Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2580(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0177/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0215

Aangenomen teksten
PDF 128kWORD 55k
Donderdag 14 maart 2019 - Straatsburg Definitieve uitgave
Een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen
P8_TA(2019)0215RC-B8-0177/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2019 over een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen (2019/2580(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin wordt opgeroepen om een voor de hele EU geldend mechanisme tot stand te brengen voor het opleggen van gerichte sancties aan personen die betrokken zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen, waaronder zijn resolutie van 16 december 2010 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2009 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(1) en zijn resolutie van 11 maart 2014 over het wereldwijd uitbannen van foltering(2),

–  gezien zijn eerdere resoluties overeenkomstig artikel 135 van het Reglement, waarin wordt opgeroepen tot het opleggen van gerichte sancties tegen personen die betrokken zijn bij ernstige schendingen van de mensenrechten, waaronder de resolutie van 19 januari 2017 over de situatie in Burundi(3), van 5 juli 2018 over Burundi(4), van 18 mei 2017 over Zuid-Sudan(5), van 14 juni 2017 over de situatie in de Democratische Republiek Congo(6), van 18 januari 2018 over de Democratische Republiek Congo(7), van 14 september 2017 over Gabon: onderdrukking van de oppositie(8), van 5 oktober 2017 over de situatie in de Malediven(9), van 5 oktober 2017 over de zaken van de leiders van de Krim-Tataren, Akhtem Chiygoz en Ilmi Umerov, en journalist Mykola Semena(10), van 30 november 2017(11) en 4 oktober 2018(12) over de situatie in Jemen, van 14 december 2017 over Cambodja: naar aanleiding van de ontbinding van de CNRP-partij(13), van 14 december 2017 over de situatie van de Rohingya(14), van 15 maart 2018 over de situatie in Syrië(15), van 25 oktober 2018 over de situatie in Venezuela(16), van 13 september 2018 over Myanmar, met name de zaak van de journalisten Wa Lone en Kyaw Soe Oo(17), van 25 oktober 2018 over de situatie in de Zee van Azov(18), van 25 oktober 2018 over de moord op de journalist Jamal Khashoggi in het Saoedische consulaat in Istanboel(19), en van 14 februari 2019 over de situatie in Tsjetsjenië en de zaak van Ojoeb Titiev(20),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 2 april 2014 over de instelling van gemeenschappelijke visumbeperkingen voor Russische functionarissen die betrokken zijn bij de zaak-Magnitski(21),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2018 over het jaarverslag 2017 over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake(22),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2017 over corruptie en het effect op de mensenrechten in derde landen(23),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2019 over de stand van zaken in de politieke betrekkingen tussen de EU en Rusland(24),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh"(25),

–  gezien titel V, hoofdstuk 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) betreffende de vaststelling van sancties in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB),

–  gezien artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over de vaststelling van sancties jegens zowel derde landen als personen, groepen en niet-statelijke entiteiten,

–  gezien verklaring nr. 25 bij het Verdrag van Lissabon over de noodzaak om de procedurele rechten van natuurlijke personen of entiteiten die aan beperkende EU-maatregelen of aan terrorismebestrijdingsmaatregelen van de EU worden onderworpen te waarborgen,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de protocollen daarbij,

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie (2015-2019),

–  gezien de toespraak van Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker over de staat van de Unie op 12 september 2018, waarin hij ervoor pleit dat de lidstaten gebruikmaken van de bestaande EU-regels om op bepaalde gebieden van het GBVB van de EU over te gaan van stemmen met eenparigheid van stemmen op stemmen met gekwalificeerde meerderheid, bijvoorbeeld als het gaat om een collectieve reactie op mensenrechtenschendingen of de oplegging van doeltreffende sancties,

–  gezien de verklaring van 10 december 2018 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) na afloop van de Raad Buitenlandse Zaken van december 2018,

–  gezien de resolutie van 22 januari 2019 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, getiteld 'Sergei Magnitsky and beyond – fighting impunity by targeted sanctions',

–  gezien zijn studie van april 2018, getiteld "Targeted sanctions against individuals on grounds of grave human rights violations – impact, trends and prospects at EU level",

–  gezien het voorstel van 14 november 2018 inzake de oprichting van een Europees comité voor het instellen van inreisverboden wegens mensenrechtenschendingen,

–  gezien de vergadering die op 20 november 2018 in Nederland werd gehouden over een EU-stelsel van sancties tegen schendingen van de mensenrechten wereldwijd,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in artikel 21 VEU wordt bepaald dat het optreden van de Unie berust en gericht is op de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

