Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0198(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0414/2018

Ingediende teksten :

A8-0414/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/02/2019 - 10.4

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0118

Aangenomen teksten
PDF 237kWORD 60k
Donderdag 14 februari 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen ***I
P8_TA(2019)0118A8-0414/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 februari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen (COM(2018)0373 – C8-0228/2018 – 2018/0198(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0373),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 175, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0228/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 5 december 2018(2),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Zweedse Rijksdag en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0414/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 124.
(2) PB C ...


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 februari 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen
P8_TC1-COD(2018)0198

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 175, derde alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt

(1)  In artikel 175, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat, buiten de in de eerste alinea van dat artikel bedoelde fondsen om, specifieke maatregelen kunnen worden vastgesteld om de doelstelling van het VWEU met betrekking tot economische en sociale samenhang te verwezenlijken. Met het oog op de harmonische ontwikkeling van de hele Unie en op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang moet de territoriale samenwerking worden versterkt. Daartoe moeten de nodige maatregelen worden genomen om de voorwaarden waaronder territoriale samenwerkingsacties worden uitgevoerd, te verbeteren.

(2)  Artikel 174 VWEU erkent de uitdagingen waarmee grensregio's worden geconfronteerd en bepaalt dat de Unie bijzondere aandacht aan deze regio's moet besteden wanneer zij haar optreden gericht op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang ontwikkelt en vervolgt. Door de toename van het aantal land- en zeegrenzen hebben de Unie en haar naaste buren van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) 40 interne landgrenzen.

(2 bis)   Om het leven van burgers in aan zeegrenzen gelegen grensoverschrijdende regio's of in grensoverschrijdende regio's tussen de lidstaten en derde landen te verbeteren, moeten de toepassing van deze verordening en het gebruik van een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen uit de weg te ruimen tot alle grensregio's van de Unie worden uitgebreid, met inachtneming van de Uniewetgeving. [Am. 1]

(3)  In haar mededeling "Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU"(4) ("de mededeling over grensregio's") zet de Commissie uiteen dat het Europese integratieproces er de afgelopen decennia toe heeft bijgedragen dat interne grensregio's zijn veranderd van voornamelijk perifere gebieden in gebieden die door groei en nieuwe mogelijkheden worden gekenmerkt. De voltooiing van de eengemaakte markt in 1992 heeft tot meer productiviteit en minder kosten in de Unie geleid dankzij de afschaffing van douaneformaliteiten, de harmonisatie of wederzijdse erkenning van technische voorschriften en lagere prijzen als gevolg van concurrentie. Op tien jaar tijd is de handel binnen de EU met 15 % toegenomen. Er is extra groei gegenereerd en er zijn ongeveer 2,5 miljoen meer banen gecreëerd.

(4)  In de mededeling over grensregio's is ook aangetoond dat grensregio's nog altijd met een aantal juridische belemmeringen te kampen hebben, met name op het gebied van gezondheidsdiensten, arbeidswetgeving, belastingen en bedrijfsontwikkeling, alsook met belemmeringen die verband houden met verschillen tussen administratieve culturen en nationale rechtskaders. Noch de financiering in het kader van Europese territoriale samenwerking, noch de institutionele steun voor samenwerking van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS'en) volstaat om deze belemmeringen, die reële obstakels voor effectieve samenwerking vormen, uit de weg te ruimen.

(5)  Sinds 1990 hebben grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's in de grensregio's van de Unie (met inbegrip van de grensregio's die aan EVA-landen grenzen) steun ontvangen via programma's in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking, beter bekend als "Interreg"(5). Interreg heeft duizenden projecten en initiatieven gefinancierd om de Europese integratie te bevorderen. De Interreg-programma's hebben onder meer de volgende belangrijke resultaten opgeleverd: meer vertrouwen, een hogere connectiviteit, een gezonder milieu, een betere volksgezondheid en economische groei. De door Interreg gefinancierde projecten en initiatieven – van projecten tussen mensen tot investeringen in infrastructuur en steun voor institutionele samenwerking – hebben een echt verschil in de grensregio's gemaakt en bijgedragen tot de metamorfose van deze regio's. Interreg heeft ook samenwerking rond bepaalde zeegrenzen ondersteund. Voor aan zeegrenzen gelegen regio's vormen juridische belemmeringen echter een veel minder groot probleem, aangezien het fysiek onmogelijk is om de grens dagelijks of meerdere malen per week over te steken om te werken, onderwijs of opleiding te volgen, boodschappen te doen, de faciliteiten en diensten van algemeen economisch belang te gebruiken, of een combinatie daarvan, of voor snelle noodinterventies.

(6)  De financiële steun voor grensoverschrijdende samenwerking van Interreg is aangevuld met de sinds 2006 uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad(6) opgerichte EGTS'en. Overeenkomstig artikel 7, lid 4, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1082/2006 kunnen EGTS'en echter geen regelgevende bevoegdheden uitoefenen om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen.

(7)  In haar mededeling over grensregio's verwijst de Commissie onder meer naar een initiatief dat in 2015 onder het Luxemburgse voorzitterschap werd opgestart: een aantal lidstaten denkt na over de waarde van een nieuw instrument om grensoverschrijdende projecten te vereenvoudigen door het mogelijk te maken dat – op vrijwillige basis en met de instemming van de bevoegde autoriteiten – de regels van een lidstaat ook in de naburige lidstaat gelden. Dit zou van toepassing zijn op een in de tijd beperkt en door de lokale of regionale instanties opgezet specifiek project in een grensregio.

(8)  Hoewel er in bepaalde regio's van de Unie op intergouvernementeel, regionaal en lokaal niveau al een aantal effectieve mechanismen voor grensoverschrijdende samenwerking bestaan, bestrijken deze niet alle grensregio's van de Unie. Om de bestaande stelsels aan te vullen, moet bijgevolg een vrijwillig mechanisme worden ingesteld om juridische en administratieve belemmeringen in alle grensregio's uit de weg te ruimen ("het mechanisme"), maar dit belet niet dat er alternatieve vergelijkbare mechanismen worden gecreëerd op basis van specifieke behoeften op nationaal, regionaal of lokaal niveau. [Am. 2]

(9)  Met het oog op de volledige eerbiediging van de constitutionele en institutionele structuur van de lidstaten moet is het gebruik van het mechanisme vrijwillig zijn in de grensregio's van een bepaalde lidstaat waar al een ander effectief mechanisme bestaat of dit samen met de naburige lidstaat kan worden ingesteld. Het mechanisme moet bestaan uit twee maatregelen: de ondertekening en de sluiting van een Europese grensoverschrijdende verbintenis ("de verbintenis") of de ondertekening van een Europese grensoverschrijdende verklaring ("de verklaring"). De lidstaten moeten kunnen kiezen voor een instrument dat zij gunstiger achten. [Am. 3]

(9 bis)   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten, landen, entiteiten of regio's in kwestie moeten - in overeenstemming met de in hun grondwet of wetten vastgestelde specifieke bevoegdheden - goedkeuring hechten aan de voorgestelde wettelijke ad-hocoplossing alvorens de verbintenis te sluiten en te ondertekenen of de verklaring te ondertekenen, zoals bedoeld in deze verordening. [Am. 4]

(10)  De verbintenis moet een directe werking hebben, wat betekent dat op grond van de sluiting van de verbintenis bepaalde wettelijke bepalingen van een lidstaat moeten worden toegepast op het grondgebied van de naburige lidstaat. Het moet ook aanvaardbaar zijn dat de lidstaten een wetgevingshandeling moeten vaststellen om de sluiting van een verbintenis mogelijk te maken, om ervoor te zorgen dat niet van een door een wetgevend orgaan formeel vastgestelde nationale wetgeving wordt afgeweken door een andere instantie dan dat wetgevende orgaan, opdat de juridische duidelijkheid en/of de transparantie niet in het gedrang komt.

