Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 15 januari 2019 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Vaststelling, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur ***I
 Sluiting van de statusovereenkomst EU-Albanië inzake acties die het Europees grens- en kustwachtagentschap in Albanië uitvoert ***
 Protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EG-Kirgizische Republiek (toetreding van Kroatië) ***
 Brede overeenkomst EU-Kirgizische Republiek
 Autonoom rijden in het Europees vervoer
 Het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg ***I
 Tijdelijke intrekking van preferenties in bepaalde overeenkomsten tussen de EU en bepaalde derde landen ***I
 Vaststelling van het Douane-programma voor samenwerking op het gebied van douane ***I
 Wijziging van de statuten van de Europese Investeringsbank *
 Gendermainstreaming in het Europees Parlement
 Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie
 Evaluatie van de benutting van de EU-begroting voor de hervorming van de publieke sector
 EU-richtsnoeren voor en het mandaat van de speciaal gezant van de EU voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de Europese Unie
 Gendergelijkheid en belastingbeleid in de EU

Vaststelling, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur ***I
PDF 212kWORD 70k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 15 januari 2019 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur (COM(2018)0474 – C8-0273/2018 – 2018/0258(COD))(1)
P8_TA(2019)0001A8-0460/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  De 2 140 douanekantoren2 langs de buitengrenzen van de Europese Unie moeten goed uitgerust zijn om de werking van de douane-unie te garanderen. De behoefte aan passende en gelijkwaardige douanecontroles is groter dan ooit, niet alleen wegens de traditionele functie van de douane, namelijk het innen van douanerechten, maar ook steeds meer omdat de controle op goederen die de Unie aan de buitengrenzen binnenkomen of verlaten, moet worden versterkt teneinde de veiligheid en beveiliging te garanderen. Tegelijkertijd mogen deze controles op goederenstromen die de buitengrenzen overschrijden, geen belemmering vormen voor legitieme handel met derde landen, maar moeten ze deze zelfs vergemakkelijken.
(1)  De 2 140 douanekantoren2 langs de buitengrenzen van de Europese Unie moeten goed uitgerust zijn om de efficiënte en doeltreffende werking van de douane-unie te garanderen. De behoefte aan passende en gelijkwaardige douanecontroles is groter dan ooit, niet alleen wegens de traditionele functie van de douane, namelijk het innen van douanerechten, maar ook steeds meer omdat de controle op goederen die de Unie aan de buitengrenzen binnenkomen of verlaten, moet worden versterkt teneinde de veiligheid en beveiliging te garanderen. Tegelijkertijd mogen deze controles op goederenstromen die de buitengrenzen overschrijden, geen belemmering vormen voor legitieme handel met derde landen, maar moeten ze deze zelfs vergemakkelijken met inachtneming van de veiligheids- en beveiligingsnormen.
__________________
__________________
2 Bijlage bij het verslag over de prestaties van de douane-unie in 2016: https://ec.europa.eu/info/publications/annual-activity-report-2016-taxation-and-customs-union_en.
2 Bijlage bij het verslag over de prestaties van de douane-unie in 2016: https://ec.europa.eu/info/publications/annual-activity-report-2016-taxation-and-customs-union_en.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  De douane-unie is een hoeksteen van de Europese Unie, een van de grootste handelsblokken ter wereld, en is van essentieel belang voor de goede werking van de interne markt ten behoeve van zowel bedrijven als burgers. Het Parlement spreekt in zijn resolutie van 14 maart 20182 bis met name zijn bezorgdheid uit over de douanefraude, die een aanzienlijk inkomensverlies voor de begroting van de Unie tot gevolg heeft. Het Parlement herhaalde hierin dat een sterker en ambitieuzer Europa alleen mogelijk is als in meer financiële middelen wordt voorzien, en riep daarom op tot blijvende steun voor de bestaande maatregelen, tot meer middelen voor de vlaggenschipprogramma's van de Unie, en tot bijkomende bevoegdheden met daaraan gekoppeld bijkomende middelen.
__________________
2 bis Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075: Het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Momenteel bestaan er verschillen tussen de lidstaten bij de uitvoering van douanecontroles. Dit is zowel te wijten aan geografische verschillen tussen de lidstaten als aan hun respectieve capaciteiten en middelen. Of de lidstaten kunnen reageren op uitdagingen ten gevolge van voortdurend evoluerende mondiale bedrijfsmodellen en toeleveringsketens hangt niet alleen af van de menselijke factor, maar ook van de beschikbaarheid van moderne en betrouwbare douanecontroleapparatuur. De beschikbaarheid van gelijkwaardige douanecontroleapparatuur is daarom een belangrijk element om het evenwicht tussen de lidstaten te herstellen. Het zal de gelijkwaardigheid bij de uitvoering van douanecontroles in de lidstaten verbeteren en zo voorkomen dat goederenstromen gebruikmaken van de zwakste punten om de EU binnen te komen.
(2)  Momenteel bestaan er verschillen tussen de lidstaten bij de uitvoering van douanecontroles. Dit is zowel te wijten aan geografische verschillen tussen de lidstaten en hun respectieve capaciteiten en middelen als aan een gebrek aan gestandaardiseerde douanecontroles. Of de lidstaten kunnen reageren op uitdagingen ten gevolge van voortdurend evoluerende mondiale bedrijfsmodellen en toeleveringsketens hangt niet alleen af van de menselijke factor, maar ook van de beschikbaarheid en de goede werking van moderne en betrouwbare douanecontroleapparatuur. Andere uitdagingen, zoals de sterke toename van e-commerce, de digitalisering van de controles en de controleregisters, weerbaarheid tegen cyberaanvallen, sabotage, bedrijfsspionage en misbruik van gegevens, zullen ook de vraag naar een betere werking van douaneprocedures doen toenemen. De beschikbaarheid van gelijkwaardige douanecontroleapparatuur is daarom een belangrijk element om het evenwicht tussen de lidstaten te herstellen. Het zal de gelijkwaardigheid bij de uitvoering van douanecontroles in de lidstaten verbeteren en zo voorkomen dat goederenstromen gebruikmaken van de zwakste punten om de EU binnen te komen. Alle goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen moeten aan grondige controles worden onderworpen teneinde "port-shopping" door douanefraudeurs te vermijden. Om de douanecontroles in het algemeen te versterken en te zorgen voor convergentie bij de uitvoering ervan door de lidstaten moet een duidelijke strategie worden vastgesteld.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  De lidstaten hebben er herhaaldelijk op gewezen dat zij financiële steun nodig hebben en hebben een grondige analyse van de benodigde apparatuur gevraagd. In zijn conclusies3 over douanefinanciering van 23 maart 2017 heeft de Raad de Commissie verzocht om "een oordeel te vormen over de mogelijkheid om benodigde technische apparatuur te financieren uit toekomstige financiële programma's van de Commissie, en ten behoeve van de financiering de coördinatie te verbeteren en de samenwerking tussen douaneautoriteiten en andere rechtshandhavingsautoriteiten te versterken".
(3)  Diverse lidstaten hebben er herhaaldelijk op gewezen dat zij financiële steun nodig hebben en hebben een grondige analyse van de benodigde apparatuur gevraagd. In zijn conclusies3 over douanefinanciering van 23 maart 2017 heeft de Raad de Commissie verzocht om "een oordeel te vormen over de mogelijkheid om benodigde technische apparatuur te financieren uit toekomstige financiële programma's van de Commissie, en ten behoeve van de financiering de coördinatie te verbeteren en de samenwerking tussen douaneautoriteiten en andere rechtshandhavingsautoriteiten te versterken".
___________________
___________________
3.https://www.consilium.europa.eu/media/22301/st09581en17-vf.pdf
en http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-7586-2017-INIT/en/pdf.
3.https://www.consilium.europa.eu/media/22301/st09581en17-vf.pdf
en http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-7586-2017-INIT/en/pdf.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Het is dan ook opportuun een nieuw Instrument voor financiële ondersteuning van douanecontroleapparatuur op te zetten.
(6)  Het is dan ook opportuun een nieuw instrument voor financiële ondersteuning van douanecontroleapparatuur op te zetten, waarmee praktijken zoals het namaken van goederen en andere illegale handelspraktijken kunnen worden opgespoord. Hierbij moeten bestaande formules voor financiële ondersteuning in overweging worden genomen.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Aangezien de douaneautoriteiten van de lidstaten steeds meer verantwoordelijkheden op zich hebben genomen, vaak op het gebied van de beveiliging van de buitengrenzen, moeten de lidstaten passende financiële steun van de Unie krijgen om te zorgen voor gelijkwaardigheid bij het uitvoeren van grenscontroles en douanecontroles aan de buitengrenzen. Wat de controle van goederen en personen betreft, is het evenzeer belangrijk om de samenwerking te bevorderen tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor grenscontroles of andere taken die aan de grenzen worden uitgevoerd.
(7)  Aangezien de douaneautoriteiten van de lidstaten steeds meer verantwoordelijkheden op zich hebben genomen, vaak op het gebied van de beveiliging van de buitengrenzen, moeten de lidstaten passende financiële steun van de Unie krijgen om te zorgen voor gelijkwaardigheid bij het uitvoeren van grenscontroles en douanecontroles aan de buitengrenzen. Wat de controle van goederen en personen betreft, is het evenzeer belangrijk om de samenwerking, met inachtneming van cyberveiligheid, te bevorderen tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor grenscontroles of andere taken die aan de grenzen worden uitgevoerd.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  In deze verordening worden voor het Instrument de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer6.
(11)  In deze verordening worden voor het Instrument de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer6. Om de nodige begrotingsdiscipline te waarborgen moeten duidelijke en welomschreven voorwaarden voor de prioritering van de subsidieverstrekking worden vastgelegd die zijn gebaseerd op de geconstateerde behoeften met het oog op de uitoefening van de taken van douanepunten.
__________________
_____________________
6 Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1).
6 Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1).
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  In het kader van dit Instrument gefinancierde douanecontroleapparatuur dient te voldoen aan de hoogst mogelijke normen op het gebied van veiligheid, met inbegrip van cyberveiligheid, milieu en gezondheid.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)  Gegevens die zijn geproduceerd door douanecontroleapparatuur die uit hoofde van dit Instrument wordt gefinancierd, mag uitsluitend worden opgevraagd en verwerkt door naar behoren gemachtigde personeelsleden van de autoriteiten en moet op passende wijze worden beschermd tegen ongeoorloofde toegang of verstrekking. De lidstaten moeten volledige controle hebben over die gegevens.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 quater (nieuw)
(13 quater)  Douanecontroleapparatuur die op grond van dit Instrument wordt gefinancierd, moet bijdragen tot een optimaal douanerisicobeheer.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 quinquies (nieuw)
(13 quinquies)  Bij de vervanging van oude douanecontroleapparatuur met behulp van dit Instrument moeten de lidstaten de verantwoordelijkheid dragen voor de milieuvriendelijke verwijdering van de oude douanecontroleapparatuur.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  De meeste douanecontroleapparatuur is eveneens geschikt voor controles op de naleving van andere wetgeving, zoals de bepalingen m.b.t. grensbeheer, visa of politiesamenwerking. Het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer is dan ook opgevat als twee complementaire instrumenten, met een verschillend maar samenhangend toepassingsgebied voor de aankoop van apparatuur. Enerzijds komt apparatuur die zowel voor grensbeheer als voor douanecontroles kan worden gebruikt niet in aanmerking voor het bij Verordening [2018/XXX]10 opgezette instrument voor grensbeheer en visa. Anderzijds verleent het bij de onderhavige verordening opgezette instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur niet alleen financiële steun voor apparatuur die douanecontroles als hoofddoel heeft, maar staat het ook toe dat die apparatuur voor andere doeleinden, zoals grenscontroles en beveiliging, wordt gebruikt. Deze opdeling zal de samenwerking tussen instanties in het kader van het Europees geïntegreerd grensbeheer, zoals bedoeld in artikel 4, onder e), van Verordening (EU) 2016/162411, bevorderen en douane- en grensautoriteiten in staat stellen samen te werken met gedeelde en interoperabele apparatuur, waardoor de begroting van de Unie een zo groot mogelijk effect krijgt.
(15)  De meeste douanecontroleapparatuur is eveneens geschikt voor controles op de naleving van andere wetgeving, zoals de bepalingen m.b.t. grensbeheer, visa of politiesamenwerking. Het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer is dan ook opgevat als twee complementaire instrumenten, met een verschillend maar samenhangend toepassingsgebied voor de aankoop van apparatuur. Enerzijds komt apparatuur die zowel voor grensbeheer als voor douanecontroles kan worden gebruikt niet in aanmerking voor het bij Verordening [2018/XXX]10 opgezette instrument voor grensbeheer en visa. Anderzijds verleent het bij de onderhavige verordening opgezette instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur niet alleen financiële steun voor apparatuur die douanecontroles als hoofddoel heeft, maar staat het ook toe dat die apparatuur voor andere gerelateerde doeleinden, zoals grenscontroles, veiligheid en beveiliging, wordt gebruikt. Deze opdeling zal de samenwerking tussen instanties in het kader van het Europees geïntegreerd grensbeheer, zoals bedoeld in artikel 4, onder e), van Verordening (EU) 2016/162411, bevorderen en douane- en grensautoriteiten in staat stellen samen te werken met gedeelde en interoperabele apparatuur, waardoor de begroting van de Unie een zo groot mogelijk effect krijgt. Om ervoor te zorgen dat alle door het fonds gefinancierde instrumenten en apparaten permanent in onmiddellijk bezit blijven van het aangewezen douanecontrolepunt dat de apparatuur in eigendom heeft, moet de handeling van het delen en de interoperabiliteit van apparatuur tussen douane- en grensautoriteiten als niet-systematisch en niet-regelmatig worden gedefinieerd.
__________________
__________________
10 COM(2018)0473.
10 COM(2018)0473.
11 Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad (PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1).
11 Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad (PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1).
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  In afwijking van het Financieel Reglement is financiering van een actie door verschillende programma's of instrumenten van de Unie toegestaan om, in voorkomend geval, domeinoverschrijdende samenwerking en interoperabiliteit mogelijk te maken. In dergelijke gevallen mogen de bijdragen echter niet dezelfde kosten dekken, overeenkomstig het in het Financieel Reglement vastgestelde verbod op dubbele financiering.
(16)  In afwijking van het Financieel Reglement is financiering van een actie door verschillende programma's of instrumenten van de Unie toegestaan om, in voorkomend geval, domeinoverschrijdende samenwerking en interoperabiliteit mogelijk te maken. In dergelijke gevallen mogen de bijdragen echter niet dezelfde kosten dekken, overeenkomstig het in het Financieel Reglement vastgestelde verbod op dubbele financiering. Indien aan een lidstaat reeds een bijdrage uit een ander programma van de Unie of steun uit een Uniefonds is toegekend, of deze reeds heeft ontvangen, voor de aankoop van de apparatuur in kwestie, moet deze bijdrage of steun worden vermeld in de aanvraag.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)   De Commissie moet gezamenlijke aankopen en tests van douanecontroleapparatuur door de lidstaten stimuleren.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Gezien de snelle evolutie van de douaneprioriteiten, bedreigingen en technologieën, mogen werkprogramma's geen lange looptijd hebben. Jaarlijkse werkprogramma's zouden echter de administratieve last voor zowel de Commissie als de lidstaten doen toenemen, zonder dat dit nodig is voor de tenuitvoerlegging van het Instrument. Daarom moeten werkprogramma's in beginsel betrekking hebben op meer dan één jaar.
(17)  Gezien de snelle evolutie van de douaneprioriteiten, bedreigingen en technologieën, mogen werkprogramma's geen lange looptijd hebben. Jaarlijkse werkprogramma's zouden echter de administratieve last voor zowel de Commissie als de lidstaten doen toenemen, zonder dat dit nodig is voor de tenuitvoerlegging van het Instrument. Daarom moeten werkprogramma's in beginsel betrekking hebben op meer dan één jaar. Om de integriteit van de strategische belangen van de Unie te waarborgen wordt er bij de lidstaten op aangedrongen om bij aanbestedingen voor nieuwe douanecontroleapparatuur zorgvuldig aandacht te schenken aan cyberveiligheid en de risico's van het eventuele vrijgeven van gevoelige gegevens buiten de Unie.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van het werkprogramma in het kader van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad12.
Schrappen
__________________
12 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Gezien de technische aard van dit Instrument is centrale tenuitvoerlegging onontbeerlijk om de specifieke doelstelling van gelijkwaardige douanecontroles te bereiken, maar er zijn voorbereidende werkzaamheden nodig op technisch niveau. De tenuitvoerlegging moet dan ook worden ondersteund door behoeftenevaluaties die gebaseerd zijn op de nationale deskundigheid en ervaring van de douanediensten van de lidstaten. Voor de uitvoering van deze evaluaties moet een duidelijke methode worden gevolgd, met een minimumaantal stappen voor het verzamelen van de benodigde informatie.
(19)  Gezien de technische aard van dit Instrument is centrale tenuitvoerlegging onontbeerlijk om de specifieke doelstelling van gelijkwaardige douanecontroles te bereiken, maar er zijn voorbereidende werkzaamheden nodig op technisch niveau. De tenuitvoerlegging moet dan ook worden ondersteund door individuele behoeftenevaluaties die gebaseerd zijn op de nationale deskundigheid en ervaring van de douanediensten van de lidstaten. Voor de uitvoering van deze evaluaties moet een duidelijke methode worden gevolgd, met een minimumaantal stappen voor het verzamelen van de benodigde informatie ter zake.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Om regelmatige monitoring en rapportering te garanderen, moet worden voorzien in een passend kader voor toezicht op de resultaten die worden bereikt door het Instrument en de acties in het kader daarvan. Deze monitoring en rapportage moeten worden gebaseerd op indicatoren waarbij de gevolgen van de acties in het kader van het Instrument worden gemeten. Evenredige rapporteringseisen moeten bepaalde minimuminformatie bevatten over douanecontroleapparatuur boven een bepaalde kostendrempel.
(20)  Om regelmatige monitoring en rapportering te garanderen, moet worden voorzien in een passend kader voor toezicht op de resultaten die worden bereikt door het Instrument en de acties in het kader daarvan. Deze monitoring en rapportage moeten worden gebaseerd op kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren waarbij de gevolgen van de acties in het kader van het Instrument worden gemeten. De lidstaten moeten zorgen voor een transparante en duidelijke aanbestedingsprocedure. Evenredige rapporteringseisen moeten gedetailleerde informatie over douanecontroleapparatuur en aanbestedingsprocedures boven een bepaalde kostendrempel bevatten, evenals een verantwoording van de kosten.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Om op passende wijze te kunnen reageren op veranderende beleidsprioriteiten, bedreigingen en technologieën, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden gedelegeerd aan de Commissie, zodat zij de lijst van voorwerpen van douanecontroles kan wijzigen voor acties die in aanmerking komen voor steun uit hoofde van het Instrument, alsook de lijst van indicatoren om de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen te meten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(22)  Om op passende wijze te kunnen reageren op veranderende beleidsprioriteiten, bedreigingen en technologieën, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden gedelegeerd aan de Commissie, zodat zij deze verordening kan wijzigen teneinde werkprogramma's vast te stellen en de lijst van voorwerpen van douanecontroles kan wijzigen voor acties die in aanmerking komen voor steun uit hoofde van het Instrument, alsook de lijst van indicatoren om de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen te meten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende en volledig transparante raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  Horizontale financiële regels die door het Europees Parlement en de Raad zijn vastgesteld op basis van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn van toepassing op deze verordening. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, overheidsopdrachten, prijzen, indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en effectieve EU-financiering.
(24)  Horizontale financiële regels die door het Europees Parlement en de Raad zijn vastgesteld op basis van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn van toepassing op deze verordening. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, overheidsopdrachten, prijzen, indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en effectieve EU-financiering. Bij financiering in het kader van dit Instrument moeten de beginselen van transparantie, evenredigheid, gelijke behandeling en non-discriminatie in acht worden genomen.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening worden gekozen op grond van hun vermogen om de specifieke doelstelling van de acties te verwezenlijken en resultaten op te leveren, met name rekening houdend met de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Dit houdt mede in dat het gebruik van vaste bedragen, forfaits en eenheidskosten moet worden overwogen, alsmede financiering die niet gekoppeld is aan de kosten die bedoeld zijn in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.
(25)  De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening worden gekozen op grond van hun vermogen om de specifieke doelstelling van de acties te verwezenlijken en resultaten op te leveren, met name rekening houdend met de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Dit houdt mede in dat het gebruik van vaste bedragen, forfaits en eenheidskosten moet worden overwogen, alsmede financiering die niet gekoppeld is aan de kosten die bedoeld zijn in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het Instrument moeten een betere uitvoering en een betere kwaliteit van de bestedingen als richtsnoeren worden gehanteerd, waarbij een optimale benutting van de financiële middelen moet worden gewaarborgd.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1
1.  Als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, is de algemene doelstelling van het Instrument de douane-unie en de douaneautoriteiten te ondersteunen bij het beschermen van de financiële en economische belangen van de Unie, de beveiliging en veiligheid in de Unie te garanderen, de Unie te beschermen tegen oneerlijke en illegale handel, en tegelijk legitieme bedrijfsactiviteiten te faciliteren.
1.  Als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer en met het oog op de langetermijndoelstelling dat alle douanediensten in de Unie worden gestandaardiseerd, is de algemene doelstelling van het Instrument de douane-unie en de douaneautoriteiten te ondersteunen bij het beschermen van de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten, samenwerking tussen instanties te bevorderen aan de grenzen van de Unie bij de controle van goederen en personen, de beveiliging en veiligheid in de Unie te garanderen, de Unie te beschermen tegen oneerlijke en illegale handel, en tegelijk legitieme bedrijfsactiviteiten te faciliteren.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2
2.  De concrete doelstelling van het Instrument is bij te dragen tot passende en gelijkwaardige douanecontroles door de aankoop, het onderhoud en de modernisering van relevante, state-of-the-art en betrouwbare douanecontroleapparatuur.
2.  De concrete doelstelling van het Instrument is bij te dragen tot passende en gelijkwaardige douanecontroles door de volledig transparante aankoop, het onderhoud en de modernisering van relevante, state-of-the-art, goed beveiligde, tegen cyberdreigingen beschermde, veilige, milieuvriendelijke en betrouwbare douanecontroleapparatuur. Daarnaast heeft het ten doel de kwaliteit van douanecontroles in de lidstaten te verbeteren en te voorkomen dat goederen naar de zwakkere punten worden geleid om de Unie binnen te komen.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 3  lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Het Instrument draagt bij aan de tenuitvoerlegging van Europees geïntegreerd grensbeheer door steun te bieden voor samenwerking tussen instanties, alsook voor gedeelde en interoperabele nieuwe apparatuur die via het instrument is verkregen.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het Instrument voor de periode 2021 tot en met 2027 bedragen 1 300 000 000 euro in lopende prijzen.
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het Instrument voor de periode 2021 tot en met 2027 bedragen 1 149 175 000 EUR in prijzen van 2018 (1 300 000 000 EUR in lopende prijzen).
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2
2.  Het in lid 1 vermelde bedrag kan ook de uitgaven omvatten voor voorbereiding, monitoring, controle, audit, evaluatie en andere activiteiten voor het beheer van het Instrument en de evaluatie van de mate waarin de doelstellingen worden bereikt. Het kan voorts ook de uitgaven omvatten met betrekking tot studies, vergaderingen van deskundigen, informatie en communicatieacties, voor zover deze verband houden met de doelstellingen van het Instrument, alsmede uitgaven in verband met informatietechnologienetwerken voor informatieverwerking en -uitwisseling, daaronder begrepen institutionele informatietechnologie-instrumenten, en andere uitgaven voor technische en administratieve bijstand die nodig zijn voor het beheer van het Instrument.
2.  Het in lid 1 vermelde bedrag kan ook de legitieme en geverifieerde uitgaven omvatten voor voorbereiding, monitoring, controle, audit, evaluatie en andere activiteiten voor het beheer van het Instrument en de evaluatie van de prestaties ervan en de mate waarin de doelstellingen worden bereikt. Het kan voorts ook de eveneens legitieme en geverifieerde uitgaven omvatten met betrekking tot studies, vergaderingen van deskundigen, informatie en communicatieacties, gegevensuitwisseling tussen betrokken lidstaten voor zover deze verband houden met de specifieke doelstellingen van het instrument ter ondersteuning van de algemene doelstelling, alsmede uitgaven in verband met informatietechnologienetwerken voor informatieverwerking en ‑uitwisseling, daaronder begrepen institutionele informatietechnologie-instrumenten, en andere uitgaven voor technische en administratieve bijstand die nodig zijn voor het beheer van het instrument.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Als de ondersteunde actie betrekking heeft op de aankoop of modernisering van apparatuur, stelt de Commissie passende vrijwarings- en noodmaatregelen in om ervoor te zorgen dat alle apparatuur die met steun van programma's en instrumenten van de Unie wordt aangekocht, in alle relevante gevallen door de bevoegde douaneautoriteiten wordt gebruikt.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3
3.  Als de ondersteunde actie betrekking heeft op de aankoop of modernisering van apparatuur, zet de Commissie een coördinatiemechanisme op teneinde de efficiëntie en interoperabiliteit te waarborgen tussen alle apparatuur die met steun van programma's en instrumenten van de Unie wordt aangekocht.
3.  Als de ondersteunde actie betrekking heeft op de aankoop of modernisering van apparatuur, zet de Commissie een coördinatiemechanisme op dat in de raadpleging en deelname van de relevante agentschappen van de Unie voorziet, en met name van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, teneinde de efficiëntie en interoperabiliteit te waarborgen tussen alle apparatuur die met steun van programma's en instrumenten van de Unie wordt aangekocht. Het coördinatiemechanisme omvat de deelname en raadpleging van het Europees Grens- en kustwachtagentschap ter optimalisering van de Europese meerwaarde op het gebied van grensbeheer.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Als de ondersteunde actie betrekking heeft op de aankoop of modernisering van apparatuur, stelt de Commissie passende vrijwarings- en noodmaatregelen in om ervoor te zorgen dat alle apparatuur die met steun van programma's en instrumenten van de Unie wordt aangekocht, voldoet aan de overeengekomen normen voor regelmatig onderhoud.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2
2.  Bij wijze van uitzondering op lid 1 mogen de acties in gerechtvaardigde gevallen ook betrekking hebben op de aankoop, het onderhoud en de modernisering van douanecontroleapparatuur voor het testen van nieuwe onderdelen of nieuwe functies in operationele omstandigheden.
2.  Bij wijze van uitzondering op lid 1 mogen de acties in gerechtvaardigde gevallen ook betrekking hebben op de volledig transparante aankoop, het onderhoud en de modernisering van douanecontroleapparatuur voor het testen van nieuwe onderdelen of nieuwe functies in operationele omstandigheden.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3
3.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in lid 1, onder b), en in bijlage 1 vermelde lijst van voorwerpen van douanecontrole, als dit noodzakelijk wordt geacht.
3.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in lid 1, onder b), en in bijlage 1 vermelde lijst van voorwerpen van douanecontrole, als dit noodzakelijk wordt geacht, onder meer om gelijke tred te houden met technologische ontwikkelingen, veranderende praktijken op het gebied van goederensmokkel of slimme en innovatieve oplossingen voor douanecontroledoeleinden.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 4
4.  Douanecontroleapparatuur die in het kader van dit Instrument wordt gefinancierd, mag nog voor andere doeleinden dan douanecontroles worden gebruikt, zoals controles van personen ter ondersteuning van de nationale autoriteiten voor grensbeheer en onderzoeksdoeleinden.
4.  Douanecontroleapparatuur die in het kader van dit Instrument wordt gefinancierd, moet hoofdzakelijk voor douanecontroles worden gebruikt, maar mag nog voor andere doeleinden dan douanecontroles worden gebruikt, zoals controles van personen ter ondersteuning van de nationale autoriteiten voor grensbeheer en onderzoeksdoeleinden, om te voldoen aan de algemene en specifieke doelstellingen van het Instrument als uiteengezet in artikel 3.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   De Commissie stimuleert gezamenlijke aankopen en tests van douanecontroleapparatuur door de lidstaten.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Financiering boven dit maximumpercentage kan worden toegekend bij gezamenlijke aankopen en tests van douanecontroleapparatuur door de lidstaten.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.   Onder de in lid 2 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden vallen bijvoorbeeld de aankoop van nieuwe douanecontroleapparatuur en de registratie daarvan in het kader van de pool van technische uitrusting van het Europees Grens- en kustwachtagentschap. De ontvankelijkheid van de apparatuur in het kader van de pool van technische uitrusting wordt overeenkomstig artikel 5, lid 3, geverifieerd.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 – inleidende formule
De volgende kosten komen niet in aanmerking voor financiering in het kader van het instrument:
Alle kosten in verband met de in artikel 6 genoemde acties komen in aanmerking voor financiering in het kader van het instrument, met uitzondering van:
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  kosten die verband houden met voor het gebruik van de apparatuur vereiste opleidingen of bijscholingen;
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 – letter c
c)  kosten die verband houden met elektronische systemen, met uitzondering van software die rechtstreeks noodzakelijk is om de douanecontroleapparatuur te gebruiken;
c)  kosten die verband houden met elektronische systemen, met uitzondering van software en software updates die rechtstreeks noodzakelijk is om de douanecontroleapparatuur te gebruiken, en met uitzondering van de elektronische software en programmering die noodzakelijk is voor de onderlinge koppeling tussen de bestaande software en de douanecontroleapparatuur;
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 – letter d
d)  kosten voor netwerken, zoals beveiligde of onbeveiligde communicatiekanalen, of abonnementen;
d)  kosten voor netwerken, zoals beveiligde of onbeveiligde communicatiekanalen, of abonnementen, met uitzondering van netwerken of abonnementen die rechtstreeks noodzakelijk zijn om de douanecontroleapparatuur te gebruiken;
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2
2.  De werkprogramma's worden door de Commissie vastgesteld via een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 15 bedoelde onderzoeksprocedure.
2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage 2 bis om werkprogramma's vast te leggen.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 3 – alinea 1 – inleidende formule
De in lid 1 vermelde werkprogramma's worden gebaseerd op een behoeftenevaluatie die minstens bestaat uit:
De in lid 1 vermelde werkprogramma's worden gebaseerd op een afzonderlijke behoeftenevaluatie die bestaat uit:
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 3 – alinea 1 – letter b
b)  een uitputtende inventaris van de beschikbare douanecontroleapparatuur;
b)  een uitputtende inventaris van de beschikbare en werkende douanecontroleapparatuur;
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 3 – alinea 1 – letter c
c)  een gemeenschappelijke definitie van een minimum- en een optimale norm voor douanecontroleapparatuur, per categorie grensovergang; en
c)  een gemeenschappelijke definitie van een technische minimumnorm voor douanecontroleapparatuur, per categorie grensovergang;
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 3 – alinea 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  een beoordeling van een optimale uitrusting met douanecontroleapparatuur, per categorie grensovergang; en
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 3 – alinea 1 – letter d
d)  een gedetailleerde raming van de financiële behoeften.
d)  een gedetailleerde raming van de financiële behoeften, afhankelijk van de omvang van de douaneverrichtingen en de ermee gepaard gaande werklast.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1
1.  Bijlage 2 bij dit voorstel bevat indicatoren voor de rapportage over de voortgang van het Instrument bij de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde algemene en specifieke doelstellingen.
1.  Overeenkomstig haar rapportageverplichting op grond van artikel 38, lid 3, punt e)(i), van het Financieel Reglement legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad informatie over de prestaties van het programma voor. De rapportage van de Commissie over de prestaties bevat informatie over zowel de voortgang als de tekortkomingen.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.  Om een doeltreffende beoordeling van de voortgang op weg naar de verwezenlijking van de doelstellingen van het Instrument te waarborgen, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage 2 te wijzigen, teneinde de indicatoren indien nodig te herzien of aan te vullen en teneinde deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de vaststelling van een monitoring- en evaluatiekader.
2.  Bijlage 2 bij dit voorstel bevat indicatoren voor de rapportage over de voortgang van het Instrument bij de verwezenlijking van de in artikel 3 opgenomen algemene en specifieke doelstellingen. Om een doeltreffende beoordeling van de voortgang op weg naar de verwezenlijking van de doelstellingen van het Instrument te waarborgen, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage 2 te wijzigen, teneinde de indicatoren indien nodig te herzien of aan te vullen en teneinde deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de vaststelling van een monitoring- en evaluatiekader teneinde aan het Europees Parlement en de Raad geactualiseerde kwalitatieve en kwantitatieve informatie te verstrekken over de prestaties van het programma.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3
3.  Het systeem voor de rapportage van de evaluaties moet garanderen dat de gegevens voor monitoring van de tenuitvoerlegging en de resultaten van het Instrument efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Te dien einde moeten evenredige rapportagevereisten worden opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie.
3.  Het systeem voor de rapportage van de evaluaties moet garanderen dat de gegevens voor monitoring van de tenuitvoerlegging en de resultaten van het Instrument vergelijkbaar en volledig zijn, en efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Te dien einde moeten evenredige rapportagevereisten worden opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie. De Commissie verstrekt het Europees Parlement en de Raad betrouwbare informatie over de kwaliteit van de gebruikte prestatiegegevens.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 4 – letter c bis (nieuw)
c bis)   de aanwezigheid en de toestand van de uit de Uniebegroting gefinancierde stukken apparatuur vijf jaar na inbedrijfstelling;
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 4 – letter c ter (nieuw)
c ter)   informatie over de onderhoudsbeurten van de douanecontroleapparatuur;
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 4 – letter c quater (nieuw)
c quater)   informatie over de aanbestedingsprocedure;
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 4 – letter c quinquies (nieuw)
c quinquies)   verantwoording van de kosten.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1
1.  De evaluaties moeten tijdig worden verricht, zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
1.  De evaluaties van de in artikel 6 vermelde acties die in het kader van het instrument worden gefinancierd moeten een beoordeling van de resultaten, het effect en de doeltreffendheid van het Instrument omvatten, en moeten tijdig worden verricht, zodat zij op efficiënte wijze in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2
2.  De tussentijdse evaluatie van het Instrument wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het Instrument beschikbaar is, maar uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het Instrument is begonnen.
2.  De tussentijdse evaluatie van het Instrument wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het Instrument beschikbaar is, maar uiterlijk drie jaar nadat met de uitvoering van het Instrument is begonnen.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
De tussentijdse evaluatie omvat de bevindingen die nodig zijn om een besluit te nemen over een vervolg op het programma na 2027 en de doelstellingen daarvan.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 3
3.  Aan het einde van de uitvoering van het Instrument, maar uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het Instrument uit.
3.  Aan het einde van de uitvoering van het Instrument, maar uiterlijk drie jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het Instrument uit.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 4
4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties samen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties samen met haar opmerkingen en opgedane ervaringen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  In het verslag van de Commissie over de "bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – fraudebestrijding" worden jaarlijks deelevaluaties opgenomen.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2
2.  De in artikel 6, lid 3, en artikel 12, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend tot 31 december 2028.
2.  De in artikel 6, lid 3, artikel 11, lid 2, en artikel 12, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend tot 31 december 2028.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 3
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6, lid 3, en artikel 12, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag die volgt op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een in dat besluit genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6, lid 3, artikel 11, lid 2, en artikel 12, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag die volgt op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een in dat besluit genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 6
6.  Een overeenkomstig artikel 6, lid 3, en artikel 12, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt die termijn met twee maanden verlengd.
6.  Een overeenkomstig artikel 6, lid 3, artikel 11, lid 2, en artikel 12, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt die termijn met twee maanden verlengd.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 15
Artikel 15
Schrappen
Comitéprocedure
1.  De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 18 van Verordening (EU) [2018/XXX]23 bedoelde comité van het Douane-programma.
2.  Wanneer naar deze alinea wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) 182/2011 van toepassing.
__________________
23 COM(2018)0442.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 1
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren, waardoor de toegevoegde waarde van de Unie wordt aangetoond en de inspanningen van de Commissie op het gebied van gegevensverzameling worden ondersteund om de budgettaire transparantie te vergroten.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2
2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het Instrument alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan het Instrument toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 genoemde doelstellingen.
2.  Om transparantie te waarborgen, verstrekt de Commissie het publiek regelmatig informatie met betrekking tot het Instrument, de acties en de resultaten, waarbij zij onder meer verwijst naar de in artikel 11 bedoelde werkprogramma's.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – kolom 3 – regel 1
Containers, vrachtwagens, treinwagons
Containers, vrachtwagens, treinwagons en voertuigen
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – kolom 3 – regel 3 bis (nieuw)
Voertuigen
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – kolom 2 – regel 5
Röntgenstraalterugverstrooiing
Op röntgenstraling gebaseerde terugverstrooiing
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Bijlage 1 – kolom 2 – regel 6 bis (nieuw)
Op millimetergolfstraling gebaseerde veiligheidsscanner
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Bijlage 2 – punt 1 bis (nieuw)
1 bis.  Beveiliging en veiligheid
a)  Mate van naleving van beveiligingsnormen voor douanecontroleapparatuur bij alle grensovergangen, inclusief cyberbeveiliging
b)  Mate van naleving van veiligheidsnormen voor douanecontroleapparatuur bij alle grensovergangen
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Bijlage 2 – punt 1 ter (nieuw)
1 ter.  Gezondheid en milieu
a)  Mate van naleving van gezondheidsnormen voor douanecontroleapparatuur bij alle grensovergangen
b)  Mate van naleving van milieunormen voor douanecontroleapparatuur bij alle grensovergangen
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Bijlage 2 bis (nieuw)
Bijlage 2 bis
Werkprogramma's
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Bijlage 2 ter (nieuw)
BIJLAGE 2 ter
Uitzonderlijke omstandigheden voor financiering boven het maximumpercentage

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0460/2018).


Sluiting van de statusovereenkomst EU-Albanië inzake acties die het Europees grens- en kustwachtagentschap in Albanië uitvoert ***
PDF 110kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2019 betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de statusovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Albanië inzake acties die het Europees grens- en kustwachtagentschap in de Republiek Albanië uitvoert (10302/2018 – C8-0433/2018 – 2018/0241(NLE))
P8_TA(2019)0002A8-0463/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10302/2018),

–  gezien de ontwerpstatusovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Albanië inzake acties die het Europees grens- en kustwachtagentschap in de Republiek Albanië uitvoert (10290/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder b) en d), artikel 79, lid 2, onder c), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0433/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0463/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Albanië.


Protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EG-Kirgizische Republiek (toetreding van Kroatië) ***
PDF 113kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en de lidstaten, van het protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (12564/2017 – C8-0033/2018 – 2017/0185(NLE))
P8_TA(2019)0003A8-0443/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12564/2017),

–  gezien het ontwerpprotocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (12659/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, artikel 100, lid 2, de artikelen 207 en 209, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0033/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0443/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek Kirgizië.


Brede overeenkomst EU-Kirgizische Republiek
PDF 156kWORD 55k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 15 januari 2019 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de brede overeenkomst tussen de EU en de Kirgizische Republiek (2018/2118(INI))
P8_TA(2019)0004A8-0450/2018

Het Europees Parlement,

—  gezien Besluit (EU) 2017/... van de Raad van 9 oktober 2017 tot machtiging van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid tot het openen en het voeren van onderhandelingen, namens de Europese Unie, over de onder de bevoegdheid van de Unie vallende bepalingen van een brede overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds (11436/1/17 REV 1),

—  gezien het besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad van 9 oktober 2017 bijeen, tot machtiging van de Europese Commissie tot het openen en het voeren van onderhandelingen, namens de lidstaten, over de onder de bevoegdheid van de lidstaten vallende bepalingen van een brede overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds (11438/1/17 REV 1),

—  gezien het voorstel dat de rechtsgrond voor de nieuwe brede overeenkomst wordt gevormd door artikel 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 207 en artikel 209 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

—  gezien de huidige partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Kirgizische Republiek, die in 1999 in werking is getreden,

—  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over de staat van de uitvoering van de EU-strategie voor Centraal-Azië(1) en van 13 april 2016 over de tenuitvoerlegging en herziening van de EU-strategie voor Centraal-Azië(2),

—  gezien zijn eerdere resoluties over Kirgizië, waaronder die van 15 januari 2015(3), 8 juli 2010(4) en 6 mei 2010(5),

—  gezien de verklaring van de HV/VV over de presidentsverkiezingen in de Kirgizische Republiek van 16 oktober 2017,

—  gezien de conclusies van het Europees Parlement, de internationale verkiezingswaarnemingsmissie en het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR) over de presidentsverkiezingen,

—  gezien de verklaring die de 13e parlementaire samenwerkingscommissie EU-Kirgizië op 3 mei 2018 heeft goedgekeurd,

—  gezien het besluit van de Europese Unie van 2 februari 2016 om de Kirgizische Republiek de SAP+-status toe te kennen,

—  gezien zijn standpunt van 22 oktober 2013 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Kirgizische Republiek(6),

–  gezien artikel 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0450/2018),

A.  overwegende dat de EU en Kirgizië in december 2017 onderhandelingen zijn gestart over een brede overeenkomst ter vervanging van de huidige partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Kirgizië om de samenwerking op gebieden van wederzijds belang te versterken en verdiepen, op basis van de gedeelde waarden van democratie, rechtsorde en goed bestuur, en binnen een nieuw juridisch kader;

B.  overwegende dat de brede overeenkomst pas in werking kan treden als deze is goedgekeurd door het Parlement;

1.  beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid het volgende aan:

Algemene beginselen

Politieke dialoog en internationale samenwerking

Institutionele bepalingen

Gemeenschappelijke aandachtspunten en belangen op het gebied van samenwerking waarop in de overeenkomst wordt ingegaan

   (a) over een ambitieuze, brede en evenwichtige overeenkomst tussen de EU en Kirgizië, ter vervanging van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst uit 1999, en als basis voor sterke en duurzame betrekkingen evenals voor een stabiele, zekere en duurzame ontwikkeling van beide partijen, te onderhandelen en deze te sluiten;
   (b) strategische korte- en langetermijnperspectieven in de brede overeenkomst op te nemen en een aantal goed gedefinieerde en gestructureerde doelstellingen voor de samenwerking met Kirgizië te formuleren; extra inspanningen te leveren om de betrekkingen te verdiepen, teneinde de zichtbaarheid en doeltreffendheid van de EU in het land en de regio te vergroten;
   (c) de markteconomie te bevorderen door tastbare sociale en economische voordelen teweeg te brengen voor burgers aan beide zijden; de mededingingsregels te handhaven en rechtszekerheid te bieden, onder meer door middel van een versterking van onafhankelijke en transparante instellingen;
   (d) te garanderen dat beide partijen zich ertoe verbinden de democratische beginselen, mensenrechten en de rechtstaat te eerbiedigen en versterken, met volledige inachtneming van de criteria die zijn verbonden met de aan de republiek Kirgizië verstrekte SAP+-status, met inbegrip van de ratificatie van de desbetreffende internationale verdragen en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de conclusies en aanbevelingen van de toezichthoudende instanties die uit hoofde van deze verdragen zijn opgericht; een regelmatige en resultaatgerichte dialoog te voeren over mensenrechtenkwesties die voor beide partijen van belang zijn, waarbij de autoriteiten en het maatschappelijk middenveld betrokken moeten worden, met als doel het institutionele kader en het overheidsbeleid te versterken; met klem te wijzen op het constructieve lidmaatschap van Kirgizië van de VN-Mensenrechtenraad gedurende de periode 2016-2018 en verdere internationale betrokkenheid van het land aan te moedigen;
   (e) bij te dragen aan een versterking van het multilateralisme en de internationale samenwerking, gezamenlijke benaderingen van de samenwerking met de Kirgizische partners te ontwikkelen om de internationale veiligheid te bevorderen, gezamenlijk mondiale uitdagingen op het gebied van terrorisme, klimaatverandering, migratie en georganiseerde misdaad effectief aan te pakken en een bijdrage aan de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de nieuwe nationale ontwikkelingsstrategie voor de periode 2018-2040 te leveren; meer in het algemeen, bij te dragen aan de stabilisering en de groei van Centraal-Azië;
   (f) de politieke dialoog en sectorale samenwerking te versterken; te komen tot een zinvolle, regelmatige dialoog over alle belangrijke kwesties en daarbij de bestaande gesprekskaders ten volle te benutten;
   (g) nauwer samen te werken op het gebied van crisisbeheer, conflictpreventie, de strijd tegen terrorisme, georganiseerde misdaad en cybermisdaad, de preventie van gewelddadige radicalisering en grensoverschrijdende misdaad en geïntegreerd grensbeheer, met volledige inachtneming van de bescherming van mensenrechten en fundamentele vrijheden en in overeenstemming met de wijzigingen aan het wetboek van strafrecht; te verzekeren dat nationale wet nr. 150 over de bestrijding van extremistische activiteiten van 2005 volledig in overeenstemming is met de internationale normen;
   (h) de bepalingen die verband houden met handels- en economische betrekkingen te verbeteren zodat deze bijdragen aan een beter investeringsklimaat en de diversificatie van de Kirgizische economie, wat in het voordeel van beide partijen is en de rechtszekerheid en de transparantie van de regelgeving vergroot; goed bestuur, een goed functionerend justitieel apparaat en het verminderen van bureaucratie te ondersteunen, aan de hand van alle mogelijke maatregelen om duurzame economische ontwikkeling te bevorderen met het oog op de consolidatie en ontwikkeling van het multilateraal, op regels gebaseerde handelsstelsel; de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen te stimuleren; de economische en handelsbetrekkingen tussen de EU en Kirgizië, gezien de SAP plus-status van het land, verder te versterken, en Kirgizië op te roepen de uit deze status voortvloeiende internationale verplichtingen na te komen teneinde de economische ontwikkeling van het land te stimuleren;
   (i) de samenwerking te verbeteren in de strijd tegen corruptie, witwassen en belastingontduiking; specifieke secties op te stellen met duidelijke en krachtige toezeggingen en maatregelen om corruptie in al haar vormen te bestrijden en internationale normen en multilaterale anticorruptieovereenkomsten ten uitvoer te leggen; in de overeenkomst bepalingen op te nemen inzake normen op het gebied van fiscale transparantie en goed fiscaal bestuur, die het engagement van de partijen bevestigen om internationale normen toe te passen in de strijd tegen belastingontwijking en belastingontduiking;
   (j) bij te dragen aan een actievere participatie van Kirgizië in de Wereldhandelsorganisatie door middel van adequate hervormingen op het gebied van buitenlandse investeringen, douaneautoriteiten en toegang tot internationale markten;
   (k) de coördinatie te verbeteren tussen de standpunten van de EU en Kirgizië in internationale fora;
   (l) de interparlementaire dialoog tussen Kirgizië en het Europees Parlement te intensiveren;
   (m) te waarborgen dat in de overeenkomst veel aandacht wordt besteed aan klimaatverandering, waterbeheer, alsook aan rampenpreventie en -paraatheid, gezien het hoge risico op natuurrampen, met inbegrip van aardbevingen; Kirgizië te ondersteunen in zijn inspanningen voor milieubescherming en biodiversiteit en zijn krachtige inspanningen voor duurzame ontwikkeling;
   (n) ervoor te zorgen dat de onderhandelingsrichtsnoeren, met inachtneming van de geheimhoudingsregels, worden overgedragen aan het Europees Parlement zodat het Parlement naar behoren toezicht kan houden op het onderhandelingsproces, en consequent te voldoen aan de interinstitutionele verplichtingen die voortvloeien uit artikel 218, lid 10, VWEU, op grond waarvan het Parlement in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle wordt geïnformeerd;
   (o) alle documenten te delen die verband houden met de onderhandelingen, zoals notulen en onderhandelde ontwerpteksten, en het Parlement eveneens periodiek te informeren;
   (p) ervoor te zorgen dat de gevestigde praktijk om de voorlopige toepassing van de nieuwe overeenkomst op te schorten tot het Parlement zijn goedkeuring heeft gegeven, op alle niveaus wordt geëerbiedigd;
   (q) de bestaande samenwerking te versterken en uit te breiden die is verankerd in de huidige partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst en in het kader waarvan de volgende organen voor samenwerking en dialoog reeds zijn opgericht:
   de samenwerkingsraad op ministerieel niveau;
   het samenwerkingscomité op hoog ambtelijk niveau en de subcomités voor handel en investeringen en voor ontwikkelingssamenwerking;
   het parlementair samenwerkingscomité;
   (r) het interparlementaire toezicht te versterken binnen een parlementair samenwerkingscomité met meer bevoegdheden, met name op het gebied van democratie, de rechtstaat en de strijd tegen corruptie, waarvan de details moeten worden uitgewerkt in de nieuwe overeenkomst;
   (s) de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld te garanderen, zowel tijdens de onderhandelingen als in de tenuitvoerleggingsfase van de overeenkomst;
   (t) te garanderen dat er voorwaarden worden opgenomen voor een eventuele opschorting van de samenwerking indien een van de partijen een essentieel onderdeel van de overeenkomst schendt, en ervoor te zorgen dat het Parlement in dergelijke gevallen wordt geraadpleegd;
   (u) zowel op het niveau van de EU als op het niveau van de lidstaten te voorzien in voldoende middelen voor de tenuitvoerlegging van de brede overeenkomst, zodat de verwezenlijking van alle tijdens de onderhandelingen gestelde ambitieuze doelen kunnen worden gewaarborgd;
   (v) rekening te houden met de rol van Kirgizië als een van de weinige ontluikende democratieën in de regio, waardoor het land politieke, diplomatieke, financiële en technische steun van de EU nodig heeft op de lange termijn;
   (w) zich, aangezien het hier een van de landen betreft waar een proefproject voor EU-steun voor democratisering loopt, in te spannen een functionele parlementaire democratie te consolideren met een echt meerpartijenstelsel en constitutionele waarborgen, en parlementair toezicht op de uitvoerende macht te verzekeren; zorgen te uiten over de constitutionele wijzigingen van 2016, met name de aanzienlijke uitbreiding van de bevoegdheden van de minister-president, de voorrang van uitspraken van nationale rechtbanken boven internationale mensenrechtenverdragen, en de ondergraving van de onafhankelijkheid van de constitutionele kamer van het hooggerechtshof; de betrokkenheid van ngo's bij de ontwikkeling en herziening van de wetgeving en het beleid van het land aan te moedigen, in het bijzonder ten aanzien van instrumenten of mechanismen die rechtstreeks betrekking hebben op maatschappelijke organisaties;
   (x) wederom te benadrukken hoe belangrijk het is om systematisch te werken aan de bevordering van de waarden van democratie en mensenrechten, met inbegrip van vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en vergadering en een onafhankelijke rechterlijke macht;
   (y) een gunstig klimaat voor journalisten en onafhankelijke media te bevorderen; te waarborgen dat Kirgizië verbannen buitenlandse mensenrechtenactivisten en journalisten toestemming geeft het land binnen te komen om daar hun werkzaamheden zonder ongeoorloofde bemoeienissen te verrichten;
   (z) de vorderingen te erkennen die zijn gemaakt met betrekking tot de vredige uitvoering en verbeterde transparantie van de parlementaire en presidentsverkiezingen en erop aan te dringen dat de aanbevelingen van internationale verkiezingswaarnemingsmissies ook in de toekomst worden opgevolgd;
   (aa) er bij Kirgizië op aan te dringen negatieve autoritaire trends, zoals misbruik van de rechtspraak voor politieke doeleinden, oneerlijke gerechtelijke straffen, oneerlijke en niet-transparante rechtszaken, inmenging in de vrijheid van media, de straffeloosheid van wetshandhavingsinstanties, de vermeende mishandeling en marteling van gedetineerden, en uitzettingen naar landen waar mensen het risico lopen te worden gemarteld of mishandeld, een halt toe te roepen en hetzelfde te doen wat betreft de discriminatie van minderheden en de beperkingen van de vrijheid van vereniging en meningsuiting; er daarnaast bij Kirgizië op aan te dringen om alle beschuldigingen van gefabriceerd bewijs, afpersing, marteling en mishandeling grondig te onderzoeken; zorgen te uiten over het feit dat politieke leiders en mogelijke presidentskandidaten gevangen zijn gezet op beschuldiging van corruptie;
   (ab) in dit verband zijn onvrede te uiten over de handhaving van de veroordeling tot levenslang voor de mensenrechtenactivist Azimjon Askarov, die het interetnische geweld van 2010 documenteerde, en te vragen hem onmiddellijk vrij te laten, zijn veroordeling te herroepen, en hem rehabilitatie en schadeloosstelling te bieden;
   (ac) niet te vergeten dat corruptie mensenrechten, gelijkheid, handel en eerlijke concurrentie ondermijnt en buitenlandse investeerders afschrikt, en aldus de economische groei belemmert en het vertrouwen van burgers in overheidsinstellingen wegneemt;
   (ad) een sterke inzet aan te moedigen op het gebied van sociale vooruitgang, goed bestuur, democratie en goede betrekkingen tussen etnische en religieuze groepen, onderwijs en opleiding, onder meer omdat hierdoor de fundamenten van stabiliteit en veiligheid worden versterkt; maatregelen voor vredesopbouw en veiligheid te blijven steunen en ook de inspanningen te intensiveren om minderheden na de etnische conflicten in Kirgizië in 2010 volledig te integreren om toekomstige conflicten te voorkomen;
   (ae) de sociaal-economische problemen en belemmeringen als bedoeld in aanbeveling 202 van de IAO te helpen overwinnen; in dit verband bijzondere aandacht te besteden aan jongeren door academische en culturele uitwisselingen en uitwisselingen tussen jongeren te bevorderen; bijzondere aandacht te besteden aan regionale ontwikkeling, waarbij met name moet worden gelet op de ongelijkheden tussen Noord en Zuid;
   (af) verdere regionale samenwerking in Centraal-Azië, een van de minst geïntegreerde regio's ter wereld, te ondersteunen, te stimuleren en te bevorderen, op basis van de huidige positieve ontwikkelingen, ook om de stabiliteit en ontwikkeling van heel Centraal-Azië te bevorderen; te erkennen dat het land deelneemt aan EU-programma's die hierop gericht zijn alsook aan de tenuitvoerlegging van de strategie EU-Centraal-Azië op het gebied van energie, waterbeheer en milieu-uitdagingen, en daarnaast geregeld politieke en mensenrechtendialogen voert met de EU;
   (ag) te garanderen dat het lidmaatschap van Kirgizië van de Euraziatische Economische Unie (EEU) de versterking van de betrekkingen met de EU niet in de weg staat, zoals is aangetoond met de recente ratificatie van de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Kazachstan;
   (ah) rekening te houden met de ontwikkeling van de betrekkingen van Kirgizië met China en Rusland; Kirgizië aan te moedigen zijn economie te diversifiëren om zo de aanzienlijke politieke afhankelijkheid van deze twee externe actoren te verminderen; rekening te houden met de ontwikkeling van deze betrekkingen in het kader van de "Eén gordel, één route" (OBOR – One Belt, One Road)-strategie van China; ervoor te zorgen dat de bestrijding van propaganda die door de Russische media wordt verspreid, aanzienlijk wordt opgevoerd;
   (ai) te trachten de recente diplomatieke en economische spanningen in de regio, onder meer tussen Kazachstan en Kirgizië, te verminderen;
   (aj) de steeds beter wordende diplomatieke betrekking met Oezbekistan te ondersteunen, evenals een constructieve dialoog over het beheer van de schaarse waterbronnen in de regio;
   (ak) de Kirgizische punten van zorg op veiligheidsgebied te erkennen met het oog op de verslechterende veiligheidssituatie in Afghanistan en de toenemende radicalisering in Centraal-Azië; bijstand te verlenen met betrekking tot de terugkeer van buitenlandse islamitische strijders en hun gezinsleden uit andere landen; de regionale samenwerking met Centraal-Aziatische landen te versterken bij de bestrijding van jihadistische bewegingen en transnationale criminaliteit, op basis van legale, institutionele en praktische aan terrorismebestrijding gelieerde grensbewakingsmaatregelen en preventieve maatregelen tegen de toenemende gewelddadige religieuze radicalisering;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsook aan de president, de regering en het parlement van de Kirgizische Republiek.

(1) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 91.
(2) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 119.
(3) PB C 300 van 18.2.2016, blz. 10.
(4) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 92.
(5) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 80.
(6) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 177.


Autonoom rijden in het Europees vervoer
PDF 166kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2019 over autonoom rijden in het Europees vervoer (2018/2089(INI))
P8_TA(2019)0005A8-0425/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 mei 2018 getiteld "Op weg naar geautomatiseerde mobiliteit: een EU-strategie voor de mobiliteit van de toekomst" (COM(2018)0283),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 november 2016 over een Europese strategie betreffende ITS, op weg naar de introductie van coöperatieve, communicerende en geautomatiseerde voertuigen (COM(2016)0766),

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2017 over internetconnectiviteit voor groei, concurrentievermogen en cohesie: Europese gigabitmaatschappij en 5G(1),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over een Europese strategie voor coöperatieve slimme vervoerssystemen(2),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie juridische zaken en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8‑0425/2018),

A.  overwegende dat de Europese strategie voor communicerende en geautomatiseerde voertuigen nauw verbonden is met de politieke prioriteiten van de Commissie, met name de agenda voor banen, groei en investeringen, onderzoek en innovatie, milieu en klimaatverandering, schone en veilige mobiliteit en transport, verkeersveiligheid en bestrijding van verkeerscongestie, de digitale eengemaakte markt en de energie-unie;

B.  overwegende dat de snelle technologische ontwikkeling, zowel in de vervoerssector als in de sector van de robotica en de artificiële intelligentie, aanzienlijke gevolgen heeft voor de economie en de samenleving; overwegende dat autonome voertuigen ons dagelijks leven aanzienlijk zullen veranderen, bepalend zullen zijn voor de toekomst van het wereldwijde wegvervoer, de vervoerskosten zullen verlagen, de verkeersveiligheid zullen verbeteren, de mobiliteit zullen vergroten en de impact op het milieu zullen verlagen; overwegende dat de sector wegvervoer het pad zou kunnen effenen voor nieuwe diensten en vervoerswijzen en aldus zou kunnen inspelen op de toenemende vraag naar individuele mobiliteit en goederenvervoer, en dat de sector zelfs zou kunnen bijdragen tot ingrijpende veranderingen met betrekking tot stedelijke planning;

C.  overwegende dat de Europese Commissie ernaar streeft tegen 2020 het aantal verkeersongevallen met dodelijke afloop per jaar in de EU met de helft terug te dringen ten opzichte van 2010, overeenkomstig de doelstellingen van "Vision Zero"; overwegende dat het erop lijkt dat de vorderingen inzake het terugdringen van het aantal doden en gewonden onlangs zijn gestagneerd, aangezien in 2016 op de wegen in de EU meer dan 25 000 personen zijn omgekomen en nog eens 135 000 personen zwaargewond zijn geraakt; voorts overwegende dat er in onze steden sprake is van grote mobiliteitsproblemen en andere problemen die samenhangen met vervuiling en klimaatverandering;

D.   overwegende dat van geavanceerde ondersteuningssystemen voor de bestuurder, zoals waarschuwingen voor het onbedoeld verlaten van de rijstrook en automatische noodremmen, al is aangetoond dat zij bijdragen aan de verkeersveiligheid en het aantal ernstige ongevallen verminderen;

E.  overwegende dat de overweldigende meerderheid van verkeersongevallen te wijten is aan menselijke fouten en er derhalve een dwingende noodzaak bestaat om het risico op dergelijke ongevallen te verlagen door het gebruik van geavanceerde rijhulpsystemen die de veiligheid verhogen, verplicht te stellen, zonder dat dit ten koste gaat van de persoonlijke mobiliteit;

F.  overwegende dat de verbetering van de verkeersveiligheid die we het voorbije decennium in de EU konden waarnemen, vertraagt; overwegende dat het wegvervoer verantwoordelijk blijft voor het merendeel van de vervoersemissies van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen;

G.  overwegende dat de vervoersbehoeften wat zowel het personen- als het goederenvervoer betreft overal ter wereld toenemen, in een context waarin we ons ervan bewust worden dat de rijkdommen van de planeet niet onuitputtelijk zijn, en dat de efficiëntie van het vervoer bijgevolg steeds meer aan belang zal winnen;

H.  overwegende dat de EU digitale technologieën voor automatisch vervoer moet stimuleren en verder ontwikkelen om menselijke fouten te corrigeren en het aantal verkeersongevallen en verkeersdoden te verlagen;

I.  overwegende dat automatisering en het inzetten van nieuwe technologie de veiligheid van het vervoer en van vervoerssystemen zullen verbeteren en sommige menselijke factoren zullen uitschakelen; overwegende dat er bij automatisering ook gekeken moet worden naar de diversiteit en de staat van vervoerssystemen in de verschillende lidstaten; overwegende dat nieuwe vervoerssystemen moeten worden aangelegd en nieuwe en bestaande vervoerssystemen moeten worden uitgerust met passende veiligheidsvoorzieningen voordat automatisering mogelijk is;

J.  overwegende dat er automatiseringsniveaus bestaan en de niveaus 1 en 2 reeds op de markt zijn, maar dat de niveaus voor de conditionele, hoge en volledige automatisering (waarbij een voertuig autonoom is) naar verwachting pas in 2020‑2030 beschikbaar zullen komen, en overwegende dat rijhulpsystemen dus een belangrijke rol spelen als basistechnologie op weg naar volledige automatisering;

K.  overwegende dat moet worden geïnvesteerd in zowel de onderzoeksfase als de daaropvolgende ontwikkelingsfase om de beschikbare technologieën te verbeteren en een veilige en slimme vervoersinfrastructuur tot stand te brengen;

L.  overwegende dat diverse landen wereldwijd (bijv. de VS, Australië, Japan, Korea en China) hard werken aan het op de markt brengen van communicerende en geautomatiseerde voertuigen; overwegende dat Europa veel proactiever moet reageren op de snelle ontwikkelingen in deze sector en initiatieven moet stimuleren en strenge veiligheidseisen moet bevorderen voor alle verkeersdeelnemers die over zee of waterwegen, over de weg, door de lucht of per spoor reizen en gemengde vervoerwijzen gebruiken;

M.  overwegende dat de Commissie verwacht dat de nieuwe markt voor geautomatiseerde en communicerende voertuigen exponentieel zal groeien, waarbij de inkomsten naar schatting hoger zullen liggen dan 620 miljard EUR tegen 2025 voor de automobielsector van de EU en 180 miljard EUR voor de elektronicasector van de EU;

N.  overwegende dat de Verklaring van Amsterdam (2016) de samenwerking beschrijft tussen de lidstaten, de Commissie en de sector op het gebied van communicerende en geautomatiseerde voertuigen;

O.  overwegende dat autonoom vervoer alle vormen van op afstand bestuurde, geautomatiseerde en autonome vervoersmiddelen op de weg, per spoor, door de lucht, op zee en op de binnenwateren bestrijkt;

P.  overwegende dat de mededeling van de Commissie getiteld "Op weg naar geautomatiseerde mobiliteit" een belangrijke mijlpaal vormt in de EU-strategie voor communicerende en geautomatiseerde voertuigen;

Q.  overwegende dat meer aandacht moet worden geschonken aan autonoom vervoer, gegeven het feit dat volledig autonome voertuigen de verkeersveiligheid aanzienlijk ten goede zullen komen en in staat zullen zijn te functioneren zonder communicatiefunctionaliteit; overwegende dat voor ondersteunende capaciteiten en diensten nog steeds digitale communicatie nodig kan zijn;

R.  overwegende dat de uitrol van autonome voertuigen, die naar verwachting al in 2020 zal plaatsvinden, aanzienlijke voordelen zal opleveren, maar ook een aantal nieuwe risico's meebrengt, met name op het gebied van verkeersveiligheid, wettelijke aansprakelijkheid en verzekering, cyberbeveiliging, intellectuele-eigendomsrechten, gegevensbescherming en gegevenstoegang, technische infrastructuur, normalisatie en werkgelegenheid; overwegende dat het onmogelijk is om vooraf de langetermijneffecten van autonoom vervoer op de werkgelegenheid en het milieu ten volle vast te stellen; overwegende dat het van cruciaal belang is ervoor te zorgen dat het EU-rechtskader geschikt is om op passende wijze op deze uitdagingen te reageren en om het bewustzijn en het draagvlak bij het publiek met betrekking tot autonome voertuigen te vergroten;

S.  overwegende dat het, met het oog op de ethische implicaties van het gebruik van deze technologieën, noodzakelijk is richtsnoeren voor de inzet van kunstmatige intelligentie te ontwikkelen en garantiestelsels uit te werken om op samenhangende wijze om te gaan met de ethische kwesties die zich voordoen;

Algemene beginselen

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "Op weg naar geautomatiseerde mobiliteit", waarin een benadering wordt beschreven die ertoe moet leiden dat de EU wereldleider wordt op het gebied van de implementatie van veilige systemen voor geautomatiseerd vervoer, waarbij de veiligheid en efficiëntie op de weg wordt verbeterd, verkeersopstoppingen worden bestreden, het energieverbruik en de emissies van vervoer worden teruggedrongen en fossiele brandstoffen geleidelijk worden afgeschaft;

2.  erkent de eerste stappen die de Commissie en de lidstaten hebben gezet op het gebied van het geautomatiseerde vervoer van de toekomst en erkent de wetgevingsinitiatieven met betrekking tot de ITS-richtlijn(3) en de voorgestelde herzieningen van de richtlijn betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur(4) en de verordening betreffende de algemene veiligheid van motorvoertuigen(5);

3.  bevestigt de belangrijke rol van coöperatieve slimme vervoerssystemen (C‑ITS) bij het verstrekken van connectiviteit voor geautomatiseerde/autonome voertuigen van niveau 2, 3 en mogelijk 4 van de Society of Automotive Engineers (SAE); spoort de lidstaten en het bedrijfsleven ertoe aan C‑ITS verder in te voeren, en verzoekt de Commissie de lidstaten en het bedrijfsleven te ondersteunen bij de uitrol van C‑ITS-diensten, met name via de Connecting Europe Facility, de Europese structuur- en investeringsfondsen en het InvestEU-programma;

4.  wijst op het innovatiepotentieel van alle autonome middelen van vervoer over de weg, per spoor, over het water en door de lucht; benadrukt dat Europese spelers de handen ineen moet slaan om wereldleider te worden en te blijven op het gebied van autonoom vervoer; merkt op dat vooruitgang op het gebied van autonome mobiliteit, met name in het wegvervoer, synergetische samenwerking vereist van vele sectoren van de Europese economie, waaronder de automobielsector en de digitale sector;

5.  erkent het aanzienlijke potentieel van geautomatiseerd vervoer voor vele sectoren, met nieuwe ondernemingskansen voor start‑ups, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en de industrie en het bedrijfsleven in hun geheel, met name wat de totstandbrenging van nieuwe mobiliteitsdiensten en arbeidsmogelijkheden betreft;

6.  onderstreept dat er autonome voertuigen moeten worden ontwikkeld die toegankelijk zijn voor personen met een handicap en verminderde mobiliteit;

7.  dringt er bij de Commissie op aan een strategie te presenteren betreffende met name de bescherming van gegevens, toegang tot gegevens en beveiliging van computersystemen, overeenkomstig de resolutie van het Parlement van 13 maart 2018 over een Europese strategie voor coöperatieve slimme vervoerssystemen, en te voorzien in een technologisch neutrale, marktgerichte benadering; erkent de kansen die worden geboden met de komende aanbevelingen van de Commissie over toegang tot voertuiginterne gegevens en hulpmiddelen;

8.  stelt dat er wetgevingshandelingen moeten worden onderzocht om een billijke, veilige en technologisch neutrale toegang in realtime te waarborgen tot voertuiginterne gegevens voor bepaalde derde entiteiten; is van mening dat deze toegang eindgebruikers en derden in staat moet stellen van digitalisering te profiteren en een gelijk speelveld alsmede veiligheid moet bevorderen wat de opslag van voertuiginterne gegevens betreft;

9.  merkt op dat zich met betrekking tot artificiële intelligentie met het oog op autonome mobiliteit soortgelijke vragen in verband met intellectuele-eigendomsrechten en overeenkomstige gebruiksrechten zullen voordoen als op andere gebieden, zoals eigendoms- of gebruiksrechten op code, gegevens en uitvindingen die door de artificiële intelligentie zelf worden gecreëerd; is evenwel van mening dat hiervoor zo algemeen mogelijke oplossingen moeten worden gevonden;

10.  vestigt er de aandacht op dat bij het opstellen van het nieuwe wetgevingskader inzake autonome mobiliteit moet worden gewaarborgd dat alle belemmeringen voor technologische vooruitgang, onderzoek en innovatie kunnen worden weggewerkt;

11.  wijst erop dat er in de mededeling van de Commissie "Op weg naar geautomatiseerde mobiliteit" geen analyse wordt gemaakt van of voorstellen worden gedaan voor autonome voertuigen in alle vervoerswijzen; roept de Commissie op tot de tenuitvoerlegging van analyses en strategieën voor specifieke vervoerswijzen, mede op het gebied van intermodaal vervoer en mobiliteit;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten hun beleid inzake autonoom rijden te verbreden, zodat ook openbaar vervoer eronder valt, en daarnaast hun visie verder uit te werken om alle vervoerswijzen in aanmerking te nemen;

13.  verwelkomt het werk dat is verricht tijdens de bijeenkomsten op hoog niveau van de Raad over autonome voertuigen en zou graag zien dat dit werk wordt uitgebreid naar andere vervoerswijzen dan wegvervoer;

14.  onderstreept dat technische normen voor voertuigen en infrastructuur (bijv. verkeersborden, wegmarkeringen, verkeersregelinstallaties en coöperatieve slimme vervoerssystemen) moeten worden ontwikkeld en afgestemd op internationaal, EU- en nationaal niveau, voortbouwend op bestaande inspanningen en fora om dubbel werk te voorkomen, op basis van de beginselen van een open, transparante en technologieneutrale benadering, met het oog op grotere verkeersveiligheid en om te zorgen voor een naadloze grensoverschrijdende interoperabiliteit;

15.  merkt op dat betrouwbare voertuig- en routegegevens fundamentele bouwstenen zijn voor het realiseren van autonoom en verbonden verkeer in een interne Europese vervoersruimte en voor concurrerende dienstverlening voor de eindgebruiker; dringt er derhalve bij de Commissie op aan om de obstakels voor het gebruik van dergelijke gegevens weg te nemen en hiervoor vóór 1 januari 2020 een robuuste regelgeving op te zetten, en te zorgen voor eenzelfde kwaliteit en beschikbaarheid van gegevens in alle lidstaten;

16.  merkt op dat gebruikers en belanghebbenden dringend rechtszekerheid moet worden geboden wat betreft de conformiteit van autonome voertuigen met bestaande essentiële wetgeving, met name de wetgeving inzake ePrivacy en de algemene verordening gegevensbescherming(6); verzoekt de Commissie te bepalen welke categorieën van door autonome voertuigen gegenereerde informatie het karakter van openbare gegevens moeten hebben en in realtime toegankelijk moeten zijn, en welke informatie een vertrouwelijk karakter moet hebben;

17.  wijst erop hoe belangrijk het is te waarborgen dat gebruikers de controle hebben over en toegang hebben tot persoonlijke en voertuiginterne gegevens die worden aangemaakt, vergaard en doorgegeven door autonome voertuigen; beklemtoont dat consumenten maximale cyberbescherming moet worden geboden;

18.  benadrukt de verwachte enorme toename van gegevens die worden aangemaakt, verzameld en verzonden door autonome voertuigen, en onderstreept dat deze gegevens, en met name niet-persoonsgebonden en geanonimiseerde gegevens, moeten worden gebruikt om de inzet van autonome voertuigen te bevorderen en verdere innovaties in het kader van nieuwe oplossingen voor mobiliteit te ontwikkelen; wijst erop dat de bescherming van de privacy en van gevoelige gegevens die worden gegenereerd door autonome voertuigen, een absolute prioriteit moet vormen;

19.  onderstreept dat volledig autonome of sterk geautomatiseerde voertuigen de komende jaren commercieel verkrijgbaar zullen zijn en dat er zo snel mogelijk een passend regelgevingskader moet komen dat een veilig gebruik van deze voertuigen waarborgt en voorziet in een duidelijke aansprakelijkheidsregeling, met het oog op de resulterende veranderingen, waaronder de interactie tussen autonome voertuigen, de infrastructuur en andere gebruikers;

20.  merkt op dat de bestaande aansprakelijkheidsregels, zoals die van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken(7) (de productaansprakelijkheidsrichtlijn) en Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid(8) (de richtlijn motorrijtuigenverzekering), niet zijn ontwikkeld om te antwoorden op de uitdagingen die het gebruik van autonome voertuigen met zich meebrengt, en benadrukt dat er steeds meer aanwijzingen zijn dat het huidige regelgevingskader, in het bijzonder wat aansprakelijkheid, verzekering en registratie en bescherming van persoonsgegevens betreft, niet langer toereikend of adequaat zal zijn om het hoofd te bieden aan de nieuwe risico's die voortvloeien uit de toenemende automatisering, connectiviteit en complexiteit van voertuigen;

21.  is van mening dat er, in het licht van de dynamische technologische veranderingen in de sector, duidelijkheid moet komen over de vraag wie de schade moet dragen bij ongevallen die worden veroorzaakt door volledig autonome voertuigen en dat, wanneer het autonomieniveau het mogelijk maakt dat het voertuig volledig autonoom functioneert of door een menselijke bestuurder wordt bestuurd, onomstotelijk moet worden bepaald wie in elk specifiek scenario de aansprakelijke partij is; benadrukt dat met name moet worden onderzocht of het aangezien maar een heel klein deel van alle ongevallen tot dusver aan technische factoren toe te schrijven is, gerechtvaardigd is de aansprakelijkheid naar de fabrikant te verleggen, waarbij het gaat om een risicofactor die losstaat van nalatigheid en eenvoudig kan worden verbonden met het risico dat voortvloeit uit het op de markt brengen van een autonoom voertuig; benadrukt voorts dat ook moet worden onderzocht of specifieke verplichtingen van voertuigeigenaren in verband met verkeersveiligheid en op de bestuurder toepasselijke instructieverplichtingen een dergelijke verlegging van de aansprakelijkheid in alle gevallen toereikend zouden kunnen compenseren; verzoekt de Commissie dan ook een grondige beoordeling uit te voeren, het huidige EU-rechtskader aan te passen en zo nodig nieuwe regels in te voeren op basis waarvan verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid worden toegewezen; verzoekt de Commissie ook de mogelijkheid te onderzoeken en door te lichten om aanvullende EU-instrumenten in te voeren teneinde gelijke tred te houden met de ontwikkelingen op het gebied van artificiële intelligentie;

22.  meent dat op het wereldwijde satellietnavigatiesysteem (GNSS) gebaseerde technologieën en het Galileo-project een belangrijke rol spelen bij een betere interactie en interoperabiliteit tussen digitale boord- en netwerksystemen; dringt erop aan de resterende satellieten zo spoedig mogelijk te voltooien en te lanceren, zodat het Europese positioneringssysteem Galileo in automatische voertuigen als standaard positioneringssysteem kan worden gebruikt;

23.  merkt op dat universele toegang tot de technologie van geautomatiseerde mobiliteit niet mogelijk zal zijn zonder toegang te waarborgen tot een internetverbinding met hoge capaciteit en een 5G-netwerk; betreurt dat er regio's zijn waar de invoering van de huidige generatie van het 4G-netwerk op zich laat wachten, met name in plattelandsgebieden;

Wegvervoer

24.  vestigt de aandacht op de nieuwe veiligheidsregels in de richtsnoeren voor mens-machine-interfaces die zijn voorgesteld in het eindverslag van GEAR 2030;

25.  onderstreept dat de wetgeving inzake verkeersveiligheid op het niveau van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN‑ECE), de EU en de lidstaten zo snel mogelijk moet worden aangepast om technologische innovatie en autonome voertuigen te schragen, zodat er minder menselijke fouten en verkeersongevallen voorkomen en minder verkeersdoden vallen;

26.  onderstreept dat er een ambitieuze nieuwe algemene veiligheidsverordening voor motorvoertuigen moet worden vastgesteld, gezien het onmiddellijke levensreddende potentieel van de verplichte installatie van nieuwe veiligheidstechnologieën voor voertuigen, die bovendien ook kunnen worden gebruikt voor de inzet van communicerende en geautomatiseerde voertuigen in de toekomst;

27.  wijst erop dat de ontwikkeling van communicerende en geautomatiseerde voertuigen in grote mate het gevolg is van de stimulering van technologie; benadrukt dat de menselijke en maatschappelijke aspecten van de ontwikkeling van communicerende en geautomatiseerde voertuigen bestudeerd en erkend moeten worden, en dat moet worden gewaarborgd dat de invoering van dergelijke voertuigen de maatschappelijke, menselijke en milieuwaarden en -doelstellingen volledig eerbiedigt;

28.  dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten het belang van mobiliteit in de EU voor ogen houden en een gemeenschappelijk standpunt bereiken en samenwerken zodat de EU een leidende rol kan vervullen en behouden bij de internationale technische harmonisatie van geautomatiseerde voertuigen in het kader van de VN‑ECE en het Verdrag van Wenen, met name in alle besprekingen van het VN‑ECE-wereldforum voor de harmonisatie van voertuigreglementen (Artikel 29-werkgroep) en de werkgroep Geautomatiseerde/autonome en communicerende voertuigen (GRVA);

29.  onderstreept dat de markttoezichtprocedures met betrekking tot geautomatiseerde voertuigen gedurende hun levensduur zo gestandaardiseerd, transparant en controleerbaar mogelijk moeten zijn en onder meer grensoverschrijdende tests op wegen zonder hinder en in reële rijomstandigheden, alsook periodieke technische controles moeten omvatten;

30.  onderstreept de behoefte aan duidelijke wetgeving die regelmatig wordt geëvalueerd, waar nodig wordt geactualiseerd, en wordt geharmoniseerd en die de installatie van datarecorders voor incidenten verplicht stelt, in overeenstemming met de herziene algemene veiligheidsverordening, teneinde het onderzoek naar ongevallen te verbeteren en duidelijkheid te scheppen omtrent en de snelle afhandeling mogelijk te maken van aansprakelijkheidskwesties; merkt op dat deze datarecorders voor incidenten nodig zijn om bij een ongeval de verantwoordelijkheden van de betrokken actoren te bepalen;

31.  benadrukt dat er meteen vanaf de overgangsfase van voertuigen zonder enige mate van connectiviteit of automatisering naar geautomatiseerde voertuigen beveiligingssystemen moeten worden ingebouwd; wijst op de grote betekenis van rijhulpsystemen als stap naar volledig geautomatiseerd rijden, maar ook om nu al verkeersongevallen te voorkomen door middel van actieve veiligheidssystemen of de ernst van ongevallen te verminderen door middel van passieve veiligheidssystemen;

32.  roept de lidstaten op te voorzien in een veilige wegeninfrastructuur van hoge kwaliteit, die het inzetten van geautomatiseerde en autonome voertuigen mogelijk maakt;

33.  spoort de Commissie en de lidstaten aan ervoor te zorgen dat alle systemen die digitaal doorgegeven verkeersinformatie omvatten, interoperabel zijn;

34.  onderstreept de groeiende bezorgdheid met betrekking tot onachtzaamheid bij gebruikers tijdens het gebruik van voertuigen die een mate van bestuurdersinterventie vereisen; roept ertoe op de definitie en differentiatie van "voertuigen met geavanceerde rijhulpsystemen" (SAE-niveaus 1 t/m 3) ten opzichte van "geautomatiseerde voertuigen" (SAE-niveaus 4 en 5) in wetgeving over verkeersveiligheid duidelijker te formuleren en verder onderzoek uit te voeren naar de haalbaarheid en veiligheid van geautomatiseerde voertuigen van niveau 3, met name wat betreft het aangeven van de noodzaak voor interventie van de bestuurders en de risico's die zijn verbonden aan eventuele vertraagde interventie;

35.  roept de Commissie op om duidelijke ethische richtsnoeren vast te stellen voor kunstmatige intelligentie;

36.  roept de Commissie op om verantwoordelijkheidsregels en systemen voor de vrijwaring en bescherming van personen uit te werken teneinde voor een samenhangende aanpak te zorgen ten aanzien van de ethische vraagstukken in verband met autonome systemen voor geautomatiseerde voertuigen;

37.  benadrukt dat de wetgever aandacht moet besteden aan de ethische aspecten van zelfrijdende voertuigen en deze moet oplossen voor deze voertuigen volledig kunnen worden aanvaard en kunnen deelnemen aan verkeerssituaties; benadrukt daarom dat geautomatiseerde voertuigen vooraf moeten worden beoordeeld in het licht van deze ethische aspecten;

38.  vestigt de aandacht op de verwachte uitdagingen in het stadsverkeer wat betreft verkeersopstoppingen als gevolg van een wijdverbreide inzet van autonome voertuigen; is van mening dat autonome voertuigen en oplossingen zoals gedeeld gebruik en het delen van ritten moeten bijdragen aan het aanpakken van deze uitdagingen; verzoekt de autoriteiten beleid te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat autonome voertuigen betere reismogelijkheden voor alle burgers opleveren, met inbegrip van openbaar vervoer en andere oplossingen;

39.  onderstreept dat platooning een technologie van de toekomst is, die tot brandstof- en energiebesparing leidt en de verkeersveiligheid verhoogt, en roept de lidstaten, de Commissie en de industrie dan ook op om de in de Verklaring van Amsterdam genoemde maatregelen uit te voeren; roept de Commissie op een regelgevingskader voor te stellen om vehicle-to-everything-connectiviteit (V2X – voertuig-naar-alles) voor sterk en volledig geautomatiseerde voertuigen (bijvoorbeeld platooning) te bevorderen, met name inzake langeafstandsverkeer over de weg;

40.  stelt dat zowel passieve als actieve veiligheidsvoorzieningen in autonome voertuigen een belangrijke rol spelen bij het verminderen van het aantal botsingen en van gewonden en dodelijke slachtoffers als gevolg van botsingen aangezien zich nog steeds botsingen kunnen voordoen, met name tijdens de tussenfase van gemengd verkeer; roept de Commissie en de lidstaten op de verkeersveiligheid te verbeteren;

41.  beklemtoont de risico's die verband houden met de groei van gemengd verkeer met zowel traditionele als autonome voertuigen, en dringt derhalve aan op meer tests in de praktijk met het oog op de ondersteuning van toekomstbestendige onderzoek en ontwikkeling door publieke en particuliere ondernemingen en instanties, maar ook op de beschikbaarheid van concrete gegevens op basis waarvan de regels inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid naar behoren kunnen worden aangepast;

42.  onderstreept dat een mogelijke oplossing om de bestaande lacunes en tekortkomingen aan te pakken, zou kunnen bestaan in het opzetten van een verzekeringskader zonder schuld ("no fault") voor schade door autonome voertuigen;

43.  benadrukt dat er overeenkomstig zijn resolutie van 16 februari 2017 over civielrechtelijke regels inzake robotica(9) geen beperking van de aansprakelijkheid mag zijn met betrekking tot de aard en de omvang van de te vergoeden schade, teneinde de toereikende bescherming van slachtoffers te waarborgen;

Luchtvervoer

44.  vestigt de aandacht op de recentelijk aangenomen EASA-verordening(10) met betrekking tot de bijgewerkte regels voor de veiligheid van de luchtvaart, die onder meer bepalingen bevat die een solide rechtsgrond bieden voor de allereerste uitgebreide EU-voorschriften voor alle soorten civiele drones; herinnert eraan hoe noodzakelijk de goedkeuring van de EASA-verordening was, gegeven het feit dat nieuwe technologieën, zoals onbemande luchtvaartuigen (UAV's) ook in het Europese luchtruim voorkomen, en dat dit aanpassing vereiste van het huidige regelgevingskader van de EU en afwijkende nationale regels;

45.  dringt erop aan dat de Commissie tevens onverwijld gedetailleerde regels vaststelt voor geautomatiseerde luchtvaartuigen, die duidelijke specificaties op maat vereisen, gezien het feit dat een enkele UAV- en operationele benadering onvoldoende is om te zorgen voor de veilige integratie van geautomatiseerde luchtvaartuigen in een luchtruim dat wordt gedeeld met bemande luchtvaartuigen; herinnert eraan dat UAV's moeten worden uitgerust met veilige en waar nodig gecertificeerde informatiesystemen, en een specifiek luchtruimbeheer behoeven; benadrukt dat dergelijke regels voor UAV's ook rekening moeten houden met de aard en de risico's van de verrichting of activiteit, de operationele kenmerken van het onbemande luchtvaartuig en de kenmerken van het gebied waar de verrichting plaatsvindt, zoals de bevolkingsdichtheid, de kenmerken van het terrein en de aanwezigheid van gebouwen en andere gevoelige infrastructuur;

46.  wijst op het belang van de bescherming van persoonsgegevens bij het gebruik van automatisch bestuurde voertuigen in de luchtvaartsector;

47.  vestigt de aandacht op de Verklaring van Warschau uit 2016 over drones als een hefboom voor banen en nieuwe ondernemingskansen; onderstreept het belang van de geplande acties voor de ontwikkeling van het EU-drone-ecosysteem, dat naar verwachting uiterlijk in 2019 zal zijn gerealiseerd, en benadrukt dat moet worden voortgebouwd op de richtsnoeren die zijn vastgelegd in de Verklaring van Riga;

48.  wijst op het belang van een gecoördineerde ontwikkeling van de technologieën en operationele concepten die een veilige opneming van luchtvaartuigen in het luchtverkeersbeheer mogelijk maken overeenkomstig de doelstellingen van U‑Space, een programma van de Gemeenschappelijke Onderneming Sesar; beseft dat de activiteiten die tot dusver door de Gemeenschappelijke Onderneming Sesar zijn verricht, steun moeten blijven genieten;

49.  wijst er nogmaals op dat de financiering van reeds lopende programma's voor onderzoek en experimenten met betrekking tot UAV's, zoals U‑Space, in de volgende begrotingsperioden moet worden verhoogd; merkt op dat deze experimenten, die het mogelijk maken om vandaag in reële omstandigheden de inzet van een grote vloot UAV's te testen, met garantie op maximale veiligheid in het luchtverkeersbeheer en de bijbehorende veiligheidsvoorwaarden, een voorbeeld kunnen vormen voor experimenten met autonome voertuigen op de weg;

50.  merkt op dat er geschikte testgebieden tot stand moeten worden gebracht voor de technologie van autonome luchtvaartuigen, waaronder drones, en dat die moeten voldoen aan bepaalde veiligheidsvoorwaarden voor het verrichten van simulaties van nieuwe technologische oplossingen voordat deze uiteindelijk worden ingevoerd;

Vervoer over zee en per binnenschip

51.  benadrukt het potentieel en de toegevoegde waarde van autonome schepen, met name in de binnenvaart en voor zeevervoer op korte afstand, hetgeen kan leiden tot een afname van het aantal ongevallen op zee en op binnenwateren, waarvan de meeste het gevolg zijn van menselijke fouten;

52.  onderstreept het potentieel van automatisering om menselijke fouten gedeeltelijk uit te schakelen en om het personeel op de brug meer tijd te geven voor visuele waarneming, met name in nauwe vaarroutes en havengebieden; beklemtoont echter dat informatie-uitwisseling en communicatie essentieel zijn voor de veiligheid, met name in geval van dichte nabijheid van andere schepen, en dat er daarom personeel op de brug aanwezig moet blijven;

53.  is ingenomen met de werkzaamheden van de PIANC-werkgroep voor slimme scheepvaart en het internationale netwerk voor autonome schepen;

54.  roept de Commissie op om een beschrijving te geven van de verschillende niveaus van automatisering voor zowel de binnenvaart als de zeevaart, alsmede gemeenschappelijke normen vast te stellen, ook voor havens, om het gebruik van autonome vaartuigen in interactie met geautomatiseerde en niet-geautomatiseerde gebruikers en infrastructuur te harmoniseren en stimuleren;

55.  onderstreept het belang van de ontwikkeling en uitbreiding van digitale hubs en onderling verbonden TEN‑V-corridors (trans-Europees vervoersnet) door middel van de allermodernste terminalvoorzieningen en efficiënte elektronische verkeersbeheerssystemen zoals River Information Services en het RhinePorts Information System (RPIS), om tot een volledig multimodaal autonoom vervoerssysteem te komen;

56.  spoort de Commissie aan een brede strategie te ontwikkelen met het doel de verdere automatisering van de binnenvaart, de binnenvaartinfrastructuur, de vaarwegen en het verkeersbeheer, alsook de ontwikkeling van geautomatiseerde havens aan te moedigen en bij het ontwerpen van de digitale binnenvaart (Digital Inland Waterway Area – DINA) rekening te houden met de positie van binnenhavens als multimodale platforms;

57.  roept op tot meer steun voor en bevordering van grensoverschrijdende testgebieden en meer projecten zoals NOVIMAR en Maritime Unmanned Navigation through Intelligence in Networks (MUNIN), medegefinancierd door de EU in het zevende kaderprogramma en Horizon 2020, ten behoeve van de verdere ontwikkeling van technologie voor autonoom vervoer en geautomatiseerde infrastructuur in de EU;

58.  benadrukt dat de normen voor vaartuigen ontwikkeld en overeengekomen moeten worden met de Internationale Maritieme Organisatie, opdat er een internationaal rechtskader wordt vastgesteld voor een veilige exploitatie van de vaartuigen;

Vervoer per spoor

59.  roept de Commissie op om in overleg en coördinatie met de sector en andere belanghebbenden gemeenschappelijke protocollen en normen op te stellen voor autonome trein- en sneltramsystemen;

60.  dringt erop aan de randvoorwaarden voor autonome voertuigen in het spoorvervoer te verbeteren en de overstap naar een digitale spoorwegsector te versnellen; merkt op dat het Europees systeem voor treinbesturing (European Train Control System – ETCS) als uitgangspunt dient voor automatisering in de spoorwegsector, doordat het ETCS wordt gelinkt aan de automatische treinbesturing (Automatic Train Operation – ATO); verzoekt de Commissie met klem de uitrol van het ETCS te bespoedigen en er voorrang aan te verlenen in bestaande en toekomstige EU-financieringsregelingen;

61.  onderstreept het belang van digitale verbondenheid als een belangrijke nieuwe mijlpaal in de richting van digitalisering van de spoorweginfrastructuur en verzoekt de Commissie en de lidstaten de uitrol hiervan te ondersteunen;

62.  spoort de Commissie aan het Shift2Rail-programma voort te zetten met het oog op verdere ontwikkelingen in de richting van een digitaal spoorwegnetwerk en volledig geautomatiseerde treinbesturing, met inbegrip van de ontwikkeling van een standaard voor ATO via ETCS en van cyberveiligheid;

63.  vestigt de aandacht op de groeiende uitdagingen in het stadsvervoer in verband met verkeersdrukte, alsmede de mogelijkheden die door op het spoor gebaseerde geautomatiseerde systemen voor openbaar vervoer worden geboden voor de aanpak van deze uitdagingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten projecten voor de aanpak van deze uitdagingen door middel van innovaties op het gebied van op het spoor gebaseerd automatisch openbaar vervoer te stimuleren en te ondersteunen;

Consumentenrechten en concurrentievoorwaarden

64.  verzoekt de Commissie uitgebreide regels op te stellen met betrekking tot de verantwoordelijkheden en rechten van constructeurs, bestuurders en operatoren op elk niveau van automatisering voor alle vervoerswijzen; benadrukt dat deze verantwoordelijkheden op duidelijke en voor zichzelf sprekende wijze aan de bestuurders of operatoren moeten worden meegedeeld door middel van commerciële etikettering of andere vormen van communicatie; acht het van essentieel belang de veiligheid van voertuigen en het regelmatige onderhoud ervan gedurende hun volledige levenscyclus te waarborgen en wijst erop dat een eerlijke markttoegang tot gegevens en hulpmiddelen in voertuigen voor relevante belanghebbenden in dit opzicht een faciliterende rol speelt;

65.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat alle systemen in autonome voertuigen zodanig ontworpen zijn dat de eigenaar of gebruiker van het voertuig vrij kan kiezen tussen concurrerende aanbieders van diensten en niet verplicht afhankelijk is van de diensten van een enkele voertuigfabrikant;

66.  benadrukt dat het noodzakelijk is eerlijke markttoegang te waarborgen voor onafhankelijke aanbieders van automobieldiensten wat het onderhoud van autonome voertuigen en herstellingen betreft; herinnert eraan dat dit soort entiteiten, met name onderdelenfabrikanten en kleine garages en servicecentra, een belangrijke concurrentiefactor vormen op de automobielmarkt en een positieve invloed hebben op de toegankelijkheid en de kostprijs van dit soort diensten;

67.  merkt op dat op een gedigitaliseerde markt voor automobieldiensten de rechtstreekse en tijdige toegang tot de gegevens en functies in een voertuig een beslissende rol zal spelen om te bepalen of er op de markt van geautomatiseerde en geconnecteerde mobiliteitsdiensten sprake is van eerlijke concurrentie; herinnert eraan dat onafhankelijke marktdeelnemers een zeer belangrijke rol spelen in de volledige toeleveringsketen van de automobielsector;

68.  ziet potentiële risico's voor de concurrentie op de interne markt van diensten voor autonome voertuigen indien fabrikanten de toegang tot de in deze voertuigen geïnstalleerde systemen bemoeilijken voor onafhankelijke garagehouders; benadrukt dat voor dit segment van de markt de voorschriften van Verordening (EU) nr. 461/2010 van de Commissie(11) moeten gelden;

69.  beklemtoont dat consumenten op voorhand informatie moeten ontvangen over de voertuigen die ze aankopen en over de voor hen toegankelijke reparatiediensten;

70.  is van mening dat de overgang naar automatische voertuigen, naast de positieve gevolgen voor de verkeersveiligheid, het brandstofverbruik, het milieu en het scheppen van nieuwe banen in de telecommunicatie- en autosector, eveneens tot het verlies van banen in de vervoerssector kan leiden en negatieve gevolgen kan hebben voor het verzekeringswezen, hetgeen zo snel mogelijk moet worden aangepakt om een soepele overgang te bewerkstelligen;

Behoeften op het gebied van onderzoek en onderwijs

71.  benadrukt de noodzaak om essentiële autonome technologieën (bijv. formalisering en simulatie van het menselijk brein en herkenningsvermogen tijdens het rijden, systemen voor omgevingswaarneming en kunstmatige intelligentie) te ontwikkelen in de EU teneinde de wereldwijde concurrentie bij te blijven en nieuwe werkgelegenheid te creëren;

72.  beklemtoont dat geautomatiseerde voertuigen, zodra ze op de markt beschikbaar zijn, een groot effect op de distributie en consumptie van goederen zullen hebben; is daarom van mening dat het dringend nodig is dit effect te beoordelen en te zorgen voor maatregelen om de betrokken sectoren en mensen te ondersteunen;

73.  roept op tot initiatieven om de veranderingen in de vraag en het aanbod op de arbeidsmarkt in kaart te brengen en aan te pakken met het oog op de behoefte aan nieuwe en gespecialiseerde vaardigheden, zowel voor de productie van voertuigen als voor het professionele gebruik, door middel van omscholing (bijvoorbeeld cursussen en opleidingen), teneinde de overgang naar nieuwe vormen van mobiliteit te vergemakkelijken;

74.  dringt erop aan dat de Commissie samen met de lidstaten voorstellen doet voor initiatieven om de vaardigheden en beroepsopleidingen te stimuleren die nodig zijn om de EU een toonaangevende rol te laten vervullen binnen de sector autonoom vervoer; benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten in hun onderwijsprogramma's met deze nieuwe trends rekening houden om in te spelen op de behoefte aan hooggekwalificeerde en goed geschoolde arbeidskrachten in de verschillende vervoerssectoren;

75.  vestigt de aandacht op het bedrag van 300 miljoen EUR dat in het kader van Horizon 2020 is uitgetrokken voor onderzoeks- en innovatieprogramma's op het gebied van geautomatiseerde voertuigen tussen 2014 en 2020 en beveelt aan dat deze programma's worden voortgezet en uitgebreid tot alle vervoerswijzen in de volgende meerjarige financiële periode van 2021 tot 2027 (Horizon Europa);

76.  benadrukt de belangrijke rol van gemeenschappelijk onderzoek voor snelle vorderingen op het vlak van automatisering van vervoer via de participatie van het hele innovatie-ecosysteem;

77.  verzoekt de Commissie een gemeenschappelijke onderneming in het leven te roepen naar het voorbeeld van Shift2Rail voor het spoorvervoer en Clean Sky voor de luchtvaartindustrie, om een door de sector aangestuurd strategisch initiatief voor autonoom vervoer te creëren dat aantrekkelijk is voor de EU-burgers, commercieel gezien levensvatbaar is, het onderzoeks- en innovatiepotentieel van de EU benut op basis van de brede samenwerking tussen de industrie, het publiek en de academische wereld, en een geharmoniseerde en interoperabele ontwikkeling en toepassing van technologieën bevordert met het doel een multimodaal vervoerssysteem voor autonoom vervoer te ontwikkelen dat naar wereldschaal kan worden vertaald;

78.  benadrukt de behoefte aan testlocaties in de praktijk in de hele EU om nieuwe technologieën te ontwikkelen en testen; dringt erop aan dat de lidstaten uiterlijk in 2020 stedelijke en buitenstedelijke gebieden aanwijzen waar autonome voertuigen kunnen worden getest onder reële verkeersomstandigheden, zonder de verkeersveiligheid in de betreffende gebieden in gevaar te brengen, en dat er voor grensoverschrijdende en interoperabele EU-raamwerken wordt gezorgd;

79.  wijst erop dat sommige EU-burgers te kennen hebben gegeven geautomatiseerde voertuigen te wantrouwen; benadrukt daarom dat wetgevers zich over de ethische dimensie moeten buigen om het vertrouwen van de burger in dit verband te verbeteren; dringt aan op investeringen in uitgebreid onderzoek op het vlak van artificiële intelligentie en andere aspecten van geautomatiseerde voertuigen;

80.  verzoekt om uitgebreid onderzoek naar de langetermijneffecten van autonome voertuigen op zaken als aanpassing van de consument, maatschappelijke acceptatie, fysiologische reacties, fysieke reacties en sociale mobiliteit, waarbij ongevallen worden beperkt en het vervoer als geheel wordt verbeterd;

81.  dringt er bij alle betrokken belanghebbenden, met inbegrip van voertuigfabrikanten, onderdelenleveranciers en software- en ontwerpdiensten, alsook de lidstaten en autoriteiten op aan samen te werken om innovatie te stimuleren, te investeren in aangepaste infrastructuur voor geautomatiseerde mobiliteit, zowel op snelwegen als op stadswegen, en grensoverschrijdende tests mogelijk te maken; wijst erop dat er meer moet worden geïnvesteerd in de aanpassing van de huidige infrastructuur, de aanleg van nieuwe infrastructuur en een betere verbondenheid van de Europese wegen; wijst erop dat de Europese burgers wantrouwig blijken te staan tegenover geautomatiseerde voertuigen en dat er bewustmakingscampagnes moeten komen om het vertrouwen van de burgers te vergroten; dringt aan op investeringen in uitgebreid onderzoek op het vlak van artificiële intelligentie en de ethische aspecten van autonoom en verbonden vervoer;

o
o   o

82.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 307 van 30.8.2018, blz. 144.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0063.
(3) PB L 207 van 6.8.2010, blz. 1.
(4) COM(2018)0274.
(5) COM(2018)0286.
(6) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(7) PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29.
(8) PB L 263 van 7.10.2009, blz. 11.
(9) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 239.
(10) PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.
(11) PB L 129 van 28.5.2010, blz. 52.


Het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg ***I
PDF 172kWORD 52k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/1/EG betreffende het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg (COM(2017)0282 – C8-0172/2017 – 2017/0113(COD))
P8_TA(2019)0006A8-0193/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0282),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0172/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 6 december 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8‑0193/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 januari 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/1/EG betreffende het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg

P8_TC1-COD(2017)0113


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn 2006/1/EG van het Europees Parlement en de Raad(5) voorziet in een minimumniveau van marktopenstelling voor het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg.

(2)  Het gebruik van gehuurde voertuigen kan de kosten verlagen van ondernemingen die goederen voor eigen rekening of voor rekening van derden vervoeren en tegelijk hun operationele flexibiliteit verhogen. De richtlijn kan daardoor bijdragen tot een stijging van de productiviteit en de concurrentiekracht van de betrokken ondernemingen. Aangezien gehuurde voertuigen doorgaans jonger zijn dan het gemiddelde wagenpark, zijn ze bovendien wellicht vaak veiliger en minder vervuilend. [Am. 1]

(3)  Door Richtlijn 2006/1/EG kunnen ondernemingen niet ten volle profiteren van de voordelen van het gebruik van gehuurde voertuigen. De richtlijn staat de lidstaten toe het gebruik voor eigen rekening te beperken van gehuurde voertuigen met een maximaal toegestaan totaalgewicht van meer dan zes ton. De lidstaten hoeven bovendien het gebruik van een gehuurd voertuig door op hun grondgebied gevestigde ondernemingen te beperken. Bovendien hoeven de lidstaten op hun eigen grondgebied het gebruik niet toe te staan als het van een gehuurd voertuig dat is ingeschreven of overeenkomstig de wetgeving in het verkeer is gebracht overeenkomstig de wetgeving in een andere lidstaat dan die waar de onderneming die het voertuig huurt, is gevestigd. [Am. 2]

(4)  Opdat ondernemingen meer zouden kunnen profiteren van de voordelen van het gebruik van gehuurde voertuigen, moeten zij voertuigen kunnen gebruiken die zijn gehuurd in om het even welke lidstaat en niet alleen in de lidstaat waar zij zijn gevestigd. Zo zou het voor hen gemakkelijker worden om met name seizoensgebonden, tijdelijke of kortetermijnpieken in de vraag te beantwoorden of defecte of beschadigde voertuigen te vervangen.

(4 bis)  De lidstaten mogen het gebruik op hun eigen grondgebied van een voertuig dat is gehuurd door een onderneming die naar behoren is gevestigd op het grondgebied van een andere lidstaat niet beperken, mits het voertuig is ingeschreven en voldoet aan de operationele normen en veiligheidsvereisten of in het verkeer is gebracht overeenkomstig de wetgeving van om het even welke lidstaat en is goedgekeurd voor gebruik door de lidstaat waarin de aansprakelijke onderneming is gevestigd. [Am. 3]

(5)  Het belastingniveau voor het wegvervoer verschilt in de Unie nog altijd aanzienlijk. Om fiscale verstoringen te vermijden, blijven bepaalde beperkingen bijgevolg gerechtvaardigd, ook al hebben zij onrechtstreeks gevolgen voor de vrije verstrekking van verhuurdiensten voor voertuigen. Bijgevolg moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om onder de in deze richtlijn neergelegde voorwaarden en op hun eigen grondgebied de tijdsduur te beperken tijdens welke een gevestigde onderneming een gehuurd voertuig dat is gehuurd mag gebruiken dat in een andere lidstaat dan die waarin de onderneming die het voertuig huurt is gevestigd, kan is ingeschreven of in het verkeer is gebracht. Het moet de lidstaten voorts worden gebruikt toegestaan beperkingen op te leggen met betrekking tot het aantal dergelijke voertuigen dat door een op hun respectieve grondgebied grondgebied gevestigde onderneming wordt gehuurd. [Am. 4]

(5 bis)  Om de naleving van deze maatregelen te garanderen, moet de informatie over het registratienummer van het gehuurde voertuig beschikbaar zijn in de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad(6) opgerichte nationale elektronische registers van de lidstaten. Bevoegde instanties van de lidstaat van vestiging die in kennis worden gesteld van het gebruik van een voertuig dat de vervoerder heeft gehuurd en dat overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat is ingeschreven of in het verkeer is gebracht, moeten de bevoegde instanties van die andere lidstaat daarvan op de hoogte brengen. Hiervoor moeten de lidstaten het Informatiesysteem interne markt (IMI) gebruiken. [Am. 5]

(6)  Om het vervoer voor eigen rekening vlotter te laten verlopen, mag het de lidstaten niet langer zijn toegestaan de mogelijkheid om gehuurde voertuigen voor dergelijk vervoer te gebruiken, te beperken.

(6 bis)   Teneinde de operationele normen te handhaven, te voldoen aan de veiligheidsvereisten en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden te garanderen voor bestuurders, is het belangrijk dat vervoerders gegarandeerde toegang hebben tot activa en rechtstreekse ondersteunende infrastructuur in het land waarin zij hun activiteiten ontplooien. [Am. 6]

(7)  De Commissie moet toezien op de uitvoering en de gevolgen van deze richtlijn en daarover uiterlijk drie jaar na het verstrijken van de omzettingstermijn van deze richtlijn verslag uitbrengen. Elke In het verslag moet naar behoren rekening worden gehouden met de gevolgen voor de verkeersveiligheid, belastinginkomsten en het milieu. In het verslag moeten ook alle inbreuken op deze richtlijn worden beoordeeld, met inbegrip van grensoverschrijdende inbreuken. De noodzaak van toekomstige actie op dit gebied moet op basis van dat verslag in overweging worden genomen. [Am. 7]

(8)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt maar, wegens de grensoverschrijdende aard van het wegvervoer en de kwesties die deze richtlijn moet behandelen, beter kunnen worden verwezenlijkt op het niveau van de Unie, mag de Unie maatregelen vaststellen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is voor de verwezenlijking van die doelstellingen.

(9)  Richtlijn 2006/1/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2006/1/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)  artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)  de aanhef wordt vervangen door:"

"Elke lidstaat staat op zijn grondgebied het gebruik toe van voertuigen die zijn gehuurd door ondernemingen die zijn gevestigd op het grondgebied van een andere lidstaat, mits:";

"

ii)  punt a) wordt vervangen door:"

"a) het voertuig is ingeschreven of in het verkeer is gebracht overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat is ingeschreven of in het verkeer is gebracht om het even welke lidstaat, operationele normen en veiligheidsvereisten daaronder begrepen;"; [Am. 8]

"

b)  het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:"

"1 bis. Als het voertuig niet is ingeschreven of in het verkeer is gebracht overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waar de onderneming die het voertuig huurt is gevestigd, mag een lidstaat de gebruiksduur van het gehuurde voertuig op zijn grondgebied beperken. De lidstaat zal in dergelijk geval het gebruik echter toestaan voor ten minste vier maanden binnen een kalenderjaar." [Am. 9]

"

2)  artikel 3 wordt vervangen door:"

"Artikel 3

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat op hun grondgebied gevestigde ondernemingen gehuurde voertuigen voor het vervoer van goederen over de weg kunnen gebruiken onder dezelfde voorwaarden die gelden voor voertuigen die hun eigendom zijn, mits aan de voorwaarden van artikel 2 is voldaan. [Am. 10]

1 bis.  Indien het voertuig overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat is ingeschreven of in het verkeer is gebracht, kan de lidstaat waarin de onderneming is gevestigd:

   a) de gebruiksduur van het gehuurde voertuig op zijn grondgebied beperken, mits hij het gebruik van het gehuurde voertuig toestaat voor ten minste vier opeenvolgende maanden binnen een kalenderjaar; in dergelijke gevallen kan worden vereist dat de huurovereenkomst niet langer geldt dan de tijdsduur die door de lidstaat is vastgesteld;
   b) het aantal gehuurde voertuigen beperken dat door een onderneming kan worden gebruikt, mits hij het gebruik toestaat van ten minste het aantal voertuigen dat overeenkomt met 25 % van het totale vrachtwagenpark dat eigendom is van de onderneming op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het verzoek om toestemming; in dergelijke gevallen wordt het gebruik van ten minste één gehuurd voertuig toegestaan aan ondernemingen waarvan het totale wagenpark uit meer dan een en minder dan vier voertuigen bestaat. [Am. 11]

1 ter.  De lidstaten kunnen het vervoer voor eigen rekening dat wordt verricht door voertuigen met een toegestaan totaalgewicht van meer dan 6 ton, van de bepalingen van lid 1 uitsluiten.” [Ams. 28 en 34]

"

2 bis)  het volgende artikel 3 bis wordt ingevoegd:"

"Artikel 3 bis

1.  De informatie over het registratienummer van een gehuurd voertuig wordt ingevoerd in het nationale elektronische register, zoals omschreven in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1071/2009*.

2.  Bevoegde instanties van de lidstaat waarin een vervoerder is gevestigd, die in kennis worden gesteld van het gebruik van een voertuig dat die vervoerder heeft gehuurd en dat overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat is ingeschreven of in het verkeer is gebracht, brengen de bevoegde instanties van die andere lidstaat daarvan op de hoogte.

3.  De in lid 2 bedoelde administratieve samenwerking vindt plaats door middel van het Informatiesysteem Interne Markt (IMI), zoals ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1024/2012**.

________________

* Een verwijzing naar artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1071/2009, rekening houdend met de uitbreiding van de te registreren informatie, zoals de Commissie voorstelt.

** PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1."[Am. 12]

"

3)  het volgende artikel 5 bis wordt ingevoegd:"

"Artikel 5 bis

Uiterlijk ... [PB: gelieve de datum in te voegen waarop 3 jaar na het verstrijken van de omzettingstermijn van de richtlijn vijf jaar is verstreken deze wijzigingsrichtlijn] dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering en de gevolgen van deze richtlijn. Het verslag bevat onder meer informatie over het gebruik van voertuigen die zijn gehuurd in een andere lidstaat dan die waarin de onderneming die het voertuig huurt, is gevestigd. In het verslag wordt bijzondere aandacht besteed aan de gevolgen voor de verkeersveiligheid, voor de belastinginkomsten, met inbegrip van fiscale verstoringen, en voor de handhaving van de cabotageregels overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad*. Op grond van dat verslag oordeelt de Commissie of aanvullende maatregelen moeten worden voorgesteld." [Am. 13]

________________

* Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 72).

"

Artikel 2

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ... [PB: gelieve de datum 18 20 maanden na de datum van inwerkingtreding in te voegen van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee. [Am. 14]

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 129 van 11.4.2018, blz. 71.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 14 juni 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0264).
(3)PB C 129 van 11.4.2018, blz. 71.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 15 januari 2019.
(5)Richtlijn 2006/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg (gecodificeerde versie) (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 82).
(6) Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51).


Tijdelijke intrekking van preferenties in bepaalde overeenkomsten tussen de EU en bepaalde derde landen ***I
PDF 131kWORD 46k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot uitvoering van de vrijwaringsclausules en andere mechanismen die de tijdelijke intrekking mogelijk maken van preferenties in bepaalde overeenkomsten tussen de Europese Unie en bepaalde derde landen (COM(2018)0206 – C8-0158/2018 – 2018/0101(COD))
P8_TA(2019)0007A8-0330/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0206),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0158/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 5 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0330/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd en die samen met de definitieve wetgevingstekst in de L-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 januari 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausules en andere mechanismen die de tijdelijke intrekking mogelijk maken van preferenties in bepaalde handelsovereenkomsten tussen de Europese Unie en derde landen

P8_TC1-COD(2018)0101


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/287.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE COMMISSIE

Het Europees Parlement en de Commissie zijn het eens over het belang van nauwe samenwerking ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten die zijn opgenomen in de bijlage bij Verordening (EU) 2019/287 van het Europees Parlement en de Raad van 13 februari 2019(1) tot uitvoering van de vrijwaringsclausules en andere mechanismen die de tijdelijke intrekking mogelijk maken van preferenties in bepaalde overeenkomsten tussen de Europese Unie en bepaalde derde landen. Zij zijn in dat verband overeengekomen dat als het Europees Parlement een aanbeveling goedkeurt om een vrijwaringsonderzoek te openen, de Commissie zorgvuldig zal onderzoeken of aan de in de verordening opgenomen voorwaarden voor een opening ambtshalve is voldaan. Als de Commissie van mening is dat dit niet het geval is, dient zij een verslag in bij de bevoegde commissie van het Europees Parlement met een toelichting van alle factoren die voor de opening van een dergelijk onderzoek relevant zijn.

(1) PB L 53 van 22.2.2019, blz. 1.


Vaststelling van het Douane-programma voor samenwerking op het gebied van douane ***I
PDF 210kWORD 71k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 15 januari 2019 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Douane-programma voor samenwerking op het gebied van douane (COM(2018)0442 – C8-0261/2018 – 2018/0232(COD))(1)
P8_TA(2019)0008A8-0464/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Het bij Verordening (EU) nr. 1294/201318 opgezette Douane 2020-programma en de voorlopers ervan hebben de douanesamenwerking aanzienlijk vergemakkelijkt en versterkt. Vele activiteiten op het gebied van douane hebben een grensoverschrijdend karakter, waardoor ze betrekking hebben op en gevolgen hebben voor alle lidstaten; ze kunnen derhalve niet effectief en efficiënt worden verwezenlijkt door de lidstaten afzonderlijk. Een douaneprogramma op het niveau van de Unie, dat door de Commissie ten uitvoer zal worden gelegd, verschaft de lidstaten een Uniekader om deze samenwerkingsactiviteiten te ontplooien, hetgeen kostenefficiënter is dan wanneer elke lidstaat afzonderlijk samenwerkingskaders op bilaterale of multilaterale basis opzet. Het is derhalve passend de continuïteit van de financiering van activiteiten op het gebied van douanesamenwerking door de Unie te waarborgen door op hetzelfde gebied een nieuw programma, het Douane-programma, vast te stellen.
(1)  Het bij Verordening (EU) nr. 1294/201318 vastgestelde Douane 2020-programma en de voorlopers ervan hebben de douanesamenwerking aanzienlijk vergemakkelijkt en versterkt. Vele van de douaneactiviteiten hebben een grensoverschrijdend karakter waardoor ze betrekking hebben op en gevolgen hebben voor alle lidstaten en derhalve niet effectief en efficiënt kunnen worden uitgevoerd door elke lidstaat op zichzelf. Een Uniebreed douaneprogramma, dat door de Commissie ten uitvoer zal worden gelegd, verschaft de lidstaten een kader op het niveau van de Unie om dergelijke samenwerkingsactiviteiten te ontplooien, hetgeen kosteneffectiever is dan wanneer elke lidstaat afzonderlijk een samenwerkingskader op bilateraal of multilateraal niveau opzet. Het douaneprogramma speelt tevens een belangrijke rol bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie en van de lidstaten omdat het de effectieve inning van douanerechten waarborgt en aldus een belangrijke bron van inkomsten voor de begroting van de Unie en de nationale begrotingen vormt, onder meer door de nadruk te leggen op het opbouwen van IT-capaciteit en intensievere samenwerking op douanegebied. Voorts zijn geharmoniseerde en gestandaardiseerde controles nodig voor het opsporen van illegale grensoverschrijdende goederenstromen en het bestrijden van fraude. Het is derhalve passend en in het belang van de efficiëntie om de continuïteit van de financiering van activiteiten op het gebied van douanesamenwerking door de Unie te waarborgen door op hetzelfde domein een nieuw programma, het Douane-programma ("het programma"), vast te stellen.
__________________
__________________
18 Verordening (EU) nr. 1294/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van een actieprogramma voor douane in de Europese Unie voor de periode 2014‑2020 (Douane 2020) en tot intrekking van Beschikking nr. 624/2007/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 209).
18 Verordening (EU) nr. 1294/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van een actieprogramma voor douane in de Europese Unie voor de periode 2014‑2020 (Douane 2020) en tot intrekking van Beschikking nr. 624/2007/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 209).
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Al vijftig jaar is de douane-unie, die wordt uitgevoerd door de nationale douaneautoriteiten, een hoeksteen van de Unie, een van de grootste handelsblokken ter wereld. De douane-unie is een sprekend voorbeeld van geslaagde integratie in de Unie en is van essentieel belang voor de goede werking van de interne markt ten behoeve van zowel bedrijven als burgers. Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 14 maart 2018 getiteld "Het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020" met name zijn bezorgdheid geuit over de douanefraude. Een sterkere en ambitieuzere Unie is alleen mogelijk als in meer financiering, blijvende steun voor de bestaande maatregelen en meer middelen wordt voorzien.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  De douane-unie heeft de afgelopen vijftig jaar grote ontwikkelingen doorgemaakt en de douanediensten vervullen inmiddels een breed takenpakket aan de grenzen. Samen zorgen zij ervoor dat de handel vlot verloopt en de administratieve rompslomp wordt beperkt, dat inkomsten voor de nationale begrotingen en de begroting van de Unie worden geïnd, en dat de samenleving wordt beschermd tegen terroristische dreigingen, gevaren voor de volksgezondheid en het milieu en andere risico's. Met name met de invoering van een EU-breed gemeenschappelijk risicobeheerkader19 en douanecontroles op het vervoer van grote sommen liquide middelen om het witwassen van geld en de financiering van terrorisme tegen te gaan, speelt de douane een toonaangevende rol in de strijd tegen terrorisme en georganiseerde criminaliteit. Gelet op dit brede takenpakket is de douane thans de facto de leidinggevende instantie bij de controle van goederen aan de buitengrenzen van de Unie. In dit licht bekeken mag het Douane-programma niet beperkt blijven tot douanesamenwerking, maar moet het de douaneautoriteiten ook ondersteunen bij de uitvoering van hun missie in haar geheel, zoals omschreven in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 952/2013, namelijk toezicht houden op het internationale handelsverkeer van de Unie, de uitvoering van de externe aspecten van de interne markt, van het gemeenschappelijk handelsbeleid en van ander gemeenschappelijk beleid van de Unie dat verband houdt met de handel, en de algemene veiligheid van de toeleveringsketen. De rechtsgrondslag heeft daarom betrekking op douanesamenwerking (artikel 33 VWEU), interne markt (artikel 114 VWEU) en handelsbeleid (artikel 207 VWEU).
(2)  De douane-unie heeft de afgelopen vijftig jaar grote ontwikkelingen doorgemaakt en de douanediensten vervullen inmiddels een breed takenpakket aan de grenzen. Samen streven zij ernaar ethische en billijke handel te bevorderen en de administratieve rompslomp te beperken, ervoor te zorgen dat inkomsten voor de nationale begrotingen en de begroting van de Unie worden geïnd en de bevolking te helpen beschermen tegen terroristische dreigingen, gevaren voor de volksgezondheid en het milieu en andere risico's. Met name via de invoering van een gemeenschappelijk kader19 voor de beheersing van douanerisico's op het niveau van de Unie en via controles op grote kasstromen om het witwassen van geld en de financiering van terrorisme tegen te gaan, spelen douaneautoriteiten een toonaangevende rol in de strijd tegen terrorisme, georganiseerde criminaliteit en oneerlijke concurrentie. Gelet op hun ruime takenpakket, zijn de douaneautoriteiten thans de facto de belangrijkste autoriteiten bij de controle van goederen aan de buitengrenzen van de Unie. In dit verband bekeken mag het Douane-programma niet beperkt blijven tot douanesamenwerking, maar moet het ook de ruimere missie van de douane ondersteunen, zoals omschreven in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 952/2013, namelijk toezicht houden op het internationale handelsverkeer van de Unie en de uitvoering van de externe aspecten van de interne markt, van het gemeenschappelijk handelsbeleid en van ander gemeenschappelijk beleid van de Unie dat van invloed is op de handel en de algemene veiligheid van de toeleveringsketen. De rechtsgrondslag van deze verordening moet daarom betrekking hebben op douanesamenwerking (artikel 33 VWEU), de interne markt (artikel 114 VWEU) en handelsbeleid (artikel 207 VWEU).
__________________
__________________
19 https://ec.europa.eu/taxation_customs/general-information-customs/customs-risk-management/measures-customs-risk-management-framework-crmf_en
19 https://ec.europa.eu/taxation_customs/general-information-customs/customs-risk-management/measures-customs-risk-management-framework-crmf_en
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Door een actiekader te creëren dat tot doel heeft de douane-unie en de douaneautoriteiten te ondersteunen, moet het programma bijdragen aan de bescherming van de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten, de bescherming van de Unie tegen oneerlijke en illegale handel en de ondersteuning van de legale handel, de handhaving van de veiligheid van de Unie en haar inwoners, en de facilitering van de legale handel, zodat burgers en bedrijven alle mogelijkheden van de interne markt en de wereldwijde handel kunnen benutten.
(3)  Het programma moet, als algemene doelstelling, de lidstaten en de Commissie bijstaan door een actiekader te creëren dat erop gericht is de douane-unie en de douaneautoriteiten te ondersteunen met als langetermijndoelstelling dat alle douanediensten in de Unie zo nauw mogelijk samenwerken, bijdragen aan de bescherming van de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten, de Unie tegen oneerlijke en onrechtmatige handelspraktijken beschermen en tegelijkertijd legale handelsactiviteiten aanmoedigen, de veiligheid van de Unie en haar inwoners waarborgen en zo de consumentenbescherming verbeteren, en de legale handel faciliteren zodat burgers en bedrijven alle mogelijkheden van de interne markt en de wereldhandel kunnen benutten.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Aangezien duidelijk is geworden dat sommige van de in artikel 278 van het douanewetboek van de Unie bedoelde systemen op 31 december 2020 slechts gedeeltelijk kunnen zijn uitgerold, wat betekent dat er na die datum nog niet-elektronische systemen zullen worden gebruikt en dat, bij ontstentenis van wetswijzigingen ter verlenging van deze termijn, bedrijven en douaneautoriteiten niet in staat zullen zijn hun taken en wettelijke verplichtingen met betrekking tot douanewerkzaamheden te vervullen, moet een van de primaire specifieke doelstellingen van het programma het bijstaan van de lidstaten en de Commissie bij het opzetten van dergelijke elektronische systemen zijn.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 ter (nieuw)
(3 ter)  Douanebeheer en -controle is een dynamisch beleidsterrein dat wordt geconfronteerd met nieuwe uitdagingen die voortvloeien uit voortdurend veranderende bedrijfsmodellen en toeleveringsketens wereldwijd, alsook veranderende consumptiepatronen en digitalisering, zoals e-commerce, met inbegrip van het internet der dingen, gegevensanalyse, kunstmatige intelligentie en blockchaintechnologie. Het programma dient het douanebeheer in dergelijke situaties te ondersteunen en het gebruik van innovatieve oplossingen mogelijk te maken. Dergelijke uitdagingen benadrukken verder dat het nodig is om samenwerking tussen douaneautoriteiten af te dwingen en dat er behoefte is aan een uniforme interpretatie en tenuitvoerlegging van de douanewetgeving. Wanneer de overheidsfinanciën onder druk staan, neemt de wereldhandel toe en vormen fraude en smokkel een toenemende bron van zorg. Het programma moet bijdragen aan de aanpak van deze uitdagingen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 quater (nieuw)
(3 quater)  Om een maximale efficiëntie te verzekeren en overlappingen te voorkomen, dient de Commissie de tenuitvoerlegging van het programma te coördineren met programma's en fondsen van de Unie op hieraan gerelateerde gebieden, waaronder het Fiscalis-programma, het fraudebestrijdingsprogramma van de EU, het programma voor de interne markt, het Fonds voor interne veiligheid, het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, het steunprogramma voor hervormingen, het programma Digitaal Europa, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen en het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, alsook uitvoeringsbepalingen en -maatregelen.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 quinquies (nieuw)
(3 quinquies)  Wat het mogelijke vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie betreft, is in de begroting van het programma geen rekening gehouden met de kosten van de ondertekening van de terugtrekkingsovereenkomst en de mogelijke toekomstige betrekkingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie. De ondertekening van die overeenkomst, de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit alle bestaande douanesystemen en -samenwerking en het vervallen van zijn wettelijke verplichtingen op dit gebied kunnen tot aanvullende kosten leiden, die niet nauwkeurig kunnen worden geraamd op het moment waarop het programma wordt opgezet. De Commissie moet daarom overwegen voldoende middelen te reserveren ter voorbereiding op deze potentiële kosten. Deze kosten dienen echter niet te worden gedekt door de financiële middelen van het programma, aangezien de in het programma voorziene begroting slechts zal volstaan om de kosten te dekken die in werkelijkheid kunnen worden voorzien op het moment waarop het programma wordt opgezet.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Ter ondersteuning van het toetredings- en associatieproces van derde landen staat deelname aan het programma ook open voor toetredingslanden en kandidaat-lidstaten alsmede voor potentiële kandidaten en partnerlanden van het Europese nabuurschapsbeleid, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De deelname kan ook openstaan voor andere derde landen in overeenstemming met de voorwaarden die in specifieke overeenkomsten tussen de Unie en die landen zijn vastgesteld met betrekking tot hun deelname aan programma's van de Unie.
(5)  Ter ondersteuning van het toetredings- en associatieproces van derde landen staat deelname aan het programma ook open voor toetredingslanden en kandidaat-lidstaten alsmede voor potentiële kandidaten en partnerlanden van het Europese nabuurschapsbeleid, mits aan alle voorwaarden is voldaan. De deelname kan ook openstaan voor andere derde landen volgens de voorwaarden die in specifieke overeenkomsten tussen de Unie en de betrokken landen zijn opgenomen met betrekking tot hun deelname aan programma's van de Unie, wanneer die deelname in het belang van de Unie is en een positief effect op de interne markt heeft zonder afbreuk te doen aan de consumentenbescherming.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Verordening (EU, Euratom) [2018/XXX] van het Europees Parlement en de Raad21 (het "Financieel Reglement") is op dit Instrument van toepassing. Zij bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen en vergoeding van externe deskundigen.
(6)  Het programma dient onder Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad21 (hierna het "Financieel Reglement" genoemd) te vallen. In het Financieel Reglement zijn de regels vastgelegd voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen en vergoeding van externe deskundigen.
__________________
__________________
21 COM(2016)0605
21 Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  De acties die konden worden verricht in het kader van het Douane 2020-programma, dienen te worden behouden omdat zij hun waarde hebben bewezen. Om de uitvoering van het programma eenvoudiger en flexibeler te maken en zo de doelstellingen ervan beter te kunnen verwezenlijken, moeten de acties alleen worden gedefinieerd in de vorm van algemene categorieën, met een lijst van voorbeelden ter illustratie van concrete activiteiten. Door middel van samenwerking en capaciteitsopbouw moet het Douane-programma ook de benutting en hefboomwerking van innovatie bevorderen en ondersteunen om de kernprioriteiten van de douane nog beter te kunnen verwezenlijken.
(7)  De acties die konden worden verricht in het kader van het Douane 2020-programma en die hun waarde hebben bewezen, dienen daarom te worden behouden, terwijl andere acties die ongeschikt zijn gebleken, moeten worden beëindigd. Om de uitvoering van het programma nog eenvoudiger en flexibeler te maken en zo de doelstellingen ervan beter te kunnen verwezenlijken, moeten de acties alleen worden gedefinieerd in de vorm van algemene categorieën, met een lijst van voorbeelden ter illustratie van concrete activiteiten. Door middel van samenwerking en capaciteitsopbouw moet het programma ook de benutting en hefboomwerking van innovatie bevorderen en ondersteunen om de kernprioriteiten van de douane nog beter te kunnen verwezenlijken.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Bij Verordening [2018/XXX] is, als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, een Instrument voor douanecontroleapparatuur22 vastgesteld. Om de samenhang en de horizontale coördinatie van alle samenwerkingsacties in verband met douane en douanecontroleapparatuur te handhaven, is het dienstig al deze acties ten uitvoer te leggen onder één wetgevingshandeling en regelstelsel, namelijk deze verordening. Daarom mag met het Instrument voor douanecontroleapparatuur alleen steun worden verleend voor de aankoop, het onderhoud en de modernisering van in aanmerking komende apparatuur, terwijl met dit programma alle andere gerelateerde acties moeten worden ondersteund, zoals samenwerkingsactiviteiten voor de beoordeling van behoeften aan apparatuur of, in voorkomend geval, opleidingen met betrekking tot aangekochte apparatuur.
(8)  Bij Verordening [2018/XXX] is, als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, een Instrument voor douanecontroleapparatuur22 vastgesteld. Om de samenhang en de horizontale coördinatie van alle samenwerkingsacties in verband met douane en douanecontroleapparatuur te handhaven, is het dienstig al deze acties ten uitvoer te leggen onder één wetgevingshandeling en regelstelsel, waarbij die handeling en die regels deze verordening vormen. Daarom mag met het Instrument voor douanecontroleapparatuur alleen steun worden verleend voor de aankoop, het onderhoud en de modernisering van in aanmerking komende apparatuur, terwijl met dit programma alle andere gerelateerde acties moeten worden ondersteund, zoals samenwerkingsactiviteiten voor de beoordeling van behoeften aan apparatuur of, in voorkomend geval, opleidingen met betrekking tot aangekochte apparatuur.
_________________
_________________
22 Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur.
22 Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Gelet op het belang van de mondialisering moet het programma de mogelijkheid blijven bieden om een beroep te doen op externe deskundigen in de zin van artikel 238 van het Financieel Reglement. Deze externe deskundigen moeten in hoofdzaak vertegenwoordigers van overheidsinstanties, ook van niet-geassocieerde derde landen, en vertegenwoordigers van internationale organisaties, marktdeelnemers of de civil society zijn.
(10)  Gelet op het belang van de mondialisering moet het programma de mogelijkheid blijven bieden om een beroep te doen op externe deskundigen in de zin van artikel 238 van het Financieel Reglement. Deze externe deskundigen moeten in hoofdzaak vertegenwoordigers van overheidsinstanties, ook van niet-geassocieerde derde landen, en academici, vertegenwoordigers van internationale organisaties, marktdeelnemers of de civil society zijn.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  In overeenstemming met haar streven naar samenhang en vereenvoudiging van financieringsprogramma's, dat de Commissie in haar mededeling "De evaluatie van de EU-begroting23" van 19 oktober 2010 verwoord heeft, moeten de middelen worden gedeeld met andere financieringsinstrumenten van de Unie wanneer de beoogde acties in het kader van het programma doelstellingen nastreven die verschillende financieringsinstrumenten gemeen hebben, zonder dat deze activiteiten evenwel dubbel kunnen worden gefinancierd. Bij de in het kader van dit programma opgezette acties moet ervoor zorg worden gedragen dat de middelen van de Unie ter ondersteuning van de douane-unie en de douaneautoriteiten op samenhangende wijze worden gebruikt.
(11)  In overeenstemming met haar streven naar samenhang en vereenvoudiging van financieringsprogramma's, dat de Commissie in haar mededeling "De evaluatie van de EU-begroting"23 van 19 oktober 2010 verwoord heeft, moeten de middelen worden gedeeld met andere financieringsinstrumenten van de Unie wanneer de beoogde acties in het kader van het programma doelstellingen nastreven die verschillende financieringsinstrumenten gemeen hebben, rekening houdend met het feit dat het aan dit programma toegewezen bedrag is berekend zonder eventuele onvoorziene uitgaven in aanmerking te nemen, zonder dat deze activiteiten evenwel dubbel kunnen worden gefinancierd. Bij de in het kader van dit programma opgezette acties moet er zorg voor worden gedragen dat de middelen van de Unie ter ondersteuning van de douane-unie en de douaneautoriteiten op samenhangende wijze worden gebruikt.
__________________
__________________
23 COM(2010)0700
23 COM(2010)0700
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)   De aankoop van software die nodig is om strenge grenscontroles uit te voeren, moet in aanmerking komen voor financiering uit het programma. Voorts moet de aankoop van software die in alle lidstaten kan worden gebruikt worden gestimuleerd om de uitwisseling van gegevens te faciliteren.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Het grootste deel van de begroting van het programma zal worden besteed aan acties ten behoeve van capaciteitsopbouw op het gebied van informatietechnologie (IT). In specifieke bepalingen moeten respectievelijk de gemeenschappelijke en de nationale componenten van de Europese elektronische systemen worden beschreven. Voorts moeten de reikwijdte van de acties en de verantwoordelijkheden van de Commissie en van de lidstaten duidelijk worden omschreven.
(12)  Een groter deel van de begroting van het programma zal worden besteed aan acties ten behoeve van capaciteitsopbouw op het gebied van informatietechnologie (IT). In specifieke bepalingen moeten respectievelijk de gemeenschappelijke en de nationale componenten van de Europese elektronische systemen worden beschreven. Voorts moeten de reikwijdte van de acties en de verantwoordelijkheden van de Commissie en van de lidstaten duidelijk worden omschreven. Teneinde de samenhang en coördinatie van acties ten behoeve van IT-capaciteitsopbouw te waarborgen, moet in het programma worden voorzien dat de Commissie een strategisch meerjarenplan voor douane ("MASP-C") ontwikkelt en bijwerkt, dat tot doel heeft een elektronische omgeving te creëren die de consistentie en interoperabiliteit van de douanesystemen in de Unie waarborgt.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  In overeenstemming met de bevindingen die zijn vervat in de twee speciale verslagen die recentelijk door de Europese Rekenkamer zijn vastgesteld op het gebied van douane, namelijk speciaal verslag nr. 19/2017 van 5 december 2017 getiteld "Invoerprocedures: tekortkomingen in het rechtskader en een ondoeltreffende uitvoering zijn van invloed op de financiële belangen van de EU" en speciaal verslag nr. 26/2018 van 10 oktober 2018 getiteld "Een reeks vertragingen bij de IT-douanesystemen: wat ging er mis?" moeten de acties die binnen het Douane-programma voor samenwerking op het gebied van douane worden ondernomen gericht zijn op het aanpakken van de vastgestelde tekortkomingen.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 ter (nieuw)
(14 ter)  Op 4 oktober 2018 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen over de bestrijding van douanefraude en bescherming van de eigen middelen van de Unie. Met de conclusies in die resolutie moet rekening worden gehouden bij de acties die in het kader van het programma ten uitvoer worden gelegd.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening dienen te worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten te behalen, met name rekening houdend met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, forfaitaire percentages en eenheidskosten in overweging worden genomen, alsook financiering die niet gekoppeld is aan kosten zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.
(20)  De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening dienen te worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en de beste resultaten te behalen, met name rekening houdend met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, forfaitaire percentages en eenheidskosten in overweging worden genomen, alsook financiering die niet gekoppeld is aan kosten zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1
1.  De algemene doelstelling van het programma bestaat erin de douane-unie en de douaneautoriteiten te ondersteunen bij hun taak om de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten te beschermen, de veiligheid in de Unie te waarborgen, de Unie tegen oneerlijke en illegale handel te beschermen en de legale handel te ondersteunen.
1.  Om de langetermijndoelstelling te bereiken dat alle douanediensten in de Unie zo nauw mogelijk samenwerken, en om de veiligheid van de lidstaten te waarborgen en de Unie tegen fraude, oneerlijke en onrechtmatige handelspraktijken te beschermen en tegelijkertijd legale handelsactiviteiten en een hoog niveau van consumentenbescherming te bevorderen, bestaat de algemene doelstelling van het programma erin de douane-unie en de douaneautoriteiten te ondersteunen bij hun taak om de financiële en economische belangen van de Unie en haar lidstaten te beschermen.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2
2.  De specifieke doelstelling van het programma bestaat erin de opstelling en uniforme tenuitvoerlegging van douanewetgeving en -beleid te ondersteunen, alsook douanesamenwerking en bestuurlijke capaciteitsopbouw, daaronder begrepen competentieontwikkeling en ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen.
2.  De specifieke doelstellingen van het programma zijn:
(1)   het ondersteunen van de opstelling en uniforme tenuitvoerlegging van douanewetgeving en -beleid en douanesamenwerking;
(2)  het ondersteunen van IT-capaciteitsopbouw, die bestaat in het ontwikkelen, onderhouden en exploiteren van de in artikel 278 van het douanewetboek van de Unie bedoelde elektronische systemen en het mogelijk maken van een soepele overgang naar een papierloze omgeving en handel, in overeenstemming met artikel 12 van deze verordening;
(3)  het financieren van gezamenlijke acties, die bestaan in samenwerkingsmechanismen waardoor functionarissen in staat worden gesteld om gezamenlijke operationele activiteiten uit te voeren in het kader van hun kerntaken, ervaring uit te wisselen op het gebied van douane en hun krachten te bundelen om het douanebeleid uit te voeren;
(4)  het versterken van de competentieontwikkeling, door de beroepsvaardigheden van douanebeambten te ondersteunen en hen in staat te stellen hun taak op uniforme wijze te vervullen;
(5)  het ondersteunen van innovatie op het gebied van douanebeleid.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Het programma moet aansluiten bij en gebruikmaken van synergie-effecten met andere actieprogramma's en fondsen van de EU met vergelijkbare doelstellingen op hieraan gerelateerde gebieden.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  De tenuitvoerlegging van het programma moet voldoen aan de beginselen van transparantie, evenredigheid, gelijke behandeling en non-discriminatie.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 quater (nieuw)
2 quater.  In het kader van het programma worden ook de voortdurende evaluatie van en het toezicht op de samenwerking tussen douaneautoriteiten ondersteund, teneinde zwakke punten en mogelijke verbeteringen vast te stellen.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 950 000 000 EUR in lopende prijzen.
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 842 844 000 EUR in prijzen van 2018 (950 000 000 EUR in lopende prijzen).
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2
2.  Het in lid 1 bedoelde bedrag kan ook uitgaven dekken voor werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, toezicht, controle, audit en evaluatie alsmede andere werkzaamheden voor het beheer van het programma en de beoordeling van de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Het kan bovendien uitgaven dekken met betrekking tot studies, vergaderingen van deskundigen, informatie- en communicatieacties, voor zover zij verband houden met de doelstellingen van het programma, alsmede uitgaven in verband met informatietechnologienetwerken voor informatieverwerking en -uitwisseling, daaronder begrepen institutionele informatietechnologie-instrumenten, en andere uitgaven voor technische en administratieve bijstand die nodig is voor het beheer van het programma.
2.  Indien dit noodzakelijk en naar behoren gemotiveerd is, kan het in lid 1 bedoelde bedrag ook uitgaven dekken voor werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, toezicht, controle, audit en evaluatie alsmede andere werkzaamheden voor het beheer van het programma en de beoordeling van de prestaties en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Het kan bovendien uitgaven dekken met betrekking tot studies, vergaderingen van deskundigen, informatie- en communicatieacties van de Commissie gericht aan de lidstaten en aan marktdeelnemers, voor zover zij verband houden met de doelstellingen van het programma, alsmede uitgaven in verband met informatietechnologienetwerken voor informatieverwerking en -uitwisseling, daaronder begrepen institutionele informatietechnologie-instrumenten, en andere uitgaven voor technische en administratieve bijstand die nodig is voor het beheer van het programma, in die mate dat dergelijke activiteiten noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Het programma mag niet worden gebruikt om kosten te dekken die verband houden met het mogelijke vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie. De Commissie reserveert bij haar eigen beoordeling middelen om de kosten te dekken die verband houden met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit alle douanesystemen en -samenwerking van de Unie en het vervallen van zijn wettelijke verplichtingen op dit gebied.
Alvorens deze middelen te reserveren, maakt de Commissie een raming van de potentiële kosten en stelt zij het Europees Parlement op de hoogte zodra de voor die raming relevante gegevens beschikbaar zijn.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter c – inleidende formule
c)  andere derde landen in overeenstemming met de voorwaarden die in een specifieke overeenkomst met betrekking tot de deelname van het derde land aan een programma van de Unie zijn vastgesteld, mits die overeenkomst:
c)  andere derde landen volgens de voorwaarden die in een specifieke overeenkomst inzake de deelname van een derde land aan een programma van de Unie zijn vastgesteld, mits die overeenkomst:
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter c – streepje 2
–  de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan individuele programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen vormen bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5,] van Verordening [2018/XXX] [het nieuwe Financieel Reglement];
–  de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan individuele programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen vormen bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement;
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
2.  Acties ter aanvulling op of ondersteuning van de acties waarmee de in artikel 3 van Verordening (EU) [2018/XXX] [Instrument voor douanecontroleapparatuur] bedoelde doelstellingen ten uitvoer worden gelegd, komen ook in aanmerking voor financiering.
2.  Acties ter aanvulling op of ondersteuning van de acties waarmee de in artikel 3 van Verordening (EU) [2018/XXX] [Instrument voor douanecontroleapparatuur] bedoelde doelstellingen ten uitvoer worden gelegd en/of ter aanvulling op of ondersteuning van de acties waarmee de in artikel 2 van Verordening (EU) [2018/XXX] [Fraudebestrijdingsprogramma] bedoelde doelstellingen ten uitvoer worden gelegd, komen ook in aanmerking voor financiering.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3 – alinea 1 – letter b
b)  projectgebaseerde gestructureerde samenwerking;
b)  projectgebaseerde gestructureerde samenwerking, zoals gezamenlijke IT-ontwikkeling door een groep lidstaten;
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3 – alinea 1 – letter d
d)  acties ten behoeve van competentieontwikkeling en capaciteitsopbouw;
d)  acties ten behoeve van competentieontwikkeling en capaciteitsopbouw, met inbegrip van opleiding en de uitwisseling van beste praktijken;
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3 – alinea 1 – letter e – punt 3 bis (nieuw)
(3 bis)   toezichtactiviteiten; 
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 4
4.  Acties bestaande in de ontwikkeling en exploitatie van aanpassingen of uitbreidingen van de gemeenschappelijke componenten van de Europese elektronische systemen met het oog op samenwerking met derde landen die niet met het programma geassocieerd zijn, of internationale organisaties komen in aanmerking voor financiering wanneer zij van belang zijn voor de Unie. De Commissie treft de nodige administratieve regelingen, die kunnen voorzien in een financiële bijdrage van de betrokken derde partijen aan deze acties.
4.  Acties bestaande in de ontwikkeling, de uitrol, het onderhoud en de exploitatie van aanpassingen of uitbreidingen van de gemeenschappelijke componenten van de Europese elektronische systemen met het oog op samenwerking met derde landen die niet met het programma geassocieerd zijn, of internationale organisaties komen in aanmerking voor financiering wanneer zij van belang zijn voor de Unie. De Commissie treft de nodige administratieve regelingen, die kunnen voorzien in een financiële bijdrage van de betrokken derde partijen aan deze acties.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1
1.  Wanneer dit ten goede komt van de verwezenlijking van de acties waarmee de in artikel 3 genoemde doelstellingen ten uitvoer worden gelegd, kunnen vertegenwoordigers van overheidsinstanties, ook van derde landen die niet met het programma geassocieerd zijn overeenkomstig artikel 5, vertegenwoordigers van internationale en andere relevante organisaties, van marktdeelnemers en organisaties die marktdeelnemers vertegenwoordigers, en van de civil society als externe deskundigen deelnemen aan acties die in het kader van het programma worden opgezet.
1.  Wanneer dit ten goede komt van de verwezenlijking van de acties waarmee de in artikel 3 genoemde doelstellingen ten uitvoer worden gelegd, kunnen vertegenwoordigers van overheidsinstanties, ook van derde landen die niet met het programma geassocieerd zijn overeenkomstig artikel 5, academici en vertegenwoordigers van internationale en andere relevante organisaties, van marktdeelnemers en organisaties die marktdeelnemers vertegenwoordigen, en van de civil society als externe deskundigen deelnemen aan acties die in het kader van het programma worden opgezet.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3
3.  De externe deskundigen worden door de Commissie geselecteerd op basis van hun vaardigheden, ervaring en kennis met betrekking tot de specifieke actie, waarbij mogelijke belangenconflicten worden vermeden.
3.  De externe deskundigen worden door de Commissie geselecteerd op basis van hun bekwaamheid, ervaring met betrekking tot de toepassing van deze verordening en relevante kennis van de specifieke actie die wordt uitgevoerd, waarbij mogelijke belangenconflicten worden vermeden. Bij de selectie moet een evenwicht worden gevonden tussen vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en andere deskundigen uit het maatschappelijk middenveld en moet rekening worden gehouden met het beginsel van gendergelijkheid. De lijst van externe deskundigen wordt regelmatig bijgewerkt en openbaar gemaakt.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.  Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement.
1.  Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement, en meer bepaald met de beginselen van goed financieel beheer, transparantie, evenredigheid, non-discriminatie en gelijke behandeling.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1
1.  In afwijking van artikel 190 van het Financieel Reglement kan het programma tot 100 % van de subsidiabele kosten van een actie financieren.
1.  In afwijking van artikel 190 van het Financieel Reglement kan het programma tot 100 % van de subsidiabele kosten van een actie financieren naargelang van de relevantie van de actie en de geraamde effecten.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1
1.  De Commissie en de lidstaten dragen samen zorg voor de ontwikkeling en de exploitatie, daaronder begrepen ontwerp, specificatie, conformiteitsbeoordeling, uitrol, onderhoud, ontwikkeling, beveiliging, kwaliteitsborging en kwaliteitsbewaking, van de Europese elektronische systemen die in het in artikel 12 genoemde strategische meerjarenplan voor de douane zijn opgenomen.
1.  De Commissie en de lidstaten dragen samen zorg voor de ontwikkeling en de exploitatie van de Europese elektronische systemen die in het in artikel 12 genoemde strategische meerjarenplan voor de douane zijn opgenomen, met inbegrip van het ontwerp, de specificatie, de conformiteitsbeoordeling, de uitrol, het onderhoud, de ontwikkeling, de modernisering, de beveiliging, de kwaliteitsborging en de kwaliteitsbewaking ervan.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2 – letter b
b)  de algehele coördinatie van de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen met het oog op de werking, interconnectiviteit en voortdurende verbetering alsook de synchrone implementatie ervan;
b)  de algehele coördinatie van de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen met het oog op de werking, cyberweerbaarheid, interconnectiviteit en voortdurende verbetering alsook de synchrone implementatie ervan;
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2 – letter e bis (nieuw)
e bis)   efficiënte en snelle communicatie met en tussen de lidstaten, met het oog op de stroomlijning van de governance van de elektronische systemen van de Unie;
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2 – letter e ter (nieuw)
e ter)   tijdige en transparante communicatie met de belanghebbenden die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging van IT-systemen op het niveau van de Unie en de lidstaten, met name over vertragingen bij de tenuitvoerlegging van en de uitgaven in verband met nationale en Unie-componenten. 
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 3 – letter d
d)  de regelmatige verstrekking van informatie aan de Commissie over de maatregelen die zij hebben genomen om hun respectieve autoriteiten of marktdeelnemers in staat te stellen ten volle gebruik te maken van de Europese elektronische systemen;
d)  de regelmatige verstrekking van informatie aan de Commissie over de maatregelen die zij hebben genomen om de betrokken autoriteiten of marktdeelnemers in staat te stellen ten volle en doeltreffend gebruik te maken van de Europese elektronische systemen;
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1 – inleidende formule
1.  De Commissie stelt een strategisch meerjarenplan voor douane op en werkt dit regelmatig bij; het plan bevat een lijst van alle taken die van belang zijn voor de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen, waarbij elk systeem, of onderdeel ervan, is ingedeeld als:
1.  De Commissie stelt een strategisch meerjarenplan op het gebied van douane op en werkt dit bij; het plan bevat een lijst van alle taken die van belang zijn voor de ontwikkeling en exploitatie van Europese elektronische systemen, waarbij elk systeem, of onderdeel van een systeem, is ingedeeld als:
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1 – letter a
a)   een gemeenschappelijke component: een component van de Europese elektronische systemen die op Unieniveau ontwikkeld is en voor alle lidstaten beschikbaar is, dan wel door de Commissie als gemeenschappelijk is aangemerkt om redenen van efficiency, veiligheid en rationalisering;
a)  een gemeenschappelijke component: een component van de Europese elektronische systemen die op Unieniveau ontwikkeld is en voor alle lidstaten beschikbaar is, dan wel door de Commissie als gemeenschappelijk is aangemerkt om redenen van efficiency, veiligheid, rationalisering en betrouwbaarheid;
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1 – letter b
b)  een nationale component: een component van de Europese elektronische systemen die op nationaal niveau ontwikkeld is en beschikbaar is in de lidstaat die hem heeft gecreëerd of daaraan heeft bijgedragen;
b)  een nationale component: een component van de Europese elektronische systemen die op nationaal niveau ontwikkeld is en beschikbaar is in de lidstaat die hem heeft gecreëerd of daaraan heeft bijgedragen, bijvoorbeeld als onderdeel van een gezamenlijk IT-ontwikkelingsproject van een groep lidstaten;
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3
3.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de voltooiing van elke taak die hen in het kader van het in lid 1 bedoelde strategische meerjarenplan voor douane is toevertrouwd. Zij brengen ook regelmatig verslag uit bij de Commissie over de vorderingen die zij met hun taken maken.
3.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de voltooiing van elke taak die hen in het kader van het in lid 1 bedoelde strategische meerjarenplan voor douane is toevertrouwd. Zij brengen ook regelmatig verslag uit bij de Commissie over de vorderingen die zij met hun taken maken en, in voorkomend geval, over te voorziene vertragingen bij de tenuitvoerlegging ervan.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 5
5.  De Commissie stelt uiterlijk op 31 oktober op basis van de in lid 4 bedoelde jaarlijkse verslagen een geconsolideerd verslag op met een evaluatie van de door de lidstaten en de Commissie gemaakte vorderingen bij de uitvoering van het in lid 1 bedoelde plan, en zij maakt dat verslag bekend.
5.  De Commissie stelt uiterlijk op 31 oktober op basis van de in lid 4 bedoelde jaarlijkse verslagen een geconsolideerd verslag op met een evaluatie van de door de lidstaten en de Commissie gemaakte vorderingen bij de uitvoering van het in lid 1 bedoelde plan, met inbegrip van informatie over noodzakelijke aanpassingen of vertragingen van het plan, en zij maakt dat verslag bekend.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1
1.  Het programma wordt uitgevoerd door middel van meerjarige werkprogramma's als bedoeld in artikel 108 van het Financieel Reglement.
1.  Het programma wordt uitgevoerd door middel van meerjarige werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. De meerjarige werkprogramma's bevatten in het bijzonder de te verwezenlijken doelstellingen, de verwachte resultaten, de wijze van tenuitvoerlegging en het totale bedrag van de beschikbare financiering. Zij bevatten ook een gedetailleerde omschrijving van de te financieren acties, een indicatie van het voor elke actie toegewezen bedrag en een indicatief tijdschema voor de uitvoering ervan. De meerjarige werkprogramma’s worden in voorkomend geval meegedeeld aan het Europees Parlement.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2
2.  De meerjarige werkprogramma's worden door de Commissie vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.
2.  De meerjarige werkprogramma's worden door de Commissie vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen, en worden aan het Europees Parlement en de Raad meegedeeld. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De meerjarige werkprogramma's moeten voortbouwen op ervaring die is opgedaan tijdens eerdere programma's.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1
1.  Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage 2.
1.  Overeenkomstig haar rapportageverplichting op grond van artikel 41, lid 3, onder h), van het Financieel Reglement legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad informatie over de prestaties van het programma voor. De rapportage over de prestaties bevat informatie over zowel de voortgang als de tekortkomingen.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2
2.  Om te garanderen dat de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de doelstellingen ervan doeltreffend wordt beoordeeld, is de Commissie bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 17 om bijlage 2 te wijzigen teneinde zo nodig de indicatoren te herzien of te vervolledigen, en om deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de opstelling van een toezichts- en evaluatiekader.
2.  Indicatoren voor de rapportage over de prestaties van het programma bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde specifieke doelstellingen zijn uiteengezet in bijlage 2. Om te garanderen dat de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de doelstellingen ervan doeltreffend wordt beoordeeld, is de Commissie bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 17 om bijlage 2 te wijzigen teneinde zo nodig de indicatoren te herzien of te vervolledigen, en om deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de opstelling van een toezichts- en evaluatiekader teneinde aan het Europees Parlement en de Raad geactualiseerde kwalitatieve en kwantitatieve informatie te verstrekken over de prestaties van het programma.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 3
3.  Het prestatierapportagesysteem waarborgt dat de gegevens voor het toezicht op de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Te dien einde moeten evenredige rapportagevereisten worden opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie.
3.  Het prestatierapportagesysteem waarborgt dat de gegevens voor het toezicht op de uitvoering en de resultaten van het programma vergelijkbaar en volledig zijn en op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Te dien einde moeten evenredige en relevante rapportagevereisten worden opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie. De Commissie verstrekt het Europees Parlement en de Raad betrouwbare informatie over de kwaliteit van de gebruikte prestatiegegevens.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2
2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt verricht zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.
2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering ervan beschikbaar is, doch uiterlijk drie jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De tussentijdse evaluatie omvat de bevindingen die nodig zijn om een besluit te nemen over een vervolg op het programma na 2027 en de doelstellingen daarvan.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 3
3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, verricht de Commissie een eindevaluatie van het programma.
3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk drie jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, verricht de Commissie een eindevaluatie van het programma.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 4
4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
4.  De Commissie stelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen en opgedane ervaringen voor en deelt ze mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – alinea 1
Indien een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of een ander rechtsinstrument, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken te verrichten, waaronder controles en verificaties ter plaatse als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).
Indien een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of een ander rechtsinstrument, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), de Europese Rekenkamer en het Europees Openbaar Ministerie (EOM), zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF en het EOM omvatten deze rechten het recht om onderzoeken te verrichten, waaronder controles en verificaties ter plaatse als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad1 bis en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad1 ter.
__________________
1 bis Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
1 ter Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 1
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven maximale zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 2
2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen.
2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma voor de acties die uit hoofde van het programma zijn gefinancierd en de resultaten die met die acties zijn bereikt. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 omschreven doelstellingen.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0464/2018).


Wijziging van de statuten van de Europese Investeringsbank *
PDF 110kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2019 over het voorstel van besluit van de Raad tot wijziging van de statuten van de Europese Investeringsbank (13166/2018 – C8-0464/2018 – 2018/0811(CNS))
P8_TA(2019)0009A8-0476/2018

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Europese Investeringsbank aan de Raad tot wijziging van de statuten van de Europese Investeringsbank (13166/2018),

–  gezien artikel 308 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0464/2018),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0476/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het voorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, aan de Commissie, aan de Europese Investeringsbank, alsmede aan de nationale parlementen.


Gendermainstreaming in het Europees Parlement
PDF 174kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2019 over gendermainstreaming in het Europees Parlement (2018/2162(INI))
P8_TA(2019)0010A8-0429/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VUE), waarin het beginsel van gendergelijkheid als een kernwaarde van de Unie is vastgelegd,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name de artikelen 8 en 19 daarvan,

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat specifieke bepalingen over gendergelijkheid als horizontaal beginsel bevat, en artikel 6 VEU dat bepaalt dat het Handvest dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 1979,

–  gezien het Verdrag van Istanbul van 11 mei 2011 inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2016 over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen(1),

–  gezien de verklaring en het actieplatform van Peking, die op 15 september 1995 zijn goedgekeurd op de vierde Wereldvrouwenconferentie, de latere slotdocumenten die zijn aangenomen op de speciale bijeenkomsten van de Verenigde Naties Peking +5 (2000), Peking +10 (2005) en Peking +15 (2010), en het slotdocument van de toetsingsconferentie Peking +20,

–  gezien zijn resoluties van 10 februari 2010 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2009(2), van 8 maart 2011 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2010(3), van 13 maart 2012 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2011(4), van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(5) en van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2014-2015(6),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2003 over gendermainstreaming in het Europees Parlement(7),

–  gezien zijn resolutie van 18 januari 2007 over de geïntegreerde benadering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de werkzaamheden van de commissies(8),

–  gezien zijn resolutie van 22 april 2009 over de geïntegreerde benadering van gendergelijkheid in het kader van de werkzaamheden van de commissies en delegaties(9),

–  gezien zijn resolutie van 7 mei 2009 over gendermainstreaming in de externe betrekkingen van de EU en haar vredesopbouw/natievorming(10),

–  gezien zijn resolutie van dinsdag 13 maart 2012 over vrouwen in de politieke besluitvorming – kwaliteit en gelijkheid(11),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(12),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 over de nieuwe strategie voor gendergelijkheid en vrouwenrechten in Europa na 2015(13),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2016 over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement(14),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU(15),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2018 over maatregelen ter voorkoming en bestrijding van pesterijen en seksuele intimidatie op het werk, in de openbare ruimte en in het politieke leven in de EU(16),

–  gezien het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, als vastgelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad(17), en met name de artikelen 1, onder c) en d) daarvan,

–  gezien Verordening nr. 31 (EEG), 11 (EGA), tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (en de wijzigingen daarop en correcties daarvan), en met name de artikelen 1, onder c) en d) daarvan(18),

–  gezien de brochure over vrouwen in het Europees Parlement van 2018,

–  gezien het jaarverslag van de personeelsdienst van het Europees Parlement van 2017, gepubliceerd in augustus 2018,

–  gezien de richtsnoeren voor genderneutraal taalgebruik in het Europees Parlement,

–  gezien het verslag van Dimitrios Papadimoulis, ondervoorzitter van het Europees Parlement en voorzitter van de groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit, aan het Bureau van het Europees Parlement getiteld "Gendergelijkheid in het secretariaat-generaal van het Europees Parlement – stand van zaken en volgende stappen 2017-2019", dat tijdens de vergadering van het Bureau op 16 januari 2017 is vastgesteld,

–  gezien het stappenplan 2017-2019 voor de uitvoering van het verslag getiteld "Gendergelijkheid in het secretariaat-generaal van het Europees Parlement – stand van zaken en volgende stappen 2017-2019",

–  gezien het actieplan ter bevordering van gendergelijkheid en diversiteit in het secretariaat-generaal van het Europees Parlement voor de periode 2014-2019,

–  gezien het mandaat van de groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit,

–  gezien zijn richtsnoeren inzake gelijkheid voor leden/recruiters van jury's,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 juli 2017, getiteld "A better workplace for all: from equal opportunities towards diversity and inclusion" (Een betere werkplek voor iedereen: van gelijke kansen naar diversiteit en integratie) (C(2017)5300)(19) en haar handvest voor diversiteit en inclusie(20),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 over strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 (SWD(2015)0278)(21),

–  gezien de Strategie voor gendergelijkheid 2018-2023 van de Raad van Europa(22),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 19 november 2013 over gendermainstreaming, dat als bijlage is gevoegd is bij de wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het ontwerp van verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(23),

–  gezien het verslag van 2011 van de Interparlementaire Unie getiteld "Gender-sensitive Parliaments: A Global Review for Good Practice", gepubliceerd in 2011,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0429/2018),

A.  overwegende dat het beginsel van gendergelijkheid een kernwaarde van de EU vormt dat in de EU-Verdragen en in het Handvest van de grondrechten is verankerd; overwegende dat in artikel 8 VWEU is bepaald dat de Europese Unie bij elk optreden, bij het bepalen en uitvoeren van haar beleid en activiteiten, ernaar streeft ongelijkheden op te heffen, gendergelijkheid te bevorderen en discriminatie te bestrijden;

B.  overwegende dat gendergelijkheid, in het algemeen, van wezenlijk belang is voor de bescherming van de mensenrechten, voor de werking van de democratie, voor de eerbiediging van de rechtsstaat en voor economische groei, sociale inclusie en duurzaamheid, en dat de genderdimensie relevant is voor alle beleidsgebieden die onder de bevoegdheid van de EU vallen;

C.  overwegende dat het recht op gelijkheid en de garantie van non-discriminatie elementaire beginselen die ten grondslag liggen aan gendermainstreaming; overwegende dat gendermainstreaming inhoudt dat rekening wordt gehouden met de rechten, de opvattingen en het welzijn van vrouwen, meisjes, LGBTIQ's en personen met welke genderidentiteit dan ook;

D.  overwegende dat de voortgang bij het bereiken van gendergelijkheid in de Unie als geheel stagneert, en dat in enkele lidstaten zelfs een aanmerkelijke achteruitgang kan worden waargenomen;

E.  overwegende dat in het Verdrag van Istanbul wordt benadrukt dat het belangrijk is een mentaliteits- en gedragsverandering teweeg te brengen om uit het continuüm van alle vormen van gendergerelateerd geweld te geraken; overwegende dat er in dit opzicht derhalve op alle niveaus en voor alle leeftijden moet worden voorzien in onderwijs over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen, niet-stereotiepe genderrollen en de eerbiediging van de persoonlijke integriteit;

F.  overwegende dat onvoldoende middelen en personeel worden toegewezen om een reële vooruitgang in de gendermainstreaming in het beleid en de programma's, initiatieven en acties van de Unie te waarborgen;

G.  overwegende dat de bevolking van de Europese Unie voor de helft uit vrouwen en de voor helft uit mannen bestaat, maar dat in het Europees Parlement vrouwen sterk zijn ondervertegenwoordigd, omdat slechts 36,1 % van zijn leden vrouw is; overwegende dat deze onevenwichtigheid verder wordt benadrukt door de samenstelling van het Bureau van het Europees Parlement, dat uit zeven vrouwen en dertien mannen bestaat; overwegende dat een evenwichtige gendervertegenwoordiging en diversiteit in het Parlement bijdragen aan het afbreken van stereotypes, discriminatie verminderen, en de mate van democratische vertegenwoordiging van EU-burgers en de legitimiteit van de besluiten van het Parlement vergroten;

H.  overwegende dat van de nieuw benoemde leden van het hogere management van het Parlement (directeuren-generaal en directeuren) in 2016 maar 11 % vrouw was, en 33 % in 2017;

I.  overwegende dat met duurzameontwikkelingsdoelstelling 5 (SDG 5), een transversale doelstelling voor alle 17 dimensies, wordt beoogd om tegen 2030 gendergelijkheid en empowerment voor alle vrouwen en meisjes te verwezenlijken; overwegende dat gendermainstreaming een instrument is voor doeltreffende, blijvende en duurzame ontwikkelingssamenwerking met positieve gevolgen voor de verwezenlijking van het doel om de armoede terug te dringen; overwegende dat er echter in veel landen van de wereld slechts zeer trage vooruitgang wordt geboekt op het gebied van gendergelijkheid en dat de veranderingen op dit gebied minimaal zijn(24), ook in Europa; overwegende dat de inspanningen om SDG 5 te verwezenlijken in de EU-context wisselende resultaten heeft opgeleverd binnen en tussen de lidstaten en dat het aandeel vrouwen in nationale parlementen en in besluitvormingsfuncties nog altijd ver van pariteit verwijderd is(25);

J.  overwegende dat gendereffectbeoordelingen noodzakelijk zijn om te beoordelen en vast te stellen hoe waarschijnlijk het is dat een bepaalde beslissing negatieve gevolgen heeft voor de gendergelijkheidssituatie; overwegende dat het daarom essentieel is om begrotingen vanuit een genderperspectief te bekijken, teneinde informatie te verstrekken over de verschillende effecten die de toewijzing en verdeling van begrotingsmiddelen kunnen hebben op gendergelijkheid en de transparantie en verantwoordingsplicht te vergroten;

K.  overwegende dat gendermainstreaming wordt beschouwd als een effectieve en wereldwijd geaccepteerde strategie om gendergelijkheid te bereiken en discriminatie te bestrijden door beleidsprocessen zodanig te organiseren, te verbeteren, te ontwikkelen en te evalueren dat het gendergelijkheidsperspectief door de beleidsmakers wordt geïntegreerd in al het beleid, alle regelgevende maatregelen en alle uitgavenprogramma's, en op alle niveaus en in alle stadia van de beleidsvorming; overwegende dat gendermainstreaming een belangrijk instrument is voor het bevorderen van gendergelijkheid, gelijke rechten en een genderevenwichtige vertegenwoordiging op verschillende administratieve, politieke, sociale en economische niveaus en bij de besluitvorming, door de verschillende omstandigheden, situaties en behoeften van eenieder in het beleid en acties in aanmerking te nemen;

L.  overwegende dat de interinstitutionele samenwerking tussen het Parlement, de Raad en de Commissie op het gebied van gendermainstreaming moet worden verbeterd, om ervoor te zorgen dat genderperspectieven in alle fasen van de begroting, beleidsvorming, programma's en initiatieven kunnen worden geïntegreerd en de gendermainstreaming bij de werkzaamheden van het Parlement wordt ondersteund;

M.  overwegende dat de amendementen inzake gendermainstreaming van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid die ter goedkeuring aan andere commissies worden voorgelegd een doeltreffend instrument zijn om ervoor te zorgen dat gendergelijkheid naar behoren wordt meegewogen in de verslagen en resoluties van het Europees Parlement;

N.  overwegende dat genderbewust budgetteren, in de vorm van planning en programmering, bijdraagt aan de bevordering van gendergelijkheid en de verwezenlijking van de rechten van vrouwen, en tot de belangrijkste door beleidsmakers gebruikte instrumenten behoren om gendergelijkheid te verwezenlijken, maar niettemin door geen enkele EU-instelling stelselmatig wordt toegepast;

O.  overwegende dat volgens de laatste beschikbare gegevens(26) vrouwen 59 % van het personeel van het Parlement uitmaken, maar nog steeds in alle geledingen van het management ondervertegenwoordigd zijn; overwegende dat het aantal vrouwen in hogere managementfuncties sinds juni 2017 zelfs is afgenomen en het aantal vrouwen in hogere middenmanagementfuncties slechts licht is toegenomen;

P.  overwegende dat in het verslag van 2017 over gendergelijkheid door Dimitrios Papadimoulis, ondervoorzitter van het Parlement, drie doelstellingen voor de vertegenwoordiging van vrouwen in het middenkader en hoger management heeft vastgesteld die tegen 2019 moeten worden bereikt: 30 % op het niveau van directeur-generaal, 35 % op het niveau van directeur en 40 % op het niveau van afdelingshoofd; overwegende dat in de volgende routekaart wordt geschetst hoe deze doelen kunnen worden bereikt;

Q.  overwegende dat ter bevordering van gendermainstreaming in de werkzaamheden van de commissies en delegaties van het Parlement in elke commissie en in de Conferentie van delegatievoorzitters een lid wordt benoemd dat voor gendermainstreaming verantwoordelijk is en ervaringen en beste praktijken in het netwerk voor gendermainstreaming deelt;

R.  overwegende dat het waarborgen van de samenhang tussen het interne personeelsbeleid en de externe acties op het gebied van de bevordering van gendergelijkheid en de rechten van LGBTIQ's essentieel is voor de geloofwaardigheid van het Europees Parlement en de andere EU-instellingen;

S.  overwegende dat sinds 2014 in het Reglement van het Europees Parlement is bepaald dat de verscheidenheid van het Parlement in de samenstelling van het bureau van elke parlementaire commissie moet worden weerspiegeld en dat het niet is toegestaan een bureau bestaande uit alleen mannen of alleen vrouwen te hebben;

T.  overwegende dat hogere managementfuncties in het Parlement uitsluitend worden toegekend door het Bureau van het Europees Parlement;

U.  overwegende dat gendermainstreaming in het Europees Parlement ook de rechten en standpunten en het welzijn van LGBTIQ's en mensen van welke genderidentiteit dan ook naar behoren in aanmerking moet nemen; overwegende dat het Parlement weliswaar meer belang hecht aan LGBTIQ-kwesties, maar dat LGBTIQ-activisten betrekkelijk weinig zichtbaarheid hebben en weinig gehoord worden;

V.  overwegende dat de sociale en politieke waarde van vrouwenorganisaties en ruimten voor vrouwen, en ook hun geschiedenis en prestaties, moeten worden erkend, evenals hun cruciale rol bij het voorkomen van gendergerelateerd geweld en bij het bevorderen van gendergelijkheid, zelfbeschikking van vrouwen en interculturele dialoog; overwegende dat er geen bewuste gendermainstreaming kan plaatsvinden zonder dat er ruimte is voor zelfbeschikking en gezag van vrouwen en voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen;

W.  overwegende dat de legitimiteit van vrouwen in de politiek nog steeds soms in twijfel wordt getrokken, en dat vrouwen het slachtoffer zijn van stereotypen die hen ervan weerhouden politiek actief te worden, een verschijnsel dat bijzonder zichtbaar is waar vrouwen in de politiek ondervertegenwoordigd zijn;

X.  overwegende dat vrouwen in de Europese Unie dezelfde politieke rechten en burgerrechten hebben als mannen, maar dat zij in sociaal, maatschappelijk en economisch opzicht vaak niet gelijk zijn;

Y.  overwegende dat gendergelijkheid bijdraagt tot een veelzijdiger debat en betere besluitvorming, omdat de zienswijzen die ter tafel komen vaak breder georiënteerd zullen zijn;

Z.  overwegende dat de instellingen verantwoordelijk zijn voor het vermijden van verticale en horizontale gendersegregatie;

AA.  overwegende dat het Parlement zich van oudsher inzet voor gendergelijkheid, en overwegende dat de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid de verantwoordelijkheid heeft om gendermainstreaming te integreren en verder te ontwikkelen in alle beleidssectoren;

AB.  overwegende dat het Parlement moet blijven strijden tegen seksuele intimidatie en vastgestelde maatregelen moet uitvoeren;

AC.  overwegende dat het Parlement een aantal verschillende organen heeft die belast zijn met de ontwikkeling en toepassing van gendermainstreaming en de bevordering van gendergelijkheid en diversiteit op zowel politieke als administratieve niveaus, zoals de Groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, het netwerk voor gendermainstreaming, de afdeling Gelijkheid en Diversiteit, het Comité voor gelijke kansen en diversiteit (Copec), Egalité, de vereniging van LGBTI+personeel van de EU-instellingen, het Raadgevend Comité voor preventie en bescherming op het werk en de coördinatoren van de groep voor gelijkheid en diversiteit; overwegende evenwel dat er geen sprake is van duidelijke coördinatie of samenhang tussen deze organen;

AD.  overwegende dat gendermainstreaming een proces is dat specifieke vaardigheden en kennis, alsook engagement vereist en als zodanig alleen effectief kan zijn indien het samengaat met bewustmaking en capaciteitsopbouw binnen de instellingen en van het personeel;

AE.  overwegende dat het Europees Parlement zich al in 2003 heeft verbonden aan de vaststelling en tenuitvoerlegging van een beleidsplan voor gendermainstreaming, waarin prioriteit wordt gegeven aan de integratie van het genderperspectief in het werk van de commissies en delegaties, met concrete instrumenten voor de bevordering, bewustmaking en toepassing van het beginsel van gendermainstreaming in de dagelijkse activiteiten;

Algemene opmerkingen

1.  bevestigt opnieuw zijn krachtige inzet voor gendergelijkheid, zowel in de inhoud van het beleid, de initiatieven en de programma's van de EU als op het politieke, begrotings-, administratieve en uitvoerende niveau;

2.  verzoekt dat, net als in het vorige MFK, het nieuwe MFK vergezeld gaat van een gezamenlijke verklaring van het Parlement, de Commissie en de Raad waarin zij zich ertoe verbinden dat in de jaarlijkse begrotingsprocedures voor het MFK waar nodig genderelementen zullen worden geïntegreerd, waarbij rekening wordt gehouden met de wijze waarop het algeheel financieel kader van de Unie aan meer gendergelijkheid bijdraagt en voor gendermainstreaming zorgt;

3.  herhaalt zijn verzoek aan de Europese Commissie om een echte Europese gelijkheidsstrategie te presenteren in de vorm van een mededeling met duidelijke en voor zover mogelijk kwantificeerbare doelstellingen, vertaald in alle officiële talen van de EU om te zorgen voor een betere verspreiding en een beter begrip onder burgers en sociale en economische actoren;

4.  is van mening dat het Parlement een cultuur van diversiteit en inclusie en een veilige werkomgeving voor iedereen moet creëren en onderhouden, en dat horizontale maatregelen voor het waarborgen van het welzijn van alle personeelsleden en leden van het Europees Parlement gepaard moeten gaan met gerichte maatregelen om zowel op bestuurlijk als op politiek niveau tot een evenwichtige gendervertegenwoordiging te komen;

5.  stelt met klem dat gendermainstreaming ook kan inhouden dat er specifiek op vrouwen of mannen gerichte acties worden ondernomen om genderongelijkheden aan te pakken, of dat regulier beleid wordt gewijzigd om daarin een verscheidenheid aan omstandigheden in te passen voor individuele personen of groepen;

6.  prijst de vrouwelijke en mannelijke rolmodellen voor gendergelijkheid alsook de initiatieven, zowel binnen de administratie van het Parlement als op politiek niveau, die actief bijdragen tot gendergelijkheid en gelijke kansen; moedigt voorts de bevordering aan van verschillende rolmodellen voor het overwinnen van alle vormen van genderstereotypen;

7.  benadrukt dat het bereiken van gendergelijkheid niet alleen een zaak van vrouwen is, maar de hele samenleving aangaat;

8.  betreurt dat in de visuele communicatie van het Parlement soms gebruik wordt gemaakt van genderstereotypen en stereotypen die op seksuele gerichtheid en genderidentiteit zijn gebaseerd; herinnert in dit verband aan het belang van de representatie en bevordering van gendergelijkheid in communicatiemateriaal van alle beleidssectoren;

9.  herinnert eraan dat gendermainstreaming betrekking heeft op beleidskeuzes, het besluitvormingsproces, procedures en praktijken, alsook uitvoering, monitoring en evaluatie; benadrukt dat derhalve voor een volledige beoordeling van de stand van zaken met betrekking tot gendermainstreaming in het Parlement niet alleen rekening moet worden gehouden met de inhoud van het beleid, maar ook met de gendervertegenwoordiging binnen de administratie en in de besluitvorming;

10.  maakt zich zorgen over het feit dat de vertegenwoordiging van vrouwen in de belangrijkste besluitvormende posities van het Parlement op politiek en administratief niveau nog steeds laag is, en merkt op dat het Parlement ervoor moet zorgen dat de toewijzing van de besluitvormende functies gelijkmatig tussen mannen en vrouwen wordt verdeeld;

11.  betreurt het gebrek aan samenhang en coördinatie tussen de verschillende organen die aan gendergelijkheid en diversiteit in het Parlement werken; herhaalt zijn oproep om de interne coördinatie te verbeteren om zo een grotere mate van gendermainstreaming te bereiken, ook in de personeelswerving, de organisatie van werkzaamheden en interne besluitvormingsprocedures;

12.  juicht het besluit van het Parlement toe om Simone Veil, de eerste vrouwelijke voorzitter van een EU-instelling en een fervent promotor van vrouwenrechten, met name van legale abortus en reproductieve rechten, te eren door de prijs voor gelijkheid en diversiteit naar haar te vernoemen, als een middel om goede praktijken en voorbeelden met betrekking tot gelijke kansen binnen het secretariaat-generaal van het Europees Parlement te benadrukken en te erkennen; beveelt aan om de zichtbaarheid van deze belangrijke prijs te vergroten en er meer bekendheid aan te geven;

13.  benadrukt het belang van dialoog met externe belanghebbenden, zoals vrouwenorganisaties uit het maatschappelijk middenveld, basisgroepen die opkomen voor vrouwenrechten en gendergelijkheid, vrouwenbewegingen, internationale instellingen, de academische wereld en nationale parlementen, voor de ontwikkeling van instrumenten en het verzamelen van informatie; herinnert eraan dat de mobilisatie van deze groepen belangrijk is om de gendermainstreamingprocessen van de EU te verbeteren en onderlinge uitwisselingen van beste praktijken te bevorderen;

Instrumenten voor gendermainstreaming

14.  dringt aan op doeltreffende maatregelen om echte gelijkheid tussen mannen en vrouwen in het Europees Parlement te waarborgen; benadrukt in dit verband dat met name maatregelen ter bestrijding van seksuele intimidatie van groot belang zijn; wijst in het bijzonder op de noodzaak van bewustmakings- en opleidingsmaatregelen;

15.  is ingenomen met de herziene richtsnoeren over genderneutraal taalgebruik in het Europees Parlement als gepubliceerd in juli 2018, die nu beter de taalkundige en culturele ontwikkelingen weerspiegelen en in alle officiële EU-talen praktisch advies bieden over het gebruik van gendervriendelijk en -inclusief taalgebruik; herinnert eraan dat het Europees Parlement in 2008 een van de eerste internationale organisaties was die meertalige richtsnoeren voor genderneutraal taalgebruik heeft vastgesteld; herinnert aan het belang van de brede acceptatie van de richtsnoeren en nodigt alle leden van het Europees Parlement, evenals ambtenaren, uit om deze richtsnoeren consequent in hun werk te bevorderen en toe te passen;

16.  erkent het werk van het netwerk voor gendermainstreaming en is ingenomen met het feit dat vertegenwoordigers van de Conferentie van delegatievoorzitters in dit netwerk zijn opgenomen; roept op tot verdere ontwikkeling van dit netwerk;

17.  is ingenomen met het feit dat de meeste parlementaire commissies voor hun werk actieplannen voor gendermainstreaming hebben aangenomen en vele deze al aan het netwerk voor gendermainstreaming hebben voorgesteld; roept daarom het kleine aantal resterende commissies op dit voorbeeld te volgen; wijst echter op de heterogeniteit van deze plannen en het gebrek aan uitvoering; roept op tot de vaststelling van een gemeenschappelijk genderactieplan voor het Europees Parlement, dat ten minste bepalingen inzake gelijke gendervertegenwoordiging in alle parlementaire werkzaamheden en organen, de invoering van een genderperspectief in alle beleidsactiviteiten en de werkorganisatie van het Parlement, en het gebruik van genderneutraal taalgebruik in alle documenten moet omvatten; verzoekt dat het Reglement dienovereenkomstig gewijzigd wordt;

18.  betreurt het dat bij de laatste herziening van het Reglement geen gendermainstreamingprocedures zijn ingevoerd;

19.  is verheugd over de vooruitgang die de afgelopen jaren in de meeste commissies van het Parlement is geboekt bij het vaststellen van genderactieplannen;

20.  verzoekt om nauwere samenwerking tussen de parlementaire commissies om een echte genderdimensie te geven aan hun verslagen en wijst op het belang dat alle parlementaire commissies de bevoegdheden van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid respecteren, door de amendementen met een genderperspectief die deze commissie indient te aanvaarden en samen te werken om conflicten over bevoegdheden te voorkomen;

21.  wijst opnieuw op het belang van de toepassing van genderbewust budgetteren op alle niveaus van het begrotingsproces; betreurt de afwezigheid van mechanismen van genderbewust budgetteren in de EU-instellingen, ondanks dat zij zich daartoe verbonden hebben; dringt er bij de verantwoordelijke organen van het Parlement op aan het genderperspectief te integreren en genderindicatoren te gebruiken bij het opstellen en goedkeuren van de ramingen van het Parlement en gedurende de gehele kwijtingsprocedure;

22.  is ingenomen met de resolutie van het Parlement van 26 oktober 2017 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU; benadrukt dat seksuele intimidatie een ernstig misdrijf is waarvan nog steeds niet altijd melding wordt gemaakt, alsook een extreme vorm van discriminatie op basis van geslacht en een van de grootste obstakels voor gendergelijkheid; is ingenomen met het besluit van het Bureau van 2 juli 2018 tot herziening van de procedures van het adviescomité voor de behandeling van klachten met betrekking tot intimidatie door leden van het Europees Parlement; hecht zijn krachtige goedkeuring aan artikel 6, waarin wordt bepaald dat de secretaris-generaal twee deskundige adviseurs – een arts van de medische dienst en een lid van de juridische dienst – benoemt, evenals aan de toevoeging van artikel 34 bis over de financiële gevolgen van een bewezen geval van intimidatie van een geaccrediteerde parlementaire medewerker aan de uitvoeringsbepalingen in het Statuut van de leden van het Europees Parlement;

23.  is ingenomen met de nieuwe maatregelen tegen intimidatie die, naar aanleiding van de resolutie van 26 oktober 2017, door het Parlement zijn vastgesteld en die op 1 september 2018 in werking zijn getreden, namelijk:

   (a) uitrusting van het adviescomité met een speciaal en permanent secretariaat, dat valt onder het secretariaat van het Bureau en de quaestoren, met meer en gespecialiseerd personeel dat regelmatig opleidingen volgt en zich exclusief met intimidatieaangelegenheden bezighoudt;
   (b) deelname van een tweede vertegenwoordiger van de geaccrediteerde parlementaire medewerkers aan de vergaderingen van het adviescomité, als volledig lid, als oplossing van de kwesties van het restrictieve quorum en de werklast van de vertegenwoordiging van de geaccrediteerde parlementaire medewerkers;
   (c) invoering in het Reglement van het Parlement (artikelen 11 en 166) van nieuwe sancties inzake intimidatie en van een "Code voor passend gedrag voor de leden van het Europees Parlement", opstelling van een verklaring die door elk nieuw lid moet worden ondertekend en die wordt voorgelegd aan de Voorzitter waarin het lid verklaart de Code te hebben gelezen en bevestigt dat hij de beginselen daarvan in acht zal nemen, en publicatie van alle (ondertekende en niet-ondertekende) verklaringen worden gepubliceerd op de website van het Parlement;
   (d) verbeterde informatieverstrekking aan geaccrediteerde parlementaire medewerkers over de mogelijkheid dat hun juridische kosten worden gedragen door het Parlement en dat zij gedurende de hele procedure ondersteuning krijgen;

24.  betreurt niettemin ten zeerste de trage en ontoereikende vooruitgang bij de uitvoering van andere cruciale aanbevelingen in de resolutie van het Parlement; verlangt dat de Voorzitter en de administratie van het Parlement volledige en onverdeelde aandacht besteden aan de volledige uitvoering van alle gevraagde maatregelen, met name door middel van de routekaart 2017-2019 betreffende preventieve en vroegtijdige steunmaatregelen om conflicten en intimidatie tussen leden en geaccrediteerde medewerkers, stagiairs of andere personeelsleden aan te pakken, die zo snel mogelijk moeten worden herzien om er ten minste de volgende eisen van de resolutie adequaat in op te nemen met een duidelijk tijdschema voor de uitvoering ervan:

   (a) verplichte opleiding voor leden van het Europees Parlement en personeel;
   (b) oprichting van een taskforce met onafhankelijke en externe deskundigen, die bijeen moet worden geroepen met een mandaat om de situatie van seksuele intimidatie in het Europees Parlement en het functioneren van zijn twee comités voor klachten over intimidatie te onderzoeken;
   (c) versterking van deze twee commissies door ze samen te voegen tot één commissie met een variabele samenstelling, die afhankelijk is van de onderzochte zaak en door er deskundigen zoals advocaten en artsen als vaste leden in op te nemen;

25.  verzoekt de Commissie in dit verband te blijven toezien op de correcte toepassing en handhaving van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(27), die voorziet in een omkering van de bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van het geslacht;

26.  herhaalt zijn oproep aan de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement om regelmatig gedetailleerd kwalitatief en kwantitatief onderzoek uit te voeren naar de vooruitgang op het gebied van gendermainstreaming binnen het Parlement en naar het functioneren van de daarvoor bedoelde organisatiestructuren en om gendereffectbeoordelingen en gendergebaseerde analyses te ontwikkelen; verzoekt om een meer uitgebreide, systematische en periodieke verzameling van naar gender uitgesplitste gegevens en statistieken met betrekking tot beleids- en programma-effectbeoordelingen alsook het beleidsvormingsproces, om de bevordering van gendergelijkheid te analyseren en om een nauwkeurig beeld te krijgen van de lacunes op gendergelijkheidsgebied, de resultaten beter te kunnen beoordelen en op empirisch bewijs gebaseerde besluiten te kunnen nemen;

27.  herhaalt zijn verzoek om verplichte opleiding op het gebied van respect en waardigheid voor alle leden en medewerkers van het Europees Parlement en in ieder geval aan het begin van de nieuwe zittingsperiode;

28.  herinnert aan het belang van het opbouwen van gendermainstreamingcapaciteit in alle EU-instellingen door ervoor te zorgen dat opleidingen gendersensitief zijn en door specifieke opleidingen op het gebied van gendergelijkheid in alle beleidssectoren te organiseren; geeft zijn volledige steun aan de ontwikkeling van gerichte en regelmatige gendermainstreamingscholing, en specifieke opleidingsprogramma's voor vrouwen met leidinggevend potentieel; moedigt het directoraat-generaal Personeel aan om gendermainstreamingopleidingen te organiseren voor de leden, assistenten en medewerkers van het Europees Parlement, en de fracties in het Parlement om deze trainingen voor hun personeel te organiseren;

29.  is ingenomen met het door het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) ontwikkelde instrument voor genderbewuste parlementen, om het Europees Parlement en de nationale en regionale parlementen te helpen hun genderbewustzijn te beoordelen en te verbeteren; roept de administratie en de fracties van het Parlement op om te zorgen voor een adequate follow-up van de bevindingen van de beoordeling en evaluatie;

30.  roept het EIGE op om alle parlementaire commissies en de Commissie regelmatig informatie te verstrekken, zodat het genderperspectief in alle beleidsgebieden kan worden onderstreept, en om de gegevens en de instrumenten die het heeft ontwikkeld, zoals die op het gebied van genderbudgettering, beschikbaar te stellen in het kader van een bredere capaciteitsopbouw, ook ten behoeve van personeel en parlementaire medewerkers;

Politiek niveau

31.  is ingenomen met de benoeming van de vaste rapporteur voor gendermainstreaming in het Europees Parlement in 2016 en de actieve betrokkenheid van de vaste rapporteur bij de werkzaamheden van de groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit; beveelt daarom aan dat het Parlement deze functie voor de zittingsperiode 2019-2024 handhaaft;

32.  is van mening dat sterkere interinstitutionele betrekkingen op het gebied van gendermainstreaming kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van gendergevoelig EU-beleid; betreurt dat er nog geen gestructureerde samenwerking op het gebied van gendermainstreaming is opgezet met andere institutionele partners, zoals de Commissie, de Raad of het EIGE;

33.  wijst op het belang om het aantal personen van het ondervertegenwoordigde geslacht, dikwijls vrouwen, op de verkiezingslijsten te vergroten; spoort de Europese fracties en hun partijleden aan om te zorgen voor een evenwichtige gendervertegenwoordiging bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2019 door toepassing van het ritssysteem of andere methoden zoals paritaire kandidatenlijsten; streeft naar een evenwicht tussen mannen en vrouwen op alle niveaus;

34.  verzoekt de fracties van het Parlement om voor de zittingsperiode 2019-2024 te zorgen voor een genderevenwichtige samenstelling van de bestuursorganen van het Europees Parlement, en beveelt met het oog hierop aan om zowel mannelijke als vrouwelijke leden kandidaat te stellen voor de functies van voorzitter, ondervoorzitter en lid van het Bureau en voor de functies van voorzitters van commissies, delegaties en fracties;

35.  beveelt aan dat de fracties van het Parlement voor de zittingsperiode 2019-2024 twee leden, een man en een vrouw, tot covoorzitters van hun fractie kiezen;

36.  spoort de fracties van het Parlement aan om voor de zittingsperiode 2019-2024 bij de nominatie van leden voor alle commissie en delegaties rekening te houden met het doel van genderevenwichtige vertegenwoordiging, en met name een gelijk aantal parlementsleden van elk geslacht te nomineren als leden en plaatsvervangers van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, om de betrokkenheid van mannen bij het gendergelijkheidsbeleid aan te moedigen;

37.  stelt voor om te zoeken naar manieren om een vrouwennetwerk binnen het Parlement op te zetten, waarin de nationale netwerken kunnen worden geïntegreerd, omdat formele en informele netwerken niet alleen werkprocessen verbeteren, maar ook een belangrijke bron voor informatieverstrekking, wederzijdse ondersteuning en coaching zijn en rolmodellen opleveren;

38.  spoort de fracties van het Parlement aan om een gendermainstreamingstrategie vast te stellen, die ervoor moet zorgen dat in hun voorstellen rekening wordt gehouden met gendergelijkheidseffecten;

39.  verzoekt de secretaris-generaal en het bureau hetzelfde beginsel toe te passen voor het toekennen van hogere managementposten en het aanwijzen van afdelingshoofden, dat wil zeggen het verplicht stellen dat de shortlist drie geschikte kandidaten bevat met ten minste één kandidaat van elk geslacht, waarbij moet worden vermeld dat bij volledig gelijke geschiktheid (bijvoorbeeld kwalificaties, ervaring) het ondervertegenwoordigde geslacht de voorkeur geniet; merkt op dat de post opnieuw moet worden gepubliceerd indien niet aan deze vereisten wordt voldaan;

40.  veroordeelt in de krachtigste termen de vrouwonvriendelijke taal die meermaals in de plenaire vergadering is gebruikt; is verheugd over de sancties die door de Voorzitter van het Europees Parlement aan een lid van het Europees Parlement zijn opgelegd, en die door het Bureau zijn bevestigd, voor het maken van opmerkingen tijdens de plenaire vergadering van 1 maart 2017 die de waardigheid van vrouwen ondermijnen; is bezorgd over de beslissing van het Gerecht van de Europese Unie van 31 mei 2018 om het besluit van de Voorzitter en het Bureau, zowel op basis van de interpretatie van de betreffende bepalingen van het Reglement van het Europees Parlement als op basis van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake artikel 10 van het EVRM (vrijheid van meningsuiting), nietig te verklaren; dringt er bij de commissie bevoegd voor kwesties betreffende het Reglement op aan de toepasselijke regels te herzien om te allen tijde te zorgen voor respect en waardigheid in de plenaire vergadering en dringt er in het bijzonder op aan dat aan het Reglement een bepaling wordt toegevoegd die vereist dat de leden zich tijdens parlementaire debatten onthouden van taalgebruik dat aanzet tot haat of discriminatie op grond van geslacht, ras, huidskleur, nationaliteit, etnische of sociale afkomst, genetisch bepaalde eigenschappen, taal, religie of overtuiging, en dat bij het niet eerbiedigen van die bepaling sancties worden opgelegd om een voorbeeld te stellen;

41.  is ingenomen met de beschikbaarheid van professionele opleidingen inzake onbewuste vooroordelen en intimidatie; benadrukt dat in deze opleidingen bijzondere aandacht moet worden besteed aan gendergelijkheid en LGBTIQ-kwesties en dat ze verplicht moeten worden gesteld voor managers en leden van selectiecommissies en sterk worden aanbevolen voor al het andere personeel;

42.  prijst de diversiteits- en inclusiestrategie die de Commissie in 2017 heeft bekendgemaakt; wenst dat het Parlement dit goede voorbeeld volgt, diversiteitsbeheer volledig omarmt en alle medewerkers, ongeacht hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit, erkent, waardeert en in zijn midden opneemt;

Administratief niveau

43.  is ingenomen met het verslag van Dimitrios Papadimoulis over gendergelijkheid in het secretariaat-generaal van het Europees Parlement – stand van zaken en volgende stappen 2017-2019 en het stappenplan voor de uitvoering van het verslag; prijst de voortgang bij de uitvoering van de concrete acties van het stappenplan en het duidelijke tijdschema voor het nemen van specifieke maatregelen ten aanzien van beheer, professionele scholing, bewustmaking inzake gendergelijkheid, maatregelen inzake het combineren van werk en privéleven en het op gezette tijden toezicht houden op de gendergelijkheid aan de hand van statistieken; dringt erop aan dat het proces wordt versneld om de doelstellingen voor gendergelijkheid voor 2019 te behalen;

44.  dringt er bij de groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit op aan om tweejaarlijks een structurele en puntsgewijze beoordeling uit te voeren van de uitvoering van het stappenplan voor gendergelijkheid, op basis van een presentatie door DG PERS;

45.  maakt zich zorgen over het feit dat ondanks krachtige institutionele en politieke verklaringen, gendergelijkheidsdoelstellingen niet uitdrukkelijk worden vermeld in begrotingsdocumenten van het Parlement en ook niet in aanmerking worden genomen in alle fasen van het begrotingsproces;

46.  stelt voor dat DG PERS, teneinde beter inzicht te krijgen in de obstakels die de doorstroming van vrouwen naar hogere managementfuncties in de weg staan, een vragenformulier opstelt die op basis van vrijwilligheid door vrouwen in met name het middenmanagement wordt ingevuld en waarin naar hun motivatie, de professionele belemmeringen die ze ondervinden en de kansen die hen worden geboden wordt geïnformeerd;

47.  is ingenomen met het jaarverslag van het Parlement over personele middelen;

48.  herinnert eraan dat het, wat betreft het gebruik van maatregelen ter verbetering van de balans tussen werk en privéleven, moet worden aangemoedigd dat managers dit gebruik accepteren en dat het in voorkomend geval specifiek moet worden aangemoedigd dat beide partners hier in gelijke mate gebruik van maken; merkt op dat het bewustzijn van de balans tussen werk en privéleven in het Parlement verder moet worden vergroot door middel van workshops, opleidingen en publicaties; wenst dat de leden en medewerkers van het Europees Parlement er goed over worden geïnformeerd dat maatregelen om de balans tussen werk en privéleven te verbeteren, zoals moederschaps-/vaderschapsverlof, ouderschapsverlof, zorgverlof en flexibele werktijdenregelingen, bijdragen tot het bereiken van gendergelijkheid in het Parlement, een betere verdeling van zorgtaken tussen mannen en vrouwen bevorderen, de kwaliteit van de arbeidssituatie en het welzijn van vrouwen verbeteren en langetermijneffecten hebben op sociale en economische ontwikkelingen;

49.  beveelt aan dat het directoraat-generaal Communicatie van het Parlement actiever een sterker genderperspectief integreert in zijn verslaggeving over de beleidsvorming in het Parlement, en met name bij het voorbereiden van de campagne voor de Europese verkiezingen in 2019;

50.  prijst de vooruitgang die in het secretariaat-generaal van het Europees Parlement is geboekt met betrekking tot de verbetering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in hogere en middenmanagementfuncties, maar merkt op dat, ondanks het feit dat de meerderheid van de ambtenaren van het Parlement vrouw is, de vertegenwoordiging van vrouwen in deze functies nog steeds erg laag is: aan het eind van 2017 was 15,4 % van de directeuren-generaal, 30,4 % van de directeuren en 36,2 % van de afdelingshoofden van het secretariaat-generaal van het Europees Parlement vrouw; wijst er daarom nogmaals op dat bij de selectie van kandidaten met hetzelfde profiel (ervaring, kwalificaties enz.) het ondervertegenwoordigde geslacht de voorkeur moet krijgen;

51.  wenst dat kennis van en ervaring met gendermainstreaming in kennisgevingen van vacatures en de selectie van kandidaten als een pre wordt beschouwd;

52.  verzoekt de secretariaten van de commissies van het Parlement om de commissieleden te helpen bij het bereiken van een genderevenwichtige samenstelling van de sprekers tijdens hoorzittingen van de commissies door een genderevenwichtige lijst van deskundigen voor te leggen;

53.  benadrukt dat er voor het boeken van echte vooruitgang bij de verbetering van de gendergelijkheid in het secretariaat-generaal en in de fracties van het Europees Parlement een cultuuromslag nodig is om de conceptuele en gedragshoudingen te veranderen en geleidelijk te komen tot een cultuur van gelijkheid binnen het secretariaat;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 96.
(2) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 35.
(3) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 65.
(4) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 1.
(5) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 2.
(6) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 49.
(7) PB C 61 E van 10.3.2004, blz. 384.
(8) PB C 244 E van 18.10.2007, blz. 225.
(9) PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 18.
(10) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 32.
(11) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 11.
(12) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.
(13) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 35.
(14) PB C 50 van 9.2.2018, blz. 15.
(15) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 192.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0331.
(17) PB L 56 van 4.3.1968, blz.. 1.
(18) PB L 45 van 14.6.1962, blz. 1385.
(19) https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/communication-equal-opportunities-diversity-inclusion-2017.pdf
(20) https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/diversity-inclusion-charter-2017-07-19-en.pdf
(21) https://ec.europa.eu/anti-trafficking/sites/antitrafficking/files/151203_strategic_engagement_en.pdf
(22) https://rm.coe.int/prems-093618-gbr-gender-equality-strategy-2023-web-a5/16808b47e1
(23) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0455.
(24) ‘The Global Gender Gap Report 2016’, World Economic Forum, 2016, http://reports.weforum.org/global-gender-gap-report-2016/
(25) "Sustainable development in the European Union – monitoring report on progress towards the SDGs in an EU context" Eurostat, 2018, https://ec.europa.eu/eurostat/documents/3217494/9237449/KS-01-18-656-EN-N.pdf/2b2a096b-3bd6-4939-8ef3-11cfc14b9329
(26) Verslag getiteld "Women in the European Parliament", Europees Parlement, 8 maart 2018, http://www.europarl.europa.eu/RegData/publications/2018/0001/P8_PUB%282018%290001_EN.pdf
(27) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.


Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie
PDF 127kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2019 over de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie (2018/2222(INI))
P8_TA(2019)0011A8-0393/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad tot wijziging van Beschikking 2007/198/Euratom tot oprichting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie en tot toekenning van gunsten daaraan (COM(2018)0445),

–  gezien Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad tot oprichting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie en tot toekenning van gunsten daaraan(1),

–  gezien het verslag van de Europese Rekenkamer van 13 november 2017 over de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie betreffende het begrotingsjaar 2016, vergezeld van de antwoorden van de gemeenschappelijke onderneming,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 juni 2017 over de bijdrage van de EU aan een hervormd ITER-project (COM(2017)0319),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0393/2018),

A.  overwegende dat fusie een sleutelrol zou kunnen spelen in het toekomstige Europese en mondiale energielandschap als een in potentie onuitputtelijke, veilige, klimaatvriendelijke, ecologisch verantwoordelijke en economisch concurrerende bron van energie;

B.  overwegende dat fusie nu reeds concrete kansen oplevert voor de industrie en positieve effecten heeft op de werkgelegenheid, de economische groei en innovatie, met een gunstige impact die verder reikt dan de terreinen fusie en energie;

C.  overwegende dat de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor coördinatie zorgt van de wetenschappelijke en technologische onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten op het gebied van fusie;

D.  overwegende dat Europa vanaf het begin een voortrekkersrol heeft gespeeld in het ITER-project, dat ontwikkeld is in nauwe samenwerking met de niet-Europese partijen bij de ITER-Overeenkomst (de VS, Rusland, Japan, China, Zuid-Korea en India), en verder overwegende dat de Europese bijdrage, die ingebracht wordt via de gemeenschappelijke onderneming, 45 % van de bouwkosten van het project vertegenwoordigt;

E.  overwegende dat het voorstel van de Commissie voor het wijzigen van Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad gericht is op het zeker stellen van financiering voor de Europese participatie in het ITER-project gedurende de hele looptijd van het volgende meerjarig financieel kader, teneinde continuïteit te garanderen met betrekking tot dit project, met het oog op het realiseren van belangrijke wetenschappelijke doorbraken bij de ontwikkeling van fusie voor civiele toepassingen, om op termijn te kunnen komen tot de productie van een veilige en rendabele vorm van energie die bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

1.  verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad tot wijziging van Beschikking 2007/198/Euratom tot oprichting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie en tot toekenning van gunsten daaraan, dat de basis legt voor de financiering van de activiteiten van deze gemeenschappelijke onderneming in de periode 2021-2027 in het kader van het Euratom-Verdrag;

2.  betreurt het dat de Raad het Europees Parlement niet over dat voorstel heeft geraadpleegd en juicht het toe dat de Commissie in de "State of the Union 2018" het voornemen heeft uitgesproken 'na te zullen denken over opties voor het overstappen op een stemsysteem op basis van versterkte gekwalificeerde meerderheid en over een mogelijke hervorming van het Euratom-Verdrag'; gaat ervan uit dat een dergelijke hervorming onvermijdelijk tot medewetgevingsbevoegdheden voor het Europees Parlement zal leiden;

3.  wijst erop dat de bouw van de experimentele reactor vertraging heeft opgelopen, gezien het feit dat ITER oorspronkelijk in 2020 af had moeten zijn, maar dat de ITER-raad in 2016 goedkeuring heeft gehecht aan een nieuw tijdschema waarin staat dat het eerste plasma in december 2025 zal worden geproduceerd omdat het technisch niet mogelijk is de bouw van ITER eerder te voltooien;

4.  beklemtoont dat de bijdrage van Euratom aan de gemeenschappelijke onderneming voor de periode 2021-2027 niet moet worden overschreden;

5.  beklemtoont dat, om herhaaldelijke bijstellingen naar boven toe van de geraamde kosten van het project te vermijden, vertragingen bij de operationele mijlpalen te voorkomen en voor een zo groot mogelijke betrouwbaarheid met betrekking tot het schema te zorgen, de ITER-organisatie wat deze aspecten betreft redelijke marges moet incalculeren; steunt in dit verband een marge van 24 maanden wat het schema betreft en een marge van 10 tot 20 % wat het door de Commissie voorgestelde budget betreft;

6.  juicht de nieuwe benadering van risicobeheer van de ITER-organisatie toe en verzoekt de ITER-raad het aantal subcomités verder te reduceren, de werking daarvan te stroomlijnen en overlappingen te elimineren;

7.  verzoekt de Raad goedkeuring te hechten aan het voorstel van de Commissie, en er de volgende wijzigingen in aan te brengen:

   opname van de bijdrage van Euratom aan de gemeenschappelijke onderneming in zowel vaste, als huidige prijzen,
   gebruik - in verband met de duidelijkheid - van het woord 'Euratom' in plaats van het woord 'Gemeenschap' in de hele tekst,
   opname van heldere bepalingen betreffende de comités die de raad van bestuur van de gemeenschappelijke onderneming bijstaan, in het bijzonder het comité administratie en beheer, het comité aanbestedingen en overeenkomsten, en de technische adviesraad, voor wat betreft hun samenstelling, (tijdelijke of permanente) status, aantal bijeenkomsten en de methode van beloning van hun leden,
   evaluatie en eliminatie van overlappende verantwoordelijkheden tussen het comité administratie en beheer enerzijds en de technische adviesraad anderzijds met betrekking tot plannen voor projecten en werkprogramma's,
   opname van bepalingen betreffende de bijdrage van de staat waar ITER gevestigd is,
   opname in bijlage III (Financieel Reglement: algemene beginselen) van het vereiste om in het Financieel Reglement van de gemeenschappelijke onderneming regels en procedures op te nemen voor de evaluatie van bijdragen in natura,
   opname in artikel 5 en in bijlage III van bepalingen die de verstrekking - aan de gemeenschappelijke onderneming - van financiering in de vorm van financieringsinstrumenten in het kader van blendingverrichtingen overeenkomstig het toekomstige programma InvestEU mogelijk maken,
   een verduidelijking van de rol en de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van zijn status in Euratom, met name wat een eventuele deelname aan ITER betreft,
   opname van bepalingen betreffende synergie-effecten en samenwerking tussen ITER enerzijds en het Euratom-programma voor onderzoek en opleiding anderzijds in de periode 2021-2025,
   opname van bepalingen die de weg vrijmaken voor samenwerking - in het onderzoeksprogramma en in het netwerk van aangewezen organisaties op het gebied van wetenschappelijk en technologisch onderzoek met betrekking tot fusie - met kleine en middelgrote disruptieve particuliere actoren, zoals start-ups, die met nieuwe benaderingen en technologieën experimenteren,
   verduidelijking van de bepalingen betreffende de jaarverslagen en beoordelingen van de gemeenschappelijke onderneming,
   opname in het voorstel van de aanbeveling om te onderzoeken of het mogelijk is de materialen die op dit moment in het ITER-project worden gebruikt voor andere doeleinden te gebruiken;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 90 van 30.3.2007, blz. 58.


Evaluatie van de benutting van de EU-begroting voor de hervorming van de publieke sector
PDF 124kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2019 over de evaluatie van de benutting van de EU-begroting voor de hervorming van de publieke sector (2018/2086(INI))
P8_TA(2019)0012A8-0378/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de studie "Public Sector Reform: How the EU budget is used to encourage it", die zijn directoraat-generaal Intern Beleid in 2016 heeft gepubliceerd(1),

–  gezien de Europa 2020-strategie,

–  gezien de huidige financieringsperiode van de EU (2014-2020) en het voorstel van de Commissie voor het nieuwe meerjarig financieel kader (2021-2028),

–  gezien het akkoord dat de medewetgevers in juli 2018 hebben bereikt over een verhoging van de begroting van het steunprogramma voor structurele hervormingen (SRSP),

–  gezien artikel 197 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0378/2018),

A.  overwegende dat het openbaar bestuur in de lidstaten fundamenteel is voor de uitvoering van de EU-begroting en dat een goede werking ervan kan helpen om moderne systemen te creëren die de welvaart en het welzijn in de EU vergroten;

B.  overwegende dat het voorstel voor het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) in zijn huidige vorm geen specifieke doelstelling voor openbaar bestuur bevat;

1.  merkt op dat de bevoegdheden inzake openbaar bestuur over verschillende diensten van de Commissie zijn verspreid en dat dit een effectieve coördinatie van bevoegde diensten, door de EU gefinancierde programma's en initiatieven bemoeilijkt; pleit voor meer coördinatie van alle programma's voor technische bijstand teneinde overlapping te voorkomen en ervoor te zorgen dat de maatregelen niet zo ondoeltreffend zijn dat alle inspanningen van de Commissie ter bevordering van de combinatie van fondsen met het oog op synergieën teniet worden gedaan; vraagt de Commissie de systemen voor de uitwisseling van good practices te verbeteren om de lidstaten te helpen om best practices toe te passen, zonder hierbij beleid op te leggen dat loondevaluatie of sociaal onhoudbare hervormingen tot doel heeft;

2.  vraagt de volgende voorzitter van de Commissie de verantwoordelijkheid voor kwesties in verband met beter openbaar bestuur en betere governance aan één commissaris toe te wijzen;

3.  is van mening dat een doeltreffende hervorming van de overheidssector van essentieel belang is om de lidstaten te helpen om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden, de veerkracht te vergroten om toekomstige crises te voorkomen, e-overheid uit te breiden en de dienstverlening in de hele EU te verbeteren, in het bijzonder wat nieuwe technologie en IT-systemen betreft, en enorm zou helpen om verspilling, blootstelling aan verspilling, verlies of frauduleus gebruik van EU-middelen te verminderen; vraagt daarom dat ook in toekomstige programmeringsperiodes financiering wordt uitgetrokken voor acties om e-overheid uit te rollen, met inachtneming van de in het EU-actieplan inzake e-overheid vermelde beginselen en prioriteiten;

4.  wijst erop dat het, vooral voor regio's met een achterstand, vaak moeilijk is om toegang te krijgen tot financiering of deze te gebruiken, als gevolg van administratieve rompslomp, beperkte administratieve capaciteit of onregelmatigheden; hoopt daarom dat de lidstaten interne hervormingen zullen doorvoeren om het beginsel van behoorlijk bestuur voelbaarder te maken en de gerechtelijke procedures te bespoedigen;

5.  merkt op dat de EU-begroting ongeveer 9 miljard EUR aan steun aan de EU-lidstaten verstrekt voor de hervorming van het openbaar bestuur; moedigt de Commissie aan om deze financiële steun te koppelen aan de gerichte uitwisseling van kennis, ervaring en good practices tussen de lidstaten;

6.  verzoekt de Commissie de samenwerking met de lidstaten te intensiveren om regio's met een achterstand te ondersteunen door de administratieve capaciteit en governance te verbeteren;

7.  vraagt om maatregelen om de uitvoering te bevorderen van programma's voor de ontwikkeling en uitvoering van humanresourcesstrategieën, bijvoorbeeld door de uitwisseling van best practices tussen de lidstaten, waarbij ook leiders en andere hooggeplaatsten betrokken moet worden;

8.  benadrukt dat er vaak tal van overlappingen worden vastgesteld tussen de specifieke operationele programma's en andere financieringsbronnen van de EU, en vraagt dat er voorstellen worden gedaan; hoopt dan ook dat de bijstand zal worden verbeterd om coördinatie, complementariteit en vereenvoudiging te bevorderen;

9.  onderstreept dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de operationele programma's op een zo doeltreffend en gebruiksvriendelijk mogelijke wijze worden uitgevoerd; acht het van essentieel belang dat de lidstaten geen extra regels opleggen die het voor de begunstigde moeilijker maken om de middelen te gebruiken;

10.  merkt op dat de Commissie noch over een gestandaardiseerd en gemeenschappelijk kader voor de beoordeling van het openbaar bestuur, noch over een methode voor systematische gegevensverzameling beschikt; merkt met bezorgdheid op dat de Commissie door het ontbreken van deze instrumenten onvolledige analyses van kwesties in de lidstaten maakt; stelt voor om in de jaarlijkse groeianalyse opnieuw een hoofdstuk over openbaar bestuur en governance op te nemen;

11.  vraagt de Commissie om vooraf de administratieve capaciteit van de voor de uitvoering van het ontwikkelingsbeleid bevoegde structuren te beoordelen en voor projecten van bijzonder strategisch belang de voorkeur te geven aan nationale structuren en agentschappen die de uitvoering van programma's en afzonderlijke acties kunnen verbeteren en bespoedigen;

12.  is van mening dat het MFK moet worden gebruikt ter stimulering van programma's die beter openbaar bestuur en betere governance opleveren, met name om de lidstaten te helpen in tijden van economische neergang, en erkent dat de getroffen lidstaten in dergelijke omstandigheden gebaat zijn bij hervormingen van het overheidsapparaat;

13.  is verheugd over het feit dat in het volgende MFK voorstellen worden gedaan om overlappingen van programma's te voorkomen en verdere vereenvoudiging aan te moedigen;

14.  moedigt de Commissie aan om in samenwerking met de lidstaten een specifiek beoordelingskader te ontwikkelen dat de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van openbaar bestuur van hoge kwaliteit omvat, en om haar eigen analysecapaciteit op te bouwen; benadrukt dat de zwakken punten van elke lidstaat moeten worden vastgesteld en dat met behulp van de beschikbare middelen maatregelen moeten worden bevorderd om problemen te boven te komen door het criterium van de ex-antevoorwaarden te verscherpen en doelen te stellen;

15.  stelt voor dat de Commissie de beleidsdialoog met de lidstaten versterkt door te zorgen voor de oprichting van een daartoe bestemd forum;

16.  stelt voor om in zijn parlementaire agenda tijd te reserveren voor een gestructureerde dialoog met de nationale parlementen over kwesties in verband met de verbetering van het openbaar bestuur in de EU; vraagt de EU het toezicht op en de evaluatie van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) ten aanzien van thematische doelstelling 11 te verbeteren door specifieke indicatoren op te nemen voor het beoordelen van de vooruitgang met betrekking tot de doelstellingen en prioriteiten van de Unie voor de hervorming van het openbaar bestuur;

17.  is verheugd dat er een benchmark is ontwikkeld om te beoordelen of kandidaat-EU-lidstaten de bestuurlijke capaciteit hebben om de verantwoordelijkheden van EU-lidmaatschap aan te kunnen; hoopt dat binnen de lidstaten interne hervormingen zullen doorvoeren om het beginsel van behoorlijk bestuur nog meer voelbaar te maken;

18.  merkt op dat de European Public Sector Award (EPSA) door de Commissie en een aantal lidstaten wordt medegefinancierd en de beste, meest innovatieve en meest efficiënt presterende actoren in de Europese publieke sector bijeenbrengt; is van mening dat de Commissie voor meer uitwisseling van kennis en informatie moet zorgen en een groter bereik in heel Europa moet beogen;

19.  is van mening dat binnen de overheidsdiensten innovatieve processen ter bevordering van een betere connectiviteit, digitalisering en digitale diensten van hoge kwaliteit voor burgers, bedrijven en overheden moeten worden bevorderd, en dat daarbij gelijke tred moet worden gehouden met de snelle ontwikkeling van nieuwe technologieën op de betreffende gebieden; is verheugd over het feit dat in het nieuwe voorstel voor een verordening gemeenschappelijke bepalingen (VGB) wordt bepaald dat toekomstige begunstigden de nodige informatie krijgen om de systemen zo spoedig mogelijk te kunnen gebruiken;

20.  erkent dat participatie van lokale overheden een voorwaarde is voor de verwezenlijking van de EU-doelstellingen op dit gebied; wijst erop dat in de Verklaring van Tallinn wordt voorgesteld om op nationaal niveau "de gezamenlijke governancestructuren met de lokale en regionale overheden te versterken"(2);

21.  is ingenomen met de bestaande netwerken(3) waarin vertegenwoordigers van de lidstaten – met name die welke EU-financiering ontvangen – samenkomen om het openbaar bestuur te verbeteren door de uitwisseling van best practices en wederzijds leren;

22.  is van mening dat de bestaande netwerken aanzienlijk beter zouden kunnen presteren door ambitieuzere doelstellingen vast te stellen en meer proactieve benaderingen te ontwikkelen, zoals benchlearning, waarbij zelfevaluatie door de lidstaten wordt gecombineerd met een verbeterd systeem van peerreview;

23.  is van mening dat openbaar bestuur van hoge kwaliteit een essentiële voorwaarde is voor de verwezenlijking van de EU-beleidsdoelstellingen in het kader van het MFK en op andere gebieden; benadrukt hoe belangrijk goede communicatie en politiek bewustzijn zijn om vertrouwen te wekken en positieve hervormingsmaatregelen en -programma's te stimuleren;

24.  is van mening dat continu moet worden beoordeeld of de beginselen van additionaliteit en complementariteit van het cohesiebeleid ten aanzien van met gewone middelen gefinancierde acties worden nageleefd, en dat vooral moet worden voorkomen dat het cohesiebeleid gewone nationale middelen gaat vervangen;

25.  wijst erop dat de middelen van de ESI-fondsen voor het regionaal uitvoeringsplan in de laatste programmeringsperiode weliswaar kwantitatief zijn gestegen, maar dat het toezicht kan worden verbeterd om te beoordelen welk effect deze financiering heeft op het regionaal uitvoeringsplan;

26.  dringt aan op de voortzetting van de werkzaamheden van de werkgroepen van de Commissie die tot taak hebben de nationale autoriteiten in de lidstaten te helpen om de middelen van het cohesiebeleid beter in te zetten in de lidstaten die achterlopen met de absorptie van middelen uit de ESI-fondsen;

27.  benadrukt het belang van het steunprogramma voor hervormingen en hoopt dat het in de volgende programmeringsperiode zal worden versterkt door zijn faciliterende rol (veeleer dan technische bijstand) duidelijk te omschrijven, en dat het ook zal wordt verbeterd op het vlak van effectiviteit en efficiëntie, zonder dat de cohesiebegroting wordt verlaagd met de bedragen die momenteel door de Commissie worden voorgesteld voor het MFK 2021-2027;

28.  merkt op dat de EU weliswaar niet rechtstreeks bevoegd is voor de administratieve sector, maar toch een positieve invloed op het openbaar bestuur van de lidstaten heeft en meer bepaald onrechtstreeks een rol speelt door de vaststelling van administratieve normen in het acquis communautaire, zodat best practices in de hele Unie kunnen worden uitgewisseld, alsook via begrotingsinstrumenten om de hervorming van het overheidsapparaat te steunen en aan te moedigen door de capaciteit en de efficiëntie van overheidsdiensten te vergroten en innovatie in de openbare sector te bevorderen;

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Studie "Public Sector Reform: How the EU budget is used to encourage it", Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling D: begrotingszaken, 2016.
(2) https://ec.europa.eu/digital-single-market/en/news/ministerial-declaration-egovernment-tallinn-declaration
(3) Het Netwerk van Europese overheidsdiensten (EUPAN), het Thematisch Netwerk openbaar bestuur en governance (PAG) en andere platforms en netwerken met een specifieke focus op justitie, corruptiebestrijding, digitalisering, overheidsopdrachten enz.


EU-richtsnoeren voor en het mandaat van de speciaal gezant van de EU voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de Europese Unie
PDF 163kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2019 over de EU-richtsnoeren en het mandaat van de speciaal EU-gezant voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de EU (2018/2155(INI))
P8_TA(2019)0013A8-0449/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de internationale wettelijke bescherming van de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of levensovertuiging uit hoofde van artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) van 1948, artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) van 1966, de Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van onverdraagzaamheid en discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging van 1981, artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 10, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien algemeen commentaar nr. 22 van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties van 30 juli 1993 op artikel 18 van de UVRM van 1948, en VN-resolutie 16/18 van 12 april 2011 over de bestrijding van intolerantie, negatieve beeldvorming en stigmatisering, discriminatie, aanzetten tot geweld en gewelddaden gericht tegen personen op grond van godsdienst of levensovertuiging,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), in het bijzonder de artikelen 2 en 21,

–  gezien artikel 17 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de conclusies van de Raad van 21 februari 2011 over onverdraagzaamheid, discriminatie en geweld op basis van godsdienst of overtuiging,

–  gezien het strategisch EU-kader en EU-actieplan voor mensenrechten en democratie, aangenomen door de Raad op 25 juni 2012, en het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019,

–  gezien de EU-richtsnoeren van 24 juni 2013 inzake bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging,

–  gezien zijn aanbeveling van 13 juni 2013 over de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging(1),

–  gezien zijn resoluties van 20 januari 2011 over de situatie van christenen in de context van vrijheid van godsdienst(2), van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh"(3) en van 14 december 2017 over de situatie van de Rohingya(4),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 inzake de nieuwe benadering van de EU van mensenrechten en democratie – evaluatie van de activiteiten van het Europees Fonds voor Democratie (EFD) sinds de oprichting(5), met name de paragrafen 27 en 28,

–  gezien zijn resoluties van 14 december 2016(6) over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015, met name paragraaf 14, en van 23 november 2017(7) over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld 2016 en het beleid van de Europese Unie ter zake, met name paragraaf 8,

–  gezien het op 5 oktober 2012 door het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (OHCHR) gepubliceerde Actieplan van Rabat betreffende het verbod op het uitdragen van haat op grond van nationaliteit, ras of godsdienst waarmee wordt aangezet tot discriminatie, vijandigheid of geweld,

–  gezien het mandaat van de speciaal gezant voor de bevordering van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst buiten de EU,

–  gezien Verordening (EU) nr. 235/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot instelling van een financieringsinstrument voor democratie en mensenrechten in de wereld(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 mei 2014 over een op rechten gebaseerde benadering van ontwikkelingssamenwerking, die alle mensenrechten omvat, en het werkdocument van de diensten van de Commissie van 30 april 2014 getiteld "Tool-Box – A rights-based approach, encompassing all human rights for EU development cooperation" (SWD(2014)0152),

–  gezien de uitreiking in 2015 door het Europees Parlement van de Sacharovprijs voor de vrijheid van gedachte aan de Saudische blogger en activist Raif Badawi voor zijn opmerkelijke inspanningen gericht op het bevorderen van het openbaar debat over godsdienst en politiek in zijn land; gezien zijn nog steeds voortdurende gevangenhouding na veroordeeld te zijn tot tien jaar gevangenschap, duizend zweepslagen en een hoge boete wegens vermeende "belediging van de islam",

–  gezien de zaak van de Pakistaanse christelijke vrouw Asia Bibi, die gevangen werd genomen en ter dood werd veroordeeld wegens godslastering, en gezien haar recente vrijspraak,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0449/2018),

A.  overwegende dat vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en levensovertuiging, binnen het EU-kader en in deze resolutie doorgaans het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging genoemd, een onvervreemdbaar en fundamenteel recht is, zoals alle andere, waar eenieder zonder enig onderscheid van welke aard ook aanspraak op heeft, zoals is vastgelegd in internationale en Europese basisteksten, waaronder de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; overwegende dat eenieder recht heeft op eerbiediging van alle mensenrechten zoals die worden erkend in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Europees Handvest van de grondrechten, zonder onderscheid op grond van ras, etniciteit, bekwaamheid, geslacht, seksuele geaardheid, godsdienstige overtuiging of gebrek aan godsdienstige overtuiging; overwegende dat overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie het internationaal optreden van de Unie gestoeld is op de beginselen die ten grondslag liggen aan de oprichting van de Unie; overwegende dat de Unie overeenkomstig artikel 2 van het Verdrag is gecreëerd naar het evenbeeld van samenlevingen die worden gekenmerkt door pluralisme en verdraagzaamheid;

B.  overwegende dat het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat wereldwijd en in Europa een leidend principe is in de staatsinrichting;

C.  overwegende dat het Europees Parlement secularisme heeft gedefinieerd als een strikte scheiding tussen de godsdienstige en politieke autoriteiten, wat impliceert dat elke vorm van religieuze inmenging in het functioneren van de overheid en elke vorm van publieke inmenging in religieuze aangelegenheden worden verworpen, behalve om de voorschriften op het gebied van veiligheid en openbare orde (inclusief de eerbiediging van de vrijheid van anderen) te handhaven en voor iedereen – zowel gelovigen als agnosten en atheïsten – in dezelfde mate het recht op vrijheid van geweten te garanderen;

D.  overwegende dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging impliceert dat eenieder het recht heeft om te kiezen waarin te geloven of om niet te geloven, het recht om zonder enige dwang van godsdienst of overtuiging te veranderen of hier afstand van te doen, alsmede het recht om zijn gedachte, geweten, godsdienst en levensovertuiging te praktiseren en te belijden, hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé; overwegende dat het belijden van gedachte, geweten, godsdienst of levensovertuiging tot uitdrukking kan worden gebracht in erediensten, in het onderhouden van geboden en voorschriften, in praktische toepassing ervan en in onderricht; overwegende dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging gemeenschappen van gelovigen en niet-gelovigen het recht geeft om hun ethos te behouden of hier afstand van te doen en dienovereenkomstig te handelen, en religieuze, seculiere en niet-confessionele organisaties recht geeft op een erkende rechtspersoonlijkheid; overwegende dat de bescherming van personen die een of geen godsdienst belijden, en de effectieve aanpak van schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals discriminatie of juridische beperkingen op grond van godsdienst of levensovertuiging, gelden als fundamentele voorwaarden voor het waarborgen van ieders gelijke recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging;

E.  overwegende dat theïstische, niet-theïstische en atheïstische levensovertuigingen, alsook het recht geen enkele godsdienst of levensovertuiging te belijden, ook worden beschermd onder artikel 18 van het IVBPR; overwegende dat het belijden of niet belijden van een godsdienst of levensovertuiging een absoluut recht is dat onder geen enkel beding mag worden beperkt;

F.  overwegende dat alle mensenrechten en fundamentele vrijheden ondeelbaar, onderling afhankelijk en onderling verbonden zijn; overwegende dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging elementen van vele andere mensenrechten en fundamentele vrijheden omvat en daarvan afhankelijk is, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering en vereniging, en dat zij tezamen een belangrijke rol vervullen in de strijd tegen alle vormen van onverdraagzaamheid en discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging;

G.  overwegende dat de vrijheid van godsdienst eindigt waar de rechten en vrijheden van anderen worden geschonden, en dat de beleving van een godsdienst of overtuiging nooit en onder geen enkel voorwendsel gewelddadig extremisme of verminking kan rechtvaardigen en evenmin een vrijgeleide kan zijn voor handelingen die de inherente waardigheid van het individu aantasten;

H.  overwegende dat de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging rechtstreeks bijdraagt tot democratie, ontwikkeling, de rechtsstaat, vrede en stabiliteit; overwegende dat schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging op grote schaal voorkomen, mensen in alle delen van de wereld treffen, de waardigheid van het menselijk leven raken, onverdraagzaamheid veroorzaken of aanwakkeren en vaak vroegtijdige aanwijzingen zijn voor sluimerend geweld of conflicten; overwegende dat staten de zorgvuldigheidsplicht hebben om geweld of de dreiging met geweld ten aanzien van personen op grond van hun godsdienst of levensovertuiging te voorkomen, onderzoeken en bestraffen, en ervoor moeten zorgen dat er verantwoording wordt afgelegd in het geval dergelijke schendingen zich voordoen;

I.  overwegende dat de EU, in overeenstemming met artikel 21 VEU, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de eerbiediging van de menselijke waardigheid bevordert en beschermt als een van de leidende beginselen van haar buitenlands beleid;

J.  overwegende dat in veel landen nog steeds sprake is van religieuze beperkingen en vijandelijkheden, voortgebracht door regeringen of gemeenschappen; overwegende dat bepaalde religieuze minderheden in toenemende mate blootstaan aan bedreigingen en vervolging door overheids- en niet-overheidsactoren; overwegende dat mensenrechtenverdedigers die zich inzetten voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, over de hele wereld steeds meer blootstaan aan bedreigingen en aanvallen;

K.  overwegende dat, in navolging van de doelstelling om de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst te bevorderen via het buitenlands beleid van de EU, de Raad in juni 2013 de EU-richtsnoeren tot bevordering en bescherming van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst heeft aangenomen, en de Commissie in mei 2016 de eerste speciaal gezant voor de bevordering van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst buiten de EU heeft aangesteld met een eenjarig mandaat dat sindsdien tweemaal op jaarbasis is verlengd;

L.  overwegende dat de EU de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging heeft bevorderd, op internationaal niveau en via multilaterale fora, met name door de leiding te nemen bij de thematische resoluties over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in de Algemene Vergadering van de VN (AVVN) en de VN-Mensenrechtenraad (MRR) en door het mandaat te steunen van en samen te werken met de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, maar ook via de samenwerking met gelijkgestemde derde landen;

M.  overwegende dat de bevordering van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, onder meer via de steun vanuit het maatschappelijk middenveld voor de bescherming van de rechten van gelovigen en niet-gelovigen en met name van mensen die behoren tot religieuze en levensbeschouwelijke minderheden, de ondersteuning van mensenrechtenverdedigers, de strijd tegen discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging en de bevordering van de interculturele en interreligieuze dialoog, een financieringsprioriteit vormen in het kader van het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) voor de periode 2014-2020; overwegende dat ook door het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en financiële instrumenten van de EU, zoals het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) en het instrument voor pretoetredingssteun (IPA), projecten zijn ondersteund die bijdragen tot een beter klimaat voor de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst;

1.  benadrukt dat de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en levensovertuiging, binnen het EU-kader en in deze resolutie doorgaans de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging genoemd, een universeel mensenrecht, een EU-waarde en een belangrijke en onbetwistbare pijler van waardigheid is, met aanzienlijke gevolgen voor alle mensen, hun persoonlijke identiteit en ontwikkeling. en samenlevingen; onderstreept dat mensen de vrijheid moeten hebben hun privéleven te organiseren in overeenstemming met hun eigen overtuigingen; benadrukt dat het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging het recht om niet te geloven en om theïstische, niet-theïstische, agnostische of atheïstische standpunten te huldigen en het recht op geloofsafval omvat; bevestigt dat het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging naar behoren moet worden beschermd, bevorderd en gewaarborgd door alle actoren en moet worden versterkt door middel van een interreligieuze en interculturele dialoog, overeenkomstig artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de waarden van de Europese Unie zoals vastgelegd in het VEU en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; onderstreept de plicht die staten hebben om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te waarborgen en alle mensen gelijk te behandelen, zonder discriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging, om zo hun vreedzame, democratische en pluralistische samenlevingen te behouden, waarin respectvol wordt omgegaan met diversiteit en levensovertuigingen;

2.  uit zijn diepe bezorgdheid over het feit dat het aantal schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in de wereld en de vervolging van gelovigen en niet-gelovigen de afgelopen jaren sterk zijn toegenomen; hekelt de instrumentalisering van religieuze vraagstukken voor politieke doeleinden, alsook geweld, intimidatie en sociale druk jegens (groepen) personen op grond van gedachte, geweten, godsdienst of levensovertuiging; veroordeelt de vervolging van en aanvallen op etnische en religieuze groepen, niet-gelovigen, atheïsten en andere minderheden, en de vervolging van vrouwen en meisjes en van personen op grond van hun seksuele geaardheid; veroordeelt gedwongen bekeringen en schadelijke praktijken zoals genitale verminking van vrouwen, alsook gedwongen huwelijken en bepaalde andere praktijken die samengaan met of als uiting worden beschouwd van een godsdienst of levensovertuiging, en dringt erop aan dat de verantwoordelijken voor dit soort schendingen onmiddellijk ter verantwoording worden geroepen; benadrukt dat schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging dikwijls de kiem leggen voor oorlogen of andere vormen van gewapende conflicten of deze in toenemende mate verergeren, met schendingen van het humanitair recht tot gevolg, waaronder massamoorden of genocide; onderstreept dat door schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging de democratie wordt ondermijnd, ontwikkeling wordt belemmerd en de verworvenheid van andere fundamentele vrijheden en rechten wordt aangetast; benadrukt dat dit de internationale gemeenschap, de EU en haar lidstaten ertoe verplicht om hun vastberadenheid opnieuw te bevestigen en hun inspanningen ter bevordering van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging voor iedereen te versterken;

3.  benadrukt dat de EU en haar lidstaten zich er overeenkomstig artikel 21 VEU toe hebben verbonden de eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen, als een beginsel dat ten grondslag ligt aan het buitenlands beleid van de EU; is zeer verheugd over het feit dat de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging door middel van de EU-richtsnoeren van 2013 zijn opgenomen in het buitenlands beleid en extern optreden van de EU, en dringt in dit opzicht aan op verdere versterking van activiteiten gericht op bewustmaking en de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren;

4.  benadrukt dat de EU zich overeenkomstig artikel 17 VWEU inzet voor de instandhouding van een open, transparante en periodieke dialoog met kerken en religieuze, levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties; wijst op de effecten van deze dialogen op de eerbiediging van andere mensenrechten; benadrukt dat dergelijke interreligieuze en interculturele dialogen vaak een beter onthaal vinden bij sommige internationale partners van de EU en een startpunt vormen voor vooruitgang op andere terreinen;

5.  benadrukt dat het van belang is een brug te slaan naar niet-gelovigen in landen waar het recht zich te organiseren en het recht op vrijheid van vergadering niet gelden;

De EU-strategie ter bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging via internationale betrekkingen en samenwerking

6.  is ingenomen met de versterking van de bevordering van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in het buitenlands beleid en extern optreden van de EU in de afgelopen jaren, met name door middel van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019; is verheugd over het feit dat deze versterking ertoe leidt dat veel partnerlanden zich meer inzetten voor de inachtneming van artikel 18 van zowel het UVRM als het IVBPR;

7.  wijst op de benoeming van een speciaal gezant voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de EU in 2016 door de voorzitter van de Commissie, in antwoord op de resolutie van het Parlement van 4 februari 2016; is van mening dat de benoeming van de speciaal gezant een belangrijk stap voorwaarts is en dat hiermee de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging duidelijk wordt erkend in het kader van de mensenrechtenagenda van het buitenlands beleid en extern optreden van de EU, zowel op bilateraal als op multilateraal niveau, en binnen de ontwikkelingssamenwerking; spoort de speciaal gezant aan zijn inzet en zijn samenwerking en de complementariteit van zijn optreden met de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten op dit vlak voort te zetten, waaronder de verspreiding van de EU-richtsnoeren; wijst met instemming op de actieve steun van de commissaris voor Internationale Samenwerking en Ontwikkeling en DG DEVCO voor de speciaal gezant;

8.  benadrukt dat de inspanningen ter bevordering van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en inter- en intrareligieuze en interculturele dialogen, alsook dialogen tussen aanhangers van verschillende overtuigingen en levensbeschouwingen, gekoppeld moeten worden aan de preventie van religieus extremisme op basis van complementariteit en wederzijdse versterking, als een manier om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in de wereld te handhaven, met name binnen buurlanden en andere landen waarmee de EU speciale betrekkingen onderhoudt; onderstreept dat ook niet-confessionele, humanistische en seculiere organisaties een belangrijke rol spelen bij de preventie van religieus extremisme;

9.  roept op tot meer samenwerking om vervolging van minderheden op grond van gedachte, geweten, godsdienst of levensovertuiging te voorkomen, de voorwaarden te scheppen voor vreedzame co-existentie tussen gemeenschappen die worden gekenmerkt door diversiteit, en te zorgen voor een permanente dialoog tussen religieuze leiders en actoren, wetenschappers, kerken en andere confessionele organisaties, groepen niet-gelovigen, nationale mensenrechteninstellingen, mensenrechtenverdedigers, organisaties voor vrouwenrechten en de rechten van jongeren, vertegenwoordigers uit het maatschappelijk middenveld, en de media; roept de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en EU-delegaties op om met hun diverse gesprekspartners een reeks gemeenschappelijke doelstellingen vast te stellen om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging via de dialoog over mensenrechten te bevorderen;

10.  is van mening dat religieus analfabetisme, evenals het gebrek aan kennis over en erkenning van de rol die godsdiensten voor een groot deel van de mensheid spelen, vooroordelen en stereotypen voeden, wat bijdraagt aan de toename van spanningen, misverstanden en respectloze en oneerlijke behandeling die verband houden met de opvattingen en het gedrag van grote delen van de bevolking; benadrukt het belang van onderwijs voor het behouden en opbouwen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging wereldwijd en voor de strijd tegen onverdraagzaamheid; roept de verantwoordelijke personen in de (sociale) media op om een positieve en respectvolle bijdrage te leveren aan openbare debatten, teneinde negatieve vooroordelen en stereotypen over religies en gelovigen te voorkomen, en om hun vrijheid van meningsuiting op een verantwoordelijke manier uit te oefenen, zoals vereist door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens;

11.  betreurt het feit dat sommige landen wetten hebben, toepassen of willen introduceren waarmee straffen worden opgelegd voor godslastering, bekering of geloofsafval, waaronder de doodstraf; betreurt het feit dat deze wetten in het algemeen tot doel hebben de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting te beperken en vaak worden gebruikt als een vorm van onderdrukking van minderheden en politieke onderdrukking; wijst ook op de situatie in sommige andere landen die te maken hebben met of het risico lopen op conflicten waarin religieuze kwesties de drijvende kracht zijn of als instrument worden ingezet; roept de EU op haar politieke betrokkenheid te vergroten om in haar buitenlands beleid prioriteit te geven aan de inspanningen ten aanzien van alle betrokken deze landen, met het oog op de intrekking van dergelijke discriminerende wetten en de beëindiging van de onderdrukking van mensenrechtenverdedigers en de inkrimping van de ruimte van het maatschappelijk middenveld op religieuze gronden; dringt er bij de EU op aan een mensenrechtendialoog met betrekking tot de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging op te nemen in alle onderhandelingen die worden gevoerd met het oog op de sluiting van overeenkomsten met derde landen;

12.  veroordeelt de aanhoudende detentie van Raif Badawi, winnaar van de Sacharovprijs, na een onwettig proces en dringt er bij de Saudische autoriteiten op aan over te gaan tot zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating;

13.  verzoekt de Pakistaanse autoriteiten de veiligheid van Asia Bibi en haar gezin te waarborgen;

De speciaal gezant voor de bevordering van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging buiten de EU

14.  is ingenomen met het feit dat de speciaal gezant doeltreffende netwerken heeft opgezet binnen de Commissie, alsook met de Raad, het Europees Parlement en andere belanghebbenden; roept de speciaal gezant op om jaarlijks verslag uit te brengen over de bezochte landen en zijn thematische prioriteiten;

15.  roept de Raad en de Commissie op een transparante en alomvattende beoordeling uit te voeren van de doeltreffendheid en toegevoegde waarde van de post van de speciaal gezant in het proces van de verlenging van zijn of haar mandaat; verzoekt de Raad en de Commissie om op basis van deze beoordeling het institutionele mandaat, de capaciteit en de taken van de speciaal gezant op gepaste wijze te ondersteunen door de mogelijkheid te onderzoeken van een meerjarige termijn die jaarlijks wordt herzien en door binnen alle relevante EU-instellingen netwerken te ontwikkelen;

16.  benadrukt dat de taken van de speciaal gezant gericht moeten zijn op de bevordering van de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en levensovertuiging, alsook van het recht om niet te geloven, het recht op geloofsafval en het recht om atheïstische standpunten te huldigen, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de situatie van niet-gelovigen die gevaar lopen; beveelt aan dat de rol van de speciaal gezant onder meer de volgende bevoegdheden omvat: de zichtbaarheid, effectiviteit en samenhang van en verantwoording voor het EU-beleid inzake de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging buiten de EU verbeteren; het Europees Parlement, de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie een jaarlijks voortgangsverslag en een uitvoerig verslag over het mandaat van de speciaal gezant aan het einde daarvan voorleggen; en nauw samenwerken met de Groep rechten van de mens (Cohom) van de Raad;

17.  prijst het werk van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, onder meer op het gebied van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; benadrukt dat bij de ontwikkeling van institutionele mandaten moet worden voorkomen dat de taken en bevoegdheden van de speciaal gezant en de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten elkaar overlappen;

18.  merkt op dat een aantal lidstaten onlangs nieuwe posten heeft gecreëerd met verantwoordelijkheid voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, wier functie vergelijkbaar is met die van de speciaal gezant; benadrukt de noodzaak van een consistente benadering die de rechten van alle religieuze gemeenschappen alsook niet-gelovigen omvat; pleit voor samenwerking tussen de speciaal gezant en de nationale functionarissen die belast zijn met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging buiten hun eigen land, alsmede met de Groep Cohom en het Europees Parlement; roept op tot versterkte samenwerking en gemeenschappelijke en wederzijdse inspanningen tussen de EU-delegaties en de ambassadeurs van de lidstaten, teneinde te zorgen voor een consistente en verenigde stem bij de bevordering van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging buiten de EU en ondersteuning te bieden aan gemeenschappen en personen die te maken hebben met schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging;

19.  beveelt aan de mogelijkheid te overwegen om een informele advieswerkgroep op te richten, bestaande uit vertegenwoordigers van instellingen van de lidstaten op het gebied van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en andere relevante instellingen, alsook vertegenwoordigers van het Europees Parlement en deskundigen, wetenschappers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, waaronder kerken en andere confessionele organisaties en niet-confessionele organisaties;

20.  beveelt aan dat de speciaal gezant de samenwerking met zijn tegenhangers buiten de EU verder ontwikkelt, met name door nauw samen te werken met en ondersteuning te bieden aan de werkzaamheden van de speciale EU-vertegenwoordiger voor de mensenrechten en de verschillende VN-rapporteurs, in het bijzonder de rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, de mogelijkheid te onderzoeken om gezamenlijke EU-VN-initiatieven te ontplooien inzake discriminatie van religieuze groepen en minderheden, alsook van niet-gelovigen en mensen die van godsdienst veranderen, een godsdienst bekritiseren of afstand van een godsdienst doen, en met gezamenlijke voorstellen te komen voor het uitbannen van dergelijke discriminatie; wijst op het voorstel voor het instellen van een officiële, jaarlijkse internationale dag, onder de vlag van de VN, ter herinnering aan alle slachtoffers en overlevenden van religieuze vervolging;

De EU-richtsnoeren over de bevordering en de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

21.  is van mening dat de EU-richtsnoeren een duidelijke reeks politieke lijnen, beginselen, normen en thema's voor prioritaire acties bevatten, alsmede een instrumentarium voor toezicht, evaluatie, verslaglegging en demarches door EU-vertegenwoordigers in derde landen, die tezamen een solide strategische aanpak voor de EU en haar lidstaten vormen waarmee zij een doeltreffende rol kunnen vervullen in de bevordering van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst buiten de EU;

22.  dringt erop aan de EU-richtsnoeren over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging met spoed op doeltreffende wijze ten uitvoer te leggen om de EU een grotere invloed te geven bij het bevorderen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in de wereld; benadrukt dat inzicht in de wijze waarop samenlevingen gevormd en beïnvloed kunnen worden door ideeën, religies en andere vormen van cultuur en levensovertuiging, met inbegrip van niet-gelovigheid, cruciaal is voor een beter begrip van de bevordering van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in het buitenlands beleid van de EU en in internationale samenwerkingsverbanden; dringt erop aan evenveel aandacht te besteden aan de situatie van niet-gelovigen, atheïsten en geloofsafvalligen die te maken hebben met vervolging, discriminatie en geweld;

23.  roept op tot vergroting van de kennis betreffende de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en is in dit verband ingenomen met de inspanningen die de EDEO en de Commissie tot nu toe hebben geleverd om EU-ambtenaren en nationale diplomaten een opleiding te verstrekken op het gebied van religieuze en levensbeschouwelijke geletterdheid en geschiedenis, alsook over de situatie van religieuze minderheden en niet-gelovigen, met inachtneming van de beginselen van pluralisme en neutraliteit; benadrukt echter dat er bredere en systematischere opleidingsprogramma's nodig zijn die ervoor kunnen zorgen dat de EU-richtsnoeren onder de aandacht van de ambtenaren en diplomaten van de EU en de lidstaten worden gebracht en meer worden gebruikt, en dat de samenwerking met de speciaal gezant wordt versterkt; beveelt aan dat academici, kerken en religieuze gemeenschappen en organisaties in al hun diversiteit, alsmede niet-confessionele organisaties, mensenrechtenorganisaties en maatschappelijke organisaties betrokken worden bij dit opleidingsproces; roept de Commissie en de Raad op om adequate middelen ter beschikking te stellen voor dergelijke opleidingsprogramma's;

24.  roept de Commissie en de EDEO op om erop toe te zien dat er een aan de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging gewijd hoofdstuk wordt opgenomen in de EU-jaarverslagen over de mensenrechten en democratie in de wereld en de voortgangsverslagen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren, en dit te doen toekomen aan het Europees Parlement en de Raad; merkt op dat in de EU-richtsnoeren bepaald is dat de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren wordt beoordeeld door de Groep Cohom na een periode van drie jaar, en dat een dergelijke beoordeling niet is medegedeeld of openbaar gemaakt; dringt erop aan dat de beoordeling onverwijld openbaar wordt gemaakt; is van mening dat de beoordeling optimale werkwijzen moet benadrukken, verbeteringspunten moet aangeven en concrete aanbevelingen moet bieden inzake de tenuitvoerlegging, volgens een vast tijdschema en mijlpalen, en jaarlijks moet worden geëvalueerd; dringt erop aan dat de beoordeling wordt opgenomen in de EU-jaarverslagen over de mensenrechten en democratie in de wereld;

25.  onderstreept de verantwoordelijkheden van de contactpunten op het gebied van de mensenrechten, ook in verband met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, binnen alle EU-delegaties en GVDB-missies; dringt erop aan dat er passende middelen worden toegewezen aan deze delegaties en missies om hen in staat te stellen hun werkzaamheden op het gebied van controle, beoordeling en melding van zorgwekkende mensenrechtensituaties uit te voeren, waaronder die met betrekking tot de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging;

26.  herinnert aan het belang van de landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie, waarmee het EU-optreden wordt afgestemd op de specifieke situatie en behoeften van elk land; dringt erop aan gepaste aandacht te besteden aan kwesties die verband houden met de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en richtlijnen op te stellen voor het EU-optreden, zodat deze kwesties kunnen worden behandeld binnen de landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie wanneer de eerbiediging van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst in het gedrang komt; herhaalt zijn verzoek om de leden van het Europees Parlement toegang te geven tot de inhoud van de landenstrategieën inzake mensenrechten en democratie;

Het EU-optreden inzake de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst in multilaterale fora

27.  is ingenomen met de toezegging van de EU om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in multilaterale fora te bevorderen, met name binnen de VN, de Raad van Europa en de OVSE en in het kader van de betrekkingen met de Organisatie van Islamitische Samenwerking (OIS); steunt in dit verband de EU-samenwerking met de speciaal VN-rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens; beveelt aan dat de EU de leiding blijft nemen bij het opstellen van resoluties in de Algemene Vergadering van de VN en de VN-Mensenrechtenraad inzake de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en dat zij probeert allianties aan te gaan en gemeenschappelijke standpunten met derde landen en internationale organisaties te verdedigen; roept de EU en de OIS op te overwegen een gezamenlijke resolutie voor te bereiden inzake de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging binnen het VN-kader;

De financieringsinstrumenten van de EU

28.  uit zijn tevredenheid over het feit dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is aangemerkt als een prioriteit van het financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (EIDHR); neemt kennis van de verhoging van de EIDHR-middelen die zijn toegewezen aan projecten aangaande de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging sinds de vaststelling van de EU-richtsnoeren; roept de Commissie en de EDEO op om erop toe te zien dat de diplomatieke werkzaamheden van de EU ter bevordering van de mensenrechten, met inbegrip van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de projecten die worden gefinancierd door het EIDHR, elkaar wederzijds versterken, en om bij de toewijzing van middelen de beginselen van pluralisme, neutraliteit en billijkheid in acht te nemen; benadrukt dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging behalve door de op mensenrechten gerichte fondsen ook ondersteund kan worden door andere instrumenten, bijvoorbeeld fondsen die zich richten op conflictpreventie of onderwijs en cultuur; roept de Commissie en de Raad op om binnen het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021-2027 voldoende middelen te behouden voor projecten die gerelateerd zijn aan de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging via de financieringsinstrumenten voor het externe optreden van de EU; pleit ervoor dat het EIDHR de middelen krijgt de bescherming of exfiltratie van vrijdenkers en mensenrechtenverdedigers die in hun herkomstland worden bedreigd of vervolgd te financieren;

29.  verzoekt om meer transparantie bij de toewijzing van financiële middelen en controle op het gebruik van middelen door religies en hun activiteiten;

30.  benadrukt dat de EU met betrekking tot haar beleid op het gebied van vrede, veiligheid, conflictpreventie, ontwikkeling en samenwerking geconfronteerd wordt met moeilijkheden, waarvoor oplossingen kunnen worden gevonden met de medewerking van onder meer kerken, religieuze leiders, academici, religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen en verenigingen en zowel confessionele als niet-confessionele organisaties, die allemaal een belangrijk onderdeel vormen van het maatschappelijk middenveld; erkent dat het belangrijk is rekening te houden met de verscheidenheid aan kerken, religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen en verenigingen en confessionele en niet-confessionele organisaties die daadwerkelijk ontwikkelings- en humanitair werk verrichten voor en met deze gemeenschappen; roept de Raad en de Commissie op om, waar gepast, doelstellingen en activiteiten die verband houden met de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging op te nemen in de programmering van de financieringsinstrumenten die verbonden zijn aan die beleidsgebieden, namelijk het EOF, DCI, ENI, IcSP en IPA, alsook eventuele andere instrumenten die na 2020 op de relevante gebieden worden ingevoerd;

o
o   o

31.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EDEO, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Naties.

(1) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 174.
(2) PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 53.
(3) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 77.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0500.
(5) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 130.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0502.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0494.
(8) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 85.


Gendergelijkheid en belastingbeleid in de EU
PDF 182kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2019 over gendergelijkheid en belastingbeleid in de EU (2018/2095(INI))
P8_TA(2019)0014A8-0416/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 8, 10, 11, 153 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 23 en 33 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het EU‑actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2016 over gendergelijkheid (00337/2016),

–  gezien het aan de conclusies van de Raad van 7 maart 2011 gehechte Europees pact voor gendergelijkheid voor de periode 2011‑2020 (07166/2011),

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), met name artikel 14 inzake het verbod op discriminatie,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en het VN‑rapport getiteld "Final study on illicit financial flows, human rights and the 2030 Agenda for Sustainable Development" van de onafhankelijke deskundige inzake de effecten van buitenlandse schulden en andere internationale financiële verplichtingen van staten met betrekking tot de volledige uitoefening van alle mensenrechten, met name economische, sociale en culturele rechten, van 15 januari 2016,

–  gezien het VN‑verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979,

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking die op 15 september 1995 tijdens de vierde wereldvrouwenconferentie werden aangenomen en de slotdocumenten van de bijzondere zittingen van de VN Peking +5 (2000), Peking +10 (2005), Peking +15 (2010) en Peking +20 (2015),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), en artikel 3 daarvan dat "gender" definieert als "de sociaal geconstrueerde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die een bepaalde maatschappij passend acht voor vrouwen en mannen", en het Inter‑Amerikaans Verdrag ter voorkoming, bestraffing en uitbanning van geweld tegen vrouwen (Verdrag van Belém do Pará) van 1994,

–  gezien resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN van 25 september 2015, getiteld "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling",

–  gezien de belangrijke verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake gendergelijkheid, waaronder het Verdrag betreffende gelijke beloning (nr. 100), het Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep) (nr. 111), het Verdrag betreffende arbeiders met gezinsverantwoordelijkheid (nr. 156) en het Verdrag betreffende de bescherming van het moederschap (nr. 183),

–  gezien het werkdocument met aanbevelingen, ingediend bij het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen door de organisaties Centre for Economic and Social Rights (CESR), Alliance Sud, Global Justice Clinic at New York University School of Law, Public Eye en Tax Justice Network, getiteld "Swiss Responsibility for the Extraterritorial Impacts of Tax Abuse on Women's Rights", waarin wordt gewezen op de onevenredige belastingdruk op vrouwen, met name vrouwen met een laag inkomen en vrouwen in ontwikkelingslanden, die het gevolg is van het verlies van overheidsinkomsten als gevolg van grensoverschrijdende belastingfraude,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015, getiteld "Strategic engagement for gender equality 2016‑2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien de Europa 2020‑strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei van de Commissie,

–  gezien de landenverslagen van de Commissie in het kader van het Europees Semester 2018,

–  gezien het verslag van de Commissie van 2017 over de gelijkheid van mannen en vrouwen in de Europese Unie,

–  gezien het verslag van de Commissie, getiteld "Taxation Trends in the European Union – Data for the EU Member States, Iceland and Norway, 2018 Edition",

–  gezien het verslag van de Commissie van 8 mei 2018 over de ontwikkeling van kinderopvangfaciliteiten voor jonge kinderen met het oog op een verbetering van de arbeidsparticipatie van vrouwen, een beter evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en het ontstaan van duurzame en inclusieve groei in Europa (de "doelstellingen van Barcelona") (COM(2018)0273),

–  gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten,

–  gezien het voorstel van 18 januari 2018 voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat de btw-tarieven betreft (COM(2018)0020),

–  gezien de gendergelijkheidsindex van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE),

–  gezien het verslag van VN-Vrouwen uit 2015 getiteld "Progress of the world's women 2015-2016: Transforming economies, realizing rights",

–  gezien het eindrapport 2005 van de groep deskundigen van de Raad van Europa voor genderbudgettering, waarin genderbudgettering wordt gedefinieerd als "een op gender gebaseerde beoordeling van begrotingen, waarbij het genderperspectief op alle niveaus van de begrotingsprocedure wordt geïntegreerd en inkomsten en uitgaven worden geherstructureerd om gendergelijkheid te bevorderen",

–  gezien de studie van de onderzoeksdienst van het Europees Parlement van 2015, getiteld "Bringing transparency, coordination and convergence to corporate tax policies in the European Union – I – Assessment of the magnitude of aggressive corporate tax planning",

–  gezien de slotopmerkingen van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen over extraterritoriale verplichtingen in verband met het gendereffect van illegale geldstromen en ontwijking van de vennootschapsbelasting m.b.t. Zwitserland (2016) en Luxemburg (2018)(1),

–  gezien de beleidsnota van het Institute of Development Studies van 2016, getiteld "Redistributing Unpaid Care Work – Why Tax Matters for Women's Rights",

–  gezien de studie van beleidsondersteunende afdeling C: Rechten van de burger en Constitutionele Zaken van het Parlement van april 2017, getiteld "Gender equality and taxation in the European Union",

–  gezien het verslag van VN-Vrouwen van april 2018, getiteld "Gender, taxation and equality in developing countries",

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over de rol van vrouwen in de groene economie(2),

–  gezien het OESO-rapport over de uitvoering van de aanbevelingen van de OESO inzake gendergelijkheid (juni 2017) en de Tax and Benefit Models 2015 van de OESO,

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(3),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU(4),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over armoede: een genderperspectief(5),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014‑2015(6),

–  gezien zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(7),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0416/2018),

A.  overwegende dat in de artikelen 2 en 3 van het VEU is neergelegd dat non-discriminatie en gelijkheid van vrouwen en mannen behoren tot de doelstellingen van de EU en tot de waarden waarop de Unie berust; overwegende dat de Europese Unie er op grond van de artikelen 8 en 10 VWEU toe gehouden is er bij de omschrijving en uitvoering van haar beleid en optreden naar te streven ongelijkheden op te heffen, de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en discriminatie te bestrijden; overwegende dat het Handvest van de grondrechten rechten en beginselen bevat die verwijzen naar het verbod op directe en indirecte discriminatie (artikel 21, lid 1) en gelijkheid van vrouwen en mannen (artikel 23); overwegende dat de in het Handvest neergelegde rechten rechtstreeks van belang zijn voor de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen (artikel 51 van het Handvest);

B.  overwegende dat er in de Europese Unie nog altijd sprake is van ondervertegenwoordiging van vrouwen op de arbeidsmarkt en dat de totale arbeidsparticipatie van vrouwen nog altijd bijna 12 % lager ligt dan de arbeidsparticipatie van mannen; overwegende dat 31,5 % van de werkende vrouwen in de EU in deeltijd werkt, en dat dit percentage bij werkende mannen op 8,2 % ligt;

C.  overwegende dat het van het allergrootste belang is dat de arbeidsparticipatiekloof tussen vrouwen en mannen wordt aangepakt en dat de genderpensioenkloof, die momenteel in de EU gemiddeld bijna 40 % bedraagt en die het gevolg is van het feit dat vrouwen gedurende hun leven met diverse ongelijkheden te maken krijgen en vaak periodes van hun leven niet op de arbeidsmarkt actief zijn, wordt verkleind;

D.  overwegende dat de loonkloof tussen vrouwen en mannen in de EU momenteel 16 % bedraagt, hetgeen inhoudt dat vrouwen in de EU in alle economisch sectoren gemiddeld per uur 16 % minder verdienen dan mannen;

E.  overwegende dat het cumulatieve effect van de diverse kloven (de loonkloof en de arbeidsparticipatiekloof, loopbaanonderbrekingen, onderbrekingen wegens de zorg voor kinderen en het feit dat vrouwen vaker in deeltijd werken) in aanzienlijke mate bijdraagt aan de loon- en pensioenkloof tussen vrouwen en mannen, en dat vrouwen daardoor een groter risico lopen op armoede en sociale uitsluiting, met alle negatieve gevolgen van dien voor hun kinderen en gezin;

F.  overwegende dat er in het actieprogramma van Peking op wordt gewezen dat beleidsmaatregelen en programma's, onder meer op het gebied van belastingen, vanuit genderperspectief moeten worden bekeken, en dat er zo nodig aanpassingen moeten worden doorgevoerd om te zorgen voor een billijker verdeling van productiemiddelen, welvaart, kansen, inkomen en diensten;

G.  overwegende dat in het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen is bepaald dat binnen gezinnen ten aanzien van elk gezinslid de beginselen van gelijkheid, rechtvaardigheid en individuele ontplooiing geëerbiedigd moeten worden, en dat vrouwen recht hebben op gelijke behandeling en ook op het gebied van het belastingrecht behandeld moeten worden als individuele, autonome burgers en niet als personen die afhankelijk zijn van mannen;

H.  overwegende dat de lidstaten, als ondertekenaars van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, zich ertoe hebben verbonden maximaal gebruik te maken van de hun ter beschikking staande middelen om steeds nader tot een algehele verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten te komen;

I.  overwegende dat regelgeving inzake personenbelasting die vrouwen impliciet benadeelt wat betreft de toegang tot werkgelegenheid, arbeidsvoorwaarden of door de werkgever verstrekte pensioenen, in strijd kan zijn met artikel 14 van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad(8) van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(9);

J.  overwegende dat in het werkdocument van de diensten van de Commissie "Strategic Engagement for Gender Equality (2016-2019)" gebieden worden genoemd waarop gendergelijkheid essentieel is, zoals belastingbeleid, maar geen bindende voorschriften zijn opgenomen en evenmin wordt opgeroepen tot een grotere inzet inzake gendermainstreaming op het niveau van de lidstaten;

K.  overwegende dat er binnen het belastingbeleid sprake kan zijn van expliciete of impliciete genderdiscriminatie; overwegende dat er sprake is van expliciete genderdiscriminatie als er verschillende belastingbepalingen gelden voor mannen en vrouwen, en dat er sprake is van impliciete genderdiscriminatie als op papier voor iedereen dezelfde regels gelden, maar in de praktijk sprake is van ongelijkheid omdat de betreffende belastingbepaling vanwege verschillen in gedragingen/inkomenspatronen niet dezelfde gevolgen heeft voor vrouwen als voor mannen; overwegende dat de meeste lidstaten belastingvoorschriften die uitdrukkelijk onderscheid maken tussen mannen en vrouwen hebben afgeschaft, maar dat impliciete verschillen op belastinggebied zich nog steeds in de hele EU voordoen vanwege de wisselwerking tussen belastingvoorschriften en de sociaaleconomische werkelijkheid;

L.  overwegende dat beleidskeuzes inzake het genereren en herverdelen van inkomsten onevenredige gevolgen kunnen hebben voor het inkomen en de financiële zekerheid van vrouwen, en de toegang van vrouwen tot kwalitatief hoogwaardige openbare diensten kunnen beperken, waardoor het vermogen van vrouwen om hun economische en sociale rechten uit te oefenen alsmede de vooruitgang in de richting van gendergelijkheid worden ondermijnd;

M.  overwegende dat het gebrek aan aandacht voor genderaspecten binnen het belastingbeleid op Europees en nationaal niveau de bestaande verschillen tussen vrouwen en mannen (op het gebied van werkgelegenheid, inkomen, onbetaald werk, pensioenen, armoede, welvaart enz.) vergroot, vrouwen ontmoedigt zich op de arbeidsmarkt te begeven en te blijven werken, en traditionele genderrollen en stereotypes bekrachtigt;

N.  overwegende dat de ontwikkeling van belastingbeleid een essentieel onderdeel is van de Europa 2020‑strategie; overwegende dat het Europees semester zich vooral richt op het waarborgen van de naleving van het stabiliteits- en groeipact en dat in prioriteiten en aanbevelingen, met name op het gebied van belastingen, over het algemeen geen aandacht wordt besteed aan genderaspecten;

O.  overwegende dat het regressieve karakter van de veranderingen die de lidstaten de afgelopen decennia op het gebied van de belasting op arbeid, vennootschappen, consumptie en vermogen hebben doorgevoerd, heeft geleid tot een afname van het herverdelingseffect van belastingstelsels en tot een toename van inkomensongelijkheden; overwegende dat deze structurele verandering op het gebied van belastingheffing de belastingdruk heeft verschoven naar groepen met een laag inkomen en dus met name naar vrouwen, vanwege de ongelijke inkomensverdeling tussen vrouwen en mannen, het geringe aantal vrouwen in de categorie grootverdieners, de bovengemiddelde consumptieratio's voor vrouwen met betrekking tot basisgoederen en -diensten en het feit dat van het totale inkomen van vrouwen een relatief groot deel bestaat uit inkomen uit arbeid en een relatief klein deel uit inkomen uit vermogen(10);

P.  overwegende dat vrouwen met name kunnen lijden onder economische ongelijkheid omdat de inkomensverdeling tussen vrouwen en mannen ongelijk is, slechts een gering percentage van alle grootverdieners vrouw is, en van het totale inkomen van vrouwen het grootste deel bestaat uit inkomen uit arbeid en een veel kleiner deel uit inkomen uit kapitaal(11);

Q.  overwegende dat de gemiddelde vennootschapsbelastingtarieven sinds de jaren 80 enorm zijn gedaald, van 40 % tot 21,9 % in 2018, terwijl de tarieven voor verbruiksbelastingen (waarvan de btw een grote component is) sinds 2009 zijn gestegen tot 20,6 % in 2016(12);

R.  overwegende dat in het huidige macro-economische beleid meer rekening moet worden gehouden met het belang van onbetaalde zorg en huishoudelijk werk en overwegende dat uit gegevens blijkt dat 80 % van de zorg in de EU wordt verleend door onbetaalde zorgverleners, en dat 75 % daarvan vrouwen zijn; overwegende dat bepaalde belastingmaatregelen en onderfinanciering van overheidsdiensten en van de toegang tot sociale voorzieningen onevenredig grote gevolgen hebben voor groepen met een laag inkomen, en met name voor vrouwen, aangezien zij vaak, zonder dat zij daarvoor worden betaald, de gaten dichten in de zorg, de opvoeding en andere vormen van gezinsondersteuning, waardoor de onevenredig grote verantwoordelijkheid van vrouwen voor zorgtaken in stand wordt gehouden; overwegende dat het de armste en kwetsbaarste vrouwen in de EU-landen zijn die de dubbele last dragen van informele zorg en laagbetaald onzeker werk(13);

S.  overwegende dat bijna alle lidstaten met betrekking tot de inkomstenbelasting een duaal systeem hanteren, in die zin dat zij een hoger marginaal belastingtarief toepassen op het inkomen van de tweede verdiener en uniforme belastingtarieven hebben ingevoerd voor de meeste soorten inkomsten uit vermogen; overwegende dat de onevenredig hoge belastingdruk die er in de meeste lidstaten op tweede verdieners ligt als gevolg van de directe progressieve belastingregelingen die gelden voor inkomsten uit arbeid, een van de belangrijkste redenen is waarom de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt zo laag blijft(14), naast andere belastingbepalingen en voorschriften inzake sociale zekerheid, alsook de kosten van en het gebrek aan kinderopvang;

T.  overwegende dat de niveaus van de inactiviteitsval (momenteel 40 %) en de lage-inkomensval, die vrouwen onevenredig zwaar treffen en hen ontmoedigen om ten volle deel te nemen aan de arbeidsmarkt, in belangrijke mate worden bepaald door bepalingen inzake directe belastingen en door het verlies van socialezekerheidsvoorzieningen;

U.  overwegende dat in sommige lidstaten gezinnen nog altijd recht hebben op belastingverlaging als een van de partners ten laste van de andere komt, dat er lidstaten zijn waar getrouwde stellen recht hebben op een toeslag en/of waar gezinnen met één kostwinner recht hebben op belastingkredieten, waardoor de asymmetrieën met eenoudergezinnen (waarbij in de meeste gevallen een vrouw de alleenstaande ouder is) in stand worden gehouden en geen rekening wordt gehouden met de diversiteit van gezinssituaties in de EU; overwegende dat dergelijke belastingvoordelen in veel gevallen de vrouwelijke partner ontmoedigen om te gaan werken en er direct of indirect toe leiden dat vrouwen hun tijd aan onbetaald werk besteden in plaats van aan betaald werk;

V.  overwegende dat de invloed van belastingheffing op de genderkloof op het gebied van vermogen uit onderneming, persoonlijk vermogen en eigendom een onderontwikkeld onderzoeksterrein is en dat er dringend voor moet worden gezorgd dat op deze gebieden naar geslacht uitgesplitste gegevens beschikbaar komen;

1.  verzoekt de Commissie om in alle beleidsmaatregelen inzake belastingen gendergelijkheid te ondersteunen en de lidstaten specifieke richtsnoeren en aanbevelingen te doen toekomen, om een einde te maken aan belastinggerelateerde genderdiscriminatie en om ervoor te zorgen dat er geen nieuwe belastingen, wetten inzake overheidsuitgaven, programma's of praktijken worden vastgesteld die de verschillen tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt of met betrekking tot het inkomen na belastingen vergroten;

2.  benadrukt dat de lidstaten, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals gedefinieerd in artikel 5, lid 3, VEU, vrij zijn om de regels voor hun belastingbeleid vast te stellen, mits deze in overeenstemming zijn met de EU-regels; benadrukt voorts dat voor EU-besluiten over belastingzaken eenparigheid van stemmen van alle lidstaten vereist is;

3.  verzoekt de Commissie om de ratificering door de EU van het Verdrag inzake de uitbanning van discriminatie van vrouwen te bevorderen, zoals zij ook heeft gedaan met betrekking tot het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en nog steeds doet met betrekking tot het Verdrag van Istanbul;

4.  spoort de Commissie aan om de status van het werkdocument "strategisch engagement voor gendergelijkheid" te versterken door dit als mededeling aan te nemen(15) en daarin duidelijke doelstellingen en kernactiviteiten op te nemen, om de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen door middel van een sectorale analyse, onder meer van belastingaspecten, van alle EU-maatregelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de EU-wetgeving ter voorkoming van indirecte en directe discriminatie op grond van geslacht naar behoren ten uitvoer wordt gelegd en dat de vooruitgang op dit gebied systematisch wordt gecontroleerd, om de gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen te waarborgen;

Directe belastingheffing

Inkomstenbelasting

5.  merkt op dat het belastingbeleid verschillende gevolgen heeft voor verschillende soorten huishoudens (huishoudens met twee kostwinners, huishoudens met één kostwinner (man of vrouw), enz.) wijst op de negatieve gevolgen van het niet-stimuleren van de arbeidsparticipatie en de economisch onafhankelijkheid van vrouwen en wijst tevens op de grote genderpensioenkloof die het gevolg is van het feit dat echtparen gezamenlijk worden belast; is van oordeel dat belastingstelsels niet langer gebaseerd moeten worden op de aanname dat gezinnen hun financiële middelen bundelen en gelijkelijk verdelen, en dat individuele belastingheffing cruciaal is om rechtvaardigheid voor vrouwen op fiscaal vlak te realiseren; vindt het essentieel dat mannen en vrouwen gelijke verdieners en gelijke verzorgers worden; verzoekt alle lidstaten om gefaseerd over te gaan tot individuele belastingheffing, maar daarbij alle financiële en overige voordelen die in bestaande systemen van gezamenlijke belastingheffing gekoppeld zijn aan het ouderschap te behouden; beseft dat in sommige lidstaten wellicht een overgangsperiode nodig is om over te stappen op een dergelijk individueel belastingstelsel; dringt erop aan dat tijdens een dergelijke overgangsperiode alle belastinguitgaven op basis van gezamenlijke inkomens worden geschrapt en wijst erop dat ervoor moet worden gezorgd dat alle belastingvoordelen, uitkeringen en overheidsdiensten in natura aan individuen worden gegeven, om hun financiële en maatschappelijke autonomie te waarborgen;

6.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie van 20 november 2017, getiteld "EU-actieplan 2017-2019 - De loonkloof tussen vrouwen en mannen aanpakken" (COM(2017)0678), waarin de Commissie acht actielijnen formuleert en de lidstaten aanspoort om meer inspanningen te leveren om de loonkloof tussen vrouwen en mannen doeltreffend aan te pakken om de economische situatie van vrouwen te verbeteren en hun economische onafhankelijkheid te waarborgen;

7.  stelt vast dat in 2014 het gemiddelde belastingtarief voor tweede verdieners met twee kinderen in de EU-lidstaten die lid zijn van de OESO gemiddeld 31 % bedroeg en dat dit percentage voor alle OESO-landen samen gemiddeld op 28 % lag; verzoekt de Commissie de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid in de lidstaten voortdurend te controleren en te versterken om ervoor te zorgen dat ongelijkheden op de arbeidsmarkt en op belastinggebied worden weggewerkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten de horizontale en verticale segregatie op de arbeidsmarkt aan te pakken door een einde te maken aan genderongelijkheid en discriminatie op de arbeidsmarkt en door, met name via onderwijs en voorlichting, meisjes en vrouwen te stimuleren om te gaan studeren, werken en een loopbaan na te streven in innovatieve groeisectoren, onder meer op het gebied van ICT en wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM);

8.  verzoekt de lidstaten om ervoor te zorgen dat fiscale prikkels in verband met de participatie op de arbeidsmarkt en zelfstandig ondernemerschap genderneutraal zijn, en na te denken over fiscale prikkels en andere fiscale voordelen of diensten voor tweede verdieners en alleenstaande ouders; verzoekt de lidstaten voorts om na te denken over oplossingen voor het probleem van de ondervertegenwoordiging van vrouwen op de arbeidsmarkt, en om eventuele negatieve economische prikkels die tweede verdieners ervan weerhouden de arbeidsmarkt te betreden, weg te nemen; merkt op dat genderdiscriminatie zich ook kan voordoen in verband met werkgerelateerde belastingvrijstellingen en -verlagingen, zoals een gunstige fiscale regeling voor gewerkte overuren, die hoofdzakelijk ten goede komen aan beroepsgroepen die vooral uit mannen bestaan;

9.  verzoekt de lidstaten om het progressieve karakter van hun stelsels voor inkomstenbelasting niet af te bouwen, bijvoorbeeld in een poging om de inkomstenbelasting te vereenvoudigen;

10.  is van mening dat de inkomstenbelasting (tariefstructuur, belastingvrijstellingen, aftrekmogelijkheden, toelagen, kredieten, enz.) zo ontworpen moet zijn dat daarmee een gelijke verdeling van betaald en onbetaald werk, inkomen en pensioenrechten tussen vrouwen en mannen bevorderd wordt, en dat prikkels die ertoe leiden dat ongelijke genderrollen blijven bestaan, worden weggenomen;

11.  is van mening dat vrouwen als gevolg van de ongelijkheden op de arbeidsmarkt onevenredig zwaar kunnen worden getroffen door bepaalde belastingbeleidsmaatregelen; is van mening dat dit probleem het best kan worden aangepakt door middel van een hervorming van het arbeidsmarktinstrumenten om de kwestie van de economische onafhankelijkheid van vrouwen op te lossen; verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen onderzoek te bevorderen naar de gevolgen van de genderpensioenkloof en de economische onafhankelijkheid van vrouwen, rekening houdend met de vergrijzing, de genderverschillen in gezondheid en levensverwachting, het feit dat gezinsstructuren zijn veranderd, de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens, en verschillen in de persoonlijke situatie van vrouwen;

Vennootschapsbelasting

12.  verzoekt de lidstaten waarvan in het kader van het Europees semester is vastgesteld dat zij agressieve belastingplanning faciliteren, hun wetgeving aan te passen en deze regelingen zo snel mogelijk te beëindigen(16); is bezorgd over het gevaar dat de lidstaten, ondanks hun inspanningen om de grondslagen voor de vennootschapsbelasting te coördineren, nieuwe regelingen zullen vinden op grond waarvan agressieve belastingplanning door vennootschappen mogelijk wordt, en dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om andere bronnen van belasting te vinden (zoals verbruiksbelastingen), die onevenredige gevolgen hebben voor vrouwen;

13.  verzoekt de lidstaten om de fiscale stimuli of belastingverlichting die zij vennootschappen bieden aldus te rationaliseren dat zij vooral kleine ondernemingen ten goede komen en reële innovatie stimuleren, en om vooraf en achteraf de potentiële effecten van deze stimuli op de gendergelijkheid te beoordelen;

Belasting van kapitaal en vermogen

14.  merkt op dat vennootschapsbelasting en vermogensbelasting een belangrijke bijdrage leveren aan het verkleinen van ongelijkheid, omdat zij zorgen voor herverdeling via het belastingstelsel en voor inkomsten waaruit sociale voorzieningen en sociale overdrachten gefinancierd kunnen worden;

15.  merkt op dat de tekortschietende beschikbaarheid van, de hoge kosten van en de niet toereikende infrastructuur voor goede kinderopvang nog altijd belangrijke belemmeringen vormen voor gelijke deelname van met name vrouwen op alle maatschappelijke terreinen, waaronder werk; verzoekt de lidstaten om door middel van krachtiger fiscale maatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van fiscale prikkels, te werken aan een betere beschikbaarheid en toegankelijkheid van betaalbare en goede kinderopvang, en het voor vrouwen gemakkelijker te maken een betaalde baan aan te nemen en een bijdrage te leveren aan een eerlijker verdeling van betaald en onbetaald werk binnen het gezin, en op die manier de genderloonkloof en de genderpensioenkloof te verkleinen; benadrukt dat dit beleid gericht moet zijn op de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt, en met name op gezinnen met een laag inkomen, alleenstaande ouders en andere kansarme groepen;

16.  verzoekt de lidstaten om volledige tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten, die onder meer discriminatie op grond van geslacht bij de levering van financiële goederen en diensten op het gebied van verzekeringen en aanverwante gebieden aan de orde stelt en verbiedt; vraagt dat gegevens worden verzameld om nauwkeurige informatie te verkrijgen over mogelijke hiaten in het implementatieproces; benadrukt dat eigendom van onroerend goed beheerst wordt door het subsidiariteitsbeginsel en er in de EU geen wetgeving betreffende eigendom van onroerend goed bestaat die discriminerend zou zijn voor vrouwen of mannen, aangezien het eigendomsrecht bij de eigenaar ligt;

17.  betreurt dat van de totale belastinginkomsten nog altijd slechts een tamelijk klein deel afkomstig is van vermogensbelasting, te weten 5,8 % van de totale belastinginkomsten in de EU-15 en 4,3 % in de EU-28(17);

18.  betreurt dat het aandeel van de kapitaalbelastingen sinds 2002 een dalende trend laat zien, onder meer als gevolg van de algemene tendens die in veel lidstaten valt waar te nemen om op inkomsten uit kapitaal niet langer de reguliere inkomstenbelastingregeling toe te passen, maar kapitaal te belasten tegen een relatief bescheiden vast belastingtarief(18);

Indirecte belastingen

19.  merkt op dat het aandeel van verbruiksbelastingen in de Unie tussen 2009 en 2016 is gestegen; merkt op dat btw gewoonlijk tussen twee derde en drie vierde van de verbruiksbelastingen in de lidstaten uitmaakt en dat btw gemiddeld ongeveer een vijfde van de totale belastinginkomsten in de EU vertegenwoordigt(19);

20.  merkt op dat er sprake is van genderdiscriminatie wanneer de belastingwetgeving raakvlakken heeft met de verhoudingen tussen vrouwen en mannen, normen en economisch gedrag; merkt op dat btw niet genderneutraal is omdat vrouwen andere consumptiepatronen hebben dan mannen en meer goederen kopen en meer diensten afnemen die verband houden met opvoeding of voeding of die hun gezondheid bevorderen(20); is bezorgd dat dit, in combinatie met het lagere inkomen van vrouwen, ertoe leidt dat vrouwen een hogere belastingdruk ondervinden van de btw; verzoekt de lidstaten om btw-vrijstellingen, lagere tarieven en nultarieven in te voeren voor producten en diensten met positieve sociale effecten en effecten op de gezondheid en/of het milieu, in overeenstemming met de lopende herziening van de btw-richtlijn van de EU;

21.  beschouwt "menstruatiearmoede" als een actueel probleem in de EU en wordt hierin gesteund door Plan International UK dat stelt dat naar schatting 1 op de 10 meisjes geen geld heeft voor maandverband of tampons; betreurt dat producten voor vrouwelijke hygiëne en verzorgingsproducten en -diensten voor kinderen, ouderen en personen met een handicap nog steeds niet in alle lidstaten als basisgoederen worden beschouwd; dringt er bij alle lidstaten op aan om geen btw te heffen op zorgproducten en producten bestemd voor de hygiënische bescherming van de vrouw door gebruik te maken van de flexibiliteit die de btw-richtlijn ter zake biedt en dus voor deze essentiële basisproducten een verlaagd tarief van 0 % in te voeren; beseft dat een prijsverlaging door een btw-vrijstelling voor deze producten een enorm voordeel zou opleveren voor jonge vrouwen; steunt de acties die zijn opgezet ter bevordering van een ruime beschikbaarheid van producten voor de hygiënische bescherming van vrouwen en spoort de lidstaten aan om ervoor te zorgen dat er in bepaalde (openbare) ruimten, zoals scholen, universiteiten en opvangvoorzieningen voor daklozen, en voor vrouwen met een laag inkomen aanvullende producten voor hygiënische bescherming beschikbaar zijn, om "menstruatiearmoede" uit te bannen uit alle openbare toiletten in de hele EU;

De effecten van belastingontduiking en -ontwijking op gendergelijkheid

22.  merkt op dat belastingontduiking en -ontwijking in sterke mate bijdragen tot genderongelijkheid in de Unie en wereldwijd, omdat regeringen door deze fenomenen over minder middelen beschikken om de gelijkheid op nationaal en internationaal niveau te vergroten(21);

23.  herinnert aan zijn aanbevelingen van 13 december 2017 na het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(22), en aan de aanbevelingen van eerdere bijzondere commissies (TAX en TAX2), opgesteld om belastingontwijking en belastingontduiking in de EU tegen te gaan; verzoekt de lidstaten om zo snel mogelijk hun goedkeuring te hechten aan openbare verslaglegging per land, een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting voor de EU en een herziene richtlijn interest en royalty's;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om op alle internationale fora, onder meer in het kader van de OESO en de VN, te pleiten voor belastinghervormingen ter bevordering van gendergelijkheid, en de oprichting te steunen van een intergouvernementeel belastingorgaan van de VN, met universeel lidmaatschap, gelijke stemrechten en gelijke participatie van vrouwen en mannen; benadrukt dat dit orgaan goed toegerust moet zijn om specifieke deskundigheid op het gebied van genderbewuste belastingheffing te ontwikkelen;

25.  merkt op dat verdragen tot het vermijden van dubbele belasting tussen lidstaten en ontwikkelingslanden gewoonlijk geen bronbelasting bevorderen, hetgeen voordelig is voor multinationals, maar ten koste gaat van de mogelijkheden van ontwikkelingslanden om binnenlandse financiële middelen in te zetten; merkt op dat het niet kunnen inzetten van binnenlandse financiële middelen ten koste gaat van de financiering van openbare diensten, zoals gezondheidszorg en onderwijs, hetgeen onevenredige gevolgen heeft voor vrouwen en meisjes; dringt er bij de lidstaten op aan om de Commissie te machtigen bestaande verdragen tot het vermijden van dubbele belasting te evalueren, om deze problemen te onderzoeken en aan te pakken en om ervoor te zorgen dat toekomstige verdragen tot het vermijden van dubbele belasting niet alleen algemene bepalingen ter voorkoming van misbruik bevatten, maar ook bepalingen inzake gendergelijkheid;

26.  verzoekt de bijzondere commissie TAX3 om bij het formuleren van aanbevelingen ook genderaspecten aan bod te laten komen;

Gendermainstreaming op het gebied van het belastingbeleid

27.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om hun belastingbeleid regelmatig te onderwerpen aan gendereffectbeoordelingen vanuit gendergelijkheidsperspectief, en daarbij met name te kijken naar het multiplicatoreffect en naar impliciete discriminatie, om te waarborgen dat maatregelen op belastinggebied in de EU niet direct of indirect discriminerend zijn;

28.  verzoekt de lidstaten beste praktijken uit te wisselen met betrekking tot de opzet van hun arbeidsmarkten en belastingstelsels, om de loon- en pensioenkloof tussen vrouwen en mannen te helpen verkleinen en op die manier een eerlijker en gelijkere fiscale behandeling van vrouwen en mannen te bevorderen;

29.  herinnert de Commissie eraan dat zij sinds het Handvest van de grondrechten van de EU bij het Verdrag van Lissabon in het primaire recht werd opgenomen, wettelijk gehouden is om gendergelijkheid in haar beleid en optreden te bevorderen;

30.  beseft dat veel belangenbehartigers en groepen uit het maatschappelijk middenveld zich bij discussies over belastingmaatregelen vanwege een gebrek aan deskundigheid op dit gebied aan de kant geschoven voelen, en dat het bedrijfsleven en financiële actoren dus in veel lidstaten in het kader van raadplegingsprocessen over financiële aangelegenheden oververtegenwoordigd zijn; roept de lidstaten op om hier verandering in te brengen door te voorzien in voorlichting over begrotingsprocessen en het maatschappelijk middenveld gelegenheid te bieden daadwerkelijk te worden gehoord;

31.  verzoekt de Commissie om aan haar wettelijke verplichting om gendergelijkheid te bevorderen te voldoen, ook bij haar beoordelingen van de opzet van belastingbeleid; benadrukt dat bij de evaluaties van de belastingstelsels van de lidstaten in het kader van het Europees semester en de landenspecifieke aanbevelingen hier grondig naar gekeken moet worden;

32.  verzoekt de Commissie om aan de hand van de prioriteiten van de Europa 2020-strategie structurele zwakheden in de Europese economie aan te pakken, de loon- en pensioenkloof tussen vrouwen en mannen aan te pakken, het concurrentievermogen en de productiviteit van de EU te verbeteren en een duurzame sociale markteconomie te ondersteunen waarvan alle vrouwen en mannen kunnen profiteren;

33.  herinnert aan zijn standpunt met betrekking tot het voorstel voor een richtlijn inzake rapportage per land(23), waarin ambitieuze maatregelen worden voorgesteld ter verbetering van de transparantie op het gebied van belastingen en publiek toezicht op multinationals, omdat daardoor de burgers toegang zouden krijgen tot informatie over de winsten van deze ondernemingen, de subsidies die zij ontvangen en de belastingen die deze ondernemingen betalen in alle rechtsgebieden waar ze activiteiten ontplooien; pleit ervoor dat er in het kader van alle bestaande en toekomstige onderzoeken en beleidsmaatregelen gericht op fiscale rechtvaardigheid een omvattende genderanalyse wordt uitgevoerd, om de transparantie en controleerbaarheid van belastingmaatregelen te vergroten; dringt er bij de Raad op aan om tot onderlinge overeenstemming te komen over het voorstel om onderhandelingen met de andere instellingen aan te gaan met het oog op de invoering van een verplichting om rapportages per land op te stellen, omdat dat een van de belangrijkste maatregelen is om alle burgers meer transparantie te bieden inzake de belastinggegevens van ondernemingen; herinnert eraan dat het belangrijk is dat de lidstaten de neveneffecten van de materiële effecten van hun belastingmaatregelen regelmatig analyseren, en onder meer onderzoek doen naar eventuele genderdiscriminatie binnen hun belastingbeleid en naar hun vermogen om binnenlandse belastinginkomsten te genereren die ingezet kunnen worden ten behoeve van vrouwenrechten, en wijst erop dat er in het kader van het Platform inzake goed fiscaal bestuur al stappen op dit gebied gezet zijn;

34.  merkt op dat gendergelijkheid niet alleen een fundamenteel mensenrecht is, maar dat de verwezenlijking ervan kan bijdragen tot een meer inclusieve en duurzame groei; benadrukt dat door middel van een begrotingsanalyse vanuit genderperspectief betere informatie kan worden verkregen over de gevolgen van de verdeling van overheidsinvesteringen voor mannen en vrouwen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om genderbewust te budgetteren en wel op zo'n manier dat volledig duidelijk is welk aandeel van de overheidsmiddelen ten goede komt aan vrouwen en dat ervoor wordt gezorgd dat alle maatregelen inzake de besteding en toewijzing van middelen gendergelijkheid bevorderen;

35.  verzoekt de Commissie om zich in te zetten voor de verspreiding van beste praktijken op het gebied van belastingbeleid die gendereffecten in aanmerking nemen en gendergelijkheid bevorderen, met name op het gebied van belastingen op gezinsinkomen en btw; verzoekt de Commissie om in haar jaarlijkse verslag "Taxation Trends in the European Union" een genderanalyse op te nemen;

36.  betreurt het in dit verband dat er ondanks de gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming in de bijlage bij de MFK-verordening 2014‑2020, geen significante vooruitgang op dit gebied is geboekt en dat de Commissie bij de tussentijdse herziening van het MFK geen rekening heeft gehouden met de uitvoering ervan; dringt erop aan dat de jaarlijkse begrotingsprocedures de impact van het EU-beleid op gendergelijkheid evalueren en integreren (genderbudgettering); verwacht dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich er opnieuw toe verbinden om gendermainstreaming in het volgende MFK op te nemen, en dat er effectief toezicht op wordt uitgeoefend, ook tijdens de tussentijdse herziening van het MFK, door naar behoren rekening te houden met het in artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgelegde beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen;

37.  dringt bij de lidstaten aan op nakoming van de krachtens het Handvest van de grondrechten van de EU op hen rustende wettelijke verplichting om bij de tenuitvoerlegging van het EU-recht en bij de tenuitvoerlegging van nationaal beleid dat door het EU-recht wordt beheerst gendergelijkheid te bevorderen;

38.  onderstreept dat er meer onderzoek nodig is naar en meer naar gender uitgesplitste gegevens nodig zijn over de verdelings- en allocatieve effecten van het belastingstelsel op de verschillende geslachten; roept, meer bepaald, de lidstaten op om belastinggegevens te verzamelen met betrekking tot individuele personen en niet alleen met betrekking tot gezinnen, en om de gendergerelateerde gegevenslacune inzake consumptiepatronen en de toepassing van verlaagde tarieven, inzake de verdeling van ondernemersinkomen en daarmee samenhangende belastingbetalingen en inzake de verdeling van nettovermogen, kapitaalinkomen en daarmee samenhangende belastingbetalingen op te vullen;

39.  betreurt dat de meeste lidstaten geen geïndividualiseerde gegevens verzamelen of analyseren met betrekking tot de inkomstenbelasting, en dat veel lidstaten alleen nog maar gegevens op gezinsniveau verzamelen op basis van de bepalingen inzake gezamenlijke belastingheffing;

40.  moedigt de lidstaten aan om in het kader van hun beleid een passende structuur op te zetten met belastingprikkels die migrantenvrouwen ertoe bewegen om (weer) een opleiding te gaan volgen of (weer) aan het werk te gaan;

o
o   o

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) CEDAW/C/CHE/CO/4-5, par. 40-43 (Zwitserland 2016); CEDAW/C/LUX/CO/6-7, par. 10, 15, 16 (Luxemburg 2018).
(2) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 38.
(3) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.
(4) PB C 66 van 21.2.2018, blz. 30.
(5) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 93.
(6) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 49.
(7) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.
(8) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(9) Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.
(10) Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.
(11) Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.
(12) Europese Commissie, DG Belastingen en Douane-Unie, Taxation Trends in the European Union - Data for the EU Member States, Iceland and Norway - 2018 Edition.
(13) Institute of Development Studies, Redistributing Unpaid Care Work – Why Tax Matters for Women's Rights. Beleidsnota. Uitgave 109. Januari 2016.
(14) Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.
(15) Zoals gevraagd in de Conclusies van de Raad over gendergelijkheid van 16 juni 2016.
(16) Europese Commissie, Europees Semester: landenverslagen, 7 maart 2018.
(17) Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.
(18) Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.
(19) Beleidsafdeling C van het Europees Parlement, Gender equality and taxation in the European Union, 2017.
(20) La Fiscalidad en España desde una Perspectiva de Género (2016) - Institut per a l’estudi i la transformació d ela vida quotidiana / Ekona Consultoría.
(21) VN-rapport "Final study on illicit financial flows, human rights and the 2030 Agenda for Sustainable Development" van de onafhankelijke deskundige inzake de effecten van buitenlandse schulden en andere internationale financiële verplichtingen van staten met betrekking tot de volledige uitoefening van alle mensenrechten, met name economische, sociale en culturele rechten, 2016
(22) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0284.

Juridische mededeling - Privacybeleid