B.  overwegende dat de EU zich verplicht tot systematische uitvoering van de sancties waartoe de VN-Veiligheidsraad uit hoofde van hoofdstuk VII van het VN-Handvest heeft besloten, en tegelijkertijd zelfstandig sancties oplegt bij ontstentenis van een mandaat van de VN-Veiligheidsraad in die gevallen waar de VN-Veiligheidsraad niet de bevoegdheid heeft om actie te ondernemen of daarvan wordt afgehouden door een gebrek aan overeenstemming onder zijn leden;

C.  overwegende dat EU-sancties (ook bekend als beperkende maatregelen) de voorbije twee decennia een integraal onderdeel zijn geworden van het EU-instrumentarium op het gebied van externe betrekkingen, en dat er momenteel meer dan 40 verschillende beperkende maatregelen jegens 34 landen zijn ingesteld; overwegende dat naar schatting twee derde van de op specifieke landen gerichte EU-sancties zijn opgelegd om de doelstellingen inzake mensenrechten en democratie te ondersteunen;

D.  overwegende dat op personen gerichte sancties zo worden ontworpen dat ze zo weinig mogelijk nadelige gevolgen hebben voor diegenen die niet verantwoordelijk zijn voor het beleid of de maatregelen die de aanleiding vormen voor het opleggen van de sancties, in het bijzonder voor de lokale burgerbevolking en de legitieme activiteiten in of met het betrokken land; overwegende dat de sancties rechtstreekse gevolgen hebben voor de personen die verantwoordelijk zijn voor de schendingen, en daarmee een afschrikkend effect hebben;

E.  overwegende dat alle sancties van de EU geheel in overeenstemming zijn met de verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht, met inbegrip van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; overwegende dat sancties regelmatig moeten worden geëvalueerd om te waarborgen dat ze in overeenstemming zijn met hun beoogde doelstellingen;

F.  overwegende dat de EU naast landspecifieke sancties, die gericht zijn op een gedragsverandering van een staat, onlangs ook beperkende maatregelen tegen de verspreiding en het gebruik van chemische wapens en cyberaanvallen heeft ingevoerd, alsook specifieke maatregelen ter bestrijding van terrorisme;

G.  overwegende dat de bestaande EU-sancties gericht zijn tegen zowel statelijke als niet-statelijke actoren, zoals terroristen en terroristische groeperingen;

H.  overwegende dat zich de laatste paar maanden vele gevallen hebben voorgedaan waarbij Europese bedrijven of zelfs EU-lidstaten de EU-sancties niet hebben nageleefd; overwegende dat deze voorbeelden laten zien dat het toepassingsgebied en de reikwijdte van de sancties die momenteel van kracht zijn verder moeten worden verduidelijkt, en dat nader moet worden aangegeven in hoeverre landen en bedrijven ervoor verantwoordelijk zijn te waarborgen dat het eindgebruik of de eindbestemming van hun goederen en diensten niet onder de sancties vallen;

I.  overwegende dat dergelijke maatregelen weliswaar op Europees niveau worden genomen, maar dat de ter zake bevoegde autoriteiten van de EU-lidstaten verantwoordelijk zijn voor de handhaving van sancties;

J.  overwegende dat de "Global Magnitsky Act" door het Amerikaanse Congres in 2016 is vastgesteld en voortbouwt op de "Sergei Magnitsky Rule of Law Accountability Act" van 2012, die bedoeld was om sancties vast te stellen jegens de verantwoordelijken voor de dood van Sergej Magnitski tijdens zijn voorarrest in een Russische gevangenis, waar hij onmenselijke omstandigheden, opzettelijke verwaarlozing en foltering heeft moeten doorstaan;

K.  overwegende dat Estland, Letland, Litouwen, het Verenigd Koninkrijk, Canada en de Verenigde Staten "Magnitski-wetten" hebben aangenomen voor de vaststelling van sancties wegens schendingen van de mensenrechten; overwegende dat het Parlement herhaaldelijk heeft aangedrongen op de instelling van een soortgelijke EU-sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen wereldwijd, om samenhang en doeltreffendheid te waarborgen met betrekking tot de bevriezing van vermogensbestanddelen, visumverboden en andere sancties die door de lidstaten en op EU-niveau worden opgelegd aan personen en entiteiten;