(11)  De verklaring zou nog een wetgevingsprocedure in de lidstaat vereisen. De instantie die de verklaring sluit, moet formeel verklaren dat zij binnen een bepaalde termijn de nodige wetgevingsprocedure zal inleiden om de doorgaans toepasselijke nationale wetgeving te wijzigen en, bij wijze van een uitdrukkelijke afwijking, de wetgeving van een naburige lidstaat toe te passen, om belemmeringen bij de uitvoering van gezamenlijke grensoverschrijdende projecten weg te nemen. [Am. 5]

(12)  Juridische belemmeringen hebben voornamelijk gevolgen voor personen die actief zijn langs landgrenzen, zoals grensarbeiders, aangezien zij dagelijks of wekelijks de grens oversteken. Teneinde het effect van deze verordening te richten op de regio's die het dichtst bij grenzen liggen en die het hoogste niveau van integratie en interactie tussen naburige lidstaten hebben, moet deze verordening van toepassing zijn op grensoverschrijdende regio's in de zin van het grondgebied dat wordt bestreken door naburige aan landgrenzen land- of zeegrenzen gelegen regio's in twee of meer lidstaten op NUTS‑niveau 3(7). Dit mag de lidstaten niet beletten het mechanisme ook toe te passen op andere zee- en buitengrenzen dan deze met EVA-landen, of op vrijwillige basis met betrekking tot alle betrokken partijen. [Am. 6]

(13)  Teneinde de taken van de verschillende instanties, die in sommige lidstaten nationale en regionale wetgevende organen zullen omvatten, binnen een bepaalde lidstaat en tussen een of meer naburige lidstaten te coördineren, moet elke lidstaat die voor het mechanisme kiest, worden verplicht nationale en, in voorkomend geval, regionale grensoverschrijdende coördinatiepunten op te richten en de taken en bevoegdheden hiervan tijdens de verschillende stappen van het mechanisme – met betrekking tot het opstarten, sluiten, uitvoeren en monitoren van verbintenissen en verklaringen – vast te stellen. [Am. 7]

(14)  De Commissie moet een coördinatiepunt op het niveau van de Unie oprichten, zoals aangekondigd in de mededeling over grensregio's. Het coördinatiepunt moet contact onderhouden met de verschillende nationale en, in voorkomend geval, regionale grensoverschrijdende coördinatiepunten. De Commissie moet een databank van verbintenissen en verklaringen opzetten en beheren overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(8).

(15)  In deze verordening moet de procedure voor de sluiting van een verbintenis of een verklaring worden uiteengezet en moet een beschrijving worden gegeven van de verschillende stappen: voorbereiding en indiening van een opstartdocument, een voorlopige analyse door de lidstaat die de wettelijke bepalingen van de naburige lidstaat zal moeten toepassen, voorbereiding van de te sluiten verbintenis of verklaring, en ten slotte de sluitingsprocedure voor zowel de verbintenis als de verklaring. Ook de elementen die in het opstartdocument alsmede de ontwerpversie en de definitieve versie van de verbintenis of de verklaring moeten worden opgenomen, moeten in detail worden uiteengezet, alsook de toepasselijke termijnen.

(16)  Meer in het bijzonder moet in deze verordening worden vastgesteld wie een initiatiefnemer van een gezamenlijk project kan zijn. Aangezien het mechanisme de uitvoering van gezamenlijke grensoverschrijdende projecten moet verbeteren, moet de eerste groep bestaan uit organen die een dergelijk gezamenlijk project opstarten of dit zowel opstarten als uitvoeren. De term "project" moet in ruime zin worden opgevat en kan betrekking hebben op een specifieke infrastructuurvoorziening en/of een aantal activiteiten in verband met een bepaald grondgebied. Ten tweede moet een lokale of regionale instantie die in een bepaalde grensoverschrijdende regio is gevestigd of in deze grensoverschrijdende regio overheidsgezag uitoefent, worden gemachtigd om het initiatief te nemen om af te wijken van nationale wetgeving die een belemmering vormt, ook al valt wijziging of afwijking van die wetgeving buiten haar institutionele bevoegdheid. Ten derde moeten ten behoeve van de grensoverschrijdende samenwerking opgerichte organen die in een bepaalde grensoverschrijdende regio zijn gevestigd of deze ten minste gedeeltelijk bestrijken, met inbegrip van EGTS'en, of soortgelijke organen waarmee de structurele organisatie van grensoverschrijdende ontwikkeling wordt beoogd, initiatiefnemer zijn. Ten slotte moeten ook in grensoverschrijdende samenwerking gespecialiseerde organen die eveneens op de hoogte kunnen zijn van effectieve oplossingen die elders in de Unie voor een vergelijkbare kwestie worden gevonden, een initiatief kunnen opstarten. Teneinde synergieën tot stand te brengen tussen de organen die rechtstreeks door de belemmering worden getroffen en die welke deskundig zijn op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking in het algemeen, kunnen alle groepen het mechanisme samen opstarten.

(17)  De respectieve nationale of regionale grensoverschrijdende coördinatiepunten die contact onderhouden met alle bevoegde instanties in de desbetreffende lidstaat en met de corresponderende grensoverschrijdende coördinatiepunten in de naburige lidstaat, spelen bij een verzoek om een verbintenis of een verklaring te sluiten de belangrijkste rol in de lidstaten. Ook moet duidelijk worden vastgesteld dat het grensoverschrijdende coördinatiepunt kan bepalen of een procedure voor het sluiten van een verbintenis of een verklaring moet worden opgestart, dan wel voor een of meer juridische belemmeringen al een oplossing is gevonden die kan worden toegepast. Anderzijds moet worden vastgesteld dat de lidstaat waarvan de wettelijke bepalingen in de andere lidstaat moeten worden toegepast, een dergelijke toepassing buiten zijn grondgebied kan weigeren. Alle besluiten moeten naar behoren met redenen worden omkleed en tijdig aan alle partners worden medegedeeld. [Am. 8]

(18)  Bij deze verordening moeten gedetailleerde regels over de uitvoering, toepassing en monitoring van te sluiten en te ondertekenen verbintenissen en verklaringen worden vastgesteld.

(19)  De uitvoering van een verbintenis met directe werking moet bestaan in de toepassing van nationale bepalingen van een andere lidstaat bij de uitvoering van gezamenlijke projecten. Dit moet neerkomen op ofwel de wijziging van de al overeenkomstig de doorgaans toepasselijke nationale wetgeving vastgestelde wettelijk bindende administratieve handelingen, ofwel, wanneer dit nog niet is gebeurd, de vaststelling van nieuwe administratieve handelingen op basis van de wetgeving van een andere lidstaat binnen een door alle partners overeengekomen termijn, om tijdig gezamenlijke projecten te kunnen starten. Wanneer verschillende instanties afzonderlijk bevoegd zijn voor verschillende aspecten van een complexe juridische belemmering moet de verbintenis vergezeld gaan van een tijdschema voor elk van deze aspecten. Gezien het subsidiariteitsbeginsel moet de vaststelling en indiening van die gewijzigde of nieuwe administratieve handelingen in overeenstemming zijn met het nationale recht inzake administratieve procedures. [Am. 9]

(20)  De uitvoering van verklaringen moet voornamelijk bestaan in de voorbereiding en indiening van een wetgevingsvoorstel om bestaande nationale wetgeving te wijzigen of om hiervan af te wijken. Na de vaststelling hiervan moeten deze wijzigingen of afwijkingen openbaar worden gemaakt en vervolgens zoals de verbintenissen worden uitgevoerd door de wijziging en vaststelling van wettelijk bindende administratieve handelingen.

(21)  Uit hoofde van de wettelijk bindende handelingen moet de naleving van de verplichtingen en rechten van de adressaten daarvan worden gemonitord. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben te besluiten of die monitoring wordt toevertrouwd aan de instanties van de lidstaat die zijn wettelijke bepalingen heeft overgedragen, aangezien deze instanties beter vertrouwd zijn met de desbetreffende regels, dan wel aan de instanties van de lidstaat waar die bepalingen worden toegepast, aangezien deze instanties beter vertrouwd zijn met het overige rechtsstelsel van de zich verbindende lidstaten en het op de adressaten toepasselijke recht.

