data-infrastructuur inzake cyberbeveiliging ondersteunen om op Europees niveau een gemeenschappelijk hoog niveau van cyberbeveiliging tot stand te brengen, onder volledige naleving van de wetgeving inzake gegevensbescherming en de grondrechten, en onder waarborging van de strategische autonomie van de EU;
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter b
b)  optimaal gebruik van Europese kennis, capaciteiten en vaardigheden in verband met cyberbeveiliging ondersteunen;
b)  optimaal gebruik en de toename van Europese kennis, capaciteiten en vaardigheden in verband met cyberbeveiliging ondersteunen, en optimale methodes delen en integreren;
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter c
c)  de brede uitrol van de meest actuele cyberbeveiligingsoplossingen in de hele economie waarborgen;
c)  de brede uitrol van de meest actuele cyberbeveiligingsoplossingen in de hele economie waarborgen, met speciale aandacht voor overheidsdiensten en essentiële economische spelers zoals kmo's;
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter d
d)  de capaciteiten in de lidstaten en de particuliere sector versterken om deze te helpen te voldoen aan Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie79.
d)  versterken van de capaciteiten in de lidstaten en de particuliere sector om deze te helpen te voldoen aan Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie79, onder meer door maatregelen gericht op het ontwikkelen van een cultuur van cyberbeveiliging binnen organisaties;
__________________
__________________
79 PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1.
79 PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1.
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter d bis (nieuw)
d bis)  verbetering van het vermogen om cyberaanvallen te weerstaan, verhoging van risicobewustzijn en kennis over fundamentele beveiligingsprocessen bij gebruikers, in het bijzonder overheidsdiensten, kmo's en start-ups, waarborging van een basisniveau van beveiliging van bedrijven, zoals eind-tot-eindencryptie van gegevens, communicatie en software-updates, en aanmoediging van het gebruik van beveiliging door ontwerp en door standaardinstellingen, alsmede kennis van fundamentele beveiligingsprocessen en besef van het belang van cyberhygiëne;
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 bis (nieuw)
De acties in het kader van specifieke doelstelling 3, cyberbeveiliging en vertrouwen, worden hoofdzakelijk ten uitvoer gelegd via het Europees onderzoeks- en kenniscentrum voor cyberbeveiliging en het Cybersecurity Competence Network in overeenstemming met [Verordening … van het Europees Parlement en de Raad1 bis].
__________________
1 bis Verordening … van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees kenniscentrum voor industrie, technologie en onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging en het netwerk van nationale coördinatiecentra
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – alinea 1 – inleidende formule
De financiële interventie door de Unie in het kader van specifieke doelstelling 4, geavanceerde digitale vaardigheden, ondersteunt de ontwikkeling van geavanceerde digitale vaardigheden op gebied die door dit programma worden ondersteund, waardoor wordt bijgedragen tot het vergroten van het reservoir van talent waarover Europa beschikt en de professionaliteit wordt bevorderd, met name wat betreft high-performance computing, "big data"-analyse, cyberbeveiliging, "distributed ledger"-technologieën, robotica en kunstmatige intelligentie. De financiële interventie heeft de volgende operationele doelstellingen:
De financiële interventie door de Unie in het kader van specifieke doelstelling 4, geavanceerde digitale vaardigheden, ondersteunt de ontwikkeling van geavanceerde digitale vaardigheden op gebieden die door dit programma worden ondersteund, waardoor wordt bijgedragen tot het vergroten van het reservoir van talent waarover de Unie beschikt, de digitale kloof wordt verkleind en de professionaliteit op voet van gendergelijkheid wordt bevorderd, met name wat betreft high-performance computing, "big data"-analyse, cyberbeveiliging, "distributed ledger"-technologieën, robotica, kunstmatige intelligentie, cloud computing, communicatiesystemen en -netwerken, gegevensbescherming, gegevensbeschermingscompetentie en kunstmatige intelligentie. De financiële interventie heeft de volgende operationele doelstellingen om de arbeidsmarkt alsmede specialisatie in digitale technologieën en toepassingen te stimuleren en te verbeteren:
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – alinea 1 – letter a
a)  ondersteunen van het opzetten en aanbieden van langdurige opleidingen en cursussen voor studenten, IT-professionals en andere werknemers;
a)  ondersteunen van het opzetten en aanbieden van kwalitatief hoogstaande langdurige opleidingen en cursussen, waaronder gemengd leren voor studenten, docenten, lesgevers, IT-professionals, onderzoekers en andere werknemers, zoals ambtenaren, in samenwerking met scholen, universiteiten en onderzoekscentra;
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – alinea 1 – letter b
b)  ondersteunen van het opzetten en aanbieden van korte opleidingen en cursussen voor ondernemers, managers van kleine bedrijven en werknemers;
b)  ondersteunen van het opzetten en aanbieden van kwalitatief hoogstaande korte opleidingen en cursussen, met inbegrip van gemengd leren, voor ondernemers, managers van kleine bedrijven en start-ups, en andere werknemers, inclusief ambtenaren en zelfstandigen;
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – alinea 1 – letter c
c)  ondersteunen van opleidingen op de werkplek en stages voor studenten, jonge ondernemers en pas afgestudeerden.
c)  ondersteunen van kwalitatief hoogstaande opleidingen op de werkplek, met inbegrip van gemengd leren en stages voor studenten, jonge ondernemers en pas afgestudeerden.
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – alinea 1 bis (nieuw)
De acties in het kader van specifieke doelstelling 5, geavanceerde digitale vaardigheden, worden hoofdzakelijk ten uitvoer gelegd via rechtstreeks beheer door de Europese Commissie. De Europese digitale-innovatiehubs kunnen worden ingezet als facilitators voor trainingsmogelijkheden, als adviseurs voor bedrijven en als liaison met de passende kenniscentra, teneinde tot een zo breed mogelijke geografische dekking in de Unie te komen.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – inleidende formule
De financiële interventie door de Unie in het kader van specifieke doelstelling 5, uitrol, optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit, heeft de volgende operationele doelstellingen:
De financiële interventie door de Unie in het kader van specifieke doelstelling 5, uitrol, optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit, heeft de volgende operationele doelstellingen om de desbetreffende acties voor digitale infrastructuur aan te vullen en de digitale kloof te verkleinen:
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter a
a)  waarborgen dat de overheidssector en gebieden van algemeen belang, zoals gezondheid en zorg, onderwijs, justitie, vervoer, energie, milieu en de culturele en creatieve sector, gebruik kunnen maken en toegang hebben tot geavanceerde digitale technologieën, en met name tot high-performance computing, kunstmatige intelligentie en cyberbeveiliging;
a)  waarborgen dat de overheidssector en gebieden van algemeen belang, zoals gezondheid en zorg, onderwijs, justitie, vervoer en communicatie, energie, milieu, de culturele en creatieve sector en het bedrijfsleven in de Unie, op doeltreffende wijze geavanceerde digitale technologieën kunnen inzetten en door training beschikken over de nodige vaardigheden om gebruik te kunnen maken van geavanceerde digitale technologieën, en met name tot high-performance computing, taaltechnologie, kunstmatige intelligentie en cyberbeveiliging;
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter b
b)  uitrollen, gebruiken en onderhouden van trans-Europese interoperabele digitale-diensteninfrastructuur (met inbegrip van aanverwante diensten) als aanvulling op nationale en regionale acties;
b)  uitrollen, gebruiken en onderhouden van geavanceerde interoperabele digitale-diensteninfrastructuur in de hele Unie (met inbegrip van aanverwante diensten) als aanvulling op nationale en regionale acties;
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter c
c)  vergemakkelijken van de ontwikkeling, het updaten en het gebruik van oplossingen en kaders door Europese overheden, bedrijven en burgers, met inbegrip van het hergebruik van interoperabiliteitsoplossingen en -kaders;
c)  vergemakkelijken van de ontwikkeling, het updaten en het gebruik van oplossingen en kaders door Europese overheden, bedrijven en burgers, met inbegrip van open source en het hergebruik van interoperabiliteitsoplossingen en -kaders;
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter d
d)  overheden toegang bieden tot testvoorzieningen en proefprojecten voor digitale technologie, met inbegrip van het grensoverschrijdend gebruik ervan;
d)  overheden toegang bieden tot testvoorzieningen, proefprojecten en opschalingsmogelijkheden voor digitale technologie, met inbegrip van het grensoverschrijdend gebruik ervan;
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter e
e)  steun geven aan de invoering van geavanceerde digitale en aanverwante technologieën, met inbegrip van high-performance computing, kunstmatige intelligentie, cyberbeveiliging en toekomstige nieuwe technologieën door het bedrijfsleven van de Unie, en met door kleine en middelgrote ondernemingen;
e)  steun geven aan de invoering van geavanceerde digitale en aanverwante technologieën, met inbegrip van high-performance computing, kunstmatige intelligentie, "distributed ledger"-technologie, cyberbeveiliging, gegevensbescherming, cloud computing en informatiebeheer, en toekomstige nieuwe technologieën door het bedrijfsleven van de Unie, en met name door kleine en middelgrote ondernemingen en start-ups;
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter f
f)  ondersteunen van het ontwerp, het testen, de uitvoering en de uitrol van interoperabele digitale oplossingen voor overheidsdiensten op EU-niveau door middel van een platform voor datagestuurde herbruikbare oplossingen, waarbij innovatie wordt bevorderd en gemeenschappelijke kaders worden vastgesteld teneinde het volledige potentieel van de diensten van overheden voor Europese burgers en bedrijven te benutten;
f)  ondersteunen van het ontwerp, het onderhoud, het testen, de uitvoering en de uitrol van interoperabele digitale oplossingen voor overheidsdiensten op EU-niveau door middel van een platform voor datagestuurde herbruikbare oplossingen, waarbij innovatie wordt bevorderd en gemeenschappelijke kaders worden vastgesteld teneinde het volledige potentieel van de diensten van overheden voor Europese burgers en bedrijven te benutten;
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter g
g)  ervoor zorgen dat er op EU-niveau steeds voldoende capaciteit is om snel ontwikkelende digitale tendensen te observeren en analyseren en zich daaraan aan te passen, alsmede om beste praktijken te delen en te integreren;
g)  ervoor zorgen dat er op EU-niveau steeds voldoende capaciteit is om een toonaangevende rol op het gebied van digitale ontwikkeling te spelen, en daarnaast snel ontwikkelende digitale tendensen te observeren en analyseren en zich daaraan aan te passen, alsmede om beste praktijken te delen en te integreren en kruisbestuiving tussen de verschillende nationale initiatieven te vergemakkelijken, leidend tot de ontwikkeling van de digitale maatschappij dankzij voortdurende samenwerking tussen alle betrokken actoren op EU-niveau;
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter h
h)  ondersteunen van samenwerking met als doel een Europees ecosysteem voor betrouwbare infrastructuur tot stand te brengen door middel van "distributed ledger"-diensten en -toepassingen, met inbegrip van steun voor interoperabiliteit en standaardisering en het stimuleren van de uitrol van grensoverschrijdende applicaties in de EU;
h)  ondersteunen van samenwerking met als doel een Europees ecosysteem voor betrouwbare infrastructuur tot stand te brengen door middel van "distributed ledger"-diensten en -toepassingen, met inbegrip van steun voor interoperabiliteit en standaardisering en het stimuleren van de uitrol van grensoverschrijdende applicaties in de EU, gebaseerd op beveiliging en privacy door ontwerp, waarbij de bescherming van de gegevens en de veiligheid van de consument gewaarborgd zijn;
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 bis (nieuw)
De acties in het kader van specifieke doelstelling 5, uitrol, optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit, worden hoofdzakelijk ten uitvoer gelegd via rechtstreeks beheer door de Europese Commissie. De Europese digitale-innovatiehubs en kenniscentra kunnen worden ingezet als facilitators.
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 9 194 000 000 EUR in lopende prijzen.
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 20212027 bedragen 8 192 391 000 EUR in prijzen van 2018 (9 194 000 000 EUR in lopende prijzen).
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – letter a
a)  tot 2 698 240 000 EUR voor specifieke doelstelling 1, high-performance computing
a)  tot 2 404 289 438 EUR in prijzen van 2018 (2 698 240 000 EUR in lopende prijzen) voor specifieke doelstelling 1, high-performance computing
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – letter b
b)  tot 2 498 369 000 EUR voor specifieke doelstelling 2, kunstmatige intelligentie
b)  tot 2 226 192 703 EUR in prijzen van 2018 (2 498 369 000 EUR in lopende prijzen) voor specifieke doelstelling 2, kunstmatige intelligentie
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – letter c
c)  tot 1 998 696 000 EUR voor specifieke doelstelling 3, cyberbeveiliging en vertrouwen
c)  tot 1 780 954 875 EUR in prijzen van 2018 (1 998 696 000 EUR in lopende prijzen) voor specifieke doelstelling 3, cyberbeveiliging en vertrouwen
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – letter d
d)  tot 699 543 000 EUR voor specifieke doelstelling 4, geavanceerde digitale vaardigheden
d)  tot 623 333 672 EUR in prijzen van 2018 (699 543 000 EUR in lopende prijzen) voor specifieke doelstelling 4, geavanceerde digitale vaardigheden
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – letter e
e)  tot 1 299 152 000 EUR voor specifieke doelstelling 5, uitrol, optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit
e)  tot 1 157 620 312 EUR in prijzen van 2018 (1 299 152 000 EUR in lopende prijzen) voor specifieke doelstelling 5, uitrol, optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 5
5.  Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.
5.  Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Indien mogelijk worden die middelen zoveel mogelijk gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1 – inleidende formule
Het programma staat open voor:
Schrappen
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1 – punt 1
1.  landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;
1.  Het programma staat open voor landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1 – punt 2
2.  toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;
2.  De volledige of gedeeltelijke associatie met het programma door derde landen die niet in lid 1 worden genoemd, geschiedt op basis van een beoordeling per geval van de specifieke doelstellingen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat deze specifieke overeenkomst volledig aan de volgende criteria beantwoordt:
—  de deelname van het derde land is in het belang van de Unie;
—  de deelname draagt bij aan het bereiken van de in artikel 3 genoemde doelstellingen;
—  de deelname leidt niet tot veiligheidsproblemen en sluit volledig aan bij de desbetreffende veiligheidseisen zoals neergelegd in artikel 12;
—  de overeenkomst zorgt voor een billijk evenwicht tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan de programma's van de Unie deelneemt;
—  de overeenkomst stelt de voorwaarden voor deelname aan de programma's vast, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5], van [het nieuwe Financieel Reglement];
—  de overeenkomst verleent het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma;
—  de overeenkomst waarborgt de rechten van de Unie om te zorgen voor een goed financieel beheer en haar financiële belangen te beschermen.
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
2 bis.  Bij het voorbereiden van de werkprogramma's beoordeelt de Europese Commissie of een ander relevant uitvoerend orgaan op basis van een beoordeling per geval of voor de acties die in de werkprogramma's zijn opgenomen, is voldaan aan de voorwaarden die in de in punt 2 genoemde overeenkomst zijn neergelegd.
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1 – punt 3
3.  landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;
Schrappen
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1 – punt 4
4.  derde landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst
Schrappen
–  een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma's van de Unie deelneemt;
–  de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5], van [het nieuwe Financieel Reglement];
–  het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;
–  de rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt.
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2
2.  Op de samenwerking met derde landen en in lid 1 bedoelde organisaties in het kader van specifieke doelstelling 3, cyberbeveiliging en vertrouwen, is artikel [12] van toepassing.
2.  Op de samenwerking met derde landen en in lid 1 bedoelde organisaties in het kader van specifieke doelstelling 1, high-performance computing, specifieke doelstelling 2, kunstmatige intelligentie, en specifieke doelstelling 3, cyberbeveiliging en vertrouwen, is artikel [12] van toepassing.
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 5
5.  In het werkprogramma kan ook worden bepaald dat juridische entiteiten die in met het programma geassocieerde landen zijn gevestigd en juridische entiteiten die in de EU zijn gevestigd, maar waarover vanuit derde landen zeggenschap wordt uitgeoefend, om veiligheidsredenen niet in aanmerking komen voor deelname aan alle of bepaalde acties in het kader van specifieke doelstelling 3. In dergelijke gevallen worden oproepen tot het indienen van voorstellen en aanbestedingen beperkt tot entiteiten die zijn gevestigd of worden geacht te zijn gevestigd in de lidstaten en waarover de lidstaten en/of ingezeten van de lidstaten zeggenschap hebben.
5.  In het werkprogramma kan ook worden bepaald dat juridische entiteiten die in met het programma geassocieerde landen zijn gevestigd en juridische entiteiten die in de EU zijn gevestigd, maar waarover vanuit derde landen zeggenschap wordt uitgeoefend, om strategische en veiligheidsredenen niet in aanmerking komen voor deelname aan alle of bepaalde acties in het kader van de specifieke doelstellingen 1, 2 en 3. In dergelijke gevallen worden oproepen tot het indienen van voorstellen en aanbestedingen beperkt tot entiteiten die zijn gevestigd of worden geacht te zijn gevestigd in de lidstaten en waarover de lidstaten en/of ingezeten van de lidstaten zeggenschap hebben.
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Acties die de overdracht van technologie naar landen buiten de Unie inhouden, zijn niet toegestaan. Om de verwezenlijking van de strategische langetermijndoelstellingen op het gebied van veiligheid te garanderen wordt nagegaan of het voor entiteiten die hun hoofdvestiging buiten de Unie hebben, opportuun is om deel te nemen.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 5 ter (nieuw)
5 ter.  Waar passend kan de Commissie of het financieringsorgaan veiligheidscontroles verrichten en kunnen acties die niet in overeenstemming zijn met de veiligheidsvoorschriften, op elk moment worden uitgesloten of beëindigd.
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1
1.  Het programma is zodanig opgezet dat er bij de uitvoering ervan als verder uiteengezet in bijlage III synergieën kunnen plaatsvinden met financieringsprogramma's van de Unie, met name door middel van regelingen voor aanvullende financiering uit EU-programma's, wanneer zulks is toegestaan in het kader van de modaliteiten inzake het beheer; ofwel opeenvolgend, op afwisselende wijze, of door middel van het combineren van middelen, waaronder voor de gezamenlijke financiering van acties.
1.  Het programma is zodanig opgezet dat er bij de uitvoering ervan als verder uiteengezet in bijlage III synergieën kunnen plaatsvinden met financieringsprogramma's van de Unie, met name door middel van regelingen voor aanvullende financiering uit EU-programma's, wanneer zulks is toegestaan in het kader van de modaliteiten inzake het beheer; ofwel opeenvolgend, op afwisselende wijze, of door middel van het combineren van middelen, waaronder voor de gezamenlijke financiering van acties. Wanneer de Commissie gebruik maakt van het hefboomeffect als gevolg van het complementaire karakter van het programma met andere Europese programma's, met name ESIF, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), Horizon Europa en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF-2), InvestEU en Erasmus en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO), zorgt zij ervoor dat de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen 1 tot en met 5 niet in het gedrang komt.
De Commissie onderzoekt de mogelijkheden om de doelmatigheid te verbeteren van de diverse programma's die middelen op het gebied van digitalisering ter beschikking stellen.
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2
2.  Er worden passende mechanismen voor coördinatie tussen de desbetreffende autoriteiten en passende toezichtinstrumenten vastgesteld om stelselmatig voor synergieën tussen het programma en alle relevante financieringsinstrumenten van de EU te zorgen. De regelingen dragen ertoe bij dat dubbel werk wordt voorkomen en zorgen ervoor dat met de uitgaven een maximaal effect wordt behaald.
2.  Er worden passende mechanismen voor coördinatie tussen de desbetreffende autoriteiten en tussen de autoriteiten en de Europese Commissie en passende toezichtinstrumenten vastgesteld om stelselmatig voor synergieën tussen het programma en alle relevante financieringsinstrumenten van de EU te zorgen. De regelingen dragen ertoe bij dat dubbel werk wordt voorkomen en zorgen ervoor dat met de uitgaven een maximaal effect wordt behaald.
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2
2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, inclusief met aanbestedingen als primaire vorm alsmede subsidies en prijzen. Er kan eveneens financiering worden verstrekt in de vorm van financieringsinstrumenten in het kader van blendingverrichtingen.
2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, inclusief met aanbestedingen door de Commissie of het financieringsorgaan, door begunstigden van subsidies, individueel of gezamenlijk, als primaire vorm van de actie, alsmede subsidies en prijzen. In het kader van aanbestedingen kan de gunning van meerdere opdrachten binnen dezelfde procedure worden toegestaan en kan worden voorzien in voorwaarden inzake de plaats van uitvoering in overeenstemming met de toepasselijke internationale aanbestedingsovereenkomsten. Uit hoofde van het programma kan eveneens financiering worden verstrekt in de vorm van financiële instrumenten in het kader van blendingverrichtingen.
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – alinea 1
Het programma kan worden uitgevoerd door middel van Europese partnerschappen. Daartoe kunnen met name bijdragen aan bestaande of nieuwe publiek-privaat partnerschappen in de vorm van overeenkomstig artikel 187 VWEU opgerichte gezamenlijke ondernemingen behoren. Op dergelijke bijdragen zijn de bepalingen inzake Europese partnerschappen overeenkomstig [de verordening betreffende Horizon Europa] van toepassing.
Het programma kan worden uitgevoerd door middel van Europese partnerschappen die de Commissie en de lidstaten overeengekomen zijn in het kader van de strategische programmering. Daartoe kunnen met name bijdragen aan bestaande of nieuwe publiek-privaat partnerschappen in de vorm van overeenkomstig artikel 187 VWEU opgerichte gezamenlijke ondernemingen behoren. Op dergelijke bijdragen zijn de bepalingen inzake Europese partnerschappen overeenkomstig [de verordening betreffende Horizon Europa] van toepassing.
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – alinea 1 bis (nieuw)
Europese partnerschappen:
a)  worden opgericht in gevallen waar zij de doelstellingen van het programma Digitaal Europa effectiever kunnen behalen dan de Unie alleen;
b)  worden gestoeld op de beginselen van toegevoegde waarde voor de Unie, transparantie, openheid, impact, hefboomeffect, financiële verbintenis voor de lange termijn door alle betrokken partijen, flexibiliteit, samenhang en complementariteit met initiatieven op lokaal, regionaal, nationaal, internationaal en Unieniveau;
c)  zijn in de tijd beperkt en bevatten voorwaarden voor het uitfaseren van de financiering uit hoofde van het programma.
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – alinea 1 ter (nieuw)
Regels en criteria voor hun selectie, tenuitvoerlegging, monitoring, evaluatie en uitfasering zijn opgenomen in (verwijzing toe te voegen).
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – titel
Digitale-innovatiehubs
Europese digitale-innovatiehubs
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 1
1.  Tijdens het eerste jaar van de uitvoering van het programma wordt er een initieel netwerk van digitale-innovatiehubs opgericht.
1.  Tijdens het eerste jaar van de uitvoering van het programma wordt er op basis van bestaande infrastructuur een initieel netwerk van Europese digitale-innovatiehubs opgericht, met in elke lidstaat minstens één digitale-innovatiehub.
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 – inleidende formule
2.  Voor de oprichting van het in lid 1 bedoelde netwerk wijst elke lidstaat kandidaat-entiteiten aan door middel van open en vergelijkende procedures op basis van de volgende criteria:
2.  Voor de oprichting van het in lid 1 bedoelde netwerk wijst elke lidstaat kandidaat-entiteiten aan door middel van open, transparante, inclusieve en vergelijkende procedures op basis van de volgende criteria:
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 – letter a
a)  passende bekwaamheden in verband met de functies van de digitale-innovatiehubs;
a)  passende bekwaamheden in verband met de functies van de Europese digitale-innovatiehubs;
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 – letter b
b)  passende beheerscapaciteiten, voldoende personeel en adequate infrastructuur;
b)  passende beheerscapaciteiten, voldoende personeel en adequate infrastructuur en vaardigheden;
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 – letter d bis (nieuw)
d bis)  bewezen samenwerking met de particuliere sector om de marktrelevantie van de acties in het kader van de specifieke doelstellingen 1 tot en met 5 te waarborgen;
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 – letter d ter (nieuw)
d ter)  koppelingen met bestaande ICT-hubs die zijn opgezet in het kader van Horizon 2020, de InvestEU-hub en het Enterprise Europe Network;
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De gedetailleerde voorwaarden waaraan moet worden voldaan om als Europese digitale-innovatiehub te worden aangewezen en de taken die moeten worden uitgevoerd, worden geharmoniseerd en tijdig bekendgemaakt om een goede voorbereiding en uitvoering van de acties mogelijk te maken.
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 3 – inleidende formule
3.  De Commissie stelt een besluit vast inzake de selectie van entiteiten waaruit het initiële netwerk bestaat. De Commissie selecteert deze entiteiten uit de door de lidstaten op basis van de in lid 2 vastgestelde criteria aangewezen kandidaat-entiteiten en op basis van de volgende aanvullende criteria:
3.  De Commissie stelt een besluit vast inzake de selectie van entiteiten waaruit het initiële netwerk bestaat. De Commissie selecteert deze entiteiten en wijst ze aan uit de door de lidstaten op basis van de in lid 2 vastgestelde criteria aangewezen kandidaat-entiteiten en op basis van de volgende aanvullende criteria:
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 3 – letter b
b)  de noodzaak ervoor te zorgen dat het initiële netwerk voldoet aan de behoeften van het bedrijfsleven en gebieden van algemeen belang en dat een brede en evenwichtige geografische spreiding wordt gewaarborgd.
b)  de noodzaak ervoor te zorgen dat het initiële netwerk voldoet aan de behoeften van het bedrijfsleven en gebieden van algemeen belang en dat een brede en evenwichtige geografische spreiding wordt gewaarborgd, dat de convergentie wordt verbeterd en de kloof tussen de cohesielanden en de andere lidstaten wordt gedicht, en dat de digitale kloof in geografische zin wordt verkleind.
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 4
4.  Aanvullende digitale-innovatiehubs worden geselecteerd op basis van een open en vergelijkende procedure, zodanig dat de breedst mogelijke geografische spreiding over heel Europa wordt gewaarborgd. Het aantal entiteiten van het netwerk is evenredig aan de bevolking van een bepaalde lidstaat en er is ten minste één digitale-innovatiehub per lidstaat. Teneinde tegemoet te komen aan de bijzondere beperkingen waarmee de ultraperifere gebieden van de EU worden geconfronteerd, kunnen specifieke entiteiten worden aangewezen die in de behoeften van die gebieden voorzien.
4.  Aanvullende Europese digitale-innovatiehubs worden geselecteerd op basis van een open, transparante en vergelijkende procedure, zodanig dat de breedst mogelijke geografische spreiding over heel Europa wordt gewaarborgd. Het aantal entiteiten van het netwerk is evenredig aan de bevolking van een bepaalde lidstaat en er is ten minste één digitale-innovatiehub per lidstaat. Teneinde tegemoet te komen aan de bijzondere beperkingen waarmee de ultraperifere gebieden van de EU worden geconfronteerd, kunnen er in die gebieden aanvullende innovatiehubs worden geselecteerd.
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 5
5.  De digitale-innovatiehubs kunnen financiering ontvangen in de vorm van subsidies.
5.  De Europese digitale-innovatiehubs worden duidelijk geïdentificeerd door middel van een specifieke aanduiding en ontvangen financiering in de vorm van subsidies.
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 6 – inleidende formule
6.  De digitale-innovatiehubs die financiering ontvangen, worden betrokken bij de uitvoering van het programma teneinde:
6.  De Europese digitale-innovatiehubs die financiering ontvangen, worden betrokken bij de uitvoering van het programma teneinde:
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 6 – letter a
a)  diensten betreffende digitale transformatie aan te bieden, waaronder voorzieningen voor het uitvoeren van tests en experimenten, die zijn gericht op kleine, middelgrote en midcapondernemingen, ook in sectoren die traag zijn bij de invoering van digitale en aanverwante technologieën;
a)  diensten betreffende digitale transformatie en technologische expertise aan te bieden, waaronder voorzieningen voor het uitvoeren van tests en experimenten, die zijn gericht op start-ups, kleine, middelgrote en midcapondernemingen, ook in sectoren die traag zijn bij de invoering van digitale en aanverwante technologieën;
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 6 – letter a bis (nieuw)
a bis)  bedrijven, in het bijzonder kmo's en start-ups, organisaties en overheden te helpen bij het vergroten van hun concurrentievermogen en het verbeteren van hun bedrijfsmodellen middels het gebruik van nieuwe technologieën die onder het toepassingsgebied van het programma vallen;
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 6 – letter b
b)  expertise en know-how over te dragen tussen regio's, met name door het vormen van netwerken van in één regio gevestigde kleine, middelgrote en midcapondernemingen met in andere regio's gevestigde digitale-innovatiehubs die het meest geschikt zijn om relevante diensten aan te bieden;
b)  expertise en know-how over te dragen tussen regio's, met name door het vormen van netwerken van in één regio gevestigde kmo's, start-ups en midcaps met in andere regio's gevestigde Europese digitale-innovatiehubs die het meest geschikt zijn om relevante diensten aan te bieden; de uitwisseling van vaardigheden, gezamenlijke initiatieven en goede werkwijzen te stimuleren;
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 6 – letter c
c)  thematische diensten aan te bieden, met inbegrip van diensten in verband met kunstmatige intelligentie, high-performance computing en cyberbeveiliging en vertrouwen, aan overheden, publieke organisaties en kleine, middelgrote en midcapondernemingen. Afzonderlijke digitale-innovatiehubs kunnen zich specialiseren in specifieke thematische diensten en zij hoeven niet alle in dit lid genoemde thematische diensten aan te bieden;
c)  thematische diensten aan te bieden, met inbegrip van diensten in verband met kunstmatige intelligentie, high-performance computing en cyberbeveiliging en vertrouwen, aan overheden, publieke organisaties en kleine, middelgrote, midcap- en start-ups. Afzonderlijke Europese digitale-innovatiehubs kunnen zich specialiseren in specifieke thematische diensten en zij hoeven niet alle in dit lid genoemde thematische diensten aan te bieden;
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.  De Europese digitale-innovatiehubs kunnen ook samenwerken met het Europees Instituut voor innovatie en technologie, met name het EIT Digital en de digitale-innovatiehubs die zijn opgericht in het kader van Horizon 2020.
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 6 ter (nieuw)
6 ter.  De Europese digitale-innovatiehubs kunnen de activiteiten uitvoeren van de digitale-innovatiehubs die in het kader van de kaderprogramma's voor onderzoek en innovatie zijn opgericht, met inbegrip van de innovatiehubs van het EIT Digital.
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 1
1.  Uitsluitend acties die bijdragen tot de verwezenlijking van de in artikel [3] en de artikelen [4] tot en met [8] genoemde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.
1.  Uitsluitend acties die bijdragen tot de verwezenlijking van de in artikel [3] en de artikelen [4] tot en met [8] genoemde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering in overeenstemming met de algemene, in bijlage I genoemde doelstellingen.
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2 – letter a – punt ii
ii)  een met het programma geassocieerd derde land;
ii)  een overeenkomstig de artikelen 10 en 12 met het programma geassocieerd derde land;
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 3
3.  Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet met het programma geassocieerd derde land komen bij wijze van uitzondering voor deelname aan specifieke acties in aanmerking voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.
3.  Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet met het programma geassocieerd derde land komen bij wijze van uitzondering voor deelname aan specifieke acties in aanmerking voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, er hierdoor geen bijkomende veiligheidsrisico's voor de Unie worden gecreëerd en de strategische autonomie van de Unie niet in het gedrang komt.
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 4
4.  Natuurlijke personen komen niet in aanmerking, behalve voor subsidies in het kader van specifieke doelstelling 4. geavanceerde digitale vaardigheden.
4.  Natuurlijke personen kunnen in aanmerking komen voor subsidies in het kader van specifieke doelstelling 4, geavanceerde digitale vaardigheden. Onderdanen van derde landen kunnen in aanmerking komen mits zij in de Unie verblijven.
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – alinea 1
Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement.
Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement en mogen, om terdege gemotiveerde redenen, tot 100 % van de subsidiabele kosten dekken, onverminderd het medefinancieringsbeginsel, en in overeenstemming met de specificatie bij elke doelstelling.
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1 – inleidende formule
1.  De toekenningscriteria worden vastgesteld in de werkprogramma's en de oproepen tot het indienen van voorstellen, waarbij ten minste met de volgende elementen rekening wordt gehouden:
1.  De toekenningscriteria worden vastgesteld in de werkprogramma's en de oproepen tot het indienen van voorstellen, waarbij ten minste met de volgende elementen rekening wordt gehouden:
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1 – letter e
e)  in voorkomend geval het economische en het sociale effect en het effect op klimaat en milieu;
e)  in voorkomend geval het economische effect, het effect op klimaat en milieu en het sociale effect, waarbij met name toegankelijkheid en gelijke onderwijs- en professionele kansen worden bevorderd;
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1 – letter g
g)  in voorkomend geval een evenwichtige geografische spreiding over de hele Unie, met inbegrip van de ultraperifere regio's;
g)  in voorkomend geval een evenwichtige geografische spreiding over de hele Unie, met inbegrip van de ultraperifere regio's, waaronder de landen en gebieden overzee;
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1 – letter h bis (nieuw)
h bis)  in voorkomend geval de vrijheid om de projectresultaten te hergebruiken en te bewerken;
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1 – letter h ter (nieuw)
h ter)  in voorkomend geval het algemeen belang;
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1 – letter h quater (nieuw)
h quater)  in voorkomend geval, verkleining van de digitale kloof tussen regio's, burgers of bedrijven.
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – alinea 1
Blendingverrichtingen in het kader van dit programma vinden plaats in overeenstemming met de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement.
Blendingverrichtingen in het kader van dit programma vinden plaats in overeenstemming met de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement. Het bedrag van de uitgaven in het kader van dit programma dat wordt gecombineerd met een financieel instrument is niet restitueerbaar.
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Wanneer voor een actie reeds een bijdrage uit een ander Unieprogramma of steun uit een EU-fonds is ontvangen, wordt die bijdrage of steun vermeld in de aanvraag om een bijdrage uit hoofde van het programma.
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 3
3.  Het eerste meerjarige werkprogramma wordt gericht op de in de bijlage vastgestelde activiteiten en waarborgt dat de daardoor gesteunde acties particuliere financiering niet verdringen. In de daaropvolgende werkprogramma's kunnen activiteiten worden opgenomen die niet in de bijlage zijn vastgesteld, mits deze in overeenstemming zijn met de in de artikelen [4 – 8] van deze verordening vastgestelde doelstellingen.
3.  De werkprogramma's worden gericht op de in bijlage I vastgestelde activiteiten en waarborgen dat de daardoor gesteunde acties particuliere financiering niet verdringen.
Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De Commissie is bevoegd om in overeenstemming met artikel 27 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I om daarin op een wijze die in overeenstemming is met de in artikelen [4] tot en met [8] van deze verordening opgenomen doelstellingen activiteiten te herzien of aan te vullen.
Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
1.  Indicatoren om de uitvoering en vorderingen van het programma bij het verwezenlijken van de in artikel 3 genoemde algemene en specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage II.
1.  Meetbare indicatoren om de uitvoering en vorderingen van het programma bij het verwezenlijken van de in artikel 3 genoemde algemene en specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage II.
Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De Commissie stelt een methode vast om te voorzien in meetbare indicatoren waarmee een nauwkeurige beoordeling kan worden uitgevoerd van de vooruitgang die wordt geboekt met het realiseren van de algemene doelstellingen in artikel 3, lid 1. Op basis van deze methode vult de Commissie bijlage III uiterlijk op 1 januari 2021 aan.
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2
2.  Teneinde te zorgen voor een effectieve beoordeling van de vorderingen in de richting van de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 27 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage II om indien nodig de indicatoren te herzien of aan te vullen en tot aanvulling van deze verordening met bepalingen inzake de vaststelling van een kader voor monitoring en evaluatie.
2.  Teneinde te zorgen voor een effectieve beoordeling van de vorderingen in de richting van de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 27 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage II om indien nodig de meetbare indicatoren te herzien of aan te vullen en tot aanvulling van deze verordening met bepalingen inzake de vaststelling van een kader voor monitoring en evaluatie.
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 3
3.  Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en de lidstaten.
3.  Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma geschikt zijn voor een grondige analyse van de geboekte vooruitgang en van de problemen die zijn vastgesteld en dat zij op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en de lidstaten.
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 4
4.  Er wordt zo veel mogelijk gebruikgemaakt van officiële EU-statistieken, waaronder periodieke statistische enquêtes inzake ICT. De nationale instituten voor de statistiek worden geraadpleegd over de initiële opzet en daaropvolgende ontwikkeling van de statistische indicatoren die worden gebruikt voor de monitoring en uitvoering van het programma en de bij de digitale transformatie geboekte vooruitgang, en zij werken hierbij samen met Eurostat.
4.  Er wordt zo doeltreffend mogelijk gebruikgemaakt van officiële EU-statistieken, waaronder periodieke statistische enquêtes inzake ICT, en van de verzameling DESI-gegevens met betrekking tot NUTS-2, om het gebrek aan regionale gegevens met betrekking tot Digitaal Europa aan te pakken. De nationale instituten voor de statistiek worden geraadpleegd over de initiële opzet en daaropvolgende ontwikkeling van de statistische indicatoren die worden gebruikt voor de monitoring en uitvoering van het programma en de bij de digitale transformatie geboekte vooruitgang, en zij werken hierbij samen met Eurostat.
Amendement 168
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – titel
Evaluatie
Evaluatie van het programma
Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1
1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
1.  De Commissie draagt zorg voor een periodieke monitoring en externe evaluatie van het programma, in het bijzonder op basis van het in artikel 24, lid 3, bedoelde prestatieverslagleggingssysteem. De evaluaties omvatten ook een kwalitatieve beoordeling van de vooruitgang die is geboekt met het realiseren van de algemene doelstellingen in artikel 3, lid 1.
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 2
2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.
2.  Naast de periodieke monitoring van het programma stelt de Commissie een tussentijds evaluatieverslag op, dat zij uiterlijk op 31 december 2024 voorlegt aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. De tussentijdse evaluatie bevat de bevindingen die nodig zijn voor het nemen van een besluit over een follow-up van het programma na 2027 en de doelstellingen ervan.
De tussentijdse evaluatie wordt gepresenteerd in het Europees Parlement.
Amendement 171
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 3
3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, maar uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel [1] genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit.
3.  Op basis van een externe en onafhankelijke eindevaluatie stelt de Commissie een eindevaluatieverslag betreffende het programma op, waarin de langetermijneffecten en de duurzaamheid ervan worden beoordeeld.
Amendement 172
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  De Commissie legt het in lid 3 bedoelde eindevaluatieverslag uiterlijk op 31 december 2030 voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 5
5.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
Schrappen
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 4
4.  Als onderdeel van het controlesysteem kan de auditstrategie worden gebaseerd op de financiële audit van een representatieve steekproef van de uitgaven. Deze representatieve steekproef wordt aangevuld met een selectie op basis van een uitgavengerelateerde risicobeoordeling.
4.  Als onderdeel van het controlesysteem is de auditstrategie gebaseerd op de financiële audit van ten minste een representatieve steekproef van de uitgaven. Deze representatieve steekproef wordt aangevuld met een selectie op basis van een uitgavengerelateerde risicobeoordeling.
Amendement 175
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2
2.  De in artikel 24 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028.
2.  De in de artikelen 23 en 24 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028.
Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 24 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 23 en 24 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 6
6.  Een overeenkomstig artikel 24 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
6.  Een overeenkomstig de artikelen 23 en 24 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, waarheidsgetrouwe, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2
2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma, de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel [3] genoemde doelstellingen.
2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma, de acties en de resultaten ervan. Tevens waarborgt zij dat mogelijke aanvragers van financiering van de EU in de digitale sector op geïntegreerde wijze worden geïnformeerd en toegang hebben tot de aanvraagprocedures. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel [3] genoemde doelstellingen.
Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – doelstelling 1 – alinea 2 – punt 1
1.  Een gezamenlijk aanbestedingskader voor een geïntegreerd netwerk van HPC van wereldklasse, met inbegrip van exaschaalsupercomputing en data-infrastructuur, toegankelijk op niet-economische basis voor publieke en particuliere gebruikers en voor door de overheid gefinancierd onderzoek.
1.  Een gezamenlijk aanbestedingskader voor een geïntegreerd netwerk van HPC van wereldklasse, met inbegrip van exaschaalsupercomputing en data-infrastructuur, toegankelijk voor alle bedrijven en overheidsdiensten en op niet-economische basis voor publieke en particuliere gebruikers en voor door de overheid gefinancierd onderzoek.
Amendement 181
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – doelstelling 1 – alinea 2 – punt 6
6.  De uitrol van gebruiksklare/operationele technologie: supercomputing als dienst die resulteert uit onderzoek en innovatie om een geïntegreerd Europees HPC-ecosysteem op te bouwen dat alle segmenten van de wetenschappelijke en industriële waardeketen dekt (hardware, software, toepassingen, diensten, interconnectie en digitale vaardigheden).
6.  De uitrol van gebruiksklare/operationele technologie: supercomputing als dienst die resulteert uit onderzoek en innovatie, in het bijzonder nieuwe technologieën die profiteren of eerder hebben geprofiteerd van financiering door de Unie, om een geïntegreerd Europees HPC-ecosysteem op te bouwen dat alle segmenten van de wetenschappelijke en industriële waardeketen dekt (hardware, software, toepassingen, diensten, interconnectie en digitale vaardigheden).
Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – doelstelling 2 – alinea 1
Het programma dient voor de opbouwen en het versterken van kerncapaciteiten inzake kunstmatige intelligentie in Europa, waaronder gegevensbronnen en registers van algoritmen, en het toegankelijk maken daarvan voor alle bedrijven en overheden, alsmede het versterken en koppelen van bestaande faciliteiten voor het testen van en experimenteren met kunstmatige intelligentie in de lidstaten.
Het programma dient voor de opbouwen en het versterken van kerncapaciteiten inzake kunstmatige intelligentie en "distributed ledger"-technologieën in Europa, waaronder gegevensbronnen en registers van algoritmen, en het toegankelijk maken daarvan voor alle bedrijven en overheden, alsmede het versterken en koppelen van bestaande faciliteiten voor het testen van en experimenteren met kunstmatige intelligentie in de lidstaten.
Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – doelstelling 4 – alinea 1
Het programma ondersteunt gemakkelijke toegang tot geavanceerde digitale vaardigheden, met name op het gebied van HPC, KI, "distributed ledger"-technologieën (bijv. blockchain) en cyberbeveiliging ten behoeve van de huidige en toekomstige beroepsbevolking door leerlingen, studenten, afgestudeerden en bestaande werknemers de mogelijkheden te geven om die vaardigheden te verwerven en te ontwikkelen, ongeacht waar zij zich bevinden.
Het programma ondersteunt gemakkelijke toegang tot en opleidingsmogelijkheden op het gebied van geavanceerde digitale vaardigheden, met name op het gebied van HPC, KI, "distributed ledger"-technologieën (bijv. blockchain) en cyberbeveiliging ten behoeve van de huidige en toekomstige beroepsbevolking door leerlingen, studenten, pas afgestudeerden of burgers, van welke leeftijd dan ook, die behoefte hebben aan bijscholing, werkzoekenden en bestaande werknemers de mogelijkheden te geven om die vaardigheden te verwerven en te ontwikkelen, ongeacht waar zij zich bevinden.
Amendement 184
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – doelstelling 4 – alinea 2 – punt 1
1.  Toegang tot opleiding op de werkplek door deelname aan stages in kenniscentra en bedrijven die geavanceerde technologieën toepassen.
1.  Toegang tot opleiding op de werkplek en mogelijkheden voor gemengd leren door deelname aan stages in kenniscentra en bedrijven die geavanceerde technologieën toepassen.
Amendement 185
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – doelstelling 4 – alinea 4
Alle acties worden voornamelijk via de digitale-innovatiehubs als vastgesteld in artikel 15 opgezet en uitgevoerd.
Alle acties worden voornamelijk via de digitale-innovatiehubs als vastgesteld in artikel 16 opgezet en uitgevoerd.
Amendement 186
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – doelstelling 5 – deel I – punt 1 – punt 1.2
1.2.  Ondersteunen van de opzet, de uitvoering van proefprojecten, de uitrol, het onderhoud en de bevordering van een samenhangend ecosysteem van grensoverschrijdende digitale-diensteninfrastructuren en naadloze, "end-to-end", beveiligde, interoperabele en meertalige grens- of sectoroverschrijdende oplossingen en gemeenschappelijke kaders binnen de overheid. Daartoe behoren ook methoden voor het beoordelen van de gevolgen en voordelen.
1.2.  Ondersteunen van de opzet, de uitvoering van proefprojecten, de uitrol, het onderhoud, de uitbreiding en de bevordering van een samenhangend ecosysteem van grensoverschrijdende digitale-diensteninfrastructuren en naadloze, "end-to-end", beveiligde, interoperabele en meertalige grens- of sectoroverschrijdende oplossingen en gemeenschappelijke kaders binnen de overheid. Daartoe behoren ook methoden voor het beoordelen van de gevolgen en voordelen.
Amendement 187
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – doelstelling 5 – deel I – punt 2 – punt 2.1
2.1.  Waarborgen dat de EU-burgers over de grenzen heen en ongeacht hun locatie of de locatie van hun persoonlijke gezondheidsgegevens toegang hebben tot deze gegevens en dat zij deze kunnen delen, gebruiken en beheren. De digitale diensteninfrastructuur voor e-gezondheid voltooien en deze uitbreiden met nieuwe digitale diensten, de uitrol van het Europees formaat voor de uitwisseling van gezondheidsgegevens ondersteunen.
2.1.  Waarborgen dat de EU-burgers over de grenzen heen en ongeacht hun locatie of de locatie van hun persoonlijke gezondheidsgegevens, en op een wijze die hun privacy eerbiedigt, toegang hebben tot deze gegevens en dat zij deze kunnen delen, gebruiken en beheren. De digitale diensteninfrastructuur voor e-gezondheid voltooien en deze uitbreiden met nieuwe digitale diensten, de uitrol van het Europees formaat voor de uitwisseling van gezondheidsgegevens ondersteunen.
Amendement 188
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – doelstelling 5 – deel I – punt 5
3.  Rechterlijke macht: Naadloze en beveiligde grensoverschrijdende elektronische communicatie binnen de rechterlijke macht en andere bevoegde instanties op het gebied van civiel recht en strafrecht mogelijk maken. Verbeteren van de toegang tot de rechter en tot juridische informatie en procedures voor de burgers, het bedrijfsleven, beoefenaars van juridische beroepen en leden van de rechterlijke macht met semantisch interoperabele koppelingen met nationale databases en registers alsmede vergemakkelijken van buitengerechtelijke beslechting van geschillen via internet. Bevorderen van de ontwikkeling en toepassing van innovatieve technologieën voor rechtbanken en beoefenaars van juridische beroepen op basis van oplossingen inzake kunstmatige intelligentie die waarschijnlijk procedures stroomlijnen en versnellen (bijvoorbeeld "legal tech"-toepassingen).
3.  Rechterlijke macht: Naadloze en beveiligde grensoverschrijdende elektronische communicatie binnen de rechterlijke macht en andere bevoegde instanties op het gebied van civiel recht en strafrecht mogelijk maken. Verbeteren van de toegang tot de rechter en tot juridische informatie en procedures voor de burgers, het bedrijfsleven, beoefenaars van juridische beroepen en leden van de rechterlijke macht met semantisch interoperabele koppelingen met databases en registers alsmede vergemakkelijken van buitengerechtelijke beslechting van geschillen via internet. Bevorderen van de ontwikkeling en toepassing van innovatieve technologieën voor rechtbanken en beoefenaars van juridische beroepen op basis van oplossingen inzake kunstmatige intelligentie die waarschijnlijk procedures stroomlijnen en versnellen (bijvoorbeeld "legal tech"-toepassingen).
Amendement 189
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – doelstelling 5 – deel I – punt 4
4.  Vervoer, energie en milieu: Uitrollen van gedecentraliseerde oplossingen en infrastructuurvoorzieningen die vereist zijn voor grootschalige digitale toepassingen, zoals slimme steden of slimme plattelandsgebieden, ter ondersteuning van het beleid inzake vervoer, energie en milieu.
4.  Vervoer, energie en milieu: Uitrollen van gedecentraliseerde oplossingen en infrastructuurvoorzieningen die vereist zijn voor grootschalige digitale toepassingen, zoals slimme steden, slimme plattelandsgebieden of ultraperifere gebieden, ter ondersteuning van het beleid inzake vervoer, energie en milieu.
Amendement 190
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – doelstelling 5 – deel II – titel
II Initiële activiteiten met betrekking tot de digitalisering van het bedrijfsleven:
II Initiële activiteiten met betrekking tot de digitalisering van het bedrijfsleven:
Amendement 191
Voorstel voor een verordening
Bijlage 2 – doelstelling 2 - punt 2.2
2.2  Aantal bedrijven en organisaties die KI gebruiken
2.2  Aantal bedrijven en organisaties die in samenwerking met digitale-innovatiehubs KI testen en ermee experimenteren
Amendement 192
Voorstel voor een verordening
Bijlage 2 – doelstelling 2 – punt 2.2 bis (nieuw)
2.2 bis.  Aantal concrete toepassingen van kunstmatige intelligentie die worden ondersteund door het programma en die momenteel in de handel worden gebracht
Amendement 193
Voorstel voor een verordening
Bijlage 2 – doelstelling 4 - punt 4.1
4.1  Aantal opgeleide, werkzame ICT-specialisten
4.1  Aantal opgeleide, werkzame ICT-specialisten in de Unie, per jaar
Amendement 194
Voorstel voor een verordening
Bijlage 2 – doelstelling 4 - punt 4.2
4.2  Aantal bedrijven dat moeilijkheden ondervindt bij het aanwerven van ICT-specialisten
4.2  Aantal bedrijven in de Unie dat moeilijkheden ondervindt bij het aanwerven van ICT-specialisten, per jaar
Amendement 195
Voorstel voor een verordening
Bijlage 2 – doelstelling 4 – punt 4.2 ter (nieuw)
4.2 ter.  Aantal studenten, pas afgestudeerden en werklozen wier situatie erop is vooruitgegaan na een opleiding die in het kader van het programma werd aangeboden
Amendement 196
Voorstel voor een verordening
Bijlage 2 – doelstelling 5 - punt 5.1
5.1  Invoering van digitale overheidsdiensten
5.1  Frequentie van de invoering van digitale overheidsdiensten
Amendement 197
Voorstel voor een verordening
Bijlage 2 – doelstelling 5 - punt 5.2
5.2  Bedrijven met een hoge score inzake digitale intensiteit
5.2  Aantal bedrijven met een hoge score inzake digitale intensiteit
Amendement 198
Voorstel voor een verordening
Bijlage 2 – doelstelling 5 - punt 5.3
5.3  Afstemming van het nationale interoperabiliteitskader op het Europese interoperabiliteitskader
5.3  Mate van afstemming van het nationale interoperabiliteitskader op het Europese interoperabiliteitskader
Amendement 199
Voorstel voor een verordening
Bijlage 3 – punt 3 – letter b bis (nieuw)
b bis)   Het programma Digitaal Europa zal actief synergieën creëren met Horizon Europa wat betreft de duurzaamheid van gegevens die afkomstig zijn van onderzoeksprojecten;
Amendement 200
Voorstel voor een verordening
Bijlage 3 – punt 1 – letter c
c)  In het kader van Digitaal Europa wordt geïnvesteerd in (i) digitale capaciteitsopbouw op het gebeid van high-performance computing, kunstmatige intelligentie, cyberbeveiliging en geavanceerde digitale vaardigheden; en (ii) nationale en regionale uitrol binnen een EU-kader van digitale capaciteiten en de meest recente digitale technologieën op gebieden van algemeen belang (zoals gezondheid, overheden, justitie en onderwijs) of marktfalen (zoals de digitalisering van het bedrijfsleven, en met name van kleine en middelgrote ondernemingen);
c)  In het kader van Digitaal Europa wordt geïnvesteerd in (i) digitale capaciteitsopbouw op het gebied van high-performance computing, kunstmatige intelligentie, cyberbeveiliging en geavanceerde digitale vaardigheden; en (ii) nationale, regionale en lokale uitrol binnen een EU-kader van digitale capaciteiten en de meest recente digitale technologieën op gebieden van algemeen belang (zoals gezondheid, overheden, justitie en onderwijs) of marktfalen (zoals de digitalisering van het bedrijfsleven, en met name van kleine en middelgrote ondernemingen);
Amendement 201
Voorstel voor een verordening
Bijlage 3 – punt 3 – letter c
c)  In het kader van Digitaal Europa wordt geïnvesteerd in (i) digitale capaciteitsopbouw op het gebied van high-performance computing, kunstmatige intelligentie, cyberbeveiliging en geavanceerde digitale vaardigheden; en (ii) nationale en regionale uitrol binnen een EU-kader van digitale capaciteiten en de meest recente digitale technologieën op gebieden van algemeen belang (zoals gezondheid, overheden, justitie en onderwijs) of marktfalen (zoals de digitalisering van het bedrijfsleven, en met name van kleine en middelgrote ondernemingen);
c)  In het kader van Digitaal Europa wordt geïnvesteerd in (i) digitale capaciteitsopbouw op het gebied van high-performance computing, kunstmatige intelligentie, "distributed ledger"-technologie, cyberbeveiliging en geavanceerde digitale vaardigheden; en (ii) nationale en regionale uitrol binnen een EU-kader van digitale capaciteiten en de meest recente digitale technologieën op gebieden van algemeen belang (zoals gezondheid, overheden, justitie en onderwijs) of marktfalen (zoals de digitalisering van het bedrijfsleven, en met name van kleine en middelgrote ondernemingen);

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0408/2018).


Overeenkomst tussen de VS en de EU betreffende samenwerking op het gebied van de regulering van de burgerluchtvaartveiligheid ***
PDF 112kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018 betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Europese Unie, van een wijziging van de Overeenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap betreffende samenwerking op het gebied van de regulering van de burgerluchtvaartveiligheid (07482/2018 – C8-0157/2018 – 2016/0343(NLE))
P8_TA(2018)0522A8-0432/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (07482/2018),

–  gezien ontwerpwijziging 1 van de Overeenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap betreffende samenwerking op het gebied van de regulering van de burgerluchtvaartveiligheid (07236/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 100, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0157/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie vervoer en toerisme (A8‑0432/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika.


Gemeenschappelijk stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten *
PDF 206kWORD 76k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten (COM(2018)0148 – C8-0137/2018 – 2018/0073(CNS))
P8_TA(2018)0523A8-0428/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2018)0148),

–  gezien artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0137/2018),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Deense parlement, de Ierse Houses of the Oireachtas, het Maltese parlement en de Nederlandse volksvertegenwoordiging, waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0428/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  De wereldeconomie is in ijltempo aan het digitaliseren en daardoor zijn nieuwe vormen van zakendoen ontstaan. Kenmerkend voor digitale bedrijven is dat hun activiteiten sterk zijn verbonden met het internet. Digitale bedrijfsmodellen steunen met name sterk op de mogelijkheid om activiteiten op afstand te verrichten zonder of met beperkte fysieke aanwezigheid, op de bijdrage van eindgebruikers aan de waardecreatie en op het belang van immateriële activa.
(1)  De wereldeconomie is in ijltempo aan het digitaliseren en daardoor zijn nieuwe vormen van zakendoen ontstaan. Kenmerkend voor digitale bedrijven is dat hun activiteiten sterk zijn verbonden met het internet. Digitale bedrijfsmodellen steunen met name sterk op de mogelijkheid om activiteiten op afstand te verrichten zonder of met beperkte fysieke of belastbare aanwezigheid in een bepaald land, op de bijdrage van eindgebruikers aan de waardecreatie en op het belang van immateriële activa.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  De huidige vennootschapsbelastingregels zijn voornamelijk geschreven in de 20e eeuw met het oog op traditionele bedrijven. Zij zijn gebaseerd op het idee dat belasting moet worden geheven waar waarde wordt gecreëerd. Door de toepassing van de bestaande regels op de digitale economie is er evenwel een spagaat ontstaan tussen de plaats waar winsten worden belast en de plaats waar waarde wordt gecreëerd, met name bij bedrijfsmodellen die sterk steunen op gebruikersparticipatie. Daardoor is duidelijk geworden dat de huidige vennootschapsbelastingregels voor de belasting van de winst in de digitale economie tekortschieten en herzien moeten worden.
(2)  De huidige vennootschapsbelastingregels zijn voornamelijk geschreven in de 20e eeuw met het oog op traditionele bedrijven. Zij zijn gebaseerd op het idee dat belasting moet worden geheven waar waarde wordt gecreëerd. Door de toepassing van de bestaande regels op de digitale economie is er evenwel een spagaat ontstaan tussen de plaats waar winsten worden belast en de plaats waar waarde wordt gecreëerd, met name bij bedrijfsmodellen die sterk steunen op gebruikersparticipatie. De digitalisering heeft de rol van gebruikers veranderd en hen in staat gesteld steeds meer te worden betrokken bij het proces van waardecreatie. Daardoor is duidelijk geworden dat de huidige vennootschapsbelastingregels voor de belasting van de winst in de digitale economie geen rekening houden met deze nieuwe factor en dringend herzien moeten worden.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)   De doelstelling bestaat erin de kloof tussen de belasting van digitale inkomsten en traditionele inkomsten te dichten. Momenteel bedraagt het effectieve belastingtarief voor digitale bedrijven gemiddeld slechts 9,5 %, ten opzichte van 23,2 % voor traditionele bedrijfsmodellen1 bis. Belastingstelsels moeten eerlijk zijn en de samenleving in haar geheel ten goede komen. Er moet sprake zijn van een gelijk speelveld voor alle bedrijven die werkzaam zijn op de eengemaakte markt.
_________________
1 bis Bron: Computations from the Impact Assessment of the European Commission, gebaseerd op ZEW (2016, 2017) en ZEW et al.(2017).
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Deze herziening speelt een belangrijke rol in de digitale eengemaakte markt3, omdat die markt een modern en stabiel fiscaal kader voor de digitale economie vereist dat innovatie stimuleert, de versnippering van de markt aanpakt en alle spelers in staat stelt onder eerlijke en evenwichtige voorwaarden gebruik te maken van de nieuwe marktdynamiek.
(3)  Deze herziening speelt een belangrijke rol in de digitale eengemaakte markt3, omdat die markt een billijk, modern en stabiel fiscaal kader voor de gedigitaliseerde economie vereist dat innovatie en inclusieve groei stimuleert, de versnippering van de markt aanpakt en alle spelers in staat stelt onder eerlijke en evenwichtige voorwaarden gebruik te maken van de nieuwe marktdynamiek. Digitalisering beïnvloedt de hele economie, wat verder gaat dan het instellen van een digitaledienstenbelasting; de belastingregels moeten daarom worden herzien. De ad-hocmaatregelen die zijn opgenomen in deze richtlijn mogen de werkzaamheden met betrekking tot de belasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid en met betrekking tot de opname van een dergelijke belasting in een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting niet vertragen.
__________________
__________________
3 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa (COM(2015)0192 van 6.5.2015).
3 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa (COM(2015)0192 van 6.5.2015).
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Aangezien de belastingheffing van de digitale economie een probleem met een mondiaal karakter is, zou een multilaterale, internationale oplossing de ideale aanpak zijn. De Commissie is om die reden zeer sterk betrokken bij het internationale debat. De OESO-werkzaamheden zijn momenteel aan de gang. Het is evenwel moeilijk om op internationaal niveau vooruitgang te boeken. Daarom wordt met dit optreden beoogd de vennootschapsbelastingregels op het niveau van de Unie bij te werken6 en de aanzet te geven tot afspraken met niet-Unierechtsgebieden7, zodat het vennootschapsbelastingstelsel in de pas kan worden gebracht met de nieuwe digitale bedrijfsmodellen.
(5)  Aangezien de belastingheffing van de digitale economie een probleem met een mondiaal karakter is, zou een multilaterale, internationale oplossing de ideale aanpak zijn. De Commissie is om die reden zeer sterk betrokken bij het internationale debat. De werkzaamheden bij de OESO, het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Verenigde Naties (VN) en de Wereldbankgroep (WBG), die het platform bieden voor samenwerking op belastinggebied, zijn momenteel aan de gang. Het is evenwel moeilijk om op internationaal niveau vooruitgang te boeken. Daarom wordt met dit optreden beoogd de vennootschapsbelastingregels op het niveau van de Unie bij te werken6 en de aanzet te geven tot afspraken met niet-Unierechtsgebieden7, zodat het vennootschapsbelastingstelsel in de pas kan worden gebracht met de nieuwe digitale bedrijfsmodellen. Er moet worden gezorgd voor coherentie met het kader van de OESO inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS), zodat niet wordt afgeweken van internationale normen en meervoudige complexiteit wordt voorkomen.
__________________
__________________
6 Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (COM(2018)0147).
6 Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (COM(2018)0147).
7 Aanbeveling van de Commissie betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (C(2018)1650).
7 Aanbeveling van de Commissie betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (C(2018)1650).
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  In afwachting van dit optreden, waarvan de goedkeuring en implementatie tijd kan vergen, staan de lidstaten onder druk om in dit verband actie te ondernemen, omdat het risico bestaat dat de grondslag van hun vennootschapsbelasting na verloop van tijd sterk wordt uitgehold. Ongecoördineerde maatregelen van individuele lidstaten houden het risico in dat de eengemaakte markt versnippert en de concurrentie wordt verstoord, en zo ook de ontwikkeling van nieuwe digitale oplossingen en het concurrentievermogen van de Unie als geheel wordt belemmerd. Daarom moet er een geharmoniseerde aanpak komen die voorziet in een tijdelijke oplossing waarmee het probleem doelgericht wordt aangepakt totdat een alomvattende oplossing voorhanden is.
(6)  In afwachting van dit optreden, waarvan de goedkeuring en implementatie tijd kan vergen, staan de lidstaten onder druk om in dit verband actie te ondernemen, omdat het risico bestaat dat de grondslag van hun vennootschapsbelasting na verloop van tijd sterk wordt uitgehold. Ongecoördineerde maatregelen van individuele lidstaten houden het risico in dat de eengemaakte markt versnippert en de concurrentie wordt verstoord, en zo ook de ontwikkeling van nieuwe digitale oplossingen en het concurrentievermogen van de Unie als geheel wordt belemmerd. Daarom moet er een geharmoniseerde aanpak komen die voorziet in een tijdelijke oplossing waarmee het probleem doelgericht wordt aangepakt totdat een alomvattende oplossing voorhanden is. De tijdelijke oplossing moet beperkt worden in tijd, teneinde te voorkomen dat deze ongewild permanent wordt. Derhalve wordt een vervalbepaling ingevoerd die ertoe leidt dat deze richtlijn automatisch niet meer van toepassing is wanneer een permanente en alomvattende oplossing is gevonden, bij voorkeur op internationaal niveau. Indien op 31 december 2020 geen alomvattende oplossing is overeengekomen, moet de Europese Commissie overwegen een nieuw voorstel te doen op basis van artikel 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, ten aanzien waarvan het Europees Parlement en de Raad optreden volgens de gewone wetgevingsprocedure. Dit is essentieel om onverwijld een overeenkomst te bereiken en te voorkomen dat dubbele unilaterale nationale digitale belastingen worden geheven door de lidstaten.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  Met deze tijdelijke oplossing moet een gemeenschappelijk stelsel van een digitaledienstenbelasting ("DDB") op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten door bepaalde entiteiten worden opgezet. Zij moet gemakkelijk uitvoerbaar zijn en gericht zijn op de inkomsten uit de levering van digitale diensten waarbij gebruikers een aanmerkelijke bijdrage leveren aan het proces van waardecreatie. Deze factor (waardecreatie door de gebruiker) is ook de hoeksteen van de maatregelen met betrekking tot de vennootschapsbelastingregels, zoals beschreven in overweging 5.
(7)  Met deze tijdelijke oplossing moet een gemeenschappelijk stelsel van een digitaledienstenbelasting ("DDB") op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten, inclusief online-inhoud, door bepaalde entiteiten worden opgezet. Zij moet gemakkelijk uitvoerbaar zijn en gericht zijn op de inkomsten uit de levering van digitale diensten waarbij gebruikers en immateriële activa een aanmerkelijke bijdrage leveren aan het proces van waardecreatie. Deze factoren (waardecreatie door de gebruiker en het intensieve gebruik van immateriële activa) zijn ook de hoeksteen van de maatregelen met betrekking tot de vennootschapsbelastingregels, zoals beschreven in overweging 5.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  De DDB moet uitsluitend toepassing vinden op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten. Het betreft de digitale diensten die sterk steunen op waardecreatie door de gebruiker, waarbij de kloof tussen de plaats waar de winsten worden belast en de plaats waar de gebruikers zijn gevestigd, in de regel het grootst is. Wat belast moet worden, zijn de inkomsten die worden verworven met de verwerking van de input van de gebruiker, en niet de gebruikersparticipatie als zodanig.
(9)  De DDB moet toepassing vinden op inkomsten uit de levering van digitale diensten die sterk steunen op waardecreatie door de gebruiker en op het vermogen om diensten te leveren zonder of met een zeer beperkte fysieke aanwezigheid. In deze gevallen is de kloof tussen de plaats waar de winsten worden belast en de plaats waar de gebruikers zijn gevestigd, in de regel het grootst.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  De inkomsten die met name moeten worden belast, zijn de inkomsten uit de levering van de volgende diensten: i) het plaatsen van advertenties op een digitale interface, gericht op de gebruikers van die interface; ii) het ter beschikking stellen van veelzijdige digitale interfaces die gebruikers in staat stellen andere gebruikers te vinden en in interactie met hen te treden, en die ook de verrichting van onderliggende leveringen van goederen of diensten rechtstreeks tussen gebruikers kunnen faciliteren (soms "bemiddelingsdiensten" genoemd); en iii) de doorgifte van over gebruikers verzamelde data die zijn gegenereerd uit de activiteiten van die gebruikers op digitale interfaces. Als de levering van dergelijke diensten geen inkomsten oplevert, ontstaat er geen DDB-plicht. Andere inkomsten die worden verworven door de entiteit die dergelijke diensten verleent maar niet rechtstreeks uit die diensten voortvloeien, moeten ook buiten het toepassingsgebied van de belasting vallen.
(10)  De inkomsten die met name moeten worden belast, zijn de inkomsten uit de levering van de volgende diensten: i) het plaatsen van advertenties op een digitale interface, gericht op de gebruikers van die interface; ii) het ter beschikking stellen van veelzijdige digitale interfaces die gebruikers in staat stellen andere gebruikers te vinden en in interactie met hen te treden, en die ook de verrichting van onderliggende leveringen van goederen of diensten rechtstreeks tussen gebruikers kunnen faciliteren (soms "bemiddelingsdiensten" genoemd); iii)de verwerking, de doorgifte en de verkoop van over gebruikers verzamelde data die zijn gegenereerd uit de activiteiten van die gebruikers op digitale interfaces; en iv) de levering van digitale inhoud, zoals video, audio, games of teksten; Als de levering van dergelijke content, goederen en diensten geen inkomsten oplevert, ontstaat er geen DDB-plicht. Andere inkomsten die worden verworven door de entiteit die dergelijke diensten verleent maar niet rechtstreeks uit die diensten voortvloeien, moeten ook buiten het toepassingsgebied van de belasting vallen.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  In het geval van veelzijdige digitale interfaces die een onderliggende levering van goederen of diensten rechtstreeks tussen gebruikers van de interface faciliteren, moeten de onderliggende transacties en de inkomsten die gebruikers met die transacties verwerven, buiten het toepassingsgebied van de belasting blijven. De inkomsten uit retailactiviteiten bestaande in de verkoop van goederen of diensten waarbij de overeenkomst online wordt aangegaan via de website van de leverancier van die goederen of diensten, en waarbij die leverancier niet optreedt als een intermediair, moeten ook buiten het toepassingsgebied van de DDB vallen omdat de waardecreatie voor de retailer in de geleverde goederen of diensten zit en de digitale interface alleen wordt gebruikt als een communicatiemiddel. Of een leverancier goederen of diensten online voor eigen rekening verkoopt dan wel bemiddelingsdiensten verleent, moet worden bepaald aan de hand van de juridische en economische realiteit van een transactie, zoals die tot uiting komt in de afspraken tussen de betrokken partijen. Een leverancier van een digitale interface bijvoorbeeld waar goederen van derden ter beschikking worden gesteld, kan worden geacht een bemiddelingsdienst te verlenen (met andere woorden het ter beschikking stellen van een veelzijdige digitale interface) wanneer geen grote voorraadrisico's worden gedragen of wanneer de prijs van de goederen wordt vastgesteld door de derde partij.
(13)  In het geval van veelzijdige digitale interfaces die een onderliggende levering van goederen of diensten rechtstreeks tussen gebruikers van de interface faciliteren, moeten de onderliggende transacties en de inkomsten die gebruikers met die transacties verwerven, buiten het toepassingsgebied van de belasting blijven. De inkomsten uit retailactiviteiten bestaande in de verkoop van goederen of diensten waarbij de overeenkomst online wordt aangegaan via de website van de leverancier van die goederen of diensten, en waarbij die leverancier niet optreedt als een intermediair, moeten ook buiten het toepassingsgebied van de DDB vallen. Omdat het evenwel mogelijk is gebruikersgegevens via een digitale interface te verwerken en aldus met de transactie een grotere waardecreatie te realiseren, en omdat het ontbreken van een fysieke aanwezigheid agressieve belastingplanning mogelijk kan maken, moet bij de herziening van deze richtlijn worden overwogen het toepassingsgebied van deze diensten uit te breiden.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  Diensten bestaande in de levering van digitale content door een entiteit via een digitale interface moeten van het toepassingsgebied van de belasting worden uitgesloten, ongeacht of de entiteit de eigenaar van de digitale content is dan wel de distributierechten ervan heeft verworven. Ook als er een zekere vorm van interactie tussen de ontvangers van dergelijke digitale content mogelijk zou zijn en de leverancier van dergelijke diensten dus zou kunnen worden geacht een veelzijdige digitale interface ter beschikking te stellen, is het minder duidelijk dat de gebruiker een centrale rol speelt bij de creatie van waarde voor het bedrijf dat de digitale content levert. In plaats daarvan ligt de nadruk, wat waardecreatie betreft, op de digitale content zelf die door de entiteit wordt geleverd. Daarom moeten de inkomsten uit dergelijke leveringen buiten het toepassingsgebied van de belasting vallen.
(14)  Diensten bestaande in de levering van digitale content door een entiteit via een digitale interface moeten onder het toepassingsgebied van de belasting worden opgenomen, ongeacht of de entiteit de eigenaar van de digitale content is dan wel de distributierechten ervan heeft verworven. De inkomsten uit dergelijke leveringen moeten binnen [twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] door de Commissie worden geëvalueerd
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  Onder digitale content moet worden verstaan data die in digitale vorm wordt geleverd, zoals computerprogramma's, toepassingen, spellen, muziek, video's of teksten, ongeacht of de toegang tot deze data wordt verkregen via downloaden of streaming, met uitzondering van de tot de digitale interface zelf behorende data. Hiermee worden de verschillende vormen bestreken die digitale content kan aannemen wanneer hij door een gebruiker wordt verworven, hetgeen niet afdoet aan het feit dat het enige of belangrijkste doel van de gebruiker erin bestaat de digitale content te verwerven.
(15)  Onder digitale content moet worden verstaan data die in digitale vorm wordt geleverd, zoals computerprogramma's, toepassingen, spellen, muziek, video's of teksten, ongeacht of de toegang tot deze data wordt verkregen via downloaden of streaming, met uitzondering van de tot de digitale interface zelf behorende data.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)   Digitale bedrijven investeren vaak minder in gebouwen en machines dan traditionele bedrijven.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)   Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de in overweging 14 beschreven dienst en het ter beschikking stellen van een veelzijdige digitale interface waarlangs gebruikers digitale content kunnen uploaden en delen met andere gebruikers, of het ter beschikking stellen van een interface die een onderliggende levering van digitale content rechtstreeks tussen gebruikers faciliteert. Laatstgenoemde diensten vormen een bemiddelingsdienst en moeten dus onder de DDB vallen, ongeacht de aard van de onderliggende transactie.
Schrappen
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  Belastbare diensten bestaande in de doorgifte van over gebruikers verzamelde data mogen uitsluitend betrekking hebben op data die zijn gegenereerd op basis van de activiteiten van die gebruikers op digitale interfaces, en niet op data die op basis van sensoren of andere middelen zijn gegenereerd en digitaal zijn verzameld. Onder het toepassingsgebied van de DDB moeten immers de diensten vallen die gebruikmaken van digitale interfaces als een middel om gebruikersinput te creëren die dan te gelde wordt gemaakt, in tegenstelling tot diensten die alleen gebruikmaken van interfaces als een middel om anderszins gegenereerde data door te geven. De DDB mag dus geen belasting zijn op het verzamelen van data, of het gebruik van door een bedrijf verzamelde data voor de interne doeleinden van het bedrijf zelf, of het delen van door een bedrijf verzamelde data met derden zonder tegenprestatie. De DDB moet gericht zijn op de inkomsten die worden verworven uit de doorgifte van data die zijn verzameld over een zeer specifieke activiteit (de activiteiten van gebruikers op digitale interfaces).
(17)  Belastbare diensten bestaande in de verwerking, de doorgifte of de verkoop van over gebruikers verzamelde data moeten betrekking hebben op data die zijn gegenereerd op basis van de activiteiten van die gebruikers op digitale interfaces. Deze belastbare diensten moeten de diensten zijn die gebruikmaken van digitale interfaces als een middel om gebruikersinput te creëren die dan te gelde wordt gemaakt. De DDB is geen belasting op het verzamelen van data als zodanig. De DDB moet gericht zijn op de inkomsten die worden verworven uit de verwerking, de verkoop of de doorgifte aan een derde partij van deze data die zijn verzameld over een zeer specifieke activiteit (de activiteiten van gebruikers op digitale interfaces).
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 22
(22)  Alleen bepaalde entiteiten mogen kwalificeren als belastingplichtigen voor de toepassing van de DDB, ongeacht of zij in een lidstaat dan wel in een niet-Unierechtsgebied gevestigd zijn. Een entiteit mag met name alleen als belastingplichtige kwalificeren als zij aan de twee onderstaande voorwaarden voldoet: i) het totale bedrag aan wereldwijde inkomsten dat door de entiteit is gerapporteerd voor het laatste volledige boekjaar waarvoor er een jaarrekening beschikbaar is, is hoger dan 750 000 000 EUR; en ii) het totale bedrag aan belastbare inkomsten dat door de entiteit in de Unie in de loop van dat boekjaar is verworven, is hoger dan 50 000 000 EUR.
(22)  Alleen bepaalde entiteiten mogen kwalificeren als belastingplichtigen voor de toepassing van de DDB, ongeacht of zij in een lidstaat dan wel in een niet-Unierechtsgebied gevestigd zijn. Een entiteit mag met name alleen als belastingplichtige kwalificeren als zij aan de twee onderstaande voorwaarden voldoet: i) het totale bedrag aan wereldwijde inkomsten dat door de entiteit is gerapporteerd voor het laatste volledige boekjaar waarvoor er een jaarrekening beschikbaar is, is hoger dan 750 000 000 EUR; en ii) het totale bedrag aan belastbare inkomsten dat door de entiteit in de Unie in de loop van dat boekjaar is verworven, is hoger dan 40 000 000 EUR.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23
(23)  De eerste drempel (totale jaarlijkse wereldwijde inkomsten) moet de toepassing van de DDB beperken tot bedrijven van een bepaalde omvang, zijnde voornamelijk de bedrijven die de digitale diensten kunnen verlenen waarin gebruikersbijdragen een wezenlijke rol vervullen, en die sterk steunen op omvangrijke gebruikersnetwerken, druk gebruikersverkeer en de exploitatie van een sterke marktpositie. Dergelijke bedrijfsmodellen, die afhankelijk zijn van waardecreatie door de gebruiker om inkomsten te verwerven en slechts levensvatbaar zijn als ze worden toegepast door bedrijven van een bepaalde omvang, zijn de modellen die verantwoordelijk zijn voor de grotere kloof tussen de plaats waar hun winsten worden belast en de plaats waar waarde wordt gecreëerd. Bovendien is agressieve fiscale planning ook een praktijk die meer binnen de mogelijkheden van grotere bedrijven ligt. Om die reden is dezelfde drempel voorgesteld in andere initiatieven van de Unie9. De drempel moet ook voor rechtszekerheid zorgen, omdat het voor bedrijven en belastingautoriteiten eenvoudiger en goedkoper zou worden om te bepalen of een entiteit DDB-plichtig is. Tevens sluit hij kleine ondernemingen en starters van het toepassingsgebied van de belasting uit omdat de nalevingslasten naar alle waarschijnlijkheid een onevenredig effect op hen zouden hebben.
(23)  De eerste drempel (totale jaarlijkse wereldwijde inkomsten) moet de toepassing van de DDB beperken tot bedrijven van een bepaalde omvang, zijnde voornamelijk de bedrijven die de digitale diensten kunnen verlenen die sterk afhankelijk zijn van mobiele immateriële en/of digitale activa waarin gebruikersbijdragen een wezenlijke rol vervullen, en die sterk steunen op omvangrijke gebruikersnetwerken, druk gebruikersverkeer en de exploitatie van een sterke marktpositie. Dergelijke bedrijfsmodellen, die afhankelijk zijn van waardecreatie door de gebruiker om inkomsten te verwerven en slechts levensvatbaar zijn als ze worden toegepast door bedrijven van een bepaalde omvang, zijn de modellen die verantwoordelijk zijn voor de grotere kloof tussen de plaats waar hun winsten worden belast en de plaats waar waarde wordt gecreëerd. Bovendien is agressieve fiscale planning ook een praktijk die meer binnen de mogelijkheden van grotere bedrijven ligt. De drempel moet ook voor rechtszekerheid zorgen, omdat het voor bedrijven en belastingautoriteiten eenvoudiger en goedkoper zou worden om te bepalen of een entiteit DDB-plichtig is. Tevens sluit hij kleine ondernemingen en starters van het toepassingsgebied van de belasting uit omdat de nalevingslasten naar alle waarschijnlijkheid een onevenredig effect op hen zouden hebben.
__________________
9 Zie artikel 2 van het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) (COM(2016)0683).
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 27
(27)  Om mogelijke gevallen van dubbele belasting te verzachten wanneer dezelfde inkomsten zowel aan de vennootschapsbelasting als aan de DDB onderworpen zijn, wordt verwacht dat de lidstaten bedrijven zullen toestaan de DDB als kosten af te trekken van de vennootschapsbelastinggrondslag op hun grondgebied, ongeacht of beide belastingen in dezelfde lidstaat of in verschillende lidstaten worden betaald.
(27)  Om mogelijke gevallen van dubbele belasting te verzachten wanneer dezelfde inkomsten zowel aan de vennootschapsbelasting als aan de DDB onderworpen zijn, moet een toekomstige Uniebrede gemeenschappelijke oplossing worden gebaseerd op de mogelijkheid voor bedrijven om de DDB als kosten af te trekken van de vennootschapsbelastinggrondslag op hun grondgebied, ongeacht of beide belastingen in dezelfde lidstaat of in verschillende lidstaten worden betaald.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 29
(29)  Wanneer de gebruikers met betrekking tot een bepaalde belastbare dienst zich in verschillende lidstaten of niet-Unierechtsgebieden bevinden, moeten de desbetreffende belastbare inkomsten uit die dienst naar evenredigheid aan elke lidstaat worden toegerekend op basis van bepaalde specifieke verdeelsleutels. Deze sleutels moeten worden vastgesteld rekening houdende met de aard van elke belastbare dienst en met name de onderscheidende elementen die aanleiding geven tot inkomsten voor de dienstverlener.
(29)  Wanneer de gebruikers met betrekking tot een bepaalde belastbare dienst zich in verschillende lidstaten of niet-Unierechtsgebieden bevinden, moeten de desbetreffende belastbare inkomsten uit die dienst naar evenredigheid aan elke lidstaat worden toegerekend op basis van bepaalde specifieke verdeelsleutels. Deze sleutels moeten worden vastgesteld rekening houdende met de aard van elke belastbare dienst en met name de onderscheidende elementen die aanleiding geven tot inkomsten voor de dienstverlener. Wanneer de verdeelsleutel leidt tot een onevenwichtige verdeling waarin de werkelijke economische activiteit niet tot uitdrukking komt, kan een geschillenbeslechtingsmechanisme worden gebruikt om een dergelijke situatie op te lossen. In het licht van het bovenstaande moet de Commissie de mogelijke instelling van een geschillenbeslechtingsmechanisme beoordelen om ervoor te zorgen dat geschillen naar behoren worden beslecht wanneer hierbij verschillende lidstaten betrokken zijn.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 30
(30)  In het geval van een belastbare dienst bestaande in de plaatsing van advertenties op een digitale interface moet worden aangeknoopt bij het aantal keren dat een advertentie is verschenen op apparaten of toestellen van gebruikers in een belastingtijdvak in een lidstaat, om te bepalen welk aandeel van de belastbare inkomsten in dat belastingtijdvak aan die lidstaat moet worden toegerekend.
(30)  In het geval van een belastbare dienst bestaande in de plaatsing van advertenties of het leveren van inhoud op een digitale interface moet worden aangeknoopt bij het aantal keren dat een advertentie of digitale inhoud is verschenen op apparaten of toestellen van gebruikers in een belastingtijdvak in een lidstaat, om te bepalen welk aandeel van de belastbare inkomsten in dat belastingtijdvak aan die lidstaat moet worden toegerekend.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 32
(32)  Wat de doorgifte van over gebruikers verzamelde data betreft, moet bij de toerekening van belastbare winsten in een belastingtijdvak aan een lidstaat rekening worden gehouden met het aantal gebruikers van wie in dat belastingtijdvak doorgegeven data zijn gegenereerd doordat zij een apparaat of toestel in die lidstaat hebben gebruikt.
(32)  Wat de verwerking, de verkoop of de doorgifte van over gebruikers verzamelde data betreft, moet bij de toerekening van belastbare winsten in een belastingtijdvak aan een lidstaat rekening worden gehouden met het aantal gebruikers van wie in dat belastingtijdvak gebruikte, verkochte of doorgegeven data zijn gegenereerd doordat zij een apparaat of toestel in die lidstaat hebben gebruikt.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 34
(34)  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de DDB, inclusief gegevens die vereist kunnen zijn in verband met internetprotocoladressen (IP-adressen) of andere plaatsbepalingsmethoden, dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad10. Er moet met name aandacht worden gegeven aan passende technische en organisatorische maatregelen om te voldoen aan de regels betreffende de rechtmatigheid en de beveiliging van de verwerking alsook betreffende de informatieverstrekking aan en de rechten van de betrokkenen. In de mate van het mogelijke moeten persoonsgegevens anoniem worden gemaakt.
(34)  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de DDB, inclusief gegevens die vereist kunnen zijn in verband met internetprotocoladressen (IP-adressen) of andere plaatsbepalingsmethoden, dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad10, zonder dat de identificatie van gebruikers wordt toegestaan. De belastingautoriteiten van de lidstaten worden geïnformeerd over de methode die wordt gebruikt om de locatie van gebruikers te bepalen. Er moet met name aandacht worden gegeven aan passende technische en organisatorische maatregelen om te voldoen aan de regels betreffende de rechtmatigheid en de beveiliging van de verwerking, en met name aan de beginselen van de noodzakelijkheid en evenredigheid, alsook betreffende de informatieverstrekking aan en de rechten van de betrokkenen. In de mate van het mogelijke moeten persoonsgegevens anoniem worden gemaakt.
_________________
_________________
10 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
10 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 35
(35)  De belastbare inkomsten moeten gelijk zijn aan het totale bedrag van de door een belastingplichtige verworven bruto-inkomsten, exclusief belasting over de toegevoegde waarde en andere soortgelijke belastingen. Belastbare inkomsten moeten worden opgevoerd als door een belastingplichtige verworven inkomsten op het tijdstip dat zij verschuldigd worden, ongeacht of zij op dat ogenblik al dan niet betaald zijn. De DDB moet in een lidstaat verschuldigd worden over het aandeel in de door een belastingplichtige in een belastingtijdvak verworven belastbare inkomsten die als in die lidstaat verworven inkomsten worden aangemerkt, en moet worden berekend bij toepassing van het DDB-tarief op dat aandeel. Om verstoringen op de eengemaakte te vermijden, moet er één DDB-tarief op Unieniveau worden vastgesteld. Het DDB-tarief moet worden vastgesteld op 3 %, dat een passend evenwicht biedt tussen enerzijds het genereren van inkomsten door de belasting en anderzijds de differentiële impact van de DDB op bedrijven met verschillende winstmarges.
(35)  De belastbare inkomsten moeten gelijk zijn aan het totale bedrag van de door een belastingplichtige verworven bruto-inkomsten, exclusief belasting over de toegevoegde waarde en andere soortgelijke belastingen. Belastbare inkomsten moeten worden opgevoerd als door een belastingplichtige verworven inkomsten op het tijdstip dat zij verschuldigd worden, ongeacht of zij op dat ogenblik al dan niet betaald zijn. De DDB moet in een lidstaat verschuldigd worden over het aandeel in de door een belastingplichtige in een belastingtijdvak verworven belastbare inkomsten die als in die lidstaat verworven inkomsten worden aangemerkt, en moet worden berekend bij toepassing van het DDB-tarief op dat aandeel. Om verstoringen op de eengemaakte te vermijden, moet er één DDB-tarief op Unieniveau worden vastgesteld. Het DDB-tarief van 3 % moet een passend evenwicht bewerkstelligen tussen enerzijds het genereren van inkomsten door de belasting en anderzijds de differentiële impact van de DDB op bedrijven met verschillende winstmarges.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 37
(37)  De lidstaten moeten verplichtingen kunnen vaststellen op het gebied van boekhouding en administratievoering of op andere gebieden, die ervoor moeten zorgen dat de verschuldigde DDB ook werkelijk wordt betaald, alsmede andere maatregelen ter voorkoming van belastingontduiking, -ontwijking en -misbruik.
(37)  De lidstaten moeten verplichtingen kunnen vaststellen op het gebied van boekhouding en administratievoering of op andere gebieden, die ervoor moeten zorgen dat de verschuldigde DDB ook werkelijk wordt betaald, alsmede andere maatregelen, met inbegrip van boetes en sancties, ter voorkoming van belastingontduiking, -ontwijking en -misbruik.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 37 bis (nieuw)
(37 bis)   De DDB die een belastingplichtige per lidstaat betaalt, moet deel uitmaken van het stelsel om per land aangifte te doen.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 38 bis (nieuw)
(38 bis)  Indien een belastingplichtige in meer dan één lidstaat voor de DDB wordt aangeslagen, moet de Commissie de DDB-aangifte in de lidstaat van identificatie om de drie jaar aan een controle onderwerpen.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 40 bis (nieuw)
(40 bis)  DDB is een tijdelijke maatregel in afwachting van een permanente oplossing, en mag in geen geval de inwerkingtreding van een permanente oplossing vertragen. Deze richtlijn moet komen te vervallen met de vaststelling van de richtlijn van de Raad houdende regels voor de vennootschapsbelasting in verband met een aanmerkelijke digitale aanwezigheid, of de richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, met inbegrip van de digitale vaste inrichting, als voorgesteld in de wetgevingsresoluties van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting en het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, of een richtlijn tot uitvoering van een politieke overeenkomst die binnen een internationaal forum is bereikt, zoals de OESO of de VN.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 40 ter (nieuw)
(40 ter)   De lidstaten moeten regelmatig verslag uitbrengen aan de Commissie over de betaling van de DDB door entiteiten, de werking van het éénloketsysteem en de samenwerking met andere lidstaten op het vlak van belastingheffing en -betaling.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 40 quater (nieuw)
(40 quater)   Twee jaar na ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] moet de Commissie de toepassing van deze richtlijn aan een beoordeling onderwerpen en aan het Europees Parlement en de Raad een verslag doen toekomen met, in voorkomend geval, voorstellen voor de herziening ervan, in overeenstemming met de beginselen van billijke belastingheffing van de digitale sector.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 41
(41)  De doelstellingen van deze richtlijn bestaan erin de integriteit van de eengemaakte markt te beschermen, de goede werking ervan te garanderen en verstoring van de concurrentie te voorkomen. Daar deze doelstellingen van dien aard zijn dat zij niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,
(41)  De doelstellingen van deze richtlijn bestaan erin de integriteit van de eengemaakte markt te beschermen, de eerlijke en goede werking ervan te garanderen en verstoring van de concurrentie te voorkomen. Daar deze doelstellingen van dien aard zijn dat zij niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7 bis (nieuw)
(7 bis)  "verwerking van gegevens": een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 – letter c
(c)  de doorgifte van over gebruikers verzamelde data die zijn gegenereerd uit de activiteiten van gebruikers op digitale interfaces.
(c)  de verwerking en doorgifte van over gebruikers verzamelde data die zijn gegenereerd uit de activiteiten van gebruikers op digitale interfaces.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  het aan gebruikers op een digitale interface ter beschikking stellen van content, zoals video, audio, games of tekst, met gebruikmaking van een digitale interface;
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 4 – letter a
(a)  het ter beschikking stellen van een digitale interface wanneer de entiteit die de interface ter beschikking stelt, daarmee als enige of belangrijkste doel heeft digitale content te leveren aan gebruikers of communicatiediensten te verlenen voor gebruikers of betaaldiensten te verlenen aan gebruikers;
(a)  het ter beschikking stellen van een digitale interface wanneer de entiteit die de interface ter beschikking stelt, daarmee als enige of belangrijkste doel heeft communicatiediensten te verlenen voor gebruikers of betaaldiensten te verlenen aan gebruikers, mits geen verdere inkomsten worden gegenereerd middels de verwerking, de doorgifte of de verkoop van gegevens van gebruikers;
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 – letter b
(b)  het totale bedrag aan belastbare inkomsten dat door de entiteit in de Unie in de loop van het relevante boekjaar is verworven, is hoger dan 50 000 000 EUR.
(b)  het totale bedrag aan belastbare inkomsten dat door de entiteit in de Unie in de loop van het relevante boekjaar is verworven, is hoger dan 40 000 000 EUR.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  in het geval van een onder artikel 3, lid 1, onder c bis), vallende dienst, de digitale content in kwestie op het toestel of apparaat van de gebruiker verschijnt op een tijdstip dat dit toestel of apparaat in dat belastingtijdvak in die lidstaat wordt gebruikt om toegang te krijgen tot een digitale interface;
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 6
6.  De data die met het oog op de toepassing van deze richtlijn van gebruikers kunnen worden verzameld, zijn beperkt tot data die uitsluitsel geven over de lidstaat waar de gebruiker zich bevindt zonder dat zijn identiteit kan worden bepaald.
6.  De data die met het oog op de toepassing van deze richtlijn van gebruikers kunnen worden verzameld, zijn beperkt tot data die uitsluitsel geven over de lidstaat waar de gebruiker zich bevindt zonder dat zijn identiteit kan worden bepaald. De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de DDB, inclusief gegevens die vereist kunnen zijn in verband met internetprotocoladressen (IP-adressen) of andere plaatsbepalingsmethoden, dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EU) 2016/679.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   De Commissie analyseert of de instelling van een geschillenbeslechtingsmechanisme de doeltreffendheid en doelmatigheid van de beslechting van geschillen tussen lidstaten verder zou verbeteren. De Commissie dient hierover een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, indien passend vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – alinea 1
Het DDB-tarief bedraagt 3 %.
Het DDB-tarief wordt vastgesteld op 3 %.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)
Indien letter b) van dit lid van toepassing is, onderwerpt de Commissie de DDB-aangifte in de lidstaat van identificatie om de drie jaar aan een controle.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2
2.  Indien de belastingplichtige evenwel niet langer DDB-plichtig is in die overeenkomstig artikel 10, lid 3, onder b), gekozen lidstaat van identificatie, wijzigt hij zijn lidstaat van identificatie in overeenstemming met de vereisten van artikel 10.
2.  Indien de belastingplichtige evenwel niet langer DDB-plichtig is in die overeenkomstig artikel 10, lid 3, onder b), gekozen lidstaat van identificatie, wijzigt hij zijn lidstaat van identificatie in overeenstemming met de vereisten van artikel 10, onverminderd lid 2 bis.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Indien de belastingplichtige niet langer DDB-plichtig is in de overeenkomstig artikel 10, lid 3, onder b), gekozen de lidstaat van identificatie, kan de belastingplichtige ervoor kiezen de in eerste instantie gekozen lidstaat van identificatie te behouden, aangezien de belastingplichtige in het volgende belastingtijdvak weer DDB-plichtig kan zijn in die lidstaat. Indien de belastingplichtige langer dan twee opeenvolgende belastingtijdvakken niet DDB-plichtig is in die lidstaat, wijzigt hij zijn lidstaat van identificatie in overeenstemming met de vereisten van artikel 10.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 – lid 2
2.  De in lid 1 bedoelde wijzigingen worden langs elektronische weg ingediend bij de lidstaat van identificatie gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de oorspronkelijke aangifte moest worden ingediend. Voor wijzigingen na die periode gelden de regels en procedures die van toepassing zijn in elke lidstaat waar DDB verschuldigd is.
2.  De in lid 1 bedoelde wijzigingen worden langs elektronische weg ingediend bij de lidstaat van identificatie gedurende een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop de oorspronkelijke aangifte moest worden ingediend. Voor wijzigingen na die periode gelden de regels en procedures die van toepassing zijn in elke lidstaat waar DDB verschuldigd is.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 3
3.  De lidstaten kunnen maatregelen aannemen om belastingontduiking, -ontwijking en -misbruik met betrekking tot de DDB te voorkomen.
3.  De lidstaten nemen maatregelen aan, met inbegrip van boetes en sancties, om belastingontduiking, -ontwijking en misbruik met betrekking tot de DDB te voorkomen.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   Na de goedkeuring van deze richtlijn doet de Commissie een wetgevingsvoorstel voor opname in Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de vermelding van informatie over de inkomstenbelasting door bepaalde bedrijven en sectoren, waarbij het totale bedrag aan DDB dat door een belastingplichtige aan de verschillende lidstaten wordt betaald, wordt opgenomen op de lijst van verplichte standaarden voor financiële verslaglegging per land.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Hoofdstuk 4 – titel
ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING
ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING EN VERPLICHTE INLICHTINGENUITWISSELING
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel -20 (nieuw)
Artikel -20
Automatische en verplichte inlichtingenuitwisseling
De inlichtingenuitwisseling met betrekking tot belastingzaken is automatisch en verplicht, zoals vastgesteld in Richtlijn 2011/16/EU van de Raad, zodat de belastingautoriteiten de verschuldigde belasting naar behoren kunnen bepalen en om te zorgen voor de juiste en uniforme uitvoering van deze richtlijn. De lidstaten zorgen voor voldoende personeel en deskundigheid en een toereikende begroting voor hun nationale belastingautoriteiten, alsook voor middelen voor de opleiding van het personeel van belastingautoriteiten die zich richten op grensoverschrijdende samenwerking op fiscaal gebied en de automatische inlichtingenuitwisseling, teneinde de volledige uitvoering van deze richtlijn te waarborgen.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 bis (nieuw)
Artikel 24 bis
Verslag en evaluatie
Twee jaar na ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] onderwerpt de Commissie de toepassing van deze richtlijn aan een beoordeling en doet zij aan het Europees Parlement en de Raad een verslag toekomen met, in voorkomend geval, voorstellen voor de herziening ervan, in overeenstemming met de beginselen van billijke belastingheffing van de digitale sector.
De Commissie beoordeelt met name:
(a)  de verhoging van het DDB-tarief van 3 % naar 5 % samen met een dienovereenkomstige belastingkorting, teneinde het verschil in effectieve belastingtarieven voor traditionele en digitale ondernemingen te beperken;
(b)  het toepassingsgebied van de DDB, met inbegrip van een uitbreiding van dit toepassingsgebied naar de verkoop van goederen of diensten waarbij de overeenkomst online wordt aangegaan via digitale interfaces;
(c)  het bedrag aan belasting dat in elke lidstaat is betaald;
(d)  het soort digitale activiteiten dat onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt;
(e)  de potentiële praktijken met betrekking tot fiscale planning die door entiteiten werden toegepast om de DDB te ontwijken.
(f)  de werking van het éénloketsysteem, de samenwerking tussen de lidstaten; en
(g)  de algehele gevolgen voor de interne markt, daarbij rekening houdend met mogelijke concurrentieverstoring.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 ter (nieuw)
Artikel 24 ter
Verslagleggingsverplichtingen
De lidstaten brengen elk jaar verslag uit aan de Commissie over relevante cijfers en informatie over de betaling van de DDB door entiteiten, de werking van het éénloketsysteem en de samenwerking met andere lidstaten op het vlak van belastingheffing en -betaling.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 bis (nieuw)
Artikel 25 bis
Uitdovingsclausule afhankelijk van permanente maatregelen
De DDB is een tijdelijke maatregel in afwachting van een permanente oplossing; dit houdt in dat deze richtlijn ophoudt van toepassing te zijn op het moment van vaststelling - al naargelang welke het eerste wordt vastgesteld - van:
(a)  de richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid;
(b)  de richtlijnen van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting en betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting zoals bedoeld in de wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over het voorstel voor respectievelijk een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting en het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting; of
(c)  een richtlijn tot uitvoering van een politieke overeenkomst die binnen een internationaal forum is bereikt, zoals de OESO of de VN.

Vennootschapsbelasting op een aanzienlijke digitale aanwezigheid *
PDF 183kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels voor de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (COM(2018)0147 – C8-0138/2018 – 2018/0072(CNS))
P8_TA(2018)0524A8-0426/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2018)0147),

–  gezien artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0138/2018),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Deense parlement, de Ierse Houses of the Oireachtas, het Maltese parlement en de Nederlandse volksvertegenwoordiging, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0426/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Door de snelle ontwikkelingen in de wereldeconomie als gevolg van de digitalisering komen de vennootschapsbelastingstelsels zowel in de Unie als internationaal onder druk te staan en rijst de vraag of het mogelijk is te bepalen waar digitale bedrijven belasting moeten betalen en hoeveel zij moeten betalen. Hoewel op internationaal niveau door organisaties zoals de G20 wordt erkend dat de vennootschapsbelastingregels aan de digitale economie moeten worden aangepast, wordt het een grote uitdaging om op mondiaal niveau een overeenkomst te bereiken.
(1)  Door de snelle ontwikkelingen in de wereldeconomie als gevolg van de digitalisering komen de vennootschapsbelastingstelsels zowel in de Unie als internationaal onder druk te staan en rijst de vraag of het mogelijk is te bepalen waar digitale bedrijven belasting moeten betalen en hoeveel zij moeten betalen. Hoewel op internationaal niveau door organisaties zoals de G20 wordt erkend dat de vennootschapsbelastingregels aan de digitale economie moeten worden aangepast, wordt het een grote uitdaging om op mondiaal niveau een overeenkomst te bereiken en zal dit in de nabije toekomst nog niet lukken.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)   In het digitale tijdperk, waarin data een nieuwe economische hulpbron zijn, naast arbeid en traditionele hulpbronnen, zoals in het verleden, en waarin multinationals die in aanzienlijke mate op digitale activiteiten 'leunen' heel vaak belastingconstructies opzetten die hen in staat stellen belastingen te ontwijken of te ontduiken, moet een nieuwe benadering worden ontwikkeld om tot een billijk en houdbaar systeem van digitale belastingheffing te komen, dat bewerkstelligt dat digitale bedrijven daar belastingen betalen waar hun reële economische activiteiten plaatsvinden.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  In haar in oktober 2015 gepubliceerde rapport over BEPS-actie 1 (grondslaguitholling en winstverschuiving) "Addressing the Tax Challenges of the Digital Economy" heeft de OESO meerdere, uiteenlopende benaderingen voor de belastingheffing van de digitale economie aan de orde gesteld, die zij vervolgens nader heeft onderzocht in "Tax challenges Arising from Digitalisation – Interim Report 2018". Terwijl het digitale transformatieproces van de economie versnelt, groeit alleen maar de behoefte aan oplossingen die een eerlijke en effectieve belastingheffing van digitale bedrijven kunnen garanderen.
(2)  In haar in oktober 2015 gepubliceerde rapport over BEPS-actie 1 (grondslaguitholling en winstverschuiving) "Addressing the Tax Challenges of the Digital Economy" heeft de OESO meerdere, uiteenlopende benaderingen voor de belastingheffing van de digitale economie aan de orde gesteld, die zij vervolgens nader heeft onderzocht in "Tax challenges Arising from Digitalisation – Interim Report 2018". Terwijl het digitale transformatieproces van de economie versnelt, groeit alleen maar de dringende behoefte aan oplossingen die een eerlijke en effectieve belastingheffing van digitale bedrijven kunnen garanderen. Bij de werkzaamheden van de OESO over het belasten van de digitale economie is tot nu toe evenwel onvoldoende vooruitgang geboekt, hetgeen laat zien dat de Unie op haar eigen niveau hier zelf verder mee moet gaan. Ondanks de moeilijkheden om een mondiale overeenkomst te bereiken, alsook het werk dat de Unie met deze richtlijn heeft verricht, moeten de grote inspanningen om een dergelijke overeenkomst na te streven worden voortgezet. Bij ontstentenis van een gemeenschappelijke Uniebenadering zullen de lidstaten evenwel unilaterale oplossingen vaststellen, hetgeen voor regelgevingsonzekerheid zal zorgen en moeilijk zal zijn voor bedrijven die grensoverschrijdend opereren, en voor belastingautoriteiten. Zoals verzocht in de Enquêtecommissie witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PANA) van het Europees Parlement en in zijn Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (TAXE2), moet een bevoegde VN-belastingautoriteit worden ingesteld om te dienen als forum voor debatten en discussies over mondiale overeenkomsten en andere kwesties in verband met het internationale belastingstelsel.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Het Europees Parlement heeft in de eindverslagen van zijn Enquêtecommissie witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking en van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect geconcludeerd dat de belastinguitdagingen in verband met de digitale economie moeten worden aangepakt.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  In zijn conclusies van 19 oktober 2017 heeft de Europese Raad de nadruk gelegd op de noodzaak van een doeltreffend en billijk belastingstelsel dat geschikt is voor het digitale tijdperk, en keek hij uit naar passende Commissievoorstellen begin 201815. In zijn conclusies van 5 december 2017 benadrukte de Ecofin-Raad dat een wereldwijd aanvaarde definitie van vaste inrichting en de gerelateerde regels voor verrekenprijzen en winsttoerekening eveneens van vitaal belang zijn bij het aanpakken van de uitdagingen op het gebied van winstbelasting in de digitale economie en moedigde hij aan tot nauwe samenwerking tussen de EU, de OESO en andere internationale partners bij het aanpakken van de uitdagingen op het gebied van winstbelasting in de digitale economie16. In dit verband moet van de lidstaten worden verlangd dat zij in hun nationale vennootschapsbelastingstelsels regels introduceren om hun heffingsbevoegdheid uit te oefenen. Er moet dus worden verduidelijkt welke vennootschapsbelastingen in de lidstaten van toepassing zijn. Met deze regels moet de definitie van een vaste inrichting worden verruimd en een belastbare nexus worden bepaald voor een aanmerkelijke digitale aanwezigheid op hun respectieve rechtsgebieden. Voorts moeten algemene beginselen voor de toerekening van belastbare winsten aan een dergelijke digitale aanwezigheid worden vastgelegd. In beginsel moeten deze regels toepassing vinden op alle vennootschapsbelastingplichtigen, ongeacht of zij voor belastingdoeleinden inwoner zijn van de Unie of elders.
(4)  In zijn conclusies van 19 oktober 2017 heeft de Europese Raad de nadruk gelegd op de noodzaak van een doeltreffend en billijk belastingstelsel dat geschikt is voor het digitale tijdperk, en keek hij uit naar passende Commissievoorstellen begin 201815. In zijn conclusies van 5 december 2017 benadrukte de Ecofin-Raad dat een wereldwijd aanvaarde definitie van vaste inrichting en de gerelateerde regels voor verrekenprijzen en winsttoerekening eveneens van vitaal belang zijn bij het aanpakken van de uitdagingen op het gebied van winstbelasting in de digitale economie en moedigde hij aan tot nauwe samenwerking tussen de EU, de OESO en andere internationale partners bij het aanpakken van de uitdagingen op het gebied van winstbelasting in de digitale economie16. In dit verband moet van de lidstaten worden verlangd dat zij in hun nationale vennootschapsbelastingstelsels regels introduceren om hun heffingsbevoegdheid uit te oefenen. Er moet dus worden verduidelijkt welke vennootschapsbelastingen in de lidstaten van toepassing zijn. Met deze regels moet de definitie van een vaste inrichting worden verruimd en een belastbare nexus worden bepaald voor een aanmerkelijke digitale aanwezigheid op hun respectieve rechtsgebieden. Voorts moeten algemene beginselen voor de toerekening van belastbare winsten aan een dergelijke digitale aanwezigheid worden vastgelegd. In beginsel moeten deze regels toepassing vinden op alle vennootschapsbelastingplichtigen, ongeacht hun omvang en ongeacht of zij voor belastingdoeleinden inwoner zijn van de Unie of elders. Voorts vergen de in deze richtlijn uiteengezette gemeenschappelijke regels een bredere harmonisatie van de heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting in de Unie voor alle vennootschappen. Daarom mag deze richtlijn de werkzaamheden inzake het voorstel voor een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting niet belemmeren of vertragen.
_________________
_________________
15 Bijeenkomst van de Europese Raad (19 oktober 2017) – Conclusies EUCO 14/17.
15 Bijeenkomst van de Europese Raad (19 oktober 2017) – Conclusies EUCO 14/17.
16 Conclusies van de Raad (5 december 2017) - Antwoorden op de uitdagingen op het gebied van winstbelasting in de digitale economie (FISC 346 ECOFIN 1092).
16 Conclusies van de Raad (5 december 2017) - Antwoorden op de uitdagingen op het gebied van winstbelasting in de digitale economie (FISC 346 ECOFIN 1092).
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  De regels mogen evenwel geen toepassing vinden op entiteiten die fiscaal inwoner zijn van een niet-Unierechtsgebied waarmee de lidstaat van de aanmerkelijke digitale aanwezigheid een geldig dubbelbelastingverdrag heeft, tenzij dat verdrag bepalingen betreffende een aanmerkelijke digitale aanwezigheid bevat die vergelijkbare rechten en verplichtingen met betrekking tot dat niet-Unierechtsgebied creëren als die welke bij deze richtlijn worden gecreëerd. Dit moet conflicten met dubbelbelastingverdragen met niet-Unierechtsgebieden vermijden, aangezien niet-Unierechtsgebieden in het algemeen niet gebonden zijn door het Unierecht.
(5)  De regels mogen evenwel geen toepassing vinden op entiteiten die fiscaal inwoner zijn van een niet-Unierechtsgebied waarmee de lidstaat van de aanmerkelijke digitale aanwezigheid een geldig dubbelbelastingverdrag heeft, tenzij dat verdrag bepalingen betreffende een aanmerkelijke digitale aanwezigheid bevat die vergelijkbare rechten en verplichtingen met betrekking tot dat niet-Unierechtsgebied creëren als die welke bij deze richtlijn worden gecreëerd. Dit moet conflicten met dubbelbelastingverdragen met niet-Unierechtsgebieden vermijden, aangezien niet-Unierechtsgebieden in het algemeen niet gebonden zijn door het Unierecht. De bepalingen van deze richtlijn kunnen echter alleen volledig doeltreffend zijn als de lidstaten ertoe worden aangespoord om, waar nodig, de dubbelbelastingverdragen die momenteel in werking zijn aan te passen, teneinde er bepalingen inzake een aanmerkelijke digitale aanwezigheid in op te nemen die vergelijkbare rechten en verplichtingen met betrekking tot het niet-Unierechtsgebied creëren als die welke bij deze richtlijn worden gecreëerd. De Commissie zou een voorstel kunnen voorleggen voor een EU-model voor een belastingverdragswijziging dat kan dienen voor het aanpassen van de duizenden bilaterale verdragen die de lidstaten hebben gesloten.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Een hoofddoel van deze richtlijn bestaat erin de interne markt als geheel beter toe te rusten voor de fiscale uitdagingen van de gedigitaliseerde economie. Deze doelstelling kan onvoldoende worden verwezenlijkt als de lidstaten elk afzonderlijk optreden omdat digitale bedrijven grensoverschrijdend actief kunnen zijn zonder enige vorm van fysieke aanwezigheid in een rechtsgebied en er dus regels nodig zijn om te garanderen dat zij belastingen betalen in de rechtsgebieden waar ze winsten maken. Gelet op deze grensoverschrijdende dimensie biedt een initiatief op het niveau van de Unie een meerwaarde ten opzichte van hetgeen met een veelheid aan nationale maatregelen kan worden bereikt. Een gemeenschappelijk initiatief dat de volledige interne markt bestrijkt, is noodzakelijk voor een geharmoniseerde toepassing van de regels betreffende een aanmerkelijke digitale aanwezigheid in de Unie. Als elke lidstaat eenzijdig en naar eigen inzicht gaat optreden, kunnen nationale beleidsmaatregelen met elkaar botsen, verstoringen ontstaan en fiscale obstakels worden opgeworpen voor bedrijven in de Unie, wat ondoeltreffend is en tot een versnippering op de eengemaakte markt leidt. Daar de doelstellingen van deze richtlijn beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,
(8)  Een hoofddoel van deze richtlijn bestaat erin de interne markt als geheel beter toe te rusten voor de fiscale uitdagingen van de gedigitaliseerde economie, met eerbiediging van het beginsel van belastingneutraliteit en van het vrij verkeer van diensten in de eengemaakte markt en zonder discriminatie tussen bedrijven in de Unie enerzijds en bedrijven in derde landen anderzijds. Deze doelstelling kan onvoldoende worden verwezenlijkt als de lidstaten elk afzonderlijk optreden omdat digitale bedrijven grensoverschrijdend actief kunnen zijn zonder enige vorm van fysieke aanwezigheid of met slechts een beperkte fysieke aanwezigheid in een rechtsgebied en er dus regels nodig zijn om te garanderen dat zij belastingen betalen in de rechtsgebieden waar ze winsten maken. Gelet op deze grensoverschrijdende dimensie biedt een initiatief op het niveau van de Unie een meerwaarde ten opzichte van hetgeen met een veelheid aan nationale maatregelen kan worden bereikt. Een gemeenschappelijk initiatief dat de volledige interne markt bestrijkt, is noodzakelijk voor een geharmoniseerde toepassing van de regels betreffende een aanmerkelijke digitale aanwezigheid in de Unie. Als elke lidstaat eenzijdig en naar eigen inzicht gaat optreden, kunnen nationale beleidsmaatregelen met elkaar botsen, verstoringen ontstaan en fiscale obstakels worden opgeworpen voor bedrijven in de Unie, wat ondoeltreffend is en tot een versnippering op de eengemaakte markt leidt. Er dient derhalve in het bijzonder op te worden gelet dat de benadering van de Unie billijk is en geen enkele lidstaat discrimineert. Daar de doelstellingen van deze richtlijn beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  Teneinde tot een coherent en consistent kader voor de heffingsgrondslag voor alle bedrijven te komen, moeten het concept van een significante digitale aanwezigheid en de oplossingen in deze richtlijn ook een integrerend onderdeel vormen van de richtlijnen van de Raad over een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting en over een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 ter (nieuw)
(8 ter)  Indien dit voorstel niet leidt tot een overeenkomst en het daardoor niet lukt om concurrentieverstoringen en fiscale obstakels voor bedrijven in de Unie weg te werken, moet de Commissie een nieuw voorstel indienen op grond van artikel 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarbij het Europees Parlement en de Raad optreden volgens de gewone wetgevingsprocedure om de noodzakelijke richtlijnen vast te stellen.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad17, inclusief de verplichtingen om passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om aan de bij die verordening opgelegde verplichtingen te voldoen, met name die betreffende de rechtmatigheid van de verwerking, de beveiliging van de verwerking, de informatieverstrekking aan en de rechten van de betrokkenen, en gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen. In de mate van het mogelijke moeten persoonsgegevens anoniem worden gemaakt.
(9)  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad17, inclusief de verplichtingen om passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om aan de bij die verordening opgelegde verplichtingen te voldoen, met name die betreffende de rechtmatigheid van de verwerking, de beveiliging van de verwerking, de informatieverstrekking aan en de rechten van de betrokkenen, en gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen, met inachtneming van het evenredigheids- en het noodzakelijkheidsbeginsel. In de mate van het mogelijke moeten persoonsgegevens anoniem worden gemaakt. De gegevens die met het oog op de toepassing van deze richtlijn van gebruikers kunnen worden verzameld, moeten strikt beperkt zijn tot gegevens die uitsluitsel geven over de lidstaat waar de gebruiker zich bevindt, zonder dat zijn identiteit kan worden bepaald.
__________________
__________________
17 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
17 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  De Commissie dient vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn de tenuitvoerlegging ervan te evalueren en verslag uit te brengen bij de Raad. De lidstaten dienen de Commissie alle voor deze evaluatie noodzakelijke informatie te verstrekken. Er moet een raadgevend DigiTax-comité worden opgericht om vragen in verband met de toepassing van de richtlijn te onderzoeken.
(10)  De Commissie dient uiterlijk... [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] de tenuitvoerlegging ervan te evalueren en verslag uit te brengen bij het Europees Parlement en de Raad, in het bijzonder over de administratieve lasten en bijkomende kosten voor bedrijven, en met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), de gevolgen van het in deze richtlijn bedoelde belastingsysteem voor de inkomsten van de lidstaten, de gevolgen voor de persoonsgegevens van gebruikers en de gevolgen voor de interne markt in het algemeen, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan de mogelijke verstoring van de mededinging tussen bedrijven als gevolg van de nieuwe regels in deze richtlijn. Bij de evaluatie moet ook worden bekeken of de soorten diensten die onder deze richtlijn vallen en/of de definitie van significante digitale aanwezigheid moeten worden gewijzigd. De lidstaten dienen de Commissie alle voor deze evaluatie noodzakelijke informatie te verstrekken. Er moet een raadgevend DigiTax-comité worden opgericht om vragen in verband met de toepassing van de richtlijn te onderzoeken. Dat comité moet zijn agenda's openbaar maken en er moet, voorafgaand aan de benoeming van de leden van het comité, op worden toegezien dat zij geen belangenconflicten hebben. Een waarnemer van het Europees Parlement moet worden uitgenodigd bij de vergaderingen van het comité aanwezig te zijn.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Gezien de administratieve kosten van een significante digitale aanwezigheid moet ervoor worden gezorgd dat kmo's niet onbedoeld onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. De Commissie moet in het kader van de toetsing onderzoeken in hoeverre deze richtlijn negatieve gevolgen heeft voor kmo's.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)   Aangezien de in deze richtlijn vastgestelde bepalingen bedoeld zijn om te voorzien in een permanente en alomvattende oplossing voor het vraagstuk van de belasting van de digitale economie, moet de tussentijdse oplossing van een digitaledienstenbelasting zoals bepaald in de richtlijn betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten automatisch vervallen zodra de in de onderhavige richtlijn vastgestelde bepalingen toepasselijk worden.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1
Deze richtlijn is van toepassing op entiteiten ongeacht of zij voor de vennootschapsbelasting inwoner zijn van een lidstaat of van een derde land.
Deze richtlijn is van toepassing op entiteiten ongeacht hun omvang en ongeacht of zij voor de vennootschapsbelasting inwoner zijn van een lidstaat of van een derde land.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 6
6.  De lidstaat waar een toestel of apparaat van een gebruiker wordt gebruikt, wordt bepaald aan de hand van het internetprotocoladres (IP-adres) van het toestel of apparaat of, indien nauwkeuriger, een andere methode van plaatsbepaling.
6.  De lidstaat waar een toestel of apparaat van een gebruiker wordt gebruikt, wordt bepaald aan de hand van het internetprotocoladres (IP-adres) van het toestel of apparaat of, indien nauwkeuriger, een andere methode van plaatsbepaling, zonder dat het daarbij mogelijk is de gebruiker te identificeren, in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679. De belastingautoriteiten van de lidstaten worden geïnformeerd over de methode die wordt gebruikt om de locatie van gebruikers te bepalen.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 7 bis (nieuw)
7 bis.   Een belastingplichtige moet de belastingautoriteiten alle informatie verschaffen over de bepaling van de aanmerkelijke digitale aanwezigheid in overeenstemming met dit artikel.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 5 – letter a
a)  het verzamelen, de opslag, de verwerking, de analyse, het inzetten en de verkoop van data op gebruikersniveau;
a)  het verzamelen, de opslag, de verwerking, de analyse, de exploitatie, de doorgifte, het inzetten en de verkoop van data op gebruikersniveau;
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   De lidstaten wijzen passende personele middelen, middelen voor expertise en budgettaire middelen toe aan hun nationale belastingdiensten, evenals middelen voor de opleiding van personeel zodat dit in staat is winsten toe te rekenen aan de vaste inrichting en de digitale activiteiten in die lidstaat weer te geven.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 bis (nieuw)
Artikel 5 bis
1.  Uiterlijk op ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie richtsnoeren voor belastingautoriteiten vast over de identificatie, het meten en het belasten van een significante digitale aanwezigheid. Deze regels worden in de hele Unie geharmoniseerd en opgesteld in alle officiële talen van de Unie.
2.  Op basis van de in lid 1 bedoelde richtsnoeren stelt de Commissie richtsnoeren vast met een heldere methodologie voor bedrijven, teneinde deze in staat te stellen zelf te bepalen of en zo ja, welke van hun activiteiten als een significante digitale aanwezigheid gelden. Deze richtsnoeren worden opgesteld in alle officiële talen van de Unie en worden bekendgemaakt op de website van de Commissie.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 ter (nieuw)
Artikel 5 ter
Administratieve samenwerking
Om een uniforme toepassing van de richtlijn in de Europese Unie te garanderen, is de uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied verplicht en automatisch, zoals bepaald bij Richtlijn 2011/16/EU van de Raad.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – titel
Evaluatie
Uitvoeringsverslag en evaluatie
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 1
1.  De Commissie dient vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn de tenuitvoerlegging ervan te evalueren en verslag uit te brengen bij de Raad.
1.  De Commissie dient uiterlijk... [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] de tenuitvoerlegging ervan te evalueren ervan en brengt verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad. In dat verslag wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de administratieve lasten en bijkomende kosten voor bedrijven, en met name kmo's, de gevolgen van het in deze richtlijn bedoelde belastingsysteem voor de inkomsten van de lidstaten, de gevolgen voor de persoonsgegevens van gebruikers en de gevolgen voor de interne markt in het algemeen, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan de mogelijke verstoring van de mededinging tussen bedrijven als gevolg van de nieuwe regels in deze richtlijn. Bij de evaluatie moet ook worden bekeken of de soorten diensten die onder deze richtlijn vallen en/of de definitie van significante digitale aanwezigheid moeten worden gewijzigd.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 bis (nieuw)
Artikel 6 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  De bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van... [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].
3.  De Raad kan de bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan tegelijkertijd in kennis.
5.  Een vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan de Raad geen bezwaar heeft gemaakt, of indien de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie heeft medegedeeld dat hij daartegen geen bezwaar zal maken. Die termijn kan op initiatief van de Raad met twee maanden worden verlengd.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 ter (nieuw)
Artikel 6 ter
Beroep
Bedrijven - zowel Uniebedrijven als niet-Uniebedrijven - mogen beroep aantekenen tegen het besluit dat de diensten die zij leveren digitale diensten zijn, in overeenstemming met het nationale recht.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 quater (nieuw)
Artikel 6 quater
Het informeren van het Europees Parlement
De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van de door haar vastgestelde gedelegeerde handelingen, de mogelijke bezwaren die daartegen zijn gemaakt en de intrekking van de bevoegdheidsdelegatie door de Raad.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 quinquies (nieuw)
Artikel 6 quinquies
Mandaat voor de Europese Commissie om met derde landen te onderhandelen over belastingverdragen
De lidstaten geven de Commissie een bevoegdheidsdelegatie om in hun naam te onderhandelen over de herziening of vaststelling van belastingverdragen met derde landen in overeenstemming met de in deze richtlijn vastgestelde regels, met name betreffende de opname van de definitie van een aanmerkelijke digitale aanwezigheid voor belastingdoeleinden.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 2
2.  Het DigitTax-comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en van de Commissie. Het comité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie. Het secretariaat van het comité wordt waargenomen door de Commissie.
2.  Het DigitTax-comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en van de Commissie, en uit een waarnemer van het Europees Parlement. Het comité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie. Het secretariaat van het comité wordt waargenomen door de Commissie. Dit Comité maakt zijn agenda's openbaar en van de leden wordt voorafgaand aan hun benoeming vastgesteld dat er geen sprake is van belangenverstrengeling. Belanghebbende partijen, waaronder de sociale partners, mogen relevante vergaderingen bijwonen als waarnemers.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7– lid 4
4.  Het DigiTax-comité onderzoekt vragen in verband met de toepassing van deze richtlijn, die aan de orde worden gesteld door de voorzitter van het comité, hetzij op diens eigen initiatief hetzij op verzoek van een vertegenwoordiger van een lidstaat, en stelt de Commissie in kennis van zijn conclusies.
4.  Het DigiTax-comité onderzoekt vragen in verband met de toepassing van deze richtlijn, die aan de orde worden gesteld door de voorzitter van het comité, hetzij op diens eigen initiatief hetzij op verzoek het Europees Parlement of van een vertegenwoordiger van een lidstaat, en stelt de Commissie in kennis van zijn conclusies.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
Het DigiTax-comité stelt een jaarverslag op over zijn activiteiten en bevindingen, en doet dit verslag toekomen aan het Parlement, de Raad en de Commissie.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Het DigitTax-comité verifieert en controleert de correcte toepassing van deze richtlijn door bedrijven. Het comité mag de gegevens die het van de nationale belastingautoriteiten verzamelt, gebruiken om te onderzoeken of de regels inzake de digitale aanwezigheid correct worden toegepast en als basis voor het faciliteren van de samenwerking tussen de nationale belastingautoriteiten, teneinde de kans op dubbele belastingheffing en dubbele niet-belastingheffing zo klein mogelijk te maken.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – alinea 1
De data die met het oog op de toepassing van deze richtlijn van gebruikers kunnen worden verzameld, zijn beperkt tot data die uitsluitsel geven over de lidstaat waar de gebruiker zich bevindt zonder dat zijn identiteit kan worden bepaald.
De data die met het oog op de toepassing van deze richtlijn van gebruikers kunnen worden verzameld, zijn beperkt tot data die uitsluitsel geven over de lidstaat waar de gebruiker zich bevindt zonder dat zijn identiteit kan worden bepaald. Elke verwerking van persoonsgegevens met het oog op de toepassing van deze richtlijn moet volledig voldoen aan Verordening (EU) 2016/679.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 bis (nieuw)
Artikel 9 bis
Verband met digitaledienstenbelasting
Zodra de onderhavige richtlijn van toepassing wordt, komt de Richtlijn betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten automatisch te vervallen.