L.  overwegende dat de Nederlandse overheid in november 2018 een debat tussen de EU-lidstaten op gang heeft gebracht over een gerichte sanctieregeling op EU-niveau voor mensenrechtenschendingen en de politieke opportuniteit van een dergelijke regeling; overwegende dat er op het niveau van de werkgroepen van de Raad voorbereidende besprekingen hierover plaatsvinden;

1.  veroordeelt met kracht alle mensenrechtenschendingen, waar ter wereld die ook plaatsvinden; verzoekt de Raad met spoed een autonome, flexibele en snel toepasbare sanctieregeling op EU-niveau tot stand te brengen waarmee gerichte sancties kunnen worden opgelegd jegens personen, statelijke en niet-statelijke actoren en andere entiteiten die verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen;

2.  benadrukt dat een EU-sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen moet voortbouwen op de voorstellen in eerdere resoluties waarin werd aangedrongen op invoering van een mechanisme op EU-niveau voor het opleggen van gerichte sancties; is van mening dat een EU-sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen om sancties te kunnen opleggen aan personen die betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen waar ook ter wereld bij wijze van symbool moet worden vernoemd naar Sergej Magnitski; is verheugd dat in een aantal landen vergelijkbare wetgeving is vastgesteld die zich specifiek richt op plegers van mensenrechtenschendingen overal ter wereld; benadrukt de noodzaak van trans-Atlantische samenwerking om plegers van mensenrechtenschendingen ter verantwoording te roepen; spoort andere landen ertoe aan om vergelijkbare instrumenten te ontwikkelen;

3.  is er vast van overtuigd dat een dergelijke regeling essentieel is als onderdeel van het instrumentarium van de EU op het gebied van mensenrechten en buitenlands beleid, en is van mening dat de EU hierdoor op het wereldtoneel een grotere rol kan spelen op het gebied van mensenrechtenkwesties, met name in de strijd tegen straffeloosheid en de ondersteuning van misbruikslachtoffers en mensenrechtenverdedigers overal ter wereld;

4.  benadrukt dat het met deze regeling mogelijk moet worden beperkende maatregelen op te leggen, in het bijzonder bevriezing van vermogensbestanddelen en EU-inreisverboden, jegens elke persoon of entiteit die verantwoordelijk is voor, betrokken is bij, medeplichtig is aan, financiering heeft verstrekt voor of heeft bijgedragen aan de planning, aansturing of het plegen van grove mensenrechtenschendingen, misbruik en praktijken van systemische corruptie, een en ander verband houdend met mensenrechtenschendingen; benadrukt dat een duidelijke definitie moet worden vastgesteld van mensenrechtenschendingen en dat moet worden gezorgd voor passende juridische middelen om een vermelding op de lijst te kunnen aanvechten;

5.  is ervan overtuigd dat deze nieuwe regeling ertoe zal leiden dat de personen en entiteiten in kwestie hun gedrag aanpassen, en dat de regeling een afschrikkend effect zal hebben; benadrukt dat alle EU-lidstaten met het oog hierop de toepassing van sancties op dezelfde, consequente manier moeten interpreteren, uitleggen en handhaven; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan intensiever samen te werken en informatie uit te wisselen, en een Europees toezichts- en handhavingsmechanisme op te zetten;

6.  is verheugd over het voorstel van de voorzitter van de Commissie om bij de besluitvorming in de Raad op het gebied van het GBVB niet langer eenparigheid van stemmen toe te passen, en dringt er bij de Raad op aan bij de vaststelling van dit nieuwe sanctie-instrument te voorzien in de mogelijkheid om sancties in verband met mensenrechtenschendingen met gekwalificeerde meerderheid in de Raad vast te stellen;

7.  steunt de voorbereidende besprekingen op het niveau van de Raad over de totstandbrenging van een dergelijke sanctieregeling; dringt er bij de VV/HV en haar diensten op aan een constructieve en proactieve benadering te hanteren om deze besprekingen tot een goed einde te brengen en verwacht dat ze hiervan verslag zal uitbrengen aan het Parlement; onderstreept het belang van de controlerende taak van het Parlement met betrekking tot deze toekomstige regeling, met name wat betreft de reikwijdte en de vaststelling van criteria om op de lijst te worden opgenomen, alsook wat betreft de mogelijkheden om hiertegen beroep aan te tekenen;

8.  roept alle lidstaten op ervoor te zorgen dat de autoriteiten, ondernemingen en andere actoren die op hun grondgebied zijn geregistreerd de besluiten van de Raad over beperkende maatregelen jegens personen en entiteiten volledig naleven, met name wat betreft de bevriezing van vermogensbestanddelen van personen die op de lijst zijn opgenomen en beperkingen inzake toegang tot hun respectieve grondgebied naar aanleiding van mensenrechtenschendingen; uit zijn bezorgdheid over recente meldingen van schendingen van deze besluiten en herinnert de lidstaten eraan dat ze uit hoofde van het internationaal recht verplicht zijn op hun grondgebied aanwezige personen die verdacht worden van het plegen van misdrijven waarbij sprake is van gruweldaden te arresteren en te vervolgen;

9.  benadrukt dat intensievere samenwerking en informatie-uitwisseling tussen deze autoriteiten en de instelling van een Europees handhavingsmechanisme van essentieel belang zijn om een uniforme handhaving en interpretatie van de geldende beperkende maatregelen van de EU te waarborgen en ervoor te zorgen dat Europese bedrijven onder gelijke voorwaarden kunnen functioneren;

10.  benadrukt dat het van groot belang is dat de toekomstige EU-sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen in overeenstemming is met het bestaande EU-beleid en bestaande landspecifieke en horizontale beperkende maatregelen en hierop een aanvulling op vormt; benadrukt in dit verband dat de nieuwe regeling niet in de plaats mag komen van het mensenrechtenaspect van de huidige landspecifieke maatregelen; is voorts van mening dat eventuele toekomstige behoeften in verband met de regeling een aanvulling moeten vormen op het bestaande internationale kader inzake sancties en hiermee in overeenstemming moeten zijn, met name wat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties betreft;

11.  onderstreept dat deze regeling alleen geloofwaardig en legitiem kan zijn indien de hoogst mogelijke normen in acht worden genomen op het gebied van de bescherming en eerbiediging van het recht op een eerlijke procesgang van de betrokken personen of entiteiten; benadrukt in dit verband dat besluiten om personen of entiteiten op de lijst te plaatsen of van de lijst te schrappen gebaseerd moeten zijn op duidelijke, transparante en precieze criteria, en rechtstreeks verband moeten houden met het gepleegde misdrijf, zodat een grondige rechterlijke toetsing en beroepsmogelijkheden worden gewaarborgd; pleit voor de systematische vaststelling van duidelijke en specifieke criteria en een methode voor het opheffen van sancties en het verwijderen van personen van een sanctielijst;

12.  benadrukt dat de strafrechtelijke vervolging van plegers van grove mensenrechtenschendingen en daders van gruweldaden via nationale of internationale rechtspraak het hoofddoel moet blijven van alle inspanningen die de EU en de lidstaten leveren om straffeloosheid tegen te gaan; wijst in dit verband nogmaals op het beginsel van universele rechtsmacht; verzoekt de Raad grensoverschrijdende schendingen op te nemen in het toepassingsgebied van deze regeling; benadrukt dat gecoördineerde multilaterale samenwerking noodzakelijk is om te voorkomen dat sancties worden ontdoken;

13.  verzoekt de Commissie om voldoende middelen en deskundigheid beschikbaar te stellen om de regeling, als deze eenmaal is vastgesteld, te kunnen versterken en controleren, en om er in het bijzonder op te letten dat de burgers, zowel in de EU als in de betrokken landen, over de sanctielijsten worden ingelicht;

14.  brengt hulde aan de niet-aflatende inspanningen van activisten uit het maatschappelijk middenveld ter ondersteuning van een dergelijke regeling; is voorstander van de oprichting van een adviescomité op EU-niveau;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de secretaris-generaal van de Raad van Europa.

(1) PB C 169 E van 15.6.2012, blz. 81.
(2) PB C 378 van 9.11.2017, blz. 52.
(3) PB C 242 van 10.7.2018, blz. 10.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0305.
(5) PB C 307 van 30.8.2018, blz. 92.
(6) PB C 331 van 18.9.2018, blz. 97.
(7) PB C 458 van 19.12.2018, blz. 52.
(8) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 102.
(9) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 90.
(10) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 86.
(11) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 104.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0383.
(13) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 76.
(14) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 91.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0090.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0436.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0345.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0435.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0434.
(20) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0115.
(21) PB C 408 van 30.11.2017, blz. 43.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0515.
(23) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 82.
(24) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0157.
(25) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 77.

Laatst bijgewerkt op: 27 januari 2020Juridische mededeling - Privacybeleid