(22)  De bescherming van in grensoverschrijdende regio's gevestigde personen die directe of indirecte gevolgen ondervinden van de toepassing en monitoring van een verbintenis en van de uit hoofde van een verklaring gewijzigde wetgeving, en die zich benadeeld achten door handelingen of nalatigheden die voortvloeien uit de toepassing, moet worden verduidelijkt. Zowel in het geval van verbintenissen als in het geval van verklaringen zou de wetgeving van de naburige lidstaat worden opgenomen in het recht van de zich verbindende lidstaat; bijgevolg moet de juridische bescherming onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de zich verbindende lidstaat vallen, zelfs wanneer de wettelijke verblijfplaats van de desbetreffende persoon zich in de overdragende lidstaat bevindt. Hetzelfde beginsel moet gelden voor de rechtsmiddelen tegen de lidstaat waarvan de administratieve handeling wordt aangevochten. Voor rechtsmiddelen tegen de monitoring van de toepassing van een verbintenis of een verklaring moet echter een andere benadering gelden. Wanneer een instantie van de overdragende lidstaat heeft aanvaard om de toepassing van de gewijzigde wettelijke bepalingen van de zich verbindende lidstaat te monitoren en deze instantie ten aanzien van in het grensoverschrijdende gebied gevestigde personen voor rekening van de instanties van de zich verbindende lidstaat, maar in eigen naam kan handelen, dan moeten de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de wettelijke verblijfplaats van deze personen zich bevindt, bevoegd zijn. Anderzijds moeten, wanneer de bevoegde overdragende instantie niet in eigen naam kan handelen, maar in naam van de bevoegde zich verbindende instantie handelt, de rechterlijke instanties van de zich verbindende lidstaat bevoegd zijn, ongeacht de wettelijke verblijfplaats van de desbetreffende persoon.

(23)  In deze verordening moeten regels worden vastgesteld betreffende de uitvoering ervan, de monitoring van de uitvoering ervan en de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot hun nationale uitvoeringsbepalingen.

(24)  Met het oog op het opzetten van een databank overeenkomstig artikel 8 7 moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om regels vast te stellen betreffende het beheer van de databank, de bescherming van gegevens en het model dat moet worden gebruikt wanneer grensoverschrijdende coördinatiepunten informatie over de uitvoering en het gebruik van het mechanisme indienen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig de raadplegingsprocedure uit hoofde van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(9). Uit praktische overwegingen en met het oog op de coördinatie moet het Coördinatiecomité voor de Europese structuur- en investeringsfondsen het comité zijn dat bevoegd is voor de procedure voor het vaststellen van uitvoeringshandelingen. [Am. 10]

(25)  In de nationale uitvoeringsbepalingen moet worden gespecificeerd welke grensregio's van een bepaalde lidstaat door de verbintenis of de verklaring worden bestreken. Bijgevolg zal de Commissie in staat zijn om te beoordelen of de lidstaat ten aanzien van niet vermelde grenzen voor een ander mechanisme heeft gekozen. [Am. 11]

(26)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht, met name het recht op de bescherming van persoonsgegevens (artikel 8), het recht op onderwijs (artikel 14), de vrijheid van beroep en het recht te werken, met name de vrijheid om in iedere lidstaat werk te zoeken, te werken, zich te vestigen en diensten te verrichten (artikel 15), de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16), toegang tot sociale zekerheid en sociale bijstand (artikel 34), toegang tot gezondheidszorg (artikel 35), en toegang tot diensten van algemeen economisch belang (artikel 36) en een hoog niveau van milieubescherming overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling (artikel 37). [Am. 12]

(27)  De voorwaarden voor territoriale samenwerking moeten worden gerealiseerd overeenkomstig het in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) verankerde subsidiariteitsbeginsel. Lidstaten hebben individuele, bilaterale of zelfs multilaterale initiatieven genomen om juridische belemmeringen voor grensoverschrijdende interactie uit de weg te ruimen. Deze mechanismen bestaan echter niet in alle lidstaten of ten aanzien van alle grenzen van een bepaalde lidstaat. De financieringsinstrumenten (voornamelijk Interreg) en de rechtsinstrumenten (voornamelijk EGTS'en) die tot nu toe op het niveau van de Unie bestaan, volstaan niet om de juridische belemmeringen voor grensoverschrijdende interactie in de gehele Unie uit de weg te ruimen. De doelstellingen van de voorgestelde maatregel kunnen bijgevolg niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt, noch op centraal niveau, noch op regionaal of lokaal niveau, maar kunnen vanwege de omvang of de gevolgen van de voorgestelde maatregel beter op het niveau van de Unie worden verwezenlijkt. Daarom is nader optreden van de Uniewetgever vereist.

(28)  Overeenkomstig het in artikel 5, lid 4, VEU verankerde evenredigheidsbeginsel mogen de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken. De aanwending van het uit hoofde van deze verordening ingestelde specifieke mechanisme om juridische belemmeringen in grensoverschrijdende regio's uit de weg te ruimen geschiedt op vrijwillige basis en belet op geen enkele wijze het gebruik van alternatieve, vergelijkbare instrumenten. Wanneer een lidstaat besluit om ten aanzien van voor een specifieke grens specifiek gezamenlijk project met een of meer naburige lidstaten de juridische belemmeringen in een specifieke grensoverschrijdende regio uit de weg te blijven ruimen met behulp van de effectieve mechanismen die deze lidstaat op nationaal niveau heeft ingesteld of die deze lidstaat formeel of informeel samen met een of meer naburige lidstaten heeft ingesteld, hoeft niet voor het uit hoofde van deze verordening ingestelde mechanisme te worden gekozen. Wanneer een lidstaat besluit om ten aanzien van voor een specifieke grens specifiek gezamenlijk project met een of meer naburige lidstaten toe te treden tot een bestaand effectief mechanisme dat formeel of informeel door een of meer naburige lidstaten is ingesteld, voor zover toetreding tot dit mechanisme mogelijk is, hoeft evenmin voor het uit hoofde van deze verordening ingestelde mechanisme te worden gekozen. Ten slotte hoeft niet voor het uit hoofde van deze verordening ingestelde mechanisme te worden gekozen wanneer een lidstaat besluit om samen met een of meer naburige lidstaten formeel of informeel een nieuw effectief mechanisme in te stellen om juridische belemmeringen voor de tenuitvoerlegging van een gezamenlijk project in grensoverschrijdende regio's uit de weg te ruimen. Deze verordening gaat bijgevolg niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen ervan te verwezenlijken voor de grensoverschrijdende regio's ten aanzien waarvan de lidstaten niet over efficiënte mechanismen beschikken om juridische belemmeringen uit de weg te ruimen. [Am. 13]

(28 bis)   Onderhavige verordening moet het subsidiariteitsbeginsel eerbiedigen. Zij mag in geen geval afbreuk doen aan de soevereiniteit van de lidstaten noch onverenigbaar zijn met hun grondwet. [Am. 14]

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp

1.  Bij deze verordening wordt een vrijwillig mechanisme ingesteld om het mogelijk te maken dat in een lidstaat ten aanzien van een enkel gezamenlijk project in een grensoverschrijdende regio de wettelijke bepalingen van een andere lidstaat worden toegepast wanneer de toepassing van de wettelijke bepalingen van de eerstgenoemde lidstaat een of meerdere juridische belemmering belemmeringen voor de uitvoering van een gezamenlijk project zou zouden vormen ("het mechanisme"). [Am. 15]

2.  Het mechanisme bestaat uit een van de volgende maatregelen:

a)  de sluiting van een Europese grensoverschrijdende verbintenis, die directe werking heeft;

b)  de sluiting van een Europese grensoverschrijdende verklaring, die een wetgevingsprocedure in de lidstaat vereist.

3.  Bij deze verordening wordt tevens het volgende vastgesteld:

a)  de organisatie en de taken van grensoverschrijdende coördinatiepunten in de lidstaten;

b)  de coördinerende rol van de Commissie ten aanzien van het mechanisme;

c)  de juridische bescherming van in een grensoverschrijdende regio gevestigde personen of degenen die er voor een beperkte periode wonen wat het mechanisme betreft. [Am. 16]

Artikel 2

Werkingssfeer

1.  Deze verordening is van toepassing op grensoverschrijdende regio's zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1.

2.  In het geval van een lidstaat die bestaat uit verscheidene territoriale eenheden met wetgevingsbevoegdheid is deze verordening tevens van toepassing op deze territoriale eenheden, met inbegrip van hun respectieve instanties of wettelijke bepalingen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "grensoverschrijdende regio": grondgebied dat wordt bestreken door naburige aan landgrenzen land- of zeegrenzen gelegen regio's in twee of meer lidstaten op NUTS‑niveau 3; [Am. 17]

2)  "gezamenlijk project": eender welke infrastructuurvoorziening die een effect op een bepaalde grensoverschrijdende regio heeft of eender welke dienst van algemeen economisch belang die in een bepaalde grensoverschrijdende regio wordt verleend, ongeacht of dit effect optreedt aan beide kanten van de grens of aan één kant; [Am. 18]

3)  "wettelijke bepaling": eender welke wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling, regel of administratieve procedure die van toepassing is op een gezamenlijk project, al dan niet vastgesteld of uitgevoerd door een wetgevend of uitvoerend orgaan;

4)  "juridische belemmering": eender welke wettelijke bepaling met betrekking tot de planning, de ontwikkeling, het personeel, de financiering of de werking van een gezamenlijk project die het inherente potentieel van een grensregio bij grensoverschrijdende interactie belemmert;

5)  "initiatiefnemer": actor die de een of meer juridische belemmering belemmeringen vaststelt en het mechanisme in werking stelt door een opstartdocument in te dienen; [Am. 19]

6)  "opstartdocument": door een of meer initiatiefnemers opgesteld document om het mechanisme in werking te stellen;

7)  "zich verbindende lidstaat": lidstaat op het grondgebied waarvan uit hoofde van een bepaalde Europese grensoverschrijdende verbintenis ("de verbintenis") of een bepaalde Europese grensoverschrijdende verklaring ("de verklaring") een of meer wettelijke bepalingen van een overdragende lidstaat van toepassing zal of zullen zijn, of waar, bij ontstentenis van een passende wettelijke bepaling, een juridische oplossing op ad-hocgrondslag wordt vastgesteld.

8)  "overdragende lidstaat": lidstaat waarvan uit hoofde van een bepaalde verbintenis of verklaring de wettelijke bepalingen van toepassing zullen zijn in de zich verbindende lidstaat;

9)  "bevoegde zich verbindende instantie": instantie in de zich verbindende lidstaat die bevoegd is om te aanvaarden dat uit hoofde van een bepaalde verbintenis de wettelijke bepalingen van de overdragende lidstaat op het grondgebied van de zich verbindende lidstaat worden toegepast, of, in het geval van een verklaring, om zich ertoe te verbinden de voor een afwijking van de binnenlandse wettelijke bepalingen vereiste wetgevingsprocedure in te leiden;

10)  "bevoegde overdragende instantie": instantie in de overdragende lidstaat die bevoegd is voor de vaststelling van de wettelijke bepalingen die van toepassing zullen zijn in de zich verbindende lidstaat of voor de toepassing ervan op het eigen grondgebied, dan wel voor beide;

11)  "toepassingsgebied": gebied in de zich verbindende lidstaat waar de wettelijke bepaling van de overdragende lidstaat of een juridische oplossing op ad-hocgrondslag van toepassing is.

Artikel 4

Mogelijkheden van de lidstaten om juridische belemmeringen uit de weg te ruimen

1.  De lidstaten kiezen kunnen ofwel voor het mechanisme kiezen, ofwel voor bestaande andere wijzen om ten aanzien van een specifieke grens met een of meer naburige lidstaten juridische belemmeringen voor de uitvoering van een gezamenlijk project in grensoverschrijdende regio's uit de weg te ruimen. [Am. 20]

2.  Een lidstaat kan ook besluiten om ten aanzien van een specifieke grens gezamenlijk project in grensoverschrijdende regio's met een of meer naburige lidstaten toe te treden toetreden tot een bestaande effectieve regeling die formeel of informeel door een of meer naburige lidstaten is ingesteld, of past met betrekking tot de verklaring het mechanisme toe. [Am. 21]

3.  De lidstaten kunnen het mechanisme ook gebruiken in aan zeegrenzen gelegen grensoverschrijdende regio's of – op vrijwillige basis voor alle betrokken partijen – toepassen op een gezamenlijk project in een grensoverschrijdende regio’s regio van één of meer lidstaten en één of meer derde landen of een één of meer landen of gebieden overzee. [Am. 22]

4.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de uit hoofde van dit artikel genomen besluiten.

Artikel 5

Grensoverschrijdende coördinatiepunten

1.  Wanneer een Elke lidstaat voor het mechanisme kiest, richt zij op een van de volgende wijzen een of meer grensoverschrijdende coördinatiepunten op of wijst deze aan: [Am. 23]

a)  aanwijzen op nationaal en/of regionaal niveau van een grensoverschrijdend coördinatiepunt als afzonderlijk orgaan;

b)  oprichten van een grensoverschrijdend coördinatiepunt binnen een bestaande instantie of bestaand orgaan, op nationaal of regionaal niveau;

c)  toevertrouwen van de extra taken van een nationaal of regionaal grensoverschrijdend coördinatiepunt aan een passende instantie of passend orgaan.

2.  Zich verbindende lidstaten en overdragende lidstaten stellen ook vast:

a)  of het het grensoverschrijdende coördinatiepunt dan wel een bevoegde zich verbindende/overdragende instantie is die een verbintenis kan sluiten en ondertekenen, en kan besluiten dat van de toepasselijke nationale wetgeving wordt afgeweken met ingang van de datum van inwerkingtreding van die verbintenis, dan wel

b)  of het het grensoverschrijdende coördinatiepunt dan wel een bevoegde zich verbindende/overdragende instantie is die een verklaring kan ondertekenen, en daarin formeel kan verklaren dat de bevoegde zich verbindende instantie het nodige zal doen opdat binnen een bepaalde termijn wetgevende of andere handelingen worden vastgesteld door de bevoegde wetgevende organen in die lidstaat.

3.  De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de datum van toepassing van deze verordening in kennis van de aangewezen grensoverschrijdende coördinatiepunten.

Artikel 6

Taken van grensoverschrijdende coördinatiepunten

1.  Elk grensoverschrijdend coördinatiepunt heeft ten minste de volgende taken:

a)  de in de artikelen 10 en 11 uiteengezette procedure uitvoeren;

b)  de voorbereiding, ondertekening, uitvoering en monitoring van alle verbintenissen en verklaringen met betrekking tot het grondgebied van de desbetreffende lidstaat coördineren;

c)  een databank die alle grensoverschrijdende coördinatiepunten op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat bestrijkt, opzetten en beheren;

d)  contact onderhouden met de grensoverschrijdende coördinatiepunten in de naburige lidstaat of lidstaten en met de grensoverschrijdende coördinatiepunten in andere territoriale eenheden met wetgevingsbevoegdheid van dezelfde lidstaat of een andere lidstaat, voor zover deze bestaan; [Am. 24]

e)  contact onderhouden met de Commissie;

f)  de Commissie ondersteunen wat haar databank van verklaringen en verbintenissen betreft.

2.  Elke lidstaat of elke territoriale eenheid met wetgevingsbevoegdheid van deze lidstaat kan besluiten tevens de volgende taken aan het respectieve grensoverschrijdende coördinatiepunt toe te vertrouwen:

a)  in voorkomend geval, verbintenissen of verklaringen sluiten overeenkomstig artikel 16, lid 2, en artikel 17, lid 2;

b)  op verzoek van een bepaalde initiatiefnemer, deze initiatiefnemer ondersteunen bij onder meer het identificeren van de bevoegde zich verbindende instantie in dezelfde lidstaat of de bevoegde overdragende instantie in een andere lidstaat;

c)  op verzoek van een bepaalde bevoegde zich verbindende instantie die in een andere lidstaat is gevestigd en geen eigen grensoverschrijdend coördinatiepunt heeft, de voorlopige analyse van een opstartdocument uitvoeren; [Am. 25]

d)  de uitvoering van alle verbintenissen en verklaringen met betrekking tot het grondgebied van de desbetreffende lidstaat monitoren;

e)  bij de bevoegde zich verbindende instantie aandringen op naleving van de in een bepaalde verbintenis of verklaring vastgestelde termijnen, en verzoeken om een antwoord binnen een bepaalde termijn;

f)  de instantie die toezicht houdt op de bevoegde zich verbindende instantie in kennis stellen van niet-naleving van in een bepaalde verbintenis of verklaring vastgestelde termijnen.

3.  Wanneer ten minste een van meerdere juridische belemmeringen een kwestie van wetgevingsbevoegdheid op nationaal niveau betreft, neemt het nationale grensoverschrijdende coördinatiepunt de in de artikelen 9 tot en met 17 uiteengezette taken op zich en pleegt het overleg met de relevante regionale grensoverschrijdende coördinatiepunten in dezelfde lidstaat, tenzij de lidstaat heeft besloten dat de in de artikelen 14 tot en met 17 uiteengezette taken aan een bevoegde zich verbindende instantie op nationaal niveau worden toevertrouwd.

4.  Wanneer geen van de juridische belemmeringen een kwestie van wetgevingsbevoegdheid op nationaal niveau betreft, neemt het bevoegde regionale grensoverschrijdende coördinatiepunt de in de artikelen 9 tot en met 17 uiteengezette taken op zich en pleegt het overleg met de andere regionale grensoverschrijdende coördinatiepunten in dezelfde lidstaten, in de gevallen waarin het gezamenlijke project betrekking heeft op meer dan één territoriale eenheid, tenzij de lidstaat heeft besloten dat de in de artikelen 14 tot en met 17 uiteengezette taken aan een nationaal grensoverschrijdend coördinatiepunt worden toevertrouwd. Dat bevoegde regionale grensoverschrijdende coördinatiepunt houdt het nationale grensoverschrijdende coördinatiepunt op de hoogte over alle verbintenis- of verklaringsprocedures.

Artikel 7

Coördinatietaken van de Commissie

1.  De Commissie vervult de volgende coördinatietaken:

a)  contact onderhouden met de grensoverschrijdende coördinatiepunten;

b)  een lijst database van alle nationale en regionale grensoverschrijdende coördinatiepunten creëren, bekendmaken en actualiseren; [Am. 26]

c)  een databank van alle verbintenissen en verklaringen opzetten en beheren.

1 bis.   De Commissie stelt ook een ondersteunende communicatiestrategie voor om:

a)  de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen;

b)  praktische informatie en interpretatie met betrekking tot de reikwijdte en de thematische focus van deze verordening te verstrekken; en

c)  de precieze procedure voor het sluiten van een verbintenis of verklaring te verduidelijken. [Am. 27]

2.  De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast betreffende de werking van de in lid 1, onder c), bedoelde databank en betreffende de formulieren die moeten worden gebruikt wanneer grensoverschrijdende coördinatiepunten informatie over de uitvoering en het gebruik van het mechanisme indienen. Deze uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK II

Procedure voor de sluiting en ondertekening van een verbintenis of voor de ondertekening van een verklaring

Artikel 8

Voorbereiding en indiening van het opstartdocument

1.  De initiatiefnemer stelt de een of meer juridische belemmering belemmeringen met betrekking tot de planning, de ontwikkeling, het personeel, de financiering of de werking van een gezamenlijk project vast. [Am. 28]

2.  De initiatiefnemer is een van de volgende:

a)  het openbare of particuliere orgaan dat verantwoordelijk is voor het opstarten of voor zowel het opstarten als het uitvoeren van een gezamenlijk project;

b)  een of meer lokale of regionale instanties die in een bepaalde grensoverschrijdende regio zijn gevestigd of in deze grensoverschrijdende regio overheidsgezag uitoefenen;

c)  een ten behoeve van de grensoverschrijdende samenwerking opgericht orgaan met of zonder rechtspersoonlijkheid dat in een bepaalde grensoverschrijdende regio is gevestigd of deze ten minste gedeeltelijk bestrijkt, met inbegrip van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1082/2006, Euroregio's, Euregio's en soortgelijke organen;

d)  een namens grensoverschrijdende regio's opgerichte organisatie om de belangen van grensoverschrijdende gebieden te bevorderen alsmede het netwerken door actoren en het delen van ervaringen te vergemakkelijken, bijvoorbeeld de Association of European Border Regions, de Mission Opérationnelle Transfrontalière of de Central European Service for Cross-border Initiatives, of

e)  meerdere van de onder a) tot en met d) genoemde entiteiten gezamenlijk.

3.  De initiatiefnemer bereidt een opstartdocument voor dat wordt opgesteld overeenkomstig artikel 9.

4.  De initiatiefnemer dient het opstartdocument in bij het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat en zendt een kopie aan het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat.

Artikel 9

Inhoud van het opstartdocument

1.  Het opstartdocument bevat ten minste de volgende elementen:

a)  een beschrijving van het gezamenlijke project en van de context ervan, van de een of meer corresponderende juridische belemmering belemmeringen in de zich verbindende lidstaat en van de motivering voor het uit de weg ruimen van een of meer de juridische belemmering belemmeringen; [Am. 29]

b)  een lijst van de specifieke wettelijke bepalingen van de overdragende lidstaat uit hoofde waarvan de een of meer juridische belemmering belemmeringen uit de weg wordt worden geruimd of, bij ontstentenis van een geschikte wettelijke bepaling, een voorstel voor een juridische oplossing op ad-hocgrondslag; [Am. 30]

c)  een rechtvaardiging van het toepassingsgebied;

d)  de te verwachten duur of, wanneer dit naar behoren gerechtvaardigd is, de onbeperkte duur ervan;

e)  een lijst van de bevoegde zich verbindende instantie of instanties;

f)  een lijst van de bevoegde overdragende instantie of instanties.

2.  Het toepassingsgebied is beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de effectieve uitvoering van het gezamenlijke project.

Artikel 10

Voorlopige analyse van het opstartdocument door de zich verbindende en de overdragende lidstaat of lidstaten [Am. 31]

1.  Het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat analyseert het opstartdocument. Het onderhoudt contact met alle bevoegde zich verbindende instanties en met de nationale of, in voorkomend geval, andere regionale grensoverschrijdende coördinatiepunten in de zich verbindende lidstaat en met het nationale grensoverschrijdende coördinatiepunt in de overdragende lidstaat. [Am. 32]

1 bis.   Binnen drie maanden na de ontvangst van een opstartdocument zendt het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat zijn voorlopige reactie aan het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat. [Am. 33]

2.  Binnen drie zes maanden na ontvangst van het opstartdocument onderneemt het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat een of meer van de volgende acties, met schriftelijke toezending aan de initiatiefnemer: [Am. 34]

a)  de initiatiefnemer ervan in kennis stellen dat het opstartdocument overeenkomstig artikel 9 is opgesteld en bijgevolg ontvankelijk is;

b)  indien nodig, verzoeken om de indiening van een herzien opstartdocument of van extra specifieke informatie, daarbij vermeldend welk aspect van het opstartdocument ontoereikend wordt geacht en waarom;

c)  de initiatiefnemers in kennis stellen van zijn beoordeling dat er geen sprake is van een juridische belemmering, met opgave van de redenen en onder verwijzing naar de rechtsmiddelen tegen dit besluit krachtens het recht van de zich verbindende lidstaat;

d)  de initiatiefnemer in kennis stellen van zijn beoordeling dat de een of meer juridische belemmering belemmeringen een van de in artikel 12, lid 4, vermelde gevallen betreft betreffen en een beschrijving geven van de verbintenis van de bevoegde zich verbindende instantie om deze juridische belemmering belemmeringen te wijzigen of aan te passen; [Am. 35]

e)  de initiatiefnemers in kennis stellen van zijn beoordeling dat de een of meer juridische belemmering belemmeringen een van de in artikel 12, lid 4, vermelde situaties betreft betreffen, met opgave van zijn redenen om een wijziging of aanpassing van deze juridische belemmering belemmeringen te weigeren en onder verwijzing naar de rechtsmiddelen tegen dit besluit krachtens het recht van de zich verbindende lidstaat; [Am. 36]

f)  zich er ten aanzien van de initiatiefnemer toe verbinden om de juridische belemmering of belemmeringen binnen zes maanden uit de weg te ruimen, ofwel door een verbintenis te ondertekenen met het grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat of met de bevoegde overdragende instantie, zoals aangewezen door de overdragende lidstaat, ofwel door een juridische oplossing op ad-hocgrondslag binnen het rechtskader van de zich verbindende lidstaat voor te stellen;

f bis)   de initiatiefnemer opdracht geven om voor een bestaand mechanisme als bedoeld in artikel 4, lid 2, te kiezen om een of meer juridische belemmeringen voor de uitvoering van het gezamenlijke project uit de weg te ruimen of het opstartdocument rechtstreeks door te geven aan de bevoegde instantie in het kader van het desbetreffende mechanisme; [Am. 37]

f ter)   de initiatiefnemer ervan in kennis te stellen dat een of meer van de betrokken lidstaten hebben besloten een of meer van de door de initiatiefnemer vastgestelde juridische belemmeringen niet uit de weg te ruimen, onder schriftelijke opgave van de redenen voor dit besluit. [Am. 38]

3.  In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de bevoegde zich verbindende instantie de in lid 2, onder f), bedoelde termijn eenmaal met maximaal zes maanden verlengen en de initiatiefnemer en de overdragende lidstaat hiervan schriftelijk en met opgave van de redenen in kennis stellen.

Artikel 11

Voorlopige analyse van het opstartdocument door de overdragende lidstaat

Na ontvangst van een opstartdocument voert het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat tevens de in artikel 10, lid 2, vermelde taken uit en kan het zijn voorlopige reactie zenden aan het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat. [Am. 39]

Artikel 12

Follow-up van de voorlopige analyse van het opstartdocument

1.  Wanneer het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat om een herzien opstartdocument of om extra specifieke informatie heeft verzocht, analyseert het het herziene opstartdocument en/of de extra specifieke informatie en onderneemt het binnen drie zes maanden na ontvangst daarvan actie als zou het de eerste indiening van het opstartdocument betreffen. [Am. 40]

2.  Wanneer het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat van oordeel is dat het herziene opstartdocument nog altijd niet overeenkomstig artikel 10 is opgesteld of dat de extra specifieke informatie nog altijd niet toereikend is, stelt het de initiatiefnemer binnen drie zes maanden na ontvangst van het opstartdocument schriftelijk in kennis van zijn besluit om de procedure te beëindigen. Dit besluit wordt naar behoren gemotiveerd. [Am. 41]

3.  Wanneer de analyse door het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat of de bevoegde zich verbindende instantie concludeert dat de een of meer in het opstartdocument beschreven juridische belemmering is belemmeringen zijn gebaseerd op een verkeerd begrip of een verkeerde interpretatie van de desbetreffende wetgeving, of op een gebrek aan toereikende informatie over de desbetreffende wetgeving, wordt de procedure beëindigd door de initiatiefnemer in kennis te stellen van de beoordeling dat er geen sprake is van een juridische belemmering. [Am. 42]

4.  Wanneer de een of meer juridische belemmering belemmeringen slechts een bestuursrechtelijke bepaling, regel of administratieve procedure van de zich verbindende lidstaat betreft betreffen die duidelijk losstaat van een volgens een wetgevingsprocedure vastgestelde bepaling en bijgevolg zonder wetgevingsprocedure kan worden gewijzigd of aangepast, stelt de bevoegde zich verbindende instantie de initiatiefnemer binnen acht maanden schriftelijk in kennis van haar weigering of bereidheid om de desbetreffende bestuursrechtelijke bepaling, regel of administratieve praktijk te wijzigen of aan te passen. [Am. 43]

5.  In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de bevoegde zich verbindende instantie de in lid 4 bedoelde termijn eenmaal met maximaal acht maanden verlengen en de initiatiefnemer en de overdragende lidstaat hiervan schriftelijk en met opgave van de redenen in kennis stellen.

Artikel 13

Voorbereiding van de ontwerpverbintenis of de ontwerpverklaring

Het grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde zich verbindende instantie van de zich verbindende lidstaat stelt op basis van het opstartdocument een ontwerpverbintenis of een ontwerpverklaring op overeenkomstig artikel 14.

Artikel 14

Inhoud van de ontwerpverbintenis en de ontwerpverklaring

1.  De ontwerpverbintenis bevat ten minste de volgende elementen:

a)  de beschrijving van het gezamenlijke project en van de context ervan, van de een of meer corresponderende juridische belemmering belemmeringen en van de motivering voor het uit de weg ruimen van de een of meer juridische belemmering belemmeringen; [Am. 44]

b)  de lijst van de specifieke wettelijke bepalingen die de een of meer juridische belemmering belemmeringen vormen en die bijgevolg niet van toepassing zouden mogen zijn op het gezamenlijke project; [Am. 45]

c)  het toepassingsgebied;

d)  de duur van de toepassing en een rechtvaardiging van die duur;

e)  de bevoegde zich verbindende instantie of instanties;

f)  de specifieke wettelijke bepaling van de overdragende lidstaat die van toepassing moet zijn op het gezamenlijke project;

g)  het voorstel voor een juridische oplossing op ad-hocgrondslag, voor zover er in het rechtskader van de overdragende lidstaat geen passende wettelijke bepaling bestaat;

h)  de bevoegde overdragende instantie of instanties;

i)  de instantie of instanties van de zich verbindende lidstaat die bevoegd is of zijn voor de uitvoering en de monitoring;

j)  de instantie of instanties van de overdragende lidstaat die wordt of worden voorgesteld om samen te worden aangewezen voor de uitvoering en de monitoring;

k)  de datum van de inwerkingtreding ervan.

De onder k) bedoelde datum van inwerkingtreding is ofwel de datum van ondertekening door de laatste van de twee grensoverschrijdende coördinatiepunten of bevoegde instanties, ofwel de datum van kennisgeving aan de initiatiefnemer.

2.  Naast de in lid 1 vermelde elementen bevat de ontwerpverbintenis ook een datum van toepassing, die:

a)  kan worden vastgesteld op dezelfde datum als deze van de inwerkingtreding;

b)  kan worden vastgesteld met terugwerkende kracht;

c)  kan worden uitgesteld tot een datum in de toekomst.

3.  Naast de in lid 1 vermelde elementen bevat de ontwerpverklaring ook een formele vermelding van de uiterlijke datum of data waarop de bevoegde zich verbindende instantie bij het respectieve wetgevende orgaan een formeel voorstel indient met het oog op de dienovereenkomstige wijziging van de nationale wettelijke bepalingen.

De in de eerste alinea bedoelde datum is niet later dan twaalf maanden na de sluiting van de verklaring.

Artikel 15

Toezending van de ontwerpverbintenis of de ontwerpverklaring

1.  Wanneer de bevoegde zich verbindende instantie de ontwerpverbintenis of de ontwerpverklaring heeft opgesteld, zendt zij dit ontwerp toe aan het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat:

a)  binnen een termijn van drie zes maanden na de toezending van informatie uit hoofde van artikel 10, lid 2, of artikel 12, leden 1 en 2; [Am. 46]

b)  binnen een termijn van acht maanden overeenkomstig artikel 12, leden 4 en 5.

2.  Wanneer het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat de ontwerpverbintenis of de ontwerpverklaring heeft opgesteld of wanneer het de ontwerpverbintenis of de ontwerpverklaring van de bevoegde zich verbindende instantie heeft ontvangen, zendt het dit ontwerp binnen de in lid 1, onder a) of b), bedoelde termijn toe aan het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat.

3.  In beide gevallen wordt ter informatie tevens een kopie toegezonden aan de initiatiefnemer.

Artikel 16

Taken van de overdragende lidstaat bij de sluiting en de ondertekening van de verbintenis of bij de ondertekening van de verklaring

1.  Het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat onderzoekt de ontwerpverbintenis of de ontwerpverklaring die het uit hoofde van artikel 15 heeft ontvangen en onderneemt binnen een termijn van drie zes maanden na ontvangst van het ontwerp en na raadpleging van de bevoegde overdragende instanties een of meer van de volgende acties: [Am. 47]

a)  instemmen met de ontwerpverbintenis of de ontwerpverklaring, twee originelen ondertekenen en één ervan terugzenden aan het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat;

b)  na de in artikel 14, lid 1, onder f) en h), bedoelde informatie te hebben verbeterd of aangevuld, instemmen met de ontwerpverbintenis of de ontwerpverklaring, twee originelen van de herziene ontwerpverbintenis of ontwerpverklaring ondertekenen en één ervan terugzenden aan het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat;

c)  weigeren de ontwerpverbintenis of de ontwerpverklaring te ondertekenen en een gedetailleerde motivering toezenden aan het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat;

d)  weigeren de ontwerpverbintenis of de ontwerpverklaring te ondertekenen en een ontwerp dat is gewijzigd wat betreft de in artikel 14, lid 1, onder c), d) en in voorkomend geval g), bedoelde informatie, alsook de in artikel 14, lid 2, bedoelde informatie voor zover het een ontwerpverbintenis betreft, vergezeld van een motivering van de wijzigingen terugzenden aan het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat.

2.  In de lidstaten waar een verbintenis of een verklaring door de bevoegde overdragende instantie wordt ondertekend, zendt het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat één van de twee door de bevoegde overdragende instantie ondertekende originelen terug naar het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat overeenkomstig lid 1, onder a) en b). [Am. 48]

3.  Wanneer de overdragende lidstaat overeenkomstig lid 1, onder a) of b), instemt met de ondertekening van een verbintenis of een verklaring bevestigt of weigert deze tevens uitdrukkelijk dat de bevoegde instantie of instanties die uit hoofde van artikel 14, lid 1, onder j), wordt of worden voorgesteld om samen te worden aangewezen voor de uitvoering en de monitoring van de verbintenis of de verklaring, deze binnen het toepassingsgebied uit te voeren taken op zich nemen.

Artikel 17

Taken van de zich verbindende lidstaat bij de sluiting en de ondertekening van de verbintenis of bij de ondertekening van de verklaring

1.  Het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat onderzoekt het door het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat toegezonden antwoord en onderneemt binnen een termijn van één maand drie maanden na ontvangst ervan een of meer van de volgende acties, met schriftelijke toezending aan de bevoegde overdragende instantie: [Am. 49]

a)  in het geval van artikel 16, lid 2 1, onder a), de verbintenis of de verklaring afronden, twee drie originelen ondertekenen en één ervan ter ondertekening terugzenden aan het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat; [Am. 50]

b)  in het geval van artikel 16, lid 2 1, onder b), de verbintenis of de verklaring wijzigen wat betreft de in artikel 14, lid 1, onder f) en h), vermelde informatie in de ontwerpverbintenis of de ontwerpverklaring, de verbintenis of de verklaring afronden, twee drie originelen ondertekenen en één ervan ter ondertekening terugzenden aan het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat; [Am. 51]

c)  in het geval van artikel 16, lid 2 1, onder c), de initiatiefnemer en de Commissie in kennis stellen, onder vermelding van de door de bevoegde overdragende instantie uiteengezette motivering; [Am. 52]

d)  in het geval van artikel 16, lid 2 1, onder d), de wijzigingen in overweging nemen en ofwel handelen overeenkomstig punt letter b) van dit lid, ofwel een tweede procedure handelen overeenkomstig artikel 9 inleiden letter c) van dit lid, onder vermelding van de reden waarom sommige of alle wijzigingen niet door de bevoegde zich verbindende instantie konden worden aanvaard. [Am. 53]

2.  Na ontvangst van de verbintenis of de verklaring, die in de gevallen als bedoeld in lid 1, onder a) of b), ook door het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt of de bevoegde overdragende instantie is ondertekend, of wanneer het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat positief heeft gereageerd in het kader van de tweede procedure als bedoeld in lid 1, onder d), wordt door het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat: [Am. 54]

a)  de definitieve verbintenis of verklaring toegezonden aan de initiatiefnemer;

b)  het tweede origineel toegezonden aan het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat;

c)  een kopie toegezonden aan alle bevoegde zich verbindende instanties;

d)  een kopie toegezonden aan het coördinatiepunt op het niveau van de Unie, en

e)  om bekendmaking van de verbintenis of de verklaring verzocht bij de dienst die in de zich verbindende lidstaat verantwoordelijk is voor officiële bekendmakingen.

HOOFDSTUK III

Uitvoering en monitoring van verbintenissen en verklaringen

Artikel 18

Uitvoering van de verbintenis

1.  De in artikel 17, lid 2, onder c), bedoelde en aan alle betrokken bevoegde zich verbindende instanties toegezonden informatie gaat vergezeld van een tijdschema dat elk van deze instanties, in voorkomend geval, moet volgen met het oog op de wijziging van uit hoofde van het toepasselijke recht vastgestelde administratieve handelingen met betrekking tot het gezamenlijke project en de vaststelling van administratieve handelingen die nodig zijn voor de toepassing van de verbintenis op het gezamenlijke project, teneinde hierop de wettelijke bepaling van de overdragende lidstaat of een juridische oplossing op ad-hocgrondslag toe te passen.

2.  Een kopie van het tijdschema wordt toegezonden aan het nationale en, in voorkomend geval, het regionale grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat.

3.  In lid 1 bedoelde administratieve handelingen worden vastgesteld en ter kennis gebracht van de initiatiefnemer, met name van het openbare of particuliere orgaan dat verantwoordelijk is voor het opstarten of voor zowel het opstarten als het uitvoeren van een gezamenlijk project, overeenkomstig het op dergelijke administratieve handelingen toepasselijke nationale recht.

4.  Zodra alle administratieve handelingen met betrekking tot een bepaald gezamenlijk project zijn vastgesteld, stelt het grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat het grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat en het coördinatiepunt op het niveau van de Unie hiervan in kennis.

5.  In voorkomend geval stelt het grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat de bevoegde overdragende instanties hiervan in kennis.

Artikel 19

Uitvoering van de verklaring

1.  Elke uit hoofde van artikel 14, lid 3, in een verklaring vermelde bevoegde zich verbindende instantie dient uiterlijk op de respectieve in de ondertekende verklaring vastgestelde datum bij het respectieve wetgevende orgaan een formeel voorstel in met het oog op de dienovereenkomstige wijziging van de nationale wettelijke bepalingen.

2.  Indien de respectieve in de ondertekende verklaring vastgestelde datum niet kan worden nageleefd, met name in verband met aanstaande verkiezingen voor het bevoegde wetgevende orgaan, stelt de bevoegde zich verbindende instantie de initiatiefnemer en het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van zowel de zich verbindende als de overdragende lidstaat hiervan schriftelijk in kennis.

3.  Zodra een formeel voorstel bij het respectieve wetgevende orgaan is ingediend, houdt de respectieve bevoegde zich verbindende instantie de initiatiefnemer en het bevoegde grensoverschrijdende coördinatiepunt van zowel de zich verbindende als de overdragende lidstaat schriftelijk op de hoogte van de monitoring in het respectieve wetgevende orgaan; zij doet dit om de zes maanden na de datum van de formele indiening.

4.  Zodra de wijzigende wetgevingshandeling in werking is getreden en/of in het staatsblad is bekendgemaakt, wijzigt elke bevoegde zich verbindende instantie alle uit hoofde van het toepasselijke nationale recht vastgestelde administratieve handelingen met betrekking tot het gezamenlijke project en stelt elke bevoegde zich verbindende instantie alle administratieve handelingen vast die nodig zijn voor de toepassing van de gewijzigde wettelijke bepalingen op het gezamenlijke project.

5.  In lid 4 bedoelde administratieve handelingen worden vastgesteld en ter kennis gebracht van de initiatiefnemer, met name van het openbare of particuliere orgaan dat verantwoordelijk is voor het opstarten of voor zowel het opstarten als het uitvoeren van een gezamenlijk project, overeenkomstig het op dergelijke administratieve handelingen toepasselijke nationale recht.

6.  Zodra alle administratieve handelingen met betrekking tot een bepaald gezamenlijk project zijn vastgesteld, stelt het grensoverschrijdende coördinatiepunt van de zich verbindende lidstaat het grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat en het coördinatiepunt op het niveau van de Unie hiervan in kennis.

7.  In voorkomend geval stelt het grensoverschrijdende coördinatiepunt van de overdragende lidstaat de bevoegde overdragende instanties hiervan in kennis.

Artikel 20

Monitoring van verbintenissen en verklaringen

1.  De zich verbindende en de overdragende lidstaat besluiten op basis van de in artikel 18, lid 1, en artikel 19, lid 4, bedoelde administratieve handelingen of de monitoring van de toepassing van een verbintenis of van de uit hoofde van een verklaring gewijzigde nationale wetgeving wordt toevertrouwd aan de instanties van de overdragende lidstaat, met name gezien hun deskundigheid op het gebied van de overgedragen wettelijke bepalingen, of aan de instanties van de zich verbindende lidstaat.

2.  Wanneer de monitoring van de toepassing van de overgedragen wettelijke bepalingen aan de instanties van de overdragende lidstaat wordt toevertrouwd, besluit de zich verbindende lidstaat in overleg met de overdragende lidstaat of de instanties van de overdragende lidstaat ten aanzien van het voorwerp van de monitoringtaken handelen voor rekening en in naam van de instanties van de zich verbindende lidstaat, dan wel voor hun rekening, maar in eigen naam.

HOOFDSTUK IV

Juridische bescherming tegen de toepassing en de monitoring van verbintenissen en verklaringen

Artikel 21

Juridische bescherming tegen de toepassing van een verbintenis of een verklaring

1.  Iedere persoon die gevestigd is op het door een verbintenis of een verklaring bestreken grondgebied of die, zonder op dat grondgebied te zijn gevestigd, gebruiker is van een op dat grondgebied verleende dienst van algemeen economisch belang ("in de grensoverschrijdende regio gevestigde persoon") die zich benadeeld acht door handelingen of nalatigheden die voortvloeien uit de toepassing van een wettelijke bepaling van een overdragende lidstaat uit hoofde van een verbintenis of een verklaring, heeft het recht zich tot de rechterlijke instanties van de zich verbindende lidstaat wenden.

2.  Rechtsmiddelen tegen overeenkomstig artikel 18, lid 3, en artikel 19, lid 5, vastgestelde administratieve handelingen vallen echter onder de exclusieve bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat waarvan de instanties de desbetreffende administratieve handeling hebben vastgesteld.

3.  Niets in deze verordening mag personen de vrijheid ontzeggen om tegen instanties die partij bij een verbintenis zijn hun nationale grondwettelijk recht op beroep uit te oefenen met betrekking tot:

a)  administratieve besluiten ten aanzien van activiteiten die uit hoofde van een verbintenis worden uitgevoerd;

b)  toegang tot diensten in hun eigen taal, en

c)  toegang tot informatie.

In deze gevallen zijn de bevoegde rechterlijke instanties de rechterlijke instanties van de lidstaat krachtens de grondwet waarvan het recht op beroep ontstaat.

Artikel 22

Juridische bescherming tegen de monitoring van verbintenissen of verklaringen

1.  Wanneer de bevoegde overdragende instantie heeft aanvaard om de toepassing van de wettelijke bepalingen van de overdragende lidstaat op het desbetreffende gebied te monitoren en deze instantie ten aanzien van in de grensoverschrijdende regio van de zich verbindende lidstaat gevestigde personen in eigen naam kan handelen, dan vallen rechtsmiddelen tegen acties of nalatigheden van deze instantie onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de wettelijke verblijfplaats van deze personen zich bevindt.

2.  Wanneer de bevoegde overdragende instantie heeft aanvaard om de toepassing van de wettelijke bepalingen van de zich verbindende lidstaat op het grondgebied van de zich verbindende lidstaat te monitoren, maar deze instantie ten aanzien van in de grensoverschrijdende regio gevestigde personen niet in eigen naam kan handelen, dan vallen rechtsmiddelen tegen acties of nalatigheden van deze instantie uitsluitend onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de zich verbindende lidstaat, ook wanneer de wettelijke verblijfplaats van de desbetreffende persoon zich in de overdragende lidstaat bevindt.

HOOFDSTUK V

Slotbepalingen

Artikel 23

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 108, lid 1, van Verordening (EU) .../... [nieuwe GB-verordening] ingestelde Coördinatiecomité voor de Europese structuur- en investeringsfondsen. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 24

Uitvoeringsbepalingen in de lidstaten

1.  De lidstaten treffen de passende maatregelen om ervoor te zorgen dat deze verordening effectief wordt toegepast.

2.  Uiterlijk op ... [datum van toepassing van deze verordening] stellen de lidstaten de Commissie in kennis van alle uit hoofde van lid 1 vastgestelde maatregelen.

3.  De Commissie maakt de van de lidstaten ontvangen informatie openbaar.

Artikel 25

Rapportage

1.   Uiterlijk op dd mm jjjj [de eerste dag van de maand volgende op de datum van inwerkingtreding van deze verordening + vijf drie jaar] dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Comité van de Regio's een verslag in waarin zij de toepassing van deze verordening beoordeelt op basis van indicatoren met betrekking tot de effectiviteit, de efficiëntie, de relevantie, de Europese toegevoegde waarde en de mogelijkheden voor vereenvoudiging ervan.

2.   In het in lid 1 bedoelde verslag gaat de Commissie vooral in op de geografische en thematische werkingssfeer zoals omschreven in artikel 3, punt 1, en 2.

3.   Voordat dit verslag wordt opgesteld, organiseert de Commissie een openbare raadpleging van de verscheidene betrokken actoren, waaronder de lokale en regionale overheden en maatschappelijke organisaties. [Am. 55]

Artikel 26

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van ... [de eerste dag van de maand volgende op de datum van inwerkingtreding van deze verordening + één jaar].

Artikel 24 is evenwel van toepassing met ingang van ... [de eerste dag van de maand volgende op de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1)PB C 440 van 6.12.2018, blz. 124.
(2)PB C ...
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 14 februari 2019.
(4)Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, "Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU", COM(2017)0534 van 20.9.2017.
(5)Tot nu toe zijn er vijf Interreg-programmeringsperioden geweest: Interreg I (1990‑1993), Interreg II (1994‑1999), Interreg III (2000‑2006), Interreg IV (2007‑2013) en Interreg V (2014‑2020).
(6)Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 19).
(7)Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
(8)Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(9)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

Laatst bijgewerkt op: 27 januari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid