Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 26 maart 2019 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jørn Dohrmann
 Representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten ***I
 Protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst EU-Israël (toetreding van Kroatië) ***
 Brede overeenkomst EU-Oezbekistan
 Einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd ***I
 Gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit ***I
 Interne markt voor elektriciteit ***I
 Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators ***I
 Risicoparaatheid in de elektriciteitssector ***I
 Etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters ***I
 Auteursrechten in de digitale eengemaakte markt ***I
 Overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten ***I
 Overeenkomsten voor de verkoop van goederen ***I
 Visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) ***I
 Onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van milieubeleid ***I
 Speciale voorschriften voor de maximumlengte van cabines ***I
 Koolstofarme benchmarks en benchmarks met een positieve koolstofbalans ***I
 Specifieke bepalingen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) ***I
 Grondrechten van mensen van Afrikaanse afkomst
 Verslag over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking
 Institutionele kaderovereenkomst EU-Zwitserland
 Kwijting 2017: Algemene begroting EU - Commissie en uitvoerende agentschappen
 Kwijting 2017: Speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2017
 Kwijting 2017: Algemene begroting EU – 8e, 9e, 10e en 11e EOF
 Kwijting 2017: Algemene begroting EU – Europees Parlement
 Kwijting 2017: Algemene begroting EU - Europese Raad en Raad
 Kwijting 2017: Algemene begroting EU - Hof van Justitie
 Kwijting 2017: Algemene begroting EU - Rekenkamer
 Kwijting 2017: Algemene begroting EU - Europees Economisch en Sociaal Comité
 Kwijting 2017: Algemene begroting EU - Comité van de Regio's
 Kwijting 2017: Algemene begroting EU - Europese Dienst voor extern optreden
 Kwijting 2017: Algemene begroting EU - Europese Ombudsman
 Kwijting 2017: Algemene begroting EU - Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
 Kwijting 2017: functioneren, financieel beheer en controle van de agentschappen van de EU
 Kwijting 2017: Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER)
 Kwijting 2017: Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec)
 Kwijting 2017: Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT)
 Kwijting 2017: Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop)
 Kwijting 2017: Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol)
 Kwijting 2017: Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)
 Kwijting 2017: Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO)
 Kwijting 2017: Europese Bankautoriteit (EBA)
 Kwijting 2017: Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC)
 Kwijting 2017: Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA)
 Kwijting 2017: Europees Milieuagentschap (EEA)
 Kwijting 2017: Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA)
 Kwijting 2017: Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA)
 Kwijting 2017: Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE)
 Kwijting 2017: Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa)
 Kwijting 2017: Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT)
 Kwijting 2017: Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)
 Kwijting 2017: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD)
 Kwijting 2017: Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA)
 Kwijting 2017: Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa)
 Kwijting 2017: Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA)
 Kwijting 2017: Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA)
 Kwijting 2017: Europese Stichting voor opleiding (ETF)
 Kwijting 2017: Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA)
 Kwijting 2017: Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA)
 Kwijting 2017: Voorzieningsagentschap van Euratom (ESA)
 Kwijting 2017: Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound)
 Kwijting 2017: Europese Eenheid voor justitiële samenwerking (Eurojust)
 Kwijting 2017: Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol)
 Kwijting 2017: Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA)
 Kwijting 2017: Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex)
 Kwijting 2017: Europees GNSS-Agentschap (GSA)
 Kwijting 2017: Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (BBI)
 Kwijting 2017: Gemeenschappelijke Onderneming Clean Sky 2
 Kwijting 2017: Gemeenschappelijke Onderneming elektronische componenten en systemen voor Europees leiderschap (Ecsel)
 Kwijting 2017: Gemeenschappelijke Onderneming brandstofcellen en waterstof 2 (FCH2)
 Kwijting 2017: Gemeenschappelijke Onderneming voor het initiatief innovatieve geneesmiddelen 2 (IMI 2)
 Kwijting 2017: Gemeenschappelijke Onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie
 Kwijting 2017: Gemeenschappelijke Onderneming Sesar
 Kwijting 2017: Gemeenschappelijke Onderneming Shift2Rail (SHIFT2RAIL)

Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jørn Dohrmann
PDF 122kWORD 50k
Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jørn Dohrmann (2018/2277(IMM))
P8_TA(2019)0221A8-0178/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek van de minister van Justitie van het Koninkrijk Denemarken om opheffing van de immuniteit van Jørn Dohrmann, dat op 6 november 2018 werd ingediend door de permanente vertegenwoordiger van Denemarken bij de Europese Unie in verband met een strafrechtelijke procedure op grond van § 260, lid 1, punt 1, § 291, lid 1, en § 293, lid 1, juncto § 21 van het Deense wetboek van strafrecht, en van de ontvangst waarvan op 28 november 2018 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Jørn Dohrmann te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien § 57 van de grondwet van het Koninkrijk Denemarken,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0178/2019),

A.  overwegende dat de openbaar aanklager van Viborg een verzoek om opheffing van de immuniteit van Jørn Dohrmann, Deens lid van het Europees Parlement, heeft ingediend in verband met de in § 260, lid 1, punt 1), § 291, lid 1, en § 293, lid 1, juncto § 21 van het Deense wetboek van strafrecht genoemde strafbare feiten; overwegende, meer bepaald, dat het lid wordt verdacht van het onrechtmatig uitoefenen van dwang, het wederrechtelijk beschadigen van een goed dat aan een ander toebehoort en een poging tot het wederrechtelijk gebruiken van een goed dat aan een ander toebehoort;

B.  overwegende dat Jørn Dohrmann op 26 april 2017 in de nabijheid van zijn woning in Vamdrup een camera heeft afgepakt van een cameraman die van een afstand van circa 195 meter filmopnamen maakte van het huis van Dohrmann voor een televisiedocumentaire over een aantal Deense leden van het Europees Parlement; overwegende dat Jørn Dohrmann heeft gedreigd de camera kapot te gooien; overwegende dat Dohrmann genoemde camera (onder meer de microfoon, het scherm en de kabel) heeft beschadigd; overwegende dat hij de camera met geheugenkaart heeft ingenomen omdat hij de opnames wilde bekijken, hetgeen een vorm van wederrechtelijk gebruik is, maar dat hij daarvan werd weerhouden door de politie, die ter plaatse kwam en de camera en de geheugenkaart, die door Dohrmann uit de camera was verwijderd, in beslag nam;

C.  overwegende dat de cameraman in eerste instantie werd aangeklaagd op grond van § 264a van het Deense wetboek van strafrecht vanwege het wederrechtelijk fotograferen van personen die zich op hun eigen grondgebied bevinden; overwegende dat de openbaar aanklager heeft geadviseerd de aanklacht te laten vallen omdat opzet niet bewezen kon worden (en opzet een bestanddeel is van de delictsomschrijving van § 264a van het Deense wetboek van strafrecht en dus voor een veroordeling bewezen moet worden);

D.  overwegende dat de politie van Zuidoost-Jutland erop heeft gewezen dat de organisatie waarbij de journalist in dienst was en die de eigenaar van de camera was in casu compensatie voor de geleden schade vordert ter hoogte van 14 724,71 DKK, en dat zaken waarin sprake is van wederrechtelijke beschadiging, diefstal, toe-eigening e.d. waarop een boete staat, via de rechter moeten worden beslecht als de benadeelde partij een schadevergoeding vordert;

E.  overwegende dat de openbaar aanklager in de zaak tegen Jørn Dohrmann in eerste instantie adviseerde tot het opleggen van een boete ter hoogte van 20 000 DKK in plaats van een vrijheidsstraf, zonder verdere formele aanklacht;

F.  overwegende dat Jørn Dohrmann de beschuldigingen ontkent; overwegende dat het openbaar ministerie heeft aangegeven dat het in dat geval niet consistent is om te streven naar een buitengerechtelijke schikking met een vaste boete;

G.  overwegende dat de bevoegde autoriteit een verzoek heeft ingediend om opheffing van de immuniteit van het EP-lid om hem te kunnen vervolgen;

H.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement uit hoofde van artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

I.  overwegende dat in § 57, lid 1, van de Deense grondwet is bepaald dat leden van het Deense parlement, behoudens in geval van betrapping op heterdaad, niet kunnen worden aangeklaagd en niet op enigerlei wijze gevangen kunnen worden genomen zonder dat het Deense parlement daarmee instemt; overwegende dat deze bepaling bescherming biedt tegen strafvervolging door het openbaar ministerie, maar niet tegen particuliere strafvervolging; overwegende dat als aan de voorwaarden wordt voldaan om de zaak te schikken via buitengerechtelijke geschillenbeslechting met een vaste boete, instemming van het Deense parlement niet nodig is;

J.  overwegende dat de reikwijdte van de immuniteit die aan leden van het Deense parlement wordt geboden, feitelijk overeenkomt met die van de immuniteit uit hoofde van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voor leden van het Europees Parlement; overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat een mening slechts door de immuniteit wordt gedekt indien zij door een lid van het Parlement is uitgebracht "in de uitoefening van [zijn of haar] ambt", zodat een verband vereist is tussen de meningsuiting en het parlementaire ambt; overwegende dat dit verband rechtstreeks moet zijn en duidelijk;

K.  overwegende dat de bewuste feiten geen betrekking hebben op een mening die Jørn Dohrmann in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit dan wel een stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en dus niet duidelijk of rechtstreeks van invloed zijn op de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement;

L.  overwegende dat er geen bewijs of reden is om fumus persecutionis te vermoeden;

1.  besluit de immuniteit van Jørn Dohrmann op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de minister van Justitie van het Koninkrijk Denemarken en aan Jørn Dohrmann.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten ***I
PDF 305kWORD 89k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG (COM(2018)0184 – C8-0149/2018 – 2018/0089(COD))
P8_TA(2019)0222A8-0447/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0184),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0149/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn ingediend door de Oostenrijkse Bondsraad en de Zweedse Rijksdag, en waarin het ontwerp van wetgevingshandeling in strijd met het subsidiariteitsbeginsel wordt geacht,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 september 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 10 oktober 2018(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie vervoer en toerisme (A8-0447/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG

P8_TC1-COD(2018)0089


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité der Regio's(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Deze richtlijn heeft ten doel het voor bevoegde vertegenwoordigende instanties die de collectieve belangen van consumenten vertegenwoordigen, mogelijk te maken verhaal te halen door het instellen van representatieve vorderingen in geval van inbreuken op bepalingen van het Unierecht. De bevoegde vertegenwoordigende instanties moeten om de beëindiging of het verbod van een inbreuk of om de bevestiging dat een inbreuk heeft plaatsgevonden, kunnen verzoeken, en verhaal kunnen halen, onder meer in de vorm van schadeloosstelling, terugbetaling van het betaalde bedrag, reparatie, vervanging, terugname, prijsvermindering of beëindiging van de overeenkomst, al naar gelang de mogelijkheden die de nationale wetgeving biedt. [Am. 1]

(2)  Richtlijn 2009/22/EG van het Europees Parlement en de Raad(6) maakte het voor bevoegde vertegenwoordigende instanties mogelijk om representatieve vorderingen in te stellen die hoofdzakelijk strekten tot de beëindiging en het verbod van inbreuken op het Unierecht die de collectieve belangen van consumenten schaden. Die richtlijn bood echter onvoldoende oplossingen voor problemen in verband met de handhaving van consumentenrecht. Om onrechtmatige praktijken beter tegen te gaan, goed en verantwoord ondernemen te bevorderen en ervoor te zorgen dat consumenten minder schade lijden, moet het mechanisme voor de bescherming van collectieve belangen van consumenten worden verbeterd. Gelet op het grote aantal wijzigingen is het omwille van de duidelijkheid passend om Richtlijn 2009/22/EG te vervangen. Er is een grote behoefte aan optreden door de Unie overeenkomstig artikel 114 VWEU, teneinde de toegang tot de rechter en een goede rechtsbedeling te waarborgen, omdat daarmee de kosten en lasten in verband met individuele vorderingen zullen afnemen. [Am. 2]

(3)  Een representatieve vordering moet een effectieve en efficiënte manier bieden om de collectieve belangen van consumenten te beschermen tegen zowel binnenlandse als grensoverschrijdende inbreuken. Zij moet het mogelijk maken dat bevoegde vertegenwoordigende instanties optreden om ervoor te zorgen dat de relevante bepalingen van het Unierecht worden nageleefd en hindernissen overwinnen worden overwonnen waarmee consumenten in geval van individuele vorderingen te maken hebben, zoals de onzekerheid over hun rechten en de beschikbare procedurele mechanismen, eerdere ervaringen met niet-succesvolle vorderingen, buitengewoon lange procedures, psychologische barrières om actie te ondernemen en het negatieve evenwicht tussen de verwachte kosten en baten van de individuele vordering, en daarmee een bijdrage leveren aan de rechtszekerheid voor zowel eisers als gedaagden, en tevens aan de rechtszekerheid binnen het rechtsstelsel. [Am. 3]

(4)  Het is belangrijk te zorgen voor de noodzakelijke balans tussen toegang tot de rechter en procedurele waarborgen tegen misbruik van procesrecht, die de mogelijkheid voor ondernemingen om op de interne markt te opereren, zouden kunnen belemmeren zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Om misbruik van representatieve vorderingen te voorkomen, moeten elementen als punitieve schadevergoeding en gebrek aan beperkingen met betrekking tot het recht een vordering in te stellen namens de benadeelde consumenten, worden vermeden en duidelijke regels worden vastgesteld inzake diverse procedurele aspecten, zoals de aanwijzing van bevoegde vertegenwoordigende instanties, de herkomst van hun financiële middelen en de aard van de informatie die ter ondersteuning van de representatieve vordering wordt vereist. Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan nationale regels inzake de verwijzing in proceskosten. De in het ongelijk gestelde partij dient in de proceskosten te worden verwezen. Het gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij echter niet veroordelen tot het betalen van kosten die onnodig zijn gemaakt of die niet in verhouding staan tot de vordering [Am. 4]

(5)  Inbreuken die de collectieve belangen van consumenten schaden, hebben vaak grensoverschrijdende gevolgen. Wanneer er in de Unie meer effectieve en efficiënte vorderingen zouden kunnen worden ingesteld, zouden consumenten meer vertrouwen in de interne markt hebben en hun rechten beter kunnen uitoefenen.

(6)  De richtlijn dient een reeks gebieden te bestrijken, zoals gegevensbescherming, financiële diensten, reizen en toerisme, energie, telecommunicatie, en milieu en gezondheid. Zij dient inbreuken te omvatten op bepalingen van het Unierecht die de collectieve belangen van consumenten beschermen, ongeacht of deze laatsten in de relevante Uniewetgeving worden aangeduid als consumenten dan wel als reizigers, gebruikers, klanten, niet-professionele beleggers, niet-professionele beleggers cliënten, of anderszins, alsook de collectieve belangen van personen op wie gegevens betrekking hebben ("betrokkenen") in de zin van de algemene verordening gegevensbescherming. Om een passende reactie te waarborgen op de zich qua vorm en omvang snel ontwikkelende inbreuken op het Unierecht, moet telkens wanneer een nieuwe handeling van de Unie wordt vastgesteld die relevant is voor de bescherming van de collectieve belangen van consumenten, worden overwogen of de bijlage bij de onderhavige richtlijn niet moet worden gewijzigd zodat deze richtlijn op die handeling van toepassing wordt. [Am. 5]

(6 bis)  Deze richtlijn is van toepassing op representatieve vorderingen die worden ingesteld wegens inbreuken met grote gevolgen voor consumenten die verband houden met de in bijlage I opgenomen bepalingen van het recht van de Unie. Gevolgen worden geacht groot te zijn als twee consumenten geraakt worden. [Am. 6]

(7)  De Commissie heeft wetgevingsvoorstellen vastgesteld voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en Verordening (EG) nr. 2027/97 betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders met betrekking tot het luchtvervoer van passagiers en hun bagage en voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer. Het is daarom passend te bepalen dat de Commissie één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn beoordeelt of de Unieregels op het gebied van de rechten van vliegtuigpassagiers en treinreizigers een afdoende niveau van consumentenbescherming bieden dat vergelijkbaar is met dat waarin deze richtlijn voorziet en de eventuele noodzakelijke conclusies trekt met betrekking tot het toepassingsgebied van deze richtlijn.

(8)  Voortbouwend op Richtlijn 2009/22/EG dient deze richtlijn zowel op binnenlandse als grensoverschrijdende inbreuken betrekking te hebben, met name wanneer de consumenten op wie een inbreuk betrekking heeft in een of meer andere lidstaten wonen dan de lidstaat van vestiging van de handelaar die inbreuk maakt. Zij dient ook betrekking te hebben op inbreuken die zijn gestaakt voordat de representatieve vordering werd ingesteld of voltooid, aangezien het nog altijd noodzakelijk kan zijn herhaling van de praktijk te voorkomen, vast te stellen dat een bepaalde praktijk een inbreuk inhield en verhaal door de consument te vergemakkelijken.

(9)  Deze richtlijn mag geen regels vaststellen van internationaal privaatrecht betreffende de rechtsmacht, de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen of toepasselijk recht. Op de in deze richtlijn vermelde representatieve vorderingen zijn de bestaande rechtsinstrumenten van de Unie van toepassing, waarbij een toename van forumshopping wordt voorkomen. [Am. 7]

(9 bis)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de toepassing de voorschriften van de Unie inzake internationaal privaatrecht in grensoverschrijdende zaken. Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking – Brussel I), Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) en Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) zijn van toepassing op de in deze richtlijn vermelde representatieve vorderingen. [Am. 8]

(10)  Aangezien alleen bevoegde entiteiten vertegenwoordigende instanties representatieve vorderingen kunnen instellen, moeten zij voldoen aan de door deze richtlijn vastgestelde criteria, om ervoor te zorgen dat de collectieve belangen van consumenten passend worden vertegenwoordigd. Met name moeten zij naar behoren zijn opgericht volgens het recht van een lidstaat, waarbij het bij voorbeeld kan bijvoorbeeld moet gaan om vereisten ten aanzien van het aantal leden en de mate van permanentie of om vereisten inzake transparantie over relevante aspecten van hun structuur, zoals hun oprichtingsstatuten, beheersstructuur, doelstellingen en werkmethoden. Ook mogen zij geen winstoogmerk hebben en dienen zij een legitiem belang te hebben bij het verzekeren van de naleving van het desbetreffende Unierecht. Deze criteria dienen zowel op de van tevoren aangewezen bevoegde entiteiten van toepassing te zijn, als op de entiteiten met een ad hoc-bevoegdheid die met het oog op een specifieke vordering in het leven zijn geroepen. Voorts moeten de bevoegde vertegenwoordigende instanties onafhankelijk zijn, onder meer in financieel opzicht, van marktdeelnemers. Daarnaast moeten bevoegde vertegenwoordigende instanties beschikken over een vaste procedure ter voorkoming van belangenconflicten. De lidstaten mogen geen criteria hanteren die verder gaan dan de in deze richtlijn vastgestelde criteria [Am. 9]

(11)  Met name onafhankelijke overheidsinstanties en consumentenorganisaties dienen actief ervoor te zorgen dat de relevante bepalingen van het Unierecht worden nageleefd en zijn bij uitstek geschikt om als bevoegde instanties op te treden. Aangezien deze instanties toegang hebben tot diverse informatiebronnen met betrekking tot de praktijken van handelaren ten opzichte van consumenten en qua activiteiten verschillende prioriteiten hebben, moeten lidstaten vrij zijn om te beslissen om welke soorten maatregelen elk van deze bevoegde instanties in het kader van representatieve vorderingen kan verzoeken.

(12)  Aangezien zowel gerechtelijke als administratieve procedures effectief en efficiënt kunnen bijdragen tot de bescherming van de collectieve belangen van consumenten, wordt het aan de lidstaten overgelaten om te bepalen of de representatieve vordering kan worden ingesteld in het kader van een gerechtelijke dan wel een administratieve procedure of in het kader van deze beide procedures, afhankelijk van het desbetreffende rechtsgebied of de desbetreffende economische sector. Dit doet geen afbreuk aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte krachtens artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, in het kader waarvan de lidstaten ervoor moeten zorgen dat consumenten en ondernemingen het recht hebben om bij een gerechtelijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen tegen een administratief besluit dat ingevolge nationale bepalingen ter uitvoering van deze richtlijn is genomen. Daarbij moeten partijen ook een besluit kunnen verkrijgen tot opschorting van de uitvoering van het bestreden besluit, overeenkomstig het nationale recht.

(13)  Om de procedurele effectiviteit van representatieve vorderingen te vergroten, dienen bevoegde entiteiten de mogelijkheid te hebben om in het kader van een enkele representatieve vordering dan wel in het kader van afzonderlijke representatieve vorderingen om verschillende maatregelen te verzoeken. Deze maatregelen moeten ook kunnen bestaan in voorlopige maatregelen tot staking van een praktijk of het verbod van een praktijk wanneer deze niet plaats heeft gevonden, maar het gevaar bestaat dat deze consumenten ernstige of onomkeerbare schade zou berokkenen, maatregelen waarbij wordt vastgesteld dat een bepaalde praktijk een rechtsinbreuk inhoudt en die praktijk zo nodig wordt gestaakt of in het vervolg wordt verboden, alsook maatregelen waarbij de aanhoudende gevolgen van de inbreuk worden opgeheven, waaronder herstel. Wanneer zij maar een enkele vordering instellen, dienen bevoegde instanties bij de instelling van de vordering om alle relevante maatregelen te kunnen verzoeken dan wel eerst om het relevante bevel en vervolgens en indien passend om een bevel tot herstel te kunnen verzoeken.

(14)  Een bevel is gericht op de bescherming van de collectieve belangen van consumenten, ongeacht het eventuele verlies of de eventuele schade die individuele consumenten feitelijk hebben geleden. Bij een bevel kunnen handelaren worden verplicht tot het nemen van specifieke maatregelen, zoals het verstrekken van informatie aan consumenten die eerder in strijd met wettelijke verplichtingen werd achtergehouden. Bij besluiten waarbij wordt vastgesteld dat een praktijk een inbreuk inhoudt, mag de vraag of de praktijk met opzet of door nalatigheid plaatsvond, geen rol spelen.

(15)  De bevoegde entiteit instantie die de representatieve vordering krachtens deze richtlijn instelt, dient partij bij de procedure te zijn. De consumenten op wie de inbreuk betrekking heeft, moeten over passende mogelijkheden beschikken om voordeel te hebben van informatie krijgen over de relevante resultaten van de representatieve vordering en over de manier waarop zij daarvan kunnen profiteren. Een krachtens deze richtlijn uitgevaardigd bevel mag geen afbreuk doen aan individuele vorderingen die zijn ingesteld door consumenten die schade hebben geleden door de praktijk waarop het bevel van toepassing is. [Am. 10]

(16)  Bevoegde vertegenwoordigende instanties dienen ook om maatregelen te kunnen verzoeken tot opheffing van de aanhoudende gevolgen van de inbreuk. Deze maatregelen dienen de vorm aan te nemen van een bevel tot herstel waarbij de handelaar wordt verplicht om te zorgen voor onder andere schadeloosstelling, reparatie, vervanging, terugname, prijsvermindering, beëindiging van de overeenkomst of terugbetaling van de betaalde prijs, al naargelang dat passend en op grond van nationale wetgeving mogelijk is.

(17)  De schadevergoeding die consumenten wordt toegekend in een situatie van massaschade mag niet hoger zijn dan het bedrag dat de handelaar overeenkomstig de toepasselijke nationale of Uniewetgeving verschuldigd is om de feitelijke schade te dekken die zij hebben geleden. Met name moet punitieve schadevergoeding, die tot overcompensatie leidt van de geleden schade ten gunste van de eisende partij, worden vermeden. [Am. 11]

(18)  De lidstaten kunnen moeten van bevoegde vertegenwoordigende instanties eisen dat zij voldoende informatie verstrekken ter ondersteuning van een representatieve vordering tot herstel, zoals een beschrijving van de groep consumenten waarop een inbreuk betrekking heeft en de feitelijke en juridische kwesties die in het kader van de representatieve vordering moeten worden opgelost. Van de bevoegde instantie mag niet worden geëist dat deze alle consumenten op wie een inbreuk betrekking heeft individueel identificeert alvorens de vordering in te stellen. Bij representatieve vorderingen tot herstel moet de rechter of administratieve autoriteit zo vroeg mogelijk in de procedure nagaan of de zaak geschikt is om het voorwerp van een representatieve vordering te vormen, gelet op de aard van de inbreuk en de kenmerken van de door de betrokken consumenten geleden schade. Met name moeten de vorderingen controleerbaar en uniform zijn, moeten de gevraagde maatregelen een gemeenschappelijk karakter hebben, en moet de regeling inzake financiering door derden van de bevoegde instantie transparant zijn en mag er daarbij geen sprake zijn van enig belangenconflict. De lidstaten moeten tevens waarborgen dat de rechter of administratieve autoriteit de bevoegdheid heeft om kennelijk ongegronde zaken in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure te verwerpen. [Am. 12]

(19)  Lidstaten moeten kunnen beslissen of hun rechter of nationale autoriteit bij wie een representatieve vordering tot herstel is ingediend, bij wijze van uitzondering in plaats van een bevel tot herstel een declaratoir besluit mag uitvaardigen inzake de aansprakelijkheid van de handelaar jegens de consumenten die schade hebben geleden door een inbreuk, waarop individuele consumenten zich bij een volgende vordering tot herstel rechtstreeks kunnen beroepen. Deze mogelijkheid moet beperkt blijven tot naar behoren gemotiveerde gevallen waarin de kwantificering van de individuele schadeloosstelling die moet worden toegekend aan elk van de consumenten op wie de representatieve vordering betrekking heeft, complex is en het niet efficiënt zou zijn deze in het kader van de representatieve vordering uit te voeren. Declaratoire besluiten mogen niet worden uitgevaardigd in situaties die niet complex zijn, met name niet wanneer de betrokken consumenten kunnen worden geïdentificeerd en de consumenten een vergelijkbare schade hebben geleden met betrekking tot een bepaalde periode of aankoop. Evenzo mogen er geen declaratoire besluiten worden uitgevaardigd wanneer het bedrag van de door elk van de consumenten geleden schade zo klein is dat het niet waarschijnlijk is dat individuele consumenten individueel herstel zullen vorderen. De rechter of nationale autoriteit dient zijn keuze voor een declaratoir besluit in plaats van een bevel tot herstel in een specifiek geval, naar behoren te motiveren. [Am. 13]

(20)  Wanneer consumenten op wie eenzelfde praktijk betrekking heeft, geïdentificeerd kunnen worden en vergelijkbare schade hebben geleden met betrekking tot bepaalde een periode of aankoop, zoals in het geval van langdurige consumentenovereenkomsten, kan de rechter of administratieve autoriteit de groep consumenten op wie de inbreuk betrekking heeft, in de loop van de behandeling van de representatieve vordering duidelijk definiëren. Met name zou de rechter of administratieve autoriteit de handelaar die inbreuk maakt, kunnen vragen om relevante informatie te verstrekken, zoals de identiteit van de betrokken consumenten en de duur van de praktijk. Om redenen van snelheid en efficiëntie zouden lidstaten in deze gevallen kunnen overwegen om consumenten overeenkomstig hun nationale wetgeving de mogelijkheid te bieden rechtstreeks voordeel te genieten van een bevel tot herstel na de uitvaardiging daarvan, zonder dat zij vóór de uitvaardiging van het bevel tot herstel hun individuele mandaat hoeven te verlenen. [Am. 14]

(21)  In zaken waarin het om een geringe waarde gaat, zullen consumenten waarschijnlijk geen vordering instellen om hun rechten te doen gelden, aangezien het individuele voordeel niet zou opwegen tegen de vereiste inspanning. Wanneer eenzelfde praktijk een aantal consumenten betreft, kan het gecumuleerde verlies echter aanzienlijk zijn. In dergelijke gevallen kan een rechter of autoriteit van mening zijn dat het onevenredig is om de schadevergoeding aan de betrokken consumenten uit te keren, bijvoorbeeld omdat dit te belastend of onuitvoerbaar is. De schadevergoeding die via een representatieve vordering is verkregen, zou daarom beter de bescherming van collectieve belangen van consumenten ten goede komen en moeten worden aangewend voor een relevant publiek doel, zoals een fonds voor rechtsbijstand aan consumenten, voorlichtingscampagnes of consumentenbewegingen. [Am. 15]

(22)  Maatregelen die gericht zijn op de opheffing van de aanhoudende gevolgen van een inbreuk kunnen alleen worden gevorderd op basis van een definitief besluit waarbij een inbreuk is vastgesteld op het binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallend Unierecht, die het collectieve belang van consumenten schaadt, zoals een in het kader van de representatieve vordering uitgevaardigd definitief bevel. Maatregelen tot opheffing van de aanhoudende gevolgen van de inbreuk kunnen met name worden gevorderd op basis van definitieve besluiten van een rechter of administratieve autoriteit in het kader van handhavingsactiviteiten die worden geregeld bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004(7).

(23)  Deze richtlijn voorziet in een procedureel mechanisme, dat niet van invloed is op de regels tot vaststelling van materiele materiële rechten van consumenten op contractuele en niet-contractuele rechtsmiddelen wanneer hun belangen door een inbreuk zijn geschonden, zoals het recht op schadevergoeding, beëindiging van de overeenkomst, terugbetaling, vervanging, terugname, reparatie of prijsvermindering. Een representatieve vordering waarbij op grond van deze richtlijn herstel wordt gevorderd, kan alleen worden ingesteld wanneer het Unierecht of het nationale recht in dergelijke materiële rechten voorziet. [Am. 16]

(24)  Deze richtlijn beoogt minimumharmonisatie en vervangt bestaande nationale mechanismen voor collectief verhaal niet. Rekening houdend met de rechtstradities van de lidstaten, laat deze richtlijn het aan de beslissing van deze laatstgenoemde over of zij de hierin bedoelde representatieve vordering vorm geven als onderdeel van een bestaand of toekomstig mechanisme voor collectief verhaal dan wel als een alternatief daarvoor, mits het nationale mechanisme voldoet aan de in deze richtlijn vastgestelde modaliteiten. Deze richtlijn belet de lidstaten niet hun bestaande kaders te behouden en verplicht de lidstaten evenmin tot het wijzigen van hun bestaande kaders. De lidstaten krijgen de mogelijkheid om de in deze richtlijn opgenomen regels in hun eigen systeem voor collectief verhaal te integreren of ze in een afzonderlijke procedure op te nemen. [Am. 17]

(25)  Bevoegde vertegenwoordigende instanties dienen volledig transparant te zijn over de bron van financiering van hun activiteit in het algemeen en over de middelen ter ondersteuning van een specifieke representatieve vordering tot herstel, om rechters of administratieve autoriteiten in staat te stellen te beoordelen of er een belangenconflict kan bestaan tussen de derde partij-financier en de bevoegde instantie en om het gevaar van misbruik van procesrecht te vermijden, alsook om te beoordelen of de derde partij-financier bevoegde instantie over voldoende middelen beschikt om aan zijn financiële verplichtingen jegens de bevoegde instantie de belangen van de betrokken consumenten te dienen en de proceskosten te voldoen dragen als de vordering uitmondt in een afwijzing. De informatie die de bevoegde instantie in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure aan de rechter of administratieve autoriteit verstrekt die de representatieve vordering beoordeelt, moet deze in staat stellen om te beoordelen of de derde partij procedurele beslissingen van de bevoegde entiteit instantie in het algemeen en in het kader van de representatieve vordering kan beïnvloeden, onder meer in geval van schikkingen, en of de derde partij financiële middelen verstrekt voor een representatieve vordering tot herstel jegens een verweerder die zijn concurrent is of jegens een verweerder van wie hij afhankelijk is. Als van een van deze situaties sprake blijkt te zijn, dient de rechter of administratieve autoriteit de bevoegdheid te hebben om de bevoegde instantie ertoe te verplichten om de desbetreffende financiering te weigeren en om, zo nodig, de procesbevoegdheid van de bevoegde instantie in een specifiek geval te verwerpen. De lidstaten moeten voorkomen dat advocatenkantoren bevoegde vertegenwoordigende instanties oprichten. Indirecte financiering van de vordering door middel van donaties, waaronder donaties van handelaren in het kader van initiatieven voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, komt in aanmerking als financiering door derden, mits voldaan is aan de vereisten inzake transparantie, onafhankelijkheid en het ontbreken van belangenconflicten als bedoeld in de artikelen 4 en 7. [Am. 18]

(26)  Collectieve buitengerechtelijke schikkingen, zoals bemiddeling, waarbij benadeelde consumenten herstel wordt geboden, moeten worden aangemoedigd, zowel vóór de instelling van de representatieve vordering als tijdens eender welk stadium daarvan. [Am. 19]

(27)  Lidstaten kunnen bepalen dat een bevoegde instantie en een handelaar die een schikking hebben getroffen over herstel voor consumenten die het slachtoffer zijn van een beweerdelijk illegale praktijk van die handelaar, gezamenlijk een rechter of administratieve autoriteit kunnen verzoeken om die schikking goed te keuren. Een dergelijk verzoek mag door de rechter of administratieve autoriteit alleen worden toegelaten wanneer er geen andere representatieve vordering inzake dezelfde praktijk aanhangig is. Een bevoegde rechter of administratieve autoriteit die een dergelijke collectieve schikking goedkeurt, dient rekening te houden met de belangen en rechten van alle betrokken partijen, met inbegrip van individuele consumenten. De betrokken individuele consumenten dienen de mogelijkheid te krijgen om te aanvaarden of te weigeren door een dergelijke schikking gebonden te zijn. Schikkingen moeten onherroepelijk zijn en bindend voor alle partijen [Am. 20]

(28)  De rechter en de administratieve autoriteiten dienen de bevoegdheid te hebben de handelaar die inbreuk maakt en de bevoegde instantie die de representatieve vordering heeft ingesteld, uit te nodigen om onderhandelingen te beginnen teneinde tot een schikking te komen over het herstel dat de betrokken consumenten moet worden geboden. Bij het besluit of partijen worden uitgenodigd om een geschil buitengerechtelijk te beslechten, moet rekening worden gehouden met het soort inbreuk waarop de vordering betrekking heeft, de kenmerken van de betrokken consumenten, de mogelijke vormen van het te bieden herstel, de bereidheid van partijen om te schikken en de snelheid van de procedure.

(29)  Teneinde herstel voor individuele consumenten dat wordt gevorderd op basis van in het kader van representatieve vorderingen afgegeven declaratoire definitieve besluiten inzake de aansprakelijkheid van de handelaar jegens de consumenten die schade van een inbreuk hebben ondervonden, te vereenvoudigen, moet de rechter of administratieve autoriteit die het besluit heeft uitgevaardigd, de bevoegdheid krijgen om van de bevoegde instantie en de handelaar te verlangen dat zij tot een collectieve schikking komen. [Am. 21]

(30)  Elke buitengerechtelijke schikking die wordt bereikt in het kader van een representatieve vordering of is gebaseerd op een definitief declaratoir besluit, moet door de relevante rechter of administratieve autoriteit worden goedgekeurd, om ervoor dat te zorgen dat deze rechtmatig en billijk is, rekening houdend met de belangen en rechten van alle betrokken partijen. De betrokken individuele consumenten dienen de mogelijkheid te krijgen om te aanvaarden of te weigeren door een dergelijke schikking gebonden te zijn. Schikkingen moeten bindend zijn voor alle partijen, onverminderd eventuele andere rechten op herstel die de betrokken consumenten op grond van het recht van de Unie of het nationale recht genieten. [Am. 22]

(31)  Voor het welslagen van een representatieve vordering is het essentieel dat consumenten daarover worden geïnformeerd. Consumenten moeten worden geïnformeerd over aanhangige representatieve vorderingen, het feit dat een praktijk van een handelaar als een rechtsinbreuk is aangemerkt, hun rechten naar aanleiding van de vaststelling van een inbreuk en eventuele vervolgstappen die door de betrokken consumenten moeten worden genomen, met name voor het verkrijgen van herstel. Voor de afschrikking van handelaren die op de rechten van consumenten inbreuk maken, zijn ook de reputatierisico’s in verband met de verspreiding van informatie over de inbreuk van belang.

(32)  Om doeltreffend te zijn, dient de informatie te passen bij de omstandigheden van het geval en daarmee in verhouding te staan. De handelaar die inbreuk maakt, dient lidstaten moeten ervoor zorgen dat de rechter en de administratieve autoriteit van de in het ongelijk gestelde partij kunnen verlangen dat deze alle betrokken consumenten te informeren naar behoren informeert over definitieve bevelen tot onherroepelijke besluiten betreffende staking en bevelen tot herstel herstel die in het kader van een met betrekking tot de representatieve vordering zijn uitgevaardigd, alsook over en dat in geval van een door een rechter of administratieve autoriteit goedgekeurde schikking beide partijen worden geïnformeerd. Dergelijke informatie kan bijvoorbeeld worden verstrekt via de een website van de handelaar, sociale media, online marktplaatsen, of bekende kranten, waaronder kranten die uitsluitend via elektronische communicatiemiddelen worden verspreid. Zo mogelijk moeten consumenten individueel worden geïnformeerd via elektronische of papieren brieven. Deze informatie moet op verzoek worden verstrekt in een formaat dat toegankelijk is voor personen met een handicap. De kosten van het informeren van de consumenten moeten door de in het ongelijk gestelde partij worden gedragen. [Am. 23]

(32 bis)   De lidstaten moeten worden aangespoord om een gratis nationaal register van representatieve vorderingen op te zetten, waarmee de naleving van de transparantieverplichtingen verder kan worden verbeterd. [Am. 24]

(33)  Om de rechtszekerheid te vergroten, inconsistentie bij de toepassing van het Unierecht te vermijden en de effectiviteit en procedurele efficiëntie van representatieve vorderingen en mogelijke vervolgvorderingen tot herstel te vergroten, mag moet de vaststelling van een inbreuk of een niet-inbreuk in een door een administratieve autoriteit of rechterlijke instantie uitgevaardigd definitief besluit, met inbegrip van een definitief bevel krachtens deze richtlijn, niet opnieuw het voorwerp van een geschil vormen in het kader van volgende rechtsvorderingen inzake dezelfde inbreuk door dezelfde handelaar, wat betreft de aard van de inbreuk en de materiele, persoonlijke, temporele en territoriale werkingssfeer daarvan, als bepaald bij dat definitieve besluit bindend zijn voor alle aan de representatieve vordering deelnemende partijen. Het onherroepelijke besluit moet geen afbreuk doen aan eventuele andere rechten op herstel die de betrokken consumenten op grond van het recht van de Unie of het nationale recht genieten. Het door de procedure verkregen herstel moet ook bindend zijn voor andere zaken die betrekking hebben op dezelfde praktijk, dezelfde handelaar en dezelfde consument. Wanneer een vordering die is gericht op maatregelen tot het beëindigen van de aanhoudende gevolgen van de inbreuk, met inbegrip van herstelmaatregelen, wordt ingesteld in een andere lidstaat dan de lidstaat waar een definitief besluit waarbij de betreffende inbreuk of niet-inbreuk is vastgesteld, werd uitgevaardigd, dient er op grond moet dat besluit in gelijksoortige zaken dienen als bewijs voor het bestaan, respectievelijk niet-bestaan,van dat besluit een weerlegbaar vermoeden te bestaan dat de inbreuk heeft plaatsgevonden de inbreuk. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de vaststelling van het bestaan of niet-bestaan van een inbreuk bij een onherroepelijk besluit van een rechter van een lidstaat, in het kader van een andere vordering tot herstel tegen dezelfde handelaar wegens dezelfde inbreuk bij de nationale rechter van een andere lidstaat opgevat moet worden als een weerlegbaar vermoeden van het bestaan, respectievelijk niet-bestaan, van een dergelijke inbreuk.. [Am. 25]

(34)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat individuele vorderingen tot herstel kunnen worden gebaseerd op een definitief declaratoir besluit dat in het kader van een representatieve vordering is uitgevaardigd. Dergelijke vorderingen moeten via snelle en vereenvoudigde procedures kunnen worden ingesteld.

(35)  Vorderingen tot herstel die zijn gebaseerd op de vaststelling van een inbreuk bij een definitief bevel of bij een definitief declaratoir besluit inzake de aansprakelijkheid van de handelaar op grond van deze richtlijn jegens de consumenten die schade hebben geleden, mogen niet worden belemmerd door nationale regels inzake verjaringstermijnen. De instelling van een representatieve vordering moet leiden tot opschorting of onderbreking van de verjaringstermijnen voor eventuele vorderingen tot herstel voor de consumenten waarop deze representatieve vordering betrekking heeft. [Am. 26]

(36)  Representatieve vorderingen waarbij om een bevel wordt gevraagd, moeten met de nodige procedurele snelheid worden behandeld. Een verzoek om een bevel bij wege van voorlopige voorziening moet altijd via een versnelde procedure worden behandeld teneinde eventuele schade of verdere schade als gevolg van de inbreuk te voorkomen.

(37)  Bewijsmateriaal vormt een belangrijk element bij de vaststelling of een bepaalde praktijk een rechtsinbreuk vormt, de vaststelling of er gevaar van herhaling bestaat, de vaststelling op welke consumenten een inbreuk betrekking heeft, het besluit inzake herstel en het passend informeren van consumenten op wie een representatieve vordering betrekking heeft over de aanhangige procedure en de definitieve resultaten daarvan. Betrekkingen tussen ondernemingen en consumenten worden echter gekenmerkt door informatieasymmetrie en het kan zijn dat de handelaar als enige over de noodzakelijke informatie beschikt, waardoor deze voor de bevoegde instantie niet toegankelijk is. Bevoegde instanties moet daarom het recht worden gegeven om de bevoegde rechter of administratieve autoriteit te verzoeken om openbaarmaking door de handelaar van informatie die relevant voor hun vordering is of die nodig is om de betrokken consumenten naar behoren over de representatieve vordering te informeren, zonder dat zij de individuele bewijsstukken hoeven te specificeren. De noodzaak, reikwijdte en evenredigheid van een dergelijke openbaarmaking moeten zorgvuldig worden beoordeeld door de rechter of administratieve autoriteit die de representatieve vordering beoordeelt, rekening houdend met de bescherming van de legitieme belangen van derden en onverminderd het toepasselijke Unierecht en de toepasselijke nationale regels inzake vertrouwelijkheid.

(38)  Om ervoor te zorgen dat de representatieve vorderingen doeltreffend zijn, moeten handelaren die inbreuk maken, doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties kunnen verwachten wanneer zij niet voldoen aan een definitief besluit naar aanleiding van de representatieve vordering.

(39)  Gelet op het feit dat met representatieve vorderingen een algemeen belang wordt nagestreefd in de zin van de bescherming van de collectieve belangen van consumenten, moeten lidstaten ervoor zorgen dat de kosten van de procedures bevoegde vertegenwoordigende instanties er niet ervan van weerhouden om krachtens deze richtlijn representatieve vorderingen in te stellen. Dit laat echter onverlet dat de partij van wie de collectieve vordering wordt afgewezen de door de in het gelijk gestelde partij gedragen noodzakelijke proceskosten dient te vergoeden (het beginsel dat de verliezer betaalt), onder de voorwaarden van het toepasselijke nationale recht. De rechter of de administratieve autoriteit moeten de in het ongelijk gestelde partij echter niet veroordelen tot het betalen van kosten die onnodig zijn gemaakt of die niet in verhouding staan tot de vordering. [Am. 27]

(39 bis)   De lidstaten dienen erop toe te zien dat resultaatafhankelijke honoraria worden voorkomen en dat vergoedingen voor advocaten en de wijze waarop deze worden berekend geen stimulans vormen voor het voeren van rechtszaken die niet in het belang van consumenten of andere betrokken partijen zijn of consumenten belemmeren om ten volle gebruik te maken van de mogelijkheid om een collectieve vordering in te stellen. De lidstaten die resultaatafhankelijke honoraria toestaan, moeten waarborgen dat dergelijke honoraria er niet voor zorgen dat consumenten niet een volledige vergoeding krijgen uitgekeerd. [Am. 28]

(40)  Samenwerking en uitwisseling van informatie, goede praktijken en ervaringen tussen bevoegde vertegenwoordigende instanties van verschillende lidstaten is nuttig gebleken voor de aanpak van grensoverschrijdende inbreuken. Het is nodig de maatregelen op het gebied van capaciteitsopbouw en samenwerking in stand te houden en uit te breiden tot een groter aantal bevoegde vertegenwoordigende instanties in de Unie, zodat vaker representatieve acties met grensoverschrijdende gevolgen worden ingesteld. [Am. 29]

(41)  Om inbreuken met grensoverschrijdende implicaties effectief aan te pakken, moet ervoor worden gezorgd dat de procesbevoegdheid van de bevoegde instanties die in een lidstaat van tevoren zijn aangewezen om in een andere lidstaat representatieve vorderingen in te stellen, wederzijds wordt erkend. Voorts moeten bevoegde instanties uit verschillende lidstaten hun krachten ten overstaan van een enkel forum kunnen bundelen in een enkele representatieve vordering, overeenkomstig de desbetreffende regels inzake rechterlijke bevoegdheid. Omwille van efficiëntie en effectiviteit zou een bevoegde instantie de mogelijkheid moeten hebben om een representatieve vordering in te stellen namens andere bevoegde instanties die consumenten uit verschillende lidstaten vertegenwoordigen.

(41 bis)   Om de mogelijkheid van een procedure voor grensoverschrijdende representatieve vorderingen op het niveau van de Unie te onderzoeken, moet de Commissie onderzoeken of het mogelijk is een Europese Ombudsman voor collectief verhaal in te stellen. [Am. 30]

(42)  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze richtlijn moet dan ook worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met deze rechten en beginselen, waaronder die met betrekking tot het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, alsook het recht van verweer.

(43)  Op het gebied van milieurecht houdt deze richtlijn rekening met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (“Verdrag van Aarhus”).

(44)  De doelstellingen van deze richtlijn, te weten de invoering van een mechanisme inzake representatieve vorderingen voor de bescherming van de collectieve belangen van consumenten teneinde een hoog niveau van consumentenbescherming in de Unie en de goede werking van de interne markt te waarborgen, kunnen niet voldoende worden gerealiseerd door maatregelen van uitsluitend de lidstaten, maar vanwege de grensoverschrijdende gevolgen van representatieve vorderingen beter worden gerealiseerd op het niveau van de Unie. Daarom kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(45)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken(8) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(46)  Het is passend om bepalingen voor de toepassing van deze richtlijn in de tijd vast te stellen,

(47)  Richtlijn 2009/22/EG dient derhalve te worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Hoofdstuk 1

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp

1.  Deze richtlijn bevat regels op grond waarvan bevoegde vertegenwoordigende instanties representatieve vorderingen kunnen instellen ten behoeve van de bescherming van de collectieve belangen van consumenten, met name om een hoog niveau van bescherming en toegang tot de rechter te verwezenlijken en te handhaven en tegelijkertijd te zorgen voor passende waarborgen ter vermijding voorkoming van misbruik van procesrecht. [Am. 31]

2.  Deze richtlijn belet de lidstaten niet bepalingen vast te stellen of te handhaven waarbij bevoegde vertegenwoordigende instanties of eventuele andere betrokkenen overheidsinstanties andere procedurele middelen worden geboden om vorderingen in te stellen met het oog op de bescherming van de collectieve belangen van consumenten op nationaal niveau. De uitvoering van deze richtlijn vormt onder geen beding een reden voor verlaging van het niveau van consumentenbescherming op de door het Unierecht bestreken gebieden. [Am. 32]

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze richtlijn is van toepassing op representatieve vorderingen met grote gevolgen voor consumenten die worden ingesteld inzake inbreuken door handelaren op de in bijlage I vermelde bepalingen van Unierecht die ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten. schaden of kunnen schaden. Zij is van toepassing op binnenlandse en grensoverschrijdende inbreuken, ook wanneer deze inbreuken zijn beëindigd voordat de representatieve vordering werd ingesteld of voordat de representatieve vordering werd afgesloten. [Am. 33]

2.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan voorschriften waarbij contractuele en niet-contractuele rechtsmiddelen worden vastgesteld waarover consumenten met betrekking tot dergelijke inbreuken krachtens de Unie- of nationale wetgeving beschikken.

3.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de voorschriften van de Unie inzake internationaal privaatrecht, in het bijzonder voorschriften met betrekking tot de rechterlijke bevoegdheid en het toepasselijke recht de erkenning en de tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke en handelszaken en regels betreffende het recht dat van toepassing is op contractuele en niet-contractuele verbintenissen, van toepassing op de in deze richtlijn vermelde representatieve vorderingen. [Am. 34]

3 bis.  Deze richtlijn laat andere vormen van collectief verhaal uit hoofde van het nationale recht onverlet. [Am. 35]

3 ter.  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, met name het recht op een eerlijk en onpartijdig proces en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. [Am. 36]

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1)  “consument”: iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit;

(1 bis)  "consumentenorganisatie": elke groep die zich ten doel stelt de belangen van consumenten te beschermen tegen onrechtmatige handelingen of onrechtmatig nalaten door handelaren; [Am. 37]

(2)  “handelaar”: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, ongeacht of deze in publieke of private handen is, die in civiele capaciteit krachtens het burgerlijk recht handelt voor doeleinden die betrekking hebben op zijn handel, bedrijf, ambacht of beroep, waaronder via een andere persoon die in zijn naam of namens hem handelt; [Am. 38]

(3)  “collectieve belangen van consumenten”: de belangen van een aantal consumenten; of van personen op wie gegevens betrekking hebben ("betrokkenen") in de zin van Verordening (EU) 2016/679 (de algemene verordening gegevensbescherming) [Am. 39]

(4)  “representatieve vordering”: een vordering ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten waarbij de betrokken consumenten geen partij zijn;

(5)  “praktijk”: een handelen of nalaten door een handelaar;

(6)  “definitief besluit”: een besluit van een rechter van een lidstaat waartegen geen of niet meer beroep kan worden ingesteld dan wel een besluit van een administratieve autoriteit dat niet meer door de rechter kan worden getoetst;

(6 bis)  "consumentenrecht": het recht van de Unie en het nationale recht ter bescherming van de belangen van consumenten. [Am. 40]

Hoofdstuk 2

Representatieve vorderingen

Artikel 4

Bevoegde vertegenwoordigende instanties [Am. 41]

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat representatieve vorderingen kunnen worden ingesteld door bevoegde instanties die, op hun verzoek, daartoe van tevoren door de lidstaten zijn aangewezen en op een openbaar toegankelijke lijst zijn geplaatst. De lidstaten of hun rechtbanken wijzen binnen hun respectieve grondgebied/jurisdictie ten minste een bevoegde vertegenwoordigende instantie aan die bevoegd is om representatieve vorderingen in de zin van artikel 3, lid 4, in te stellen.

De lidstaten wijzen een instantie als bevoegde vertegenwoordigende instantie aan wanneer deze aan elk van de volgende criteria voldoet: [Am. 42]

a)  zij is naar behoren opgericht volgens het recht van een lidstaat;

b)  zij heeft er uit haar statuut of ander governancedocument en uit haar permanente activiteiten op het gebied van de verdediging en bescherming van de belangen van consumenten blijkt dat zij een legitiem belang heeft bij ervoor te zorgen dat het waarborgen van de naleving van de bepalingen van het Unierecht waarop deze richtlijn betrekking heeft, in acht worden genomen; [Am. 43]

c)  zij heeft geen winstoogmerk.

(c bis)  zij handelt onafhankelijk van andere instanties en van personen die geen consumenten zijn en voor wie de uitkomst van de representatieve vordering in economisch opzicht van belang kan zijn, en met name onafhankelijk van marktdeelnemers; [Am. 44]

(c ter)  zij heeft geen financiële banden met advocatenkantoren die de belangen van eisers behartigen die verder gaan dan een normaal dienstencontract; [Am. 45]

(c quater)  zij heeft interne procedures ingevoerd ter voorkoming van belangenconflicten tussen de bevoegde instantie zelf en haar financiers; [Am. 46]

De lidstaten verlangen van bevoegde vertegenwoordigende instanties dat zij in eenvoudige en duidelijke taal en op passende wijze, bijvoorbeeld op hun website, duidelijk maken hoe zij worden gefinancierd, hoe hun organisatorische structuur en hun bestuursstructuur eruitzien, wat hun doelstellingen en werkmethodes zijn en wat voor activiteiten zij ontplooien.

De lidstaten beoordelen regelmatig of een bevoegde entiteit vertegenwoordigende instantie nog aan deze criteria voldoet. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde vertegenwoordigende instantie haar status uit hoofde van deze richtlijn verliest wanneer zij niet langer aan een of meer van de in lid 1 genoemde criteria voldoet.

De lidstaten stellen een lijst op van vertegenwoordigende instanties die aan de in lid 1 bedoelde criteria voldoen en maken deze lijst openbaar. Zij doen deze lijst aan de Commissie toekomen en werken deze zo nodig bij.

De Commissie publiceert de lijsten van vertegenwoordigende instanties die zij van de lidstaten ontvangt op een publiek toegankelijk onlineportaal. [Am. 47]

1 bis.  De lidstaten kunnen bepalen dat reeds vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn overeenkomstig het nationaal recht aangewezen overheidsinstanties voor de status van vertegenwoordigende instantie in de zin van dit artikel in aanmerking blijven komen. [Am. 48]

2.  De lidstaten kunnen een bevoegde instantie op haar verzoek ad hoc aanwijzen met het oog op een bepaalde representatieve vordering, wanneer zij voldoet aan de in lid 1 genoemde criteria. [Am. 49]

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat met name consumentenorganisaties en onafhankelijke consumentenorganisaties die aan de in lid 1 vermelde criteria voldoen en openbare instanties in aanmerking komen voor de status van bevoegde vertegenwoordigende instantie. De lidstaten kunnen consumentenorganisaties die leden uit meer dan één lidstaat vertegenwoordigen, aanwijzen als bevoegde vertegenwoordigende instantie. [Am. 50]

4.  De lidstaten kunnen regels vaststellen die nader omschrijven welke bevoegde instanties al de in de artikelen 5 en 6 bedoelde maatregelen kunnen vorderen en welke bevoegde instanties slechts een of meer van deze maatregelen kunnen vorderen. [Am. 51]

5.  De vervulling door een bevoegde instantie van de in lid 1 bedoelde criteria doet geen afbreuk aan het recht de verpliching van de rechter of administratieve autoriteit om te onderzoeken of de doelstelling van de bevoegde instantie rechtvaardigt dat zij in een specifiek geval een vordering instelt overeenkomst overeenkomstig artikel 4 en artikel 5, lid 1. [Am. 52]

Artikel 5

Representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat uitsluitend overeenkomstig artikel 4, lid 1, aangewezen bevoegde vertegenwoordigende instanties representatieve vorderingen kunnen instellen bij nationale rechters of administratieve autoriteiten, mits er een direct verband bestaat tussen de voornaamste doelstellingen van de instantie en de krachtens het Unierecht toegekende rechten die beweerdelijk zijn geschonden en ten aanzien waarvan de vordering is ingesteld.

Het staat de bevoegde vertegenwoordigende instanties vrij om te kiezen voor elke procedure waarin het nationale recht of het Unierecht voorziet, om het hoogste niveau van bescherming van de belangen van consumenten te waarborgen.

De lidstaten bepalen dat er uitsluitend een vordering kan worden ingesteld als er voor een rechter of administratieve autoriteit van de lidstaat geen andere vordering is ingesteld ter zake van dezelfde praktijk, dezelfde handelaar en dezelfde consumenten. [Am. 53]

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat bevoegde vertegenwoordigende instanties, waaronder vooraf daartoe aangewezen overheidsinstanties, het recht hebben representatieve vorderingen in te stellen waarbij de volgende maatregelen worden gevraagd: [Am. 54]

a)  een bevel, als voorlopige maatregel, tot staken van de illegale praktijk dan wel, wanneer de praktijk nog niet heeft plaatsgevonden, maar op het punt staat plaats te vinden, waarbij de illegale praktijk wordt verboden; [Am. 56]

b)  een bevel waarbij wordt vastgesteld dat de praktijk een rechtsinbreuk inhoudt en waarbij, indien noodzakelijk, het staken van de praktijk wordt gelast, of waarbij, wanneer de praktijk nog niet heeft plaatsgevonden, maar op het punt staat plaats te vinden, de praktijk wordt verboden.

Om een vordering tot uitvaardiging een bevel in te kunnen stellen, hoeven bevoegde vertegenwoordigende instanties geen mandaat van de betrokken individuele consumenten te verkrijgen of bewijs over te leggen van door de betrokken consumenten daadwerkelijk geleden verlies of schade, noch van opzet of onachtzaamheid van de handelaar. [Am. 55]

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat bevoegde vertegenwoordigende instanties het recht hebben representatieve vorderingen in te stellen waarbij maatregelen worden gevraagd om de aanhoudende gevolgen van de inbreuk op te heffen. Deze maatregelen worden gevorderd op grond van een definitief besluit waarbij wordt vastgesteld dat een praktijk een inbreuk op het in bijlage I vermelde Unierecht inhoudt die de collectieve belangen van consumenten schaadt, waaronder een in lid 2, onder b), bedoeld definitief bevel. [Am. 57]

4.  Onverminderd artikel 4, lid 4, zorgen de lidstaten ervoor dat bevoegde instanties in het kader van een enkele representatieve vordering zowel maatregelen tot opheffing van de aanhoudende gevolgen van de inbreuk kunnen vorderen, als de in lid 2 bedoelde maatregelen. [Am. 58]

Artikel 5 bis

Register van collectieve vorderingen

1.  De lidstaten kunnen een nationaal register van collectieve vorderingen opzetten, dat door geïnteresseerden langs elektronische weg of op andere wijze en zonder kosten geraadpleegd moet kunnen worden.

2.  De websites waarop de registers gepubliceerd worden, bieden toegang tot omvattende en objectieve informatie over de beschikbare methoden om schadevergoeding te verkrijgen, onder meer buitengerechtelijke methoden, en over lopende representatieve vorderingen.

3.  De nationale registers worden aan elkaar gekoppeld. Artikel 35 van Verordening (EG) 2017/2394 is van toepassing. [Am. 59]

Artikel 6

Maatregelen tot herstel

1.  Met het oog op de toepassing van artikel 5, lid 3, zorgen de lidstaten ervoor dat bevoegde entiteiten vertegenwoordigende instanties het recht hebben om representatieve vorderingen in te stellen waarbij om een bevel tot herstel wordt verzocht dat de handelaar verplicht om te zorgen voor, onder meer, schadeloosstelling, reparatie, vervanging, prijsvermindering, beëindiging van de overeenkomst of terugbetaling van het betaalde bedrag, al naar gelang het geval. Een lidstaat kan al dan niet voorschrijven dat de betrokken individuele consumenten een mandaat moeten verlenen alvorens een declaratoir besluit wordt genomen of een bevel tot herstel wordt uitgevaardigd. [Am. 60]

Indien een lidstaat voor het instellen van een representatieve vordering geen mandaat van individuele consumenten verlangt, biedt deze lidstaat desondanks personen die niet hun gewone verblijfplaats hebben in de lidstaat waar de vordering wordt ingesteld, de mogelijkheid zich in de procedure te voegen als zij binnen de daarvoor gestelde termijn hun uitdrukkelijke mandaat hebben verleend voor het instellen van de representatieve vordering. [Am. 61]

De bevoegde vertegenwoordigende instantie verstrekt voldoende informatie als vereist krachtens nationaal recht ter ondersteuning van de vordering ter ondersteuning van de vordering alle noodzakelijke informatie die krachtens het nationale recht wordt verlangd, waaronder een omschrijving van de consumenten waarop de vordering betrekking heeft en van de feitelijke en juridische kwesties die moeten worden opgelost. [Am. 62]

2.  In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten een rechter of administratieve autoriteit de bevoegdheid verlenen om, in naar behoren gemotiveerde gevallen, waarin vanwege de kenmerken van de individuele schade van de betrokken consumenten de kwantificering van individueel herstel complex is, in plaats van een bevel tot herstel, een declaratoir besluit uit te vaardigen inzake de aansprakelijkheid van de handelaar jegens de consument die schade heeft geleden door een inbreuk op het in bijlage I vermelde Unierecht. [Am. 63]

3.  Lid 2 geldt niet in gevallen waarin:

a)  de consumenten op wie de inbreuk betrekking heeft, kunnen worden geïdentificeerd en vergelijkbare schade hebben geleden als gevolg van dezelfde praktijk met betrekking tot een bepaalde periode of aankoop. In dergelijke gevallen vormt het vereiste dat de betrokken individuele consumenten een mandaat verlenen geen voorwaarde voor het inleiden van de vordering. De vergoeding is bestemd voor de betrokken consumenten;

b)  de consumenten een verlies van geringe waarde hebben geleden en het onevenredig zou zijn om de vergoeding aan hen uit te keren. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten ervoor dat er geen mandaat van de betrokken individuele consumenten is vereist. De vergoeding is bestemd voor een openbaar doel dat de collectieve belangen van consumenten dient. [Am. 64]

4.  De uit hoofde van een definitief besluit overeenkomstig de leden lid 1, 2 en 3 verkregen vergoeding doet geen afbreuk aan eventuele aanvullende eventuele rechten op herstel die de betrokken consumenten op grond van Unie- of nationale wetgeving kunnen genieten. Bij de toepassing van deze bepaling wordt het beginsel van het gezag van gewijsde geëerbiedigd. [Am. 65]

4 bis.  De maatregelen tot herstel hebben ten doel de betrokken consumenten volledige vergoeding van de door hen geleden schade te bieden. Indien er na vergoeding van de schade een niet-opgevraagd bedrag resteert, besluit de rechter aan welke begunstigde dat bedrag toekomt. Niet-opgevraagde bedragen komen niet toe aan de bevoegde vertegenwoordigende instantie of de handelaar. [Am. 66]

4 ter.  Met name is punitieve schadevergoeding die leidt tot overcompensatie van de schade van de eisende partij verboden. Zo is schadevergoeding die consumenten wordt toegekend in geval van massaschade niet hoger dan het bedrag dat de handelaar overeenkomstig de toepasselijke nationale of Uniewetgeving verschuldigd is om de feitelijke schade te dekken die de consumenten individueel hebben geleden. [Am. 67]

Artikel 7

Financiering Ontvankelijkheid van een representatieve vordering [Am. 68]

1.  De bevoegde vertegenwoordigende instantie die een bevel tot herstel vordert als bedoeld in artikel 6, lid 1, vermeldt legt aan de rechter of administratieve autoriteit in een vroeg het vroegste stadium van de vordering de bron een volledig financieel overzicht voor van de middelen alle financieringsbronnen die zij voor haar activiteiten in het algemeen aanwendt en de middelen die zij ter ondersteuning van de vordering aanwendt, om aan te tonen dat er geen sprake is van belangenverstrengeling. Zij toont aan dat zij over voldoende financiële middelen beschikt om de belangen van de betrokken consumenten zo goed mogelijk te dienen en om de eventuele kosten van de tegenpartij te dragen wanneer de vordering mocht worden afgewezen. [Am. 69]

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat in gevallen waarin een representatieve vordering tot herstel door een derde partij wordt gefinancierd, het de derde partij verboden is om: De nationale rechter kan de representatieve vordering niet-ontvankelijk verklaren als hij vaststelt dat de financiering door de derde partij ten doel heeft: [Am. 70]

a)  besluiten van de bevoegde vertegenwoordigende instantie in het kader van een representatieve vordering, onder meer waaronder het inleiden van representatieve vorderingen en besluiten inzake schikkingen, te beïnvloeden; [Am. 71]

b)  een collectieve vordering te financieren tegen een verweerder die een concurrent is van de financier of tegen een verweerder waarvan de financier afhankelijk is;

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat rechters en administratieve autoriteiten de bevoegdheid hebben om de in lid 2 bedoelde omstandigheden te beoordelen en om de bevoegde instantie in voorkomend geval ertoe te verplichten de betreffende financiering te weigeren en om, zo nodig, de procesbevoegdheid van de bevoegde instantie in een specifiek geval te verwerpen zich een oordeel vormen over de afwezigheid van een belangenconflict als bedoeld in lid 1, en dat zij de in lid 2 bedoelde omstandigheden beoordelen ten tijde van de beslissing over de ontvankelijkheid van de representatieve vordering, alsmede in een later stadium van de procedure als de omstandigheden zich pas dan voordoen. [Am. 72]

3 bis.  De lidstaten waarborgen tevens dat de rechter of administratieve autoriteit de bevoegdheid heeft om kennelijk ongegronde zaken in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure te verwerpen. [Am. 73]

Artikel 7 bis

Het beginsel dat de in het ongelijk gestelde partij betaalt

De lidstaten waarborgen dat de partij die in een zaak met betrekking tot een collectieve vordering in het ongelijk gesteld wordt, de proceskosten van de in het gelijk gestelde partij vergoedt, onder de voorwaarden van het toepasselijke nationale recht. Het gerecht wijst de in het ongelijk gestelde partij echter geen vergoeding toe voor kosten die onnodig zijn gemaakt of die niet in verhouding staan tot de vordering. [Am. 74]

Artikel 8

Schikkingen

1.  Lidstaten kunnen bepalen dat een bevoegde vertegenwoordigende instantie en een handelaar die een schikking hebben getroffen over herstel voor consumenten die het slachtoffer zijn van een beweerdelijk illegale praktijk van die handelaar, gezamenlijk een rechter of administratieve autoriteit kunnen verzoeken om die schikking goed te keuren. Een dergelijk verzoek wordt door de rechter of administratieve autoriteit alleen in behandeling genomen wanneer er bij de rechter of administratie autoriteit van dezelfde lidstaat geen representatieve vordering aanhangig is met betrekking tot dezelfde handelaar en dezelfde praktijk. [Am. 75]

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de rechter of administratieve autoriteit in het kader van een representatieve vordering te allen tijde de bevoegde instantie en de verweerder, na deze te hebben geraadpleegd, kan uitnodigen om binnen een redelijke termijn tot een schikking te komen over herstel.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de rechter of administratieve autoriteit die het in artikel 6, lid 2, bedoelde definitieve besluit heeft uitgevaardigd, de bevoegdheid heeft om van partijen bij de representatieve vordering te verlangen dat zij binnen een redelijke termijn tot een schikking komen over het herstel dat consumenten op grond van dit definitieve besluit moet worden geboden.

4.  De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde schikkingen worden door de rechter of administratieve autoriteit getoetst. De rechter of administratieve autoriteit beoordeelt de rechtmatigheid en de billijkheid van de schikking, waarbij rekening wordt gehouden met de rechten en belangen van alle partijen, met inbegrip van de betrokken consumenten.

5.  Wanneer de in lid 2 bedoelde schikking niet binnen de gestelde termijn wordt bereikt of de bereikte schikking niet wordt goedgekeurd, zet de rechter of administratieve autoriteit de behandeling van de representatieve vordering voort.

6.  De betrokken individuele consumenten krijgen de mogelijkheid om te aanvaarden dan wel te weigeren door de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde schikkingen gebonden te zijn. Het uit hoofde van een overeenkomstig lid 4 goedgekeurde schikking verkregen herstel is bindend voor alle partijen en doet geen afbreuk aan eventuele aanvullende eventuele rechten op herstel die de betrokken consumenten op grond van Unie- of nationale wetgeving kunnen genieten. [Am. 76]

Artikel 9

Informatie over representatieve vorderingen

-1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de vertegenwoordigende instanties:

a)  de consumenten informeren over de vermeende schending van aan het recht van de Unie ontleende rechten en over hun voornemen om de staking van die schending te vorderen of een vordering tot schadevergoeding in te stellen;

b)  de betrokken consumenten reeds vooraf in kennis stellen van de mogelijkheid om zich in de procedure te voegen om ervoor te zorgen dat de relevante documenten en andere in het kader van de vordering noodzakelijke gegevens bewaard blijven;

c)  zo nodig informatie verstrekken over vervolgstappen en eventuele juridische gevolgen. [Am. 77]

1.  De lidstaten Als een schikking of onherroepelijk besluit voordelen heeft voor consumenten die daar wellicht niet van op de hoogte zijn, zorgen de lidstaten ervoor dat de rechter of administratieve autoriteit de handelaar die inbreuk maakt in het ongelijk gestelde partij of beide partijen ertoe verplicht om de betrokken consumenten op zijn eigen kosten te informeren over de definitieve besluiten waarbij wordt voorzien in de in de artikelen 5 en 6 bedoelde maatregelen, alsmede over de in artikel 8 bedoelde schikkingen, op een wijze die past bij de omstandigheden van het geval en binnen gespecificeerde termijnen, onder meer, waar passend, door al de betrokken consumenten individueel op de hoogte te stellen. De lidstaten kunnen bepalen dat aan deze verplichting om de consumenten te informeren kan worden voldaan door middel van publicatie op een openbaar toegankelijke en gebruikersvriendelijke website [Am. 78]

1 bis.  De in het ongelijk gestelde partij draagt de kosten van het informeren van de consumenten, overeenkomstig het in artikel 7 neergelegde beginsel. [Am. 79]

2.  De in lid 1 bedoelde informatie omvat een uitleg in begrijpelijke taal van het onderwerp van de representatieve vordering, de juridische gevolgen ervan en, indien relevant, de door de betrokken consumenten te nemen vervolgstappen. De modaliteiten voor het informeren van de consumenten en de daarvoor geldende termijn worden in samenspraak met de rechter of administratieve autoriteit vastgesteld. [Am. 80]

2 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat als een rechter heeft besloten dat de vordering ontvankelijk is, aan het publiek op toegankelijke wijze, onder meer via de media en online via een openbare website, informatie ter beschikking wordt gesteld over komende, lopende en afgeronde vorderingen. [Am. 81]

2 ter.  De lidstaten zien erop toe dat publieke mededelingen van bevoegde instanties over vorderingen feitelijk zijn en zowel rekening houden met het recht van consumenten op informatie als met het recht van gedaagden op bescherming van de goede naam en het zakengeheim. [Am. 82]

Artikel 10

Gevolgen van definitieve besluiten

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de vaststelling van een inbreuk die de collectieve belangen van consumenten schaadt bij een definitief besluit van een administratieve autoriteit of een rechter, met inbegrip van een definitief bevel als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), geacht wordt onweerlegbaar het bestaan van die inbreuk vast te stellen met het oog op eventuele andere vorderingen waarbij herstel wordt gevorderd bij hun nationale rechter jegens in het kader van andere vorderingen tot herstel voor de nationale rechter tegen dezelfde handelaar op grond van dezelfde feiten beschouwd wordt als bewijs voor het bestaan respectievelijk niet-bestaan van die inbreuk, om te waarborgen dat dezelfde handelaar inzake dezelfde inbreuk schade niet twee keer aan de betrokken consumenten wordt vergoed. [Am. 83]

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat een definitief besluit als bedoeld in lid 1, dat in een andere lidstaat is uitgevaardigd, door hun nationale rechters of administratieve autoriteiten geacht wordt een weerlegbaar vermoeden op te leveren ten minste beschouwd wordt als bewijs dat er een inbreuk heeft plaatsgevonden. [Am. 84]

2 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat de vaststelling van het bestaan of niet-bestaan van een inbreuk bij een onherroepelijk besluit van een rechter van een lidstaat, in het kader van een andere vordering tot herstel tegen dezelfde handelaar wegens dezelfde inbreuk bij de nationale rechter van een andere lidstaat opgevat moet worden als een weerlegbaar vermoeden van het bestaan, respectievelijk niet-bestaan, van een dergelijke inbreuk. [Am. 85]

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat worden aangespoord om een definitief declaratoir besluit als bedoeld in artikel 6, lid 2, geacht wordt onweerlegbaar de aansprakelijkheid vast te stellen van de handelaar jegens de consumenten die schade door de inbreuk hebben geleden, met het oog op eventuele gegevensbank op te richten met definitieve besluiten inzake vorderingen waarbij tot herstel, wordt gevorderd bij hun nationale rechter jegens dezelfde handelaar inzake die inbreuk. De lidstaten zorgen ervoor dat voor dergelijke vorderingen waarvan gebruik gemaakt kan worden bij andere maatregelen tot herstel, die consumenten individueel instellen, snelle en eenvoudige procedures beschikbaar zijn en om hun beste praktijken op dit gebied te delen. [Am. 86]

Artikel 11

Opschorting van de verjaringstermijn

De lidstaten Overeenkomstig het nationale recht zorgen de lidstaten ervoor dat de indiening van een representatieve vordering als bedoeld in de artikelen 5 en 6 tot gevolg heeft dat de verjaringstermijnen die van toepassing zijn op eventuele vorderingen tot herstel voor de betrokken consumenten personen worden opgeschort of onderbroken, wanneer voor de relevante rechten een verjaringstermijn krachtens het Unierecht of het nationale recht bestaat. [Am. 87]

Artikel 12

Snelheid van de procedure

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 5 en 6 bedoelde representatieve vorderingen met de nodige snelheid worden behandeld.

2.  Representatieve vorderingen waarbij bij wijze van voorlopige maatregel om een bevel wordt verzocht, als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder a), worden behandeld via een versnelde procedure.

Artikel 13

Bewijsmateriaal

De lidstaten zorgen ervoor dat de rechter of administratieve autoriteit, op verzoek van een bevoegde instantie van de partijen die redelijkerwijs beschikbare feiten, voldoende bewijs en bewijzen heeft overgelegd die volstaan om de representatieve vordering te onderbouwen een inhoudelijke toelichting ter onderbouwing van haar standpunt heeft overgelegd en naar verder specifiek en duidelijk omschreven bewijsmateriaal heeft verwezen waarover de verweerder andere partij de beschikking heeft, in overeenstemming met het nationaal procesrecht kan gelasten, dat zo nauwkeurig mogelijk omschreven als redelijkerwijs mogelijk is op basis van de verweerder beschikbare feiten, dat deze partij dergelijk bewijsmateriaal overlegt, onverminderd de toepasselijke Unie- en nationale regels inzake vertrouwelijkheid. Dit bevel moet evenredig en passend zijn in het betreffende geval, en mag het evenwicht tussen de twee betrokken partijen niet verstoren. [Am. 88]

De lidstaten zorgen ervoor dat de rechterlijke instanties slechts gelasten tot het overleggen van bewijsmateriaal in een omvang als evenredig is. Om te bepalen of het overleggen van bewijsmateriaal waarom een vertegenwoordigende instantie verzoekt evenredig is, houdt de rechter rekening met de rechtmatige belangen van alle betrokken partijen, en met name met de vraag in hoeverre het verzoek om overlegging van bewijsmateriaal gesteund wordt door de beschikbare feiten en de vraag of het bewijsmateriaal waarvan overlegging gevraagd wordt vertrouwelijke informatie bevat. [Am. 89]

De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om in het kader van schadevorderingen overlegging te gelasten van bewijsmateriaal dat vertrouwelijke gegevens bevat, indien zij dat bewijsmateriaal relevant achten voor de schadevordering. [Am. 90]

Artikel 14

Sancties

1.  De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn wanneer de in het kader van een representatieve vordering uitgevaardigde definitieve besluiten niet worden nageleefd en nemen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze regels worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat sancties onder meer de vormen vorm kunnen aannemen van boetes. [Am. 91]

3.  Bij de beslissing over de aanwending van de inkomsten uit boetes houden de lidstaten rekening met de collectieve belangen van consumenten. De lidstaten kunnen bepalen dat deze inkomsten worden toegewezen aan een fonds dat is opgericht om representatieve vorderingen te financieren. [Am. 92]

4.  De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op [datum van omzetting van deze richtlijn] van de in lid 1 bedoelde bepalingen in kennis en delen haar eventuele latere wijzigingen onverwijld mee.

Artikel 15

Bijstand voor bevoegde vertegenwoordigende instanties [Am. 93]

1.  De lidstaten worden aangespoord om, in overeenstemming met artikel 7, te waarborgen dat bevoegde vertegenwoordigende instanties over voldoende middelen beschikken voor representatieve vorderingen. Zij nemen de nodige maatregelen om ervoor de toegang tot de rechter te zorgen vergemakkelijken en waarborgen dat proceskosten in verband met representatieve vorderingen voor bevoegde instanties geen financiële belemmering vormen om het recht de in de artikelen 5 en 6 bedoelde maatregelen te vorderen, doeltreffend uit te oefenen, zoals de beperking van de toepasselijke gerechts- of administratieve kosten of het zo nodig bieden van toegang tot rechtshulp aan deze instanties of het met dit oogmerk verstrekken van publieke middelen daaraan. [Am. 94]

1 bis.  De lidstaten bieden structurele steun aan instanties die optreden als bevoegde instanties in de zin van deze richtlijn. [Am. 95]

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in gevallen waarin de bevoegde instanties verplicht zijn de betrokken consumenten te informeren over de aanhangige representatieve vordering, de daarmee verband houdende kosten op de handelaar kunnen worden verhaald indien de vordering slaagt.

3.  De lidstaten en de Commissie ondersteunen en bevorderen de samenwerking tussen bevoegde instanties en de uitwisseling en verspreiding van hun beste praktijken en ervaringen met betrekking tot de aanpak van grensoverschrijdende en binnenlandse inbreuken.

Artikel 15 bis

Vertegenwoordiging in rechte en het honorarium van de advocaat

De lidstaten zien erop toe dat vergoedingen voor advocaten en de wijze waarop deze worden berekend, geen stimulans vormen voor het voeren van rechtszaken die, gelet op de belangen van elk van de partijen, onnodig zijn. In het bijzonder verbieden de lidstaten resultaatafhankelijke honoraria. [Am. 96]

Artikel 16

Grensoverschrijdende representatieve vorderingen

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat elke bevoegde vertegenwoordigende instantie die van tevoren in een lidstaat is aangewezen overeenkomstig artikel 4, lid 1, de rechters en administratieve autoriteiten van een andere lidstaat kan adiëren na overlegging van de in dat artikel bedoelde openbaar toegankelijke lijst. De rechters of administratieve autoriteiten aanvaarden deze lijst als bewijs van kunnen de procesbevoegdheid van de bevoegde vertegenwoordigende instantie beoordelen, onverminderd hun recht om na te gaan of de doelstelling van de bevoegde vertegenwoordigende instantie het instellen van een vordering in een specifiek geval rechtvaardigt. [Am. 97]

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer de inbreuk gevolgen heeft of waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor consumenten uit verschillende lidstaten, de representatieve vordering bij een bevoegde rechter of administratieve autoriteit van een lidstaat kan worden ingesteld door meerdere bevoegde instanties uit verschillende lidstaten, die gezamenlijk optreden of worden vertegenwoordigd door een enkele bevoegde instantie, ten behoeve van de bescherming van de collectieve belangen van die consumenten uit verschillende lidstaten.

