Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 12 maart 2019 - Straatsburg
Verzoek om opheffing van de immuniteit van Monika Hohlmeier
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Dominique Bilde
 Verlenging van de toepassingsduur van artikel 159 van het Reglement van het Parlement tot het einde van de negende zittingsperiode
 Elektronische informatie over goederenvervoer ***I
 Vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Vietnam inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw ***
 Vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Vietnam inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (resolutie)
 Protocol tot wijziging van het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens ***
 Machtiging van de lidstaten om partij te worden bij het Verdrag van de Raad van Europa over een integrale benadering van veiligheid, beveiliging en gastvrijheid bij voetbalwedstrijden en andere sportevenementen ***
 Protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake zeevervoer tussen de EU en China (toetreding van Kroatië) ***
 Europees-mediterrane overeenkomst tussen de EU en Egypte (toetreding van Kroatië) ***
 Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Turkmenistan
 Uitvoeringsbesluit betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in het Verenigd Koninkrijk *
 Uitwisseling van informatie over onderdanen uit derde landen en het Europees Strafregisterinformatiesysteem (Ecris) ***I
 Gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen ***I
 Het programma "Europees Solidariteitskorps" ***I
 De cyberbeveiligingsverordening van de EU ***I
 Oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de voedselvoorzieningsketen ***I
 Europees burgerinitiatief ***I
 Invoer van cultuurgoederen ***I
 Bescherming van persoonsgegevens in de context van verkiezingen voor het Europees Parlement ***I
 Veiligheidsdreigingen in verband met de toenemende Chinese technologische aanwezigheid in de EU en mogelijke maatregelen op EU-niveau om deze terug te dringen
 Stand van zaken van de politieke betrekkingen tussen de EU en Rusland
 Opbouw van EU-capaciteit voor conflictpreventie en bemiddeling

Verzoek om opheffing van de immuniteit van Monika Hohlmeier
PDF 116kWORD 49k
Besluit van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Monika Hohlmeier (2019/2002(IMM))
P8_TA(2019)0135A8-0165/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Monika Hohlmeier, dat op 27 november 2018 werd ingediend door de procureur-generaal van het parket van Coburg in verband met een gerechtelijke vooronderzoeksprocedure, en van de ontvangst waarvan op 14 januari 2019 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  gezien het feit dat Monika Hohlmeier afstand heeft gedaan van haar recht om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 46 van de Grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0165/2019),

A.  overwegende dat de procureur-generaal van het parket van Coburg een verzoek om opheffing van de immuniteit van Monika Hohlmeier, lid van het Europees Parlement verkozen voor de Bondsrepubliek Duitsland, heeft ingediend in verband met een strafbaar feit in de zin van artikel 142 van het Duitse wetboek van strafrecht; overwegende dat de vervolging met name betrekking heeft op doorrijden na een ongeval;

B.  overwegende dat Monika Hohlmeier op 4 september 2018 rond 15.00 uur geprobeerd heeft haar auto te parkeren op een parkeerplaats in Lichtenfels (Duitsland); overwegende dat de voorkant van haar voertuig de achterkant van een andere geparkeerde auto heeft geraakt, waardoor die laatste auto schade van naar schatting 287,84 euro heeft opgelopen; overwegende dat Monika Hohlmeier vervolgens de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder zich te bekommeren om de afwikkeling van het schadegeval;

C.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement uit hoofde van artikel 9 van Protocol nr. 7 op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

D.  overwegende dat in artikel 46 van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland is bepaald dat een lid van het parlement slechts ter verantwoording mag worden geroepen of mag worden gearresteerd op grond van een strafbaar feit als de Bondsdag daarvoor toestemming verleent, behalve in gevallen waarin de betrokkene op heterdaad of de dag volgend op het strafbare feit wordt aangehouden;

E.  overwegende dat het Parlement als enige het recht heeft in een specifiek geval al dan niet te besluiten de immuniteit op te heffen; overwegende dat het Parlement redelijkerwijze rekening kan houden met het standpunt van het lid bij zijn besluit om zijn immuniteit al dan niet op te heffen(2);

F.  overwegende dat het vermoede strafbare feit niet duidelijk of rechtstreeks verband houdt met de uitoefening door Monika Hohlmeier van haar ambt van lid van het Europees Parlement, en evenmin met een mening of een stem die zij in de uitoefening van haar ambt heeft uitgebracht, in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

G.  overwegende dat in het onderhavige geval voor het Parlement niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van fumus persecutionis, dat wil zeggen een voldoende ernstig en nauwkeurig vermoeden dat de procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van het lid van het Parlement te schaden;

1.  besluit de immuniteit van Monika Hohlmeier op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Bondsrepubliek Duitsland en aan Monika Hohlmeier.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.
(2) Arrest van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, EU:T:2008:440, punt 28.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen
PDF 125kWORD 50k
Besluit van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen (2018/2247(IMM))
P8_TA(2019)0136A8-0167/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen, dat op 5 september 2018 door het ministerie van Justitie van de Franse Republiek is toegezonden op verzoek van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep van Parijs en van de ontvangst waarvan op 22 oktober 2018 ter plenaire vergadering kennis is gegeven, in verband met een bij de onderzoeksrechters aanhangig gemaakte zaak in verband met een gerechtelijk onderzoek wegens de vermeende strafbare feiten van vertrouwensbreuk, het verhelen van vertrouwensbreuk, fraude door een georganiseerde groep, vervalsing en het gebruik van vervalste documenten, en verborgen werk door het verhelen van personeel, met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van parlementaire medewerkers,

–  na Jean-François Jalkh, ter vervanging van Jean-Marie Le Pen, te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 26 van de Grondwet van de Republiek Frankrijk,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0167/2019),

Α.  overwegende dat de onderzoeksrechters van het Tribunal de grande instance van Parijs hebben verzocht om opheffing van de parlementaire immuniteit van Jean-Marie Le Pen om hem te horen in verband met vermeende strafbare feiten;

Β.  overwegende dat het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen betrekking heeft op de vermeende strafbare feiten van vertrouwensbreuk, het verhelen van vertrouwensbreuk, fraude door een georganiseerde groep, vervalsing en het gebruik van vervalste documenten, en verborgen werk door het verhelen van personeel, met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van medewerkers van leden van het Europees Parlement die aangesloten zijn bij het Front National;

C.  overwegende dat op 5 december 2016 een gerechtelijk onderzoek is ingesteld naar aanleiding van een vooronderzoek dat op 9 maart 2015 na een aanklacht van de toenmalige Voorzitter van het Europees Parlement is ingesteld met betrekking tot een aantal parlementaire medewerkers van leden van het Europees Parlement die bij het Front National zijn aangesloten;

D.  overwegende dat tijdens een huiszoeking in het hoofdkantoor van het Front National in februari 2016, een aantal documenten in beslag zijn genomen in het kantoor van de penningmeester van het Front National, waaruit bleek dat de partij kosten wenste te "besparen" door de bezoldiging van de personeelsleden van de partij voor rekening te laten komen van het Europees Parlement door deze personeelsleden als parlementair medewerkers aan te stellen;

E.  overwegende dat in het organigram van het Front National, dat in februari 2015 is gepubliceerd, slechts 15 leden van het Europees Parlement (op een totaal van 23), 21 plaatselijke parlementaire medewerkers en 5 geaccrediteerde parlementaire medewerkers (op een totaal van 54 medewerkers) worden vermeld; overwegende dat een aantal parlementaire medewerkers verklaarden dat hun standplaats het hoofdkwartier van het Front National in Nanterre was, waarbij zij in sommige gevallen vermeldden dat zij daar voltijds werkzaam waren, hoewel zij woonden op 120 tot 945 km van de aangegeven standplaats; overwegende dat in dit stadium van het onderzoek is gebleken dat 8 parlementaire medewerkers vrijwel geen werkzaamheden van parlementair medewerker hebben uitgevoerd of slechts als een zeer klein deel van hun algemene taken;

F.  overwegende dat de onderzoeken ook omstandigheden aan het licht hebben gebracht waaruit blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat de betreffende medewerkers daadwerkelijk taken vervulden in verband met het Europees Parlement, met name:

   arbeidscontracten van parlementaire medewerkers van het EP die waren ingelast tussen twee arbeidscontracten van het Front National,
   arbeidscontracten van parlementaire medewerkers van het EP en van medewerkers van het Front National die gelijktijdig liepen,
   arbeidscontracten voor het Front National waarvan de looptijd onmiddellijk aansloot op de looptijd van contracten van parlementaire medewerkers van het EP;

G.  overwegende dat uit het onderzoek is gebleken dat Jean-Marie Le Pen in 2011 in zijn hoedanigheid van lid van het Europees Parlement een parlementaire medewerker in dienst had, maar dat de parlementaire medewerker in kwestie de onderzoekers heeft verteld dat hij in de betrokken periode voor de verkiezingscampagne van een ander lid van het Europees Parlement had gewerkt; overwegende dat Jean-Marie Le Pen heeft gezorgd voor de betaling van salarissen van parlementaire medewerkers aan drie andere personen, hoewel deze in die hoedanigheid vrijwel geen enkel werk hebben verricht;

H.  overwegende dat uit het onderzoek ook is gebleken dat Jean-Marie Le Pen in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Front National ten tijde van de vermeende strafbare feiten een systeem heeft opgezet, dat door het Europees Parlement aan het licht is gebracht en waarbij EU-middelen werden gebruikt om een deel van de medewerkers van het Front National te betalen via parlementaire contracten met personen die in werkelijkheid voor de partij hadden gewerkt, waardoor de geldende EU-regels werden overtreden;

I.  overwegende dat de onderzoeksrechters het nodig achten Jean-Marie Le Pen te horen;

J.  overwegende dat Jean-Marie Le Pen weigerde te verschijnen naar aanleiding van de dagvaarding door de onderzoekers op 21 juni 2018 en dat hij toen hij in juli 2018 werd gedagvaard door de onderzoeksrechters, nogmaals weigerde te verschijnen waarbij hij een beroep deed op zijn parlementaire immuniteit;

K.  overwegende dat de bevoegde autoriteit met het oog op de ondervraging van Jean-Marie Le Pen in verband met de tegen hem ingebrachte beschuldigingen, een verzoek om opheffing van zijn immuniteit heeft ingediend;

L.  overwegende dat ingevolge artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend;

M.  overwegende dat volgens artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek‚ een lid van de volksvertegenwoordiging niet zonder toestemming van het bureau van de wetgevende kamer waarvan het deel uitmaakt, ter zake van een misdrijf of een overtreding kan worden aangehouden of aan andere vrijheid benemende of vrijheid beperkende maatregelen kan worden onderworpen; die toestemming is niet vereist in geval van een ernstig misdrijf of bij betrapping op heterdaad of bij een veroordeling in kracht van gewijsde;

N.  overwegende dat er geen bewijs of reden is om fumus persecutionis te vermoeden;

1.  besluit de immuniteit van Jean-Marie Le Pen op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de minister van Justitie van de Franse Republiek en aan Jean-Marie Le Pen.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Dominique Bilde
PDF 123kWORD 50k
Besluit van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Dominique Bilde (2018/2267(IMM))
P8_TA(2019)0137A8-0166/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Dominique Bilde, dat op 19 oktober 2018 door het ministerie van Justitie van de Franse Republiek is toegezonden op verzoek van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep van Parijs en van de ontvangst waarvan op 12 november 2018 ter plenaire vergadering kennis is gegeven, in verband met een bij de onderzoeksrechters aanhangig gemaakte zaak in verband met een gerechtelijk onderzoek wegens de vermeende strafbare feiten van vertrouwensbreuk, het verhelen van vertrouwensbreuk, fraude door een georganiseerde groep, vervalsing en het gebruik van vervalste documenten, en verborgen werk door het verhelen van personeel, met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van medewerkers,

–  na Jean-François Jalkh namens Dominique Bilde te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0166/2019),

Α.  overwegende dat de onderzoeksrechters van het Tribunal de grande instance van Parijs hebben verzocht om opheffing van de parlementaire immuniteit van Dominique Bilde om haar te horen in verband met vermeende strafbare feiten;

Β.  overwegende dat het verzoek om opheffing van de immuniteit van Dominique Bilde betrekking heeft op de vermeende strafbare feiten van vertrouwensbreuk, het verhelen van vertrouwensbreuk, fraude door een georganiseerde groep, vervalsing en het gebruik van vervalste documenten, en verborgen werk door het verhelen van personeel, met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van medewerkers van leden van het Europees Parlement die aangesloten zijn bij het Front National;

C.  overwegende dat op 5 december 2016 een gerechtelijk onderzoek is ingesteld naar aanleiding van een vooronderzoek dat op 9 maart 2015 na een aanklacht van de toenmalige Voorzitter van het Europees Parlement is ingesteld met betrekking tot een aantal parlementaire medewerkers van leden van het Europees Parlement die bij het Front National zijn aangesloten;

D.  overwegende dat tijdens een huiszoeking verricht in het hoofdkantoor van het Front National in februari 2016 een aantal documenten in beslag zijn genomen in het kantoor van de penningmeester van het Front National, waaruit bleek dat de partij kosten wenste te besparen door de bezoldiging van de personeelsleden van de partij voor rekening te laten komen van het Europees Parlement door personeel als parlementair medewerkers aan te stellen; overwegende dat in dit stadium van het onderzoek is gebleken dat acht parlementaire medewerkers vrijwel geen werkzaamheden van parlementair medewerker hebben verricht of slechts als een zeer klein deel van hun algemene taken;

E.  overwegende dat gebleken is dat de van 1 oktober 2014 tot 31 juli 2015 voltijds aangestelde parlementair medewerker van Dominique Bilde bij de medewerkers hoorde die zo goed als geen werkzaamheden van parlementair medewerker hebben verricht; overwegende dat in het organigram van het Front National van februari 2015 "nationaal functionaris voor planning" wordt vermeld als functieomschrijving van de parlementair medewerker van Dominique Bilde, en dat hij werkzaam was op de afdeling Beleidstoezicht en Planning, waarbij hij onder de verantwoordelijkheid van een ander lid van het Europees Parlement viel; overwegende dat op zijn contract als parlementair medewerker twee arbeidscontracten volgden die betrekking hadden op de werkzaamheden van het Front National tussen augustus 2015 en 31 december 2016; overwegende dat hij gedurende de looptijd van zijn contract als parlementair medewerker tevens de volgende taken op zich nam: secretaris-generaal van het Collectif Marianne, secretaris-generaal van het Collectif Mer et Francophonie, en kandidaat bij de verkiezingen voor de departementale raad van het departement Doubs in maart 2015;

F.  overwegende dat het Europees Parlement de overname van de kosten van parlementaire assistentie met betrekking tot het contract van de parlementair medewerker van Dominique Bilde heeft opgeschort;

G.  overwegende dat de onderzoeksrechters het nodig achten Dominique Bilde te horen;

H.  overwegende dat Dominique Bilde zich beriep op haar parlementaire immuniteit toen zij bij haar dagvaarding van augustus 2017 weigerde de vragen van de onderzoekers te beantwoorden en weigerde te verschijnen voor de onderzoeksrechters op een eerste hoorzitting op 24 november 2017 naar aanleiding van de verdenking van vertrouwensbreuk;

I.  overwegende dat de bevoegde autoriteit met het oog op de ondervraging van Dominique Bilde in verband met de tegen haar ingebrachte beschuldigingen een verzoek om opheffing van haar immuniteit heeft ingediend;

J.  overwegende dat ingevolge artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat worden verleend;

K.  overwegende dat volgens artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek‚ een lid van de volksvertegenwoordiging niet zonder toestemming van het bureau van de wetgevende kamer waarvan het deel uitmaakt, ter zake van een misdrijf of een overtreding kan worden aangehouden of aan andere vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende maatregelen kan worden onderworpen; die toestemming is niet vereist in geval van een ernstig misdrijf of bij betrapping op heterdaad of bij een veroordeling in kracht van gewijsde;

L.  overwegende dat er geen bewijs of reden is om fumus persecutionis te vermoeden;

1.  besluit de immuniteit van Dominique Bilde op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de minister van Justitie van de Franse Republiek en aan Dominique Bilde.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Verlenging van de toepassingsduur van artikel 159 van het Reglement van het Parlement tot het einde van de negende zittingsperiode
PDF 113kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement van 12 maart 2019 tot verlenging van de toepassingsduur van artikel 159 van het Reglement van het Parlement tot het einde van de negende zittingsperiode (2019/2545(RSO))
P8_TA(2019)0138B8-0147/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 342 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 920/2005(2) van de Raad en Verordening (EU, Euratom) 2015/2264 van de Raad(3),

–  gezien de door het Bureau op 16 juni 2014 vastgestelde gedragscode inzake meertaligheid,

–  gezien zijn besluit van 26 februari 2014(4) tot verlenging van de toepassingsduur van artikel 159 van het Reglement tot het einde van de achtste zittingsperiode en de latere besluiten van het Bureau tot verlenging van de afwijking van artikel 158 tot het einde van deze zittingsperiode,

–  gezien de artikelen 158 en 159 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat alle stukken van het Parlement overeenkomstig artikel 158 moeten worden gesteld in de officiële talen en dat de leden het recht hebben in het Parlement het woord te voeren in de officiële taal van hun keuze, waarbij wordt voorzien in vertolking naar de andere officiële talen;

B.  overwegende dat afwijkingen van artikel 158 overeenkomstig artikel 159 kunnen worden toegestaan tot het einde van de achtste zittingsperiode indien en voor zover de voor een officiële taal noodzakelijke tolken/vertalers, ondanks dat adequate voorzorgsmaatregelen zijn genomen, niet in toereikende aantallen beschikbaar zijn; overwegende dat voor elke officiële taal waarvoor een afwijking noodzakelijk wordt geacht, het Bureau op voorstel van de secretaris-generaal en gelet op de door de Raad op grond van de Verdragen vastgestelde speciale tijdelijke maatregelen met betrekking tot de opstelling van rechtshandelingen, moet nagaan of aan de voorwaarden is voldaan en zijn besluit om de zes maanden opnieuw moet evalueren;

C.  overwegende dat de Verordeningen (EG) nr. 920/2005 en (EU, Euratom) 2015/2264 van de Raad voorzien in een geleidelijke beperking van de afwijking met betrekking tot het Iers en dat, bij ontstentenis van een andere verordening van de Raad waarin anders is bepaald, deze afwijking met ingang van 1 januari 2022 vervalt;

D.  overwegende dat de capaciteit voor Kroatisch, Iers en Maltees, ondanks alle adequate voorzorgsmaatregelen die zijn genomen, naar verwachting niet vanaf het begin van de negende zittingsperiode toereikend zal zijn om volledige vertolkingsdiensten in deze talen mogelijk te maken;

E.  overwegende dat het aantal gekwalificeerde vertalers voor Iers, ondanks aanhoudende en voortdurende interinstitutionele inspanningen, zo beperkt is dat voor de nabije toekomst geen volledige dekking van die taal overeenkomstig artikel 158 kan worden gewaarborgd; overwegende dat op grond van de Verordeningen (EG) nr. 920/2005 en (EU, Euratom) 2015/2264 van de Raad een toenemend aantal rechtshandelingen in het Iers moet worden vertaald, wat de mogelijkheid vermindert om andere parlementaire documenten in die taal te vertalen;

F.  overwegende dat het Parlement, overeenkomstig artikel 159, lid 4, op basis van een met redenen omklede aanbeveling van het Bureau, aan het einde van een zittingsperiode kan besluiten de toepassingsduur van dit artikel te verlengen;

G.  overwegende dat het Bureau, hetgeen vooraf gaat in overweging genomen, aanbeveelt artikel 159 te verlengen tot het einde van de negende zittingsperiode;

1.  besluit artikel 159 van het Reglement van het Parlement te verlengen tot het einde van de negende zittingsperiode;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Commissie.

(1) PB 17 van 6.10.1958, blz. 385.
(2) Verordening (EG) nr. 920/2005 van de Raad van 13 juni 2005 tot wijziging van Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap en Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, alsmede tot invoering van tijdelijke afwijkingsmaatregelen met betrekking tot deze verordeningen (PB L 156 van 18.6.2005, blz. 3).
(3) Verordening (EU, Euratom) 2015/2264 van de Raad van 3 december 2015 houdende verlenging en geleidelijke afschaffing van de tijdelijke afwijkingsmaatregelen met betrekking tot Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap en Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, die zijn ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 920/2005 (PB L 322 van 8.12.2015, blz. 1).
(4) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 164.


Elektronische informatie over goederenvervoer ***I
PDF 256kWORD 75k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake elektronische informatie over goederenvervoer (COM(2018)0279 – C8-0191/2018 – 2018/0140(COD))
P8_TA(2019)0139A8-0060/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0279),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 91, artikel 100, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0191/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0060/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad inzake elektronische informatie over goederenvervoer

P8_TC1-COD(2018)0140


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, artikel 100, lid 2, en artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De efficiëntie van het goederenvervoer en de goederenlogistiek is van vitaal belang voor de groei en het concurrentievermogen van de economie van de Unie, de werking van de interne markt en de sociale en economische samenhang van alle regio's in de Unie. [Am. 1]

(1 bis)  Deze verordening heeft tot doel de kosten van de verwerking van vervoersinformatie tussen autoriteiten en marktdeelnemers terug te dringen, de handhavingscapaciteiten van de autoriteiten te versterken en de digitalisering van het goederenverkeer en de goederenlogistiek te stimuleren. [Am. 2]

(2)  Goederenbewegingen gaan gepaard met een grote hoeveelheid informatie die nog steeds op papier wordt uitgewisseld, zowel tussen bedrijven onderling als tussen bedrijven en overheidsinstanties. Het gebruik van papieren documenten brengt aanzienlijke administratieve rompslomp en extra kosten met zich mee voor logistieke ondernemingen en aanverwante bedrijfstakken (zoals handel en industrie), met name voor kmo's, en heeft een negatief effect op het milieu. [Am. 3]

(2 bis)  Effectieve en efficiënte handhaving van de regels is een noodzakelijke voorwaarde voor eerlijke concurrentie op de interne markt. Een verdere digitalisering van de handhavingsinstrumenten is essentieel om handhavingscapaciteit vrij te maken, onnodige administratieve lasten voor internationale vervoerders en met name kmo's te verminderen, zich doelgerichter te concentreren op vervoerders met een hoog risico en frauduleuze praktijken op te sporen. Deze digitale, "slimme" handhaving houdt in dat alle relevante informatie papierloos moet worden en in elektronische vorm beschikbaar moet zijn voor de bevoegde instanties. Het gebruik van elektronische vervoersdocumenten moet in de toekomst dan ook de regel worden. Om ervoor te zorgen dat rechtshandhavers, waaronder functionarissen die controles langs de weg verrichten, een duidelijk en volledig overzicht hebben van de vervoerders die worden gecontroleerd, moeten zij rechtstreekse en realtimetoegang krijgen tot alle desbetreffende informatie, zodat zij in staat zijn inbreuken en afwijkingen sneller en doeltreffender op te sporen. [Am. 4]

(3)  Het gebrek aan een uniform wetgevingskader op het niveau van de Unie, dat overheidsinstanties verplicht om relevante informatie over goederenvervoer in elektronische vorm te aanvaarden, wordt beschouwd als de belangrijkste reden waarom de kansen op vereenvoudiging en grotere efficiëntie dankzij de digitalisering nog steeds onderbenut blijven. De niet-aanvaarding van elektronische informatie door overheidsinstanties heeft niet alleen gevolgen voor de communicatie tussen deze instanties en marktdeelnemers, maar verhindert indirect ook de ontwikkeling van vereenvoudigde elektronische communicatie tussen bedrijven in de hele Unie en zal leiden tot een stijging van de administratieve kosten, met name voor kmo's. [Am. 5]

(4)  Sommige domeinen van de vervoerswetgeving van de Unie verplichten de instanties om gedigitaliseerde informatie te aanvaarden, maar dit geldt nog lang niet voor alle relevante wetgeving van de Unie. Het Om de administratieve lasten te verminderen, controles efficiënter te maken en inbreuken efficiënter te bestrijden, moet het altijd mogelijk zijn om elektronische middelen te gebruiken om wettelijk verplichte informatie over goederenvervoer op het hele grondgebied van de Unie en voor alle relevante fasen van vervoersactiviteiten in de Unie ter beschikking te stellen van de autoriteiten. Die mogelijkheid moet bovendien gelden voor alle wettelijk verplichte informatie in alle vervoerswijzen. De lidstaten moeten elektronische vervoersdocumenten algemeen aanvaarden en het e-CMR-protocol onverwijld ratificeren en toepassen. Daarom moeten de autoriteiten elektronisch met de betrokken marktdeelnemers communiceren met betrekking tot wettelijk verplichte informatie en hun eigen gegevens digitaal beschikbaar stellen, overeenkomstig het toepasselijke recht. [Am. 6]

(5)  De instanties van de lidstaten moeten dan ook worden verplicht om elektronisch ingediende informatie te aanvaarden telkens wanneer marktdeelnemers verplicht zijn om informatie te verstrekken als bewijs van naleving van de voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomstig titel VI van het derde deel van het Verdrag vastgestelde EU-handelingen of, gezien de vergelijkbaarheid van de situaties, EU-wetgeving inzake de overbrenging van afvalstoffen. Dit geldt ook wanneer de nationale wetgeving van een lidstaat inzake aangelegenheden die zijn geregeld bij titel VI van het derde deel van het Verdrag, een verplichting bevat om wettelijk verplichte informatie in te dienen die geheel of gedeeltelijk identiek is aan de informatie die uit hoofde van de wetgeving van de Unie moet worden verstrekt.

(5 bis)  Om de administratieve lasten te verminderen en schaarse handhavingscapaciteit vrij te maken, moeten marktdeelnemers verplicht worden om langs elektronische weg wettelijk verplichte informatie te verstrekken aan de bevoegde instanties van de lidstaten en moeten de bevoegde instanties van de lidstaten langs elektronische weg met de betrokken marktdeelnemers communiceren over het verstrekken van wettelijk verplichte informatie. [Am. 7]

(6)  Aangezien deze verordening alleen tot doel heeft het verstrekken van informatie tussen marktdeelnemers en administratieve organen, met name via elektronische middelen, te vereenvoudigen en aan te moedigen, mag ze geen afbreuk aan de bepalingen van de wetgeving van de Unie of de lidstaten met betrekking tot de inhoud van wettelijk verplichte informatie en mag ze, met name, geen aanvullende eisen inzake wettelijk verplichte informatie opleggen. Aangezien het doel van deze verordening is het mogelijk te maken om eisen inzake wettelijk verplichte informatie na te leven met elektronische middelen in plaats van papieren documenten, maar moet zij de ontwikkeling mogelijk maken van Europese platformen om de informatie uit te wisselen en gemakkelijk te delen. Ze mag geen andere gevolgen hebben voor de relevante bepalingen van de Unie inzake eisen voor documenten die moeten worden gebruikt voor de gestructureerde presentatie van de informatie in kwestie. Deze verordening mag ook geen gevolgen hebben voor de procedurele bepalingen van de wetgeving van de Unie inzake de overbrenging van afvalstoffen. De verordening mag evenmin afbreuk doen aa n bepalingen inzake rapporteringsverplichtingen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad(4) of uit hoofde daarvan vastgestelde uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen. De Commissie moet echter beoordelen of de bepalingen met betrekking tot de inhoud van de voorschriften inzake wettelijk verplichte informatie over het vervoer van goederen op het grondgebied van de Unie moeten worden aangepast om de handhavingsmogelijkheden van de bevoegde instanties te verbeteren. [Am. 8]

(7)  Het gebruik van elektronische middelen voor de uitwisseling van informatie overeenkomstig deze verordening moet zodanig worden georganiseerd dat de beveiliging en de vertrouwelijkheid van gevoelige commerciële informatie gewaarborgd zijn.

(8)  Om marktdeelnemers in staat te stellen de relevante informatie op dezelfde wijze in elektronische vorm te verstrekken in alle lidstaten, moeten gemeenschappelijke specificaties worden vastgesteld door de Commissie. Die specificaties moeten ervoor zorgen dat de gegevens interoperabel zijn voor de verschillende gegevensreeksen en subreeksen van relevante wettelijk verplichte informatie, en moeten gemeenschappelijke procedures en gedetailleerde regels bevatten voor de toegang tot en verwerking van die informatie door de bevoegde instanties.

(9)  Bij het vaststellen van die specificaties moet rekening worden gehouden met de relevante specificaties voor gegevensuitwisseling die zijn vastgesteld in relevante wetgeving van de Unie en in relevante Europese en internationale normen voor multimodale gegevensuitwisseling, inclusief de bepalingen van de AVG. Er moet ook rekening worden gehouden met de investeringen van marktdeelnemers en de als gevolg hiervan reeds bestaande gegevensmodellen die specifiek zijn voor een bepaalde vervoerswijze, en met de beginselen en aanbevelingen die zijn vastgesteld in het Europees interoperabiliteitskader(5), dat voorziet in een aanpak voor de verlening van Europese digitale openbare diensten waarover overeenstemming is bereikt door de lidstaten. Bovendien is het van belang alle belanghebbende partijen naar behoren te betrekken bij de ontwikkeling en uitwerking van deze specificaties. Er moet ook worden gewaarborgd dat deze specificaties technologisch neutraal blijven en openstaan voor innoverende technologieën. [Am. 9]

(10)  In deze verordening moeten de functionele eisen worden vastgesteld die van toepassing zijn op platformen die gebaseerd zijn op informatie- en communicatietechnologie en die door marktdeelnemers kunnen worden gebruikt om de wettelijk verplichte informatie over goederenvervoer in elektronisch formaat (eFTI) in te dienen bij de bevoegde instanties (eFTI-platformen). Ook de voorwaarden voor derde partijen die diensten verlenen aan het eFTI-platform (eFTI-dienstverleners) moeten worden vastgesteld.

(11)  Om zowel bij de instanties van de lidstaten als bij de marktdeelnemers het vertrouwen op te bouwen in het feit dat de eFTI-platformen en eFTI-dienstverleners aan deze eisen voldoen, moeten de instanties van de lidstaten een certificeringssysteem opzetten dat gebaseerd is op accreditatie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad(6) . Gezien de relatief lange uitvoeringsperiode moet de Commissie nagaan of technologieën als de blockchaintechnologie een vergelijkbaar resultaat kunnen waarborgen als het certificeringssysteem en tegelijk de kosten voor marktdeelnemers en de lidstaten aanzienlijk kunnen drukken. [Am. 10]

(12)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de tenuitvoerlegging van de verplichting om wettelijk verplichte informatie te aanvaarden die overeenkomstig deze verordening in elektronisch formaat is ingediend, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(7). [Am. 11]

(13)  De Commissie moet met name uitvoeringsbevoegdheden krijgen om een gemeenschappelijke gegevensreeks en subreeksen vast te stellen met betrekking tot de respectieve eisen inzake wettelijk verplichte informatie die onder deze verordening valt, en om gemeenschappelijke procedures en gedetailleerde regels op te stellen betreffende de toegang tot en verwerking van die informatie door bevoegde instanties wanneer de betrokken marktdeelnemers deze informatie elektronisch indienen, met inbegrip van gedetailleerde voorschriften en technische specificaties. [Am. 12]

(14)  De Commissie moet ook uitvoeringsbevoegdheden krijgen om gedetailleerde regels vast te stellen voor de tenuitvoerlegging van de eisen voor de eFTI-platformen en eFTI-dienstverleners. [Am. 13]

(15)  Teneinde de goede toepassing van deze verordening te garanderen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen:

   om deel B van bijlage I aan te vullen met de lijsten van eisen inzake wettelijk verplichte informatie in de wetgeving van de lidstaten die bij de Commissie is aangemeld overeenkomstig deze verordening;
   om deel A van bijlage I te wijzigen, teneinde rekening te houden met alle door de Commissie vastgestelde gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen waarin nieuwe eisen inzake wettelijk verplichte informatie van de Unie worden vastgesteld voor het vervoer van goederen;
   om deel B van bijlage I aan te vullen met alle nieuwe bepalingen van relevante nationale wetgeving waarbij wijzigingen van nationale eisen inzake wettelijk verplichte informatie worden aangebracht of nieuwe relevante eisen inzake wettelijk verplichte informatie worden vastgesteld die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen en door de lidstaten bij de Commissie zijn aangemeld overeenkomstig deze verordening;
   om bepaalde technische aspecten van deze verordening aan te vullen, namelijk wat de regels voor certificering van eFTI-platformen en eFTI-dienstverleners betreft.
   om gemeenschappelijke procedures, technische specificaties en gedetailleerde regels voor bevoegde instanties in verband met de toegang tot en verwerking van de respectieve verplichte informatie uit hoofde van deze verordening vast te stellen, alsook gedetailleerde regels inzake de tenuitvoerlegging van de eisen voor de eFTI-platformen en eFTI-dienstverleners. [Am. 14]

(16)  Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(8). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(17)  Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het waarborgen van een uniforme aanpak bij de aanvaarding van elektronisch verstrekte informatie over goederenvervoer door de instanties van de lidstaten, niet voldoende kunnen worden bereikt door de lidstaten, maar, gezien de behoefte om gemeenschappelijke eisen vast te stellen, beter op het niveau van de Unie kunnen worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(18)  De elektronische verwerking van persoonsgegevens die nodig is in het kader van de wettelijk verplichte informatie over het goederenvervoer, moet worden verricht overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(9).

(19)  De Commissie moet een evaluatie van deze verordening uitvoeren. Er moet informatie worden verzameld om deze evaluatie te onderbouwen en om de prestaties van de wetgeving te toetsten aan de beoogde doelstellingen.

(20)  Deze verordening kan niet effectief worden toegepast alvorens de daarin voorziene gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen in werking zijn getreden. Deze verordening moet derhalve van toepassing worden met ingang van ... [datum invullen] om de Commissie de tijd te geven die handelingen vast te stellen.

(20 bis)  De Commissie moet onmiddellijk van start gaan met het opstellen van de noodzakelijke gedelegeerde handelingen, teneinde verdere vertragingen te voorkomen en ervoor te zorgen dat marktdeelnemers en de lidstaten voldoende tijd hebben om zich voor te bereiden. [Am. 15]

(21)  De Europese toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd in overeenstemming met artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(10) en heeft op ... [datum invullen](11) advies uitgebracht,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Bij deze verordening wordt een juridisch kader vastgesteld voor de elektronische verstrekking van wettelijk verplichte informatie over het vervoer van goederen op het grondgebied van de Unie, inclusief de interoperabiliteit ervan. Daartoe zijn in deze verordening: [Am. 16]

a)  de voorwaarden vastgesteld waaronder de bevoegde instanties van de lidstaten informatie moeten aanvaarden die elektronisch is ingediend verstrekt door de betrokken marktdeelnemers; [Am. 17]

a bis)  de voorwaarden vastgesteld waaronder de betrokken marktdeelnemers wettelijk verplichte informatie elektronisch moeten indienen bij de bevoegde instanties van de lidstaten; [Am. 18

a ter)  de voorwaarden vastgesteld waaronder de bevoegde instanties van de lidstaten langs elektronische weg met de betrokken marktdeelnemers moeten communiceren over het verstrekken van wettelijk verplichte informatie; [Am. 19]]

b)  de regels vastgesteld voor het verlenen van diensten die betrekking hebben op de elektronische verstrekking van wettelijk verplichte informatie door de betrokken marktdeelnemers.

2.  Deze verordening is van toepassing op de eisen inzake wettelijk verplichte informatie die zijn uiteengezet in handelingen van de Unie waarin de voorwaarden voor het vervoer van goederen op het grondgebied van de Unie zijn vastgesteld, overeenkomstig titel VI van het derde deel van het Verdrag, of waarin de voorwaarden voor overbrengingen van afvalstoffen zijn vastgesteld, en op de eisen inzake wettelijk verplichte informatie voor het vervoer van goederen die zijn uiteengezet in in de Unie geldende internationale verdragen. Wat de overbrenging van afvalstoffen betreft, is deze verordening niet van toepassing op controles door douanebeambten, zoals vastgesteld in de toepasselijke voorschriften van de Unie. De handelingen van de Unie waarop deze verordening van toepassing is en de overeenkomstige eisen inzake wettelijk verplichte informatie zijn opgesomd in deel A van bijlage I. [Am. 20]

Deze verordening is ook van toepassing op eisen inzake wettelijk verplichte informatie die zijn vastgesteld in de wetgeving van de lidstaten inzake aangelegenheden die zijn geregeld bij titel VI van het derde deel van het Verdrag en waarbij vereist wordt dat informatie wordt verstrekt die geheel of gedeeltelijk identiek is aan de informatie die krachtens de in de eerste alinea bedoelde eisen moeten worden verstrekt.

De nationale wetgeving en de overeenkomstige in de tweede alinea bedoelde eisen inzake wettelijk verplichte informatie worden opgesomd in deel B van bijlage I, overeenkomstig de in artikel 2, onder b), uiteengezette procedure.

3.  Uiterlijk op ... [één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening invullen] stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de bepalingen van de nationale wetgeving en de overeenkomstige in de tweede alinea van lid 2 vermelde eisen inzake wettelijk verplichte informatie die in deel B van bijlage I moeten worden opgenomen. De lidstaten stellen de Commissie ook in kennis van alle nieuwe onder lid 2 vallende bepalingen van later vastgestelde nationale wetgeving waarbij die eisen inzake wettelijke verplichte informatie worden gewijzigd of nieuwe relevante eisen inzake wettelijk verplichte informatie worden vastgesteld, binnen een maand na de vaststelling van die bepalingen.

Artikel 2

Aanpassing van bijlage I

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van bijlage I, teneinde:

a)  een verwijzing op te nemen naar een door de Commissie vastgestelde gedelegeerde handeling of uitvoeringshandeling waarbij nieuwe eisen inzake wettelijk verplichte informatie worden vastgesteld met betrekking tot rechtshandelingen van de Unie inzake het vervoer van goederen overeenkomstig titel VI van het derde deel van het Verdrag.

b)  verwijzingen op te nemen naar nationale wetgeving en eisen inzake wettelijk verplichte informatie die door de lidstaten zijn aangemeld overeenkomstig artikel 1, lid 3.

b bis)  verwijzingen op te nemen naar andere rechtshandelingen van de Unie met betrekking tot goederenvervoer waarin wettelijk verplichte informatie is vastgesteld; [Am. 21]

b ter)  verwijzingen op te nemen naar in de Unie geldende internationale verdragen waarin eisen worden vastgesteld inzake wettelijk verplichte informatie die direct of indirect verband houdt met het vervoer van goederen; [Am. 22]

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "wettelijk verplichte informatie": informatie, al dan niet als een document gepresenteerd, die betrekking heeft op goederenvervoer op het grondgebied van de Unie, met inbegrip van doorvoer, die door een betrokken marktdeelnemer moet worden verstrekt overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, lid 2, teneinde de naleving van de relevante eisen van de desbetreffende handelingen aan te tonen.