Iran, met name de zaak van Nasrin Sotoudeh
PDF 124kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018 over Iran, met name het geval Nasrin Sotoudeh (2018/2967(RSP))
P8_TA(2018)0525RC-B8-0562/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Iran,

–  gezien de verklaring over Iran van 29 november 2018 van de speciale VN-rapporteur voor de situatie van mensenrechtenactivisten, de speciale VN-rapporteur voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten, de voorzitter-rapporteur van de werkgroep inzake willekeurige detentie, de voorzitter van de werkgroep inzake discriminatie van vrouwen in de wet en in de praktijk en de speciale rapporteur voor de situatie op het gebied van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, inzake foltering en andere wrede behandeling, inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, en inzake mensenrechtenactivisten,

–  gezien het verslag van 27 september 2018 van de speciale rapporteur over de situatie op het gebied van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran,

–  gezien de toekenning van de Sacharovprijs voor de vrijheid van gedachte en van meningsuiting aan Nasrin Sotoudeh in 2012,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966 en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966 waarbij Iran partij is,

–  gezien het Handvest van de rechten van de burgers van de Iraanse president,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Nasrin Sotoudeh, een vooraanstaande Iraanse mensenrechtenadvocate, op 13 juni 2018 werd gearresteerd nadat ze een vrouw had vertegenwoordigd die een gevangenisstraf boven het hoofd hing na een vreedzaam protest tegen de Iraanse wet die het dragen van een hidjab verplicht stelt, door haar hidjab in het openbaar af te doen; overwegende dat Nasrin Sotoudeh sinds haar arrestatie in de vrouwenvleugel van de Evin-gevangenis verblijft en op 26 november 2018 begon aan haar derde hongerstaking als protest tegen de weigering van de Iraanse autoriteiten om Farhad Meysami een ziekenhuisbehandeling te laten ondergaan;

B.  overwegende dat Nasrin Sotoudeh te horen kreeg dat ze gevangengenomen was vanwege de gevangenisstraf van vijf jaar die haar in 2015 bij verstek was opgelegd door een rechter van de revolutionaire rechtbank; overwegende dat ze in staat van beschuldiging werd gesteld als "ondergedoken spion";

C.  overwegende dat Nasrin Sotoudeh in 2012 bij verstek de Sacharovprijs voor de vrijheid van gedachte en van meningsuiting ontving voor haar werk en inzet op het vlak van de mensenrechten; overwegende dat Nasrin Sotoudeh langdurig en onvermoeibaar heeft gestreden voor de mensenrechten in Iran, en al diverse jaren in de gevangenis heeft gezeten vanwege haar inspanningen; overwegende dat haar vervolging en de aanklachten tegen haar blijk geven van de mate van strafbaarstelling van mensenrechtenactivisme door de Iraanse rechterlijke macht;

D.  overwegende dat Nasrin Sotoudeh zich bij diverse gelegenheden openlijk heeft uitgesproken over de tekortkomingen bij de toepassing van de beginselen van de rechtsstaat in Iran en over hiaten in het Iraanse rechtssysteem; overwegende dat de arrestatie van Nasrin Sotoudeh deel uitmaakt van een heksenjacht tegen mensenrechtenactivisten in Iran; overwegende dat verdedigers van vrouwenrechten die actief campagne hebben gevoerd voor emancipatie van vrouwen te maken hebben gekregen met intimidatie, willekeurige arrestaties en gevangenhouding, en dat hun rechten op een eerlijk proces en correcte rechtsgang zijn geschonden;

E.  overwegende dat in september 2018 de echtgenoot Reza Khandan van Nasrin Sotoudeh werd gearresteerd tijdens een vreedzame demonstratie voor haar vrijlating, en onder andere werd beschuldigd van "de verspreiding van propaganda tegen het systeem" en van "het toejuichen van de praktijk om in het openbaar te verschijnen zonder hoofddoek";

F.  overwegende dat het maatschappelijk middenveld in Iran steeds vaker demonstreert tegen armoede, inflatie, corruptie en politieke autoritarisme en dat deze protesten door de Iraanse autoriteiten met geweld zijn neergeslagen; overwegende dat de Iraanse inlichtingendienst steeds harder optreedt tegen vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten, advocaten, milieuactivisten, verdedigers van vrouwenrechten, studenten, leraren, vrachtwagenchauffeurs en vreedzame betogers; overwegende dat de Iraanse autoriteiten in 2018 harder begonnen op te treden tegen personen die probeerden vreedzaam hun vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering uit te oefenen, en honderden mensen gevangen hebben gezet vanwege algemene en vaag geformuleerde bedreigingen van de nationale veiligheid;

G.  overwegende dat mensenrechtenexperts van de VN Iran hebben opgeroepen om de rechten van mensenrechtenactivisten en -advocaten te garanderen die gevangen zijn gezet vanwege hun openbare steun aan protesten tegen het verplicht dragen van de hidjab in Iran;

H.  overwegende dat de speciale rapporteur voor de situatie op het gebied van de mensenrechten in Iran opnieuw heeft gewezen op de ernstige bezwaren die eerder al waren geuit door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en zijn voorganger met betrekking tot de voortdurende executies van jeugdige delinquenten in Iran;

I.  overwegende dat er in de rapporten van de speciale rapporteur voor de situatie op het gebied van de mensenrechten in Iran en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties melding werd gemaakt van grove schendingen van de rechten van religieuze en etnische minderheden in Iran, waaronder beschuldigingen van discriminatie van religieuze minderheden zoals christenen en Baha'i;

J.  overwegende dat Iraanse rechtbanken tekortschieten in het garanderen van een correcte rechtsbedeling en eerlijke processen, en dat zij beklaagden de mogelijkheid op rechtshulp ontzeggen, vooral tijdens de recherchefase, en bezoeken van consulaire medewerkers, VN- of humanitaire organisaties verbieden; overwegende dat de straffen die worden opgelegd door de Iraanse rechter vaak gebaseerd zijn op vage of niet nader gespecificeerde beschuldigingen op het vlak van de nationale veiligheid of spionage;

K.  overwegende dat er talrijke rapporten zijn over de onmenselijke en vernederende omstandigheden in gevangenissen en het gebrek aan mogelijkheden voor medische verzorging tijdens de detentie om de gevangenen te intimideren, te straffen of te dwingen tot bepaalde handelingen, wat indruist tegen de standaard minimumregels voor de behandeling van gevangenen van de VN;

L.  overwegende dat de Raad op 12 april 2018 zijn beperkende maatregelen als reactie op de ernstige mensenrechtenschendingen in Iran heeft verlengd tot 13 april 2019, waaronder de bevriezing van tegoeden en visumverboden voor personen en entiteiten die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen en een verbod op de export naar Iran van uitrusting die kan worden ingezet voor binnenlandse onderdrukking en van apparatuur voor het aftappen van telecommunicatie;

M.  overwegende dat de EU en Iran op 26 november 2018 de vierde bijeenkomst van de politieke dialoog op hoog niveau hebben gehouden in Brussel; overwegende dat er discussies over mensenrechten werden gevoerd als wezenlijk onderdeel van de politieke dialoog tussen de EU en Iran en als voortzetting van de regelmatige gedachtewisselingen die in november 2017 en in februari 2016 werden gehouden;

N.  overwegende dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het Handvest van de rechten van de burgers een stap zou zijn op weg naar de verbetering van de burgerrechten van de Iraanse bevolking;

1.  roept de Iraanse regering op Nasrin Sotoudeh onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; prijst Nasrin Sotoudeh voor haar moed en inzet; dringt er bij de Iraanse rechterlijke macht op aan de correcte rechtsbedeling en een eerlijke procesgang te eerbiedigen en informatie vrij te geven over de aanklachten tegen Nasrin Sotoudeh;

2.  roept de Iraanse autoriteiten op te garanderen dat de behandeling van Nasrin Sotoudeh tijdens haar gevangenhouding voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in het "Geheel van beginselen voor de bescherming van alle personen onder enige vorm van detentie of gevangenschap", aangenomen met Resolutie 43/173 van de VN-Veiligheidsraad van 9 december 1988; benadrukt dat de Iraanse autoriteiten de veiligheid en het welzijn van alle gedetineerden moeten garanderen, onder andere door toereikende medische zorg aan te bieden; verzoekt de Iraanse autoriteiten alle beschuldigingen van slechte behandeling tijdens detentie te onderzoeken en de daders te berechten; veroordeelt de stelselmatige foltering in Iraanse gevangenissen en wil dat er onmiddellijk een eind wordt gemaakt aan alle vormen van foltering en slechte behandeling van gevangenen; roept Iran op in de wet en in de praktijk te waarborgen dat niemand het slachtoffer wordt van foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

3.  roept de Iraanse regering op de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen, waaronder de vrijheid van mening en meningsuiting; pleit voor de vrijlating van alle personen die gearresteerd zijn vanwege de vreedzame uitoefening van de vrijheid van vergadering en de vrijheid van mening en meningsuiting, zo ook Reza Khandan en andere mensenrechtenactivisten, milieuactivisten, vakbondsleden, voorvechters van vrouwenrechten en gewetensgevangenen; roept de Iraanse autoriteiten op de universele mensenrechten van alle mensen volledig te eerbiedigen, waaronder het recht op vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline; roept de Iraanse autoriteiten op de vrijheid van vreedzame vergadering te eerbiedigen en te beschermen, en af te zien van het gebruik van geweld bij het uiteenslaan van vreedzame samenscholingen;

4.  geeft uiting aan zijn sympathie voor en solidariteit met de campagne tegen de bindende kledingvoorschriften van het land; veroordeelt de gevangenneming van vrouwen die hun hoofddoek afdeden als onderdeel van de campagne, en roept op tot hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating;

5.  betuigt zijn solidariteit aan Iraniërs die demonstreren om hun sociaal-economische situatie te verbeteren en sociaal-economische rechten nastreven;

6.  is zeer verontrust over de arrestaties van mensen met zowel een EU- als een Iraanse nationaliteit bij aankomst in Iran; benadrukt dat deze arrestaties de mogelijkheden voor onderlinge contacten tussen mensen belemmeren, en roept de Iraanse autoriteiten op alle Iraniërs in staat te stellen veilig naar hun geboorteland te reizen;

7.  roept de Iraanse autoriteiten op het recht van alle beklaagden op rechtshulp naar keuze te garanderen in alle rechtszaken zonder onnodige beperkingen, en op een eerlijk proces, in overeenstemming met de internationale verbintenissen van Iran uit hoofde van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; roept de Iraanse regering op het recht op een correcte rechtsgang van alle gevangenen in Iran te garanderen en hun de mogelijkheid op een eerlijk proces te bieden;

8.  roept de Iraanse autoriteiten op godsdienstvrijheid te garanderen in overeenstemming met de Iraanse grondwet en de internationale verbintenissen, en een eind te maken aan discriminatie van religieuze minderheden en ongelovigen; veroordeelt de systematische vervolging van de Baha'i-minderheid; verzoekt de Iraanse autoriteiten verder erop toe te zien dat iedereen die in het land verblijft gelijke bescherming voor de wet geniet, ongeacht etnische afkomst, godsdienst of geloofsovertuiging;

9.  roept de Iraanse autoriteiten op onder alle omstandigheden te garanderen dat mensenrechtenactivisten in Iran hun legitieme mensenrechtenactiviteiten kunnen ontplooien zonder angst op represailles en zonder enige beperkingen, zoals vrijheidsberoving, intimidatie en gerechtelijke pesterijen; roept de Iraanse autoriteiten op een eind te maken aan alle vormen van intimidatie en represailles tegen mensenrechtenactivisten, onder andere vanwege contacten met EU- en VN-ambtenaren en onafhankelijke mensenrechtenorganisaties;

10.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie hun inspanningen op te voeren om laureaten van de Sacharovprijs die gevaar lopen te ondersteunen, zo ook Nasrin Sotoudeh en anderen die gearresteerd of veroordeeld zijn, de doodstraf opgelegd hebben gekregen of duidelijk geen eerlijk proces hebben gekregen in derde landen;

11.  verzoekt de EU-lidstaten met diplomatieke missies ter plaatse de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers volledig na te leven en alle nodige steun te verlenen aan Nasrin Sotoudeh en andere mensenrechtenverdedigers, waaronder gevangenisbezoeken, waarneming bij processen en het verlenen van rechtsbijstand of andere hulp waaraan ze behoefte zouden kunnen hebben;

12.  veroordeelt de doodstraf ten stelligste, waaronder in het geval van jeugdige delinquenten, en roept de Iraanse autoriteiten op onmiddellijk een moratorium in te stellen op het opleggen van de doodstraf als stap op weg naar de volledige afschaffing ervan; wijst op de amendementen op de wet inzake drugsmokkel waarmee de doodstraf minder vaak zou moeten worden opgelegd;

13.  herhaalt zijn oproep aan Iran om in nauwere dialoog te treden met internationale mensenrechtenmechanismen door medewerking te verlenen aan speciale rapporteurs en speciale mechanismen, onder meer door verzoeken om toegang tot het land door mandaathouders in te willigen; benadrukt dat de banden met de Mensenrechtenraad moeten worden aangehaald;

14.  verzoekt de EU, waaronder de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en de lidstaten om hun bezwaren in verband met de mensenrechten stelselmatig kenbaar te maken aan de Iraanse autoriteiten, zowel in het openbaar als privé, op bilaterale en multilaterale fora, waaronder in verband met de situatie van politieke gevangenen en mensenrechtenactivisten en de vrijheid van meningsuiting en vereniging, als een cruciale voorwaarde om verdere vorderingen te boeken in de economische en politieke betrekkingen; is voorstander van discussies over mensenrechten; benadrukt echter de noodzaak van een formele mensenrechtendialoog tussen de EU en Iran op basis van universele mensenrechten;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de regering en het parlement van Iran.


Egypte, met name de situatie van mensenrechtenactivisten
PDF 137kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018 over Egypte, met name de situatie van mensenrechtenactivisten (2018/2968(RSP))
P8_TA(2018)0526RC-B8-0568/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Egypte, met name van 8 februari 2018 over executies in Egypte(1), van 10 maart 2016 over Egypte, met name de zaak van Giulio Regeni(2), van 17 december 2015 over Ibrahim Halawa, die mogelijk ter dood veroordeeld wordt(3), en van 15 januari 2015 over de situatie in Egypte(4),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, foltering, vrijheid van meningsuiting en mensenrechtenactivisten,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van augustus 2013 en februari 2014 over Egypte,

–  gezien de associatieovereenkomst EU-Egypte van 2001, die in 2004 in werking is getreden en ondersteund is door het actieplan van 2007, gezien de prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte voor de periode 2017-2020, die op 25 juli 2017 werden goedgekeurd, en de gezamenlijke verklaring die werd afgelegd na vergadering van de Associatieraad EU-Egypte van 2017, en gezamenlijke verklaring van het subcomité EU‑Egypte voor politieke zaken, mensenrechten en democratie, afgegeven in januari 2018,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 10 oktober 2017 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, en de secretaris-generaal van de Raad van Europa over de Europese en Werelddag tegen de doodstraf, en de verklaring van 2 november 2018 van de woordvoerder van de EDEO over de aanval op koptische christelijke pelgrims in Egypte,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 26 januari 2018 van VN-deskundigen, onder wie Nils Melzer, speciaal rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, waarin de Egyptische autoriteiten worden opgeroepen om de op handen zijnde executies te stoppen, de verklaring van de speciale VN-rapporteur voor toereikende huisvesting, Leilani Farha, en de speciale VN-rapporteur Michel Forst over de situatie van mensenrechtenactivisten van 4 december 2018, en de verklaring van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN Michelle Bachelet van 9 september 2018 tot veroordeling van de massale terdoodveroordeling van 75 mensen,

–  gezien de grondwet van Egypte, met name artikel 52 (inzake het verbod op alle vormen van foltering), 73 (inzake de vrijheid van vergadering) en 93 (inzake het bindend karakter van het internationaal mensenrechtenrecht),

–  gezien de protocollen 6 en 13 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de Afrikaanse beginselen en richtsnoeren inzake het recht op een eerlijk proces en rechtsbijstand, die militaire processen tegen burgers onder alle omstandigheden verbieden,

–  gezien het nieuwe strategisch kader en actieplan inzake mensenrechten van de EU, dat erop gericht is de bescherming van en het toezicht op de mensenrechten centraal te stellen in alle beleidsterreinen van de EU,

–  gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Arabisch Handvest inzake mensenrechten, die alle door Egypte geratificeerd zijn,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), waarbij Egypte partij is, met name artikel 14 en artikel 18 en het bijbehorende tweede facultatieve protocol betreffende de doodstraf,

–  gezien het besluit van de Italiaanse Kamer van Afgevaardigden om de betrekkingen met het Egyptische parlement op te schorten wegens het uitblijven van vooruitgang in het onderzoek naar de dood van de Italiaanse student Giulio Regeni,

–  gezien de invloed op de mensenrechten, op binnenlands en regionaal niveau, van de sancties die Saudi-Arabië, Egypte, Bahrein en de Verenigde Arabische Emiraten oplegden aan Qatar in juni 2017, en gezien het rapport over de invloed van de Golfcrisis op de mensenrechten van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties (OHCHR) van december 2017,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Egyptische regering haar optreden tegen maatschappelijke organisaties, mensenrechtenactivisten, vreedzame activisten, juristen, bloggers, journalisten, arbeidsrechtenactivisten en vakbondsleden heeft geïntensiveerd, onder meer door verschillende van hen te arresteren en te laten verdwijnen en in toenemende mate gebruik te maken van antiterrorismewetgeving en de noodtoestand; overwegende dat sinds eind oktober 2018 ten minste 40 mensenrechtenactivisten, juristen en politieke activisten zijn gearresteerd en dat sommige daarvan met geweld zijn verdwenen; overwegende dat vrouwelijke mensenrechtenactivisten en mensenrechtenactivisten die de rechten van de LGBTQI-bevolking in Egypte verdedigen, nog steeds te maken hebben met verschillende vormen van intimidatie van staatswege, met name door lastercampagnes en gerechtelijke vervolging;

B.  overwegende dat de mensenrechtenadvocaat Ezzat Ghoneim, hoofd van de Egyptische Coördinatie voor rechten en vrijheden (ECRF), sinds maart 2018 in voorarrest zit, beschuldigd van "mensenrechtenterrorisme"; overwegende dat zijn verblijfplaats onbekend is sinds een rechtbank op 4 september 2018 zijn vrijlating heeft bevolen; overwegende dat de mensenrechtenadvocaat Ibrahim Metwally Hegazy, mede-oprichter van de Liga van gezinnen van verdwenen personen, het slachtoffer is geworden van gedwongen verdwijning en is gemarteld en vervolgens is veroordeeld tot willekeurige preventieve hechtenis en in eenzame opsluiting blijft zitten; overwegende dat het El Nadeem-centrum in 2017 gedwongen moest sluiten;

C.  overwegende dat mensenrechtenactiviste Amal Fathy in september 2018 tot twee jaar gevangenisstraf is veroordeeld op beschuldiging van het verspreiden van nepnieuws met de bedoeling de Egyptische staat te schaden, en wegens openbare schennis van de goede zeden door het publiceren van een video op sociale media waarin kritiek werd geuit op het onvermogen van de regering om seksueel geweld te bestrijden; overwegende dat mevrouw Fathy in voorarrest wordt gehouden in afwachting van een onderzoek in een tweede zaak over beschuldigingen in verband met de nationale veiligheid;

D.  overwegende dat mevrouw Ola al-Qaradawi, van Qatarese nationaliteit, en haar echtgenoot, Hosam Khalaf, van Egyptische nationaliteit, sinds 30 juni 2017 onder erbarmelijke omstandigheden in Egypte worden vastgehouden, zonder dat tegen hen een aanklacht is ingediend; overwegende dat de VN-werkgroep willekeurige detentie in juni 2018 heeft vastgesteld dat zij onderworpen zijn aan wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen die kunnen neerkomen op foltering, hun detentie willekeurig heeft verklaard en de Egyptische regering heeft opgeroepen hen vrij te laten;

E.  overwegende dat op 2 februari 2016 het lichaam van Giulio Regeni, die op 25 januari in Caïro verdween, werd aangetroffen met sporen van gruwelijke marteling en een gewelddadige dood; overwegende dat de Egyptische autoriteiten de waarheid over zijn dood hebben nog steeds niet bekend hebben gemaakt en niet alle daders voor de rechter hebben gebracht; overwegende dat Egypte opnieuw het verzoek van het Italiaanse Openbaar Ministerie heeft afgewezen om de personen die betrokken zijn bij de verdwijning en dood van Giulio Regeni te identificeren;

F.  overwegende dat Verslaggevers Zonder Grenzen melding heeft gemaakt van ten minste 38 mediamedewerkers die momenteel in Egypte wegens hun werk in hechtenis zitten op basis van politiek gemotiveerde aanklachten, waarbij de regels voor een eerlijk proces herhaaldelijk zijn geschonden; overwegende dat ook buitenlandse mediamedewerkers het doelwit zijn, en dat verschillende internationale mediacorrespondenten zijn gedeporteerd of de toegang tot Egypte is ontzegd; overwegende dat fotojournalist Mahmoud "Shawkan" Abu Zeid in een massaproces tot vijf jaar is veroordeeld voor zijn legitieme beroepsactiviteiten en nog steeds een extra straf van zes maanden uitzit wegens het niet betalen van een aanzienlijke boete; overwegende dat Ismail al-Iskandarani, een vooraanstaand journalist en een van de weinigen die zich bezighoudt met mensenrechtenschendingen in de Sinaï, in november 2015 is aangehouden en in mei 2018 door een militaire rechtbank is veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf;

G.  overwegende dat in juli 2018 een nieuwe mediawet is aangenomen waarbij de definitie van pers is verruimd tot elke sociale media-account met meer dan 5 000 volgers, waardoor dergelijke accounts vervolgd kunnen worden voor het publiceren van "nepnieuws" of alles wat wordt beschouwd als aansporing tot wetsovertreding; overwegende dat de eerbiediging van de burgerlijke vrijheden - met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid - een essentieel onderdeel is van de fundamenten van een democratische samenleving, en dat journalisten vrij moeten zijn om hun beroep uit te oefenen zonder angst voor vervolging of gevangenisstraf;

H.  overwegende dat in verschillende EU-lidstaten gevestigde bedrijven bewakingstechnologie naar Egypte blijven exporteren waarmee hacking en verspreiding van malware mogelijk wordt gemaakt, alsook andere vormen van aanvallen op mensenrechtenverdedigers en activisten uit het maatschappelijk middenveld op sociale media; overwegende dat dit heeft geleid tot onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting online;

I.  overwegende dat Egypte het afgelopen jaar een juridisch front heeft geopend tegen ngo's, met de vaststelling van een wet op grond waarvan veiligheidsinstanties van de staat de binnen- of buitenlandse financiering van ngo's moeten goedkeuren, wat er in feite op neerkomt dat zij verboden worden; overwegende dat president Al-Sisi op 15 november 2018 opriep tot een herziening van de ngo-wet om deze "evenwichtiger" te maken en het parlement opdroeg de wet te herzien; overwegende dat het nieuwe proces tegen 16 verdachten van de "buitenlandse financieringszaak" 173/2011 gepland is voor 20 december 2018 en dat de verdachten worden beschuldigd van het oprichten en draaiende houden van filialen van internationale organisaties zonder overheidsvergunning;

J.  overwegende dat in Egypte sinds april 2017 de noodtoestand van kracht is, die met ingang van 21 oktober 2018 met drie maanden is verlengd; overwegende dat volgens de staatsmedia de noodtoestand is ingevoerd om het hoofd te helpen bieden aan de "dreiging en de financiering van terrorisme"; overwegende dat de president en degenen die namens hem optreden tijdens die periode van drie maanden de bevoegdheid hebben om burgers voor noodrechtbanken voor de staatsveiligheid te dagen; overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, kritiek heeft geuit op pogingen om immuniteit te verlenen tegen vervolging voor misdaden die zouden zijn begaan door leden van de veiligheidstroepen, hetgeen leidt tot ondermijning van het vertrouwen van het Egyptische volk in het vermogen van de regering om recht te doen geschieden voor iedereen;

K.  overwegende dat de Egyptische antiterrorismewet van 2015 een ruime definitie van terrorisme hanteert die onder meer inhoudt: "verstoring van de openbare orde, het in gevaar brengen van de veiligheid, de belangen of de beveiliging van de samenleving, het blokkeren van wettelijke of grondwettelijke bepalingen of het toebrengen van schade aan de nationale eenheid, de sociale vrede of de nationale veiligheid", waardoor vreedzame dissidenten, voorvechters van de democratie en mensenrechtenactivisten het risico lopen om als terroristen te worden bestempeld en ter dood te worden veroordeeld;

L.  overwegende dat de Egyptische rechtbanken onder het bewind van president el-Sisi ten minste 2 443 voorlopige doodvonnissen hebben aanbevolen - waaronder voor ten minste 12 kinderen - en ten minste 1 451 doodvonnissen hebben bevestigd; overwegende dat ten minste 926 van de bevestigde doodvonnissen het resultaat zijn van massaprocessen tegen 15 of meer mensen tegelijk; overwegende dat Egypte in dezelfde periode ten minste 144 mensen ter dood heeft gebracht; overwegende dat de doodstraf, met name in massaprocessen, vaak wordt uitgevoerd tegen personen die hun grondrechten, waaronder de vrijheid van vergadering, uitoefenen;

M.  overwegende dat een rechtbank in Egypte in augustus de veroordelingen van meer dan 739 mensen in verband met de protesten op het Rabaa-plein na de staatsgreep van 2013 heeft bevestigd; overwegende dat de rechtbank 75 doodvonnissen heeft geratificeerd en de levenslange gevangenisstraffen voor nog eens 47 personen heeft bevestigd; overwegende dat tijdens het proces talrijke onregelmatigheden aan de kaak zijn gesteld en dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten dit als een ernstige gerechtelijke dwaling heeft gekenschetst;

N.  overwegende dat Egypte eind november de oprichting van een "Hoge Permanente Commissie voor de rechten van de mens" heeft aangekondigd, naar verluidt om "te reageren op aantijgingen" tegen de staat van dienst van Egypte op het gebied van de mensenrechten en om "een uniforme Egyptische visie te formuleren"; overwegende dat de belangrijkste leden van deze commissie vertegenwoordigers zijn van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Binnenlandse Zaken, het leger en de inlichtingendiensten;

O.  overwegende dat ondanks de grondwettelijke erkenning van de koptische cultuur als een "pijler" van het land, het geweld tegen en de discriminatie van Egyptenaren van koptische afkomst, die de meerderheid van de negen miljoen Egyptische christenen uitmaken, sinds 2011 is toegenomen; overwegende dat koptische christenen, die ongeveer 10 % van de overwegend islamitische Egyptische bevolking uitmaken, het slachtoffer zijn geworden van sektarisch geweld; overwegende dat op 2 november 2018 bij een aanval van islamitische militanten op een bus met koptische christelijke pelgrims in Minya zeven doden en 19 gewonden zijn gevallen, waaruit blijkt met welke veiligheidsproblemen Egypte te maken heeft;

P.  overwegende dat de Associatieraad EU-Egypte op 20 december 2018 bijeenkomt; overwegende dat een missie van de Subcommissie mensenrechten van het Europees Parlement naar Egypte is gepland vóór de bijeenkomst van de Associatieraad; overwegende dat Egypte deze delegatie niet officieel heeft uitgenodigd;

Q.  overwegende dat Egypte sinds de revolutie van 2011 met diverse moeilijke ontwikkelingen te kampen heeft gehad en dat de internationale gemeenschap het land steunt bij het oplossen van zijn economische, politieke en veiligheidsproblemen; overwegende dat Egypte met ernstige veiligheidsproblemen kampt, met name in de Sinaï, waar terroristische groeperingen aanslagen hebben gepleegd op veiligheidstroepen; overwegende dat in Egypte een aantal verwoestende terroristische aanslagen is gepleegd;

R.  overwegende dat een gezamenlijke gehechtheid aan de universele waarden van democratie, rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten een leidend beginsel is van de in juli 2017 goedgekeurde nieuwe prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte voor de periode 2017-2020 en dat die prioriteiten een hernieuwd kader vormen voor politieke inzet en nauwere samenwerking op gebieden als veiligheid, hervorming van de rechtspraak en terrorismebestrijding, met inachtneming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; overwegende dat het Subcomité politieke aangelegenheden, mensenrechten en democratie van de associatieovereenkomst tussen Egypte en de Europese Unie op 10 en 11 januari 2018 in Caïro zijn vijfde bijeenkomst heeft gehouden, waarop de samenwerking op het gebied van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat werd besproken; overwegende dat de zesde bijeenkomst van het Associatiecomité Egypte-EU plaatsvond op 8 november 2018;

S.  overwegende dat de EU de belangrijkste economische partner van Egypte is en de voornaamste bron van buitenlandse investeringen; overwegende dat de bilaterale bijstand van de EU aan Egypte op grond van het Europees nabuurschapsinstrument voor de periode 2017-2020 ongeveer 500 miljoen EUR bedraagt; overwegende dat de Raad buitenlandse zaken op 21 augustus 2013 hoge vertegenwoordiger heeft belast met de herziening van de EU-bijstand aan Egypte; overwegende dat de Raad besloot dat de EU-samenwerking met Egypte zal worden bijgesteld naar gelang van de ontwikkelingen ter plaatse;

T.  overwegende dat de mogelijkheden voor een vreedzame politieke oppositie gedurende het gehele proces van de presidentsverkiezingen van 2018 zijn uitgebannen, met een massale ontzegging van het recht op politieke participatie van Egyptische kiezers;

U.  overwegende dat in de conclusies van de Raad buitenlandse zaken van 21 augustus 2013 wordt gesteld: "De lidstaten zijn tevens overeengekomen dat zij de vergunningen voor de uitvoer naar Egypte van uitrusting die voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt, opschorten en dat zij de vergunningen voor de uitvoer van uitrusting die onder Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB valt, opnieuw zullen beoordelen en hun bijstand aan Egypte op veiligheidsgebied opnieuw zullen bekijken."; overwegende dat deze conclusies in februari 2014 door de Raad buitenlandse zaken nog eens zijn herhaald; overwegende dat de VV/HV in een schriftelijk antwoord van 27 oktober 2015 heeft bevestigd dat deze conclusies "een politiek engagement tegen elke militaire steun voor Egypte" vormen;

1.  veroordeelt krachtig de voortdurende beperkingen van de fundamentele democratische rechten, met name de vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline, de vrijheid van vereniging en vergadering, het politiek pluralisme en de rechtsstaat in Egypte; roept op tot onmiddellijke beëindiging van alle uitingen van geweld, opruiing, haatzaaiende taal, pesterijen, intimidatie, gedwongen verdwijningen en censuur jegens mensenrechtenactivisten, juristen, demonstranten, journalisten, bloggers, vakbondsleden, studenten, vrouwenrechtenactivisten, LGBTI's, organisaties uit het maatschappelijk middenveld, politieke tegenstanders en minderheden, waaronder de Nubiërs, door overheidsinstanties, veiligheidstroepen en -diensten en andere groeperingen in Egypte; veroordeelt het gebruik van buitensporig geweld tegen betogers; roept op tot een onafhankelijk en transparant onderzoek naar alle schendingen van de mensenrechten en tot het ter verantwoording roepen van de verantwoordelijken;

2.  roept de Egyptische regering op tot de onmiddellijke vrijlating van de mensenrechtenactivisten Ahmad Amasha, Hanan Badr el-Din, Amal Fathy, Ezzat Ghoneim, Hoda Abdelmoneim, Ibrahim Metwally Hegazy en Azzouz Mahgoub, en de mediamedewerkers Mahmoud "Shawkan" Abu Zeid, Hisham Gaafar, Mohammed "Oxygen" Ibraim, Ismail Iskandarani, Adel Sabri, Ahmed Tarek Ibrahim Ziada, Alaa Abdelfattah, Shady Abu Zaid, Mostafa al-Aasar, Hassan al-Bannaand en Moataz Wadnan, en alle anderen die uitsluitend worden vastgehouden vanwege de vreedzame uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting, hetgeen in strijd is met de grondwet en de internationale verplichtingen van Egypte; roept Egypte op om hen, in afwachting van hun vrijlating, volledige toegang te verlenen tot hun familie, advocaten van hun keuze en adequate medische zorg, en om een geloofwaardig onderzoek in te stellen naar alle beschuldigingen van mishandeling of foltering; roept de EU op haar exportcontroles ten aanzien van Egypte volledig uit te voeren waar het gaat om goederen die kunnen worden gebruikt voor foltering of terechtstellingen;

3.  wijst de Egyptische regering erop dat de welvaart van Egypte en zijn bevolking op lange termijn staat of valt met de bescherming van de universele rechten van de mens en het creëren en bestendigen van democratische en transparante instellingen die zich inzetten voor de bescherming van de fundamentele rechten van de burgers; roept de Egyptische autoriteiten dan ook op om de beginselen van de internationale verdragen die Egypte heeft onderschreven, volledig ten uitvoer te leggen;

4.  roept de Egyptische autoriteiten op om alle bestaande ongefundeerde strafrechtelijke onderzoeken naar ngo's, met inbegrip van de "buitenlandse financieringszaak", te staken en de draconische ngo-wet in te trekken; moedigt de vervanging van deze wet door een nieuw wetgevingskader aan, dat moet worden opgesteld in serieus overleg met maatschappelijke organisaties, overeenkomstig de nationale en internationale verplichtingen van Egypte, teneinde de vrijheid van vereniging te beschermen;

5.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de massaprocessen voor Egyptische rechtbanken en het grote aantal hierbij gevelde doodvonnissen en lange gevangenisstraffen; roept de Egyptische gerechtelijke autoriteiten op de doodstraf niet langer toe te passen op personen, met inbegrip van personen die jonger dan 18 jaar waren ten tijde van hun vermeende misdrijf, en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Egypte partij is, en met name artikel 14 inzake het recht op een eerlijk en tijdig proces op basis van duidelijke aanklachten en de eerbiediging van de rechten van de verdachten, te handhaven en te eerbiedigen;

6.  herhaalt zijn oproep aan Egypte tot het ondertekenen en ratificeren van het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf, alsmede het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning; moedigt de Egyptische regering aan een open uitnodiging te richten tot relevante speciaal rapporteurs van de VN om het land te bezoeken;

7.  verzoekt het Egyptische parlement het Egyptische wetboek van strafrecht, het wetboek van strafvordering, de wetgeving inzake terrorismebestrijding en het militaire wetboek van strafrecht te herzien; verzoekt de Egyptische autoriteiten geen burgers meer te laten berechten door militaire rechtbanken;

8.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de represailles tegen personen die samenwerken of willen samenwerken met internationale mensenrechtenorganisaties of VN-mensenrechtenorganisaties, zoals onlangs nog de speciale VN-rapporteur voor adequate huisvesting; herinnert de Egyptische autoriteiten aan de verplichting die Egypte als VN-lid heeft om zich van dergelijke daden te onthouden;

9.  veroordeelt de voortdurende vervolging van minderheidsgroepen in Egypte; herhaalt zijn gehechtheid aan de vrijheid van geweten en godsdienst in Egypte en roept op tot bevordering van internationale samenwerking, onder meer in de vorm van een onafhankelijk onderzoek door de VN om de situatie van koptische christenen in Egypte te beoordelen; roept Egypte op zijn wetgeving inzake godslastering te herzien en te zorgen voor de bescherming van religieuze minderheden hiertegen;

10.  dringt er bij de Egyptische regering op aan een einde te maken aan alle discriminerende maatregelen die na juni 2017 tegen Qataren zijn genomen, met bijzondere verwijzing naar de zaak Ola al-Qaradawi en haar echtgenoot Hosam Khalaf;

11.  ondersteunt het verlangen van de meerderheid van de Egyptische bevolking naar een vrij, stabiel, welvarend, inclusief en democratisch land dat zijn nationale en internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden nakomt; herinnert eraan dat het belangrijk is dat de vreedzame uiting van meningen en kritiek wordt geëerbiedigd;

12.  betuigt zijn oprechte medeleven met de nabestaanden van de slachtoffers van terrorisme; is solidair met het Egyptische volk en bevestigt nogmaals dat het zal blijven strijden tegen de verspreiding van radicale ideologieën en terreurgroepen;

13.  dringt er bij de Egyptische regering op aan ervoor te zorgen dat alle operaties in de Sinaï in overeenstemming met de internationale mensenrechtennormen worden uitgevoerd, alle schendingen grondig te onderzoeken, de noordelijke Sinaï onmiddellijk open te stellen voor onafhankelijke waarnemers en journalisten, de bewoners van de Sinaï te voorzien van essentiële behoeften en onafhankelijke hulporganisaties toe te staan hulp te bieden aan mensen in nood;

14.  verzoekt de VV/HV om prioriteit te geven aan de situatie van mensenrechtenactivisten in Egypte, en haar veroordeling uit te spreken van de alarmerende mensenrechtensituatie in het land, met inbegrip van de toepassing van de doodstraf; dringt er bij de EDEO op aandacht te besteden aan de recente ontwikkelingen in Egypte en alle beschikbare middelen aan te wenden om druk uit te oefenen op Egypte om zijn mensenrechtensituatie te verbeteren en de op handen zijnde executies te annuleren, op te roepen tot de onmiddellijke vrijlating van degenen die in hechtenis zitten, en de Egyptische autoriteiten aan te moedigen hun verplichtingen in verband met internationale normen en wetten na te komen;

15.  benadrukt het belang dat de Europese Unie hecht aan haar samenwerking met Egypte als belangrijk buur- en partnerland; verzoekt Egypte derhalve met klem zich te houden aan de toezeggingen die het in de op 27 juli 2017 goedgekeurde prioriteiten van het partnerschap tussen de EU en Egypte heeft gedaan om de democratie, de fundamentele vrijheden en de mensenrechten te bevorderen overeenkomstig zijn grondwet en de internationale normen; onderstreept dat in 2017 de partnerschapsprioriteiten met Egypte zijn gesloten, ondanks de voortdurende achteruitgang op het gebied van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat; dringt er bij de VV/HV en de lidstaten op aan de verdere samenwerking met Egypte afhankelijk te stellen van de eerbiediging van de mensenrechten en mensenrechtenkwesties aan de orde te stellen in alle gesprekken met de Egyptische autoriteiten, met name met betrekking tot de drie vastgestelde prioriteiten; herhaalt dat de mensenrechten niet mogen worden ondermijnd door migratiebeheer of terrorismebestrijding;

16.  herinnert de Egyptische autoriteiten eraan dat stimulansen centraal moeten staan bij de hulp van de EU aan Egypte, overeenkomstig het "meer voor meer"- beginsel van het Europese nabuurschapsbeleid, en dat deze hulp afhankelijk moet worden gesteld van de vorderingen bij de hervorming van de democratische instellingen en op het gebied van de rechtsstaat en de mensenrechten;

17.  dringt er bij de VV/HV en de lidstaten op aan om op de voor 20 december 2018 geplande bijeenkomst van de Associatieraad EU-Egypte een sterk en eensgezind standpunt over de positie van de EU inzake mensenrechten in te nemen, zoals zij moeten doen in alle mensenrechtenfora en in bilaterale en multilaterale bijeenkomsten, en duidelijk de gevolgen te formuleren waarmee de Egyptische regering te maken zal krijgen als zij er niet in slaagt haar negatieve trend om te buigen, zoals gerichte sancties tegen personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen; roept de EU ook op om tijdens de volgende zitting van de VN-Mensenrechtenraad een krachtige verklaring af te leggen, mede met het oog op de aanbevelingen voor de universele periodieke evaluatie (UPR) van de VN in 2019;

18.  herinnert aan zijn blijvende ontzetting over de foltering en moord op de Italiaanse onderzoeker Giulio Regeni; benadrukt dat het bij de autoriteiten van de EU zal blijven aandringen om stappen te ondernemen bij hun Egyptische tegenhangers totdat de waarheid in deze zaak aan het licht is gebracht en de daders ter verantwoording zijn geroepen; herinnert de Egyptische autoriteiten aan hun verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het Italiaanse en Egyptische juridische team dat de zaak Giulio Regeni onderzoekt;

19.  herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om een einde te maken aan de uitvoer van bewakingstechnologie en veiligheidsuitrusting naar Egypte, die acties gericht tegen mensenrechtenverdedigers en activisten uit het maatschappelijk middenveld en activisten op sociale media, mogelijk maken;

20.  betreurt ten zeerste de onwil van de Egyptische autoriteiten om een missie van de Subcommissie mensenrechten van het Parlement naar Caïro mogelijk te maken; verwacht van de EU dat zij de hardnekkige weigering van de Egyptische autoriteiten om dit bezoek toe te staan aan de orde stelt;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Egypte.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0035.
(2) PB C 50 van 9.2.2018, blz. 42.
(3) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 130.
(4) PB C 300 van 18.8.2016, blz. 34.


Tanzania
PDF 124kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018 over Tanzania (2018/2969(RSP))
P8_TA(2018)0527RC-B8-0570/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Tanzania, waaronder die van 12 maart 2015(1),

–  gezien de verklaring namens de EU van de hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini van 15 november 2018 over de betrekkingen tussen de EU en Tanzania,

–  gezien de lokale EU-verklaring van 23 februari 2018 over de toename van politiek geïnspireerd geweld en intimidatie in Tanzania,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2016 over de gelijkheid van LGBTI,

–  gezien de verklaring van Michelle Bachelet, Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens, van 2 november 2018 over de vervolging en arrestatie van LGBT in Tanzania,

–  gezien de door de Raad van de EU aangenomen toolkit voor de bevordering en bescherming van alle mensenrechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders ("LGBT-toolkit"),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren (AHRMV),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de ACS en de EU ("Overeenkomst van Cotonou"),

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat sinds de verkiezing van de Tanzaniaanse president John Pombe Magufuli in 2015 de grondrechten in het land worden ondermijnd door repressieve wetten en decreten; overwegende dat kritische journalisten, politici van de oppositie en uitgesproken activisten van het maatschappelijk middenveld te maken krijgen met bedreigingen, willekeurige opsluiting en intimidatie;

B.  overwegende dat er de afgelopen twee jaar in het land sprake is van toenemend geweld tegen en stigmatisering en gerichte arrestaties van LGBTI; overwegende dat relaties tussen personen van hetzelfde geslacht krachtens de wetgeving van Tanzania strafbare feiten zijn waarop een straf van 30 jaar tot levenslange opsluiting staat; overwegende dat de wetgeving tegen homoseksualiteit in Tanzania een van de strengste ter wereld is;

C.  overwegende dat vermeende homoseksuele mannen in Tanzania aan een gedwongen anaal onderzoek worden onderworpen, wat een verwerpelijke methode is om homoseksueel gedrag te "bewijzen", die de Verenigde Naties en de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en de volkeren aan de kaak stellen als foltering;

D.  overwegende dat Paul Makonda, de regionale commissaris van Dar es Salaam, een prominente voorstander van deze repressie is; overwegende dat hij tijdens een persconferentie op 31 oktober 2018 heeft aangekondigd een taskforce op te richten om homoseksuele mannen, prostituees en personen die op frauduleuze wijze fondsen werven op de sociale media op te sporen; overwegende dat hij het publiek heeft opgeroepen vermeende homoseksuelen aan te geven bij de autoriteiten;

E.  overwegende dat het Ministerie van Volksgezondheid de dienstverlening op gemeenschapsniveau op het gebied van hiv en aids voorlopig heeft stopgezet en inloophuizen voor belangrijke doelgroepen, waaronder homoseksuele mannen, heeft gesloten; overwegende dat het op 17 februari 2017 40 gezondheidscentra heeft gesloten omdat ze homoseksualiteit zouden hebben aangemoedigd; overwegende dat verschillende organisaties melden dat het harde optreden tegen LGBTI ertoe heeft geleid dat hiv-positieve mannen hun anti-retrovirale behandeling niet meer kunnen volgen, terwijl anderen niet langer toegang hebben tot tests en preventieve diensten;

F.  overwegende dat in november 2018 tien mannen op Zanzibar zijn gearresteerd omdat zij een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht zouden hebben voltrokken; overwegende dat op 17 oktober 2018 13 activisten op het gebied van gezondheid en mensenrechten zijn gearresteerd omdat ze hebben deelgenomen aan een vergadering om een wet te bespreken die de toegang van LGBTI tot bepaalde gezondheidsdiensten beperkt;

G.  overwegende dat veel kinderen en jongeren, en met name meisjes, worden blootgesteld aan schendingen van de mensenrechten en schadelijke praktijken, zoals wijdverbreid seksueel geweld, lijfstraffen, kindhuwelijken en tienerzwangerschappen, waardoor het voor hen moeilijk of zelfs onmogelijk wordt onderwijs te volgen; overwegende dat de Tanzaniaanse regering de toegang tot diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid belemmert en organisaties die informatie over deze diensten verstrekken intimideert;

H.  overwegende dat president Magufuli op 22 juni 2018 een verklaring heeft afgegeven die zwangere meisjes verbiedt naar school te gaan; overwegende dat de autoriteiten organisaties van het maatschappelijk middenveld intimideren die pleiten voor het recht van zwangere meisjes om terug naar school te gaan;

I.  overwegende dat de Tanzaniaanse Commissie voor mensenrechten en goed bestuur al enige tijd niet meer operationeel is; overwegende dat president Magufuli geen commissarissen of andere ambtsdragers in de Commissie heeft benoemd;

J.  overwegende dat de regering radiostations en kranten in particulier bezit heeft gesloten of bedreigd, en een einde heeft gemaakt aan de rechtstreekse uitzending van parlementaire debatten; overwegende dat lokale zenders en decoders die lokale kanalen de eter insturen gesloten zijn;

K.  overwegende dat het Tanzaniaanse parlement in 2015 de wet inzake cybercriminaliteit heeft goedgekeurd, en in september 2018 de wetgeving inzake online-inhoud, met de bedoeling de inhoud op de sociale media te controleren; overwegende dat in de in 2015 goedgekeurde wet inzake de statistiek is neergelegd dat het niet is toegestaan bepaalde door de regering meegedeelde statistieken te bespreken of in vraag te stellen;

L.  overwegende dat vooraanstaande oppositieleden regelmatig worden gearresteerd wegens beschuldigingen die gaan van vermeende belediging van de president tot valse informatie en opruiing; overwegende dat 20 leden van de grootste oppositiepartij van Tanzania in juli 2018 werden gearresteerd omdat zij zogezegd problemen veroorzaakten; overwegende dat meerdere aanhangers en parlementsleden van de oppositie sinds begin 2018 op gewelddadige wijze zijn aangevallen en zelfs vermoord; overwegende dat Godfrey Luena, een parlementslid van Tanzania's grootste oppositiepartij Chama Cha Demokrasia na Maendeleo (CHADEMA) en een notoir landrechtenactivist, op 22 februari 2018 buiten zijn huis met machetes werd gedood; overwegende dat in november 2018 de programmacoördinator van het Comité voor de bescherming van journalisten (CPJ), Africa Angela Quintal, en haar collega Muthoki Mumo werden gearresteerd en onder druk van internationale instellingen weer werden vrijgelaten;

M.  overwegende dat de ontwikkeling van het toerisme de afgelopen jaren heeft geleid tot een toename van de activiteiten, met name in de regio Serengeti waar de Masai wonen; overwegende dat de strijd om landbouwgrond of schaarse grond voor speculatieve doeleinden heeft geleid tot grote spanningen in het gebied;

N.  overwegende dat het hoofd van de EU-delegatie, Roeland van de Geer, gedwongen was het land te verlaten nadat de Tanzaniaanse autoriteiten steeds meer druk op hem uitoefenden; overwegende dat sinds de verkiezing van president Magufuli, het hoofd van UN Women, het hoofd van UNDP en het hoofd van de Unesco allen uit Tanzania zijn verdreven;

O.  overwegende dat de hoge vertegenwoordiger van de EU, Federica Mogherini, een uitgebreide toetsing van de betrekkingen van de Unie met Tanzania heeft aangekondigd;

1.  uit zijn bezorgdheid over de verslechterende politieke situatie in Tanzania, die wordt gekenmerkt door een inkrimping van de publieke ruimte als gevolg van de aanscherping van de beperkingen op de activiteiten van organisaties van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten, de media en veel politieke partijen; is met name bezorgd over de verslechterende situatie voor LGBTI;

2.  veroordeelt elke aansporing tot haat en geweld op grond van seksuele geaardheid; dringt er bij de Tanzaniaanse autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat Paul Makonda een einde maakt aan zijn provocatie van de LGBTI-gemeenschap en gerechtelijk wordt vervolgd wegens het aanzetten tot geweld;

3.  dringt aan op onafhankelijke onderzoeken naar aanvallen op journalisten, LGBTI, mensenrechtenactivisten en leden van de oppositie, om vermoedelijke daders voor de rechter te brengen;

4.  herinnert de Tanzaniaanse regering aan haar verplichting, met inbegrip van de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Cotonou, om de rechten, de waardigheid en de fysieke integriteit van al haar burgers in alle omstandigheden te beschermen;

5.  verzoekt Tanzania de wetten die homoseksualiteit strafbaar stellen in te trekken;

6.  spoort de EU en de lidstaten aan volledig gebruik te maken van de LGBT-toolkit om derde landen aan te moedigen homoseksualiteit uit het strafrecht te halen, geweld en discriminatie tegen te gaan en LGBTI-mensenrechtenactivisten te beschermen;

7.  dringt er bij de Tanzaniaanse autoriteiten op aan alle beperkende bepalingen in de wet inzake cybercriminaliteit, de wetgeving inzake elektronische en postcommunicatie (online inhoud) en de wet inzake mediadiensten te wijzigen en deze te vervangen door bepalingen die de vrijheid van meningsuiting en van de media waarborgen overeenkomstig de internationale normen op het gebied van de mensenrechten;

8.  dringt er bij de Tanzaniaanse autoriteiten op aan alle wetten, beleidsmaatregelen of andere belemmeringen voor diensten en informatie die vrouwen, meisjes en jonge moeders nodig hebben voor een gezond leven in te trekken, met name de verklaring van president Magufuli dat meisjes die bevallen zijn niet opnieuw naar school mogen gaan, met inbegrip van de intrekking van regelgeving die ervoor zorgt dat zwangere meisjes uit school worden gezet;

9.  dringt er bij de Tanzaniaanse president op aan de mensenrechtencommissie van het land zo spoedig mogelijk operationeel te maken, commissarissen aan te wijzen voor de follow-up van schendingen van de mensenrechten, en maatregelen te nemen om huishoudelijk personeel in het buitenland te ondersteunen;

10.  roept de Tanzaniaanse autoriteiten op om politieke gevangenen vrij te laten;

11.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de druk die de Tanzaniaanse regering uitoefent op het hoofd van de EU-delegatie, Roeland van de Geer; is ingenomen met het besluit van de Europese Unie en de lidstaten om het EU-beleid ten aanzien van Tanzania grondig te toetsen; benadrukt het belang van een politieke dialoog om van de Tanzaniaanse autoriteiten concrete toezeggingen te krijgen om een gunstig klimaat te scheppen voor de werking van het maatschappelijk middenveld, de politieke partijen en de media; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in de toekomstige partnerschapsovereenkomst tussen de ACS en de EU voor de periode na 2020 expliciet wordt verwezen naar niet-discriminatie op grond van seksuele geaardheid;

12.  uit zijn bezorgdheid over de situatie van de Masai; veroordeelt het gebruik van geweld door de autoriteiten en veiligheidstroepen;

13.  dringt er bij de Tanzaniaanse autoriteiten op aan doortastend op te treden om de rechten van organisaties van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten, journalisten, gezondheidswerkers en politieke activisten te beschermen, overeenkomstig de Tanzaniaanse grondwet, het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en de internationale en regionale verplichtingen en verbintenissen van het land;

14.  dringt er bij de EU op aan de mensenrechtensituatie in Tanzania nauwlettend te blijven volgen, met name via regelmatige verslaggeving door haar delegatie; verzoekt de delegatie van de Europese Unie en de lidstaten alles in het werk te stellen om noodbescherming en ondersteuning te bieden aan mensenrechtenactivisten die in gevaar verkeren;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de ACS-EU-Raad, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de instellingen van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, en de president, de regering en het parlement van Tanzania.

(1) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 122.


Blockchain: een toekomstgericht handelsbeleid
PDF 163kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018 over blockchain: een toekomstgericht handelsbeleid (2018/2085(INI))
P8_TA(2018)0528A8-0407/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 207, lid 3, en artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten,

–  gezien de Informatietechnologieovereenkomst van de Wereldhandelsorganisatie (WTO),

–  gezien het WTO-werkprogramma betreffende e-commerce,

–  gezien het handelsfacilitatieakkoord van de WTO,

–  gezien de herziene Overeenkomst van Kyoto van de Werelddouaneorganisatie,

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over virtuele valuta(1),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen(2),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2017 getiteld "Naar een digitale handelsstrategie"(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 mei 2017 over de evaluatie van de externe aspecten van de werking en het beheer van de douane als instrument om de handel te bevorderen en de illegale handel te bestrijden(4),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2017 inzake de gevolgen van de internationale handel en het handelsbeleid van de EU voor mondiale waardeketens(5),

–  gezien de gezamenlijke verklaring over handel en economische empowerment van vrouwen ter gelegenheid van de ministeriële conferentie van de WTO in Buenos Aires in december 2017(6),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(7),

–  gezien het voorstel van de Commissie inzake horizontale bepalingen voor grensoverschrijdende gegevensstromen voor de bescherming van persoonsgegevens (in handels- en investeringsovereenkomsten van de EU),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's over de uitvoering van de strategie voor handelsbeleid Handel voor iedereen: zorgen voor een vooruitstrevend handelsbeleid om de mondialisering in goede banen te leiden (COM(2017)0491),

–  gezien het verslag van de wetenschappelijke hoofdadviseur van het Britse rijksbureau voor wetenschap van 2016, getiteld "Distributed Ledger Technology: beyond blockchain"(8),

–  gezien het witboek van 2018 van het Centrum van de Verenigde Naties voor de bevordering van handel en elektronisch zakendoen (United Nations Centre for Trade Facilitation and Electronic Business — UN/CEFACT) over de technische toepassingen van blockchain,

–  gezien de verklaring van 10 april 2018 van 21 EU-lidstaten en Noorwegen inzake de oprichting van een Europees blockchain-partnerschap(9), waarna zich nog eens vijf lidstaten bij het partnerschap hebben aangesloten, waardoor het totaal aantal landen dat de overeenkomst heeft ondertekend nu 27 bedraagt,

–  gezien de lancering door de Commissie van het EU-blockchainwaarnemingscentrum en -forum op 1 februari 2018(10),

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 oktober 2017(11),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie burgerlijke vrijheden en binnenlandse zaken (A8-0407/2018),

A.  overwegende dat blockchain in dit verslag, tenzij anders vermeld, wordt opgevat als besloten particuliere gedistribueerde grootboeken (distributed ledger technology of DLT), die bestaan uit een gegevensbank met sequentiële gegevensblokken die op basis van een consensus tussen netwerkbeheerders worden toegevoegd;

B.  overwegende dat voor verschillende casestudies en sectoren het nut van een mengeling van particuliere en publieke en van besloten en open blockchains uiteen zal lopen;

C.  overwegende dat elk blok in een blockchain een hashcode bevat die de gegevens van vorige blokken verifieert, waardoor afzonderlijke partijen in staat zijn om met meer vertrouwen en controleerbaarheid transacties te sluiten, aangezien gegevens die in een grootboek worden opgeslagen, moeilijk te vervalsen zijn;

D.  overwegende dat opensourceblockchaintechnologie aan de basis ligt van de wereldwijde opkomst van besloten blockchains en daardoor de mate van deelnemersvertrouwen in een gegeven bedrijfsgerelateerd netwerk wordt bevorderd;

E.  overwegende dat blockchain bepaalde administrateurs in staat kan stellen om de rollen, verantwoordelijkheden, toegangsniveaus en valideringsrechten van de deelnemers duidelijk te bepalen;

F.  overwegende dat de mondiale handel gebaseerd is op een toeleveringssector van zo'n 16 biljoen EUR, waarin de hoge transactiekosten en omslachtige administratie tot complexe processen en systemen leiden die vatbaar zijn voor fouten;

G.  overwegende dat er veelbelovende proefinitiatieven zijn opgezet die de vervoerskosten kunnen drukken, de sector milieuvriendelijker kunnen maken en de economische prestaties kunnen verbeteren;

H.  overwegende dat er ten minste 202 overheidsinitiatieven voor blockchain zijn, in 45 over de gehele wereld verspreide landen, en dat met name economieën in de regio's Azië-Stille Oceaan, het Amerikaanse continent en het Midden-Oosten investeren in voor de handel bedoelde blockchaintechnologieën;

I.  overwegende dat blockchain kan leiden tot de versterking en verbetering van het Europese handelsbeleid, waaronder vrijhandelsovereenkomsten, overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning, in het bijzonder van geautoriseerde marktdeelnemers, beslissingen over de adequaatheid van gegevens en handelsbeschermingsmaatregelen;

J.  overwegende dat blockchain de transparantie en traceerbaarheid in de gehele toeleveringsketen in potentie sterk kan verbeteren, de mate van deelnemersvertrouwen in een gegeven netwerk kan verhogen, de douanecontroles en de naleving van de regelgeving kan stroomlijnen, de transactiekosten kan drukken, de onveranderlijkheid en beveiliging van gegevens kan versterken en als instrument ter bestrijding van corruptie kan fungeren; overwegende dat de potentiële voordelen gepaard gaan met verscheidene uitdagingen, waaronder cyberbeveiliging;

K.  overwegende dat met blockchain een kader voor transparantie in een toeleveringsketen kan worden verschaft, corruptie kan worden verminderd, belastingontduiking kan worden opgespoord, onwettige betalingen op het spoor kunnen worden gekomen en handelsgerelateerd witwassen kan worden aangepakt; overwegende dat er risico's zijn verbonden aan het gebruik van niet-besloten blockchaintoepassingen voor criminele activiteiten, waaronder belastingontduiking, belastingontwijking en handelsgerelateerd witwassen; overwegende dat deze zaken met spoed door de Commissie en de lidstaten moeten worden gemonitord en aangepakt;

L.  overwegende dat blockchain op het terrein van de internationale handel nog steeds in ontwikkeling is en daarom een innovatievriendelijke, faciliterende en stimulerende aanpak nodig heeft waarbij wordt gezorgd voor rechtszekerheid en het beginsel van technologieneutraliteit wordt geëerbiedigd, en tegelijkertijd de bescherming van consumenten, beleggers en van het milieu wordt bevorderd, de maatschappelijke waarde van de technologie wordt verhoogd, de digitale kloof wordt verkleind en de digitale vaardigheden van de burgers worden verbeterd;

M.  overwegende dat met blockchaintechnologie alle bij handel betrokken partijen, zowel publieke als private, in real time permanente toegang kunnen krijgen tot een onveranderlijke, van tijdstempels gebruik makende databank die op transacties betrekking hebbende documenten bevat, waarmee vertrouwen wordt gekweekt, nalevingsproblemen worden vermeden, en het gebruik van nagemaakte goederen of vervalste documenten wordt aangepakt;

N.  overwegende dat een aantal regionale en grootstedelijke gebieden van de EU al begonnen zijn deze technologie via specifieke op hun eigen kenmerken gebaseerde projecten en programma's te ontwikkelen, en netwerken voor het verspreiden van goede praktijken tot stand te brengen;

Handelsbeleid van de Europese Unie

1.  erkent dat de vrijhandelsovereenkomsten van de EU ondanks eerdere successen op handelsgebied een groot onbenut potentieel hebben en tot dusver nog steeds niet volledig worden ingezet – gemiddeld maakt slechts 67 % van de EU-exporteurs en 90 % van de EU-importeurs gebruik van de preferentiële tarieven in zowel de EU als de partnerlanden of -regio's van de EU – en ondersteunt een analyse van technische oplossingen die het gebruik van vrijhandelsovereenkomsten en de uitvoer kunnen doen toenemen; merkt op dat exporteurs al hun documenten naar een op blockchain berustende toepassing van een overheidsinstantie zouden kunnen uploaden en zouden kunnen aantonen dat zij voldoen aan de preferentiële behandeling die krachtens de vrijhandelsovereenkomst wordt verleend, zoals het in aanmerking komen voor preferentiële oorsprongsregels, sanitaire en fytosanitaire maatregelen, alsmede bepalingen inzake handel en duurzame ontwikkeling; is van mening dat blockchain voor versterking kan zorgen van de regels inzake cumulatie in vrijhandelsovereenkomsten;

2.  acht de procedures om certificering te verkrijgen voor zowel preferentiële als niet-preferentiële oorsprongsregels voor bedrijven prijzig en omslachtig; is van mening dat blockchain in het geval van preferentiële oorsprongsregels een rol kan spelen bij de vaststelling van de economische nationaliteit van een product; is daarnaast van mening dat blockchain in het geval van niet-preferentiële regels de evenredige toepassing van handelsbeschermingsinstrumenten door de Unie zou kunnen ondersteunen door transparantie te bieden over de herkomst van goederen die op de Europese markt worden gebracht en door een overzicht te bieden van de invoer om zo een gelijker speelveld voor bedrijven te waarborgen;

3.  benadrukt dat blockchain de agenda voor handel en duurzame ontwikkeling kan ondersteunen door vertrouwen te wekken in de herkomst van grondstoffen en goederen, door transparante productieprocessen en voorzieningsketens, en door te voldoen aan internationale regels op het gebied van arbeids-, sociale en milieurechten, gezien het bijzondere belang ervan wat betreft conflictmineralen, illegale handel in cultuurgoederen, exportcontrole en corruptie; benadrukt dat blockchain zou kunnen bijdragen aan de duurzaamheidsinspanningen van bedrijven en verantwoord ondernemingsgedrag zou kunnen bevorderen;

4.  is van mening dat overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning van geautoriseerde marktdeelnemers bedrijven in staat stellen om hun toeleveringsketens te diversifiëren doordat zij tijd en kosten in verband met grensoverschrijdende douanezaken besparen; stelt vast dat er problemen met de uitvoering zijn die moeten worden aangepakt; is van mening dat blockchain het potentieel biedt om de onzekerheid waarmee de tenuitvoerlegging van overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning van geautoriseerde marktdeelnemers gepaard gaat, weg te nemen via een naadloze gegevensuitwisseling;

Externe aspecten van douane en handelsbevordering

5.  is ingenomen met de handelsbevorderingsovereenkomst; ziet de overeenkomst als een basis voor de WTO-leden om nieuwe manieren te verkennen om de handel te vergemakkelijken, bijvoorbeeld via blockchain; toont zich verheugd over de inspanningen van de EU om het internationale op regels gebaseerde systeem van de WHO in stand te houden en over het feit dat de EU hecht aan een op regels gebaseerd handelssysteem om een gelijk speelveld te waarborgen en mondiale regels voor de handel te handhaven;

6.  is van mening dat blockchain douane-instanties in staat kan stellen om automatisch de nodige informatie voor een douaneaangifte te verkrijgen, de noodzaak van handmatige controles en het gebruik van papier kan beperken en alle relevante partijen gelijktijdig een nauwkeurig actueel overzicht kan geven van de status en kenmerken van goederen die de EU binnenkomen waardoor de tracerings- en opsporingscapaciteit alsook de transparantie worden verbeterd;

7.  is van mening dat digitalisering het mogelijk zal maken om informatie op een efficiëntere, meer transparante wijze uit te wisselen; is van mening dat blockchain producenten, laboratoria, logistieke bedrijven, regelgevende instanties en consumenten toegang kan geven tot alle benodigde informatie met betrekking tot bijvoorbeeld herkomst, keuringen, certificering en vergunningen, en de mogelijkheid geeft deze te delen; merkt op dat blockchain ook een rol kan spelen bij de passende uitgifte van elektronische certificaten; ziet digitalisering en het gebruik van applicaties in de toeleveringsketens als een absolute voorwaarde voor en een aanvulling op de volledige werking van blockchain; merkt op dat er tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen bestaan wat betreft digitalisering;

8.  is van mening dat de toepassing van blockchaintechnologie in de gehele toeleveringsketen de doelmatigheid, de snelheid en het volume van de mondiale handel kan vergroten door vermindering van de aan internationale transacties verbonden kosten en hulp aan bedrijven bij het vinden van nieuwe handelspartners, en kan leiden tot betere consumentenbescherming en meer vertrouwen in de digitale handel;

9.  onderstreept de toepasbaarheid van blockchain, met name op de volgende gebieden:

   a) versterking van de zekerheid over zowel de herkomst als de intellectuele eigendom van goederen, waardoor het risico wordt verminderd dat illegale goederen, waaronder vervalste en nagemaakte goederen, de toeleveringsketen binnendringen,
   b) verschaffing aan de autoriteiten van exacte informatie over het moment waarop een goed in toeleveringsketens mogelijk is beschadigd of er met het goed is geknoeid,
   c) verbetering van de transparantie en traceerbaarheid omdat alle deelnemers in staat zijn om hun transacties vast te leggen en deze informatie in het netwerk te delen,
   d) handhaving van de consumentenbescherming en het consumentenvertrouwen door consumenten gedetailleerde informatie te geven over goederen en bij te dragen tot de duurzaamheidsinspanningen van bedrijven,
   e) vermindering van de kosten van het beheer van toeleveringsketens, omdat de behoefte aan tussenpersonen en de daaraan verbonden kosten erdoor vervallen en het fysieke vereiste om papieren documenten aan te maken, te vervoeren en te verwerken, eveneens vervalt;
   f) verbetering van de toepassing van correcte accijns- en btw-betalingen, alsmede belastinginning in het handelsbeleid, en
   g) vermindering van de totale tijd dat goederen onderweg zijn door taken te automatiseren die normaal handmatig worden uitgevoerd; neemt nota van de daaraan verbonden voordelen, in het bijzonder aan just in time toeleveringsketens, om zowel de kosten als de CO2-voetafdruk van de logistieksector te verminderen;

10.  merkt op dat criminelen om hun illegale activiteiten zoals handelsgerelateerd witwassen te verhullen, wettige handel kunnen manipuleren door te knoeien met de benodigde informatie door middel van onjuiste verslaglegging zoals over- of onderwaardering van de betrokken goederen; is van mening dat douane- en andere autoriteiten door blockchain op tijdige, snelle en gecoördineerde wijze actie kunnen ondernemen om illegale geldstromen bloot te leggen;

Grensoverschrijdende gegevensstromen en gegevensbescherming

11.  erkent dat grensoverschrijdende gegevensstromen van wezenlijk belang zijn voor de internationale handel in goederen en diensten en de opzet van de blockchainarchitectuur;

12.  onderstreept hoe groot de mogelijkheden van blockchain zijn voor het valideren van transacties in een internationale toeleveringsketen, doordat toegangsniveaus en validatieprocedures worden vastgesteld voor de deelnemers;

13.  wijst op het verband tussen blockchain en grensoverschrijdende gegevensstromen voor de handel; merkt op dat een besloten particulier netwerk tussen grootboeken vertrouwen kan creëren tussen platforms door gegevens uit meerdere bronnen te integreren; erkent het belang van grensoverschrijdende gegevensstromen voor groei en werkgelegenheid; benadrukt het onderscheid tussen persoonsgegevens en niet-persoonsgebonden gegevens in de blockchains;

14.  erkent dat het verband tussen blockchain en de tenuitvoerlegging van de AVG een uitdaging vormt; benadrukt dat de toepassing van blockchain moet voldoen aan alle bestaande en toekomstige EU-wetgeving over gegevensbescherming en privacyregels; onderstreept dat blockchaintechnologie oplossingen kan aanreiken voor de "gegevensbescherming door ontwerp"-bepalingen in de tenuitvoerlegging van de AVG op basis van hun gemeenschappelijke beginselen van beveiligde, autonoom beheerde gegevens; benadrukt het beperkte effect van de AVG op commerciële transacties omdat besloten particuliere blockchains geen persoonsgegevens bevatten; erkent evenwel dat er behoefte is aan de nodige waarborgen en regelgevingstoezicht; onderstreept dat de AVG alleen van toepassing is als het om persoonsgegevens gaat; vraagt de Commissie om deze kwestie nader te bekijken;

15.  erkent dat blockchains moeten worden ontworpen met inachtneming van het recht om te worden vergeten en merkt op dat geverifieerde gebruikers van blockchain en blockchaintoepassingen op elk moment toegang moeten hebben tot alle gegevens die betrekking hebben op transacties waarbij zij direct of indirect zijn betrokken, overeenkomstig hun toegangsrechten;

16.  herhaalt zijn verzoek om voorzieningen waardoor het digitale ecosysteem volledig kan functioneren en om bevordering van grensoverschrijdende gegevensstromen in vrijhandelsovereenkomsten; merkt in dit verband op dat adequaatheidsbesluiten het vrij verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens niet ten goede komen; verzoekt de Commissie derhalve om in vrijhandelsovereenkomsten naar bindende en afdwingbare afspraken over gegevensoverdracht in vrijhandelsovereenkomsten te streven, ook voor niet-persoonsgebonden gegevens;

17.  benadrukt dat blockchain een nieuw paradigma in de opslag en het beheer van gegevens vormt waardoor vormen van menselijke interactie, markten, bankieren en internationale handel kunnen worden gedecentraliseerd; benadrukt dat de opkomst van blockchain leidt tot zowel kansen als uitdagingen op het gebied van gegevensbescherming, transparantie en financiële criminaliteit, omdat de gegevens onveranderlijk zijn zodra ze zijn ingevoerd en gedeeld met alle deelnemende partijen, waardoor ook de beveiliging en integriteit worden gewaarborgd; verzoekt dat al het mogelijke wordt gedaan, ook op nationaal niveau, om de onvervalsbaarheid en onveranderlijkheid van de technologie te waarborgen en ervoor te zorgen dat het grondrecht op de bescherming van gegevens niet in het gedrang komt;

18.  erkent dat de verhouding tussen blockchaintechnologieën en de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor gegevensbescherming, met name de algemene verordening gegevensbescherming (AVG), een uitdaging vormt, en herinnert eraan dat de verhouding dientengevolge een botsing zou kunnen onthullen tussen de bescherming van de grondrechten aan de ene kant en de bevordering van innovatie aan de andere kant; wijst op de noodzaak om ervoor te zorgen dat blockchain volledig in overeenstemming is met het EU-kader voor gegevensbescherming en de in het EU-recht vastgelegde beginselen volledig eerbiedigt, met name met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens als een grondrecht uit hoofde van artikel 8, lid 1, van het Handvest van de grondrechten en artikel 16, lid 1, van het VWEU;

19.  benadrukt voorts dat blockchains, deels vanwege het hierboven beschreven conflict, zeker niet automatisch gegevenssoevereiniteit ondersteunen, en dat zij daarom speciaal moeten worden ontworpen om dit te doen, aangezien blockchains ook een risico voor gegevensbescherming kunnen vormen;

20.  benadrukt dat blockchaintechnologie, wanneer deze goed is ontworpen, in overeenstemming moet zijn met het beginsel van "gegevensbescherming door ontwerp", dat dient om betrokkenen meer controle te geven over hun gegevens, in overeenstemming met de AVG; benadrukt bovendien dat persoonsgegevens in een blockchain gewoonlijk niet anoniem zijn, waardoor deze gegevens binnen het toepassingsgebied van de AVG worden gebracht; hamert erop dat blockchains volledig verenigbaar moeten zijn met het EU-recht, ook wanneer ze worden gebruikt voor de verwerking van persoonsgegevens; beveelt in dit verband aan dat in blockchains en toepassingen mechanismen worden opgenomen die ervoor zorgen dat gegevens volledig kunnen worden geanonimiseerd, zodat wordt gegarandeerd dat alleen gegevens worden opgeslagen die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

21.  wijst erop dat blockchaintoepassingen in de toekomst mechanismen moeten bevatten die de persoonsgegevens en het privéleven van gebruikers beschermen en die ervoor zorgen dat de gegevens volledig anoniem kunnen zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek, vooral academisch onderzoek, en innovatie te financieren op het gebied van nieuwe blockchaintechnologieën die verenigbaar zijn met de AVG en gebaseerd zijn op het beginsel van gegevensbescherming door ontwerp, zoals zk-SNARK (zero-knowledge succinct non-interactive arguments of knowledge);

22.  is van mening dat om de schending van het grondrecht op de bescherming van persoonsgegevens te voorkomen, blockchaintechnologie niet moet worden gebruikt voor de verwerking van persoonsgegevens tot de betrokken gebruikersorganisatie in staat is de naleving van de AVG te waarborgen en met name de eerbiediging van het recht op rectificatie en het recht op het wissen van gegevens te waarborgen;

23.  benadrukt dat gebruikers van blockchain zowel verwerkingsverantwoordelijken kunnen zijn voor de persoonsgegevens die zij naar het grootboek uploaden, als gegevensverwerkers omdat zij een volledige kopie van het grootboek op hun eigen computer opslaan;

24.  merkt op dat indien de blockchain persoonsgegevens bevat, de onveranderlijkheid van sommige blockchaintechnologieën waarschijnlijk onverenigbaar is met het in artikel 17 van de AVG bedoelde "recht op gegevenswissing";

25.  merkt met bezorgdheid op dat indien de blockchain persoonsgegevens bevat, de verspreiding van kopieën van gegevens in een blockchain waarschijnlijk onverenigbaar is met het in artikel 5 van de AVG bedoelde beginsel van minimale gegevensverwerking;

26.  verzoekt het Europees Comité voor gegevensbescherming richtsnoeren en aanbevelingen te verstrekken om ervoor te zorgen dat blockchaintechnologie strookt met het EU-recht;

27.  stelt met bezorgdheid vast dat niet wordt gerefereerd aan de ernstige implicaties van de manier waarop blockchaintechnologie wordt toegepast, met name op gebieden zoals de bestrijding van het witwassen van geld, belastingontduiking en de financiering van terrorisme; is van oordeel dat het eventuele gebruik van blockchaintechnologieën moet worden voorafgegaan door de afbakening van wat binnen en wat buiten de blockchain zal worden opgeslagen, waarbij persoonsgegevens buiten de blockchain worden opgeslagen;

Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's)

28.  is van mening dat innovatie op het gebied van blockchain en de bevordering van blockchain economische kansen kan creëren voor kmo's die willen internationaliseren en de kosten van export willen drukken, doordat het de contacten met klanten, douane-instanties, internationale en binnenlandse regelgevende instanties, en andere ondernemingen in de toeleveringsketen vergemakkelijkt; voegt eraan toe dat blockchaininfrastructuur kan helpen om producten en diensten snel en zonder hoge kosten op de markt te brengen;

29.  onderstreept de voordelen die blockchain zou kunnen opleveren voor kmo's, doordat het peer-to-peercommunicatie, -samenwerkingsinstrumenten en -betalingen mogelijk maakt, waardoor het gemakkelijker wordt om zaken te doen en het risico van wanbetaling en procedurekosten in verband met de nakoming van overeenkomsten door het gebruik van vereenvoudigde contracten afneemt; erkent dat moet worden gewaarborgd dat kmo's in de ontwikkeling van blockchain in de internationale handel worden meegenomen; benadrukt dat slimme overeenkomsten op dit moment wellicht nog niet ver genoeg gevorderd zijn om handhaving ervan binnen enige sectorale regulering mogelijk te maken, en dat een nadere beoordeling van de risico's nodig is;

30.  erkent de kansen, waaronder die voor kmo's, die voortkomen uit de invoering van blockchaintechnologie als onderdeel van het handelsbeleid van de EU en die onder meer kunnen leiden tot lagere transactiekosten en grotere efficiëntie; erkent daarnaast dat blockchain de mogelijkheid biedt om het vertrouwen in het huidige handelssysteem te verbeteren doordat de transacties onveranderlijk worden geregistreerd; erkent evenwel dat in gevallen die buiten toepassingsgebied van het handelsbeleid van de EU vallen, de toepassing van deze technologie een risico op het witwassen van geld meebrengt en mogelijk de financiering van georganiseerde misdaad faciliteert;

Interoperabiliteit, schaalbaarheid en interacties met verwante technologieën

31.  houdt rekening met de schaalbaarheidsuitdagingen waarmee de implementatie van blockchainsystemen gepaard gaat, in de context van expanderende internationale handelsnetwerken;

32.  wijst erop dat er steeds meer verschillende blockchains zijn die gegevens voor een transactie vastleggen in afzonderlijke particuliere en publieke grootboeken; erkent dat het steeds belangrijker wordt om een wereldwijde interoperabiliteitsnorm te ontwikkelen om transacties over verschillende blockchains heen te integreren rond de beweging van een artikel in een toeleveringsketen om de interoperabiliteit van systemen aan te moedigen; verzoekt de Commissie de samenwerking met de Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO) en andere relevante normalisatie-instanties te verbeteren;

33.  is zich bewust van de mogelijke interactie tussen blockchaintechnologie en andere innovaties op het gebied van internationale handel; onderstreept de noodzaak om de kansen en uitdagingen in verband met de ontwikkelingen op het gebied van blockchaintechnologie te analyseren; pleit voor verder onderzoek naar de toepasbaarheid hiervan op de digitale transformatie en de automatisering van internationale handel, en op de publieke sector, met name in het kader van het programma Digitaal Europa;

Conclusies

34.  verzoekt de Commissie om de ontwikkelingen op het gebied van blockchain te volgen, in het bijzonder de lopende proefprojecten/initiatieven in de internationale toeleveringsketen en externe aspecten van douane en regelgevingsprocessen; vraagt de Commissie om een horizontaal, alle relevante DG's betreffend strategiedocument uit te werken over de toepassing van blockchaintechnologieën in de handel en het beheer van toeleveringsketens en op het gebied van de intellectuele eigendom en in het bijzonder bij de bestrijding van namaak; verzoekt de Commissie de juridische en bestuurlijke aspecten van blockchain te beoordelen en na te gaan of blockchain betere oplossingen biedt voor bestaande en nieuwe technologieën waarmee actuele uitdagingen in het EU-handelsbeleid kunnen worden aangepakt; verzoekt de Commissie om de ontwikkelingen op het gebied van blockchain te volgen, in het bijzonder de lopende proefprojecten/initiatieven in de internationale toeleveringsketen; vraagt de Commissie om een strategiedocument uit te werken over de toepassing van blockchaintechnologieën in de handel en het beheer van toeleveringsketens; is van mening dat ernaar moet worden gestreefd voor projecten en initiatieven in internationale toeleveringsketens verschillende actoren uit de blockchainwereld aan te trekken en samen projecten te ontwikkelen waarbij de identiteit, herkomst en gegevensbewaring van een waaier van partners worden geïntegreerd;

35.  verzoekt de Commissie om een reeks grondbeginselen voor de toepassing van blockchain in internationale handel uit te werken, zodat aan het bedrijfsleven en de douane- en regelgevingsautoriteiten voldoende rechtszekerheid wordt geboden om het gebruik van blockchain en innovatie op dit terrein aan te moedigen; benadrukt dat het vaststellen van wetgeving voor de technologie die de basis vormt van de toepassingen belemmerend zou werken voor innovatie en de ontwikkeling van nieuwe toepassingen; onderstreept hoe belangrijk het is dat de EU, en met name het Europese bedrijfsleven, blijk geeft van leiderschap en ownership op het gebied van blockchaintechnologieën en een gelijk speelveld waarborgt met betrekking tot mondiale concurrentie en op de gebieden van ontwikkeling en regelgeving; wijst op het belang van dialoog en uitwisseling van methodes, en van het opbouwen van competentie en digitale vaardigheden; vraagt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten proefprojecten te lanceren en te superviseren waarbij gebruik wordt gemaakt van blockchaintechnologie in de internationale handel, zodat de voordelen daarvan kunnen worden getoetst;

36.  spoort de Commissie ertoe aan met de lidstaten samen te werken om de informatiestroom met betrekking tot handelsbevordering te vereenvoudigen en te verbeteren door onder meer geschikte informatie- en communicatietechnologie te gebruiken;

37.  verzoekt de Commissie om binnen DG Trade een adviesgroep inzake blockchain op te zetten en een beknopte conceptbeschrijving te ontwikkelen voor besloten particuliere proefprojecten, gericht op het gebruik van blockchain in de volledige toeleveringsketen, waarbij de douane- en andere grensoverschrijdende autoriteiten worden betrokken en de intellectuele eigendom en de bestrijding van namaak worden meegenomen; erkent dat blockchaintechnologie nog in een vroeg ontwikkelingsstadium verkeert, maar dat er niettemin behoefte is aan een sectorstrategie voor een doeltreffende toepassing van blockchain;

38.  vraagt de Commissie om te onderzoeken op welke manieren blockchain handel en duurzame ontwikkeling zou kunnen ondersteunen; herinnert aan het standpunt van het Parlement dat maatregelen ter ondersteuning van een digitale EU-handelsstrategie volledig moeten aansluiten bij en bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (de SDG's), waaronder de vijfde doelstelling, die gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen betreft; herinnert aan het standpunt van het Parlement dat het belangrijk is om de deelname van vrouwen aan STEM (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) te bevorderen en de genderkloof bij de toegang tot en het gebruik van nieuwe technologieën te dichten;

39.  vraagt de Commissie om beleidsonderzoeken uit te voeren naar de vraag hoe het handelsbeschermingsbeleid van de Unie door blockchain kan worden gemoderniseerd om de legitimiteit en handhaving van dat beleid te versterken;

40.  verzoekt de Commissie om te beoordelen of blockchainarchitectuur die particuliere gegevens buiten de keten houdt, optimaal is;

41.  verzoekt de Commissie na te gaan hoe het faciliteren en de veiligheid van de handel met behulp van blockchaintechnologie kan worden verbeterd, onder meer via het concept van "geautoriseerde marktdeelnemer";

42.  spoort de Commissie ertoe aan samen te werken met en bij te dragen aan het werk van internationale organisaties en aan de huidige projecten voor de ontwikkeling van een reeks normen en beginselen op basis waarvan regelgeving kan worden uitgewerkt om het gebruik van blockchain te bevorderen;

43.  verzoekt de Europese Unie en de lidstaten een leidende rol te spelen in de standaardisering en beveiliging van blockchain, en om samen te werken met internationale partners en alle relevante spelers en sectoren om normen te ontwikkelen voor blockchain, met inbegrip van terminologie, ontwikkeling en uitrol van de technologie in de handel en het beheer van voorzieningsketens; benadrukt dat cyberbeveiliging van essentieel belang is voor blockchaintoepassingen, ook in de internationale handel; verzoekt de Commissie de beveiligingsuitdagingen te onderzoeken, de technologische risico's zoals quantumcomputing te beoordelen en maatregelen te nemen om deze uitdagingen aan te pakken;

44.  verzoekt de Commissie om samen te werken met relevante belanghebbenden om een kader te evalueren en te ontwikkelen om uitdagingen met betrekking tot de interoperabiliteit en verenigbaarheid van blockchainsystemen aan te pakken;

45.  is ermee ingenomen dat het "EU-blockchainwaarnemingscentrum en -forum" is opgezet en spoort dit aan toepassingen te bestuderen die zijn gericht op het faciliteren van internationale handel; verzoekt de Commissie in dit verband te onderzoeken of het mandaat van het EU-blockchainwaarnemingscentrum en -forum kan worden verruimd en verzoekt de Commissie ook de betrokken lokale en mondiale belanghebbenden te betrekken bij het aanpakken van de nieuwe uitdagingen en om de steun van de besluitvormers te zoeken;

46.  verzoekt de Commissie het voortouw te nemen bij de beoordeling en verdere ontwikkeling van blockchaintechnologieën, onder meer in specifieke sectoren zoals de sectoren die binnen het handelsbeleid van de EU vallen, en om een adviesgroep inzake blockchain op te zetten, waarin deskundigen inzake de bestrijding van witwassen, belastingontduiking, gegevensbescherming en georganiseerde misdaad zitting zouden moeten hebben;

47.  herinnert de Commissie eraan dat de EU een kans heeft om een leidende rol te gaan spelen op het terrein van blockchain en internationale handel, en dat zij bij het vormgeven van de ontwikkeling van blockchain wereldwijd, samen met internationale partners, een invloedrijke speler dient te zijn;

o
o   o

48.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de EDEO.

(1) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 76.
(2) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 30.
(3) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 22.
(4) PB C 307 van 30.8.2018, blz. 44.
(5) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 33.
(6) https://www.wto.org/english/thewto_e/minist_e/mc11_e/genderdeclarationmc11_e.pdf
(7) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(8) https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/492972/gs-16-1-distributed-ledger-technology.pdf
(9) https://ec.europa.eu/digital-single-market/en/news/european-countries-join-blockchain-partnership
(10) http://europa.eu/rapid/press-release_IP-18-521_en.htm
(11) http://www.consilium.europa.eu/media/21620/19-euco-final-conclusions-en.pdf


Gepastheid van de door Japan geboden bescherming van persoonsgegevens
PDF 150kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018 over de gepastheid van de door Japan geboden bescherming van persoonsgegevens (2018/2979(RSP))
P8_TA(2018)0529B8-0561/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 6, 7, 8, 11, 16, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(1), en het overige relevante EU-acquis betreffende gegevensbescherming,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14 (Maximillian Schrems/Data Protection Commissioner)(2),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 december 2016 in gevoegde zaken C-203/15 (Tele2 Sverige AB/Post- och telestyrelsen) en C-698/15 (Secretary of State for the Home Department/Tom Watson e.a.)(3),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2017 getiteld "Naar een digitale handelsstrategie"(4),

–  gezien het document "Adequaatheidsreferentie" van de Groep artikel 29 van 6 februari 2018(5), dat de Commissie en het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) in het kader van de algemene verordening gegevensbescherming richtsnoeren biedt bij het beoordelen van het gegevensbeschermingsniveau in derde landen en internationale organisaties,

–  gezien het advies van het Europees Comité voor gegevensbescherming van 5 december 2018 over het ontwerp van adequaatheidsbesluit EU-Japan,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de adequate bescherming van persoonsgegevens door Japan (COM(2018)XXXX),

–  gezien de bevindingen van het bezoek van een ad-hocdelegatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken aan Japan in oktober 2017, dat werd georganiseerd in het kader van de onderhandelingen over de adequaatheid teneinde de betrokken Japanse autoriteiten en belanghebbenden te ontmoeten met betrekking tot de essentiële aspecten waarmee de Commissie rekening moet houden bij het vaststellen van haar adequaatheidsbesluit,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de algemene verordening gegevensbescherming sinds 25 mei 2018 van toepassing is; overwegende dat in artikel 45, lid 2, van de algemene verordening gegevensbescherming de aspecten zijn vastgelegd waarmee de Commissie rekening moet houden bij de beoordeling van de vraag of het beschermingsniveau in een derde land of internationale organisatie adequaat is;

B.  overwegende dat de Commissie met name rekening moet houden met de rechtsstatelijkheid, de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de toepasselijke algemene en sectorale wetgeving, onder meer inzake openbare veiligheid, defensie, nationale veiligheid, strafrecht en de toegang van overheidsinstanties tot persoonsgegevens, het bestaan en het effectief functioneren van een of meer onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten, en de internationale toezeggingen die het derde land of de internationale organisatie heeft gedaan;

C.  overwegende dat het Europees Hof van Justitie in zijn arrest van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14 (Maximillian Schrems/Data Protection Commissioner) heeft verduidelijkt dat een adequaat beschermingsniveau in een derde land moet worden opgevat als een niveau dat "in grote lijnen overeenkomt" met het niveau dat binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd op grond van Richtlijn 95/46/EG, gelezen in samenhang met het Handvest;

D.  overwegende dat Japan een van de belangrijkste handelspartners van de EU is, waarmee het onlangs een economische partnerschapsovereenkomst (EPO) heeft gesloten waarin gemeenschappelijke waarden en beginselen zijn vastgelegd en tegelijkertijd de gevoeligheden van beide partners worden beschermd; overwegende dat de gemeenschappelijke erkenning van de grondrechten, met inbegrip van privacy en gegevensbescherming, een belangrijke basis vormt voor het adequaatheidsbesluit, dat de rechtsgrond zal vormen voor de doorgifte van persoonsgegevens van de EU naar Japan;

E.  overwegende dat de ad-hocdelegatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken naar Japan werd gewezen op de interesse van de Japanse autoriteiten en belanghebbenden in de toepassing van de nieuwe algemene verordening gegevensbescherming zelf, maar ook in de ontwikkeling van een robuust en hoogwaardig mechanisme voor de doorgifte van persoonsgegevens tussen de EU en Japan dat voldoet aan de voorwaarden van het EU-rechtskader met betrekking tot het beschermingsniveau dat geacht wordt in grote lijnen overeen te komen met het door de EU-gegevensbeschermingswetgeving geboden niveau;

F.  overwegende dat de doorgifte van persoonsgegevens tussen de EU en Japan voor commerciële doeleinden gezien de almaar toenemende digitalisering van de wereldeconomie een belangrijk aspect vormt van de betrekkingen tussen de EU en Japan; overwegende dat dergelijke doorgiften moeten worden uitgevoerd op basis van volledige inachtneming van het recht op de bescherming van persoonsgegevens en het recht op privacy; overwegende dat een van de fundamentele doelstellingen van de EU de bescherming van de grondrechten is, zoals verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

G.  overwegende dat de EU en Japan in januari 2017 besprekingen zijn gestart om de doorgifte van persoonsgegevens voor commerciële doeleinden te vergemakkelijken door middel van het allereerste "wederzijdse adequaatheidsbesluit"; overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 12 december 2017 getiteld "Naar een digitale handelsstrategie" uitdrukkelijk "erkent dat adequaatheidsbesluiten [...] fundamentele mechanismen zijn voor het waarborgen van een veilige overdracht van persoonsgegevens van de EU naar een derde land";

H.  overwegende dat het besluit inzake de adequaatheid van de doorgifte van persoonsgegevens naar Japan het eerste besluit zou zijn dat genomen wordt uit hoofde van de nieuwe, strengere bepalingen van de algemene verordening gegevensbescherming;

I.  overwegende dat Japan onlangs zijn gegevensbeschermingswetgeving heeft gemoderniseerd en versterkt om deze in overeenstemming te brengen met de internationale normen, in het bijzonder met de door het nieuwe Europese wetgevingskader voor gegevensbescherming geboden waarborgen en individuele rechten; overwegende dat het Japanse rechtskader voor gegevensbescherming uit verschillende pijlers bestaat, waarbij de wet inzake de bescherming van persoonlijke informatie (APPI) het centrale wetgevingsdocument vormt;

J.  overwegende dat het Japanse kabinet op 12 juni 2018 een kabinetsbesluit heeft aangenomen waarbij aan de Commissie voor de bescherming van persoonlijke informatie (PPC), als de autoriteit die bevoegd is voor het beheer en de tenuitvoerlegging van de APPI, de bevoegdheid wordt overgedragen om de nodige maatregelen te nemen om de verschillen in systemen en verrichtingen tussen Japan en het betrokken derde land op basis van artikel 6 van de wet te overbruggen teneinde een passende behandeling van de van dat land ontvangen persoonlijke informatie te waarborgen; overwegende dat dit op grond van dit besluit de bevoegdheid omvat om voor een betere bescherming te zorgen door de PPC strengere regels te laten goedkeuren die de in de APPI en het kabinetsbesluit vastgestelde regels aanvullen en overstijgen; overwegende dat deze strengere regels krachtens dit besluit bindend en afdwingbaar zouden zijn voor Japanse bedrijfsexploitanten;

K.  overwegende dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de adequate bescherming van persoonsgegevens door Japan vergezeld gaat van de aanvullende regels die de PPC op 15 juni 2018 heeft goedgekeurd (opgenomen in bijlage I) en die gebaseerd zijn op artikel 6 van de APPI, op grond waarvan de PPC uitdrukkelijk de mogelijkheid krijgt om strengere regels vast te stellen, onder meer om internationale gegevensdoorgiften te vergemakkelijken; overwegende dat de aanvullende regels nog niet openbaar zijn;

L.  overwegende dat deze aanvullende regels tot doel zouden hebben de relevante verschillen tussen het Japanse en het EU-gegevensbeschermingsrecht aan te pakken met het oog op het waarborgen van een passende behandeling van persoonlijke informatie die van de EU wordt ontvangen op basis van een adequaatheidsbesluit, met name met betrekking tot persoonlijke informatie waarvoor een speciale behandeling vereist is (gevoelige gegevens), bewaarde persoonsgegevens, de vaststelling van het doel van de verwerking, beperkingen ten gevolge van het doel van de verwerking, beperkingen op het verstrekken van informatie aan derden in een ander land en anoniem verwerkte informatie;

M.  overwegende dat de aanvullende regels juridisch bindend zouden zijn voor bedrijfsexploitanten die persoonlijke informatie verwerken en persoonsgegevens ontvangen die op basis van een adequaatheidsbesluit vanuit de EU worden doorgegeven, dat deze regels en de daarmee verband houdende rechten en plichten daarom door hen moeten worden nageleefd, en dat de regels door zowel de PPC als de Japanse rechtbanken afdwingbaar zouden zijn;

N.  overwegende dat, teneinde een beschermingsniveau dat "in grote lijnen overeenkomt" te waarborgen voor persoonsgegevens die vanuit de EU naar Japan worden doorgegeven, de aanvullende regels extra beschermingsmaatregelen tot stand brengen die van toepassing zijn op basis van strengere voorwaarden of beperkingen voor de verwerking van persoonsgegevens die vanuit de EU worden doorgegeven, bijvoorbeeld in het geval van persoonsgegevens waarvoor een speciale behandeling vereist is, verdere doorgifte, anonieme gegevens en doelbinding;

O.  overwegende dat er in het Japanse rechtskader inzake gegevensbescherming onderscheid wordt gemaakt tussen "persoonlijke informatie" en "persoonsgegevens" en, in sommige gevallen, wordt verwezen naar een specifieke categorie persoonsgegevens, namelijk "bewaarde persoonsgegevens";

P.  overwegende dat overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de APPI het begrip "persoonlijke informatie" alle informatie omvat die betrekking heeft op een levende persoon aan de hand waarvan die persoon kan worden geïdentificeerd; overwegende dat in de definitie onderscheid wordt gemaakt tussen twee categorieën persoonlijke informatie, namelijk i) individuele identificatiecodes en ii) andere persoonlijke informatie, aan de hand waarvan een specifieke persoon kan worden geïdentificeerd; overwegende dat de laatste categorie informatie omvat die op zichzelf identificatie niet mogelijk maakt, maar gemakkelijk met andere informatie kan worden gecombineerd om een specifieke persoon te identificeren;

Q.  overwegende dat overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de APPI onder "persoonsgegevens" persoonlijke informatie wordt verstaan die is opgenomen in een databank met persoonlijke informatie, enz.; overwegende dat in artikel 2, lid 1, van de APPI wordt gespecificeerd dat de informatie in dergelijke databanken systematisch wordt geordend, vergelijkbaar met het concept van een bestand als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de algemene verordening gegevensbescherming; overwegende dat overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de algemene verordening gegevensbescherming onder "persoonsgegevens" iedere informatie wordt verstaan betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; overwegende dat een identificeerbare natuurlijke persoon een natuurlijke persoon is die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens of een online identificator, of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon; overwegende dat bij het bepalen of een natuurlijke persoon identificeerbaar is, rekening moet worden gehouden met alle middelen waarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat zij worden gebruikt door de verwerkingsverantwoordelijke of door een andere persoon om de natuurlijke persoon direct of indirect te identificeren, bijvoorbeeld selectietechnieken;

R.  overwegende dat "bewaarde persoonsgegevens" overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de APPI persoonsgegevens zijn die een met de verwerking van persoonlijke informatie belaste bedrijfsexploitant mag vrijgeven, corrigeren, wissen of wijzigen door inhoud toe te voegen of te verwijderen, en waarvan hij het gebruik of de verstrekking aan derden mag beëindigen, en niet de gegevens zijn die bij kabinetsbesluit worden aangemerkt als mogelijk schadelijk voor het openbaar belang of een ander belang indien het al dan niet bestaan ervan wordt bekendgemaakt, noch de gegevens die binnen een bij kabinetsbesluit voorgeschreven termijn van niet meer dan een jaar moeten worden verwijderd; overwegende dat de aanvullende regels het begrip "bewaarde persoonsgegevens" op één lijn brengen met het begrip "persoonsgegevens" om ervoor te zorgen dat bepaalde beperkingen van de individuele rechten die aan eerstgenoemde gegevens zijn verbonden, niet van toepassing zijn op gegevens die vanuit de EU worden doorgegeven;

S.  overwegende dat het Japanse gegevensbeschermingsrecht, dat het voorwerp vormt van het ontwerp van uitvoeringsbesluit, diverse sectoren van zijn toepassingsgebied uitsluit wanneer zij persoonsgegevens verwerken voor specifieke doeleinden; overwegende dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit niet van toepassing zou zijn op de doorgifte van persoonsgegevens vanuit de EU naar een ontvanger die onder een van bovengenoemde uitzonderingen valt waarin het Japanse gegevensbeschermingsrecht voorziet;

T.  overwegende dat, voor wat verdere doorgifte van EU-persoonsgegevens vanuit Japan naar een derde land betreft, het ontwerp van uitvoeringsbesluit het gebruik uitsluit van doorgifte-instrumenten die geen bindende relatie tot stand brengen tussen de Japanse gegevensexporteur en de gegevensimporteur uit het derde land en niet het vereiste beschermingsniveau garanderen; overwegende dat dit bijvoorbeeld het geval zou zijn voor de regeling voor grensoverschrijdende privacyregels van de economische samenwerking Azië-Stille Oceaan (APEC), waarvan Japan een deelnemende economie is, aangezien in deze regeling de bescherming niet voortvloeit uit een bindende overeenkomst tussen exporteur en importeur in het kader van hun bilaterale betrekkingen en duidelijk van een lager niveau is dan het niveau dat wordt gewaarborgd door de combinatie van de APPI en de aanvullende regels;

U.  overwegende dat het Europees Comité voor gegevensbescherming in zijn advies van 5 december 2018 op basis van de door de Commissie verstrekte documentatie beoordeelt of het Japanse rechtskader voor gegevensbescherming natuurlijke personen voldoende waarborgen biedt voor een adequaat gegevensbeschermingsniveau; overwegende dat het Europees Comité voor gegevensbescherming verheugd is over de inspanningen van de Commissie en de Japanse PPC om het Japanse en het Europese rechtskader beter op elkaar af te stemmen met het oog op het vergemakkelijken van de doorgifte van persoonsgegevens; overwegende dat het Europees Comité voor gegevensbescherming erkent dat de door de aanvullende regels aangebrachte verbeteringen om een aantal van de verschillen tussen beide kaders te overbruggen van groot belang zijn en goed worden ontvangen; overwegende dat het Comité erop wijst dat er nog een aantal punten van zorg bestaan, zoals de bescherming van persoonsgegevens die van de EU naar Japan worden doorgegeven gedurende hun hele "levenscyclus", en beveelt de Commissie aan meer feitenmateriaal en uitleg te verstrekken over de aan de orde gestelde kwesties en nauwlettend toe te zien op de daadwerkelijke toepassing van de regels;

V.  overwegende dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit ook vergezeld gaat van een brief van de minister van Justitie van 14 september 2018 (bijgevoegd als bijlage II bij de uitvoeringsbesluit) waarin wordt verwezen naar een door het Ministerie van Justitie en diverse andere ministeries en agentschappen opgesteld document over de verzameling en het gebruik van persoonlijke informatie door Japanse overheidsinstanties met het oog op rechtshandhaving en de nationale veiligheid, waarin een overzicht van het toepasselijke rechtskader wordt gegeven en de Commissie officiële verklaringen, toezeggingen en verbintenissen ontvangt die op het hoogste niveau van de ministeries en agentschappen zijn ondertekend;

1.  neemt kennis van de gedetailleerde analyse van de Commissie in haar ontwerp van uitvoeringsbesluit met betrekking tot de waarborgen, met inbegrip van toezichts- en verhaalmechanismen, die van toepassing zijn op de verwerking van gegevens door commerciële exploitanten en op de toegang tot gegevens voor Japanse overheidsinstanties, met name op het gebied van rechtshandhaving en nationale veiligheid;

2.  neemt kennis van het feit dat Japan tegelijkertijd ook voorbereidingen treft voor de erkenning van het niveau van bescherming van persoonsgegevens die overeenkomstig artikel 23 van de APPI vanuit Japan naar de EU worden doorgegeven, wat het allereerste "tweerichtingsbesluit" op het vlak van adequaatheid ter wereld met zich mee zou brengen dat zou leiden tot de totstandbrenging van 's werelds grootste ruimte van vrije en veilige gegevensstromen;

3.  beschouwt deze ontwikkeling als een uiting van de wereldwijde verspreiding van hoge normen voor gegevensbescherming; wijst er echter op dat dit op geen enkele manier mag leiden tot een "leer om leer"-aanpak bij EU-adequaatheidsbesluiten; herinnert eraan dat de Commissie, voor een adequaatheidsbesluit in het kader van de algemene verordening gegevensbescherming, de juridische en concrete situatie in een derde land, grondgebied, sector of internationale organisatie objectief moet beoordelen;

4.  wijst erop dat het Europees Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de uitdrukking "passend beschermingsniveau" niet hetzelfde beschermingsniveau als dat binnen de EU hoeft in te houden, maar zo moet worden opgevat dat wordt vereist dat het derde land, op grond van zijn nationale wetgeving of zijn internationale verbintenissen, een niveau van bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden biedt dat in grote lijnen overeenkomt met het niveau dat binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd op grond van de algemene verordening gegevensbescherming, gelezen in samenhang met het Handvest;

5.  merkt op dat het recht op privacy en op persoonsgegevensbescherming zowel in Japan als in de EU wordt gegarandeerd in de grondwet, maar dat de EU-regels en de Japanse regels niet volledig met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht, gezien de verschillen in constitutionele structuur en cultuur;

6.  neemt kennis van de op 30 mei 2017 in werking getreden wijzigingen van de APPI; is ingenomen met de substantiële verbeteringen;

7.  merkt op dat de categorieën bedrijfs- en verwerkingsactiviteiten die zijn uitgesloten van de materiële werkingssfeer van de APPI uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het adequaatheidsbesluit;

8.  is van mening dat de systemen voor gegevensbescherming van de EU en Japan, na de goedkeuring van de gewijzigde APPI en van de algemene verordening gegevensbescherming in 2016, een hoge mate van convergentie hebben bereikt wat betreft beginselen, waarborgen en individuele rechten, alsook toezichts- en handhavingsmechanismen; wijst er in het bijzonder op dat de gewijzigde APPI heeft geleid tot de oprichting van een onafhankelijke toezichthoudende autoriteit, te weten de PPC;

9.  merkt echter op dat de PPC zelf van oordeel is dat er, ondanks de hoge mate van convergentie tussen de twee systemen, sprake is van een aantal belangrijke verschillen; merkt tevens op dat de PPC op 15 juni 2018 de aanvullende regels heeft vastgesteld om te zorgen voor een hoger niveau van bescherming van persoonsgegevens die vanuit de EU worden doorgegeven;

10.  is verheugd over een aantal belangrijke verduidelijkingen in de aanvullende regels, waaronder de afstemming van "geanonimiseerde persoonlijke informatie" in de APPI op de definitie van "anonieme informatie" in de algemene verordening gegevensbescherming;

11.  is van mening dat de extra beschermingsmaatregelen van de aanvullende regels alleen betrekking hebben op doorgiften in het kader van adequaatheidsbesluiten; herinnert eraan dat, gezien de werkingssfeer van het adequaatheidsbesluit, sommige gegevensdoorgiften zullen worden uitgevoerd in het kader van deze andere beschikbare mechanismen;

12.  erkent dat de extra beschermingsmaatregelen zoals uiteengezet in de aanvullende regels beperkt blijven tot persoonsgegevens die vanuit Europa worden doorgegeven, en dat bedrijfsexploitanten die tegelijkertijd Japanse en Europese persoonsgegevens moeten verwerken derhalve verplicht worden de aanvullende regels na te leven, bijvoorbeeld door te zorgen voor technische middelen ("taggen") of organisatorische middelen (bijvoorbeeld opslag in een specifieke databank) om dergelijke persoonsgegevens gedurende hun hele "levenscyclus" te kunnen identificeren; verzoekt de Commissie toezicht te houden op de situatie ter voorkoming van mogelijke mazen in de wetgeving waardoor exploitanten de in de aanvullende regels vastgelegde verplichtingen kunnen omzeilen door gegevens door te geven via derde landen;

13.  merkt op dat de definitie van "persoonsgegevens" in de APPI gegevens uitsluit die bij kabinetsbesluit zijn omschreven als gegevens die waarschijnlijk niet schadelijk zijn voor de rechten en belangen van een persoon, gezien de wijze waarop zij worden gebruikt; dringt er bij de Commissie op aan na te gaan of deze op schade gebaseerde aanpak verenigbaar is met de EU-aanpak waarbij alle vormen van verwerking van persoonsgegevens onder het toepassingsgebied van het gegevensbeschermingsrecht vallen; merkt echter ook op dat deze benadering in een zeer beperkt aantal situaties van toepassing zou zijn;

14.  merkt voorts op dat de definitie van "persoonlijke informatie" in de APPI beperkt is tot informatie aan de hand waarvan een specifieke persoon kan worden geïdentificeerd; merkt ook op dat in deze definitie niet wordt verwezen naar de verduidelijking in de algemene verordening gegevensbescherming dat persoonlijke informatie ook als persoonsgegevens moet worden beschouwd wanneer deze slechts kan worden gebruikt om een persoon middels "selectietechnieken" te identificeren, zoals duidelijk is vastgesteld door het Europees Hof van Justitie;

15.  vreest dat de engere definitie van "persoonsgegevens" (op basis van de definitie van "persoonlijke informatie") in de APPI mogelijk niet voldoet aan de norm dat zij "in grote lijnen overeen" moet komen met de algemene verordening gegevensbescherming en de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie; plaatst daarom vraagtekens bij de verklaring in het ontwerp van uitvoeringsbesluit dat EU-gegevens altijd onder de categorie "persoonsgegevens" in het kader van de APPI zullen vallen; verzoekt de Commissie nauw toe te zien op de praktische gevolgen van de verschillende concepten bij de toepassing van het adequaatheidsbesluit en de periodieke toetsing daarvan;

16.  verzoekt de Commissie nadere toelichting te geven en, zo nodig, de Japanse autoriteiten om verdere bindende aanvullende regels te verzoeken om ervoor te zorgen dat alle persoonsgegevens in de zin van de algemene verordening gegevensbescherming worden beschermd wanneer ze naar Japan worden doorgegeven;

17.  merkt bezorgd op dat, in tegenstelling tot het EU-recht, noch de APPI, noch de PCC-richtsnoeren wettelijke bepalingen met betrekking tot geautomatiseerde besluitvorming en profilering bevatten en dat uitsluitend bepaalde sectorale regels betrekking hebben op deze kwestie, zonder een omvattend wettelijk kader te bieden met substantiële en krachtige bescherming tegen geautomatiseerde besluitvorming en profilering; verzoekt de Commissie te laten zien op welke wijze dit in het Japanse gegevensbeschermingskader wordt aangepakt om een gelijkwaardig beschermingsniveau te waarborgen; is van mening dat dit met name van belang is met het oog op de recente gevallen van profilering bij Facebook/Cambridge Analytica;

18.  is van mening dat er in het licht van de Adequaatheidsreferentie van het EDPB nadere diepgaande verduidelijkingen nodig zijn met betrekking tot direct marketing, gezien het gebrek aan specifieke bepalingen in de APPI, teneinde aan te tonen dat Japan over een gelijkwaardig niveau van persoonsgegevensbescherming beschikt;

19.  neemt nota van het advies van het Europees Comité voor gegevensbescherming, waarin diverse punten van zorg worden genoemd, zoals de bescherming van persoonsgegevens die vanuit de EU naar Japan worden doorgegeven gedurende hun hele "levenscyclus"; verzoekt de Commissie een passende aanpak te volgen en in het uitvoeringsbesluit meer feitenmateriaal en uitleg te verstrekken waaruit blijkt dat er sprake is van passende waarborgen;

20.  verzoekt de Commissie te verduidelijken, voor wat verdere doorgiften betreft, of de oplossing in de aanvullende regels – die erin bestaat dat EU-betrokkenen vooraf toestemming moeten geven voor verdere doorgifte aan een derde partij in een ander land – bepaalde essentiële elementen ontbeert die de betrokkenen in staat zouden stellen hun toestemming te formuleren, aangezien hierin niet uitdrukkelijk wordt bepaald wat onder het begrip "informatie over de omstandigheden van de doorgifte die nodig is om de [betrokkene] in staat te stellen een besluit te nemen over zijn/haar toestemming" valt, in overeenstemming met artikel 13 van de algemene verordening gegevensbescherming, zoals het derde land van bestemming van de verdere doorgifte; verzoekt de Commissie de gevolgen voor de betrokkene in geval van weigering van toestemming voor verdere doorgifte van zijn of haar persoonsgegevens nader te verduidelijken;

21.  betreurt het dat, voor wat de effectieve handhaving van de APPI betreft, het niveau van mogelijke boetes die door de strafrechtelijke autoriteiten zouden worden opgelegd niet toereikend is om een doeltreffende naleving van de wet te waarborgen, omdat het niet evenredig, doeltreffend of afschrikkend lijkt te zijn in verhouding tot de ernst van de inbreuk; merkt echter op dat de APPI ook voorziet in strafrechtelijke sancties, met inbegrip van gevangenisstraffen; verzoekt de Commissie informatie te verstrekken over het daadwerkelijke gebruik van administratieve boetes en strafrechtelijke sancties in het verleden;

22.  neemt kennis van het feit dat de PPC weliswaar geen toezicht houdt op de gegevensverwerkingsactiviteiten van de rechtshandhavingssector, maar dat er andere toezichtmechanismen bestaan, waaronder toezicht door de onafhankelijke Departementale Commissie voor openbare veiligheid; merkt op dat het orgaan voor de beoordeling van openbaarmaking van informatie en bescherming van persoonlijke informatie ook over een aantal bevoegdheden op dit gebied beschikt, met inbegrip van het beoordelen van verzoeken om toegang en het publiceren van adviezen, maar wijst erop dat deze bevoegdheden niet juridisch bindend zijn; is ingenomen met het feit dat de EU en Japan zijn overeengekomen een specifiek verhaalmechanisme in het leven te roepen, dat door de PPC wordt beheerd en gecontroleerd en dat van toepassing zal zijn op de verwerking van persoonsgegevens in de rechtshandhavings- en nationale veiligheidssector;

23.  merkt op dat bedrijfsexploitanten krachtens de Japanse wet op de bescherming van persoonlijke informatie in het bezit van administratieve organen (APPIHAO) ook op vrijwillige basis gegevens kunnen verstrekken aan rechtshandhavingsinstanties; wijst erop dat dit niet is voorzien in de algemene verordening gegevensbescherming of de politierichtlijn en verzoekt de Commissie na te gaan of deze wet voldoet aan de norm krachtens welke zij "in grote lijnen overeen" moet komen met de algemene verordening gegevensbescherming;

24.  is op de hoogte van berichten in de media over het Japanse directoraat voor Signaalinlichtingen (DFS), dat ongeveer 1 700 mensen in dienst heeft en beschikt over ten minste zes toezichtsystemen die permanent telefoongesprekken afluisteren en e-mails en andere communicatie onderscheppen(6); maakt zich zorgen over het feit dat dit ongedifferentieerde massatoezicht niet eens genoemd wordt in het ontwerp van uitvoeringsbesluit; verzoekt de Commissie meer informatie te verstrekken over het Japanse massatoezicht; vreest ten zeerste dat dit massatoezicht niet voldoet aan de criteria die het Europees Hof van Justitie in het arrest-Schrems (zaak C-362/14) heeft vastgesteld;

25.  betreurt dat het document over de verzameling en het gebruik van persoonlijke informatie door Japanse overheidsinstanties met het oog op rechtshandhaving en de nationale veiligheid, dat deel uitmaakt van bijlage II bij het ontwerp van uitvoeringsbesluit, niet hetzelfde juridisch bindende effect heeft als de aanvullende regels;

Conclusies

26.  verzoekt de Commissie om meer feitenmateriaal en uitleg over bovengenoemde kwesties, met inbegrip van die welke het Europees Comité voor gegevensbescherming noemt in zijn advies van 5 december 2018, teneinde aan te tonen dat het Japanse rechtskader voor gegevensbescherming een adequaat beschermingsniveau garandeert dat in grote lijnen overeenkomt met dat van het Europese rechtskader voor gegevensbescherming;

27.  is van mening dat dit adequaatheidsbesluit bovendien aan landen in de hele wereld het sterke signaal kan afgeven dat convergentie met de hoge gegevensbeschermingsnormen van de EU zeer tastbare resultaten oplevert; benadrukt in dit verband het belang van dit adequaatheidsbesluit als precedent voor toekomstige partnerschappen met andere landen die moderne gegevensbeschermingswetten hebben aangenomen;

28.  verzoekt de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken te blijven toezien op de ontwikkelingen op dit gebied, met inbegrip van de zaken die voor het Hof van Justitie worden gebracht, en om toe te zien op het gevolg dat wordt gegeven aan de aanbevelingen van deze resolutie;

o
o   o

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het Europees Comité voor gegevensbescherming, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, het op grond van artikel 93, lid 1, van de algemene verordening gegevensbescherming ingestelde comité, de Raad van Europa en de regering van Japan.