2 bis.  Een lidstaat waar een procedure inzake collectief verhaal plaatsvindt kan van de in deze lidstaat wonende consumenten een mandaat verlangen, en verlangt van individuele consumenten die in een andere lidstaat woonachtig zijn een mandaat als de vordering grensoverschrijdend is. In dergelijke omstandigheden wordt in het eerste stadium van de procedure aan de rechter of de administratieve autoriteit een geconsolideerde lijst verstrekt van alle consumenten uit andere lidstaten die een dergelijk mandaat hebben verleend. [Am. 98]

3.  Met het oog op grensoverschrijdende representatieve vorderingen en onverminderd de rechten die andere instanties krachtens nationaal recht zijn toegekend, stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de lijst van bevoegde instanties die van tevoren zijn aangewezen. De lidstaten delen de Commissie de naam en de doelstelling van deze bevoegde instanties mee. De Commissie maakt deze informatie openbaar en zorgt dat deze actueel blijft.

4.  Wanneer een lidstaat of de Commissie of de handelaar bezwaren opwerpt met betrekking tot de vervulling door een bevoegde vertegenwoordigende instantie van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde criteria, onderzoekt de lidstaat die deze instantie heeft aangewezen deze bezwaren en herroept hij, indien passend, de aanwijzing wanneer een of meer van de criteria niet zijn vervuld. [Am. 99]

Artikel 16 bis

Openbaar register

De lidstaten waarborgen dat de relevante nationale bevoegde autoriteiten een openbaar register opzetten van onrechtmatige handelingen die het voorwerp zijn geweest van een bevel overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn. [Am. 100]

Hoofdstuk 3

Slotbepalingen

Artikel 17

Intrekking

Richtlijn 2009/22/EG wordt met ingang van [datum van toepassing van deze richtlijn] ingetrokken, onverminderd artikel 20, lid 2.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 18

Monitoring en evaluatie

1.  Niet eerder dan vijf jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn verricht de Commissie een evaluatie van deze richtlijn en brengt zij aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de belangrijkste bevindingen. De evaluatie zal worden verricht conform de richtsnoeren voor betere regelgeving van de Commissie. In het verslag beoordeelt de Commissie met name het toepassingsgebied van deze richtlijn als gedefinieerd in artikel 2 en bijlage I.

2.  Uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn beoordeelt de Commissie of de regels op het gebied van de rechten van vliegtuigpassagiers en treinreizigers een afdoende niveau van consumentenbescherming bieden dat vergelijkbaar is met dat waarin deze richtlijn voorziet. De Commissie is voornemens om, wanneer dat het geval is, passende voorstellen te doen, die met name kunnen bestaan in het schrappen van de in de punten 10 en 15 van bijlage I genoemde handelingen uit het toepassingsgebied van deze richtlijn als gedefinieerd in artikel 2. [Am. 101]

3.  De lidstaten verstrekken de Commissie jaarlijks, voor het eerst uiterlijk vier jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn, de volgende informatie die nodig is voor de opstelling van het in lid 1 bedoelde verslag:

a)  het aantal representatieve vorderingen dat uit hoofde van deze richtlijn is ingesteld bij administratieve en justitiële autoriteiten;

b)  het soort bevoegde instantie dat de vorderingen instelt;

c)  het soort inbreuk dat via de representatieve vorderingen wordt aangepakt, de partijen bij de representatieve vorderingen en de economische sector waarop de representatieve vorderingen betrekking hebben;

d)  de lengte van de procedures, vanaf de inleiding van een vordering tot en met de vaststelling van de bevelen als bedoeld in artikel 5, de bevelen tot herstel of de declaratoire besluiten als bedoeld in artikel 6 of de definitieve goedkeuring van de schikking als bedoeld in artikel 8;

e)  de resultaten van de representatieve vorderingen;

f)  het aantal bevoegde instanties dat deelneemt aan het in artikel 15, lid 3, bedoelde mechanisme voor samenwerking en uitwisseling van beste praktijken.

Artikel 18 bis

Evaluatieclausule

Onverminderd artikel 16 beoordeelt de Commissie of grensoverschrijdende representatieve vorderingen het best op Unieniveau aangepakt kunnen worden door de instelling van een Europese Ombudsman voor collectief verhaal. Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn stelt de Commissie hierover een verslag op en dient zij dit verslag, indien passend vergezeld van een voorstel ter zake, in bij het Europees Parlement en de Raad. [Am. 102]

Artikel 19

Omzetting

1.  De lidstaten dienen uiterlijk op [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

De lidstaten passen deze bepalingen toe met ingang van [6 maanden na de termijn voor omzetting].

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 20

Overgangsbepalingen

1.  De lidstaten passen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van deze richtlijn toe op inbreuken die een aanvang hebben genomen na [datum van toepassing van deze richtlijn].

2.  De lidstaten passen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van Richtlijn 2009/22/EG toe op inbreuken die een aanvang hebben genomen vóór [datum van toepassing van deze richtlijn].

Artikel 21

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 22

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

LIJST VAN IN ARTIKEL 2, LID 1, BEDOELDE BEPALINGEN

(1)  Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken (PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29)(9).

(2)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95 van 21.4.1993, blz. 29).

(3)  Richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (PB L 80 van 18.3.1998, blz. 27).

(4)  Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171 van 7.7.1999, blz. 12).

(5)  Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt ("Richtlijn inzake elektronische handel") (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik: artikelen 86 tot en met 100 (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).

(7)  Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) (PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51).

(8)  Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37): artikel 13.

(9)  Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de Richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (PB L 271 van 9.10.2002, blz. 16).

(10)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46 van 17.2.2004, blz. 1).

(11)  Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22).

(12)  Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 1).

(13)  Richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 21): artikel 1, artikel 2, punt c), en artikelen 4 tot 8.

(14)  Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).

(15)  Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 14).

(16)  Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66).

(17)  Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3): artikelen 22, 23 en 24.

(18)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

(19)  Richtlijn 2008/122/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde aspecten van overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling (PB L 33 van 3.2.2009, blz. 10).

(20)  Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55).

(21)  Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94).

(22)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (UCITS) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

(23)  Verordening (EG) nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2560/2001 (PB L 266 van 9.10.2009, blz. 11).

(24)  Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7).

(25)  Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).

(26)  Verordening (EG) nr. 1222/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 46);

(27)  Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1): artikelen 183, 184, 185 en 186.

(28)  Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1): artikelen 9, 10, 11 en artikelen 19 tot en met 26.

(29)  Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).

(30)  Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1).

(31)  Verordening (EU) nr.1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 1).

(32)  Verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 1).

(33)  Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45).

(34)  Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

(35)  Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).

(36)  Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 18).

(37)  Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 (PB L 94 van 30.3.2012, blz. 22).

(38)  Verordening (EU) nr. 531/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB L 172 van 30.6.2012, blz. 10).

(39)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

(40)  Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 63): artikel 13.

(41)  Verordening (EU) nr. 524/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen (verordening ODR consumenten) (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 1): artikel 14.

(42)  Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 1).

(43)  Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 18).

(44)  Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34): artikelen 10, 11, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 21, 22, 23, hoofdstuk 10 en bijlagen I en II.

(45)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014 blz. 349).

(46)  Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214): artikelen 3 tot en met 18 en artikel 20, lid 2.

(47)  Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PB L 326 van 11.12.2015, blz. 1).

(48)  Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP's) (PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1).

(49)  Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 98-121).

(50)  Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).

(51)  Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en –diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB L 310 van 26.11.2015, blz. 1).

(52)  Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (herschikking) (PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19).

(53)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(54)  Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's) (PB L 354 van 23.12.2016, blz. 37).

(55)  Verordening (EU) 2017/1128 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende grensoverschrijdende portabiliteit van online-inhoudsdiensten in de interne markt (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 1).

(56)  Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 12)

(57)  Verordening (EU) 2017/1131 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake geldmarktfondsen (PB L 169 van 30.6.2017, blz. 8).

(58)  Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1).

(59)  Verordening (EU) 2018/302 van het Europees Parlement en de Raad van 28 februari 2018 inzake de aanpak van ongerechtvaardigde geoblocking en andere vormen van discriminatie van klanten op grond van nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging in de interne markt, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 2006/2004 en (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG (PB L 60 van 2.3.2018, blz. 1).

(59 bis)   Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4). [Am. 103]

(59 ter)   Richtlijn 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PB L 96 van 29.3.2014, blz. 357). [Am. 104]

(59 quater)   Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden. [Am. 105]

(59 quinquies)   Richtlijn 2014/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van niet-automatische weegwerktuigen (PB L 96 van 29.3.2014, blz. 107). [Am. 106]

(59 sexies)   Verordening (EEG) nr. 2136/89 van de Raad van 21 juni 1989 tot vaststelling van gemeenschappelijke normen voor het in de handel brengen van sardineconserven en van verkoopbenamingen voor conserven van sardines en van sardineachtigen. [Am. 107]

(59 septies)   Verordening (EG) Nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005. [Am. 108]

BIJLAGE II

CORRELATIETABEL

Richtlijn 2009/22/EG

Deze richtlijn

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2

Artikel 2, lid 1

-

Artikel 2, lid 2

-

Artikel 3

Artikel 2, lid 1

Artikel 5, lid 1

Artikel 2, lid 1, onder a)

Artikel 5, lid 2, onder a) en b)

Artikel 12

-

Artikel 5, lid 2, tweede alinea

Artikel 2, lid 1, onder b)

Artikel 5, lid 3

Artikel 9

Artikel 2, lid 1, onder c)

Artikel 14

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 3

Artikel 3

Artikel 4, leden 1 tot en met 3

-

Artikel 4, lid 4

-

Artikel 4, lid 5

-

Artikel 5, lid 4

-

Artikel 6

-

Artikel 7

-

Artikel 8

-

Artikel 10

-

Artikel 11

-

Artikel 13

-

Artikel 15

Artikel 4

Artikel 16

Artikel 5

-

Artikel 6

Artikel 18

Artikel 7

Artikel 1, lid 2

Artikel 8

Artikel 19

Artikel 9

Artikel 17

-

Artikel 20

Artikel 10

Artikel 21

Artikel 11

Artikel 22

(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 66.
(2) PB C 461 van 21.12.2018, blz. 232.
(3)PB C 440 van 6.12.2018, blz. 66.
(4) PB C 461 van 21.12.2018, blz. 232.
(5) Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2019.
(6)PB L 110 van 1.5.2009, blz. 30.
(7)PB L 345 van 27.12.2017.
(8)PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(9)Genoemde richtlijn, werd gewijzigd bij Richtlijn 1999/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 1999 tot wijziging van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 141 van 4.6.1999, blz. 20).


Protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst EU-Israël (toetreding van Kroatië) ***
PDF 113kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van een protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (09547/2018 – C8-0021/2019 – 2018/0080(NLE))
P8_TA(2019)0223A8-0164/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (09547/2018),

–  gezien het ontwerpprotocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, teneinde rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (09548/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 217 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0021/2019),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0164/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Staat Israël.


Brede overeenkomst EU-Oezbekistan
PDF 163kWORD 58k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 26 maart 2019 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betreffende de nieuwe brede overeenkomst tussen de EU en Oezbekistan (2018/2236(INI))
P8_TA(2019)0224A8-0149/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Besluit (EU) 2018/… van de Raad van 16 juli 2018 tot machtiging van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid tot het openen en het voeren van onderhandelingen, namens de Unie, over de onder de bevoegdheid van de Unie vallende bepalingen van een brede overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds (10336/18),

—  gezien het besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 16 juli 2018, tot machtiging van de Europese Commissie tot het openen en het voeren van onderhandelingen, namens de lidstaten, over de onder de bevoegdheid van de lidstaten vallende bepalingen van een brede overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds (10337/18),

—  gezien de onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad van 16 juli 2018 (10601/18 EU Restricted), die op 6 augustus 2018 aan het Parlement zijn toegestuurd,

—  gezien de huidige partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de Europese Unie en de Republiek Oezbekistan, die in 1999 in werking is getreden,

—  gezien het in januari 2011 ondertekende memorandum van overeenstemming over energie tussen de Europese Unie en Oezbekistan,

–  gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van de mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI), die de Raad in 2013 heeft aangenomen,

—  gezien zijn wetgevingsresolutie van 14 december 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, tot wijziging van de overeenkomst teneinde de bepalingen van de overeenkomst uit te breiden tot de bilaterale handel in textiel, gelet op het vervallen van de bilaterale overeenkomst inzake textiel(1),

—  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 14 december 2016 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, tot wijziging van de overeenkomst teneinde de bepalingen van de overeenkomst uit te breiden tot de bilaterale handel in textiel, gelet op het vervallen van de bilaterale overeenkomst inzake textiel(2),

—  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2014 over de mensenrechten in Oezbekistan(3),

—  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over de staat van de uitvoering van de EU-strategie voor Centraal-Azië(4) en zijn resolutie van 13 april 2016 over de tenuitvoerlegging en herziening van de EU-strategie voor Centraal-Azië(5),

—  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 19 september 2018, getiteld "Versterken van de banden tussen Europa en Azië – Bouwstenen voor een EU-strategie" (JOIN(2018)0031),

—  gezien het bezoek van de Commissie buitenlandse zaken van het Europees Parlement van september 2018 aan Oezbekistan en het bezoek van de Subcommissie mensenrechten van het Parlement van mei 2017 aan Oezbekistan, alsook de regelmatige bezoeken aan het land van de Delegatie in de parlementaire samenwerkingscomités EU-Kazachstan, EU-Kirgizië, EU-Oezbekistan en EU-Tadzjikistan, en voor de betrekkingen met Turkmenistan en Mongolië,

—  gezien de uitkomst van de dertiende bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU en Centraal-Azië, die op 10 november 2017 werd gehouden in Samarkand en tijdens welke de bilaterale agenda (economie, connectiviteit, veiligheid en de rechtsstaat) en regionale kwesties aan de orde kwamen,

—  gezien het gezamenlijke communiqué van de veertiende bijeenkomst van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de EU en Centraal-Azië, die op 23 november 2018 werd gehouden in Brussel, getiteld "De EU en Centraal-Azië – Samenwerken aan een toekomst van inclusieve groei, duurzame connectiviteit en sterkere partnerschappen"(6),

—  gezien de aanhoudende ontwikkelingshulp van de EU aan Oezbekistan, die voor de periode 2014-2020 168 miljoen EUR bedraagt, de financiële bijstand van de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO), en andere EU-maatregelen ter ondersteuning van vrede en veiligheid en ter vermindering van nucleair afval in het land,

—  gezien de verklaring van de conferentie over Afghanistan van 26 en 27 maart 2018 in Tasjkent, die georganiseerd werd door Oezbekistan en gezamenlijk werd voorgezeten door Oezbekistan en Afghanistan, getiteld "Vredesproces, veiligheidssamenwerking en regionale connectiviteit",

—  gezien de strategie voor acties op vijf prioritaire gebieden met betrekking tot de ontwikkeling van Oezbekistan ("de ontwikkelingsstrategie") voor 2017-2021,

–  gezien de stappen die Oezbekistan, na onafhankelijk te zijn geworden van de Sovjet-Unie, heeft genomen richting een opener samenleving en meer openheid ten aanzien van zijn buurlanden,

–  gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling,

–  gezien artikel 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0149/2019),

A.  overwegende dat de EU en Oezbekistan op 23 november 2018 onderhandelingen zijn gestart over een brede versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst ter vervanging van de huidige partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Oezbekistan om de samenwerking op gebieden van wederzijds belang te versterken en te verdiepen, op basis van de gedeelde waarden van democratie, de rechtsstaat, eerbiediging van de fundamentele vrijheden en goed bestuur, teneinde duurzame ontwikkeling en de internationale veiligheid te bevorderen en mondiale uitdagingen, zoals terrorisme, klimaatverandering en georganiseerde misdaad, op doeltreffende wijze aan te pakken;

B.  overwegende dat de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst pas in werking kan treden als deze is goedgekeurd door het Parlement;

1.  beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) aan:

Betrekkingen tussen de EU en Oezbekistan

Nieuwe brede overeenkomst

   a) zich verheugd te tonen over de door Oezbekistan gedane toezeggingen en genomen stappen richting een opener samenleving en de oprechte betrokkenheid van het land bij de politieke dialoog met de EU, aangezien deze zaken ertoe hebben geleid dat er onderhandelingen over een brede versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst zijn gestart; te benadrukken dat de EU er belang bij heeft haar betrekkingen met Oezbekistan op basis van gemeenschappelijke waarden te versterken en de rol van Oezbekistan te erkennen als belangrijke culturele en politieke brug tussen Europa en Azië;
   b) te zorgen voor een regelmatige, diepgaande dialoog en toezicht te houden op de volledige doorvoering van politieke en democratische hervormingen met het oog op de totstandbrenging van een onafhankelijke rechterlijke macht, met inbegrip van de opheffing van alle beperkingen van de onafhankelijkheid van advocaten, en een daadwerkelijk onafhankelijk parlement dat het resultaat is van zuiver competitieve verkiezingen, alsook met het oog op de bescherming van de mensenrechten, gendergelijkheid en mediavrijheid, de depolitisering van de veiligheidsdiensten, waarbij wordt gewaarborgd dat zij zich ertoe verbinden de rechtsstaat te eerbiedigen, en de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het hervormingsproces; ingenomen te zijn met de nieuw verkregen bevoegdheden van het parlement van Oezbekistan, alsook met de mechanismen ter versterking van het parlementair toezicht; de autoriteiten aan te sporen uitvoering te geven aan de aanbevelingen van het verslag dat de OVSE/het ODIHR naar aanleiding van de parlementaire verkiezingen van 2014 hebben opgesteld;
   c) te benadrukken dat er voldoende steun moet worden geboden voor duurzame hervormingen en de doorvoering ervan op basis van bestaande en toekomstige overeenkomsten, teneinde tastbare resultaten te boeken en politieke, maatschappelijke en economische kwesties aan de orde te stellen, met name om het bestuur te verbeteren, ruimte te maken voor een daadwerkelijk divers en onafhankelijk maatschappelijk middenveld, de eerbiediging van de mensenrechten te versterken, alle minderheden en kwetsbare personen te beschermen, met inbegrip van personen met een beperking, verantwoordingsplicht voor mensenrechtenschendingen en andere misdaden te garanderen en belemmeringen die het ondernemerschap in de weg staan, weg te nemen;
   d) kennis te nemen van de verbintenissen van Oezbekistan ten aanzien van de lopende structurele, bestuurlijke en economische hervormingen ter verbetering van het ondernemingsklimaat, het rechtsstelsel en de veiligheidsdiensten, de arbeidsomstandigheden, en de administratieve verantwoordingsplicht en efficiëntie, en Oezbekistan hierin te ondersteunen, alsook te benadrukken hoe belangrijk het is dat deze beloften volledig en verifieerbaar worden waargemaakt; de liberalisering van transacties in vreemde valuta en van de valutamarkt toe te juichen; te onderstrepen dat het brede hervormingsplan van Oezbekistan, de ontwikkelingsstrategie voor 2017-2021, moet worden uitgevoerd en ondersteund met maatregelen ter vergemakkelijking van externe handel en ter verbetering van het ondernemingsklimaat; in aanmerking te nemen dat arbeidsmigratie en overmakingen in Oezbekistan belangrijke manieren zijn om armoede tegen te gaan;
   e) de Oezbeekse regering met klem te verzoeken erop toe te zien dat mensenrechtenactivisten, maatschappelijke organisaties, internationale waarnemers en mensenrechtenorganisaties hun werkzaamheden vrij kunnen uitvoeren in een juridisch sluitend en politiek veilig klimaat, met name door de inschrijvingsprocedures te vergemakkelijken en mensen toegang te geven tot rechtsmiddelen wanneer hun inschrijving wordt geweigerd; de regering op te roepen toestemming te geven voor stelselmatige, ongehinderde en onafhankelijke waarneming van de omstandigheden in gevangenissen en detentiecentra; de regering aan te sporen de speciale rapporteur van de VN inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing uit te nodigen een bezoek te brengen aan het land, uitvoering te geven aan de in 2003, naar aanleiding van het laatste bezoek van de speciale rapporteur uitgebrachte aanbeveling, en de nationale wetten en praktijken in overeenstemming te brengen met het internationaal recht en de internationale normen, onder meer aan de hand van een onafhankelijk toezichtsmechanisme waarmee detentiecentra ongehinderd kunnen worden bezocht, zodat in kaart kan worden gebracht hoe de gevangenen er worden behandeld; de autoriteiten te verzoeken een grondig onderzoek in te stellen naar alle vermeende gevallen van foltering of onmenselijke behandeling;
   f) de opkomst van een tolerante, inclusieve, pluralistische en democratische samenleving onder leiding van een geloofwaardige regering te stimuleren door geleidelijke liberalisering en socio-economische vooruitgang ten bate van de burgers te ondersteunen, met volledige inachtneming van de leidende beginselen van de VN inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten;
   g) zich verheugd te tonen over de vrijlating van politieke gevangenen, maar de autoriteiten op te roepen hen te verzekeren van volledige rehabilitatie en toegang tot rechtsmiddelen en medische hulp; aan te dringen op de vrijlating van alle politieke gevangenen en andere personen die nog altijd om politieke redenen worden vastgehouden of vervolgd, zoals mensenrechtenactivisten, activisten uit het maatschappelijk middenveld, religieuze activisten, journalisten en politici van de oppositie; bezorgdheid aan de dag te leggen ten aanzien van de verschillende rechtszittingen die plaatsvinden met gesloten deuren en de regering met klem te verzoeken deze praktijk een halt toe te roepen; de regering met klem te verzoeken binnen afzienbare tijd wijzigingen aan te brengen in de bepalingen van haar wetboek van strafrecht inzake extremisme die regelmatig worden misbruikt om dissidenten te bestraffen; zich verheugd te tonen over de toezegging om "schendingen van de gevangenisvoorschriften" niet langer als reden aan te wenden voor de willekeurige verlenging van de gevangenisstraffen van politieke gevangenen; ervoor te zorgen dat alle politieke gevangenen die zijn veroordeeld voor strafbare feiten of andere delicten een kopie van hun vonnis ontvangen, zodat zij hun recht op beroep kunnen uitoefenen en een aanvraag voor rehabilitatie kunnen indienen; zich ingenomen te tonen met de versoepeling van bepaalde beperkingen van de vrijheid van vreedzame vergadering en voorts, ter eerbiediging van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, aan te sporen tot de opheffing van beperkingen van deze rechten en vrijheden, zoals het vasthouden van vreedzame betogers; zich verheugd te tonen over het recente bezoek van de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst en levensovertuiging;
   h) er kennis van te nemen dat er in de index voor persvrijheid van verslaggevers zonder grenzen tussen 2016 en 2018 slechts een kleine verbetering te zien is met betrekking tot de situatie in Oezbekistan en hun bezorgdheid te blijven tonen over de censuur, de blokkering van websites, de zelfcensuur van journalisten en bloggers, online en offline intimidatie en politiek gemotiveerde aanklachten in het land; de autoriteiten op te roepen ervoor te zorgen dat de media niet langer onder spanning staan en in de gaten worden gehouden, dat er een einde komt aan het blokkeren van onafhankelijke websites en dat internationale media correspondenten mogen uitzenden naar het land; steun te bieden voor en zich verheugd te tonen over maatregelen om de onafhankelijkheid van de media en organisaties uit het maatschappelijk middenveld te bevorderen, onder meer door bepaalde beperkingen van hun werkzaamheden op te heffen en door buitenlandse en internationale media en ngo's toestemming te verlenen opnieuw hun opwachting te maken in het land; zich ingenomen te tonen met de nieuwe wet inzake de inschrijving van ngo's, die aanleiding heeft gegeven voor de versoepeling van bepaalde inschrijvingsprocedures evenals van bepaalde vereisten met betrekking tot geavanceerde toestemming voor het organiseren van activiteiten of het houden van vergaderingen; de autoriteiten met klem te verzoeken deze wet volledig ten uitvoer te leggen, onder meer door alle belemmeringen voor de inschrijving van internationale organisaties weg te nemen, en de autoriteiten voorts aan te sporen de resterende beperkingen aan te pakken die de werkzaamheden van ngo's in de weg staan, zoals omslachtige inschrijvingsvereisten en opdringerig toezicht;
   i) hun ingenomenheid te tonen met de geboekte vooruitgang op het gebied van de uitbanning van kinderarbeid en de geleidelijke afschaffing van dwangarbeid, alsook met de recente bezoeken van speciale VN-rapporteurs aan Oezbekistan en de heropening van het land voor internationale ngo's die op deze gebieden actief zijn; erop te wijzen dat door de regering gesteunde dwangarbeid in onder andere de katoen- en zijde-industrie nog altijd een probleem is; te verwachten dat de regering van Oezbekistan stappen onderneemt om alle vormen van dwangarbeid uit te bannen, de onderliggende oorzaken van het verschijnsel aan te pakken, met name het systeem van verplichte quota, en lokale autoriteiten die onder dwang werknemers uit de overheidssector en studenten inzetten, ter verantwoording te roepen; te benadrukken dat er meer inspanningen moeten worden geleverd en nadere gerechtelijke stappen moeten worden genomen om de geboekte voortuitgang te consolideren en dwangarbeid af te schaffen; in dit verband verdere samenwerking met de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) aan te sporen; de autoriteiten aan te sporen de speciale VN-rapporteur voor hedendaagse vormen van slavernij de mogelijkheid te bieden een bezoek te brengen aan het land; het belang te onderstrepen van inspanningen om in het land een duurzame katoentoeleveringsketen te ontwikkelen, alsook moderne, milieuvriendelijke katoenteelttechnieken en landbouwpraktijken; binnenlandse katoentelers te ondersteunen, zowel op het gebied van milieubescherming als bij de verbetering van landbouwpraktijken en de efficiëntie van hun productie;
   j) de autoriteiten aan te sporen de inspanningen om de werkloosheid in het land terug te dringen op te voeren, en onder meer de private sector open te stellen en de positie van kleine en middelgrote ondernemingen te versterken; zich in dit verband ingenomen te tonen met de uitbreiding van het opleidingsprogramma voor leidinggevenden en de ontwikkeling van verdere opleidingsprogramma's voor ondernemers te stimuleren; in dit verband het potentieel en het relatief hoge opleidingsniveau van de jongere generatie van de bevolking in herinnering te brengen; aan te sporen tot de bevordering van onderwijsprogramma's op het gebied van ondernemerschap; eraan te herinneren hoe belangrijk EU-programma's als Erasmus+ zijn als het gaat om het bevorderen van de interculturele dialoog tussen de EU en Oezbekistan en het scheppen van mogelijkheden voor de versterking van de positie van studenten die, als aanjagers van maatschappelijke veranderingen, aan deze programma's deelnemen;
   k) door te gaan met de jaarlijkse mensenrechtendialogen die door de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) worden georganiseerd, en er in dit verband op aan te dringen dat specifieke kwesties, onder meer met betrekking tot politieke gevangenen, worden opgelost; jaarlijks, voorafgaand aan iedere dialoogronde, concrete gebieden te kiezen en de mate van verwezenlijking van doelstellingen op grond van EU-normen te beoordelen, en in alle andere bijeenkomsten en beleidsmaatregelen mensenrechtenkwesties aan de orde te stellen; de naleving van internationale, door Oezbekistan geratificeerde mensenrechteninstrumenten, met name binnen de VN, de OVSE en de IAO, te bevorderen en te evalueren; blijvende bezorgdheid aan de dag leggen ten aanzien van de heersende problematiek en de gebrekkige doorvoering van bepaalde hervormingen; de autoriteiten aan te sporen om vrijwillige seksuele relaties tussen personen van hetzelfde geslacht niet langer strafbaar te stellen en te streven naar een klimaat van verdraagzaamheid ten aanzien van de LGBTI-gemeenschap; de Oezbeekse autoriteiten te verzoeken de rechten van vrouwen te bevorderen en hoog in het vaandel te houden;
   l) ervoor te zorgen dat het paspoortstelsel wordt herzien; zich ingenomen te tonen met de afschaffing van het systeem van de uitreisvisa die Oezbeekse burgers voorheen nodig hadden om het Gemenebest van Onafhankelijke Staten te mogen verlaten; zich ingenomen te tonen met de aankondiging van Oezbekistan dat burgers van EU-lidstaten met ingang van januari 2019 niet langer een visum nodig hebben om het land binnen te komen;
   m) er bij de autoriteiten op aan te dringen dat het lokale zorgstelsel wordt verbeterd en dat er meer overheidsgelden worden vrijgemaakt om verbeteringen tot stand te brengen, aangezien de situatie aanzienlijk achteruit is gegaan sinds het land onafhankelijk werd verklaard;
   n) de autoriteiten met klem te verzoeken de nodige ondersteuning te bieden aan de Republiek Karakalpakstan, alsook de hulp en steun in te roepen van internationale partners, zodat Oezbekistan, en in het bijzonder de autonome Republiek Karakalpakstan, de economische en maatschappelijke gevolgen van de milieuramp in het Aralmeer verder kan aanpakken, evenals de gevolgen ervan voor de volksgezondheid, door duurzame beleidslijnen en praktijken op het gebied van waterbeheer en -behoud en een geloofwaardig plan voor de geleidelijke sanering van de regio vast te stellen; zich verheugd te tonen over positieve ontwikkelingen ten aanzien van de regionale samenwerking op het gebied van water, en met name van de samenwerking met Tadzjikistan en Kazachstan, alsook over de oprichting van het multipartnertrustfonds van de VN inzake menselijke veiligheid voor de regio rondom het Aralmeer en de inzet die de autoriteiten aan de dag hebben gelegd; de inspanningen om de irrigatie-infrastructuur te verbeteren te blijven steunen;
   o) kennis te nemen van het nieuwe buitenlandse beleid van Oezbekistan, hetgeen geleid heeft tot een betere samenwerking met buurlanden en internationale partners, met name met betrekking tot de bevordering van stabiliteit en veiligheid in de regio, grens- en waterbeheer, grensafbakening en energie; de positieve betrokkenheid van Oezbekistan bij het vredesproces in Afghanistan te steunen;
   p) zich ingenomen te tonen met de aanhoudende inzet van Oezbekistan voor de kernwapenvrije zone in Centraal-Azië; in herinnering te brengen dat de EU heeft beloofd Oezbekistan te helpen bij het omgaan met giftig en radioactief afval; Oezbekistan aan te sporen het Verdrag tot verbod van kernwapens te ondertekenen;
   q) rekening te houden met de belangrijke rol die Oezbekistan zal spelen bij de komende herziening van de EU-strategie voor Centraal-Azië en daarbij het beginsel van differentiatie toe te passen;
   r) de terechte redenen van Oezbekistan tot bezorgdheid omtrent de veiligheid van het land te onderkennen en de samenwerking te intensiveren ter ondersteuning van crisisbeheer, conflictpreventie, geïntegreerd grensbeheer en inspanningen ter bestrijding van gewelddadige radicalisering, terrorisme, georganiseerde misdaad en illegale handel in drugs, en daarbij de rechtsstaat te eerbiedigen, alsook de mensenrechten te beschermen;
   s) zorg te dragen voor doeltreffende samenwerking in de strijd tegen corruptie, witwaspraktijken en belastingontduiking;
   t) de steunverlening aan Oezbekistan uit de externe financieringsinstrumenten van de EU, alsook uit de leningen van de EIB en de EBWO, te koppelen aan de vooruitgang met betrekking tot de hervormingen;
   u) de effectieve tenuitvoerlegging van de belangrijkste internationale verdragen, die nodig is om voor een SAP+-status in aanmerking te komen, te ondersteunen;
   v) Oezbekistan te ondersteunen in zijn inspanningen om toe te treden tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO), teneinde het land beter in de wereldeconomie te integreren en het ondernemingsklimaat aldaar te verbeteren, om zo meer directe buitenlandse investeringen (DBI's) aan te trekken;
   w) rekening te houden met de ontwikkeling van betrekkingen met andere derde landen in het kader van de "Eén gordel, één route"-strategie (OBOR – One Belt, One Road) van China; erop te hameren dat de aan dit initiatief gerelateerde mensenrechten geëerbiedigd moeten worden, onder meer door de ontwikkeling van richtsnoeren op dit gebied;
   x) gebruik te maken van de onderhandelingen over de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst om een daadwerkelijke, duurzame overgang te ondersteunen naar een democratischer regime waarin de autoriteiten beter ter verantwoording kunnen worden geroepen en de grondrechten van alle burgers worden gewaarborgd en beschermd, en waarbij het zwaartepunt in het bijzonder ligt bij het waarborgen van een gunstig klimaat voor het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenactivisten en onafhankelijkheid van de advocatuur; te waarborgen dat Oezbekistan vóór het einde van de onderhandelingen goede vooruitgang boekt bij het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging vreedzame vergadering, in overeenstemming met de internationale normen, onder meer door de belemmeringen weg te nemen die alle nieuwe groeperingen ervan beletten zich in te schrijven en hun werkzaamheden in het land te starten te starten en buitenlandse financiering te ontvangen;
   y) te onderhandelen over een moderne, alomvattende en ambitieuze overeenkomst tussen de EU en Oezbekistan ter vervanging van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst van 1999, om contacten van mens tot mens, de politieke samenwerking en de handels- en investeringsbetrekkingen te bevorderen, de samenwerking op het gebied van duurzame ontwikkeling, milieubescherming, connectiviteit, mensenrechten en beheer te verbeteren, en daarnaast bij te dragen aan de duurzame economische en maatschappelijke ontwikkeling van Oezbekistan;
   z) nogmaals hun inzet uit te spreken voor de bevordering van democratische normen en beginselen betreffende goed bestuur en de rechtsstaat, alsook voor de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, en van activisten die deze vrijheden verdedigen;
   aa) de inspanningen van Oezbekistan om multilaterale en internationale samenwerking tot stand te brengen op het gebied van mondiale en regionale kwesties, zoals internationale veiligheid en de bestrijding van gewelddadig extremisme, georganiseerde misdaad, handel in verdovende middelen, waterbeheer, de verslechtering van het milieu, klimaatverandering en migratie, te ondersteunen;
   ab) te waarborgen dat de regionale samenwerking en de vreedzame oplossing van de bestaande conflicten door de brede overeenkomst worden bevorderd en dat daarmee het pad wordt geëffend voor goede en zuivere nabuurschapsbetrekkingen;
   ac) de bepalingen die verband houden met economische en handelsbetrekkingen te verbeteren door zich enerzijds meer te richten op bepalingen op het gebied van de mensenrechten, zich te verbinden tot naleving van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en te voorzien in mechanismen voor de beoordeling en de aanpak van schadelijke gevolgen voor de mensenrechten en anderzijds de beginselen van de markteconomie onder de aandacht te brengen, waaronder het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel van onafhankelijke, transparantie instellingen, sociale dialoog en de toepassing van de arbeidsnormen van de IAO, teneinde zorg te dragen voor duurzame directe buitenlandse investeringen en bij te dragen aan de diversificatie van de economie; de samenwerking op het gebied van de strijd tegen corruptie, witwaspraktijken en belastingontduiking te intensiveren en ervoor te zorgen dat de activa die momenteel in verschillende EU- en EER-lidstaten zijn bevroren ten gunste van de Oezbeekse bevolking, die uiteindelijk het meest onder corruptie te lijden heeft, worden gerepatrieerd;
   ad) bepaalde aspecten van interparlementaire samenwerking binnen een parlementair samenwerkingscomité met meer bevoegdheden op het gebied van democratie, de rechtstaat en de mensenrechten te versterken, waaronder de rechtstreekse verantwoordingsplicht van vertegenwoordigers van de samenwerkingsraad en het parlementair samenwerkingscomité;
   ae) zowel tijdens de onderhandelingen als in de tenuitvoerleggingsfase van de overeenkomst de betrokkenheid van alle betrokken actoren, waaronder het maatschappelijk middenveld, te waarborgen;
   af) voorwaarden vast te stellen voor een eventuele opschorting van de samenwerking indien een essentieel onderdeel van de overeenkomst door een van de partijen wordt geschonden, met name als het gaat om de eerbiediging van de democratie, de mensenrechten en de rechtstaat, en ervoor te zorgen dat het Europees Parlement in dergelijke gevallen wordt geraadpleegd; een onafhankelijk toezicht- en klachtenmechanisme in het leven te roepen dat getroffen bevolkingsgroepen en hun vertegenwoordigers van een doeltreffend instrument voorziet om de schadelijke gevolgen voor de mensenrechten aan te pakken en toezicht te houden op de tenuitvoerlegging;
   ag) ervoor te zorgen dat het Europees Parlement nauw betrokken is bij de monitoring van de tenuitvoerlegging van alle onderdelen van de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, eens die in werking treedt, en dat er in dit verband raadplegingen worden gehouden, zodat het Parlement en het maatschappelijk middenveld adequaat door de EDEO kunnen worden geïnformeerd over de tenuitvoerlegging van de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst en op passende wijze kunnen reageren;
   ah) ervoor te zorgen dat alle onderhandelingsdocumenten, met inachtneming van de geheimhoudingsregels, worden overgedragen aan het Europees Parlement, zodat het Parlement naar behoren toezicht kan houden op het onderhandelingsproces; te voldoen aan de interinstitutionele verplichtingen die voortvloeien uit artikel 218, lid 10, VWEU, en het Parlement periodiek te ondervragen;
   ai) pas nadat het Parlement zijn goedkeuring heeft gegeven, voorlopig toepassing te geven aan de versterkte partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst;
   aj) een algemene bewustmakingscampagne op te zetten waarin de aandacht wordt gevestigd op de verwachte positieve kanten van samenwerking voor Europese en Oezbeekse burgers, onder meer om contacten tussen mensen te bevorderen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, alsmede aan de president, de regering en het parlement van de Republiek Oezbekistan.

(1) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 394.
(2) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 51.
(3) PB C 274 van 27.7.2016, blz. 25.
(4) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 91.
(5) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 119.
(6) https://eeas.europa.eu/headquarters/headquarters-homepage/54354/joint-communiqué-european-union-–-central-asia-foreign-ministers-meeting-brussels-23-november_en


Einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd ***I
PDF 186kWORD 46k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG (COM(2018)0639 – C8-0408/2018 – 2018/0332(COD))
P8_TA(2019)0225A8-0169/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0639),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0408/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Deense parlement en het Lagerhuis en het Hogerhuis van het Verenigd Koninkrijk, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien de resultaten van de onlineraadpleging die door de Europese Commissie is uitgevoerd tussen 4 juli 2018 en 16 augustus 2018,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie juridische zaken en de Commissie verzoekschriften (A8-0169/2019);

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het einde van de omschakeling tussen winter- en zomertijd en tot intrekking van Richtlijn 2000/84/EG

P8_TC1-COD(2018)0332


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van de ontwerpwetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De beslissing om de zomertijd in te voeren werd in het verleden door de lidstaten afzonderlijk genomen. Voor de werking van de interne markt was het daarom belangrijk dat voor de hele Unie een gemeenschappelijke begin- en einddatum van de zomertijd werd vastgesteld om het verzetten van de klok in de lidstaten te coördineren. Overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad(4) passen alle lidstaten op dit moment halfjaarlijkse omschakelingen tussen winter- en de zomertijd toe vanaf . De standaardtijd wordt op de laatste zondag van maart omgeschakeld naar de zomertijd tot de laatste zondag van oktober van hetzelfde jaar. [Am. 1]

(2)  In zijn resolutie van 8 februari 2018, in het kader van verschillende verzoekschriften, burgerinitiatieven en parlementaire vragen, heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht een grondige evaluatie uit te voeren van de bij Richtlijn 2000/84/EG ingevoerde zomertijd en, indien nodig, een voorstel tot herziening van die richtlijn in te dienen. In die resolutie werd ook bevestigd dat het essentieel is om het belang benadrukt van het handhaven van een geharmoniseerde en gecoördineerde aanpak van de tijdsregelingen in de hele Unie te handhaven en van een uniforme EU‑tijdsregeling. [Am. 2]

(3)  De Commissie heeft de beschikbare informatie onderzocht en daaruit blijkt dat geharmoniseerde EU-regels belangrijk zijn om de goede werking van de interne markt te waarborgen, te zorgen voor voorspelbaarheid en zekerheid op de lange termijn en ter voorkoming van, onder meer, verstoringen in de planning van vervoersactiviteiten en de werking van IT- en communicatiesystemen, extra kosten voor grensoverschrijdende handel, of een daling van de productiviteit voor goederen en diensten. Op basis van die gegevens kan geen eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag of de voordelen van de zomertijd opwegen tegen de nadelen van de halfjaarlijkse omschakeling tussen winter- en zomertijd. [Am. 3]

(3 bis)   Het publieke debat over de zomertijdregeling is niet nieuw en sinds de invoering van de zomertijd zijn er verschillende initiatieven geweest om deze praktijk stop te zetten. Sommige lidstaten hielden nationale raadplegingen en de meeste bedrijven en belanghebbenden hebben een stopzetting van deze praktijk gesteund. De door de Europese Commissie georganiseerde raadpleging heeft tot dezelfde conclusie geleid. [Am. 4]

(3 ter)  In dit verband kan de situatie van de veehouders als voorbeeld dienen aangezien de zomertijd aanvankelijk onverenigbaar werd geacht met de werkmethoden in de landbouw, met name doordat de werkdag zelfs in de standaardtijd al heel vroeg begon. Ook meende men dat de halfjaarlijkse omschakeling naar de zomertijd het moeilijker maakte om producten of dieren op de markt te brengen. En ten slotte werd ervan uitgegaan dat de melkproductie zou dalen doordat de koeien hun natuurlijke melkritme volgden. De moderne landbouwuitrusting en ‑praktijken hebben de landbouw echter zodanig veranderd dat de meeste van deze punten van bezorgdheid niet langer relevant zijn, hoewel er over het bioritme van dieren en de arbeidsomstandigheden van de landbouwers nog steeds bezorgdheid bestaat. [Am. 5]

(4)  Over de zomertijd woedt een levendig publiek debat. Ongeveer 4,6 miljoen burgers hebben deelgenomen aan de openbare raadpleging van de Commissie, het grootste aantal reacties dat ooit door de Commissie werd ontvangen. Een aantal burgerinitiatieven heeft de bezorgdheid van het publiek over de halfjaarlijkse bijstelling van de klok benadrukt en sommige lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij er voorstander van zijn de huidige regeling zomertijdregeling op te heffen. In het licht van deze ontwikkelingen is het noodzakelijk de goede werking van de interne markt te blijven garanderen en te voorkomen dat verschillen tussen de lidstaten tot ernstige verstoringen zouden leiden. Daarom moet de zomertijd op een gecoördineerde en geharmoniseerde manier worden opgeheven. [Am. 6]

(4 bis)  De chronobiologie toont aan dat de omschakeling tussen winter- en zomertijd van invloed is op het bioritme van het menselijk lichaam, wat een nadelig effect kan hebben op de menselijke gezondheid. Recent wetenschappelijk bewijs wijst duidelijk op een verband tussen bijstellingen van de tijd en hart- en vaatziekten, inflammatoire immuunziekten of hypertensie, als gevolg van de verstoring van het bioritme. Bepaalde groepen, zoals kinderen en ouderen, zijn bijzonder kwetsbaar. Daarom moet in het belang van de volksgezondheid de omschakeling tussen winter- en zomertijd worden afgeschaft. [Am. 7]

(4 ter)   Het grondgebied van de lidstaten – behalve de overzeese gebieden – ligt verspreid over drie verschillende tijdzones met een verschillende standaardtijd, namelijk GMT, GMT+1 en GMT+2. Aangezien de Europese Unie zich over een groot gebied van het noorden naar het zuiden uitstrekt, lopen de effecten van tijd op het daglicht binnen de Unie uiteen. Het is dan ook belangrijk dat de lidstaten rekening houden met de geografische aspecten van tijd, d.w.z. de natuurlijke tijdzones en de geografische ligging, voordat ze hun tijdzone veranderen. De lidstaten moeten burgers en belanghebbenden raadplegen voordat ze hun tijdzone veranderen. [Am. 8]

(4 quater)  Uit een aantal burgerinitiatieven is gebleken dat burgers zich zorgen maken over het halfjaarlijkse verzetten van de klok, en de lidstaten moeten de tijd en de gelegenheid krijgen om hun eigen openbare raadplegingen en effectbeoordelingen uit te voeren teneinde een beter inzicht te krijgen in de gevolgen van de afschaffing van de omschakeling tussen winter- en zomertijd in alle regio's. [Am. 9]

(4 quinquies)  Door de zomertijd vindt de zichtbare zonsondergang tijdens de zomermaanden plaats op een later tijdstip. In de opvatting van veel Unieburgers betekent dit dat er tot 's avonds laat zonlicht is. Een terugkeer naar de "standaardtijd" zou tot gevolg hebben dat de zonsondergang tijdens de zomer een uur vroeger zou plaatsvinden en dat de periode van het jaar waarin er tot 's avonds laat daglicht beschikbaar is aanzienlijk zou worden ingeperkt. [Am. 10]

(4 sexies)  In tal van studies is onderzoek gedaan naar het verband tussen de omschakeling naar de zomertijd en het risico op hartaanvallen, de verstoring van het bioritme, slaapgebrek, gebrek aan concentratie en aandacht, een groter risico op ongelukken, minder tevredenheid met het bestaan en zelfs het aantal zelfdodingen. Langer daglicht, activiteiten in de buitenlucht na het werk of na school en de blootstelling aan zonlicht hebben echter duidelijk enige positieve langetermijneffecten op het algemene welzijn. [Am. 11]

(4 septies)  De omschakeling tussen winter- en zomertijd heeft ook negatieve gevolgen voor het welzijn van dieren, hetgeen in de landbouwsector bijvoorbeeld zichtbaar is doordat de melkproductie van koeien afneemt. [Am. 12]

(4 octies)  Er wordt algemeen aangenomen dat de omschakeling tussen winter- en zomertijd voor energiebesparing zorgt. Dit was vorige eeuw aanvankelijk inderdaad de reden om de winter- en zomertijd in te voeren. Uit onderzoek blijkt echter dat de omschakeling tussen winter- en zomertijd weliswaar marginaal bevorderlijk zou kunnen zijn voor het verminderen van de energieconsumptie in de Unie als geheel, maar dat dit niet het geval is in elke lidstaat. De besparing op energie voor verlichting ten gevolge van de omschakeling naar de zomertijd wordt mogelijk ook tenietgedaan doordat meer energie gebruikt wordt voor verwarming. Bovendien zijn de resultaten moeilijk te interpreteren omdat ze sterk worden beïnvloed door externe factoren zoals de meteorologie, het gedrag van energiegebruikers of de lopende energietransitie. [Am. 13]

(5)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van elke lidstaat om te bepalen welke standaardtijd of -tijden van toepassing is of zijn op de gebieden die onder zijn jurisdictie vallen en tot de territoriale werkingssfeer van de Verdragen behoren, en te beslissen over verdere wijzigingen daarvan. Om te vermijden dat de werking van de interne markt zou worden verstoord omdat slechts enkele lidstaten de zomertijd toepassen, mogen de lidstaten seizoensveranderingen niet inroepen als reden om de standaardtijd in een bepaald gebied dat onder hun jurisdictie valt te wijzigen of een dergelijke wijziging niet voorstellen als een verandering van tijdzone. Om verstoringen in onder meer vervoer, communicatie en andere betrokken sectoren, zo veel mogelijk te beperken, dienen zij de Commissie tijdig uiterlijk 1 april 2020 in kennis te stellen van hun eventuele voornemen om hun standaardtijd te wijzigen en vervolgens de aangemelde wijzigingen toe te passen. De Commissie moet alle andere lidstaten op basis van die kennisgeving informeren, zodat zij de nodige maatregelen kunnen nemen. Zij moet die informatie ook publiceren ten behoeve van het grote publiek en de belanghebbenden op de laatste zondag van oktober 2021. [Am. 14]

(6)  Daarom moet een einde worden gemaakt aan de harmonisatie van de zomertijd als bepaald overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG en moeten gemeenschappelijke regels worden ingevoerd om te beletten dat lidstaten de tijd blijven aanpassen aan de verandering van de seizoenen door hun standaardtijd meermaals per jaar te wijzigen; zij moeten verplicht worden de Commissie in kennis te stellen van geplande wijzigingen van de standaardtijd. Aangezien deze richtlijn tot doel heeft op een bepaalde manier bij te dragen aan de goede werking van de interne markt dient artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), zoals uitgelegd in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als rechtsgrond te worden gehanteerd. [Am. 15]

(6 bis)   Het besluit over welke standaardtijd in elke lidstaat moet worden toegepast, moet worden voorafgegaan door raadplegingen en studies waarbij rekening wordt gehouden met de voorkeuren van burgers, geografische variaties, regionale verschillen, standaard werkregelingen en andere factoren die relevant zijn voor de specifieke lidstaat. Daarom moeten de lidstaten over voldoende tijd beschikken om de impact van het voorstel te analyseren en te kiezen voor de oplossing die het beste past bij hun bevolking, terwijl rekening wordt gehouden met de goede werking van de interne markt. [Am. 16]

(6 ter)   Een verandering van tijd die losstaat van seizoensverschuivingen brengt overgangskosten met zich mee, met name voor IT-systemen in de vervoerssector en andere sectoren. Om de overgangskosten aanzienlijk te verminderen, is een redelijke voorbereidingsperiode vereist voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. [Am. 17]

(7)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn vanaf 1 april 2019 2021, zodat op 31 de laatste zondag in maart 2019 2021 om 01.00 uur UTC overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in alle lidstaten voor het laatst de zomertijd ingaat. Lidstaten die voornemens zijn na die zomertijdperiode over te schakelen op een standaardtijd die overeenstemt met de tijd die overeenkomstig Richtlijn 2000/84/EG in het winterseizoen wordt toegepast, dienen hun standaardtijd op 27 de laatste zondag in oktober 2019 2021 om 01.00 uur UTC aan te passen, zodat vergelijkbare en blijvende wijzigingen in de verschillende lidstaten gelijktijdig plaatsvinden. Het is wenselijk dat de lidstaten hun beslissingen over de standaardtijd die elke lidstaat vanaf 2019 2021 zal toepassen, coördineren. [Am. 18]

(7 bis)  Met het oog op een geharmoniseerde uitvoering van deze richtlijn dienen de lidstaten met elkaar samen te werken en op onderling afgestemde en gecoördineerde wijze besluiten te nemen over de door hen beoogde tijdsregelingen. Daarom moet een coördinatiemechanisme worden ingevoerd, bestaand uit een aangewezen vertegenwoordiger per lidstaat en een vertegenwoordiger van de Commissie. Binnen het coördinatiemechanisme moeten de potentiële effecten van elk voorgenomen besluit over de standaardtijden van een lidstaat op de werking van de interne markt besproken en beoordeeld, om ernstige verstoringen te voorkomen. [Am. 19]

(7 ter)  De Commissie dient te beoordelen of de beoogde tijdschema’s in de verschillende lidstaten de goede werking van de interne markt aanzienlijk en blijvend kunnen belemmeren. Indien die beoordeling er niet toe leidt dat de lidstaten hun geplande tijdsregelingen heroverwegen, moet de Commissie de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt met hoogstens 12 maanden kunnen uitstellen en, indien nodig, een wetgevingsvoorstel indienen. Om die reden, en om de correcte toepassing van deze richtlijn te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om de datum van toepassing van deze richtlijn met niet meer dan 12 maanden uit te stellen. [Am. 20]

(8)  Er moet worden toegezien op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. De resultaten van dat toezicht moeten door de Commissie worden gepresenteerd in een verslag aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag moet worden opgesteld op basis van informatie die door de lidstaten aan de Commissie wordt meegedeeld binnen een termijn die haar in staat stelt tijdig verslag uit te brengen.

(9)  Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn met betrekking tot geharmoniseerde tijdsregelingen niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het beginsel van evenredigheid zoals bedoeld in datzelfde artikel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te bereiken.

(10)  De geharmoniseerde tijdsregeling moet worden toegepast overeenkomstig de bepalingen betreffende het territoriale toepassingsgebied van de Verdragen als gespecificeerd in artikel 355 VWEU.

(11)  Richtlijn 2000/84/EG moet derhalve worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.  De lidstaten hanteren gedurende alle seizoenen dezelfde standaardtijd of -tijden.

2.  Niettegenstaande In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten ervoor opteren in 2019 2021 een laatste maal over te schakelen op de wintertijd, namelijk op 27 de laatste zondag van oktober 2019 van dat jaar om 01.00 uur UTC. De lidstaten delen dit besluit mee overeenkomstig artikel 2 uiterlijk op 1 april 2020 aan de Commissie mee. [Am. 21]

Artikel 2

1.  Onverminderd artikel 1 stelt elke lidstaat die besluit de standaardtijd of -tijden op zijn grondgebied te wijzigen de Commissie daar uiterlijk 6 maanden voor het tijdstip waarop de wijziging ingaat van in kennis. Een lidstaat die een dergelijke kennisgeving heeft gedaan en deze niet uiterlijk 6 maanden vóór de datum van de geplande wijziging heeft ingetrokken, past de aangekondigde wijziging toe. Er wordt hierbij een coördinatiemechanisme vastgesteld, met het oog op het waarborgen van een geharmoniseerde en gecoördineerde aanpak van tijdsregelingen in de hele Unie. [Am. 22]

2.  Binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving stelt de Commissie de andere lidstaten daarvan in kennis en maakt zij die informatie bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het coördinatiemechanisme bestaat uit één vertegenwoordiger per lidstaat en één vertegenwoordiger van de Commissie. [Am. 23]

2 bis.  Wanneer een lidstaat de Commissie in kennis stelt van zijn besluit overeenkomstig artikel 1, lid 2, komt het coördinatiemechanisme bijeen om de mogelijke gevolgen van de geplande wijziging voor de werking van de interne markt te beoordelen en te bespreken, om aanzienlijke verstoringen te voorkomen. [Am. 24]

2 ter.  Indien de Commissie op basis van de in lid 2 bis bedoelde beoordeling van oordeel is dat de beoogde wijziging de goede werking van de interne markt aanzienlijk zal aantasten, brengt zij de kennisgevende lidstaat hiervan op de hoogte. [Am. 25]

2 quater.  Uiterlijk op 31 oktober 2020 besluit de kennisgevende lidstaat om al dan niet vast te houden aan zijn voornemen. Indien de kennisgevende lidstaat besluit vast te houden aan zijn voornemen, licht hij in detail toe hoe de negatieve effecten van de wijziging op de werking van de interne markt zullen worden aangepakt. [Am. 26]

Artikel 3

1.  De Commissie brengt legt uiterlijk op 31 december 2024 2025 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit een evaluatieverslag voor over de toepassing en tenuitvoerlegging van deze richtlijn, indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel voor een herziening ervan op basis van een grondige effectbeoordeling, waarbij alle relevante belanghebbende betrokken worden. [Am. 27]

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 30 april 2024 2025 de relevante informatie. [Am. 28]

Artikel 4

1.  De lidstaten stellen uiterlijk op 1 april 2019 2021 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2019 2021 .

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. [Am. 29]

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4 bis

1.  De Commissie zal, in nauwe samenwerking met het in artikel 2 bedoelde coördinatiemechanisme, nauwlettend toezicht houden op de geplande tijdsregelingen in de hele Unie.

2.  Wanneer de Commissie vaststelt dat de beoogde tijdsregelingen, waarvan de lidstaten overeenkomstig artikel 1, lid 2, kennis hebben gegeven, de goede werking van de interne markt aanzienlijk en blijvend kunnen belemmeren, is zij bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de datum van toepassing van deze richtlijn met niet meer dan 12 maanden uit te stellen en zo nodig een wetgevingsvoorstel in te dienen. [Am. 30]

Artikel 4 ter

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 4 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] tot ... [datum van toepassing van deze richtlijn].

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 4 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 4 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. [Am. 31]

Artikel 5

Richtlijn 2000/84/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 april 2019 2021.

Artikel 6

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 7

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 305.
(2)PB C 62 van 15.2.2019, blz. 305.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2019.
(4)Richtlijn 2000/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 januari 2001 betreffende de zomertijd (PB L 31 van 2.2.2001, blz. 21).


Gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit ***I
PDF 131kWORD 59k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking) (COM(2016)0864 – C8-0495/2016 – 2016/0380(COD))
P8_TA(2019)0226A8-0044/2018

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0864),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0495/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Hongaarse parlement, de Oostenrijkse Federale Raad en de Poolse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(3),

–  gezien de brief van 7 september 2017 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0044/2018),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking)

P8_TC1-COD(2016)0380


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/944.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER DE DEFINITIE VAN INTERCONNECTOR

De Commissie neemt nota van het akkoord van de medewetgevers in verband met de herschikte elektriciteitsrichtlijn en de herschikte elektriciteitsverordening, en komt terug op de definitie van „interconnector” die wordt gebruikt in Richtlijn 2009/72/EG en in Verordening (EG) nr. 714/2009. De Commissie is het ermee eens dat de elektriciteitsmarkten anders zijn dan markten zoals die van aardgas, bijvoorbeeld doordat er producten worden verhandeld die momenteel moeilijk kunnen worden opgeslagen en die worden geproduceerd door zeer uiteenlopende productie-installaties, waaronder installaties op distributieniveau.  Bijgevolg verschilt de rol van connecties met derde landen in de elektriciteitssector aanzienlijk van die in gassector en kunnen er verschillende regelgevende benaderingen worden gekozen.

De Commissie zal de gevolgen van dit akkoord nader onderzoeken en waar nodig richtsnoeren geven voor de toepassing van de wetgeving.

Met het oog op juridische duidelijkheid wenst de Commissie het volgende te benadrukken:

De overeengekomen definitie van interconnector in de elektriciteitsrichtlijn heeft betrekking op uitrusting om elektriciteitssystemen onderling te koppelen. Deze formulering maakt geen onderscheid tussen verschillende regelgevingskaders of technische situaties en omvat dus a priori alle elektrische connecties met derde landen die binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen. Met betrekking tot de overeengekomen definitie van interconnector in de elektriciteitsverordening benadrukt de Commissie dat de integratie van de markten voor elektriciteit een hoge mate van samenwerking tussen netbeheerders, marktdeelnemers en toezichthouders vereist. Hoewel de reikwijdte van de toepasselijke regels kan variëren volgens de mate van integratie met de interne elektriciteitsmarkt, dient de nauwe integratie van derde landen in de interne elektriciteitsmarkt, zoals deelname aan marktkoppelingsprojecten, te berusten op overeenkomsten waarbij de toepassing van het relevante recht van de Unie verplicht wordt gesteld.

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER ALTERNATIEVE GESCHILLENBESLECHTING

De Commissie neemt nota van het akkoord van de medewetgevers over artikel 26 om op EU-niveau te regelen dat leveranciers van energiediensten verplicht moeten deelnemen aan alternatieve geschillenbeslechting. De Commissie betreurt dit besluit, omdat haar voorstel deze keuze aan de lidstaten had overgelaten in lijn met de benadering die is gevolgd in Richtlijn 2013/11/EU betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen (richtlijn ADR consumenten) en rekening houdende met het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel.

Het is niet de taak van de Commissie om de modellen voor individuele alternatieve geschillenbeslechting die de lidstaten hebben opgezet, te vergelijken en te beoordelen. Daarom zal de Commissie de nationale raamwerken voor alternatieve geschillenbeslechting op hun algemene doeltreffendheid beoordelen in het kader van haar algemene verplichting om toe te zien op de omzetting en de daadwerkelijke toepassing van het Unierecht.

(1) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 91.
(2) PB C 342 van 12.10.2017, blz. 79.
(3) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Interne markt voor elektriciteit ***I
PDF 135kWORD 53k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking) (COM(2016)0861 – C8-0492/2016 – 2016/0379(COD))
P8_TA(2019)0227A8-0042/2018

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0861),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0492/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Tsjechische Kamer van Afgevaardigden, de Duitse Bondsdag, het Spaanse parlement, de Franse Senaat, het Hongaarse parlement, de Oostenrijkse Bondsraad, de Poolse Sejm, de Poolse Senaat, de Roemeense Kamer van Afgevaardigden en de Roemeense Senaat, waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het beginsel van subsidiariteit,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(3),

–  gezien de brief van 13 juli 2017 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0042/2018),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  neemt kennis van de aan deze resolutie gehechte verklaringen van de Commissie;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking)

P8_TC1-COD(2016)0379


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/943.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER DE DEFINITIE VAN INTERCONNECTOR

"De Commissie neemt nota van het akkoord van de medewetgevers in verband met de herschikte elektriciteitsrichtlijn en de herschikte elektriciteitsverordening, en komt terug op de definitie van „interconnector” die wordt gebruikt in Richtlijn 2009/72/EG en in Verordening (EG) nr. 714/2009. De Commissie is het ermee eens dat de elektriciteitsmarkten anders zijn dan markten zoals die van aardgas, bijvoorbeeld doordat er producten worden verhandeld die momenteel moeilijk kunnen worden opgeslagen en die worden geproduceerd door zeer uiteenlopende productie-installaties, waaronder installaties op distributieniveau.  Bijgevolg verschilt de rol van connecties met derde landen in de elektriciteitssector aanzienlijk van die in de gassector en kunnen er verschillende regelgevende benaderingen worden gekozen.

De Commissie zal de gevolgen van dit akkoord nader onderzoeken en waar nodig richtsnoeren geven voor de toepassing van de wetgeving.

Met het oog op juridische duidelijkheid wenst de Commissie het volgende te benadrukken:

De overeengekomen definitie van interconnector in de elektriciteitsrichtlijn heeft betrekking op uitrusting om elektriciteitssystemen onderling te koppelen. Deze formulering maakt geen onderscheid tussen verschillende regelgevingskaders of technische situaties en omvat dus a priori alle elektrische connecties met derde landen die binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen. Met betrekking tot de overeengekomen definitie van interconnector in de elektriciteitsverordening benadrukt de Commissie dat de integratie van de markten voor elektriciteit een hoge mate van samenwerking tussen netbeheerders, marktdeelnemers en toezichthouders vereist. Hoewel de reikwijdte van de toepasselijke regels kan variëren volgens de mate van integratie met de interne elektriciteitsmarkt, dient de nauwe integratie van derde landen in de interne elektriciteitsmarkt, zoals deelname aan marktkoppelingsprojecten, te berusten op overeenkomsten waarbij de toepassing van het relevante recht van de Unie verplicht wordt gesteld."

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER DE ROUTEKAARTEN VOOR DE MARKTHERVORMING

De Commissie neemt nota van het akkoord van de medewetgevers met betrekking tot artikel 20, lid 3, bepalende dat lidstaten met geconstateerde zorgpunten in verband met de toereikendheid van hulpbronnen een routekaart publiceren met een tijdschema voor het vaststellen van maatregelen die gericht zijn op het wegnemen van eventuele vastgestelde verstorende effecten van regelgeving en/of tekortkomingen van de markt als onderdeel van het proces van staatssteun.

Krachtens artikel 108 VWEU is de Commissie exclusief bevoegd om de verenigbaarheid van staatssteunmaatregelen met de interne markt te beoordelen. Deze verordening heeft geen invloed op en doet geen afbreuk aan de exclusieve bevoegdheid die het VWEU aan de Commissie toekent. Daarom kan de Commissie, in voorkomende gevallen, parallel aan het proces van goedkeuring van capaciteitsmechanismen uit hoofde van de staatssteunregels een advies over markthervormingsplannen uitbrengen, met dien verstande dat beide processen juridisch van elkaar gescheiden zijn.

(1) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 91.
(2) PB C 342 van 12.10.2017, blz. 79.
(3) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators ***I
PDF 123kWORD 54k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (herschikking) (COM(2016)0863 – C8-0494/2016 – 2016/0378(COD))
P8_TA(2019)0228A8-0040/2018

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0863),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0494/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Duitse Bondsdag, de Franse Senaat en de Roemeense Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(3),

–  gezien de brief van 13 juli 2017 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie industrie, onderzoek en energie overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0040/2018),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande handelingen behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (herschikking)

P8_TC1-COD(2016)0378


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/942.)

(1) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 91.
(2) PB C 342 van 12.10.2017, blz. 79.
(3) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Risicoparaatheid in de elektriciteitssector ***I
PDF 122kWORD 52k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende risicoparaatheid in de elektriciteitssector en tot intrekking van Richtlijn 2005/89/EG (COM(2016)0862 – C8-0493/2016 – 2016/0377(COD))
P8_TA(2019)0229A8-0039/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0862),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0493/2016),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 5 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0039/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende risicoparaatheid in de elektriciteitssector en tot intrekking van Richtlijn 2005/89/EG

P8_TC1-COD(2016)0377


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/941.)

(1) PB C 288 van 31.8.2017, blz. 91.
(2) PB C 342 van 12.10.2017, blz. 79.


Etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters ***I
PDF 525kWORD 378k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009 (COM(2018)0296 – C8-0190/2018 – 2018/0148(COD))
P8_TA(2019)0230A8-0086/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0296),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 114 en 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0190/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0086/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009

P8_TC1-COD(2018)0148


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114 en artikel 194, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De Unie is vastbesloten een energie-unie met een toekomstgericht klimaatbeleid op te bouwen. Brandstofefficiëntie is een cruciaal aspect van het beleidskader voor klimaat en energie 2030 van de Unie en is essentieel voor de matiging van de vraag naar energie.

(2)  De Commissie heeft de doeltreffendheid geëvalueerd(4) van Verordening (EG) nr. 1222/2009 van het Europees Parlement en de Raad(5) en geconstateerd dat de bepalingen moeten worden bijgewerkt om de doeltreffendheid ervan te verhogen.

(3)  Het is passend Verordening (EG) nr. 1222/2009 te vervangen door een nieuwe verordening waarin in 2011 ingevoerde wijzigingen worden verwerkt, en waarin een aantal bepalingen wordt gewijzigd en versterkt teneinde de inhoud ervan te verduidelijken en bij te werken, rekening houdend met de technologische vooruitgang van de voorbije jaren op het gebied van banden. Aangezien de vraag en het aanbod wat betreft brandstofefficiëntie nauwelijks zijn veranderd, is het in dit stadium niet dienstig om de brandstofefficiëntieklassen te wijzigen. Daarnaast moeten worden onderzocht wat de oorzaken voor dit gebrek aan ontwikkeling zijn en welke rol aankoopfactoren zoals prijs, prestaties, enzovoort daarbij spelen. [Am. 1]

(4)  De vervoersector neemt een derde van het energieverbruik van de Unie voor zijn rekening. Het wegvervoer was in 2015 verantwoordelijk voor ongeveer 22 % van de totale uitstoot van broeikasgassen in de Europese Unie. Banden veroorzaken 5 tot 10 % van het brandstofverbruik van een voertuig, vooral door hun rolweerstand. Een beperking van de rolweerstand van banden zou dus een aanzienlijke bijdrage leveren tot de brandstofefficiëntie van het wegvervoer en bijgevolg tot de beperking van de emissies alsook tot het koolstofvrij maken van de vervoersector. [Am. 2]

(4 bis)  Om de uitdaging van het verminderen van de CO2-uitstoot van het wegvervoer te aan te gaan, is het voor de lidstaten passend om in samenwerking met de Commissie stimulansen te bieden voor het innoveren van een nieuw technologische proces voor brandstofefficiënte en veilige C1-, C2- en C3-banden. [Am. 3]

(5)  Banden hebben een aantal kenmerken die elkaar onderling beïnvloeden samenhangen. Het verbeteren van één parameter, zoals de rolweerstand, kan nadelige gevolgen hebben voor andere parameters, zoals de grip op nat wegdek, en het verbeteren van de grip op nat wegdek kan dan weer nadelige gevolgen hebben voor de rolgeluidemissies. De bandenfabrikanten moeten worden aangemoedigd om alle parameters te optimaliseren boven de reeds gehaalde normen. [Am. 4]

(6)  Brandstofefficiënte banden kunnen rendabel zijn omdat de hogere aankoopprijs van de banden, die het gevolg is van hogere productiekosten, meer dan gecompenseerd wordt door de brandstofbesparing.

(7)  In Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad(6) worden minimumeisen voor de rolweerstand van banden vastgesteld. Door de ontwikkeling van de technologie is het mogelijk het energieverlies door de rolweerstand van banden nog sterker te beperken dan in deze minimumeisen is vastgesteld. Om de invloed van het wegvervoer op het milieu te beperken, moeten derhalve de bepalingen voor de etikettering van banden worden bijgewerkt om eindgebruikers aan te moedigen brandstofefficiëntere banden te kopen door bijgewerkte geharmoniseerde informatie over deze parameter te verstrekken.

(7 bis)  Door de verbetering van de etikettering van banden wordt de consument in staat gesteld relevantere en meer vergelijkbare informatie te verkrijgen over brandstofefficiëntie, veiligheid en geluid, en om kosteneffectieve en milieuvriendelijke aankoopbeslissingen te nemen bij de aankoop van nieuwe banden. [Am. 5]

(8)  Verkeerslawaai is hinderlijk en heeft schadelijke gevolgen voor de gezondheid. In Verordening (EG) nr. 661/2009 worden minimumeisen voor de rolgeluidemissies van banden vastgesteld. Door de ontwikkeling van de technologie is het mogelijk de rolgeluiden van banden nog sterker terug te dringen dan in deze minimumeisen is vastgesteld. Om het verkeerslawaai terug te dringen, moeten derhalve de bepalingen voor de etikettering van banden worden bijgewerkt om eindgebruikers aan te moedigen banden met lagere rolgeluidemissies te kopen door geharmoniseerde informatie over deze parameter te verstrekken.

(9)  Door de verstrekking van geharmoniseerde informatie over de rolgeluidemissies kunnen ook gemakkelijker maatregelen worden genomen om verkeerslawaai te beperken, en wordt bijgedragen tot een beter besef van het effect van banden op het verkeerslawaai in het kader van Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad(7).

(10)  In Verordening (EG) nr. 661/2009 worden minimumeisen voor de grip van banden op nat wegdek vastgesteld. Door de ontwikkeling van de technologie is het mogelijk de grip op nat wegdek sterker te verbeteren dan in deze eisen is vastgesteld en de remafstand op nat wegdek derhalve te verkorten. Om de verkeersveiligheid te verbeteren, moeten derhalve de bepalingen voor de etikettering van banden worden bijgewerkt om eindgebruikers aan te moedigen banden met goede grip op nat wegdek te kopen door geharmoniseerde informatie over deze parameter te verstrekken.

(11)  Om te zorgen voor overeenstemming met het internationale kader wordt in Verordening (EG) nr. 661/2009 verwezen naar VN/ECE-reglement 117(8), dat betrekking heeft op de relevante meetmethoden voor de rolweerstand, het geluid, de grip op nat wegdek en de prestaties op sneeuw van banden.

(12)  Om de verkeersveiligheid te verbeteren in de lidstaten van de Unie met koude klimaatomstandigheden en de eindgebruiker informatie te verstrekken over de prestaties van banden die specifiek ontworpen zijn voor het rijden op sneeuw en ijs, dient te worden vereist dat op het etiket voorgeschreven informatie over winterbanden wordt vermeld. Winterbanden hebben specifieke parameters die niet volledig vergelijkbaar zijn met die van andere typen banden. Om ervoor te zorgen dat eindgebruikers weloverwogen en geïnformeerde beslissingen kunnen nemen, moeten op het etiket informatie over de grip op sneeuw, de grip op ijs en de QR-code worden vermeld. De Commissie moet zowel een schaal voor de prestaties met betrekking tot de grip op sneeuw als een schaal voor de prestaties met betrekking tot de grip op ijs ontwikkelen. Deze schalen moeten zijn gebaseerd op VN/ECE-Reglement nr. 117 en ISO 19447 voor respectievelijk sneeuw en ijs. Een band die aan de in VN/ECE-reglement nr. 117 genoemde minimale sneeuwindexwaarden voldoet, moet zijn voorzien van het "3PMSF"-logo (drie bergtoppen met een sneeuwvlok). Een band die aan de in ISO 19447 genoemde minimale ijsindexwaarden voldoet, moet zijn voorzien van het in deze norm overeengekomen ijsbandlogo. [Am. 6].

(13)  De slijtage van banden tijdens het gebruik is een belangrijke bron van microplastics, die schadelijk zijn voor het milieu; derhalve wordt in de mededeling van de Commissie „Een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie”(9) aangegeven dat het onopzettelijk vrijkomen van microplastics uit banden moet worden tegengegaan, onder andere door voorlichtingsmaatregelen zoals etikettering en minimumeisen voor banden. Er is momenteel echter geen geschikte testmethode voorhanden om de De toepassing van etiketteringsvoorschriften ten aanzien van de mate van slijtage van banden te meten zou daarom aanzienlijke voordelen voor de menselijke gezondheid en het milieu met zich meebrengen. Daarom moet de Commissie opdracht geven tot de ontwikkeling van een dergelijke methode, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met alle geavanceerde, internationaal ontwikkelde of voorgestelde normen of verordeningen, evenals met de resultaten van industrieel onderzoek, teneinde zo spoedig mogelijk een geschikte testmethode vast te stellen. [Am. 7]

(14)  Coverbanden maken een wezenlijk deel uit van de markt voor banden voor zware bedrijfsvoertuigen. Door banden te voorzien van een nieuw loopvlak wordt de levensduur ervan verlengd en wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van doelstellingen van de circulaire economie zoals afvalvermindering. Het toepassen van etiketteringsvoorschriften op coverbanden zou aanzienlijke energiebesparingen opleveren. Aangezien er op dit moment echter nog geen geschikte testmethode voorhanden is om de prestaties van coverbanden te meten, moet in deze verordening in de toekomstige opname ervan worden voorzien.

(15)  Het energie-etiket op grond van Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad(10), waarbij het energieverbruik van producten wordt ingedeeld in een schaal van „A” tot en met „G”, wordt door meer dan 85 % van de consumenten in de Unie als duidelijk en transparant informatiehulpmiddel erkend en is doeltreffend gebleken voor het bevorderen van efficiëntere producten. Voor het bandenetiket moet zoveel mogelijk hetzelfde ontwerp gebruikt blijven worden, terwijl rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de bandenparameters. [Am. 8]

(16)  Vergelijkbare informatie over bandenparameters in de vorm van een standaardetiket zal naar alle waarschijnlijkheid de aankoopbeslissingen van eindgebruikers beïnvloeden in de richting van veiligere, duurzame, geluidsarmere en brandstofefficiëntere banden. Dit zal op zijn beurt de bandenfabrikanten ertoe aanzetten om deze parameters te optimaliseren, wat de weg effent voor duurzamere consumptie en productie. [Am. 9]

(17)  Het is van belang dat meer informatie over de brandstofefficiëntie en andere parameters van banden wordt verstrekt aan alle eindgebruikers, inclusief kopers van vervangingsbanden en kopers van banden die op nieuwe voertuigen zijn gemonteerd, alsmede aan wagenparkbeheerders en vervoersbedrijven, omdat zij de parameters van verschillende bandenmerken zonder etikettering en geharmoniseerde testmethoden niet gemakkelijk kunnen vergelijken. Bij voertuigen geleverde banden dienen derhalve te allen tijde te worden geëtiketteerd.

(18)  Momenteel is een etiket expliciet vereist voor banden voor auto's (C1-banden) en bestelwagens (C2-banden), maar niet voor zware bedrijfsvoertuigen (C3-banden). Het brandstofverbruik van C3-banden is hoger dan dat van C1- en C2-banden en er worden jaarlijks meer kilometers mee afgelegd, waardoor er aanzienlijke mogelijkheden zijn om het brandstofverbruik en de uitstoot van zware bedrijfsvoertuigen te doen dalen.

(19)  Het volledig onder het toepassingsgebied van deze verordening laten vallen van C3-banden is ook in overeenstemming met het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake de monitoring en rapportering van CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen(11) en van het voorstel van de Commissie inzake CO2-normen voor zware bedrijfsvoertuigen(12).

(20)  Veel eindgebruikers nemen aankoopbeslissingen met betrekking tot banden zonder de band in het echt te zien en dus ook zonder het etiket te zien dat erop is aangebracht. In al dit soort situaties moet het etiket aan de eindgebruiker worden getoond voordat de definitieve aankoopbeslissing wordt genomen. Door in de verkooppunten een etiket aan te brengen op de banden en dit etiket ook in het technische reclamemateriaal op te nemen, krijgen distributeurs en potentiële eindgebruikers op het moment en de plaats van de aankoopbeslissing geharmoniseerde informatie over de relevante bandenparameters.

(21)  Sommige eindgebruikers kiezen hun banden alvorens zich naar een verkooppunt te begeven of kopen banden per postorder of via internet. Om ook deze eindgebruikers in staat te stellen een geïnformeerde keuze te maken op basis van geharmoniseerde informatie over de brandstofefficiëntie, de grip op nat wegdek, de rolgeluidemissies en andere parameters, moeten de etiketten worden opgenomen in al het technische reclamemateriaal, met inbegrip van het materiaal dat op het internet beschikbaar is.

(22)  Aan potentiële eindgebruikers moet informatie worden verstrekt waarin elk onderdeel van het etiket en de relevantie ervan worden uitgelegd. Deze informatie moet in het technische reclamemateriaal, zoals bijvoorbeeld op websites van leveranciers, worden opgenomen. Onder technisch reclamemateriaal mag niet worden verstaan reclame op reclameborden, in kranten en tijdschriften, op de radio of de televisie. [Am. 10]

(23)  De brandstofefficiëntie, de grip op nat wegdek, de rolgeluidemissie en andere parameters met betrekking tot banden dienen te worden gemeten met behulp van betrouwbare, accurate en reproduceerbare methoden, waarbij rekening wordt gehouden met algemeen erkende, geavanceerde meet- en berekeningsmethoden. Voor zover mogelijk moeten deze methoden het gemiddelde consumentengedrag weerspiegelen en solide zijn, om de bewuste en onbewuste omzeiling ervan te ontmoedigen. Bandenetiketten dienen de comparatieve prestaties van banden bij werkelijk gebruik weer te geven, binnen de beperkingen die de noodzaak van betrouwbare, accurate en reproduceerbare laboratoriumtests met zich meebrengt, zodat eindgebruikers verschillende banden kunnen vergelijken en de testkosten voor de fabrikanten worden beperkt.

(24)  Het is van essentieel belang dat de leveranciers en distributeurs de bepalingen inzake bandenetikettering naleven om een gelijk speelveld tot stand te brengen in de Unie. De lidstaten moeten daarom toezicht houden op de naleving via markttoezicht en regelmatige controles achteraf, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad(13).

(25)  Teneinde het toezicht op de conformiteit te vergemakkelijken, te voorzien in een nuttig instrument voor eindgebruikers en handelaren op alternatieve wijzen productinformatiebladen te laten aanvragen, moeten banden worden opgenomen in de op grond van Verordening (EU) 2017/1369 opgezette productendatabank. Verordening (EU) 2017/1369 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(26)  Onverminderd de verplichtingen van de lidstaten inzake markttoezicht en de verplichtingen van de leveranciers om de productconformiteit te controleren, dienen de leveranciers de vereiste informatie inzake productconformiteit elektronisch ter beschikking te stellen in de productendatabank.

(27)  Om het vertrouwen van de eindgebruiker in het bandenetiket te behouden, mogen geen andere etiketten worden gebruikt waarmee het bandenetiket wordt nagebootst. Aanvullende etiketten, markeringen, symbolen of opschriften die wat betreft de op het bandenetiket vermelde parameters misleidend of verwarrend kunnen zijn voor de eindgebruiker, dienen om dezelfde reden niet te worden toegestaan.

(28)  De sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(29)  Teneinde de energie-efficiëntie, de beperking van de klimaatverandering en de milieubescherming te bevorderen, mogen de lidstaten stimulansen voor het gebruik van energie-efficiënte producten creëren. De lidstaten kunnen vrij beslissen over de aard van dergelijke stimulansen. Dergelijke stimulansen dienen te voldoen aan de staatssteunregels van de Unie en mogen niet tot ongerechtvaardigde marktbelemmeringen leiden. Deze verordening doet geen afbreuk aan het resultaat van enigerlei toekomstige, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) ingeleide staatssteunprocedure ten aanzien van dergelijke stimulansen.

(30)  Teneinde de inhoud en het formaat van het etiket te wijzigen, eisen in te voeren met betrekking tot coverbanden, winterbanden, slijtage en kilometrage, en de bijlagen aan te passen aan de technische vooruitgang, moet de bevoegdheid om wetgevingshandelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016(14). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, dienen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip te ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en dienen hun deskundigen systematisch toegang te hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 12]

(30 bis)  Gegevens over de kilometrage en slijtage van banden zullen, wanneer een geschikte testmethode beschikbaar wordt, een nuttig instrument zijn om consumenten te informeren over de duurzaamheid, levensduur en het onopzettelijk vrijkomen van microplastics van de band die zij aanschaffen. Daarnaast kan de eindconsument aan de hand van informatie over de kilometrage een weloverwogen beslissing nemen over banden met een langere levensduur, wat de bescherming van het milieu ten goede komt en hem tegelijkertijd in staat stelt een schatting te maken van de exploitatiekosten van zijn banden op langere termijn. Derhalve moeten prestatiegegevens met betrekking tot de kilometrage en slijtage worden toegevoegd aan het etiket wanneer een relevante, zinvolle en reproduceerbare testmethode beschikbaar wordt voor de toepassing van deze verordening. Het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe technologieën op dit gebied moeten worden voortgezet. [Am. 13]

(31)  Banden die al vóór de datum van toepassing van de voorschriften van deze verordening in de handel waren, hoeven niet van een nieuw etiket te worden voorzien.

(32)  Om het vertrouwen in het etiket te versterken en de nauwkeurigheid ervan te waarborgen, moet de verklaring van leveranciers op het etiket met betrekking tot de waarden voor rolweerstand, grip op nat wegdek, grip op sneeuw en geluid het typegoedkeuringsproces ingevolge Verordening (EG) nr. 661/2009 doorlopen. [Am. 14]

(32 bis)  De afmetingen van het etiket moeten dezelfde blijven als de afmetingen die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1222/2009. De details over de grip op sneeuw en de grip op ijs en de QR-code moeten in het etiket worden opgenomen. [Am. 15]

(33)  De Commissie moet een evaluatie van deze verordening verrichten. Ingevolge punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven van 13 april 2016 moet die evaluatie worden uitgevoerd op basis van de vijf criteria efficiëntie, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde, en een basis verschaffen voor effectbeoordelingen van eventuele verdere maatregelen.

(34)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk verbetering van de veiligheid en de economische en milieuefficiëntie van het wegvervoer door het verstrekken van informatie aan eindgebruikers die hen in staat stelt brandstofefficiëntere, veiligere en stillere banden te kiezen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt omdat daarvoor geharmoniseerde informatie voor eindgebruikers nodig is, en aangezien deze derhalve met het oog op een geharmoniseerd regelgevingskader en een gelijk speelveld voor fabrikanten, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie hiertoe maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Een verordening blijft het geschikte rechtsinstrument, aangezien hierbij duidelijke en gedetailleerde regels worden opgelegd die niet op uiteenlopende wijze door de lidstaten kunnen worden omgezet, waardoor een hogere mate van harmonisering in de hele Unie wordt gewaarborgd. Doordat het regelgevingskader op het niveau van de Unie en niet op het niveau van de lidstaten wordt geharmoniseerd, dalen de kosten voor leveranciers, ontstaat een gelijk speelveld en wordt het vrije verkeer van goederen op de hele interne markt gewaarborgd. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(35)  Verordening (EG) nr. 1222/2009 moet derhalve worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel en onderwerp

1.  Deze verordening heeft tot doel de veiligheid, de bescherming van de gezondheid en de economische en milieuefficiëntie van het wegvervoer te verbeteren door het gebruik van brandstofefficiënte, veilige en geluidsarme banden aan te moedigen het gebruik van brandstofefficiënte, veilige, duurzame en geluidsarme banden te bevorderen om zo de effecten op het milieu en de gezondheid te doen afnemen en tegelijkertijd de veiligheid en economische efficiëntie van het wegvervoer te verbeteren. [Am. 16]

2.  Bij deze verordening wordt een kader vastgesteld om via etiketten geharmoniseerde informatie te verstrekken over bandenparameters, waardoor eindgebruikers een geïnformeerde keuze kunnen maken bij de aankoop van banden.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze verordening is van toepassing op in de handel gebrachte C1-, C2- en C3-banden. [Am. 17]

2.  Deze verordening is ook van toepassing op coverbanden zodra er middels een gedelegeerde handeling ingevolge artikel 12 een geschikte testmethode voor het meten van de prestaties van dergelijke banden aan de bijlagen is toegevoegd.

3.  Deze verordening is niet van toepassing op:

a)  professionele terreinbanden;

b)  banden die enkel zijn ontworpen voor montage op voertuigen die voor het eerst zijn geregistreerd vóór 1 oktober 1990;

c)  T-reservebanden voor tijdelijk gebruik;

d)  banden van de snelheidscategorie onder 80 km/h;

e)  banden met een nominale velgdiameter van hoogstens 254 mm of van minstens 635 mm;

f)  banden met trekkrachtbevorderende voorzieningen (bv. spijkerbanden);

g)  banden die enkel zijn ontworpen voor montage op voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor races.

Artikel 3

Definities

Met het oog op de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)  „C1-, C2- en C3-banden”: bandenklassen die gedefinieerd zijn in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 661/2009;

2)  „coverband”: een gebruikte band die weer geschikt voor gebruik is gemaakt door middel van de vervanging van het versleten loopvlak door nieuw materiaal;

3)  „T-reservebanden voor tijdelijk gebruik”: reservebanden voor tijdelijk gebruik die ontworpen zijn voor een hogere druk dan die van standaard- en versterkte banden;

4)  „etiket”: een grafisch diagram, in gedrukte of elektronische vorm, ook in de vorm van een sticker, waarop symbolen staan om eindgebruikers te informeren over de prestaties van een band of partij banden met betrekking tot de parameters in bijlage I;

5)  „verkooppunt”: een plaats waar banden worden uitgestald of opgeslagen en te koop worden aangeboden aan eindgebruikers, met inbegrip van autotoonzalen, met betrekking tot aan eindgebruikers te koop aangeboden banden die niet op de voertuigen gemonteerd zijn;

6)  „technisch reclamemateriaal”: documentatie, in gedrukte of elektronische vorm, geproduceerd door de leverancier om reclamemateriaal aan te vullen met ten minste de technische informatie overeenkomstig bijlage V;

7)  „productinformatieblad”: een standaarddocument met de in bijlage IV beschreven informatie, in gedrukte of elektronische vorm;

8)  „technische documentatie”: documentatie die volstaat om markttoezichtautoriteiten in staat te stellen de juistheid van het etiket en het productinformatieblad van een product te beoordelen, met inbegrip van de in bijlage III beschreven informatie;

9)  „productendatabank”: de op grond van Verordening (EU) 1369/2017 opgezette databank die bestaat uit een openbaar, consumentgericht gedeelte waarin informatie over individuele productparameters toegankelijk is langs elektronische weg, een internetportaal voor toegankelijkheid en een conformiteitsgedeelte, met duidelijk omschreven voorschriften inzake toegankelijkheid en beveiliging;

10)  „verkoop op afstand”: het voor verkoop, huur of huurkoop aanbieden van producten via postorder, catalogus, internet, telemarketing of een andere methode waarbij kan worden aangenomen dat de potentiële eindgebruiker het product niet uitgestald ziet;

11)  „fabrikant”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een product vervaardigt of een product laat ontwerpen of vervaardigen en dat product onder zijn naam of handelsmerk in de handel brengt;

12)  „importeur”: een in de Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die een product uit een derde land in de Unie in de handel brengt;

13)  „gemachtigde vertegenwoordiger”: een in de Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk door de fabrikant is gemachtigd om namens hem specifieke taken te vervullen;

14)  „leverancier”: een in de Unie gevestigde fabrikant, een gemachtigde vertegenwoordiger van een fabrikant die niet in de Unie is gevestigd of een importeur die een product in de Unie in de handel brengt;

15)  „distributeur”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon in de toeleveringsketen, met uitzondering van de leverancier, die een product in de handel brengt;

16)  „op de markt aanbieden”: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie of gebruik op de markt van de Unie;

17)  „in de handel brengen”: een product voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden;

18)  „eindgebruiker”: een consument, een wagenparkbeheerder of een wegvervoersonderneming die een band koopt of voornemens is een band te kopen;

19)  „parameter”: een in bijlage I vermelde bandenparameter, zoals rolweerstand, grip op nat wegdek, rolgeluidemissies, sneeuw, of ijs, kilometrage of slijtage, die bij gebruik van de banden een aanzienlijke invloed heeft op het milieu, de verkeersveiligheid of de gezondheid. [Am. 18]

20)  „bandentype”: een versie van een band waarvan alle eenheden over dezelfde, voor het etiket en het productinformatieblad relevante, technische kenmerken en dezelfde typeaanduiding beschikken;

Artikel 4

Verantwoordelijkheden van bandenleveranciers

1.  Wat betreft C1-, C2- en C3-banden die in de handel worden gebracht, zorgen leveranciers ervoor dat, zonder dat er kosten in rekening worden gebracht: [Am. 19]

a)  elke afzonderlijke band vergezeld gaat van een etiket in overeenstemming met bijlage II in de vorm van een sticker, waarop de informatie en klasse van elke parameter wordt vermeld, zoals uiteengezet in bijlage I, en van een productinformatieblad zoals uiteengezet in bijlage IV; of [Am. 20]

b)  elke partij van één band of meerdere identieke banden vergezeld gaat van een etiket in overeenstemming met bijlage II in gedrukte vorm, waarop de informatie en klasse van elke parameter wordt vermeld, zoals uiteengezet in bijlage I, en van een productinformatieblad zoals uiteengezet in bijlage IV.

2.  Met betrekking tot banden waarvoor via internet reclame wordt gemaakt of die via internet worden verkocht maken leveranciers het etiket beschikbaar en zorgen zij ervoor dat het etiket bij de aankoop zichtbaar in de nabijheid van de prijs wordt getoond en dat het productinformatieblad toegankelijk is. Het etiket kan worden weergegeven in de vorm van een ingebouwde afbeelding, na een muisklik, mouseover of uitvergroting van het beeld op het aanraakscherm, of vergelijkbare technieken. [Am. 21]

3.  Leveranciers zorgen ervoor dat bij elke visuele advertentie voor een specifiek bandentype, ook op internet, het etiket wordt getoond. [Am. 22]

4.  Leveranciers zorgen ervoor dat bij al het technische reclamemateriaal met betrekking tot een specifiek bandentype, ook op internet, het etiket wordt getoond en aan de eisen van bijlage V voldoet wordt voldaan. [Am. 23]

5.  Leveranciers zorgen ervoor dat de waarden, de daaraan gekoppelde klassen, de typeaanduiding en alle extra informatie over de prestaties die zij op het etiket vermelden met betrekking tot de essentiële parameters zoals uiteengezet in bijlage I, het typegoedkeuringsproces ingevolge Verordening (EG) nr. 661/2009 hebben doorlopen evenals de parameters van de technische documentatie zoals uiteengezet in bijlage III aan de typegoedkeuringsinstanties zijn voorgelegd voordat zij een band in de handel brengen. De typegoedkeuringsinstantie bevestigt de ontvangst van de documenten van de leverancier en controleert deze documenten. [Am. 24]

6.  Leveranciers zorgen ervoor dat de door hen verstrekte etiketten en productinformatiebladen juist zijn.

7.  Leveranciers stellen op verzoek technische documenten overeenkomstig bijlage III ter beschikking van de autoriteiten van de lidstaten of een geaccrediteerde derde. [Am. 25]

8.  Leveranciers werken samen met de markttoezichtautoriteiten en nemen op eigen initiatief of op verzoek van de markttoezichtautoriteiten onmiddellijk maatregelen ter correctie van een onder hun verantwoordelijkheid vallende situatie die niet strookt met de voorschriften van deze verordening.

9.  Leveranciers verstrekken of tonen geen andere etiketten, merktekens, symbolen of opschriften die niet voldoen aan de voorschriften van deze verordening indien dit zou kunnen leiden tot misleiding of verwarring bij de eindgebruikers met betrekking tot de essentiële parameters.

10.  Leveranciers verstrekken of tonen geen etiketten waarmee het etiket waarin deze verordening voorziet, wordt nagebootst.

Artikel 5

Verantwoordelijkheden van bandenleveranciers in verband met de productendatabank

1.  Met ingang van 1 januari 2020 negen maanden na ... [gelieve de datum van inwerkingtreding van deze verordening in te voegen] voeren leveranciers, alvorens een band in de handel te brengen die na die datum is geproduceerd, de in bijlage I bij Verordening (EU) 2017/1369 bepaalde informatie in de productendatabank in, met uitzondering van de gemeten technische parameters van het model.

2.  Uiterlijk op 30 juni 2020 twaalf maanden na ... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening invoegen] voert de leverancier voor banden die in de handel worden gebracht worden geproduceerd tussen [de datum van inwerkingtreding van deze verordening invoegen] en 31 december 2019 negen maanden minus een dag na [de datum van de inwerkingtreding van deze verordening invoegen], de in bijlage I bij Verordening (EU) 2017/1369 bepaalde informatie met betrekking tot die banden in de productendatabank in, met uitzondering van de gemeten technische parameters van het model.

2 bis.  Indien de banden in de handel worden gebracht vóór ... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening invoegen], kan de leverancier de in bijlage I bij Verordening (EU) 2017/1369 bepaalde informatie met betrekking tot die banden in de productendatabank invoeren. [Am. 58]

3.  Tot op het moment van het invoeren van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie in de productendatabank stelt de leverancier, binnen tien dagen na een verzoek van de markttoezichtautoriteiten, een elektronische versie van de technische documentatie ter beschikking voor inspectie.

4.  Een band waaraan wijzigingen worden aangebracht die van betekenis zijn voor het etiket of het productinformatieblad, wordt beschouwd als een nieuw bandentype. De leverancier geeft in de databank aan wanneer hij eenheden van een bandentype niet meer in de handel brengt.

5.  De leverancier bewaart de informatie betreffende dat bandentype in het conformiteitsgedeelte van de databank gedurende vijf jaar nadat de laatste eenheid van dat bandentype in de handel is gebracht.

Artikel 6

Verantwoordelijkheden van bandendistributeurs

1.  Distributeurs zorgen ervoor dat:

a)  het door leveranciers overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), geleverde etiket overeenkomstig bijlage II in de vorm van een sticker op een duidelijke zichtbare plaats is aangebracht op de banden in het verkooppunt; of [Am. 26]

b)  vóór de verkoop van een band, die tot een partij van één band of meerdere identieke banden behoort, het in artikel 4, lid 1, onder b), bedoelde etiket aan de eindgebruiker wordt getoond voorgelegd en in het verkooppunt in de onmiddellijke nabijheid van de band op een duidelijk zichtbare plaats is aangebracht; [Am. 27]

b bis)  het etiket wordt rechtstreeks op de band aangebracht en is volledig leesbaar, en het zicht op het etiket mag door niets worden belemmerd. [Am. 28]

2.  Distributeurs zorgen ervoor dat bij elke visuele advertentie voor een specifiek bandentype, ook op internet, het etiket wordt getoond. [Am. 29]

3.  Distributeurs zorgen ervoor dat bij al het technische reclamemateriaal met betrekking tot een specifiek bandentype, ook op internet, het etiket wordt getoond en aan de eisen van bijlage V voldoet wordt voldaan. [Am. 30]

4.  Distributeurs zorgen ervoor dat, als de te koop aangeboden banden niet zichtbaar zijn voor de eindgebruiker, zij de eindgebruiker vóór de verkoop een exemplaar van het etiket verstrekken.

5.  Distributeurs zorgen ervoor dat bij elke op papier gebaseerde verkoop op afstand het etiket wordt getoond en dat de eindgebruiker toegang tot het productinformatieblad heeft via een gratis toegankelijke website of om een gedrukt exemplaar van dat blad kan verzoeken.

6.  Distributeurs die gebruikmaken van op telemarketing gebaseerde verkoop op afstand informeren de eindgebruikers specifiek over de klassen van de essentiële parameters op het etiket, en stellen hen ervan in kennis dat zij toegang tot het volledige etiket en het productinformatieblad hebben via een gratis toegankelijke website of door om een gedrukt exemplaar te verzoeken.

7.  Met betrekking tot banden waarvoor via internet reclame wordt gemaakt of die rechtstreeks via internet worden verkocht maken distributeurs het etiket beschikbaar en zorgen distributeurs zij ervoor dat het etiket bij de aankoop in de nabijheid van de prijs wordt getoond en dat het productinformatieblad toegankelijk is. Het etiket kan worden weergegeven in de vorm van een ingebouwde afbeelding, na een muisklik, mouseover of uitvergroting van het beeld op het aanraakscherm, of door middel van vergelijkbare technieken. [Am. 31]

Artikel 7

Verantwoordelijkheden van leveranciers en distributeurs van voertuigen

Als eindgebruikers voornemens zijn een nieuwe auto te kopen, verstrekken leveranciers en distributeurs van voertuigen hun het etiket voor de bij het voertuig aangeboden banden en het relevante technische reclamemateriaal.

Artikel 8

Test- en meetmethoden

De uit hoofde van de artikelen 4, 6 en 7 vereiste informatie inzake de op het etiket vermelde parameters wordt verkregen door overeenkomstig de in bijlage I bedoelde test- en meetmethoden testmethoden en de in bijlage VI bedoelde procedure voor het op elkaar afstemmen van laboratoria toe te passen. [Am. 32]

Artikel 9

Controleprocedure

De lidstaten controleren volgens de procedure van bijlage VII de conformiteit van de opgegeven klassen voor elk van de in bijlage I vermelde essentiële parameters.

Artikel 10

Verplichtingen van de lidstaten

1.  De lidstaten verhinderen het in de handel brengen of het in gebruik nemen, op hun grondgebied, van banden die in overeenstemming zijn met deze verordening, niet.

2.  De lidstaten mogen geen maatregelen nemen die de verkoop bevorderen van banden die inzake brandstofefficiëntie of grip op nat wegdek niet voldoen aan klasse B, in de zin van bijlage I, respectievelijk delen A en B. Fiscale en budgettaire maatregelen worden niet beschouwd als stimulansen voor de toepassing van deze verordening.

2 bis.  De lidstaten zien erop toe dat de nationale markttoezichtautoriteiten een systeem installeren van routinematige en ad-hocinspecties van verkooppunten met als doel de naleving van deze verordening te garanderen. [Am. 33]

3.  De lidstaten stellen de regels voor sancties en handhavingsmechanismen vast die worden toegepast wanneer deze verordening of de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen niet worden nageleefd, en zij nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

4.  De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 juni 2020 in kennis van nog niet bij de Commissie aangemelde regels als bedoeld in lid 3, en stellen de Commissie onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen ervan.

Artikel 11

Markttoezicht in de Unie en controle van producten die de markt van de Unie binnenkomen

1.  [De artikelen 16 tot en met 29 van Verordening (EG) nr. 765/2008/verordening inzake naleving en handhaving voorgesteld in COM(2017)0795] zijn van toepassing op producten die onder deze verordening en de desbetreffende op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen vallen.

2.  De Commissie ondersteunt en moedigt de samenwerking en de uitwisseling van informatie betreffende markttoezicht met betrekking tot de etikettering van producten aan tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten die belast zijn met het markttoezicht op of de controle van producten die de markt van de Unie binnenkomen, alsmede tussen die autoriteiten en de Commissie, met name door de „ADCO”-deskundigengroep (Administratieve Coöperatie voor Markttoezicht) inzake bandenetikettering hierbij nauwer te betrekken.

3.  In de krachtens [artikel 13 van Verordening (EG) nr. 765/2008/verordening inzake naleving en handhaving voorgesteld onder COM(2017)0795] vastgestelde algemene markttoezichtprogramma's van de lidstaten worden maatregelen opgenomen om de doeltreffende handhaving van deze verordening te waarborgen en deze programma's worden versterkt. [Am. 34]

Artikel 11 bis

Coverbanden

De Commissie stelt uiterlijk ... [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening aan te vullen door nieuwe informatievereisten in te voeren in de bijlagen voor coverbanden, mits een geschikte en uitvoerbare testmethode beschikbaar is. [Am. 35]

Artikel 12

Gedelegeerde handelingen

De Commissie is overeenkomstig artikel 13 bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde:

a)  veranderingen aan te brengen in de inhoud en opmaak van het etiket;

a bis)  parameters en informatievereisten vast te stellen met betrekking tot winterbanden; [Am. 37]

a ter)  een geschikte testmethode in te voeren om de prestaties van banden met betrekking tot de grip op sneeuw en ijs te meten; [Am. 38]

b)  parameters of informatievereisten op te nemen in de bijlagen, met name met betrekking tot kilometrage en slijtage, op voorwaarde dat er geschikte testmethoden beschikbaar zijn; [Am. 39]

c)  de waarden, berekeningsmethoden en vereisten van de bijlagen aan te passen aan de technische vooruitgang.

Indien passend voert De Commissie voert bij het voorbereiden van gedelegeerde handelingen tests uit met representatieve groepen van klanten in de Unie om te waarborgen dat zij het ontwerp en de inhoud van de etiketten van specifieke productgroepen banden goed begrijpen. [Am. 40]

Artikel 13

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 12 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar vanaf [de datum van inwerkingtreding van deze verordening invoegen]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikel 12 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 12 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 14

Evaluatie en verslaglegging

Uiterlijk op 1 juni 2026 2022 voert de Commissie een evaluatie uit van deze verordening, die wordt vervolledigd met een effectbeoordeling en legt een consumentenonderzoek, en dient zij een verslag voor aan in bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening. [Am. 41]

In dat verslag wordt beoordeeld in welke mate deze verordening en de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen eindgebruikers daadwerkelijk de mogelijkheid hebben gegeven banden met betere prestaties te kiezen, waarbij rekening wordt gehouden met de effecten ervan op het bedrijfsleven, het brandstofverbruik, de veiligheid, broeikasgasemissies, en activiteiten op het gebied van markttoezicht en het consumentenbewustzijn. Ook zullen daarin de kosten en de baten van onafhankelijke en verplichte verificatie door derden van de op het etiket vermelde informatie worden beoordeeld, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met de ervaring die in het ruimere kader van Verordening (EG) nr. 661/2009 is opgedaan. [Am. 42]

Artikel 15

Wijziging van Verordening (EU) 2017/1369

Artikel 12, lid 2, onder a), van Verordening (EU) 2017/1369 wordt vervangen door:"

"a) de markttoezichtautoriteiten ondersteunen bij de uitvoering van hun taken uit hoofde van deze verordening en de desbetreffende gedelegeerde handelingen, met inbegrip van de handhaving daarvan, en uit hoofde van Verordening (EU) [verwijzing naar de onderhavige verordening invoegen]".

"

Artikel 16

Intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009

Verordening (EG) nr. 1222/2009 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen overeenkomstig de in bijlage VIII opgenomen concordantietabel.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juni 2020 ... [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. [Am. 43]

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Testen, indelen in klassen en meten van bandenparameters

Deel A: Brandstofefficiëntieklassen

De brandstofefficiëntieklasse wordt vastgesteld en op het etiket aangegeven op basis van de rolweerstandscoëfficiënt (RRC), volgens de hieronder gespecificeerde schaal van „A” tot en met „G”, en gemeten overeenkomstig bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan, waarbij de testlaboratoria op elkaar worden afgestemd volgens de procedure van bijlage VI. [Am. 44]

Als een bandentype voor meer dan één bandenklasse wordt goedgekeurd (bv. C1 en C2), wordt dit bandentype ingedeeld in de brandstofefficiëntieklasse van de hoogste bandenklasse (bv. C2, niet C1).

De F-klasse voor C1-, C2- en C3-banden mag na de volledige toepassing van de bepaling inzake de typegoedkeuringsvoorschriften van Verordening (EG) nr. 661/2009 niet meer in de handel worden gebracht en wordt in het grijs op het etiket weergegeven. [Am. 45]

C1-banden

C2-banden

C3-banden

RRC in kg/t

Energie-

efficiëntie-

klasse

RRC in kg/t

Energie-

efficiëntie-

klasse

RRC in kg/t

Energie-

efficiëntie-

klasse

RRC ≤ 5,4 6,5

A

RRC ≤ 4,4

A

RRC ≤ 3,1 4,0

A

5,5 6,6 RRC ≤ 6,5 7,7

B

4,5 ≤ RRC ≤ 5,5

B

3,2 ≤ RRC ≤ 4,0 4,1 ≤ RRC ≤ 5,0

B

6,6 7,8 RRC7,7 9,0

C

5,6 ≤ RRC ≤ 6,7

C

4,1 ≤ RRC ≤ 5,0 5,1 ≤ RRC ≤ 6,0

C

7,8 ≤ RRC ≤ 9,0 Leeg

D

6,8 ≤ RRC ≤ 8,0 Leeg

D

5,1 ≤ RRC ≤ 6,0 6,1 ≤ RRC ≤ 7,0

D

9,1 ≤ RRC ≤ 10,5

E

8,1 ≤ RRC ≤ 9,2

E

6,1 ≤ RRC ≤ 7,0 7,1 ≤ RRC ≤ 8,0

E

RRC ≥ 10,6 10,6 ≤ RRC ≤ 12,0

F

RRC ≥ 9,3 9,3 ≤ RRC ≤ 10,5

F

RRC ≥ 7,1 RRC ≥ 8,1

F

[Am. 46]

Deel B: Klassen grip op nat wegdek

1.  De klasse grip op nat wegdek wordt vastgesteld en op het etiket aangegeven op basis van de index van grip op nat wegdek (G), volgens de in onderstaande tabel gespecificeerde schaal van „A” tot en met „G”, en wordt berekend overeenkomstig punt 2 en gemeten overeenkomstig bijlage 5 bij VN/ECE-reglement nr. 117. [Am. 47]

1 bis.  De F-klasse voor C1-, C2- en C3-banden mag na de volledige toepassing van de bepaling inzake de typegoedkeuringsvoorschriften van Verordening (EG) nr. 661/2009 niet meer in de handel worden gebracht en wordt in het grijs op het etiket weergegeven. [Am. 48]

2.  Berekening van de index van grip op nat wegdek (G)

G = G(T) - 0,03

waarbij:

C1-banden

C2-banden

C3-banden

G

Klasse grip op nat wegdek

G

Klasse grip op nat wegdek

G

Klasse grip op nat wegdek

1,68 1,55 G

A

1,53 1,40 G

A

1,38 1,25 ≤ G

A

1,55 ≤ G ≤ 1,67 1,40 ≤ G ≤ 1,54

B

1,40 ≤ G ≤ 1,52 1,25 ≤ G ≤ 1,39

B

1,25 ≤ G ≤ 1,37 1,10 ≤ G ≤ 1,24

B

1,40 ≤ G ≤ 1,54 1,25 ≤ G ≤ 1,39

C

1,25 ≤ G ≤ 1,39 1,10 ≤ G ≤ 1,24

C

1,10 ≤ G ≤ 1,24 0,95 ≤ G ≤ 1,09

C

1,25 ≤ G ≤ 1,39 Leeg

D

1,10 ≤ G ≤ 1,24 Leeg

D

0,95 ≤ G ≤ 1,09 0,80 ≤ G ≤ 0,94

D

1,10 ≤ G ≤ 1,24

E

0,95 G ≤ 1,09

E

0,80 ≤ G ≤ 0,94 0,65 ≤ G ≤ 0,79

E

G ≤ 1,09

F

G ≤ 0,94

F

0,65 ≤ G ≤ 0,79 G ≤ 0,64

F

Leeg

G

Leeg

G

G ≤ 0,64

G

G(T) = de index van grip op nat wegdek van de kandidaatband, gemeten in één testcyclus

[Am. 49]

Deel C: Klassen en gemeten waarde van de rolgeluidemissie [Am. 50]

De gemeten waarde van de rolgeluidemissie (N) wordt uitgedrukt in decibel en berekend overeenkomstig bijlage 3 bij VN/ECE-reglement nr. 117. [Am. 51]

De rolgeluidemissieklasse moet als volgt worden vastgesteld en op het etiket worden aangegeven op basis van overeenkomstig de grenswaarden (LV) in deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 661/2009 fase 2 zoals vastgesteld in VN/ECE-reglement nr. 117. [Am. 52]

N in dB

Rolgeluidemissieklasse

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000002.png

N ≤ LV - 6 N ≤ LV - 3

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000003.png

LV - 6 < N ≤ LV - 3 LV - 3 < N ≤ LV

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000004.png

N > LV - 3 N > LV

[Am. 53]

Deel D: Grip op sneeuw

De prestaties op sneeuw worden getest op het etiket vermeld overeenkomstig bijlage 7 bij VN/ECE-reglement nr. 117. [Am. 54]

Een band die aan de in VN/ECE-reglement nr. 117 genoemde minimale sneeuwindexwaarden voldoet, wordt ingedeeld als sneeuwband, en het volgende pictogram wordt kan op het etiket worden vermeld. [Am. 55]

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000005.png

Deel E: Grip op ijs

De prestaties op ijs worden getest op het etiket vermeld overeenkomstig ISO 19447. [Am. 56]

Een band die aan de in ISO 19447 genoemde minimale ijsindexwaarden voldoet en is goedgekeurd overeenkomstig de vereisten in VN/ECE-reglement nr. 117 met betrekking tot prestaties op sneeuw, wordt ingedeeld als ijsband, en het volgende pictogram wordt kan op het etiket worden vermeld. [Am. 57]

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000006.png

BIJLAGE II

Opmaak van het etiket

1.  Etiketten

1.1.  De volgende informatie wordt op de etiketten vermeld overeenkomstig de onderstaande afbeeldingen.

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000007.png

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000008.png

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000009.png

I.  Naam van de leverancier of het handelsmerk;

II.  De typeaanduiding van de leverancier, d.w.z. de doorgaans alfanumerieke code waarmee een specifiek bandentype wordt onderscheiden van andere typen met hetzelfde handelsmerk of dezelfde leveranciersnaam;

III.  QR-code;

IV.  Brandstofefficiëntie;

V.  Grip op nat wegdek;

VI.  Rolgeluidemissies;

VII.  Grip op sneeuw;

VIII.  Grip op ijs.

2.  Ontwerp van het etiket

2.1.  Het etiket moet overeenstemmen met het onderstaande model:

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000010.png

2.2.  Het etiket is minimaal 90 mm breed en 130 mm hoog. Als het etiket op groter formaat wordt afgedrukt, moet de inhoud evenredig met bovenstaande specificaties blijven.

2.3.  Het etiket moet aan de volgende voorschriften beantwoorden:

(a)  De gebruikte kleuren zijn: cyaan, magenta, geel en zwart — en worden volgens het volgende voorbeeld gebruikt: 00-70-X-00: 0 % cyaan, 70 % magenta, 100 % geel, 0 % zwart;

(b)  De onderstaande cijfers verwijzen naar de legenda van punt 2.1.:

(1)  Rand van het etiket: lijndikte: 1,5 pt – kleur: X-10-00-05;

(2)  Calibri regular 8 pt;

(3)  Europese vlag: breedte: 15 mm, hoogte: 10 mm;

(4)  Kop: breedte: 51,5 mm, hoogte: 13 mm;

Tekst "MERK":Calibri regular 15 pt, 100 % wit;

Tekst "Modelnummer":Calibri regular 13 pt, 100 % wit;

(5)  QR-code: breedte: 13 mm, hoogte: 13 mm;

(6)  Schaal van „A” tot en met „F”:

Pijlen: hoogte: 5,6 mm, tussenruimte: 0,78 mm, dikte zwarte lijn: 0,5 pt - kleuren:

–  A: X-00-X-00;

–  B: 70-00-X-00;

–  C: 30-00-X-00;

–  D: 00-00-X-00;

–  E: 00-30-X-00;

–  F: 00-70-X-00.

(7)  Lijn: breedte: 88 mm, hoogte: 2 pt – kleur: X-00-00-00;

(8)  Pictogram rolgeluidemissie:

Zie bijgevoegd pictogram: breedte: 25,5 mm, hoogte: 17 mm – kleur: X-10-00-05;

(9)  Pijl:

Pijl: breedte: 20 mm, hoogte: 10 mm, 100 % zwart;

Tekst: Helvetica Bold 20 pt, 100 % wit;

Tekst van de eenheid: Helvetica Bold 13 pt, 100 % wit;

(10)  Pictogram ijs:

Zie bijgevoegd pictogram: breedte: 15 mm, hoogte: 15 mm – dikte lijn: 1,5 pt – kleur: 100 % zwart;

(11)  Pictogram sneeuw:

Zie bijgevoegd pictogram: breedte: 15 mm, hoogte: 15 mm – dikte lijn: 1,5 pt – kleur: 100 % zwart;

(12)  „A” tot en met „G”: Calibri regular 13 pt – 100 % zwart;

(13)  Pijlen:

Pijlen: breedte: 11,4 mm, hoogte: 9 mm, 100 % zwart;

Tekst: Calibri Bold 17 pt, 100 % wit;

(14)  Pictogram brandstofefficiëntie:

Zie bijgevoegd pictogram: breedte: 19,5 mm, hoogte: 18,5 mm – kleur: X-10-00-05;

(15)  Pictogram grip op nat wegdek:

Zie bijgevoegd pictogram: breedte: 19 mm, hoogte: 19 mm – kleur: X-10-00-05.

(c)  De achtergrond is wit.

2.4.  De bandenklasse moet op het etiket vermeld zijn in het formaat dat in de afbeelding van punt 2.1. is weergegeven.

BIJLAGE III

Technische documentatie

De in artikel 4, lid 7, bedoelde technische documentatie omvat het volgende:

(a)  de naam en het adres van de leverancier;

(b)  de identificatie en handtekening van de persoon die gemachtigd is om de leverancier te binden;

(c)  de naam van de leverancier of het handelsmerk;

(d)  het bandentype;

(e)  de afmetingen, belastingsindex en snelheidscategorie van de band;

(f)  de verwijzingen naar de toegepaste meetmethoden.

BIJLAGE IV

Productinformatieblad

De informatie in het productinformatieblad van de banden moet in de productbrochure of andere bij het product verstrekte documenten worden opgenomen en omvat het volgende:

(a)  de naam van de leverancier of het handelsmerk;

(b)  de typeaanduiding van de leverancier;

(c)  de brandstofefficiëntieklasse van de band overeenkomstig bijlage I;

(d)  de klasse grip op nat wegdek van de band overeenkomstig bijlage I;

(e)  de klasse en de waarde (dB) van de rolgeluidemissie overeenkomstig bijlage I;

(f)  of de band een sneeuwband is;

(g)  of de band een ijsband is.

BIJLAGE V

Informatie in het technische reclamemateriaal

1.  De informatie over de banden in het technische reclamemateriaal moet in de onderstaande volgorde worden weergegeven:

(a)  de brandstofefficiëntieklasse (letter „A” tot en met „F”);

(b)  de klasse grip op nat wegdek (letter „A” tot en met „G”);

(c)  de klasse en de gemeten waarde (dB) van de rolgeluidemissie;

(d)  of de band een sneeuwband is;

(e)  of de band een ijsband is.

2.  De informatie in punt 1 moet aan de volgende vereisten voldoen:

(a)  gemakkelijk leesbaar zijn;

(b)  gemakkelijk te begrijpen zijn;

(c)  wanneer een bepaald type band, door verschillen in afmetingen of andere parameters, in verschillende klassen kan worden ingedeeld, wordt het verschil tussen de slechtst en de best presterende band vermeld.

3.  Leveranciers moeten eveneens het volgende vermelden op hun websites:

(a)  een link naar de specifieke website van de Commissie in verband met deze verordening;

(b)  een toelichting bij de op het etiket gebruikte pictogrammen;

(c)  een verklaring waarin zij benadrukken dat in de eerste plaats het gedrag van de bestuurder bepalend is voor het brandstofverbruik en de verkeersveiligheid, en met name dat:

–  ecologisch verantwoord rijden het brandstofverbruik aanzienlijk kan doen dalen;

–  de bandendruk regelmatig moet worden gecontroleerd om de grip op nat wegdek en de brandstofefficiëntie te optimaliseren;

–  de remafstanden altijd strikt in acht moeten worden genomen.

BIJLAGE VI

Procedure voor het op elkaar afstemmen van laboratoria met het oog op het meten van de rolweerstand

1.  Definities

In de procedure voor het op elkaar afstemmen van de laboratoria wordt verstaan onder:

1.  „referentielaboratorium”: een laboratorium dat deel uitmaakt van het netwerk van laboratoria waarvan de naam met het oog op de afstemmingsprocedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, en dat de in deel 3 vastgestelde nauwkeurigheid van de testresultaten kan bereiken met zijn referentiemachine;

2.  „kandidaatlaboratorium”: een laboratorium dat deelneemt aan de afstemmingsprocedure maar dat geen referentielaboratorium is;

3.  „afstemmingsband”: een band die wordt getest voor het uitvoeren van de afstemmingsprocedure;

4.  „set afstemmingsbanden”: een set van vijf of meer afstemmingsbanden voor het afstemmen van één enkele machine;

5.  „toegewezen waarde”: een theoretische waarde van de rolweerstandscoëfficiënt (RRC) van één afstemmingsband, zoals gemeten door een theoretisch laboratorium dat representatief is voor het netwerk van referentielaboratoria dat gebruikt wordt voor de afstemmingsprocedure;

6.  „machine”: elke as voor het testen van banden in één specifieke meetmethode. Als bijvoorbeeld twee assen op dezelfde trommel werken, dan worden deze niet als één machine beschouwd.

2.  Algemene bepalingen

2.1.  Principe

De gemeten (m) rolweerstandscoëfficiënt in een referentielaboratorium (l), (RRCm,l), wordt afgestemd op de toegewezen waarden van het netwerk van referentielaboratoria.

De gemeten (m) rolweerstandscoëfficiënt verkregen door een machine in een kandidaatlaboratorium (c), RRCm,c, wordt afgestemd op een referentielaboratorium naar keuze.

2.2.  Eisen inzake de keuze van banden

Voor de afstemmingsprocedure wordt een set van vijf of meer afstemmingsbanden gekozen, overeenkomstig de onderstaande criteria. Eén set wordt gekozen voor C1- en C2-banden samen, en één set voor C3-banden.

(a)  De set afstemmingsbanden wordt zodanig gekozen dat ze de reeks verschillende RRC’s van C1- en C2-banden samen, of van C3-banden, omvatten. Het verschil tussen de hoogste RRCm van de bandenset en de laagste RRCm van de bandenset moet voor en na afstemming minstens gelijk zijn aan:

(i)  3 kg/t voor C1- en C2-banden; en

(ii)  2 kg/t voor C3-banden.

(b)  De RRCm in de kandidaat- of referentielaboratoria (RRCm,c of RRCm,l) op basis van de opgegeven RRC-waarden van elke afstemmingsband van de set wordt gelijkmatig verdeeld.

(c)  De belastingsindexwaarden moeten die van de te testen banden omvatten, waarbij erop moet worden toegezien dat de rolweerstandswaarden ook die van de te testen banden omvatten.

Voordat een afstemmingsband wordt gebruikt, moet hij worden gecontroleerd en worden vervangen wanneer:

(a)  hij in een zodanige staat verkeert dat hij voor verdere tests niet meer kan worden gebruikt; en/of

(b)  er RRCm,c- of RRCm,l-afwijkingen zijn van meer dan 1,5 % ten opzichte van eerdere metingen, na correctie voor eventueel verloop van de machine.

2.3.  Meetmethode

Het referentielaboratorium meet elke afstemmingsband vier keer en behoudt de drie laatste resultaten voor verdere analyse, overeenkomstig deel 4 van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan, en volgens de voorwaarden van deel 3 van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan.

Het kandidaatlaboratorium meet elke afstemmingsband (n + 1) keer, waarbij n gespecificeerd is in deel 5, en behoudt de laatste n resultaten voor verdere analyse, overeenkomstig deel 4 van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan, en volgens de voorwaarden van deel 3 van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan.

Bij elke meting van een afstemmingsband moet de band/wielcombinatie van de machine worden genomen en moet de volledige testprocedure van punt 4 van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan opnieuw van voren af aan worden gevolgd.

Het kandidaat- of referentielaboratorium berekent:

(a)  de gemeten waarde van elke afstemmingsband voor elke meting, zoals gespecificeerd in bijlage 6, punten 6.2 en 6.3, van VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan (d.w.z. gecorrigeerd voor een temperatuur van 25 °C en een trommeldiameter van 2 m);

(b)  het gemiddelde van de laatste drie (voor referentielaboratoria) of n (voor kandidaatlaboratoria) gemeten waarden voor elke afstemmingsband; en

(c)  de standaardafwijking (σm):

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000011.png

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000012.png

waarbij:

i = een getal van 1 tot p voor het aantal afstemmingsbanden;

j = een getal van 2 tot n+1 voor de n laatste herhalingen van elke meting van een bepaalde afstemmingsband;

n+1 = het aantal keren dat een bandenmeting wordt herhaald (n+1=4 voor referentielaboratoria en n+1≥4 voor kandidaatlaboratoria);

p = het aantal afstemmingsbanden (p ≥ 5).

2.4.  Gegevensformaat dat moet worden gebruikt voor de berekeningen en resultaten

–  De gemeten RRC-waarden, gecorrigeerd op basis van trommeldiameter en temperatuur, worden afgerond op twee decimalen.

–  Vervolgens worden de berekeningen gemaakt met alle cijfers: er vindt geen verdere afronding plaats, tenzij van de uiteindelijke afstemmingsvergelijkingen.

–  Alle standaardafwijkingswaarden worden weergegeven tot op drie decimalen.

–  Alle RRC-waarden worden weergegeven tot op twee decimalen.

–  Alle afstemmingscoëfficiënten (A1l, B1l, A2c en B2c) worden afgerond en weergegeven tot op vier decimalen.

3.  Eisen voor referentielaboratoria en vaststelling van de toegewezen waarden

De toegewezen waarden van elke afstemmingsband worden vastgesteld door een netwerk van referentielaboratoria. Om de twee jaar beoordeelt het netwerk de stabiliteit en geldigheid van de toegewezen waarden.

Elk referentielaboratorium dat aan het netwerk deelneemt, moet beantwoorden aan de specificaties van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan en mag de volgende standaardafwijking (σm) hebben:

(a)  niet meer dan 0,05 kg/t voor C1- en C2-banden; en

(b)  niet meer dan 0,05 kg/t voor C3-banden.

De sets afstemmingsbanden, die moeten beantwoorden aan de specificaties van punt 2.2, worden door elk referentielaboratorium van het netwerk gemeten overeenkomstig punt 2.3.

De toegewezen waarde van elke afstemmingsband is het gemiddelde van de waarden die de referentielaboratoria van het netwerk voor deze afstemmingsband hebben gemeten.

4.  Procedure voor de afstemming van een referentielaboratorium op de toegewezen waarden

Elk referentielaboratorium (l) moet zich afstemmen op elke nieuwe set van toegewezen waarden en in ieder geval na elke belangrijke wijziging van de machine en bij elk verloop in de monitoringsgegevens van de controleband van de machine.

De afstemming gebeurt aan de hand van een lineaire regressietechniek, uitgevoerd op alle afzonderlijke gegevens. De regressiecoëfficiënten, A1l en B1l, worden als volgt berekend:

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000013.png

waarbij:

RRC = de toegewezen waarde van de rolweerstandscoëfficiënt;

RRCm,l = de door het referentielaboratorium individueel gemeten waarde „l” van de rolweerstandscoëfficiënt (rekening houdend met de correcties op basis van de temperatuur en de trommeldiameter).

5.  Eisen voor kandidaatlaboratoria

Kandidaatlaboratoria moeten de afstemmingsprocedure minstens om de twee jaar voor elke machine herhalen en in ieder geval na elke belangrijke wijziging van de machine en bij elk verloop in de monitoringsgegevens van de controleband van de machine.

Een gemeenschappelijke set van vijf verschillende banden, die moeten beantwoorden aan de specificaties van punt 2.2, wordt eerst door het kandidaatlaboratorium en later door één referentielaboratorium gemeten overeenkomstig punt 2.3. Op verzoek van het kandidaatlaboratorium mogen meer dan vijf afstemmingsbanden worden getest.

De set afstemmingsbanden wordt door het kandidaatlaboratorium aan het geselecteerde referentielaboratorium verstrekt.

Het kandidaatlaboratorium (c) moet beantwoorden aan de specificaties van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan en moet bij voorkeur standaardafwijkingen (am) hebben als volgt:

(a)  niet meer dan 0,075 kg/t voor C1- en C2-banden; en

(b)  niet meer dan 0,06 kg/t voor C3-banden.

Als de standaardafwijking (σm) van het kandidaatlaboratorium bij vier metingen hoger is dan de bovenstaande waarden, waarbij de laatste drie voor de berekeningen worden gebruikt, wordt het aantal metingen (n+1) voor de gehele partij als volgt verhoogd:

n+1 = 1+(σm/γ)2, afgerond tot op de dichtstbijzijnde hogere gehele waarde

waarbij:

γ = 0,043 kg/t voor C1- en C2-banden

γ = 0,035 kg/t voor C3-banden

6.  Procedure voor de afstemming van een kandidaatlaboratorium

Eén referentielaboratorium (i) van het netwerk berekent de lineaire regressiefunctie over alle afzonderlijke gegevens van het kandidaatlaboratorium (c). De regressiecoëfficiënten, A2c en B2c, worden als volgt berekend:

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000014.png

waarbij:

RRCm,l = de door het referentielaboratorium (i) individueel gemeten waarde van de rolweerstandscoëfficiënt (rekening houdend met de correcties op basis van de temperatuur en de trommeldiameter).

RRCm,c = de door het kandidaatlaboratorium (c) individueel gemeten waarde van de rolweerstandscoëfficiënt (rekening houdend met de correcties op basis van de temperatuur en de trommeldiameter).

Als de determinatiecoëfficiënt R² lager is dan 0,97, wordt het kandidaatlaboratorium niet afgestemd.

De afgestemde RRC van door het kandidaatlaboratorium geteste banden wordt als volgt berekend:

20190326-P8_TA(2019)0230_NL-p0000015.png

BIJLAGE VII

Controleprocedure

Voor elk bandentype of elke bandengroep dient te worden gecontroleerd of de door de leverancier opgegeven brandstofefficiëntieklasse, de klasse en de opgegeven waarde voor de grip op nat wegdek en de rolgeluidemissie, en alle extra informatie over de prestaties op het etiket in overeenstemming zijn met deze verordening, overeenkomstig een van de volgende procedures:

(a)  eerst wordt één band of één set banden getest:

1.  als de gemeten waarden beantwoorden aan de in tabel 1 vastgestelde maximale toleranties voor de opgegeven klassen of de opgegeven waarde van de rolgeluidemissies, is de band geslaagd voor de test;

2.  als de gemeten waarden niet beantwoorden aan de in tabel 1 vastgestelde maximale toleranties voor de opgegeven klassen of de opgegeven waarde van de rolgeluidemissies, worden drie extra banden of bandensets getest. De gemiddelde meetwaarde van de drie extra geteste banden of bandensets wordt gebruikt om na te gaan of de opgegeven informatie in overeenstemming is met de in tabel 1 vastgestelde maximale toleranties;

(b)  wanneer de op het etiket vermelde klassen of waarden zijn afgeleid van de resultaten van typegoedkeuringstests die zijn verkregen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 661/2009 of VN/ECE-reglement nr. 117 en de latere wijzigingen daarvan, kunnen de lidstaten gebruikmaken van de gegevens die zijn verkregen uit productieconformiteitstests van banden.

Bij het beoordelen van de meetgegevens die zijn verkregen uit productieconformiteitstests moet rekening worden gehouden met de toegestane toleranties in tabel 1.

Tabel 1

Gemeten parameter

Controletoleranties

Rolweerstandscoëfficiënt (brandstofefficiëntie)

De afgestemde gemeten waarde mag de bovengrens (de hoogste RRC) van de opgegeven klasse met niet meer dan 0,3 kg/1 000 kg overschrijden.

Rolgeluidemissies

De gemeten waarde mag de opgegeven waarde N met niet meer dan 1 dB(A) overschrijden.

Grip op nat wegdek

De gemeten waarde G(T) mag niet lager zijn dan de ondergrens (de laagste G-waarde) van de opgegeven klasse.

Grip op sneeuw

De gemeten waarde mag niet lager zijn dan de minimale sneeuwprestatie-index.

Grip op ijs

De gemeten waarde mag niet lager zijn dan de minimale ijsprestatie-index.

BIJLAGE VIII

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1222/2009

De onderhavige verordening

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, lid 2

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 3, punt 1

Artikel 3, punt 1

Artikel 3, punt 2

Artikel 3, punt 2

-

Artikel 3, punt 3

Artikel 3, punt 3

Artikel 3, punt 4

Artikel 3, punt 4

Artikel 3, punt 5

-

Artikel 3, punt 6

Artikel 3, punt 5

Artikel 3, punt 7

-

Artikel 3, punt 8

-

Artikel 3, punt 9

Artikel 3, punt 6

Artikel 3, punt 10

Artikel 3, punt 7

Artikel 3, punt 11

Artikel 3, punt 8

Artikel 3, punt 12

Artikel 3, punt 9

Artikel 3, punt 13

Artikel 3, punt 10

Artikel 3, punt 14

Artikel 3, punt 11

Artikel 3, punt 15

-

Artikel 3, punt 16

Artikel 3, punt 12

Artikel 3, punt 17

Artikel 3, punt 13

Artikel 3, punt 18

-

Artikel 3, punt 19

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 1, onder a)

Artikel 4, lid 1, onder b)

Artikel 4, lid 1, onder b)

Artikel 4, lid 1, onder b)

Artikel 4, lid 2

-

-

Artikel 4, lid 2

-

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 4

Artikel 4, lid 4

Artikel 4, lid 6

-

Artikel 4, lid 5

-

Artikel 4, lid 6

-

Artikel 4, lid 7

-

Artikel 4, lid 8

-

Artikel 4, lid 9

-

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 5, lid 1

Artikel 6, lid 1

Artikel 5, lid 1, onder a)

Artikel 6, lid 1, onder a)

Artikel 5, lid 1, onder b)

Artikel 6, lid 1, onder b)

-

Artikel 6, lid 2

-

Artikel 6, lid 3

Artikel 5, lid 2

Artikel 6, lid 4

Artikel 5, lid 3

-

-

Artikel 6, lid 5

-

Artikel 6, lid 6

-

Artikel 6, lid 7

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 9, lid 1

Artikel 10, lid 1

Artikel 9, lid 2

-

Artikel 10

Artikel 10, lid 2

Artikel 11

Artikel 12

-

Artikel 12, onder a)

-

Artikel 12, onder b)

-

Artikel 12, onder c)

Artikel 11, onder a)

-

Artikel 11, onder b)

-

Artikel 11, onder c)

Artikel 12, onder d)

Artikel 12

Artikel 11

-

Artikel 11, lid 1

-

Artikel 11, lid 2

-

Artikel 11, lid 3

-

Artikel 13

Artikel 13

-

Artikel 14

-

-

Artikel 14

Artikel 15

-

-

Artikel 15

-

Artikel 16

Artikel 16

Artikel 17

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 280.
(2)PB C […] van […], blz. […].
(3)PB C […] van […], blz. […].
(4)COM(2017)0658.
(5)Verordening (EG) nr. 1222/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 46).
(6)Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1).
(7)Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12).
(8)PB L 307 van 23.11.2011, blz. 3.
(9)COM(2018)0028.
(10)Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1).
(11)COM(2017)0279.
(12)Verwijzing invoegen zodra het voorstel is goedgekeurd.
(13)Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).
(14)PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.


Auteursrechten in de digitale eengemaakte markt ***I
PDF 126kWORD 49k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake auteursrechten in de digitale eengemaakte markt (COM(2016)0593 – C8-0383/2016 – 2016/0280(COD))
P8_TA(2019)0231A8-0245/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0593),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0383/2016),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, artikel 53, lid 1, artikel 62 en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 januari 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 8 februari 2017(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0245/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de bij deze resolutie gevoegde verklaring van de Commissie;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG

P8_TC1-COD(2016)0280


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/790.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN DE COMMISSIE OVER ORGANISATOREN VAN SPORTEVENEMENTEN

De Commissie erkent het belang van organisatoren van sportevenementen en hun rol bij de financiering van sportactiviteiten in de Unie. Gezien de maatschappelijke en economische dimensies van sport in de Unie zal de Commissie een analyse maken van de uitdagingen waarmee organisatoren van sportevenementen in de digitale omgeving worden geconfronteerd, met een bijzondere nadruk op problemen in verband met illegale sportuitzendingen online.

(1) PB C 125 van 21.4.2017, blz. 27.
(2) PB C 207 van 30.6.2017, blz. 80.


Overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten ***I
PDF 125kWORD 46k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud (COM(2015)0634 – C8-0394/2015 – 2015/0287(COD))
P8_TA(2019)0232A8-0375/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0634),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0394/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissies goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 6 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie juridische zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0375/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten

P8_TC1-COD(2015)0287


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/770.)

(1) PB C 264 van 20.7.2016, blz. 57.


Overeenkomsten voor de verkoop van goederen ***I
PDF 125kWORD 47k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2009/22/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0637 – C8-0379/2017 – 2015/0288(COD))
P8_TA(2019)0233A8-0043/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0635), en het gewijzigd voorstel (COM(2017)0637),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0379/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 april 2016(1) en 15 februari 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 6 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0043/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG, en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG

P8_TC1-COD(2015)0288


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/771.)

(1) PB C 264 van 20.7.2016, blz. 57.
(2) PB C 227 van 28.6.2018, blz. 58.


Visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) ***I
PDF 129kWORD 51k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1343/2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean – Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) (COM(2018)0143 – C8-0123/2018 – 2018/0069(COD))
P8_TA(2019)0234A8-0381/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0143),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0123/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 mei 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 6 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8‑0381/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de bij deze resolutie gevoegde verklaringen van de Commissie;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1343/2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee)

P8_TC1-COD(2018)0069


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/982.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie betreffende de recreatievisserij

De Commissie herinnert eraan dat een van de doelstellingen van de ministeriële verklaring MedFish4Ever, die in maart 2017 is aangenomen, erin bestaat zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2020 een reeks basisregels vast te stellen om een doeltreffend beheer van de recreatievisserij in het hele Middellandse Zeegebied te waarborgen.

In lijn met deze doelstelling bevat de middellangetermijnstrategie 2017-2020 van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) onder meer de volgende in het GFCM-gebied uit te voeren acties: beoordelen van de effecten van de recreatievisserij en nagaan wat de beste beheersmaatregelen zijn om deze activiteiten te reguleren. In dit verband is binnen de GFCM een werkgroep voor de recreatievisserij opgericht die een geharmoniseerde regionale methode voor de beoordeling van de recreatievisserij moet uitwerken.

De Commissie zal in het kader van de GFCM blijven streven naar de verwezenlijking van de doelstelling van de MedFish4Ever-verklaring.

Verklaring van de Commissie betreffende rood koraal

De Commissie herinnert eraan dat de instandhoudingsmaatregelen die zijn vastgesteld in het kader van het regionale adaptieve beheersplan voor de exploitatie van rood koraal in de Middellandse Zee [Aanbeveling GFCM/41/2017/5] van tijdelijke aard zijn. Die maatregelen, die het onder meer mogelijk maken vangstbeperkingen in te voeren, zullen in 2019 door het wetenschappelijk adviescomité (SAC) van de GFCM worden beoordeeld met het oog op de herziening ervan door de GFCM tijdens haar 43e jaarlijkse bijeenkomst (november 2019).

(1) PB C 283 van 10.8.2018, blz. 95.


Onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van milieubeleid ***I
PDF 123kWORD 56k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van milieubeleid en tot wijziging van Richtlijnen 86/278/EEG, 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU, Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 en Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad (COM(2018)0381 – C8-0244/2018 – 2018/0205(COD))
P8_TA(2019)0235A8-0324/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0381),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 114, 192, lid 1, en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0244/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie(s) goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie juridische zaken (A8‑0324/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge afstemming van de verslagleggingsverplichtingen op het gebied van de milieuwetgeving, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 166/2006 en (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/49/EG, 2004/35/EG, 2007/2/EG, 2009/147/EG en 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad, Verordeningen (EG) nr. 338/97 en (EG) nr. 2173/2005 van de Raad, en Richtlijn 86/278/EEG van de Raad

P8_TC1-COD(2018)0205


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/1010.)

(1) PB C 110 van 22.3.2019, blz. 99.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 23 oktober 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0399).


Speciale voorschriften voor de maximumlengte van cabines ***I
PDF 127kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/53/EG van de Raad wat betreft de termijn voor de uitvoering van de speciale voorschriften voor de maximumlengte in het geval dat cabines betere prestaties op het vlak van aerodynamica, energie-efficiëntie en veiligheid leveren (COM(2018)0275 – C8-0195/2018 – 2018/0130(COD))
P8_TA(2019)0236A8-0042/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0275),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0195/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1)

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0042/2019),

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/53/EG van de Raad wat betreft de termijn voor de uitvoering van de speciale voorschriften voor de maximumlengte voor cabines die betere prestaties op het vlak van aerodynamica, energie-efficiëntie en veiligheid leveren

P8_TC1-COD(2018)0130


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2019/984.)

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 286.


Koolstofarme benchmarks en benchmarks met een positieve koolstofbalans ***I
PDF 126kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 inzake koolstofarme benchmarks en benchmarks met een positieve koolstofbalans (COM(2018)0355 – C8-0209/2018 – 2018/0180(COD))
P8_TA(2019)0237A8-0483/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0355),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0209/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 5 december 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 13 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0483/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 inzake EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks en informatieverschaffing over duurzaamheid over benchmarks

P8_TC1-COD(2018)0180


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/2089.)

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 103.
(2) PB C 86 van 7.3.2019, blz. 24.


Specifieke bepalingen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) ***I
PDF 474kWORD 146k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en financieringsinstrumenten voor extern optreden (COM(2018)0374 – C8-0229/2018 – 2018/0199(COD))
P8_TA(2019)0238A8-0470/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0374),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 178, artikel 209, lid 1, artikel 212, lid 2, en artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0229/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 5 december 2018(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie begrotingscontrole en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0470/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en financieringsinstrumenten voor extern optreden
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

P8_TC1-COD(2018)0199


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 178, artikel 209, lid 1, artikel 212, lid 2, en artikel 349,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(5),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(6),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Krachtens artikel 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie. Uit hoofde van dat artikel en artikel 174, tweede en derde alinea, VWEU moet het EFRO een bijdrage leveren om de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's te verkleinen en de achterstand te verkleinen van de minst begunstigde regio's, te verkleinen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan bepaalde categorieën regio's, waaronder grensoverschrijdende regio's expliciet zijn vermeld plattelandsgebieden, de regio's die een industriële overgang doormaken, regio's met een geringe bevolkingsdichtheid en insulaire en berggebieden. [Am. 1]

(2)  In Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] van het Europees Parlement en de Raad(7) zijn de gemeenschappelijke bepalingen voor het EFRO en enkele andere fondsen vastgelegd en in Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening] van het Europees Parlement en de Raad(8) zijn bepalingen betreffende de specifieke doelstellingen en het toepassingsgebied van EFRO-steun vastgelegd. Er moeten nu specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg), in het kader waarvan een of meer lidstaten en hun regio's grensoverschrijdend samenwerken met het oog op effectieve programmering, met inbegrip van bepalingen over technische bijstand, toezicht, evaluatie, communicatie, subsidiabiliteit, beheer en controle, alsmede financieel beheer. [Am. 2]

(3)  Teneinde de een op samenwerking gebaseerde en harmonieuze ontwikkeling van de Unie op verschillende niveaus te ondersteunen en de bestaande verschillen te verkleinen, moet het EFRO in het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) steun verlenen voor grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking, maritieme samenwerking, samenwerking tussen ultraperifere gebieden en interregionale samenwerking. Bij dit proces moeten de beginselen inzake meerlagig bestuur en partnerschap in aanmerking worden genomen en moeten plaatsgebonden benaderingen worden versterkt. [Am. 3]

(3 bis)  De verschillende componenten van Interreg moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, zoals beschreven in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling die in september 2015 werd goedgekeurd. [Am. 4]

(4)  De component grensoverschrijdende samenwerking moet tot doel hebben gemeenschappelijke uitdagingen die in de grensregio's door de betrokkenen gezamenlijk zijn vastgesteld, aan te gaan en het onbenutte groeipotentieel in grensgebieden te exploiteren, zoals aangetoond in de mededeling van de Commissie "Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU"(9) ("mededeling over grensregio's"). De grensoverschrijdende component moet derhalve worden beperkt tot samenwerking rond landgrenzen; grensoverschrijdende samenwerking rond zeegrenzen moet in land- of zeegrenzen omvatten, zonder afbreuk te doen aan de transnationale nieuwe component worden opgenomen voor samenwerking tussen ultraperifere gebieden. [Am. 5]

(5)  De component grensoverschrijdende samenwerking heeft ook betrekking op samenwerking tussen een of meer lidstaten of hun regio's, en een of meer landen of regio's, of andere gebieden buiten de Unie. Het opnemen van interne en externe grensoverschrijdende samenwerking in het kader van deze verordening moet voor de programma-autoriteiten in de lidstaten en voor de autoriteiten van partners en begunstigden buiten de Unie tot een flinke vereenvoudiging en stroomlijning van de toepasselijke bepalingen leiden in vergelijking met de programmeringsperiode 2014-2020. [Am. 6]

(6)  De component transnationale samenwerking en maritieme samenwerking moet tot doel hebben de samenwerking te versterken door middel van acties die bijdragen tot de geïntegreerde territoriale ontwikkeling in samenhang met de prioriteiten van het cohesiebeleid van de Unie, en moet tevens maritieme grensoverschrijdende samenwerking omvatten. Tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 moest met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. Transnationale samenwerking moet grotere transnationale gebieden op het vasteland van de Unie bestrijken, terwijl maritieme samenwerking gebieden rond zeebekkens moest bestrijken en grensoverschrijdende samenwerking langs zeegrenzen moest integreren. Teneinde eerdere maritieme grensoverschrijdende samenwerking in een groter kader van maritieme samenwerking te kunnen blijven uitvoeren, is maximale flexibiliteit nodig, met name door het te bestrijken gebied, de specifieke doelstellingen voor een dergelijke samenwerking, de vereisten voor een projectpartnerschap vast te stellen en subprogramma's en specifieke directiecomités op te zetten en, in voorkomend geval, gebieden rond zeebekkens die een grotere geografische reikwijdte hebben dan de gebieden die onder grensoverschrijdende programma's vallen. [Am. 7]

(7)  Op basis van de ervaringen met grensoverschrijdende en transnationale samenwerking in de ultraperifere gebieden tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, waar de combinatie van beide componenten in één programma per samenwerkingsgebied voor programma-autoriteiten en begunstigden niet tot voldoende vereenvoudiging heeft geleid, moet een specifieke aanvullende component ultraperifere gebieden worden vastgesteld om ultraperifere gebieden in staat te stellen zo doeltreffend en eenvoudig mogelijk samen te werken met naburige derde landen, landen en gebieden samen te werken overzee (LGO's) of organisaties voor regionale integratie en samenwerking, waarbij rekening wordt gehouden met hun specifieke kenmerken. [Am. 8]

(8)  Op basis van de positieve ervaringen met de programma's voor interregionale samenwerking in het kader van Interreg enerzijds, en het gebrek aan dergelijke samenwerking bij programma's in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, moet de component anderzijds, vormt interregionale samenwerking, met zich meer in het bijzonder richten op de verbetering door middel van de effectiviteit van het cohesiebeleid. Die component moet derhalve tot twee programma's worden beperkt, één om alle mogelijke uitwisseling van ervaringen, innovatieve benaderingswijzen en capaciteitsopbouw capaciteitsontwikkeling voor programma's in het kader van beide doelstellingen mogelijk te maken en om (Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) te stimuleren die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1082/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad(10) zijn of worden opgezet, en één om de analyse van ontwikkelingstrends te verbeteren. Projectgebaseerde samenwerking in de gehele Unie moet in de nieuwe component betreffende investeringen in interregionale innovatie worden opgenomen en moet nauw aansluiten bij de uitvoering van de mededeling van de Commissie "Versterking van innovatie in de Europese regio's: strategieën voor veerkrachtige, inclusieve en duurzame groei"(11), en investeren in werkgelegenheid en groei), tussen steden en regio's een belangrijke component met het oog op het vinden van gemeenschappelijke oplossingen in het kader van het cohesiebeleid en het opbouwen van blijvende partnerschappen. De bestaande programma's en met name om platforms voor thematische slimme specialisatie op gebieden als energie, industriële modernisering of landbouw en voedingsmiddelen. Geïntegreerde territoriale ontwikkeling gericht op functionele stedelijke gebieden of stedelijke gebieden moet ten slotte in programma's in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" en in één begeleidend instrument, het "Stedelijk Europa-initiatief", worden geconcentreerd. De twee programma's in het kader van de component interregionale samenwerking moeten voor de gehele Unie gelden en ook openstaan voor de deelname van derde landen. de bevordering van projectgebaseerde samenwerking, met inbegrip van de bevordering van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS), evenals macroregionale strategieën moeten daarom worden voortgezet. [Am. 9]

(8 bis)   Het nieuwe initiatief inzake investeringen in interregionale innovatie moet worden gebaseerd op slimme specialisatie, en worden ingezet ter ondersteuning van platforms voor thematische slimme specialisatie op gebieden als energie, industriële modernisering, circulaire economie, sociale innovatie, milieu of landbouw- en voedingsmiddelen, en om degenen die bij strategieën voor slimme specialisatie betrokken zijn te helpen clusteren om innovatie op te schalen en innovatieve producten, processen en ecosystemen naar de Europese markt te brengen. Er zijn aanwijzingen dat nog steeds sprake is van systematische tekortkomingen in het stadium van het testen en valideren van de demonstratie van nieuwe technologieën (bv. sleuteltechnologieën), met name wanneer innovatie het resultaat is van de integratie van complementaire regionale specialisaties die innovatieve waardeketens creëren. Deze tekortkomingen zijn met name kritiek in het stadium tussen de proefprojecten en de volledige marktintroductie. Op sommige strategische technologische en industriële gebieden kunnen kmo's momenteel niet rekenen op een uitstekende en open, verbonden pan-Europese demonstratie-infrastructuur. De programma's in het kader van het initiatief voor interregionale samenwerking moeten de gehele Europese Unie bestrijken en moeten ook openstaan voor deelname van LGO's, derde landen, hun regio's, en organisaties voor regionale integratie en samenwerking, met inbegrip van de ultraperifere aangrenzende regio's. Synergieën tussen investeringen in interregionale innovatie en andere relevante EU-programma's zoals die in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020, de digitale markt voor Europa en het programma voor de eengemaakte markt moeten worden bevorderd, aangezien zij de impact van investeringen zullen vergroten en ervoor zorgen dat de waarde voor burgers wordt verhoogd. [Am. 10]

(9)  Er moeten gemeenschappelijke objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en gebieden subsidiabel zijn. De aanwijzing van subsidiabele regio's en gebieden op het niveau van de Unie moet daarom worden gebaseerd op de gemeenschappelijke indeling van de regio's die is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad(12). [Am. 11]

(10)  Het is nodig samenwerking in alle mogelijke dimensies met de naburige derde landen van de Unie verder te ondersteunen of, waar nodig, tot stand te brengen, aangezien zulke samenwerking een belangrijke beleidsinstrument voor regionale ontwikkeling is en de regio's van de lidstaten die aan derde landen grenzen, daarvan profijt moeten trekken. Te dien einde moeten het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, IPA(13), NDICI(14) en OCTP(15), programma's ondersteunen in het kader van grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking en maritieme samenwerking, samenwerking tussen ultraperifere gebieden en interregionale samenwerking. De steunverlening uit het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie moeten op wederkerigheid en evenredigheid zijn gebaseerd. Voor het IPA III-CBC en het NDICI-CBC moet de steunverlening uit het EFRO worden aangevuld met ten minste een gelijkwaardige gelijkwaardig bedrag uit het IPA III-CBC en het NDICI-CBC, tot een maximumbedrag als vastgesteld in de respectieve rechtshandeling. , dat wil zeggen maximaal 3 % van de financiële toewijzing in het kader van het IPA III en maximaal 4 % van de financiële toewijzing in het kader van het geografische nabuurschapsprogramma uit hoofde van artikel 4, lid 2, onder a), van het NDICI. [Am. 12]

(10 bis)   Er moet bijzondere aandacht worden geschonken aan regio's die nieuwe buitengrenzen van de Unie gaan vormen, teneinde voor de lopende samenwerkingsprogramma's voldoende continuïteit te waarborgen. [Am. 13]

(11)  Steunverlening uit het IPA III moet voornamelijk gericht zijn op het ondersteunen van begunstigden van het IPA bij de versterking van democratische instellingen en de rechtsstaat, de hervorming van justitie en het openbaar bestuur, de naleving van grondrechten en de bevordering van gendergelijkheid, tolerantie, sociale inclusie en non-discriminatie, evenals regionale en lokale ontwikkeling. IPA-steun moet gericht blijven op het ondersteunen van de inspanningen van de begunstigden van het IPA om de regionale, macroregionale en grensoverschrijdende samenwerking, alsmede de territoriale ontwikkeling te verbeteren, onder andere door het uitvoeren van macroregionale strategieën van de Unie. Daarnaast moet IPA-steun zich richten op veiligheid, migratie en grensbeheer, waarbij toegang tot internationale bescherming wordt gewaarborgd, relevante informatie wordt gedeeld, grenscontrole wordt versterkt en gezamenlijke inspanningen in de strijd tegen irreguliere migratie en migrantensmokkel worden geleverd. [Am. 14]

(12)  Wat de NDICI-steun betreft, moet de Unie met naburige landen bijzondere betrekkingen ontwikkelen die erop gericht zijn een ruimte van welvaart en goed nabuurschap tot stand te brengen welke stoelt op de waarden van de Unie en welke gekenmerkt wordt door nauwe en vreedzame betrekkingen die gebaseerd zijn op samenwerking. Deze verordening en het NDICI moeten derhalve de interne en externe aspecten van de relevante macroregionale strategieën ondersteunen. Die initiatieven zijn van strategisch belang en bieden zinvolle politieke kaders voor de verdieping van de betrekkingen met en tussen de partnerlanden, op basis van wederzijdse verantwoordingsplicht, gedeelde betrokkenheid en verantwoordelijkheid.

(12 bis)  Het ontwikkelen van synergieën met het externe optreden en de ontwikkelingsprogramma's van de Unie moet tevens bijdragen tot een maximaal effect waarbij het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, zoals vastgelegd in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), wordt nageleefd. Coherentie op alle terreinen van het EU-beleid is van cruciaal belang voor de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling. [Am. 15]

(13)  Het is belangrijk dat de EDEO en de Commissie bij de voorbereiding van de strategische programmering en van Interreg-programma's met EFRO- en NDICI-steun hun rol blijven vervullen, zoals vastgelegd in Besluit 2010/427/EU van de Raad(16).

(14)  Gezien de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden in de Unie moeten maatregelen worden vastgesteld betreffende de verbetering van de voorwaarden waaronder deze regio's toegang tot de structuurfondsen kunnen krijgen. Derhalve moeten sommige bepalingen van deze verordening aan de specifieke kenmerken van de ultraperifere regio's worden aangepast om de hun samenwerking met hun buurlanden derde landen en LGO's te vereenvoudigen en te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met de mededeling van de Commissie "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU"(17). [Am. 16]

(14 bis)  Deze verordening maakt het voor landen en gebieden overzee (LGO's) mogelijk om deel te nemen aan Interreg-programma's. De specifieke kenmerken en uitdagingen van de LGO's moeten in aanmerking worden genomen om hun daadwerkelijke toegang en deelname te vergemakkelijken. [Am. 17]

(15)  Het is nodig de middelen die aan elk van de verschillende componenten van Interreg moeten worden toegewezen, vast te stellen, met inbegrip van het aandeel van elke lidstaat in de totale bedragen voor de grensoverschrijdende samenwerking, de transnationale samenwerking en maritieme samenwerking, de samenwerking tussen ultraperifere gebieden en de interregionale samenwerking en de mogelijkheden voor de lidstaten, wat de flexibiliteit tussen deze componenten betreft. In vergelijking met de programmeringsperiode 2014-2020 moet het aandeel voor grensoverschrijdende samenwerking worden verminderd, terwijl het aandeel voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking wegens de integratie van maritieme samenwerking moet worden vergroot, en er moet een nieuwe component samenwerking tussen ultraperifere gebieden worden gecreëerd. Vanwege de globalisering moet samenwerking die gericht is op de bevordering van investeringen in werkgelegenheid en groei en gezamenlijke investeringen met andere regio's, echter ook worden bepaald door de gemeenschappelijke kenmerken en ambities van de regio's en niet noodzakelijkerwijs door grenzen; daarom moeten voldoende aanvullende middelen ter beschikking worden gesteld van het nieuwe initiatief inzake investeringen in interregionale innovatie, teneinde te kunnen inspelen op de situatie op de wereldmarkt. [Am. 18]

(16)  Teneinde de steun uit het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie zo doeltreffend mogelijk te gebruiken, moet een mechanisme worden ingesteld om de teruggave van dergelijke steun organiseren, wanneer programma's voor externe samenwerking niet kunnen worden vastgesteld of moeten worden beëindigd; dit geldt ook voor programma's in samenwerking met derde landen die geen steun ontvangen uit een financieringsinstrument van de Unie. Door middel van dat mechanisme moet gestreefd worden naar een optimale werking van de programma's en een maximale coördinatie tussen die instrumenten.

(17)  In het kader van Interreg moet het EFRO tot de specifieke doelstellingen in het kader het cohesiebeleid bijdragen. De lijst van de specifieke doelstellingen uit hoofde van de verschillende thematische doelstellingen moet echter aan de specifieke behoeften van Interreg worden aangepast, door aanvullende specifieke doelstellingen uit hoofde van de beleidsdoelstelling "een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten" vast te stellen om steun van het ESF-type mogelijk te maken.

(18)  In de context van de unieke en specifieke omstandigheden op het eiland Ierland en met het oog op de ondersteuning van de Noord-Zuid-samenwerking in het kader van het Goede Vrijdagakkoord, moet een nieuw grensoverschrijdend Peace-Plus-programma worden voortgezet en voortbouwen op de werkzaamheden van eerdere programma's van de aangrenzende graafschappen van Ierland en Noord-Ierland. Rekening houdend met het praktische belang van het programma, is het noodzakelijk om te waarborgen dat, wanneer het functioneert ter ondersteuning van vrede en verzoening, het EFRO ook bijdraagt tot de bevordering van sociale, economische en economische regionale stabiliteit en samenwerking in de betrokken regio's, met name door maatregelen ter bevordering van de samenhang tussen de gemeenschappen. Gezien de specifieke kenmerken van het programma moet het op een geïntegreerde manier worden beheerd, waarbij de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk als externe bestemmingsontvangsten in het programma worden opgenomen. Bovendien mogen bepaalde voorschriften voor de selectie van concrete acties in deze verordening niet op dat programma van toepassing zijn voor wat betreft concrete acties ter ondersteuning van vrede en verzoening. [Am. 19]

(19)  In deze verordening moeten twee specifieke doelstellingen voor Interreg worden toegevoegd, één om de specifieke doelstelling van de versterking van de institutionele capaciteit te ondersteunen, waarbij de juridische en administratieve samenwerking wordt verbeterd, met name wanneer deze samenhangt met de uitvoering van de mededeling over grensregio's, en de samenwerking tussen burgers en instellingen en de ontwikkeling en coördinatie van macroregionale en zeebekkenstrategieën te intensiveren, en één om specifieke onderwerpen op het gebied van externe samenwerking aan te pakken, zoals veiligheid, beveiliging, beheer van grensoverschrijdingen en migratie.

(20)  Het grootste gedeelte van de steun van de Unie moet aan een beperkt aantal beleidsdoelstellingen worden besteed om het effect van Interreg zo groot mogelijk te maken. Synergieën en complementariteit tussen de componenten van Interreg moeten worden versterkt. [Am. 20]

(21)  Bepalingen over de voorbereiding, goedkeuring en wijziging van Interreg-programma's, alsmede over territoriale ontwikkeling, over de selectie van concrete acties, over toezicht en evaluatie, over de programma-autoriteiten, over audit van concrete acties en over transparantie en communicatie moeten aan de specifieke kenmerken van de Interreg-programma's worden aangepast in vergelijking met de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]. Deze specifieke bepalingen moeten eenvoudig en duidelijk worden gehouden om overregulering en extra administratieve lasten voor de lidstaten en de begunstigden te voorkomen. [Am. 21]

(22)  De bepalingen over de criteria die voor concrete acties gelden om als echt gezamenlijk en coöperatief te worden beschouwd, over het partnerschap binnen een concrete Interreg-actie en over de verplichtingen van de eerstverantwoordelijke partner, zoals tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 vastgelegd, moeten worden voortgezet. Interreg-partners moeten echter in alle vier dimensies (ontwikkeling, samenwerken inzake ontwikkeling en uitvoering, evenals personeelsvoorziening en of financiering,) samenwerken of beide, en in het kader van de samenwerking tussen ultraperifere gebieden in drie van de vier dimensies, aangezien het eenvoudiger moet worden steun van het EFRO en van financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie zowel op programmaniveau als op het niveau van een concrete actie te combineren. [Am. 22]

(22 bis)  In programma's voor grensoverschrijdende samenwerking vormen people-to-people- en kleinschalige projecten een belangrijk en succesvol instrument om grensobstakels en grensoverschrijdende obstakels uit de weg te ruimen, lokale interpersoonlijke contacten te bevorderen en zo grensgebieden en hun burgers dichter bij elkaar te brengen. People-to-people- en kleinschalige projecten worden uitgevoerd op vele terreinen, waaronder cultuur, sport, toerisme, algemeen onderwijs en beroepsopleidingen, economie, wetenschap, milieubescherming en ecologie, gezondheidszorg, vervoer en projecten voor kleinschalige infrastructuur, administratieve samenwerking en publieksvoorlichting. Zoals ook blijkt uit het advies van het Comité van de Regio's over people-to-people- en kleinschalige projecten in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking(18), bieden people-to-people- en kleinschalige projecten een grote Europese toegevoegde waarde en dragen zij aanzienlijk bij tot de algemene doelstelling van programma's voor grensoverschrijdende samenwerking. [Am. 23]

(23)  Sinds de start van Interreg zijn er worden people-to-people- en kleinschalige projecten ondersteund via fondsen voor kleinschalige projecten in het leven geroepen of soortgelijke instrumenten die niet onder specifieke bepalingen vielen, zodat; de voorschriften voor deze fondsen moeten worden verduidelijkt. Zoals ook blijkt uit het advies van het Comité van de Regio's over Om de toegevoegde waarde en de voordelen van people-to-people- en kleinschalige projecten in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking(19), spelen dergelijke fondsen voor kleinschalige projecten een belangrijke rol bij het opbouwen van vertrouwen tussen burgers en instellingen, bieden zij een grote Europese toegevoegde waarde en dragen zij aanzienlijk bij tot de algemene doelstelling van programma's voor grensoverschrijdende samenwerking doordat belemmeringen voor grensoverschrijdende interactie worden overwonnen en grensgebieden en de bewoners ervan met elkaar geïntegreerd raken. te behouden, ook met betrekking tot lokale en regionale ontwikkeling, en om het beheer van de financiering van kleine projecten door de eindontvangers, die vaak niet gewend zijn EU-financiering aan te vragen, te vereenvoudigen, moet onder een bepaalde drempel het gebruik van vereenvoudigde kostenopties en vaste bedragen verplicht worden gesteld. [Am. 24]

(24)  Vanwege de deelneming van meer dan één lidstaat en de daaruit voortvloeiende hogere administratieve kosten, met name onder meer voor de regionale contactpunten (of "steunpunten"), die dienstdoen als belangrijke contactpunten voor projectaanvragers en -uitvoerders en rechtstreeks in verbinding staan met de gezamenlijke secretariaten of de relevante autoriteiten, maar in het bijzonder ook voor controles en vertalingen, moet het maximumbedrag van de uitgaven voor technische bijstand hoger zijn dan in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei". Ter compensatie van de hogere administratieve kosten moeten de lidstaten worden aangespoord om de administratieve lasten van de tenuitvoerlegging van gezamenlijke projecten waar mogelijk te verminderen. Bovendien moeten Interreg-programma's met beperkte steun van de Unie of programma's voor externe grensoverschrijdende samenwerking een bepaald minimumbedrag voor technische bijstand ontvangen om voldoende financiering voor doeltreffende activiteiten inzake technische bijstand te garanderen. [Am. 25]

(25)  Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moeten de fondsen worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor toezicht worden verzameld, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van de fondsen in de praktijk worden verzameld.

(25 bis)  De Commissie, lidstaten en regio's moeten bij het terugdringen van de administratieve lasten nauw samenwerken om de verbeterde evenredige regelingen voor het beheers- en controlesysteem voor een Interreg-programma in de zin van artikel 77 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] te kunnen benutten. [Am. 26]

(26)  Op basis van ervaringen in de programmeringsperiode 2014-2020 moet het systeem waarbij een duidelijke hiërarchie van subsidiabiliteitsregels voor uitgaven is vastgesteld, worden voortgezet, waarbij het beginsel wordt gehandhaafd dat subsidiabiliteitsregels voor uitgaven op Unieniveau of voor een Interreg-programma in zijn geheel worden vastgesteld ter voorkoming van mogelijke contradicties of inconsistenties tussen de verschillende verordeningen dan wel tussen verordeningen en de nationale regelgeving. Aanvullende voorschriften die door één lidstaat zijn vastgesteld en alleen op de begunstigden in die lidstaat van toepassing zijn, moeten tot een strikt minimum worden beperkt. Met name de voor de programmeringsperiode 2014-2020 vastgelegde bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 van de Commissie(20) moeten in deze verordening worden geïntegreerd.

(27)  De lidstaten moeten worden aangemoedigd om in voorkomend geval de taken van de beheersautoriteit toe te vertrouwen aan een overdragen aan een nieuwe of, indien van toepassing, bestaande EGTS of om een dergelijke groepering, net als andere grensoverschrijdende juridische entiteiten, verantwoordelijk te stellen voor het beheer van een subprogramma, of een geïntegreerde territoriale investering of een of meer fondsen voor kleinschalige projecten of als enige partner te laten optreden. als enige partner laten optreden. De lidstaten moeten regionale en lokale autoriteiten en andere overheidsinstanties van verschillende lidstaten in staat stellen om dergelijke groeperingen voor samenwerking met rechtspersoonlijkheid op te zetten en moeten lokale en regionale autoriteiten bij de werking daarvan betrekken. [Am. 27]

(28)  Om de voor de programmeringsperiode 2014-2020 ingestelde betalingsketen voort te zetten, d.w.z. van de Commissie via de certificeringsautoriteit naar de eerstverantwoordelijke partner, moet die betalingsketen onder de boekhoudfunctie worden voortgezet. De steun van de Unie moet aan de eerstverantwoordelijke partner worden betaald, tenzij dit tussen de eerstverantwoordelijke en de andere partners tot dubbele vergoedingen voor omzetting naar euro en terug naar een andere valuta of omgekeerd leidt. Tenzij anders aangegeven, moet de eerstverantwoordelijke partner ervoor zorgen dat de andere partners het totale bedrag van de bijdragen van het respectieve EU-fonds integraal ontvangen binnen de door alle partners overeengekomen termijn en volgens dezelfde procedure als die welke voor de eerstverantwoordelijke partner geldt. [Am. 28]

(29)  Uit hoofde van artikel [63, lid 9,] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] moet in sectorspecifieke regelgeving rekening worden gehouden met de behoeften van de programma's voor Europese territoriale samenwerking (Interreg), met name wat betreft de auditfunctie. De bepalingen over het jaarlijks auditoordeel, het jaarlijkse controleverslag en de audits van concrete acties moeten derhalve worden vereenvoudigd en worden aangepast aan die programma's waarbij meer dan één lidstaat is betrokken. [Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]

(30)  Met betrekking tot de terugvordering wegens onregelmatigheden moet een duidelijke keten van financiële aansprakelijkheid worden vastgesteld van de enige of andere partners via de eerstverantwoordelijke partner en de beheersautoriteit naar de Commissie. Er moet een bepaling worden opgenomen betreffende de aansprakelijkheid van lidstaten, derde landen, partnerlanden of landen en gebieden overzee (LGO's), wanneer terugvordering van de enige of andere of eerstverantwoordelijke partner niet mogelijk is, in de zin dat de lidstaat dan aan de beheersautoriteit terugbetaald. In het kader van Interreg-programma's is derhalve geen ruimte voor oninbare bedragen op het niveau van begunstigden. De voorschriften moeten echter worden verduidelijkt voor het geval dat een lidstaat, derde land, partnerland of LGO niet aan de beheersautoriteit terugbetaald. Ook de verplichtingen van de eerstverantwoordelijke partner voor terugbetaling moeten worden verduidelijkt. De beheersautoriteit mag met name Bovendien moeten de procedures in verband met terugvorderingen worden vastgesteld en overeengekomen door het toezichtcomité. De beheersautoriteit mag de eerstverantwoordelijke partner er echter niet toe verplichten in de een ander land een gerechtelijke procedure te starten. [Am. 30]

(30 bis)   Het is passend om financiële discipline aan te moedigen. Tegelijkertijd moet bij regelingen voor de vrijmaking van begrotingsvastleggingen rekening worden gehouden met de complexiteit van Interreg-programma's en de tenuitvoerlegging ervan. [Am. 31]

(31)  Om zowel in de deelnemende lidstaten als in derde landen, partnerlanden of LGO's een zoveel mogelijk gemeenschappelijke reeks regels toe te passen, moet deze verordening ook van toepassing zijn op de deelname van derde landen, partnerlanden of LGO's, tenzij er in een specifiek hoofdstuk van deze verordening specifieke regels zijn vastgelegd. Naast Interreg-programma-autoriteiten kunnen ook vergelijkbare autoriteiten in derde landen, partnerlanden of LGO's bestaan. Het beginpunt voor de subsidiabiliteit van uitgaven moet samenhangen met de ondertekening van de financieringsovereenkomst door het desbetreffende derde land, partnerland of LGO. Voor de uitbesteding aan begunstigden in het derde land, partnerland of LGO gelden de voorschriften voor overheidsopdrachten voor extern optreden van Verordening (EU, Euratom) [nieuwe FR-Omnibus] van het Europees Parlement en de Raad(21). De procedures voor de sluiting van een financieringsovereenkomst met elk van de derde landen, partnerlanden of LGO's, alsmede van de overeenkomst tussen de beheersautoriteit en elk derde land, partnerland of LGO betreffende steun uit een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie of in geval van overdracht van een aanvullende bijdrage van een derde land, partnerland of LGO naar het Interreg-programma anders dan nationale medefinanciering moeten worden vastgelegd.

(32)  Hoewel Interreg-programma's waarin derde landen, partnerlanden of LGO's deelnemen, in gedeeld beheer moeten worden uitgevoerd, mag samenwerking tussen ultraperifere gebieden in indirect beheer worden uitgevoerd. Er moeten specifieke voorschriften worden opgesteld over hoe die programma's geheel of gedeeltelijk in indirect beheer moeten worden uitgevoerd. [Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]

(33)  Op basis van de ervaringen tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 met grote infrastructuurprojecten in het kader van programma's voor grensoverschrijdende samenwerking uit hoofde van het Europees nabuurschapsinstrument moeten de procedures worden vereenvoudigd. De Commissie moet zich echter bepaalde rechten voorbehouden betreffende de selectie van dergelijke projecten.

(34)  Aan de Commissie moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om de lijsten van Interreg-programma's en de lijst van het totale bedrag aan steun van de Unie voor elk Interreg-programma vast te stellen en te wijzigen en om besluiten tot goedkeuring van Interreg-programma's en wijzigingen daarvan vast te stellen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(22). Hoewel deze handelingen van algemene aard zijn, moet de raadplegingsprocedure worden toegepast, aangezien deze alleen de technische uitvoering van de bepalingen betreffen.

(35)  Om eenvormige voorwaarden voor de vaststelling of wijziging van Interreg-programma's te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Indien van toepassing moeten programma's voor externe grensoverschrijdende samenwerking moeten echter, indien van toepassing, voldoen aan de comitéprocedures die in de Verordeningen (EU) [IPA III] en (EU) [NDICI] zijn vastgelegd betreffende het eerste goedkeuringsbesluit van die programma's. [Am. 33]

(36)  Teneinde bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening aan te vullen of te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU de bijlage betreffende het model voor Interreg-programma's te wijzigen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 zijn vastgelegd. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(36 bis)  Het bevorderen van Europese territoriale samenwerking is een belangrijke prioriteit van het cohesiebeleid van de Unie. Steun aan kmo's ten behoeve van kosten die bij projecten voor Europese territoriale samenwerking worden gemaakt, is reeds vrijgesteld op grond van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie(23) (algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV)). Bijzondere bepalingen voor regionale steun voor investeringen door zowel kleine als grote ondernemingen zijn ook opgenomen in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020(24) en in het deel regionale steun van de algemene groepsvrijstellingsverordening. De opgedane ervaring leert dat steun voor projecten voor Europese territoriale samenwerking doorgaans slechts beperkte gevolgen heeft voor de concurrentie en het handelsverkeer tussen de lidstaten, zodat de Commissie dergelijke steun verenigbaar kan verklaren met de interne markt en de verstrekte financiering voor projecten voor Europese territoriale samenwerking vrijgesteld kan worden. [Am. 34]

(37)  Aangezien het doel van deze verordening, namelijk het stimuleren van samenwerking tussen lidstaten en tussen lidstaten en derde landen, partnerlanden of LGO's, niet voldoende kan worden verwezenlijkt door de lidstaten maar beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Afdeling i

Onderwerp, toepassingsgebied en Interreg-componenten

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)" met het oog op de bevordering van de samenwerking tussen de lidstaten en hun regio's binnen de Unie en tussen lidstaten, hun regio's en respectievelijk aangrenzende derde landen, partnerlanden, andere gebieden of landen en gebieden overzee (LGO's), of organisaties voor regionale integratie en samenwerking, of een groep van derde landen die deel uitmaken van een regionale organisatie. [Am. 35]

2.  Daarnaast bevat deze verordening de nodige bepalingen om te zorgen voor de effectieve programmering, met inbegrip van technische bijstand, toezicht, evaluatie, communicatie, subsidiabiliteit, beheer en controle, alsook het financiële beheer van programma's in het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" ("Interreg-programma's") die worden ondersteund door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO).

3.  Met betrekking tot steun van het "instrument voor pretoetredingssteun" ("IPA III"), het "instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking" ("NDICI") en de financiering voor alle LGO's voor de periode 2021-2027 die is vastgesteld als een programma bij besluit van de Raad (EU) XXX ("OCTP"), aan Interreg-programma's (de drie instrumenten samen: "de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie"), worden in deze verordening aanvullende specifieke doelstellingen gedefinieerd, alsook de integratie van deze fondsen in de Interreg-programma's, de criteria voor derde landen, partnerlanden en LGO's en hun regio's om in aanmerking te komen voor de steun en een aantal specifieke uitvoeringsvoorschriften.

4.  Met betrekking tot de steun uit het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie (samen de "Interreg-fondsen" genoemd) voor Interreg-programma's worden in deze verordening specifieke doelstellingen voor Interreg gedefinieerd, alsook de organisatie, de criteria voor derde landen, partnerlanden en LGO's en hun regio's om in aanmerking te komen voor de steun, de financiële middelen en de criteria voor de toewijzing ervan.

5.  Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening] zijn van toepassing op Interreg-programma's, tenzij anders is bepaald in die verordeningen of in deze verordening of wanneer de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] alleen van toepassing kunnen zijn op de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei".

Artikel 2

Definities

1.  Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel [2] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]. De volgende definities zijn eveneens van toepassing:

1)  "begunstigde van het IPA": een land of gebied dat is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) [IPA III];

2)  "derde land": een land dat geen lidstaat van de Europese Unie is en geen steun ontvangt uit de Interreg-fondsen;

3)  "partnerland": een begunstigde van het IPA of een land of gebied dat wordt bestreken door het "geografische gebied nabuurschapsbeleid" zoals vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) [NDICI] en de Russische Federatie en steun ontvangt van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie;

4)  "grensoverschrijdende juridische entiteit": een juridische entiteit, met inbegrip van een Euroregio, die is opgericht naar het recht van een van de deelnemende landen aan een Interreg-programma, mits deze is opgezet door de territoriale autoriteiten of andere instanties uit ten minste twee deelnemende landen. [Am. 36]

4 bis)  "organisatie voor regionale integratie en samenwerking": groep lidstaten of regio's in eenzelfde geografisch gebied die gericht is op nauwe samenwerking inzake kwesties van gemeenschappelijk belang. [Am. 37]

2.  Voor de toepassing van deze verordening wordt, wanneer in de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] wordt verwezen naar een "lidstaat", dit gelezen als "lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is" en wanneer wordt verwezen naar "elke lidstaat" of "lidstaten", moet dit worden opgevat als "de lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO's die deelnemen aan een bepaald Interreg-programma".

Voor de toepassing van deze verordening moet, wanneer in de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] wordt verwezen naar "de fondsen" als bedoeld in [artikel 1, lid 1, onder a),] van die verordening, of naar het "EFRO", worden beschouwd dat het respectieve financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie hier eveneens onder valt.

Artikel 3

Componenten van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)"

In het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)" ondersteunen het EFRO en, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie de volgende componenten:

1)  grensoverschrijdende samenwerking tussen aan elkaar grenzende regio's ter bevordering van de geïntegreerde geïntegreerde en harmonieuze regionale ontwikkeling (component 1): [Am. 38]

a)  interne grensoverschrijdende samenwerking tussen aan land of via de zee aan elkaar grenzende regio's van twee of meer lidstaten of tussen aan land of via de zee aan elkaar grenzende regio's van ten minste één lidstaat en één of meer derde landen die zijn vermeld in artikel 4, lid 3; of [Am. 39]

b)  externe grensoverschrijdende samenwerking tussen aan land of via de zee aan elkaar grenzende regio's van ten minste één lidstaat en één of meer van de volgende: [Am. 40]

i)  begunstigden van het IPA; of

ii)  partnerlanden die steun ontvangen in het kader van NDICI; of

iii)  de Russische Federatie, teneinde haar deelname mogelijk te maken aan grensoverschrijdende samenwerking die ook door het NDICI wordt ondersteund;

2)  transnationale samenwerking en maritieme samenwerking over grotere transnationale gebieden of rond zeebekkens, waarbij lokale, regionale en nationale programmapartners in de lidstaten, derde landen, partnerlanden en Groenland LGO's betrokken zijn, met het oog op een hogere mate van territoriale integratie ("component 2"); wanneer enkel naar transnationale samenwerking wordt verwezen: "component 2A"; wanneer enkel naar maritieme samenwerking wordt verwezen: "component 2B"); [Am. 41]

3)  onderlinge samenwerking tussen ultraperifere gebieden onderling en met een of meer van hun naburige derde landen, partnerlanden of LGO's of organisaties voor regionale integratie en samenwerking, om hun regionale integratie en harmonieuze ontwikkeling in de regio te vergemakkelijken ("component 3"); [Am. 42]

4)  interregionale samenwerking om de effectiviteit van het cohesiebeleid te versterken ("component 4") door het bevorderen van:

a)  de uitwisseling van ervaringen, innovatieve benaderingen en capaciteitsopbouw in verband met:

i)  de uitvoering van Interreg-programma's;

i bis)  de uitvoering van gemeenschappelijke interregionale ontwikkelingsprojecten; [Am. 43]

i ter)  capaciteitsontwikkeling tussen partners in de gehele Unie in samenhang met: [Am. 44]

ii)  de uitvoering van programma's in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei", met name met betrekking tot interregionale en transnationale acties waarvan de begunstigden in ten minste één andere lidstaat gevestigd zijn;

ii bis)  de vaststelling en verspreiding van goede praktijken teneinde deze vooral over te dragen naar operationele programma's in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei"; [Am. 45]

ii ter)  de uitwisseling van ervaringen betreffende de vaststelling, de overdracht en de verspreiding van beste praktijken inzake duurzame stedelijke ontwikkeling, met inbegrip van onderlinge banden tussen stedelijke en plattelandsgebieden; [Am. 46]

iii)  de oprichting, de werking en het gebruik van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS);

iii bis)  de opzet, de werking en het gebruik van het Europees grensoverschrijdend mechanisme als bedoeld in Verordening (EU) [nieuw Europees grensoverschrijdend mechanisme]; [Am. 47]

b)  de analyse van ontwikkelingstrends met betrekking tot de doelstellingen "territoriale samenhang";

5)  investeringen in interregionale innovatie door commercialisering en opschaling van interregionale innovatieve projecten met het potentieel om de ontwikkeling van Europese waardeketens te stimuleren ("component 5"). [Am. 48]

Afdeling ii

Geografische dekking

Artikel 4

Geografische dekking voor grensoverschrijdende samenwerking

1.  Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de door het EFRO te steunen regio's de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie aan alle interne en externe landgrenzen land- of zeegrenzen met derde landen of partnerlanden, behoudens eventuele aanpassingen om te zorgen voor de samenhang en continuïteit van gebieden van samenwerkingsprogramma's die voor de programmeringsperiode 2014-2020 zijn vastgesteld. [Am. 49]

2.  Regio's aan maritieme grenzen die door middel van een vaste verbinding over de zee verbonden zijn, worden ook ondersteund in het kader van grensoverschrijdende samenwerking. [Am. 50]

3.  Interne programma's voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van Interreg kunnen regio's in Noorwegen, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk omvatten, die gelijkwaardig zijn aan regio's van NUTS-niveau 3, alsook Liechtenstein, Andorra, Monaco en Monaco San Marino. [Am. 51]

4.  Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de door het IPA III of NDICI te steunen regio's de regio's van NUTS-niveau 3 van het betrokken partnerland of, indien er geen NUTS-classificatie is, daarmee vergelijkbare gebieden aan alle landgrenzen land- of zeegrenzen tussen lidstaten en partnerlanden die in het kader van IPA III of NDICI in aanmerking komen. [Am. 52]

Artikel 5

Geografische dekking voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking [Am. 53]

1.  Voor transnationale samenwerking en de samenwerking op maritiem gebied, zijn de door het EFRO te ondersteunen regio's de regio's van NUTS-niveau 2 van de Unie die aangrenzende functionele gebieden bestrijken, behoudens eventuele aanpassingen om te zorgen voor de samenhang en continuïteit van deze samenwerking in grotere coherente gebieden op basis van de programma's die voor de programmeringsperiode 2014-2020 zijn vastgesteld, en indien van toepassing rekening houdend met macroregionale strategieën of zeegebiedstrategieën. [Am. 54]

2.  Interreg-programma's voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking kunnen de volgende landen of gebieden omvatten: [Am. 55]

a)  regio's in IJsland, Noorwegen, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk, alsook Andorra, Liechtenstein, Monaco en San Marino;

b)  Groenland de LGO's die steun ontvangen in het kader van het LGO-programma; [Am. 56]

c)  de Faeröer;

d)  regio's van partnerlanden in het kader van IPA III of NDICI;

ongeacht of zij worden gefinancierd uit de EU-begroting.

3.  De in lid 2 genoemde regio's, derde landen, of partnerlanden of LGO's zijn regio's van NUTS-niveau 2 of, indien er geen NUTS-classificatie is, daarmee vergelijkbare gebieden. [Am. 57]

Artikel 6

Geografische dekking voor samenwerking tussen ultraperifere gebieden

1.  Voor de samenwerking tussen ultraperifere gebieden worden alle regio's die zijn opgenomen in artikel 349, eerste alinea, VWEU, ondersteund door het EFRO.

2.  De Interreg-programma's voor ultraperifere regio's kunnen door het NDICI ondersteunde aangrenzende partnerlanden en/of bestrijken, door het OCTP ondersteunde LGO's, bestrijken organisaties voor regionale samenwerking, of een combinatie van twee ervan of alle drie. [Am. 58]

Artikel 7

Geografische dekking voor interregionale samenwerking en investeringen in interregionale innovatie [Am. 59]

1.  Voor Interreg-programma's van component 4 of voor investeringen in interregionale innovatie in het kader van component 5 wordt het gehele grondgebied van de Unie ondersteund door het EFRO, met inbegrip van de ultraperifere gebieden. [Am. 60]

2.  Interreg-programma's van component 4 kunnen het geheel of een deel van de in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde derde landen, partnerlanden, andere gebieden of LGO's bestrijken, ongeacht of zij worden ondersteund door de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie. Derde landen mogen aan deze programma's deelnemen, op voorwaarde dat zij een financiële bijdrage leveren in de vorm van externe bestemmingsontvangsten. [Am. 61]

Artikel 8

Lijst van Interreg-programmagebieden die steun kunnen ontvangen

1.  Voor de toepassing van de artikelen 4, 5 en 6, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een lijst vast van Interreg-programmagebieden die steun kunnen ontvangen, uitgesplitst naar elke component en elk Interreg-programma. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 63, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

Externe grensoverschrijdende Interreg-programma's worden respectievelijk als "Interreg-IPA III-CBC-programma's" of als "Interreg-nabuurschap-CBC-programma's" in de lijst opgenomen.

2.  De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling bevat ook een lijst waarin de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie zijn vermeld die in aanmerking zijn genomen voor de EFRO-toewijzing voor grensoverschrijdende samenwerking aan alle binnengrenzen en aan alle buitengrenzen die onder de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie vallen. , alsmede een lijst met deze regio's van NUTS-niveau 3 die in aanmerking zijn genomen voor toewijzingsdoeleinden in het kader van component 2B als bedoeld in artikel 9, lid 3, onder a). [Am. 62]

3.  Regio's van derde landen of landen of gebieden buiten de Europese Unie die geen steun ontvangen uit het EFRO of een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie, moeten eveneens worden vermeld in de in lid 1 bedoelde lijst. [Am. niet van toepassing op de Nederlandse versie]

Afdeling iii

Middelen en medefinancieringspercentages

Artikel 9

EFRO-middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)"

1.  De EFRO-middelen middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)" bedragen 8 430 000 000 EUR 11 165 910 000 EUR (prijzen 2018) van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds voor de programmeringsperiode 2021-2027 en die vermeld zijn in artikel [102 103, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]. [Am. 64]

2.  De 10 195 910 000 EUR (91,31 %) van de in lid 1 bedoelde middelen worden als volgt toegewezen: [Am. 65]

a)  52,7 % (d.w.z. in totaal 4 440 000 000 EUR 7 500 000 000 EUR (67,16 %) voor grensoverschrijdende samenwerking (component 1); [Am. 66]

b)  31,4 % (d.w.z. in totaal 2 649 900 000 EUR 1 973 600 880 EUR (17,68 %) voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking (component 2); [Am. 67]

c)  3,2 % (d.w.z. in totaal 270 100 000 EUR 357 309 120 EUR (3,2 %) voor samenwerking tussen ultraperifere gebieden (component 3); [Am. 68]

d)  1,2 % (d.w.z. in totaal 100 000 000 EUR 365 000 000 EUR (3,27 %) voor interregionale samenwerking (component 4); [Am. 69]

e)  11,5 % (d.w.z. in totaal 970 000 000 EUR) voor investeringen in interregionale innovatie (component 5). [Am. 70]

3.  De Commissie stelt elke lidstaat op de hoogte van zijn aandeel, opgesplitst naar jaar, van de totale bedragen voor de componenten 1, 2 en 3.

De bevolkingsomvang in de volgende regio's wordt gebruikt als criterium voor de verdeling per lidstaat:

a)  regio's van NUTS-niveau 3 voor component 1 en de regio's van NUTS-niveau 3 die zijn vermeld in de uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 8, lid 2, van de uitvoeringshandeling voor component 2B; [Am. 71]

b)  regio's van NUTS-niveau 2 voor de componenten component 2 A en 3. [Am. 72]

b bis)  regio's van NUTS-niveau 2 en 3 voor component 3. [Am. 73]

4.  Elke lidstaat kan tot 15 % van zijn financiële toewijzingen aan elk van de componenten 1, 2 en 3 overdragen van een van deze componenten naar een of meer van de andere componenten.

5.  Op basis van de volgens lid 3 meegedeelde bedragen deelt elke lidstaat de Commissie mee of en hoe hij gebruik heeft gemaakt van de in lid 4 bedoelde mogelijkheid tot overdracht en vermeldt daarbij de daaruit resulterende verdeling van zijn deel over de Interreg-programma's waaraan de lidstaat deelneemt.

5 bis.  970 000 000 EUR (8,69 %) van de in lid 1 bedoelde middelen wordt toegewezen aan het nieuwe initiatief inzake investeringen in interregionale innovatie als bedoeld in artikel 15 bis (nieuw).

Indien de Commissie op 31 december 2026 niet alle in lid 1 bedoelde beschikbare middelen voor in het kader van dat initiatief geselecteerde projecten heeft vastgelegd, worden de resterende niet-vastgelegde saldi naar evenredigheid herverdeeld over de componenten 1 tot en met 4. [Am. 74]

Artikel 10

Transversale bepalingen voor fondsen

1.  De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast tot vaststelling van het document met de meerjarige strategie met betrekking tot externe grensoverschrijdende Interreg-programma's die door het EFRO en het NDICI of IPA III worden ondersteund. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 63, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

Met betrekking tot de door het EFRO en het NDICI ondersteunde Interreg-programma's worden in die uitvoeringshandeling de in artikel 12, lid 2, van Verordening (EU) [NDICI] bedoelde elementen vastgesteld.

2.  De bijdrage van het EFRO aan externe grensoverschrijdende Interreg-programma's die ook worden gesteund met gebruikmaking van de financiële middelen in het kader van IPA III die zijn toegewezen aan grensoverschrijdende samenwerking ("IPA III CBC") of de financiële middelen in het kader van NDICI die zijn toegewezen aan grensoverschrijdende samenwerking voor het geografische gebied nabuurschapsbeleid (" NDICI CBC"), wordt vastgesteld door de Commissie en de betrokken lidstaten. De EFRO-bijdrage die voor elke lidstaat wordt vastgesteld, wordt vervolgens niet over de betrokken lidstaten herschikt.

3.  Er wordt steun uit het EFRO verleend aan individuele externe grensoverschrijdend Interreg-programma's op voorwaarde dat het IPA III CBC en het NDICI CBC ten minste gelijkwaardige bedragen verstrekken in het kader van het relevante strategische programmeringsdocument. Voor deze gelijkwaardigheid bijdrage geldt een maximumbedrag dat is vastgesteld in de IPA III-wetgevingshandeling of de NDICI-wetgevingshandeling. [Am. 75]

Wanneer de herziening van het desbetreffende strategische programmeringsdocument in het kader van IPA III of NDICI echter leidt tot vermindering van het bijbehorende bedrag voor de resterende jaren, moet elke betrokken lidstaat kiezen uit de volgende opties:

a)  verzoeken om het mechanisme uit hoofde van artikel 12, lid 3;

b)  het Interreg-programma voortzetten met de overblijvende steun uit het EFRO en het IPA III CBC of het NDICI CBC; of

c)  de opties a) en b) combineren.

4.  De jaarlijkse kredieten die overeenstemmen met de steun uit het EFRO, IPA III CBC of NDICI CBC voor externe grensoverschrijdende Interreg-programma's wordt opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderdelen voor het begrotingsjaar 2021.

5.  Wanneer de Commissie een specifieke financiële toewijzing heeft opgenomen ter ondersteuning van partnerlanden of regio's in het kader van Verordening (EU) [NDICI] en LGO's in het kader van Besluit van de Raad [het LGO-besluit], of beide, bij de versterking van hun samenwerking met de aangrenzende ultraperifere regio's van de Unie overeenkomstig artikel [33, lid 2,] van Verordening (EU) [NDICI] en/of artikel [87] van het [OCTP-besluit], kan het EFRO ook bijdragen in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening, waar passend en op basis van wederkerigheid en evenredigheid met betrekking tot het niveau van financiering van de NDICI en/of het OCTP, door middel van acties die worden uitgevoerd door een partnerland of -regio's of een andere entiteit uit hoofde van Verordening (EU) [NDICI], door een land, gebied of een andere entiteit uit hoofde van het [LGO-besluit] of door een ultraperifere regio van de Unie, met name in het kader van een of meer gezamenlijke Interreg-programma's van de component 2, 3 of 4 of in het kader van de in artikel 60 bedoelde samenwerkingsmaatregelen die zijn vastgesteld en uitgevoerd overeenkomstig deze verordening.

Artikel 11

Lijst van Interreg-programmamiddelen

1.  Op basis van de informatie die zij op grond van artikel 9, lid 5, van de lidstaten heeft ontvangen, stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarin een lijst van alle Interreg-programma's is opgenomen en het totaalbedrag van de totale EFRO-steun voor elk programma en, indien van toepassing, de totale steun uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie is aangegeven. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 63, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

2.  Die uitvoeringshandeling bevat ook een lijst van de overeenkomstig artikel 9, lid 5, overgemaakte bedragen, uitgesplitst naar lidstaat en naar financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie.

Artikel 12

Teruggave van middelen en beëindiging

1.  In 2022 en 2023 wordt de jaarlijkse bijdrage uit het EFRO voor de externe grensoverschrijdende Interreg-programma's waarvoor uiterlijk op 31 maart van de respectieve jaren geen programma bij de Commissie is ingediend en die niet opnieuw is toegewezen aan een ander programma dat is ingediend in dezelfde categorie externe grensoverschrijdende Interreg-programma's, toegewezen aan de interne grensoverschrijdende Interreg-programma's waaraan de betrokken lidstaat/lidstaten deelneemt/deelnemen.

2.  Als er uiterlijk op 31 maart 2024 nog steeds externe grensoverschrijdende Interreg-programma's zijn die niet bij de Commissie zijn ingediend, wordt de volledige in artikel 9, lid 5, vermelde bijdrage uit het EFRO aan die programma's voor de resterende jaren tot en met 2027, voor zover die niet opnieuw is toegewezen aan een ander extern grensoverschrijdend Interreg-programma dat ook steun ontvangt uit respectievelijk het IPA III CBC of het NDICI CBC, toegewezen aan de interne grensoverschrijdende Interreg-programma's waaraan de betrokken lidstaat/lidstaten deelneemt/deelnemen.

3.  Reeds door de Commissie goedgekeurde externe grensoverschrijdende Interreg-programma's worden beëindigd of de toewijzing aan de programma's wordt verminderd in overeenstemming met de van toepassing zijnde regels en procedures, in het bijzonder als:

a)  geen van de onder het respectieve Interreg-programma vallende partnerlanden de desbetreffende financieringsovereenkomst binnen de overeenkomstig artikel 57 vastgestelde termijnen heeft ondertekend;

b)  het in naar behoren gemotiveerde gevallen, wanneer het Interreg-programma niet kan worden uitgevoerd als gepland omdat zich tussen de deelnemende landen problemen hebben voorgedaan. [Am. 76]

In dat geval wordt de in lid 1 vermelde bijdrage uit het EFRO die overeenstemt met nog niet vastgelegde jaartranches, of jaartranches die zijn vastgelegd en die gedurende hetzelfde begrotingsjaar geheel of ten dele zijn vrijgemaakt, voor zover die niet is opnieuw is toegewezen aan een ander extern grensoverschrijdend Interreg-programma dat ook steun ontvangt uit respectievelijk het IPA III CBC of NDICI CBC, toegewezen aan de interne grensoverschrijdende Interreg-programma's waaraan die lidstaat/lidstaten deelneemt/deelnemen.

4.  Wat een reeds door de Commissie goedgekeurd Interreg-programma van component 2 betreft, wordt de deelname van een partnerland of van Groenland een LGO beëindigd, indien zich een van de situaties als bedoeld in lid 3, eerste alinea, onder a) en b), voordoet.

De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, de overige deelnemende partnerlanden verzoeken om een van de volgende elementen: [Am. 77]

a)  dat het Interreg-programma in zijn geheel wordt beëindigd, met name wanneer de belangrijkste gezamenlijke ontwikkelingsproblemen ervan niet kunnen worden verwezenlijkt zonder de deelname van die partner of Groenland dat LGO ; [Am. 78]

b)  dat de toewijzing voor dat Interreg-programma wordt verminderd, in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften en procedures;

c)  dat het Interreg-programma doorgaat zonder de deelname van het betrokken partnerland of van Groenland een LGO. [Am. 79]

Wanneer de toewijzing aan het Interreg-programma wordt verminderd overeenkomstig het bepaalde onder b) van de tweede alinea van dit lid, wordt de bijdrage uit het EFRO die overeenstemt met nog niet vastgelegde jaartranches, toegewezen aan een ander Interreg-programma van component 2 waaraan een of meer van de betrokken lidstaten deelneemt of, als een lidstaat enkel deelneemt aan één Interreg-programma van component 2, aan één of meer interne grensoverschrijdende Interreg-programma's waaraan die lidstaat deelneemt.

5.  De uit hoofde van dit artikel verlaagde bijdrage uit het IPA III, NDICI of OCTP wordt respectievelijk gebruikt overeenkomstig de Verordeningen (EU) [IPA III] of (EU) [NDICI] of Besluit [LGO] van de Raad.

6.  Wanneer een derde land, partnerland of een partnerland LGO dat met nationale middelen bijdraagt aan een Interreg-programma, waarbij het niet gaat om de nationale medefinanciering van steun uit het EFRO of uit een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie, deze bijdrage vermindert tijdens de uitvoering van het Interreg-programma, hetzij in het algemeen of in verband met gezamenlijke concrete acties die reeds zijn geselecteerd en na ontvangst van het document zoals bedoeld in artikel 22, lid 6, verzoeken de deelnemende lidstaat of lidstaten om één van de in lid 4, tweede alinea, van dit artikel vermelde opties. [Am. 80]

Artikel 13

Medefinancieringspercentages

Het medefinancieringspercentage op het niveau van elk Interreg-programma bedraagt niet meer dan 70 80 %, tenzij met betrekking tot externe grensoverschrijdende Interreg-programma's of Interreg-programma's van componenten component 3 een hoger percentage is vastgesteld in de Verordeningen (EU) [IPA III] of (EU) [NDICI] of Besluit (EU) [OCTP] van de Raad, of in elke handeling die op grond daarvan is vastgesteld. [Am. 81]

HOOFDSTUK II

Specifieke doelstellingen voor Interreg en thematische concentratie

Artikel 14

Specifieke doelstellingen voor Interreg

1.  Het EFRO, binnen zijn toepassingsgebied zoals neergelegd in artikel 4 van Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening], en, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie dragen bij tot de beleidsdoelstellingen die zijn vastgelegd in artikel [4, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], door middel van gezamenlijke acties in het kader van de Interreg-programma's.

2.  In geval van het Peace-Plus-programma, wanneer het optreedt ter ondersteuning van vrede en verzoening, levert het EFRO, als specifieke doelstelling onder beleidsdoelstelling 4, ook een bijdrage aan het bevorderen van de sociale, economische en regionale stabiliteit in de betrokken regio's, met name door maatregelen die de samenhang tussen gemeenschappen verbeteren. Die specifieke doelstelling wordt door een afzonderlijke prioriteit ondersteund.

3.  In aanvulling op de specifieke doelstellingen van het EFRO zoals vastgesteld in artikel [2] van Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening], kunnen dragen het EFRO en, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie als volgt bijdragen bij tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen in het kader van BD 4: [Am. 82]

a)  verbetering van de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid over de grenzen heen;

b)  verbetering van de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs, opleiding en een leven lang leren over de grenzen heen met het oog op de verhoging van het opleidingsniveau en de bijbehorende vaardigheidsniveaus die over de grenzen heen erkend moeten worden;

c)  verbetering van gelijke en tijdige toegang tot kwaliteitsvolle, duurzame en betaalbare gezondheidszorg over de grenzen heen;

d)  verbetering van de toegankelijkheid, de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels en de langdurige zorgverlening over de grenzen heen;

e)  bevordering van sociale insluiting en bestrijding van armoede, onder meer door bevordering van gelijke kansen en de bestrijding van discriminatie over de grenzen heen.

4.  In het kader van de componenten 1, 2 en 3 kunnen het EFRO en, indien toepasselijk, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie ook steun verlenen aan de specifieke doelstelling voor Interreg "een beter bestuur voor Interreg", met name door middel van de volgende acties:

a)  onder Interreg-programma's van component 1 en 2B: [Am. 83]

i)  versterking van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties, met name die welke belast zijn met het beheer van een bepaald gebied, en van de belanghebbenden;

ii)  verbetering van de efficiëntie van het openbaar bestuur door de bevordering van juridische en administratieve samenwerking en samenwerking tussen burgers, met inbegrip van people-to-people-projecten, het maatschappelijk middenveld en instellingen, met name om een oplossing te vinden voor juridische en andere obstakels in grensregio's; [Am. 84]

b)  onder Interreg-programma's van de componenten 1, 2 en 3: verbetering van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties en belanghebbenden bij de uitvoering van macroregionale en zeebekkenstrategieën;

c)  in het kader van de externe grensoverschrijdende Interreg-programma's en Interreg-programma's van component 2 en 3 die worden ondersteund door de Interreg-fondsen, in aanvulling op de punten a) en b): het opbouwen van wederzijds vertrouwen, met name door de bevordering van intermenselijke contacten, de verbetering van duurzame democratie en ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en hun rol bij hervormingsprocessen en democratische transities;

5.  In het kader van de externe grensoverschrijdende Interreg-programma's en Interreg-programma's van component 1, 2 en 3 verlenen kunnen het EFRO en, indien toepasselijk, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie ook steun verlenen aan de externe specifieke doelstelling voor Interreg "een veiliger, zekerder Europa", met name door acties op het gebied van het beheer van grensoverschrijdingen, mobiliteit en migratie, met inbegrip van de bescherming en economische en sociale integratie van migranten en vluchtelingen die internationale bescherming genieten. [Am. 85]

Artikel 15

Thematische concentratie

1.  Ten minste 60 % van de toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand aan elk Interreg-programma in het kader van de componenten 1, 2 en 3, wordt toegewezen aan maximaal drie van de beleidsdoelstellingen die zijn uiteengezet in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

2.  Een aanvullende Ten hoogste 15 % van de toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand aan elk Interreg-programma in het kader van de componenten 1, 2 en 3, wordt toegewezen aan de specifieke doelstelling voor Interreg "een beter bestuur voor Interreg" of en ten hoogste 10 % daarvan kan worden toegewezen aan de externe specifieke doelstelling voor Interreg "een veiliger, zekerder Europa". [Am. 86]

3.  Wanneer een Interreg-programma van component 1 of 2A een macroregionale strategie of zeegebiedstrategie ondersteunt, worden draagt ten minste 80 % van de totale toewijzingen van het EFRO en evenals, indien van toepassing, de totale een gedeelte van de toewijzingen van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen bij aan de doelstellingen van die strategie. [Am. 87]

4.  Wanneer een Interreg-programma van component 2B een macroregionale strategie of zeegebiedstrategie ondersteunt, wordt ten minste 70 % van de totale toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, de totale financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen aan de doelstellingen van die strategie. [Am. 88]

5.  Voor Interreg-programma's van component 4 worden de totale toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, de totale financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen aan de specifieke doelstelling voor Interreg "een beter bestuur voor Interreg".

Investeringen in interregionale innovatie

1.  De in artikel 9, lid 5 bis, bedoelde middelen worden toegewezen aan een nieuw initiatief inzake investeringen in interregionale innovatie dat bestemd is voor:

a)  de commercialisering en opschaling van gemeenschappelijke innovatieve projecten die de ontwikkeling van Europese waardeketens kunnen stimuleren;

b)  het samenbrengen van onderzoekers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden die betrokken zijn bij op nationaal of regionaal niveau vastgestelde strategieën voor slimme specialisatie en sociale innovatie;

c)  proefprojecten om nieuwe oplossingen voor ontwikkeling op regionaal en lokaal niveau vast te stellen of te testen die gebaseerd zijn op strategieën voor slimme specialisatie; of

d)  de uitwisseling van ervaringen met innovatie om de opgedane ervaring op het gebied van regionale of lokale ontwikkeling te kunnen benutten.

2.  Om het beginsel van Europese territoriale samenhang te handhaven, met een ongeveer gelijk aandeel van de financiële middelen, zijn deze investeringen gericht op het scheppen van banden tussen minder ontwikkelde regio's en leidende regio's door de capaciteit van regionale innovatieve ecosystemen in minder ontwikkelde regio's te vergroten om de bestaande of opkomende EU-waarde te integreren en te bevorderen, evenals de capaciteit om deel te nemen aan partnerschappen met andere regio's.

3.  De Commissie zorgt voor de uitvoering van die investeringen in direct of indirect beheer. Zij wordt ondersteund door een deskundigengroep bij de opstelling van een werkprogramma op lange termijn en daarmee verband houdende oproepen.

4.  Voor investeringen in interregionale innovatie wordt het gehele grondgebied van de Unie ondersteund door het EFRO. Derde landen mogen aan deze investeringen deelnemen, op voorwaarde dat zij een financiële bijdrage leveren in de vorm van externe bestemmingsontvangsten. [Am. 89]

HOOFDSTUK III

Programmering

Afdeling i

Voorbereiding, goedkeuring en wijziging van Interreg-programma's

Artikel 16

Voorbereiding en indiening van Interreg-programma's

1.  De doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)" wordt uitgevoerd via Interreg-programma's in gedeeld beheer, met uitzondering van programma's van component 3, die geheel of gedeeltelijk in indirect beheer kunnen worden uitgevoerd, en programma's na raadpleging van component 5 die in direct of indirect beheer worden uitgevoerd de belanghebbenden. [Am. 90]

2.  De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden, LGO's of LGO's organisaties voor regionale integratie en samenwerking stellen een Interreg-programma op overeenkomstig het model zoals vermeld in de bijlage voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027. [Am. 91]

3.  De deelnemende lidstaten bereiden een Interreg-programma voor in samenwerking met de programmapartners als bedoeld in artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]. Bij de voorbereiding van de Interreg-programma's die betrekking hebben op macroregionale of zeegebiedstrategieën houden de lidstaten en de programmapartners rekening met de thematische prioriteiten van de relevante macroregionale en zeegebiedstrategieën en raadplegen zij de relevante actoren. De lidstaten en de programmapartners zetten een mechanisme ex ante op om ervoor te zorgen dat alle actoren op macroregionaal niveau en op het niveau van de zeegebieden, programma-autoriteiten in het kader van Europese territoriale samenwerking, regio's en landen aan het begin van de programmeringsperiode worden samengebracht om gezamenlijk een besluit te nemen over de prioriteiten voor elk programma. Deze prioriteiten worden waar nodig afgestemd op de actieplannen voor macroregionale of zeegebiedstrategieën. [Am. 92]

De deelnemende derde landen, partnerlanden of LGO's betrekken, indien van toepassing, hier eveneens de programmapartners bij die gelijkwaardig zijn aan die waarnaar in dat artikel wordt verwezen.

4.  De lidstaat waar de kandidaat-beheersautoriteit gevestigd is, dient een Interreg-programma of meer Interreg-programma's uiterlijk [datum van inwerkingtreding plus negen twaalf maanden;] in bij de Commissie namens alle deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden, LGO's of LGO's organisaties voor regionale integratie en samenwerking. [Am. 93]

Een Interreg-programma dat steun wordt ondersteund door een extern financieringsinstrument van de Unie, wordt uiterlijk zes twaalf maanden na de goedkeuring door de Commissie van de desbetreffende strategische programmeringsdocumenten uit hoofde van artikel 10, lid 1, of indien dit vereist is uit hoofde van de respectieve basishandeling van een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, ingediend door de lidstaat waar de toekomstige beheersautoriteit gevestigd is. [Am. 94]

5.  De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO's bevestigen schriftelijk hun instemming met de inhoud van een Interreg-programma voordat het bij de Commissie wordt ingediend. Deze instemming omvat ook een verbintenis van alle deelnemende lidstaten en indien van toepassing, van derde landen, partnerlanden of LGO's, om de nodige medefinanciering voor de uitvoering van het Interreg-programma te verstrekken evenals, indien van toepassing, de toezegging voor een financiële bijdrage van de betreffende derde landen, partnerlanden of LGO's.

In afwijking van de eerste alinea worden voor Interreg-programma's waarbij ultraperifere gebieden en derde landen, partnerlanden of LGO's betrokken zijn, de respectieve derde landen, partnerlanden of LGO's door de betrokken lidstaten geraadpleegd voordat de Interreg-programma's bij de Commissie worden ingediend. In dit geval mag de instemming met de inhoud van de Interreg-programma's en de eventuele bijdrage van de derde landen, partnerlanden of LGO's ook worden vastgelegd in de formeel goedgekeurde notulen van de overlegvergaderingen met de derde landen, partnerlanden of LGO's of van de beraadslagingen van de regionale samenwerkingsorganisaties.

6.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 62 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlage te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de veranderingen die zich tijdens de programmeringsperiode voor niet-essentiële elementen daarvan voordoen.

Artikel 17

Inhoud van Interreg-programma's

1.  Elk Interreg-programma bevat een gezamenlijke strategie voor de bijdrage van het programma tot de in artikel [4, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] vastgestelde beleidsdoelstellingen en de in artikel 14, leden 4 en 5, van deze verordening vermelde specifieke doelstellingen voor Interreg en de mededeling van de resultaten ervan.

2.  Elk Interreg-programma bestaat uit prioriteiten.

Elke prioriteit komt overeen met een enkele beleidsdoelstelling of, indien van toepassing, met respectievelijk één of beide specifieke doelstellingen voor Interreg of met technische bijstand. Een prioriteit die overeenstemt met een beleidsdoelstelling of, indien van toepassing, met respectievelijk één of beide specifieke doelstellingen voor Interreg, bestaat uit een of meerdere specifieke doelstellingen. Meer dan één prioriteit kan overeenkomen met dezelfde beleidsdoelstelling of specifieke doelstelling voor Interreg.

3.  In naar behoren gemotiveerde gevallen en in overleg met de Commissie kan de De betrokken lidstaat kan besluiten tot de overdracht aan Interreg-programma's van tot [x] 20 % van het bedrag aan steun uit het EFRO dat is toegewezen aan het desbetreffende programma in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" voor dezelfde regio, teneinde de efficiëntie van de programma-uitvoering te vergroten en grootschaligere concrete acties te verwezenlijken. Elke lidstaat stelt de Commissie vooraf in kennis van zijn voornemen om gebruik te maken van de mogelijkheid tot overdracht en zet voor de Commissie de redenen voor zijn besluit uiteen. Het overgemaakte bedrag vormt een afzonderlijke prioriteit of afzonderlijke prioriteiten. [Am. 95]

4.  Voor elk Interreg-programma wordt het volgende vastgesteld:

a)  het programmagebied (met inbegrip van een kaart daarvan als een afzonderlijk document);

b)  een samenvatting van de voornaamste gemeenschappelijke problemen, met name rekening houdend met: [Am. 96]

i)  economische, sociale en territoriale verschillen;

ii)  gemeenschappelijke investeringsbehoeften en complementariteit met andere vormen van steun en te verwezenlijken potentiële synergieën; [Am. 97]

iii)  lessen uit ervaringen uit het verleden en de wijze waarop zij in het programma in aanmerking zijn genomen; [Am. 98]

iv)  macroregionale strategieën en zeegebiedstrategieën, indien het programmagebied als geheel of gedeeltelijk door één of meer strategieën wordt gedekt;

c)  een motivering voor de geselecteerde beleidsdoelstellingen en specifieke doelstellingen voor Interreg, bijbehorende prioriteiten, specifieke doelstellingen en de vormen van steun bijbehorende prioriteiten, waarbij indien nodig ontbrekende schakels in de grensoverschrijdende infrastructuur worden aangepakt; [Am. 99]

d)  voor elke prioriteit, behalve voor technische bijstand, specifieke doelstellingen;

e)  voor elke specifieke doelstelling:

i)  de gerelateerde actietypes, met inbegrip van een lijst met geplande concrete acties die van strategisch belang zijn, en hun bijdrage aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale en zeegebiedstrategieën, indien van toepassing, respectievelijk de reeks criteria en de overeenkomstige transparante selectiecriteria voor een dergelijke concrete actie; [Am. 100]

ii)  outputindicatoren en resultaatindicatoren met de bijbehorende mijlpalen en streefdoelen;

iii)  de voornaamste doelgroepen; [Am. 101]

iv)  beoogde specifieke grondgebieden, met inbegrip van het geplande gebruik van geïntegreerde territoriale investeringen, vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling of andere territoriale instrumenten;

v)  het voorgenomen gebruik van financieringsinstrumenten; [Am. 102]

vi)  indicatieve verdeling van de geprogrammeerde middelen per interventietype;

f)  voor de prioriteit ten aanzien van technische bijstand, het geplande gebruik overeenkomstig de artikelen [30], [31] en [32] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en de desbetreffende interventietypes;

g)  een financieringsplan dat de volgende tabellen bevat (zonder verdeling per deelnemende lidstaat, derde land, partnerland of LGO, tenzij anders vermeld):

i)  een tabel met de totale financiële toewijzingen voor het EFRO en, indien van toepassing, voor elk financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie voor de gehele programmeringsperiode en per jaar;

ii)  een tabel met de totale financiële toewijzingen voor elke prioriteit uit het EFRO en, indien van toepassing, voor elk financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie per prioriteit, de nationale medefinanciering en of de nationale medefinanciering is samengesteld uit publieke en private bijdragen;

h)  de maatregelen die zijn getroffen om de in artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] bedoelde relevante programmapartners te betrekken bij de voorbereiding van het Interreg-programma en de rol van die programmapartners bij de uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van dat programma;

i)  de voorziene aanpak van de communicatie en zichtbaarheid van het Interreg-programma door het vaststellen van de doelstellingen, het doelpubliek, de communicatiekanalen, de communicatieactiviteiten op sociale media, de geplande begroting en de relevante indicatoren voor toezicht en evaluatie.

5.  De in lid 4 bedoelde informatie wordt als volgt verstrekt:

a)  met betrekking tot de onder g) bedoelde tabellen en wat betreft de steun uit financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, worden die fondsen als volgt opgezet:

i)  voor externe grensoverschrijdende Interreg-programma's die worden ondersteund door het IPA III en het NDICI, als één bedrag ("IPA III CBC" of "nabuurschap CBC"), waarbij de bijdragen van [Rubriek 2 Cohesie en waarden, subplafond Economische, sociale en territoriale samenhang] en [Rubriek 6 Nabuurschap en internationaal beleid] worden gecombineerd);

ii)  voor Interreg-programma's van de component 2 en 4 die worden ondersteund door het IPA III, NDICI of OCTP, als één bedrag ("Interreg-fondsen"), waarbij de bijdragen uit [Rubriek 2] en [Rubriek 6] worden gecombineerd, of uitgesplitst per financieringsinstrument "EFRO", "IPA III", "NDICI" en "OCTP", overeenkomstig de keuze van de programmapartners;

iii)  voor Interreg-programma's van component 2 die worden ondersteund door het OCTP, uitgesplitst naar financieringsinstrument ("EFRO" en "OCTP Groenland" "OCTP"); [Am. 103]

iv)  voor Interreg-programma's van component 3 die worden ondersteund door het NDICI, uitgesplitst naar financieringsinstrument ("EFRO", "NDICI" en "OCTP", naargelang van het geval).

b)  de in lid 4, onder g), ii), bedoelde tabel bevat enkel de bedragen voor de jaren 2021 tot en met 2025. [Am. 104]

6.  Met betrekking tot lid 4, onder e), vi), en onder f), worden de interventietypes gebaseerd op een nomenclatuur die is opgenomen in bijlage [I] bij Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

7.  Het Interreg-programma moet:

a)  de beheersautoriteit, de auditautoriteit en de instantie waaraan de Commissie de betalingen verricht, identificeren;

b)  de procedure voor het instellen van het gezamenlijke secretariaat vastleggen alsook, indien van toepassing, de ondersteunende beheersstructuren in de lidstaten of derde landen; [Am. 105]

c)  de verdeling van de aansprakelijkheden onder de deelnemende lidstaten, en indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO's vaststellen in het geval van financiële correcties die door de beheersautoriteit of de Commissie worden opgelegd.

8.  De beheersautoriteit brengt de Commissie op de hoogte van elke verandering in de in lid 7, onder a), bedoelde informatie waarvoor geen programmawijziging nodig is.

9.  In afwijking van lid 4 wordt de inhoud van Interreg-programma's van component 4 aangepast aan het specifieke karakter van die Interreg-programma's, met name als volgt:

a)  de onder a) bedoelde informatie is niet vereist;

b)  de onder b) tot en met h) vereiste informatie wordt in de vorm van een kort overzicht verstrekt;

c)  voor elke specifieke doelstelling in het kader van andere prioriteiten dan technische bijstand worden de volgende gegevens verstrekt:

i)  de vastlegging van één enkele begunstigde of een beperkte lijst van begunstigden en de toekenningsprocedure;

ii)  gerelateerde actietypes en de verwachte bijdrage daarvan aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen;

iii)  outputindicatoren en resultaatindicatoren met de bijbehorende mijlpalen en streefdoelen;

iv)  de voornaamste doelgroepen;

v)  een indicatieve verdeling van de geprogrammeerde middelen per interventietype.

Artikel 18

Goedkeuring van Interreg-programma's

1.  De Commissie beoordeelt volledig transparant elk Interreg-programma en de mate waarin het Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], Verordening (EU) [EFRO] en deze verordening nakomt en, in het geval van steun uit een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie en, indien van toepassing, de samenhang ervan met het in artikel 10, lid 1, van deze verordening bedoelde meerjarig strategiedocument of het desbetreffende strategische programmeringskader uit hoofde van het de respectieve basishandeling van één of meer van die instrumenten. [Am. 106]

2.  De Commissie kan binnen drie maanden na de datum waarop het Interreg-programma is ingediend door de lidstaat waar de toekomstige beheersautoriteit gevestigd is, opmerkingen formuleren.

3.  Deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden, LGO's of LGO's organisaties voor regionale integratie en samenwerking evalueren het Interreg-programma, rekening houdend met de opmerkingen van de Commissie. [Am. 107]

4.  De Commissie stelt uiterlijk zes drie maanden na indiening van de herziene versie van elk Interreg-programma door de lidstaat waar de toekomstige beheersautoriteit gevestigd is, door middel van een uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van het programma vast. [Am. 108]

5.  Met betrekking tot externe grensoverschrijdende Interreg-programma's keurt de Commissie haar besluiten uit hoofde van lid 4 goed na raadpleging van het in overeenstemming met artikel [16] van Verordening (EU) [IPA III] opgerichte "IPA III-Comité" en van het in overeenstemming met artikel [36] van Verordening (EU) [NDICI] opgerichte "comité van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking".

Artikel 19

Wijziging van Interreg-programma's

1.  De Na raadpleging van de lokale en regionale autoriteiten en in overeenstemming met artikel 6 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], kan de lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is, kan een gemotiveerd verzoek tot wijziging van een Interreg-programma indienen samen met het gewijzigde programma waarin wordt uiteengezet wat het verwachte effect van die wijziging op de verwezenlijking van de doelstellingen is. [Am. 109]

2.  De Commissie beoordeelt de mate waarin de wijziging Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], Verordening (EU) [EFRO] en deze verordening nakomt en kan binnen drie maanden een maand na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren. [Am. 110]

3.  Deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden, LGO's of LGO's organisaties voor regionale integratie en samenwerking evalueren het gewijzigde programma, rekening houdend met de opmerkingen van de Commissie. [Am. 111]

4.  De Commissie keurt de wijziging van een Interreg-programma uiterlijk zes drie maanden na de indiening ervan door de lidstaat, goed. [Am. 112]

5.  Na raadpleging van de lidstaat lokale en regionale autoriteiten en in overeenstemming met artikel 6 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], kan de lidstaat tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 5 10 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 3 5 % van de programmabegroting overdragen naar een andere prioriteit van hetzelfde Interreg-programma. [Am. 113]

Dergelijke overdrachten hebben geen gevolgen voor de voorgaande jaren.

Zij worden beschouwd als niet-ingrijpend en vergen geen besluit van de Commissie tot wijziging van het Interreg-programma. Zij moeten echter wel voldoen aan alle regelgeving. De beheersautoriteit dient bij de Commissie de in artikel 17, lid 4, onder g), ii), bedoelde herziene tabel in.

6.  Voor het corrigeren van tikfouten of louter redactionele wijzigingen die de uitvoering van het Interreg-programma niet beïnvloeden, is geen goedkeuring van de Commissie vereist. De beheersautoriteit stelt de Commissie van dergelijke correcties in kennis.

Afdeling ii

Territoriale ontwikkeling

Artikel 20

Geïntegreerde territoriale ontwikkeling

Voor de Interreg-programma's zijn de desbetreffende stedelijke, lokale of andere territoriale autoriteiten of instanties die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van territoriale of lokale ontwikkelingsstrategieën, als bedoeld in artikel [22] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en/of verantwoordelijk zijn voor de selectie van de in het kader van deze strategieën als bedoeld in artikel [23, lid 4,] van die verordening te ondersteunen concrete acties, hetzij grensoverschrijdende juridische entiteiten of EGTS.

Een grensoverschrijdende juridische entiteit of een EGTS die een geïntegreerde territoriale investering als bedoeld in artikel 24 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] of een ander territoriaal instrument op grond van artikel [22], onder c), van die verordening uitvoert, kan eveneens de enige begunstigde overeenkomstig artikel 23, lid 5, van deze verordening zijn, mits er sprake is van een scheiding van functies binnen de grensoverschrijdende juridische entiteit of de EGTS.

Artikel 21

Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling

Interreg-programma's kunnen vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling ("CLLD") uit hoofde van artikel [22], onder b), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] omvatten, mits de desbetreffende plaatselijke actiegroepen zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de publieke en private lokale sociaaleconomische belangen, waarbij niet één belangengroep alleen de controle heeft over de besluitvorming, en ten minste twee deelnemende landen waarvan er één een lidstaat is.

Afdeling iii

Concrete acties en fondsen voor kleinschalige projecten

Artikel 22

Selectie van concrete acties in het kader van Interreg

1.  Concrete acties in het kader van Interreg worden door een overeenkomstig artikel 27 opgericht toezichtcomité geselecteerd in overeenstemming met de strategie en doelstellingen van het programma.

Dat toezichtcomité kan voor de selectie van concrete acties één of, met name in het geval van subprogramma's, meerdere directiecomités oprichten, die optreden onder zijn verantwoordelijkheid. Directiecomités passen het partnerschapsbeginsel van artikel 6 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] toe en betrekken partners uit alle deelnemende lidstaten. [Am. 114]

Wanneer een concrete actie geheel of gedeeltelijk buiten het programmagebied wordt uitgevoerd [binnen of buiten de Unie], is voor de selectie van die concrete actie de uitdrukkelijke goedkeuring van de beheersautoriteit in het toezichtcomité of, indien van toepassing, in het directiecomité vereist.

2.  Voor de selectie van concrete acties moet het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité criteria en procedures vaststellen en toepassen die niet-discriminerend en transparant zijn, gendergelijkheid waarborgen en rekening houden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van duurzame ontwikkeling en van het beleid van de Unie op milieugebied overeenkomstig artikel 11 en artikel 191, lid 1, VWEU.

De criteria en procedures waarborgen de prioritering van de te selecteren concrete acties teneinde ervoor te zorgen dat de bijdrage uit de middelen van de Unie financiering van de Unie optimaal bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het Interreg-programma en de uitvoering van de samenwerkingscomponent van de concrete acties in het kader van de Interreg-programma's, als bedoeld in artikel 23, leden 1 en 4.

3.  De beheersautoriteit raadpleegt stelt de Commissie en houdt rekening met haar opmerkingen in kennis voorafgaand aan de eerste indiening van de selectiecriteria bij het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité. Hetzelfde geldt voor eventuele latere wijzigingen van deze criteria. [Am. 115]

4.  Bij de selectie van de concrete acties heeft Voor het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité de concrete acties selecteert, heeft de beheersautoriteit de volgende taken: [Am. 116]

a)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties in overeenstemming zijn met het Interreg-programma en op effectieve wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen ervan;

b)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties niet in strijd zijn met de desbetreffende strategieën die overeenkomstig artikel 10, lid 1, zijn vastgesteld of de strategieën die zijn vastgesteld voor een of meer van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie;

c)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties de beste verhouding tussen het steunbedrag, de uitgevoerde activiteiten en de verwezenlijking van doelstellingen vertegenwoordigen;

d)  verifiëren dat de begunstigde de nodige financiële middelen en instrumenten heeft om de exploitatie- en onderhoudskosten te dekken;

e)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad(25) vallen, worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling of een screeningprocedure overeenkomstig de voorschriften van die richtlijn zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad(26).

f)  verifiëren dat er voldaan is aan het toepasselijke recht indien de concrete acties zijn begonnen vóór de indiening van een financieringsaanvraag bij de beheersautoriteit;

g)  waarborgen dat een geselecteerde concrete actie binnen het toepassingsgebied van het betrokken Interreg-fonds valt en aan een interventietype wordt toegewezen;

h)  waarborgen dat concrete acties geen activiteiten omvatten die deel uitmaakten van een concrete actie waarvoor een verplaatsing in overeenstemming met artikel [60] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] gold of die zouden neerkomen op een overdracht van een productieve activiteit overeenkomstig [artikel 59, lid 1, onder a),] van die verordening.

i)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties niet worden beïnvloed door een met redenen omkleed advies van de Commissie met betrekking tot een inbreukprocedure overeenkomstig artikel 258 van het VWEU dat de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven of de uitvoering van concrete acties in gevaar brengt;

j)  de klimaatbestendigheid waarborgen van investeringen in infrastructuur met een verwachte levensduur van ten minste vijf jaar.

5.  Het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité keurt de voor de selectie van concrete acties in het kader van Interreg gebruikte methoden en criteria goed, met inbegrip van eventuele wijzigingen daarvan, onverminderd [artikel 27, lid 3, onder b),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] betreffende de CLLD en artikel 24 van deze verordening.

6.  Voor elke concrete actie in het kader van Interreg verstrekt de beheersautoriteit de eerstverantwoordelijke of enige partner een document waarin de voorwaarden voor steun voor de actie zijn vermeld, met inbegrip van de specifieke vereisten betreffende de producten of diensten die moeten worden geleverd, het financieringsplan, de uitvoeringstermijn en, indien van toepassing, de toe te passen methode voor de vaststelling van de kosten van de concrete actie en de voorwaarden voor betaling van de subsidie.

In dit document worden eveneens de verplichtingen van de eerstverantwoordelijke partner met betrekking tot terugvorderingen op grond van artikel 50 vastgesteld. Deze verplichtingen De procedures in verband met terugvorderingen worden vastgesteld en overeengekomen door het toezichtcomité. Een eerstverantwoordelijke partner die is gevestigd in een andere lidstaat, derde land, partnerland of LGO, dan de partner is niet verplicht om door middel van een gerechtelijke procedure terug te vorderen. [Am. 117]

Artikel 23

Partnerschap binnen concrete acties in het kader van Interreg

1.  Bij concrete acties die in het kader van de componenten 1, 2 en 3 worden geselecteerd, zijn actoren uit ten minste twee deelnemende landen of LGO's betrokken, waarvan er ten minste één begunstigde uit een lidstaat afkomstig is. [Am. 118]

Begunstigden van steun uit hoofde van een Interreg-fonds en partners die geen financiële steun ontvangen uit hoofde van die fondsen (begunstigden en partners samen: "partners") vormen een partnerschap binnen concrete acties in het kader van Interreg.

2.  Een concrete actie in het kader van Interreg kan in één land of LGO's worden uitgevoerd, mits de gevolgen voor en de voordelen van het programmagebied zijn vastgesteld in de aanvraag voor de concrete actie. [Am. 119]

3.  Lid 1 is niet van toepassing op concrete acties in het kader van het grensoverschrijdend Peace-plus-programma wanneer het optreedt ter ondersteuning van vrede en verzoening.

4.  De partners werken samen bij de ontwikkeling, en uitvoering en financiering van concrete acties in het kader van en Interreg, evenals bij de personeelsvoorziening voor concrete acties in het kader van Interreg daarvoor en/of financiering daarvan. Er wordt getracht het aantal partners voor elke concrete actie in het kader van Interreg te beperken tot maximaal tien. [Am. 120]

Voor concrete acties in het kader van Interreg-programma's van component 3 moeten de partners uit ultraperifere regio's en derde landen, partnerlanden of LGO slechts voor drie twee van de vier in de eerste alinea vermelde aspecten samenwerken. [Am. 121]

5.  Als er twee of meer partners zijn, wordt één van hen door de gezamenlijke partners aangewezen als eerstverantwoordelijke partner.

6.  Een grensoverschrijdende juridische entiteit of EGTS kan de enige partner zijn van een concrete actie in het kader van een Interreg-programma van de componenten 1, 2 en 3 zijn, mits de leden daarvan bestaan uit partners uit ten minste twee deelnemende landen of LGO's. [Am. 122]

De grensoverschrijdende juridische entiteit of EGTS bestaat uit leden uit ten minste drie deelnemende landen in het kader van een Interreg-programma van component 4.

Een juridische entiteit die een financieringsinstrument of, indien van toepassing, een fonds van fondsen uitvoert, kan de enige begunstigde van een concrete actie in het kader van Interreg zijn zonder toepassing van de in lid 1 vermelde vereisten inzake de samenstelling ervan.

7.  Een enige partner is geregistreerd in een lidstaat die deelneemt aan het Interreg-programma.

Een enige partner kan evenwel geregistreerd zijn in een lidstaat die niet aan dat programma deelneemt, mits aan de voorwaarden van artikel 23, wordt voldaan. [Am. 123]

Artikel 24

Fonds voor kleinschalige projecten

1.  De totale bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie aan een fonds of meer fondsen voor kleinschalige projecten in het kader van een Interreg-programma mag niet meer bedragen dan 20 000 000 EUR of, als dat minder is, 15 % van de totale toewijzing aan het Interreg-programma en bedraagt in het kader van een Interreg-programma voor grensoverschrijdende samenwerking ten minste 3 % van de totale toewijzing aan het Interreg-programma. [Am. 124]

De eindontvangers van een fonds voor kleinschalige projecten ontvangen steun uit het EFRO, of indien van toepassing, uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie via de begunstigde en voeren de kleinschalige projecten uit binnen dat fonds voor kleinschalige projecten ("kleinschalige project").

2.  De begunstigde van een fonds voor kleinschalige projecten is een grensoverschrijdende juridische publiek- of privaatrechtelijke instantie, een entiteit met of zonder rechtspersoonlijkheid of een EGTS natuurlijke persoon, die verantwoordelijk is voor het opzetten of het opzetten en uitvoeren van concrete acties. [Am. 125]

3.  In het document waarin de voorwaarden voor de steun aan een fonds voor kleinschalige projecten worden, naast de in artikel 22, lid 6 neergelegde elementen, de elementen vastgesteld die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de begunstigde:

a)  een niet-discriminerende en transparante selectieprocedure vaststelt;

b)  objectieve criteria voor de selectie van kleinschalige projecten toepast, waarbij belangenconflicten worden vermeden;

c)  steunaanvragen beoordeelt;

d)  projecten selecteert en het steunbedrag voor elk kleinschalig project vaststelt;

e)  verantwoordelijk is voor de uitvoering van de concrete actie en op zijn niveau alle bewijsstukken bewaart die nodig zijn voor het auditspoor overeenkomstig bijlage [XI] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening];

f)  de lijst van de eindontvangers die profiteren van de concrete actie, bekendmaakt.

De begunstigde zorgt ervoor dat de eindontvangers voldoen aan de in artikel 35 vastgestelde vereisten.

4.  De selectie van kleine projecten wordt niet beschouwd als het delegeren van taken door de beheersautoriteit aan een intermediaire instantie als bedoeld in artikel [65, lid 3,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

5.  Personeelskosten en andere directe kosten die overeenstemmen met de kostencategorieën van de artikelen 39 tot en met 42, evenals indirecte kosten die op het niveau van de begunstigde worden gemaakt voor het beheer van het fonds of de fondsen voor kleinschalige projecten, bedragen ten hoogste 20 % van de totale subsidiabele kosten van het respectieve fonds of de respectieve fondsen voor kleinschalige projecten. [Am. 126]

6.  Wanneer de overheidsbijdrage aan een klein project niet meer bedraagt dan 100 000 EUR, bestaat de bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie uit eenheidskosten of vaste bedragen of bevat deze vaste percentages, behalve voor projecten waarvoor de steun staatssteun vormt. [Am. 127]

Wanneer de totale kosten van elke concrete actie niet meer bedragen dan 100 000 EUR, kan het steunbedrag voor een of meer kleinschalige projecten worden vastgesteld op basis van een ontwerpbegroting, die per geval wordt opgesteld en vooraf wordt goedgekeurd door de instantie die de concrete actie selecteert. [Am. 128]

Indien er gebruik wordt gemaakt van financiering volgens een vast percentage, mogen de kostencategorieën waarop de vaste percentages van toepassing zijn, worden terugbetaald in overeenstemming met [artikel 48, lid 1, onder a),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

Artikel 25

Taken van de eerstverantwoordelijke partner

1.  De eerstverantwoordelijke partner:

a)  stelt de regelingen met de andere partners vast in een overeenkomst waarin onder meer bepalingen zijn opgenomen die een goed financieel beheer garanderen van de respectieve Uniemiddelen die zijn toegewezen aan de concrete actie in het kader van Interreg, met inbegrip van regelingen voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen;

b)  neemt de verantwoordelijkheid op zich om de uitvoering van de gehele concrete actie in het kader van Interreg te garanderen;

c)  garandeert dat de door alle partners gedeclareerde uitgaven zijn gedaan voor de uitvoering van de concrete actie in het kader van Interreg en overeenkomen met de tussen alle partners overeengekomen activiteiten en in overeenstemming zijn met het document dat door de beheersautoriteit is verstrekt ingevolge artikel 22, lid 6.

2.  Tenzij anders bepaald in regelingen die zijn vastgelegd overeenkomstig lid 1, onder a), ziet de eerstverantwoordelijke partner erop toe dat de andere partners het totale bedrag van de bijdragen van het respectieve EU-fonds zo spoedig mogelijk integraal ontvangen binnen de door alle partners overeengekomen termijn en integraal ontvangen volgens dezelfde procedure als die welke voor de eerstverantwoordelijke partner geldt. Er mogen geen bedragen in mindering worden gebracht of worden ingehouden, noch specifieke heffingen of andere heffingen met gelijke werking worden toegepast waardoor die bedragen voor de andere partners worden verminderd. [Am. 129]

3.  Een begunstigde in een aan een Interreg-programma deelnemend(e) deelnemende lidstaat, derde land, partnerland of LGO kan worden aangewezen als de eerstverantwoordelijke partner. [Am. 130]

De aan een Interreg-programma deelnemende lidstaten, derde landen, partnerlanden of LGO's kunnen overeenkomen dat een partner die geen steun ontvangt uit het EFRO of financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, kan worden aangewezen als eerstverantwoordelijke partner. [Am. 131]

Afdeling iv

Technische bijstand

Artikel 26

Technische bijstand

1.  Technische bijstand voor elk Interreg-programma wordt vergoed volgens een vast percentage door de in lid 2 vermelde percentages op de jaarlijkse gedeelten van de voorfinanciering krachtens artikel 49, lid 2, onder a) en b), van deze verordening toe te passen voor 2021 en 2022 en vervolgens op de subsidiabele uitgaven die in iedere betalingsaanvraag zijn opgenomen krachtens [artikel 85, lid 3, onder a) of onder c),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] voor de volgende jaren, in voorkomend geval. [Am. 132]

2.  Het percentage dat uit het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie wordt vergoed voor technische bijstand, is als volgt:

a)  voor interne Interreg-programma's voor grensoverschrijdende samenwerking die worden gesteund door het EFRO: 6 7 %; [Am. 133]

b)  voor externe grensoverschrijdende Interreg-programma's die worden gesteund door het IPA III CBC of NDICI CBC: 10 %;

c)  voor Interreg-programma's van component 2, 3 en 4 voor zowel het EFRO als, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie: 7 8 %. [Am. 134]

3.  Voor Interreg-programma's met een totale toewijzing van 30 000 000 EUR tot 50 000 000 EUR wordt het bedrag dat resulteert uit het percentage voor technische bijstand, verhoogd met een aanvullend bedrag van 500 000 EUR. De Commissie voegt dat bedrag toe aan de eerste tussentijdse betaling.

4.  Voor Interreg-programma's met een totale toewijzing van minder dan 30 000 000 EUR worden het in EUR uitgedrukte bedrag dat nodig is voor technische bijstand, en het daaruit resulterende percentage vastgesteld in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het betrokken Interreg-programma.

HOOFDSTUK IV

Toezicht, evaluatie en communicatie

Afdeling i

Toezicht

Artikel 27

Toezichtcomité

1.  De lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden, LGO's of organisaties voor regionale integratie en LGO's samenwerking die deelnemen aan dat programma, richten binnen drie maanden na de datum van kennisgeving aan de lidstaat van het besluit van de Commissie tot vaststelling van een Interreg-programma, in overleg met de beheersautoriteit een comité op dat toezicht houdt op de uitvoering van het Interreg-programma ("toezichtcomité"), [Am. 135]

2.  Het toezichtcomité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is, of van de beheersautoriteit.

Wanneer in het reglement van orde van het toezichtcomité een roulerend voorzitterschap is vastgesteld, wordt het toezichtcomité voorgezeten door een vertegenwoordiger van een derde land, partnerland of LGO, en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat of van de beheersautoriteit, en vice versa. [Am. 136]

3.  Elk lid van het toezichtcomité heeft het recht om te stemmen.

4.  Elk toezichtcomité stelt zijn reglement van orde tijdens zijn eerste vergadering vast.

Het reglement van orde van het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité voorkomt belangenconflicten bij de selectie van concrete acties in het kader van Interreg.

5.  Het toezichtcomité vergadert ten minste een keer per jaar en evalueert alle vraagstukken die invloed hebben op de vooruitgang die wordt geboekt bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.

6.  De beheersautoriteit publiceert het reglement van orde van het toezichtcomité, en alle de samenvatting van gegevens en informatie evenals alle besluiten die met het comité worden gedeeld op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website. [Am. 137]

Artikel 28

Samenstelling van het toezichtcomité

1.  De samenstelling van het toezichtcomité van elk Interreg-programma wordt kan worden overeengekomen door de lidstaten en, indien van toepassing, door de aan dat programma deelnemende derde landen, partnerlanden en LGO's, waarbij wordt gezorgd voor gestreefd naar een evenwichtige vertegenwoordiging van de relevante autoriteiten, intermediaire instanties en vertegenwoordigers van de programmapartners zoals bedoeld in artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] uit de lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO's. [Am. 138]

Bij de samenstelling van het toezichtcomité wordt rekening gehouden met het aantal deelnemende lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO's in het betrokken Interreg-programma. [Am. 139]

Het toezichtcomité omvat ook vertegenwoordigers van regionale en lokale overheden evenals andere instanties die gezamenlijk zijn opgericht in het hele programmagebied of die een deel daarvan bestrijken, met inbegrip van EGTS. [Am. 140]

2.  De beheersautoriteit publiceert de ledenlijst een lijst van de autoriteiten of instanties die zijn aangewezen als leden van het toezichtcomité op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website. [Am. 141]

3.  Vertegenwoordigers van de Commissie nemen kunnen met raadgevende stem deel deelnemen aan de werkzaamheden van het toezichtcomité. [Am. 142]

3 bis.  Vertegenwoordigers van instanties die zijn opgericht in het hele programmagebied of die een deel daarvan bestrijken, met inbegrip van EGTS, kunnen met raadgevende stem deelnemen aan de werkzaamheden van het toezichtcomité. [Am. 143]

Artikel 29

Functies van het toezichtcomité

1.  Het toezichtcomité onderzoekt:

a)  de vooruitgang die is geboekt bij het uitvoeren van het programma en het bereiken van de mijlpalen en streefdoelen van het Interreg-programma;

b)  vraagstukken die van invloed zijn op de prestaties van het Interreg-programma en de genomen maatregelen;

c)  met betrekking tot financieringsinstrumenten, de in artikel [52, lid 3,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] opgesomde elementen van de ex-antebeoordeling en het in artikel 53, lid 2, van die verordening bedoelde strategiedocument;

d)  de vooruitgang bij de uitvoering van de evaluaties, de samenvattingen van evaluaties en het vervolg dat aan de bevindingen is gegeven;

e)  de uitvoering van acties op het gebied van communicatie en zichtbaarheid;

f)  de voortgang bij de uitvoering van concrete acties in het kader van Interreg die van strategisch belang zijn en, indien van toepassing, van grote infrastructuurprojecten;

g)  de vooruitgang bij de capaciteitsopbouw voor overheidsinstanties en begunstigden, indien van toepassing , waarbij het indien noodzakelijk verdere ondersteunende maatregelen voorstelt. [Am. 144]

2.  In aanvulling op de taken betreffende de selectie van concrete acties als bedoeld in artikel 22, hecht het toezichtcomité zijn goedkeuring aan:

a)  de methoden en de criteria die worden gebruikt voor de selectie van concrete acties, met inbegrip van veranderingen daaraan, na overleg met kennisgeving aan de Commissie in overeenstemming met artikel 22, lid 2, van deze verordening, onverminderd [artikel 27, lid 3, onder b), c) en d)], van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]; [Am. 145]

b)  het evaluatieplan en eventuele wijzigingen daarvan;

c)  een voorstel van de beheersautoriteit tot wijziging van een Interreg-programma, met inbegrip van voorstellen voor een overdracht in overeenstemming met artikel 19, lid 5;

d)  een eindverslag over de prestaties.

Artikel 30

Evaluatie

1.  De Commissie kan een evaluatie organiseren om de prestaties van de Interreg-programma’s te onderzoeken.

De evaluatie kan schriftelijk worden uitgevoerd.

2.  Op verzoek van de Commissie verstrekt de beheersautoriteit binnen één maand drie maanden de informatie over de in artikel 29, lid 1, genoemde elementen aan de Commissie: [Am. 146]

a)  de vooruitgang die is geboekt bij het uitvoeren van het programma en het bereiken van de mijlpalen en streefdoelen, eventuele vraagstukken die van invloed zijn op de prestaties van het respectieve Interreg-programma en de maatregelen die zijn genomen om deze aan te pakken;

b)  de vooruitgang bij de uitvoering van de evaluaties, de samenvattingen van evaluaties en het vervolg dat aan de bevindingen is gegeven;

c)  de vooruitgang bij de capaciteitsopbouw voor overheidsinstanties en begunstigden.

3.  Het resultaat van de evaluatie wordt vastgelegd in overeengekomen notulen.

4.  De beheersautoriteit geeft gevolg aan door de Commissie aangehaalde kwesties en stelt de Commissie binnen drie maanden in kennis van de getroffen maatregelen.

Artikel 31

Indiening van gegevens

1.  Elke beheersautoriteit dient bij de Commissie uiterlijk op 31 januari, 31 maart, 31 mei, 31 juli, en 30 september en 30 november van elk jaar de cumulatieve gegevens voor het respectieve Interreg-programma elektronisch in bij de Commissie overeenkomstig artikel 31, lid 2, onder a), van deze verordening, evenals een maal per jaar de gegevens overeenkomstig artikel 31, lid 2, onder b), van deze verordening op basis van het in bijlage [VII] bij Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] opgenomen model. [Am. 147]

De gegevens worden ingediend met behulp van de bestaande systemen voor gegevensrapportage, voor zover die systemen in de vorige programmeringsperiode betrouwbaar zijn gebleken. [Am. 148]

De gegevens worden uiterlijk op 31 januari 2022 voor het eerst ingediend en uiterlijk op 31 januari 2030 voor het laatst.

2.  De in lid 1 bedoelde gegevens worden voor elke prioriteit opgesplitst per specifieke doelstelling en hebben betrekking op:

a)  het aantal geselecteerde concrete acties in het kader van Interreg, de totale subsidiabele kosten ervan, de bijdrage van de respectieve Interreg-fondsen en het totaal van de door de partners aan de beheersautoriteit gedeclareerde subsidiabele uitgaven, steeds opgesplitst per interventietype;

b)  de waarden van de output- en resultaatindicatoren voor de geselecteerde concrete acties in het kader van Interreg en de door de afgeronde concrete acties in het kader van Interreg bereikte waarden. [Am. 149]

3.  Voor financieringsinstrumenten worden ook gegevens versterkt over:

a)  subsidiabele uitgaven per type financieel product;

b)  het bedrag van als subsidiabele uitgaven gedeclareerde beheerskosten en -vergoedingen;

c)  het bedrag, per type financieel product, van particuliere en overheidsmiddelen die in aanvulling op de fondsen zijn gemobiliseerd;

d)  rente en andere voordelen die voortvloeien uit de steun van de Interreg-fondsen aan de in artikel 54 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] bedoelde financieringsinstrumenten en de teruggevloeide middelen die zijn toe te rekenen aan steun uit de Interreg-fondsen als bedoeld in artikel 56.

4.  De gegevens die in overeenstemming met dit artikel worden ingediend, zijn bijgewerkt tot het einde van de maand die voorafgaand aan de maand waarin zij worden ingediend.

5.  De beheersautoriteit publiceert alle aan de Commissie verstrekte gegevens op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website.

Artikel 32

Eindverslag over de prestaties

1.  Elke beheersautoriteit dient uiterlijk op 15 februari 2031 een eindverslag over de prestaties van het respectieve Interreg-programma bij de Commissie in.

Het eindverslag over de prestaties wordt ingediend aan de hand van het model dat overeenkomstig artikel [38, lid 5,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] is opgesteld.

2.  In het eindverslag over de prestaties wordt beoordeeld in hoeverre de programmadoelstellingen zijn bereikt op basis van de in artikel 29 genoemde elementen, met uitzondering van lid 1, onder c), van dat artikel.

3.  De Commissie onderzoekt het eindverslag over de prestaties en deelt de beheersautoriteit binnen vijf maanden na de datum van ontvangst van dat verslag haar opmerkingen mee. Als dergelijke opmerkingen worden gemaakt, verstrekt de beheersautoriteit alle nodige informatie in verband met die opmerkingen, en stelt de beheersautoriteit de Commissie, indien van toepassing, binnen drie maanden in kennis van de getroffen maatregelen. De Commissie stelt de lidstaat in kennis van de aanvaarding van het verslag.

4.  De beheersautoriteit publiceert het eindverslag over de prestaties op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website.

Artikel 33

Indicatoren voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)"

1.  Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, als vervat in bijlage [I] bij Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening], en, waar nodig, programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren ] die het meest geschikt worden geacht om de vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma Europese territoriale samenwerking (Interreg) te meten, worden gebruikt overeenkomstig artikel [12, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], en artikel 17, lid 3 4, onder d e), ii), en artikel 31, lid 2, onder b), van deze verordening. [Am. 150]

1 bis.  Waar nodig en in door de beheersautoriteit naar behoren gemotiveerde gevallen worden programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren gebruikt naast de indicatoren die overeenkomstig de eerste alinea zijn geselecteerd. [Am. 151]

2.  Voor de outputindicatoren bedragen de uitgangswaarden nul. De mijlpalen voor 2024 en de streefdoelen voor 2029 zijn cumulatief.

Afdeling ii

Evaluatie en communicatie

Artikel 34

Evaluatie tijdens de programmeringsperiode

1.  De beheersautoriteit voert ten hoogste eenmaal per jaar een evaluatie van elk Interreg-programma uit. Elke evaluatie bevat een beoordeling van de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van het programma met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van het respectieve Interreg-programma. [Am. 152]

2.  Daarnaast voert de beheersautoriteit voor elk programma uiterlijk 30 juni 2029 een evaluatie uit voor elk Interreg-programma om het effect ervan te beoordelen.

3.  De beheersautoriteit laat evaluaties uitvoeren door functioneel onafhankelijke deskundigen.

4.  De beheersautoriteit zorgt wil zorgen voor de procedures die nodig zijn voor het opstellen en verzamelen van de voor evaluaties vereiste gegevens. [Am. 153]

5.  De beheersautoriteit stelt een evaluatieplan op dat meer dan één Interreg-programma kan bestrijken.

6.  De beheersautoriteit dient het evaluatieplan uiterlijk een jaar na de goedkeuring van het Interreg-programma in bij het toezichtcomité.

7.  De beheersautoriteit publiceert alle evaluaties op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website.

Artikel 35

Verantwoordelijkheden van de beheersautoriteiten en partners met betrekking tot transparantie en communicatie

1.  Elke beheersautoriteit identificeert een communicatiemedewerker voor elk Interreg-programma waarvoor zij verantwoordelijk is.

2.  De beheersautoriteit zorgt binnen zes maanden na de goedkeuring van het Interreg-programma voor een website met informatie over elk Interreg-programma waarvoor zij verantwoordelijk is, met inbegrip van informatie over de doelstellingen, activiteiten, beschikbare financieringsmogelijkheden en verwezenlijkingen van het programma.

3.  Artikel [44, leden 2 tot en met 7 6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] inzake de verantwoordelijkheden van de beheersautoriteit is van toepassing. [Am. 154]

4.  Iedere partner van een concrete actie in het kader van Interreg of elke instantie die een financieringsinstrument uitvoert, erkent de steun van een Interreg-fonds, met inbegrip van hergebruikte middelen voor financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 56 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], aan de concrete actie in het kader van Interreg door:

a)  op de professionele website van de partner, indien deze bestaat, een korte beschrijving, in verhouding tot de ontvangen steun die verstrekt is door een Interreg-fonds, van de concrete actie in het kader van Interreg op te nemen, met inbegrip van het doel en de resultaten ervan, en daarbij de nadruk te leggen op de financiële steun door de Unie;

b)  te zorgen voor een verklaring waarin op zichtbare wijze de steun uit het Interreg-fonds in de verf wordt gezet op documenten en communicatiemateriaal over de uitvoering van de concrete actie in het kader van Interreg, die worden gebruikt voor het publiek of voor deelnemers;

c)  een plaat of bord op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen zodra de materiële uitvoering van de concrete actie in het kader van Interreg die gepaard gaat met fysieke investeringen of de aankoop van materiaal waarvan de totale kosten meer bedragen dan 100 000 50 000 EUR, van start gaat; [Am. 155]

d)  voor concrete acties die niet onder c) vallen, ten minste één affiche of en, indien van toepassing, elektronisch beeldscherm (minimaal in A3 2-formaat) met informatie over de concrete actie in het kader van Interreg met vermelding van de steun uit een Interreg-fonds, op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen; [Am. 156]

e)  voor concrete acties van strategisch belang en concrete acties waarvan de totale kosten meer dan 10 000 000 5 000 000 EUR bedragen, een communicatie-evenement te organiseren en de Commissie en de bevoegde beheersautoriteit daar tijdig bij te betrekken. [Am. 157]

De term "Interreg" wordt gebruikt naast het embleem van de Europese Unie in overeenstemming met artikel [42] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

5.  Voor fondsen voor kleinschalige projecten en financieringsinstrumenten zorgt de begunstigde ervoor dat de eindontvangers voldoen aan de in lid 4, onder c), vastgestelde vereisten.

6.  Wanneer de begunstigde de in artikel [42] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] of in het eerste en tweede lid van dit artikel vermelde verplichtingen niet nakomt, noch zijn verzuim tijdig herstelt, past de lidstaat beheersautoriteit een financiële correctie toe door maximaal 5 % van de bijdrage van de fondsen aan de betrokken concrete actie in te trekken. [Am. 158]

HOOFDSTUK V

Subsidiabiliteit

Artikel 36

Regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven

1.  Een concrete actie in het kader van Interreg kan geheel of gedeeltelijk buiten een lidstaat worden uitgevoerd, ook indien dit buiten het grondgebied van de Unie is, mits de concrete actie in het kader van een Interreg bijdraagt tot de doelstellingen van het respectieve Interreg-programma.

2.  Onverminderd de subsidiabiliteitsregels die zijn vastgesteld in de artikelen [57 tot en met 62] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], de artikelen [4 en 6] van Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening] of dit hoofdstuk, met inbegrip van de op grond hiervan vastgestelde handelingen, stellen de deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO's enkel aanvullende regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven voor het Interreg-programma vast – door middel van een gezamenlijk besluit in het toezichtcomité – voor uitgavencategorieën die niet onder die bepalingen vallen. Die aanvullende voorschriften hebben betrekking op het programmagebied als geheel.

Wanneer een Interreg-programma concrete acties selecteert op basis van uitnodigingen tot het indienen van voorstellen, worden die aanvullende voorschriften vastgesteld voordat de eerste oproep tot het indienen van voorstellen bekend is gemaakt. In alle andere gevallen worden die aanvullende voorschriften vastgesteld voordat de eerste concrete acties worden geselecteerd.

3.  Voor aangelegenheden die niet vallen onder de subsidiabiliteitsregels zoals vastgesteld in de artikelen [57 tot en met 62] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], de artikelen [4 en 6] van Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening] en dit hoofdstuk, met inbegrip van de op grond hiervan vastgestelde handelingen of bepalingen die overeenkomstig lid 4 zijn vastgesteld, zijn de nationale regels van de lidstaat en, indien van toepassing, van de derde landen, partnerlanden en LGO's waar de uitgaven zijn gedaan, van toepassing.

4.  In geval van een verschil van mening tussen de beheersautoriteit en de auditautoriteit met betrekking tot de subsidiabiliteit als zodanig van een geselecteerde concrete actie in het kader van het respectieve Interreg-programma, prevaleert het advies van de beheersautoriteit, waarbij rekening moet worden gehouden met het advies van het toezichtcomité.

5.  LGO's komen niet in aanmerking voor steun uit het EFRO in het kader van de Interreg-programma's, maar mogen deelnemen aan deze programma's onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden.

Artikel 37

Algemene bepalingen inzake de subsidiabiliteit van de kostencategorieën

1.  De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO's kunnen in het toezichtcomité van een Interreg-programma overeenkomen dat uitgaven die onder één of meer van de in de artikelen 38 tot en met 43 bedoelde categorieën vallen, niet subsidiabel zijn in het kader van een of meer prioriteiten van een Interreg-programma.

2.  Alle door of namens de Interreg-partner gedane uitgaven die overeenkomstig deze verordening subsidiabel zijn, dienen betrekking te hebben op de kosten van het opzetten of het opzetten en uitvoeren van een concrete actie of een deel van een concrete actie.

3.  De volgende kosten zijn niet subsidiabel:

a)  boetes, financiële sancties, gerechtskosten en kosten van geschillen;

b)  kosten van geschenken, met uitzondering van geschenken van niet meer dan 50 EUR per stuk in verband met promotie, communicatie, reclame of informatie;

c)  kosten in verband met schommelingen van wisselkoersen.

Artikel 38

Personeelskosten

1.  Personeelskosten omvatten de bruto arbeidskosten van het personeel van de Interreg-partner in een van de volgende vormen van dienstverband:

a)  voltijds;

b)  deeltijds met een vast percentage werktijd per maand;

c)  deeltijds met een flexibel percentage werktijd per maand; of

d)  op uurbasis.

2.  Personeelskosten zijn beperkt tot:

a)  salarisbetalingen met betrekking tot de activiteiten die de entiteit niet zou ondernemen indien de betrokken concrete actie niet was uitgevoerd en die zijn vastgelegd in een arbeidsovereenkomst of -contract, een benoemingsbesluit (alle hierna "arbeidsdocument" genoemd), of bij wet, en die verband houden met de in de functiebeschrijving van het betrokken personeelslid aangegeven verantwoordelijkheden;

b)  andere kosten die direct verband houden met de salarisbetalingen door de werkgever, zoals belastingen en socialezekerheidsbijdragen, met inbegrip van pensioenpremies, die vallen onder Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad(27), op voorwaarde dat die kosten:

i)  zijn vastgelegd in een arbeidsdocument of bij wet;

ii)  in overeenstemming zijn met de wetgeving waar het arbeidsdocument naar verwijst en met de normale praktijk in het land en/of de organisatie waar het individuele personeelslid feitelijk werkt; en

iii)  niet door de werkgever kunnen worden teruggevorderd.

Ten aanzien van punt a) kunnen betalingen aan natuurlijke personen die voor de Interreg-partner werken onder een andersoortig contract dan een arbeidsovereenkomst of -contract gelijkgesteld worden aan salarisbetalingen, en kunnen dergelijke andersoortige contracten als arbeidsdocument worden beschouwd.

3.  Personeelskosten kunnen worden vergoed hetzij:

a)  overeenkomstig [artikel 48, lid 1, eerste alinea, onder a),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] (aangetoond door arbeidsdocument en salarisafrekeningen); of

b)  in het kader van de vereenvoudigde kostenopties zoals bedoeld in [artikel 48, lid 1, eerste alinea, onder b) tot en met e),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]; of

c)  op basis directe personeelskosten van een concrete actie kunnen worden berekend als een vast percentage overeenkomstig artikel [50, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] van maximaal 20 % van de andere directe kosten dan de directe personeelskosten van die concrete actie, zonder verplichting voor de lidstaat om te berekenen welk percentage van toepassing is. [Am. 159]

4.  Personeelskosten voor personen die in deeltijd aan de concrete actie werken, worden berekend als hetzij:

a)  het vaste percentage van de bruto arbeidskosten overeenkomstig artikel [50, lid 2,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]; of

b)  een flexibel aandeel in de bruto arbeidskosten, overeenkomstig een aantal aan de concrete actie bestede uren dat per maand varieert, op basis van een werktijdregistratiesysteem dat 100 % van de arbeidstijd van de werknemer bestrijkt.

5.  Voor deeltijdopdrachten overeenkomstig lid 4, onder b), wordt de vergoeding van de personeelskosten berekend op basis van een uurtarief bepaald door middel van hetzij:

a)  het delen van de bruto meest recente met documenten gestaafde maandelijkse bruto arbeidskosten door de maandelijkse arbeidstijd vastgesteld werktijd van de betrokken persoon overeenkomstig het in het arbeidsdocument, uitgedrukt in uren arbeidscontract vermelde toepasselijke recht en artikel 50, lid 2, onder b), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]; of [Am. 160]

b)  het delen van de meest recente bekende jaarlijkse bruto arbeidskosten door 1 720 (uren), overeenkomstig artikel 50, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

6.  Wat betreft personeelskosten van personen die volgens het arbeidsdocument op uurbasis werken, zijn dergelijke kosten subsidiabel op basis van toepassing van het in het arbeidsdocument overeengekomen uurtarief op het aantal feitelijk aan de concrete actie bestede uren, aan de hand van een systeem voor de registratie van werktijden. Indien de in artikel 38, lid 2, onder b), bedoelde salariskosten nog niet in het overeengekomen uurtarief zijn begrepen, kunnen zij bij dat uurtarief worden opgeteld, overeenkomstig het toepasselijke nationale recht. [Am. 161]

Artikel 39

Kantoor- en administratieve kosten

Kantoor- en administratieve kosten zijn beperkt tot 15 % van de totale directe kosten van een concrete actie en tot de volgende posten: [Am. 162]

a)  kantoorhuur;

b)  verzekeringen en belastingen in verband met de gebouwen waarin het personeel is gevestigd en de uitrusting van het kantoor (bv. brand- en diefstalverzekeringen);

c)  nutsvoorzieningen (bv. elektriciteit, verwarming, water);

d)  kantoorbenodigdheden;

e)  algemene boekhouding van de begunstigde organisatie;

f)  archieven;

g)  onderhoud, reiniging en reparaties;

h)  veiligheid;

i)  IT-systemen;

j)  communicatie (bv. telefoon, fax, internet, postdiensten, visitekaartjes);

k)  bankkosten voor het openen en beheren van rekeningen wanneer voor de uitvoering van een concrete actie een afzonderlijke rekening moet worden geopend;

l)  kosten voor transnationale financiële transacties.

Artikel 40

Reis- en verblijfskosten

1.  Reis- en verblijfskosten zijn beperkt tot de volgende posten:

a)  reiskosten (bv. tickets, de reis- en autoverzekeringen, brandstof, de kilometerstand, tolheffing en parkeerrechten);

b)  de kosten van maaltijden;

c)  verblijfskosten;

d)  visumkosten;

e)  dagvergoedingen,

ongeacht of deze kosten in of buiten het programmagebied zijn gemaakt en betaald.

2.  Alle in lid 1, onder a) tot en met d), genoemde uitgavenposten die al door een dagvergoeding worden gedekt, worden niet vergoed in aanvulling op die dagvergoeding.

3.  Reis- en verblijfskosten van externe deskundigen en dienstverleners vallen onder de in artikel 41 bedoelde kosten voor externe expertise en diensten.

4.  Rechtstreekse betaling van de uitgaven voor kosten in het kader van dit artikel door een medewerker van de begunstigde wordt aangetoond door een bewijs van vergoeding door de begunstigde aan die werknemer. Deze kostencategorie kan worden gebruikt voor de reiskosten van het personeel dat verantwoordelijk is voor een concrete actie en van andere belanghebbenden met het oog op de uitvoering en promotie van de concrete actie in het kader van Interreg en het programma. [Am. 163]

5.  Reis- en verblijfskosten van een concrete actie kunnen worden berekend als een vast percentage, met een maximum van 15 % van de directe kosten, met uitzondering van de directe personeelskosten, van die concrete actie. [Am. 164]

Artikel 41

Kosten voor externe expertise en diensten

Kosten voor externe expertise en diensten blijven omvatten, maar zijn niet beperkt tot de volgende diensten en deskundigheid van een publiek- of privaatrechtelijke instantie of een natuurlijke persoon, anders dan de begunstigde van de concrete actie, elke partner daaronder begrepen: [Am. 165]

a)  studies of enquêtes (bv. evaluaties, strategieën, conceptnota's, ontwerpen, handboeken);

b)  opleiding;

c)  vertalingen;

d)  IT-systemen en ontwikkeling, aanpassing en updates van websites;

e)  promotie, communicatie, publiciteit of informatie die verband houdt met de uitvoering van een concrete actie of met een samenwerkingsprogramma als zodanig;

f)  financieel beheer;

g)  diensten met betrekking tot de organisatie en uitvoering van evenementen of vergaderingen (met inbegrip van huur, catering en vertolking);

h)  deelname aan evenementen (bv. inschrijvingskosten);

i)  notariële diensten, juridisch advies en technische en financiële deskundigheid, andere advies- en accountantsdiensten;

j)  intellectuele-eigendomsrechten;

k)  verificaties uit hoofde van artikel [68, lid 1, onder a),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en artikel 45, lid 1, van deze verordening;

l)  kosten voor de boekhoudfunctie op het niveau van het programma overeenkomstig artikel [70] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en artikel 46 van deze verordening;

m)  auditkosten op het niveau van het programma overeenkomstig de artikelen [72] en [75] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en de artikelen 47 en 48 van deze verordening;

n)  verstrekking van garanties door een bank of andere financiële instelling wanneer dit vereist wordt door wetgeving van de Unie of nationale wetgeving of in een programmeringsdocument van het toezichtcomité;

o)  reis- en verblijfkosten van externe deskundigen, sprekers, voorzitters van vergaderingen en dienstverleners; [Am. 166]

p)  andere specifieke expertise en diensten die nodig zijn voor concrete acties.

Artikel 42

Kosten voor apparatuur

1.  Kosten van uitrusting die is gekocht, gehuurd of geleased door de begunstigde van de concrete actie, afgezien van de in artikel 39 bedoelde uitrusting omvatten, maar zijn niet beperkt tot het volgende: [Am. 167]

a)  kantoorapparatuur;

b)  IT-apparatuur en software;

c)  meubilair en uitrusting;

d)  laboratoriumbenodigdheden;

e)  machines en instrumenten;

f)  gereedschappen of apparaten;

g)  voertuigen;

h)  andere specifieke uitrusting die nodig is voor concrete acties.

2.  Kosten voor de aanschaf van tweedehands uitrusting en apparatuur kunnen subsidiabel zijn onder de volgende voorwaarden:

a)  er is geen andere steun voor ontvangen uit de Interreg-fondsen of uit de in de lijst in [artikel 1, lid 1, onder a),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] opgenomen fondsen;

b)  deze prijs is niet hoger dan de algemeen aanvaarde marktprijs voor dergelijke uitrusting;

c)  de technische eigenschappen beantwoorden aan de eisen van de concrete actie en aan de geldende normen en standaarden.

Artikel 43

Kosten voor infrastructuur en werken

Kosten voor infrastructuur en werken zijn beperkt tot het volgende:

a)  de aankoop van land overeenkomstig [artikel 58, lid 1, onder c b),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]; [Am. 168]

b)  bouwvergunningen;

c)  bouwmaterialen;

d)  arbeid;

e)  gespecialiseerde interventies (bv. bodemsanering, ontmijning).

HOOFDSTUK VI

Interreg-programma-autoriteiten, beheer, controle en audit

Artikel 44

Intereg-programma-autoriteiten

1.  De lidstaten en, indien van toepassing, de derde landen, partnerlanden, LGO's en LGO's organisaties voor regionale integratie en samenwerking die deelnemen aan een Interreg-programma wijzen, voor de toepassing van artikel [65] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] één enkele beheersautoriteit en één enkele auditautoriteit aan. [Am. 169]

2.  De beheersautoriteit en de auditautoriteit zijn kunnen in dezelfde lidstaat gevestigd zijn. [Am. 170]

3.  Met betrekking tot het Peace-Plus-programma wordt de speciale EU-programma-instantie, wanneer deze wordt aangewezen als de beheersautoriteit, beschouwd als zijnde gevestigd in een lidstaat.

4.  De lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma, kunnen een EGTS aanwijzen als beheersautoriteit van dat programma.

5.  Wanneer een Interreg-programma van component 2B of component 1 lange grenzen met heterogene ontwikkelingsproblemen en -behoeften bestrijkt, kunnen de lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en de LGO die deelnemen aan een Interreg-programma, subprogrammagebieden vaststellen. [Am. 171]

6.  Als de beheersautoriteit een of meer intermediaire instantie instanties aanwijst in het kader van een Interreg-programma overeenkomstig artikel [65, lid 3,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], voert/voeren de betrokken intermediaire instantie(s) de taken uit in meer dan één deelnemende lidstaat, of in hun respectieve lidstaten, of, indien van toepassing, in meer dan één derde land, partnerland of LGO. [Am. 172]

Artikel 45

Functies van de beheersautoriteit

1.  De beheersautoriteit van een Interreg-programma vervult de functies die zijn vastgesteld in de artikelen [66], [68] en [69] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], met uitzondering van de selectie van concrete acties als bedoeld in artikel 66, lid 1, onder a) en artikel 67 en de betalingen aan begunstigden als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder b). Deze taken worden uitgevoerd in het hele grondgebied dat door dat programma wordt bestreken, behoudens afwijkingen die in hoofdstuk VIII van deze verordening zijn vastgesteld.

1 bis.   In afwijking van artikel 87, lid 2, van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] vergoedt de Commissie bij wijze van tussentijdse betaling 100 % van de in de betalingsaanvraag opgenomen bedragen, hetgeen wordt berekend door het medefinancieringspercentage van het programma toe te passen op de totale subsidiabele uitgaven of de overheidsbijdrage, in voorkomend geval. [Am. 173]

1 ter.   Indien de beheersautoriteit de verificaties als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder a), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] niet in het gehele programmagebied verricht, wijst elke lidstaat de instantie of persoon aan die deze verificaties met betrekking tot de begunstigden op zijn grondgebied verricht. [Am. 174]

1 quater.   In afwijking van artikel 92 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] is de jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen niet van toepassing op de Interreg-programma's. De rekeningen worden aan het einde van een programma goedgekeurd op basis van het eindverslag over de prestaties. [Am. 175]

2.  De beheersautoriteit stelt na overleg met de aan het Interreg-programma deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO's een gezamenlijk secretariaat in met personeel, rekening houdend met het partnerschap van het programma.

Het gezamenlijke secretariaat verleent de beheersautoriteit en het toezichtcomité bijstand bij de uitvoering van hun respectieve functies. Het gezamenlijke secretariaat verstrekt ook informatie aan potentiële begunstigden over financieringsmogelijkheden in het kader van Interreg-programma's en verleent bijstand aan de begunstigden en partners bij de uitvoering van concrete acties.

3.  In afwijking van [artikel 70, lid 1, onder c),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] worden in een andere valuta dan de euro gedane uitgaven door de begunstigden in euro omgerekend aan de hand van de maandelijkse boekhoudkundige wisselkoers voor de euro van de Commissie in de maand waarin die uitgaven overeenkomstig [artikel 68, lid 1, onder a),] van die verordening ter controle zijn voorgelegd aan de beheersautoriteit.

Artikel 46

De boekhoudfunctie

1.  De lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma, moeten overeenstemming bereiken over de regelingen voor de uitvoering van de boekhoudfunctie.

2.  De boekhoudfunctie omvat de taken als bedoeld in [artikel 70, lid 1, onder a) en b),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en bestrijkt eveneens de door de Commissie verrichte betalingen en, als algemene regel, de betalingen aan de eerstverantwoordelijke partner in overeenstemming met [artikel 68, lid 1, onder b),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

Artikel 47

Functies van de auditautoriteit

1.  De auditautoriteit van een Interreg-programma vervult de in dit artikel en in artikel 48 bedoelde functies die zijn vastgesteld in het hele grondgebied dat door dat Interreg-programma wordt bestreken, behoudens afwijkingen die in hoofdstuk VIII zijn vastgesteld.

Een deelnemende lidstaat kan echter aangeven wanneer de auditautoriteit moet worden vergezeld door een auditor van die deelnemende lidstaat.

2.  De auditautoriteit van een Interreg-programma is verantwoordelijk voor het uitvoeren van systeemaudits en audits over concrete acties teneinde de Commissie op onafhankelijke wijze zekerheid te bieden over de doeltreffendheid van de beheers- en controlesystemen en over de wettigheid en regelmatigheid van de in de bij de Commissie ingediende rekeningen opgenomen uitgaven.

3.  Wanneer een Interreg-programma is opgenomen in de populatie waaruit de Commissie krachtens artikel 48, lid 1, een gemeenschappelijke steekproef selecteert, voert de auditautoriteit audits uit van door de Commissie geselecteerde concrete acties om een onafhankelijke zekerheid aan de Commissie te verschaffen dat de beheers- en controlesystemen doeltreffend functioneren.

4.  Auditwerkzaamheden worden verricht overeenkomstig internationaal aanvaarde auditnormen.

5.  De auditautoriteit dient elk jaar uiterlijk op 15 februari na het einde van het boekjaar een jaarlijks auditoordeel overeenkomstig artikel [63, lid 7,] van Verordening [FR-Omnibus] in bij de Commissie dat is opgesteld aan de hand van het model in bijlage [XVI] bij Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] en gebaseerd op alle uitgevoerde auditwerkzaamheden, en waarin de volgende aspecten worden behandeld:

a)  de volledigheid, waarheidsgetrouwheid en nauwkeurigheid van de jaarrekeningen;

b)  de wettigheid en regelmatigheid van de in de bij de Commissie ingediende rekeningen opgenomen uitgaven;

c)  het beheers- en controlesysteem van het Interreg-programma.

Wanneer het Interreg-programma is opgenomen in de populatie waaruit de Commissie krachtens artikel 48, lid 1, een steekproef selecteert, heeft het jaarlijkse auditoordeel uitsluitend betrekking op de in de eerste alinea, onder a) en c), bedoelde onderdelen.

De termijn van 15 februari kan bij uitzondering door de Commissie worden verlengd tot 1 maart na kennisgeving door de lidstaat waar de betrokken beheersautoriteit gevestigd is.

6.  De auditautoriteit dient elk jaar uiterlijk op 15 februari na het einde van het boekjaar een jaarlijks controleverslag overeenkomstig artikel [63, lid 5, onder b)] van het Financieel Reglement in bij de Commissie, dat is opgesteld aan de hand van het model in bijlage XVII bij Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], het in lid 5 bedoelde auditoordeel ondersteunt en dat een samenvatting van de bevindingen bevat, met inbegrip van een analyse van de aard en de omvang van de fouten en tekortkomingen in het systeem, de voorgestelde en uitgevoerde corrigerende maatregelen en het daaruit volgende totale foutenpercentage en het resterende foutenpercentage voor de in de bij de Commissie ingediende rekeningen opgenomen uitgaven.

7.  Wanneer het Interreg-programma is opgenomen in de populatie waaruit de Commissie krachtens artikel 48, lid 1, een steekproef selecteert, stelt de auditautoriteit het in lid 6 van dit artikel bedoelde jaarlijkse controleverslag dat aan de eisen van artikel 63, lid 5, onder b), van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] voldoet, op basis van het model in bijlage XVII bij Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] is opgesteld en het in lid 5 van dit artikel bedoelde auditoordeel ondersteund.

Dat verslag bevat een samenvatting van de bevindingen, met inbegrip van een analyse van de aard en de omvang van de fouten en tekortkomingen in de systemen, de voorgestelde en uitgevoerde corrigerende maatregelen, de resultaten van de audits van concrete acties die door de auditautoriteit zijn uitgevoerd in verband met de gemeenschappelijke steekproef als bedoeld in artikel 48, lid 1, en de door de Interreg-programma-autoriteiten toegepaste financiële correcties voor individuele onregelmatigheden die door de auditautoriteit zijn geconstateerd voor deze concrete acties.

8.  De auditautoriteit zendt de systeemauditverslagen naar de Commissie zodra de vereiste contradictoire procedure met de betrokken geauditeerden is voltooid.

9.  Tenzij anders is overeengekomen, komen de Commissie en de auditautoriteit regelmatig, en ten minste een maal per jaar, bijeen om de auditstrategie, het jaarlijkse controleverslag, en het auditoordeel te onderzoeken, hun auditplannen en -methoden op elkaar af te stemmen, en van gedachten te wisselen over kwesties in verband met de verbetering van de beheers- en controlesystemen.

Artikel 48

Audit van concrete acties

1.  De Commissie selecteert een gemeenschappelijke steekproef van concrete acties (of andere steekproefeenheden) met behulp van een statistische steekproefmethode voor de audits van concrete acties die voor elk boekjaar door de auditautoriteiten moeten worden uitgevoerd voor de Interreg-programma's die steun ontvangen uit het EFRO of een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie.

De gemeenschappelijke steekproef moet representatief zijn voor alle Interreg-programma's die de populatie vormen.

Met het oog op de selectie van de gemeenschappelijke steekproef, kan de Commissie groepen van Interreg-programma's stratificeren aan de hand van hun specifieke risico's.

2.  De programma-autoriteiten verstrekken de informatie die nodig is voor het samenstellen van een gemeenschappelijke steekproef, uiterlijk op 1 september na het einde van elk boekjaar aan de Commissie.

Deze informatie wordt verstrekt in een gestandaardiseerd elektronisch formaat, moet volledig zijn en verenigbaar zijn met de bij de Commissie gedeclareerde kosten voor het referentieboekjaar.

3.  Onverminderd de verplichting tot het uitvoeren van een audit zoals bedoeld in artikel 47, lid 2, voeren de auditautoriteiten voor onder de gemeenschappelijke steekproef vallende Interreg-programma's geen aanvullende audits uit van concrete acties in het kader van deze programma's, tenzij op verzoek van de Commissie overeenkomstig lid 8 van dit artikel of in gevallen waarin een auditautoriteit specifieke risico's heeft vastgesteld.

4.  De Commissie stelt de auditinstanties van de betrokken Interreg-programma's tijdig, in het algemeen uiterlijk op 1 oktober na het einde van elk boekjaar, op de hoogte van de geselecteerde gemeenschappelijke steekproef zodat deze autoriteiten de mogelijkheid hebben de audits van de concrete acties uit te voeren.

5.  De betrokken auditautoriteiten dienen, ten laatste in de jaarlijkse controleverslagen die overeenkomstig artikel 47, leden 6 en 7, bij de Commissie moeten worden ingediend, informatie in over de resultaten van deze audits, alsmede over financiële correcties voor afzonderlijke onregelmatigheden die worden ontdekt.

6.  Na beoordeling van de resultaten van audits van overeenkomstig lid 1 geselecteerde concrete acties berekent de Commissie een algeheel geëxtrapoleerd foutenpercentage met betrekking tot de Interreg-programma's die zijn opgenomen in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd, voor de toepassing van haar eigen procedure voor het verkrijgen van zekerheid.

7.  Wanneer het in lid 6 bedoelde algehele geëxtrapoleerde foutenpercentage meer dan 2 3,5 % bedraagt van de totale gedeclareerde uitgaven voor de Interreg-programma's in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd, berekent de Commissie een algeheel resterend foutenpercentage, met inachtneming van door de respectieve Interreg-programma-autoriteiten toegepaste financiële correcties voor individuele onregelmatigheden die zijn ontdekt tijdens de audits van uit hoofde van lid 1 geselecteerde concrete acties. [Am. 176]

8.  Wanneer het in lid 7 bedoelde algehele resterend foutenpercentage meer dan 2 3,5 % bedraagt van de totale gedeclareerde uitgaven voor de Interreg-programma's in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd, bepaalt de Commissie of het nodig is de auditautoriteit van een specifiek Interreg-programma of een groep Interreg-programma's die het meest beïnvloed zijn, te verzoeken aanvullende controlewerkzaamheden te verrichten, teneinde het foutenpercentage verder te evalueren en de vereiste corrigerende maatregelen voor de Interreg-programma's die bij de geconstateerde onregelmatigheden betrokken zijn, te beoordelen. [Am. 177]

9.  Op basis van de beoordeling van de resultaten van de aanvullende auditwerkzaamheden waarom overeenkomstig lid 8 is verzocht, kan de Commissie verzoeken dat er aanvullende financiële correcties worden toegepast voor de Interreg-programma's die bij de geconstateerde onregelmatigheden betrokken zijn. In dergelijke gevallen voeren de Interreg-programma-autoriteiten de nodige financiële correcties uit in overeenstemming met artikel [97] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

10.  Elke auditautoriteit van een Interreg-programma waarvoor de in lid 2 bedoelde informatie ontbreekt of onvolledig is of niet is ingediend binnen de in lid 2, eerste alinea, vastgelegde termijn voert een afzonderlijke steekproefprocedure uit voor het respectieve Interreg-programma in overeenstemming met artikel 73 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

HOOFDSTUK VII

Financieel beheer

Artikel 49

Betalingen en voorfinanciering

1.  De EFRO-steun en, indien van toepassing, de steun uit de instrumenten voor financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor elk Interreg-programma worden, overeenkomstig artikel 46, lid 2, op één enkele rekening zonder nationale subrekeningen betaald.

2.  De Commissie keert voorfinanciering uit op basis van de totale steun uit elk Interreg-fonds, zoals uiteengezet in het besluit tot goedkeuring van elk Interreg-programma uit hoofde van artikel 18, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van middelen, in jaarlijkse tranches als volgt en vóór 1 juli van de jaren 2022 tot en met 2026, of in het jaar van het goedkeuringsbesluit, uiterlijk 60 dagen nadat dit besluit wordt aangenomen:

a)  2021: 1 3 %; [Am. 178]

b)  2022: 1 2,25 %; [Am. 179]

c)  2023: 1 2,25 %; [Am. 180]

d)  2024: 1 2,25 %; [Am. 181]

e)  2025: 1 2,25 %; [Am. 182]

f)  2026: 1 2,25 %. [Am. 183]

3.  Indien externe grensoverschrijdende Interreg-programma's worden ondersteund door het EFRO en het IPA III CBC of het NDICI CBC, wordt de voorfinanciering voor alle fondsen die een dergelijk Interreg-programma ondersteunen, verricht overeenkomstig Verordening (EU) [IPA III] of [NDICI] of elke handeling die op grond daarvan is vastgesteld. [Am. 184]

Het bedrag van de voorfinanciering kan in twee tranches worden uitgekeerd, indien dat nodig is voor de begroting.

Het totaalbedrag dat als voorfinanciering is uitgekeerd, wordt aan de Commissie terugbetaald indien geen enkele betalingsaanvraag voor het voor grensoverschrijdende Interreg-programma is toegezonden binnen een termijn van 24 36 maanden, te rekenen vanaf de uitkering van het eerste gedeelte van de voorfinanciering door de Commissie. Een dergelijke terugbetaling wordt beschouwd als interne bestemmingsontvangsten en brengt geen verlaging mee van de steun uit het EFRO, IPA III CBC of NDICI CBC aan het programma. [Am. 185]

Artikel 50

Terugvorderingen

1.  De beheersautoriteit zorgt ervoor dat elk bedrag dat als gevolg van een onregelmatigheid wordt betaald, wordt teruggevorderd van de eerstverantwoordelijke of de enige partner. De partners betalen onverschuldigd betaalde bedragen terug aan de eerstverantwoordelijke partner.

2.  Als de eerstverantwoordelijke partner er niet in slaagt terugbetaling van andere partners te verkrijgen of als de beheersautoriteit er niet in slaagt terugbetaling van de eerstverantwoordelijke of de enige partner te verkrijgen, betaalt de lidstaat, het derde land, partnerland of LGO op wiens grondgebied de betrokken partner gevestigd is of, in het geval van een EGTS, geregistreerd is, onverschuldigd aan die partner betaalde bedragen terug aan de beheersautoriteit. De beheersautoriteit is verantwoordelijk voor de terugbetaling van de betrokken bedragen aan de algemene begroting van de Unie, overeenkomstig de verdeling van de aansprakelijkheden onder de deelnemende lidstaten, derde landen, partnerlanden of LGO's, zoals vastgesteld in het Interreg-programma.

3.  Zodra de lidstaat, het derde land, partnerland of LGO, de onverschuldigd aan een partner betaalde bedragen heeft terugbetaald aan de beheersautoriteit, kan de lidstaat, het derde land, partnerland of LGO een terugvorderingsprocedure voortzetten of inleiden tegen deze partner op grond van zijn nationale wetgeving. In geval van een geslaagde terugvordering kan een lidstaat, derde land, partnerland of LGO gebruikmaken van deze bedragen voor de nationale medefinanciering van het desbetreffende Interreg-programma. De lidstaat, het derde land, het partnerland of het LGO heeft geen verslagleggingsverplichtingen ten aanzien van de programma-autoriteiten, het toezichtcomité of de Commissie met betrekking tot dergelijke nationale terugvorderingen.

4.  Indien een lidstaat, derde land, partnerland of LGO, de onverschuldigde betalingen aan een partner niet overeenkomstig lid 3 heeft terugbetaald aan de beheersautoriteit, zijn deze bedragen onderwerp van een door de gedelegeerd ordonnateur afgegeven invorderingsopdracht, die indien mogelijk wordt uitgevoerd door verrekening met de bedragen die aan de lidstaat, het derde land, het partnerland of het LGO verschuldigd zijn in het kader van latere betalingen binnen hetzelfde Interreg-programma of, in het geval van een derde land, partnerland of LGO, in het kader van latere betalingen aan programma's in het kader van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie. Die terugvordering vormt geen financiële correctie en brengt geen verlaging mee van de steun uit het EFRO of een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie aan het respectieve Interreg-programma. Het teruggevorderde bedrag wordt aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [177, lid 3,] van Verordening (EU, Euratom) nr. [FR-omnibus].

HOOFDSTUK VIII

Deelname van derde landen, partnerlanden, LGO's of LGO's organisaties voor regionale integratie en samenwerking aan Interreg-programma's in gedeeld beheer [Am. 186]

Artikel 51

Toepasselijke bepalingen

De hoofdstukken I tot en met VII en hoofdstuk X zijn van toepassing op de deelname van derde landen, partnerlanden , LGO's of organisaties voor regionale integratie en LGO's samenwerking aan Interreg-programma's die onderworpen zijn aan de specifieke bepalingen van dit hoofdstuk. [Am. 187]

Artikel 52

Interreg-programma-autoriteiten en hun functies

1.  Derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma, staan hetzij toe dat de beheersautoriteit van dat programma haar functies uit kan oefenen op hun respectieve grondgebied of wijzen een nationale autoriteit aan als contactpunt voor de beheersautoriteit of een nationale controleur om beheersverificaties te verrichten als bedoeld in [artikel 68, lid 1, onder a),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] op hun respectieve grondgebied.

2.  Derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma, staan hetzij toe dat de auditautoriteit van dat programma haar functies uit kan oefenen op hun respectieve grondgebied of wijzen een nationale auditautoriteit of -instantie aan die functioneel onafhankelijk is van de nationale autoriteit.

3.  Derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma, delegeren kunnen personeel delegeren aan het gezamenlijke secretariaat van dat programma en/of zetten, in overleg met de beheersautoriteit, op hun respectieve grondgebied een filiaal van het gezamenlijke secretariaat op. [Am. 188]

4.  De nationale autoriteit of een orgaan dat is gelijkgesteld aan de communicatiemedewerker van het Interreg-programma als bedoeld in artikel 35, lid 1, ondersteunen kunnen de beheersautoriteit en de partners in het betreffende derde land, partnerland of LGO ondersteunen met betrekking tot de in artikel 35, leden 2 tot en met 7, bedoelde taken. [Am. 189]

Artikel 53

Beheersmethoden

1.  Externe grensoverschrijdende Interreg-programma's die door het EFRO en het IPA III CBC of NDICI CBC worden ondersteund, worden in gedeeld beheer uitgevoerd in de lidstaten en in een eventueel deelnemend derde land of partnerland.

Het Peace-Plus-programma wordt zowel in Ierland als in het Verenigd Koninkrijk in gedeeld beheer uitgevoerd.

2.  Interreg-programma's van de component 2 en 4 die bijdragen uit het EFRO en één of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie combineren, worden in gedeeld beheer uitgevoerd in de lidstaten en in een eventueel deelnemende deelnemend derde land, partnerland of partnerland LGO of, met betrekking tot component 3, in eender welk LGO, ongeacht of deze LGO steun ontvangt uit een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie. [Am. 190]

3.  Interreg-programma's van component 3 die bijdragen uit het EFRO en één of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie combineren, worden op een van de volgende wijzen uitgevoerd:

a)  in gedeeld beheer in de lidstaten en in een eventueel deelnemend derde land of LGO of groep van derde landen die deel uitmaken van een regionale organisatie; [Am. 191]

b)  alleen in gedeeld beheer in de lidstaten en in het deelnemende een deelnemend derde land of LGO, of groep van derde landen die deel uitmaken van een regionale organisatie, met betrekking tot EFRO-uitgaven buiten de Unie voor één of meer concrete acties, terwijl de bijdragen van een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie in indirect beheer worden beheerd; [Am. 192]

c)  in indirect beheer in de lidstaten en in een eventueel deelnemende derde land of LGO. [Am. 193]

Wanneer een Interreg-programma's Interreg-programma van component 3 geheel of gedeeltelijk in indirect beheer wordt uitgevoerd, is voorafgaande overeenstemming tussen de betrokken lidstaten en regio's vereist en is artikel 60 van toepassing. [Am. 194]

3 bis.   Gezamenlijke oproepen tot het indienen van voorstellen om financiering uit bilaterale of meerlandenprogramma's in het kader van NDICI en Europese territoriale samenwerking beschikbaar te stellen, kunnen bekendgemaakt worden indien de respectieve beheersautoriteiten daarmee instemmen. In de oproep wordt de geografische reikwijdte en de verwachte bijdrage ervan aan de doelstellingen van de respectieve programma's gespecificeerd. De beheersautoriteiten besluiten of de regels in het kader van NDICI, dan wel de regels in het kader van Europese territoriale samenwerking van toepassing zijn op de oproep. Zij kunnen besluiten een eerstverantwoordelijke beheersautoriteit aan te wijzen die verantwoordelijk is voor de beheers- en controletaken die verband houden met de oproep. [Am. 195]

Artikel 54

Subsidiabiliteit

1.  In afwijking van artikel [57, lid 2,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] komen de uitgaven in aanmerking voor een bijdrage uit financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie indien zij zijn gedaan door een partner of de particuliere partner van concrete PPP-acties bij de voorbereiding en uitvoering van concrete acties in het kader van Interreg vanaf 1 januari 2021 en betaald na de datum waarop de financieringsovereenkomst met het respectieve derde land, partnerland of LGO werd gesloten.

Uitgaven voor technische bijstand die worden beheerd door in een lidstaat gevestigde programma-autoriteiten, komen echter in aanmerking vanaf 1 januari 2021, ook indien deze uitgaven worden gedaan voor acties ten gunste van derde landen, partnerlanden of LGO's.

2.  Wanneer een Interreg-programma echter concrete acties selecteert op basis van uitnodigingen tot het indienen van voorstellen, kunnen dergelijke oproepen aanvragen voor een bijdrage uit instrumenten voor financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie bevatten, zelfs wanneer die zijn gestart vóór de desbetreffende financieringsovereenkomst was ondertekend, en het is mogelijk dat concrete acties al vóór die data zijn geselecteerd.

De beheersautoriteit hoeft het in artikel 22, lid 6, bedoelde document echter niet vóór die data te verstrekken.

Artikel 55

Grote infrastructuurprojecten

1.  Onder deze afdeling vallende Interreg-programma's kunnen "grote infrastructuurprojecten" ondersteunen, d.w.z. concrete acties die een reeks werkzaamheden, activiteiten of diensten omvatten die bestemd zijn om een specifieke, ondeelbare functie met duidelijk vastgestelde doelstellingen van gemeenschappelijk belang te vervullen met de bedoeling grensoverschrijdende investeringen en baten te realiseren en waarbij een begrotingsonderdeel van minstens 2 500 000 EUR is toegewezen voor het verwerven van infrastructuur.

2.  Elke begunstigde die een groot infrastructuurproject of een gedeelte daarvan uitvoert, past de toepasselijke aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten toe.

3.  Wanneer de selectie van één of meer grote infrastructuurprojecten op de agenda staat van een toezichtcomité of, indien van toepassing, een directiecomité, zendt de beheersautoriteit uiterlijk twee maanden vóór de datum van de vergadering een conceptnota voor elk van deze projecten aan de Commissie. De conceptnota telt maximaal drie vijf bladzijden en bevat de naam, de locatie, de begroting, de eerstverantwoordelijke partner en de overige partners, alsmede de belangrijkste doelstellingen en verwachte prestaties daarvan, en bevat een geloofwaardig bedrijfsplan waaruit blijkt dat voortzetting van het project of de projecten ook zonder de verstrekking van middelen uit de Interreg-fondsen mogelijk is. Als de conceptnota met betrekking tot een of meer grote infrastructuurprojecten niet binnen de vastgestelde termijn aan de Commissie is toegezonden, kan de Commissie verlangen dat de voorzitter van het toezichtcomité of het directiecomité de betrokken projecten van de agenda van de vergadering schrapt. [Am. 196]

Artikel 56

Aanbestedingen

1.  Wanneer voor de uitvoering van een concrete actie aanbestedingen van diensten, leveringen of werken door een begunstigde nodig zijn, zijn de volgende regels van toepassing:

a)  als de begunstigde een aanbestedende overheidsdienst of een aanbestedende instantie is in de zin van recht van de Unie dat van toepassing is op openbare aanbestedingsprocedures, kan hij nationale wetten, voorschriften en administratieve bepalingen toepassen die zijn goedgekeurd in samenhang met recht van de Unie;

b)  indien de begunstigde een overheidsinstantie van een partnerland in het kader van IPA III of NDICI is waarvoor de medefinanciering is overgedragen aan de beheersautoriteit, kan hij nationale wetten, voorschriften en administratieve bepalingen toepassen, mits de financieringsovereenkomst dit mogelijk maakt en de opdracht wordt gegund aan de economisch voordeligste inschrijving of, indien van toepassing, aan de goedkoopste inschrijving, waarbij belangenconflicten vermeden worden.

2.  Voor het plaatsen van goederen, werkzaamheden of diensten in alle andere gevallen dan die bedoeld in lid 1, zijn de aanbestedingsprocedures in het kader van de artikelen [178] en [179] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] en hoofdstuk 3 van bijlage 1 (punten 36 tot en met 41) bij die verordening van toepassing.

Artikel 57

Financieel beheer

De besluiten van de Commissie tot goedkeuring van de Interreg-programma's die ook worden ondersteund door een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie, voldoen aan de voorwaarden voor de vaststelling van financieringsbesluiten zoals bedoeld in artikel [110, lid 2,] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus].

Artikel 58

Sluiting van financieringsovereenkomsten in gedeeld beheer

1.  Met het oog op de uitvoering van een Interreg-programma in een derde land, partnerland of LGO, in overeenstemming met artikel [112, lid 4,] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] wordt een financieringsovereenkomst tussen de Commissie namens de Unie en elk deelnemend derde land, partnerland of LGO, dat wordt vertegenwoordigd in overeenstemming met zijn nationale rechtskader.

2.  Elke financieringsovereenkomst wordt uiterlijk op 31 december van het jaar volgende op het jaar waarin de eerste vastlegging in de begroting is gedaan, gesloten en wordt geacht te zijn gesloten op de datum waarop de laatste partij de overeenkomst ondertekend heeft.

Een financieringsovereenkomst treedt in werking:

a)  wanneer de laatste partij de overeenkomst ondertekend heeft; of

b)  wanneer het derde land, partnerland of LGO de ratificatieprocedure volgens zijn nationale rechtskader heeft afgerond en de Commissie hiervan in kennis heeft gesteld.

3.  Wanneer meer dan één derde land, partnerland of LGO betrokken zijn bij een Interreg-programma moet vóór die datum ten minste één financieringsovereenkomst worden ondertekend door beide partijen. De andere derde landen, partnerlanden of LGO's kunnen respectieve financieringsovereenkomsten uiterlijk op 30 juni van het tweede jaar volgende op het jaar waarin de eerste vastlegging in de begroting is gedaan, ondertekenen.

4.  De lidstaat waar de beheersautoriteit van het relevante Interreg-programma gevestigd is:

a)  kan de financieringsovereenkomst ook ondertekenen; of

b)  ondertekent, op dezelfde datum, een uitvoeringsovereenkomst met elk derde land, partnerland of LGO dat deelneemt aan dat Interreg-programma, waarin de wederzijdse rechten en verplichtingen met betrekking tot de uitvoering en het financieel beheer ervan zijn vastgelegd.

Bij de verzending van het ondertekende exemplaar van de financieringsovereenkomst of een kopie van de uitvoeringsovereenkomst aan de Commissie, zendt de lidstaat waar de beheersautoriteit is gevestigd, ook een apart document met een lijst van de geplande grote infrastructuurprojecten als bedoeld in artikel 55, met vermelding van de voorgenomen naam, locatie, begroting en eerstverantwoordelijke partner daarvan.

5.  Een overeenkomstig lid 4, onder b), ondertekende uitvoeringsovereenkomst omvat ten minste de volgende elementen:

a)  gedetailleerde regelingen voor betalingen;

b)  financieel beheer;

c)  bijhouden van bescheiden;

d)  de rapportageverplichtingen;

e)  verificaties, controles en audits;

f)  onregelmatigheden en terugvorderingen.

6.  Wanneer de lidstaat waar de beheersautoriteit van het Interreg-programma gevestigd is, besluit tot ondertekening van de financieringsovereenkomst overeenkomstig van lid 4, onder a), wordt de financieringsovereenkomst beschouwd als een instrument voor de uitvoering van de begroting van de Unie overeenkomstig de bepalingen van het Financieel Reglement en niet als een internationale overeenkomst als bedoeld in de artikelen 216 tot en met 219 VWEU.

Artikel 59

Andere bijdragen van derde landen, partnerlanden of LGO's dan medefinanciering

1.  Wanneer een derde land, partnerland of LGO een andere financiële bijdrage aan het Interreg-programma dan zijn medefinanciering van de steun van de Unie aan het Interreg-programma overmaakt aan de beheersautoriteit worden de voorschriften met betrekking tot de financiële bijdrage opgenomen in het volgende document:

a)  wanneer de lidstaat de financieringsovereenkomst uit hoofde van artikel 58, lid 4, onder a), ondertekent in een afzonderlijke uitvoeringsovereenkomst die hetzij wordt ondertekend tussen de lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is, en het derde land, partnerland of LGO, hetzij rechtstreeks tussen de beheersautoriteit en de bevoegde autoriteit in het derde land, partnerland of LGO;

b)  wanneer de lidstaat een uitvoeringsovereenkomst ondertekend overeenkomstig artikel 58, lid 4, onder b), voor een van de volgende elementen:

i)  een specifiek deel van die uitvoeringsovereenkomst; of

ii)  een aanvullende uitvoeringsovereenkomst die is ondertekend door dezelfde partijen waarnaar onder a) wordt verwezen.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder b), i), kunnen delen van de overeenkomst, indien van toepassing, zowel de overgedragen financiële bijdrage als de steun van de Unie aan het Interreg-programma bestrijken.

2.  Een uitvoeringsovereenkomst uit hoofde van lid 1 bevat ten minste de elementen betreffende de in artikel 58, lid 5, genoemde medefinanciering van het derde land, partnerland, of LGO.

Daarnaast bevat de uitvoeringsovereenkomst de volgende twee elementen:

a)  het bedrag van de aanvullende financiële bijdrage;

b)  het beoogde gebruik en de voorwaarden voor het gebruik ervan, met inbegrip van de voorwaarden voor aanvragen voor die aanvullende bijdrage.

3.  Met betrekking tot het Peace-Plus-programma maakt de financiële bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan activiteiten van de Unie in de vorm van externe bestemmingsontvangsten als bedoeld in [artikel 21, lid 2, onder e)] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] deel uit van de begrotingskredieten voor rubriek 2 "Cohesie en waarden", subplafond "Economische, sociale en territoriale samenhang".

Deze bijdrage wordt onderworpen aan een specifieke financieringsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 58. De Commissie en het Verenigd Koninkrijk, alsook Ierland zijn partijen bij deze specifieke financieringsovereenkomst.

Deze overeenkomst moet worden ondertekend vóór het begin van de uitvoering van het programma zodat de speciale instantie voor EU-programma's alle wetgeving van de Unie voor de uitvoering van het programma kan toepassen.

HOOFDSTUK IX

Specifieke bepalingen voor direct of indirect beheer

Artikel 60

Samenwerking met ultraperifere gebieden

1.  Indien na raadpleging van de belanghebbenden een Interreg-programma van component 3 gedeeltelijk of geheel in indirect beheer wordt uitgevoerd overeenkomstig respectievelijk artikel 53, lid 3, onder b), of artikel 53, lid 3, onder c), van deze verordening, worden de uitvoeringstaken toevertrouwd aan een van de instanties die zijn vermeld in [artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c),] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus], met name aan een dergelijke instantie die gevestigd is in de deelnemende lidstaat, met inbegrip van de beheersautoriteit van het betrokken Interreg-programma. [Am. 197]

2.  In overeenstemming met [artikel 154, lid 6, onder c)] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] kan de Commissie besluiten niet over te gaan tot een in de leden 3 en 4 van dat artikel bedoelde ex-antebeoordeling wanneer de begrotingsuitvoeringstaken, zoals bedoeld in [artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] zijn toevertrouwd aan een beheersautoriteit van een Interreg-programma voor ultraperifere gebieden dat is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 37, lid 1, van deze verordening en in overeenstemming met artikel [65] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].

3.  Wanneer in [artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c),] van Verordening [FR-Omnibus] bedoelde begrotingsuitvoeringstaken zijn toevertrouwd aan een lidstaatsorganisatie, is artikel [157] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] van toepassing.

4.  Wanneer een door een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden medegefinancierd(e) programma of actie wordt uitgevoerd door een derde land, partnerland of LGO of door een van de andere instanties die in [artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c),] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] zijn vermeld of waarnaar in Verordening (EU) [NDICI] en/of Besluit van de Raad [het LGO-besluit] wordt verwezen, zijn de desbetreffende bepalingen van deze instrumenten van toepassing, en met name de hoofdstukken I, III en V van titel II van Verordening (EU) [NDICI].

Artikel 61

Investeringen in interregionale innovatie

Op initiatief van de Commissie kan het EFRO steun verlenen aan investeringen in interregionale innovatie, zoals omschreven in artikel 3, lid 5, waarbij onderzoekers, bedrijven, het maatschappelijk middenveld en overheden samen worden gebracht die betrokken zijn bij op nationaal of regionaal niveau vastgestelde strategieën voor slimme specialisatie. [Am. 198]

Artikel -61 bis

Vrijstelling van aanmeldingsverplichting overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU

De Commissie kan verklaren dat steun voor projecten voor Europese territoriale samenwerking die door de EU worden ondersteund, verenigbaar is met de interne markt en niet onderworpen is aan de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU. [Am. 199]

HOOFDSTUK X

Slotbepalingen

Artikel 62

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De bevoegdheid om de in artikel 16, lid 6, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend met ingang van [de dag na de bekendmaking = datum van inwerkingtreding] tot en met 31 december 2027.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 16, lid 6, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 16, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met [twee maanden] verlengd.

Artikel 63

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel [108, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] ingestelde comité. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 64

Overgangsbepalingen

Verordening (EU) nr. 1299/2013 of handelingen die op grond daarvan zijn vastgesteld, blijven van toepassing op programma's en concrete acties die worden gesteund door het EFRO in de programmeringsperiode 2014-2020.

Artikel 65

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

MODEL VOOR INTERREG-PROGRAMMA'S

CCI

[15 tekens]

Titel

[255]

Versie

 

Eerste jaar

[4]

Laatste jaar

[4]

Subsidiabel vanaf

 

Subsidiabel tot en met

 

Nummer van het besluit van de Commissie

 

Datum van het besluit van de Commissie

 

Nummer van het besluit tot wijziging van het programma

[20]

Datum inwerkingtreding van het besluit tot wijziging van het programma

 

Onder het programma vallende NUTS-regio's

 

Component van Interreg

 

1.  Programmastrategie: belangrijkste ontwikkelingsproblemen en beleidsreacties

1.1.  Programmagebied (niet vereist voor Interreg-programma's van component 4)

Referentie: artikel 17, lid 4, onder a), artikel 17, lid 9, onder a)

Tekstveld [2 000]

1.2.  Samenvatting van de belangrijkste gemeenschappelijke problemen, rekening houdend met economische, sociale en territoriale ongelijkheden, gezamenlijke investeringsbehoeften en complementair met andere vormen van steun, geleerde lessen uit ervaringen uit het verleden en macroregionale strategieën en zeegebiedstrategieën, indien het programmagebied als geheel of gedeeltelijk door één of meer strategieën wordt gedekt.

Referentie: Artikel 17, lid 4, onder b), Artikel 17, lid 9, onder b)

Tekstveld [50 000]

1.3.  Motivering van de selectie van beleidsdoelstellingen en specifieke doelstellingen voor Interreg, bijbehorende prioriteiten, specifieke doelstellingen en de vormen van steun, waarbij indien nodig ontbrekende schakels in de grensoverschrijdende infrastructuur worden aangepakt

Referentie: artikel 17, lid 4, onder c)

Tabel 1

Geselecteerde beleids­doelstelling of specifieke doelstelling voor Interreg

Geselecteerde specifieke doelstelling

Prioriteit

Motivering van de selectie

 

 

 

[2 000 per doelstelling]

2.  Prioriteiten [300]

Referentie: artikel 17, lid 4, onder d) en e)

2.1.  Titel van de prioriteit (herhaald voor elke prioriteit)

Referentie: artikel 17, lid 4, onder d)

Tekstveld: [300]

[ ] Dit is een prioriteit in het kader van een overdracht uit hoofde van artikel 17, lid 3

2.1.1.  Specifieke doelstelling (herhaald voor elke geselecteerde specifieke doelstelling, voor andere prioriteiten dan technische bijstand)

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e)

2.1.2  Gerelateerde types acties, met inbegrip van een lijst met geplande concrete acties van strategisch belang, en hun bijdrage aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale en zeegebiedstrategieën, indien van toepassing

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e), i), en lid 9, onder c), ii)

Tekstveld [7 000]

Lijst met geplande concrete acties van strategisch belang

Tekstveld [2 000]

Voor Interreg-programma's van component 4:

Referentie: artikel 17, lid 9, onder c), i)

Definitie van één enkele begunstigde of een beperkte lijst van begunstigden en de toekenningsprocedure

Tekstveld [7 000]

2.1.3  Indicatoren

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e), ii), artikel 17, lid 9, onder c), iii)

Tabel 2: Outputindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling

ID

[5]

Indicator

Meeteenheid

[255]

Mijlpaal (2024)

[200]

Uiteindelijk streefdoel (2029)

[200]

Tabel 3: Resultaatindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling

ID

Indicator

Meeteenheid

Uitgangs­waarde

Referentie­jaar

Uiteindelijk streefdoel (2029)

Gegevens­bron

Opmerkingen

2.1.4  De voornaamste doelgroepen

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e), iii), artikel 17, lid 9, onder c), iv)

Tekstveld [7 000]

2.1.5  Beoogde specifieke gebieden, met inbegrip van het geplande gebruik van ITI, CLLD of andere territoriale instrumenten

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e), iv)

Tekstveld [7 000]

2.1.6  Gepland gebruik van financieringsinstrumenten

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e), v)

Tekstveld [7 000]

2.1.7  Indicatieve uitsplitsing van de EU-programmamiddelen naar interventietype

Referentie: artikel 17, lid 4, onder e), vi), artikel 17, lid 9, onder c), v)

Tabel 4: Dimensie 1 – steunverleningsgebied

Nr. van de prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

Tabel 5: Dimensie 2 – financieringsvorm

Nr. van de prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

Tabel 6: Dimensie 3 – territoriale uitvoeringsmechanismen en territoriale focus

Nr. van de prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

2.T. Prioriteit voor technische bijstand

Referentie: Artikel 17, lid 4, onder f), ETS

Tekstveld [8 000]

Nr. van de prioriteit

Fonds

Code

Bedrag (in EUR)

3.  Financieringsplan

Referentie: artikel 17, lid 4, onder g)

3.1  Financiële toewijzingen per jaar

Referentie: artikel 17, lid 4, onder g), i), artikel 17, lid 5, onder a), i)‑iv)

Tabel 7

Fonds

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III CBC(28)

 

 

 

 

 

 

 

 

Nabuurschap CBC(29)

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III(30)

 

 

 

 

 

 

 

 

NDICI(31)

 

 

 

 

 

 

 

 

OCTP Groenland(32)

 

 

 

 

 

 

 

 

OCTP(33)

 

 

 

 

 

 

 

 

Interreg-fondsen(34)

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

3.2  Totale financiële toewijzingen per fonds en nationale medefinanciering

Referentie: artikel 17, lid 4, onder g), ii), artikel 17, lid 5, onder a), i)‑iv), artikel 17, lid 5, onder b)

Tabel 8*

BD-nr. of TB

Prioriteit

Fonds

(voorzover van toepassing)

Berekeningsgrondslag voor de EU-steun (totaal of publiek)

EU-bijdrage

(a)

Nationale bijdrage

(b)=(c)+(d)

Indicatieve uitsplitsing van de nationale bijdrage

Totaal

(e)=(a)+(b)

Medefinancierings­percentage

(f)=(a)/(e)

Bijdragen van derde landen

(ter informatie)

Nationale overheid

(c)

Nationaal particulier

(d)

 

Prioriteit 1

EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III CBC(35)

 

 

 

 

 

 

 

 

Nabuurschap CBC(36)

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III(37)

 

 

 

 

 

 

 

 

NDICI(38)

 

 

 

 

 

 

 

 

OCTP Groenland(39)

 

 

 

 

 

 

 

 

OCTP(40)

 

 

 

 

 

 

 

 

Interreg-fondsen(41)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prioriteit 2

(fondsen als hierboven)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

Alle fondsen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nabuurschap CBC

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NDICI

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

OCTP Groenland

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

OCTP

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Interreg-fondsen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

Alle fondsen

 

 

 

 

 

 

 

 

* Voorafgaand aan de tussentijdse evaluatie omvat deze tabel enkel de bedragen met betrekking tot de jaren 2021‑2025.

4.  Maatregel die is genomen om de relevante partners te betrekken bij de opstelling van het Interreg-programma en de rol van die programmapartners bij de uitvoering, het toezicht en de evaluatie

Referentie: artikel 17, lid 4, onder h)

Tekstveld [10 000]

5.  Aanpak van de communicatie en zichtbaarheid voor het Interreg-programma, met inbegrip van de geplande begroting

Referentie: artikel 17, lid 4, onder i)

Tekstveld [10 000]

6.  Uitvoeringsbepalingen

6.1.  Programma-autoriteiten

Referentie: artikel 17, lid 7, onder a)

Tabel 10

Programma-autoriteiten

Naam van de instelling [255]

Naam van de contactpersoon [200]

E-mail [200]

Beheersautoriteit

 

 

 

Nationale autoriteit (voor programma's met deelnemende derde landen, indien van toepassing)

 

 

 

Auditautoriteit

 

 

 

Groep auditors die is samengesteld uit vertegenwoordigers (voor programma's met deelnemende derde landen, indien van toepassing)

 

 

 

Instantie waaraan de Commissie de betalingen verricht

 

 

 

6.2.  Procedure voor het instellen van het gezamenlijke secretariaat

Referentie: artikel 17, lid 7, onder b)

Tekstveld [3 500]

6.3  Verdeling van de aansprakelijkheden onder de deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen en LGO's, in het geval van financiële correcties die door de beheersautoriteit of de Commissie worden opgelegd

Referentie: artikel 17, lid 7, onder c)

Tekstveld [10 500]

AANHANGSELS

—  Kaart van het programmagebied

—  Terugbetaling van subsidiabele uitgaven van de Commissie aan de lidstaat op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

—  Financiering die geen verband houdt met kosten

Aanhangsel 1: Kaart van het programmagebied

Aanhangsel 2: Terugbetaling van subsidiabele uitgaven van de Commissie aan de lidstaat op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

Terugbetaling van subsidiabele uitgaven van de Commissie aan de lidstaat op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(Artikel 88 van de GB‑verordening)

Datum voor de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

A.  Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Het geraamde aandeel van de totale financiële toewijzing binnen de prioriteit waarop de SCO zal worden toegepast in % (raming)

Type(s) concrete actie

Bijbehorende naam (namen) van de indicator

Meeteenheid voor de indicator

Type SCO (standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages)

Bijbehorende standaardschalen van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

 

 

Code

Beschrijving

Code

Beschrijving

 

 

 

B.  Bijzonderheden per type concrete actie (in te vullen voor elk type concrete actie)

Heeft de beheersautoriteit steun ontvangen van een extern bedrijf om de onderstaande vereenvoudigde kosten op te stellen?

Zo ja, gelieve te specificeren welk extern bedrijf: Ja/Nee — Naam van het externe bedrijf

Types concrete actie:

1.1.  Beschrijving van het type concrete actie

 

1.2  Betrokken prioriteit/specifieke doelstelling(en)

 

1.3  Naam van de indicator(42)

 

1.4  Meeteenheid voor de indicator

 

1.5  Standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.6  Bedrag

 

1.7  Categorieën kosten die worden gedekt door eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.8  Bestrijken deze categorieën kosten alle subsidiabele uitgaven van de concrete actie? (J/N)

 

1.9  Verrekeningsmethode

 

1.10  Verificatie van de verwezenlijking van de meeteenheid

—  beschrijf welke documenten zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van de meeteenheid te verifiëren

—  beschrijf wat zal worden gecontroleerd tijdens de beheersverificaties (met inbegrip van verificaties ter plaatse) en door wie

—  beschrijf wat de regelingen zijn om de gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan

 

1.11  Mogelijk averechtse prikkels of problemen als gevolg van deze indicator, de wijze waarop deze kunnen worden verminderd, en het geraamde risiconiveau

 

1.12  Totaalbedrag (nationale en EU) dat naar verwachting zal worden vergoed

 

C: Berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

1.   Bron van de gegevens die worden gebruikt voor de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages (wie de gegevens heeft geproduceerd, verzameld en geregistreerd; waar de gegevens zijn opgeslagen; vervaldata; validering, enz.):

2.   Gelieve aan te geven waarom de voorgestelde methode en berekening relevant zijn voor het type concrete actie:

3.   Gelieve aan te geven hoe de berekeningen werden gemaakt, met name door eventuele veronderstellingen ten aanzien van kwaliteit of hoeveelheden te beschrijven. Indien relevant moeten statistische bewijzen en referentiewaarden worden gebruikt en bij deze bijlage worden gevoegd in een formaat dat kan worden gebruikt door de Commissie:

4.  Gelieve uit te leggen hoe u ervoor heeft gezorgd dat alleen subsidiabele uitgaven zijn opgenomen in de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages:

5.  Beoordeling door de auditautoriteit(en) van de berekeningsmethode, de bedragen en de regelingen om de verificatie, kwaliteit, verzameling en opslag van gegevens te waarborgen:

Aanhangsel 3: Financiering die geen verband houdt met kosten

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(Artikel 89 van de GB-verordening)

Datum voor de indiening van het voorstel

 

Huidige versie

 

A.  Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Het totale bedrag dat wordt gedekt door financiering die geen verband houdt met kosten

Type(s) concrete actie

Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of resultaten die moeten worden behaald

Bijbehorende naam (namen) van de indicator

Meeteenheid voor de indicator

 

 

 

 

 

Code

Beschrijving

 

Het totale bedrag dat wordt gedekt

 

 

 

 

 

 

 

B.  Bijzonderheden per type concrete actie (in te vullen voor elk type concrete actie)

Types concrete actie:

1.1.  Beschrijving van het type concrete actie

 

1.2  Betrokken prioriteit/specifieke doelstelling(en)

 

1.3  Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of te behalen resultaten

 

1.4  Termijn om aan de voorwaarden te voldoen of de resultaten te behalen

 

1.5  Definitie van de indicator van de prestaties

 

1.6  Meeteenheid voor indicator van de prestaties

 

1.7  Tussentijdse prestaties (indien van toepassing) die aanleiding geven tot terugbetaling door de Commissie met tijdschema voor terugbetaling

Tussentijdse prestaties

Datum

Bedragen

1.8  Totaalbedrag (met inbegrip van EU- en nationale financiering)

 

1.9  Verrekeningsmethode

 

1.10  Verificatie van de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde (en, waar van toepassing, de tussentijdse prestaties)

—  beschrijf welke documenten zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde te verifiëren

—  beschrijf wat zal worden gecontroleerd tijdens de beheersverificaties (met inbegrip van verificaties ter plaatse) en door wie

—  beschrijf welke regelingen er zijn om de gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan

 

1.11  Regelingen om het auditspoor te waarborgen

Vermeld de instantie(s) die verantwoordelijk is (zijn) voor deze regelingen.

 

(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 116.
(2) PB C 86 van 7.3.2019, blz. 137.
(3) Dit standpunt stemt overeen met de amendementen die zijn aangenomen op 16 januari 2019 (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0021).
(4)PB C 440 van 6.12.2018, blz. 116.
(5)PB C 86 van 7.3.2019, blz. 137.
(6) Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2019.
(7) [Referentie].
(8)[Referentie].
(9)Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, "Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU", COM(2017)0534 van 20.9.2017.
(10)Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 19).
(11)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Versterking van innovatie in de Europese regio's: strategieën voor veerkrachtige, inclusieve en duurzame groei", COM(2017) 376 final van 18.7.2017.
(12)Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
(13)Verordening (EU) XXX tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (PB L xx van xx.xx.xxxx, blz. y).
(14)Verordening (EU) XXX tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (PB L xx van xx.xx.xxxx, blz. y).
(15)Besluit (EU) XXX van de Raad betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie, enerzijds, en Groenland en het Koninkrijk Denemarken, anderzijds (PB L xx van xx.xx.xxxx, blz. y).
(16)Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden (PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30).
(17)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Investeringsbank - Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU, COM(2017)0623 van 24.10.2017.
(18) Advies van het Europees Comité van de Regio's over people-to-people- en kleinschalige projecten in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking van 12 juli 2017 (PB C 342 van 12.10.2017, blz. 38).
(19)Advies van het Europees Comité van de Regio's over people-to-people- en kleinschalige projecten in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking van 12 juli 2017 (PB C 342 van 12.10.2017, blz. 38).
(20)Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 van de Commissie van 4 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot specifieke regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven voor samenwerkingsprogramma's (PB L 138 van 13.5.2014, blz. 45).
(21)[Referentie].
(22)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(23) Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).
(24) Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 (PB C 209 van 23.7.2013, blz. 1).
(25)Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).
(26)Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 124 van 25.4.2014, blz. 1).
(27)Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).
(28)Component 1, externe grensoverschrijdende samenwerking.
(29)Component 1, externe grensoverschrijdende samenwerking.
(30)Componenten 2 en 4.
(31)Componenten 2 en 4.
(32)Componenten 2 en 4.
(33)Componenten 3 en 4.
(34)EFRO, IPA III, NDICI of OCTP, indien als één bedrag in het kader van de componenten 2 en 4.
(35)Component 1, externe grensoverschrijdende samenwerking.
(36)Component 1, externe grensoverschrijdende samenwerking.
(37)Componenten 2 en 4.
(38)Componenten 2 en 4.
(39)Componenten 2 en 4.
(40)Componenten 3 en 4.
(41)EFRO, IPA III, NDICI of OCTP, indien als één bedrag in het kader van de componenten 2 en 4.
(42)Er zijn verschillende aanvullende indicatoren (bijvoorbeeld een outputindicator en resultaatindicator) mogelijk voor één type concrete actie. In deze gevallen moeten de velden 1.3 t/m 1.11 worden ingevuld voor elke indicator.


Grondrechten van mensen van Afrikaanse afkomst
PDF 136kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over de mensenrechten van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa (2018/2899(RSP))
P8_TA(2019)0239B8-0212/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name de tweede en de vierde tot en met de zevende alinea van de preambule, artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede alinea, en artikel 6,

–  gezien de artikelen 10 en 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(1),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(2),

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(3),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad(4),

–  gezien de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU‑MIDIS II), die in december 2017 werd gepubliceerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), en het verslag van het FRA over ervaringen van mensen van Afrikaanse afkomst met rassendiscriminatie en racistisch geweld in de EU(5),

–  gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2016(6),

–  gezien de oprichting in juni 2016 van de EU-groep op hoog niveau voor de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid,

–  gezien de gedragscode ter bestrijding van onrechtmatige haatuitingen op het internet, die de Commissie en grote IT-bedrijven alsmede andere platforms en socialemediabedrijven op 31 mei 2016 overeengekomen zijn,

–  gezien algemene aanbeveling nr. 34 van 3 oktober 2011 van de VN-Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie betreffende rassendiscriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst,

–  gezien resolutie 68/237 van de Algemene Vergadering van de VN van 23 december 2013, waarin de periode 2015-2024 is uitgeroepen tot het internationaal decennium voor mensen van Afrikaanse herkomst,

–  gezien resolutie 69/16 van de Algemene Vergadering van de VN van 18 november 2014 houdende het activiteitenprogramma voor de tenuitvoerlegging van het internationaal decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst,

–  gezien de verklaring van Durban en het actieprogramma van de internationale conferentie van 2001 over racisme, waarin wordt erkend dat mensen van Afrikaanse afkomst al eeuwenlang te maken hebben met racisme, discriminatie en onrecht,

–  gezien de algemene beleidsaanbevelingen van de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI),

–  gezien de aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 19 september 2001 betreffende de Europese code voor politie-ethiek(7),

–  gezien de mensenrechtennota van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa van 25 juli 2017, getiteld "Afrophobia: Europe should confront this legacy of colonialism and the slave trade",

–  gezien protocol nr. 12 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) inzake non-discriminatie,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de mensenrechten van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa (O-000022/2019 – B8‑0016/2019),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat naast "mensen van Afrikaanse afkomst" ook begrippen worden gebruikt als "Afro-Europese", "Afrikaans-Europese" of "Afro-Caribische" mensen, en dat daarmee personen van Afrikaanse afkomst of personen met Afrikaanse voorouders worden aangeduid die geboren zijn in Europa, Europees burger zijn of in Europa wonen;

B.  overwegende dat de begrippen "afrofobie", "afrifobie" en "tegen mensen met een donkere huidskleur gericht racisme" duiden op een specifieke vorm van racisme, met inbegrip van geweld en discriminatie, die zijn voedingsbodem heeft in misstanden uit het verleden en negatieve stereotypering, en die leidt tot uitsluiting en ontmenselijking van personen van Afrikaanse afkomst; overwegende dat dergelijke praktijken een gelijkenis vertonen met de repressieve structuren uit de tijd van het kolonialisme en de trans-Atlantische slavenhandel en dat dit ook door de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa wordt erkend;

C.  overwegende dat er naar schatting 15 miljoen mensen van Afrikaanse afkomst in Europa wonen(8), maar dat gelijkheidsgegevens in de EU-lidstaten niet systematisch worden verzameld, dat de gegevens niet gebaseerd zijn op zelfidentificatie, en dat migranten van de tweede of derde generatie of nog latere generaties vaak niet worden meegeteld;

D.  overwegende dat volgens het FRA met name minderheden die afkomstig zijn uit Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara te maken krijgen met racisme en discriminatie op alle gebieden van het leven(9);

E.  overwegende dat uit de onlangs door het FRA uitgevoerde tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU‑MIDIS II)(10) blijkt dat jonge respondenten van Afrikaanse afkomst in de leeftijdscategorie 16-24 jaar in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête vaker te maken kregen met door haat ingegeven intimidatie (32 %) dan oudere respondenten, en dat cyberintimidatie het vaakst voorkomt bij jonge respondenten en afneemt naarmate de leeftijd stijgt;

F.  overwegende dat de geschiedenis talloze voorbeelden kent van onrecht tegen Afrikanen en personen van Afrikaanse afkomst, waaronder slavernij, gedwongen arbeid, apartheid, bloedbaden en genociden in het kader van het Europese kolonialisme en de trans-Atlantische slavenhandel, maar dat deze misstanden in de lidstaten op institutioneel niveau nog altijd nauwelijks worden erkend en grotendeels worden genegeerd;

G.  overwegende dat bij bepaalde Europese tradities, zoals het zwart schminken van gezichten, wordt vastgehouden aan discriminerende stereotypen, waardoor diepgewortelde stereotyperingen van mensen van Afrikaanse afkomst blijven bestaan, hetgeen het gevaar van discriminatie verergert;

H.  overwegende dat het belangrijke werk van nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling en van het Europees netwerk van nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling (Equinet) moet worden toegejuicht en ondersteund;

I.  overwegende dat uit het jaarverslag van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de OVSE (ODIHR) over haatmisdrijven(11) blijkt dat mensen van Afrikaanse afkomst dikwijls het slachtoffer zijn van racistisch geweld, maar dat er in veel landen geen juridische bijstand of financiële ondersteuning wordt geboden aan de slachtoffers van dergelijke gewelddadige aanvallen;

J.  overwegende dat de regeringen de primaire verantwoordelijkheid dragen voor de eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten van hun burgers, en overwegende dat de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen en monitoren van geweld, waaronder afrofoob geweld, en voor het vervolgen van personen die zich daaraan schuldig maken derhalve ook op de regeringen rust;

K.  overwegende dat er slechts in beperkte mate gegevens beschikbaar zijn over rassendiscriminatie in het onderwijs; overwegende dat echter is gebleken dat kinderen van Afrikaanse afkomst in de lidstaten lagere cijfers krijgen dan hun blanke klasgenoten en dat het percentage vroegtijdige schoolverlaters onder kinderen van Afrikaanse afkomst hoger ligt(12);

L.  overwegende dat volwassenen en kinderen van Afrikaanse afkomst in hechtenis steeds vaker het slachtoffer worden van tal van geweldsincidenten, meermaals met dodelijke afloop; overwegende dat machtsmisbruik aan de orde van de dag is doordat raciale profilering en discriminerende aanhouding, fouillering en controle routinematig worden ingezet in het kader van rechtshandhaving, misdaadpreventie;

M.  overwegende dat er rechtsmiddelen tegen discriminatie bestaan en dat er krachtig en specifiek beleid nodig is om structurele discriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa tegen te gaan, onder meer op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs, gezondheid, het strafrechtelijk systeem en politieke participatie en wat betreft de gevolgen van beleid en praktijken op het gebied van migratie en asiel;

N.  overwegende dat personen van Afrikaanse afkomst op de Europese woningmarkt worden gediscrimineerd en veelal in arme wijken terechtkomen, waar de huizen klein en van slechte kwaliteit zijn en dat er dus sprake is van ruimtelijke segregatie;

O.  overwegende dat mensen van Afrikaanse afkomst in de loop van de geschiedenis een aanzienlijke bijdrage hebben geleverd aan de opbouw van de Europese samenleving, maar op de arbeidsmarkt vaak worden gediscrimineerd;

P.  overwegende dat mensen van Afrikaanse afkomst onevenredig vaak tot de lagen van de Europese bevolking behoren met de laagste inkomens;

Q.  overwegende dat mensen van Afrikaanse afkomst in de Europese Unie sterk ondervertegenwoordigd zijn in de politieke en wetgevende instellingen, zowel op Europees niveau als op nationaal en lokaal niveau;

R.  overwegende dat het nog altijd voorkomt dat Europese of nationale politici van Afrikaanse afkomst in de publieke ruimte op schandelijke wijze worden aangevallen;

S.  overwegende dat het racisme en de discriminatie waar mensen van Afrikaanse afkomst mee te maken krijgen een structureel karakter hebben en dikwijls samengaan met andere vormen van discriminatie en onderdrukking op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid;

T.  overwegende er in Europa de laatste tijd steeds meer gerichte afrofobe aanvallen plaatsvinden tegen onderdanen van derde landen, met name vluchtelingen en migranten;

1.  verzoekt de lidstaten en de Europese instellingen te erkennen dat mensen van Afrikaanse afkomst te maken hebben met racisme, discriminatie en vreemdelingenhaat, en in zijn algemeenheid minder in staat zijn om hun mensenrechten en grondrechten uit te oefenen, en dat er dus sprake is van structureel racisme; verzoekt de lidstaten en de Europese instellingen voorts te erkennen dat mensen van Afrikaanse afkomst, als individu en als groep, recht hebben op bescherming tegen deze ongelijkheden, onder meer door de vaststelling van positieve maatregelen ter bevordering van de volledige en gelijke uitoefening van hun rechten;

2.  is van mening dat actieve en betekenisvolle sociale, economische, politieke en culturele participatie door mensen van Afrikaanse afkomst essentieel is voor het aanpakken van afrofobie en voor het waarborgen van de sociale inclusie van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa;

3.  roept de Commissie op een EU-kader te ontwikkelen voor nationale strategieën voor de integratie en sociale inclusie van mensen van Afrikaanse afkomst;

4.  is fel gekant tegen alle fysieke en verbale aanvallen op mensen van Afrikaanse afkomst, of deze nu plaatsvinden in het openbaar of in de privésfeer;

5.  spoort de EU-instellingen en de lidstaten aan de geschiedenis van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa formeel te erkennen, met inbegrip van in het verleden en het heden begane wandaden en misdrijven tegen de menselijkheid, zoals slavernij, de trans-Atlantische slavenhandel en andere misstanden ten tijde van het Europees kolonialisme, maar ook de belangrijke prestaties en positieve bijdragen van mensen van Afrikaanse afkomst, en er aandacht aan te schenken middels de officiële erkenning op Europees en nationaal niveau van de internationale dag voor de herdenking van de slachtoffers van slavernij en de trans-Atlantische slavenhandel, en de instelling van Black History Months;

6.  roept de lidstaten en de Europese instellingen op officieel aandacht te schenken aan het door de VN uitgeroepen internationaal decennium voor mensen van Afrikaanse herkomst en doeltreffende maatregelen te nemen met het oog op de uitvoering van het activiteitenprogramma daarvan in een geest van erkenning, gerechtigheid en ontwikkeling;

7.  herinnert eraan dat sommige lidstaten inspanningen hebben geleverd om zinvolle en doeltreffende rechtsmiddelen in te voeren met het oog op in het verleden begane wandaden en misdrijven tegen de menselijkheid die gericht waren tegen mensen van Afrikaanse afkomst, in gedachten houdend dat de gevolgen ervan ook nu nog merkbaar zijn;

8.  verzoekt de EU-instellingen en de overige lidstaten dit voorbeeld te volgen en wijst erop dat dit wellicht gepaard zou moeten gaan met een bepaalde mate van genoegdoening, bijvoorbeeld in de vorm van het publiekelijk aanbieden van excuses of het teruggeven of vergoeden van gestolen goederen aan de landen van herkomst;

9.  dringt er bij de lidstaten op aan hun koloniale archieven vrij te geven;

10.  roept de EU-instellingen en de lidstaten op etnische discriminatie en haatmisdrijven stelselmatig te bestrijden, en met andere belangrijke actoren doeltreffende en empirisch onderbouwde juridische en beleidsmaatregelen te ontwikkelen als antwoord op deze praktijken; is van mening dat er, overeenkomstig de nationale wettelijke kaders en de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming, uitsluitend gegevens over etnische discriminatie en haatmisdrijven verzameld zouden mogen worden om de onderliggende oorzaken van xenofobe en discriminerende uitlatingen en handelingen in kaart te brengen en aan te pakken;

11.  verzoekt de lidstaten nationale racismebestrijdingsstrategieën te ontwikkelen voor de aanpak van de problemen op het gebied van onderwijs, huisvesting, gezondheid, werkgelegenheid, politiewerk, sociale diensten, het rechtsstelsel, politieke participatie en vertegenwoordiging waar mensen van Afrikaanse afkomst mee te maken hebben; verzoekt de lidstaten tevens om ervoor zorgen dat mensen van Afrikaanse afkomst vaker in de media en in televisieprogramma's verschijnen, om zo de ondervertegenwoordiging van mensen van Afrikaanse afkomst en het gebrek aan rolmodellen voor kinderen van Afrikaanse afkomst op adequate wijze aan te pakken;

12.  wijst op de belangrijke rol van organisaties uit het maatschappelijk middenveld in de strijd tegen racisme en discriminatie, en dringt erop aan dat er op Europees, nationaal en lokaal niveau meer financiële middelen voor deze organisaties beschikbaar worden gesteld;

13.  verzoekt de Commissie om zowel in haar lopende financieringsprogramma's als in de programma's die voor de volgende meerjarige periode worden opgezet, aandacht te besteden aan mensen van Afrikaanse afkomst;

14.  roept de Commissie op om binnen de relevante diensten van de Commissie een speciaal team in het leven te roepen met een bijzondere focus op mensen van Afrikaanse afkomst;

15.  verzoekt de lidstaten met klem om het kaderbesluit van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht ten uitvoer te leggen en naar behoren te handhaven, en in het bijzonder de door vooroordelen ingegeven motieven voor misdrijven op grond van ras, nationale afkomst of etnische afkomst in het strafrecht op te nemen als een verzwarende omstandigheid, om zo de registratie, vervolging en bestraffing van en het onderzoek naar haatmisdrijven tegen mensen van Afrikaanse afkomst te garanderen;

16.  verzoekt de lidstaten effectief op haatmisdrijven te reageren en onder meer onderzoek te doen naar de door vooroordelen ingegeven motieven die aan de basis liggen van misdrijven op grond van ras, nationale afkomst of etnische afkomst, en te waarborgen dat haatmisdrijven tegen mensen van Afrikaanse afkomst worden geregistreerd, onderzocht, vervolgd en bestraft;

17.  dringt er bij de lidstaten op aan alle vormen van raciale en etnische profilering in het kader van rechtshandhaving, terrorismebestrijdingsmaatregelen en immigratiecontrole een halt toe te roepen, en onrechtmatige discriminerende praktijken en gewelddaden tegen te gaan door autoriteiten opleidingen te bieden op het gebied van de bestrijding van racisme en vooroordelen;

18.  wenst dat de lidstaten racistische en afrofobe tradities veroordelen en ontmoedigen;

19.  verzoekt de lidstaten te bewaken dat raciale vooroordelen binnen hun strafrechtelijke stelsels, onderwijssystemen en sociale diensten geen rol spelen, en roept de lidstaten op proactieve maatregelen te nemen om gelijke rechtspleging te waarborgen en de betrekkingen tussen rechtshandhavingsinstanties en minderheden te verbeteren, om gelijke toegang tot onderwijs te waarborgen en de betrekkingen tussen onderwijsinstanties en minderheden te verbeteren, en om gelijke toegang tot sociale dienstverlening te waarborgen en de betrekkingen tussen instanties voor sociale dienstverlening en minderheden te verbeteren, met name zwarte gemeenschappen en mensen van Afrikaanse afkomst;

20.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat volwassenen en kinderen van Afrikaanse afkomst gelijke toegang hebben tot kwalitatief hoogwaardige zorg en scholing, zonder discriminatie en segregatie, en waar nodig te voorzien in passende maatregelen op het gebied van leerondersteuning; spoort de lidstaten aan om de geschiedenis van mensen van Afrikaanse afkomst op te nemen in de onderwijscurricula, een volledig beeld te geven van het kolonialisme en de slavernij en daarbij te erkennen dat deze praktijken, zowel in het verleden als in het heden, hun weerslag hebben gehad op mensen van Afrikaanse afkomst, en ervoor te zorgen dat leerkrachten naar behoren zijn opgeleid om dit deel van de geschiedenis te onderwijzen en om te gaan met diversiteit in de klas;

21.  roept de EU-instellingen en de lidstaten op werkgelegenheid, ondernemerschap en initiatieven ter versterking van de economische positie van mensen van Afrikaanse afkomst te stimuleren en te steunen, om de bovengemiddelde werkloosheidspercentages en de discriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst aan te pakken;

22.  dringt er bij de lidstaten op aan om discriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst op de woningmarkt tegen te gaan en concrete maatregelen nemen om de ongelijke toegang tot huisvesting aan te pakken, en passende huisvesting te waarborgen;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat migranten, vluchtelingen en asielzoekers de EU via veilige en reguliere wegen kunnen binnenkomen, daarbij rekening houdend met de bestaande wetgeving en praktijken;

24.  verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden om er op doeltreffende wijze voor te zorgen dat niet wordt samengewerkt met organisaties of groeperingen die zich bezighouden met of anderszins te maken hebben met slavernij, smokkel, foltering en uitbuiting van Afrikaanse migranten of andere migranten met een donkere huidskleur, en dat dergelijke organisaties of groeperingen geen Europese middelen of steun ontvangen;

25.  roept de Europese instellingen op een strategie inzake diversiteit en inclusie op de werkvloer vast te stellen, die, ter aanvulling van bestaande inspanningen, voorziet in een strategisch plan voor de vertegenwoordiging van etnische en raciale minderheden in hun personeelsbestand;

26.  verzoekt de Europese partijen en politieke stichtingen, alsook de parlementen op alle niveaus in de EU, initiatieven ter bevordering van de politieke participatie van mensen van Afrikaanse afkomst te steunen en te ontplooien;

27.  vraagt de Commissie om bij de bestrijding van afrofobie op internationaal niveau nauw samen te werken met internationale actoren zoals de OVSE, de VN, de Afrikaanse Unie en de Raad van Europa, alsmede andere internationale partners;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(2) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(3) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(4) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(5) "Being Black in Europe", november 2018, verslag over geselecteerde resultaten van EU-MIDIS II.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0056.
(7) https://search.coe.int/cm/Pages/result_details.aspx?ObjectID=09000016805e297e
(8) Zie het schaduwverslag 2014-2015 van het Europese Netwerk Tegen Racisme over afrofobie in Europa: http://www.enar-eu.org/IMG/pdf/shadowreport_afrophobia_final_with_corrections.pdf
(9) Zie de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU-MIDIS II) (2017): http://fra.europa.eu/en/publication/2017/eumidis-ii-main-results
(10) Ibidem.
(11) Zie het meest recente, in 2016 gepubliceerde jaarverslag: http://hatecrime.osce.org/2016-data
(12) FRA-advies 11.


Verslag over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking
PDF 406kWORD 157k
Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (2018/2121(INI))
P8_TA(2019)0240A8-0170/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 4 en 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 107, 108, 113, 115 en 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn besluit van 1 maart 2018 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van een Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3)(1),

–  gezien de resolutie van de commissie TAXE van 25 november 2015(2) en de resolutie van de commissie TAX2 van 6 juli 2016(3) over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect,

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie(4),

–  gezien de resultaten van de Enquêtecommissie witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, die op 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie werden voorgelegd(5),

–  gezien de follow-up van de Commissie van elk van de bovengenoemde resoluties,(6)

–  gezien de talrijke onthullingen door onderzoeksjournalisten, zoals LuxLeaks, de Panama Papers, de Paradise Papers en, recenter, de cum-ex-schandalen, evenals de witwaszaken waar in het bijzonder banken in Denemarken, Estland, Duitsland, Letland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk bij betrokken zijn,

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het cum-ex-schandaal: financiële criminaliteit en de mazen in het huidige wetgevingskader(7),

–  gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de bescherming van onderzoeksjournalisten in Europa: de zaak van de Slowaakse journalist Ján Kuciak en Martina Kušnírová(8),

–  gezien de studies die zijn opgesteld door de onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS) getiteld "Citizenship by investment (CBI) and residency by investment (RBI) schemes in the EU: state of play, issues and impacts", "Money laundering and tax evasion risks in free ports and customs warehouses" en "An overview of shell companies in the European Union"(9),

–  gezien de studies getiteld "VAT fraud: economic impact, challenges and policy issues"(10), "Cryptocurrencies and blockchain – Legal context and implications for financial crime, money laundering and tax evasion" en "Impact of Digitalisation on International Tax Matters"(11),

–  gezien de studies van de Commissie naar indicatoren voor agressieve belastingplanning(12),

–  gezien het door de commissie TAX3 verkregen bewijs in 34 hoorzittingen met experts en uitwisselingen van standpunten met commissarissen en ministers en tijdens dienstreizen naar Washington, Riga, het eiland Man, Estland en Denemarken,

–  gezien het gemoderniseerde en robuustere kader voor de vennootschapsbelasting dat tijdens deze zittingsperiode is ingevoerd, met name de richtlijnen bestrijding belastingontwijking (ATAD I(13) en ATAD II(14)) en de evaluaties van de richtlijn administratieve samenwerking(15),

–  gezien de voorstellen van de Commissie, in afwachting van goedkeuring, in het bijzonder die voor gemeenschappelijke (geconsolideerde) heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (C(C)CTB)(16), het digitale belastingpakket(17) en openbare rapportage per land(18), alsmede het standpunt van het Parlement over deze stukken,

–  gezien de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 1 december 1997 over een Groep gedragscode inzake belastingregelingen voor ondernemingen en gezien de regelmatige verslagen van deze groep aan de Raad Ecofin,

–  gezien de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden die de Raad op 5 december 2017 heeft aangenomen en heeft gewijzigd op basis van de voortdurende monitoring van toezeggingen van derde landen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 maart 2018 over de nieuwe eisen tegen belastingontwijking in de EU-wetgeving betreffende met name financiering en investeringen (C(2018)1756),

–  gezien de modernisering van het btw-kader, met name de definitieve btw-regeling,

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2016 over wegen naar een definitief btw-stelsel en bestrijding van btw-fraude(19),

–  gezien het onlangs goedgekeurde nieuwe EU-kader voor de bestrijding van witwaspraktijken, in het bijzonder na de goedkeuring van de vierde(20) en vijfde(21) herziening van de antiwitwasrichtlijn,

–  gezien de door de Commissie tegen 28 lidstaten ingestelde inbreukprocedures wegens het niet naar behoren omzetten van de vierde antiwitwasrichtlijn in nationale wetgeving,

–  gezien het actieplan van de Commissie van 2 februari 2016 ter versterking van de strijd tegen terrorismefinanciering (COM(2016)0050)(22),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 september 2018 over de versterking van het Uniekader voor prudentieel en antiwitwastoezicht voor financiële instellingen (COM(2018)0645),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over de dringende noodzaak om een zwarte lijst van derde landen op te stellen in het kader van de antiwitwasrichtlijn(23),

–  gezien het platform voor de financiële-inlichtingeneenheden van de EU (EU-FIE's) op 15 december 2016 een inventarisatie en analyse van de hiaten heeft gemaakt van de bevoegdheden van de Europese FIE's en hun belemmeringen bij het verkrijgen en uitwisselen van informatie, en gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 26 juni 2017 over de verbetering van de samenwerking tussen financiële-inlichtingeneenheden van de EU (SWD(2017)0275),

–  gezien de aanbeveling van de Europese Bankautoriteit (EBA) en de Commissie van 11 juli 2018 aan de Maltese Financial Intelligence Analysis (FIAU) over de maatregelen die noodzakelijk zijn om aan de richtlijn inzake de bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme te voldoen,

–  gezien de brief d.d. 7 december 2018 van de voorzitter van het TAX3-comité aan de permanente vertegenwoordiger van Malta bij de EU, zijne excellentie Daniel Azzopardi, waarin wordt verzocht om uitleg over het bedrijf "17 Black",

–  gezien de onderzoeken inzake staatssteun en besluiten van de Commissie(24),

–  gezien het voorstel voor een ri–chtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2018 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (COM(2018)0218),

–  gezien het ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk,

–  gezien de resultaten van verschillende G7-, G8-, en G20-topontmoetingen over internationale belastingaangelegenheden,

–  gezien de resolutie over het actieprogramma van Addis Abeba die de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 27 juli 2015 heeft goedgekeurd,

–  gezien het verslag van de groep op hoog niveau over illegale geldstromen uit Afrika dat tijdens de conferentie van de Commissie van de Afrikaanse Unie (AUC)/Economische Commissie voor Afrika (ECA) is opgesteld op gezamenlijk verzoek van de Afrikaanse ministers van Financiën, Planning en Economische Ontwikkeling,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 januari 2016 over een externe strategie voor effectieve belastingheffing (COM(2016)0024), waarin de Commissie de EU ook oproept "het goede voorbeeld te geven",

–  gezien zijn resoluties van 8 juli 2015 over belastingontwijking en belastingontduiking als uitdagingen voor bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden(25) en die van 15 januari 2019 over gendergelijkheid en belastingbeleid in de EU(26),

–  gezien de verplichting die in artikel 8, lid 2, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is opgenomen, om het recht op het privéleven te allen tijde te eerbiedigen,

–  gezien het verslag van de Commissie van 23 januari 2019 inzake burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de Europese Unie (COM(2019)0012),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 januari 2019 getiteld "Naar een meer efficiënte en democratische besluitvorming in het fiscale beleid van de EU" (COM(2019)0008),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2017, getiteld "EU-ontwikkelingspartnerschappen en de uitdaging van internationale belastingverdragen",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (A8-0170/2019),

1.Algemene inleiding: voorbereiding

1.1.Wijzigingen

1.  stelt dat de bestaande belastingregels dikwijls geen gelijke tred houden met de toenemende vaart van de economie; herinnert eraan dat huidige internationale en nationale belastingregels grotendeels zijn ontstaan in de vroege 20e eeuw; stelt dat de regels dringend en voortdurend moeten worden hervormd, zodat de internationale, EU-, en nationale belastingstelsels klaar zijn voor de nieuwe economische, sociale en technologische uitdagingen van de 21e eeuw; merkt op dat de huidige belastingstelsels en boekhoudmethoden niet zijn toegerust om gelijke tred te houden met deze ontwikkelingen en ervoor te zorgen dat alle marktdeelnemers hun eerlijke aandeel aan belastingen betalen;

2.  benadrukt dat het Europees Parlement een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de bestrijding van financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking, zoals onder meer aan het licht is gebracht met de LuxLeaks, Panama Papers, Paradise Papers, Football Leaks, Bahamas Leaks en het cum-ex-schandaal, met name door het werk van de Bijzondere Commissies TAXE, TAX2(27) en TAX3, de onderzoekscommissie van PANA en de Commissie economische en monetaire zaken (ECON);

3.  is verheugd dat de Commissie tijdens haar huidige zittingsperiode 26 wetgevingsvoorstellen heeft ingediend om een aantal van de mazen te dichten, de strijd tegen financiële misdrijven en agressieve fiscale planning te verhogen en de efficiëntie van de belastinginning en fiscale rechtvaardigheid te verbeteren; betreurt het gebrek aan vooruitgang in de Raad met betrekking tot de belangrijkste initiatieven tot hervorming van de vennootschapsbelasting, die nog niet zijn afgerond als gevolg van het gebrek aan echte politieke wil; roept op tot een snelle goedkeuring van EU-initiatieven die nog niet zijn afgerond en tot een zorgvuldige controle op de uitvoering om de efficiëntie en een goede handhaving te waarborgen, teneinde gelijke tred te houden met de beweeglijkheid van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning;

4.  herinnert eraan dat een belastingrechtsgebied alleen zeggenschap heeft over belastingaangelegenheden die verband houden met zijn grondgebied, terwijl economische stromen en sommige belastingbetalers, zoals multinationale ondernemingen en zeer vermogende particulieren, mondiaal opereren;

5.  benadrukt dat het definiëren van belastinggrondslagen vereist dat men een volledig beeld heeft van de situatie van een belastingplichtige, met inbegrip van de componenten die buiten het belastingrechtsgebied vallen, en dat wordt bepaald welke component verwijst naar welk rechtsgebied; merkt op dat het eveneens noodzakelijk is dat dergelijke belastinggrondslagen worden toegewezen aan belastingrechtsgebieden om dubbele belasting en dubbele niet-belasting te voorkomen; bevestigt dat voorrang moet worden gegeven aan het uitsluiten van dubbele niet-belastingheffing en dat ervoor moet worden gezorgd dat de kwestie van dubbele belasting wordt aangepakt;

6.  is van mening dat alle EU-instellingen, alsook de lidstaten zich moeten inspannen om de burgers uit te leggen wat zij op het gebied van belastingen doen en welke maatregelen zij nemen om bestaande problemen en hiaten te verhelpen; is van mening dat de EU een brede strategie moet vaststellen, waarbij de EU de lidstaten met relevant beleid steunt om van hun huidige schadelijke belastingstelsels over te gaan naar een belastingstelsel dat verenigbaar is met het rechtskader van de EU en de geest van de EU-verdragen;

7.  merkt op dat de economische stromen(28) en mogelijkheden om de fiscale woonplaats te wijzigen aanzienlijk zijn toegenomen; waarschuwt dat sommige nieuwe verschijnselen(29) inherent ondoorzichtig zijn of ondoorzichtigheid vergemakkelijken, waardoor ruimte ontstaat voor belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld;

8.   betreurt het feit dat sommige EU-lidstaten de belastinggrondslag van andere lidstaten confisqueren door elders gegenereerde winsten aan te trekken, waardoor ondernemingen hun belastinggrondslag kunstmatig kunnen verlagen; wijst erop dat deze praktijk niet alleen schadelijk is voor het beginsel van EU-solidariteit, maar ook leidt tot een herverdeling van rijkdom richting multinationals en hun aandeelhouders ten koste van EU-burgers; ondersteunt het belangrijke werk van academici en journalisten die helpen om deze praktijken aan het licht te brengen;

1.2.Het doel van belastingheffing en het effect van belastingfraude, belastingontduiking, schadelijke belastingpraktijken en witwaspraktijken op Europese samenlevingen

9.  is van mening dat eerlijke belastingheffing en de vastberaden bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en witwaspraktijken van cruciaal belang zijn voor het vormgeven van een eerlijke maatschappij en een sterke economie, alsook voor de bescherming van het sociaal contract en de rechtsstaat; merkt op dat een eerlijk en efficiënt belastingstelsel van groot belang is om ongelijkheid aan te pakken, niet alleen door middel van overheidsinvesteringen om sociale mobiliteit te ondersteunen, maar ook door inkomensongelijkheid te verminderen; wijst erop dat belastingbeleid van grote invloed kan zijn op werkgelegenheidsbesluiten, investeringsniveaus en de bereidheid van bedrijven om uit te breiden;

10.  benadrukt dat bovenal prioriteit moet worden verleend aan het verkleinen van de belastingkloof die het resultaat is van belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en witwaspraktijken en de gevolgen hiervan voor de nationale en EU-begrotingen, teneinde een gelijk speelveld en fiscale rechtvaardigheid voor alle belastingbetalers te waarborgen en het vertrouwen in de democratische beleidsvorming te versterken, door ervoor te zorgen dat fraudeurs geen concurrentievoordeel hebben ten opzichte van eerlijke belastingbetalers;

11.  benadrukt dat gemeenschappelijke inspanningen op EU- en nationaal niveau van cruciaal belang zijn om de EU- en nationale begrotingen te beschermen tegen verliezen als gevolg van niet-betaalde belastingen; wijst erop dat landen slechts met volledig en doeltreffend geïnde belastinginkomsten kunnen zorgen voor, onder meer, kwaliteitsvolle publieke diensten, met inbegrip van betaalbaar onderwijs, gezondheid en huisvesting, veiligheid, criminaliteitsbestrijding en noodhulp, sociale zekerheid en zorg, handhaving van beroeps- en milieunormen, de strijd tegen klimaatverandering, bevordering van gendergelijkheid, openbaar vervoer, en essentiële infrastructuur, teneinde sociaal evenwichtige ontwikkeling te bevorderen en, indien nodig, te herstellen met het oog op de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen;

12.  is van mening dat recente ontwikkelingen op het gebied van belastingheffing en belastinginning, waarbij het belastingeffect is verschoven van rijkdom naar inkomen, van kapitaalinkomsten naar inkomsten uit arbeid en consumptie, van multinationals naar kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), en van de financiële sector naar de reële economie, een disproportioneel effect hebben gehad op vrouwen en mensen met een laag inkomen, die doorgaans sterker afhankelijk zijn van inkomsten uit arbeid en een groter deel van hun inkomen aan consumptie besteden(30); wijst erop dat de percentages van belastingontduiking hoger zijn onder de allerrijksten(31); dringt er bij de Commissie op aan om in haar wetgevingsvoorstellen op het gebied van belastingheffing en de bestrijding van witwaspraktijken rekening te houden met het effect op sociale ontwikkeling, inclusief gendergelijkheid en andere eerdergenoemde beleidsterreinen;

1.3.Risico's en voordelen van contante transacties

13.  benadrukt dat contante transacties nog steeds een zeer hoog risico geven op witwaspraktijken en belastingontduiking, inclusief btw-fraude, ondanks de voordelen ervan, zoals toegankelijkheid en snelheid; stelt vast dat een aantal lidstaten al beperkingen op contante betalingen heeft ingesteld; wijst er eveneens op dat terwijl regels inzake de controle van liquide middelen aan de buitengrenzen van de EU zijn geharmoniseerd, de regels inzake de bewegingen van contanten binnen de EU-grenzen van lidstaat tot lidstaat variëren;

14.  merkt op dat fragmentatie en de verschillende aard van deze maatregelen de goede werking van de interne markt mogelijk kunnen verstoren; dringt er daarom bij de Commissie op aan met een voorstel te komen over Europese beperkingen op contante betalingen, zonder contant geld af te schaffen als betaalmiddel; wijst er voorts op dat eurobiljetten met een hoge nominale waarde een groter risico op witwaspraktijken met zich meebrengen; is ingenomen met de aankondiging van de Europese Centrale Bank (ECB) in 2016 aankondigde dat ze geen nieuwe biljetten van 500 EUR meer zou uitgeven (hoewel de bestaande voorraad een wettig betaalmiddel blijft); dringt er bij de ECB op aan een tijdschema op te stellen om de mogelijkheid om met biljetten van 500 euro te betalen geleidelijk af te schaffen;

1.4.Kwantitatieve evaluatie

15.  benadrukt dat belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning resulteren in verloren middelen voor nationale en Europese begrotingen(32); erkent dat de kwantificering van deze verliezen niet eenvoudig is; merkt echter op dat verhoogde transparantievereisten niet alleen betere gegevens zouden opleveren, maar ook zouden bijdragen aan het verminderen van de ondoorzichtigheid;

16.  wijst erop dat in diverse beoordelingen is geprobeerd om de grootte van de verliezen als gevolg van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning te kwantificeren; herinnert eraan dat geen van deze verslagen op zichzelf een voldoende volledig beeld geeft als gevolg van de aard van de gegevens of het ontbreken daarvan; wijst erop dat sommige van de recente beoordelingen elkaar aanvullen, op basis van verschillende, maar aanvullende methodologieën;

17.  merkt op dat de Commissie een raming maakt van de btw-belastingkloof in de EU, maar dat momenteel slechts vijftien lidstaten hun eigen nationale ramingen opstellen; roept elke lidstaat op om onder begeleiding van de Commissie een alomvattende raming van de belastingkloof op te stellen die niet beperkt is tot de btw en een beoordeling van de kosten van alle belastingfaciliteiten omvat;

18.  betreurt eens te meer "het ontbreken van betrouwbare en objectieve statistieken over de omvang van belastingontwijking en belastingontduiking" en benadrukt dat "het van belang is adequate en transparante methoden te ontwikkelen om de omvang van deze verschijnselen te beoordelen, evenals het effect ervan op de overheidsfinanciën, de economische activiteiten en de overheidsinvesteringen van landen"(33); wijst op het belang van politiek en financieel onafhankelijke bureaus voor de statistiek met het oog op het waarborgen van de betrouwbaarheid van de statistische gegevens; dringt erop aan om technische bijstand van Eurostat te vragen voor de verzameling van uitgebreide en nauwkeurige statistieken, zodat ze in een vergelijkbaar en eenvoudig te coördineren digitaal formaat worden verstrekt;

19.  herinnert in het bijzonder aan de in 2015 opgestelde empirische beoordeling van de omvang van de jaarlijkse inkomstenderving als gevolg van agressieve belastingplanning door vennootschappen in de EU; merkt op dat de beoordeling varieert van 50 miljard tot 70 miljard EUR (bedrag dat verloren gaat aan winstverschuiving alleen, en neerkomt op minstens 17 % van de inkomsten uit de vennootschapsbelasting in 2013 en 0,4 % van het bbp) tot 160-190 miljard EUR (verhoogd met de geïndividualiseerde belastingregelingen van de grootste multinationale ondernemingen en ondoelmatige inning);

20.  verzoekt de Raad en de lidstaten prioriteit te geven aan projecten, met name met steun van het Fiscalis-programma, die erop gericht zijn de omvang van de belastingontwijking te beoordelen om de huidige belastingkloof beter aan te pakken; benadrukt dat het Europees Parlement een verhoging van het Fiscalis-programma heeft goedgekeurd(34); verzoekt de lidstaten om, onder coördinatie van de Commissie, een schatting te maken van hun belastingverschillen en de resultaten jaarlijks te publiceren;

21.  merkt op dat in het werkdocument van het IMF(35) de wereldwijde verliezen als gevolg van grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) en in verband met belastingparadijzen op ongeveer 600 miljard USD per jaar wordt geschat; merkt op dat de ramingen van het IMF voor de lange termijn 400 miljard dollar bedragen voor de OESO-landen (1 % van hun BBP) en 200 miljard USD voor de ontwikkelingslanden (1,3 % van hun bbp);

22.  is ingenomen met de recente ramingen van de niet-waargenomen economie ("non-observed economy", NOE), vaak de schaduweconomie genoemd, in het overzicht van belastingbeleid in de Europese Unie van 2017(36), die een bredere indicatie van belastingontduiking verschaft; benadrukt dat de waarde van de NOE economische activiteiten meet die misschien niet worden vastgelegd in de elementaire gegevensbronnen die worden gebruikt voor het opstellen van nationale rekeningen;

23.  wijst erop dat elk jaar bijna 40 % van de winst van multinationals wordt verlegd naar belastingparadijzen wereldwijd, waarbij sommige landen van de Europese Unie de grootste verliezers van deze winstverschuiving lijken te zijn, omdat 35 % van de verschoven winsten afkomstig is uit EU-landen, gevolgd door ontwikkelingslanden (30 %)(37); wijst erop dat ongeveer 80 % van de winsten die vanuit diverse EU-lidstaten worden verschoven naar of via enkele andere EU-lidstaten wordt gesluisd; brengt in herinnering dat multinationals soms tot wel 30 % minder belasting betalen dan binnenlandse concurrenten, en dat agressieve belastingplanning de concurrentiepositie van binnenlandse bedrijven, en met name kmo's, ondermijnt;

24.  merkt op dat de recentste ramingen met betrekking tot belastingontduiking binnen de EU uitkomen op ongeveer 825 miljard EUR per jaar(38);

25.  wijst erop dat de door de Commissie TAX3 gehoorde multinationals hun eigen ramingen van effectieve belastingtarieven opstellen(39); wijst erop dat deze ramingen door sommige deskundigen in twijfel worden getrokken;

26.  roept op tot het verzamelen van statistieken over grote transacties in vrijhavens, douane-entrepots en speciale economische zones, evenals openbaarmakingen door tussenpersonen en klokkenluiders;

1.5. Belastingfraude, belastingontduiking, belastingontwijking en agressieve belastingplanning

27.  herinnert eraan dat in de strijd tegen belastingontduiking en -fraude illegale praktijken worden aangepakt, terwijl de strijd tegen belastingontwijking zich richt op situaties waarin a priori mazen in de wetgeving worden benut binnen de grenzen van de wet – tenzij ze door de belastingdienst of uiteindelijk de rechterlijke instanties als onwettig worden beschouwd – maar die indruisen tegen de geest ervan; dringt daarom aan op een vereenvoudiging van het belastingkader;

28.  herinnert eraan dat een verbeterd stelsel voor de belastingheffing in de EU-landen waarschijnlijk minder misdrijven met zich mee zal brengen in verband met belastingontduiking en het daaruit voortvloeiende witwassen van geld;

29.  herinnert eraan dat agressieve belastingplanning wordt getypeerd als een opzet van het belastingstelsel dat gericht is op het verminderen van de belastingverplichting door gebruik te maken van de technische aspecten van een belastingstelsel of van arbitrage tussen twee of meer nationale belastingstelsels die indruisen tegen de geest van de wet;

30.  is verheugd over het antwoord van de Commissie op zijn oproepen in de resoluties TAXE, TAX2 en PANA om agressieve belastingplanning en schadelijke belastingpraktijken beter in kaart te brengen;

31.  verzoekt de Commissie en de Raad een alomvattende en nauwkeurige definitie van indicatoren voor agressieve belastingplanning voor te stellen en vast te stellen, voortbouwend op zowel de kenmerken die in de vijfde herziening van de richtlijn inzake administratieve samenwerking zijn vastgesteld (DAC6)(40) als de relevante studies en aanbevelingen van de Commissie(41); benadrukt dat deze duidelijke indicatoren in voorkomend geval mogen worden gebaseerd op normen die op internationaal niveau zijn vastgesteld; roept de lidstaten op om deze indicatoren te gebruiken om een halt toe te roepen aan alle schadelijke belastingpraktijken die voortvloeien uit de bestaande mazen in de belastingwetgeving; roept de Commissie en de Raad op deze indicatoren regelmatig bij te werken als zich nieuwe regelingen of praktijken voor agressieve belastingplanning voordoen;

32.  benadrukt de gelijkenis tussen belastingplichtige bedrijven en vermogende particulieren bij het gebruik van bedrijfsstructuren en soortgelijke structuren zoals trusts en offshore-locaties voor agressieve belastingplanning; wijst op de rol van tussenpersonen(42) bij het opzetten van dergelijke regelingen op het gebied van agressieve belastingplanning; herinnert er in dit verband aan dat voor de vermogende particulieren het grootste deel van hun inkomen eerder in de vorm van vermogenswinsten komt dan in de vorm van inkomsten uit arbeid;

33.  is ingenomen met de beoordeling door de Commissie en de opname van indicatoren voor agressieve belastingplanning in haar landenverslagen van het Europees semester 2018; roept ertoe op dat een dergelijke beoordeling een vast onderdeel wordt om te zorgen voor een gelijk speelveld op de interne markt van de EU en voor meer stabiele overheidsinkomsten op de lange termijn; verzoekt de Commissie te zorgen voor een duidelijke follow-up om praktijken van agressieve belastingplanning een halt toe te roepen, indien gewenst in de vorm van formele aanbevelingen;

34.  herhaalt zijn oproep aan ondernemingen, als belastingbetalers, om hun fiscale verplichtingen volledig na te komen en af te zien van agressieve belastingplanning die tot grondslaguitholling en winstverschuiving leidt, en om een eerlijke belastingstrategie, evenals het niet-nastreven van schadelijke belastingpraktijken, te zien als een belangrijk onderdeel van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid , met inachtneming van de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake zaken en mensenrechten en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, teneinde het vertrouwen van belastingbetalers in belastingstelsels te waarborgen;

35.  dringt er bij de lidstaten die aan de procedure voor nauwere samenwerking deelnemen op aan, zo spoedig mogelijk overeenstemming te bereiken over een belasting op financiële transacties, en daarbij te onderkennen dat een mondiale oplossing de voorkeur zou verdienen;

2.Vennootschapsbelasting

36.  herinnert eraan dat door de globalisering en digitalisering de mogelijkheden om op basis van het regelgevingskader een bedrijfs- of verblijfslocatie te kiezen, zijn toegenomen;

37.  herinnert eraan dat belasting betaald moet worden in de rechtsgebieden waar de feitelijke inhoudelijke en daadwerkelijke economische activiteiten worden ontplooid en de economische waarde wordt gecreëerd of, in geval van indirecte belastingen, waar de consumptie plaatsvindt; benadrukt dat dit kan worden gerealiseerd door de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) in de EU goed te keuren en daarbij te zorgen voor een passende en eerlijke verdeling, met inachtneming van, onder meer alle materiële activa;

38.  merkt op dat de EU in ATAD I een exitheffing heeft ingevoerd, waardoor lidstaten de economische waarde van vermogenswinsten die op het grondgebied van die staat zijn gecreëerd, kunnen belasten, ook als deze winsten op het tijdstip van vertrek nog niet zijn gerealiseerd; is van mening dat het beginsel van belastingheffing op winsten die in de lidstaten worden gemaakt voordat ze de Unie verlaten, moet worden versterkt, bijvoorbeeld door middel van gecoördineerde bronbelasting op rente en royalty's om de bestaande hiaten te dichten en te voorkomen dat winsten de EU onbelast verlaten; verzoekt de Raad de onderhandelingen over het voorstel inzake interest en royalty's(43) te hervatten; wijst erop dat in belastingverdragen de bronbelasting vaak wordt verlaagd teneinde dubbele belastingheffing te voorkomen(44);

39.  bevestigt opnieuw dat de aanpassing van internationale belastingregels een antwoord moet zijn op de ontwijking die voortvloeit uit het mogelijke gebruik van de wisselwerking tussen nationale belastingbepalingen en netwerken van belastingverdragen, met als resultaat een uitholling van de belastinggrondslag en een dubbele niet-belastingheffing, terwijl er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat er geen sprake is van dubbele belasting;

2.1.BEPS-actieplan en uitvoering ervan in de EU: ATAD

40.  erkent dat het door de G20/OESO geleide BEPS-project was bedoeld om de oorzaken en omstandigheden die tot BEPS-praktijken hebben geleid op gecoördineerde wijze aan te pakken door de samenhang van de belastingregels over de grenzen heen te verbeteren, de materiële eisen te versterken en de transparantie en zekerheid te vergroten; wijst er echter op dat de mate van bereidheid en inzet om samen te werken aan het BEPS-actieplan van de OESO verschilt tussen landen en per desbetreffende specifieke actie;

41.  merkt op dat het uit 15 punten bestaande BEPS-actieplan van de G20/OESO, bedoeld om op gecoördineerde wijze de oorzaken en omstandigheden aan te pakken waardoor BEPS-praktijken worden voortgebracht, wordt uitgevoerd en gecontroleerd en dat er via het Inclusief Kader verdere besprekingen plaatsvinden, in een bredere context dan alleen de oorspronkelijke deelnemende landen; roept de lidstaten daarom op om een hervorming van zowel het mandaat als de werking van het Inclusief Kader te ondersteunen om ervoor te zorgen dat de resterende mazen in de belastingwetgeving en onopgeloste belastingkwesties onder het huidige internationale kader vallen; is ingenomen met het initiatief van het Inclusief Kader om de discussie aan te gaan en tot een mondiale consensus te komen voor een betere verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen landen;;

42.  merkt op dat de acties moeten worden uitgevoerd; neemt kennis van de beleidsnota(45) van het Inclusieve Kader inzake BEPS, dat erop is gericht mogelijke oplossingen te formuleren voor de geïdentificeerde uitdagingen in verband met belasting van de digitale economie;

43.  wijst erop dat sommige landen onlangs eenzijdige tegenmaatregelen hebben genomen tegen schadelijke belastingpraktijken (zoals de Britse Diverted Profit Tax (belasting op omgeleide winst) en de bepalingen van de belastinghervorming in de VS: Global Immangible Low Taxed Income (GILTI)) om ervoor te zorgen dat de buitenlandse inkomsten van multinationals naar behoren worden belast tegen een minimaal effectief belastingtarief in het land van vestiging van de moederonderneming; dringt erop aan dat de EU deze maatregelen beoordeelt; merkt op dat de EU, in tegenstelling tot deze unilaterale maatregelen, in het algemeen multilaterale en consensuele oplossingen voor een billijke toewijzing van belastingrechten bevordert; benadrukt dat de EU bijvoorbeeld de voorkeur geeft aan een mondiale oplossing als het gaat om belastingheffing op de digitale sector, maar desalniettemin een belasting op digitale diensten voorstelt, aangezien de mondiale discussies slechts traag vorderen;

44.  herinnert eraan dat het EU-"anti-belastingsontwijkingspakket" van 2016 een aanvulling vormt op de bestaande bepalingen om de 15 BEPS-acties op een gecoördineerde manier binnen de gehele interne markt van de EU ten uitvoer te leggen;

45.  is verheugd over de vaststelling door de EU van ATAD I en ATAD II; neemt er nota van dat zij voor eerlijkere belastingheffing zorgen doordat zij in de hele EU een minimumniveau van bescherming tegen ontwijking van vennootschapsbelasting bieden en tegelijkertijd zorgen voor een eerlijker en stabieler klimaat voor bedrijven, zowel vanuit het oogpunt van vraag als aanbod; is ingenomen met de bepalingen inzake hybride mismatches om dubbele niet-heffing te voorkomen, teneinde bestaande mismatches weg te nemen en geen nieuwe mismatches te creëren tussen lidstaten en met derde landen;

46.  is verheugd over de bepalingen inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen (cfc's) in ATAD I om ervoor te zorgen dat de winsten van verbonden ondernemingen die in landen met een lage of geen belastingheffing zijn geparkeerd, daadwerkelijk worden belast; erkent dat zij voorkomen dat de afwezigheid of diversiteit van nationale cfc-regels binnen de Unie de werking van de interne markt verstoort, naast de situaties van volstrekt kunstmatige constructies, zoals herhaaldelijk door het Parlement is gevraagd; betreurt het naast elkaar bestaan van twee benaderingen voor de uitvoering van cfc-regels in ATAD I en roept de lidstaten op om alleen de eenvoudigere en meest efficiënte cfc-regels uit te voeren, zoals in artikel 7, lid 2, onder a), van ATAD I;

47.  is ingenomen met de algemene antimisbruikregel voor de berekening van de verschuldigde vennootschapsbelasting in ATAD I, waarmee lidstaten constructies die kunstmatig zijn buiten beschouwing kunnen laten, rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden met als enige doel een belastingvoordeel te verkrijgen; herhaalt zijn oproep om een algemene en gemeenschappelijke stringente antimisbruikregel vast te stellen in de bestaande wetgeving en met name in de moeder-dochterrichtlijn, de fusierichtlijn en de rente- en royaltyrichtlijn;

48.  herhaalt zijn oproep om een heldere definitie van "vaste inrichting" en "aanmerkelijke economische aanwezigheid", zodat ondernemingen de belastingplicht in een lidstaat waar zij economische activiteiten ontplooien niet kunnen omzeilen;

49.  dringt erop aan dat de werkzaamheden van het gezamenlijk EU-forum voor verrekenprijzen over de ontwikkeling van goede praktijken en het toezicht van de Commissie op de tenuitvoerlegging door de lidstaten worden afgerond;

50.  herinnert aan zijn bezorgdheid over het gebruik van verrekenprijzen bij agressieve belastingplanning en herinnert derhalve aan de noodzaak van adequate maatregelen en verbeteringen van het kader voor verrekenprijzen om deze kwestie aan te pakken; benadrukt dat zij de economische realiteit moeten weerspiegelen, zekerheid, duidelijkheid en eerlijkheid moeten bieden voor de lidstaten en voor bedrijven die binnen de Unie actief zijn, en het risico van misbruik van de regels voor winstverschuiving moeten verminderen, rekening houdend met de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingdiensten 2010(46); wijst er evenwel op dat, zoals is benadrukt door deskundigen en in publicaties, de toepassing van het "onafhankelijke entiteiten-concept" of het "arm's length-beginsel" een van de belangrijkste factoren vormt die schadelijke belastingpraktijken mogelijk maakt(47);

51.  benadrukt dat de EU-acties die gericht zijn op het aanpakken van BEPS en agressieve belastingplanning, de belastingautoriteiten hebben uitgerust met een geactualiseerd instrumentarium om een eerlijke belastinginning te waarborgen , waarbij het concurrentievermogen van EU-bedrijven gehandhaafd blijft; benadrukt dat de belastingautoriteiten verantwoordelijk moeten zijn voor een doeltreffend gebruik van de instrumenten zonder de verantwoordelijke belastingplichtigen, met name kmo's, extra lasten op te leggen;

52.  erkent dat door de nieuwe informatiestroom naar de belastingautoriteiten na de goedkeuring van ATAD I en DAC4 er een behoefte is aan adequate middelen om ervoor te zorgen dat deze informatie zo efficiënt mogelijk wordt gebruikt en de huidige belastingkloof effectief wordt verkleind; roept alle lidstaten op te waarborgen dat de door de autoriteiten gehanteerde instrumenten voldoende en adequaat zijn om deze informatie te gebruiken en om informatie uit verschillende bronnen en gegevensreeksen te combineren en na te trekken;

2.2.Ondersteuning van EU-acties om agressieve belastingplanning te bestrijden en aanvulling van het BEPS-actieplan

2.2.1.Onderzoek van belastingstelsels van de lidstaten en het algemene belastingklimaat - agressieve belastingplanning binnen de EU (Europees semester)

53.  is verheugd over het feit dat de belastingstelsels van de lidstaten en het algemene belastingklimaat deel zijn gaan uitmaken van het Europees semester, overeenkomstig de oproep van het Parlement in die zin(48); is ingenomen met de studies en gegevens van de Commissie(49), die het mogelijk maken om situaties die economische indicatoren voor agressieve belastingplanning opleveren, beter aan te pakken, die een duidelijke indicatie geven van de blootstelling aan belastingplanning en die voor alle lidstaten een rijke gegevensbank over dit verschijnsel verschaffen; wijst erop dat de lidstaten, in de geest van loyale samenwerking, de totstandbrenging van agressieve belastingplanningsconstructies die niet verenigbaar zijn met het rechtskader van de EU en de geest van de EU-verdragen, niet mogen faciliteren;

54.  dringt erop aan dat deze nieuwe belastingindicatoren voor het Europees semester dezelfde status krijgen als de indicatoren met betrekking tot uitgavencontrole; onderstreept dat het gunstig is het Europees semester te voorzien van deze fiscale dimensie, aangezien het de mogelijkheid biedt bepaalde schadelijke belastingpraktijken aan te pakken die door de ATAD-richtlijn en andere bestaande Europese verordeningen tot nu toe niet zijn aangepakt;

55.  is verheugd over het feit dat de DAC6 de kenmerken van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies vastlegt waarvan tussenpersonen verslag moeten uitbrengen aan de belastingautoriteiten, zodat ze door laatstgenoemden kunnen worden beoordeeld; is verheugd over het feit dat de kenmerken van dergelijke constructies kunnen worden geactualiseerd als zich nieuwe constructies of praktijken voordoen; wijst erop dat de termijn voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn nog niet is verstreken en dat de bepalingen moeten worden gecontroleerd om te zorgen dat zij efficiënt zijn;

56.  verzoekt de Groep gedragscode jaarlijks verslag uit te brengen aan de Raad en het Parlement over de belangrijkste in de lidstaten gerapporteerde constructies, zodat de beleidsmakers gelijke tred kunnen houden met de nieuwe belastingregelingen die worden uitgewerkt en de nodige tegenmaatregelen kunnen nemen die eventueel nodig kunnen zijn;

57.  roept zowel de EU-instellingen als de lidstaten op ervoor te zorgen dat overheidsopdrachten belastingontwijking door leveranciers niet vergemakkelijken; wijst erop dat de lidstaten moeten controleren of en ervoor zorgen dat ondernemingen of andere juridische entiteiten die bij aanbestedingen en aanbestedingscontracten betrokken zijn, niet deelnemen aan belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning; verzoekt de Commissie de bestaande aanbestedingspraktijken in het kader van de EU-aanbestedingsrichtlijn te verduidelijken en indien nodig een actualisering voor te stellen van de richtlijn die de toepassing van belastinggerelateerde overwegingen als criteria voor uitsluiting of zelfs als selectiecriteria bij overheidsopdrachten niet verbiedt;

58.  verzoekt de Commissie een voorstel te publiceren dat de lidstaten ertoe zou verplichten ervoor te zorgen dat marktdeelnemers die deelnemen aan openbare aanbestedingsprocedures voldoen aan een minimumniveau van transparantie met betrekking tot belastingen, met name openbare verslaglegging per land en transparante eigendomsstructuren;

59.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een voorstel in te dienen tot intrekking van de octrooiboxen en verzoekt de lidstaten niet-schadelijke en, indien nodig, rechtstreekse steun voor O&O op hun grondgebied te bevorderen; benadrukt dat belastingvoordelen voor ondernemingen zorgvuldig moeten worden gecreëerd en alleen worden toegepast wanneer er sprake is van een positief effect op de werkgelegenheid en groei duidelijk en het risico op het ontstaan van nieuwe mazen in het belastingstelsel wordt uitgesloten;

60.  herhaalt in de tussentijd zijn oproep om ervoor te zorgen dat de huidige octrooiboxen daadwerkelijk verband houden met economische activiteiten, zoals uitgaventests, en dat zij de concurrentie niet verstoren; wijst op de toenemende rol van immateriële activa in de waardeketen; is ingenomen met de verbeterde definitie van O&O-kosten in het voorstel voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCTB); herhaalt het standpunt van het Parlement inzake belastingvoordelen voor werkelijke O&O-uitgaven in plaats van belastingaftrek met betrekking tot O&O;

2.2.2.Betere samenwerking op het gebied van belasting, inclusief de CCCTB

61.  benadrukt dat het belastingbeleid in de Europese Unie gericht moet zijn op zowel de bestrijding van belastingontwijking en agressieve belastingplanning, als op het faciliteren van grensoverschrijdende economische activiteiten door samenwerking tussen belastingautoriteiten en slimme fiscale beleidsvorming;

62.  onderstreept dat er tal van belastinggerelateerde obstakels zijn die grensoverschrijdende economische activiteiten belemmeren; wijst in dit verband op zijn resolutie van 25 oktober 2012 over de twintig belangrijkste zorgpunten van Europese burgers en ondernemingen ten aanzien van de werking van de interne markt(50), dringt er bij de Commissie op aan een actieplan goed te keuren waarin deze obstakels met voorrang worden aangepakt;

63.  is verheugd over de herlancering van het CCCTB-project, met de goedkeuring door de Commissie van onderling samenhangende voorstellen inzake de CCTB en de CCCTB; benadrukt dat de CCCTB, wanneer deze volledig ten uitvoer is gelegd, het mogelijk zal maken de hiaten tussen de nationale belastingstelsels, met name met betrekking tot verrekenprijzen, te dichten;

64.  verzoekt de Raad de twee voorstellen snel goed te keuren en gelijktijdig ten uitvoer te leggen, rekening houdend met het advies van het Parlement, dat reeds het concept van virtuele vaste inrichting en toewijzingsformules omvat, waardoor de resterende mazen in de wetgeving die belastingontwijking mogelijk maken, worden gedicht en het speelveld in het licht van de digitalisering wordt gelijkgetrokken; betreurt dat bepaalde lidstaten blijven weigeren om een oplossing te zoeken, en dringt er bij de lidstaten op aan hun meningsverschillen te overbruggen;

65.  herinnert eraan dat de toepassing van de C(C)CTB gepaard zou moeten gaan met de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke boekhoudregels en een passende harmonisering van administratieve praktijken;

66.  herinnert eraan dat de CCTB en CCCTB gelijktijdig in alle lidstaten moeten worden ingevoerd om de praktijk van winstverschuiving te beëindigen en het beginsel in te voeren dat er belasting wordt betaald wanneer er winst wordt gegenereerd; verzoekt de Commissie om, als de Raad zou nalaten een unaniem besluit te nemen over het voorstel tot oprichting van een CCCTB, een nieuw voorstel in te dienen op basis van artikel 116 van het VWEU, volgens hetwelk het Europees Parlement en de Raad de gewone wetgevingsprocedure volgen om de nodige wetgeving vast te stellen;

2.2.3.Digitale belasting voor ondernemingen

67.  merkt op dat het fenomeen digitalisering een nieuwe marktsituatie heeft gecreëerd, waarbij digitale en gedigitaliseerde bedrijven kunnen profiteren van lokale markten zonder dat zij fysiek, en dus belastbaar, aanwezig zijn op die markt, waardoor een ongelijk speelveld ontstaat en traditionele bedrijven in een nadelige positie komen; merkt op dat digitale bedrijfsmodellen in de EU te maken hebben met een lagere gemiddelde effectieve belastingdruk dan traditionele bedrijfsmodellen(51);

68.  wijst in dit verband op de geleidelijke verschuiving van materiële productie naar immateriële activa in de waardeketens van multinationals, zoals wordt weerspiegeld in de relatieve groeipercentages van royalty's en inkomsten uit licentievergoedingen over de laatste vijf jaar (bijna 5 % per jaar), vergeleken met handel in goederen en directe buitenlandse investeringen (DBI) (minder dan 1 %per jaar)(52); betreurt dat digitale bedrijven in sommige lidstaten bijna geen belasting betalen, ondanks hun aanzienlijke digitale aanwezigheid en grote inkomsten in die lidstaten;

69.  is van mening dat de EU een aantrekkelijk ondernemersklimaat mogelijk moet maken om te zorgen voor een goed werkende digitale eengemaakte markt, en daarbij te zorgen voor een eerlijke belasting van de digitale economie; herinnert eraan dat als het gaat om de digitalisering van de hele economie er bij de locatie van de waardecreatie rekening moet worden gehouden met de input van gebruikers alsook met informatie die is verzameld over online-consumentengedrag;

70.  onderstreept dat het ontbreken van een gemeenschappelijke Uniestrategie voor het aanpakken van de belasting van de digitale economie ertoe zal leiden - en er reeds toe heeft geleid - dat de lidstaten unilaterale oplossingen zullen kiezen die zullen leiden tot regelgevingsarbitrage, tot versplintering van de interne markt, en tot een last voor bedrijven die grensoverschrijdend opereren, alsook voor belastingautoriteiten;

71.  wijst op de leidende rol van de Commissie en enkele lidstaten in het mondiale debat over de belasting op de gedigitaliseerde economie; spoort de lidstaten aan hun proactieve werkzaamheden op OESO- en VN-niveau voort te zetten, met name via de door het Inclusieve Kader inzake BEPS in zijn beleidsnota voorgestelde procedure(53); herinnert er echter aan dat de EU niet op een wereldwijde oplossing mag wachten maar onmiddellijk moet optreden;

72.  is verheugd over het door de Commissie op 21 maart 2018 goedgekeurde digitale belastingpakket; noemt het evenwel betreurenswaardig dat Denemarken, Finland, Ierland en Zweden hun voorbehoud of fundamentele oppositie ten aanzien van het pakket "belasting op digitale diensten" tijdens de ECOFIN-vergadering van 12 maart 2019 hebben gehandhaafd(54);

73.  benadrukt dat het akkoord over wat een digitale vaste inrichting inhoudt - het enige tot op heden bereikte akkoord - een stap in de goede richting is, doch geen oplossing vormt voor de toewijzing van belastinggrondslagen;

74.  dringt er bij de lidstaten op aan de invoering van een digitale belasting te overwegen binnen het kader van nauwere samenwerking, ter voorkoming van de verdere fragmentatie van de eengemaakte markt, waarvan reeds sprake is in afzonderlijke lidstaten die overwegen nationale maatregelen in te voeren;

75.  begrijpt dat de zogenaamde tijdelijke oplossing niet optimaal is; meent dat zij de zoektocht naar een betere oplossing op mondiaal niveau zal helpen versnellen, terwijl het speelveld op de lokale markten enigszins wordt gelijkgetrokken; roept de EU-lidstaten op om de langetermijnoplossing voor de belasting van de digitale economie (inzake de aanmerkelijke digitale aanwezigheid) zo snel mogelijk te bespreken, goed te keuren en ten uitvoer te leggen, zodat de EU op mondiaal niveau toonaangevend kan blijven; benadrukt dat de door de Commissie voorgestelde langetermijnoplossing als basis moet dienen voor verdere werkzaamheden op internationaal niveau;

76.  wijst erop dat EU-burgers warm voorstander van een belasting op digitale diensten zijn; herinnert eraan dat uit enquêtes is gebleken dat 80 % van de burgers uit Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Nederland, Zweden en Denemarken een digitaledienstenbelasting en vindt dat de EU vooruit moet lopen op internationale inspanningen; onderstreept bovendien dat een meerderheid van de ondervraagde burgers een breed toepassingsgebied voor een digitaledienstenbelasting wenst(55);

77.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de digitaledienstenbelasting een tijdelijke maatregel blijft door een "vervalclausule" op te nemen in het voorstel voor een richtlijn van de Raad van 21 maart 2018 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting voor inkomsten die voortvloeien uit het aanbieden van bepaalde digitale diensten(56) (COM(2018)0148), en door de discussie over een Aanmerkelijke Digitale Aanwezigheid te versnellen;

2.2.4.Effectieve belastingheffing

78.  merkt op dat de nominale tarieven van de vennootschapsbelasting op EU-niveau zijn gedaald, van gemiddeld 32 % in 2000 tot 21,9 % in 2018(57), hetgeen neerkomt op een afname van 32 %; is bezorgd over de gevolgen van deze concurrentie voor de duurzaamheid van belastingstelsels en de mogelijke overloopeffecten op andere landen; merkt op dat het eerste het eerste door de G20/OESO geleide BEPS-project dit fenomeen ongemoeid laat; is ingenomen met de aankondiging van het Inclusieve Kader inzake BEPS(58) dat het voor 2020 op een onbevooroordeelde manier zal gaan kijken naar belastingbevoegdheden die de mogelijkheid van rechtsgebieden zouden vergroten om winsten te belasten wanneer het andere rechtsgebied met belastingbevoegdheden een laag effectief belastingtarief op deze winsten toepast, hetgeen zou neerkomen op een minimale effectieve belasting; wijst erop dat, zoals vermeld in het Inclusieve Kader inzake BEPS, het huidige door de OESE geleide werkzaamheden niets veranderen aan het feit dat landen of rechtsgebieden de vrijheid hebben om hun eigen belastingtarieven vast te stellen of zelfs helemaal geen vennootschapsbelasting te heffen(59);

79.  is ingenomen met de nieuwe wereldwijde standaard van de OESO over de toepassing van de factor substantiële activiteiten op rechtsgebieden zonder belastingen of met slechts nominale belastingen(60), die grotendeels is geïnspireerd door de werkzaamheden van de EU tijdens het proces voor het opstellen van de EU-lijst (Eerlijk criterium 2.2 van de EU-lijst);

80.  wijst op de discrepanties tussen de ramingen van effectieve belastingtarieven door grote bedrijven - vaak gebaseerd op belastingregels(61) - en de belasting die daadwerkelijk door grote multinationals wordt betaald; merkt op dat de traditionele sectoren gemiddeld een effectief vennootschapsbelastingtarief van 23 % betalen, terwijl de digitale sector ongeveer 9,5 % betaalt(62);

81.  wijst op de uiteenlopende methodologieën om effectieve belastingtarieven te beoordelen, hetgeen het onmogelijk maakt om effectieve belastingtarieven binnen de EU en wereldwijd op een betrouwbare manier te vergelijken; wijst erop dat sommige schattingen van effectieve belastingtarieven in de EU variëren van 2,2 % tot 30 %(63); dringt er bij de Commissie op aan haar eigen methodologie te ontwikkelen en de effectieve belastingtarieven in de lidstaten geregeld openbaar te maken;

82.  dringt er bij de Commissie op aan het fenomeen van afnemende nominale belastingtarieven en de gevolgen ervan voor de effectieve belastingtarieven in de EU te beoordelen, en oplossingen voor te stellen, zowel binnen de EU als, in voorkomend geval, richting derde landen, met inbegrip van krachtige antimisbruikregels, defensieve maatregelen, zoals regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen, en een aanbeveling om belastingverdragen te wijzigen;

83.  is van mening dat de wereldwijde coördinatie met betrekking tot de belastinggrondslag die voortvloeit uit het BEPS-project van de OESO vergezeld moet gaan van een betere coördinatie op het gebied van belastingtarieven met het oog op grotere efficiëntie;

84.  verzoekt de lidstaten het mandaat van de Groep gedragscode te actualiseren om hierin ook het onderzoeken van het concept van minimale effectieve belasting van bedrijfswinsten op te nemen, teneinde zo voort te bouwen op de OESO-werkzaamheden "Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy";

85.  neemt kennis van de verklaring van de Franse minister van Financiën tijdens de TAX3-vergadering van 23 oktober 2018 over de noodzaak om het concept van een minimumbelasting te bespreken; is verheugd over de bereidheid van Frankrijk om het debat over minimumbelasting op te nemen als een van de prioriteiten van het Franse voorzitterschap van de G7 in 2019, zoals tijdens de ECOFIN-vergadering van 12 maart 2019 werd herhaald;

2.3.Administratieve samenwerking wat betreft directe belastingen

86.  benadrukt dat de richtlijn administratieve samenwerking (DAC) sinds juni 2014 vier keer is gewijzigd;

87.  roept de Commissie op om voorstellen te beoordelen en in te dienen om hiaten in de tweede richtlijn administratieve samenwerking te dichten, met name door harde activa en cryptovaluta op te nemen in het toepassingsgebied van de richtlijn, door straffen voor te schrijven voor niet-naleving of valse verslaglegging door financiële instellingen, alsook door meer types financiële instellingen en types rekeningen op te nemen waarover momenteel geen verslag wordt uitgebracht, zoals pensioenfondsen;

88.  herhaalt zijn verzoek om een ruimer toepassingsgebied met betrekking tot de uitwisseling van fiscale rulings en ruimere toegang voor de Commissie, en om meer harmonisatie van de praktijken inzake fiscale ruling van verschillende nationale belastingautoriteiten;

89.  verzoekt de Commissie haar eerste beoordeling van DAC3 in dit verband snel bekend te maken, met name wat betreft het aantal uitgewisselde rulings en het aantal keren dat de nationale belastingdiensten toegang hebben gehad tot informatie die in het bezit is van een andere lidstaat; dringt erop aan dat bij de beoordeling ook wordt gekeken naar de gevolgen van de bekendmaking van belangrijke informatie over fiscale rulings (het aantal rulings, de namen van de begunstigden, het effectieve belastingtarief dat uit elke ruling voortvloeit); roept de lidstaten op om binnenlandse fiscale rulings openbaar te maken;

90.  betreurt dat de voor belastingheffing verantwoordelijke commissaris niet onderkent dat het noodzakelijk is om het bestaande systeem voor de informatie-uitwisseling tussen nationale belastingautoriteiten uit te breiden;

91.  herhaalt voorts zijn verzoek om te zorgen voor gelijktijdige belastingcontroles van personen met gemeenschappelijke of complementaire belangen (met inbegrip van moederondernemingen en hun dochterondernemingen) en zijn verzoek om de fiscale samenwerking tussen de lidstaten verder te versterken door middel van een verplichting om op groepsverzoeken over belastingzaken in te gaan; herinnert eraan dat tegenover de belastingdiensten het zwijgrecht niet kan worden ingeroepen bij administratieve onderzoeken en dat medewerking verplicht is(64);

92.  is van mening dat gecoördineerde inspecties ter plaatse en gezamenlijke audits deel moeten uitmaken van het Europees kader voor samenwerking tussen belastingdiensten;

93.  benadrukt dat niet alleen de uitwisseling en verwerking van informatie, maar ook de uitwisseling van optimale werkwijzen tussen de belastingdiensten bijdraagt tot een efficiëntere belastinginning; roept de lidstaten op om prioriteit te geven aan de uitwisseling van optimale werkwijzen tussen de belastingdiensten, in het bijzonder wat betreft de digitalisering van belastingdiensten;

94.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de procedures voor een digitaal systeem voor het indienen van belastingaangiften te harmoniseren om grensoverschrijdende activiteiten te vergemakkelijken en bureaucratie te verminderen;

95.  verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van DAC4 snel te evalueren en na te gaan of de nationale belastingdiensten daadwerkelijk toegang hebben tot informatie per land die in het bezit is van een andere lidstaat; verzoekt de Commissie na te gaan hoe DAC4 zich verhoudt tot actie 13 van het BEPS-actieplan van de G20 voor de uitwisseling van informatie per land;

96.  is ingenomen met de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen op basis van de wereldwijde standaard die door de OESO is ontwikkeld met Andorra, Liechtenstein, Monaco, San Marino en Zwitserland; verzoekt de Commissie en de lidstaten de bepalingen van het Verdrag aan te passen aan de gewijzigde DAC;

97.  benadrukt voorts de bijdrage die wordt geleverd via het Fiscalis 2020-programma, dat tot doel heeft de samenwerking tussen deelnemende landen, hun belastingdiensten en hun ambtenaren te verbeteren; benadrukt de toegevoegde waarde van gezamenlijke acties op dit gebied en de rol van het mogelijke programma bij de ontwikkeling en exploitatie van belangrijke trans-Europese IT-systemen;

98.  herinnert de lidstaten aan al hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag(65), met name om loyaal, oprecht en prompt samen te werken; dringt er daarom in het licht van grensoverschrijdende gevallen, met name de zogenaamde cum-ex-dossiers, op aan dat de nationale belastingautoriteiten van alle lidstaten centrale contactpunten (SPOC: Single Point of Contact) aanwijzen, overeenkomstig het SPoC-systeem van de Joint International Taskforce on Shared Intelligence and Collaboration (JITSIC) in het kader van de OESO(66), om de samenwerking bij de bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning te vergemakkelijken en te versterken; verzoekt de Commissie daarnaast om de samenwerking tussen de SPoC's van de lidstaten te vergemakkelijken en te coördineren;

99.  beveelt aan dat de autoriteiten van de lidstaten die door hun tegenhangers in andere lidstaten in kennis worden gesteld van mogelijke inbreuken op de wetgeving, verplicht zijn om tijdig een officiële kennisgeving van ontvangst en, in voorkomend geval, een inhoudelijk antwoord te geven op de maatregelen die naar aanleiding van de bovengenoemde kennisgeving zijn genomen;

2.4.Dividendstripping en couponwassen

100.  constateert dat cum-ex-transacties een wereldwijd probleem vormen en ook in Europa al sinds de jaren negentig bekend zijn maar dat er geen gecoördineerde maatregelen tegen zijn genomen; betreurt de belastingfraude die aan het licht werden gebracht door het zogenaamde "cum-ex-dossiers"-schandaal, dat volgens sommige ramingen van de media tot openbaar gemaakte verliezen aan belastinginkomsten van de lidstaten heeft geleid, tot een bedrag van wel 55,2 miljard EUR; benadrukt dat het consortium van Europese journalisten Duitsland, Denemarken, Spanje, Italië en Frankrijk als vermeende belangrijkste doelmarkten voor cum-ex-handelspraktijken aanwijst, gevolgd door België, Finland, Polen, Nederland, Oostenrijk en Tsjechië;

101.  benadrukt dat de complexiteit van belastingstelsels kan leiden tot mazen in de wetgeving die constructies voor belastingfraude zoals cum-ex in de hand werken;

102.  merkt op dat de systematische fraude rond de cum-ex- en cum-cum-constructies gedeeltelijk mogelijk was omdat de desbetreffende autoriteiten in de lidstaten de aanvragen om terugbetaling van belastingen niet voldoende hebben gecontroleerd en geen duidelijk en volledig beeld hebben van het feitelijke eigendom van aandelen; roept de lidstaten op om alle desbetreffende autoriteiten toegang te geven tot volledige en actuele informatie over de eigendom van aandelen; verzoekt de Commissie te beoordelen of EU-actie op dit gebied nodig is en een wetgevingsvoorstel in te dienen als uit de beoordeling blijkt dat er behoefte is aan een dergelijke actie;

103.  onderstreept dat de onthullingen lijken te wijzen op mogelijke tekortkomingen in nationale belastingwetgeving en in de huidige systemen voor informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten; dringt er bij de lidstaten op aan effectief gebruik te maken van alle communicatiekanalen, nationale gegevens en gegevens die beschikbaar worden gesteld door het versterkte kader voor informatie-uitwisseling;

104.  benadrukt dat de grensoverschrijdende aspecten van de cum-ex-dossiers multilateraal moeten worden behandeld; waarschuwt dat de invoering van nieuwe bilaterale verdragen inzake informatie-uitwisseling en bilaterale samenwerkingsmechanismen tussen afzonderlijke lidstaten het al ingewikkelde kluwen van internationale regels nog moeilijker af te wikkelen zou maken, nieuwe mazen zou introduceren en zou bijdragen aan een gebrek aan transparantie;

105.  dringt er bij alle lidstaten op aan de praktijken rond dividendbetalingen in hun rechtsgebied grondig te onderzoeken en te analyseren, de mazen in hun belastingwetgeving te identificeren die mogelijkheden creëren voor misbruik door belastingfraudeurs en belastingontwijkers, alle mogelijke grensoverschrijdende aspecten van deze praktijken te analyseren en een einde te maken aan al deze schadelijke belastingpraktijken; verzoekt lidstaten in dit opzicht beste praktijken uit te wisselen;

106.  verzoekt de lidstaten en hun financiële toezichthoudende autoriteiten de noodzaak te beoordelen om uitsluitend fiscaal gedreven financiële praktijken, zoals dividendarbitrage of dividendstripping en soortgelijke constructies, te verbieden, tenzij de emittent bewijst dat deze financiële praktijken een wezenlijk economisch doel hebben anders dan ongerechtvaardigde belastingteruggave en/of belastingontwijking; dringt er bij de EU-wetgevers op aan de mogelijkheid te overwegen om deze maatregel op EU-niveau toe te passen;

107.  dringt er bij de Commissie op aan onmiddellijk werk te maken van een voorstel voor een Europese financiële politiemacht binnen het kader van Europol met eigen opsporingscapaciteiten, alsook van een Europees kader voor grensoverschrijdend belastingonderzoek en onderzoek naar andere grensoverschrijdende financiële misdrijven;

108.  concludeert dat uit de cum-ex-dossiers blijkt dat het dringend noodzakelijk is de samenwerking tussen de belastingautoriteiten van EU-lidstaten te verbeteren, met name wat betreft het delen van informatie; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan hun samenwerking te verbeteren op het gebied van het opsporen, stoppen, onderzoeken en vervolgen van belastingfraude en constructies voor belastingontduiking, zoals cum-ex en, in voorkomend geval, cum-cum, met inbegrip van uitwisseling van beste praktijken, en op EU-niveau oplossingen te ondersteunen waar dit gerechtvaardigd is;

2.5.Transparantie met betrekking tot vennootschapsbelasting

109.  is verheugd over de goedkeuring van DAC4 die voorziet in rapportage per land aan belastingautoriteiten, in overeenstemming met de norm van BEPS-actie 13;

110.  herinnert eraan dat openbare rapportage per land een van de belangrijkste maatregelen is om meer transparantie te realiseren inzake belastinginformatie van ondernemingen; benadrukt dat het voorstel voor openbare rapportage per land door bepaalde ondernemingen en bedrijfstakken aan de medewetgevers is voorgelegd net na het "Panama Papers"-schandaal van 12 april 2016 en dat het Parlement zijn standpunt hierover heeft vastgesteld(67); herinnert eraan dat het Parlement op 4 juli 2017 heeft opgeroepen om de reikwijdte van de verslaglegging uit te breiden en commercieel gevoelige informatie te beschermen, met inachtneming van de concurrentiepositie van EU-ondernemingen;

111.  herinnert aan het standpunt van het Parlement in de aanbevelingen van PANA waarin het oproept tot uitgebreide openbare verslaglegging per land om de fiscale transparantie en het publieke toezicht op multinationale ondernemingen te verbeteren; dringt er bij de Raad op aan een gemeenschappelijk akkoord te bereiken teneinde een openbare verslaglegging per land vast te stellen, een van de belangrijkste maatregelen om meer transparantie voor alle burgers te bereiken met betrekking tot de belastinginformatie van ondernemingen;

112.  betreurt het gebrek aan vooruitgang en samenwerking van de Raad sinds 2016; dringt erop aan dat in de Raad spoedig vooruitgang wordt geboekt, zodat deze de onderhandelingen met het Parlement kan beginnen;

113.  herinnert eraan dat openbaar toezicht van belang is voor onderzoekers(68), onderzoeksjournalisten, beleggers en andere belanghebbenden, en hen in staat stelt risico's, aansprakelijkheden en kansen te beoordelen, teneinde eerlijk ondernemerschap te bevorderen; herinnert eraan dat soortgelijke bepalingen reeds bestaan voor de banksector krachtens artikel 89 van Richtlijn 2013/36/EU (CDRIV)(69) en voor de winningsindustrie en de houtindustrie uit hoofde van Richtlijn 2013/34/EU(70); wijst erop dat sommige particuliere belanghebbenden vrijwillig nieuwe rapportage-instrumenten ontwikkelen om de transparantie op belastinggebied te vergroten, zoals de Global Reporting Initiative-norm "Openbaarmaking van belastingen en betalingen aan regeringen", als onderdeel van hun beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen;

114.  herinnert eraan dat de maatregelen inzake transparantie van de vennootschapsbelasting geacht moeten worden verband te houden met artikel 50, lid 1, van het VWEU betreffende de vrijheid van vestiging, en benadrukt dat bovengenoemd artikel dan ook de passende rechtsbasis vormt voor het voorstel voor een openbare rapportage per land, zoals vastgesteld in de effectbeoordeling van de Commissie die is gepubliceerd op 12 april 2016 (COM(2016)0198);

115.  wijst erop dat, gezien de beperkte capaciteit van ontwikkelingslanden om te voldoen aan vereisten via de bestaande procedures voor informatie-uitwisseling, transparantie van groot belang is om de belastingdiensten van deze landen eenvoudiger toegang tot informatie te verschaffen;

2.6.Regels inzake staatssteun

116.  herinnert eraan dat de directe belastingen op ondernemingen onder de werkingssfeer van de staatssteun vallen(71) wanneer fiscale maatregelen onderscheid maken tussen belastingbetalers, in tegenstelling tot fiscale maatregelen van algemene aard die zonder onderscheid van toepassing zijn op alle ondernemingen;

117.  verzoekt de Commissie, en met name het directoraat-generaal Concurrentie, na te gaan of er maatregelen kunnen worden genomen om de lidstaten ervan te weerhouden dergelijke staatssteun toe te kennen in de vorm van een belastingvoordeel;

118.  is verheugd over de nieuwe proactieve en open benadering van de Commissie met betrekking tot onderzoeken naar illegale staatssteun tijdens de huidige zittingsperiode, die heeft geleid tot een aantal zeer ingrijpende zaken die door de Commissie zijn afgerond;

119.  betreurt het dat ondernemingen overeenkomsten kunnen sluiten met overheden om in een bepaald land bijna geen belasting te hoeven betalen, ondanks het feit dat zij in dit land substantiële werkzaamheden uitvoeren; wijst in dit verband op een fiscale ruling tussen de Belastingdienst en Royal Dutch Shell plc, die in strijd lijkt te zijn met de Nederlandse belastingwetgeving op de enkele grond dat het hoofdkantoor na de fusie van de twee voormalige moederondernemingen in Nederland zou zijn gevestigd, hetgeen resulteert in een vrijstelling van Nederlandse bronbelasting op dividenden; wijst erop dat tegelijkertijd uit recente onderzoeken blijkt dat de onderneming ook geen winstbelasting in Nederland betaalt; roept de Commissie nogmaals op om onderzoek te doen naar dit geval van mogelijk illegale overheidssteun;

120.  is ingenomen met het feit dat de Commissie sinds 2014 de fiscale rulingpraktijken van de lidstaten onderzoekt naar aanleiding van beschuldigingen over gunstige fiscale behandeling van bepaalde ondernemingen, en sinds 2014 negen formele onderzoeken heeft gestart. In zes ervan werd de conclusie getrokken dat de fiscale ruling illegale staatssteun was(72); merkt op dat één ervan werd afgesloten met de conclusie dat de dubbele niet-belasting van bepaalde winst geen staatssteun vormde(73), terwijl de andere twee zijn nog niet afgerond(74);

121.  betreurt het dat de Commissie, bijna vijf jaar na de LuxLeaks-onthullingen, enkel een formeel onderzoek(75) heeft ingesteld naar een van de ruim vijfhonderd door Luxemburg verstrekte fiscale rulings die dankzij het onder leiding van het Internationaal Consortium van Onderzoeksjournalisten (ICIJ) uitgevoerde LuxLeaks-onderzoek aan het licht zijn gekomen;

122.  merkt op dat ondanks het feit dat de Commissie constateerde dat McDonald's heeft geprofiteerd van dubbele niet-belasting op bepaalde winsten in de EU, er geen besluit op grond van de EU-staatssteunregels kon worden genomen, aangezien de Commissie tot de conclusie is gekomen dat de dubbele niet-belasting voortkwam uit verschillen tussen de Luxemburgse en Amerikaanse belastingwetgeving en het verdrag tussen Luxemburg en de Verenigde Staten tot het vermijden van dubbele belasting(76); neemt kennis van de aankondiging van Luxemburg dat het zijn verdragen tot het vermijden van dubbele belasting zal aanpassen aan de internationale belastingwetgeving;

123.  is bezorgd over het feit dat de Commissie heeft geoordeeld dat de dubbele niet-belastingheffing die McDonald's heeft bedongen het gevolg is van een discrepantie tussen de Luxemburgse en Amerikaanse belastingwetgeving en het verdrag tussen Luxemburg en de Verenigde Staten betreffende het vermijden van dubbele belasting, een discrepantie waarvan McDonald's profiteerde door middel van arbitrage tussen de jurisdicties; is verder bezorgd over het feit dat een dergelijke door arbitrage aangestuurde belastingontwijking in de EU mogelijk wordt gemaakt;

124.  is bezorgd over de omvang van de niet-betaalde belasting voor alle lidstaten gedurende lange perioden(77); herinnert eraan dat de terugvordering van onrechtmatige steun tot doel heeft naar de vroegere situatie terug te keren en dat de berekening van het precieze bedrag van de terug te betalen steun deel uitmaakt van de op nationale autoriteiten rustende uitvoeringsverplichting; verzoekt de Commissie om werkbare tegenmaatregelen, waaronder boetes, te onderzoeken en vast te stellen, om te helpen voorkomen dat de lidstaten een selectieve gunstige fiscale behandeling aanbieden die staatssteun vormt en niet in overeenstemming is met de EU-regels;

125.  dringt nogmaals bij de Commissie aan op richtsnoeren om te verduidelijken wat belastinggerelateerde staatssteun en "passende" verrekenprijzen zijn; verzoekt de Commissie eveneens de rechtsonzekerheid voor zowel belastingplichtigen als belastingdiensten weg te nemen en bijgevolg een kader te bieden voor de belastingpraktijken van de lidstaten op dit gebied;

126.  betreurt dat de Commissie er niet in slaagt gebruik te maken van staatssteunregels tegen belastingmaatregelen die ernstige concurrentieverstoringen teweegbrengen, en dat ze deze regels enkel toepast in selectieve gevallen met bepaalde kenmerken om de praktijk in het land in kwestie te veranderen; verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om ongepaste staatssteun terug te vorderen, onder meer voor alle ondernemingen die worden genoemd in het Luxleaks-schandaal, zodat er weer een gelijk speelveld wordt gecreëerd; roept de Commissie er tevens toe op verdere richtsnoeren te verstrekken aan de lidstaten en aan marktdeelnemers over de toepassing van de staatssteunregels en welke gevolgen dit heeft voor de praktijken van ondernemingen op het gebied van fiscale planning;

127.  dringt aan op een hervorming van het mededingingsrecht om het toepassingsgebied van de staatssteunregels uit te breiden zodat krachtiger kan worden opgetreden tegen schadelijke fiscale staatssteun voor multinationale ondernemingen, waaronder fiscale rulings;

2.7.Brievenbusfirma's

128.  merkt op dat er geen eenduidige definitie van brievenbusfirma's bestaat, d.w.z. ondernemingen die in een rechtsgebied zijn geregistreerd voor uitsluitend belastingontwijking of belastingontduiking en zonder enige significante economische aanwezigheid; benadrukt echter dat eenvoudige criteria zoals reële economische activiteit of de fysieke aanwezigheid van personeel dat voor de onderneming werkt, kunnen helpen om brievenbusfirma's op te sporen en ertegen op te treden; herhaalt zijn oproep voor een duidelijke definitie;

129.  benadrukt dat, zoals het Parlement heeft voorgesteld in zijn standpunt voor de interinstitutionele onderhandelingen over de wijzigingsrichtlijn betreffende grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen(78), lidstaten moeten worden verplicht ervoor te zorgen dat grensoverschrijdende omzettingen overeenkomen met de daadwerkelijke nastreving van een echte economische activiteit, ook in de digitale sector, teneinde het opzetten van brievenbusfirma's te voorkomen;

130.  roept de lidstaten op te verlangen dat financiële informatie wordt uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteiten vóór de uitvoering van grensoverschrijdende omzettingen, fusies of splitsingen;

131.  beveelt aan om elke entiteit die een offshoreconstructie opricht aan de bevoegde instanties de legitieme redenen voor dit besluit te laten meedelen, om te waarborgen dat offshorerekeningen niet worden gebruikt voor witwaspraktijken of belastingontduiking;

132.  eist dat de daadwerkelijke eigenaren aan de belastingautoriteiten worden bekendgemaakt;

133.  wijst op nationale maatregelen om commerciële relaties met brievenbusfirma's specifiek te verbieden; wijst met name op de Letse wetgeving, waarin een brievenbusfirma wordt gedefinieerd als een entiteit die geen daadwerkelijke economische activiteit heeft en niet over bewijzen van het tegendeel beschikt, als een onderneming die is geregistreerd in een rechtsgebied waar ondernemingen geen financiële overzichten hoeven in te dienen en/of geen vestiging heeft in het land waar zij gevestigd is; wijst er evenwel op dat het verbod op brievenbusfirma's in Letland volgens het EU-recht niet kan worden gebruikt om in EU-lidstaten gevestigde brievenbusfirma's te verbieden, omdat dit als discriminerend zou worden beschouwd(79); verzoekt de Commissie wijzigingen op de huidige EU-wetgeving voor te stellen die het mogelijk maken brievenbusfirma's te verbieden, zelfs als zij gevestigd zijn in EU-lidstaten;

134.  wijst erop dat het hoge niveau van inkomende en uitgaande directe buitenlandse investeringen als percentage van het bbp in zeven lidstaten (België, Cyprus, Hongarije, Ierland, Luxemburg, Malta en Nederland) slechts voor een klein deel kan worden verklaard door de reële economische activiteiten die in deze lidstaten plaatsvinden(80);

135.  benadrukt het hoge niveau van buitenlandse directe investeringen in diverse lidstaten, met name in Luxemburg, Malta, Cyprus, Nederland en Ierland(81); wijst erop dat deze buitenlandse directe investeringen vaak in handen zijn van voor een bijzonder doel opgerichte entiteiten (special purpose entity (SPE)) die vaak dienen om mazen in de wetgeving te benutten; verzoekt de Commissie de rol van SPE's bij buitenlandse directe investeringen te beoordelen;

136.  merkt op dat economische indicatoren zoals een ongewoon hoog niveau aan buitenlandse directe investeringen, alsmede buitenlandse directe investeringen die in handen zijn van SPE's, indicatoren zijn voor agressieve belastingplanning(82);

137.  merkt op dat de antimisbruikregels in de richtlijn bestrijding belastingontwijking (kunstmatige regelingen) betrekking hebben op brievenbusfirma's, terwijl de CCTB en CCCTB ervoor zouden zorgen dat de inkomsten worden toegekend aan de plaats waar de werkelijke economische activiteit plaatsvindt;

138.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om gecoördineerde, bindende, afdwingbare en substantiële vereisten inzake economische activiteit en toetsing van de uitgaven op te stellen;

139.  verzoekt de Commissie om binnen twee jaar de geschiktheid te controleren van de onderling samenhangende wetgevings- en beleidsinitiatieven die gericht zijn op het aanpakken van het gebruik van brievenbusfirma's in de context van belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld;

3.Btw

140.  onderstreept de noodzaak van harmonisatie van de btw-regels op EU-niveau voor zover dat nodig is om de totstandbrenging en de werking van de interne markt te waarborgen en concurrentievervalsing te voorkomen(83);

141.  benadrukt dat btw een belangrijke bron van belastinginkomsten is voor de nationale begrotingen; merkt op dat de btw-inkomsten in de 28 lidstaten van de EU in 2016 1 044 miljard EUR bedroegen, wat overeenkomt met 18 % van alle belastinginkomsten in de lidstaten; merkt op dat de jaarlijkse EU-begroting voor 2017 157 miljard EUR bedroeg;

142.  betreurt het echter dat elk jaar grote bedragen van de verwachte btw-inkomsten verloren gaan als gevolg van fraude; benadrukt dat volgens de statistieken van de Commissie de btw-kloof (dat wil zeggen het verschil tussen de verwachte btw-inkomsten en de werkelijk geïnde btw, waarmee een schatting kan worden gemaakt van de misgelopen btw als gevolg van fraude, maar ook als gevolg van faillissementen, misrekeningen en belastingontwijking) in de EU in 2016 147 miljard EUR bedroeg, wat neerkomt op meer dan 12 % van de totale verwachte btw-inkomsten(84), hoewel de situatie veel ernstiger is in een aantal lidstaten waar de kloof in de buurt van 20 % ligt of zelfs daarboven, hetgeen tekenend is voor de grote verschillen tussen de manieren waarop lidstaten de btw-kloof aanpakken;

143.  merkt op dat de Commissie schat dat ongeveer 50 miljard EUR, of 100 EUR per EU-burger per jaar, verloren gaat door grensoverschrijdende btw-fraude(85); wijst erop dat Europol bovendien schat dat ongeveer 60 miljard EUR van de btw-fraude verband houdt met de financiering van georganiseerde misdaad en terrorisme; wijst op de toegenomen harmonisering en vereenvoudiging van btw-stelsels in de EU, hoewel de samenwerking tussen lidstaten nog steeds niet voldoende nog doeltreffende is; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan hun samenwerking te intensifiëren om btw-fraude beter te bestrijden; verzoekt de volgende Commissie prioriteit te geven aan de invoering en tenuitvoerlegging van het definitieve btw-stelsel, teneinde dit te verbeteren;

144.  dringt aan op betrouwbare statistieken om de btw-kloof in te schatten en benadrukt de behoefte aan een gemeenschappelijke aanpak voor het verzamelen en delen van gegevens binnen de EU; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat geharmoniseerde statistieken regelmatig in de lidstaten worden verzameld en gepubliceerd;

145.  onderstreept dat fraudeurs misbruik hebben gemaakt van het huidige btw-stelsel (overgangsregeling) door een vrijstelling toe te passen op intracommunautaire leveringen binnen de EU en uitvoer, met name bij de btw-carrouselfraude of intracommunautaire ploffraude;

146.  neemt kennis van het feit dat volgens de Commissie bedrijven die grensoverschrijdend actief zijn, momenteel 11 % hogere nalevingskosten hebben in vergelijking met bedrijven die alleen in eigen land handel drijven; merkt met name kmo's lijden onder buitenproportionele btw-nalevingskosten, wat een van de redenen is waarom kmo's terughoudend zijn geweest bij het benutten van de voordelen van de eengemaakte markt; verzoekt de Commissie en de lidstaten oplossingen uit te werken om de aan grensoverschrijdende handel verbonden btw-nalevingskosten te verlagen;

3.1.Modernisering van het btw-kader

147.  is daarom ingenomen met het btw-actieplan van de Commissie van 6 april 2016 voor hervorming van het in december 2016 door de Commissie goedgekeurde btw-kader en 13 wetgevingsvoorstellen die betrekking hebben op de verschuiving naar het definitieve btw-stelsel, de btw-belemmeringen voor e-commerce wegnemen, het btw-stelsel voor kmo's herzien, het btw-tarievenbeleid moderniseren en de btw-kloof aanpakken;

148.  is verheugd over het feit dat in 2015 een mini-éénloketsysteem (MOSS) voor btw inzake telecommunicatie, uitzendingen en elektronische diensten is ingevoerd als een vrijwillig systeem voor de registratie, aangifte en betaling van btw; is verheugd over de uitbreiding van het MOSS naar andere leveringen van goederen en diensten aan eindgebruikers met ingang van 1 januari 2021;

149.  merkt op dat de Commissie schat dat de hervorming om de btw te moderniseren de administratieve rompslomp naar verwachting met 95 % zal verminderen, wat neerkomt op een geraamd bedrag van 1 miljard EUR;

150.  is met name ingenomen met het feit dat de Raad op 5 december 2017 nieuwe regels heeft aangenomen die het voor onlinebedrijven eenvoudiger maken om aan de btw-verplichtingen te voldoen; is in het bijzonder ingenomen met het feit dat de Raad het advies van het Parlement heeft overgenomen met betrekking tot de invoering van aansprakelijkheid van onlineplatforms voor de inning van de btw op de afstandsverkopen die zij faciliteren; is van mening dat deze maatregel zal zorgen voor een gelijk speelveld met bedrijven van buiten de EU, aangezien veel goederen die worden ingevoerd voor afstandsverkopen, momenteel btw-vrij de EU binnenkomen; roept de lidstaten op om de nieuwe regels tegen 2021 correct in te voeren;

151.  is verheugd over de op 4 oktober 2017(86) en 24 mei 2018(87) goedgekeurde definitieve voorstellen voor een btw-stelsel; is met name ingenomen met het voorstel van de Commissie om het bestemmingsbeginsel toe te passen op belastingheffing, wat betekent dat de btw zou worden betaald aan de belastingautoriteiten in de lidstaat van de eindconsument tegen het in die lidstaat geldende tarief;

152.  is met name verheugd over de vooruitgang die de Raad heeft geboekt in de richting van de definitieve btw-regeling door op 4 oktober 2018 de snelle oplossingen(88) aan te nemen; spreekt echter zijn bezorgdheid uit over het feit dat er geen waarborgen met betrekking tot de fraudegevoelige aspecten van het voorstel zijn aangenomen dat aansluit op het standpunt van het Parlement(89) inzake het voorstel wat betreft de gecertificeerd belastingplichtige(90), zoals geformuleerd in zijn advies van 3 oktober 2018(91); betreurt ten zeerste dat de Raad het besluit over de invoering van de status gecertificeerd belastingplichtige heeft uitgesteld tot de goedkeuring van de definitieve btw-regeling;

153.  verzoekt de Raad ervoor te zorgen dat de CTP-status overeenstemt met de status van geautoriseerde marktdeelnemer (AEO) die wordt afgegeven door de douaneautoriteiten;

154.  dringt aan op een minimaal op EU-niveau transparante coördinatie inzake de definitie van de CTP-status, met inbegrip van een regelmatige beoordeling door de Commissie van de wijze waarop de lidstaten de CTP-status toekennen; dringt aan op uitwisseling van informatie tussen de belastingautoriteiten van de lidstaten over weigeringen om de CTP-status aan bepaalde ondernemingen te verlenen, teneinde de samenhang en gemeenschappelijke normen te verbeteren;

155.  is bovendien verheugd over de herziening van de speciale regelingen voor kmo's(92), die essentieel zijn om gelijke concurrentievoorwaarden te waarborgen, aangezien btw-vrijstellingsregelingen momenteel alleen beschikbaar zijn voor binnenlandse entiteiten, en kunnen bijdragen tot de verlaging van de btw-nalevingskosten voor kmo's; verzoekt de Raad rekening te houden met het advies van het Parlement van 11 september 2018(93), met name wat betreft de verdere administratieve vereenvoudiging voor kmo's; roept de Commissie derhalve op om een online portaal op te zetten waar kmo's zich moeten registreren indien zij gebruik willen maken van de vrijstelling in een andere lidstaat, en om een één enkel loket op te zetten waar kleine ondernemingen btw-aangifte kunnen doen voor de verschillende lidstaten waar zij actief zijn;

156.  neemt kennis van de goedkeuring van het voorstel van de Commissie voor een veralgemeende verleggingsregeling(94), dat tijdelijke vrijstellingen van de normale btw-regels mogelijk maakt om carrouselfraude beter te voorkomen in die lidstaten die het zwaarst worden getroffen door dit soort fraude; verzoekt de Commissie de toepassing en de mogelijke risico's en voordelen van deze nieuwe wetgeving nauwlettend te volgen; benadrukt evenwel dat de veralgemeende verleggingsregeling de snelle uitvoering van een definitief btw-stelsel onder geen beding mag vertragen;

157.  merkt op dat de uitbreiding van e-commerce vaak een belangrijke uitdaging vormt voor de belastingautoriteiten, bijvoorbeeld vanwege de afwezigheid van fiscale identificatie in de EU, en de registratie van btw-aangiften ruim onder de reële waarde van de aangegeven transacties; is verheugd over de geest van de voorgestelde uitvoeringsvoorschriften inzake afstandsverkopen die op 11 december 2018 door de Commissie zijn goedgekeurd (COM(2018)0819 en COM(2018)0821), volgens welke met name vanaf 2021 grote onlineplatformen de verantwoordelijkheid moeten dragen ervoor te zorgen dat btw wordt geïnd bij de verkoop van goederen door niet-EU-ondernemingen aan EU-consumenten die plaatsvindt op hun platformen;

158.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan toe te zien op elektronische handelstransacties waar handelaren van buiten de EU bij betrokken zijn die geen btw zouden opgeven (bijvoorbeeld door onrechtmatig gebruik te maken van de "steekproef"-regeling) of die de waarde opzettelijk onderschatten teneinde btw-afdracht te vermijden of deze te verminderen; is van mening dat dergelijke praktijken de integriteit en de soepele werking van de eengemaakte markt van de EU in gevaar brengen; verzoekt de Commissie, indien gewenst en nodig, snel wetgevingsvoorstellen in te dienen;

3.2.De btw-kloof, de bestrijding van btw-fraude en de administratieve samenwerking op btw-gebied

159.  herhaalt zijn oproep om de factoren die bijdragen tot de belastingkloof, zoals btw, aan te pakken;

160.  is ingenomen met de inbreukprocedure die de Commissie op 8 maart 2018 heeft ingeleid tegen Cyprus, Griekenland en Malta, en op 8 november 2018 tegen Italië en Isle of Man, inzake oneigenlijke btw-praktijken in verband met de aankoop van jachten en vliegtuigen, om ervoor te zorgen dat deze landen geen vermeende onwettelijke gunstige btw-regeling meer hanteren voor privéjachten en-vliegtuigen, wat de concurrentie in de maritieme en luchtvaartsector verstoort;

161.  is ingenomen met de wijzigingen van Verordening (EU) nr. 904/2010 wat betreft maatregelen ter versterking van de administratieve samenwerking op btw-gebied; is ingenomen met de monitoringbezoeken die de Commissie in 2017 aan tien lidstaten heeft gebracht, in het bijzonder met de hieruit voortgekomen aanbeveling om de betrouwbaarheid van het systeem voor de uitwisseling van btw-informatie (VIES) te verhogen;

162.  merkt op dat de Commissie onlangs bijkomende controlehulpmiddelen en een versterkte rol voor Eurofisc heeft voorgesteld, alsook mechanismen voor nauwere samenwerking tussen douane- en belastingdiensten; roept alle lidstaten op actiever deel te nemen aan het Transactional Network Analysis-systeem in het kader van Eurofisc;

163.  is van mening dat de deelname van alle lidstaten aan Eurofisc verplicht moet zijn en een voorwaarde om EU-middelen te ontvangen; sluit zich aan bij de bezorgdheid van de Europese Rekenkamer over btw-teruggave in de cohesie-uitgaven(95) en over het fraudebestrijdingsprogramma van de EU(96);

164.  dringt er bij de Commissie op aan de mogelijkheden van het realtime verzamelen en mededelen van transactionele btw-gegevens door de lidstaten te onderzoeken, aangezien dit de doeltreffendheid van Eurofisc zou vergroten en verdere ontwikkeling van nieuwe strategieën voor de bestrijding van btw-fraude mogelijk zou maken; roept alle relevante autoriteiten op verschillende statistische en dataminingtechnologieën te gebruiken om onregelmatigheden, verdachte relaties en patronen te identificeren, waardoor belastingdiensten een breed spectrum van niet-nalevingsgedrag op een proactieve, doelgerichte en kosteneffectieve manier beter kunnen aanpakken;

165.  is ingenomen met de vaststelling van de Richtlijn betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Unie(97), waarin duidelijk uiteen is gezet welke problemen gemoeid zijn met de grensoverschrijdende samenwerking en wederzijdse rechtshulp tussen de lidstaten, Eurojust, Europol, het Europees Openbaar Ministerie (EOM), het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Commissie bij de bestrijding van btw-fraude; roept het EOM, OLAF, Eurofisc, Europol en Eurojust op nauw samen te werken om hun inspanningen tegen btw-fraude te coördineren en nieuwe frauduleuze praktijken te identificeren en aan te passen;

166.  wijst echter op de noodzaak van een betere samenwerking tussen de bestuurlijke, rechterlijke en wetshandhavende autoriteiten in de EU, zoals door experts is opgemerkt bij de hoorzitting op 28 juni 2018, alsook in een onderzoek dat in opdracht van de TAX3-commissie is uitgevoerd;

167.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie om de bevoegdheden van het EOM uit te breiden tot grensoverschrijdende misdrijven; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat het EOM zo snel mogelijk en niet later dan in 2022 van start kan gaan, en te zorgen voor nauwe samenwerking met de reeds bestaande instellingen, organen, agentschappen en kantoren van de Unie, belast met de bescherming van de financiële belangen van de Unie; dringt erop aan exemplarische, afschrikkende en evenredige sancties op te leggen; is van mening dat iedereen die betrokken is bij georganiseerde btw-fraudepraktijken streng moet worden gestraft om de perceptie van straffeloosheid te vermijden;

168.  is van mening dat een van de belangrijkste factoren die frauduleus gedrag op btw-gebied in de hand werkt, ligt bij de kaswinst die een fraudeur kan maken; roept de Commissie dan ook op om het voorstel(98) te analyseren waarin experts opperen om alle gegevens over grensoverschrijdende transacties via blockchaintechnologie vast te leggen en om geen fiduciair geld meer te gebruiken voor btw-betalingen, maar alleen beveiligde digitale valuta's (specifiek voor dat doel);

169.  is ingenomen met het feit dat de Raad importfraude in dit verband aan de orde heeft gesteld(99); is van mening dat een gedegen integratie van de gegevens van douaneaangiften in het VIES de lidstaten van bestemming in staat stelt om de douane- en btw-gegevens tegen elkaar af te zetten en zo te verzekeren dat btw wordt afgedragen in het land van bestemming; verzoekt de lidstaten deze nieuwe wetgeving uiterlijk 1 januari 2020 op een effectieve en tijdige manier in te voeren;

170.  is van mening dat de administratieve samenwerking tussen belastingdiensten suboptimaal is(100); verzoekt de lidstaten Eurofisc opdracht te geven om nieuwe strategieën te ontwikkelen voor het volgen van goederen onder douaneregeling 42, het mechanisme dat de importeur in staat stelt een btw-vrijstelling te verkrijgen wanneer de ingevoerde goederen bedoeld zijn om uiteindelijk naar een zakelijke klant te worden vervoerd in een andere lidstaat dan de lidstaat van invoer;

171.  benadrukt het belang van de invoering van een register van uiteindelijk begunstigden van ondernemingen in het kader van de vijfde antiwitwasrichtlijn als een belangrijk instrument om btw-fraude aan te pakken; dringt er bij de lidstaten op aan de bevoegdheden en kwalificaties van politie- en belastingdiensten, aanklagers en rechters om met dit soort fraude om te gaan, te versterken;

172.  uit zijn bezorgdheid over de resultaten van het onderzoek(101) dat in opdracht van de TAX3-commissie is uitgevoerd en waarin staat dat de voorstellen van de Commissie de importfraude wel zullen terugdringen, maar niet helemaal uit de wereld zullen helpen; merkt op dat het probleem van de algemene onderwaardering en handhaving van EU-regels in het geval van niet-EU-belastingplichtigen niet wordt opgelost; verzoekt de Commissie om voor deze leveringen alternatieve inningsmethoden voor de langere termijn te onderzoeken; benadrukt dat het geen blijvende oplossing is om te blijven rekenen op de goede wil van niet-EU-belastingplichtigen om EU-btw te innen; is van mening dat dergelijke alternatieve inningsmodellen niet alleen gericht moeten zijn op verkooptransacties via elektronische platforms, maar op alle verkooptransacties door niet-EU-belastingplichtigen, ongeacht hun bedrijfsmodel;

173.  dringt er bij de Commissie op aan de gevolgen van de invoering van het definitieve stelsel voor btw-inkomsten in de lidstaten nauwlettend te volgen; verzoekt de Commissie grondig onderzoek te doen naar mogelijk nieuwe frauderisico's in het uiteindelijke btw-stelsel, in het bijzonder het risico dat het type carrouselfraude waarbij de klant ontbreekt mogelijk wordt vervangen door een soort fraude waarbij de leverancier ontbreekt; benadrukt in dit verband dat onder meer het douanevervoersysteem de handel binnen de EU zeker kan vergemakkelijken; wijst er evenwel op dat misbruik mogelijk is en dat criminele organisaties, door de betaling van belastingen en heffingen te omzeilen, een enorm verlies kunnen veroorzaken, zowel voor de lidstaten als voor de EU (door het vermijden van btw); dringt er daarom bij de Commissie op aan toezicht te houden op het douanevervoersysteem en te komen met voorstellen op basis van de aanbevelingen van met name OLAF, Europol en Eurofisc;

174.  is van mening dat een grote meerderheid van de Europese burgers duidelijke Europese en nationale wetgeving verlangt die het mogelijk maakt dat degenen die de door hen verschuldigde belasting niet betalen, worden geïdentificeerd en bestraft, en dat de ontbrekende belasting tijdig wordt terugbetaald;

4.Belastingheffing voor particulieren

175.  benadrukt dat natuurlijke personen over het algemeen geen gebruikmaken van het vrije verkeer met het oog op belastingfraude, belastingontduiking of agressieve fiscale planning; onderstreept echter dat er natuurlijke personen zijn wier belastinggrondslag groot genoeg is om meerdere fiscale rechtsgebieden te overspannen;

176.  betreurt dat zeer vermogende particulieren en ultrarijken, die complexe belastingstructuren gebruiken waaronder het opzetten van ondernemingen, nog steeds mogelijkheden hebben om met de hulp van een vermogensbeheerder en andere tussenpersonen hun inkomsten, fondsen of aankopen zodanig langs verschillende fiscale rechtsgebieden te sluizen dat zij hun belastingplicht geheel of gedeeltelijk weten te ontlopen; betreurt dat sommige EU-lidstaten regelingen hebben ingevoerd om zeer vermogende particulieren aan te trekken zonder dat zij werkelijke economische activiteit genereren;

177.  merkt op dat de nominale tarieven voor arbeidsinkomen in de hele EU gewoonlijk hoger liggen dan de tarieven voor inkomen uit kapitaal; constateert dat de bijdrage van vermogensbelastingen aan de totale belastinginkomsten in het algemeen vrij beperkt is gebleven: namelijk 4,3 % van de totale belastinginkomsten in de EU(102);

178.  merkt op dat belastingfraude door bedrijven, belastingontduiking en agressieve fiscale planning er spijtig genoeg toe leiden dat de belastingplicht deels wordt afgewend op eerlijke belastingbetalers die zich wel aan de regels houden;

179.  dringt er bij de lidstaten op aan afschrikkende, doeltreffende en evenredige sancties op te leggen voor gevallen van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning, en ervoor te zorgen dat deze sancties worden gehandhaafd;

180.  betreurt dat sommige lidstaten een dubieus belastingklimaat hebben geschapen waarin personen die om belastingtechnische redenen inwoner zijn geworden, kunnen profiteren van voordelen op het gebied van inkomstenbelasting, en dat zij op die manier de belastinggrondslag van andere lidstaten ondermijnen en een beleid voeren dat nadelig is voor hun eigen burgers; wijst erop dat een dergelijk fiscaal klimaat voordelen kan omvatten die niet gelden voor de eigen onderdanen, zoals niet-belasting van buitenlandse bezittingen en inkomsten, forfaitaire belasting op buitenlandse inkomsten, belastingvrijstellingen op een deel van de in het land verdiende inkomsten, of lagere belastingtarieven op naar het land van herkomst overgemaakte pensioenen;

181.  herinnert eraan dat de Commissie in haar mededeling van 2001 heeft voorgesteld om speciale regelingen voor hooggekwalificeerde expats op te nemen in de lijst van schadelijke belastingpraktijken van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen)(103), maar heeft sindsdien geen gegevens verstrekt over de omvang van het probleem; dringt er bij de Commissie op aan de kwestie opnieuw te bekijken en, in het bijzonder de risico's van dubbele belastingheffing en dubbele niet-belastingheffing bij dergelijke regelingen te beoordelen;

4.1.Regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen

182.  is verontrust over het feit dat de meeste lidstaten een regeling voor burgerschap of verblijf door investeringen hebben(104), beter bekend als goudenvisum- of -paspoortprogramma's of programma's voor investeerders, waarbij burgers uit de EU en derde landen het burgerschap of een verblijfsvergunning kunnen krijgen in ruil voor een financiële investering;

183.  wijst erop dat de investeringen die in het kader van deze programma's worden gedaan niet noodzakelijkerwijs bijdragen tot de reële economie van de lidstaten die burgerschap of een verblijfsvergunning verstrekken, en dat van de aanvragers vaak niet verlangd wordt enige tijd door te brengen op het grondgebied waar de investering wordt gedaan, en dat zelfs wanneer een dergelijke eis wel bestaat, doorgaans niet wordt gecontroleerd of eraan wordt voldaan; benadrukt dat dergelijke regelingen schadelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie en bijgevolg in strijd zijn met het beginsel van loyale samenwerking;

184.  merkt op dat ten minste 5 000 niet-EU-burgers het EU-burgerschap hebben gekregen door middel van een regeling voor burgerschap door investeringen(105); merkt op dat, volgens een onderzoek(106), ten minste 6 000 personen burgerschap hebben verkregen en er bijna 100 000 verblijfsvergunningen zijn verstrekt;

185.  vreest dat burgerschap en verblijf door investeringen in het kader van deze regelingen worden verstrekt zonder gedegen veiligheidsscreening van de aanvragers, onder wie onderdanen van derde landen met een hoog risico, en dat deze regelingen bijgevolg veiligheidsrisico's voor de Unie inhouden; betreurt dat de ondoorzichtigheid rondom de herkomst van het geld in verband met de regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen politieke, economische en veiligheidsrisico's voor Europese landen met zich meebrengt

186.  benadrukt dat er aanzienlijke andere risico's kleven aan regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen, zoals devaluatie van het EU- en nationale burgerschap en mogelijke corruptie, witwaspraktijken en belastingontduiking; merkt op dat het besluit van een lidstaat om regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen uit te voeren, overloopeffecten heeft op andere lidstaten; herhaalt zijn bezorgdheid over het toekennen van burgerschap of een verblijfsvergunning via deze regelingen zonder dat een grondig cliëntenonderzoek is uitgevoerd, voor zover dit überhaupt wordt uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten;

187.  merkt op dat de in de vijfde antiwitwasrichtlijn vastgelegde verplichting, op grond waarvan meldingsplichtige entiteiten aanvragers van burgerschap of verblijf door investeringen als een hoge risicofactor moeten beschouwen gedurende hun due diligence-proces, de lidstaten niet ontslaat van hun verantwoordelijkheid om zelf versterkte zorgvuldigheidsnormen vast te stellen en te hanteren; merkt op dat op nationaal en EU-niveau diverse formele onderzoeken zijn gestart naar corruptie en witwassen die rechtstreeks in verband zouden staan met regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen;

188.  onderstreept dat tegelijkertijd de economische duurzaamheid en levensvatbaarheid van investeringen die in het kader van deze regelingen zijn gedaan onzeker blijven; benadrukt dat burgerschap en alle rechten die hieraan verbonden zijn, nooit te koop zouden mogen zijn;

189.  merkt op dat van regelingen voor burgerschap en verblijf van sommige lidstaten gretig gebruikt is gemaakt door Russische onderdanen en onderdanen van landen die onder Russische invloed staan; benadrukt dat deze regelingen door Russische onderdanen die na de illegale annexatie van de Krim en de agressie van Rusland op de Krim op de sanctielijst zijn geplaatst, kunnen worden gebruikt om EU-sancties te omzeilen;

190.  uit kritiek op het feit dat deze programma's vaak ook voorzien in fiscale voordelen of speciale fiscale regelingen voor de begunstigden; uit zijn bezorgdheid over het feit dat deze voordelen mogelijk indruisen tegen de doelstelling dat alle burgers op eerlijke wijze belasting afdragen;

191.  is bezorgd over het gebrek aan transparantie over het aantal aanvragers en hun herkomst, het aantal mensen dat het burgerschap of een verblijfsvergunning krijgt via deze regelingen, de bedragen die in het kader van deze regelingen worden geïnvesteerd en de herkomst van deze bedragen; waardeert dat sommige lidstaten expliciet de naam en nationaliteit bekendmaken van de personen die via deze regelingen het burgerschap of een verblijfsvergunning krijgen; moedigt andere lidstaten aan dit goede voorbeeld te volgen;

192.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen volgens de OESO kunnen worden gebruikt om de zorgvuldigheidsprocedures van de gezamenlijke rapportagestandaard (Common Reporting Standard, CRS) te ondermijnen, wat tot onjuiste of onvolledige verslagen conform de CRS kan leiden, met name wanneer niet alle jurisdictie betreffende fiscale vestigingsplaats bekend is bij de financiële instantie; merkt op dat de visumregelingen die volgens de OESO potentieel een hoog risico vormen voor de integriteit van de CRS regelingen betreffen die een belastingbetaler recht geven op een laag inkomstenbelastingtarief van minder dan 10 % op financiële activa in het buitenland, en dat daaraan geen verplichting verbonden is om minimaal 90 dagen fysiek tijd door te brengen in het rechtsgebied dat de gouden-visumregeling aanbiedt;

193.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat Malta en Cyprus regelingen(107) hebben die potentieel een hoog risico vormen voor de integriteit van de CRS.

194.  concludeert dat de potentiële economische voordelen van regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen niet opwegen tegen de ernstige veiligheidsrisico's en risico's van witwassen en belastingontduiking die daaraan kleven;

195.  verzoekt de lidstaten alle huidige regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen zo snel mogelijk uit te faseren;

196.  benadrukt dat de lidstaten er in de tussentijd een fysieke aanwezigheid in het land als voorwaarde moeten stellen om voor de regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen in aanmerking te komen, en er streng op moeten toezien dat een uitgebreid cliëntenonderzoek wordt uitgevoerd voor al degenen die in het kader van deze regelingen het burgerschap of een verblijfsvergunning aanvragen, conform de vijfde antiwitwasrichtlijn; benadrukt dat de vijfde antiwitwasrichtlijn uitgebreid cliëntenonderzoek voor politiek geëxponeerde personen (PEP's) vereist; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat regeringen de uiteindelijke verantwoordelijkheid dragen voor de zorgvuldigheidsprocedures ten aanzien van aanvragers van de regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen; verzoekt de Commissie om zorgvuldig en consequent een vinger aan de pols te houden bij de implementatie en toepassing van het grondige cliëntenonderzoek in het kader van regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen, tot het moment dat deze in elke lidstaat worden ingetrokken;

197.  merkt op dat het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor of het burgerschap van een lidstaat de begunstigde toegang geeft tot een brede waaier van rechten op het hele grondgebied van de Unie, waaronder het recht van vrij verkeer en vrij verblijf in het Schengengebied; verzoekt de lidstaten die regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen toepassen daarom naar behoren na te gaan wat het karakter van de aanvragers is en hun aanvraag te weigeren als zij veiligheidsrisico's vormen, waaronder op het witwassen van geld, totdat deze regelingen definitief worden ingetrokken; waarschuwt verder voor de gevaren van regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen die daarmee gepaard gaande gezinshereniging mogelijk maken, waarbij gezinsleden van begunstigden van deze regelingen burgerschap of verblijf kunnen verwerven met minimale of geen controles;

198.  verzoekt alle lidstaten in deze context om transparante gegevens met betrekking tot hun regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen samen te stellen en bekend te maken, waaronder het aantal weigeringen en de redenen voor weigering; verzoekt de Commissie om, tot de regelingen uiteindelijk zijn ingetrokken, richtsnoeren te verstrekken en toe te zien op betere gegevensverzameling en informatie-uitwisseling tussen lidstaten in het kader van hun regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen, onder meer over aanvragers van wie de aanvraag is geweigerd op grond van veiligheidsproblemen;

199.  is van mening dat totdat de regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen definitief zijn ingetrokken, lidstaten dezelfde verplichtingen moeten opleggen aan tussenpersonen in de handel van burgerschap en verblijf als aan meldingsplichtige entiteiten in het kader van de antiwitwaswetgeving, en verzoekt de lidstaten om belangenverstrengeling in verband met regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen te voorkomen, aangezien daar sprake van kan zijn wanneer bedrijven die de regering hebben ondersteund bij het ontwerp, het beheer en de promotie van deze regelingen ook advies en ondersteuning hebben geboden aan particulieren door deze regelingen te screenen op geschiktheid en namens hen een aanvraag voor het burgerschap of een verblijfsvergunning in te dienen;

200.  is ingenomen met het verslag van de Commissie van 23 januari 2019 inzake burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de Europese Unie (COM(2019)0012); wijst erop dat beide soorten regelingen volgens het verslag ernstige veiligheidsrisico's voor de lidstaten en de Unie als geheel inhouden, met name wat betreft veiligheid, witwaspraktijken, corruptie, het omzeilen van EU-regels en belastingontduiking, en dat deze ernstige risico's verder worden versterkt door de tekortkomingen die deze regelingen vertonen op het gebied van transparantie en governance; verneemt met zorg dat de Commissie vreest dat de maatregelen die de lidstaten nemen niet altijd voldoende zijn om de risico's die deze regelingen met zich meebrengen te beperken;

201.  neemt kennis van het voornemen van de Commissie om een groep van deskundigen op te zetten om de transparantie, governance en veiligheid van deze regelingen onder de loep te nemen; is ingenomen met het feit dat de Commissie zich ertoe heeft verbonden om in het kader van het opschortingsmechanisme voor de visumvrijstelling het effect te beoordelen van door visumvrije landen gehanteerde burgerschapsregelingen voor investeerders; verzoekt de Commissie om het delen van informatie tussen lidstaten over verworpen aanvragen te coördineren; verzoekt de Commissie om een beoordeling van de risico's die gepaard gaan met de verkoop van burgerschap en verblijf als onderdeel van haar volgende supranationale risicobeoordeling; roept de Commissie op te beoordelen in welke mate EU-burgers van deze regelingen gebruik hebben gemaakt;

4.2.Vrijhavens, douane-entrepots en andere speciale economische zones

202.  is ingenomen met het feit dat vrijhavens conform de vijfde antiwitwasrichtlijn meldingsplichtige entiteiten worden en dat deze verplicht zullen zijn om een cliëntenonderzoek uit te voeren en verdachte transacties te melden bij de financiële inlichtingeneenheden (FIE's);

203.  merkt op dat vrijhavens in de EU kunnen worden aangewezen volgens de procedure voor vrije zones; merkt op dat vrije zones afgebakende gebieden zijn binnen het douanegebied van de Unie waarin goederen van buiten de Unie kunnen worden ingevoerd zonder dat deze onderworpen zijn aan invoerrechten, andere opslagen (d.w.z. btw) of commercieel beleid;

204.  herinnert aan het feit dat vrijhavens dienstdoen als entrepot in vrije zones en oorspronkelijk bedoeld waren als tussentijdse opslagplaats van handelsgoederen; betreurt het feit dat ze inmiddels vaak worden gebruikt voor de (veelal permanente(108)) opslag van vervangende activa, zoals kunst, edelstenen, antiek, goud en wijnverzamelingen, en via onbekende geldbronnen worden gefinancierd; beklemtoont dat vrijhavens of vrije zones niet mogen worden misbruikt voor belastingontduiking of om dezelfde effecten als belastingparadijzen te verwezenlijken;

205.  merkt op dat de redenen voor het gebruik van vrijhavens niet alleen veilige opslag omvatten, maar ook een hoge mate van geheimhouding en uitgestelde invoerrechten en andere belastingen, zoals btw en gebruikersbelastingen;

206.  onderstreept dat er in de EU(109) meer dan 80 vrije zones zijn plus nog eens vele duizenden andere entrepots onder de "speciale opslagregeling", vooral "douane-entrepots", die dezelfde mate van geheimhouding en (indirecte) belastingvoordelen(110) kunnen bieden;

207.  merkt op dat douane-entrepots volgens het douanewetboek van de Unie vrijwel dezelfde rechtsgrondslag hebben als vrijhavens; beveelt daarom aan deze dezelfde rechtsgrondslag te geven als vrijhavens met wettelijke maatregelen die de inherente risico's van witwassen en belastingontduiking ondervangen, zoals in de vijfde antiwitwasrichtlijn; is van mening dat douane-entrepots moeten worden uitgerust met voldoende en gekwalificeerd personeel dat de nodige onderzoeken kan uitvoeren naar de activiteiten die ze aanbieden;

208.  merkt op dat de witwasrisico's in vrijhavens rechtstreeks verband houden met de witwasrisico's in de markt van de vervangende activa;

209.  merkt op dat directe-belastingautoriteiten volgens de vijfde richtlijn administratieve samenwerking sinds 1 januari 2018 op verzoek toegang krijgen tussen een breed pakket inlichtingen over uiteindelijke begunstigden die conform de vijfde antiwitwasrichtlijn is verzameld; merkt op dat de antiwitwaswetgeving van de EU berust op het vertrouwen in betrouwbare cliëntenonderzoeken en de consequente melding van verdachte transacties door meldingsplichtige entiteiten, die als antiwitwaspoortwachters zullen fungeren; merkt bezorgd op dat deze "toegang op verzoek" tot inlichtingen van vrijhavens in specifieke gevallen mogelijk slechts een beperkt effect heeft(111);

210.  verzoekt de Commissie te onderzoeken in welke mate vrijhavens en scheepvaartvergunningen voor belastingontduiking worden misbruikt(112); verzoekt de Commissie daarnaast met een wetgevingsvoorstel te komen waarin de automatische uitwisseling van inlichtingen over uiteindelijk belanghebbenden en transacties in vrijhavens, douane-entrepots of specifieke economische regio's tussen de desbetreffende autoriteiten (zoals handhavings-, belasting- en douaneautoriteiten, en Europol) wordt geregeld, en verplichte traceerbaarheid in te voeren;

211.  verzoekt de Commissie met een voorstel te komen voor een dringende uitfasering van het systeem van vrijhavens in de EU;

212.  merkt op dat het einde van het bankgeheim heeft geleid tot de opkomst van investeringen in nieuwe activa, zoals kunst, hetgeen de laatste jaren voor een snelle groei van de kunstmarkt heeft gezorgd; benadrukt dat in vrije zones voor een veilige en op grote schaal buiten beschouwing gelaten opslagruimte wordt geboden waar onbelast handel kan worden gedreven en eigen inbreng kan worden verborgen, terwijl kunst zelf een ongereguleerde markt blijft, onder meer door de moeilijkheden bij het bepalen van de marktprijzen en het vinden van deskundigen; wijst erop dat het bijvoorbeeld gemakkelijker is om een waardevol schilderij naar de andere kant van de wereld te sturen dan een vergelijkbare som geld;

4.3.Fiscale amnestie

213.  herinnert eraan(113) dat fiscale amnestie met zeer grote terughoudendheid of helemaal niet moet worden toegepast, aangezien het uitsluitend een bron van gemakkelijke en snelle belastinginning op de korte termijn vormt, die vaak wordt gebruikt om begrotingsgaten te dichten, maar die ingezetenen er ook toe kan aanzetten de belastingen te ontduiken en te wachten op de volgende amnestie in het kader waarvan ze ontsnappen aan afschrikkende sancties of boetes; verzoekt de lidstaten die met amnestieregelingen werken om begunstigden verplicht te stellen nadere uitleg te geven over de herkomst van de fondsen die zij eerder niet hadden aangegeven;

214.  verzoekt de Commissie om amnestieprogramma's die lidstaten in het verleden hebben aangeboden te beoordelen, met name hoeveel belastinggeld zo alsnog is geïnd en welke impact ze op de middellange en lange termijn hebben gehad op de stabiliteit van de belastinggrondslag; dringt er bij de lidstaten op aan erop toe te zien dat relevante gegevens met betrekking tot de begunstigden van fiscale amnestie in het verleden en in de toekomst naar behoren worden gedeeld met de rechterlijke, handhavings- en belastingautoriteiten, en om naleving van de regels voor de bestrijding van witwassen en van terrorismefinanciering en de mogelijke vervolging van andere financiële misdaden te verzekeren;

215.  meent dat de Groep gedragscode elke fiscale-amnestieregeling verplicht moet screenen en goedkeuren voordat een lidstaat deze aanbiedt; is van mening dat een belastingbetaler of uiteindelijk begunstigde van een bedrijf die al gebruik heeft gemaakt van een of meer amnestieregelingen nooit meer in aanmerking mag komen voor een volgende amnestieregeling; verzoekt de nationale autoriteiten die gegevens bijhouden over degenen die van fiscale amnestie hebben geprofiteerd om een effectieve uitwisseling op te zetten met gegevens van politie, justitie of andere bevoegde autoriteiten die zich met misdaadonderzoek bezighouden (anders dan btw-fraude of belastingontduiking);

4.4.Administratieve samenwerking

216.  erkent het feit dat administratieve samenwerking op het gebied van de kaders voor directe belastingen nu betrekking heeft op zowel individuele belastingbetalers, als belastingplichtige bedrijven;

217.  benadrukt dat de internationale normen inzake administratieve samenwerking minimumnormen zijn; is daarom van mening dat de lidstaten meer moeten doen dan alleen die minimumnormen naleven; roept de lidstaten daarnaast op om alle hindernissen voor administratieve en wetgevingssamenwerking te elimineren;

218.  is ingenomen met het feit dat met de vaststelling van de internationale norm voor automatische uitwisseling van inlichtingen zoals ingevoerd in de eerste richtlijn voor administratieve samenwerking plus de intrekking van de richtlijn uit 2003 over spaargelden één EU-mechanisme is ontstaan voor de uitwisseling van inlichtingen;

5.Bestrijding van witwaspraktijken

219.  benadrukt dat geld op diverse manieren kan worden witgewassen en dat het witgewassen geld afkomstig kan zijn van diverse illegale activiteiten, variërend van corruptie tot wapenhandel en mensensmokkel, de handel in verdovende middelen, en belastingontduiking en fraude, en gebruikt kan worden voor het financieren van terrorisme; merkt bezorgd op dat de opbrengsten uit criminele activiteiten in de EU worden geschat op 110 miljard EUR per jaar(114), wat neerkomt op 1 % van het totale bbp van de Unie; wijst erop dat de Commissie inschat dat de witwaspraktijken in sommige lidstaten in 70 % van de gevallen een grensoverschrijdend karakter hebben(115); merkt verder op dat de VN(116) de omvang van witwaspraktijken inschat op 2 à 5 % van het internationale bbp, oftewel ongeveer 715 miljard en 1,87 triljoen EUR per jaar;

220.  beklemtoont dat meerdere recente witwaszaken in de Unie tot kapitaal, regerende elites en/of burgers uit Rusland en met name uit het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) konden worden herleid; maakt zich zorgen over de dreiging voor de Europese veiligheid en stabiliteit van illegaal geld uit Rusland en de GOS-staten dat met het oog op witwaspraktijken en vervolgens het financieren van criminele activiteiten het Europees financieel systeem wordt binnengesluisd; beklemtoont dat dit geld een gevaar vormt voor de veiligheid van de burgers van de EU, en voor gezagsgetrouwe burgers en bedrijven verstoringen en oneerlijke concurrentievoordelen creëert; is van oordeel dat, naast kapitaalvlucht, die niet kan worden ingedamd zonder dat oplossingen worden gevonden voor de economische en administratieve problemen van de landen van herkomst, en witwaspraktijken voor puur criminele redenen, deze vijandige activiteiten, die erop gericht zijn de Europese democratieën en hun economieën en instellingen te verzwakken, zo omvangrijk zijn dat ze een bedreiging vormen voor de stabiliteit van het Europese continent; dringt aan op betere samenwerking tussen de lidstaten daar waar het gaat om toezicht op kapitaal dat vanuit Rusland de Unie wordt binnengebracht;

221.  roept eens te meer op(117) tot EU-brede sancties voor mensenrechtenschendingen naar het voorbeeld van de Amerikaanse wereldwijde Magnitsky-wet, die het mogelijk moet maken een visumverbod en doelgerichte sancties op te leggen zoals de bevriezing van eigendommen en belangen in eigendommen binnen EU-rechtsgebied voor individuele openbare ambtenaren of personen die optreden in een openbare hoedanigheid die verantwoordelijk zijn voor handelingen van corruptie of ernstige mensenrechtenschendingen; verwelkomt de goedkeuring door het Parlement van het verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie(118); dringt aan op meer en nauwlettender toezicht op de bankportefeuilles van niet-ingezetenen en het deel daarvan dat zijn oorsprong heeft in landen die geacht worden een veiligheidsrisico te vormen voor de Unie;

222.  is ingenomen met de vaststelling van de vierde en vijfde antiwitwasrichtlijn; benadrukt dat deze een grote sprong voorwaarts betekenen voor het vergroten van de effectiviteit van de inspanningen van de Unie om het witwassen van geld uit criminele activiteiten te bestrijden en de financiering van terroristische activiteiten tegen te gaan; stelt vast dat het Uniekader voor de bestrijding van witwassen voornamelijk gestoeld is op een preventieve aanpak van witwaspraktijken, met de nadruk op detectie en melding van verdachte transacties;

223.  betreurt het feit dat bepaalde lidstaten niet de deadline hebben gehaald voor het omzetten van de vierde antiwitwasrichtlijn in nationale wetgeving (deels of helemaal) en dat de Commissie hierdoor genoodzaakt was om inbreukprocedures tegen hen in te leiden, ook met verwijzing naar het Europees Hof van Justitie(119); verzoekt deze lidstaten om dit zo snel mogelijk op te lossen; dringt er bij de lidstaten in het bijzonder op aan hun wettelijke plicht te respecteren om zich te houden aan de deadline van 10 januari 2020 voor het omzetten van de vijfde antiwitwasrichtlijn in nationale wetgeving; beklemtoont en steunt de conclusies van de Raad van 23 november 2018 waarin de lidstaten wordt gevraagd de vijfde antiwitwasrichtlijn vóór de deadline van 2020 om te zetten in hun nationale wetgeving; verzoekt de Commissie volledig gebruik te maken van alle instrumenten die haar ter beschikking staan om de lidstaten te ondersteunen bij het op zo kort mogelijke termijn in hun nationale wetgeving omzetten, én in de praktijk toepassen, van de vijfde antiwitwasrichtlijn, en daar toezicht op uit te oefenen;

224.  wijst nogmaals op het cruciale belang van cliëntenonderzoeken als onderdeel van de verplichting voor meldingsplichtige entiteiten om hun klanten zorgvuldig te identificeren, en na te gaan waar hun fondsen vandaan komen en wie de uiteindelijk belanghebbenden zijn van de activa, alsook om anonieme rekeningen te blokkeren; betreurt het feit dat sommige financiële instellingen en hun desbetreffende bedrijfsmodellen witwaspraktijken actief mogelijk hebben gemaakt; verzoekt de particuliere sector alles te doen wat in zijn vermogen licht om de financiering van terrorisme actief te bestrijden en terroristische activiteiten te voorkomen; verzoekt de financiële instellingen hun interne procedures actief tegen het licht te houden om het risico van witwassen te voorkomen;

225.  verwelkomt het actieplan dat de Raad op 4 december 2018 heeft goedgekeurd, dat diverse niet-wetgevingsmaatregelen omvat om witwaspraktijken en terrorismefinanciering in de EU beter te bestrijden; verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig op de hoogte te brengen van de vooruitgang van de tenuitvoerlegging van het actieplan;

226.  is bezorgd over het ontbreken van concrete procedures om de oprechtheid van de leden van de raad van bestuur van de ECB te beoordelen en te toetsen, met name wanneer zij formeel beschuldigd zijn van criminele activiteiten; roept ertoe op mechanismen in te voeren om het gedrag en het fatsoen van de leden van de raad van bestuur van de ECB te controleren en te toetsen, en hen te beschermen in geval van machtsmisbruik door de autoriteit die de nominatiebevoegdheid heeft;

227.  veroordeelt het feit dat systematische fouten bij de handhaving van de antiwitwasvoorschriften in combinatie met onvoldoende toezicht hebben geleid tot enkele geruchtmakende gevallen van witwaspraktijken bij Europese banken die terug te voeren waren op een systematische inbreuk op de meest fundamentele voorschriften voor de identificatie van klanten en voor cliëntenonderzoek;

228.  wijst nogmaals op het feit dat de identificatie van klanten en cliëntenonderzoek essentiële elementen zijn die bij zakelijke relaties steeds moeten terugkeren en dat de transacties van klanten continu heel aandachtig gecontroleerd moeten worden op verdachte of ongebruikelijke activiteiten; wijst in dit verband nogmaals op de verplichting voor meldingsplichtige entiteiten om hun nationale financiële inlichtingeneenheid proactief en onmiddellijk op de hoogte te stellen van verdachte witwastransacties, daaraan gerelateerde basisdelicten of de financiering van terrorisme; betreurt het feit dat natuurlijke personen met een hoge leidinggevende positie op grond van de vijfde antiwitwasrichtlijn, als laatste redmiddel, ondanks de inspanningen van het Parlement, nog altijd als uiteindelijke begunstigde van een bedrijf of trust kunnen worden geregistreerd terwijl de daadwerkelijke begunstigde eigenaar niet bekend is of het onderwerp is van verdenkingen; verzoekt de Commissie bij de volgende herziening van de antiwitwasvoorschriften in de EU een duidelijke beoordeling uit te voeren van de gevolgen van deze bepaling voor de beschikbaarheid van betrouwbare informatie over uiteindelijke begunstigden in de lidstaten en voor te stellen de bepaling te schrappen indien blijkt dat deze vatbaar is voor misbruik ter bescherming van de identiteit van uiteindelijke begunstigden;

229.  stelt vast dat in enkele lidstaten niet nader toegelichte mechanismen voor toezicht op vermogen bestaan voor het traceren van de opbrengsten van criminele activiteiten; benadrukt dat deze mechanismen in veel gevallen een rechterlijke beslissing is die vereist dat een persoon die redelijkerwijs wordt verdacht van betrokkenheid bij, of van het hebben van connecties met een persoon die betrokken is bij, ernstige misdaden, de aard en omvang van zijn belangen in specifieke eigendommen verklaart, en ook verklaart hoe de eigendom daarvan was verkregen, wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat het gekende wettelijk verkregen inkomen van de respondent onvoldoende zou zijn om hem in staat te stellen die eigendom te verwerven; verzoekt de Commissie de effecten en haalbaarheid van dergelijke mechanismen op het niveau van de Unie te onderzoeken;

230.  is verheugd over het feit dat meerdere lidstaten besloten hebben de uitgifte van aandelen aan toonder te verbieden en om de reeds in omloop zijnde aandelen aan toonder om te zetten in effecten op naam; verzoekt de lidstaten te bekijken of er, in het licht van de nieuwe bepalingen van de vijfde antiwitwasrichtlijn betreffende het melden van de uiteindelijke begunstigde en de in kaart gebrachte risico's, noodzaak bestaat om in hun eigen rechtsgebied vergelijkbare mechanismen in te voeren;

231.  benadrukt de dringende noodzaak om een doeltreffender systeem voor de uitwisseling van communicatie en informatie tussen gerechtelijke autoriteiten binnen de Unie uit te werken ter vervanging van de traditionele instrumenten van wederzijdse rechtsbijstand in strafzaken, die leiden tot langdurige en omslachtige procedures, wat schadelijk is voor grensoverschrijdende onderzoeken naar witwaspraktijken en andere ernstige misdrijven; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om de behoefte aan wetgevingsactie op dit gebied te beoordelen;

232.  verzoekt de Commissie een beoordeling uit te voeren van en aan het Parlement verslag uit te brengen over de rol van wettelijke regelingen zoals Special Purpose Vehicles (SPV's), Special Purpose Entities (SPE's) en Non Charitable Purpose Trusts (NCPT's) en de witwasrisico's die zij vertegenwoordigen, met name in het VK en van de Kroon afhankelijke gebieden en overzeese gebiedsdelen;

233.  verzoekt de lidstaten met klem bij de uitgifte van staatsobligaties op de financiële markten de wetgeving inzake de bestrijding van witwaspraktijken volledig na te leven; is van oordeel dat bij dergelijke financiële verrichtingen verder de "due diligence"-regels strikt moeten worden opgevolgd;

234.  merkt op dat alleen al tijdens het mandaat van de TAX3-commissie drie betreurenswaardige gevallen van witwaspraktijken via EU-banken aan het licht zijn gekomen: ING Bank N.V. heeft onlangs grove nalatigheid bij de uitvoering van de wetgeving tegen witwassen en terrorismefinanciering toegegeven en met het Nederlandse Openbaar Ministerie een schikking van 775 miljoen EUR getroffen(120); ABLV Bank in Letland heeft zichzelf vrijwillig failliet verklaard nadat de ABLV van het Financial Crimes Enforcement Network (FinCEN) van de Verenigde Staten in dat land geen correspondentrekening meer mocht aanhouden vanwege vermoedelijke witwaspraktijken(121), en na een onderzoek naar 15 000 klanten en ongeveer 9,5 miljoen transacties met vestigingen in Estland heeft Danske Bank toegegeven dat er sprake was van ernstige tekortkomingen in het goede bestuur en de controlesystemen waardoor de vestigingen in Estland voor verdachte transacties gebruikt konden worden(122);

235.  stelt met bezorgdheid vast dat de "Trojka Laundromat"-zaak ook publiekelijk aan het licht heeft gebracht hoe 4,6 miljard USD vanuit Rusland en andere landen door Europese banken en bedrijven werd gesluisd; onderstreept dat de Trojka Dialog, voorheen een van de grootste Russische particuliere investeringsbanken, en het netwerk dat de heersende Russische elite in staat heeft gesteld om illegale opbrengsten heimelijk te gebruiken voor de verwerving van aandelen in staatsbedrijven en de aankoop van onroerend goed in Rusland en in het buitenland, alsook van luxeproducten, in het schandaal centraal staan; betreurt voorts dat verschillende Europese banken naar verluidt bij deze verdachte transacties betrokken waren, namelijk Danske Bank, Swedbank AB, Nordea Bank Abp, ING Groep NV, Credit Agricole SA, Deutsche Bank AG, KBC Group NV, Raiffeisen Bank International AG, ABN Amro Group NV, Coöperatieve Rabobank U.A. en de Nederlandse eenheid van Turkiye Garanti Bankasi A.S.;

236.  merkt op dat in het geval van Danske Bank transacties ter waarde van ruim 200 miljard EUR via haar vestigingen in Estland liepen(123), terwijl de bank niet had voorzien in adequate interne procedures met betrekking tot de bestrijding van witwassen en cliëntenonderzoek, hetgeen de bank zelf heeft toegegeven en is bevestigd door de autoriteiten voor financieel toezicht van zowel Estland als Denemarken; is van mening dat dit geval het bewijs is van een volslagen gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, zowel bij de bank als bij de bevoegde nationale autoriteit; verzoekt de bevoegde autoriteiten om met spoed bij alle Europese banken een evaluatie uit te voeren van hun interne procedures met betrekking tot de bestrijding van witwassen en cliëntenonderzoek, zodat een passende handhaving van de witwaswetgeving van de Unie kan worden gewaarborgd;

237.  merkt verder op dat 6 200 klanten van de Danske Bank-vestigingen in Estland betrokken bleken te zijn bij verdachte transacties, dat ongeveer 500 klanten in verband zijn gebracht met openbaar gemaakte witwaspraktijken, dat 177 klanten in verband zijn gebracht met het Russische Laundromat-schandaal, dat 75 klanten in verband zijn gebracht met het Azerbeidzjaanse Laundromat-schandaal en dat 53 klanten bedrijven met dezelfde adressen en directeuren bleken te zijn(124); roept de relevante nationale autoriteiten op de bestemmingen na te gaan van de als verdacht bestempelde transacties door de 6 200 klanten van de Estse tak van Danske Bank om te bevestigen dat het witgewassen geld niet gebruikt is voor nog andere criminele activiteiten; roept de betreffende nationale autoriteiten op naar behoren samen te werken in deze kwestie aangezien de ketens van verdachte transacties duidelijk grensoverschrijdend zijn;

238.  wijst op het feit dat de ECB de vergunning van de Maltese Pilatus Bank heeft ingetrokken nadat in de Verenigde Staten de voorzitter en enig aandeelhouder, Ali Sadr Hashemi Nejad, was aangehouden op verdenking van onder meer witwassen; benadrukt dat de EBA heeft geconcludeerd dat de Maltese Financial Intelligence Analysis Unit (FIAU) de EU-wetgeving had overtreden omdat ze had nagelaten effectief toezicht uit te oefenen op Pilatus Bank, onder meer vanwege tekortkomingen in de procedures en een gebrek aan toezichthoudende activiteiten; stelt vast dat de Commissie de Maltese FIAU op 8 november 2018 een formeel advies heeft doen toekomen, waarin het de eenheid oproept aanvullende maatregelen te nemen om aan haar wettelijke verplichtingen te voldoen(125); verzoekt de Maltese FIAU gevolg te geven aan de respectieve aanbevelingen;

239.  neemt nota van de brief van de permanente vertegenwoordiger van Malta bij de EU aan de TAX3-commissie naar aanleiding van de door deze commissie geuite bezorgdheid in verband met de vermeende betrokkenheid van een aantal Maltese PEP's bij een mogelijk nieuw geval van witwassen en belastingontduiking rondom het in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) gevestigde bedrijf "17 Black"(126); betreurt het vage karakter van de ontvangen antwoorden; maakt zich zorgen over de klaarblijkelijke politieke desinteresse van de Maltese autoriteiten; vindt het met name zorgwekkend dat volgens de "17 Black"-onthullingen PEP's in de hoogste regionen van de Maltese regering bij het schandaal betrokken lijken te zijn; verzoekt de Maltese autoriteiten de VAE om bewijzen te vragen in de vorm van letters met verzoeken om juridische bijstand; verzoekt de VAE met de Maltese en de Europese autoriteiten samen te werken en erop toe te zien dat het geld dat op de bankrekeningen van "17 Black" bevroren is niet wordt vrijgegeven voordat een grondig onderzoek heeft plaatsgevonden; wijst in het bijzonder op het klaarblijkelijke gebrek aan onafhankelijkheid van zowel de Maltese FIAU, als de Maltese commissaris van politie; betreurt het feit dat er tot nu toe geen maatregelen zijn genomen tegen de PEP's die bij de vermeende corruptiezaken betrokken zijn; beklemtoont dat het Maltese onderzoek baat zou hebben bij de instelling - op basis van een ad-hocovereenkomst(127) - van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (GOT), teneinde iets te doen aan de serieuze twijfels omtrent de onafhankelijkheid en de kwaliteit van de lopende nationale onderzoeken, met ondersteuning van Europol en Eurojust;

240.  merkt op dat onderzoeksjournaliste Daphne Caruana Galizia werd vermoord op het ogenblik dat ze werkte aan het grootste informatielek dat ze ooit onder ogen had gekregen, met informatie die afkomstig was van de servers van ElectroGas, de onderneming die de elektriciteitscentrale van Malta exploiteert; merkt verder op dat de eigenaar van "17 Black", die grote sommen geld moest overschrijven naar Maltese PEP's die verantwoordelijk zijn voor deze elektriciteitscentrale, ook bestuurder en aandeelhouder van ElectroGas is;

241.  is bezorgd over de toename van witwaspraktijken in de context van andere vormen van zakelijke activiteiten, met name de fenomenen van "flying money" en "notorious streets"; benadrukt dat een betere coördinatie en nauwere samenwerking tussen lokale en regionale administratieve en handhavingsautoriteiten nodig is om deze kwesties in Europese steden aan te pakken;

242.  is zich ervan bewust dat het huidige rechtskader voor de bestrijding van witwaspraktijken tot nu toe ingevuld is door richtlijnen en stoelt op een minimale harmonisatie, wat qua nationaal toezicht en nationale handhaving heeft geleid tot praktische verschillen tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie om bij een toekomstige herziening van de antiwitwaswetgeving in het kader van de verplichte effectrapportage te onderzoeken of een verordening wellicht een passendere wetshandeling is dan een richtlijn; roept in deze context op om de antiwitwaswetgeving snel om te zetten in een verordening wanneer uit de effectbeoordeling blijkt dat dit gerechtvaardigd is;

5.1.Samenwerking tussen antiwitwas- en prudentiële toezichthouders in de Europese Unie

243.  is verheugd over het feit dat de voorzitter van de Commissie, naar aanleiding van recente gevallen van schending of vermeende schending van de antiwitwasregels, in zijn Staat van de Unie van 12 september 2018 aanvullende maatregelen heeft aangekondigd;

244.  wijst met klem op de noodzaak van meer controle van en permanent toezicht op de leden van de raden van bestuur en de aandeelhouders van kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en verzekeringsmaatschappijen in de Unie, en benadrukt in het bijzonder hoe moeilijk het is om bankvergunningen of gelijkwaardige specifieke vergunningen in te trekken;

245.  steunt de werkzaamheden van de gezamenlijke werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van het directoraat-generaal Justitie en consumenten en het directoraat-generaal Financiële stabiliteit, financiële diensten en kapitaalmarktenunie van de Commissie, de ECB, de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's) en de voorzitter van het Gemengd Comité tegen het witwassen van geld van de ETA's, teneinde de huidige tekortkomingen op te sporen en maatregelen voor te stellen om een doeltreffende samenwerking en coördinatie en uitwisseling van informatie tussen de toezichthoudende en handhavingsinstanties mogelijk te maken;

246.  komt tot de conclusie dat het huidige niveau van coördinatie van het toezicht op financiële instellingen ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, met name in gevallen met grensoverschrijdende effecten, niet voldoende is om de huidige uitdagingen in deze sector aan te pakken en dat het vermogen van de Unie om gecoördineerde antiwitwasregels en -praktijken te handhaven momenteel ontoereikend is;

247.  roept op tot een beoordeling van langetermijndoelstellingen die leiden tot een versterkt antiwitwaskader, zoals vermeld in de discussienota over mogelijke elementen van een routekaart voor naadloze samenwerking tussen antiwitwas- en bedrijfseconomische toezichthouders in de Europese Unie(128), zoals de instelling van een mechanisme op EU-niveau om de activiteiten van toezichthouders voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering op entiteiten uit de financiële sector beter te coördineren, met name in situaties waarin deze grensoverschrijdende effecten kunnen hebben, en een mogelijke centralisatie van toezicht op witwassen via een bestaand of nieuw EU-orgaan dat bevoegd is om geharmoniseerde regels en praktijken in EU-lidstaten te handhaven; steunt verdere inspanningen gericht op centralisatie van het toezicht op de bestrijding van witwaspraktijken en is van oordeel dat een dergelijk mechanisme voldoende personele en financiële middelen ter beschikking moeten worden gesteld om zijn taken doeltreffend uit te voeren;

248.  herinnert eraan dat de ECB bevoegd en verantwoordelijk is voor het intrekken van de vergunning van kredietinstellingen voor ernstige inbreuken op de regelgeving inzake de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering; stelt evenwel vast dat de ECB volledig afhankelijk is van nationale toezichthouders voor de bestrijding van witwassen voor informatie over dergelijke inbreuken die nationale autoriteiten vaststellen; roept de nationale autoriteiten voor de bestrijding van witwassen dan ook op tijdig kwalitatief hoogwaardige informatie aan de ECB ter beschikking te stellen zodat zij haar functie naar behoren kan vervullen; verwelkomt in dit verband het multilateraal akkoord over de praktische modaliteiten voor de uitwisseling van informatie tussen de ECB en alle bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de inachtneming van de verplichtingen krachtens de regelgeving inzake de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering door krediet- en financiële instellingen;

249.  is van oordeel dat bedrijfseconomisch toezicht en toezicht op antiwitwasmaatregelen niet afzonderlijk kunnen worden behandeld; beklemtoont dat de ETA's ten gevolge van hun besluitvormingsprocedures, een gebrek aan bevoegdheden en te weinig middelen slechts beperkt in staat zijn een grotere rol te spelen bij de bestrijding van witwaspraktijken; beklemtoont dat de EBA bij deze bestrijding het voortouw zou moeten nemen, alsook voor nauwe coördinatie moet zorgen met de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa), en met het oog daarop op zo kort mogelijke termijn voldoende personele en materiële middelen moet krijgen om haar in staat te stellen daadwerkelijk een bijdrage te leveren aan de stelselmatige en doeltreffende preventie van het gebruik van het financiële systeem voor witwaspraktijken, waaronder door het uitvoeren van risicobeoordelingen van bevoegde autoriteiten en toetsingen binnen haar algemene kader; dringt erop aan meer ruchtbaarheid aan deze toetsingen te geven en - met name - het Parlement en de Raad stelselmatig relevante informatie te verstrekken in gevallen waarin op nationaal of EU-niveau ernstige tekortkomingen worden geconstateerd(129);

250.  wijst op het toenemende belang van nationale financiële toezichthouders; spoort de Commissie aan om na overleg met de EBA een voorstel te doen voor mechanismen ter facilitering van nauwere samenwerking en coördinatie tussen autoriteiten belast met financieel toezicht; vindt, wat de lange termijn betreft, dat de toezichtpraktijken van de verschillende met de bestrijding van witwassen belaste nationale instanties nauwer op elkaar moeten worden afgestemd;

251.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 12 september 2018 over de versterking van het Uniekader voor bedrijfseconomisch toezicht en toezicht op de bestrijding van witwaspraktijken voor financiële instellingen (COM(2018)0645) en het daarin vervatte voorstel over de herziening van de ETA's ter versterking van de toezichtconvergentie; is van oordeel dat de EBA op het niveau van de Unie een leidende, coördinerende en toezichthoudende rol moet vervullen om het financieel systeem doeltreffend te beschermen tegen witwaspraktijken en de risico's van terrorismefinanciering, in het licht van de ongewenste potentiële gevolgen voor de financiële stabiliteit van de Unie van het misbruik van de financiële sector voor witwas- of terrorismefinancieringsdoeleinden, en in het licht van de ervaring die de EBA - als autoriteit met de bevoegdheid om in alle lidstaten toezicht uit te oefenen - reeds heeft opgedaan bij het beschermen van de banksector tegen dergelijke vormen van misbruik;

252.  neemt nota van de zorgen van de EBA met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de richtlijn kapitaalvereisten (2013/36/EU) betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen(130); is verheugd over de suggesties van de EBA om de tekortkomingen in het huidige rechtskader van de Unie aan te pakken; verzoekt de lidstaten de onlangs aangenomen wijzigingen van de richtlijn kapitaalvereisten snel in de nationale wetgeving om te zetten;

5.2.Samenwerking tussen financiële-inlichtingeneenheden (FIE's)

253.  herinnert eraan dat de lidstaten krachtens de vijfde antiwitwasrichtlijn verplicht zijn geautomatiseerde gecentraliseerde mechanismen op te zetten die een snelle identificatie van houders van bank- en betaalrekeningen mogelijk maken, en ervoor te zorgen dat elke FIE in staat is om informatie die in deze gecentraliseerde mechanismen wordt bewaard, tijdig aan elke andere FIE te verstrekken; beklemtoont het belang van het tijdig toegang hebben tot informatie, teneinde financiële criminaliteit te voorkomen en te verhinderen dat onderzoeken moeten worden stopgezet; verzoekt de lidstaten de invoering van deze mechanismen te bespoedigen, zodat de FIE's van de lidstaten doeltreffend met elkaar kunnen samenwerken om witwaspraktijken op te sporen en tegen te gaan; verzoekt de FIE's van de lidstaten met klem het FIU.net-systeem te gebruiken; wijst erop dat gegevensbescherming ook in dit kader belangrijk is;

254.  is van oordeel dat een bijdrage leveren aan het doeltreffend bestrijden van witwaspraktijken alleen mogelijk is indien de nationale FIE's voldoende middelen en capaciteiten ter beschikking worden gesteld;

255.  wijst er in het bijzonder op dat niet alleen samenwerking tussen de FIE's van de lidstaten, maar ook samenwerking tussen de FIE's van de lidstaten en de FIE's van derde landen van essentieel belang is voor een doeltreffende bestrijding van witwaspraktijken; neemt nota van de politieke akkoorden over de interinstitutionele onderhandelingen(131) met het oog op de vaststelling in de toekomst van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van regels ter vergemakkelijking van het gebruik van financiële en andere informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van bepaalde strafbare feiten en tot intrekking van Besluit 2000/642/JBZ;

256.  roept de Commissie op gespecialiseerde opleidingen te ontwikkelen voor FIE's, met name gezien het feit dat een aantal lidstaten over minder capaciteit beschikken; neemt akte van de bijdrage van de Egmont-groep, die uit 159 FIE's bestaat en tot doel heeft hun operationele samenwerking te versterken door de voortzetting en uitvoering van tal van projecten aan te moedigen; wacht op de beoordeling van de Commissie van het kader voor samenwerking van FIE's met derde landen, en van de hindernissen voor en de mogelijkheden tot uitbreiding van de samenwerking tussen FIE's in de Unie, met inbegrip van de mogelijkheid om een coördinatie- en ondersteuningsmechanisme op te richten; herinnert eraan dat deze beoordeling vóór 1 juni 2019 afgerond moet zijn; dringt er bij de Commissie op aan deze mogelijkheid te overwegen om een wetgevingsvoorstel te doen voor een FIE van de EU, waarbij een hub wordt gecreëerd voor gezamenlijk onderzoekswerk en coördinatie, met een eigen takenpakket, autonomie en onderzoeksbevoegdheden inzake grensoverschrijdende financiële criminaliteit, evenals een vroeg waarschuwingsmechanisme; is van mening dat een FIE van de EU een brede rol moet vervullen bij het coördineren, bijstaan en ondersteunen van de FIE's van de lidstaten in grensoverschrijdende gevallen, teneinde de informatie-uitwisseling te vergroten en te zorgen voor gezamenlijke analyses van grensoverschrijdende gevallen en intensieve coördinatie van de werkzaamheden;

257.  roept de Commissie op om samen met de lidstaten actief te zoeken naar mechanismen om de samenwerking tussen de FIE's van de lidstaten en de FIE's van derde landen te verbeteren en te versterken; roept de Commissie op om in dit verband passende maatregelen te nemen in de relevante internationale fora, zoals de OESO en de Financiële-actiegroep (FATF); is van mening dat in een eventueel daaruit voortvloeiende overeenkomst de bescherming van persoonsgegevens naar behoren in aanmerking moet worden genomen;

258.  verzoekt de Commissie om het Parlement en de Raad in een rapport erover te informeren of de verschillen in status en organisatie tussen de FIE's van de lidstaten een belemmering vormen voor de samenwerking bij de bestrijding van de zware grensoverschrijdende misdaad;

259.  wijst erop dat de niet-standaardisering van de formaten voor het melden van verdachte transacties en van de drempels voor de desbetreffende meldingen tussen de lidstaten en met betrekking tot de verschillende meldingsplichtige entiteiten tot problemen bij de verwerking en uitwisseling van informatie tussen FIE's leidt; verzoekt de Commissie - met ondersteuning van de EBA - na te gaan hoe op zo kort mogelijke termijn gestandaardiseerde meldingsformaten voor meldingsplichtige entiteiten kunnen worden opgezet om de verwerking en uitwisseling van informatie tussen FIE's in gevallen met een grensoverschrijdend karakter te vergemakkelijken en te verbeteren, en te overwegen de drempels voor verdachte transacties te standaardiseren;

260.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om geautomatiseerde terugzoeksystemen met meldingen van verdachte transacties op te zetten waarin de FIE's van de lidstaten transacties en hun initiatiefnemers en ontvangers die herhaaldelijk in verschillende lidstaten als verdacht zijn gemeld, kunnen opzoeken;

261.  moedigt de bevoegde autoriteiten en de FIE's aan om met de financiële instellingen en andere meldingsplichtige entiteiten in contact te treden om de melding van verdachte activiteiten te verbeteren en defensieve melding te verminderen, wat helpt ervoor te zorgen dat de FIE's nuttiger, doelgerichter en vollediger informatie ontvangen om hun taken naar behoren uit te voeren, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de algemene verordening gegevensbescherming wordt nageleefd;

262.  herinnert er eens te meer aan dat het belangrijk is betere kanalen te ontwikkelen voor dialoog, communicatie en de uitwisseling van informatie tussen overheden en specifieke particuliere belanghebbenden, in het algemeen bekend als publiek-private partnerschappen (PPP's), met name voor meldingsplichtige entiteiten als bedoeld in de richtlijn bestrijding witwaspraktijken, en beklemtoont verder de positieve resultaten van het enige grensoverschrijdende PPP, te weten het publiek-private partnerschap Financiële inlichtingen van Europol, dat de strategische uitwisseling van informatie tussen banken, FIE's, handhavende autoriteiten en nationale regelgevende instanties in de lidstaten bevordert;

263.  steunt de continu verbetering van de uitwisseling van informatie tussen FIE's en handhavende autoriteiten, met inbegrip van Europol; is van oordeel dat een dergelijk partnerschap ook tot stand moet worden gebracht met betrekking tot nieuwe technologieën, inclusief virtuele activa, om de in de lidstaten reeds bestaande acties te formaliseren; roept het Europees Comité voor gegevensbescherming op meer duidelijkheid te verschaffen aan marktdeelnemers die als onderdeel van hun zorgvuldigheidsverplichtingen persoonsgegevens verwerken, teneinde ze in staat te stellen de toepasselijke gegevensbeschermingsregels in acht te nemen;

264.  beklemtoont dat meer en betere samenwerking tussen nationale toezichthouders en FIE's essentieel is voor een doeltreffende bestrijding van witwaspraktijken en belastingontduiking; benadrukt daarnaast dat de strijd tegen witwaspraktijken en belastingontduiking ook een goede samenwerking tussen FIE's en douane-autoriteiten vereist;

265.  roept de Commissie op verslag uit te brengen over de stand van zaken van en de verbeteringen bij de FIE's van de lidstaten met betrekking tot de verspreiding, uitwisseling en verwerking van informatie, naar aanleiding van de PANA-aanbevelingen(132) en het verslag waarin het platform van FIE's van de lidstaten de problemen in kaart brengt;

5.3.Meldingsplichtige entiteiten (toepassingsgebied)

266.  is verheugd over het feit dat de vijfde antiwitwasrichtlijn de lijst van meldingsplichtige entiteiten heeft uitgebreid met aanbieders van wisseldiensten tussen virtuele en chartale valuta, aanbieders van een bewaarportemonnee, kunsthandelaren en vrijhavens;

267.  verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om de handhaving van grondig cliëntenonderzoek te verbeteren, met name om beter te verduidelijken dat de verantwoordelijkheid voor de correcte uitvoering hiervan altijd bij de meldingsplichtige entiteit ligt, zelfs wanneer deze wordt uitbesteed, en om te voorzien in sancties in geval van nalatigheid of belangenconflicten in gevallen van uitbesteding; onderstreept dat meldingsplichtige entiteiten krachtens de vijfde antiwitwasrichtlijn verplicht zijn in het kader van grondig cliëntenonderzoek in verband met zakelijke betrekkingen of transacties met landen die door de Commissie met betrekking tot witwaspraktijken als landen met een hoog risico zijn aangemerkt, versterkte controles te verrichten en daarover stelselmatig verslag uit te brengen;

5.4.Registers

268.  is verheugd over de toegang tot informatie over uiteindelijke begunstigden en andere informatie uit grondig cliëntenonderzoek die in het kader van krachtens de richtlijn administratieve samenwerking aan de belastingautoriteiten wordt verleend; herinnert eraan dat deze toegang noodzakelijk is om de belastingautoriteiten in staat te stellen hun taken naar behoren uit te voeren;

269.  merkt op dat de antiwitwaswetgeving van de Unie de lidstaten verplicht om centrale registers op te zetten met volledige gegevens over de uiteindelijk begunstigden van bedrijven en trusts, en dat deze wetgeving ook voorziet in de onderlinge koppeling van deze registers; is ingenomen met het feit dat de lidstaten op grond van de vijfde antiwitwasrichtlijn verplicht zijn ervoor te zorgen dat de informatie over uiteindelijk begunstigden in alle gevallen toegankelijk is voor het publiek;

270.  stelt evenwel vast dat - met betrekking tot trusts - de nationale registers in principe uitsluitend toegankelijk zullen zijn voor personen die kunnen aantonen dat ze een gewettigd belang bij toegang hebben; benadrukt dat het de lidstaten vrij staat de registers van uiteindelijke begunstigden voor trusts open te stellen voor het publiek, zoals het Parlement al eerder heeft aanbevolen; roept de lidstaten op om vrij toegankelijke en open gegevensregisters op te zetten; wijst er nogmaals op dat de eventueel te verlangen vergoeding niet hoger mag zijn dan de administratieve kosten (met inbegrip van de kosten voor onderhoud en ontwikkeling van de registers) van het toegankelijk maken van de informatie;

271.  benadrukt dat de Commissie voor de koppeling van de registers moet zorgen; is van mening dat de Commissie nauwlettend moet toezien op de werking van dit gekoppelde systeem en binnen een redelijke termijn moet beoordelen of het goed functioneert en of het moet worden aangevuld met een openbaar EU-register van uiteindelijk begunstigden, of met een ander instrument dat eventuele tekortkomingen afdoende verhelpt; roept de Commissie op om in de tussentijd technische richtsnoeren op te stellen en uit te geven om convergentie van formaat, interoperabiliteit en koppeling van de registers van de lidstaten te bevorderen; is van oordeel dat in het kader van de toepassing van de vijfde antiwitwasrichtlijn ten aanzien van uiteindelijke begunstigden van trusts dezelfde mate van transparantie moet worden betracht als ten aanzien van bedrijven, mét garanties voor passende vrijwaringsmaatregelen;

272.  vindt het zorgwekkend dat de informatie in de registers van uiteindelijke begunstigden niet altijd compleet en/of nauwkeurig is; verzoekt de lidstaten dan ook erop toe te zien dat registers van uiteindelijke begunstigden controlemechanismen bevatten om de nauwkeurigheid van de gegevens te verzekeren; verzoekt de Commissie om bij haar controles de controlemechanismen van de lidstaten en de betrouwbaarheid van de gegevens te beoordelen;

273.  dringt aan op een striktere en preciezere definitie van uiteindelijk begunstigden om ervoor te zorgen dat alle natuurlijke personen die uiteindelijk eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over een juridische entiteit, worden geïdentificeerd;

274.  herinnert eraan dat er heldere regels moeten komen om een duidelijke identificatie van de uiteindelijke begunstigden te bevorderen, waaronder een verplichting dat de oprichting van een trust of soortgelijke constructie schriftelijk is vastgelegd en dat deze is geregistreerd in de lidstaat waar de trust is opgezet, wordt beheerd of actief is;

275.  onderstreept het probleem van het witwassen van geld door investeringen in onroerend goed in Europese steden via buitenlandse lege vennootschappen; herinnert eraan dat de Commissie de noodzaak en evenredigheid van de harmonisatie van de informatie in de grond- en onroerendgoedregisters moet beoordelen en de noodzaak van de koppeling van deze registers moet beoordelen; verzoekt de Commissie het verslag indien nodig vergezeld te laten gaan van een wetgevingsvoorstel; is van mening dat de lidstaten moeten beschikken over voor het publiek toegankelijke informatie over de uiteindelijke begunstigden van land en vastgoed;

276.  herhaalt zijn standpunt over de ontwikkeling van registers van uiteindelijke begunstigden van levensverzekeringscontracten, zoals geformuleerd tijdens de interinstitutionele onderhandelingen over de vijfde antiwitwasrichtlijn; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het haalbaar en nodig is informatie over de uiteindelijke begunstigden van levensverzekeringscontracten en financiële instrumenten aan de relevante autoriteiten ter beschikking te stellen;

277.  merkt op dat de Commissie in het kader van de vijfde antiwitwasrichtlijn een analyse moet uitvoeren van de haalbaarheid van specifieke maatregelen en mechanismen op het niveau van de Unie en de lidstaten die het mogelijk maken om informatie over de uiteindelijk begunstigden van ondernemingen en andere rechtspersonen met rechtspersoonlijkheid buiten de Unie te verzamelen en er toegang toe te krijgen; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel voor een dergelijk mechanisme in te dienen indien de haalbaarheidsanalyse positief uitvalt;

5.5.Technologische risico's en virtuele activa, waaronder virtuele en cryptovaluta

278.  onderstreept het positieve potentieel van nieuwe gedistribueerde grootboektechnologieën (DLT's), zoals blockchaintechnologie; stelt tegelijkertijd vast dat er steeds meer misbruik wordt gemaakt van nieuwe betalings- en overschrijvingsmethoden die op deze technologieën zijn gebaseerd om de opbrengsten van misdrijven wit te wassen of om andere financiële misdrijven te plegen; erkent dat de snelle technologische ontwikkelingen moeten worden gevolgd om ervoor te zorgen dat de wetgeving misbruik van nieuwe technologieën en anonimiteit, die criminele activiteiten in de hand werkt, op doeltreffende wijze aanpakt, zonder de positieve aspecten ervan in te perken;

279.  verzoekt de Commissie de relevante cryptospelers die momenteel niet onder het toepassingsgebied van de vijfde antiwitwasrichtlijn vallen aan een grondig onderzoek te onderwerpen en de lijst van meldingsplichtige entiteiten, waarbij met name moet worden gedacht aan dienstverleners op het gebied van transacties met één of meerdere virtuele valuta, in voorkomend geval uit te breiden; verzoekt de lidstaten ondertussen de bepalingen van de vijfde antiwitwasrichtlijn die inhouden dat verleners van portemonneediensten voor virtuele valuta en de uitwisseling van diensten hun klanten moeten identificeren, hetgeen het anonieme gebruik van virtuele valuta erg moeilijk zou maken, zo snel mogelijk in nationaal recht om te zetten;

280.  verzoekt de Commissie de technologische ontwikkelingen, waaronder de snelle uitbreiding van innovatieve zakelijke Fintech-modellen en de uitrol van opkomende technologieën zoals kunstmatige intelligentie, DLT's, cognitieve computing en machineleren, nauwlettend in de gaten te houden, teneinde de technologische risico's en eventuele leemten in kaart te brengen en beter bestand te zijn tegen cyberaanvallen of systeemfalen, in concreto middels een betere gegevensbescherming; spoort de bevoegde autoriteiten en de Commissie aan de mogelijke systeemrisico's van DLT-applicaties aan een grondige beoordeling te onderwerpen;

281.  beklemtoont dat de ontwikkeling en het gebruik van virtuele activa een langetermijntrend is die zich waarschijnlijk zal voortzetten en in de komende jaren verder zal toenemen, met name middels het gebruik van virtuele tokens voor allerlei toepassingen, zoals corporate financing; verzoekt de Commissie een passend kader op het niveau van de EU voor de omgang met deze ontwikkelingen uit te werken en zich daarbij te laten leiden door de werkzaamheden ter zake op internationaal vlak, maar ook door Europese instanties zoals de ESMA; is van mening dat dit kader de nodige beschermingsmaatregelen moet bevatten ten aanzien van de specifieke risico's van virtuele activa en tegelijkertijd voldoende ruimte moet laten voor innovatie;

282.  merkt met name op dat de ondoorzichtigheid van virtuele activa zou kunnen worden gebruikt om witwaspraktijken en belastingontduiking te vergemakkelijken; verzoekt de Commissie in dit verband duidelijkheid te verschaffen omtrent de voorwaarden waaronder virtuele activa in MiFID2 als een bestaand of nieuw financieel instrument zouden kunnen worden aangemerkt, alsook over de omstandigheden waarin de EU-wetgeving van toepassing is op de uitgifte van digitale tokens;

283.  verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar een verbod op bepaalde anonimiteitsmaatregelen voor specifieke virtuele activa en, in voorkomend geval, te overwegen virtuele activa onder de regels voor financiële instrumenten te laten vallen; is van oordeel dat FIE's de mogelijkheid zouden moeten hebben om adressen van virtuele en cryptovaluta te koppelen aan de identiteit van de eigenaar van de virtuele activa; vindt dat de Commissie moet bekijken of het mogelijk is te komen tot de verplichte registratie van gebruikers van virtuele activa; herinnert eraan dat sommige lidstaten al verschillende soorten maatregelen hebben vastgesteld voor specifieke segmenten van die sector, zoals de uitgifte van digitale tokens, die voor de EU een bron van inspiratie zouden kunnen zijn voor acties in de toekomst;

284.  benadrukt dat de FATF er onlangs op heeft gewezen dat alle landen dringend gecoördineerde actie moeten ondernemen om het gebruik van virtuele activa voor misdaad en terrorisme te voorkomen, en er bij alle rechtsgebieden op aandringt om juridische en praktische stappen te ondernemen om misbruik van virtuele activa te voorkomen(133); dringt er bij de Commissie op aan de aanbevelingen en normen van de FATF voor het regelen van virtuele activa snel in het Europese rechtskader op te nemen; benadrukt dat de Unie zich hard moet blijven maken voor een coherent en gecoördineerd internationaal regelgevend kader voor virtuele valuta, voortbouwend op inspanningen die zij heeft ondernomen binnen de G20;

285.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om op korte termijn een evaluatie uit te voeren van het verband tussen elektronische gokactiviteiten enerzijds en het witwassen van geld en fiscale misdrijven anderzijds; is van mening dat die evaluatie met voorrang moet worden uitgevoerd; stelt vast dat de e-gamingsector in meerdere rechtsgebieden in opkomst is, waaronder in enkele van de Britse Kroon afhankelijke gebieden, zoals het Isle of Man, en daar reeds goed is voor 18 % van het nationaal inkomen;

286.  neemt kennis van het werk van deskundigen op het gebied van elektronische identificatie en klantidentificatieprocessen op afstand, waarbij kwesties worden onderzocht zoals de mogelijkheid voor financiële instellingen om elektronische identificatie (e-ID) te gebruiken en de overdraagbaarheid van klantidentificatie om klanten digitaal te identificeren; verzoekt de Commissie in dit verband in kaart te brengen wat de potentiële voordelen zijn van het invoeren van een Europees e-ID-systeem; herhaalt eens te meer dat het belangrijk is een goed evenwicht te handhaven tussen data- en privacybescherming enerzijds en de noodzaak voor bevoegde autoriteiten om met het oog op strafrechtelijke onderzoeken toegang te hebben tot informatie anderzijds;

5.6.Sancties

287.  beklemtoont dat de antiwitwaswetgeving van de EU vereist dat de lidstaten sancties vaststellen voor inbreuken op de antiwitwasregels; benadrukt dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn; dringt aan op de invoering, in de lidstaten, van vereenvoudigde procedures voor de implementatie van in verband met inbreuken op de witwaswetgeving opgelegde sancties;

288.  verzoekt de lidstaten met klem toe te zeggen dat ze zo snel mogelijk informatie zullen verstrekken over de aard en de waarde van de opgelegde sancties, naast informatie over het soort en de aard van de inbreuk en de identiteit van de inbreukpleger; roept de lidstaten op om ook sancties en maatregelen op te leggen aan de leden van raad van bestuur en andere natuurlijke personen die onder nationaal recht verantwoordelijk zijn voor een inbreuk op de regels inzake de bestrijding van witwaspraktijken(134);

289.  verzoekt de Commissie elke twee jaar verslag uit te brengen aan het Parlement over de nationale wetgeving en praktijken op het gebied van sancties voor inbreuken op de wetgeving inzake de bestrijding van witwaspraktijken;

290.  is verheugd over de goedkeuring van Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van beslissingen tot bevriezing en confiscatie(135), die erop gericht is de grensoverschrijdende ontneming van criminele vermogensbestanddelen te vergemakkelijken, hetgeen de capaciteit van de Unie zal helpen versterken om de georganiseerde misdaad en terrorisme te bestrijden en de financieringsbronnen voor criminelen en terroristen in de hele Unie af te snijden;

291.  is ingenomen met de goedkeuring van Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld(136), waarmee nieuwe strafrechtelijke bepalingen worden ingevoerd en doeltreffendere en snellere grensoverschrijdende samenwerking tussen de bevoegde instanties mogelijk moet worden gemaakt om het witwassen van geld en de daarmee samenhangende financiering van terrorisme en georganiseerde misdaad op doeltreffender wijze te voorkomen; merkt op dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat hun bevoegde autoriteiten in overeenstemming met Richtlijn 2014/42/EU(137)in voorkomend geval de opbrengsten van en de hulpmiddelen die werden gebruikt of bestemd waren om te worden gebruikt bij het plegen of het bijdragen aan het plegen van deze strafbare feiten, bevriezen of in beslag nemen;

5.7.Internationale dimensie

292.  stelt vast dat de Commissie overeenkomstig de vierde antiwitwasrichtlijn in kaart moeten brengen welke derde hoogrisicolanden met strategische tekortkomingen te kampen hebben in hun systeem voor de bestrijding van witwaspraktijken en de financiering van terrorisme;

293.  is van mening dat het weliswaar goed is om rekening te houden met de werkzaamheden die op internationaal niveau, en met name in de FATF, worden ondernomen om derde landen met een hoog risico op te sporen met het oog op de bestrijding van witwaspraktijken en de financiering van terrorisme, maar dat het een conditio sine qua non is dat de Unie over een autonome lijst van derde landen met een hoog risico beschikt; verwelkomt in dit kader de Gedelegeerde verordening van de Commissie van 13 februari 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen (C(2019)1326), en betreurt het dat de Raad hiertegen bezwaar heeft gemaakt; verwelkomt daarnaast de Gedelegeerde Verordening van 31 januari 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen inzake de minimumactie en de soort bijkomende maatregelen waartoe krediet- en financiële instellingen verplicht zijn met het oog op het beperken van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering in bepaalde derde landen(138);

294.  verwelkomt de goedkeuring door de Commissie van de op 22 juni 2018 gepubliceerde methode voor de identificatie van derde landen met een hoog risico in het kader van Richtlijn (EU) 2015/849)(139); verwelkomt de beoordeling door de Commissie van "prioriteit 1"-landen van 31 januari 2019;

295.  beklemtoont dat voor consistentie en complementariteit moet worden gezorgd van de antiwitwaslijst van hoogrisicolanden en de Europese lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden; herhaalt zijn oproep om de Commissie een centrale rol toe te kennen in het beheer van beide lijsten; verzoekt de Commissie te zorgen voor transparantie van het proces van screening van rechtsgebieden;

296.  maakt zich zorgen over de beschuldigingen als zouden de bevoegde autoriteiten in Zwitserland hun taken op het gebied van de aanpak van witwaspraktijken en terrorismefinanciering niet naar behoren uitvoeren(140); verzoekt de Commissie met deze elementen rekening te houden wanneer zij de lijst van hoogrisicolanden actualiseert, alsook in de bilaterale betrekkingen tussen Zwitserland en de Unie;

297.  verzoekt de Commissie technische bijstand te verlenen aan derde landen om doeltreffende systemen te ontwikkelen voor de bestrijding van het witwassen van geld en die systemen voortdurend te verbeteren;

298.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de EU in de FATF met één stem spreekt en een actieve bijdrage levert aan het lopende proces van reflectie over de hervorming ervan, met het oog op de terbeschikkingstelling van meer middelen en vergroting van haar legitimiteit; verzoekt de Commissie het personeel van het Europees Parlement als waarnemer op te nemen in de delegatie van de Commissie bij de Financiële-actiegroep;

299.  roept de Commissie op om een wereldwijd initiatief te leiden voor de oprichting van openbare centrale registers van uiteindelijke begunstigden in alle rechtsgebieden; benadrukt in dit verband de cruciale rol van internationale organisaties zoals de OESO en de VN;

6.Internationale dimensie van belastingheffing

300.  wijst erop dat een Europees eerlijk belastingstelsel een eerlijker belastingomgeving in de hele wereld vereist; herhaalt zijn oproep om toezicht te houden op lopende belastinghervormingen van derde landen;

301.  erkent de inspanningen die sommige derde landen zich hebben getroost om resoluut tegen BEPS op te treden; benadrukt echter dat dergelijke hervormingen in overeenstemming moeten blijven met de bestaande WTO-regels;

302.  acht de informatie die tijdens het commissiebezoek aan Washington D.C. is verzameld over de belastinghervormingen in de VS en de mogelijke gevolgen daarvan voor de internationale samenwerking, van bijzonder belang; wijst erop dat sommige bepalingen van de Amerikaanse Tax Cuts and Jobs Act van 2017 volgens sommige deskundigen onverenigbaar zijn met de bestaande WTO-regels; merkt op dat een aantal onderdelen van de belastinghervormingen in de VS erop gericht is om, eenzijdig en zonder enige wederkerigheid, transnationale winsten die toe te schrijven zijn aan Amerikaans grondgebied nieuw leven in te blazen (in de veronderstelling dat deze voor minstens 50 % op Amerikaans grondgebied worden gegenereerd); is verheugd over het feit dat de Commissie momenteel bezig is met de beoordeling van de mogelijke gevolgen van met name de BEAT-, GILTI- en FDII(141)-bepalingen van de nieuwe belastinghervorming in de VS voor de regelgeving en de handel; verzoekt de Commissie het Parlement in te lichten over de resultaten van de beoordeling;

303.  stelt vast dat er twee soorten intergouvernementele overeenkomsten (IGA's) met betrekking tot de Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA) zijn ontwikkeld om de FATCA te helpen zich aan de internationale wetgeving te houden(142); merkt op dat slechts één van de IGA-modellen een wederkerig karakter heeft; betreurt het dat deze overeenkomsten wat wederkerigheid betreft aan alle kanten rammelen, gezien het feit dat de VS in de regel veel meer informatie van de regeringen van andere landen krijgt dan dat ze zelf verstrekt; roept de Commissie op een inventarisatie uit te voeren om de mate van wederkerigheid bij de uitwisseling van informatie tussen de VS en de lidstaten in kaart te brengen;

304.  verzoekt de Raad de Commissie te mandateren met de VS te onderhandelen over een overeenkomst om met betrekking tot de FATCA wederkerigheid te waarborgen;

305.  herhaalt de voorstellen in zijn resolutie van 5 juli 2018 over de nadelige gevolgen van de FATCA voor EU-burgers en met name "accidental Americans"(143), waarin de Commissie wordt opgeroepen actie te ondernemen teneinde ervoor te zorgen dat de grondrechten van alle burgers, en met name die van "accidental Americans", worden gerespecteerd;

306.  verzoekt de Commissie en de Raad een gezamenlijke EU-aanpak van de FATCA te presenteren om de rechten van Europese burgers (met name "accidental Americans") te beschermen en te zorgen voor wederkerigheid bij de automatische uitwisseling van informatie met de VS, het liefst op basis van de CRS; verzoekt de Commissie en de Raad om ondertussen na te denken over tegenmaatregelen, zoals - in voorkomend geval - een inhouding aan de bron om voor een 'level playing field' te zorgen indien de VS in het kader van de FATCA niet akkoord gaat met wederkerigheid;

307.  roept de Commissie en de lidstaten op om toezicht te houden op nieuwe vennootschapsbelastingen van landen die met de EU samenwerken op basis van een internationale overeenkomst(144);

6.1.Belastingparadijzen en rechtsgebieden die agressieve belastingplanning in de EU en in derde landen faciliteren

308.  herinnert aan het belang van een gemeenschappelijke EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (hierna de "EU-lijst") op basis van volledige, transparante, robuuste, objectief controleerbare en algemeen aanvaarde criteria, die regelmatig wordt bijgewerkt;

309.  betreurt het feit dat bij het opstellen van de hier bedoelde EU-lijst in eerste instantie uitsluitend naar derde landen is gekeken; neemt er nota van dat de Commissie in het kader van het Europees Semester vast heeft gesteld dat de belastingstelsels van sommige lidstaten tekortkomingen hebben die de deur openzetten voor agressieve belastingplanning; is desalniettemin ingenomen met de verklaring van de voorzitter van de Groep gedragscode voor belastingheffing op ondernemingen tijdens de hoorzitting van de TAX3-commissie op 10 oktober 2018, waarin verwezen wordt naar de mogelijkheid om de lidstaten te screenen volgens dezelfde criteria als die waarmee wordt gewerkt voor de EU-lijst waarover momenteel wordt besproken in de context van de herziening van het mandaat van de Groep gedragscode(145);

310.  is verheugd over de goedkeuring door de Raad op 5 december 2017 van de eerste EU-lijst en het voortdurende toezicht op de door derde landen gedane toezeggingen; merkt op dat de lijst meerdere keren is bijgewerkt op basis van de beoordeling van deze toezeggingen en dat dit erin heeft geresulteerd dat diverse landen van de EU-lijst zijn geschrapt; merkt op dat de lijst nu, ten gevolge van de herziening van 12 maart 2019, de volgende fiscale rechtsgebieden omvat: de Amerikaanse Maagdeneilanden, Amerikaans-Samoa, Aruba, Barbados, Belize, Bermuda, Dominica, Fiji, Guam, de Marshalleilanden, Oman, Samoa, Trinidad en Tobago, de Verenigde Arabische Emiraten en Vanuatu;

311.  stelt vast dat er nog twee andere rechtsgebieden zijn toegevoegd aan de grijze lijst (Australië en Costa Rica)(146);

312.  stelt vast dat acht grote "pass-through"-economieën (Nederland, Luxemburg, Hongkong, de Britse Maagdeneilanden, Bermuda, de Kaaimaneilanden, Ierland en Singapore) optreden als gastland voor meer dan 85 % van de wereldwijde investeringen in special purpose entities, die vaak om fiscale redenen worden opgericht(147); betreurt dat slechts één van hen (Bermuda) momenteel is opgenomen in de EU-lijst van rechtsgebieden die niet-coöperatief zijn op belastinggebied(148);

313.  beklemtoont dat de screening- en controleprocessen ondoorzichtig zijn en dat het onduidelijk is of ten aanzien van de landen die van de lijst verwijderd zijn inhoudelijke vooruitgang is geboekt;

314.  onderstreept dat de beoordeling door de Raad en de Groep gedragscode voor belastingheffing op ondernemingen gebaseerd is op criteria die voortvloeien uit een door de Commissie bijgehouden technisch scorebord en dat het Parlement juridisch niet bij dit proces betrokken was; verzoekt de Commissie en de Raad in dit verband het Parlement voorafgaand aan de indiening van voorstellen tot wijziging van de lijst gedetailleerd te informeren; roept de Raad op om regelmatig een voortgangsverslag te publiceren over de vorderingen met betrekking tot de zwarte en grijze lijsten van rechtsgebieden als onderdeel van de regelmatige update van de Groep gedragscode aan de Raad;

315.  verzoekt de Commissie en de Raad een ambitieuze en objectieve methodologie te ontwikkelen die niet stoelt op toezeggingen, maar op een beoordeling van de effecten van stipt en correct ten uitvoer gelegde wetgeving in de landen in kwestie;

316.  betreurt ten zeerste het gebrek aan transparantie bij het oorspronkelijke proces voor het opstellen van de lijst, alsook de niet-objectieve toepassing van de door Ecofin vastgestelde criteria daarvoor; hamert erop dat het proces niet het onderwerp mag zijn van politieke beïnvloeding; is echter ingenomen met de verbetering van de transparantie door de openbaarmaking van brieven aan rechtsgebieden die door de Groep gedragscode zijn gescreend, alsook met de reeks ontvangen toezeggingsbrieven; dringt erop aan dat alle resterende niet openbaar gemaakte brieven openbaar worden gemaakt om ervoor te zorgen dat de naleving van de gedane toezeggingen wordt gecontroleerd en de toezeggingen naar behoren ten uitvoer worden gelegd; is van oordeel dat rechtsgebieden die weigeren hun toezeggingen openbaar te maken de verdenking op zich laden niet te zullen samenwerken met betrekking tot fiscale aangelegenheden;

317.  is ingenomen met de recente verduidelijkingen van de Groep gedragscode over eerlijke belastingcriteria, met name wat betreft het ontbreken van economische inhoud voor rechtsgebieden zonder vennootschapsbelastingtarief of met een tarief van bijna 0 %; roept de lidstaten op om te werken aan de geleidelijke verbetering van de EU-criteria voor de opstelling van een lijst met alle schadelijke belastingmaatregelen, met name door een gedetailleerde economische analyse uit te voeren in het kader waarvan gekeken wordt of belastingontduiking wordt gefaciliteerd, of een land een belastingtarief van 0 % kent en of er geen vennootschapsbelasting geheven wordt, als op zichzelf staand criterium(149);

318.  is ingenomen met de nieuwe wereldwijde standaard van de OESO voor de toepassing van de factor substantiële activiteiten op rechtsgebieden zonder belastingen of met slechts nominale belastingen(150), die grotendeels geïnspireerd is door de werkzaamheden van de EU tijdens het proces voor het opstellen van de EU-lijst(151); verzoekt de lidstaten de G20 aan te sporen tot het hervormen van de zwartelijstcriteria van de OESO zodat deze verder gaan dan loutere belastingtransparantie, alsook tot het aanpakken van belastingontduiking en agressieve belastingplanning;

319.  neemt kennis van en is ingenomen met het werk dat door de onderhandelingsteams van de EU en het VK is verzet in verband met de kwestie van belastingheffing, zoals vermeld in bijlage IV bij het ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie(152); maakt zich zorgen over de onregelmatigheden die zich mogelijk al kort na de terugtrekking van het VK uit de EU tussen de twee partijen kunnen voordoen in beleid tegen financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking, en nieuwe economische, fiscale en veiligheidsrisico's met zich mee kunnen brengen; verzoekt de Commissie en de Raad onmiddellijk op dergelijke risico's te reageren en erop toe te zien dat de belangen van de EU worden beschermd;

320.  wijst erop dat de toekomstige betrekkingen overeenkomstig artikel 79 van de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk(153) een klimaat van open en eerlijke mededinging met zich mee moeten brengen door middel van bepalingen op het gebied van overheidssteun, mededinging, sociale en arbeidsnormen, milieunormen, klimaatverandering en belastingaangelegenheden; neemt met bezorgdheid kennis van de aankondiging van de Britse premier Theresa May dat in het Verenigd Koninkrijk "de laagste vennootschapsbelasting in de G20" zal worden ingevoerd; vraagt het VK om ook in de toekomst een sterke bijdrage te leveren aan de mondiale inspanningen ter waarborging van een betere en efficiëntere belastingheffing, alsook om als lid van de internationale gemeenschap financiële misdrijven te blijven bestrijden; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan om het VK, zodra het een derde land is geworden, mee te nemen in de beoordeling van de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden en de EU-lijst van rechtsgebieden met tekortkomingen in hun regelingen voor de bestrijding van witwaspraktijken, alsook om toezicht te houden op de economische betrekkingen van het VK met zijn direct van de Kroon afhankelijke gebieden en overzeese gebieden;

321.  benadrukt dat het VK, ongeacht wat er na de uiterste datum van terugtrekking gebeurt, lid zal blijven van de OESO, aangezien het gebonden is aan zijn aanbevelingen in het kader van het BEPS-actieplan van de OESO en andere maatregelen op het gebied van goed fiscaal bestuur;

322.  dringt er in het specifieke geval van Zwitserland, waarvoor geen precieze termijn is voorzien vanwege een eerdere overeenkomst tussen Zwitserland en de EU, op aan dat het land tegen eind 2019 in bijlage I wordt opgenomen, op voorwaarde dat Zwitserland, na de juiste escalatieprocedure, zijn niet-conforme belastingstelsels, die een ongelijke behandeling van buitenlandse en binnenlandse inkomsten en belastingvoordelen voor bepaalde soorten bedrijven mogelijk maken, tegen die tijd niet intrekt;

323.  stelt bezorgd vast dat derde landen niet-conforme belastingstelsels mogen intrekken om ze vervolgens te vervangen door nieuwe stelsels die potentieel schadelijk zijn voor de EU; beklemtoont dat dit in het bijzonder kan gebeuren in het geval van Zwitserland; verzoekt de Raad Zwitserland, en elk ander derde land(154) dat soortgelijke wetswijzingen aanbrengt(155), opnieuw aan een grondige beoordeling te onderwerpen;

324.  merkt op dat de onderhandelingen tussen de EU en Zwitserland over de herziening van de bilaterale benadering van wederzijdse markttoegang nog aan de gang zijn; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de definitieve overeenkomst tussen de EU en Zwitserland een clausule in verband met goed fiscaal bestuur omvat, mét specifieke regels voor staatssteun in de vorm van een belastingvoordeel, de automatische uitwisseling van informatie over belastingheffing, algemene toegang tot informatie over uiteindelijke begunstigden (in voorkomend geval), en bepalingen inzake de bestrijding van witwaspraktijken; verzoekt de onderhandelaars van de EU te komen tot een overeenkomst die onder andere de tekortkomingen(156) in het Zwitserse systeem voor de uitoefening van toezicht elimineert en klokkenluiders beschermt;

325.  is ingenomen met de herziene EU-lijst van 12 maart 2019(157); is ingenomen met de beschikbaarstelling van de uitvoerige beoordeling van de toezeggingen en hervormingen van jurisdicties die opgenomen waren in bijlage II toen de eerste EU-lijst werd vrijgegeven, op 5 december 2017; is ingenomen met het feit dat jurisdicties die voorheen op basis van in 2017 gedane toezeggingen opgenomen waren in bijlage II, nu in bijlage I zijn opgenomen omdat de toegezegde hervormingen eind 2018 of niet binnen de overeengekomen termijn waren uitgevoerd;

326.  is er bezorgd over dat Oostenrijkse ingezetenen met bankrekeningen bij kredietinstellingen in Liechtenstein niet onder de wet inzake gemeenschappelijke rapportagestandaarden vallen als hun inkomsten uit kapitaal afkomstig zijn uit vermogensstructuren (privéstichtingen, vestigingen, trusts en dergelijke), en als de kredietinstelling in Liechtenstein zorg draagt voor de belastingheffing in overeenstemming met bilaterale verdragen; verzoekt Oostenrijk zijn wet ter zake te wijzigen en aldus het achterpoortje in de gezamenlijke rapportagestandaard te sluiten;

327.  merkt ter illustratie op dat volgens gegevens van de OESO over rechtstreekse buitenlandse investeringen Luxemburg en Nederland samen meer investeringen van buitenaf kennen dan de VS, en dat het overgrote deel daarvan naar special-purpose entities (SPE's) zonder waarneembare inhoudelijke economische activiteiten gaat, en dat Ierland meer investeringen van buitenaf kent dan Duitsland of Frankrijk; wijst erop dat de buitenlandse investeringen in Malta volgens het Maltese Bureau voor de Statistiek 1 474 % van de omvang van zijn economie bedragen;

328.  verwijst naar een studie waarin werd aangetoond dat de belastingontwijking via zes EU-lidstaten tot een verlies van 42,8 miljard EUR aan belastinginkomsten in de andere 22 lidstaten leidt(158), hetgeen betekent dat de nettobetalingspositie van die landen kan worden verrekend met de verliezen die zij veroorzaken voor de belastinggrondslag van die andere lidstaten; merkt op dat bijvoorbeeld Nederland de Unie netto in totaal 11,2 miljard EUR kost, hetgeen betekent dat het land andere lidstaten van belastinginkomsten berooft ten gunste van multinationals en hun aandeelhouders;

329.  herinnert eraan dat, om de aanpak van belastingfraude, belastingontwijking en witwaspraktijken door de Unie en de lidstaten te versterken, alle beschikbare gegevens, ook macro‑economische gegevens, doeltreffend moeten worden gebruikt;

330.  herinnert eraan dat de Commissie kritiek heeft uitgeoefend op zeven lidstaten(159) - België, Cyprus, Hongarije, Ierland, Luxemburg, Malta en Nederland - wegens onvolkomenheden in hun belastingsystemen die de deur openzetten voor agressieve belastingplanning, erop wijzend dat zij de integriteit van de Europese interne markt ondermijnen; is van oordeel dat ook kan worden gesteld dat deze rechtsgebieden agressieve belastingplanning wereldwijd faciliteren; benadrukt dat de Commissie heeft erkend dat enkele van de hier genoemde lidstaten maatregelen ter verbetering van hun belastingstelsels hebben genomen om aan de kritiekpunten van de Commissie tegemoet te komen(160); merkt op dat in een recent onderzoek(161) vijf lidstaten van de EU als belastingparadijzen voor ondernemingen zijn aangemerkt: Cyprus, Ierland, Luxemburg, Malta en Nederland; benadrukt dat de criteria en methodologie die zijn gebruikt om deze lidstaten als zodanig aan te merken onder meer bestaan uit een uitgebreide beoordeling van hun schadelijke belastingpraktijken, maatregelen die agressieve belastingplanning mogelijk maken en verstoring van de economische stromen, en dat deze beoordeling is gebaseerd op Eurostat-gegevens, waaronder een combinatie van hoge inkomende en uitgaande directe buitenlandse investeringen, royalty's, rente en dividendstromen; roept de Commissie op om momenteel ten minste deze vijf lidstaten als belastingparadijzen in de EU aan te merken totdat er substantiële belastinghervormingen worden doorgevoerd;

331.  verzoekt de Raad een uitvoerige beoordeling vrij te geven van de toezeggingen van rechtsgebieden die uit eigen beweging hervormingen hebben beloofd en die opgenomen waren in bijlage II toen de eerste EU-lijst werd vrijgegeven, op 5 december 2017;

6.2.Tegenmaatregelen

332.  roept de EU en haar lidstaten eens te meer op doeltreffende en ontmoedigende tegenmaatregelen te nemen tegen niet-coöperatieve rechtsgebieden, als stimulans voor goede samenwerking op het gebied van belastingen en voor 'compliance' door de landen op de EU-lijst in bijlage I;

333.  betreurt het feit dat het wat de meeste van de door de Raad voorgestelde tegenmaatregelen betreft aan de lidstaten is of ze deze al dan niet daadwerkelijk willen treffen; vindt het zorgwekkend dat meerdere deskundigen(162) tijdens de hoorzitting van de TAX3-commissie op 15 mei 2018 hebben benadrukt dat tegenmaatregelen niet-coöperatieve rechtsgebieden mogelijkerwijs onvoldoende stimuleren tot 'compliance', aangezien een aantal van de meest notoire belastingparadijzen helemaal niet op de EU-lijst voorkomen; is van oordeel dat dit ondermijnend werkt voor de geloofwaardigheid van het proces voor het opstellen van een lijst, zoals sommige deskundigen ook hebben gezegd;

334.  verzoekt de lidstaten één enkel pakket krachtige tegenmaatregelen vast te stellen, zoals inhoudingen aan de bron, uitsluiting van overheidsopdrachten, oplegging van strengere auditvereisten en toepassing van automatische CFC-regels op bedrijven die in niet-coöperatieve rechtsgebieden gevestigd zijn, tenzij de belastingbetalers daar echte economische activiteiten naartoe brengen;

335.  verzoekt zowel de belastingdiensten, als de belastingbetalers samen te werken om de relevante feiten te verzamelen indien de gecontroleerde buitenlandse onderneming wezenlijke reële economische activiteiten uitoefent en een aanzienlijke economische aanwezigheid heeft die wordt ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen, zoals blijkt uit relevante feiten en omstandigheden;

336.  merkt op dat ontwikkelingslanden mogelijkerwijs over onvoldoende middelen beschikken om uitvoering te geven aan nieuw overeengekomen internationale of Europese belastingnormen; verzoekt de Raad dan ook tegenmaatregelen zoals de vermindering van ontwikkelingshulp, uit te sluiten;

337.  stelt vast dat tegenmaatregelen cruciaal zijn voor het aanpakken van belastingontduiking, agressieve belastingplanning en witwaspraktijken; merkt daarnaast op dat het economische gewicht dat de Europese Unie in de schaal legt ertoe kan dienen niet-coöperatieve rechtsgebieden en belastingbetalers ervan te weerhouden misbruik te maken van fiscale achterdeurtjes en de door die rechtsgebieden mogelijk gemaakte schadelijke belastingpraktijken;

338.  roept de Europese financiële instellingen(163) op te overwegen om per project meer en betere zorgvuldigheid te betrachten in de in bijlage II van de EU-lijst vermelde rechtsgebieden om te voorkomen dat EU-middelen worden geïnvesteerd in of gekanaliseerd via entiteiten in derde landen die niet voldoen aan de fiscale normen van de EU; neemt nota van de goedkeuring door de EIB van haar herziene beleid "Group Policy Towards Weakly Regulated, Non-Transparent and Non-Cooperative Jurisdictions and Tax Good Governance" en roept ertoe op dit beleid regelmatig te actualiseren en er - in overeenstemming met de EU-normen - strengere vereisten inzake transparantie in op te nemen; verzoekt de EIB om dit beleid openbaar te maken zodra zij dit heeft vastgesteld; dringt aan op een gelijk speelveld en vindt het belangrijk dat voor alle Europese financiële instellingen dezelfde normen gelden;

6.3.Positie van de EU als wereldleider

339.  herhaalt zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om na voorafgaande coördinatie een leidende rol te spelen in de wereldwijde strijd tegen belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld, met name via initiatieven van de Commissie in alle betrokken internationale fora, waaronder de VN, de G20 en de OESO, die op fiscaal gebied een spilfunctie hebben gespeeld, in het bijzonder na de internationale financiële crisis;

340.  herinnert eraan dat multilaterale maatregelen en internationale samenwerking tussen landen, inclusief ontwikkelingslanden, met inachtneming van het wederkerigheidsbeginsel, dé manier is om concrete resultaten te behalen; betreurt het feit dat sommige wetgevingsvoorstellen die verder gaan dan de BEPS-aanbevelingen van de OESO en als uitgangspunt zouden kunnen dienen voor verdere vruchtbare werkzaamheden op internationaal niveau, in de Raad worden tegengehouden;

341.  is van mening dat de oprichting van een intergouvernementeel fiscaal orgaan in VN-verband, dat goed uitgerust moet zijn en de beschikking moet hebben over voldoende middelen en, in voorkomend geval, handhavingsbevoegdheden, ervoor zou zorgen dat alle landen op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de uitwerking en hervorming van de wereldwijde belastingagenda(164) voor de doeltreffende bestrijding van schadelijke belastingpraktijken, en voor een passende verdeling van de heffingsbevoegdheid; neemt nota van het feit dat er onlangs meerdere keren toe is opgeroepen het VN-Comité van deskundigen inzake internationale samenwerking in belastingaangelegenheden op te waarderen tot een intergouvernementeel wereldwijd VN-belastingorgaan(165); benadrukt dat het modelverdrag van de VN inzake belastingheffing zorgt voor een eerlijker verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen het bronland en het vestigingsland;

342.  roept op tot een intergouvernementele top over de resterende noodzakelijke wereldwijde belastinghervormingen om de internationale samenwerking te versterken en druk uit te oefenen op alle landen, met name hun financiële centra, om te voldoen aan de normen inzake transparantie en eerlijke belastingheffing; verzoekt de Commissie het initiatief voor een dergelijke top te nemen, die de aanzet moet geven tot een tweede pakket internationale belastinghervormingen in het verlengde van het BEPS-actieplan en de oprichting van het bovengenoemde intergouvernementele belastingorgaan mogelijk moet maken;

343.  neemt nota van het werk van de Commissie en haar bijdragen aan het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden van de OESO en het Inclusief Kader inzake BEPS, in het bijzonder om wereldwijd beter fiscaal bestuur te bevorderen, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de internationale normen voor goed fiscaal bestuur in de EU ook in de toekomst volledig worden nageleefd;

6.4.Ontwikkelingslanden

344.  is van mening dat steun aan ontwikkelingslanden bij de bestrijding van belastingontduiking en agressieve belastingplanning, alsmede corruptie en geheimhouding, die illegale geldstromen vergemakkelijken, van het allergrootste belang is voor de versterking van de beleidscoherentie voor ontwikkeling in de EU en de verbetering van de belastingcapaciteit van ontwikkelingslanden en het vermogen om hun eigen middelen te mobiliseren voor duurzame economische ontwikkeling; beklemtoont dat de belastingautoriteiten van ontwikkelingslanden meer financiële en technische bijstand moet worden geboden met het oog op het tot stand brengen van stabiele en moderne kaders voor belastingheffing;

345.  is verheugd over de samenwerking tussen de EU en de Afrikaanse Unie (AU) in het kader van het Addis Tax Initiative (ATI), het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI) en het Kimberleyproces; verzoekt de Commissie en de lidstaten de landen van de AU te helpen bij het ten uitvoer leggen van transparantiebeleid; spoort de nationale en regionale belastingautoriteiten in dit verband aan automatisch informatie uit te wisselen; wijst nog eens op het belang van nauwe en versterkte samenwerking tussen Interpol en Afripol;

346.  wijst erop dat de lidstaten - in nauwe samenwerking met de Commissie - regelmatig de overloopeffecten moeten analyseren van de materiële gevolgen van het belastingbeleid en bilaterale belastingverdragen op andere lidstaten en op ontwikkelingslanden, en erkent dat op dit gebied reeds bepaalde werkzaamheden hebben plaatsgevonden in het kader van het platform voor goed fiscaal bestuur; verzoekt alle lidstaten dergelijke analyses van overloopeffecten te verrichten onder toezicht van de Commissie;

347.  dringt er bij de lidstaten op aan bilaterale overeenkomsten inzake belastingheffing tussen lidstaten en met derde landen te herzien en bij te werken om de mazen te dichten die aanzetten tot fiscaal geïnspireerde handelspraktijken met het oog op belastingontwijking;

348.  herinnert eraan dat rekening moet worden gehouden met de specifieke juridische kenmerken en kwetsbaarheden van ontwikkelingslanden, met name in het kader van de automatische uitwisseling van informatie, d.w.z. wat betreft de overgangsperiode en hun behoefte aan ondersteuning bij hun capaciteitsopbouw;

349.  merkt op dat nauwere samenwerking met regionale organisaties nodig is, met name met de AU, om illegale geldstromen en corruptie in de particuliere en de publieke sector te bestrijden;

350.  is verheugd over de gelijkwaardige deelname van alle landen die betrokken zijn bij het Inclusief Kader, dat meer dan 115 landen en rechtsgebieden samenbrengt om samen te werken bij de tenuitvoerlegging van het BEPS-pakket van de OESO/G20; roept de lidstaten op om een hervorming van zowel het mandaat als de werking van het Inclusief Kader te ondersteunen om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de belangen van de ontwikkelingslanden; herinnert evenwel aan de uitsluiting van meer dan 100 ontwikkelingslanden van de onderhandelingen over de BEPS-maatregelen;

351.  onderkent dat ook onder ontwikkelingslanden belastingparadijzen voorkomen; verwelkomt het voorstel van de Commissie voor versterkte samenwerking met derde landen bij de aanpak van terrorismefinanciering en in het bijzonder de invoering van een importvergunning voor antiek;

352.  herinnert eraan dat de officiële ontwikkelingshulp die tot doel heeft de armoede terug te dringen, meer moet worden gebruikt voor de totstandbrenging van een passend regelgevingskader en voor het versterken van de belastingdiensten en de instanties die belast zijn met de bestrijding van illegale geldstromen; vindt dat deze hulp moet worden geboden in de vorm van technische knowhow op het gebied van beheer van middelen, financiële kennis en corruptiebestrijdingsregels; dringt erop aan dat deze hulp ook gericht moet zijn op bevordering van de regionale samenwerking op de gebieden belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld; benadrukt dat deze hulp ook steun moet omvatten aan het maatschappelijk middenveld en de media in ontwikkelingslanden om te zorgen voor publieke controle op het nationale belastingbeleid;

353.  verwacht van de Commissie dat zij voldoende middelen ter beschikking stelt om de aanpak "meer innen – beter besteden" ten uitvoer te leggen, met name via haar vlaggenschipprogramma's(166);

354.  pleit voor een gecoördineerd extern optreden van de EU en haar lidstaten op alle beleidsniveaus teneinde derde landen en met name ontwikkelingslanden in staat te stellen een evenwichtige economische groei te realiseren en te voorkomen dat zij afhankelijk zijn van één enkele sector, met name de financiële sector;

355.  herinnert eraan dat ontwikkelingslanden eerlijk moeten worden behandeld bij de onderhandelingen over belastingverdragen, waarbij rekening moet worden gehouden met hun specifieke situatie en moet worden gezorgd voor een eerlijke toewijzing van belastingrechten op basis van echte economische activiteit en waardecreatie; dringt er in dit verband op aan het VN-model voor belastingverdragen als minimumnorm te hanteren en bij onderhandelingen over verdragen transparantie te waarborgen; erkent dat het OESO-model voor belastingverdragen meer rechten verleent aan het land van vestiging;

356.  verzoekt de Commissie in het nieuwe verdrag met de ACS-landen, waarover moet worden onderhandeld wanneer de huidige Overeenkomst van Cotonou in februari 2020 verstrijkt, bepalingen over de aanpak van financiële misdaad, belastingontduiking en agressieve belastingplanning op te nemen; wijst erop dat dergelijke bepalingen alleen doeltreffend ten uitvoer kunnen worden gelegd indien op belastinggebied transparantie wordt betracht;

6.5.EU-overeenkomsten met derde landen

357.  wijst erop dat goed fiscaal bestuur een mondiale uitdaging is die bovenal mondiale oplossingen vereist; herinnert daarom aan zijn standpunt dat in alle nieuwe relevante EU-overeenkomsten met derde landen een clausule inzake goed fiscaal bestuur moet worden opgenomen om ervoor te zorgen dat deze overeenkomsten niet door ondernemingen of tussenpersonen kunnen worden misbruikt om belastingen te ontwijken of te ontduiken of illegale opbrengsten wit te wassen, zonder dat dit ten koste gaat van de exclusieve bevoegdheden van de EU; is van mening dat deze clausule specifieke regels moet bevatten voor staatssteun in de vorm van een belastingvoordeel, transparantievereisten en bepalingen ter bestrijding van witwaspraktijken;

358.  spoort de lidstaten aan hun bilaterale betrekkingen met de respectieve derde landen op gecoördineerde manier te gebruiken, in voorkomend geval met ondersteuning van de Commissie, om tot meer bilaterale samenwerking te komen tussen FIE's, belastingautoriteiten en bevoegde autoriteiten met het oog op het bestrijden van financiële misdaad;

359.  merkt op dat de vrijhandelsovereenkomsten (FTA's) van de EU, parallel aan de politieke overeenkomsten waarin deze clausule inzake goed fiscaal bestuur is opgenomen, belastingvrijstellingen bevatten die beleidsruimte bieden voor de tenuitvoerlegging van de aanpak van de EU ter bestrijding van belastingontduiking en witwaspraktijken, bijvoorbeeld door aan te dringen op goed fiscaal bestuur en door een doeltreffend gebruik van de EU-lijst van op belastinggebied niet-coöperatieve rechtsgebieden; merkt voorts op dat vrijhandelsovereenkomsten ook tot doel hebben de desbetreffende internationale normen en de handhaving ervan in derde landen te bevorderen;

360.  is van mening dat de EU geen overeenkomsten moet sluiten met op belastinggebied niet-coöperatieve rechtsgebieden als opgenomen in bijlage I van de EU-lijst totdat het rechtsgebied de EU-normen voor goed fiscaal bestuur naleeft; verzoekt de Commissie te onderzoeken of de niet-naleving van de EU-normen voor goed fiscaal bestuur de goede werking van vrijhandelsovereenkomsten of van politieke overeenkomsten in gevallen waarin al een overeenkomst is ondertekend, in het gedrang brengt;

361.  wijst er nogmaals op dat clausules inzake goed fiscaal bestuur en transparantie, alsook de uitwisseling van informatie, moeten worden opgenomen in alle nieuwe relevante EU-overeenkomsten met derde landen, en onderdeel moeten vormen van onderhandelingen over de herziening van bestaande overeenkomsten, gezien het feit dat dit kerninstrumenten zijn van het extern beleid van de EU, maar dat er, afhankelijk van het specifieke beleidsgebied, verschillende bevoegdheidsniveaus bij betrokken zijn;

6.6.Door de lidstaten gesloten bilaterale belastingverdragen

362.  merkt op dat sommige deskundigen van mening zijn dat veel belastingverdragen die door EU-lidstaten zijn gesloten, de fiscale rechten van landen met een laag inkomen of laag middeninkomen beperken(167); verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten zich bij onderhandelingen over belastingverdragen te houden aan het beginsel van samenhang in het ontwikkelingsbeleid zoals vastgelegd in artikel 208 VWEU; onderstreept dat het sluiten van belastingverdragen tot de bevoegdheden van de lidstaten behoort;

363.  merkt op dat de verliezen door belastingontwijking significant groter zijn in landen met een laag inkomen of een middeninkomen, met name in Afrika bezuiden de Sahara, Latijns-Amerika en de Caraïben, en in Zuid-Azië, dan in andere regio's(168); verzoekt de lidstaten dan ook opnieuw te onderhandelen over hun bilaterale belastingverdragen met derde landen, teneinde daar antimisbruikbepalingen in op te nemen, "verdragshopping" te voorkomen en een race naar de bodem tussen ontwikkelingslanden te verhinderen;

364.  verzoekt de Commissie alle geldende en door de lidstaten met derde landen ondertekende belastingverdragen te herzien om ervoor te zorgen dat ze allemaal in overeenstemming zijn met nieuwe mondiale normen, zoals het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving; merkt op dat dit Multilateraal Verdrag op de OESO gebaseerde normen bevat die niet werden vastgesteld met inachtneming van de behoeften of uitdagingen van ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie aanbevelingen te doen aan de lidstaten met betrekking tot hun bestaande bilaterale belastingverdragen om ervoor te zorgen dat daarin algemene antimisbruikregels worden opgenomen, waarbij wordt gekeken naar echte economische activiteit en waardecreatie;

365.  is zich ervan bewust dat bilaterale belastingverdragen geen rekening houden met de huidige realiteit van de digitale economie; verzoekt de lidstaten hun bilaterale belastingverdragen te actualiseren op basis van de aanbeveling van de Commissie betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid(169);

6.7.Dubbele belasting

366.  is ingenomen met het versterkte kader inzake het voorkomen van dubbele niet-belasting; beklemtoont dat de eliminatie van dubbele belastingheffing van groot belang is om ervoor te zorgen dat eerlijke belastingbetalers billijk worden behandeld en dat hun vertrouwen niet wordt ondermijnd; verzoekt de lidstaten zich te houden aan de verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing die zij hebben gesloten, en oprecht en voortvarend samen te werken bij gevallen van gemelde dubbele belastingheffing;

367.  is verheugd over de goedkeuring van Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen voor de beslechting van belastinggeschillen in de EU, waarmee de norm van BEPS-actie 14 ten uitvoer wordt gelegd; wijst erop dat de termijn voor de omzetting van de richtlijn (30 juni 2019) nog niet is verstreken en dat de bepalingen moeten worden gecontroleerd om ervoor te zorgen dat zij efficiënt en effectief zijn;

368.  verzoekt de Commissie informatie te verzamelen en vrij te geven over het aantal ingediende en opgeloste belastinggeschillen, gesorteerd per soort geschil per jaar en per betrokken land, om het mechanisme te controleren en ervoor te zorgen dat het efficiënt en effectief is;

6.8.Ultraperifere gebieden

369.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de ultraperifere gebieden van de EU de BEPS-minimumnormen en de richtlijn bestrijding belastingontwijking toepassen;

370.  merkt op dat de Commissie een diepgaand onderzoek heeft geopend om na te gaan of Portugal de regionale steunregeling voor de vrijhandelszone van Madeira toepast(170);

7.Intermediairs

371.  is verheugd over de brede definitie van zowel "intermediair"(171) als "meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie" in de onlangs goedgekeurde zesde richtlijn administratieve samenwerking(172); pleit voor een actualisering van die richtlijn, teneinde er bijvoorbeeld ook regelingen voor dividendarbitrage, met inbegrip van de restitutie van dividend- en vermogensaanwasbelasting, onder te laten vallen; verzoekt de Commissie de uitbreiding van de meldingsplicht in het kader van de zesde richtlijn administratieve samenwerking tot nationale gevallen nog eens tegen het licht te houden; herinnert eraan dat intermediairs krachtens de zesde richtlijn administratieve samenwerking verplicht zijn regelingen op basis van structurele leemten in de belastingwetgeving te melden aan de belastingautoriteiten, in het bijzonder tegen de achtergrond van het toenemende aantal grensoverschrijdende belastingontwijkingsstrategieën; is van oordeel dat regelingen waarvan de relevante nationale autoriteiten vinden dat ze schadelijk zijn op geanonimiseerde wijze moeten worden aangepakt en openbaar gemaakt;

372.  herhaalt dat intermediairs een cruciale rol spelen bij het vergemakkelijken van witwaspraktijken en de financiering van terrorisme en voor deze acties aansprakelijk moeten worden gesteld;

373.  wijst nogmaals op de noodzaak van een betere samenwerking tussen de belastingdiensten en de financiële toezichthouders om te komen tot gezamenlijk en doeltreffend toezicht op de rol van financiële intermediairs, in het licht van het gegeven dat bepaalde door fiscale overwegingen ingegeven financiële instrumenten een risico kunnen vormen voor de stabiliteit van de financiële markt en de integriteit van de markt;

374.  is van mening dat de Unie in haar voortrekkersrol ook het goede voorbeeld moet geven, en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat intermediairs die agressieve belastingplanning en belastingontwijking bevorderen in verband met deze aangelegenheden geen sturende of adviserende rol mogen spelen naar de beleidsvormende instellingen van de Unie toe;

375.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de ogen niet te sluiten voor en iets te doen aan de risico's van belangenconflicten die ontstaan wanneer juridische adviesdienstverstrekkers, belastingadviseurs en auditors zowel bedrijven, als overheden als klanten hebben; beklemtoont dat belangenconflicten verschillende vormen kunnen hebben, zoals openbare aanbestedingen die betaalde adviesverlening met betrekking tot deze diensten vereisen, informele of onbetaalde adviesverlening, officiële advies- en deskundigengroepen, en draaideurconstructies; beklemtoont in dit verband dat ondubbelzinnig moet worden aangegeven welke diensten aan een bepaalde klant worden geleverd en dat een helder onderscheid tussen deze diensten moet worden aangebracht; herhaalt zijn in eerdere verslagen(173) geformuleerde verzoeken met betrekking tot dit onderwerp;

376.  is verheugd over de controle op de handhaving van Richtlijn 2014/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen(174) en van Verordening (EU) Nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie(175), in het bijzonder de bepaling betreffende wettelijke auditors of auditkantoren die de wettelijke controles van de jaarrekeningen van organisaties van openbaar belang uitvoeren; wijst erop dat moet worden gegarandeerd dat de regels naar behoren worden toegepast;

377.  verzoekt de lidstaten de invoering te overwegen van een fiscale aangifteplicht voor alle fiscale en financiële intermediairs als bedoeld in actiepunt 12 van het BEPS-project die in het kader van hun beroepsactiviteiten kennis nemen van het bestaan van misleidende of agressieve transacties, mechanismen of structuren;

378.  pleit er ter voorkoming van belangenconflicten en het tot een minimum beperken van de verlening van niet-auditdiensten voor dat om de zeven jaar van auditor wordt veranderd;

379.  herhaalt dat aan financiële instellingen, adviseurs en andere intermediairs die willens en wetens, stelselmatig en herhaaldelijk faciliterend optreden voor, uitvoering geven aan of betrokken zijn bij witwaspraktijken of belastingontduikingsactiviteiten, of die kantoren, filialen of dochterondernemingen vestigen in landen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden met als doel hun klanten agressieve belastingplanningsregelingen aan te bieden, doeltreffende, proportionele en afschrikkende sancties moeten worden opgelegd; vindt dat de vergunningen van de instellingen en personen in kwestie aan een serieuze toetsing moeten worden onderworpen in het geval dat zij veroordeeld worden voor deelname aan frauduleuze handelingen of zij ervan op de hoogte zijn dat hun klanten zich aan frauduleuze handelingen schuldig maken, en dat, in voorkomend geval, hun activiteiten op de interne markt aan banden moeten worden gelegd;

380.  wijst erop dat het beroepsgeheim niet kan worden ingeroepen voor het bieden van bescherming aan of het verdoezelen van illegale praktijken, of voor het schenden van de geest van de wet; benadrukt dat het beroepsgeheim van advocaten het conform de regels melden van verdachte transacties of andere potentieel illegale handelingen niet in de weg mag staan, onverminderd de rechten die worden gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de algemene beginselen van het strafrecht;

381.  verzoekt de Commissie richtsnoeren voor de beroepsgroep op te stellen met betrekking tot de interpretatie en toepassing van het beginsel van beroepsgeheim en een duidelijke scheidslijn aan te brengen tussen traditionele juridische advisering en de uitvoering van financiële transacties door advocaten, in overeenstemming met de jurisprudentie van de Europese rechtbanken;

8.Bescherming van klokkenluiders en journalisten

382.  is van mening dat de bescherming van klokkenluiders in zowel de particuliere, als de publieke sector van groot belang is om ervoor te zorgen dat onwettige activiteiten en misbruik van de wet worden voorkomen of niet tot bloei komen; erkent dat klokkenluiders een cruciale rol vervullen bij het versterken van democratie in samenlevingen, bij de bestrijding van corruptie en andere ernstige misdrijven of illegale activiteiten, en bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie; benadrukt dat klokkenluiders voor onderzoekjournalisten vaak een cruciale bron van informatie zijn en daarom tegen elke vorm van intimidatie en vergelding moeten worden beschermd; wijst op het belang van het aanbieden van alle meldingskanalen;

383.  is van mening dat de vertrouwelijkheid van onderzoeksjournalistieke bronnen, waaronder klokkenluiders, moet worden beschermd om de rol van de onderzoeksjournalistiek als waakhond in democratische samenlevingen te waarborgen;

384.  is derhalve van oordeel dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden van deze geheimhoudingsplicht moet kunnen worden afgeweken, wanneer de openbaarmaking van informatie over de identiteit van de melder een noodzakelijke en evenredige verplichting is die door de wetgeving van de Unie of door nationale wetgeving wordt opgelegd in het kader van een onderzoek of gerechtelijke procedures, dan wel ter bescherming van de vrijheden van anderen, zoals het recht op verdediging van de betrokkene, waarbij telkens passende waarborgen krachtens die wetgeving van toepassing dienen te zijn; is van oordeel dat in passende sancties moet worden voorzien als de plicht tot geheimhouding van de identiteit van de melder wordt geschonden(176);

385.  merkt op dat de Amerikaanse False Claims Act in een stevig kader voor de beloning van klokkenluiders voorziet in gevallen waarin de overheid geld terugvordert dat door fraude verloren was gegaan(177); onderstreept dat klokkenluiders volgens een rapport van het Amerikaanse Ministerie van Justitie rechtstreeks verantwoordelijk waren voor het opsporen en melden van 3,4 miljard van de in totaal teruggevorderde 3,7 miljard Amerikaaanse dollar; verzoekt de lidstaten bij de relevante autoriteiten en particuliere entiteiten veilige en vertrouwelijke communicatiekanalen in te richten voor meldingen van klokkenluiders;

386.  verzoekt de Commissie in kaart te brengen welke goede praktijken op het gebied van het beschermen van en het bieden van stimulansen aan klokkenluiders er in de wereld(178) zijn en, in voorkomend geval en indien nodig, te overwegen de bestaande wetgeving tegen het licht te houden om soortgelijke regelingen in de EU nog doeltreffender te maken;

387.  pleit voor de oprichting van een algemeen EU-fonds waarmee passende financiële ondersteuning wordt gegeven aan klokkenluiders die het risico lopen hun inkomen te verliezen ten gevolge van onthullingen van criminele handelingen of feiten met een duidelijk openbaar belang;

388.  vindt het verontrustend dat klokkenluiders hun zorgen vaak niet durven te melden uit angst voor vergelding en wijst erop dat als vergeldingsmaatregelen niet worden ontmoedigd of onbestraft blijven, dit een afschrikkend effect kan hebben op potentiële klokkenluiders; is van mening dat de erkenning in de vijfde antiwitwasrichtlijn van het recht van klokkenluiders om op een veilige manier een klacht in te dienen bij de respectieve bevoegde autoriteiten, in het bijzonder bij één enkel contactpunt in complexe internationale gevallen, wanneer zij worden blootgesteld aan een dreiging of vergelding, alsook van hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte, een aanzienlijke verbetering inhoudt van de situatie van personen die intern binnen de onderneming of aan een FIE vermoedens van witwassen of financiering van terrorisme melden; verzoekt de lidstaten de bepalingen inzake de bescherming van klokkenluiders in de vijfde antiwitwasrichtlijn binnen de geldende termijnen in nationale wetgeving om te zetten en op passende wijze te handhaven;

389.  is ingenomen met het resultaat van de interinstitutionele onderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, en roept de lidstaten op de nieuwe normen zo spoedig mogelijk vast te stellen om klokkenluiders te beschermen door middel van maatregelen zoals duidelijke rapportagekanalen, vertrouwelijkheid, rechtsbescherming en sancties voor degenen die proberen klokkenluiders te vervolgen;

390.  herinnert eraan dat EU-ambtenaren die als klokkenluiders meldingen doen, bescherming genieten krachtens het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van diezelfde Unie(179), en verzoekt de lidstaten vergelijkbare regelingen voor hun nationale ambtenaren vast te stellen;

391.  is van oordeel dat niet-openbaarmakingsclausules in arbeidscontracten en ontslagregelingen werknemers er geenszins van mogen weerhouden verdachte gevallen van inbreuken op wetgeving en de mensenrechten(180) te melden aan de bevoegde autoriteiten; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken voorstellen te doen voor wetgeving houdende een verbod op onrechtmatige niet-openbaarmakingsclausules;

392.  merkt op dat de TAX3-commissie de klokkenluiders in de zaken Julius Bär en Danske Bank heeft uitgenodigd om te getuigen tijdens openbare parlementaire hoorzittingen(181); vindt het zorgwekkend dat de bescherming van klokkenluiders in financiële instellingen niet geheel bevredigend is en dat angst voor vergelding door zowel werkgevers, als autoriteiten kan betekenen dat klokkenluiders zich niet melden met informatie over inbreuken op wetgeving; betreurt het ten zeerste dat de klokkenluider van de Danske Bank zijn inzichten in de zaak van de Danske Bank niet vrij en volledig kon delen wegens juridische beperkingen;

393.  betreurt het dat de Deense financiële toezichthouder geen contact heeft opgenomen met de klokkenluider die melding maakte van massale witwasactiviteiten bij de Danske Bank; is van mening dat dit verzuim een grove nalatigheid van de Deense financiële toezichthouder is met betrekking tot zijn plicht om naar aanleiding van ernstige beschuldigingen van grootschalige en systematische witwaspraktijken via een bank een behoorlijk onderzoek in te stellen; roept de bevoegde autoriteiten van de EU en de lidstaten op om ten volle gebruik te maken van de door klokkenluiders verstrekte informatie en om snel en resoluut te handelen op basis van de informatie die van hen is verkregen;

394.  verzoekt de lidstaten in de Raad van Europa nauw samen te werken voor de bevordering en omzetting in de nationale wetgeving van alle landen die bij de Raad van Europa aangesloten zijn van de aanbeveling inzake de bescherming van klokkenluiders; verzoekt de Commissie en de lidstaten in andere internationale fora het voortouw te nemen bij de bevordering van de goedkeuring van bindende internationale normen voor de bescherming van klokkenluiders;

395.  merkt op dat het niet alleen essentieel is om de identiteit van klokkenluiders geheim te houden met het oog op de bescherming van de persoon in kwestie die een melding doet, maar dat daarnaast anonieme meldingen verder moeten worden beschermd tegen algemene dreigementen en aanvallen waarmee degenen die zich aangevallen voelen de anonieme melder in diskrediet proberen te brengen;

396.  erkent de moeilijkheden die journalisten ondervinden bij het onderzoeken van of het verslag uitbrengen over gevallen van witwaspraktijken, belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning; vindt het zorgwekkend dat onderzoeksjournalisten vaak het onderwerp zijn van bedreigingen en intimidatie, waaronder juridische intimidatie in de vorm van strategische rechtszaken tegen publieke inspraak; verzoekt de lidstaten de bescherming van journalisten te verbeteren, in het bijzonder van journalisten die onderzoek doen naar financiële misdaad;

397.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een financiële steunregeling voor onderzoeksjournalistiek op te zetten, eventueel door de invoering van een permanent en specifiek daarvoor bestemd begrotingsonderdeel voor de ondersteuning van onafhankelijke kwaliteitsmedia en onafhankelijke onderzoeksjournalistiek in het nieuwe meerjarig financieel kader;

398.  veroordeelt krachtig het gebruik van geweld tegen journalisten; herinnert er met ontzetting aan dat in de afgelopen jaren in Malta en Slowakije journalisten die betrokken waren bij het onderzoek naar dubieuze activiteiten met een witwascomponent zijn vermoord(182); onderstreept dat volgens de Raad van Europa misbruik en misdaden jegens journalisten de vrijheid van meningsuiting ernstig aantasten en het verschijnsel van zelfcensuur versterken;

399.  verzoekt de Maltese autoriteiten alle beschikbare middelen in te zetten om vooruitgang te boeken bij de identificatie van de aanstichters van de moord op de onderzoeksjournaliste Daphne Caruana Galizia; is ingenomen met het initiatief van 26 internationale organisaties voor mediavrijheid en van journalisten om aan te dringen op het openen van een onafhankelijk openbaar onderzoek naar de moord op Daphne Caruana Galizia en na te gaan of deze moord had kunnen worden voorkomen; verzoekt de Maltese regering dit onafhankelijk openbaar onderzoek zonder uitstel op te starten; merkt op dat de Maltese regering contact heeft opgenomen met internationale instellingen zoals Europol, de FBI en het Nederlands Forensisch Instituut, teneinde haar deskundigheid te versterken;

400.  verwelkomt de aanklacht die de Slowaakse autoriteiten hebben ingediend tegen de vermeende aanstichter van de moorden op Ján Kuciak en Martina Kušnírová en de vermeende daders van de moorden; moedigt de Slowaakse autoriteiten aan hun onderzoek naar de moorden voort te zetten en ervoor te zorgen dat alle aspecten van de zaak volledig worden onderzocht, met inbegrip van eventuele politieke verbanden met de misdaden; verzoekt de Slowaakse autoriteiten een diepgaand onderzoek in te stellen naar gevallen van grootschalige belastingontduiking, btw-fraude en witwaspraktijken die aan het licht zijn gebracht door het onderzoek van Ján Kuciak;

401.  betreurt het feit dat onderzoeksjournalisten, waaronder Daphne Caruana Galizia, vaak het slachtoffer zijn van onrechtmatige rechtszaken die bedoeld zijn om hen te censureren, te intimideren en het zwijgen op te leggen door hen te belasten met de kosten van de juridische verdediging totdat zij