2)  "eis inzake wettelijk verplichte informatie": een eis om wettelijk verplichte informatie te verstrekken;

3)  "elektronische informatie over goederenvervoer" (eFTI): een reeks gegevenselementen die elektronisch worden verwerkt met het oog op de uitwisseling van wettelijk verplichte informatie tussen betrokken marktdeelnemers en met de bevoegde overheidsinstanties;

4)  "verwerking": een bewerking of een geheel van bewerkingen die worden uitgevoerd op eFTI, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procédés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;

5)  "eFTI-platform": een op informatie- en communicatietechnologie (ICT) gebaseerde oplossing, zoals een besturingssysteem, een besturingsomgeving of een gegevensbank die bestemd is om te worden gebruikt voor de verwerking van eFTI;

6)  "eFTI-platformontwikkelaar": een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een eFTI-platform heeft ontwikkeld of verkregen, hetzij om wettelijk verplichte informatie met betrekking tot zijn eigen economische activiteiten te verwerken, hetzij om dat platform op de markt te brengen;

7)  "eFTI-dienst": een dienst die bestaat uit eFTI-verwerking door middel van een eFTI-platform, alleen of in combinatie met andere ICT-oplossingen, met inbegrip van andere eFTI-platformen;

8)  "eFTI-dienstverlener": een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een eFTI-dienst verleent aan betrokken marktdeelnemers op basis van een overeenkomst;

9)  "betrokken marktdeelnemer": een exploitant van vervoersactiviteiten of logistieke activiteiten, of een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die verantwoordelijk is voor de verstrekking van wettelijk verplichte informatie aan de bevoegde instanties, overeenkomstig de relevante eis inzake wettelijk verplichte informatie;

10)  "voor mensen leesbaar formaat": een weergave van de gegevens in elektronische vorm die gebruikt kan worden als informatie voor een natuurlijke persoon, zonder dat verdere verwerking noodzakelijk is;

11)  "machineleesbaar formaat": een weergave van de gegevens in elektronische vorm die gebruikt kan worden voor automatische verwerking door een machine;

12)  "conformiteitsbeoordelingsinstantie": een conformiteitsbeoordelingsinstantie in de zin van artikel 2, punt 13, van Verordening (EG) nr. 765/2008, die overeenkomstig die verordening is geaccrediteerd om conformiteitsbeoordelingen van een eFTI-platform of een eFTI-dienstverlener uit te voeren.

HOOFDSTUK II

Via elektronische weg verstrekte wettelijk verplichte informatie

Artikel 4

Eisen voor de betrokken marktdeelnemers [Am. 23]

1.  Wanneer Betrokken marktdeelnemers verstrekken via elektronische weg wettelijk verplichte informatie verstrekken, . Zij doen zij dit op basis van gegevens die verwerkt zijn in een gecertificeerd eFTI-platform overeenkomstig artikel 8 en, indien van toepassing, door een gecertificeerde eFTI-dienstverlener overeenkomstig artikel 9. De wettelijk verplichte informatie wordt in een machineleesbaar formaat en, op verzoek van de bevoegde instantie in een voor mensen leesbaar formaat ter beschikking gesteld. [Am. 24]

Informatie in machineleesbaar formaat wordt verstrekt via een geauthenticeerde, interoperabele en beveiligde verbinding met de gegevensbron van een eFTI-platform. Betrokken marktdeelnemers delen het internetadres mee waar de informatie kan worden geraadpleegd, samen met alle andere elementen die nodig zijn om de bevoegde instantie in staat te stellen de wettelijk verplichte informatie als uniek te identificeren. [Am. 25]

Informatie in machineleesbaar formaat wordt ter plaatse verstrekt, op een scherm of elektronische apparatuur die eigendom is van de betrokken marktdeelnemer of door de bevoegde instanties.

2.  De lidstaten nemen maatregelen om hun bevoegde instanties in staat te stellen wettelijk verplichte informatie die door betrokken marktdeelnemers ter beschikking is gesteld in een machineleesbaar formaat, overeenkomstig lid 1, tweede alinea, te verwerken overeenkomstig de bepalingen die de Commissie krachtens artikel 7 heeft vastgesteld.

Artikel 5

Aanvaarding en verstrekking van wettelijk verplichte informatie door bevoegde instanties [Am. 26]

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten aanvaarden wettelijk verplichte informatie die elektronisch door de betrokken marktdeelnemers ter beschikking is gesteld overeenkomstig artikel 4.

De bevoegde instanties van de lidstaten overleggen elektronisch met de betrokken marktdeelnemers over wettelijk verplichte informatie. [Am. 27]

Artikel 6

Vertrouwelijke commerciële informatie

De bevoegde instanties, eFTI-dienstverleners en betrokken marktdeelnemers dienen maatregelen te nemen om de vertrouwelijkheid te garanderen van de overeenkomstig deze verordening verwerkte en uitgewisselde informatie.

Artikel 7

Gemeenschappelijke eFTI-gegevensreeks, procedures en regels voor toegang

De Commissie stelt het volgende is bevoegd overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast door middel van uitvoeringshandelingen te stellen om het volgende vast te stellen: [Am. 28]

a)  een gemeenschappelijke eFTI-gegevensreeks en subreeksen met betrekking tot de respectieve eisen inzake wettelijke verplichte informatie, met inbegrip van de overeenkomstige definities voor elk gegevenselement dat in de gemeenschappelijke gegevensreeks en subreeksen is opgenomen;

b)  gemeenschappelijke procedures en gedetailleerde regels, met inbegrip van gemeenschappelijke technische specificaties, inzake de toegang van bevoegde instanties tot eFTI-platformen, met inbegrip van procedures voor de verwerking van wettelijk verplichte informatie die elektronisch door de betrokken marktdeelnemers ter beschikking is gesteld.

b bis)  gemeenschappelijke procedures en gedetailleerde regels voor het valideren van de identiteit van een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die in het kader hiervan juridisch bindende uitspraken aflegt. [Am. 29]

Bestaande genormaliseerde gegevensmodellen en gegevensreeksen die aangewezen zijn in in de Unie geldende internationale verdragen, worden gebruikt als referentie voor het vaststellen van die gemeenschappelijke eFTI-gegevens, procedures en toegangsregels. [Am. 30]

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 31]

HOOFDSTUK III

eFTI-PLATFORMEN EN -DIENSTEN

DEEL 1

Eisen voor eFTI-platformen en diensten

Artikel 8

Functionele eisen voor eFTI-platformen

1.  De eFTI-platformen wordt beheerst door de beginselen technologische neutraliteit alsmede van interoperabiliteit. De eFTI-platformen die worden gebruikt voor de verwerking van wettelijk verplichte informatie bevatten functies om ervoor te zorgen dat: [Am. 32]

a)  persoonsgegevens kunnen moeten worden verwerkt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679; [Am. 33]

b)  commerciële gegevens kunnen moeten worden verwerkt overeenkomstig artikel 6; [Am. 34]

b bis)  de eFTI-platformen en de daarin opgenomen gegevens interoperabel zijn; [Am. 35]

c)  een unieke elektronische identificatielink tot stand kan worden gebracht tussen de verwerkte gegevens en de fysieke verzending van een bepaalde reeks goederen waarop die gegevens betrekking hebben, van oorsprong tot bestemming, volgens de voorwaarden van één vervoersovereenkomst, ongeacht de hoeveelheid of het aantal containers, verpakkingen of stukken leveringsbon; [Am. 36]

d)  gegevens alleen op basis van gemachtigde en geauthenticeerde toegang kunnen worden verwerkt;

e)  alle verwerkingshandelingen worden geregistreerd om minstens de identificatie van elke handeling, de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de handeling heeft verricht en de opeenvolging van de handelingen voor elke individueel gegevenselement mogelijk te maken; als een handeling de wijziging of schrapping van een bestaand gegevenselement omvat, moeten de oorspronkelijke gegevens behouden blijven;

e bis)  de bevoegde instanties onmiddellijke toegang hebben tot alle relevante informatie, overeenkomstig de nationale of de Uniewetgeving, om de openbare orde te handhaven en de naleving te garanderen van de rechtshandelingen van de Unie met betrekking tot het vervoer van goederen overeenkomstig titel VI van het derde deel van het Verdrag; [Am. 37]

f)  gegevens kunnen worden gearchiveerd en toegankelijk blijven gedurende een passende periode, overeenkomstig de relevante eisen inzake wettelijk verplichte informatie;

g)  gegevens worden beschermd tegen corruptie en diefstal;

h)  de verwerkte gegevenselementen voldoen aan de gemeenschappelijke eFTI-gegevensreeks en subreeksen, en kunnen worden verwerkt in om het even welke officiële taal van de Unie of een taal die eveneens officiële taal is in een lidstaat. [Am. 38]

1 bis.  Er wordt gezorgd voor een gestandaardiseerd eFTI-formaat waarin alle voorschriften inzake wettelijk verplichte informatie als vermeld in deel A van bijlage I en alle voorschriften inzake wettelijk verplichte informatie als vermeld in deel B van bijlage I worden opgenomen in een specifieke en afzonderlijke afdeling van het eFTI-formaat die wordt opgesteld door de lidstaten. [Am. 39]

2.  De Commissie stelt aan de hand van uitvoeringshandelingen gedetailleerde regels vast betreffende de in lid 1 vastgestelde vereisten. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure is bevoegd om overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot vaststelling van gedetailleerde regels betreffende de in lid 1 vastgestelde vereisten. [Am. 40]

Artikel 9

Eisen voor eFTI-dienstverleners

1.  eFTI-dienstverleners zien erop toe dat:

a)  de gegevens alleen worden verwerkt door gemachtigde gebruikers en volgens duidelijk gedefinieerde gebruikersrollen en verwerkingsrechten in het eFTI-platform, overeenkomstig de relevante eisen inzake wettelijk verplichte informatie;

a bis)  de gegevens interoperabel zijn; [Am. 41]

b)  de gegevens worden opgeslagen en toegankelijk blijven gedurende een passende periode vier jaar, overeenkomstig de relevante eisen inzake wettelijk verplichte informatie; [Am. 42]

c)  de bevoegde instanties onmiddellijk toegang hebben tot wettelijk verplichte informatie over een goederenvervoersactiviteit die wordt verwerkt via hun eFTI-platformen, wanneer een betrokken marktdeelnemer deze toegang heeft verleend aan die bevoegde instanties; [Am. 43]

d)  de gegevens op passende wijze worden beveiligd, onder meer tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging.

2.  De Commissie stelt aan de hand van uitvoeringshandelingen gedetailleerde regels vast betreffende de in lid 1 vastgestelde vereisten. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure is bevoegd om overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot vaststelling van gedetailleerde regels betreffende de in lid 1 vastgestelde vereisten. [Am. 44]

DEEL 2

Certificering

Artikel 10

Conformiteitsbeoordelingsinstanties

1.  Conformiteitsbeoordelingsinstanties worden geaccrediteerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 met het oog op de certificering van eFTI-platformen en -dienstverleners, zoals uiteengezet in de artikelen 11 en 12 van deze verordening.

2.  Om te kunnen worden geaccrediteerd, moeten conformiteitsbeoordelingsinstanties voldoen aan de eisen in bijlage II.

3.  De lidstaten houden een bijgewerkte lijst bij van de geaccrediteerde conformiteitsbeoordelingsinstanties en van de eFTI-platformen en eFTI-dienstverleners die door die instanties zijn geaccrediteerd overeenkomstig de artikelen 11 en 12. Zij stellen deze lijst voor het publiek beschikbaar op een officiële overheidswebsite. De lijst wordt regelmatig onverwijld bijgewerkt telkens wanneer de informatie erop verandert, en uiterlijk op 31 maart mei van elk jaar. [Am. 45]

4.  Uiterlijk op 31 maart mei van elk jaar dienen de lidstaten de in lid 3 bedoelde lijsten in bij de Commissie, samen met het adres van de website waarop deze lijsten zijn gepubliceerd. De Commissie publiceert een link naar die websites op haar officiële website. [Am. 46]

Artikel 11

Certificering van eFTI-platformen

1.  Op verzoek van een eFTI-platformontwikkelaar beoordelen conformiteitsbeoordelingsinstanties of het eFTI-platform voldoet aan de eisen van artikel 8, lid 1. Als het resultaat van de beoordeling positief is, wordt een certificaat van conformiteit afgegeven. Als het resultaat van de beoordeling negatief is, stelt de conformiteitsbeoordelingsinstantie de aanvrager in kennis van de redenen waarom het platform niet aan die eisen voldoet.

1 bis.   De certificering wordt onafhankelijk uitgevoerd om verstoringen van de mededinging te voorkomen. Gecontroleerd wordt de naleving van de bestaande, genormaliseerde platformen die aangewezen zijn in in de Unie geldende internationale verdragen. [Am. 47]

1 ter.  Bestaande IT-systemen die momenteel worden gebruikt door marktdeelnemers in de vervoerssector om wettelijk verplichte informatie te verstrekken en die voldoen aan de functionele vereisten van artikel 8, lid 1, worden gecertificeerd als eFTI-platformen. [Am. 48]

2.  Conformiteitsbeoordelingsinstanties houden een bijgewerkte lijst bij van gecertificeerde eFTI-platformen en van de eFTI-platformen die een negatieve beoordeling hebben gekregen. Telkens wanneer een certificaat of een negatieve beoordeling wordt afgegeven, wordt de bijgewerkte lijst toegezonden aan de betrokken bevoegde instanties.

3.  Informatie die via een gecertificeerd eFTI-platform ter beschikking van bevoegde instanties wordt gesteld, gaat vergezeld van een certificeringsmerk.

4.  De eFTI-platformontwikkelaar vraagt een nieuwe beoordeling van zijn platform aan als de technische specificaties die zijn vastgesteld in de in artikel 7, lid 2, vermelde uitvoeringshandelingen worden herzien.

5.  De Commissie wordt gemachtigd om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 13 teneinde deze verordening aan te vullen met regels inzake certificering, het gebruik van het certificeringsmerk en de hernieuwing van de certificering van eFTI-platformen.

Artikel 12

Certificering van eFTI-dienstverleners

1.  Op verzoek van een eFTI-dienstverlener beoordeelt een conformiteitsbeoordelingsinstantie of de eFTI-dienstverlener voldoet aan de eisen van artikel 9, lid 1. Als het resultaat van de beoordeling positief is, wordt een certificaat van conformiteit afgegeven. Als het resultaat van de beoordeling negatief is, stelt de conformiteitsbeoordelingsinstantie de aanvrager in kennis van de redenen waarom de dienstverlener niet aan die eisen voldoet.

2.  Conformiteitsbeoordelingsinstanties houden een bijgewerkte lijst bij van gecertificeerde eFTI-dienstverleners en van de eFTI-dienstverleners die een negatieve beoordeling hebben gekregen. Telkens wanneer een certificaat of een negatieve beoordeling wordt afgegeven, wordt de bijgewerkte lijst ter beschikking gesteld van de betrokken bevoegde instanties.

3.  De Commissie wordt gemachtigd om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 13 teneinde deze verordening aan te vullen met regels inzake de certificering van eFTI-dienstverleners.

Hoofdstuk IV

BEVOEGDHEIDSDELEGATIE EN UITVOERINGSBEPALINGEN

Artikel 13

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie verleend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 2, artikel 7, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 11, lid 5, en artikel 12, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor onbepaalde tijd, met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze verordening]. [Am. 49]

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, artikel 7, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 11, lid 5, en artikel 12, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit gespecificeerde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 50]

4.  Vóór de vaststelling van een Overeenkomstig artikel 2 vastgestelde gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 handelingen worden één jaar na hun inwerkingtreding van toepassing. [Am. 51]

4 bis.   Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen zorgt de Commissie voor raadpleging van de betrokken belanghebbenden en hun vertegenwoordigers in de passende fora, met name de bij besluit van de Commissie C(2018) 5921 final van 13.09..2018 opgerichte deskundigengroep ("Digital Transport and Logistics Forum"). [Am. 52]

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 2, artikel 10, lid 5, en artikel 11, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 14

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. [Am. 53]

Hoofdstuk V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 15

Evaluatie

1.  Uiterlijk ... [vijf drie jaar na de datum van toepassing van deze verordening] stelt de Commissie een evaluatie van deze verordening op en brengt zij over de belangrijkste bevindingen verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. In deze evaluatie wordt met name onderzocht of het mogelijk is het toepassingsgebied van deze verordening uit te breiden naar bepaalde informatie-uitwisseling tussen bedrijven die noodzakelijk is om naleving van de relevante vereisten in de wetgevingshandelingen van de Unie met betrekking tot het vervoer van goederen overeenkomstig titel VI van het derde deel van het Verdrag te bewijzen. [Am. 54]

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie de informatie die nodig is voor de opstelling van dit verslag.

Artikel 16

Monitoring

De lidstaten dienen om de twee jaar en voor het eerst uiterlijk op ... [twee jaar na de datum waarop deze verordening van toepassing wordt] de volgende informatie in bij de Commissie:

1.  het aantal bevoegde instanties die maatregelen ten uitvoer hebben gelegd voor de toegang tot en verwerking van informatie die overeenkomstig artikel 4, lid 2, door betrokken marktdeelnemers is verstrekt;

2.  het aantal betrokken marktdeelnemers die overeenkomstig artikel 4, lid 1, wettelijk verplichte informatie hebben verstrekt aan de bevoegde instanties van de lidstaten, uitgesplitst naar vervoerswijze.

De informatie moet worden verstrekt voor elk jaar van de rapporteringsperiode.

Artikel 17

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van ... [OP vier drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening]. [Am. 55]

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

WETTELIJK VERPLICHTE INFORMATIE DIE ONDER HET TOEPASSINGSGEBIED VAN DEZE VERORDENING VALT

Eisen inzake wettelijk verplichte informatie die zijn vastgesteld in de wetgeving van de Unie

De onderstaande tabel bevat de eisen inzake wettelijk verplichte informatie in handelingen van de Unie waarin de voorwaarden voor het vervoer van goederen op het grondgebied van de Unie zijn vastgesteld, overeenkomstig titel VI van het derde deel van het Verdrag, of waarin de voorwaarden voor overbrengingen van afvalstoffen zijn vastgesteld:

EU-wetgeving

Informatieonderdeel

Verordening nr. 11 van de Raad betreffende de opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden

PB 52 van 16.8.1960, blz. 1121

Richtlijn 92/106/EEG houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten

PB L 368 van 17.12.1992, blz. 38.

[Voorstel COM(2017) 648 final - 2017/0290 (COD) tot wijziging van Richtlijn 92/106/EEG]

Verordening (EG) nr. 1072/2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg

PB L 300 van 14.11.2009, blz. 72

[Voorstel COM(2017) 0281 final - 2017/0123 (COD) tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1071/2009 en Verordening (EG) nr. 1072/2009]

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 van de Commissie tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart

PB L 299 van 14.11.2015, blz. 1

Richtlijn 2008/68/EG betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land

PB 260 van 30.9.2008, blz. 13

Verwijzingen naar ADR, RID, ADN(12)

Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen

(PB 190 van 12.7.2006, blz. 1)

Naam en adres van de verzender

Artikel 6.1

Artikel 3 (verwijzing naar artikel 6 van Verordening nr. 11 van de Raad)

 

Aard en gewicht van de goederen

Artikel 6.1

Artikel 3 (verwijzing naar artikel 6 van Verordening nr. 11 van de Raad)

 

Plaats en datum van aanvaarding van de goederen voor vervoer

Artikel 6.1

Artikel 3 (verwijzing naar artikel 6 van Verordening nr. 11 van de Raad)

 

Plaats waar de goederen moeten worden geleverd

Artikel 6.1

Artikel 3 (verwijzing naar artikel 6 van Verordening nr. 11 van de Raad)

 

Te nemen route of af te leggen afstand, als deze factoren een ander dan het normaal geldende tarief rechtvaardigen

Artikel 6.1

Artikel 3 (verwijzing naar artikel 6 van Verordening nr. 11 van de Raad)

 

 

 

 

 

 

Grensovergangen, indien van toepassing

Artikel 6.1

Artikel 3 (verwijzing naar artikel 6 van Verordening nr. 11 van de Raad van 27 juni 1960)

 

Spoorwegstations van inlading en uitlading

Artikel 3

 

Binnenhavens van inlading en uitlading

Artikel 3

 

Zeehavens van inlading en uitlading

Artikel 3

 

Stempel van de spoorweg- of havenautoriteiten in de desbetreffende spoorwegstations, binnenhavens of zeehavens, als het deel van de reis over het spoor, de binnenwateren of de zee is voltooid

Artikel 3

 

[Naam, adres, contactgegevens en handtekening van de verzender]

[Artikel 3, lid 2, onder a) (ter vervanging van artikel 3 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad)]

 

[Plaats en datum van het begin van het gecombineerd vervoer in de Unie]

[Artikel 3, lid 2, onder b) (ter vervanging van artikel 3 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad)]

 

[Naam, adres en contactgegevens van de bestemmeling]

[Artikel 3, lid 2, onder c) (ter vervanging van artikel 3 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad)]

 

[Plaats en datum van het einde van het gecombineerd vervoer in de Unie]

[Artikel 3, lid 2, onder d) (ter vervanging van artikel 3 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad)]

 

[Afstand in vogelvlucht tussen de plaats waar het gecombineerd vervoer begint en de plaats in de Unie waar het gecombineerd vervoer eindigt]

[Artikel 3, lid 2, onder e) (ter vervanging van artikel 3 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad)]

 

 

 

 

 

[Een door de verzender ondertekende beschrijving van de route van het gecombineerd vervoer met ten minste de volgende informatie voor elk deeltraject van het vervoer binnen de Unie, waaronder elke vervoerswijze die wordt gebruikt voor vervoer dat niet over de weg plaatsvindt:

i) volgorde van de trajecten (begintraject, traject met een andere vervoerswijze of eindtraject);

ii) naam, adres en contactgegevens van de vervoerder;

iii) vervoerswijze en plaats daarvan in de vervoersketen;]

 

 

[Artikel 3, lid 2, onder f) (ter vervanging van artikel 3 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad)]

 

 

 

 

 

[Identificatie van de vervoerde intermodale laadeenheid]

[Artikel 3, lid 2, onder g) (ter vervanging van artikel 3 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad)]

 

 

 

 

 

[Voor het begintraject over de weg:

i) plaats van overslag van wegvervoer naar een andere vervoerswijze;

ii) afstand in vogelvlucht van het begintraject over de weg tussen de plaats van verzending en de eerste overslagterminal;

iii) na afloop van het begintraject over de weg, een handtekening van de vervoerder waarin wordt bevestigd dat het wegtraject heeft plaatsgevonden]

[Artikel 3, lid 2, onder h) (ter vervanging van artikel 3 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad)]

 

 

 

 

 

[Voor het eindtraject over de weg:

i) plaats waar de goederen na het traject met een andere vervoerswijze dan wegvervoer (spoor, binnenvaart, zeevaart) worden overgeladen;

ii) afstand in vogelvlucht van het eindtraject over de weg tussen de overslagplaats en de plaats waar het gecombineerd vervoer in de Unie eindigt; ]

[Artikel 3, lid 2, onder i) (ter vervanging van artikel 3 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad)]

 

 

 

 

 

[Voor het traject dat niet over de weg plaatsvindt:

i) indien het traject dat niet over de weg plaatsvindt, voltooid is, een handtekening van de vervoerder (of vervoerders indien meer dan één traject niet over de weg plaatsvindt), om te bevestigen dat het vervoer met een andere vervoerswijze dan wegvervoer heeft plaatsgevonden;

ii) indien beschikbaar, een handtekening of stempel van de spoorweg- of havenadministraties van de betrokken terminals (station of haven) langs het traject dat niet over de weg wordt afgelegd, om te bevestigen dat het relevante deel dat niet over de weg plaatsvindt, voltooid is. ]

[Artikel 3, lid 2, onder j) (ter vervanging van artikel 3 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad)]

 

 

 

 

 

Naam, adres en handtekening van de verzender

Artikel 8, lid 3, onder a)

[Artikel 8, lid 3, onder a) (geen wijzigingen voorgesteld)]

 

Naam, adres en handtekening van de vervoerder

Artikel 8,3, onder b)

[Artikel 8, lid 3, onder b) (geen wijzigingen voorgesteld)]

 

Naam, adres en handtekening van de bestemmeling en datum van levering, wanneer de goederen zijn geleverd

Artikel 8, lid 3, onder c)

[Artikel 8, lid 3, onder c) (geen wijzigingen voorgesteld)]

 

 

 

Plaats en datum van overname van de goederen en plaats van levering;

Artikel 8, lid 3, onder d)

[Artikel 8, lid 3, onder d) (geen wijzigingen voorgesteld)]

 

 

 

Handelsbenaming van de goederen, verpakkingsmethode en, in het geval van gevaarlijke goederen, de algemeen erkende beschrijving ervan, het aantal verpakkingen en hun bijzondere merktekens en nummers

Artikel 8, lid 3, onder e)

[Artikel 8, lid 3, onder e) (geen wijzigingen voorgesteld)]

 

 

De brutomassa of de anderszins uitgedrukte hoeveelheid van de goederen

Artikel 8,lid 3, onder f)

[Artikel 8, lid 3, onder f) (geen wijzigingen voorgesteld)]

 

 

De kentekenplaten van het motorvoertuig en de aanhangwagen

Artikel 8, lid 3, onder g)

[Artikel 8, lid 3, onder g) (geen wijzigingen voorgesteld)]

 

 

De van de bevoegde instantie ontvangen unieke alfanumerieke identificatiecode van de erkende agent

Bijlage 6.3.2.6, onder a)

 

 

Een unieke identificatiecode van de zending, zoals het nummer van de house-luchtvrachtbrief of de master-luchtvrachtbrief

Bijlage 6.3.2.6, onder b)

 

 

De inhoud van de zending (**)

Bijlage 6.3.2.6, onder c)

 

 

De beveiligingsstatus van de zending, met vermelding van:

- "SPX": veilig voor passagiers-, vracht- en postluchtvaartuigen, of

- "SCO": veilig voor vracht- en postluchtvaartuigen, of

- "SHR" veilig voor passagiers-, vracht- en postluchtvaartuigen, overeenkomstig de eisen met betrekking tot grote risico's

Bijlage 6.3.2.6, onder d)

 

 

De reden waarom de beveiligingsstatus is afgegeven, met vermelding van:

- "KC": ontvangen van bekende afzender, of

- "AC": ontvangen van vaste afzender, of

- "RA": geselecteerd door een erkende agent, of

- De gebruikte middelen of methoden voor het beveiligingsonderzoek, of

- De redenen waarom de zending is vrijgesteld van het beveiligingsonderzoek;

Bijlage 6.3.2.6, onder e)

 

 

De naam van de persoon die de beveiligingsstatus heeft afgegeven, of een gelijkwaardige identificatie, en de datum en het tijdstip van afgifte;

Bijlage 6.3.2.6, onder f)

 

 

De van de bevoegde instantie ontvangen unieke i dentificatiecode van een erkende agent die de door een andere erkende agent aan een zending gegeven beveiligingsstatus heeft geaccepteerd

Bijlage 6.3.2.6, onder g)

 

 

Algemene informatie in het vervoersdocument

 

 

 

 

 

 

5.4.1.1.1

 

Algemene informatie voor vervoer in tankschepen

 

 

 

 

 

 

5.4.1.1.2 – alleen ADN

 

Specifieke informatie voor bepaalde types gevaarlijke goederen of bepaalde middelen van omsluiting, of in het geval van een vervoersketen die verschillende vervoerswijzen omvat, overeenkomstig de bijzondere bepalingen van hoofdstuk 5.4 van de respectieve bijlagen bij ADR, RID en ADN

 

 

 

 

 

 

5.4.1.1.3 tot en met 5.4.1.1.21 – ADR en RID

5.4.1.1.3 tot en met 5.4.1.1.22 – ADN

 

Aanvullende en bijzondere informatie die vereist is voor bepaalde klassen gevaarlijke goederen

 

 

 

 

 

 

5.4.1.2

 

Niet-gevaarlijke goederen

5.4.1.5

 

Verpakkingscertificaat van de container

5.4.2

 

Schriftelijke instructies

 

 

 

 

 

 

5.4.3

 

Informatie in het kennisgevingsdocument van overbrengingen van afvalstoffen die onder de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming valt, overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1013/2006

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage IA

Informatie in het vervoersdocument van overbrengingen van afvalstoffen die onder de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming valt, overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1013/2006

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage IB

Informatie in het begeleidende document bij overbrengingen van afvalstoffen die onder de algemene informatieverplichtingen van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1013/2006 vallen

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage VII

Wetgeving van de lidstaten

De onderstaande tabel bevat een overzicht van de relevante nationale wetgeving van de lidstaten met betrekking tot aangelegenheden die onder Titel VI van Deel drie van het Verdrag vallen, en waarvoor informatie moet worden verstrekt die geheel of gedeeltelijk identiek is aan de in punt A van deze bijlage gespecificeerde informatie.

[Lidstaat]

Wetgeving

Informatieonderdeel

[Verwijzing naar wetgeving]

[Verwijzing naar wetgeving]

[…]

[Verwijzing naar wetgeving])

[Informatieonderdeel, zoals gespecificeerd in het betreffende artikel van het wetbesluit]

[Verwijzing naar artikel]

[Verwijzing naar artikel]

 

 [Verwijzing naar artikel]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[Informatieonderdeel, zoals gespecificeerd in het betreffende artikel van het wetbesluit]

[Verwijzing naar artikel]

[Verwijzing naar artikel]

[…]

 [Verwijzing naar artikel]

[Lidstaat]

Wetgeving

Informatieonderdeel

[Verwijzing naar wetgeving]

[Verwijzing naar wetgeving]

[…]

[Verwijzing naar wetgeving])

[Informatieonderdeel, zoals gespecificeerd in het betreffende artikel van het wetbesluit]

[Verwijzing naar artikel]

[Verwijzing naar artikel]

 

 [Verwijzing naar artikel]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[Informatieonderdeel, zoals gespecificeerd in het betreffende artikel van het wetbesluit]

[Verwijzing naar artikel]

[Verwijzing naar artikel]

[…]

 [Verwijzing naar artikel]

BIJLAGE II

EISEN MET BETREKKING TOT AANGEMELDE INSTANTIES

1.  Om te kunnen worden aangemeld, moeten conformiteitsbeoordelingsinstanties voldoen aan de eisen in de leden 2 tot en met 11.

2.  Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is naar nationaal recht van een lidstaat opgericht en heeft rechtspersoonlijkheid.

3.  Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is een derde partij die onafhankelijk is van de door haar beoordeelde organisaties, eFTI-platformen of platformdienstverleners.

Een instantie die lid is van een organisatie van ondernemers of een vakorganisatie die ondernemingen vertegenwoordigt die betrokken zijn bij het ontwerp, de vervaardiging, de levering, de montage, het gebruik of het onderhoud van het door haar beoordeelde eFTI-platform of de platformdienstverlener, kan als een dergelijke instantie worden beschouwd op voorwaarde dat haar onafhankelijkheid en de afwezigheid van belangenconflicten aangetoond worden.

4.  Een conformiteitsbeoordelingsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet de ontwerper, fabrikant, leverancier, installateur, koper, eigenaar, gebruiker of onderhouder van het door hen beoordeelde eFTI-platform of de platformdienstverlener, noch de gemachtigde van een van deze partijen.

Een conformiteitsbeoordelingsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet rechtstreeks of als vertegenwoordiger van de betrokken partijen betrokken bij het ontwerpen, vervaardigen of bouwen, verhandelen, installeren, gebruiken of onderhouden van dat eFTI-platform of de platformdienstverlener. Zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot conformiteitsbeoordelingsactiviteiten waarvoor zij zijn aangemeld, in het gedrang kunnen brengen. Dit geldt met name voor adviesdiensten.

Conformiteitsbeoordelingsinstanties zorgen ervoor dat de activiteiten van hun dochterondernemingen of onderaannemers geen afbreuk doen aan de vertrouwelijkheid, objectiviteit of onpartijdigheid van hun conformiteitsbeoordelingsactiviteiten.

5.  Conformiteitsbeoordelingsinstanties en hun personeel voeren de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied en zij zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kunnen beïnvloeden, met name van personen of groepen van personen die belang hebben bij de resultaten van deze activiteiten.

6.  Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is in staat alle conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten die in de artikelen 12 en 13 aan haar zijn toegewezen en waarvoor zij is aangemeld, ongeacht of deze taken door de conformiteitsbeoordelingsinstantie zelf of namens haar en onder haar verantwoordelijkheid worden verricht.

Een conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt te allen tijde, voor elke certificeringsprocedure waarvoor zij is aangemeld, over:

a)  het nodige personeel met technische kennis en voldoende relevante ervaring om de conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten;

b)  de nodige beschrijvingen van de procedures voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordeling, waarbij de transparantie en de mogelijkheid tot reproductie van deze procedures worden gewaarborgd. Zij beschikt over een gepast beleid en geschikte procedures om een onderscheid te maken tussen taken die zij als aangemelde instantie verricht en andere activiteiten;

c)  de nodige procedures voor de uitoefening van haar activiteiten, waarin naar behoren rekening wordt gehouden met de omvang van een onderneming, de sector waarin zij actief is, haar structuur, de relatieve complexiteit van de technologie in kwestie.

Een conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt over de middelen die nodig zijn om de technische en administratieve taken in verband met de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten op passende wijze uit te voeren.

7.  Het voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordelingstaken verantwoordelijke personeel beschikt over:

a)  een gedegen technische en beroepsopleiding die alle relevante conformiteitsbeoordelingsactiviteiten omvat waarvoor de conformiteitsbeoordelingsinstantie is aangemeld;

b)  gedegen kennis van de eisen inzake de beoordelingen die het verricht en voldoende bevoegdheden om deze beoordelingen uit te voeren;

c)  voldoende kennis over en inzicht in de in artikel 9 uiteengezette eisen;

d)  de bekwaamheid om conformiteitscertificaten, dossiers en rapporten op te stellen die aantonen dat de beoordelingen zijn verricht.

8.  De onpartijdigheid van de conformiteitsbeoordelingsinstanties, hun hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, wordt gewaarborgd.

De beloning van de hoogste leidinggevenden en van het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken van een conformiteitsbeoordelingsinstantie verricht, hangt niet af van het aantal uitgevoerde beoordelingen of van de resultaten daarvan.

9.  Conformiteitsbeoordelingsinstanties sluiten een aansprakelijkheidsverzekering af, tenzij de wettelijke aansprakelijkheid op basis van het nationale recht door de staat wordt gedekt of de lidstaat zelf rechtstreeks verantwoordelijk is voor de conformiteitsbeoordeling.

10.  Personeelsleden van een conformiteitsbeoordelingsinstantie is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan zij kennisnemen bij de uitoefening van hun taken uit hoofde van de artikelen 12 en 13 of de bepalingen van nationaal recht die daaraan uitvoering geven, behalve ten opzichte van de bevoegde instanties van de lidstaat waarin de werkzaamheden plaatsvinden. Eigendomsrechten worden beschermd.

11.  Conformiteitsbeoordelingsinstanties nemen deel aan, of zorgen ervoor dat het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, op de hoogte is van relevante normalisatieactiviteiten en relevante regelgevende activiteiten.

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 265.
(2)PB C 62 van 15.2.2019, blz. 265.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 12 maart 2019.
(4) Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).
(5)Europees interoperabiliteitskader – Implementatiestrategie, Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, COM(2017)0134.
(6)Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).
(7)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(8)PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(9)Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(10)Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(11)PB C …
(12)Verwijzingen naar ADR, RID en ADN moeten worden begrepen in de zin van artikel 2, leden 1, 2 en 3, van Richtlijn 2008/68/EG. De vermelde nummers zijn die van de respectieve bijlagen bij ADR, RID en ADN.


Vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Vietnam inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw ***
PDF 112kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (10861/2018 – C8-0445/2018 – 2018/0272(NLE))
P8_TA(2019)0140A8-0083/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (10861/2018),

–  gezien het ontwerp voor een vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (10877/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, leden 3 en 4, eerste alinea's, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0445/2018),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 12 maart 2019 over het ontwerp van besluit(1),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0083/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Socialistische Republiek Vietnam.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2019)0141.


Vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Vietnam inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (resolutie)
PDF 152kWORD 61k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad inzake de sluiting van de vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (10861/2018 – C8-0445/2018 – 2018/0272M(NLE))
P8_TA(2019)0141A8-0093/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (10861/2018),

–  gezien het ontwerp voor een vrijwillige partnerschapsovereenkomst van 9 oktober 2018 tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (10877/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de eerste alinea's van artikel 207, leden 3 en 4 in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a)(v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0445/2018),

–  gezien de kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds(1),

–  gezien de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Socialistische Republiek Vietnam 1995,

–  gezien het ontwerp van investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds,

–  gezien Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap(2) (FLEGT-verordening),

–  gezien het voorstel van de Commissie inzake een actieplan betreffende wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (COM(2003)0251),

–  gezien de conclusies van de Raad van 28 juni 2016 inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (10721/2016),

–  gezien Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen(3) (EU-houtverordening),

–  gezien de verslagen van het Environmental Investigation Agency van 31 mei 2018 getiteld "Serial Offender: Vietnam's continued imports of illegal Cambodian timber"(4) en van 25 september 2018 getiteld "Vietnam in Violation: Action required on fake CITES permits for rosewood trade"(5),

–  gezien de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) 2015-2030 van de Verenigde Naties,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, die op 12 december 2015 is gesloten tijdens de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP 21),

–  gezien de uitdaging van Bonn van 2011, een mondiale inspanning om tegen 2020 150 miljoen hectare ontbost en aangetast land te herstellen, en tegen 2030 350 miljoen hectare,

–  gezien het verslag van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) van 2012, getiteld "Green carbon, black trade: illegal logging, tax fraud and laundering in the world's tropical forests"(6),

–  gezien de VN-Verdragen ter bestrijding van misdaad en corruptie, waaronder het Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en het Verdrag tegen corruptie,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 12 maart 2019(7) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0093/2019),

A.  overwegende dat Vietnam in 2010 in onderhandeling is getreden over een vrijwillige partnerschapsovereenkomst inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Flegt-VPA), en daarmee, na Indonesië en Maleisië, het derde Aziatische land is dat een dergelijke overeenkomst nastreeft; overwegende dat deze onderhandelingen in mei 2017 zijn afgerond en dat de overeenkomst op 19 oktober 2018 is ondertekend;

B.  overwegende dat de VPA ten doel heeft te voorzien in een rechtskader om te waarborgen dat al het hout en alle houtproducten die onder de VPA vallen en vanuit Vietnam naar de EU worden geïmporteerd, op legale wijze zijn geproduceerd; overwegende dat VPA's over het algemeen bedoeld zijn ter bevordering van systemische veranderingen gericht op duurzaam bosbeheer, ter beëindiging van de illegale houtkap en ter ondersteuning van de wereldwijde inspanningen om een einde te maken aan ontbossing en de aantasting van bossen;

C.  overwegende dat Vietnam belangrijk is voor de houthandel, de op drie na grootste op export georiënteerde houtverwerkingssector ter wereld bezit en ernaar streeft de grootste te worden; overwegende dat Vietnam, als verwerkingsknooppunt, een belangrijke exporteur van houtproducten naar de EU is, maar ook een belangrijke exporteur naar landen in de regio, met name China en Japan;

D.  overwegende dat Vietnam een belangrijke importeur van hout en houtproducten is, en dat in de Vietnamese fabrieken in 2017 circa 34 miljoen kubieke meter hout en houtproducten werden verwerkt, waarvan 25% was geïmporteerd en 75% afkomstig was van binnenlandse plantages, die veelal in het bezit zijn van en beheerd worden door kleine boeren; overwegende dat de import gedurende de periode 2011-2017 met 68% is toegenomen; overwegende dat Vietnam de afgelopen jaren aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt op het gebied van de bestrijding van de binnenlandse ontbossing en dat het land zijn beboste gebieden, met inbegrip van de industriële plantages, heeft weten uit te breiden van 37% in 2005 naar 41% in 2018; overwegende dat Vietnam sinds 2016 een verbod op het kappen van binnenlands natuurbos handhaaft;

E.  overwegende dat de meeste boomstammen in 2017 afkomstig waren uit Kameroen, de VS en Cambodja, evenals het meeste gezaagde hout, terwijl ook de Democratische Republiek Congo (DRC) een belangrijke houtleverancier was; overwegende dat Cambodja sinds 2015 de op een na grootste leverancier van tropisch hout aan Vietnam is, ondanks berichten over een exportverbod(8) naar Vietnam; overwegende dat het volume van de import uit Afrikaanse landen in de periode 2016-2017 naar verluidt met 43% is toegenomen en de waarde met 40%; overwegende dat hout dat vanuit Cambodja en de DRC wordt uitgevoerd, volgens de op dit gebied deskundige ngo's moet worden beschouwd als hout met een hoog risico; voorts overwegende dat onbewerkt hout vaak afkomstig is uit landen met een zwak bestuur, welig tierende corruptie of zelfs conflicten, en dat er een grote kans bestaat dat het hout illegaal is gekapt;

F.  overwegende dat Cambodja het op vier na hoogste ontbossingscijfer ter wereld kent en dat uit VN-statistieken blijkt dat het Cambodjaanse bosareaal is gedaald van 73% in 1990 naar 57% in 2010;

G.  overwegende dat Cambodja op grond van artikel 3 van Subdecreet nr. 131 van 28 november 2006 een verbod heeft ingesteld op de export van rondhout, behalve indien afkomstig van plantages, van ruw gezaagd hout, behalve indien afkomstig van plantages, en van kanthout en rechthoekig hout met een dikte en breedte van meer dan 25 cm(9); overwegende dat alle export van producten van uit Cambodjaanse natuurbossen afkomstig hout in principe als een schending van het Cambodjaans recht wordt beschouwd; overwegende dat Vietnam zich er krachtens de VPA toe heeft verbonden alleen hout te importeren dat op legale wijze is gekapt, overeenkomstig de nationale wetgeving van het land van herkomst;

H.  overwegende dat een land zich er in het kader van een VPA toe verplicht een beleid vast te stellen dat erop is gericht om te waarborgen dat er alleen boomstammen en houtproducten naar de EU worden geëxporteerd waarvan is aangetoond dat ze legaal zijn verkregen(10); overwegende dat Vietnam wetgeving zal moeten aannemen om het systeem ter waarborging van de wettigheid van hout en houtproducten (TLAS) in te stellen, en in de vereiste administratieve structuren en capaciteit zal moeten voorzien om de uit de VPA voortvloeiende verplichtingen ten uit voer te leggen en te handhaven; overwegende dat deze VPA van toepassing zal zijn op hout en houtproducten voor zowel de binnenlandse markt als de exportmarkt, met uitzondering van de laatste stap van de Flegt-vergunningsprocedures, die vooralsnog alleen bedoeld is voor export naar de EU;

I.  overwegende dat Vietnam heeft toegezegd wetgeving te zullen aannemen om te waarborgen dat er uitsluitend legaal geproduceerd hout(11) op zijn markten wordt geïmporteerd, op basis van zorgvuldigheidseisen voor importeurs van hout en houtproducten; overwegende dat Vietnam zich er, in het kader van de definitie van wettigheid uit hoofde van de VPA, eveneens toe heeft verbonden de wetgeving van de landen waar het hout wordt gekapt te erkennen;

J.  overwegende dat de steun voor deze vrijwillige partnerschapsovereenkomst een belangrijke rol zou spelen bij de bevordering van de economische integratie en de naleving van internationale doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling in de regio; overwegende dat de sluiting van nieuwe vrijwillige partnerschapsovereenkomsten, waaronder met China – een van de buurlanden van Vietnam en een essentiële speler in de houtverwerkingsindustrie – zou bijdragen tot het waarborgen van de wettigheid en de levensvatbaarheid van de handel in hout en houtproducten in de regio;

K.  overwegende dat Vietnam pas kan toetreden tot het Flegt-vergunningensysteem van de EU wanneer het land heeft aangetoond dat het aan alle verplichtingen uit hoofde van de VPA heeft voldaan(12) en de capaciteit voor het handhaven van de desbetreffende nationale wetgeving heeft opgebouwd; overwegende dat van hout dat uit hoofde van een Flegt-vergunning is geïmporteerd, wordt verondersteld dat het legaal en overeenkomstig de EU-houtverordening is gekapt; overwegende dat de toetreding van Vietnam tot het Flegt-vergunningensysteem door middel van een gedelegeerde handeling wordt goedgekeurd;

L.  overwegende dat de inwerkingtreding van het vrijhandelsverdrag tussen de EU en Vietnam tot de liberalisering van handel in hout en houtproducten zal leiden en dat de algemene zorgvuldigheidseisen van de EU-houtverordening van toepassing zullen zijn tot de Flegt-vergunningen in werking zullen treden(13);

1.  brengt in herinnering dat duurzaam en inclusief bosbeheer en -bestuur van essentieel belang zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de Overeenkomst van Parijs;

2.  verzoekt de EU ervoor te zorgen dat de VPA in overeenstemming is met al haar beleidsmaatregelen, ook op het gebied van ontwikkeling, milieu, landbouw en handel;

3.  is groot voorstander van het Flegt-proces met Vietnam, dit gezien de rol van het land in de houtverwerkingsindustrie; is ingenomen met de ondertekening van de VPA, een overeenkomst die bedoeld is om geleidelijk een volledige beleidshervorming in het land te bewerkstelligen en illegaal geproduceerd hout te weren uit de toeleveringsketens van Vietnamese marktdeelnemers; is verheugd over de manier waarop Vietnam zich voor dit proces inzet en is ingenomen met de tot dusver geboekte vooruitgang, maar realiseert zich dat de volledige tenuitvoerlegging van de VPA een langetermijnproject is dat niet alleen de goedkeuring van een wetgevingspakket met zich meebrengt (TLAS), maar ook garanties vereist om ervoor te zorgen dat er voldoende administratieve capaciteit en expertise is voor de tenuitvoerlegging en de handhaving van de VPA; herinnert eraan dat de Flegt-procedures pas in werking kunnen treden wanneer Vietnam heeft aangetoond dat zijn TLAS-systeem gebruiksklaar is; merkt op dat de coördinatie tussen het nationale en het provincieniveau, nodig om de VPA in het gehele land naar behoren en consequent te handhaven, diverse uitdagingen met zich meebrengt en roept de Vietnamese regering op deze coördinatie te waarborgen;

4.  wijst erop dat de tenuitvoerlegging van de VPA een aanvulling moet vormen op de verbintenissen van de EU op het gebied van milieubescherming, en in samenhang moet zijn met de verbintenissen ter voorkoming van grootschalige ontbossing;

5.  verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) adequate personele middelen toe te wijzen aan de tenuitvoerlegging van deze VPA, waaronder adequate middelen voor de EU-delegatie in Hanoi, evenals financiële middelen voor Vietnam in het kader van de bestaande en toekomstige instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking die specifiek worden bestemd voor de tenuitvoerlegging van de VPA; spoort de Commissie en de EDEO aan zowel de Vietnamese autoriteiten als het maatschappelijk middenveld de helpende hand te bieden, onder meer door satellietbeelden beschikbaar te stellen; roept de EU op haar inspanningen te richten op de versterking van het Vietnamese rechtskader en de institutionele capaciteit van het land, door de technische en economische uitdagingen aan te pakken die de doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van de bestaande nationale en internationale regelgeving in de weg staan;

6.  erkent dat de houtsector in Vietnam zich ertoe heeft verbonden illegaal hout uit de toeleveringsketen te weren en besef te kweken omtrent deze zaken; onderstreept evenwel dat strikte handhaving en een mentaliteitsverandering binnen de sector van essentieel belang zijn; herinnert eraan dat het gegeven dat zich illegaal hout in de toeleveringsketen bevindt, een risico van reputatieschade inhoudt voor de Vietnamese verwerkende industrie;

7.  is zich er evenwel van bewust dat Vietnam in het verleden voor aanzienlijke uitdagingen heeft gestaan bij de bestrijding van de handel in illegaal hout uit Laos en, meer recentelijk, uit Cambodja; is van mening dat Vietnam en de toeleveringslanden in dergelijke gevallen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het voortwoekeren van deze illegale handel, aangezien Vietnamese autoriteiten, met name op provinciaal niveau, formele beslissingen hebben genomen die in strijd zijn met de wetgeving van het land waar het hout werd gekapt, zoals het beheer van formele importquota;

8.  is verheugd dat Vietnam zich ertoe heeft verbonden wetgeving aan te nemen om te waarborgen dat er uitsluitend legaal geproduceerd hout op zijn markten wordt geïmporteerd, op basis van bindende zorgvuldigheidseisen voor importeurs, hetgeen een van de belangrijkste verworvenheden van de VPA is; herinnert eraan dat de zorgvuldigheidseisen niet mogen worden beperkt tot een louter aanvinken van vakjes, maar dat zij moeten inhouden dat alle vereiste stappen – zoals het verzamelen van informatie, het beoordelen van de risico's en het treffen van aanvullende maatregelen om eventuele vastgestelde risico's tot een verwaarloosbaar niveau te beperken – door de bevoegde nationale autoriteiten met behulp van degelijke en systematische controles van afzonderlijke bedrijven worden gehandhaafd; wijst erop dat handhaving van zorgvuldigheidseisen door douaneautoriteiten een uitdaging vormt en adequate scholing vereist; herinnert eraan dat de Vietnamese autoriteiten een stelsel van zorgvuldigheidseisen moeten invoeren dat overeenkomt met het systeem van de EU-houtverordening en benadrukt dat onafhankelijke belanghebbenden in de gelegenheid moeten worden gesteld om opmerkingen te maken over de desbetreffende wetgeving inzake zorgvuldigheid; spoort de Vietnamese autoriteiten aan te overwegen audits door derden en publieke verslaglegging door bedrijven op te nemen in hun stelsel van zorgvuldigheidseisen, om bedrijven passende steun te bieden bij de naleving van hun verplichtingen en om ervoor zorgen dat houtleveranciers niet worden opgezadeld met onevenredige administratieve lasten maar dat het ontstaan van lacunes tegelijkertijd wordt voorkomen;

9.  wenst dat de Vietnamese regering zorgt voor adequate, afschrikkende en evenredige sancties voor inbreuk op de wetgeving tot uitvoering van het TLAS-systeem, met inbegrip van, wanneer het import betreft, een volledig verbod op het op de Vietnamese markt brengen van illegaal gekapt hout evenals de inbeslagneming van dergelijk hout;

10.  is ingenomen met de mechanismen voor onafhankelijke beoordeling, klachten en feedback, en verzoekt de Vietnamese autoriteiten ervoor te zorgen dat op adequate wijze op eventuele klachten wordt gereageerd, onder meer door, indien nodig, doeltreffende en afschrikkende maatregelen te treffen; verwacht dat dergelijke mechanismen op volledig transparante wijze zullen functioneren en zullen aanzetten tot de uitwisseling van informatie tussen het maatschappelijk middenveld en de handhavingsautoriteiten; is verheugd over de door Vietnam aangegane verplichting tot onafhankelijk toezicht op de tenuitvoerlegging van de VPA door maatschappelijke organisaties, verenigingen voor bosbeheer, ondernemingen, vakbonden, lokale gemeenschappen en mensen die in bosgebieden wonen; benadrukt dat het van cruciaal belang is dat zij worden betrokken bij en toegang krijgen tot relevante en actuele informatie, zodat ze hun rol in dit proces kunnen vervullen en een verdere bijdrage kunnen leveren aan de geloofwaardigheid van het TLAS-systeem en de voortdurende versterking ervan; is ingenomen met de toezegging van de Vietnamese regering om het maatschappelijk middenveld toegang te verlenen tot de nationale databank inzake bosbouw en moedigt haar aan de TLAS-uitvoeringsbepalingen aan een openbare raadpleging te onderwerpen en de feedback erover in aanmerking te nemen;

11.  is ingenomen met de samenwerking met maatschappelijke organisaties tijdens en na de onderhandelingen over de VPA, en dringt er bij de Vietnamese regering op aan te zorgen voor een daadwerkelijk inclusief proces, zowel tijdens de volledige uitvoeringsfase als daarna, en in het kader daarvan het gehele toepassingsgebied van de VPA in aanmerking te nemen, met inbegrip van importcontroles, zorgvuldigheidseisen, een classificatiesysteem voor organisaties en een op risico gebaseerde verificatie van bedrijven; onderstreept hoe belangrijk het is om lokale gemeenschappen bij een en ander te betrekken, niet alleen om sociaaleconomische redenen, maar ook met het oog op de correcte tenuitvoerlegging van de nieuwe bosbouwwet en de VPA-verplichtingen;

12.  keurt de illegale houthandel die plaatsvindt via de grens met Cambodja ten zeerste af, en dringt er bij de autoriteiten van beide landen op aan om deze illegale handelsstromen onmiddellijk een halt toe te roepen, hetgeen absoluut noodzakelijk is om het VPA-proces met succes te kunnen voortzetten; dringt er bij de Vietnamese autoriteiten op aan degenen die verantwoordelijk zijn voor het toestaan en beheren van de illegale handel vanuit Cambodja en elders, aan onderzoek te onderwerpen, uit hun functie te ontheffen en te berechten; is ingenomen met de recente beslissing van de Vietnamese autoriteiten om alleen de via internationale kanalen verlopende handel in hout toe te staan en de handhavingscapaciteit ter bestrijding van illegale handel op te voeren; vraagt de Vietnamese autoriteiten om hout uit Cambodja aan te merken als "hout met een hoog risico" en ervoor te zorgen dat de Cambodjaanse wetgeving inzake het kappen en exporteren van hout wordt nageleefd, overeenkomstig de VPA-verplichtingen; dringt er bij de twee landen op aan de dialoog, de grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van handelsgegevens en informatie over risico's in verband met de illegale handel in hout en over hun respectieve wetgeving die op dit moment van kracht is, te bevorderen en te verbeteren, en moedigt hen aan de EU bij deze dialoog te betrekken; moedigt Vietnam en Cambodja aan de hulp van Interpol in te roepen en samen toe te werken naar doeltreffende langetermijnmaatregelen ter bestrijding van de wijdverbreide illegale houtkap en het smokkelen van hout over de grens naar Vietnam; dringt er bij de Vietnamese autoriteiten op aan dezelfde maatregelen toe te passen op import uit andere toeleveringslanden waar sprake is, of zal kunnen zijn, van soortgelijke zorgen, met name Afrikaanse landen, zoals de DRC;

13.  onderstreept dat de regionale aspecten van kap, vervoer en verwerking van en handel in illegaal hout in de gehele toeleveringsketen moeten worden aangepakt; dringt erop aan dergelijke regionale aspecten mee te nemen in het evaluatieproces van de VPA door na te gaan wat het verband is tussen zwakkere handhavingsmechanismen in andere landen in de regio en de toename van de export uit dergelijke landen naar de EU;

14.  benadrukt dat slecht bestuur en corruptie in de bosbouwsector de illegale houtkap en de aantasting van bossen in de hand werken en beklemtoont dat het welslagen van het Flegt-initiatief onder meer afhangt van de aanpak van fraude en corruptie in de gehele houttoeleveringsketen; wenst dat de Vietnamese regering zich ervoor inzet om een einde te maken aan de welig tierende corruptie, en om andere factoren die deze praktijken in de hand werken aan te pakken, met name in verband met de douane en de overige autoriteiten die een centrale rol gaan vervullen bij de tenuitvoerlegging en de handhaving van de VPA, en zo een concreet signaal af te geven dat Vietnam zich volledig aan het VPA-proces committeert; beklemtoont dat er een einde moet worden gemaakt aan de straffeloosheid in de bosbouwsector en dat dit kan worden bereikt door ervoor te zorgen dat overtreders worden vervolgd;

15.  is verheugd dat de Vietnamese regering onlangs een actieplan voor de uitvoering van de VPA heeft vastgesteld en verzoekt de regering een concrete, tijdgebonden en meetbare aanpak te hanteren; is ingenomen met de inwerkingtreding van de nieuwe bosbouwwet op 1 januari 2019, die voorziet in een verbod op de import van illegaal geproduceerd hout in Vietnam en verzoekt de Vietnamese autoriteiten om dit verbod te handhaven en zo nodig binnen afzienbare tijd uitvoeringsbepalingen vast te stellen, een en ander ter overbrugging van de tijdspanne tot het operationeel worden van het TLAS-systeem;

16.  juicht het toe dat er bepalingen inzake duurzaam beheer van bossen in de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam zijn opgenomen, waarmee ook een verband wordt gelegd met de VPA; vraagt de Commissie om bij de tenuitvoerlegging van de vrijhandelsovereenkomst bijzondere aandacht te besteden aan de handel in hout en houtproducten en om de handelsstromen nauwlettend in het oog te houden, een en ander om te voorkomen dat de bijkomende liberalisering van de handel illegale handel in de hand gaat werken;

17.  verzoekt de Commissie jaarlijks verslag uit te brengen aan het Parlement over de door Vietnam geboekte vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de VPA, onder meer aan de hand van hetgeen in deze resolutie wordt verlangd, alsmede over de activiteiten van het Gemengd Comité voor de uitvoering, zodat het Parlement een weloverwogen beslissing kan nemen zodra het voorstel betreffende de gedelegeerde handeling ter goedkeuring van de aanvaarding van Flegt-vergunningen wordt voorgelegd; wenst dat de Commissie overweegt om tijdens de volgende evaluatie verbeteringen aan te brengen aan de verordening inzake Flegt-vergunningensysteem, zodat in het vervolg snel kan worden gereageerd op ernstige schendingen van VPA-verplichtingen;

18.  spoort de Commissie aan de dialoog met de belangrijkste importlanden in de regio – en tegelijk belangrijke handelspartners van de EU – zoals China en Japan, te bevorderen en meer prioriteit te geven aan de noodzaak van bilaterale betrekkingen met deze landen, met inbegrip van handelsbetrekkingen, en van concrete oplossingen om een einde te maken aan de illegale handel in hout, teneinde wereldwijd een gelijk speelveld tot stand te brengen als het gaat om de aanpak van dit probleem; steunt de Commissie wat betreft het opstarten van VPA-onderhandelingen met de buurlanden van Vietnam zodra aan de noodzakelijke voorwaarden is voldaan, en onderstreept het belang van Flegt-VPA's in toekomstige instrumenten voor ontwikkeling en samenwerking; wenst dat de Commissie instrumenten invoert om de uitwisseling van goede praktijken tussen Vietnam en de derde landen die reeds een vrijwillige partnerschapsovereenkomst met de Europese Unie hebben gesloten, te vergemakkelijken;

19.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Socialistische Republiek Vietnam en het Koninkrijk Cambodja.

(1) PB L 329 van 3.12.2016, blz. 8.
(2) PB L 347 van 30.12.2005, blz. 1.
(3) PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23.
(4) https://eia-international.org/wp-content/uploads/eia-serial-offender-web.pdf
(5) https://eia-international.org/report/vietnam-violation-action-required-fake-cites-permits-rosewood-trade/
(6) Nellemann, C., INTERPOL Environmental Crime Programme (red). 2012. Green Carbon, Black Trade: Illegal Logging, Tax Fraud and Laundering in the Worlds Tropical Forests. A Rapid Response Assessment. United Nations Environment Programme, GRIDArendal, http://wedocs.unep.org/bitstream/handle/20.500.11822/8030/Green%20carbon%20Black%20Trade_%20Illegal %20logging.pdf?sequence=5&isAllowed=y
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0140.
(8) https://www.phnompenhpost.com/national/despite-ban-timber-exports-vietnam-nearing-2016-total
(9) https://eia-international.org/wp-content/uploads/eia-serial-offender-web.pdf, blz. 6.
(10) De VPA bestrijkt alle belangrijke houtproducten die naar de EU worden geëxporteerd, in het bijzonder de vijf verplichte houtproducten als gedefinieerd in de Flegt-verordening van 2005 (boomstammen, gezaagd hout, spoorbielzen, triplex en fineerhout) en omvat tevens een aantal andere houtproducten zoals houtspaanders, parketvloeren, spaanplaten en houten meubels. De VPA heeft betrekking op de export naar alle derde landen, maar het vergunningensysteem is in elk geval in de beginfase uitsluitend van toepassing op export naar de EU.
(11) Overeenkomstig artikel 2, punt j), van de VPA moet onder "legaal geproduceerd hout" (hierna ook "legaal gekapt hout" genoemd) worden verstaan: de houtproducten die gekapt of geïmporteerd en geproduceerd zijn overeenkomstig de in bijlage II bij deze overeenkomst vermelde Vietnamese wetgeving en andere relevante bepalingen van deze overeenkomst; en, in het geval van geïmporteerd hout, houtproducten die gekapt, geproduceerd en geëxporteerd zijn in overeenstemming met de relevante wetgeving van het land waar het hout is gekapt en de in bijlage V beschreven procedures;
(12) Of het systeem ter waarborging van de wettigheid van hout en houtproducten (TLAS) daadwerkelijk aan de eisen voor Flegt-vergunningen voldoet, wordt eerst gezamenlijk beoordeeld door de EU en Vietnam. Uitsluitend wanneer beide partijen het erover eens zijn dat het systeem robuust genoeg is, kan het vergunningensysteem in werking worden gesteld.
(13) Artikel 13.8, lid 2, onder a): "[iedere partij dient] de handel in hout afkomstig uit op duurzame wijze beheerde bossen, dat is gekapt overeenkomstig de nationale wetgeving van het land van houtkap, te bevorderen; een mogelijke maatregel in dit verband is de sluiting van een vrijwillige partnerschapsovereenkomst inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Flegt)";


Protocol tot wijziging van het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens ***
PDF 110kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad waarbij de lidstaten worden gemachtigd om, in het belang van de Europese Unie, het Protocol tot wijziging van het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens te ondertekenen (10923/2018 – C8-0440/2018 – 2018/0238(NLE))
P8_TA(2019)0142A8-0070/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10923/2018),

–  gezien het Protocol tot wijziging van het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108) (CETS nr. 223),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 16 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0440/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0070/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van besluit van de Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en aan de Raad van Europa.


Machtiging van de lidstaten om partij te worden bij het Verdrag van de Raad van Europa over een integrale benadering van veiligheid, beveiliging en gastvrijheid bij voetbalwedstrijden en andere sportevenementen ***
PDF 115kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad tot machtiging van de lidstaten om in het belang van de Europese Unie partij te worden bij het Verdrag van de Raad van Europa over een integrale benadering van veiligheid, beveiliging en gastvrijheid bij voetbalwedstrijden en andere sportevenementen (CETS nr. 218) (12527/2018 – C8-0436/2018 – 2018/0116(NLE))
P8_TA(2019)0143A8-0080/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12527/2018),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa over een integrale benadering van veiligheid, beveiliging en gastvrijheid bij voetbalwedstrijden en andere sportevenementen (CETS No. 218),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 87, lid 1, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), en artikel 218, lid 8, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0436/2018),

–  gezien Besluit 2002/348/JBZ van de Raad van 25 april 2002 inzake veiligheid naar aanleiding van voetbalwedstrijden met een internationale dimensie(1),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2017 over een geïntegreerde aanpak van het beleid voor de sport: goed bestuur, toegankelijkheid en integriteit(2),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0080/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van besluit van de Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en aan de Raad van Europa.

(1) PB L 121 van 8.5.2002, blz. 1.
(2) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 2.


Protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake zeevervoer tussen de EU en China (toetreding van Kroatië) ***
PDF 112kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de ondertekening, namens de Unie en de lidstaten, van het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake zeevervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de regering van de Volksrepubliek China, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (05083/2015 –C8-0022/2019 – 2014/0327(NLE))
P8_TA(2019)0144A8-0168/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05083/2015),

–  gezien het ontwerpprotocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake zeevervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de regering van de Volksrepubliek China, anderzijds (05880/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 100, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0022/2019),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0168/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Volksrepubliek China.


Europees-mediterrane overeenkomst tussen de EU en Egypte (toetreding van Kroatië) ***
PDF 113kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van een protocol bij de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (10219/2016 – C8-0135/2017 – 2016/0121(NLE))
P8_TA(2019)0145A8-0025/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10219/2016),

–  gezien het ontwerpprotocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (10221/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 217 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0135/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0025/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Arabische Republiek Egypte.


Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Turkmenistan
PDF 144kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad en de Commissie betreffende de sluiting door de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Turkmenistan, anderzijds (12183/1/2011 – C8-0059/2015 – 1998/0031R(NLE))
P8_TA(2019)0146A8-0072/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad en de Commissie (12183/1/2011),

–  gezien het ontwerp van de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Turkmenistan, anderzijds (12288/2011),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 207, artikel 209 en artikel 218, lid 6, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en krachtens artikel 101, tweede alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (C8-0059/2015),

–  gezien zijn eerdere resoluties over Centraal-Azië, met name zijn resolutie van 20 februari 2008 over een EU-strategie voor Centraal-Azië(1), van 15 december 2011 over de staat van de uitvoering van de EU-strategie voor Centraal-Azië(2), van 13 april 2016 over de tenuitvoerlegging en herziening van de EU-strategie voor Centraal-Azië(3), van 22 april 2009 over de interimovereenkomst betreffende de handel met Turkmenistan(4), en van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten(5),

–  gezien de door de Raad op 27 juli 2009 gesloten Interimovereenkomst van 1999 betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor kolen en staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en Turkmenistan, anderzijds (5144/99), en de regelmatige bijeenkomsten van het in het kader van deze overeenkomst opgerichte gemengd comité,

–  gezien het in mei 2008 ondertekende Memorandum van overeenstemming over energie tussen de Europese Unie en Turkmenistan,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESCR), waarbij Turkmenistan partij is,

–  gezien de jaarlijkse mensenrechtendialoog tussen de EU en Turkmenistan,

–  gezien de door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) gedane toezeggingen in haar brief aan de Commissie buitenlandse zaken van 16 december 2015, waarin de in paragraaf 3 van dit verslag opgenomen aspecten worden genoemd,

–  gezien de brief van de VV/HV aan de voorzitter van de Commissie buitenlandse zaken van 5 juli 2018 waarin zij blijk geeft van haar steun voor de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) met Turkmenistan,

–  gezien artikel 99, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien het interimverslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0072/2019),

A.  overwegende dat Centraal-Azië een regio is waarmee de Europese Unie steeds nauwer samenwerkt;

B.  overwegende dat er in 1997 een Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) met Turkmenistan is geparafeerd en dat deze overeenkomst in 1998 is ondertekend; overwegende dat 14 van de 15 lidstaten die de overeenkomst oorspronkelijk hebben ondertekend sindsdien de PSO ook hebben geratificeerd en dat enkel het Verenigd Koninkrijk dit nog niet heeft gedaan; overwegende dat Turkmenistan de PSO in 2004 heeft geratificeerd; overwegende dat toetreding tot de PSO door lidstaten die pas na de ondertekening van de overeenkomst zijn toegetreden tot de EU onder een afzonderlijk protocol en een afzonderlijke ratificatieprocedure valt;

C.  overwegende dat de PSO na de volledige ratificatie ervan aanvankelijk voor een periode van tien jaar zal worden gesloten en daarna jaarlijks kan worden verlengd, waardoor de EU in de gelegenheid is zich uit de overeenkomst terug te trekken als er ernstige twijfels rijzen over de naleving van de mensenrechten of andere ernstige inbreuken; overwegende dat de partijen de PSO kunnen wijzigen om rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen;

D.  overwegende dat het Europees Parlement in april 2009 door de Raad werd geraadpleegd over de interim-handelsovereenkomst met Turkmenistan, in het kader van een facultatieve, juridisch niet-bindende procedure;

E.  overwegende dat de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) ijkpunten op grond waarvan de vooruitgang in Turkmenistan moet worden gemeten, hebben vastgesteld, alsook de criteria voor verdere samenwerking, overeenkomstig internationaal erkende normen inzake de rechtsstaat, goed bestuur en de mensenrechten;

F.  overwegende dat eerbiediging van de democratische beginselen, de fundamentele rechten en de mensenrechten en eerbiediging van de beginselen van de markteconomie essentiële onderdelen vormen van de interim-handelsovereenkomst (zoals vastgesteld in artikel 1 van de interim-handelsovereenkomst en artikel 2 van de PSO) en moeten blijven gelden als langetermijndoelstellingen voor Turkmenistan; overwegende dat de toepassing van deze overeenkomst eenzijdig kan worden opgeschort als een van de partijen inbreuk pleegt op een van deze onderdelen;

G.  overwegende dat de Commissie buitenlandse zaken, gehoor gevend aan de overwegingen uit de ontwerpaanbeveling inzake goedkeuring van de sluiting van de PSO door het Parlement en het begeleidende ontwerpverslag van 8 mei 2015 met een ontwerpresolutie, op 24 mei 2016 besloot de procedure tijdelijk op te schorten, tot naar haar mening voldoende voortgang zou zijn bewerkstelligd wat betreft de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, en de huidige interim-procedure te openen;

H.  overwegende dat het van essentieel belang is dat wordt vastgehouden aan de ijkpunten voor vooruitgang op het gebied van de mensenrechten in Turkmenistan, zoals het Parlement in zijn eerdere resoluties heeft benadrukt, wil het EU-beleid inzake de betrekkingen met Turkmenistan principieel en coherent zijn;

I.  overwegende dat Turkmenistan in 2015 een nationaal actieplan voor de mensenrechten (NAPHR) voor de periode 2016-2020 heeft aangenomen, dat in 2013 met de hulp van het VN-Ontwikkelingsprogramma werd uitgewerkt;

J.  overwegende dat Turkmenistan internationale overeenkomsten heeft gesloten, zoals het ICCPR, het ICESR en IAO-verdragen;

1.  verzoekt de Raad, de Commissie en de VV/HV om voordat het Parlement zijn goedkeuring aan de PSO verleent dringend de volgende op aanbevelingen van de VN, de OVSE en de EBWO gebaseerde ijkpunten voor de korte termijn vast te stellen op grond waarvan kan worden gemeten in hoeverre de autoriteiten van Turkmenistan duurzame vooruitgang boeken:

Het politieke systeem, de rechtsstaat en goed bestuur

Mensenrechten en fundamentele vrijheden

   i) een duidelijke scheiding tussen de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht en, onder andere, maatregelen om de daadwerkelijke betrokkenheid van de bevolking bij het besluitvormingsproces van de staat te faciliteren en te verzekeren, waarbij internationale deskundigen, zoals de Commissie van Venetië van de Raad van Europa en het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR), beoordelen of de grondwet van Turkmenistan overeenstemt met deze democratische beginselen, en een duidelijke bereidheid van Turkmenistan om de door deze organisaties geformuleerde aanbevelingen voor hervormingen te overwegen;
   ii) de afschaffing van beperkingen op de registratie en het werk van niet-gouvernementele organisaties;
   iii) tenuitvoerlegging van de toezeggingen die zijn gedaan door de Turkmeense overheid in haar NAPHR voor de periode 2016-2020;
   iv) geen geheime gevangenhoudingen, gedwongen verdwijningen, dwangarbeid en folteringen meer, duidelijkheid over het lot of de verblijfplaats van verdwenen personen, en de mogelijkheid voor familieleden om contact te houden met gevangen gehouden personen; erkenning door de autoriteiten van het bestaan van politieke gevangenen en ongehinderde toegang tot het land voor internationale organisaties en onafhankelijke waarnemers, inclusief het Internationaal Comité van het Rode Kruis;
   v) waarborging van de ongehinderde toegang tot verschillende informatiebronnen, in het bijzonder tot alternatieve informatiebronnen, inclusief internationale communicatievoorzieningen, en van de mogelijkheid om telecommunicatietoestellen, zoals particuliere satellietschotels en betaalbare internetverbindingen, te behouden;
   vi) stopzetting van de vervolging en intimidatie van onafhankelijke journalisten, activisten uit het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenactivisten binnen het land en in het buitenland, alsook hun familieleden; waarborging van de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering;
   vii) toegang voor de VN en internationale en regionale mensenrechtenorganisaties die hebben gevraagd om het land te bezoeken, maar nog geen antwoord hebben ontvangen;
   viii) stopzetting van het informele en arbitraire stelsel van reisverboden en waarborging van de mogelijkheid om vrij te reizen voor mensen wie toestemming om het land te verlaten is geweigerd;

2.  vraagt de Raad, de Commissie en de VV/HV de volgende langetermijnaanbevelingen voor duurzame en geloofwaardige vooruitgang in acht te nemen:

Het politieke systeem, de rechtsstaat en goed bestuur

Mensenrechten en fundamentele vrijheden

   i) eerbiediging van de beginselen van politiek pluralisme en democratische verantwoording, met politieke partijen en andere organisaties die naar behoren en vrij van inmenging kunnen functioneren;
   ii) verdere uitvoering van hervormingen op alle niveaus, in overeenstemming met de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, en in alle domeinen van de overheidsdiensten, met name de rechterlijke macht en de rechtshandhavingsinstanties;
   iii) sterke en doeltreffende waarborgen tegen corruptie op hoog niveau, witwaspraktijken, georganiseerde misdaad en drugshandel;
   iv) volledige tenuitvoerlegging van de wetgeving die kinderarbeid verbiedt;
   v) globale eerbiediging van het vreedzaam en rechtmatig uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en vrijheid van godsdienst of levensovertuiging;
   vi) algemene vrijheid van verkeer, zowel binnen als buiten het land;

3.  onderstreept dat het Europees Parlement, eens de overeenkomst in werking treedt, de ontwikkelingen in Turkmenistan en de tenuitvoerlegging van de PSO in alle onderdelen nauwlettend in het oog moet houden; roept in deze context de VV/HV op het mechanisme voor toezicht op de mensenrechten ten uitvoer te leggen en zich hier in het openbaar aan te verbinden, zodat het Parlement adequaat kan worden geïnformeerd door de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over de tenuitvoerlegging van de PSO, eens die in werking treedt, en in het bijzonder, over de verwezenlijking van de doelstellingen en over de naleving van artikel 2, zodat het Parlement kan reageren op de ontwikkelingen ter plaatse wanneer er sprake is van gedocumenteerde en bewezen ernstige mensenrechtenschendingen; wijst op de mogelijkheid om een mechanisme in te stellen waarmee de PSO kan worden opgeschort indien dergelijke schendingen zich voordoen, en is in dit opzicht ingenomen met de brief van de VV/HV aan de Commissie buitenlandse zaken van 16 december 2015, waarin de volgende doelstellingen zijn opgenomen:

   i) zorgen dat het Europees Parlement terdege wordt geïnformeerd over de toepassing van de mensenrechten- en democratiseringsbepalingen in de PSO, met inzage in relevante informatie over de evolutie van de situatie rond mensenrechten, democratie en de rechtsstaat, en desgevraagd en tijdig vooraf en achteraf verslag krijgt van de vergaderingen van de Samenwerkingsraad, met inachtneming van de geldende vertrouwelijkheidsregels;
   ii) nauwere samenwerking met het Europees Parlement en het maatschappelijk middenveld bij de voorbereiding en de nabespreking van de jaarlijkse mensenrechtendialoog;
   iii) overleg met het Europees Parlement bij de voorbereiding van herzieningen van de EU‑landenstrategie inzake mensenrechten voor Turkmenistan;

4.  is ingenomen met de aankondiging van de VV/HV in november 2018 over de oprichting van een volwaardige EU-delegatie in Asjchabad; benadrukt dat de nieuwe delegatie een op de ontwikkelingsvoorwaarden en -behoeften van Turkmenistan afgestemde, wederzijds voordelige samenwerkingsstrategie moet ontwikkelen, de situatie in het land moet monitoren, met inbegrip van mensenrechtenschendingen en afzonderlijke punten van bezorgdheid, een dialoog moet aangaan met de verschillende politieke, sociale en economische spelers in het land, diplomatie ter plaatse mogelijk moet maken, en het beheer van en toezicht op door de financieringsinstrumenten voor het externe optreden van de Unie ondersteunde projecten moet verbeteren;

5.  concludeert dat het Parlement een besluit zal nemen over het verlenen van goedkeuring zodra de in de paragrafen 1 en 3 uiteengezette aanbevelingen naar zijn mening naar behoren zijn opgevolgd door de Commissie, de Raad, de VV/HV en de autoriteiten van Turkmenistan;

6.  verzoekt zijn Voorzitter de Raad, de Commissie en de VV/HV te verzoeken het Parlement regelmatig inhoudelijke informatie te verstrekken over de situatie in Turkmenistan;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de VV/HV alsmede aan de regering en het parlement van Turkmenistan.

(1) PB C 184 E van 6.8.2009, blz. 49.
(2) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 91.
(3) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 119.
(4) PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 20.
(5) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.


Uitvoeringsbesluit betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in het Verenigd Koninkrijk *
PDF 112kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in het Verenigd Koninkrijk (13123/2018 – C8-0474/2018 – 2018/0812(CNS))
P8_TA(2019)0147A8-0092/2019

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (13123/2018),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0164/2018),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0092/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


Uitwisseling van informatie over onderdanen uit derde landen en het Europees Strafregisterinformatiesysteem (Ecris) ***I
PDF 124kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad, betreffende de uitwisseling van informatie over onderdanen van derde landen en betreffende het Europees Strafregister Informatiesysteem (Ecris), en ter vervanging van Besluit 2009/316/JBZ van de Raad (COM(2016)0007 – C8-0012/2016 – 2016/0002(COD))
P8_TA(2019)0148A8-0219/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0007),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 82, lid 1, tweede alinea, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0012/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0219/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad, betreffende de uitwisseling van informatie over onderdanen van derde landen en betreffende het Europees Strafregisterinformatiesysteem (Ecris), en ter vervanging van Besluit 2009/316/JBZ van de Raad

P8_TC1-COD(2016)0002


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/884.)


Gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen ***I
PDF 125kWORD 57k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (TCN) ter aanvulling en ondersteuning van het Europees Strafregister Informatiesysteem (ECRIS-TCN) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 (COM(2017)0344 – C8-0217/2017 – 2017/0144(COD))
P8_TA(2019)0149A8-0018/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0344),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 82, lid 1, tweede alinea, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0217/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole (A8-0018/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (Ecris-TCN) ter aanvulling van het Europees Strafregisterinformatiesysteem en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1726

P8_TC1-COD(2017)0144


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/816.)


Het programma "Europees Solidariteitskorps" ***I
PDF 314kWORD 92k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma "Europees Solidariteitskorps" en tot intrekking van [verordening inzake het Europees Solidariteitskorps] en Verordening (EU) nr. 375/2014 (COM(2018)0440 – C8-0264/2018 – 2018/0230(COD))
P8_TA(2019)0150A8-0079/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0440),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 165, lid 4, artikel 166, lid 4, en artikel 214, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0264/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 6 december 2018(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Begrotingscommissie en de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0079/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma "Europees Solidariteitskorps" en tot intrekking van [verordening inzake het Europees Solidariteitskorps] en Verordening (EU) nr. 375/2014

P8_TC1-COD(2018)0230


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 165, lid 4, artikel 166, lid 4, en artikel 214, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De Europese Unie is gebouwd op solidariteit tussen burgers en tussen lidstaten. Deze in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie verankerde gemeenschappelijke waarde geeft richting aan haar handelingen en zorgt voor de eenheid die nodig is om het hoofd te bieden aan de huidige en toekomstige maatschappelijke uitdagingen. Jonge Europeanen willen daarbij helpen door hun solidariteit in de praktijk te brengen. [Am. 1]

(1 bis)   Rekening houdend met de forse toename van het aantal humanitaire crises en noodsituaties in de wereld, moet de solidariteit tussen de lidstaten worden bevorderd, evenals de solidariteit met derde landen die getroffen zijn door natuurrampen of door de mens veroorzaakte crises, mede om de solidariteit en de zichtbaarheid van de humanitaire hulp bij de burgers van de Unie te bevorderen. [Am. 2]

(1 ter)  Humanitaire hulp is gebaseerd op de beginselen van onpartijdigheid, neutraliteit en non-discriminatie, die zijn verankerd in het internationaal humanitair recht en het recht van de Unie. Humanitaire hulp omvat op behoeften gebaseerde noodhulp die gericht is op het redden van levens, het voorkomen en verlichten van menselijk leed, het behoud van de menselijke waardigheid en het bieden van bescherming aan kwetsbare groepen die het slachtoffer zijn van door de mens of de natuur veroorzaakte crises of natuurrampen. Vermindering van het risico op rampen en versterking van de rampenparaatheid door middel van de opbouw van capaciteit en veerkracht vormen eveneens essentiële elementen van humanitaire hulp. [Am. 3]

(2)  In de toespraak over de Staat van de Unie van 14 september 2016 werd benadrukt dat Europa moet investeren in jongeren en werd de oprichting aangekondigd van een Europees Solidariteitskorps ("het programma"), dat voor jongeren in de hele Unie mogelijkheden moet scheppen om een betekenisvolle bijdrage te leveren aan de samenleving, solidariteit te tonen en hun vaardigheden te ontwikkelen, waardoor zij niet alleen aan het werk kunnen, maar ook uiterst waardevolle persoonlijke ervaring opdoen.

(3)  In haar mededeling "Een Europees Solidariteitskorps" van 7 december 2016(6) benadrukte de Commissie dat het nodig is de basis voor solidair werk in heel Europa te versterken, jongeren meer en betere mogelijkheden te bieden voor solidariteitsactiviteiten op een groot aantal gebieden, en nationale, regionale en lokale actoren te ondersteunen bij het aanpakken van verscheidene uitdagingen en crises. Met de mededeling nam een eerste fase van het Europees Solidariteitskorps een aanvang. Daarbij werden verschillende programma's van de Unie ingeschakeld om jongeren in de hele Unie mogelijkheden te bieden voor vrijwilligerswerk, stages of banen. [Am. 4]

(4)  In artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt benadrukt dat solidariteit een van de beginselen is die essentieel zijn voor de Europese Unie. Dat beginsel wordt in artikel 21, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie ook genoemd als een van de pijlers van het externe optreden van de EU.

(4 bis)  In het kader van deze verordening wordt solidariteit opgevat als een gevoel van verantwoordelijkheid van en voor iedereen om zich in te zetten voor het algemeen belang, dat wordt geuit door middel van concrete activiteiten zonder hiervoor een tegenprestatie te verwachten. [Am. 5]

(4 ter)   Het geven van hulp aan mensen en gemeenschappen buiten de Unie die worden geconfronteerd met rampen of die bijzonder kwetsbaar zijn voor rampen en behoefte hebben aan humanitaire hulp, op basis van de grondbeginselen van neutraliteit, humaniteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid, is een belangrijke uiting van solidariteit. [Am. 6]

(4 quater)   De deelnemende vrijwilligers en de organisaties die acties verrichten in het kader van het Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening moeten zich houden aan de beginselen die zijn vermeld in de Europese consensus over humanitaire hulp. [Am. 7]

(4 quinquies)  Verdere ontwikkeling van de solidariteit met slachtoffers van crises en rampen in derde landen is noodzakelijk en humanitaire hulp en vrijwilligerswerk in het algemeen als activiteit die een leven lang uitgeoefend kan worden moeten beter onder de aandacht worden gebracht en zichtbaarder worden gemaakt voor de burgers van de Unie. [Am. 8]

(4 sexies)  De Unie en de lidstaten hebben zich ertoe verbonden de VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de daaraan verbonden duurzameontwikkelingsdoelstellingen ten uitvoer te leggen, zowel bij intern als bij extern optreden. [Am. 9]

(4 septies)  In zijn conclusies van 19 mei 2017 over het operationeel maken van de koppeling tussen humanitaire bijstand en ontwikkelingshulp, erkende de Raad dat de veerkracht moet worden versterkt door humanitaire bijstand en ontwikkelingssamenwerking beter aan elkaar te koppelen, en door de operationele verbanden tussen de complementaire benaderingen van humanitaire hulp, ontwikkelingssamenwerking en conflictpreventie verder te versterken. [Am. 10]

(5)  Jongeren moeten laagdrempelige, inclusieve en zinvolle kansen krijgen om deel te nemen aan solidariteitsactiviteiten. Die kunnen hun de mogelijkheid bieden hun betrokkenheid bij de gemeenschappen uit te drukken en tegelijkertijd nuttige ervaring en kennis op te doen en vaardigheden en competenties te verwerven voor hun persoonlijke, educatieve, sociale en professionele ontwikkeling en hun ontwikkeling als burger, waardoor hun inzetbaarheid verbetert. Die activiteiten moeten ook de mobiliteit van jonge vrijwilligers, stagiairs en werknemers ondersteunen, evenals multiculturele uitwisseling. [Am. 11]

(6)  De aan jongeren aangeboden solidariteitsactiviteiten moeten van hoge kwaliteit zijn.: Zij moeten tegemoetkomen aan onvervulde behoeften tot doel hebben de problemen van de samenleving, bijdragen aan te pakken, de solidariteit te bevorderen en bij te dragen tot de versterking van gemeenschappen en de democratische participatie. Zij moeten jongeren de mogelijkheid bieden waardevolle kennis, vaardigheden en competenties te verwerven. Zij moeten financieel toegankelijk zijn voor jongeren en worden uitgevoerd in veilige, inclusieve en gezonde omstandigheden. De dialoog met lokale en regionale overheden en Europese netwerken die gespecialiseerd zijn in urgente sociale problemen moet worden aangemoedigd om goed te kunnen bepalen aan welke maatschappelijke behoeften niet tegemoet wordt gekomen en te garanderen dat het programma op behoeften is georiënteerd. De solidariteitsactiviteiten mogen geen negatieve invloed hebben op bestaande banen of stages, moeten bijdragen aan het versterken van de toezeggingen van bedrijven op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en mogen deze toezeggingen niet vervangen. [Am. 12]

(7)  Het Europees Solidariteitskorps biedt één contactpunt voor solidariteitsactiviteiten in de hele Unie en daarbuiten. Er moet worden gezorgd voor samenhang en complementariteit met andere relevante beleidsterreinen en programma's van de Unie. Het Europees Solidariteitskorps bouwt voort op de sterke punten en synergieën van de programma's die eraan voorafgingen en bestaande programma's, met name het Europees vrijwilligerswerk(7) en de EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp(8). Het vormt ook een aanvulling op de inspanningen van de lidstaten om jongeren te ondersteunen en de overgang van school naar werk te vergemakkelijken in het kader van regelingen zoals de jongerengarantie door hun extra kansen te bieden om de arbeidsmarkt te betreden in de vorm van een stage of een baan op solidariteitsgerelateerde gebieden in hun eigen of een andere lidstaat. Daarnaast wordt gezorgd voor complementariteit met bestaande EU-netwerken die betrekking hebben op de activiteiten in het kader van het Europees Solidariteitskorps, zoals het Europees netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening, Eures en het Eurodesk-netwerk en relevante maatschappelijke organisaties, waaronder sociale partners en netwerken die jonge mensen en vrijwilligers vertegenwoordigen. Bovendien moet worden gezorgd voor complementariteit tussen bestaande regelingen, in het bijzonder nationale solidariteitsregelingen zoals vrijwilligerswerk, maatschappelijke dienstverlening en mobiliteitsprogramma's voor jongeren) en het Europees Solidariteitskorps door in voorkomend geval voort te bouwen op goede praktijken, om de doeltreffendheid en de kwaliteit van dergelijke regelingen te versterken en te verrijken en voort te bouwen op goede praktijken. Het Europees Solidariteitskorps mag niet in de plaats komen van nationale regelingen. Er moet voor worden gezorgd dat alle jongeren toegang hebben tot nationale solidariteitsactiviteiten. De Commissie moet praktische richtsnoeren opstellen over de wijze waarop het programma andere programma’s van de Unie kan aanvullen, over het vinden van financieringsbronnen en over synergieën tussen de verschillende programma’s. [Am. 13]

(8)  Wat de uitlegging van gerelateerde wetgeving op het niveau van de Unie betreft, moeten zowel de grensoverschrijdende vrijwilligersactiviteiten in het kader van het Europees Solidariteitskorps als de vrijwilligersactiviteiten die nog steeds worden ondersteund in het kader van Verordening (EU) nr. 1288/2013 worden beschouwd als gelijkwaardig met de activiteiten die in het kader van het Europees vrijwilligerswerk worden uitgevoerd.

(8 bis)  Certificering van uitzendende en gastorganisaties in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 375/2014 moet in het kader van het programma niet worden gedupliceerd en de gelijkwaardigheid ervan moet worden erkend bij de tenuitvoerlegging van deze verordening vanaf 2021. [Am. 14]

(9)  Het Europees Solidariteitskorps biedt jongeren nieuwe mogelijkheden niet-formele en informele leermogelijkheden om deel te nemen aan vrijwilligersactiviteiten, stages of banen in solidariteitsgerelateerde gebieden en om op eigen initiatief solidariteitsprojecten te bedenken en te ontwikkelen. Die mogelijkheden dragen bij aan hun persoonlijke, educatieve, sociale en professionele ontwikkeling en aan hun ontwikkeling als burger. Het Europees Solidariteitskorps ondersteunt ook netwerkactiviteiten voor de deelnemende personen en organisaties, naast maatregelen om de kwaliteit van de ondersteunde activiteiten te waarborgen en de validatie van de leerresultaten te verbeteren. Zo zal het ook een bijdrage leveren aan Europese samenwerking gericht op jongeren en de positieve effecten ervan onder de aandacht brengen. Het moet ook bijdragen aan de versterking van gemeenschappen en de ondersteuning van bestaande organisaties die solidariteitsacties uitvoeren. [Am. 15]

(10)  Die activiteiten moeten een duidelijke Europese toegevoegde waarde hebben en ten goede komen aan gemeenschappen en tegelijkertijd bijdragen aan de persoonlijke, educatieve, sociale en professionele ontwikkeling van een jongere jongeren en aan zijn hun ontwikkeling als burger, waarbij de activiteiten . Die moeten de vorm kunnen aannemen van vrijwilligerswerk, stages en banen, projecten of netwerkactiviteiten die zijn ontwikkeld met betrekking tot verschillende gebieden zoals onderwijs en opleiding, werkgelegenheid, gendergelijkheid, ondernemerschap (in het bijzonder sociaal ondernemerschap), burgerschap en democratische participatie, interculturele en interreligieuze dialoog, sociale inclusie, inclusie van mensen met een handicap, milieu en natuurbescherming, klimaatactie, rampenpreventie -paraatheid en hersteloperaties, landbouw en plattelandsontwikkeling, het verstrekken van levensmiddelen en non-foodartikelen, gezondheid en welzijn, creativiteit en cultuur, cultuur, met inbegrip van cultureel erfgoed, creativiteit, lichamelijke opvoeding en sport, sociale bijstand en welzijnszorg, de opvang en integratie van onderdanen van derde landen, met nadruk op het aanpakken van de uitdagingen waar migranten mee te maken hebben, territoriale samenwerking en cohesie, en grensoverschrijdende samenwerking. Dergelijke solidariteitsactiviteiten omvatten een solide leer- en opleidingsbasis, die wordt gelegd via zinvolle activiteiten die vóór, tijdens en na de solidariteitsactiviteit aan de deelnemers kunnen worden aangeboden. [Am. 16]

(11)  Vrijwilligersactiviteiten (zowel binnen als buiten de Unie) vormen een rijke ervaring in een niet-formele en informele leeromgeving, die bijdraagt tot de persoonlijke, sociaal-educatieve en professionele ontwikkeling van de jongeren en die hun actieve burgerschap, democratische participatie en inzetbaarheid vergroot. Vrijwilligerswerk moet gebaseerd zijn op een schriftelijke overeenkomst voor vrijwilligerswerk en vrijwilligersactiviteiten mogen geen negatieve gevolgen hebben voor potentiële of bestaande banen of als vervanging daarvan worden beschouwd. De Commissie en de lidstaten moeten via de open coördinatiemethode samenwerken bij beleid inzake vrijwilligerswerk voor jongeren. [Am. 17]

(12)  Stages en banen op solidariteitsgerelateerde gebieden kunnen jongeren extra kansen bieden om op de arbeidsmarkt te komen terwijl zij helpen maatschappelijke uitdagingen aan te pakken. Dergelijke ervaringen kunnen de inzetbaarheid en de productiviteit van jongeren helpen bevorderen en hun overgang van school naar werk vergemakkelijken, wat essentieel is om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. De stageactiviteiten die in het kader van het Europees Solidariteitskorps worden aangeboden, moeten voldoen aan de kwaliteitsbeginselen van de Aanbeveling van de Raad inzake een kwaliteitskader voor stages. De aangeboden stages en banen fungeren voor jongeren als een springplank om de arbeidsmarkt te betreden, en worden daarom gecombineerd met adequate ondersteuning na afloop van de activiteit. De stages en banen worden gefaciliteerd door relevante arbeidsmarktactoren, met name openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, sociale partners en kamers van koophandel, en worden door de deelnemende organisatie vergoed. Als Gemakkelijk toegankelijke stages en banen moeten zowel vanuit financieel als organisatorisch oogpunt duidelijk worden onderscheiden van vrijwilligerswerk. Stages mogen nooit in de plaats komen van banen. Betaalde stages en banen kunnen echter een stimulans vormen voor achtergestelde en kansarme jongeren om deel te nemen aan solidariteitsgerelateerde activiteiten waartoe zij anders wellicht geen toegang zouden hebben, en bieden tegelijkertijd een duidelijke Europese meerwaarde bij het aanpakken van onopgeloste maatschappelijke uitdagingen en versterken van lokale gemeenschappen. Stages kunnen voor jongeren de overgang van school naar werk vergemakkelijken, en kunnen hun inzetbaarheid vergroten, wat essentieel is om hun duurzame integratie op de arbeidsmarkt te verwezenlijken. De aangeboden stages en banen fungeren voor jongeren als een springplank om de arbeidsmarkt te betreden. Stages en banen die in het kader van het Europees Solidariteitskorps worden aangeboden, moeten altijd worden betaald door de deelnemende organisatie die de deelnemer een stageplaats of een baan aanbiedt. Stages moeten stoelen op een schriftelijke stage-overeenkomst overeenkomstig het toepasselijke regelgevingskader van het land waar de stage plaatsvindt, indien van toepassing, en moeten voldoen aan de beginselen van de Aanbeveling van de Raad van 10 maart 2014 inzake een kwaliteitskader voor stages(9).Banen moeten stoelen op een arbeidsovereenkomst overeenkomstig de nationale wetgeving of de toepasselijke collectieve overeenkomsten, of beide, van het deelnemende land waar de baan wordt uitgeoefend. Financiële steun aan deelnemende organisaties die een baan aanbieden, mag niet langer dan twaalf maanden worden geboden. De deelnemende organisaties moeten zij financiering aanvragen via het bevoegde uitvoeringsorgaan van het Europees Solidariteitskorps voor de bemiddeling tussen de deelnemende jongeren en de werkgevers die stages en banen in solidariteitsgerelateerde sectoren aanbieden. Stages en banen moeten gepaard gaan met adequate voorbereiding, opleiding op de werkplek en ondersteuning na plaatsing, in functie van de deelname van de deelnemer. De stages en banen moeten worden gefaciliteerd door relevante arbeidsmarktactoren, met name openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, sociale partners en kamers van koophandel, alsook organisaties die lid zijn van EURES, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad(10) in het geval van grensoverschrijdende activiteiten. [Am. 18]

(12 bis)  Er moet voor worden gezorgd dat stages en banen beschikbaar zijn voor deelname door alle jongeren, en met name aan jongeren die minder kansen hebben, met inbegrip van jongeren met een beperking, sociaal of cultureel achtergestelde jongeren, jonge migranten en jongeren die in geïsoleerde plattelandsgebieden of in de ultraperifere gebieden van de Unie wonen. [Am. 19]

(13)  De zin voor initiatief van jongeren is een belangrijke troef voor de maatschappij en de arbeidsmarkt. Het Europees Solidariteitskorps helpt dit aspect bevorderen door jongeren de kans te bieden hun eigen projecten voor het aanpakken van specifieke uitdagingen ten bate van hun lokale gemeenschappen te bedenken en uit te voeren. Die projecten zijn een gelegenheid om ideeën uit te proberen en helpen voor de ontwikkeling van innovatieve oplossingen voor veelvoorkomende uitdagingen door middel van een bottom-upbenadering en jongeren te helpen om zelf de drijvende kracht achter solidariteitsactiviteiten te zijn. Zij dienen ook als springplank naar verdere betrokkenheid bij solidariteitsactiviteiten en zijn een eerste stap om de deelnemers aan het Europees Solidariteitskorps aan te moedigen als zelfstandige in de solidariteitsgerelateerde, non-profit- en jeugdsector aan de slag te gaan en actieve burgers te blijven als vrijwilliger, stagiair of werknemer bij of verenigingen, ngo's of andere organisaties in die sectoren op te zetten . Het Europees Solidariteitskorps is voornamelijk bedoeld om een omgeving te scheppen waarin jongeren steeds meer worden gemotiveerd om zich bezig te houden met solidariteitsactiviteiten en het openbaar belang te dienen.. [Am. 20]

(13 bis)  Vrijwilligers kunnen bijdragen aan vergroting van de capaciteit van de Unie om op behoeften gebaseerde en principiële humanitaire hulp te leveren en bijdragen aan de totstandbrenging van een effectievere humanitaire sector op voorwaarde dat zij op de juiste wijze worden geselecteerd, opgeleid en voorbereid om te worden ingezet, zodat zij over de nodige vaardigheden en competenties beschikken om mensen zo goed mogelijk te helpen, en zij op de plaats waar zij hun vrijwilligerswerk verrichten de juiste ondersteuning of begeleiding ontvangen. Daarom spelen hooggekwalificeerde, goed opgeleide en ervaren coaches/mentoren ter plaatse een belangrijke rol doordat zij de doeltreffendheid van de humanitaire respons helpen verbeteren en vrijwilligers helpen ondersteunen. [Am. 21]

(14)  Jongeren en organisaties die deelnemen aan het Europees Solidariteitskorps moeten voelen dat zij deel uitmaken van een gemeenschap van personen en entiteiten die zich inzetten voor meer solidariteit in heel Europa. Tegelijkertijd hebben de deelnemende organisaties behoefte aan ondersteuning om hun capaciteit te versterken zodat zij hoogwaardige activiteiten kunnen aanbieden aan een toenemend aantal deelnemers. Het Europees Solidariteitskorps ondersteunt netwerkactiviteiten om de betrokkenheid van de jongeren en de deelnemende organisaties bij deze gemeenschap te verstevigen, het teamgevoel binnen het Europees Solidariteitskorps te bevorderen en de uitwisseling van nuttige beste ervaringen en praktijken aan te moedigen. Die activiteiten dragen ook bij tot een grotere bekendheid van het Europees Solidariteitskorps onder openbare en particuliere actoren en tot het verzamelen van gedetailleerde en zinvolle feedback van deelnemers en deelnemende organisaties over verschillende stadia van de uitvoering van het Europees Solidariteitskorps. De feedback moet vragen bevatten met betrekking tot de doelstellingen van het programma om de verwezenlijking ervan beter te evalueren. [Am. 22]

(14 bis)  Om het programma tot een succes te maken moeten de zichtbaarheid ervan en de kennis erover worden vergroot en moeten de beschikbare financieringsmogelijkheden verder worden bevorderd, door middel van informatiecampagnes (met inbegrip van een jaarlijkse informatiedag over het Europees Solidariteitskorps) en dynamische communicatiemaatregelen met de nadruk op social media, om zo de doelgroep, zowel individuen als organisaties, optimaal te informeren. [Am. 23]

(15)  Er moet vooral aandacht worden besteed aan de kwaliteit van en de doelstelling van inclusiviteit die moet worden bereikt door middel van de activiteiten en de andere mogelijkheden die in het kader van het Europees Solidariteitskorps worden aangeboden. Dat kan met name door te voorzien in passende online of offline opleiding, taalondersteuning, passende accommodatie, verzekering, eenvoudige administratieve ondersteuning procedures en ondersteuning voorafgaand aan en na afloop van de activiteit en in de validatie van de kennis, vaardigheden en competenties die de deelnemers hebben opgedaan door hun ervaring bij het Europees Solidariteitskorps. Ondersteuningsmaatregelen moeten worden opgezet in samenwerking met jeugdorganisaties en andere non-profit- en maatschappelijke organisaties, zodat gebruik kan worden gemaakt van hun deskundigheid op dit gebied. De beveiliging en veiligheid van de vrijwilligers deelnemers en van de beoogde begunstigden blijven van het grootste belang. Alle activiteiten moeten in overeenstemming zijn met het "berokken geen schade"-beginsel. Deelnemers en vrijwilligers mogen niet worden ingezet bij operaties die plaatsvinden in gebieden waar zich internationale en niet-internationale gewapende conflicten afspelen, of bij faciliteiten die niet in overeenstemming zijn met de internationale mensenrechtennormen. Activiteiten waarmee direct contact met kinderen is gemoeid, moeten worden geleid door het beginsel dat rekening moet worden gehouden met de belangen van het kind en in voorkomend geval onderzoek van de antecedenten van deelnemers inhouden of het nemen van andere maatregelen met het oog op het waarborgen van de bescherming van de kinderen. [Am. 24]

(15 bis)   Overeenkomstig de EU-richtsnoeren voor de bevordering en bescherming van de rechten van het kind (2017) en artikel 9 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap moeten de Unie en de lidstaten de overgang van de opname in instellingen van kwetsbare personen, zoals personen met een handicap en kinderen, naar gezins- en gemeenschapszorg bevorderen en ondersteunen. In die context mag het programma geen maatregelen of initiatieven ondersteunen die in de weg staan van het streven om een einde te maken aan de opname in instellingen of enige plaatsing die schadelijk zou zijn voor kinderen of personen met een handicap. [Am. 25]

(15 ter)   De beginselen inzake gelijke kansen en niet-discriminatie van de Unie moeten volledig worden geëerbiedigd in alle uitvoeringsstadia van het programma, met name bij de identificatie en selectie van vrijwilligers en organisaties. [Am. 26]

(16)  Om ervoor te zorgen dat de activiteiten in het kader van het Europees Solidariteitskorps daadwerkelijk een impact hebben op de persoonlijke, educatieve, sociale, culturele en professionele ontwikkeling van de deelnemers en op hun ontwikkeling als burger, moeten de kennis, vaardigheden en competenties die het leerresultaat van de activiteit zijn, duidelijk in kaart worden gebracht en gedocumenteerd. Daarbij moet rekening worden gehouden met de nationale omstandigheden en bijzonderheden, zoals aanbevolen in de Aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(11).Om ervoor te zorgen dat geregistreerde kandidaten passende solidariteitsactiviteiten krijgen aangeboden, dienen de leerdoelstellingen van solidariteitsactiviteiten aan hen bekend te worden gemaakt alvorens ze besluiten deel te nemen. Hiertoe moet, in voorkomend geval, het gebruik van effectieve instrumenten op het niveau van de Unie en de lidstaten voor de erkenning van niet-formeel en informeel leren, zoals Youthpass en Europass, worden gestimuleerd. [Am. 27]

(16 bis)  Daarnaast moeten nationale agentschappen vrijwilligers aanmoedigen om ambassadeurs voor de programma's te worden en in die rol persoonlijke ervaringen te delen via jeugdnetwerken, onderwijsinstellingen en workshops. Voormalige vrijwilligers/ambassadeurs kunnen eveneens een bijdrage leveren aan de opleiding van toekomstige kandidaten. [Am. 28]

(17)  Met behulp van een kwaliteitskeurmerk moet worden gewaarborgd dat de deelnemende organisaties, wat betreft hun rechten en verantwoordelijkheden plichten en veiligheidsnormen gedurende alle fasen van de solidariteitservaring betreft, met inbegrip van de fases voorafgaand aan en na afloop van de activiteit, voldoen aan de waarden, beginselen en doelstellingen van de Unie, evenals aan de beginselen en vereisten van het Europees Solidariteitskorps. Het behalen van het kwaliteitskeurmerk is een voorwaarde voor deelname, maar mag niet automatisch leiden tot financiering uit hoofde van het Europees Solidariteitskorps. Kwaliteitskeurmerken moeten worden gedifferentieerd op basis van soort solidariteitsactiviteit. [Am. 29]

(18)  Elke entiteit die wil deelnemen aan het Europees Solidariteitskorps moet een kwaliteitskeurmerk ontvangen als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Om ervoor te zorgen dat de deelnemende organisaties daadwerkelijk voldoen aan de beginselen en vereisten van het Europees Solidariteitskorps met betrekking tot hun rechten en plichten, moeten afzonderlijke kwaliteitslabels worden ingevoerd voor vrijwilligerswerk in het kader van solidariteitsactiviteiten, vrijwilligerswerk ter ondersteuning van humanitaire hulpoperaties, en voor stages en banen, en moeten deze ook variëren naar gelang van de functie van de deelnemende organisatie. Het proces waarmee het kwaliteitskeurmerk wordt toegekend, moet ononderbroken door de uitvoerende organen van het Europees Solidariteitskorps worden uitgevoerd. Het toegekende kwaliteitskeurmerk moet op gezette tijden regelmatig opnieuw worden beoordeeld en kan moet worden ingetrokken als bij een controle wordt vastgesteld dat niet langer aan de toekenningsvoorwaarden wordt voldaan. Het administratieve proces moet tot een minimum worden beperkt om te voorkomen dat kleinere organisaties worden afgeschrikt. [Am. 30]

(19)  Voordat een entiteit een financieringsaanvraag kan doen voor het aanbieden van activiteiten in het kader van het Europees Solidariteitskorps, moet zij eerst het kwaliteitskeurmerk hebben ontvangen. Die voorwaarde geldt niet voor natuurlijke personen die namens een informele groep deelnemers aan het Europees Solidariteitskorps financiële steun aanvragen voor hun solidariteitsprojecten.

(19 bis)   Als algemene regel geldt dat subsidieaanvragen moeten worden ingediend bij het nationale agentschap van het land waar de deelnemende organisatie is gevestigd. Subsidieaanvragen voor solidariteitsactiviteiten georganiseerd door Europese of internationale organisaties, solidariteitsactiviteiten van vrijwilligersteams op prioritaire gebieden die op Europees niveau zijn vastgesteld, en solidariteitsactiviteiten ter ondersteuning van humanitaire hulpacties in derde landen moeten worden ingediend bij het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA), opgericht bij Uitvoeringsbesluit 2013/776/EU(12) van de Commissie. [Am. 31]

(20)  Deelnemende organisaties kunnen in het kader van het Europees Solidariteitskorps meerdere functies vervullen. In een functie als gastheer zijn zij actief bij het ontvangen van de deelnemers; hieronder vallen zaken als de organisatie van activiteiten en het verstrekken van voorlichting en ondersteuning van de deelnemers tijdens de activiteit alsmede feedback na de activiteit, voor zover van toepassing. In een ondersteunende functie zijn zij actief bij het uitzenden en voorbereiden van de deelnemers vóór hun vertrek en tijdens en na de solidariteitsactiviteit; onder deze functie vallen zaken als opleiding en het begeleiden van deelnemers naar lokale organisaties na afloop van de activiteit, teneinde de kansen te vergroten en ervaringen op het gebied van solidariteit te bevorderen. Verder moeten nationale agentschappen vrijwilligers worden aangemoedigd om ambassadeurs voor het programma te worden en persoonlijke ervaringen te delen via jeugdnetwerken en educatieve instellingen, en zodoende bij te dragen tot de bevordering van het programma. Hiertoe moeten nationale agentschappen de vrijwilligers voorzien van ondersteuning. [Am. 32]

(20 bis)  Ter ondersteuning van solidariteitsactiviteiten van jongeren moeten de deelnemende organisaties publieke of particuliere organisaties of internationale organisaties zonder winstoogmerk of met winstoogmerk zijn, waaronder jongerenorganisaties, religieuze instellingen en liefdadigheidsorganisaties, seculiere humanistische organisaties, NGO's of andere actoren uit het maatschappelijk middenveld. Onder het programma mag uitsluitend financiële steun worden verleend voor de activiteiten zonder winstoogmerk van de deelnemende organisaties. [Am. 33]

(21)  Schaalvergroting van het Europees Solidariteitskorps moet worden vergemakkelijkt. Tegelijkertijd moeten potentiële begunstigden worden voorzien van nauwkeurige en voortdurend geactualiseerde informatie over deze mogelijkheden. Er moeten specifieke maatregelen worden genomen om de initiatiefnemers van projecten in het kader van het Europees Solidariteitskorps te helpen om subsidies aan te vragen of om synergieën tot stand te brengen door middel van ondersteuning van de Europese structuur- en investeringsfondsen en de programma's op het gebied van migratie, veiligheid, justitie en burgerschap, gezondheid en cultuur. [Am. 34]

(22)  De uitvoerende organen en de deelnemende organisaties en jongeren moeten door kenniscentra van het Europees Solidariteitskorps worden bijgestaan om de kwaliteit van de uitvoering en de activiteiten van het Europees Solidariteitskorps te verhogen en de via de desbetreffende activiteiten verworven vaardigheden beter in kaart te brengen en te valideren, onder meer door het verstrekken van Youthpass-certificaten.

(23)  De portaalsite van het Europees Solidariteitskorps moet voortdurend verder worden ontwikkeld om een gemakkelijke, onbelemmerde en gebruikersvriendelijke toegang tot het Europees Solidariteitskorps goed toegankelijk te houden en te zorgen voor te waarborgen, in overeenstemming met de normen van Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad(13). Het Europees Solidariteitskorps biedt een centraal contactpunt, zowel voor geïnteresseerde personen als organisaties, onder meer in verband met inschrijving, identificatie en afstemming van profielen en mogelijkheden, netwerkactiviteiten en virtuele uitwisselingen, online opleiding, taalondersteuning en ondersteuning voorafgaand aan en na afloop van de activiteit, mechanismes voor feedback en evaluatie en eventuele andere nuttige functies die in de toekomst kunnen worden toegevoegd. Hoewel een centraal contactpunt het voordeel biedt van geïntegreerde toegang tot verschillende activiteiten, ondervinden personen mogelijk fysieke, sociale en andere belemmeringen bij de toegang tot de portaalsite van het Europees Solidariteitskorps. Om dergelijke belemmeringen weg te nemen, moeten de deelnemende organisaties de deelnemers ondersteuning verlenen bij de registratie. [Am. 35]

(24)  De portaalsite van het Europees Solidariteitskorps moet verder worden ontwikkeld in overeenstemming met het Europees interoperabiliteitskader(14), dat specifieke richtsnoeren bevat over het opzetten van interoperabele digitale openbare diensten en dat in de lidstaten en andere leden van de Europese Economische Ruimte via nationale interoperabiliteitskaders in praktijk wordt gebracht. Het kader geeft overheidsdiensten 47 concrete aanbevelingen met betrekking tot het verbeteren van de governance van hun interoperabiliteitsactiviteiten, het opzetten van organisatieoverschrijdende verbanden, het stroomlijnen van processen ter ondersteuning van digitale eind-tot-einddiensten en het waarborgen dat bestaande en nieuwe wetgeving geen afbreuk doet aan de interoperabiliteitsinspanningen. Daarnaast moet het portaal worden opgezet volgens de normen van Richtlijn (EU) 2016/2102. [Am. 36]

(24 bis)  Teneinde de transparantie van het tenuitvoerleggingsproces en de effectiviteit van het programma te vergroten, moet de Commissie regelmatig overleggen met de belangrijkste belanghebbenden, met inbegrip van deelnemende organisaties, over de tenuitvoerlegging van het programma. [Am. 37]

(24 ter)  Om de goede werking van het programma en de tijdige uitvoering van de acties van het programma te waarborgen is het van wezenlijk belang dat er in het kader van de werkprogramma's van het programma mechanismen worden ingesteld die ervoor zorgen dat er binnen een redelijk en betrekkelijk voorspelbaar tijdsbestek plaatsen worden aangeboden aan ingeschreven kandidaten. Daarom moeten ingeschreven kandidaten op regelmatige basis informatie en updates toegestuurd krijgen over beschikbare plaatsen en actief betrokken deelnemende organisaties, zodat hun betrokkenheid bij het programma na hun inschrijving wordt gestimuleerd en ze tegelijk de kans krijgen om rechtstreeks contact op te nemen met de actoren die op nationaal en Europees niveau actief zijn op solidariteitsgerelateerde gebieden. [Am. 38]

(25)  Verordening [nieuw Financieel Reglement](15) (het "Financieel Reglement") is van toepassing op dit programma. Die verordening bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties.

(26)  In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(16) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad(17) administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad(18) kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, zoals omschreven in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(19), opsporen en vervolgen. Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(27)  Het Europees Solidariteitskorps richt zich op jongeren in de leeftijd van 18‑30 jaar, en een inschrijving op de portaalsite van het Europees Solidariteitskorps moet een voorwaarde zijn om te kunnen deelnemen aan de door het Europees Solidariteitskorps aangeboden activiteiten.

(27 bis)   Op grond van de beginselen van de Unie inzake gelijke kansen en non-discriminatie moeten burgers van de Unie en onderdanen van andere landen die langdurig in de EU verblijven, van alle leeftijden en achtergronden, actief als burger kunnen optreden. Met het oog op de specifieke uitdagingen in de humanitaire context, moeten de deelnemers aan het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp ten minste achttien jaar oud zijn. Het kan gaan om personen met allerlei verschillende profielen en uit verschillende generaties, die over competenties beschikken die relevant zijn om dergelijke humanitaire operaties succesvol te kunnen uitvoeren. [Am. 39]

(28)  In het bijzonder moet erop worden gelet dat de door het Europees Solidariteitskorps ondersteunde activiteiten toegankelijk zijn voor alle jongeren, met name voor de meest kansarme en vooral voor degenen met minder kansen, zoals nader omschreven in de inclusie- en diversiteitsstrategie die is ontwikkeld en toegepast in het kader van het Erasmus+-programma. Er moeten bijzondere maatregelen, zoals solidariteitsactiviteiten en persoonlijke advisering met passende formaten, worden getroffen om de sociale inclusie en de deelname van kansarme jongeren te bevorderen, en ook om rekening te houden met de problemen in verband met de afgelegenheid van een aantal plattelandsgebieden, van de ultraperifere gebieden van de Unie en de landen en gebieden overzee. Daartoe moeten kansarme jongeren, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om voltijds en in een ander land dan het land van de woonplaats te participeren, ook deeltijds of in het land van verblijf kunnen deelnemen, en moeten zij kunnen profiteren van andere maatregelen om hun deelname aan het programma te vergemakkelijken. De deelnemende landen moeten er ook naar streven alle nodige maatregelen te treffen om wettelijke en administratieve belemmeringen voor de goede werking van het Europees Solidariteitskorps weg te nemen. Dit moet — indien mogelijk en onverminderd het Schengenacquis en het Unierecht inzake de binnenkomst en het verblijf van onderdanen van derde landen — de administratieve kwesties oplossen die problemen veroorzaken bij het verkrijgen van visa en verblijfsvergunningen, en bij de afgifte van een Europese ziekteverzekeringskaart in het geval van grensoverschrijdende activiteiten. [Am. 40]

(28 bis)  Er is speciale aandacht en ondersteuning nodig voor de capaciteit van ontvangende partnerorganisaties in derde landen, terwijl tevens aandacht moet worden besteed aan de noodzaak om de activiteiten van vrijwilligers binnen de lokale context te verankeren en de interactie van vrijwilligers met lokale humanitaire actoren, de ontvangende gemeenschap en het maatschappelijk middenveld te bevorderen. [Am. 41]

(29)  Wegens het belang van de strijd tegen klimaatverandering overeenkomstig de verbintenissen van de Unie tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en tot verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, zal dit programma bijdragen aan de verdere integratie van klimaatactie in beleid en aan het algemene streven dat gedurende de periode 2021-2027 van het meerjarig financieel kader ten minste 25 % van de uitgaven op de begroting van de Unie klimaatdoelstellingen ondersteunen, en dat zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk in 2027, een streefcijfer van 30 % per jaar wordt gehaald. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma zal worden vastgesteld welke acties in dit opzicht relevant zijn, en dit zal opnieuw worden beoordeeld in het kader van de desbetreffende evaluatie- en beoordelingsprocessen. [Am. 42]

(30)  In deze verordening worden voor de periode 2021-2027 de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad gedurende de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(20).

(30 bis)  Een passend deel van het budget dient te worden uitgetrokken voor de uitwisseling van beste praktijken door de lidstaten en de ontwikkeling van jeugdnetwerken. [Am. 43]

(31)  De in deze verordening bedoelde financieringsvormen en uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het verwezenlijken van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. In het geval van subsidies houdt dit mede in dat het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en schalen van eenheidskosten wordt overwogen.

(32)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan het programma deelnemen in het kader van de samenwerking waarin wordt voorzien door de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die bepaalt dat programma's van de Unie worden uitgevoerd bij een op grond van die overeenkomst genomen besluit. Derde landen kunnen ook op grond van andere rechtsinstrumenten deelnemen. Deze verordening moet de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer de nodige rechten en toegang verlenen om hun bevoegdheden ten volle te kunnen uitoefenen. De volledige deelneming van derde landen aan het programma moet afhankelijk worden gesteld van de voorwaarden in specifieke overeenkomsten betreffende de deelneming van het betrokken derde land aan het programma. Volledige deelname brengt bovendien de verplichting mee om een nationaal agentschap op te richten en sommige acties van het programma decentraal te beheren. Personen en entiteiten uit niet met het programma geassocieerde derde landen moeten kunnen deelnemen aan sommige acties van het programma, zoals omschreven in het werkprogramma en in de door de Commissie gepubliceerde oproepen tot het indienen van voorstellen.

(33)  Om het grootst mogelijke effect uit het Europees Solidariteitskorps te halen, moeten regelingen worden getroffen om het voor de deelnemende landen en andere programma's van de Unie mogelijk te maken aanvullende financiering ter beschikking te stellen overeenkomstig de regels van het Europees Solidariteitskorps.

(34)  Volgens [artikel 88 van nieuw besluit van de Raad inzake associatie van LGO's](21) komen in landen en gebieden overzee gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft.

(35)  Overeenkomstig de mededeling van de Commissie "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU"(22) moet het programma rekening houden met de specifieke situatie van die gebieden. Er zullen maatregelen worden genomen om de deelname van de ultraperifere gebieden aan alle acties te vergroten, met inbegrip van meer publiciteit. Die maatregelen zullen regelmatig worden gemonitord en geëvalueerd. [Am. 44]

(36)  Overeenkomstig het Financieel Reglement moet de Commissie werkprogramma's vaststellen en Aangezien het programma over een periode van zeven jaar wordt uitgevoerd, moet voldoende flexibiliteit worden ingebouwd om het programma in staat te stellen zich aan te passen aan de veranderende realiteit en de politieke prioriteiten voor de uitvoering van solidariteitsactiviteiten. Als zodanig geeft deze verordening niet in detail aan op welke wijze de acties zullen worden opgezet en loopt zij niet vooruit op politieke prioriteiten of respectieve begrotingsprioriteiten voor de komende zeven jaar. In plaats daarvan moeten de secundaire beleidskeuzes en prioriteiten, met inbegrip van bijzonderheden over specifieke acties, die via de verschillende activiteiten moeten worden uitgevoerd, worden vastgesteld via een jaarlijks werkprogramma in overeenstemming met Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad(23) daarvan in kennis stellen (het Financieel Reglement). Het werkprogramma moet ook de nodige maatregelen bevatten voor de uitvoering ervan in overeenstemming met de algemene en specifieke doelstellingen van het programma, de selectie- en gunningscriteria voor subsidies en alle andere noodzakelijke elementen. De werkprogramma's en de wijzigingen daarvan moeten door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig de onderzoeksprocedure worden vastgesteld gedelegeerde handelingen worden vastgesteld. Om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen moet de Commissie bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houden, onder meer op deskundigenniveau, en ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad. [Am. 45]

(37)  Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moet dit programma worden geëvalueerd op basis van gegevens die zijn verzameld op grond van specifieke monitoringvoorschriften, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Die voorschriften moeten specifieke, meetbare en realistische indicatoren omvatten die gedurende langere tijd kunnen worden gemeten als een basis voor de evaluatie van het effect van het programma op het terrein.

(38)  Er moet op Europees, regionaal, nationaal en lokaal niveau worden gezorgd voor passende voorlichting, bekendmaking en verspreiding van de mogelijkheden en resultaten van de door het programma ondersteunde acties. Het programma moet worden gepromoot door middel van dynamische communicatiemiddelen, met bijzondere aandacht voor sociale media, om een groter aantal potentiële kandidaten te bereiken. Sociale ondernemingen moeten speciale aandacht krijgen en worden aangemoedigd om de activiteiten van het Europees Solidariteitskorps te ondersteunen. De activiteiten inzake outreach, bekendmaking en verspreiding moeten uitgaan van de uitvoeringsorganen van het programma, de websites van de Unie, en de programma's van de Unie die verband houden met het Europees Solidariteitskorps, en moeten, in voorkomend geval met de steun van andere centrale belanghebbenden omvatten. [Am. 46]

(39)  Om de doelstellingen van het programma beter te kunnen verwezenlijken, is het wenselijk dat dienen de Commissie, de lidstaten en de nationale agentschappen nauw samenwerken samen te werken, in partnerschap met niet-gouvernementele organisaties, sociale ondernemingen, jeugdorganisaties, organisaties die mensen met een handicap vertegenwoordigen, en lokale belanghebbenden die ervaring hebben met solidariteitsacties, met inbegrip van vrijwilligersinfrastructuur en ondersteunende instanties, zoals vrijwilligerscentra. [Am. 47]

(40)  Om te zorgen voor een efficiëntere communicatie met het brede publiek en een sterkere synergie tussen de op initiatief van de Commissie ondernomen communicatieactiviteiten, moeten de bij deze verordening voor communicatie toegewezen middelen ook worden gebruikt voor onbelemmerde en toegankelijke institutionele communicatie betreffende de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover deze verband houden met de algemene doelstellingen van deze verordening. [Am. 48]

(41)  Om een efficiënte en doeltreffende uitvoering van deze verordening te waarborgen, moet het programma maximaal gebruikmaken van reeds bestaande beheersregelingen. De uitvoering van het programma moet daarom worden toevertrouwd aan bestaande structuren, namelijk de Commissie en de nationale agentschappen die zijn aangewezen voor het beheer van de acties als bedoeld in hoofdstuk III van [nieuwe Erasmusverordening]. De Commissie moet regelmatig overleg plegen met de belangrijkste belanghebbenden, waaronder deelnemende organisaties, over de uitvoering van het Europees Solidariteitskorps.

(42)  Om te zorgen voor een gezond financieel beheer, kostenoptimalisering en rechtszekerheid in elk deelnemend land, moet elke nationale autoriteit een onafhankelijk auditorgaan aanwijzen. Waar mogelijk en om de efficiëntie te vergroten, kan het onafhankelijke auditorgaan hetzelfde zijn als het orgaan dat is aangewezen voor de in Hoofdstuk III van [nieuwe Erasmusverordening] bedoelde acties. [Am. 49]

(43)  De lidstaten moeten ernaar streven alle nodige maatregelen te treffen om wettelijke en administratieve belemmeringen voor de goede werking van het programma weg te nemen. Dat houdt in dat, waar mogelijk en onverminderd het Unierecht inzake de binnenkomst en het verblijf van onderdanen van derde landen, kwesties die problemen veroorzaken bij het verkrijgen van visa en verblijfsvergunningen en andere wettelijke problemen die toegang van jongeren tot het programma zouden kunnen verhinderen, moeten worden opgelost. Overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad(24) worden de lidstaten aangemoedigd verkorte toelatingsprocedures in te voeren. [Am. 50]

(44)  Het prestatieverslagleggingssysteem moet waarborgen dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en voor de evaluatie van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig en op het juiste niveau van verfijning worden verzameld. Die gegevens moeten aan de Commissie worden meegedeeld op een wijze die strookt met de desbetreffende voorschriften inzake gegevensbescherming.

(45)  Om ervoor te zorgen dat deze verordening volgens eenvormige voorwaarden wordt uitgevoerd, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(25). [Am. 51]

(46)  Om de vereisten waaraan de begunstigden moeten voldoen te vereenvoudigen, moet zo veel mogelijk worden gebruikgemaakt van vereenvoudigde subsidies in de vorm van vaste bedragen, eenheidskosten en financiering volgens een vast percentage. De vereenvoudigde subsidies ter ondersteuning van de mobiliteitsacties van het programma, zoals door de Commissie gedefinieerd, moeten rekening houden met de kosten van levensonderhoud in het gastland. De lidstaten moeten voorts worden aangespoord die subsidies vrij te stellen van belasting en sociale premies, overeenkomstig het nationale recht. Die vrijstelling moet eveneens gelden voor publieke of particuliere entiteiten die dergelijke financiële steun toekennen aan de individuele begunstigden.

(47)  Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad(26), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, invordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. Teneinde de prestatie-indicatoren van het programma te wijzigen en/of aan te vullen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, moeten het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en moeten hun deskundigen systematisch toegang hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

(48)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(27). Deze verordening beoogt met name de volledige eerbiediging te waarborgen van het recht op gelijkheid tussen mannen en vrouwen en het recht op non-discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd, of seksuele geaardheid of socio-economische achtergrond en de toepassing van de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te bevorderen. [Am. 52]

(49)  Op deze verordening zijn horizontale financiële voorschriften van toepassing die door het Europees Parlement en de Raad zijn vastgesteld op grond van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Die voorschriften staan in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor de vaststelling en de uitvoering van de begroting door subsidies, aanbestedingen, prijzen en indirecte uitvoering, en voorzien in controles van de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op grond van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde voorschriften betreffen ook de bescherming van de begroting van de Unie ingeval van algemene lacunes op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien het respect voor de rechtsstaat een wezenlijke voorwaarde is voor goed financieel beheer en doeltreffende financiering door de Unie.

(50)  Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk het betrekken van jongeren en organisaties bij toegankelijke en hoogwaardige solidariteitsactiviteiten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar, vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(51)  [Verordening inzake het Europees Solidariteitskorps] moet met ingang van 1 januari 2021 worden ingetrokken.

(52)  Om te zorgen voor de continuïteit in de door het programma te bestrijken financieringssteun, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2021,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Voorwerp

Bij deze verordening wordt het Europees Solidariteitskorps ("het programma") opgericht.

In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "solidariteitsactiviteit": een tijdelijke inclusieve en naar behoren gefinancierde activiteit van hoge kwaliteit die belangrijke sociale uitdagingen aanpakt ten behoeve van een gemeenschap of van de maatschappij als geheel, bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees Solidariteitskorps en die de vorm kan hebben van vrijwilligerswerk, stages, banen, solidariteitsprojecten en netwerkactiviteiten op verschillende gebieden, waaronder die bedoeld in lid 13, waarbij de Europese meerwaarde en de naleving van de gezondheids- en veiligheidsvoorschriften en de internationale mensenrechtennormen worden gewaarborgd; [Am. 53]

2)  "ingeschreven kandidaat": een persoon van 17 tot 30 jaar oud die legaal verblijft in een deelnemend land en die zich op de portaalsite van het Europees Solidariteitskorps heeft ingeschreven om blijk te geven van zijn belangstelling om mee te doen aan een solidariteitsactiviteit, maar nog niet aan zo'n activiteit deelneemt; [Am. 54]

3)  "deelnemer": een persoon van 18 tot 30 jaar oud die legaal verblijft in een deelnemend land en die zich op de portaalsite van het Europees Solidariteitskorps heeft ingeschreven en deelneemt aan een solidariteitsactiviteit van het Europees Solidariteitskorps; [Am. 55]

4)  "kansarme jongeren": jongeren die kampen met bepaalde belemmeringen die hen er om economische, sociale, culturele, geografische of gezondheidsredenen of redenen zoals een handicap en leerproblemen van weerhouden daadwerkelijk toegang te krijgen tot mogelijkheden in het kader van het programmapersonen die aanvullende ondersteuning nodig hebben als gevolg van uiteenlopende belemmeringen zoals een handicap, gezondheidsproblemen, leerproblemen, migratieachtergrond, culturele verschillen, economische, sociale en geografische belemmeringen, inclusief personen uit gemarginaliseerde gemeenschappen of personen die het risico lopen te worden gediscrimineerd op grond van een van de redenen als bedoeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; [Am. 56]

5)  "deelnemende organisatie": een publieke of private entiteit met of zonder winstoogmerk, ongeacht of deze zich op lokaal, regionaal, nationaal of internationaal niveau bevindt, die het kwaliteitskeurmerk van het Europees Solidariteitskorps heeft gekregen, en die een organiserende functie, een ondersteunende functie of beide functies heeft, met dien verstande dat de entiteit in staat is hoogwaardige solidariteitsactiviteiten uit te voeren in overeenstemming met de doelstellingen van het programma; [Am. 57]

6)  "vrijwilligerswerk": een optionele solidariteitsactiviteit die als onbetaalde vrijwilligersactiviteit bestaat uit de uitvoering van een activiteit die ten goede komt aan het publiek en bijdraagt tot verhoging van het openbaar welzijn, die door een deelnemer wordt uitgevoerd in zijn of haar vrije tijd en uit vrije wil, zonder recht op vergoeding, voor een periode van ten hoogste twaalf maanden; [Am. 58]

7)  "stage": betaalde solidariteitsactiviteit in de vorm van praktijkwerk in een deelnemende organisatie voor een periode van twee drie tot en met zes maanden, eenmalig te verlengen met maximaal twaalf maanden, die wordt aangeboden en betaald door de deelnemende organisatie die de deelnemer aan het Europees Solidariteitskorps ontvangt, en die een leercomponent omvat waarmee relevante vaardigheden en ervaring kunnen worden opgedaan; [Am. 59]

8)  "baan": een behoorlijk betaalde solidariteitsactiviteit voor een periode van twee drie tot en met twaalf maanden die een leercomponent omvat, gebaseerd is op een schriftelijke overeenkomst en aangeboden en betaald wordt door de deelnemende organisatie die de deelnemer aan het Europees Solidariteitskorps in dienst heeft genomen, en die niet in de plaats komt van een bestaande arbeidsmogelijkheid; [Am. 60]

9)  "solidariteitsproject": een onbetaalde solidariteitsactiviteit die in eigen land of in het buitenland voor een periode van twee tot twaalf maanden wordt uitgevoerd door groepen van ten minste vijf deelnemers aan het Europees Solidariteitskorps en die erop gericht is belangrijke uitdagingen in hun gemeenschappen aan te pakken en een duidelijke Europese meerwaarde te bieden; [Am. 61]

10)  "kwaliteitskeurmerk": de certificering die, op basis van diverse specifieke vereisten afhankelijk van het type solidariteitsactiviteit dat wordt aangeboden, wordt toegekend aan een deelnemende organisatie die in het kader van het Europees Solidariteitskorps solidariteitsactiviteiten wil aanbieden in de rol van gastheer en/of in een ondersteunende functie, en waarmee wordt verklaard dat de organisatie in staat is toe te zien op de kwaliteit van de solidariteitsactiviteiten tijdens alle fasen van de solidariteitservaring overeenkomstig de beginselen en doelstellingen van het programma; [Am. 62]

11)  "kenniscentra van het Europees Solidariteitskorps": de aanvullende functies die worden uitgeoefend door aangewezen nationale agentschappen ter ondersteuning van de ontwikkeling, de uitvoering en de kwaliteit van activiteiten in het kader van het Europees Solidariteitskorps, alsmede het in kaart brengen van de door de deelnemers via hun solidariteitsactiviteiten verworven competenties;

12)  "instrumenten van de Unie voor transparantie en erkenning": instrumenten die belanghebbenden in de Unie helpen om niet-formele en informele leerresultaten te begrijpen, op waarde te schatten en, voor zover van toepassing, te erkennen. Na de voltooiing van hun activiteiten ontvangen alle deelnemers een certificaat met de vermelding van de leerresultaten en de vaardigheden die zij tijdens hun werkzaamheden hebben ontwikkeld, zoals Youthpass of Europass;

13)  "humanitaire hulpactiviteit": een activiteit ter ondersteuning van humanitaire operaties in derde landen waarmee op behoeften gebaseerde noodhulp wordt verleend die gericht is op het redden van levens, het voorkomen en verlichten van menselijk leed en het behoud van de menselijke waardigheid tijdens door de mens of de natuur veroorzaakte crises en natuurrampen, met inbegrip van bijstand, hulpverlening en bescherming in humanitaire crises of in de onmiddellijke nasleep daarvan, ondersteunende maatregelen om de toegang tot mensen in nood en de vrije aanvoer van hulpverlening te vergemakkelijken, alsmede maatregelen gericht op versterking van de paraatheid bij rampen en de beperking van het risico op rampen, het koppelen van noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling, en de versterking van de weerbaarheid en de capaciteit om het hoofd te bieden aan en te herstellen van crisissituaties;

14)  "derde land": een land dat geen lid van de Unie is;

15)  "met het programma geassocieerd derde land": een derde land dat partij is bij een overeenkomst met de Unie waarin de mogelijkheid tot deelname aan het programma is voorzien en die voldoet aan alle verplichtingen die in deze verordening met betrekking tot de lidstaten zijn vastgelegd;

16)  "niet met het programma geassocieerd derde land": een derde land dat niet volledig aan het programma deelneemt, maar waarvan de juridische entiteiten bij wijze van uitzondering, in naar behoren gemotiveerde gevallen en in het belang van de Unie, van het programma kunnen profiteren.

Artikel 3

Doelstellingen van het programma

1.  De algemene doelstelling van het programma is het bevorderen van solidariteit als waarde, voornamelijk door vrijwilligerswerk, vergroten van de inzet van een generatie jongeren die meer geneigd is deel te nemen aan solidariteitsactiviteiten en organisaties bij toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige solidariteitsactiviteiten, als middel om bij te dragen aan de versterking van de sociale cohesie, de solidariteit, en de democratie en de Europese identiteit en het actief burgerschap in de Unie en daarbuiten, het ondersteunen van gemeenschappen en het aanpakken van maatschappelijke en humanitaire uitdagingen aan te pakken, met een bijzondere inspanning voor het bevorderen van sociale inclusie en gelijke kansen. [Am. 63]

2.  De specifieke doelstelling van het programma is jongeren, onder wie ook kansarme jongeren, laagdrempelige en inclusieve mogelijkheden te bieden om deel te nemen aan solidariteitsactiviteiten, leidend tot positieve maatschappelijke veranderingen, in Europa en daarbuiten, en daarbij hun competenties op het gebied van persoonlijke, educatieve, sociale, culturele, civiele en professionele ontwikkeling te verbeteren en naar behoren te valideren, en hun voortdurende betrokkenheid als actieve burgers, hun inzetbaarheid en de overgang naar de arbeidsmarkt te bevorderen. [Am. 64]

2 bis.  Feedback die wordt gegeven door deelnemers en deelnemende organisaties omvat ook een evaluatie van de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma. [Am. 65]

3.  De doelstellingen van het programma worden gerealiseerd binnen de volgende onderdelen:

a)  deelname van jongeren aan solidariteitsactiviteiten om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken, zoals bedoeld in artikel 6 en inspanningen om de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te verwezenlijken; [Am. 66]

b)  deelname van jongeren en deskundigen aan solidariteitsactiviteiten die verband houden met humanitaire hulp (Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening), zoals bedoeld in artikel 10 en acties binnen en buiten de Unie die gericht zijn op de capaciteitsopbouw van gastorganisaties voor humanitaire hulp in derde landen als bedoeld in artikel 11. [Am. 67]

3 bis.   De operationele doelstellingen en de overeenkomstige beleidsprioriteiten van de acties die worden uitgevoerd door middel van de activiteiten in het kader van de in lid 3 van dit artikel bedoelde onderdelen, worden in detail beschreven in de overeenkomstig artikel 18 vast te stellen jaarlijkse werkprogramma’s. [Am. 68]

HOOFDSTUK II

ACTIES VAN HET EUROPEES SOLIDARITEITSKORPS

Artikel 4

Acties van het Europees Solidariteitskorps

1.  Het programma streeft de in artikel 3 vermelde doelstellingen na door middel van de volgende soorten acties:

a)  vrijwilligerswerk, als bedoeld in de artikelen 7 en 11;

b)  kwalitatief hoogwaardige stages en banen, als bedoeld in artikel 8; [Am. 69]

c)  solidariteitsprojecten, als bedoeld in artikel 9;

d)  netwerkactiviteiten, als bedoeld in artikel 5;

e)  kwaliteits- en ondersteuningsmaatregelen, als bedoeld in artikel 5.

2.  Het programma ondersteunt solidariteitsactiviteiten die een duidelijke Europese meerwaarde hebben, bijvoorbeeld vanwege:

a)  hun transnationale karakter, met name wat betreft leermobiliteit en samenwerking;

b)  hun potentieel voor complementariteit met andere programma's en beleid op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau en op Unie-niveau;

c)  de Europese dimensie van hun onderwerpen, doelstellingen, aanpak, verwachte resultaten en andere aspecten van deze solidariteitsactiviteiten;

d)  de manier waarop ze het feit dat ze inclusief zijn en erin slagen om jongeren met verschillende achtergronden erbij te betrekken, waaronder jongeren met een beperking; [Am. 70]

e)  hun bijdrage aan een doeltreffend gebruik van instrumenten van de Unie voor transparantie en erkenning.

2 bis.   De jaarlijkse werkprogramma's die worden goedgekeurd op grond van artikel 18 bevatten een lijst met activiteiten die potentieel schadelijk zijn voor deelnemers, begunstigden en de maatschappij of niet gepast zijn voor deelnemers, en die niet mogen worden uitgevoerd in het kader van het programma of die moeten worden voorafgegaan door speciale opleidingen, antecedentenonderzoeken of andere maatregelen. [Am. 71]

3.  De solidariteitsactiviteiten zullen worden uitgevoerd overeenkomstig de specifieke voorschriften voor elk type activiteit in het kader van het programma zoals bedoeld in de artikelen 5, 7, 8, 9 en 11, en overeenkomstig de toepasselijke regelgevingskaders in de deelnemende landen.

4.  Verwijzingen naar het Europees vrijwilligerswerk in de wetgeving van de Unie hebben ook betrekking op vrijwilligerswerk uit hoofde van Verordening (EU) 1288/2013 en van deze verordening.

Artikel 5

Acties die gemeenschappelijk zijn aan beide onderdelen

1.  Met netwerkactiviteiten als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder d), wordt beoogd:

a)  de capaciteit van de deelnemende organisaties te versterken om laagdrempelige en naar behoren gefinancierde projecten van goede hoge kwaliteit aan te bieden aan een toenemend aantal deelnemers aan het Europees Solidariteitskorps; [Am. 72]

b)  nieuwkomers aan te trekken, zowel jongeren als mensen met een zekere ervaring ten aanzien van het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp, en deelnemende organisaties; [Am. 73]

b bis)  de toegang voor personen met een handicap tot alle aangeboden activiteiten te faciliteren; [Am. 74]

c)  gelegenheid te bieden tot het geven van feedback over solidariteitsactiviteiten en het programma als ambassadeur te promoten; en [Am. 75]

d)  bij te dragen aan de uitwisseling van ervaringen en de versterking van een gevoel van saamhorigheid onder de personen en entiteiten die deelnemen aan het Europees Solidariteitskorps en daarmee de bredere positieve invloed van het korps te ondersteunen.

2.  Onder de kwaliteits- en ondersteuningsmaatregelen als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder e), vallen:

a)  maatregelen die erop gericht zijn de kwaliteit van vrijwilligerswerk, stages of banen te waarborgen, met inbegrip van opleiding, taalondersteuning, aanvullende verzekering, ondersteuning voorafgaand aan of na de solidariteitsactiviteit, het verdere gebruik van Youthpass waarmee de tijdens de solidariteitsactiviteiten verworven competenties in kaart worden gebracht en worden gedocumenteerd, capaciteitsopbouw en administratieve ondersteuning voor deelnemende organisaties;

a bis)  maatregelen ter bescherming van de begunstigden van solidariteitsactiviteiten, met inbegrip van de gerichte opleiding van deelnemers die solidariteitsactiviteiten uitvoeren ten behoeve van kwetsbare groepen, waaronder kinderen, en achtergrondcontroles van deelnemers die met kinderen werken; [Am. 76]

a ter)   maatregelen die erop gericht zijn sociale inclusie en gelijke kansen te bevorderen, met name met betrekking tot de deelname van kansarme jongeren, onder meer in de vorm van solidariteitsactiviteiten en persoonlijke advisering met passende formaten; [Am. 77]

a quater)  maatregelen voor capaciteitsopbouw en administratieve ondersteuning van de deelnemende organisaties; [Am. 78]

b)  het ontwikkelen en onderhouden van een kwaliteitskeurmerk de kwaliteitskeurmerken voor entiteiten die solidariteitsactiviteiten voor het Europees Solidariteitskorps willen aanbieden; [Am. 79]

c)  de activiteiten van kenniscentra van het Europees Solidariteitskorps om de kwaliteit van de uitvoering van de acties van het Europees Solidariteitskorps te ondersteunen en te verbeteren en de validatie van de resultaten ervan te versterken;

d)  het opzetten, onderhouden en bijwerken van de een toegankelijke portaalsite van het Europees Solidariteitskorps in tenminste alle officiële talen van de Unie en andere relevante onlinediensten, alsook de nodige ondersteunende computersystemen en webinstrumenten, die zullen voldoen aan de toegankelijkheidseisen van Richtlijn (EU) 2016/2102; [Am. 80]

d bis)   maatregelen om sociale ondernemingen aan te moedigen om programma-activiteiten te ondersteunen of om werknemers in staat te stellen deel te nemen aan vrijwilligersactiviteiten in het kader van het programma; [Am. 81]

d ter)   de ontwikkeling van een duidelijke en gedetailleerde procedure voor deelnemers en deelnemende organisaties, waarbij de stappen en tijdschema's voor alle fasen van de solidariteitsactiviteiten worden vastgesteld. [Am. 82]

HOOFDSTUK III

DEELNAME VAN JONGEREN AAN SOLIDARITEITSACTIVITEITEN OM MAATSCHAPPELIJKE UITDAGINGEN AAN TE PAKKEN

Artikel 6

Doel en soorten acties

1.  Acties in het kader van het onderdeel "Deelname van jongeren aan solidariteitsactiviteiten om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken" dragen met name bij tot de versterking van de cohesie, solidariteit, burgerschap en democratie in de Unie en daarbuiten en spelen in op maatschappelijke uitdagingen, met speciale aandacht voor het bevorderen van sociale inclusie en gelijke kansen. [Am. 83]

2.  Het onderdeel ondersteunt activiteiten zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), b), c), d) en e), op de volgende manieren:

a)  vrijwilligerswerk, als bedoeld in artikel 7;

b)  kwalitatief hoogwaardige stages en banen, als bedoeld in artikel 8; [Am. 84]

c)  solidariteitsprojecten, als bedoeld in artikel 9;

d)  netwerkactiviteiten voor personen en organisaties die deelnemen aan dit onderdeel overeenkomstig artikel 5;

e)  kwaliteits- en ondersteuningsmaatregelen in overeenstemming met artikel 5.

Artikel 7

Vrijwilligerswerk in het kader van solidariteitsactiviteiten

1.  Vrijwilligerswerk als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), omvat een leer- en opleidingscomponent degelijke onderwijs- en leerdimensie en online- en offline-opleiding op maat van de activiteit in kwestie, die vóór en tijdens de activiteit plaatsvindt, streeft naar een duidelijk effect op de vastgestelde behoeften van de gemeenschap, komt niet in de plaats van stages of banen, mag wordt niet worden gelijkgesteld aan een baan en is gebaseerd op een schriftelijke overeenkomst voor vrijwilligerswerk overeenkomstig de relevante nationale wetgeving. Een dergelijke overeenkomst voorziet in toereikende wettelijke, sociale en financiële bescherming van de deelnemer. [Am. 85]

2.  Vrijwilligerswerk kan plaatsvinden vindt als regel plaats in een ander land dan het land van verblijf van de deelnemer (grensoverschrijdend) of. Vrijwilligerswerk kan plaatsvinden in het land van verblijf van de deelnemer (in eigen land), maar staat alleen open voor deelname van kansarme jongeren en omvat de deelname van deelnemers die in een ander land wonen dan het land waar de activiteit plaatsvindt. [Am. 86]

Artikel 8

Stages en banen

1.  Een stage als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b), is betaald en is gebaseerd op een schriftelijke stageovereenkomst die, voor zover gesloten aan het begin van toepassing, voldoet aan de stage, overeenkomstig het toepasselijke regelgevingskader van het land waar de stage plaatsvindt en die de. In de stageovereenkomst worden de onderwijsdoelstellingen, de arbeidsvoorwaarden en de duur van de stage, de beloning die de deelnemer ontvangt en de rechten en plichten van de partijen vermeld en wordt rekening gehouden met de beginselen van het kwaliteitskader voor stages volgt (PB C 2014/88, blz. 1). Stages komen niet in de plaats van banen. [Am. 87]

2.  Een baan als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b), is gebaseerd op een schriftelijke arbeidsovereenkomst die voldoet aan het nationale regelgevingskader van het deelnemende land waar de baan wordt vervuld. Wanneer de duur van de arbeidsovereenkomst meer dan twaalf maanden bedraagt, bestrijkt de financiële steun aan de deelnemende organisaties die de banen aanbieden niet meer dan alle arbeidsvoorwaarden als vastgelegd in het nationale recht en/of de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten van het land waarin de arbeid wordt verricht. De financiële ondersteuning van deelnemende organisaties die de deelnemer in dienst nemen wordt in gevallen waarin de arbeidsovereenkomst voor meer dan twaalf maanden geldt, toegekend voor maximaal twaalf maanden. [Am. 88]

3.  Stages en banen omvatten een leer- en opleidingscomponent degelijke onderwijs en leercomponent voor en tijdens de activiteit, om de deelnemer te helpen nuttige ervaring op te doen met het oog op de ontwikkeling van competenties die nuttig zijn voor diens persoonlijke, educatieve, sociale, burgerschaps- en professionele ontwikkeling. [Am. 89]

4.  Stages en banen kunnen plaatsvinden vinden in de regel plaats in een ander land dan het land van verblijf van de deelnemer (grensoverschrijdend) of. Stages en banen kunnen plaatsvinden in het land van verblijf van de deelnemer (in eigen land), maar staan alleen open voor deelname van kansarme jongeren en omvatten de deelname van deelnemers die in een ander land wonen dan het land waar de activiteit plaatsvindt. [Am. 90]

4 bis.   Er wordt een gepast budget uitgetrokken voor de financiering van redelijke aanpassingen die het mogelijk maken dat personen met een handicap op doeltreffende wijze en op voet van gelijkheid met anderen kunnen deelnemen, overeenkomstig artikel 27 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en Richtlijn 2000/78/EG van de Raad(28). [Am. 91]

Artikel 9

Solidariteitsprojecten

Een solidariteitsproject als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), komt niet in de plaats van stages en/of banen.

HOOFDSTUK IV

EUROPEES VRIJWILLIGERSKORPS VOOR HUMANITAIRE HULPVERLENING

Artikel 10

Doel en soorten acties

1.  Acties in het kader van het onderdeel "Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening" dragen in het bijzonder bij tot het verstrekken van op behoeften gebaseerde humanitaire hulp die gericht is op het redden van levens, het voorkomen en verlichten van menselijk leed en het behoud van de menselijke waardigheid, in de context van natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen, en aan tot de versterking van de capaciteit en de weerbaarheid van kwetsbare, zwakke of door natuurrampen dan wel door mensen veroorzaakte rampen getroffen gemeenschappen, en vergemakkelijken daarnaast de overgang van de humanitaire respons naar duurzame en inclusieve ontwikkeling op de langere termijn. [Am. 92]

2.  De acties Acties in het kader van dit hoofdstuk worden uitgevoerd met inachtneming van de Europese consensus betreffende humanitaire hulp, waarin de fundamentele beginselen van humanitaire hulp worden bevorderd: menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid worden bevorderd. Bovendien wordt hierin de vastberaden inzet van de Unie bekrachtigd voor een op behoeften gebaseerde benadering, zonder discriminatie tussen of binnen getroffen volkeren en met inachtneming van het internationaal recht. [Am. 93]

2 bis.  De humanitaire hulp van de Unie wordt verleend in situaties waarin ook instrumenten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, crisisbeheer en civiele bescherming kunnen worden ingezet. Het werk van het Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening moet samenhang en complementariteit vertonen en overlap met de desbetreffende Uniebeleidslijnen en -instrumenten moet worden voorkomen, in het bijzonder met het humanitaire beleid en het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en het Uniemechanisme voor civiele bescherming. [Am. 94]

2 ter.  Met het oog op het bevorderen van een samenhangend internationaal antwoord op humanitaire crises, zijn de acties uit hoofde van dit hoofdstuk in overeenstemming met de acties die worden gecoördineerd door het Bureau van de Verenigde Naties voor de coördinatie van humanitaire zaken. [Am. 95]

2 quater.  Het Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening draagt bij tot versterking van het genderperspectief in de humanitaire hulp van de Unie, waarbij adequate humanitaire antwoorden op specifieke behoeften van vrouwen worden bevorderd. Er wordt speciale aandacht besteed aan samenwerking met vrouwengroepen en -netwerken teneinde de participatie in en het leiderschap van vrouwen bij humanitaire hulp te bevorderen en hun capaciteiten en ervaring in te zetten om een bijdrage te leveren aan herstel, vredesopbouw, vermindering van het risico op rampen en versterking van de veerkracht van getroffen gemeenschappen. [Am. 96]

2 quinquies.  De specifieke voorwaarden voor inzet worden, in nauw overleg met de gastorganisatie, opgenomen in een overeenkomst tussen de uitzendende organisatie en het Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening, met inbegrip van de rechten en plichten, de duur en locatie van inzet en de uit te voeren taken. [Am. 97]

3.  Het onderdeel ondersteunt activiteiten zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), d) en e), op de volgende manieren:

a)  vrijwilligerswerk, als bedoeld in artikel 11;

a bis)   solidariteitsprojecten; [Am. 98]

b)  netwerkactiviteiten voor personen en organisaties die deelnemen aan dit onderdeel overeenkomstig artikel 5;

c)  kwaliteits- en ondersteuningsmaatregelen in overeenstemming met artikel 5, met bijzondere nadruk op maatregelen om de veiligheid en de beveiliging van de deelnemers te waarborgen.

3 bis.   Het doel van deze verordening bestaat erin om, op basis van een voorafgaande beoordeling van de behoeften in derde landen, acties te ondersteunen die de capaciteit voor humanitaire hulpverlening versterken teneinde de paraatheid op lokaal niveau om te reageren op humanitaire crises te verbeteren en de doeltreffendheid en duurzaamheid van het vrijwilligerswerk op het terrein te garanderen, met name:

a)  risicobeheersing van, paraatheid bij en respons op rampen, coaching, opleiding op het gebied van het beheer van vrijwilligers, en andere terreinen die relevant zijn voor medewerkers en vrijwilligers van gastorganisaties;

b)  uitwisseling van beste praktijken, technische bijstand, twinningprogramma's en uitwisseling van medewerkers en vrijwilligers, oprichting van netwerken en andere passende acties. [Am. 99]

3 ter.   De Commissie houdt een databank bij van EU-vrijwilligers voor humanitaire hulp, met onder meer informatie over hun beschikbaarheid en geschiktheid, houdt deze up-to-date en reguleert de toegang ertoe en het gebruik ervan, zodat vrijwilligers die terugkeren constant kunnen worden ingezet. De verwerking van persoonsgegevens die worden verzameld in of voor die databank vindt, in voorkomend geval, plaats in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(29) en Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad(30). [Am. 100]

Artikel 11

Vrijwilligerswerk ter ondersteuning van humanitaire operaties

1.  Vrijwilligerswerk ter ondersteuning van humanitaire operaties als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), omvat een leer- en opleidingscomponent, omvat adequate leer- en opleidingsmogelijkheden, onder meer voorafgaand aan de plaatsing, in verband met de projecten waar de jonge vrijwilligers bij zullen worden betrokken, met de nodige nadruk op de in artikel 10, lid 2, bedoelde beginselen van humanitaire hulp, waaronder het beginsel "geen schade berokkenen", en komt niet in de plaats van stages of banen en is gebaseerd op een schriftelijke overeenkomst voor vrijwilligerswerk. [Am. 101]

1 bis.   Het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp moet de deelname van plaatselijke vrijwilligers uit derde landen bevorderen. [Am. 102]

2.  Vrijwilligerswerk in het kader van dit onderdeel mag alleen plaatsvinden in derde landen: [Am. 103]

a)  waar humanitaire hulpactiviteiten en -operaties plaatsvinden; en

b)  waar zich geen internationale of niet-internationale gewapende conflicten afspelen.

2 bis.  Op basis van een voorafgaande beoordeling van de behoeften in derde landen door uitzendende en gastorganisaties en andere relevante actoren, ondersteunt het Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening acties die zijn gericht op:

a)  versterking van de capaciteit van gastorganisaties voor humanitaire hulp in derde landen teneinde de plaatselijke paraatheid voor en respons op humanitaire crises te vergroten en ervoor te zorgen dat de werkzaamheden van het Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening ter plaatse doeltreffend zijn en duurzame effecten hebben, door middel van risicobeheersing bij, voorbereiding voor en respons op rampen, de overgang van humanitaire respons naar duurzame, plaatselijke ontwikkeling, begeleiding en opleiding in het beheer van vrijwilligerswerk;

b)  uitwisseling van beste praktijken, technische bijstand, jumelageprogramma's en uitwisseling van medewerkers en vrijwilligers. [Am. 104]

2 ter.   Er wordt prioriteit gegeven aan de risicoanalyse betreffende de beveiliging en veiligheid van vrijwilligers, met name in landen of regio's die instabiel worden geacht of waar onmiddellijk gevaar bestaat. [Am. 105]

2 quater.   De communicatiecampagnes betreffende het Europees Solidariteitskorps moeten voornamelijk op het grondgebied van de Unie worden gevoerd wanneer zij het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp betreffen en handelen over de werkzaamheden die de vrijwilligers en humanitaire helpers verrichten op basis van de humanitaire beginselen menselijkheid, onafhankelijkheid, neutraliteit en onpartijdigheid die dienen als leidende beginselen voor hun werkzaamheden. [Am. 106]

2 quinquies.   Het vrijwilligerswerk komt tegemoet aan de reële tekorten en behoeften die door de gastorganisaties ter plaatse zijn vastgesteld. [Am. 107]

Artikel 11 bis

Identificatie en selectie van kandidaat-vrijwilligers

1.   Op basis van een voorafgaande beoordeling van de behoeften in derde landen identificeert en selecteert de Commissie in overleg met de nationale agentschappen en de gastorganisaties de kandidaat-vrijwilligers die wensen deel te nemen en een opleiding wensen te volgen.

2.   Kandidaat-vrijwilligers worden geïdentificeerd en geselecteerd volgens artikel 14 met naleving van de beginselen inzake non-discriminatie, gendergelijkheid en gelijke kansen.

3.   De in de artikelen 2 en 15 genoemde leeftijdsgrenzen zijn niet van toepassing op vrijwilligerswerk ter ondersteuning van humanitaire operaties uit hoofde van dit artikel. [Am. 108]

Artikel 11 ter

Opleiding van kandidaat-vrijwilligers

1.   De Commissie stelt op basis van bestaande programma's en procedures het opleidingsprogramma vast aan de hand waarvan kandidaat-vrijwilligers worden voorbereid op de ondersteuning en uitvoering van humanitaire hulpoperaties.

2.   Kandidaat-vrijwilligers die zijn geïdentificeerd en geselecteerd volgens de kandidaatstellingsprocedure kunnen deelnemen aan het door gekwalificeerde organisaties uitgevoerde opleidingsprogramma. De omvang en inhoud van de opleiding die elke kandidaat-vrijwilliger moet volgen, worden bepaald in overleg met de gecertificeerde gastorganisatie, op basis van de behoeften en rekening houdend met de ervaring van de kandidaat-vrijwilliger en de plaats waar deze zal worden ingezet.

3.   Tijdens het opleidingsprogramma wordt beoordeeld of de kandidaat-vrijwilliger klaar is om te worden ingezet ter ondersteuning van en aanvulling op humanitaire hulpoperaties in derde landen, en om in de lokale behoeften te voorzien. [Am. 109]

HOOFDSTUK V

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 12

Begroting

1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 1 112 988 000 EUR in prijzen van 2018 [1 260 000 000 EUR in lopende prijzen]. [Am. 110]

2.  Het in lid 1 bedoelde bedrag kan worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van het programma, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen. Verder wordt een adequaat deel van het budget uitgetrokken voor de uitwisseling van aanbevolen werkwijzen door de lidstaten en de ontwikkeling van jeugdnetwerken. [Am. 111]

2 bis.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 29 gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van deze verordening om flexibiliteit en aanpassing van de indicatieve verdeling van de begroting over de in artikel 12 bis bedoelde activiteiten mogelijk te maken. De overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen weerspiegelen de nieuwe beleidsprioriteiten door de verdeling aan te passen met inachtneming van een maximummarge van 20 %. [Am. 112]

3.  Onverminderd het Financieel Reglement kunnen uitgaven voor acties die voortvloeien uit projecten die zijn opgenomen in het eerste werkprogramma vanaf 1 januari 2021 in aanmerking komen.

4.  Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a),] van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.

Artikel 12 bis

Specificatie van het budget uitgetrokken voor activiteiten in het kader van artikel 7, 8, 9 en 11

De indicatieve specificatie van het budget uitgetrokken voor activiteiten in het kader van de artikelen 7, 8, 9 en 11 is als volgt:

a)  voor vrijwillige deelname aan solidariteitsactiviteiten en solidariteitsprojecten, zoals bepaald in artikel 7 en 9: 86 %;

b)  voor stages en banen, zoals bepaald in artikel 8: 8 %; en

c)  voor vrijwilligerswerk ter ondersteuning van humanitaire operaties, zoals bepaald in artikel 11: 6 %. [Am. 113]

Artikel 13

Vormen van EU-financiering en wijzen van uitvoering

1.  Het programma wordt op consistente wijze uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement en in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel [62, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement.

2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies, prijzen en aanbestedingen. Om de vereisten waaraan de begunstigden moeten voldoen te vereenvoudigen, moet zo veel mogelijk gebruik worden gemaakt van forfaitaire bedragen, op kosten per eenheid gebaseerde subsidies en vaste subsidiebedragen. [Am. 114]

3.  Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kunnen dienen ter dekking van het risico in verband met de invordering van door begunstigden verschuldigde middelen en worden beschouwd als een toereikende garantie in de zin van het Financieel Reglement. De bepalingen van [artikel X van] Verordening XXX [opvolger van de verordening betreffende het Garantiefonds] zijn van toepassing.

4.  Voor selecties in het kader van zowel direct als indirect beheer kan het evaluatiecomité bestaan uit externe deskundigen.

HOOFDSTUK VI

DEELNAME AAN HET EUROPEES SOLIDARITEITSKORPS

Artikel 14

Deelnemende landen

1.  Vrijwilligerswerk, stages, banen, solidariteitsprojecten, netwerkactiviteiten en kwaliteits- en ondersteuningsmaatregelen als bedoeld in de artikelen 5, 7, 8, 9 en 11 staan open voor deelname door de lidstaten en landen en gebieden overzee.

2.  Vrijwilligerswerk, netwerkactiviteiten en kwaliteits- en ondersteuningsmaatregelen als bedoeld in de artikelen 5 en 7 staan tevens open voor deelname door:

a)  landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;

b)  toetredingslanden, kandidaten en potentiële kandidaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

c)  landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

d)  andere derde landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst:

–  een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma's van de Unie deelneemt;

–  de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5,] van het Financieel Reglement;

–  het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

–  de rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt.

3.  De in lid 2 bedoelde landen nemen slechts volledig aan het programma deel voor zover zij voldoen aan alle verplichtingen die deze verordening oplegt aan de lidstaten.

3 bis.   In het kader van de jaarlijkse en/of de tussentijdse verslaglegging over het programma wordt, zodra voldoende informatie beschikbaar is, aan beide takken van de begrotingsautoriteit aangegeven welke financiële bijdragen derde landen aan het programma leveren of zouden moeten leveren. [Am. 115]

4.  Vrijwilligerswerk en netwerkactiviteiten als bedoeld in de artikelen 5 en 7 kunnen openstaan voor deelname van niet met het programma geassocieerde derde landen, met name nabuurschapslanden.

Artikel 15

Deelname van personen

1.  Jongeren tussen 17 en 30 jaar die aan het Europees Solidariteitskorps willen deelnemen, schrijven zich op de portaalsite van het Europees Solidariteitskorps daarvoor in. Op het moment waarop het vrijwilligerswerk, de stage, de baan of het solidariteitsproject begint, moet een jongere echter de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en niet ouder zijn dan 30 jaar.

1 bis.  Deelnemers die naar een ander land verhuizen, moeten verzekerd zijn van de volledige gezondheidszorg die zij in hun lidstaat van verblijf genieten, en niet louter dringende gezondheidszorg. De gezondheidszorg wordt verleend via de openbare gezondheidszorg van de lidstaat waar de activiteit wordt uitgeoefend en, indien dergelijke diensten ontbreken of in het geval van een duidelijk geval van niet-naleving van de kwaliteitsnormen van de lidstaat van verblijf, door middel van particuliere gezondheidszorg in de lidstaat waar de activiteit wordt uitgeoefend. [Am. 116]

1 ter.  Bij de uitvoering van deze verordening bevorderen de Commissie, de lidstaten en de andere deelnemende landen sociale inclusie en gelijke toegangsvoorwaarden, waaronder deelname van kansarme jongeren. [Am. 117]

Artikel 16

Deelnemende organisaties

1.  Het Europees Solidariteitskorps staat open voor deelname van publieke en private entiteiten, al dan niet non-profit, en internationale organisaties, waaronder jeugdorganisaties, religieuze instellingen, liefdadigheidsinstellingen, seculiere humanistische organisaties, ngo's of andere actoren uit het maatschappelijk middenveld, op voorwaarde dat zij solidariteitsactiviteiten aanbieden, een rechtspersoonlijkheid bezitten overeenkomstig het recht van het land waar zij geregistreerd staan, en een kwaliteitskeurmerk van het Europees Solidariteitskorps hebben ontvangen. Het kwaliteitskeurmerk bevestigt dat de activiteiten kunnen beantwoorden aan de doelstellingen van artikel 3 en de in artikel 4 bedoelde acties kunnen uitvoeren. [Am. 118]

2.  Een aanvraag van een entiteit voor deelname aan het Europees Solidariteitskorps wordt door de bevoegde uitvoerende instantie van het Europees Solidariteitskorps beoordeeld op basis van de beginselen van gelijke behandeling; gelijke kansen en non-discriminatie; vermijding van vervanging van werkgelegenheid; verstrekking van kwalitatief hoogwaardige, laagdrempelige en inclusieve activiteiten met een duidelijke toegevoegde waarde met het oog op de behoeften van de samenleving en een leerdimensie die gericht is op persoonlijke, sociaal-educatieve en professionele ontwikkeling; passende regelingen voor opleiding, werk en vrijwilligerswerk; veilige en geschikte omgevingsvoorwaarden en omstandigheden; en het winstverbod in overeenstemming met het Financieel Reglement. Op grond van de genoemde beginselen wordt duidelijk of haar activiteiten aan de vereisten en doelstellingen van het Europees Solidariteitskorps voldoen. Het kwaliteitskeurmerk wordt uitsluitend toegekend aan organisaties die zich ervoor inzetten deze beginselen te volgen. [Am. 119]

3.  Op grond van die beoordeling kan het kwaliteitskeurmerk van het Europees Solidariteitskorps aan de entiteit worden toegekend. De specifieke eisen waaraan moet worden voldaan om een kwaliteitskeurmerk te verkrijgen, variëren naar gelang van het soort solidariteitsactiviteit en de functie van de entiteit. Het toegekende kwaliteitskeurmerk wordt op gezette tijden opnieuw beoordeeld en kan worden ingetrokken wordt ingetrokken bij misbruik van het keurmerk of wanneer niet is voldaan aan de in lid 2 bedoelde vereisten en voorwaarden. Een entiteit die haar activiteiten ingrijpend verandert, stelt de bevoegde uitvoerende instantie daarvan in kennis met het oog op een nieuwe beoordeling. [Am. 120]

4.  Elke entiteit die het kwaliteitskeurmerk van het Europees Solidariteitskorps heeft ontvangen, krijgt in de rol van gastheer of in een ondersteunende functie (of beide) toegang tot de portaalsite van het Europees Solidariteitskorps en kan solidariteitsactiviteiten aanbieden aan ingeschreven kandidaten.

4 bis.  Deelnemende organisaties die een kwaliteitskeurmerk hebben verkregen, hebben toegang tot een platform voor het vinden van passende kandidaten, zodat het zowel voor deelnemers als voor deelnemende organisaties eenvoudiger wordt om zich in te zetten voor solidariteitsactiviteiten. [Am. 121]

4 ter.  Deelnemende organisaties dragen bij aan het promoten van het programma door voormalige deelnemers de mogelijkheid te bieden hun ervaringen te delen en als ambassadeurs op te treden voor de potentiële volgende generatie deelnemers door middel van een netwerk. [Am. 122]

5.  Het kwaliteitskeurmerk van het Europees Solidariteitskorps leidt niet automatisch tot financiering uit hoofde van het Europees Solidariteitskorps.

5 bis.  Deelnemende organisaties vervullen meerdere functies in het kader van het Europees Solidariteitskorps. In een functie als gastheer voeren zij activiteiten uit in verband met het doen van aanbiedingen voor solidariteitsactiviteiten aan geregistreerde deelnemers, het selecteren en ontvangen van de deelnemers, met inbegrip van de organisatie van activiteiten, het bieden van begeleiding en ondersteuning aan de deelnemers tijdens alle fasen van de solidariteitsactiviteit, het bieden van een veilige en geschikte werkomgeving voor de deelnemers en het geven van feedback aan de deelnemer na afloop van de activiteit, waar nodig. In een ondersteunende functie verrichten zij activiteiten in verband met het uitzenden, voorbereiden en ondersteunen van de deelnemers vóór hun vertrek, en gedurende en na de solidariteitsactiviteit, inclusief door de deelnemers op te leiden en ze naar lokale organisaties te begeleiden na de activiteit. Organisaties in een ondersteunende functie kunnen ook administratieve en logistieke ondersteuning bieden aan deelnemers aan solidariteitsprojecten. [Am. 123]

6.  De solidariteitsactiviteiten en daarmee gepaard gaande kwaliteits- en ondersteuningsmaatregelen die door een deelnemende organisatie worden aangeboden, kunnen in aanmerking komen voor subsidies uit hoofde van het Europees Solidariteitskorps of uit andere financieringsbronnen die losstaan van de begroting van de Unie.

7.  Voor organisaties die in het kader van activiteiten als bedoeld in artikel 11 deelnemen, zijn de veiligheid en beveiliging van de vrijwilligers een prioriteit.

Artikel 17

Toegang tot financiering door het Europees Solidariteitskorps

Publieke of private entiteiten die zijn gevestigd in een deelnemend land en internationale organisaties kunnen een aanvraag indienen voor financiering uit hoofde van het Europees Solidariteitskorps. In het geval van activiteiten als bedoeld in de artikelen 7, 8 en 11 moet de deelnemende organisatie eerst het kwaliteitskeurmerk behalen voor zij financiering uit hoofde van het Europees Solidariteitskorps kan verkrijgen. In het geval van solidariteitsprojecten als bedoeld in artikel 9 kunnen ook natuurlijke personen een aanvraag voor financiering indienen namens informele groepen van deelnemers aan het Europees Solidariteitskorps. Als algemene regel geldt dat de subsidieaanvraag moet worden ingediend bij het nationale agentschap van het land waar de organisatie is gevestigd. Subsidieaanvragen voor activiteiten georganiseerd door Europese of internationale organisaties, activiteiten van vrijwilligersteams op prioritaire gebieden die op Europees niveau zijn vastgesteld, en activiteiten ter ondersteuning van humanitaire hulpacties in derde landen moeten worden ingediend bij het EACEA. [Am. 124]

HOOFDSTUK VII

PROGRAMMERING, MONITORING EN EVALUATIE

Artikel 18

Jaarlijks werkprogramma [Am. 125]

De secundaire beleidskeuzes en -prioriteiten, waaronder de details van de specifieke acties beschreven in de artikelen 4 tot en met 11, worden jaarlijks vastgesteld door middel van een werkprogramma als bedoeld in artikel [110] van het Financieel Reglement. Ook wordt in het jaarlijks werkprogramma de tenuitvoerlegging van het programma nader gespecificeerd. Bovendien bevat het werkprogramma een indicatie van het voor elke actie toegewezen bedrag en van de verdeling van de middelen tussen de lidstaten en met het programma geassocieerde derde landen voor de acties die worden beheerd door het nationale agentschap. De Commissie is bevoegd ter aanvulling op deze verordening overeenkomstig artikel 29 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van de jaarlijkse werkprogramma's. [Am. 126]

Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in [artikel 110] van het Financieel Reglement. Bovendien bevat het werkprogramma een indicatie van het voor elke actie toegewezen bedrag en van de verdeling van de middelen tussen de lidstaten en met het programma geassocieerde derde landen voor de acties die worden beheerd door het nationale agentschap. Het werkprogramma wordt door de Commissie vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling. De desbetreffende uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 30 bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 19

Monitoring en verslaglegging

1.  Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde algemene en specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in de bijlage.

2.  Om een doeltreffende beoordeling van de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma te waarborgen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 29 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlage om indien nodig de indicatoren te herzien of aan te vullen, en tot aanvulling van deze verordening met bepalingen inzake de vaststelling van een kader voor monitoring en evaluatie.

3.  Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de evaluatie van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig en voldoende gedetailleerd worden verzameld door begunstigden van middelen van de Unie in de zin van artikel [2, lid 5,] van het Financieel Reglement. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en aan de lidstaten.

Artikel 20

Evaluatie

1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.

2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen. Deze. De Commissie legt de tussentijdse evaluatie uiterlijk op 30 juni 2024 voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. De evaluatie gaat vergezeld van een eindevaluatie van het vorige programma. [Am. 127]

3.  Onverminderd de vereisten van hoofdstuk IX en de in artikel 23 bedoelde verplichtingen van de nationale agentschappen, wordt door de lidstaten uiterlijk op 30 april 2024 bij de Commissie een verslag ingediend over de uitvoering en de impact van het programma op hun respectieve grondgebied.

3 bis.   De Commissie dient, waar nodig en op basis van de door de lidstaten ingediende tussentijdse evaluatie- en uitvoeringsverslagen, wetgevingsvoorstellen tot wijziging van deze verordening in. De Commissie verschijnt voor de bevoegde commissies van het Europees Parlement om verslag uit te brengen over de tussentijdse evaluatie, ook met betrekking tot haar besluit of wijziging van deze verordening noodzakelijk is. [Am. 128]

4.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit.

5.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

HOOFDSTUK VIII

INFORMATIE, COMMUNICATIE EN VERSPREIDING

Artikel 21

Informatie, communicatie en verspreiding

1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij bekendheid geven aan de acties en de resultaten ervan) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, snel, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren. [Am. 129]

2.  De Commissie voert, in samenwerking met nationale autoriteiten en nationale agentschappen in deelnemende landen, en met relevante netwerken op Unieniveau, informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma, de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen. [Am. 130]

3.  De in artikel 23 bedoelde nationale agentschappen ontwikkelen een consistente strategie voor informatie en een doeltreffende outreach, en voor de verspreiding aan alle mogelijke begunstigden en benutting van de resultaten van activiteiten die worden gesteund in verband met de door hen in het kader van het programma beheerde acties, staan de Commissie bij in de uitvoering van haar algemene taak van voorlichting over het programma, met inbegrip van informatie over de op nationaal en Unieniveau beheerde acties en activiteiten en de resultaten ervan, en informeren relevante doelgroepen over de acties die in hun land zijn ondernomen. [Am. 131]

3 bis.   Deelnemende organisaties gebruiken de merknaam "Europees Solidariteitskorps" ten behoeve van communicatie en verspreiding van informatie met betrekking tot het programma. [Am. 132]

HOOFDSTUK IX

BEHEERS- EN AUDITSYSTEEM

Artikel 22

Nationale autoriteit

In elk land dat deelneemt aan het Europees Solidariteitskorps treden de nationale autoriteiten die zijn aangewezen voor het beheer van de acties als bedoeld in hoofdstuk III van [nieuwe Erasmusverordening] ook op als nationale autoriteiten in het kader van het Europees Solidariteitskorps. Artikel 23, leden 1, 2, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13 en 14, van [nieuwe Erasmusverordening] is naar analogie van toepassing op het Europees Solidariteitskorps.

Artikel 23

Nationaal agentschap

1.  In elk land dat deelneemt aan het Europees Solidariteitskorps treden de nationale agentschappen die zijn aangewezen voor het beheer van de acties als bedoeld in hoofdstuk III van [nieuwe Erasmusverordening] in hun respectieve landen ook op als nationale agentschappen in het kader van het Europees Solidariteitskorps.

Artikel 24, leden 1, 2, 3, 4, 5 en 6, van [nieuwe Erasmusverordening] is naar analogie van toepassing op het Europees Solidariteitskorps.

2.  Onverminderd artikel 24, lid 2, van [nieuwe Erasmusverordening] is het nationale agentschap, overeenkomstig artikel [62, lid 1, onder c), v) en vi),] van het Financieel Reglement ook verantwoordelijk voor alle fasen van de projectcyclus van de acties in het kader van het Europees Solidariteitskorps die zijn opgenomen in de in artikel 18 bedoelde uitvoeringshandelingen.

3.  Voor landen zoals bedoeld in artikel 14, lid 2, van deze verordening waarvoor geen nationaal agentschap is aangewezen, wordt dit vastgesteld overeenkomstig artikel 24, leden 1, 3, 4, 5 en 6, van [nieuwe Erasmusverordening].

3 bis.   Het nationale agentschap raadpleegt regelmatig de begunstigden van het programma (personen en organisaties) om hun feedback op het programma te verzamelen, de kwaliteit en de ontwikkeling van de activiteit te beoordelen op basis van de richtsnoeren van de Commissie en de deelnemers te ondersteunen in geval van moeilijkheden en om de uitvoering van het programma op nationaal niveau te verbeteren op basis van hun feedback en expertise. [Am. 133]

Artikel 24

Europese Commissie

1.  De regels die van toepassing zijn op de betrekkingen tussen de Commissie en het nationale agentschap worden in overeenstemming met de regels in artikel 24 van [nieuwe Erasmusverordening] vastgelegd in een schriftelijk document dat de volgende elementen bevat:

a)  nadere bepalingen inzake de interne controlenormen voor het betrokken nationale agentschap en de voorschriften voor het beheer van financiële middelen van de Unie door nationale agentschappen voor het verlenen van subsidies, met inachtneming van de voorschriften inzake vereenvoudiging en zonder bijkomende lasten te creëren voor deelnemers en deelnemende organisaties; [Am. 134]

b)  het werkprogramma van het nationale agentschap, waaronder een omschrijving van de beheerstaken van het nationale agentschap waaraan steun door de Unie wordt verstrekt;

b bis)  het vereiste om regelmatig bijeenkomsten met en opleidingen voor het netwerk van nationale agentschappen te organiseren om te zorgen voor een coherente uitvoering van het Europees Solidariteitskorps in alle deelnemende landen; [Am. 135]

c)  een specificatie van de verslagleggingsvereisten voor het nationale agentschap.

1 bis.  De Commissie organiseert regelmatig bijeenkomsten over de uitvoering van het programma met een representatief aantal diverse soorten netwerken die jongeren en vrijwilligers en andere relevante maatschappelijke organisaties vertegenwoordigen, met inbegrip van sociale partners en netwerken die relevant zijn voor de activiteiten van het programma. [Am. 136]

2.  De Commissie stelt jaarlijks de volgende financiële middelen beschikbaar aan het nationale agentschap:

a)  middelen voor subsidieverlening in het deelnemende land voor acties van het Europees Solidariteitskorps waarvan het beheer is opgedragen aan het nationale agentschap;

b)  een financiële bijdrage ter ondersteuning van de beheerstaken van het nationale agentschap, die wordt bepaald volgens de in artikel 25, lid 3, onder b), van [nieuwe Erasmusverordening] beschreven modaliteiten.

3.  De Commissie stelt de vereisten voor het werkprogramma van het nationale agentschap vast. De Commissie stelt geen financiële middelen van het Europees Solidariteitskorps beschikbaar aan het nationale agentschap voor zij het werkprogramma van het nationale agentschap formeel heeft goedgekeurd.

4.  Op basis van de in artikel 23, lid 3, van [nieuwe Erasmusverordening] bedoelde nalevingsvoorschriften voor nationale agentschappen beoordeelt de Commissie de nationale beheers- en controlesystemen, de beheersverklaring van het nationale agentschap en de verklaring van het onafhankelijke auditorgaan daarover, naar behoren rekening houdend met de informatie die door de nationale autoriteit over zijn monitoring- en supervisieactiviteiten betreffende het Europees Solidariteitskorps is verstrekt.

5.  Na de beoordeling van de jaarlijkse beheersverklaring en de verklaring van het onafhankelijke auditorgaan daarover verstrekt de Commissie haar advies en opmerkingen aan het nationale agentschap en de nationale autoriteit.

5 bis.   Indien de Commissie de jaarlijkse beheersverklaring of de onafhankelijke auditverklaring daarover niet kan aanvaarden of indien het nationale agentschap geen bevredigend gevolg geeft aan de opmerkingen van de Commissie, kan de Commissie voorzorgs- of correctieve maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om de financiële belangen van de Unie te waarborgen overeenkomstig artikel 131, lid 3, onder c), van het Financieel Reglement. [Am. 137]

Artikel 24 bis

Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur

Op het niveau van de Unie is het EACEA verantwoordelijk voor het beheer van alle fasen van de subsidie voor de in artikel 7 genoemde projectacties van het programma, zoals ingediend door Europese of platformorganisaties, voor activiteiten van vrijwilligersteams op prioritaire gebieden die op Europees niveau zijn vastgesteld en voor activiteiten ter ondersteuning van humanitaire hulpacties in derde landen.

Het EACEA is ook verantwoordelijk voor de accreditatie (d.w.z. het kwaliteitskeurmerk) en voor de monitoring van pan-Europese organisaties of platformorganisaties, organisaties die belast zijn met de uitvoering van nationale regelingen of fondsen onder gedeeld beheer van de Unie en organisaties die activiteiten ter ondersteuning van humanitaire hulpoperaties wensen uit te voeren. [Am. 138]

Artikel 25

Audits

1.  Audits naar het gebruik van de bijdrage van de Unie uitgevoerd door personen of entiteiten, daaronder begrepen andere personen of entiteiten dan die welke door de instellingen of organen van de Unie zijn gemachtigd, vormen de basis van de algemene zekerheid in de zin van [artikel [127] van het Financieel Reglement en worden in alle lidstaten overeenkomstig dezelfde criteria uitgevoerd. [Am. 139]

2.  De nationale autoriteit wijst een onafhankelijk auditorgaan aan. Het onafhankelijk auditorgaan geeft een auditverklaring af over de in artikel [155, lid 1,] van het Financieel Reglement bedoelde beheersverklaring.

3.  Het onafhankelijk auditorgaan:

a)  beschikt over de noodzakelijke beroepsbekwaamheid om audits in de publieke sector te verrichten;

b)  zorgt ervoor dat bij de auditwerkzaamheden internationaal aanvaarde auditnormen in acht worden genomen; en

c)  verkeert niet in een belangenconflict met betrekking tot de juridische entiteit waarvan het nationale agentschap als bedoeld in artikel 23 deel uitmaakt en is, wat zijn functies betreft, onafhankelijk van de juridische entiteit waarvan het nationale agentschap deel uitmaakt.

4.  Het onafhankelijk auditorgaan verschaft de Commissie en haar vertegenwoordigers alsmede de Rekenkamer volledige toegang tot alle documenten en rapporten ter staving van de auditverklaring die het afgeeft over de beheersverklaring van het nationaal agentschap.

HOOFDSTUK X

CONTROLESYSTEEM

Artikel 26

Beginselen van het controlesysteem

1.  De Commissie is verantwoordelijk voor de uitoefening van toezichthoudende controles met betrekking tot de acties van het Europees Solidariteitskorps die door de nationale agentschappen worden beheerd. Zij stelt minimumeisen vast voor de controles door het nationale agentschap en het onafhankelijke auditorgaan.

2.  Het nationale agentschap is verantwoordelijk voor de primaire controle van de begunstigden van subsidies voor de acties van het Europees Solidariteitskorps die aan hen worden toevertrouwd. Die controles zijn evenredig en adequaat en bieden een redelijke zekerheid dat de verleende subsidies worden besteed voor de doeleinden waarvoor zij bestemd zijn en in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften van de Unie. [Am. 140]

3.  Met betrekking tot de financiële middelen die aan de nationale agentschappen worden overgemaakt, zorgt de Commissie voor een goede coördinatie van haar controles met de nationale autoriteiten en de nationale agentschappen, op basis van het beginsel van één enkele audit en volgens een op risico gebaseerde analyse. Deze bepaling is niet van toepassing op onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding ("OLAF").

Artikel 27

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Wanneer een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of op grond van enig ander rechtsinstrument, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten die rechten het recht onderzoeken uit te voeren, waaronder controles en verificaties ter plaatse, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

HOOFDSTUK XI

COMPLEMENTARITEIT

Artikel 28

Complementariteit met het optreden van de Unie

1.  De acties van het Europees Solidariteitskorps zijn consistent en complementair met de relevante beleidslijnen, instrumenten en programma's op het niveau van de Unie, in het bijzonder het Erasmusprogramma, de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) en het programma Rechten en waarden, en met bestaande netwerken op het niveau van de Unie die relevant zijn voor de activiteiten van het Europees Solidariteitskorps. [Am. 141]

2.  De acties van het Europees Solidariteitskorps zijn tevens geen vervanging voor en zijn consistent en complementair met de relevante beleidslijnen, programma's en instrumenten op nationaal, regionaal en lokaal niveau in de deelnemende landen. Daartoe wisselen de Commissie, de nationale autoriteiten en de nationale agentschappen informatie uit over bestaande regelingen en prioriteiten in verband met solidariteit en jeugd enerzijds en acties in het kader van het Europees Solidariteitskorps anderzijds, teneinde voort te bouwen op relevante goede praktijken en efficiëntie en doeltreffendheid te verwezenlijken. [Am. 142]

2 bis.  Om ervoor te zorgen dat de financiering door de Unie en het effect van het programma zo groot mogelijk zijn, streven de betrokken autoriteiten op alle niveaus op coherente wijze naar synergieën tussen alle relevante programma's. Deze synergieën mogen er niet toe leiden dat middelen worden gebruikt om andere doelstellingen na te streven dan die welke in deze verordening zijn vastgesteld. Als synergieën verwezenlijkt worden en de programma's elkaar kunnen aanvullen moet dit leiden tot vereenvoudigde aanvraagprocedures op het niveau van de uitvoering van de programma's, waarvoor passende uitvoeringsrichtsnoeren opgesteld moeten worden. [Am. 143]

3.  De acties van het Europees Solidariteitskorps in derde landen als bedoeld in artikel 11 zijn met name consistent en complementair met andere gebieden van het extern optreden van de Unie, in het bijzonder het beleid voor humanitaire hulp, het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, het veiligheidsbeleid, het uitbreidingsbeleid, het nabuurschapsbeleid en het Uniemechanisme voor civiele bescherming. [Am. 144]

4.  Aan een actie waaraan door het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit enig ander programma van de Unie, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. Op elke bijdrage aan de actie zijn de regels van het respectieve bijdragende programma van de Unie van toepassing. De cumulatieve financiering mag niet hoger zijn dan de totale subsidiabele kosten van de actie en de steun afkomstig van de verschillende programma's van de Unie kan pro rata worden berekend overeenkomstig de documenten waarin de voorwaarden voor de steun worden uiteengezet.

5.  Wanneer het programma en de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) als bedoeld in artikel 1 van [Verordening (EU)XX (GB-verordening)] gezamenlijk financiële steun verlenen voor een enkele actie, wordt die actie uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften van deze verordening, met inbegrip van de voorschriften inzake de invordering van onverschuldigd betaalde bedragen.

6.  Acties die in aanmerking komen voor steun in het kader van het programma, die zijn beoordeeld in het kader van een oproep tot het indienen van voorstellen uit hoofde van dit programma en die voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van die oproep, maar die vanwege budgettaire beperkingen niet worden gefinancierd, kunnen in overeenstemming met artikel [65], lid 7, van Verordening (EU) XX [verordening gemeenschappelijke bepalingen] en artikel [8] van Verordening (EU) XX [financiering, beheer en monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid] steun ontvangen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+ of het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, op voorwaarde dat de desbetreffende acties in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het desbetreffende programma. De regels van het steun verlenende fonds zijn van toepassing.

HOOFDSTUK XII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 29

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel artikelen 12, 18 en 19 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor de duur looptijd van het programma. [Am. 145]

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel de artikelen 12, 18 en 19 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 146]

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel de artikelen 12, 18 en 19 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. [Am. 147]

Artikel 30

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 31

Intrekking

Verordening (EU) [verordening inzake het Europees Solidariteitskorps] en Verordening (EU) nr. 375/2014 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 32

Overgangsbepalingen

1.  Deze verordening heeft geen invloed op de voortzetting of wijziging van de betrokken acties in het kader van [verordening inzake het Europees Solidariteitskorps] of Verordening (EU) nr. 375/2014 totdat die acties worden afgesloten. Die verordeningen blijven op de desbetreffende acties van toepassing totdat zij worden afgesloten.

2.  De financiële middelen voor het programma kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen het programma en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van [verordening inzake het Europees Solidariteitskorps] of Verordening (EU) nr. 375/2014.

3.  Zo nodig kunnen voor het beheer van acties en activiteiten die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten in de begroting worden opgenomen ter dekking van de in artikel 12, lid 2, bedoelde uitgaven.

4.  De lidstaten zorgen op nationaal niveau voor een soepele overgang tussen de in het kader van het Europees Solidariteitskorps (2018-2020) uitgevoerde acties en de acties die uit hoofde van dit programma zullen worden uitgevoerd.

Artikel 33

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de [twintigste] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

Indicatoren voor monitoring en verslaglegging Het programma wordt nauwlettend gemonitord om te meten in hoeverre de algemene en specifieke doelstellingen zijn bereikt en om de output, resultaten en effecten ervan te monitoren. Daartoe wordt een minimumkader van indicatoren vastgesteld dat als uitgangspunt moet worden genomen voor een toekomstig gedetailleerd programma voor het monitoren van de output, resultaten en effecten van het programma, inclusief een uitgebreide reeks kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren: [Am. 148]

a)  het aantal deelnemers aan solidariteitsactiviteiten;

b)  het percentage deelnemers met een kansarme achtergrond; en [Am. 149]

c)  het aantal organisaties met een kwaliteitskeurmerk van het Europees Solidariteitskorps. ; [Am. 150]

c bis)  het aantal deelnemers aan banen (in eigen land en in het buitenland), uitgesplitst naar land, leeftijd, gender, professionele achtergrond en opleiding; [Am. 151]

c ter)   het aantal deelnemers aan solidariteitsprojecten, uitgesplitst naar land, leeftijd, gender, professionele achtergrond en opleiding; [Am. 152]

c quater)   het aantal organisaties waarvan het kwaliteitskeurmerk is ingetrokken; [Am. 153]

c quinquies)  het aantal organisaties die het kwaliteitskeurmerk hebben, uitgesplitst naar land en ontvangen financiering; [Am. 154

c sexies)  het aantal deelnemende kansarme jongeren. Resultaatindicatoren (samengestelde indicatoren); [Am. 155]]

c septies)  het aantal deelnemers met positieve leerresultaten; [Am. 156]

c octies)  het percentage deelnemers waarvan de positieve leerresultaten zijn erkend door middel van een getuigschrift zoals Youthpass of een ander soort formele erkenning van hun deelname aan het Europees Solidariteitskorps; [Am. 157]

c nonies)  de algehele tevredenheid van de deelnemers met betrekking tot de kwaliteit van de activiteiten; en [Am. 158]

c decies)  het aantal personen dat direct of indirect is ondersteund door middel van solidariteitsactiviteiten. [Am. 159]

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 201.
(2) PB C 86 van 7.3.2019, blz. 282.
(3)PB C  van , blz. .
(4)PB C  van , blz. .
(5) Standpunt van het europees Parlement van 12 maart 2019.
(6)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een Europees Solidariteitskorps (COM(2016)0942).
(7)Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).
(8)Verordening (EU) nr. 375/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot oprichting van het Europese vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening ("EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp") (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 1).
(9) Aanbeveling van de Raad van 10 maart 2014 inzake een kwaliteitskader voor stages (PB C 88 van 27.3.2014, blz. 1).
(10) Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013 (PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1).
(11)Aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren (PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1).
(12) Uitvoeringsbesluit 2013/776/EU van de Commissie van 18 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur en tot intrekking van Besluit 2009/336/EG (PB L 343 van 19.12.2013, blz. 46).
(13) Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1).
(14)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Europees interoperabiliteitskader – Implementatiestrategie (COM(2017)0134).
(15)[In afwachting van referentie Financieel Reglement].
(16)Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(17)Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(18)Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(19)Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(20)Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(21)[In afwachting van referentie nieuw besluit van de Raad betreffende associatie van LGO's].
(22)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's en de Europese Investeringsbank — Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU (COM(2017)0623).
(23) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(24)Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 21).
(25)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(26)Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(27)EU-Handvest van de grondrechten (PB C 326 van 26.10.2012, blz. 391).
(28) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16).
(29) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(30) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).


De cyberbeveiligingsverordening van de EU ***I
PDF 124kWORD 61k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake Enisa, het agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging, tot intrekking van Verordening (EU) nr. 526/2013, en inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie ("de cyberbeveiligingsverordening") (COM(2017)0477 – C8-0310/2017 – 2017/0225(COD))
P8_TA(2019)0151A8-0264/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0477),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0310/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 februari 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 31 januari 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Begrotingscommissie en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0264/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad inzake Enisa (het Agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging), en inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 526/2013 (de cyberbeveiligingsverordening)

P8_TC1-COD(2017)0225


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/881.)

(1) PB C 227 van 28.6.2018, blz.86.
(2) PB C 176 van 23.5.2018, blz. 29.


Oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de voedselvoorzieningsketen ***I
PDF 131kWORD 54k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de voedselvoorzieningsketen (COM(2018)0173 – C8-0139/2018 – 2018/0082(COD))
P8_TA(2019)0152A8-0309/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0173),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0139/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door het Zweedse parlement, waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 4 juli 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0309/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de bij deze resolutie als bijlage gevoegde verklaring;

3.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

4.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen

P8_TC1-COD(2018)0082


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/633.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van het Europees Parlement over inkoopallianties

Het Europees Parlement erkent dat inkoopallianties een rol kunnen spelen bij het creëren van economisch rendement in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, maar benadrukt dat het door het huidige gebrek aan informatie onmogelijk is te beoordelen wat de economische effecten van dergelijke inkoopallianties zijn op de werking van de toeleveringsketen.

In dit opzicht verzoekt het Europees Parlement de Commissie onverwijld werk te maken van een grondige analyse over de omvang en de effecten van deze nationale en internationale inkoopallianties op de economische werking van de landbouw- en voedselvoorzieningsketen.

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de transparantie van de landbouw- en voedselmarkten

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie benadrukken dat de transparantie van landbouw- en voedselmarkten een sleutelelement is van een goed functionerende landbouw- en voedselvoorzieningsketen, om de keuzen van marktdeelnemers en overheden beter te onder­bouwen alsook om het inzicht van marktdeelnemers in de marktontwikkelingen te bevorderen. De Commissie wordt aangemoedigd haar lopende werkzaamheden om de markttransparantie op EU-niveau te verbeteren, voort te zetten. Dit kan het intensiveren van werkzaamheden betreffende EU-marktwaarnemingscentra omvatten en het verbeteren van de verzameling van statistische gegevens die nodig zijn voor de analyse van de prijsvormingsmechanismen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen.

(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 165.
(2) PB C 387 van 25.10.2018, blz. 48.


Europees burgerinitiatief ***I
PDF 121kWORD 47k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees burgerinitiatief (COM(2017)0482 – C8-0308/2017 – 2017/0220(COD))
P8_TA(2019)0153A8-0226/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0482),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 24 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0308/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 maart 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 23 maart 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie verzoekschriften (A8-0226/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees burgerinitiatief

P8_TC1-COD(2017)0220


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/788.)

(1) PB C 237 van 6.7.2018, blz. 74
(2) PB C 247 van 13.7.2018, blz. 62.


Invoer van cultuurgoederen ***I
PDF 123kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoer van cultuurgoederen (COM(2017)0375 – C8-0227/2017 – 2017/0158(COD))
P8_TA(2019)0154A8-0308/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0375),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0227/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie internationale handel en de Commissie interne markt en consumentenbescherming overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0308/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(1);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het binnenbrengen en de invoer van cultuurgoederen

P8_TC1-COD(2017)0158


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/880.)

(1) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 25 oktober 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0418).


Bescherming van persoonsgegevens in de context van verkiezingen voor het Europees Parlement ***I
PDF 124kWORD 47k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 wat betreft een verificatieprocedure in verband met inbreuken op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens in de context van verkiezingen voor het Europees Parlement (COM(2018)0636 – C8-0413/2018 – 2018/0336(COD))
P8_TA(2019)0155A8-0435/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0636),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 224 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0413/2018),

–  gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 25 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0435/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU, Euratom) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 wat betreft een verificatieprocedure in verband met inbreuken op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens in de context van verkiezingen voor het Europees Parlement

P8_TC1-COD(2018)0336


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU, Euratom) 2019/493.)

(1) PB C 110 van 22.3.2019, blz. 72.


Veiligheidsdreigingen in verband met de toenemende Chinese technologische aanwezigheid in de EU en mogelijke maatregelen op EU-niveau om deze terug te dringen
PDF 137kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over de veiligheidsdreigingen in verband met de toenemende technologische aanwezigheid van China in de EU en mogelijke maatregelen op EU-niveau om deze tegen te gaan (2019/2575(RSP))
P8_TA(2019)0156RC-B8-0154/2019

Het Europees Parlement,

—  gezien Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie(1),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie(2),

–  gezien Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 over aanvallen op informatiesystemen en ter vervanging van Kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad(3),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 13 september 2017 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake Enisa, het agentschap van de Europese Unie voor cyberbeveiliging, tot intrekking van Verordening (EU) nr. 526/2013, en inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie ("de cyberbeveiligingsverordening") (COM(2017)0477),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 12 september 2018 voor een verordening tot oprichting van het Europees kenniscentrum voor industrie, technologie en onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging en het netwerk van nationale coördinatiecentra (COM(2018)0630),

–  gezien de goedkeuring van de nieuwe nationale inlichtingenwet door het Chinese Nationale Volkscongres op 28 juni 2017,

–  gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie van 13 februari 2019 over de veiligheidsdreigingen in verband met de toenemende technologische aanwezigheid van China in de EU en mogelijke maatregelen op EU-niveau om deze tegen te gaan,

–  gezien de goedkeuring door de Australische regering van de hervormingen op het gebied van de beveiliging van de telecommunicatiesector, die op 18 september 2018 in werking zijn getreden,

–  gezien zijn standpunt vastgesteld in eerste lezing op 14 februari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie(4),

–  gezien zijn eerdere resoluties over de stand van zaken van de betrekkingen tussen de EU en China, in het bijzonder die van 12 september 2018(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 september 2016 met als titel "5G voor Europa: een actieplan" (COM(2016)0588),

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2017 over internetconnectiviteit voor groei, concurrentievermogen en cohesie: Europese gigabitmaatschappij en 5G(6),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010(8),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 6 juni 2018 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Digitaal Europa voor de periode 2021-2027 (COM(2018)0434),

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU vaart moet zetten achter haar agenda voor cyberbeveiliging om het potentieel ervan te benutten om uit te groeien tot een leidende speler op het gebied van cyberbeveiliging en hiervan gebruik te maken ten voordele van het Europese bedrijfsleven;

B.  overwegende dat kwetsbaarheden in 5G-netwerken uitgebuit zouden kunnen worden om IT-systemen aan te vallen, mogelijkerwijs resulterend in zeer ernstige schade aan economieën op Europees en nationaal niveau; overwegende dat een op risicoanalyse gebaseerde benadering in de gehele waardeketen noodzakelijk is om de risico's tot een minimum te beperken;

C.  overwegende dat het 5G-netwerk de ruggengraat van onze digitale infrastructuur zal vormen, waarmee de mogelijkheid wordt uitgebreid om diverse apparaten aan te sluiten op netwerken (het internet der dingen enz.), en nieuwe voordelen en kansen zal opleveren voor de samenleving en het bedrijfsleven op diverse terreinen, met inbegrip van kritieke sectoren van de economie, zoals vervoer, energie, gezondheid, financiën, telecommunicatie, defensie, ruimtevaart en veiligheid;

D.  overwegende dat de totstandbrenging van een adequaat mechanisme om op veiligheidsuitdagingen te reageren de EU de kans zou bieden actief stappen te ondernemen om normen voor 5G vast te stellen;

E.  overwegende dat er bezorgdheid is geuit over verkopers van apparatuur uit derde landen die een veiligheidsrisico voor de EU kunnen vormen als gevolg van de wetgeving van hun land van herkomst, met name na de inwerkingtreding van de Chinese wetten op de staatsveiligheid, die alle burgers, ondernemingen en andere entiteiten de verplichting opleggen met de staat samen te werken om de staatsveiligheid te waarborgen, in het kader van een zeer ruime definitie van nationale veiligheid; overwegende dat er geen garanties zijn dat deze verplichting niet extraterritoriaal wordt toegepast, en dat in diverse landen uiteenlopend op de Chinese wetten is gereageerd, gaande van veiligheidsbeoordelingen tot absolute verboden;

F.  overwegende dat de Tsjechische nationale cyberbeveiligingsinstantie in december 2018 heeft gewaarschuwd voor veiligheidsrisico's die verbonden zijn aan de door de Chinese bedrijven Huawei en ZTE geleverde technologie; overwegende dat de Tsjechische belastingautoriteiten Huawei in januari 2019 vervolgens hebben uitgesloten van een aanbesteding om een belastingportaalsite te bouwen;

G.  overwegende dat een grondig onderzoek nodig is om na te gaan of de betrokken apparaten, of andere apparatuur of leveranciers, veiligheidsrisico's inhouden vanwege functies als achterdeurtjes naar systemen;

H.  overwegende dat oplossingen op EU-niveau moeten worden gecoördineerd en behandeld om te voorkomen dat er verschillende niveaus van beveiliging en potentiële lacunes op het gebied van cyberbeveiliging ontstaan, en dat er op mondiaal niveau coördinatie nodig is om een krachtig antwoord te bieden;

I.  overwegende dat de voordelen van de eengemaakte markt gepaard gaan met de verplichting om te voldoen aan de EU-normen en het rechtskader van de Unie, en dat leveranciers niet verschillend mogen worden behandeld op basis van hun land van herkomst;

J.  overwegende dat de verordening tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen, die tegen eind 2020 in werking moet treden, de lidstaten meer mogelijkheden geeft om buitenlandse investeringen te screenen op basis van overwegingen in verband met de veiligheid en de openbare orde, en een samenwerkingsmechanisme behelst dat de Commissie en de lidstaten in staat stelt samen te werken bij het beoordelen van veiligheidsrisico's, onder meer op het gebied van cyberbeveiliging, als gevolg van gevoelige buitenlandse investeringen, en ook betrekking heeft op projecten en programma's die van belang zijn voor de EU, zoals de trans-Europese telecommunicatienetwerken en Horizon 2020;

1.  is van mening dat de Unie het voortouw moet nemen op het gebied van cyberbeveiliging, door middel van een gezamenlijke benadering op basis van het doeltreffende en efficiënte gebruik van de expertise van de EU, de lidstaten en het bedrijfsleven, aangezien een lappendeken van uiteenlopende nationale beslissingen nadelig zou zijn voor de digitale eengemaakte markt;

2.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de recente beschuldigingen dat door Chinese bedrijven ontwikkelde 5G-apparatuur mogelijk geïntegreerde achterdeurtjes bevat die fabrikanten en autoriteiten in staat zouden stellen onrechtmatige toegang te verkrijgen tot particuliere en persoonlijke gegevens en telecommunicatie van EU-burgers en -bedrijven;

3.  is tevens bezorgd over de mogelijke aanwezigheid van grote kwetsbaarheden in de 5G-apparatuur die door deze fabrikanten wordt ontwikkeld indien deze wordt geïnstalleerd bij de uitrol van 5G-netwerken in de komende jaren;

4.  onderstreept dat de gevolgen voor de veiligheid van netwerken en apparatuur over de hele wereld dezelfde zijn, en verzoekt de EU lessen te trekken uit de opgedane ervaring om de strengste normen op het gebied van cyberbeveiliging te kunnen waarborgen; verzoekt de Commissie een strategie te ontwikkelen waarmee Europa een koploper wordt op het gebied van cyberbeveiligingstechnologie en die tot doel heeft Europa minder afhankelijk te maken van buitenlandse technologie op het gebied van cyberbeveiliging; is van mening dat er, wanneer de naleving van de beveiligingsvoorschriften niet kan worden gewaarborgd, passende maatregelen moeten worden genomen;

5.  verzoekt de lidstaten de Commissie in kennis te stellen van nationale maatregelen die zij voornemens zijn te nemen met het oog op een gecoördineerde respons van de Unie, teneinde in de hele Unie de strengste normen op het gebied van cyberbeveiliging te waarborgen, en onderstreept nogmaals hoe belangrijk het is geen onevenredige eenzijdige maatregelen te treffen die de eengemaakte markt zouden versnipperen;

6.  herhaalt dat alle entiteiten die in de EU apparatuur leveren of diensten verlenen, ongeacht hun land van herkomst, moeten voldoen aan de verplichtingen op het gebied van de grondrechten en aan het recht van de EU en de lidstaten, met inbegrip van het rechtskader met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer, gegevensbescherming en cyberbeveiliging;

7.  verzoekt de Commissie de deugdelijkheid van het rechtskader van de Unie te beoordelen om tegemoet te komen aan de bezorgdheid over de aanwezigheid van kwetsbare apparatuur in strategische sectoren en in de basisinfrastructuur; dringt er bij de Commissie op aan met initiatieven en zo nodig wetgevingsvoorstellen te komen om tijdig eventueel vastgestelde tekortkomingen te ondervangen, aangezien de Unie voortdurend bezig is uitdagingen op het gebied van cyberbeveiliging in kaart te brengen en aan te pakken en de weerbaarheid op het gebied van cyberbeveiliging in de EU te verbeteren;

8.  verzoekt de lidstaten die de NIS-richtlijn nog niet volledig hebben omgezet, dat onverwijld te doen en verzoekt de Commissie deze omzetting nauwlettend te volgen om te waarborgen dat de bepalingen van de richtlijn naar behoren worden toegepast en gehandhaafd en dat de Europese burgers beter beschermd zijn tegen externe en interne veiligheidsdreigingen;

9.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de bij de NIS-richtlijn ingevoerde verslagleggingsmechanismen naar behoren worden toegepast; merkt op dat de Commissie en de lidstaten grondig moeten toezien op beveiligingsincidenten of inadequate reacties van leveranciers, teneinde vastgestelde lacunes te verhelpen;

10.  verzoekt de Commissie na te gaan of het nodig is het toepassingsgebied van de NIS-richtlijn verder uit te breiden naar andere kritieke sectoren en diensten die niet onder sectorspecifieke wetgeving vallen;

11.  verwelkomt en steunt het akkoord over de cyberbeveiligingsverordening en de versterking van het mandaat van het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa), voor het beter ondersteunen van de lidstaten bij het aanpakken van cyberdreigingen en -aanvallen;

12.  dringt er bij de Commissie op aan het Enisa op te dragen prioriteit te verlenen aan de opstelling van een certificeringsregeling voor 5G-apparatuur, om ervoor te zorgen dat de uitrol van 5G in de Unie aan de strengste beveiligingsnormen voldoet en vrij is van achterdeurtjes of grote kwetsbaarheden die de veiligheid van de telecommunicatienetwerken en de hiervan afhankelijke diensten van de Unie in gevaar zouden brengen; beveelt aan om bijzondere aandacht te besteden aan veelgebruikte processen, producten en software die door hun omvang een aanzienlijke invloed hebben op het dagelijks leven van burgers en de economie;

13.  is zeer verheugd over de voorstellen voor kenniscentra voor cyberbeveiliging en een netwerk van nationale coördinatiecentra, die bedoeld zijn om de EU te helpen bij het behouden en ontwikkelen van de technologische en industriële capaciteiten op het gebied van cyberbeveiliging die nodig zijn om haar digitale eengemaakte markt te beschermen; herinnert er evenwel aan dat certificering de bevoegde autoriteiten en de exploitanten niet mag beletten de toeleveringsketen te controleren om de integriteit en veiligheid van hun apparatuur die in kritieke omgevingen en telecommunicatienetwerken functioneert, te waarborgen;

14.  herinnert eraan dat cyberbeveiliging strenge beveiligingsnormen vergt; dringt aan op een netwerk dat zowel door standaardinstellingen als door ontwerp veilig is; verzoekt de lidstaten met klem om samen met de Commissie te bekijken hoe een hoog niveau van beveiliging tot stand kan worden gebracht;

15.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, in samenwerking met het Enisa, richtsnoeren te verstrekken voor de aanpak van cyberdreigingen en -kwetsbaarheden bij de aanschaf van 5G-apparatuur, bijvoorbeeld door de diversificatie van apparatuur wat verkopers betreft of de invoering van meerfasige aanbestedingsprocedures;

16.  herhaalt zijn standpunt in verband met het programma Digitaal Europa, dat in de EU gevestigde maar vanuit derde landen gecontroleerde entiteiten aan beveiligingsvereisten en toezicht door de Commissie onderwerpt, in het bijzonder ten aanzien van aan cyberbeveiliging gerelateerde acties;

17.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat overheidsinstellingen en particuliere bedrijven die ertoe bijdragen dat kritieke infrastructuurnetwerken zoals telecommunicatie-, energie-, gezondheids- en sociale systemen goed werken, daaromtrent risicobeoordelingen uitvoeren waarbij rekening wordt gehouden met de veiligheidsdreigingen die specifiek verbonden zijn aan de technische kenmerken van het betrokken systeem of de afhankelijkheid van externe leveranciers van hardware- en softwaretechnologieën;

18.  herinnert eraan dat het huidige rechtskader voor telecommunicatie de lidstaten opdraagt te garanderen dat telecomexploitanten de verplichting naleven om te zorgen voor de integriteit en beschikbaarheid van de openbare elektronische-communicatienetwerken, met inbegrip van, in voorkomend geval, eind-tot-eindversleuteling; benadrukt dat de lidstaten krachtens het Europees wetboek voor elektronische communicatie over uitgebreide bevoegdheden beschikken om producten op de EU-markt te onderzoeken en een breed scala aan rechtsmiddelen toe te passen in geval van niet-conformiteit ervan;

19.  roept de Commissie en de lidstaten op beveiliging tot een verplicht aspect te maken van alle openbare aanbestedingsprocedures voor relevante infrastructuur op zowel EU- als nationaal niveau;

20.  herinnert de lidstaten eraan dat zij krachtens het rechtskader van de EU, met name Richtlijn 2013/40/EU over aanvallen op informatiesystemen, verplicht zijn sancties op te leggen aan rechtspersonen die strafbare feiten hebben gepleegd, zoals aanvallen op dergelijke systemen; benadrukt dat de lidstaten ook gebruik moeten maken van hun vermogen om deze rechtspersonen andere sancties op te leggen, zoals een tijdelijk of permanent verbod op het uitoefenen van commerciële activiteiten;

21.  verzoekt de lidstaten, cyberbeveiligingsinstanties, telecomexploitanten, fabrikanten en aanbieders van kritieke infrastructuurdiensten bij de Commissie en het Enisa melding te maken van alle bewijs van achterdeurtjes of andere grote kwetsbaarheden die de integriteit en veiligheid van telecomnetwerken in gevaar kunnen brengen of inbreuk kunnen maken op het recht van de Unie en de grondrechten; verwacht van de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming dat zij grondig onderzoek doen naar aanwijzingen van inbreuken in verband met persoonsgegevens door externe verkopers en dat zij passende boetes en sancties opleggen in overeenstemming met het Europese gegevensbeschermingsrecht;

22.  is ingenomen met de aanstaande inwerkingtreding van een verordening tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen om redenen van veiligheid en openbare orde, en onderstreept dat in deze verordening voor het eerst een lijst wordt vastgesteld van gebieden en factoren, met inbegrip van communicatie en cyberbeveiliging, die van belang zijn voor de veiligheid en de openbare orde op EU-niveau;

23.  verzoekt de Raad zijn werkzaamheden met betrekking tot de voorgestelde e-privacyverordening te bespoedigen;

24.  herhaalt dat de EU cyberbeveiliging moet ondersteunen in de gehele waardeketen, van onderzoek tot de uitrol en invoering van belangrijke technologieën, dat zij relevante informatie moet verspreiden en dat zij cyberhygiëne en onderwijsprogramma's met inbegrip van cyberbeveiliging moet bevorderen, en is van mening dat onder meer het programma Digitaal Europa daarvoor een doeltreffend instrument zal zijn;

25.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de nodige stappen te ondernemen, met inbegrip van robuuste investeringsprojecten, om binnen de EU een innovatievriendelijk klimaat te scheppen dat toegankelijk is voor alle ondernemingen in de digitale economie van de EU, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's); dringt er voorts op aan dat een dergelijk klimaat Europese verkopers in staat stelt nieuwe producten, diensten en technologieën te ontwikkelen waarmee zij de concurrentie aankunnen;

26.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan rekening te houden met bovenstaande verzoeken in het kader van de komende besprekingen over de toekomstige EU-China-strategie, wat noodzakelijk is om de EU concurrerend te houden en de veiligheid van haar digitale infrastructuur te waarborgen;

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 321 van 17.12.2018, blz. 36.
(2) PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1.
(3) PB L 218 van 14.8.2013, blz. 8.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0121.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0343.
(6) PB C 307 van 30.8.2018, blz. 144.
(7) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(8) PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129.


Stand van zaken van de politieke betrekkingen tussen de EU en Rusland
PDF 163kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over de stand van zaken in de politieke betrekkingen tussen de EU en Rusland (2018/2158(INI))
P8_TA(2019)0157A8-0073/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 10 juni 2015 over de stand van zaken in de betrekkingen tussen de EU en Rusland(1),

–  gezien de akkoorden die op 5 en 19 september 2014 en op 12 februari 2015 zijn bereikt in Minsk(2),

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 14 juni 2018 over de Georgische bezette gebieden tien jaar na de Russische inval(3) en van 4 februari 2016 over de mensenrechtensituatie in de Krim, in het bijzonder van de Krim-Tataren(4),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 2 april 2014 over de instelling van gemeenschappelijke visumbeperkingen voor Russische functionarissen die betrokken zijn bij de zaak-Sergei Magnitski(5),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 14 maart 2016 over Rusland,

–  gezien de aan de Oekraïense filmregisseur en auteur Oleg Sentsov uitgereikte Sacharovprijs voor de vrijheid van denken van 2018,

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2018 over Rusland, met name de zaak van de Oekraïense politieke gevangene Oleg Sentsov(6),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over de situatie in de Zee van Azov(7),

–  gezien het definitieve verslag van de OVSE/het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) over de presidentsverkiezingen in de Russische Federatie op 18 maart 2018,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0073/2019),

A.  overwegende dat de EU een gemeenschap is die gebaseerd is op een reeks gemeenschappelijke kernwaarden, waaronder vrede, vrijheid, democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de grondrechten en de mensenrechten;

B.  overwegende dat de in het Handvest van de VN, de slotakte van Helsinki van 1975 en het Handvest van Parijs van de OVSE van 1990 verankerde beginselen het fundament vormen waarop een vreedzaam Europees continent gegrondvest is;

C.  overwegende dat deze waarden ten grondslag liggen aan de betrekkingen van de EU met derden;

D.  overwegende dat de betrekkingen van de EU met Rusland gebaseerd moeten zijn op de beginselen van het internationaal recht, eerbiediging van de mensenrechten, democratie en vreedzame conflictoplossing, en thans, doordat Rusland deze beginselen veronachtzaamt, zijn gebaseerd op samenwerking op bepaalde gebieden van gemeenschappelijk belang zoals omschreven in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 14 maart 2016 en op geloofwaardige afschrikking;

E.  overwegende dat de EU blijft openstaan voor een nauwere relatie en een daartoe leidende dialoog, en weer tot een samenwerkingsrelatie met Rusland wenst te komen zodra de Russische autoriteiten hun internationale en wettelijke verplichtingen nakomen en blijk geven van de oprechte bereidheid van Rusland om het geschonden vertrouwen te herstellen; overwegende dat een constructieve en voorspelbare relatie voor beide partijen gunstig zou zijn en idealiter in het belang van beide partijen zou zijn;

F.  overwegende dat de Russische Federatie zich er als volwaardig lid van de Raad van Europa en de OVSE toe heeft verplicht de democratische beginselen, de rechtstaat en de mensenrechten te eerbiedigen; overwegende dat er door de aanhoudende ernstige schendingen van de rechtsstaat en de aanneming van restrictieve wetten in de afgelopen jaren steeds grotere twijfels rijzen over de mate waarin Rusland zijn internationale en nationale verplichtingen nakomt; overwegende dat Rusland meer dan duizend uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de wind heeft geslagen;

G.  overwegende dat uit een aantal overheidsrapporten blijkt dat de Russische vijandige spionageactiviteiten de afgelopen jaren sterk zijn toegenomen en sinds de Koude Oorlog niet meer op zo'n grote schaal hebben plaatsgevonden;

H.  overwegende dat de volledige uitvoering van de akkoorden van Minsk en ruimere eerbiediging van het internationaal recht absolute voorwaarden blijven voor nauwere samenwerking met Rusland; overwegende dat de EU, als reactie op de illegale annexatie van de Krim door Rusland en de hybride oorlog die het land tegen Oekraïne voert, een reeks restrictieve maatregelen heeft genomen die van kracht moeten blijven totdat de akkoorden van Minsk zijn uitgevoerd;

I.  overwegende dat er sinds 2015 nieuwe spanningsgebieden tussen de EU en Rusland zijn ontstaan, zoals: de Russische interventie in Syrië en de inmenging van Rusland in landen als Libië en de Centraal-Afrikaanse Republiek; grootschalige militaire oefeningen (Zapad 2017); Russische inmenging gericht op het beïnvloeden van verkiezingen en referenda en het aanwakkeren van spanningen in de Europese samenlevingen; steun van het Kremlin voor anti-EU-partijen en extreemrechtse bewegingen; inperking van fundamentele vrijheden en mensenrechtenschendingen op grote schaal in Rusland, verspreiding van haatgevoelens jegens LGTBI's; represailles tegen de politieke oppositie; de stelselmatige vervolging van mensenrechtenactivisten, journalisten en het maatschappelijk middenveld in Rusland, waaronder de willekeurige detentie van Oyub Titiev, het hoofd van Human Rights Centre Memorial (HRC Memorial) in Tsjetsjenië, en de rechtszaak tegen Yuri Dmitriev, van de Karelische tak van Memorial; de stigmatisering van activisten uit het maatschappelijk middenveld door hen als "buitenlandse agenten" te bestempelen; massale schendingen van de mensenrechten in de noordelijke Kaukasus, met name in de Tsjetsjeense Republiek (ontvoeringen, foltering, buitengerechtelijke terechtstellingen, geconstrueerde strafzaken enz.); discriminatie van de Tataarse minderheid in de bezette Krim, de politiek gemotiveerde vervolging van Aleksej Navalny en vele anderen, alsook moorden, waarvan de opvallendste die op Boris Nemtsov en Sergej Magnitski waren; cyberaanvallen, hybride aanvallen en moorden met behulp van chemische wapens op Europees grondgebied door Russische inlichtingendiensten; de intimidatie, aanhouding en opsluiting van buitenlandse burgers, zoals Oleg Sentsov, de winnaar van de Sacharovprijs 2018, en vele anderen in Rusland, in strijd met het internationaal recht; de organisatie van onwettige en onrechtmatige verkiezingen in de Donbas-regio; het houden van niet-democratische presidentsverkiezingen zonder echte keuze en met inperking van fundamentele vrijheden; desinformatiecampagnes; de illegale aanleg van de brug over de Straat van Kertsj; grootschalige militarisering van de illegaal bezette en geannexeerde Krim alsook delen van de Zwarte Zee en de Zee van Azov; beperkingen op de internationale zeevaart in de Zee van Azov en de Straat van Kertsj, met inbegrip van schepen die onder de vlag van EU-lidstaten varen; de illegale aanval en beslaglegging op Oekraïense marineschepen en de arrestatie van Oekraïense militairen in de Straat van Kertsj; schendingen van overeenkomsten inzake wapenbeheersing; het klimaat van onderdrukking van journalisten en de onafhankelijke media, waarbij journalisten en bloggers voortdurend worden opgesloten; en de schamele plaats (148 van de 180) die Rusland in 2018 behaalde op de persvrijheidsindex van Verslaggevers zonder Grenzen;

J.  overwegende dat HRC Memorial op 1 maart 2018 143 politieke gevangenen had geregistreerd, waarvan er 97 op religieuze gronden werden vervolgd; overwegende dat uit een analyse van de lijst van politieke gevangenen van HRC Memorial blijkt dat in 2017 23 mensen werden vervolgd voor misdrijven in verband met openbare evenementen (massale onlusten, gebruik van geweld tegen een overheidsinstantie) en 21 – meestal in verband met posts op internet – op grond van de artikelen van het wetboek van strafrecht inzake de bestrijding van extremisme;

K.  overwegende dat Rusland direct of indirect betrokken is bij een aantal aanhoudende conflicten in het gemeenschappelijk nabuurschap – in Transnistrië, Zuid-Ossetië, Abchazië, de Donbas-regio en Nagorno-Karabach – die een ernstige belemmering vormen voor de ontwikkeling en stabiliteit van de betrokken buurlanden, hun onafhankelijkheid ondermijnen en de mogelijkheid tot soevereine vrije keuzes inperken;

L.  overwegende dat het conflict in Oost-Oekraïne al meer dan vier jaar aanhoudt en dat daarbij meer dan 10 000 doden zijn gevallen, waarvan bijna een derde burgerslachtoffers, en duizenden burgers gewond zijn geraakt;

M.  overwegende dat de huidige aanhoudende spanningen en confrontaties tussen de EU en Rusland niet in het belang van een van beide partijen zijn; overwegende dat de communicatiekanalen open moeten blijven, ondanks het teleurstellende resultaat; overwegende dat de nieuwe tweedeling van het continent een bedreiging vormt voor de veiligheid van de EU en Rusland;

N.  overwegende dat Rusland momenteel de belangrijkste externe aardgasleverancier van de EU is; overwegende dat energie een centrale en strategische rol blijft spelen in de betrekkingen tussen de EU en Rusland; overwegende dat Rusland energie inzet om zijn belangen in het buitenland te beschermen en te verdedigen; overwegende dat de afhankelijkheid van de EU van gasleveringen uit Rusland sinds 2015 is toegenomen; overwegende dat de EU beter tegen druk van buitenaf bestand kan worden gemaakt door de energievoorziening te diversifiëren en de afhankelijkheid van Rusland te verminderen; overwegende dat de EU met één stem moet spreken en sterke onderlinge solidariteit aan de dag moet leggen wat haar energiezekerheid betreft; overwegende dat het feit dat de EU in sterke mate afhankelijk is van fossiele brandstoffen de ontwikkeling van een evenwichtige, samenhangende en op waarden gebaseerde Europese benadering ten aanzien van Rusland in de weg staat; overwegende dat er in de EU, de lidstaten en de landen van het Oostelijk Partnerschap behoefte is aan een meer betrouwbare en strategische energie-infrastructuur om de weerbaarheid tegen hybride Russische activiteiten te vergroten;

O.  overwegende dat de onverantwoordelijke acties van Russische gevechtsvliegtuigen in de nabijheid van het luchtruim van EU- en NAVO-lidstaten de veiligheid van de burgerluchtvaart in het gedrang brengen en een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van het Europese luchtruim; overwegende dat Rusland op grote schaal militaire manoeuvres uitvoert in de onmiddellijke nabijheid van de EU;

P.  overwegende dat Rusland niet alleen uitspraken van het EHRM blijft negeren, maar ook bindende vonnissen van het Permanent Hof van Arbitrage, zoals in de zaak Naftogaz, waardoor het internationaal mechanisme voor de beslechting van handelsgeschillen ondermijnd wordt;

Q.  overwegende dat de polycentrische visie van Rusland op het concert der mogendheden in tegenspraak is met het geloof van de EU in multilateralisme en een op regels gebaseerde internationale orde; overwegende dat Russische naleving van en steun voor de multilaterale, op regels gebaseerde orde de voorwaarden zouden scheppen voor nauwere betrekkingen met de EU;

R.  overwegende dat de Russische autoriteiten illegaal bezette regio's blijven behandelen alsof ze Russisch grondgebied waren door vertegenwoordigers van deze gebieden te laten participeren in de wetgevende en uitvoerende organen van de Russische Federatie, hetgeen in strijd is met het internationaal recht;

S.  overwegende dat de Raad, na een evaluatie van de tenuitvoerlegging van de akkoorden van Minsk, de economische sancties tegen specifieke sectoren van de Russische economie op 21 december 2018 heeft verlengd tot en met 31 juli 2019;

T.  overwegende dat de acties van Rusland een schending vormen van het internationaal recht, internationale verbintenissen en betrekkingen van goed nabuurschap;

U.  overwegende dat de EU en de NAVO in de strategische documenten van de Russische Federatie worden neergezet als de voornaamste tegenstanders van Rusland;

Uitdagingen en gedeelde belangen

1.  onderstreept dat de illegale bezetting en annexatie van de Krim – een regio van Oekraïne – door Rusland, de directe en indirecte betrokkenheid van Rusland bij gewapende conflicten in het oosten van Oekraïne en de aanhoudende schending van de territoriale integriteit van Georgië en Moldavië door Rusland een opzettelijke schending van het internationaal recht, de democratische beginselen en de fundamentele waarden vormen; keurt ten zeerste af dat de Russische vertegenwoordigers zich in de bezette gebieden schuldig maken aan schendingen van de mensenrechten;

2.  benadrukt dat de EU niet zomaar weer geleidelijk kan overgaan tot de orde van de dag zolang Rusland verzuimt de akkoorden van Minsk volledig ten uitvoer te leggen en de territoriale integriteit van Oekraïne te herstellen; wenst in dit verband dat de EU haar betrekkingen met de Russische Federatie aan een kritische en grondige herbeoordeling onderwerpt;

3.  benadrukt dat Rusland onder de huidige omstandigheden niet langer als "strategische partner" kan worden beschouwd; is van mening dat de beginselen van artikel 2 van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) niet langer worden nageleefd en dat de PSO derhalve moet worden heroverwogen; is van mening dat een kader voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland gebaseerd moet zijn op de volledige eerbiediging van het internationaal recht, de OVSE-beginselen van Helsinki, de democratische beginselen, de mensenrechten en de rechtsstaat, en ruimte moet laten voor een dialoog over de aanpak van mondiale uitdagingen, de versterking van mondiale governance en de handhaving van internationale regels, met name om de Europese vredesorde en de veiligheid in de buurlanden van de EU en in de Westelijke Balkan te waarborgen;

4.  is van mening dat de tenuitvoerlegging van de akkoorden van Minsk er blijk van zou geven dat Rusland van goede wil is, wil bijdragen aan het oplossen van het conflict in Oost-Oekraïne en in staat is de Europese veiligheid te garanderen; benadrukt dat verder moet worden overlegd in het Normandiëkwartet, met een sterkere rol voor de EU; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne;

5.  is van mening dat het belangrijk is om de huidige spanningen te de‑escaleren en met Rusland te overleggen om het risico op misverstanden, misinterpretaties en misrekeningen te beperken; erkent evenwel dat de EU duidelijk moet aangeven wat zij van Rusland verwacht; onderstreept het belang van samenwerking tussen de EU en Rusland in het op regels gebaseerde internationale systeem en van positieve betrekkingen in de internationale en multilaterale organisaties waar Rusland lid van is, met name in het kader van de OVSE en met betrekking tot omstreden kwesties en crises;

6.  veroordeelt met klem de betrokkenheid van Rusland bij de zaak-Skripal en bij desinformatiecampagnes en cyberaanvallen van de Russische inlichtingendiensten met als doel de openbare en particuliere communicatie-infrastructuur te destabiliseren en spanningen binnen de EU en haar lidstaten op te voeren;

7.  is uitermate verontrust over de banden tussen de Russische regering en de extreemrechtse en populistische nationale partijen en regeringen in de EU, die een gevaar vormen voor de fundamentele waarden van de Unie zoals vastgelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaronder eerbied voor vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en de mensenrechten;

8.  betreurt voorts de pogingen van Rusland om kandidaat-EU-lidstaten te destabiliseren; zo verleent Moskou bijvoorbeeld met name steun aan de organisaties en politieke krachten die zich verzetten tegen de Prespa-overeenkomst, die een einde zou moeten maken aan het aanhoudende geschil tussen Griekenland en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië over de naam van die laatste;

9.  vermoedt dat Russische overheidsactoren zich zowel openlijk als heimelijk, onder meer door middel van sociale media en mogelijk illegale financiële steun, in de campagne voor het brexitreferendum hebben gemengd, hetgeen momenteel door de Britse autoriteiten wordt onderzocht;

10.  benadrukt dat meer wederzijdse transparantie bij militaire en grensbewakingsactiviteiten belangrijk is om verdere spanningen te voorkomen; veroordeelt met klem de schending van het luchtruim van EU-lidstaten door Rusland; dringt aan op een duidelijke gedragscode voor luchtruim dat door militaire en civiele vliegtuigen wordt gebruikt; veroordeelt in dit verband met klem de herhaaldelijke schendingen van de territoriale wateren en het luchtruim van landen in het Oostzeegebied door Rusland; veroordeelt de Russische Federatie voor haar verantwoordelijkheid bij het neerhalen van vlucht MH17 boven Oost-Oekraïne in 2014, die is aangetoond door een internationaal onderzoeksteam, en vraagt dat de verantwoordelijken voor de rechter worden gebracht;

11.  betreurt de aanzienlijke verslechtering van de mensenrechtensituatie, de wijdverspreide en onnodige beperkingen van het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering in Rusland; drukt zijn grote bezorgdheid uit over de huidige repressie, intimidatie en vervolging van mensenrechtenverdedigers, demonstrerende activisten en andere critici;

12.  vindt het zeer onrustwekkend dat Rusland zo expliciet met zijn militaire kracht te koop loopt, dreigementen uit aan het adres van andere landen en zich daadwerkelijk bereid en paraat toont om militair geweld te gebruiken tegen andere naties, met inbegrip van geavanceerde nucleaire wapens, zoals president Poetin in 2018 meermaals heeft verklaard;

13.  veroordeelt de aanhoudende harde maatregelen van de regering tegen andersdenkenden en de mediavrijheid, alsook de repressie van activisten, politieke tegenstanders en personen die zich openlijk tegen de regering uitspreken;

14.  uit zijn bezorgdheid over de meldingen van willekeurige opsluiting en foltering van – al dan niet vermeend – homoseksuele mannen in Tsjetsjenië; veroordeelt de verklaringen van de Tsjetsjeense regering waarin zij het bestaan van homoseksualiteit in het land ontkent en aanspoort tot geweld tegen LGBTI's;

15.  wijst erop dat wereldwijde uitdagingen zoals de klimaatverandering, het milieu, energiezekerheid, digitalisering in combinatie met algoritmische besluitvorming en artificiële intelligentie, kwesties met betrekking tot buitenlands en veiligheidsbeleid, non-proliferatie van massavernietigingswapens, de bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad en de ontwikkelingen in het gevoelige noordpoolgebied selectieve samenwerking met Rusland vereisen;

16.  uit zijn bezorgdheid over de mogelijk honderden miljarden euro's die in de EU worden witgewassen door Russische bedrijven en personen die de opbrengsten van corruptie in het legale geldverkeer willen brengen; vraagt om onderzoeken naar deze misdrijven;

17.  benadrukt dat Rusland witwaspraktijken en georganiseerde financiële misdaad gebruikt voor subversieve politieke doeleinden, en dat dit een gevaar vormt voor de Europese veiligheid en stabiliteit; wijst erop dat deze witwaspraktijken op dergelijke schaal plaatsvinden dat ze onderdeel van de vijandige ondermijnings-, misleidings- en destabiliseringsactiviteiten vormen, en tegelijk misdaad en corruptie in de hand werken; merkt op dat de Russische witwaspraktijken in alle EU-lidstaten waar ze plaatsvinden, een gevaar inhouden voor de soevereiniteit en de rechtsstaat; merkt op dat dit de Europese veiligheid en stabiliteit bedreigt en een grote uitdaging vormt voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU;

18.  veroordeelt witwaspraktijken, illegale financiële activiteiten en andere manieren van economische oorlogvoering door Rusland; vraagt de bevoegde financiële autoriteiten in de EU de onderlinge samenwerking en de samenwerking met relevante inlichtingen- en veiligheidsdiensten te verbeteren om de Russische witwaspraktijken te bestrijden;

19.  herhaalt dat de EU weliswaar een krachtig, samenhangend en gecoördineerd standpunt inneemt ten aanzien van de EU-sancties tegen Rusland, en dat deze sancties verlengd zullen worden zolang Rusland het internationaal recht blijft schenden, maar dat er meer coördinatie en samenhang nodig is in haar buitenlands en veiligheidsbeleid ten aanzien van Rusland; vraagt de lidstaten in dit verband een einde te maken aan de programma's voor "gouden visa/paspoorten" die worden uitgereikt aan Russische oligarchen die vaak het Kremlin steunen, en die de effectiviteit van de internationale sancties kunnen ondermijnen; vraagt nogmaals om een Europese Magnitski-wet (het EU-stelsel van sancties tegen schendingen van de mensenrechten wereldwijd) en verzoekt de Raad daar onverwijld verder werk van te maken; vraagt de lidstaten volledig op Europees niveau samen te werken met betrekking tot hun beleid ten aanzien van Rusland;

20.  benadrukt dat de specifieke beperkende maatregelen ten aanzien van Oost-Oekraïne en de bezette Krim niet gericht zijn tegen de Russische bevolking, maar tegen bepaalde personen en bedrijven die gelinkt zijn aan de machthebbers in Rusland;

21.  onderstreept in dit verband dat samenhang tussen haar interne en externe beleid en een betere coördinatie van het externe beleid de sleutel vormt tot een coherenter, doeltreffender en succesvoller buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, ook ten aanzien van Rusland; benadrukt dat dit in het bijzonder geldt voor beleidsdomeinen als de Europese defensie-unie, de Europese energie-unie, cyberverdediging en strategische communicatie-instrumenten;

22.  veroordeelt de schending van de territoriale integriteit van buurlanden door Rusland, onder meer door de illegale ontvoering van burgers van die landen om ze voor een Russische rechtbank te brengen; keurt voorts af dat Rusland misbruik maakt van Interpol door opsporingsberichten – zogenaamde "rode kennisgevingen" – te verspreiden om politieke tegenstanders te vervolgen;

23.  veroordeelt het optreden van Rusland in de Zee van Azov, dat een schending vormt van het internationaal maritiem recht en indruist tegen de internationale toezeggingen van Rusland, alsook de bouw van de brug over de Straat van Kertsj en de aanleg van onderwaterkabels naar de illegaal geannexeerde Krim zonder toestemming van Oekraïne; maakt zich nog steeds grote zorgen over de Russische militarisering van de Zee van Azov, de regio rond de Zwarte Zee en het district Kaliningrad, en over het steeds terugkerende patroon van schendingen van de territoriale wateren van Europese landen aan de Oostzee;

24.  bevestigt nogmaals zijn ondubbelzinnige steun voor de soevereiniteit en territoriale integriteit van Georgië; eist dat de Russische Federatie de bezetting van het Georgische grondgebied in de regio's Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië beëindigt en de soevereiniteit en territoriale integriteit van Georgië volledig eerbiedigt; benadrukt dat de Russische Federatie onvoorwaardelijk moet voldoen aan alle punten van het akkoord inzake een staakt-het-vuren van 12 augustus 2008, met name de verplichting om al haar troepen terug te trekken uit het grondgebied van Georgië;

25.  benadrukt dat het feit dat Rusland de internationale normen aan zijn laars lapt – in dit geval de vrijheid van de zeeën, bilaterale akkoorden en de illegale annexatie van de Krim – een bedreiging vormt voor de buurlanden van Rusland in alle delen van Europa, niet alleen in het Zwarte Zeegebied, maar ook in het Oostzeegebied en het Middellandse Zeegebied; benadrukt dat het belangrijk is om in dit verband een krachtig beleid tegen Rusland te ontwikkelen;

26.  neemt er nota van dat het ODIHR en de Parlementaire Assemblee van de OVSE een internationale verkiezingswaarnemingsmissie naar de presidentsverkiezingen van 18 maart 2018 hebben gestuurd; neemt er kennis van dat in het eindverslag van deze verkiezingswaarnemingsmissie van het ODIHR staat dat de verkiezingen plaatsvonden in een al te sterk gecontroleerde wettelijke en politieke omgeving, gekenmerkt door aanhoudende druk op kritische stemmen, een beperking van de fundamentele vrijheid van vereniging, vergadering en meningsuiting en beperkingen op de registratie van kandidaten, waardoor er geen daadwerkelijke concurrentie was;

27.  is bezorgd over de aanhoudende Russische steun voor autoritaire regimes en landen als Noord-Korea, Iran, Venezuela, Syrië, Cuba en Nicaragua, en de gangbare praktijk van Rusland om internationaal optreden te blokkeren door gebruik te maken van zijn vetorecht in de VN-Veiligheidsraad;

Gebieden van gemeenschappelijk belang

28.  betuigt nogmaals zijn steun voor de vijf beginselen die ten grondslag liggen aan het beleid van de EU ten aanzien van Rusland, en vraagt dat het beginsel van selectieve samenwerking nader wordt omschreven; beveelt aan om de nadruk te leggen op kwesties in verband met de regio Midden-Oosten en Noord-Afrika, de noordelijke regio en het Noordpoolgebied, terrorisme, gewelddadig extremisme, non-proliferatie, wapenbeheersing, strategische stabiliteit in de cyberomgeving, georganiseerde misdaad, migratie en klimaatverandering, met inbegrip van gezamenlijke inspanningen om het door de VN-Veiligheidsraad ondersteunde atoomakkoord met Iran (JCPOA) te vrijwaren en een einde te maken aan de oorlog in Syrië; herhaalt dat het overleg tussen de EU en Rusland over cyberterrorisme en georganiseerde misdaad moet worden voortgezet, maar dat de stelselmatige hybride dreigingen die van Rusland uitgaan, met sterke afschrikking moeten worden beantwoord; roept in dit verband op tot een dialoog tussen de EU, Rusland, China en Centraal-Azië over connectiviteit;

29.  onderstreept dat de EU momenteel de grootste handelspartner van Rusland is en haar positie als belangrijke economische partner in de nabije toekomst zal behouden, maar dat Nord Stream 2 de EU nog afhankelijker maakt van Russische gasleveringen, een bedreiging vormt voor de interne EU-markt en niet strookt met het energiebeleid en de strategische belangen van de EU, en daarom moet worden stopgezet; benadrukt dat de EU zich zal blijven inspannen om de Europese energie-unie te voltooien en haar energiebronnen te diversifiëren; benadrukt dat er geen nieuwe projecten ten uitvoer gelegd mogen worden zonder voorafgaande juridische beoordeling van de overeenstemming ervan met het EU-recht en met de afgesproken politieke prioriteiten; betreurt het beleid van Rusland om zijn energiebronnen te gebruiken als politiek instrument om zijn politieke invloed en druk op zijn vermeende invloedssfeer en eindgebruikers te behouden, te vergroten en uit te oefenen;

30.  benadrukt dat de programma's voor grensoverschrijdende samenwerking tussen de EU en Rusland en de constructieve samenwerking binnen de Noordelijke Dimensie en de Raad voor het Europees-Arctische Barentszzeegebied tastbare voordelen opleveren voor de burgers van grensoverschrijdende gebieden en de duurzame ontwikkeling van deze gebieden ondersteunen; beveelt in dit verband aan om al deze positieve gebieden van constructieve samenwerking te bevorderen;

31.  wijst op het belang van interpersoonlijke contacten, bijvoorbeeld door onderwijs en cultuur;

32.  vraagt de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de lidstaten hun inspanningen voor een oplossing van de zogenaamde "bevroren conflicten" in het Oostelijk Nabuurschap op te drijven om meer veiligheid en stabiliteit voor de oostelijke partners van de EU te verzekeren;

Aanbevelingen

33.  wijst op het belang van blijvende politieke en financiële steun voor interpersoonlijke contacten in het algemeen en, in het bijzonder, voor activisten uit het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten, bloggers, onafhankelijke media, onderzoeksjournalisten, academici en publieke figuren die voor hun mening uitkomen en ngo's; vraagt de Commissie ambitieuzere en duurzame financiële, institutionele en capaciteitsopbouwende steun voor Russische maatschappelijke organisaties uit de bestaande externe financieringsinstrumenten te programmeren, en vraagt de EU-lidstaten meer bij te dragen aan deze steun; moedigt de lidstaten aan om de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers actief ten uitvoer te leggen door effectief en tijdig steun en bescherming te bieden aan mensenrechtenverdedigers, journalisten en andere activisten; moedigt de lidstaten met name aan om visa met een lange geldigheidsduur uit te reiken aan mensenrechtenverdedigers die in gevaar zijn en hun gezinsleden; ondersteunt een verhoging van de financiering voor journalistenopleidingen en uitwisselingen met Europese journalisten, en voor instrumenten die de mensenrechten en de democratie bevorderen, zoals het Europees instrument voor democratie en mensenrechten en het Europees Fonds voor Democratie;

34.  pleit voor meer contacten van mens tot mens, vooral tussen jongeren, voor meer dialoog en samenwerking tussen experts, onderzoekers, maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden uit Rusland en uit de EU, en voor meer uitwisselingen van studenten, leerlingen uit beroepsopleidingen en jongeren in het algemeen, vooral in het kader van Erasmus+; steunt in dit verband een verhoging van de financiering voor de nieuwe programma's van Erasmus+ voor 2021-2027; merkt op dat de EU Rusland het grootste aantal academische mobiliteitsmogelijkheden biedt in vergelijking met andere internationale partnerlanden;

35.  vraagt om de onvoorwaardelijke vrijlating van alle mensenrechtenverdedigers en andere personen die worden vastgehouden voor de vreedzame uitoefening van hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering, zoals de directeur van HRC Memorial in de Tsjetsjeense Republiek, de heer Oyub Titiev, die voor de rechter moet verschijnen op grond van een verzonnen aanklacht van drugsbezit; dringt er bij de Russische autoriteiten op aan om hun juridische en mensenrechten volledig te eerbiedigen, met inbegrip van toegang tot een advocaat en medische zorg, fysieke integriteit en waardigheid, en bescherming tegen gerechtelijke intimidatie, criminalisering en willekeurige arrestaties;

36.  stelt vast dat maatschappelijke organisaties vaak te zwak staan om een concrete impact te hebben op de strijd tegen corruptie in Rusland, en dat ngo's systematisch ontmoedigd worden om actief inspanningen te leveren ter bestrijding van corruptie of ter bevordering van integriteit bij de overheid; benadrukt dat maatschappelijke organisaties betrokken moeten worden bij de onafhankelijke monitoring van de doeltreffendheid van anticorruptiemaatregelen; vraagt Rusland de internationale anticorruptienormen, zoals onder meer vastgesteld in het VN-Verdrag tegen corruptie en het Verdrag van de OESO inzake bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties (het anti-corruptieverdrag van de OESO), correct ten uitvoer te leggen;

37.  onderstreept dat de bevordering van de mensenrechten en de rechtsstaat een essentieel onderdeel moet blijven van de betrekkingen van de EU met Rusland; vraagt de EU en de lidstaten bijgevolg om mensenrechtenkwesties in alle contacten met Russische ambtenaren ter sprake te blijven brengen; moedigt de EU aan om Rusland te blijven vragen alle wetten en verordeningen die niet stroken met de internationale mensenrechtennormen in te trekken of aan te passen, met inbegrip van bepalingen die het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering beperken;

38.  uit zijn overtuiging dat het Russische lidmaatschap van de Raad van Europa een belangrijk element is van het huidige landschap van institutionele relaties in Europa; hoopt dat manieren kunnen worden gevonden om Rusland ervan te overtuigen zijn lidmaatschap van de Raad van Europa niet op te zeggen;

39.  veroordeelt de pogingen van de Russische regering om berichtendiensten via het internet en websites te blokkeren; moedigt de Russische regering aan om het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting en privacy zowel online als offline te eerbiedigen;

40.  vraagt de EU-instellingen en de lidstaten meer inspanningen te leveren om weerbaarheid op te bouwen, met name op cyber- en mediagebied, met inbegrip van mechanismen om inmenging bij de verkiezingen te detecteren en te bestrijden; dringt aan op meer weerbaarheid tegen cyberaanvallen; vreest dat de reactie en het antwoord van de EU op de Russische propagandacampagne en de grootschalige rechtstreekse desinformatieaanvallen te zwak zijn; is van oordeel dat deze versterkt moeten worden, met name vóór de naderende Europese verkiezingen van mei 2019; benadrukt in dit verband dat de EU-financiering en de personele middelen voor de taskforce East Stratcom aanzienlijk uitgebreid moeten worden; vraagt om EU-brede steun voor de Europese cyberbeveiligingssector, een functionerende digitale interne markt en een sterkere betrokkenheid bij onderzoek; moedigt in dit verband de bevordering van Europese waarden in het Russisch door East Stratcom aan; is verheugd over de aanneming van het EU-actieplan tegen desinformatie en roept de lidstaten en alle relevante actoren in de EU op om de acties en maatregelen in het kader daarvan ten uitvoer te leggen, met name in de aanloop naar de Europese verkiezingen van mei 2019;

41.  vraagt de EU na te denken over de ontwikkeling van een bindend juridisch kader op zowel EU- als internationaal niveau voor het aanpakken van hybride oorlogvoering dat de Unie in staat stelt doortastend te reageren op campagnes die de democratie of de rechtsstaat bedreigen, met inbegrip van gerichte sancties tegen degenen die deze campagnes op touw zetten en uitvoeren;

42.  gelooft dat voor een zinvolle dialoog meer eenheid tussen de lidstaten en een duidelijkere communicatie over de "rode lijnen" aan de EU-zijde vereist is; benadrukt daarom dat de EU, als Rusland het internationale recht blijft schenden, bereid moet zijn om verdere sancties te overwegen, met inbegrip van gerichte persoonlijke sancties en het beperken van de toegang tot financiering en technologie; benadrukt echter dat dergelijke sancties niet gericht zijn tegen de Russische bevolking, maar tegen specifieke personen; verzoekt de Raad om een grondige beoordeling van de efficiëntie en de striktheid van het huidige sanctiestelsel; is ingenomen met het besluit van de Raad om de bij de illegale bouw van de brug over de Straat van Kertsj betrokken Europese bedrijven beperkende maatregelen op te leggen; herhaalt zijn bezorgdheid over de betrokkenheid van deze bedrijven die, door hun medewerking, bewust of onbewust het EU-sanctiestelsel hebben ondermijnd; verzoekt in dit verband de Commissie om de toepassing van de geldende beperkende maatregelen van de EU te beoordelen en te controleren en de lidstaten om informatie te delen over eventuele nationale douane- of strafrechtelijke onderzoeken naar gevallen van mogelijke schendingen;

43.  vraagt om een EU-breed mechanisme om de screening van partijfinanciering mogelijk te maken, en vraagt om verdere maatregelen te nemen om te vermijden dat bepaalde partijen en bewegingen gebruikt worden om het Europese project van binnenuit te destabiliseren;

44.  veroordeelt de toenemende schaal en het stijgende aantal van Russische militaire oefeningen, waarbij Russische troepen offensieve scenario's met gebruik van nucleaire wapens inoefenen;

45.  vraagt de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) om onverwijld een wetgevingsvoorstel voor te bereiden voor een EU-brede Magnitski-wet , waardoor visumverboden en gerichte sancties kunnen worden opgelegd, zoals het bevriezen van vermogens en vermogensbelangen binnen de EU-jurisdictie, aan voor corruptie of ernstige mensenrechtenschendingen verantwoordelijke individuele ambtenaren of in een officiële hoedanigheid optredende personen; benadrukt het belang van een officiële sanctielijst om een effectieve tenuitvoerlegging van een Europese Magnitski-wet te verzekeren;

46.  verzoekt de EU na te gaan of de huidige beperkende maatregelen van de EU goed toegepast worden, en of de lidstaten informatie uitwisselen, om te verzekeren dat het sanctiestelsel van de EU tegen het optreden van Rusland niet ondermijnd wordt, maar integendeel toegepast wordt in verhouding tot de van Rusland afkomstige dreigingen; onderstreept het gevaar van de versoepeling van de sancties zonder dat Rusland ook in daden, en niet alleen in woorden, heeft aangetoond dat het de grenzen van Europa, de soevereiniteit van zijn buurlanden en andere naties, en internationale regels en akkoorden eerbiedigt; herhaalt dat een normaal, ongewijzigd beleid slechts mogelijk is als Rusland de regels volledig eerbiedigt en ervoor kiest zich op vreedzame wijze te gedragen;

47.  herhaalt dat Rusland geen vetorecht heeft over de Euro-Atlantische aspiraties van Europese naties;

48.  vraagt de Commissie om nauwlettend toe te zien op de gevolgen van de Russische vergeldingsmaatregelen voor economische actoren, en om indien nodig compensatiemaatregelen te overwegen;

49.  onderstreept dat er uitsluitend politieke oplossingen bestaan voor het conflict in Oost-Oekraïne; moedigt vertrouwenwekkende maatregelen in de Donbas-regio aan; verleent zijn steun aan een mandaat voor een VN-vredesmacht in deze regio van Oost-Oekraïne; herhaalt zijn oproep om een speciale EU-vertegenwoordiger voor de Krim en de Donbas-regio te benoemen;

50.  veroordeelt de willekeurige maatregel om EU-politici, onder wie huidige en voormalige leden van het Europees Parlement, en EU-ambtenaren de toegang tot het Russische grondgebied te ontzeggen; vraagt dat het inreisverbod onmiddellijk en onvoorwaardelijk wordt opgeheven;

51.  roept Rusland op om onmiddellijk alle politieke gevangenen, met inbegrip van buitenlandse burgers, en journalisten vrij te laten;

52.  vraagt Rusland volledig mee te werken aan het internationale onderzoek naar het neerhalen van vlucht MH17, dat mogelijk een oorlogsmisdaad zou kunnen vormen; veroordeelt elke poging of beslissing om degenen die daarvoor verantwoordelijk worden gehouden, amnestie te verlenen of hun vervolging uit te stellen, aangezien de daders ter verantwoording moeten worden geroepen;

53.  vraagt de Russische regering zich te onthouden van het blokkeren van VN-Veiligheidsraadresoluties over de situatie in Syrië die tot doel hebben het aanhoudende geweld tegen burgers te stoppen, met inbegrip van het gebruik van chemische wapens, ernstige schendingen van de Verdragen van Genève en schendingen van de universele mensenrechten;

54.  steunt de spoedige voltooiing van een geïntegreerde Europese energie-unie, waarvan in de toekomst ook de oostelijke partners deel van zouden uitmaken; benadrukt de rol die een ambitieus beleid op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen kan spelen; veroordeelt ten stelligste dat Rusland druk uitoefent op Wit-Rusland om feitelijk zijn onafhankelijkheid op te geven; benadrukt dat de EU, onafhankelijk van de bevordering van een strategie voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland, haar toezeggingen aan en steun voor de oostelijke partners moet versterken en haar goedkeuring moet hechten aan hervormingen ter versterking van de veiligheid en de stabiliteit, democratische governance en de rechtsstaat;

55.  staat achter een verhoging van de financiële middelen voor het Europees Fonds voor Democratie, de Russian Language News Exchange (RLNE) en andere instrumenten ter bevordering van de democratie en de mensenrechten in Rusland en daarbuiten;

56.  verlangt dat de Russische autoriteiten het communisme en het Sovjetregime veroordelen en de daders van de misdrijven en delicten die onder dit regime zijn begaan, straffen;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

(1) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 35.
(2) Protocol over de resultaten van het overleg van de trilaterale contactgroep, ondertekend op 5 september 2014, en Maatregelenpakket voor de tenuitvoerlegging van de akkoorden van Minsk, aangenomen op 12 februari 2015.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0266.
(4) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 38.
(5) PB C 408 van 30.11.2017, blz. 43.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0259.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0435.


Opbouw van EU-capaciteit voor conflictpreventie en bemiddeling
PDF 156kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over de opbouw van EU-capaciteit voor conflictpreventie en bemiddeling (2018/2159(INI))
P8_TA(2019)0158A8-0075/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de VN,

–  gezien de beginselen en doelstellingen van het Handvest van de VN,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien de Slotakte van Helsinki van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) uit 1975 en alle beginselen daarvan, als gronddocument voor de Europese en bredere regionale veiligheidsorde,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) van de VN en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over conflictpreventie en bemiddeling, over vrouwen, vrede en veiligheid, en over jongeren, vrede en veiligheid,

–  gezien het "Concept inzake versterking van de bemiddelings- en dialoogcapaciteit van de EU" van de Raad van 10 november 2009 (15779/09),

–  gezien de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie, die op 28 juni 2016 werd gepresenteerd door Federica Mogherini, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), alsook het eerste, op 18 juni 2017 gepubliceerde verslag over de uitvoering ervan, getiteld "From Shared Vision to Common Action: Implementing the EU Global Strategy",

–   gezien zijn aanbeveling van 15 november 2017 aan de Raad, de Commissie en de EDEO over het Oostelijk Partnerschap, in aanloop naar de top in november 2017(1),

–  gezien zijn aanbeveling van 5 juli 2018 aan de Raad betreffende de 73e bijeenkomst van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(2),

–  gezien Verordening (EU) 2017/2306 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede(3),

–  gezien het voorstel van 13 juni 2018 van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan de Raad, met steun van de Commissie, voor een besluit van de Raad tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit (HR(2018) 94),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0075/2019),

A.  overwegende dat de bevordering van de internationale vrede en veiligheid een van de bestaansredenen van de EU is – in 2012 erkend door middel van de Nobelprijs voor de Vrede – en een centrale plaats inneemt in het Verdrag van Lissabon;

B.  overwegende dat de EU zich ertoe heeft verbonden de Agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid ten uitvoer te leggen, overeenkomstig resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad en daaropvolgende actualiseringen, evenals de Agenda inzake jongeren, vrede en veiligheid, overeenkomstig resolutie 2250 van de VN-Veiligheidsraad en daaropvolgende actualiseringen;

C.  overwegende dat de EU, via haar instrumenten voor externe bijstand, een van de grootste verstrekkers is van steun voor conflictpreventie en vredesopbouw;

D.  overwegende dat de EU, als belangrijke steunpilaar van internationale organisaties, belangrijke verstrekker van ontwikkelingshulp en 's werelds grootste handelspartner, een voortrekkersrol zou moeten vervullen op het gebied van wereldwijde vredesopbouw, conflictoplossing en versterking van de internationale veiligheid; overwegende dat conflictpreventie en bemiddeling deel moeten uitmaken van een globale aanpak die zowel veiligheid, diplomatie als ontwikkeling omvat;

E.  overwegende dat samenwerking met regionale organisaties noodzakelijk is, zoals de OVSE, die in haar Slotakte van Helsinki uit 1975 onder meer de beginselen inzake het niet-gebruiken van geweld, de territoriale integriteit van staten, gelijke rechten en zelfbeschikkingsrecht van volken heeft vastgelegd; voorts overwegende dat deze organisaties een belangrijke rol spelen bij conflictpreventie en bemiddeling;

F.  overwegende dat de preventie van gewelddadige conflicten van essentieel belang is, niet alleen om het hoofd te bieden aan de veiligheidsuitdagingen waarmee Europa en haar buurlanden worden geconfronteerd, maar ook om politieke en maatschappelijke vooruitgang te boeken; overwegende dat dit een essentieel onderdeel vormt van effectief multilateralisme, en belangrijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's), met name doelstelling 16 inzake vreedzame en inclusieve samenlevingen, toegang tot de rechter voor allen en doeltreffende, verantwoordelijke en open instellingen op alle niveaus;

G.  overwegende dat de voortzetting van de EU-steun voor civiele en militaire actoren in derde landen een belangrijke factor vormt voor de preventie van terugkerende gewelddadige conflicten; overwegende dat blijvende en aanhoudende vrede en veiligheid onlosmakelijk verbonden zijn met duurzame ontwikkeling;

H.  overwegende dat de handhaving van de stabiliteit en de ontwikkeling van de landen en geografische gebieden waarvan de toestand rechtstreeks van invloed is op de veiligheid van de Unie, middels conflictpreventie en bemiddeling moeten worden gewaarborgd;

I.  overwegende dat preventie een strategische functie heeft als het gaat om het waarborgen van doeltreffend optreden voorafgaand aan crises; overwegende dat bemiddeling een diplomatiek instrument is dat kan worden ingezet voor conflictoplossing en voor de preventie van conflicten of de uitbreiding ervan;

J.  overwegende dat de interne en externe veiligheid steeds meer met elkaar verweven raken en dat de complexe aard van de internationale uitdagingen een geïntegreerde Europese aanpak van externe conflicten en crises vergt;

K.  overwegende dat de interinstitutionele aanpak moet worden versterkt om de ontwikkeling van de EU te waarborgen en haar capaciteiten ten volle te kunnen benutten;

L.  overwegende dat de integrale strategie van de EU, alsook de politieke verklaringen en interinstitutionele ontwikkelingen, welkome tekenen zijn van de bereidheid van de VV/HV om prioriteit te geven aan conflictpreventie en bemiddeling;

M.  overwegende dat de externe financieringsinstrumenten in aanzienlijke mate bijdragen aan de ondersteuning van conflictpreventie en bemiddeling;

N.  overwegende dat overgangsjustitie een belangrijke reeks juridische en niet-juridische mechanismen omvat die gericht zijn op verantwoordingsplicht voor misstanden uit het verleden en op de totstandbrenging van een duurzame, eerlijke en vreedzame toekomst;

O.  overwegende dat het Parlement op het gebied van parlementaire diplomatie, met inbegrip van dialoog- en bemiddelingsprocedures, een prominente rol op zich heeft genomen, waarbij het voortbouwt op zijn ingewortelde cultuur van dialoog en consensusvorming;

P.  overwegende dat gewelddadige conflicten en oorlogen onevenredig grote gevolgen hebben voor burgers, met name voor vrouwen en kinderen, en voor vrouwen een groter risico vormen dan voor mannen in termen van economische en seksuele uitbuiting, dwangarbeid, ontheemding, detentie en seksueel geweld, zoals verkrachting, dat als oorlogstactiek wordt toegepast; overwegende dat de actieve participatie van vrouwen en jongeren in conflictpreventie en vredesopbouw van belang is, evenals in de preventie van alle vormen van geweld, waaronder seksueel en genderspecifiek geweld;

Q.  overwegende dat de actieve en betekenisvolle participatie van zowel het maatschappelijk middenveld als lokale actoren, in het bijzonder vrouwen, jongeren, minderheden en inheemse volkeren, van essentieel belang is voor de bevordering en versterking van de capaciteit en de opbouw van vertrouwen op het gebied van bemiddeling, dialoog en verzoening;

R.  overwegende dat de financiële middelen die worden uitgetrokken voor conflictpreventie, vredesopbouw en vredeshandhaving – ondanks de toezeggingen op EU-niveau in dit verband – dikwijls ontoereikend zijn, hetgeen nadelige gevolgen heeft voor het vermogen om maatregelen op dit gebied te bevorderen;

1.  spoort de EU aan meer prioriteit te geven aan conflictpreventie en bemiddeling in het kader of ter ondersteuning van bestaande overeengekomen onderhandelingsvormen en -beginselen; benadrukt dat deze aanpak de meerwaarde van de EU op politiek, maatschappelijk, economisch en veiligheidsvlak wereldwijd sterk doet toenemen; wijst erop dat acties in het kader van conflictpreventie en bemiddeling de aanwezigheid en geloofwaardigheid van de Unie op het internationale toneel helpen versterken;

2.  erkent dat de civiele en militaire missies die in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) worden uitgevoerd, een wezenlijke rol spelen bij vredeshandhaving, conflictpreventie en de versterking van de internationale veiligheid;

3.  roept de VV/HV en de voorzitters van de Commissie en het Parlement op gezamenlijke langetermijnprioriteiten vast te stellen op het gebied van conflictpreventie en bemiddeling, die moeten worden opgenomen in een periodieke strategiebepaling;

4.  roept op tot vredesopbouw op lange termijn waarmee de onderliggende oorzaken van conflicten worden aangepakt;

5.  wenst dat het huidige stelsel wordt verbeterd, teneinde onderstaande prioriteiten van de EU te ondersteunen;

6.  dringt aan op conflictgevoelige en mensgerichte benaderingen die, bij de inspanningen van de EU om ter plaatse gunstige en blijvende resultaten te behalen, menselijke veiligheid op de voorgrond stellen;

7.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de diensten van de Commissie die zich bezighouden met extern optreden een jaarverslag voor te leggen aan het Parlement over de vooruitgang met betrekking tot de uitvoering van de beleidstoezeggingen van de EU op het gebied van conflictpreventie en bemiddeling;

De opbouw van EU-capaciteit voor conflictpreventie en bemiddeling

8.  is voorstander van een meer coherente en holistische betrokkenheid van de EU bij externe conflicten en crises; is voorts van mening dat de geïntegreerde aanpak van externe conflicten en crises de meerwaarde van het extern optreden van de Unie vormt en meent dat zo spoedig mogelijk alles in het werk moet worden gesteld om de respons van de EU in elk stadium van het conflict te verduidelijken en om de operationaliteit en doeltreffendheid ervan te verbeteren; herinnert in dit verband aan de normen en beginselen van het internationaal recht en het Handvest van de Verenigde Naties en spreekt zijn steun uit voor bestaande onderhandelingskaders, -benaderingen en -beginselen; herhaalt dat elk conflict afzonderlijk moet worden bekeken;

9.  beklemtoont dat deze capaciteitsversterking de lidstaten in staat moet stellen om in kaart te brengen welke geografische gebieden prioriteit moeten krijgen als het gaat om conflictpreventie en bemiddeling, en ervoor moet zorgen dat de bilaterale samenwerking tussen de Europese landen beter verloopt;

10.  roept op tot de oprichting, onder auspiciën van de VV/HV, van een Europees raadgevend comité op hoog niveau inzake conflictpreventie en bemiddeling, teneinde een uitgebreide pool van ervaren politieke bemiddelaars en deskundigen op het gebied van conflictpreventie bijeen te brengen, opdat op korte termijn kan worden voorzien in politieke en technische expertise; is van mening dat er ook een pool van deskundigen nodig is die zich bezighoudt met verzoening en overgangsjustitie; dringt aan op de systematische bevordering van de oprichting van verzoenings- en verantwoordingsmechanismen in alle gebieden waar een conflict heeft plaatsgevonden, om ervoor te zorgen dat verantwoordelijkheid voor in het verleden begane misdrijven moet worden afgelegd en om preventie en afschrikking in de toekomst te verzekeren;

11.  wenst dat er een speciale vertegenwoordiger van de EU voor de vrede wordt benoemd die het voorzitterschap van het Europees raadgevend comité gaat bekleden, teneinde de samenhang en coördinatie van de instellingen te bevorderen, ook wat de interactie met het maatschappelijk middenveld betreft, de uitwisseling van informatie te verbeteren en ervoor te zorgen dat eerder en vaker tot actie wordt overgegaan;

12.  roept op tot de instelling van andere interinstitutionele mechanismen zoals task forces voor conflictpreventie in specifieke situaties;

13.  dringt erop aan dat er een speciale werkgroep van de Raad inzake conflictpreventie en bemiddeling wordt opgericht die de sterke betrokkenheid van de EU bij vrede en stabiliteit in haar naburige regio's benadrukt;

De Europese Dienst voor extern optreden

14.  is ingenomen met de oprichting van een speciale afdeling van de EDEO inzake conflictpreventie, vredesopbouw en bemiddelingsinstrumenten en is verheugd over de ontwikkeling van instrumenten zoals horizonverkenning en het systeem voor vroegtijdige waarschuwing; verzoekt dit soort instrumenten verder te ontwikkelen;

15.  dringt erop aan dat relevante kennis systematischer wordt verzameld, beheerd en verspreid, in formaten die toegankelijk, praktisch en operationeel relevant zijn voor het personeel van de EU-instellingen;

16.  roept op tot verdere opbouw van de capaciteit op het gebied van genderbewuste conflictanalyse, vroegtijdige waarschuwing, verzoening en conflictpreventie voor interne medewerkers, bemiddelaars en andere deskundigen, alsmede derde partijen, in samenspraak met de EDEO en met inbegrip van organisaties uit het maatschappelijk middenveld;

De Europese Commissie

17.  wijst andermaal op het toenemende belang van conflictpreventie bij de aanpak van de onderliggende oorzaken van conflicten en bij de verwezenlijking van de SDG's, en benadrukt dat er bijzondere aandacht moet uitgaan naar de democratie, de mensenrechten, de rechtsstaat, de hervormingen van het gerechtelijk apparaat en de ondersteuning van het maatschappelijk middenveld;

18.  beklemtoont dat het optreden van de EU in gebieden waar gewelddadige conflicten gaande zijn, altijd conflictbewust en gendergevoelig moet zijn; dringt erop aan dat onmiddellijk actie wordt ondernomen om deze elementen op te nemen in alle relevante beleidslijnen, acties en operaties; wijst erop dat hierdoor niet alleen automatisch meer aandacht uitgaat naar het voorkomen van nadelige gevolgen, maar tegelijkertijd ook de bijdrage van de EU aan de verwezenlijking van de doelstellingen inzake conflictpreventie en vredesopbouw op de lange termijn wordt gemaximaliseerd;

Het Europees Parlement

19.  wijst erop dat de coördinatiegroep democratieondersteuning en verkiezingen, alsook de EP-leden onder wier leiding deze groep opereert, als operationele instantie fungeren voor de coördinatie van initiatieven op het gebied van bemiddeling en dialoog; is ingenomen met nieuwe initiatieven zoals de Jean Monnet-dialoog voor vrede en democratie (dat gebruikmaakt van het historische huis van Jean Monnet in Bazoches, Frankrijk), de activiteiten inzake verkiezingsgerelateerd geweld en de dialoog tussen partijen en consensusopbouw, evenals het programma voor jonge politieke leiders, en beveelt aan dat deze programma's verder worden ontwikkeld als belangrijke instrumenten van het Europees Parlement op het gebied van bemiddeling, facilitatie en dialoog; is ingenomen met het besluit van voornoemde coördinatiegroep om voort te bouwen op het succes van de Jean Monnet-dialoog met de Macedonische Sobranie door de methodologie van de Jean Monnet-dialoog uit te breiden naar de landen van de Westelijke Balkan;

20.  is verheugd over het partnerschap met de Oekraïense Verkhovna Rada in de vorm van Jean Monnet-dialogen met als doel de opbouw van consensus tussen politieke fracties en partijen in de Rada, en belangrijker nog de hervorming van de politieke cultuur in de richting van een moderne Europese parlementaire benadering op basis van democratische dialoog en consensusopbouw;

21.  is ingenomen met de conclusies van de vijfde Jean Monnet-dialoog, die plaatsvond van 11 t/m 13 oktober 2018 en waar stappen werden genomen met betrekking tot de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomst; erkent het verzoek van het Europees Parlement om samen met de Commissie een dialoog mogelijk te maken met belangrijke belanghebbenden uit de Verkhovna Rada en de Oekraïense regering, teneinde de doeltreffendheid van de Verkhovna Rada te verbeteren voor wat betreft zijn rol in verband met de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomst;

22.  is verheugd over het tripartiete initiatief van de voorzitters van de parlementen van Oekraïne, Moldavië en Georgië om een regionale parlementaire vergadering in het leven te roepen, als belangrijk platform voor de tenuitvoerlegging van associatieovereenkomsten en in reactie op belangrijke veiligheidsuitdagingen, waaronder hybride oorlogvoering en desinformatie; beschouwt de steun van het Europees Parlement voor deze regionale parlementaire dialoog – gelet op de gemeenschappelijke regionale veiligheidsuitdagingen – als een belangrijke blijk van zijn toewijding aan de regio;

23.  erkent dat het Parlement een steeds grotere rol speelt in politieke bemiddelingsprocessen; wijst in dit verband op het gezamenlijke initiatief van de commissaris voor Europees Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen en drie bemiddelaars van het Europees Parlement, de heren Kukan, Vajgl en Fleckenstein, voor de ondersteuning van de partijleiders in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië bij het oplossen van de politieke crisis middels de vaststelling van de Pržino-overeenkomst uit 2015; bevestigt zijn bereidheid om voort te bouwen op dit voorbeeld van nauwe interinstitutionele samenwerking met de Commissie en de EDEO door zijn betrokkenheid bij de versterking van politieke dialogen en verzoening op de gehele Westelijke Balkan en het bredere nabuurschap uit te breiden;

24.  roept op tot de verdere ontwikkeling van het programma voor jonge politieke leiders in het kader van de Agenda inzake jongeren, vrede en veiligheid op basis van resolutie 2250 van de VN-Veiligheidsraad, en tevens tot voortzetting van de uitstekende samenwerking met het regionale initiatief van de HV/VV voor het gebied rond de Middellandse Zee in het kader van het Young Med Voices-programma;

25.  is van mening dat de jongerendialoog op hoog niveau getiteld "Bridging the gap" de gelegenheid biedt voor dialoog onder jongerenvertegenwoordigers en jonge parlementsleden van de landen van de Westelijke Balkan, wat van belang is voor verzoening en de ondersteuning van een cultuur van dialoog tussen partijen, en tevens zorgt voor de bevordering van het Europees perspectief van de landen in de regio;

26.  beveelt aan dat de bestaande parlementaire opleidings- en begeleidingsprogramma's voor leden van het Europees Parlement, met name voor diegenen die zijn benoemd als bemiddelaar of hoofdwaarnemer, evenals de opleidingsprogramma's voor parlementariërs, politieke partijen en personeelsleden uit derde landen, met inbegrip van programma's die betrekking hebben op jongeren- en genderaspecten, verder worden ontwikkeld, onder meer in overleg met structuren van de lidstaten die deskundigheid op dat gebied hebben ontwikkeld;

27.  meent dat de benoeming van een vicevoorzitter die belast is met de coördinatie van werkzaamheden op het gebied van bemiddeling en de bevordering van de dialoog en die nauw zou samenwerken met de coördinatiegroep democratieondersteuning en verkiezingen, zou kunnen bijdragen tot de verdere opbouw van de capaciteiten van het Parlement; dringt aan op de oprichting van een pool van huidige en voormalige leden van het Europees Parlement;

28.  wijst op de rol van de Sacharovprijs van het Europees Parlement bij de bewustwording ten aanzien van de conflicten in de wereld; dringt aan op een verhoging van het prijzengeld gedurende de volgende zittingsperiode van het Parlement;

29.  erkent dat het Parlement, om de algemene inspanningen van de EU te ondersteunen, zijn bemiddelingsprocedures moet institutionaliseren; dringt aan op versterking van de parlementaire diplomatieke en uitwisselingsactiviteiten, mede door middel van de werkzaamheden van parlementaire delegaties;

30.  wijst op de langlopende nauwe samenwerking tussen het Parlement en het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) op het gebied van verkiezingen en ondersteuning van de democratie; wenst dat deze samenwerking wordt uitgebreid naar bemiddeling en dialoog;

Vrouwen, vrede en veiligheid – de opbouw van capaciteit op het gebied van gender in de conflictpreventie en bemiddeling van de EU

31.  vraagt de EU om het voortouw te nemen bij de tenuitvoerlegging van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, en om de daarin vervatte beginselen te integreren in alle fasen van EU-activiteiten op het gebied van conflictpreventie en bemiddeling;

32.  dringt aan op volledige gendergelijkheid en op bijzondere inspanningen om, in het kader van activiteiten op het gebied van conflictpreventie en bemiddeling, de participatie van vrouwen, meisjes en jongeren te waarborgen, evenals de bescherming van vrouwenrechten in alle fasen van de conflictcyclus, van conflictpreventie tot heropbouw na conflicten;

33.  vraagt om alle oefeningen op het gebied van samenwerking, opleiding en interventie gendergevoelig te maken; is ingenomen met EU-initiatieven op dit vlak, alsook met de actieve bijdrage aan het volgende genderactieplan en de nieuwe strategische aanpak van de EU inzake vrouwen, vrede en veiligheid;

34.  wenst dat expertise op het gebied van gender, waaronder gendergerelateerd geweld, in alle fasen van conflictpreventie, bemiddeling en vredesopbouw wordt ingezet;

35.  vraagt de EU om het voortouw te nemen bij de tenuitvoerlegging van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over jongeren, vrede en veiligheid, en om de daarin vervatte beginselen te integreren in de activiteiten van de EU op het gebied van conflictpreventie en bemiddeling;

36.  wenst dat alle samenwerkingsactiviteiten, opleidingen en interventies afgestemd worden op en tegemoet komen aan de behoeften en ambities van jonge vrouwen en mannen, rekening houdend met de verschillende manieren waarop gewelddadige conflicten van invloed zijn op hun leven en toekomst, alsook met de waardevolle bijdragen die zij kunnen leveren aan het voorkomen en oplossen van gewelddadige conflicten;

De versterking van de rol en de capaciteit van organisaties uit het maatschappelijk middenveld in de aanpak van de EU ten aanzien van conflictpreventie en bemiddeling

37.  is van mening dat rekening moet worden gehouden met de rol van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, zowel met het oog op de algemene aanpak van de EU ten aanzien van de opbouw van capaciteit als met het oog op haar prioriteiten op dat gebied;

38.  onderstreept het belang van maatregelen voor vertrouwensopbouw en contacten van mens tot mens in conflictpreventie en -oplossing;

39.  dringt erop aan dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld, en dan met name organisaties die gespecialiseerd zijn in de rechten van vrouwen en minderheden, moeten worden geraadpleegd met het oog op de vaststelling en tenuitvoerlegging van EU-programma's en beleidslijnen inzake vrede, veiligheid en bemiddeling;

De beschikbaarheid van financiële en begrotingsmiddelen voor de conflictpreventie en bemiddeling van de EU

40.  is van mening dat ten gevolge van de steeds groter wordende uitdagingen niet alleen meer financiële middelen aan conflictpreventie moeten worden toegekend maar ook in speciale personele capaciteit moet worden voorzien;

41.  wenst dat er voldoende gereserveerde financiële middelen worden vrijgemaakt voor de conflictpreventie en bemiddeling van de EU in het kader van het volgende meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027;

42.  vraagt de VV/HV om het Parlement op de hoogte te brengen van de stand van zaken ten aanzien van het EDEO-begrotingsonderdeel dat specifiek gericht is op conflictanalyse en conflictgevoeligheid, vroegtijdige waarschuwing, de ondersteuning van bemiddeling en de toekomstige prioriteiten op dit gebied;

o
o   o

43.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Commissie, de voorzitter van de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de EDEO, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de Commissie, de OVSE, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 130.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0312.
(3) PB L 335 van 15.12.2017, blz. 6.

Juridische mededeling - Privacybeleid