(1) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(2) ECLI:EU:C:2015:650.
(3) ECLI:EU:C:2016:970.
(4) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 22.
(5) http://ec.europa.eu/newsroom/article29/item-detail.cfm?item_id=614108; goedgekeurd door het EDPB tijdens zijn eerste plenaire vergadering.
(6) Ryan Gallagher, "The Untold Story of Japan's Secret Spy Agency", The Intercept, 19 mei 2018, https://theintercept.com/2018/05/19/japan-dfs-surveillance-agency/


Belangenconflict en de bescherming van de EU-begroting in Tsjechië
PDF 168kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement Resolutie van 13 december 2018 over belangenconflicten en de bescherming van de EU-begroting in de Tsjechische Republiek (2018/2975(RSP))
P8_TA(2018)0530RC-B8-0582/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere besluiten en resoluties over het verlenen van kwijting aan de Commissie(1) voor de jaren 2014, 2015 en 2016,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie(2) (het nieuwe Financieel Reglement), met name artikel 61 over belangenconflicten,

–  gezien de vragen aan de Commissie die zijn toegezonden door de Tsjechische Piratenpartij op 2 augustus 2018,

–  gezien de officiële klacht die bij de Commissie is ingediend door Transparency International Tsjechische Republiek op 19 september 2018,

–  gezien het advies van de Juridische Dienst van de Commissie van 19 november 2018 over de impact van artikel 61 van het nieuwe Financieel Reglement (belangenconflicten) op betalingen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) ("Impact of Article 61 of the new Financial Regulation (conflict of interests) on payments from the European Structural and Investment (ESI) Funds"),

–  gezien de presentatie die het directoraat-generaal Begroting van de Commissie op 20 november 2018 heeft gegeven aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement over de regels inzake belangenconflicten in het Financieel Reglement 2018 ("Conflict of Interests Rules in the Financial Regulation 2018"),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de bepaling in het Financieel Reglement van 2012 inzake belangenconflicten niet expliciet van toepassing was op gedeeld beheer, maar dat de lidstaten wel verplicht waren effectieve interne controle te waarborgen, met inbegrip van het vermijden van belangenconflicten;

B.  overwegende dat de regels inzake openbare aanbestedingen de lidstaten verplichten belangenconflicten te vermijden (artikel 24 van Richtlijn 2014/24/EU(3)), inclusief directe of indirecte persoonlijke belangen, en dat voor situaties die als belangenconflicten kunnen worden beschouwd of specifieke verplichtingen bij gedeeld beheer, al regels gelden (bijvoorbeeld Verordening (EU) nr. 1303/2013(4));

C.  overwegende dat de Raad zijn standpunt over het nieuwe Financieel Reglement op 16 juli 2018 heeft vastgesteld en de slotakte op 18 juli 2018 heeft ondertekend; overwegende dat artikel 61 van het Financieel Reglement, dat belangenconflicten verbiedt, op 2 augustus 2018 in werking is getreden;

D.  overwegende dat in artikel 61, lid 1, van het Financieel Reglement (juncto artikel 61, lid 3) het volgende wordt bepaald:

   i) een negatieve verplichting voor financiële actoren om belangenconflicten met betrekking tot de EU-begroting te voorkomen;
   ii) een positieve verplichting voor financiële actoren om passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat een belangenconflict ontstaat in de functies onder hun verantwoordelijkheid en om situaties te verhelpen die objectief als belangenconflict kunnen worden beschouwd;

E.  overwegende dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie(5) "belangenverstrengeling (...) als zodanig en objectief een ernstige dysfunctie [is], zonder dat voor de kwalificatie ervan rekening moet worden gehouden met de bedoelingen van de betrokkenen en met hun goede of kwade trouw"; overwegende dat de Commissie verplicht is de betalingen van EU-middelen op te schorten in gevallen waarin er sprake is van een ernstige tekortkoming in de werking van de beheers- en controlesystemen en waar onontdekte, ongemelde en niet gecorrigeerde ernstige onregelmatigheden met betrekking tot het belangenconflict aan het licht zijn gekomen;

F.  overwegende dat Transparency International Tsjechische Republiek op 19 september 2018 een formele klacht heeft ingediend bij de Commissie waarin het stelt dat de Tsjechische premier, Andrej Babiš, voortdurend de Europese en Tsjechische wetgeving inzake belangenconflicten schendt;

G.  overwegende dat gebleken is de heer Babiš de uiteindelijk begunstigde is van Agrofert, de controlerende vennootschap van de Agrofert Group, die onder andere een aantal belangrijke Tsjechische mediakanalen omvat, via de trustfondsen AB I en AB II, waarvan hij de oprichter en tegelijk de enige begunstigde is;

H.  overwegende dat de heer Babiš ook voorzitter is van de Tsjechische Raad voor de Europese structuur- en investeringsfondsen;

I.  overwegende dat ondernemingen die deel uitmaken van de Agrofert Group, deelnemen aan projecten die gesubsidieerd worden in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma van de Tsjechische Republiek, dat op zijn beurt gefinancierd wordt door het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling;

J.  overwegende dat ondernemingen die deel uitmaken van de Agrofert Group, gedurende de periode 2014-2020 aanzienlijke bedragen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen hebben ontvangen, variërend van 42 miljoen EUR in 2013 tot 82 miljoen EUR in 2017;

K.  overwegende dat in het advies van de Juridische Dienst van de Commissie wordt opgemerkt dat de heer Babiš volgens de verklaring van inkomsten van Tsjechische ambtenaren tijdens de eerste zes maanden van 2018 via zijn trustfondsen een inkomen van de Agrofert Group heeft ontvangen van 3,5 miljoen EUR;

L.  overwegende dat het Parlement de Commissie in zijn kwijtingsresoluties herhaaldelijk heeft verzocht een conformiteitsgoedkeuringsprocedure te versnellen met het oog op het verkrijgen van informatie over het risico van een belangenconflict met betrekking tot het staatsinterventiefonds voor de landbouw in de Tsjechische Republiek; en overwegende dat het Parlement heeft benadrukt dat, als niet de nodige maatregelen worden genomen om een belangenconflict te voorkomen, de Tsjechische autoriteit er toe verplicht kan zijn de erkenning van het betaalorgaan in te trekken en dit ook kan leiden tot een financiële correctie door de Commissie;

M.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole van het Parlement in september 2018 heeft besloten deze kwestie aan de orde te stellen in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure, met name tijdens de hoorzittingen met de commissarissen die hier het dichtst bij betrokken zijn;

N.  overwegende dat deze hoorzittingen niet hebben geleid tot duidelijke, toereikende antwoorden voor de leden met betrekking tot de stand van zaken aangaande het potentiële belangenconflict van de Tsjechische premier;

O.  overwegende dat op 1 december 2018 Europese media, onder andere The Guardian, Le Monde, De Standaard en de Süddeutsche Zeitung, informatie hebben gepubliceerd over het juridisch advies van de Juridische Dienst van de Commissie waarin het belangenconflict van de heer Babiš wordt bevestigd;

1.  maakt zich ernstig zorgen over de niet-naleving door de Tsjechische Republiek van artikel 61, lid 1, van het Financieel Reglement met betrekking tot het belangenconflict van de Tsjechische premier en diens banden met de Agrofert Group;

2.  betreurt elke vorm van belangenconflict, waardoor de uitvoering van de EU-begroting in het gedrang kan komen en het vertrouwen van de EU-burgers in een goed beheer van het geld van de belastingbetalers van de EU kan worden ondermijnd; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat een nultolerantiebeleid wordt gevoerd zonder dubbele normen ten aanzien van belangenconflicten van alle EU-politici, en geen excuus te zoeken voor vertragingen bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie;

3.  herinnert aan zijn resolutie van 27 april 2017 over kwijting voor het begrotingsjaar 2015(6), waarin het "[opmerkt] dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) administratieve onderzoeken heeft ingeleid (...) naar een project in de Tsjechische Republiek, "Ooievaarsnest" genaamd, op basis van vermoede onregelmatigheden" en "de Commissie [verzoekt] om zijn bevoegde comité onmiddellijk op de hoogte te brengen wanneer de onderzoeken zijn afgerond"; herinnert aan zijn resolutie van 18 april 2018 over kwijting voor het begrotingsjaar 2016(7), waarin het "ingenomen [is] met het feit dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) zijn administratief onderzoek naar het Tsjechische "ooievaarsnest"-project heeft afgerond" en "betreurt dat OLAF ernstige onregelmatigheden heeft geconstateerd";

4.  neemt kennis van het antwoord van 29 november 2018 van commissaris Oettinger in het kader van de kwijtingsprocedure 2017 op schriftelijke vraag 51, waarbij het Parlement wordt meegedeeld dat de Tsjechische autoriteiten overeenkomstig de in december 2017 goedgekeurde aanbeveling van OLAF over de "ooievaarsnest"-zaak, het door OLAF onderzochte project hebben verwijderd uit de laatste aanvraag voor het regionaal operationeel programma voor Midden-Bohemen, en dat er geen EU-middelen aan deze operatie zijn besteed; merkt bovendien op dat OLAF de nationale gerechtelijke autoriteiten heeft aanbevolen een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de onderwerpen die door het OLAF-onderzoek aan het licht zijn gekomen en dat zij nu de bevoegde autoriteiten voor deze zaak zijn;

5.  benadrukt het feit dat, gezien de rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 61, lid 1, van het Financieel Reglement inzake belangenconflicten, iedereen die betrokken is bij de uitvoering van de EU-begroting, met inbegrip van de regeringsleiders, verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichting om belangenconflicten te voorkomen en voor het aanpakken van situaties die objectief gezien als belangenconflicten kunnen worden beschouwd;

6.  betreurt het feit dat de Commissie lang passief is gebleven, hoewel er sinds 2014 sterke aanwijzingen waren dat de heer Babiš een belangenconflict had in zijn hoedanigheid van minister van Financiën en later als premier;

7.  herinnert aan de verplichting van de nationale autoriteiten om ervoor te zorgen dat de wetgeving van de Unie inzake belangenconflicten in alle gevallen en op iedereen wordt toegepast;

8.  verzoekt de Commissie een controlemechanisme in te stellen om de kwestie van belangenconflicten in de lidstaten aan te pakken en van de actieve vermijding van belangenconflicten een van haar prioriteiten te maken; verzoekt de Commissie doortastend op te treden, met name wanneer de nationale autoriteiten niet optreden om belangenconflicten bij hun hoogste vertegenwoordigers te voorkomen;

9.  dringt er bij de Commissie op aan deze kwestie onverwijld op te volgen, op basis van het advies van haar juridische dienst naar aanleiding van de klacht van Transparency International Tsjechische Republiek, en de nodige corrigerende maatregelen en procedures ten uitvoer te leggen om elke mogelijke illegale situatie te wijzigen, met inbegrip van een maatregel om alle EU-financiering voor de Agrofert Group op te schorten totdat het belangenconflict volledig is onderzocht en opgelost;

10.  roept alle nationale autoriteiten en overheidsfunctionarissen ertoe op om het nieuwe Financieel Reglement proactief toe te passen, met name het deel over belangenconflicten, teneinde situaties die schadelijk zijn voor de reputatie van de EU, die van de lidstaten, de democratie en de financiële belangen van de EU, te voorkomen, en om een voorbeeld te zijn van inzet voor het algemeen belang in plaats van voor persoonlijk gewin;

11.  verzoekt de nationale parlementen van de lidstaten ervoor te zorgen dat geen nationale wetgeving inzake de voorkoming van belangenconflicten indruist tegen de letter en de geest van het nieuwe Financieel Reglement;

12.  neemt kennis van het door de Juridische Dienst van de Commissie opgestelde advies over het mogelijke belangenconflict van de huidige Tsjechische premier, de heer Babiš, in zijn hoedanigheid van minister van Financiën in 2014; eist dat de Commissie de wettigheid van alle EU-subsidies die aan de Agrofert Group zijn betaald sinds de heer Babiš lid is van de Tsjechische regering, grondig onderzoekt, aan de hand van het vorige Financieel Reglement, dat van toepassing was vóór 2 augustus 2018, en het deel daarin over belangenconflicten;

13.  verzoekt de Commissie alle documenten met betrekking tot het mogelijke belangenconflict van de Tsjechische premier en minister van Landbouw waarover zij beschikt, te publiceren en toe te lichten welke stappen zij voornemens is te ondernemen om de situatie te remediëren;

14.  dringt er bij de Commissie op aan alle middelen terug te vorderen die illegaal of op onregelmatige wijze zijn uitbetaald;

15.  dringt aan op volledige transparantie over alle eventuele banden van de heer Babiš met de Agrofert Group en benadrukt het feit dat deze niet mogen interfereren met zijn rol als premier van de Tsjechische Republiek;

16.  verzoekt de Raad alle noodzakelijke en passende maatregelen te treffen om belangenconflicten te voorkomen in het kader van de onderhandelingen over de toekomstige EU-begroting en het volgende meerjarig financieel kader, overeenkomstig artikel 61, lid 1, van het Financieel Reglement;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de regering en het parlement van de Tsjechische Republiek.

(1) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 1, PB L 252 van 29.9.2017, blz. 1 en PB L 248 van 3.10.2018, blz. 1.
(2) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(3) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(5) Ismeri Europa Srl tegen Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, arrest van 15 juni 1999, T-277/97, ECLI:EU:T:1999:124.
(6) PB L 252 van 29.9.2017, blz. 28.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0121.


Werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2017
PDF 155kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018 over het jaarverslag over de werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2017 (2018/2105(INI))
P8_TA(2018)0531A8-0411/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Jaarverslag over de werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2017,

–  gezien de artikelen 9, 11, 15, 24 en 228 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 11, 35, 37, 41, 42 en 43 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het aan de Verdragen gehechte Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien het aan de Verdragen gehechte Protocol nr. 2 over de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de rechten van personen met een handicap (UNCRPD),

–  gezien Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt(1),

–  gezien de Europese Code van Goed Administratief gedrag, zoals door het Parlement op 6 september 2001 goedgekeurd,

–  gezien de raamovereenkomst over samenwerking die op 15 maart 2006 is gesloten tussen het Parlement en de Europese Ombudsman, en die op 1 april 2006 in werking is getreden,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de werkzaamheden van de Europese Ombudsman,

–  gezien artikel 52 en artikel 220, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A8‑0411/2018),

A.  overwegende dat het Jaarverslag over de werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2017 op 22 mei 2018 officieel werd aangeboden aan de Voorzitter van het Parlement en dat de Ombudsman, Emily O'Reilly, het op 16 mei 2018 in Brussel aan de Commissie verzoekschriften heeft voorgelegd;

B.  overwegende dat de artikelen 24 en 228 van het VWEU de Europese Ombudsman in staat stellen klachten te ontvangen betreffende gevallen van wanbeheer in de werkzaamheden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak;

C.  overwegende dat artikel 10, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bepaalt dat iedere burger het recht heeft om aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen, en dat de besluitvorming plaatsvindt op een zo open mogelijke wijze en zo dicht bij de burgers als mogelijk is;

D.  overwegende dat in artikel 15 VWEU staat dat om goed bestuur te bevorderen en de deelneming van het maatschappelijk middenveld te waarborgen, de instellingen, organen en instanties van de Unie in een zo groot mogelijke openheid werken en dat iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat recht heeft op toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie;

E.  overwegende dat in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten, wat betreft het recht op behoorlijk bestuur, staat dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld;

F.  overwegende dat in artikel 43 van het Handvest van de grondrechten staat dat iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat het recht heeft zich tot de Europese Ombudsman te wenden in verband met gevallen van wanbeheer in het optreden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak;

G.  overwegende dat overeenkomstig artikel 298, lid 1, VWEU de instellingen, organen en instanties van de Unie bij de vervulling van hun taken op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat steunen;

H.  overwegende dat de Ombudsman in 2017 447 onderzoeken opende, waarvan 433 uitgingen van een klacht en 14 werden verricht op eigen initiatief, terwijl 363 onderzoeken werden afgesloten (waarvan 348 op basis van een klacht en 15 op eigen initiatief); overwegende dat de meeste onderzoeken betrekking hadden op de Commissie (256 onderzoeken of 57,3 %), gevolgd door de EU‑agentschappen (35 onderzoeken of 7,8 %), het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) (34 onderzoeken of 7,6 %), het Parlement (22 onderzoeken of 4,9 %), de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) (17 onderzoeken of 3,8 %), het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (16 onderzoeken of 3,6 %) en overige instellingen (67 onderzoeken of 15 %);

I.  overwegende dat de drie belangrijkste punten van zorg in de door de Ombudsman in 2017 afgesloten onderzoeken betrekking hadden op: transparantie, verantwoordingsplicht en publieke toegang tot informatie en documenten (20,6 %); de cultuur van dienstverlening (16,8 %) en eerbiediging van procedurele rechten (16,5 %); overwegende dat andere kwesties onder meer ethische kwesties, inspraak van het publiek in het EU‑besluitvormingsproces, het juiste gebruik van beoordelingsbevoegdheid, met inbegrip van inbreukprocedures, gezond financieel beheer van EU‑aanbestedingen, ‑subsidies en ‑contracten, aanwerving en goed beheer van kwesties met betrekking tot EU‑personeel betroffen;

J.  overwegende dat het bureau van de Ombudsman in 2017 in het kader van de strategische werkzaamheden vier strategische onderzoeken heeft afgesloten en vier nieuwe onderzoeken heeft geopend inzake de transparantie van de Raad; de draaideurkwestie met betrekking tot voormalige Europese commissarissen, de toegankelijkheid van de websites van de Commissie voor personen met een handicap en de activiteiten voorafgaand aan de indiening van een verzoek in verband met de beoordeling van geneesmiddelen door het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA); overwegende dat de Ombudsman in 2017 acht strategische onderzoeken heeft geopend over onder meer de transparantie ten aanzien van lobbyactiviteiten in de Europese Raad, de verbetering van het Europees burgerinitiatief (EBI) en de regels inzake draaideurconstructies bij verschillende EU‑instellingen en ‑organen, en zes strategische onderzoeken heeft afgesloten;

K.  overwegende dat de EU nog steeds kampt met de grootste economische, sociale en politieke crisis sinds haar oprichting; overwegende dat de door de EU‑instellingen gevolgde ondoeltreffende aanpak van het gebrek aan transparantie in zowel het EU‑besluitvormingsproces als de lobbyactiviteiten, naast andere belangrijke ethische kwesties binnen de instellingen, het imago van de EU verder ondermijnt;

L.  overwegende dat het grootste deel van de onderzoeken van de Europese Ombudsman ook in 2017 weer de weigering van toegang tot EU‑documenten en daarmee verband houdende transparantiekwesties betrof;

M.  overwegende dat de Ombudsman vanwege het vaak tijdgevoelige karakter van verzoeken om toegang tot documenten met een proeffase voor een versnelde procedure is gestart;

N.  overwegende dat de Ombudsman een cruciale rol te vervullen heeft bij het waarborgen van verantwoordingsplicht van de EU‑instellingen en de volledige transparantie en onpartijdigheid van het besluitvormingsproces en het bestuur van de EU, teneinde de rechten van de burgers met succes te beschermen en daarmee hun vertrouwen in, hun betrokkenheid bij en deelname aan het democratisch leven van de Unie te vergroten;

O.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat de beginselen van openbaarheid en transparantie inherent zijn aan het wetgevingsproces van de EU en dat de doeltreffendheid en integriteit van het wetgevingsproces geen afbreuk mogen doen aan de beginselen van openbaarheid en transparantie die aan dat proces ten grondslag liggen; overwegende dat het Hof van Justitie duidelijke richtsnoeren heeft verstrekt met betrekking tot deze kwestie, zoals in zijn arrest van 22 maart 2018 in zaak T‑540/15;

P.  overwegende dat de Ombudsman naar aanleiding van een klacht een jaar lang onderzoek heeft gedaan naar het lidmaatschap van de president van de ECB van de Groep van 30 (G30), een particuliere organisatie waarbij vertegenwoordigers van banken zijn aangesloten die onder direct of indirect toezicht van de ECB staan; overwegende dat de Ombudsman de president van de ECB heeft aanbevolen zijn lidmaatschap van de G30 op te zeggen;

Q.  overwegende dat de Ombudsman onderzoek heeft gedaan naar klachten over het beheer door de Commissie van de werkzaamheden van voormalige commissarissen na afloop van hun ambtstermijn; overwegende dat de Ombudsman reeds had vastgesteld dat het uitblijven van een specifiek besluit van de Commissie in het geval van voormalig voorzitter van de Commissie Barroso wanbeheer vormde; overwegende dat de ethische commissie in de zaak-Barroso concludeerde dat er onvoldoende bewijs was om een schending van de wettelijke verplichtingen vast te stellen, rekening houdend met de schriftelijke verklaring van de voormalig voorzitter dat hij niet namens Goldman Sachs had gelobbyd en dit ook niet van plan was;

R.  overwegende dat de financiële crisis heeft geleid tot een economische en sociale crisis als gevolg waarvan vraagtekens worden gesteld bij de Europese instellingen;

S.  overwegende dat er op 25 oktober 2017 een bijeenkomst plaatsvond tussen voormalig voorzitter van de Commissie Barroso en een huidige vicevoorzitter van de Commissie, die werd geregistreerd als een officiële bijeenkomst met Goldman Sachs; overwegende dat de Ombudsman erop heeft gewezen dat de precieze aard van deze bijeenkomst niet duidelijk was; overwegende dat de Ombudsman heeft benadrukt dat begrijpelijkerwijs wordt gevreesd dat de voormalig voorzitter zijn vorige status en zijn contacten met voormalige collega's gebruikt om invloed uit te oefenen en informatie te verkrijgen; overwegende dat deze zaak systematische vragen oproept over de algemene aanpak van de Commissie bij de behandeling van dergelijke zaken en de mate van onafhankelijkheid van de ethische commissie; wijst daarom op de noodzaak van strengere regels op EU‑niveau om alle belangenconflicten bij de instellingen in de instellingen en agentschappen van de EU te voorkomen en te bestraffen;

T.  overwegende dat de Ombudsman in maart 2017 een strategisch onderzoek heeft ingesteld naar de openheid en verantwoordingsplicht van de Raad; overwegende dat de Ombudsman het feit dat de Raad de identiteit van de lidstaten die in een bepaalde wetgevingsprocedure een standpunt innemen niet registreert, alsook het gebrek aan transparantie bij de Raad met betrekking tot de toegang van het publiek tot zijn wetgevingsdocumenten, zoals de praktijk om documenten onevenredig vaak te markeren als "LIMITE", d.w.z. niet voor verspreiding, heeft aangemerkt als wanbeheer; overwegende dat de Ombudsman op 17 mei 2018 een speciaal verslag heeft ingediend bij het Europees Parlement over zijn strategische onderzoek naar de verantwoording voor en de transparantie van de wetgevende werkzaamheden van de Raad;

U.  overwegende dat meer openheid over de standpunten die worden ingenomen door nationale regeringen ertoe kan bijdragen dat Brussel niet meer overal de schuld van krijgt, een fenomeen dat een verkeerd beeld geeft van hoe Europese regelgeving tot stand komt en euroscepticisme en anti‑Europese gevoelens in de hand werkt;

V.  overwegende dat de Ombudsman onderzoek heeft gedaan naar de mate waarin het transparantiebeleid van de EIB inzake de toegang tot documenten niet voldoet aan de EU- en internationale regels;

W.  overwegende dat het adequaat voorkomen van belangenconflicten binnen de instellingen, agentschappen en organen van de EU van essentieel belang is om goed bestuur te waarborgen en het vertrouwen van de burgers in de besluitvorming van de Unie te vergroten; overwegende dat de Ombudsman een strategisch onderzoek heeft ingesteld naar de manier waarop de Commissie beoordelingen verricht van belangenconflicten van haar speciale adviseurs, die dikwijls tegelijkertijd voor de particuliere sector werken;

X.  overwegende dat de Ombudsman onderzoek heeft gedaan naar klachten van burgers die stellen dat de Commissie geen tijdig besluit heeft genomen in inbreukzaken betreffende misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd; overwegende dat het aantal atypische en tijdelijke arbeidsovereenkomsten in de loop der jaren aanzienlijk is toegenomen in diverse lidstaten, hetgeen de tenuitvoerlegging van het Europese arbeidsrecht en de jurisprudentie van het Hof van Justitie heeft bemoeilijkt;

Y.  overwegende dat de instellingen, organen en instanties van de EU bij het nemen van besluiten over de bescherming van de menselijke gezondheid en de veiligheid van mensen, dieren en planten een aanpak moeten volgen die met name gericht is op de burger en waarin dienstverlening centraal staat en adequaat moeten inspelen op de bezorgdheid van het publiek met betrekking tot volledige transparantie, onafhankelijkheid en accuraatheid bij het verzamelen en evalueren van wetenschappelijk bewijsmateriaal; overwegende dat de op EU-niveau gebruikte wetenschappelijke gegevens en procedures die hebben geleid tot de toelating van onder meer genetisch gemodificeerde organismen, pesticiden en glyfosaat, aanzienlijke kritiek hebben uitgelokt en een brede maatschappelijke discussie op gang hebben gebracht;

Z.  overwegende dat de Commissie de aanbevelingen van de Ombudsman over haar betrekkingen met de tabaksindustrie nog niet heeft toegepast en dus niet zorgt voor volledige transparantie overeenkomstig haar verplichtingen uit hoofde van het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik (WHO FCTC);

AA.  overwegende dat de Ombudsman duidelijke en praktische aanbevelingen heeft gepubliceerd over de wijze waarop overheidsfunctionarissen moeten omgaan met lobbyisten, en zich heeft ingespannen om deze aanbevelingen binnen de Raad en de Commissie onder de aandacht te brengen;

AB.  overwegende dat de Ombudsman deel uitmaakt van het EU‑kader voor het VN‑verdrag over de rechten van personen met een handicap (UNCPRD), dat de tenuitvoerlegging van het verdrag in kwestie op het niveau van de EU‑instellingen moet beschermen, bevorderen en bewaken;

AC.  overwegende dat de Ombudsman heeft onderzocht hoe Martin Selmayr, de toenmalige kabinetschef van de voorzitter van de Europese Commissie, werd benoemd tot secretaris-generaal van de Commissie; overwegende dat de Ombudsman heeft aangegeven dat de Commissie een kunstmatig gevoel van urgentie had gecreëerd rond de benoeming van een secretaris-generaal om het feit te rechtvaardigen dat zij geen kennisgeving van vacature had gepubliceerd en een selectieprocedure voor een adjunct-secretaris-generaal had georganiseerd, niet om die functie in te vullen, maar om de heer Selmayr secretaris-generaal te maken via een snelle benoeming in twee stappen; overwegende dat de Ombudsman bij de benoeming van de heer Selmayr vier gevallen van wanbeheer heeft vastgesteld, waarbij de Commissie de desbetreffende regels niet correct had gevolgd, niet naar de letter en niet naar de geest;

AD.  overwegende dat het werk van de Europese Ombudsman een perfecte aanvulling vormt op het werk van zijn nationale en regionale tegenhangers; overwegende dat de uitwisseling en coördinatie van hun respectieve werkzaamheden binnen het Europese netwerk van ombudsmannen onder leiding van de Europese Ombudsman een bijzonder goede zaak is om het recht op goed bestuur op alle niveaus te verzekeren voor alle burgers en inwoners van de Unie;

AE.  overwegende dat het huidige statuut van de Europese Ombudsman het laatst is bijgewerkt vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon; overwegende dat er bij de EU‑burgers nieuwe verwachtingen zijn gerezen ten aanzien van goed bestuur en de rol van de Ombudsman in het verzekeren ervan, in het bijzonder met betrekking tot de toegang tot documenten, klokkenluiders en intimidatie, en het verzekeren van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de ontvankelijkheid Europese burgerinitiatieven door de Commissie;

1.  hecht zijn goedkeuring aan het jaarverslag over 2017 dat de Europese Ombudsman heeft overgelegd; neemt nota van zijn heldere en gemakkelijk leesbare presentatie waarin de belangrijkste feiten en cijfers over de werkzaamheden van de Ombudsman in 2017 zijn uiteengezet;

2.  feliciteert Emily O'Reilly met haar uitstekende werk en constructieve inspanningen ter verbetering van de kwaliteit van het bestuur van de EU en de toegankelijkheid en kwaliteit van de diensten die zij de burgers biedt; spreekt nogmaals zijn duidelijke steun uit voor de inspanningen van de Europese Ombudsman voor de burgers en de Europese democratie;

3.  is ingenomen met de vijfjarenstrategie van de Ombudsman "Op weg naar 2019", die de impact en de zichtbaarheid van het ambt van de Ombudsman moet vergroten en sterke banden met de instellingen, agentschappen en organisaties van de EU moet helpen smeden, ten gunste van de burgers;

4.  merkt bezorgd op dat het grootste deel van de door de Ombudsman behandelde gevallen ook in 2017 weer onderzoeken in verband met transparantie en verantwoordingsplicht betrof, onder meer met betrekking tot de toegang tot informatie en documenten, gevolgd door klachten over EU‑agentschappen en andere organen;

5.  is ingenomen met de inspanningen van de Ombudsman om de prijs voor goed bestuur 2017 aan het personeel van de EU‑instellingen uit te reiken, met name het personeel van het DG Gezondheid en Voedselveiligheid van de Europese Commissie voor de inspanningen voor patiënten met zeldzame ziekten;

6.  benadrukt het belang van maximale transparantie en maximale toegang van het publiek tot de documenten die in het bezit zijn van de EU‑instellingen; wijst op de structurele werkzaamheden van de Ombudsman om gevallen van wanbeheer aan het licht te brengen door per geval een benadering te volgen en steeds vaker op eigen initiatief onderzoeken in te stellen;

7.  spreekt zijn dank uit voor de goede samenwerking van de Ombudsman en zijn team met de Commissie verzoekschriften, die in het teken staat van waardering en inhoudelijke nauwgezetheid;

8.  benadrukt het feit dat de EU-wetgeving inzake de toegang tot documenten moet worden bijgewerkt; vraagt nogmaals om een herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(2) om ook de toetsingswerkzaamheden van de Ombudsman in verband met de verlening van toegang tot documenten door het Parlement, de Raad en de Commissie te vergemakkelijken; is ingenomen met de invoering door de Ombudsman van de versnelde klachtenprocedure voor de behandeling van onderzoeken inzake de toegang tot documenten;

9.  benadrukt dat de burgers meer rechtstreeks moeten kunnen deelnemen aan het democratisch bestel van de EU en besluitvormingsproces binnen de EU‑instellingen in detail moeten kunnen volgen, en toegang moeten hebben tot alle relevante informatie om hun democratische rechten ten volle te kunnen uitoefenen;

10.  benadrukt de rol van de Ombudsman in het vergroten van de transparantie en verantwoording in het wetgevingsproces van de EU om het vertrouwen van de burgers te vergroten, niet alleen ten aanzien van de rechtmatigheid van een op zichzelf staande handeling, maar ook ten aanzien van de legitimiteit van het besluitvormingsproces als geheel;

11.  verzoekt om herziening van de interne richtsnoeren van de Raad inzake LIMITE-documenten, die geen solide rechtsgrondslag hebben, teneinde het beginsel te handhaven dat de status van LIMITE alleen kan worden verleend aan een voorontwerp dat nog geen auteur heeft en geen invloed heeft op de wetgevingsprocedure;

12.  erkent dat er behoefte is aan maximale transparantie in het EU‑besluitvormingsproces en is verheugd over het onderzoek van de Ombudsman naar de gebruikelijke praktijk van informele onderhandelingen tussen de drie belangrijkste EU‑instellingen ("trialogen"); steunt de publicatie van alle trialoogdocumenten in overeenstemming met de arresten van het Hof van Justitie;

13.  is er ten zeerste van overtuigd dat de aanbevelingen van de Ombudsman over het transparantiebeleid van de EIB onverwijld moeten worden uitgevoerd; herinnert eraan dat dit beleid is gebaseerd op het beginsel van openbaarmaking, en dat op basis van dat beginsel eenieder toegang heeft tot documenten en informatie van de EIB;

14.  verzoekt de EIB-groep in haar openbaarmakingsbeleid te zorgen voor een steeds grotere mate van transparantie met betrekking tot de beginselen van haar prijsbeleid en bestuursorganen; roept op tot publicatie van de notulen van de vergaderingen van de directie van de EIB-groep;

15.  benadrukt dat de standpunten die de lidstaten tijdens het EU-wetgevingsproces innemen binnen de Raad, moeten worden geregistreerd en tijdig en op toegankelijke wijze openbaar moeten worden gemaakt, aangezien de medewetgevers, zoals in elk stelsel dat gebaseerd is op het beginsel van democratische legitimiteit, zich jegens het publiek moeten verantwoorden voor hun handelingen; is van mening dat een grotere verantwoordingsplicht in de Raad over de standpunten van de nationale regeringen met betrekking tot EU‑wetgeving, met inbegrip van het proactief toegankelijk maken van wetgevingsdocumenten voor het publiek terwijl het wetgevingsproces nog gaande is, ertoe zou bijdragen het gebrek aan transparantie in de besluitvorming aan te pakken en het gebruik om Brussel de schuld te geven voor besluiten die uiteindelijk door de nationale regeringen zelf worden genomen, de wind uit de zeilen te halen; eist dat de Raad overeenkomstig artikel 15, lid 3, VWEU zijn vertrouwelijkheidsbeleid herziet om voor een zo groot mogelijke transparantie van zijn werkzaamheden te zorgen;

16.  verzoekt de Commissie te zorgen voor maximale transparantie en toegang tot documenten en informatie met betrekking tot de EU‑pilotprocedures, in ieder geval in verband met ontvangen verzoekschriften, en voor volledige transparantie en volledige toegang met betrekking tot de EU-pilot- en inbreukprocedures die reeds zijn beëindigd;

17.  dringt er bij de Ombudsman op aan de uitvoering van de hervorming van het systeem van deskundigengroepen door de Commissie te blijven monitoren, teneinde de volledige naleving van wettelijk bindende regels en maximale transparantie bij de uitvoering van de activiteiten van alle deskundigengroepen te waarborgen, en mogelijke belangenconflicten te onderzoeken en te melden; is van mening dat een zorgvuldige beoordeling van en informatie over alle deskundigengroepen noodzakelijk is om inzicht te krijgen in hun onafhankelijkheid, teneinde het openbaar belang te dienen en meerwaarde te creëren in het beleidsvormingsproces van de EU; is van mening dat alle leden van deskundigengroepen in het transparantieregister moeten worden geregistreerd;

18.  herhaalt zijn verzoek om een centrale transparantiehub voor alle EU-instellingen en ‑agentschappen;

19.  steunt de inspanningen van de Ombudsman ter verbetering van de transparantie van lobbyactiviteiten op EU-niveau; benadrukt het belang een passende wetgevingshandeling aan te nemen om het transparantieregister van de EU verplicht te stellen en juridisch bindend te maken voor alle instellingen en agentschappen van de EU en belangenvertegenwoordigers, om te zorgen voor volledige transparantie van lobbyactiviteiten;

20.  benadrukt het belang van regelmatige actualisering en aanzienlijke verbetering van de nauwkeurigheid van de gegevens betreffende het transparantieregister van de EU, met inbegrip van de verplichting voor advocatenkantoren die lobbywerk verrichten om al hun cliënten aan te geven; benadrukt dat alle informatie over de invloed van lobbyisten kosteloos, volledig begrijpelijk en gemakkelijk toegankelijk voor het publiek moet zijn; is van mening dat moet worden gezorgd voor volledige transparantie van de financiering van alle belangenvertegenwoordigers; dringt erop aan dat elke organisatie die de regels inzake draaideurconstructies overtreedt, wordt geschorst van het transparantieregister;

21.  wijst op de bevindingen van de Ombudsman waarin de voortzetting van het G30-lidmaatschap van de president van de ECB als wanbeheer is aangemerkt aangezien dit aanleiding gaf tot een publieke perceptie dat de onafhankelijkheid van de ECB van particuliere financiële belangen in het gedrang kan komen; benadrukt dat de leden van de raad van bestuur van het ECB niet tegelijk lid mogen zijn van fora of andere organisaties waarin ook bestuurders van door de ECB gecontroleerde banken zitting hebben; neemt kennis van de aanbevelingen van de Ombudsman van 15 januari 2018 over de betrokkenheid van de president van de ECB en leden van haar besluitvormende organen bij de G30 en dringt er bij de ECB op aan de relevante regels te wijzigen om ervoor te zorgen dat de hoogste normen op het gebied van ethiek en verantwoordingsplicht concreet worden uitgevoerd;

22.  is van mening dat de Commissie in de procedure om Martin Selmayr tot haar nieuwe secretaris-generaal te benoemen de beginselen van transparantie, ethiek en de rechtsstaat niet heeft geëerbiedigd; betreurt het besluit van de Commissie om de heer Selmayr toch aan te stellen als haar nieuwe secretaris-generaal, ondanks de ernstige, wijdverbreide kritiek van EU-burgers en de reputatieschade voor de gehele EU; onderstreept dat de heer Selmayr moet aftreden als secretaris-generaal van de Commissie en verzoekt de Commissie om voor de benoeming van haar secretaris-generaal een nieuwe procedure vast te stellen, die waarborgt dat de hoogste normen van transparantie, ethiek en de rechtsstaat worden toegepast;

23.  verzoekt de Ombudsman zich ervoor te blijven inzetten dat de ethische regels binnen de EU‑instellingen worden versterkt teneinde draaideurkwesties op te lossen en volledige transparantie over alle hiermee samenhangende informatie te waarborgen, waaronder de snelle bekendmaking van de namen van alle betrokken hooggeplaatste EU‑ambtenaren; ziet uit naar de analyse van de Ombudsman over de wijze waarop de Commissie haar richtsnoeren ten uitvoer legt en naar voorstellen om de aanpak van draaideurgevallen te verbeteren, onder meer door te voorzien in de mogelijkheid om wettelijke voorschriften aan te nemen teneinde dergelijke situaties en mogelijk misbruik te voorkomen en te bestraffen;

24.  is er van overtuigd dat in alle EU‑instellingen, ‑agentschappen en ‑organen strengere, duidelijkere en gemakkelijk toepasbare morele en ethische regels en normen moeten worden toegepast om ervoor te zorgen dat de plicht om eerlijkheid en kiesheid te betrachten wordt geëerbiedigd en belangenconflicten met de particuliere sector worden vermeden; is van mening dat die regels en normen gebaseerd moeten zijn op een wetgevingshandeling; neemt kennis van de bijgewerkte gedragscode voor leden van de Commissie die in februari 2018 van kracht is geworden en waarbij striktere afkoelingsperiodes zijn ingevoerd; is echter van mening dat de kennisgevingsperiodes na afloop van de ambtstermijn moeten worden verlengd;

25.  wijst op de dringende noodzaak van een effectieve opwaardering van de huidige code van goed administratief gedrag door een bindende verordening hierover vast te stellen;

26.  is van mening dat de bijeenkomst tussen voormalig voorzitter van de Commissie Barroso en een huidige vicevoorzitter van de Commissie, die als officiële bijeenkomst met Goldman Sachs werd geregistreerd, verder heeft aangetoond dat de huidige regels en praktijken dringend moeten worden herzien om de integriteitsvereisten voor commissarissen zowel tijdens als na hun mandaat te versterken;

27.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om te zorgen voor proactieve publicatie en volledige transparantie met betrekking tot de werkzaamheden van voormalige leden van de Commissie na hun ambtstermijn; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de ethische commissie geheel onafhankelijk is en volledige rekenschap aflegt en moedigt de Ombudsman aan door te gaan met de beoordeling van en verslaggeving over mogelijke belangenconflicten van de leden van de ethische commissie;

28.  feliciteert de Ombudsman met zijn strategisch onderzoek naar de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad (OI/2/2017/TE) en betreurt het dat de Raad niet binnen de gestelde termijn op de bevindingen heeft gereageerd; merkt op dat dit helaas een terugkerend thema is dat voortdurend onder de aandacht wordt gebracht in bij de Ombudsman ingediende klachten; is voorts van mening dat deze aangelegenheid als erg belangrijk moet worden beschouwd voor het democratisch bestel van de Unie en de effectieve deelname van burgers op het gehele continent, aangezien de naleving van de constitutionele verdragen en het Handvest van de grondrechten hierdoor wordt belemmerd; neemt kennis in dit verband van de bevindingen van de Ombudsman in een recente zaak (1272/2017/LP – de weigering van de Raad om het publiek toegang te geven tot het advies van de Juridische Dienst inzake een interinstitutioneel akkoord over het transparantieregister) waarin wordt gesuggereerd dat de kwestie een bedreiging vormt voor het beginsel van institutioneel evenwicht en de essentiële praktijk van de wederzijdse loyale samenwerking in het gedrang brengt; wijst erop dat het onmogelijk is om na de afwijzing van een verzoek achteraf en op ad‑hocbasis een controle uit te voeren;

29.  onderstreept dat er belangrijke verbeteringen moeten worden aangebracht in de regels inzake belangenconflicten voor speciale adviseurs; verzoekt de Commissie met name om de aanbevelingen in de verband van de Ombudsman volledig uit te voeren door maximale transparantie te betrachten en een proactieve aanpak te volgen bij de beoordeling van mogelijke belangenconflicten vóór en na de benoeming van speciale adviseurs, en ervoor te zorgen dat burgers volledige toegang hebben tot alle relevante informatie;

30.  looft de niet‑aflatende interesse van de Ombudsman voor kwesties die het personeel van de instellingen aanbelangen en onderstreept dat de discriminatie die kan voortvloeien uit een gedifferentieerd statuut moet worden beperkt; wijst nogmaals op het belang van de bevindingen van de Ombudsman inzake onbezoldigde stagiairs in EU-delegaties van de EDEO (zaak 454/2014/PMC) en de aanbeveling dat de EDEO zijn stagiairs een passende vergoeding moet betalen op basis van het beginsel van non‑discriminatie; betreurt het dat de andere instellingen van de EU dezelfde wanpraktijk van onbetaalde stages volgen waardoor jongeren geen eerlijke kansen krijgen of banen die gelijk zijn aan die van een werknemer, als gevolg waarvan jonge vakmensen niet over voldoende financiële middelen beschikken om zichzelf te onderhouden en onvoldoende betaald krijgen voor hun diensten; merkt op dat ook in andere gebieden tekortkomingen in het statuut van stagiairs worden gesignaleerd, zoals het ontbreken van mechanismen om seksuele intimidatie te melden in de agentschappen van de Unie; verzoekt de Ombudsman derhalve om een algemeen strategisch onderzoek te starten naar het statuut van stagiairs;

31.  verzoekt de Commissie met klem haar werkzaamheden volledig transparant te maken door online gegevens te publiceren over al haar bijeenkomsten met tabakslobbyisten of hun wettelijke vertegenwoordigers en alle notulen van die bijeenkomsten, zulks overeenkomstig de verplichtingen uit hoofde van het Kaderverdrag van de WHO voor de bestrijding van tabaksgebruik;

32.  dringt er bij de Ombudsman op aan toezicht te houden op de uitvoering van de aanbevelingen voor EU‑ambtenaren over hun contacten met belangenvertegenwoordigers, en deze aanbevelingen onder de aandacht te blijven brengen bij het EU‑personeel van alle EU‑instellingen via opleidingen, seminars en aanverwante ondersteunende maatregelen;

33.  betreurt ten zeerste de vertraging die de Commissie heeft opgelopen in verband met inbreukprocedures inzake misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de particuliere en de publieke sector, waardoor het misbruik en de schending van de rechten van werknemers in de lidstaten zijn blijven voortduren; verzoekt de Ombudsman deze kwestie te volgen teneinde de rechten van de burgers doeltreffend te beschermen;

34.  steunt de rol van de Ombudsman in de vormgeving van een proactief en transparant beleid bij alle EU‑agentschappen; dringt er bij de Ombudsman op aan toezicht te blijven houden op alle EU‑agentschappen om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan de hoogste normen op het gebied van transparantie en het publiek toegang tot documenten en informatie verschaffen, met bijzondere aandacht voor procedures en activiteiten met betrekking tot de bescherming van de menselijke gezondheid;

35.  dringt er bij de Ombudsman op aan een strategisch onderzoek in te stellen om na te gaan of de instellingen, organen en instanties van de EU, zoals het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en het EMA, ervoor zorgen dat het verzamelen, onderzoeken en publiceren van wetenschappelijk bewijs op volledig onafhankelijke, transparante, onpartijdige en accurate wijze en zonder belangenconflicten verloopt, en of het juiste beleid en de juiste procedurele waarborgen zijn ingevoerd, met name wanneer het gaat om genetisch gemodificeerde organismen, glyfosaat, pesticiden, fytosanitaire producten, biociden en geneesmiddelen; stelt in dat verband voor de samenstelling en selectieprocedures van de wetenschappelijke comités en panels van deze agentschappen nader te onderzoeken teneinde hun volledige onafhankelijkheid te waarborgen en te voorzien in de meest strikte mechanismen om mogelijke belangenconflicten te voorkomen;

36.  is ingenomen met het strategisch onderzoek van de Ombudsman naar de behandeling van personen met een handicap in het kader van het Gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de Commissie en naar de toegankelijkheid van de webpagina's en online-instrumenten van de Commissie voor personen met een handicap; moedigt de Ombudsman aan alles in het werk te stellen om te zorgen voor de volledige en consequente tenuitvoerlegging van het VN‑Verdrag betreffende de rechten van personen met een handicap door de EU‑administratie;

37.  is ingenomen met de inzet van de Ombudsman voor openheid en transparantie gedurende de brexitonderhandelingen; wijst op de positieve reactie die de Europese Ombudsman heeft ontvangen van zowel de Raad als de Commissie, die het belang van transparantie erkennen; verzoekt de Britse regering om dezelfde inzet te tonen;

38.  moedigt de Ombudsman aan de samenwerking met de nationale ombudsmannen via het Europees Netwerk van ombudsmannen voort te zetten;

39.  verzoekt het Europees Netwerk van nationale ombudsmannen meer waakzaamheid aan de dag te leggen bij het monitoren in hoeverre overheidsinstanties onmiddellijk handelen in gevallen van politiegeweld, racisme en antisemitisme en de mensenrechten en het democratisch bestuur in acht nemen;

40.  verzoekt om meer financiële en personele middelen beschikbaar te stellen aan het bureau van de Ombudsman zodat deze beter het hoofd kan bieden aan de huidige en toekomstige werklast in verband met zijn cruciale taak om goede administratieve praktijken binnen de EU te bevorderen, een dienst die van vitaal belang is voor de burgers van de Unie;

41.  is ingenomen met de jaarlijkse conferentie van het Europese netwerk van ombudsmannen van 19 juni 2017, die gewijd was aan de gevolgen van de brexit en van het toenemende "populisme" in Europa voor de burgerrechten;

42.  is ingenomen met de prijs voor goed bestuur van de Ombudsman, die de inspanningen erkent van het Europese ambtenarenapparaat om innovatieve manieren voor het voeren van een burgervriendelijk beleid te vinden;

43.  toont zich nogmaals bereid om het statuut van de Europese Ombudsman(3) en alle verwante delen van het acquis bij te werken, teneinde de rol van de Ombudsman aan te passen aan de huidige behoeften en verwachtingen van de EU-burgers ten aanzien van goed bestuur;

44.  benadrukt dat het noodzakelijk is de sociale dialoog te versterken;

45.  benadrukt dat in het licht van de huidige moeilijke economische situatie het van het allergrootste belang is dat de burgers vertrouwen hebben in de instellingen;

46.  benadrukt dat de Ombudsman het belangenconflict moet onderzoeken tussen de rol van de Commissie in de Trojka en haar verantwoordelijkheid als hoedster van de Verdragen en het acquis;

47.  vraagt de Ombudsman ervoor te zorgen dat de Commissie helpt bij het tot stand brengen van een infrastructuur voor het EBI, dat voorziet in juridisch advies en een juridisch kader ter bescherming de deelnemers;

48.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en het verslag van de Commissie verzoekschriften te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Ombudsman, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de ombudsmannen of soortgelijke organen in de lidstaten.

(1) PB L 113 van 4.5.1994, blz. 15.
(2) PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(3) Ontwerpbesluit van het Europees Parlement aangenomen op 22 april 2008 tot wijziging van zijn Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (PB C 259 E van 29.10.2009, blz. 116).


Beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften in 2017
PDF 154kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2018 over de beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften in 2017 (2018/2104(INI))
P8_TA(2018)0532A8-0404/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het resultaat van de beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften,

–  gezien de artikelen 10 en 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 24 en 227 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), die uiting geven aan het belang dat in het Verdrag wordt gehecht aan het recht van EU‑burgers en ‑ingezetenen om hun zorgen onder de aandacht van het Parlement te brengen,

–  gezien artikel 228 van het VWEU,

–  gezien artikel 44 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie inzake het recht om verzoekschriften in te dienen bij het Europees Parlement,

–  gezien de bepalingen van het VWEU met betrekking tot de inbreukprocedure, en met name de artikelen 258 en 260,

–  gezien de artikelen 52, 215 en 216 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A8‑0404/2018),

A.  overwegende dat 1 271 verzoekschriften zijn ontvangen in 2017 – tegenover 1 569 in 2016 – waarvan 776 verzoekschriften (60,2 %) ontvankelijk zijn verklaard;

B.  overwegende dat het webportaal voor verzoekschriften van het Parlement in 2017 15 540 gebruikers telde die een of meerdere verzoekschriften medeondertekend hebben, tegenover 6 132 gebruikers in 2016 en 902 gebruikers in 2015; overwegende dat er in totaal 21 955 keer is geklikt om verzoekschriften te ondersteunen, tegenover 18 810 keer in 2016 en 1 329 keer in 2015; overwegende dat deze nieuwe manier waarop burgers hun betrokkenheid bij ingediende verzoekschriften kunnen tonen steeds meer gebruikt wordt en dat dit in aanmerking moet worden genomen;

C.  overwegende dat bijna 250 identieke of sterk op elkaar lijkende verzoekschriften die in 2017 werden ingediend over drie verschillende onderwerpen, per onderwerp werden gegroepeerd en samen werden behandeld;

D.  overwegende dat 67 van de verzoekschriften die in 2017 werden ingediend, door een of meerdere burgers werden medeondertekend, 25 daarvan door meer dan 100 burgers, 10 door meer dan 10 000 burgers en twee door meer dan 100 000 burgers;

E.  overwegende dat het aantal ontvangen verzoekschriften bescheiden was in vergelijking met de totale bevolking van de EU; overwegende dat gezien de vele potentiële zorgpunten en verwachtingen die er zijn op de verschillende terreinen waarop de Unie actief is, dit erop zou kunnen duiden dat een groot deel van de burgers en ingezetenen van de EU geen gebruik maakt van het recht om verzoekschriften in te dienen omdat ze er niet van op de hoogte zijn; overwegende dat meer moet worden gedaan om het recht om verzoekschriften in te dienen bij het Europees Parlement te bevorderen;

F.  overwegende dat slechts een gering aantal EU-burgers en -ingezetenen op de hoogte is van het recht om een verzoekschrift in te dienen, wat bevestigt dat er grotere inspanningen moeten worden geleverd en passende maatregelen moeten worden getroffen om het bewustzijn van alle burgers te vergroten en de uitoefening van het recht om een verzoekschrift in te dienen aanzienlijk te verbeteren;

G.  overwegende dat verzoekschriften overeenkomstig artikel 227 VWEU en artikel 215 van het Reglement van het Parlement ontvankelijk zijn als is voldaan aan de formele voorwaarden voor ontvankelijkheid, namelijk dat verzoekschriften betrekking moeten hebben op kwesties die binnen het kader van de werkzaamheden van de Europese Unie vallen en indieners rechtstreeks aangaan, en dat indieners burger moeten zijn van de Europese Unie of er moeten verblijven; overwegende dat 495 verzoekschriften niet‑ontvankelijk zijn verklaard omdat ze niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voldeden;

H.  overwegende dat het recht om een verzoekschrift in te dienen bij het Europees Parlement EU‑burgers en ‑ingezetenen de mogelijkheid geeft om zich op een formele manier tot hun rechtstreeks verkozen vertegenwoordigers te richten; overwegende dat het recht om een verzoekschrift in te dienen een cruciaal element moet vormen van de actieve participatie van EU‑burgers en ‑ingezetenen in de werkzaamheden van de Europese Unie en dat dit recht derhalve zo goed mogelijk moet worden bevorderd; overwegende dat de volledige uitoefening van het recht om een verzoekschrift in te dienen uitsluitend gewaarborgd wordt als de EU‑instellingen en de lidstaten de kwesties die door de burgers via verzoekschriften onder de aandacht worden gebracht tijdig en doeltreffend oplossen en daarbij de grondrechten van de indieners ten volle eerbiedigen;

I.  overwegende dat het Parlement lang een voorloper is geweest in de internationale ontwikkeling van de verzoekschriftenprocedure en beschikt over de meest open en transparante verzoekschriftenprocedure in Europa, die de volledige deelname van indieners aan zijn activiteiten mogelijk maakt;

J.  overwegende dat actieve participatie alleen mogelijk is als er een democratisch en transparant proces is dat het Parlement en de Commissie verzoekschriften in staat stelt om hun werkzaamheden op burgervriendelijke en betekenisvolle wijze uit te voeren; overwegende dat hiertoe moet worden gestreefd naar voortdurende verbetering in het contact met de indieners, waarbij, onder andere, nieuwe technologische ontwikkelingen moeten worden ingezet, alsook in het contact met andere bezorgde burgers en ingezetenen, zoals personen die de verzoekschriften steunen via het webportaal voor verzoekschriften;

K.  overwegende dat verzoekschriften een nuttig instrument vormen om inbreuken op het EU‑recht en tekortkomingen, inconsistenties en mogelijke mazen in de EU‑wetgeving op te sporen, zodat de hoogste normen inzake sociale rechtvaardigheid en volledige bescherming van de grondrechten van alle burgers worden gewaarborgd; overwegende dat verzoekschriften het Parlement en andere EU-instellingen in staat stellen om de omzetting en toepassing van het EU-recht en de daadwerkelijke gevolgen van onjuiste tenuitvoerlegging van het recht voor EU-burgers en ‑ingezetenen te beoordelen; overwegende dat zij ook inzicht kunnen bieden in werkterreinen waar regelgeving ontbreekt en de EU wetgeving zou kunnen ontwikkelen;

L.  overwegende dat het indienen van een verzoekschrift de EU-burgers en ‑ingezetenen meer waarborgen biedt dan het indienen van een rechtstreekse klacht bij de Commissie, omdat het Parlement bij de verzoekschriftenprocedure betrokken is en er beter toezicht kan worden gehouden op de uitoefening van de onderzoeksplichten van de Commissie en er transparante debatten over de kwestie kunnen worden gehouden, in aanwezigheid van indieners, leden van het Europees Parlement en de Commissie alsook, waar gepast, andere betrokken autoriteiten;

M.  overwegende dat verzoekschriften vaak nuttige informatie over verschillende EU‑beleidsdomeinen opleveren voor andere parlementaire commissies, waar zij onder meer in het kader van hun wetgevende activiteiten gebruik van kunnen maken; overwegende dat van de commissies die bevoegd zijn voor het onderwerp van een verzoekschrift wordt verwacht dat zij hun deskundigheid verlenen, zodat het verzoekschrift naar behoren wordt behandeld en het Parlement zelf een bruikbaar antwoord kan verschaffen; overwegende dat het de verantwoordelijkheid van het Parlement in zijn geheel is om het fundamentele recht op het indienen van een verzoekschrift te eerbiedigen door ervoor te zorgen dat verzoekschriften zorgvuldig worden behandeld;

N.  overwegende dat elk verzoekschrift zorgvuldig moeten worden beoordeeld en behandeld; overwegende dat elke indiener het recht heeft om binnen een redelijke termijn informatie te ontvangen over de beslissing van de Commissie verzoekschriften betreffende de ontvankelijkheid en dat de door indiener aangekaarte kwestie ook binnen redelijke termijn volledig dient te worden behandeld;

O.  overwegende dat een aanzienlijk aantal verzoekschriften publiekelijk wordt behandeld in vergaderingen van de Commissie verzoekschriften; overwegende dat indieners het recht hebben om hun verzoekschriften te presenteren, en vaak volwaardig deelnemen aan de discussie en zo actief bijdragen aan het werk van de commissie; overwegende dat in 2017 248 verzoekschriften werden besproken op commissievergaderingen, dat er 208 indieners aanwezig waren, en dat 59 indieners actief deelnamen door het woord te voeren;

P.  overwegende dat de informatie die burgers en ingezetenen in verzoekschriften en tijdens commissievergaderingen verstrekken – aangevuld met de deskundigheid van de Commissie, de lidstaten en andere organen – van cruciaal belang is voor de werkzaamheden van de commissie; overwegende dat indieners van wie het verzoekschrift in een publieke bijeenkomst van een commissie wordt behandeld en die bereid zijn om deel te nemen aan de bespreking, recht moet krijgen op vergoeding van de hiermee samenhangende kosten – binnen redelijke grenzen – teneinde sociaaleconomische discriminatie te voorkomen;

Q.  overwegende dat de voornaamste bronnen van zorg die in 2017 in verzoekschriften werden aangekaart, betrekking hadden op milieukwesties (in het bijzonder kwesties op het gebied van water- en afvalbeheer en het behoud van het milieu), de grondrechten (in het bijzonder stemrechten en de rechten van kinderen), de kwestie van de vermiste baby's, het vrije verkeer van personen, sociale aangelegenheden (arbeidsomstandigheden), verschillende vormen van discriminatie en immigratie, naast veel andere werkterreinen;

R.  overwegende dat de herziening van het Reglement van het Europees Parlement moet leiden tot een betere verzoekschriftenprocedure en dat de betreffende regels ervoor moeten zorgen dat de Commissie verzoekschriften beter in staat zal zijn onderzoek te doen naar de door de burgers naar voren gebrachte kwesties, zodat het recht om een verzoekschrift in te dienen volledig wordt beschermd en doeltreffender kan worden benut;

S.  overwegende dat in 2017 69,1 % van de ontvangen verzoekschriften (878 verzoekschriften) via het webportaal voor verzoekschriften van het Parlement werd ingediend, tegenover 68 % (1 067 verzoekschriften) in 2016; overwegende dat deze manier van indienen nu al het meest wordt gebruikt en naar verwachting nog aan belang zal winnen, hetgeen mogelijkheden biedt om de verzoekschriften sneller in behandeling te nemen;

T.  overwegende dat de samenvattingen van verzoekschriften nu sneller – ongeveer een week na de beslissing van de Commissie verzoekschriften over de ontvankelijkheid – kunnen worden geüpload op het portaal; overwegende dat sinds eind 2017 agenda's en notulen van vergaderingen en antwoorden van de Commissie met betrekking tot verzoekschriften automatisch kunnen worden geüpload, waardoor deze documenten openbaar toegankelijk zijn en de werkzaamheden van de Commissie verzoekschriften transparanter zijn; overwegende dat al deze mogelijkheden de inzet van het Parlement tonen om te streven naar een interactievere ervaring en realtimecommunicatie met indieners; overwegende dat de vaak gestelde vragen (FAQ's) en de privacyverklaring zijn aangepast aan de gewijzigde vertrouwelijkheidsbepalingen in het Reglement; overwegende dat er ook technische verbeteringen zijn aangebracht, waaronder verdere verbeteringen van de zoekfunctie en de invoering van een inleidende pagina met informatie en advies die indieners eerst moeten lezen voordat ze een verzoekschrift kunnen indienen; overwegende dat een groot aantal individuele ondersteuningsaanvragen met succes is behandeld;

U.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften het Europees burgerinitiatief beschouwt als een belangrijk instrument van directe en participatieve democratie dat, indien het serieus wordt genomen, burgers de mogelijkheid moet bieden actief betrokken te zijn bij de vormgeving van Europees beleid en wetgeving;

V.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften in 2017 vier informatiebezoeken heeft afgelegd in overeenstemming met artikel 216 bis van het Reglement: een naar Zweden met betrekking tot de moeilijkheden die EU-burgers ondervinden bij het verkrijgen van het identificatienummer dat vereist is om toegang te krijgen tot de meeste diensten waarvan zij gebruik moeten maken als zij tijdelijk naar Zweden verhuizen; een naar Spanje in verband met de verzoekschriften over de vermeende ontvreemding van pasgeboren baby's uit ziekenhuizen tijdens en na de dictatuur van Franco; een naar Taranto (Italië) over de milieueffecten van een staalfabriek en een lokale raffinaderij en de manier waarop de staalfabriek en de raffinaderij de lucht, de bodem en het water hebben verontreinigd; en een naar Larnaca (Cyprus) met betrekking tot de milieu- en gezondheidseffecten van de nieuwe industriële haven in de stad;

W.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften op grond van het Reglement verantwoordelijk is voor de betrekkingen met de Europese Ombudsman, die klachten van EU-burgers over mogelijk wanbeheer binnen EU-instellingen en ‑organen onderzoekt; overwegende dat Emily O'Reilly, de huidige Europese Ombudsman, haar jaarverslag voor 2016 aan de Commissie verzoekschriften heeft gepresenteerd tijdens de vergadering van 30 mei 2017 en overwegende dat het jaarverslag van de Commissie verzoekschriften op zijn beurt gedeeltelijk gebaseerd is op het jaarverslag van de Ombudsman of de bij het Parlement ingediende speciale verslagen, waarvan het laatste handelde over de transparantie in de besluitvorming van de Raad;

X.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften lid is van het Europese netwerk van ombudsmannen, waar ook de Europese Ombudsman, nationale en regionale ombudsmannen en soortgelijke instanties van de lidstaten, de kandidaat-lidstaten en andere landen van de Europese Economische Ruimte deel van uitmaken en dat de uitwisseling van informatie over het recht en het beleid van de EU en het delen van beste praktijken moet bevorderen;

1.  benadrukt de fundamentele rol van de Commissie verzoekschriften als een brug tussen de EU-burgers en ‑ingezetenen en de EU-instellingen, die het de EU-burgers en ‑ingezetenen mogelijk maakt het Parlement formeel op de hoogte te brengen van gevallen waarin de EU-wetgeving niet correct wordt toegepast en hun zorgen en ideeën kenbaar te maken aan hun verkozen vertegenwoordigers en die, in de mate van het mogelijke, zorgt voor een tijdig onderzoek van en tijdige oplossing voor de verzoeken van indieners; benadrukt dat de wijze waarop de in de verzoekschriften aangekaarte kwesties worden behandeld, een doorslaggevende impact heeft op de burgers wat betreft de daadwerkelijke eerbiediging van het bij het EU-recht verleende recht om verzoekschriften in te dienen en op hun oordeel over de Europese instellingen; herinnert de Commissie eraan dat verzoekschriften een uniek middel vormen om situaties op te sporen waarin het EU-recht niet wordt nageleefd en om dergelijke situaties te onderzoeken met behulp van de politieke controle van het Europees Parlement;

2.  wijst erop dat verzoekschriften zowel een kans als een uitdaging voor het Parlement en andere EU-instellingen vormen om een rechtstreekse dialoog met EU-burgers en ‑ingezetenen in stand te houden, vooral als zij gevolgen ondervinden van de toepassing van EU-wetgeving en op zoek zijn naar een doeltreffend en efficiënt verhaalmechanisme; benadrukt dat de EU-instellingen en de lidstaten in het kader van hun respectieve bevoegdheden alles in het werk moeten stellen om tot een tijdige en effectieve oplossing te komen voor kwesties die door burgers via verzoekschriften aan de orde worden gesteld;

3.  benadrukt het belang van bewustmaking door middel van een permanent openbaar debat en grootschaliger informatieverstrekking over de daadwerkelijke bevoegdheden, de werking en de behoefte aan toekomstige verbeteringen van de EU, om ervoor te zorgen dat de burgers en ingezetenen goed op de hoogte zijn van de besluitvormingsniveaus zodat zij kunnen worden betrokken bij besprekingen over eventuele hervormingen en kan worden voorkomen dat aan "Brussel" altijd de schuld wordt gegeven, zoals sommige onverantwoordelijke lidstaten plegen te doen; is van mening dat een breder publiek debat over de EU, evenals betere informatie en voorlichting en zorgvuldige berichtgeving, het aantal niet-ontvankelijke verzoekschriften zou verminderen, aangezien burgers en ingezetenen beter op de hoogte zouden zijn van de bevoegdheden van de EU; merkt op dat het onderwerp van een niet-ontvankelijk verzoekschrift toch een rol kan spelen bij de beleidsvorming, ook als het onderwerp buiten de werkingssfeer van de commissie valt;

4.  benadrukt dat er nauwer moet worden samengewerkt tussen de Commissie en andere EU-instellingen en de nationale, regionale en lokale autoriteiten van de lidstaten teneinde de goedkeuring en uitvoering te waarborgen van EU-wetgeving die voldoet aan de hoogste normen inzake sociale rechtvaardigheid en die volledige en doeltreffende bescherming van de economische, sociale en culturele rechten van alle burgers waarborgt; onderstreept dat er actiever moet worden samengewerkt met de vertegenwoordigers van de lidstaten in de commissievergaderingen en dat de verzoeken van de commissie sneller moeten worden opgevolgd; roept derhalve op tot een sterke inzet van alle betrokken autoriteiten op nationaal en Europees niveau door prioriteit te geven aan de behandeling en oplossing van verzoekschriften; constateert wederom dat veel verzoekschriften door de Commissie slechts op oppervlakkige wijze zijn beantwoord;

5.  dringt er bij de Commissie op aan haar bevoegdheden in verband met haar rol als hoedster van de Verdragen naar behoren uit te oefenen, aangezien die rol van cruciaal belang is voor de werking van de EU voor de burgers en de Europese wetgevers; roept op tot een tijdige behandeling van inbreukprocedures om onverwijld een einde te maken aan situaties waarin het EU-recht niet wordt geëerbiedigd;

6.  herhaalt dat samenwerking met andere parlementaire commissies essentieel is voor een alomvattende behandeling van verzoekschriften; merkt op dat in 2017 18 verzoekschriften voor advies en 357 verzoekschriften ter informatie aan andere parlementaire commissies zijn toegezonden; is verheugd dat er 21 adviezen van parlementaire commissies over verzoekschriften werden ontvangen; pleit voor de bevordering van de communicatie tussen de verschillende parlementaire commissies zodat op adequate wijze aandacht kan worden besteed aan de problemen die door de EU-burgers worden aangekaart;

7.  wijst erop dat op 21 maart 2017, in aanwezigheid van leden van alle parlementaire commissies, het verzoekschriftennetwerk werd gelanceerd, waarbij de richtsnoeren van het netwerk werden gepresenteerd en het doel van het netwerk en de rol van de leden ervan werden toegelicht; is ervan overtuigd dat het verzoekschriftennetwerk, indien het serieus wordt genomen, een nuttig instrument is voor een betere opvolging van verzoekschriften in het kader van de parlementaire en wetgevende werkzaamheden; benadrukt de belangrijke rol die het netwerk speelt bij het verhogen van de kennis van de leden over de kwesties die door burgers bij het Parlement door middel van verzoekschriften worden aangekaart, het bespreken van mogelijke procedurele verbeteringen en het delen van optimale werkwijzen; benadrukt dat nauwer contact tussen de commissies het inplannen van hoorzittingen en parlementaire onderzoeken over soortgelijke onderwerpen efficiënter kan doen verlopen; kijkt uit naar de publicatie van de studie van beleidsondersteunende afdeling C van het Parlement over de huidige werking van de samenwerking tussen de verschillende commissies en de Commissie verzoekschriften; onderstreept dat een nauwere samenwerking met parlementaire commissies over kwesties die door indieners aan de orde worden gesteld, het Parlement in staat moet stellen een betere follow-up op maat aan verzoekschriften te geven en veel sneller en doeltreffender op de zorgen van de burgers te reageren en op die manier een meerwaarde te leveren aan de levens van EU-burgers en -ingezetenen en aan de activiteiten van het Parlement en Europa als geheel;

8.  onderstreept de belangrijke bijdragen van de verzoekschriften die in de aanloop van de brexitonderhandelingen zijn ingediend door betrokken burgers en ingezetenen; wijst op de gezamenlijke openbare hoorzitting die op 11 mei 2017 werd georganiseerd door de Commissie verzoekschriften, alsook de Commissie burgerlijke vrijheden, de Commissie justitie en binnenlandse zaken (LIBE), de Commissie constitutionele zaken (AFCO) en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (EMPL) over de rechten van burgers en ingezetenen na de brexit, om te waarborgen dat deze rechten bij de brexitonderhandelingen een van de voornaamste prioriteiten van het Parlement zijn;

9.  is van mening dat, om ervoor te zorgen dat onderscheiden verzoekschriften op coherente wijze worden behandeld, de Commissie verzoekschriften en het secretariaat van deze commissie meer financiële middelen toegewezen moeten krijgen; onderstreept dat de richtsnoeren van de commissie, die in januari 2016 zijn aangenomen, de behandeling van verzoekschriften en het besluitvormingsproces transparant en duidelijk maken;

10.  wijst erop dat verzoekschriften worden behandeld overeenkomstig artikel 227 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarin wordt voorgeschreven dat iedere burger van de Unie, alsmede iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat het recht heeft om een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten betreffende een onderwerp dat tot de werkterreinen van de Unie behoort; wijst erop dat de procedure voor de behandeling van verzoekschriften is vastgelegd in het Reglement van het Europees Parlement;

11.  merkt op dat als klachten van burgers, ook ten aanzien van individuele gevallen, niet grondig en snel worden onderzocht, overeenkomstig de benadering die door de Commissie in 2016 in de mededeling getiteld "EU‑wetgeving: betere resultaten door betere toepassing"(1) naar voren is gebracht, dit tijdig inzicht in de vraag of er sprake is van ernstige systemische tekortkomingen in de weg kan staan en ertoe kan leiden dat meerdere schendingen van de rechten blijven voortduren ten nadele van vele burgers, waarbij de nationale rechtbanken in feite de hoofdmoot van de verantwoordelijkheid krijgen toebedeeld voor het toezicht op mogelijke inbreuken op de EU-wetgeving, behalve wanneer het om systematische schendingen gaat; is van mening dat er te veel onduidelijkheid heerst omtrent de interpretatie van dit begrip en dat deze aanpak met name schadelijke gevolgen kan hebben op het gebied van milieuwetgeving; beschouwt deze situatie als een achteruitgang ten opzichte van de aanpak die de Commissie voorheen hanteerde met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving van de EU en is van oordeel dat zij daarmee haar taken als hoedster van de Verdragen niet naar behoren uitoefent;

12.  onderstreept dat uit de behandeling van verzoekschriften over de onzekere arbeidsomstandigheden van werknemers is gebleken dat in een aantal lidstaten veel werknemers het slachtoffer zijn geworden van ontoelaatbare en discriminerende praktijken, en dat er in bepaalde gevallen sprake was van een gebrek aan preventieve maatregelen en dat deze vormen van misbruik niet werden bestraft; betreurt dat de Commissie een aanzienlijke achterstand heeft wat betreft zaken met betrekking tot schending van de EU-arbeidswetgeving door een aantal lidstaten, waardoor bepaalde schendingen van de rechten van werknemers jarenlang konden voortslepen;

13.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie om de Commissie verzoekschriften stelselmatig te informeren over lopende EUpilot- en inbreukprocedures en verzoekt de Commissie om, zodra die procedures zijn afgerond, inzage te geven in documenten die in het kader van deze procedures zijn uitgewisseld, en op die manier uitvoering te geven aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ‑EU), met name wanneer deze procedures volledig of gedeeltelijk zijn ingeleid op basis van verzoekschriften; is verheugd over het centrale platform dat de Commissie in 2014 heeft opgericht en waarop besluiten in verband met inbreuken worden bekendgemaakt;

14.  verwacht dat de Commissie zich bij openbare debatten binnen de Commissie verzoekschriften altijd naar behoren laat vertegenwoordigen, d.w.z. door hooggeplaatste ambtenaren die aanvullende informatie kunnen verstrekken en antwoord kunnen geven op vragen van indieners en leden van het Europees Parlement en die, indien nodig, ook antwoorden kunnen geven die meer omvatten dan uitsluitend het vooraf aangeleverde schriftelijke antwoord;

15.  is verheugd over het feit dat de Commissie verzoekschriften steeds vaker kwesties ter sprake brengt in de plenaire vergadering door middel van mondelinge vragen, resoluties of beknopte ontwerpresoluties overeenkomstig artikel 216, lid 2, van het Reglement; vestigt de aandacht op de resoluties die zijn aangenomen na de bekendmaking van het jaarverslag over de activiteiten van de Commissie verzoekschriften in 2016(2), het jaarverslag over de werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2016(3) en het verslag over het EU-burgerschap 2017(4); wijst op zijn resolutie van 15 maart 2017 over belemmeringen van het vrije verkeer van EU-burgers en van hun vrijheid om in de interne markt te werken(5);

16.  neemt nota van de hoorzittingen over verschillende, uiteenlopende onderwerpen die de Commissie verzoekschriften in 2017 – alleen of in samenwerking met andere commissies – heeft georganiseerd, namelijk over de bestrijding van discriminatie en de bescherming van minderheden op 4 mei, over de situatie en rechten van EU-burgers in het VK na de brexit op 11 mei (samen met de Commissies EMPL en LIBE), over het herstellen van het vertrouwen van de burgers in het Europese project op 22 juni, over stateloosheid op 29 juni (samen met de Commissie LIBE), over het Europese burgerinitiatief "Verbied glyfosaat en bescherm mens en milieu tegen giftige bestrijdingsmiddelen" op 20 november, en over de bescherming van de rechten van werknemers met tijdelijke of onzekere banen op 22 november; is ook verheugd dat de jaarlijkse workshop over de bescherming van de rechten van personen met een handicap op 12 oktober 2017 heeft plaatsgevonden;

17.  merkt op dat de Commissie verzoekschriften in verschillende bijdragen aan parlementaire verslagen haar advies heeft gegeven over diverse vraagstukken die in verzoekschriften zijn aangekaart, zoals over de Europese toegankelijkheidswet(6), over de interpretatie en tenuitvoerlegging van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven(7), over de Brussel II bis-verordening(8), over het Verdrag van Marrakesh(9), over toezicht op de toepassing van EU-wetgeving 2015(10), over het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen(11), over de Europese strategie inzake handicaps(12), over het jaarverslag over de situatie van de grondrechten in de EU in 2016(13), en over de herziening van Verordening (EU) nr. 211/2011 over het burgerinitiatief(14);

18.  merkt op dat milieukwesties de voornaamste bron van zorg waren die indieners in 2017 hebben aangekaart; wijst op de speciale Eurobarometer nr. 468 die in november 2017(15) werd gepubliceerd, waaruit blijkt dat het milieu een belangrijk punt van zorg voor de Europese burger is; benadrukt hoe belangrijk het is om te voldoen aan de verwachtingen van EU-burgers en ‑ingezetenen met betrekking tot behoorlijke milieuwetgeving en om de aangenomen voorschriften en beleidsmaatregelen ten uitvoer te leggen; betreurt dat de milieuvoorschriften niet altijd correct ten uitvoer worden gelegd in de lidstaten, zoals uit de verzoekschriften blijkt; dringt er bij de Commissie op aan om, als hoedster van de Verdragen, samen met de lidstaten toe te zien op de correcte tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving;

19.  benadrukt dat de Commissie nauwkeurig en uitgebreid moet analyseren of de door de lidstaten uitgevoerde milieueffectbeoordelingen met het oog op vergunningverlening voor infrastructuurprojecten, met betrekking waartoe burgers door middel van verzoekschriften hebben gewezen op ernstige risico's voor de volksgezondheid en het milieu, voldoen aan het EU-recht;

20.  betreurt ten zeerste dat de door burgers in hun verzoekschriften aangedragen problemen in verband met de luchtkwaliteit in verschillende lidstaten worden verergerd door de vervuiling die wordt veroorzaakt door 43 miljoen voertuigen met dieselmotoren die niet voldoen aan de EU-voorschriften inzake typegoedkeuring en de emissies van personenvoertuigen en lichte bedrijfsvoertuigen;

21.  wijst op de werkzaamheden van de Commissie verzoekschriften in verband met verzoekschriften over handicapgerelateerde problemen; merkt op dat er in 2017 minder verzoekschriften zijn ingediend over handicapgerelateerde problemen; benadrukt dat toegang tot vervoer en de bebouwde omgeving, en discriminatie, met name op het gebied van werkgelegenheid, voor personen met een handicap de meeste problemen opleveren; merkt op dat er bijzondere aandacht is besteed aan de behandeling van verzoekschriften over handicapgerelateerde problemen, zoals over steun voor mantelzorgers voor personen met een handicap en de snelle bekrachtiging, tenuitvoerlegging en toepassing van het Verdrag van Marrakesh;

22.  benadrukt de beschermende rol van de Commissie verzoekschriften binnen het EU‑kader van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; wijst op de workshop over de bescherming van de rechten van personen met een handicap die plaatsvond tijdens de commissievergadering van 12 oktober 2017, in het kader waarvan een studie over inclusief onderwijs werd gepresenteerd; verzoekt de EU‑instellingen om in dit verband het goede voorbeeld te geven en ervoor te zorgen dat de nationale autoriteiten de op dit terrein aangenomen wetgeving correct en onverwijld ten uitvoer leggen;

23.  wijst op zijn resolutie van 15 maart 2017 over belemmeringen van het vrije verkeer van EU-burgers en van hun vrijheid om in de interne markt te werken; verzoekt de Europese Commissie nogmaals haar richtsnoeren voor betere omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/38/EG te verduidelijken, bij te werken en uit te breiden en daar met name de recente uitspraken van het Europees Hof van Justitie in op te nemen (zaken C‑456‑12 en 457‑12); beveelt aan gebruik te maken van omzettings- en tenuitvoerleggingsplannen om een volledige en correcte toepassing te waarborgen; verzoekt de lidstaten met klem Richtlijn 2004/38/EG te eerbiedigen, evenals de bestaande jurisprudentie van het HvJ‑EU op het gebied van het vrije verkeer van personen, aangezien niet-naleving ervan een rechtstreekse schending vormt van een grondrecht van de burgers van de Unie;

24.  erkent het werk dat is geleverd door de Werkgroep inzake kwesties in verband met kinderwelzijn van de Commissie verzoekschriften en neemt kennis van het definitieve verslag en de aanbevelingen van deze werkgroep die op 3 mei 2017 werden aangenomen; is er sterk van overtuigd dat de Commissie, de Raad en de lidstaten op samenhangende en doeltreffende wijze gevolg moeten geven aan de aanbevelingen van het definitieve verslag van de werkgroep; roept de EU-instellingen en de lidstaten op om de Europese wetgeving na te leven en de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van familiezaken op doeltreffende wijze te bevorderen en verbeteren door te voorzien in opleidingen voor rechters en professionals, informatie over rechtsbijstand en tweetalige advocaten;

25.  herhaalt zijn standpunt dat een te enge en onsamenhangende uitlegging van artikel 51 van het Handvest van de grondrechten burgers van de EU vervreemdt; verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen die een samenhangende en uitgebreide toepassing van de werkingssfeer van artikel 51 waarborgen;

26.  moedigt de Commissie aan er bij de lidstaten op aan te dringen oplossingen te vinden voor het verlies van stemrecht en de rechteloosheid van EU-burgers die zich vrij binnen de Europese Unie bewegen en er verblijven, alsook voor de rechteloosheid van langdurig ingezetenen; spreekt zijn teleurstelling uit over het feit dat de politieke rechten van burgers niet aan bod komen in het ontwerpterugtrekkingsakkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk;

27.  benadrukt dat het Europees burgerinitiatief zowel transparant als doeltreffend moet zijn om te kunnen dienen als een belangrijk instrument voor actief burgerschap en inspraak van het publiek; betreurt dat dit in het verleden niet is gebeurd en dat eerdere succesvolle initiatieven niet tot tastbare resultaten hebben geleid in de vorm van wetgeving; neemt nota van het voorstel van de Commissie voor de herziening van Verordening (EU) nr. 211/2011 over het Europees burgerinitiatief(16), dat werd bekendgemaakt op 13 september 2017; benadrukt het meest recente succesvolle burgerinitiatief dat is ingediend, getiteld "Verbied glyfosaat en bescherm mens en milieu tegen giftige bestrijdingsmiddelen"; wijst op de openbare hoorzitting over dit initiatief in het Parlement op 20 november 2017; verwacht van de Commissie dat zij naar aanleiding hiervan maatregelen neemt; bevestigt dat de Commissie verzoekschriften heeft toegezegd proactief deel te nemen aan de organisatie van openbare hoorzittingen voor succesvolle initiatieven; verbindt zich ertoe om op institutioneel niveau prioriteit te verlenen aan de doeltreffendheid van dit participatieve proces en ervoor te zorgen dat voor passende wetgevende follow-up wordt gezorgd;

28.  benadrukt dat zowel in het kader van de openbare hoorzitting over het Europees burgerinitiatief getiteld "Verbied glyfosaat en bescherm mens en milieu tegen giftige gewasbeschermingsmiddelen" als bij de behandeling van verzoekschriften over hetzelfde onderwerp, is gebleken dat de op EU-niveau toegepaste procedures voor de goedkeuring van, onder meer, glyfosaat, genetisch gemodificeerde organismen en pesticiden, ondeugdelijk zijn door een gebrek aan onafhankelijkheid en onvoldoende transparantie en nauwkeurigheid bij het verzamelen en beoordelen van wetenschappelijk bewijs;

29.  wijst op het grote aantal verzoekschriften inzake dierenwelzijn; vestigt de aandacht op de studie "Animal Welfare in the European Union", die werd gepresenteerd op de commissievergadering van 23 maart 2017 en werd gevolgd door een bespreking van een aantal verzoekschriften over deze kwestie; beschouwt de lancering van een nieuwe EU-strategie voor dierenwelzijn cruciaal om eventuele lacunes op te vullen, wetgeving te harmoniseren en te zorgen voor een volledige en doeltreffende bescherming van het dierenwelzijn, ook met betrekking tot dierenvervoer, door middel van een duidelijk en afgerond wetgevingskader dat volledig voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 13 VWEU;

30.  wijst op de belangrijke rol van het Solvit-netwerk, dat burgers en bedrijven de mogelijkheid geeft om hun bezorgdheid te uiten over mogelijke inbreuken op het EU‑recht door overheidsinstanties in andere lidstaten; verzoekt de Commissie en de lidstaten om Solvit te promoten om het nuttiger en zichtbaarder te maken voor de burgers; is in dat opzicht ingenomen met het actieplan om het Solvit-netwerk te versterken, dat de Commissie in mei 2017 heeft gepubliceerd; verzoekt de Commissie om de resultaten van dit actieplan terug te koppelen naar het Europees Parlement;

31.  onderstreept dat het belangrijk is om het verzoekschriftenportaal verder te ontwikkelen, dat van het portaal een eenvoudig toegankelijk communicatiekanaal in twee richtingen en een interactief instrument moet worden gemaakt, waardoor de burgers van alle EU‑lidstaten toegang hebben tot alle basisinformatie met betrekking tot verzoekschriften en de behandeling ervan, met elkaar kunnen communiceren en thematische gemeenschappen kunnen oprichten voor de uitwisseling van documenten en beste praktijken; benadrukt dat de administratieve lasten in verband met de behandeling van verzoekschriften verder moeten worden beperkt; benadrukt dat het portaal ook fungeert als openbaar register van verzoekschriften; herhaalt dat de technische capaciteit van het portaal versterkt moet worden, zodat het verzoekschriftenproces vlot kan verlopen; benadrukt de noodzaak om de communicatie met indieners te verbeteren door hun kennisgevingen te sturen over de voortgang van hun verzoekschrift in hun eigen taal; is van mening dat personen die hun steun voor of interesse in een verzoekschrift hebben geuit, recht hebben op dezelfde feedback en informatie als de indiener van dat verzoekschrift, in het bijzonder wanneer er debatten in het Parlement worden gehouden of de Commissie een antwoord verschaft; herhaalt dat ernaar gestreefd moet worden dat indieners zo veel mogelijk bij de behandeling van hun verzoekschriften in de commissie aanwezig zijn;

32.  dringt aan op gerichtere en actievere communicatie- en media-activiteiten en een actievere aanwezigheid op sociale media, opdat de werkzaamheden van de commissie beter inspelen op de zorgen die leven bij het publiek;

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en het verslag van de Commissie verzoekschriften te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Ombudsman, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, alsmede aan hun verzoekschriftencommissies en nationale ombudsbureaus of andere soortgelijke ter zake bevoegde organen.

(1) PB C 18 van 19.1.2017, blz. 10.
(2) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 105.
(3) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 77.
(4) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 11.
(5) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 98.
(6) Advies aangenomen op 24 januari 2017.
(7) Advies aangenomen op 24 januari 2017.
(8) Advies aangenomen op 25 april 2017.
(9) Advies aangenomen op 24 januari 2017.
(10) Advies aangenomen op 22 maart 2017.
(11) Advies aangenomen op 7 september 2017.
(12) Advies aangenomen op 7 september 2017.
(13) Advies aangenomen op 22 november 2017.
(14) Advies aangenomen op 7 september 2017.
(15) Speciale Eurobarometer nr. 468: de houding van de Europese burger ten opzichte van het milieu, november 2017: http://ec.europa.eu/commfrontoffice/publicopinion/index.cfm/Survey/getSurveyDetail/instruments/SPECIAL/surveyKy/2156
(16) PB L 65 van 11.3.2011, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid