Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 28 maart 2019 - Straatsburg
Vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Kosovo) ***I
 Kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water ***I
 Verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures ***I
 Voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen en doorgifte van televisie- en radioprogramma's ***I
 Vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) ***I
 'Erasmus': het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport ***I
 Totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen ***I
 Raming van de ontvangsten en uitgaven voor het begrotingsjaar 2020 - Afdeling I - Europees Parlement
 Noodsituatie in Venezuela
 Stand van zaken ten aanzien van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, in het bijzonder in Malta en Slowakije
 Recente ontwikkelingen in het dieselgateschandaal
 Besluit tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit

Vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Kosovo) ***I
PDF 117kWORD 43k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Kosovo(1)) (COM(2016)0277 – C8-0177/2016 – 2016/0139(COD))
P8_TA(2019)0319A8-0261/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0277),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0177/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0261/2016),

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1)* Deze verwijzing laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.


Kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water ***I
PDF 427kWORD 121k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (COM(2017)0753 – C8-0019/2018 – 2017/0332(COD))
P8_TA(2019)0320A8-0288/2018

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0753),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0019/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Tsjechische Kamer van Afgevaardigden, het Ierse parlement, de Oostenrijkse Bondsraad en het Britse Lagerhuis, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité, van 12 juli 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 16 mei 2018(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(3),

–  gezien de brief van 18 mei 2018 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0288/2018),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(4), rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking)

P8_TC1-COD(2017)0332


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192 , lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(5),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(6),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(7),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn 98/83/EG van de Raad(8) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd(9). Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die richtlijn te worden overgegaan.

(2)  Bij Richtlijn 98/83/EG is het rechtskader vastgesteld voor de bescherming van de volksgezondheid tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het gezond en schoon is. Met deze richtlijn moet hetzelfde doel worden nagestreefd en moet de universele toegang tot zulk water voor iedereen in de Unie worden verzekerd. Daartoe moeten op het niveau van de Unie minimumvereisten worden vastgesteld waaraan voor dit doel bestemd water moet voldoen. De lidstaten moeten de alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat voor menselijke consumptie bestemd water vrij is van micro-organismen, parasieten en stoffen die, in bepaalde gevallen, een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormen, en dat het aan deze minimumvereisten voldoet. [Ams. 161, 187, 206 en 213]

(2 bis)   In overeenstemming met de mededeling van 2 december 2015 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Maak de cirkel rond - Een EU-actieplan voor de circulaire economie", moet in deze richtlijn worden gestreefd naar het bevorderen van waterbronnenefficiëntie en duurzaamheid, waarmee wordt aangesloten bij de doelstellingen van de circulaire economie. [Am. 2]

(2 ter)   Het recht van de mens op water en sanitaire voorzieningen is door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 28 juli 2010 als mensenrecht erkend, en de toegang tot schoon drinkbaar water mag dus niet beperkt zijn als gevolg van de onbetaalbaarheid ervan voor de eindgebruiker. [Am. 3]

(2 quater)   Het is noodzakelijk samenhang tot stand te brengen tussen Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(10) en onderhavige richtlijn. [Am. 4]

(2 quinquies)   De in deze richtlijn opgenomen vereisten moeten een afspiegeling vormen van de nationale situatie en de positie van waterleveranciers in de lidstaten. [Am. 5]

(3)  Het is noodzakelijk , natuurlijk mineraalwater en als geneesmiddel gebruikt water van deze richtlijn uit te sluiten, aangezien deze soorten water respectievelijk vallen onder Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad(11) en Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad(12). Richtlijn 2009/54/EG heeft echter zowel betrekking op natuurlijk mineraalwater als op bronwater, en alleen de eerstgenoemde categorie moet van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten. Overeenkomstig artikel 9, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2009/54/EG, moet bronwater aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen. Deze verplichting mag echter niet worden uitgebreid naar de microbiologische parameters die worden vermeld in deel A van bijlage I bij deze richtlijn. In het geval van voor menselijke consumptie bestemd water afkomstig uit het openbaar waterleidingnet of particuliere bronnen en dat bestemd is voor verkoop in flessen of verpakkingen, of voor gebruik bij de commerciële vervaardiging, de bereiding of de behandeling van levensmiddelen, moet het water in beginsel aan de bepalingen van deze richtlijn blijven voldoen tot aan de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan (d.w.z. de kraan), en moet het vervolgens als een levensmiddel worden beschouwd overeenkomstig artikel 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(13). De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten de bevoegdheid hebben om hergebruik van water in de voedingsmiddelenindustrie toe te staan, mits aan de toepasselijke voedselveiligheidseisen wordt voldaan. [Am. 6]

(4)  Na de afsluiting van het Europees burgerinitiatief inzake het recht op water (Right2Water)(14), waarin de Unie werd opgeroepen meer te doen om universele toegang tot water te bewerkstelligen, is een openbare raadpleging en een evaluatie in het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) van Richtlijn 98/83/EG uitgevoerd(15). Uit die exercitie is gebleken dat het nodig was sommige bepalingen van Richtlijn 98/83/EG bij te werken. Er zijn vier gebieden aangewezen waar er ruimte voor verbetering is, te weten de lijst met parameterwaarden op kwaliteitsbasis, het beperkte gebruik van een op risico’s gebaseerde benadering, de vage bepalingen over consumentenvoorlichting en de verschillen tussen de goedkeuringssystemen voor materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en de gevolgen hiervan voor de volksgezondheid. Daarnaast heeft het Europees burgerinitiatief inzake het recht op water nog op het bijkomende probleem gewezen dat een deel van de bevolking, met name onder kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, beperkte of geen toegang heeft tot voor betaalbaar menselijke consumptie bestemd water, terwijl het waarborgen van die toegang ook een verplichting in het kader van duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de Agenda 2030 van de VN vormt. In dit verband heeft het Europees Parlement erkend dat de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen in de Unie een recht is. Tot slot is nog het probleem geconstateerd dat er sprake is van een algemeen gebrek aan bewustzijn omtrent waterlekken, die gerelateerd zijn aan een gebrek aan investeringen in onderhoud en vernieuwing van de waterinfrastructuur, zoals ook wordt opgemerkt in het speciale verslag van de Europese Rekenkamer over de waterinfrastructuur(16), en aan de soms gebrekkige kennis van watersystemen. [Am. 7]

(4 bis)   Om de ambitieuze doelstellingen te kunnen verwezenlijken die zijn vastgesteld in het kader van duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de Verenigde Naties, moeten de lidstaten worden verplicht actieplannen ten uitvoer te leggen om uiterlijk in 2030 een universele en billijke toegang tot veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen te waarborgen. [Am. 8]

(4 ter)   Het Europees Parlement heeft op 8 september 2015 een resolutie aangenomen over de follow-up van het Europees burgerinitiatief "Right2Water". [Am. 9]

(5)  Het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft een uitvoerige evaluatie van de in Richtlijn 98/83/EG vastgestelde lijst met parameters en parameterwaarden uitgevoerd, teneinde vast te stellen of er behoefte is deze aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang. In het licht van de resultaten van die evaluatie(17) moet op maag-darmpathogenen en Legionella worden gecontroleerd, en moeten zes chemische parameters of parametergroepen worden toegevoegd en drie representatieve hormoonontregelende stoffen in aanmerking worden genomen met als voorzorgsmaatregel bedoelde benchmarkwaarden. Voor drie van de nieuwe parameters moeten op grond van het voorzorgsbeginsel parameterwaarden worden vastgesteld die strenger zijn dan door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voorgesteld, maar wel nog steeds haalbaar zijn. Voor lood heeft de WHO opgemerkt dat de concentraties zo laag als redelijkerwijs haalbaar moeten zijn, en de waarde voor chroom wordt momenteel nog door de WHO onderzocht; daarom moet voor beide parameters een overgangsperiode van tien jaar in acht worden genomen voordat de waarden worden verstrengd.

(5 bis)   Voor menselijke consumptie bestemd water speelt een essentiële rol bij de lopende inspanningen van de Unie ter versterking van de bescherming van de volksgezondheid en het milieu tegen hormoonontregelende chemische stoffen. De regulering van hormoonontregelende verbindingen in deze richtlijn vormt een veelbelovende stap in de richting van een geactualiseerde Unie-strategie inzake hormoonontregelaars, die door de Commissie zonder verdere vertraging moet worden voorgelegd. [Am. 11]

(6)  De WHO heeft tevens aangeraden drie parameterwaarden te versoepelen en vijf parameters van de lijst te schrappen. Deze wijzigingen worden echter niet noodzakelijk geacht aangezien de bij Richtlijn (EU) 2015/1787 van de Commissie(18) ingevoerde op risico’s gebaseerde benadering onder bepaalde voorwaarden toelaat dat de waterleveranciers een parameter uit de lijst van te controleren parameters schrappen. Behandelingstechnieken om aan die parameterwaarden te voldoen, zijn reeds beschikbaar.

(6 bis)  Indien de wetenschappelijke kennis ontoereikend is om het al dan niet aanwezige risico voor de volksgezondheid of de toelaatbare waarde van een stof in voor menselijke consumptie bestemd water vast te stellen, moet deze stof op grond van het voorzorgsbeginsel en in afwachting van duidelijkere wetenschappelijke gegevens op een lijst van te monitoren stoffen worden geplaatst. Daarom dienen de lidstaten dergelijke nieuwe parameters afzonderlijk te controleren. [Am. 13]

(6 ter)   Indicatorparameters hebben geen rechtstreeks effect op de volksgezondheid. Zij zijn evenwel belangrijk als middel om vast te stellen hoe de waterproductie- en waterdistributievoorzieningen functioneren en om de waterkwaliteit te beoordelen. Zij kunnen van nut zijn om tekortkomingen in de waterbehandeling op te sporen en dragen er tevens in belangrijke mate toe bij het vertrouwen van de consument in de waterkwaliteit te behouden en te vergroten. Daarom moeten zij door de lidstaten worden gecontroleerd. [Am. 14]

(7)  Wanneer dit voor de volle toepassing van het voorzorgsbeginsel en ter bescherming van de volksgezondheid op hun grondgebied noodzakelijk is, moeten de lidstaten ertoe worden verplicht waarden voor aanvullende, niet in bijlage I opgenomen parameters vaststellen vast te stellen. [Am. 15]

(8)  Preventieve veiligheidsplanning en op risico’s gebaseerde elementen zijn slechts in beperkte mate in Richtlijn 98/83/EG aan bod gekomen. De eerste elementen van een op risico’s gebaseerde benadering zijn reeds in 2015 ingevoerd bij Richtlijn (EU) 2015/1787, waarbij Richtlijn 98/83/EG werd gewijzigd om het de lidstaten toe te staan af te wijken van de controleprogramma’s die zij hebben vastgesteld, mits geloofwaardige risicobeoordelingen worden uitgevoerd, die gebaseerd kunnen zijn op de Richtsnoeren voor de kwaliteit van drinkwater van de WHO(19). Die richtsnoeren, waarin het zogenaamde „waterveiligheidsplan” wordt vastgesteld, vormen, samen met norm EN 15975-2 inzake het veiligstellen van de drinkwatervoorziening, internationaal erkende beginselen waarop de productie, de distributie, de controle en de analyse van de parameters van voor menselijke consumptie bestemd water zijn gebaseerd. Zij moeten in deze richtlijn worden gehandhaafd. Om ervoor te zorgen dat die beginselen niet tot controleaspecten beperkt blijven, om tijd en middelen vooral te richten op belangrijke risico’s en kosteneffectieve maatregelen aan de bron, en om te voorkomen dat analyses en inspanningen worden verspild aan irrelevante kwesties, is het passend een complete, op risico’s gebaseerde benadering in te voeren in de hele toeleveringsketen, van het onttrekkingsgebied via de distributie tot aan de kraan. Die benadering moet berusten op de reeds verworven kennis en op de maatregelen die zijn uitgevoerd in het kader van Richtlijn 2000/60/EG en moet beter rekening houden met de gevolgen van de klimaatverandering voor de watervoorraden. Een op risico's gebaseerde benadering moet uit drie onderdelen bestaan: in de eerste plaats een beoordeling door de lidstaat van de gevaren in verband met het onttrekkingsgebied („gevarenbeoordeling”), overeenkomstig de richtsnoeren en het handboek voor het waterveiligheidsplan van de WHO(20); in de tweede plaats een mogelijkheid voor de waterleverancier om de controle aan te passen aan de belangrijkste risico’s („leveringsrisicobeoordeling”); en op de derde plaats een beoordeling door de lidstaat van de mogelijke risico’s die voortvloeien uit het huishoudelijk leidingnet (bv. Legionella of lood)), met bijzondere aandacht voor prioritaire percelen („risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet”). Die beoordelingen moeten op gezette tijden worden herzien, onder meer naar aanleiding van bedreigingen ten gevolge van klimaatgerelateerde extreme weersomstandigheden, bekende veranderingen in de menselijke activiteit in het onttrekkingsgebied, of brongerelateerde incidenten. Bij de op risico’s gebaseerde benadering zorgt voor vindt een voortdurende uitwisseling van informatie plaats tussen de bevoegde autoriteiten, waterleveranciers en de waterleveranciers andere belanghebbenden, met inbegrip van degenen die verantwoordelijk zijn voor de bron van verontreiniging of het risico op verontreiniging. Bij wijze van uitzondering moet de toepassing van de op risico's gebaseerde benadering worden aangepast aan de specifieke eisen voor zeeschepen die water ontzilten en passagiers aan boord hebben. Zeeschepen die onder Europese vlag varen, volgen namelijk het internationale regelgevende kader wanneer ze in internationale wateren varen. Bovendien zijn er specifieke eisen voor het vervoer en de productie van voor menselijke consumptie bestemd drinkwater aan boord die een aanpassing van de bepalingen van deze richtlijn vereisen. [Am. 16]

(8 bis)   Inefficiënt watergebruik, met name lekken in de watervoorzieningsinfrastructuur, leidt tot overexploitatie van de schaarse voorraden van voor menselijke consumptie bestemd water. Dit vormt een ernstige belemmering voor de verwezenlijking door de lidstaten van de in Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde doelstellingen. [Am. 17]

(9)  De gevarenbeoordeling moet zijn gebaseerd op een holistische risicobeoordelingsaanpak en uitdrukkelijk zijn gericht op vermindering van het vereiste niveau van de behandeling voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water, bijvoorbeeld door het terugdringen van belastende factoren die zorgen voor de verontreiniging of een risico op verontreiniging van waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt. Daartoe moeten de lidstaten gevaren en mogelijke bronnen van verontreiniging identificeren die van belang zijn voor die waterlichamen en controleren op verontreinigende stoffen die zij als relevant aanmerken, bijvoorbeeld op grond van de geïdentificeerde gevaren (bv. microplastics, nitraten, bestrijdingsmiddelen of geneesmiddelen die krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(21) zijn geïdentificeerd), op grond van hun natuurlijke aanwezigheid in het onttrekkingsgebied (bv. arseen) of op grond van informatie van de waterleveranciers (bv. plotselinge toename van een specifieke parameter in ruw water). Die parameters moeten overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG als markers worden gebruikt die de bevoegde autoriteiten ertoe zetten maatregelen te nemen om de druk op de waterlichamen te verminderen, bijvoorbeeld preventieve of verzachtende maatregelen (waar nodig met inbegrip van onderzoek naar de effecten op de gezondheid), en om die waterlichamen te beschermen en de verontreinigingsbron of het verontreinigingsrisico aan te pakken, in samenwerking met alle belanghebbenden, met inbegrip van die welke verantwoordelijk zijn voor (mogelijke) verontreinigingsbronnen. Indien een lidstaat door middel van de gevarenbeoordeling constateert dat een bepaalde parameter niet van toepassing is in een bepaald onttrekkingsgebied, bijvoorbeeld doordat een stof niet voorkomt in het grond- of oppervlaktewater, dient de lidstaat de desbetreffende waterleveranciers hiervan in kennis te stellen en belanghebenden moet hij kunnen toestaan dat die waterleveranciers de controlefrequentie voor die parameter verlagen of die parameter van de lijst van te controleren parameters schrappen zonder dat zij een leveringsrisicobeoordeling hoeven uit te voeren.. [Am. 18]

(10)  Wat betreft de gevarenbeoordeling schrijft Richtlijn 2000/60/EG voor dat de lidstaten de waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt, aanwijzen, deze controleren en de nodige maatregelen nemen teneinde het niveau van zuivering dat voor de productie van voor menselijke consumptie geschikt water vereist is, te verlagen. Om overlap van verplichtingen te voorkomen, moeten de lidstaten bij de uitvoering van de gevarenbeoordeling gebruikmaken van de uit hoofde van de artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2000/60/EG en bijlage V bij die richtlijn uitgevoerde monitoring en van de maatregelen die in hun maatregelenprogramma’s zoals bedoeld in artikel 11 van Richtlijn 2000/60/EG zijn opgenomen.

(11)  Aan de parameterwaarden die worden gebruik om de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water te beoordelen, moet worden voldaan op de plaats waar voor menselijke consumptie bestemd water voor de verbruiker beschikbaar is. De kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water kan echter door het huishoudelijk leidingnet worden beïnvloed. De WHO stelt vast dat Legionella in de Unie het grootste probleem voor de gezondheid vormt waar het watergedragen ziekteverwekkers betreft, met name de bacterie Legionella pneumophila, die verantwoordelijk is voor de meeste gevallen van veteranenziekte in de Unie. Legionella wordt door warmwatersystemen via inademing overgedragen, bijvoorbeeld tijdens het douchen. Er is derhalve een duidelijk verband met het huishoudelijk leidingnet. Aangezien het opleggen van een eenzijdige verplichting om alle particuliere en openbare percelen op deze ziekteverwekker te controleren, tot onredelijk hoge kosten zou leiden en tegen het subsidiariteitsbeginsel zou indruisen, is een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan prioritaire percelen, derhalve beter geschikt om deze kwestie aan te pakken. Daarnaast moeten ook de mogelijke risico’s van producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, in aanmerking worden genomen in de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet. De risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet moet daarom onder meer bestaan uit gerichte controle van prioritaire percelen, beoordeling van de risico’s die voortvloeien uit het huishoudelijk leidingnet en de daarmee samenhangende producten en materialen, en controle van de prestaties van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, op basis van de prestatieverklaring overeenkomstig Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad(22). Samen met de prestatieverklaring moet ook de in de artikelen 31 en 33 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad(23) bedoelde informatie worden verstrekt. Op basis van deze beoordeling moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om er onder meer voor te zorgen dat er geschikte controle- en beheersmaatregelen (bv. in het geval van uitbraken) van kracht zijn, in lijn met de richtsnoeren van de WHO(24), en dat de migratie uit bouwproducten geen gevaar voor de volksgezondheid inhoudt. Onverminderd Verordening (EU) nr. 305/2011 moeten, wanneer deze maatregelen zouden leiden tot beperkingen van het vrije verkeer van producten en materialen in de Unie, deze beperkingen echter naar behoren worden gemotiveerd en strikt evenredig zijn, en mogen zij geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen stoffen en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water geen gevaar voor de volksgezondheid inhoudt [Am. 19]

(12)  De bepalingen van Richtlijn 98/83/EG inzake de waarborging van de kwaliteit van behandeling, installatie en materialen zijn er niet in geslaagd belemmeringen voor de interne markt aan te pakken waar het vrije verkeer van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water of een toereikende bescherming van de volksgezondheid betreft. Er zijn nog steeds nationale goedkeuringsregelingen voor producten van kracht, met regels die van de ene lidstaat tot de andere verschillen. Hierdoor is het moeilijk en duur voor de fabrikanten om hun producten in de hele EU op de markt te brengen. De opheffing van technische belemmeringen kan alleen doeltreffend worden verwezenlijkt door geharmoniseerde technische specificaties voor bouwproducten Deze situatie is toe te schrijven aan het feit dat er geen Europese minimumnormen op het gebied van hygiëne bestaan voor alle producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, terwijl dit toch een absolute voorwaarde is om te komen tot volledige wederzijdse erkenning tussen de lidstaten. De opheffing van technische belemmeringen en de conformiteit van alle vast te stellen in het kader van Verordening (EU) nr. 305/2011. Die verordening voorziet in de ontwikkeling van Europese normen voor het harmoniseren van beoordelingsmethoden voor bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en in het vaststellen van drempelniveaus en klassen met betrekking tot het prestatieniveau van een essentieel kenmerk. Daartoe is in het werkprogramma 2017 voor normalisatie(25) een normalisatieverzoek opgenomen waarin specifiek wordt verzocht om normalisatiewerkzaamheden op het gebied van hygiëne en veiligheid voor producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water in het kader van Verordening (EU) nr. 305/2011, en uiterlijk in 2018 moet een norm hieromtrent zijn uitgevaardigd. De bekendmaking van deze geharmoniseerde norm in het Publicatieblad van de Europese Unie zal zorgen voor rationele besluitvorming bij het in de handel brengen of op de markt aanbieden van veilige bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water. Bijgevolg moeten de bepalingen inzake installaties en materiaal die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water worden geschrapt, deels worden vervangen door bepalingen inzake de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, en worden aangevuld met de desbetreffende geharmoniseerde normen in het kader van Verordening (EU) nr. 305/2011 op het niveau van de Unie kunnen dus alleen maar doeltreffend worden verwezenlijkt door op het niveau van de Unie minimumkwaliteitsvereisten vast te stellen. Bijgevolg moeten deze bepalingen worden versterkt aan de hand van een harmonisatieprocedure voor dergelijke producten en materialen. Deze werkzaamheden dienen voort te bouwen op de ervaring die is opgedaan en de vooruitgang die is geboekt door verschillende lidstaten die hun inspanningen sinds een aantal jaren bundelen om voor convergentie van de regelgeving te zorgen. [Am. 20]

(13)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat programma’s worden vastgesteld om te controleren of voor menselijke consumptie bestemd water aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet. Het grootste deel van de krachtens deze richtlijn uitgevoerde controles wordt door de waterleveranciers verricht, maar waar nodig dienen de lidstaten te verduidelijken bij welke bevoegde autoriteiten de uit de omzetting van deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen berusten. De waterleveranciers moet een zekere soepelheid worden gegund wat betreft de parameters waarop zij voor de leveringsrisicobeoordeling controleren. Indien een parameter niet wordt aangetroffen, moeten de waterleveranciers de mogelijkheid hebben de controlefrequentie te verlagen of de controles op die parameter helemaal stop te zetten. De leveringsrisicobeoordeling moet op de meeste parameters worden toegepast. Er moet echter een lijst met kernparameters zijn waarop met een bepaalde minimumfrequentie wordt gecontroleerd. Deze richtlijn bevat vooral bepalingen over de controlefrequentie ten behoeve van nalevingscontroles en slechts beperkte bepalingen inzake controle voor operationele doeleinden. Aanvullende controle voor operationele doeleinden kan noodzakelijk zijn om de correcte werking van de waterbehandeling te waarborgen, naar goeddunken van de waterleveranciers. In dat verband kunnen waterleveranciers de richtsnoeren en het handboek voor het waterveiligheidsplan van de WHO raadplegen. [Am. 21]

(14)  De op risico’s gebaseerde benadering moet geleidelijk worden toegepast door alle waterleveranciers, waaronder zeer kleine, kleine en middelgrote waterleveranciers, aangezien uit de evaluatie van Richtlijn 98/83/EG is gebleken dat de uitvoering ervan door die leveranciers tekortschiet, in sommige gevallen vanwege de kosten voor het uitvoeren van onnodige controlewerkzaamheden; voor zeer kleine leveranciers kunnen evenwel afwijkingen worden toegestaan. Bij het toepassen van de op risico’s gebaseerde benadering moet rekening worden gehouden met beveilingskwesties beveiligingskwesties en met het beginsel dat de vervuiler betaalt. In het geval van kleinere waterleveranciers moet de bevoegde autoriteit middels deskundige hulp ondersteuning bieden bij de controlewerkzaamheden. [Am. 188]

(14 bis)   Om een zo groot mogelijke bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, moeten de lidstaten in overeenstemming met hun nationale institutionele en wettelijke kader zorgen voor een duidelijke en evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheid voor de toepassing van de op risico's gebaseerde benadering. [Am. 24]

(15)  De betrokken lidstaten moeten in geval van niet-naleving van de normen van deze richtlijn onmiddellijk een onderzoek naar de oorzaak instellen en ervoor zorgen dat zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen worden getroffen om de waterkwaliteit te herstellen. In gevallen waarin de watervoorziening een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormt, moet de levering van dergelijk water worden verboden of het gebruik ervan worden ingeperkt. Daarnaast is het belangrijk om te verduidelijken dat en moet tijdig passende informatie worden verstrekt aan mogelijk getroffen burgers. Daarnaast moet bij niet-naleving van de minimumvereisten voor de waarden die betrekking hebben op microbiologische en chemische parameters, door de lidstaten automatisch als worden vastgesteld of overschrijding van de waarden een potentieel gevaar voor de volksgezondheid moet worden beschouwd. vormt. Daartoe moeten de lidstaten rekening houden met de mate waarin de minimumvereisten zijn overschreden en met het type parameter dat bij de overschrijding betrokken is. In gevallen waarin maatregelen voor het herstel van de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water noodzakelijk zijn, moet overeenkomstig artikel 191, lid 2, van het Verdrag voorrang worden gegeven aan maatregelen die het probleem bij de bron oplossen. [Am. 25]

(15 bis)   Het is van belang om potentieel gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van verontreinigd water te voorkomen. De levering van dergelijk water moet daarom worden verboden of het gebruik ervan ingeperkt. [Am. 26]

(16)  De lidstaten mogen niet langer moeten het recht hebben afwijkingen van deze richtlijn toe te staan. Oorspronkelijk werd gebruikgemaakt van afwijkingen om de lidstaten maximaal negen jaar de tijd te geven om een niet-naleving van een parameterwaarde te verhelpen. Deze procedure is voor zowel de lidstaten als de Commissie belastend gebleken. Daarnaast leidde zij nuttig gebleken gezien het ambitieniveau van de richtlijn. Er zij echter opgemerkt dat deze procedure in sommige gevallen heeft geleid tot vertragingen bij het nemen van herstelmaatregelen, aangezien de mogelijkheid tot afwijking soms als een overgangsperiode werd opgevat. De bepaling inzake afwijkingen moet derhalve worden geschrapt. Wanneer er parameterwaarden worden overschreden, moeten, omwille van de bescherming van de volksgezondheid, de bepalingen inzake herstelmaatregelen onmiddellijk van toepassing zijn, zonder dat het mogelijk is om een afwijking van de parameterwaarde toe te staan. In het licht van de versterking van de kwaliteitsparameters die in deze richtlijn zijn vervat, enerzijds, en de toenemende opsporing van nieuwe verontreinigende stoffen die beoordelings‑, toezicht- en beheersmaatregelen vereisen, anderzijds, blijft het evenwel nodig om een daaraan aangepaste afwijkingsprocedure te behouden, op voorwaarde dat de afwijking geen mogelijk gevaar oplevert voor de volksgezondheid en dat de levering van voor menselijke consumptie bestemd water in het betrokken gebied op geen enkele andere redelijke manier kan worden verzekerd. De bepaling in Richtlijn 98/83/EG inzake afwijkingen moet derhalve worden gewijzigd opdat de lidstaten de naleving van de vereisten van deze richtlijn sneller en doeltreffender kunnen garanderen. Door de lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 98/83/EG toegestane afwijkingen die op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn nog steeds van toepassing zijn, moeten echter van toepassing blijven tot volgens de afloop van hun termijn, maar mogen niet worden verlengd regelingen die zijn vastgesteld in de bepalingen die golden bij de opstart van de afwijkingsprocedure. [Am. 27]

(17)  In haar antwoord op het Europees burgerinitiatief „Right2Water” van 2014(26) heeft de Commissie de lidstaten verzocht de toegang tot een minimale watervoorziening te waarborgen voor alle burgers, in overeenstemming met de aanbevelingen van de WHO. De Commissie verplichtte zich er ook toe te blijven werken aan „verbetering van de toegang tot veilig drinkwater [...] voor iedereen via het milieubeleid”(27). Dit is in lijn met de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit is eveneens in lijn met duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de VN en de daarmee samenhangende doelstelling om universele en billijke toegang tot veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen te verwezenlijken. Het begrip billijke toegang omvat een breed scala van aspecten zoals de beschikbaarheid (bijvoorbeeld als gevolg van geografische omstandigheden, gebrek aan infrastructuur of de specifieke situatie van bepaalde delen van de bevolking), kwaliteit, aanvaardbaarheid, of financiële haalbaarheid. Met betrekking tot de betaalbaarheid van water is het van belang eraan te herinneren dat de lidstaten bij het bepalen van watertarieven volgens het beginsel van kostenterugwinning zoals beschreven in Richtlijn 2000/60/EG, onverminderd artikel 9, lid 4, van die richtlijn, rekening kunnen houden met verschillen in de economische en sociale omstandigheden van de bevolking en derhalve sociale tarieven kunnen vaststellen of maatregelen kunnen nemen ter bescherming van sociaaleconomische sociaaleconomisch achtergestelde bevolkingsgroepen. Deze richtlijn heeft met name betrekking op die aspecten van de toegang tot water die te maken hebben met kwaliteit en beschikbaarheid. Om die aspecten aan te pakken, als gedeeltelijk antwoord op het Europees burgerinitiatief, en om bij te dragen tot het in praktijk brengen van beginsel 20 van de Europese pijler van sociale rechten(28) („Iedereen heeft recht op toegang tot essentiële diensten van goede kwaliteit, waaronder water [...]”) moeten de lidstaten ertoe worden verplicht de kwestie van de toegang tot betaalbaar water op nationaal niveau aan te pakken, waarbij zij wel moeten beschikken over enige vrijheid een zekere beoordelingsvrijheid ten aanzien van het exacte soort te nemen maatregelen. Dit kan gebeuren door middel van acties die onder meer gericht zijn op het verbeteren van de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen, bijvoorbeeld door de kwaliteitseisen voor water niet onrechtmatig te verscherpen uit het oogpunt van de volksgezondheid, waardoor de waterprijs voor de burgers zou stijgen, met vrij toegankelijke drinkwaterfonteinen in steden, en door het gebruik van dat water te bevorderen door de gratis verstrekking van voor menselijke consumptie bestemd water aan te moedigen in openbare gebouwen, restaurants, winkelcentra en restaurants aan te moedigen recreatiecentra alsook op plaatsen met veel voetgangersverkeer en grote bezoekersaantallen, zoals treinstations en luchthavens. De lidstaten moeten de juiste mix van dergelijke instrumenten, rekening houdend met hun specifieke nationale omstandigheden, vrij kunnen bepalen. [Am. 28]

(18)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie over de follow-up van het Europees burgerinitiatief „Right2Water”(29) opgemerkt „dat de lidstaten speciale aandacht zouden moeten schenken aan de behoeften van kwetsbare groepen in de samenleving”(30). De specifieke situatie van minderheidsculturen, zoals Roma, Sinti, en Travellers, Kalé, Gens du voyage enz., ook als zij sedentair leven – met name hun gebrek aan toegang tot drinkwater – is ook bevestigd in het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma(31) en van de aanbeveling van de Raad over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten(32). In het licht van deze algemene context is het passend dat de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, door de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze groepen toegang hebben tot water. Met inachtneming van het beginsel van de terugwinning van de kosten van waterdiensten dat is vastgesteld in Richtlijn 2000/60/EG verbeteren de lidstaten de toegang tot water voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen zonder dat de levering van betaalbaar water van goede kwaliteit aan iedereen in het gedrang komt. Onverminderd het recht van de lidstaten die groepen te omschrijven, moeten daartoe ten minste vluchtelingen, nomadische gemeenschappen, dak- en thuislozen en minderheidsculturen zoals de Roma, Sinti, en Travellers, Kalé, Gens du voyage enz., ook als zij sedentair leven, worden gerekend. Dergelijke maatregelen om de toegang tot water te waarborgen, de keuze waarvoor aan de beoordeling van de lidstaten wordt overgelaten, zouden bijvoorbeeld kunnen bestaan uit het beschikbaar stellen van alternatieve watervoorzieningssystemen (individuele waterbehandelingssystemen), levering van water via tankers (vrachtwagens en cisternes) en te zorgen voor de nodige infrastructuur voor kampen. Wanneer de verantwoordelijkheid voor de naleving van deze verplichtingen wordt toegewezen aan lokale overheden, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat zij beschikken over toereikende financiële middelen en voldoende technische en materiële capaciteit, en moeten zij hen ondersteunen, bijvoorbeeld door deskundige hulp te bieden. In het bijzonder mag de waterdistributie aan kwetsbare en gemarginaliseerde groepen voor lokale overheden geen onevenredige kosten met zich meebrengen. [Am. 29]

(19)  In het zevende milieuactieprogramma voor de periode tot en met 2020 „Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet”(33), is bepaald dat het publiek toegang moet hebben tot duidelijke informatie over het milieu op nationaal niveau. Richtlijn 98/83/EG voorzag enkel in passieve toegang tot informatie, hetgeen betekent dat de lidstaten er enkel voor hoefden te zorgen dat er informatie beschikbaar was. Die bepalingen moeten derhalve worden vervangen om ervoor te zorgen dat actuele informatie begrijpelijk, relevant en gemakkelijk toegankelijk is voor de consument, bijvoorbeeld op in een website waarvan de link actief moet worden verspreid folder, op een website of via een slimme applicatie. De actuele informatie moet niet alleen bestaan uit de resultaten van de controleprogramma’s, maar ook aanvullende informatie omvatten die nuttig zou kunnen zijn voor het publiek, zoals informatie over indicatoren (ijzer, hardheid, mineralen enz.), die vaak van invloed zijn op de perceptie die de consument van het kraanwater heeft. Daartoe moeten de indicatorparameters van Richtlijn 98/83/EG die geen gezondheidsgerelateerde informatie leverden, worden vervangen door online informatie over die parameters de resultaten van genomen maatregelen om waterleveranciers te controleren wat betreft de kwaliteitsparameters van het water en informatie over de in bijlage I, deel B bis opgenomen indicatorparameters. Voor zeer grote waterleveranciers moet ook aanvullende informatie over onder meer energie-efficiëntie, beheer, bestuur, kostenstructuur de tariefstructuur en de toegepaste behandeling online beschikbaar zijn. Er wordt van uitgegaan dat een betere kennis van de consumenten en meer transparantie zullen bijdragen tot een groter vertrouwen van de burgers in het aan hen geleverde water. De verwachting is dat dit er vervolgens weer toe zal leiden dat meer gebruik wordt gemaakt van kraanwater, hetgeen bijdraagt Betere kennis van de consumenten van relevante informatie en meer transparantie moeten ertoe leiden dat de burger meer vertrouwen krijgt in het geleverde water alsook in de waterdiensten, hetgeen op zijn beurt moet leiden tot een groter gebruik van kraanwater als drinkwater, wat zou bijdragen tot vermindering van de hoeveelheid kunststofzwerfvuil en broeikasgasemissies en positieve effecten heeft op de mitigatie van klimaatverandering en op het milieu als geheel. [Am. 30]

(20)  Om dezelfde redenen, en om consumenten bewuster te maken van de gevolgen van hun waterverbruik, moeten zij ook informatie ontvangen, die begrijpelijk, relevant en gemakkelijk toegankelijk is, (bijvoorbeeld op hun factuur of door middel van via een slimme applicaties) applicatie, over de jaarlijks verbruikte hoeveelheid, de kostenstructuur veranderingen in de consumptie, een vergelijking met het gemiddelde verbruik voor huishoudens, indien de waterleverancier over deze informatie beschikt, de structuur van het door de waterleverancier in rekening gebrachte tarief, met inbegrip van de verdeling van de vaste en variabele kosten bestanddelen ervan, alsook over de literprijs van het voor menselijke consumptie bestemde water, waardoor het mogelijk wordt deze te vergelijken met de prijs van water in flessen. [Am. 31]

(21)  De fundamentele beginselen waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van watertarieven, namelijk het beginsel van de terugwinning van de kosten van waterdiensten en het beginsel dat de vervuiler betaalt, zijn neergelegd in Richtlijn onverminderd artikel 9, lid 4, van Richtlijn 2000/60/EG, neergelegd in diezelfde richtlijn. De financiële houdbaarheid van de levering van waterdiensten is echter niet altijd gewaarborgd, wat soms leidt tot achterblijvende investeringen in het onderhoud van de waterinfrastructuur. Dankzij verbeterde controletechnieken worden de lekkagepercentages – die vooral te wijten zijn aan dergelijke achterblijvende investeringen – steeds duidelijker zichtbaar, en op het niveau van de Unie moet het terugdringen van waterverliezen worden gestimuleerd om de doelmatigheid van de waterinfrastructuur te verbeteren. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moet dat vraagstuk worden aangepakt door de transparantie te vergroten en meer informatie aan de consument te verstrekken over lekkagepercentages en energie-efficiëntie desbetreffende informatie op transparantere wijze met de consument worden gedeeld om de bewustwording over dit probleem te vergroten. [Am. 32]

(22)  Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad(34) heeft tot doel het recht op toegang tot milieu-informatie in de lidstaten te waarborgen, overeenkomstig het Verdrag van Aarhus. Zij omvat ruime verplichtingen met betrekking tot zowel de terbeschikkingstelling van milieu-informatie op verzoek als de actieve verspreiding van dergelijke informatie. Ook Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad(35) heeft een ruim toepassingsgebied, en heeft betrekking op uitwisseling van ruimtelijke informatie, met inbegrip van gegevensverzamelingen over verschillende milieugerelateerde onderwerpen. Het is van belang dat de bepalingen van deze richtlijn inzake toegang tot informatie en afspraken voor gegevensdeling een aanvulling vormen op die richtlijnen, en geen afzonderlijke wettelijke regeling in het leven roepen. Daarom moeten de bepalingen van deze richtlijn inzake de voorlichting van het publiek en informatie over het toezicht op de implementatie de Richtlijnen 2003/4/EG en 2007/2/EG onverlet laten.

(23)  Bij Richtlijn 98/83/EG waren geen rapportageverplichtingen voor kleine leveranciers vastgesteld. Om dit probleem te verhelpen en tegemoet te komen aan de behoefte aan informatie over implementatie en handhaving, moet een nieuw systeem worden ingevoerd op grond waarvan de lidstaten verplicht zijn gegevensverzamelingen samen te stellen, bij te houden en beschikbaar te stellen aan de Commissie en het Europees Milieuagentschap, die uitsluitend relevante gegevens bevatten, zoals overschrijdingen van de parameterwaarden en incidenten van een bepaalde orde van grootte. Dit moet ervoor zorgen dat de administratieve lasten voor alle entiteiten zo beperkt mogelijk blijven. Om te zorgen voor een passende infrastructuur voor publieke toegang, rapportage en uitwisseling van gegevens tussen overheidsinstanties, moeten de lidstaten de gegevensspecificaties baseren op Richtlijn 2007/2/EG en de uitvoeringsbesluiten daarvan.

(24)  Door de lidstaten gerapporteerde gegevens zijn niet alleen nodig voor controle op de naleving, maar zijn ook onontbeerlijk om de Commissie in staat te stellen de werking van de wetgeving te controleren en beoordelen ten opzichte van de doelstellingen ervan, ter onderbouwing van toekomstige evaluaties van de wetgeving overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven van 13 april 2016(36). In dat verband bestaat er behoefte aan relevante gegevens die een betere beoordeling van de doeltreffendheid, doelmatigheid, relevantie en meerwaarde op Unieniveau van de richtlijn mogelijk maken; om die reden moet worden gezorgd voor geschikte rapportagemechanismen die ook kunnen dienen als indicatoren voor toekomstige evaluaties van deze richtlijn.

(25)  Overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” moet de Commissie een evaluatie uitvoeren van deze richtlijn binnen een bepaalde termijn na de uiterste datum voor de omzetting ervan. Die evaluatie moet zijn gebaseerd op de ervaring die is opgedaan en de gegevens die zijn verkregen tijdens de implementatie van de richtlijn, op relevante wetenschappelijke, analytische en epidemiologische gegevens, alsmede op eventueel beschikbare aanbevelingen van de WHO eventueel beschikbare aanbevelingen van de WHO alsmede op relevante wetenschappelijke, analytische en epidemiologische gegevens. [Am. 34]

(26)  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Met name wordt met deze richtlijn beoogd de beginselen inzake gezondheidszorg, toegang tot diensten van algemeen economisch belang, milieubescherming en consumentenbescherming te bevorderen.

(27)  Zoals het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft geoordeeld, zou het onverenigbaar zijn met de dwingende werking die in artikel 288, derde alinea, van het Verdrag aan een richtlijn wordt toegekend, om principieel uit te sluiten dat een daarbij opgelegde verplichting door de betrokkenen kan worden ingeroepen. Deze overweging geldt met name voor een richtlijn waarvan het doel is gelegen in de bescherming van de volksgezondheid tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water. Derhalve dienen de leden van het betrokken publiek, overeenkomstig het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden(37), toegang te hebben tot de rechter, aangezien dit bijdraagt tot de bescherming van het recht te leven in een milieu dat passend is voor de gezondheid en het welzijn van elke persoon. Daarnaast moeten, indien een groot aantal personen zich in een „situatie van massaschade” bevinden als gevolg van dezelfde illegale praktijken die betrekking hebben op de schending van aan deze richtlijn ontleende rechten, die personen de mogelijkheid hebben gebruik te maken van mechanismen voor collectief verhaal, waar dergelijke mechanismen overeenkomstig Aanbeveling 2013/396/EU van de Commissie(38) door de lidstaten zijn opgezet.

(28)  Teneinde deze richtlijn aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, of teneinde controlevoorschriften te specificeren voor de gevarenbeoordeling en de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de bijlagen I tot en met IV bij deze richtlijn te wijzigen en de nodige maatregelen te nemen overeenkomstig de bij artikel 10 bis ingevoerde wijzigingen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. Daarnaast is de machtiging in bijlage I, deel C, opmerking 10, bij Richtlijn 98/83/EG om de controlefrequentie en -methoden voor radioactieve stoffen aan te nemen, overbodig geworden door de vaststelling van Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad(39) en moet zij derhalve worden geschrapt. De machtiging in bijlage III, deel A, tweede alinea, bij Richtlijn 98/83/EG betreffende wijzigingen van de richtlijn is niet langer nodig en moet worden geschrapt. [Am. 35]

(29)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het vaststellen van het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de informatie over voor menselijke consumptie bestemd water die aan alle personen aan wie dat water wordt geleverd, moet worden verstrekt, alsmede voor het vaststellen van het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de door de lidstaten te verstrekken en door het Europees Milieuagentschap samen te brengen informatie over de implementatie van deze richtlijn. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(40).

(30)  Onverminderd de voorschriften van Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad(41) moeten de lidstaten voorschriften vaststellen ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van de bepalingen van deze richtlijn en ervoor zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(31)  Richtlijn 2013/51/Euratom voorziet in specifieke regels voor het toezicht op radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water. In de onderhavige richtlijn moeten daarom geen parameterwaarden voor radioactiviteit worden vastgesteld.

(32)  Daar de doelstelling van deze richtlijn, te weten de bescherming van de volksgezondheid, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(33)  De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in intern recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(34)  Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage V, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in intern recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

1.  Deze richtlijn heeft betrekking op de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen in de Unie. [Am. 36]

2.  De richtlijn heeft ten doel de volksgezondheid te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het gezond en schoon is, en de universele toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water te bevorderen. [Ams. 163, 189, 207 en 215]

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.  „voor menselijke consumptie bestemd water”: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of -productie, of andere huishoudelijke doeleinden voedingsdoeleinden, zowel in openbare als in particuliere percelen, met inbegrip van levensmiddelenbedrijven, ongeacht de herkomst en of het water wordt geleverd via een distributienet, wordt geleverd uit een tankschip of tankauto, of, voor bronwater, in flessen of verpakkingen wordt gedaan ; [Am. 38]

2.  „huishoudelijk leidingnet”: de leidingen, fittingen en toestellen die geïnstalleerd worden tussen de kranen die normaliter , zowel in openbare als in particuliere percelen, worden gebruikt voor menselijke consumptie en het distributienet, maar slechts indien die volgens de desbetreffende nationale wetgeving niet onder de verantwoordelijkheid van de waterleverancier in zijn hoedanigheid van waterleverancier vallen. [Am. 39. Niet van toepassing op de Nederlandse versie]

3.  „waterleverancier”: een juridische entiteit die gemiddeld per dag ten minste 10 m3 voor menselijke consumptie bestemd water levert; [Am. 40]

3bis.  "zeer kleine waterleverancier": een waterleverancier die per dag minder dan 50 m3 levert of die minder dan 250 mensen bedient; [Am. 41]

4.  „kleine waterleverancier”: een waterleverancier die per dag minder dan 500 m3 levert of die minder dan 5 000 2 500 mensen bedient; [Am. 42]

4 bis.  "middelgrote waterleverancier": een waterleverancier die per dag ten minste 500 m3 levert of die ten minste 2 500 mensen bedient; [Am. 43]

5.  „grote waterleverancier”: een waterleverancier die per dag ten minste 500 5 000  m3 levert of die ten minste 5 000 25 000 mensen bedient; [Am. 44]

6.  „zeer grote waterleverancier”: een waterleverancier die per dag ten minste 5 000 20 000 m3 levert of die ten minste 50 000 100 000 mensen bedient; [Am. 45]

7.  „prioritaire percelen”: grote, niet-huishoudelijke percelen met veel gebruikers mensen, met name gevoelige doelgroepen, die aan watergerelateerde risico's blootgesteld zouden kunnen worden, waaronder ziekenhuizen, zorginstellingen, bejaardentehuizen, scholen, universiteiten en andere onderwijsinstellingen, crèches en kinderdagverblijven, sport-, recreatie-, ontspannings-, en tentoonstellingsfaciliteiten, gebouwen met overnachtingsfaciliteiten, strafinrichtingen en kampeerterreinen, zoals door de lidstaten aangewezen; [Am. 46]

8.  „kwetsbare en gemarginaliseerde groepen”: mensen die ten gevolge van discriminatie of een gebrek aan toegang tot rechten, hulpbronnen of kansen zijn uitgesloten uit de samenleving, en die vergeleken met de rest van de samenleving sterker zijn blootgesteld aan een reeks potentiële risico’s, waaronder risico’s die betrekking hebben op hun gezondheid, veiligheid, gebrek aan opleiding en betrokkenheid bij schadelijke praktijken.;

8 bis.   "levensmiddelenbedrijf": een levensmiddelenbedrijf als gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Verordening (EG) nr. 178/2002. [Am. 47]

Artikel 3

Uitzonderingen

1.  Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a)  natuurlijk mineraalwater dat door de verantwoordelijke autoriteit als zodanig is erkend, zoals bedoeld in Richtlijn 2009/54/EG;

b)  water dat een geneesmiddel is in de zin van Richtlijn 2001/83/EG Richtlijn 2001/83/EG.

1 bis.  Op water dat in levensmiddelenbedrijven wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen, zijn alleen de artikelen 4, 5, 6 en 11 van deze richtlijn van toepassing. Geen van de artikelen van deze richtlijn zijn evenwel van toepassing wanneer een exploitant van een levensmiddelenbedrijf bij de bevoegde nationale autoriteit naar tevredenheid kan aantonen dat de kwaliteit van het water dat hij gebruikt de hygiënische kwaliteit van de uit zijn activiteiten voortkomende producten of stoffen niet nadelig beïnvloedt, en dat deze producten of stoffen voldoen aan Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad(42). [Am. 48]

1 ter.  Een producent van voor menselijke consumptie bestemd water dat in flessen of verpakkingen wordt gedaan, wordt niet als een waterleverancier beschouwd.

De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op voor menselijke consumptie bestemd water voor zover zij niet onder verplichtingen uit hoofde van andere Uniewetgeving vallen. [Am. 49]

1 quater.  Zeeschepen die water ontzilten, passagiers aan boord hebben en optreden als waterleveranciers zijn uitsluitend onderworpen aan de artikelen 1 tot en met 7 en 9 tot en met 12 van deze richtlijn en de bijlagen erbij. [Am. 50]

2.  De lidstaten mogen van toepassing van deze richtlijn uitzonderen:

a)  water dat uitsluitend bestemd is voor doeleinden waarvoor de kwaliteit van het water naar de overtuiging van de bevoegde autoriteiten direct noch indirect van invloed is op de gezondheid van de betrokken verbruikers;

b)  voor menselijke consumptie bestemd water dat afkomstig is van een afzonderlijke voorziening die gemiddeld minder dan 10 m3 per dag levert of waarvan minder dan 50 personen gebruik maken, tenzij het water wordt geleverd in het kader van een commerciële of openbare activiteit.

3.  Lidstaten die gebruik maken van de in lid 2, onder b), genoemde uitzonderingen zorgen ervoor dat de betrokken bevolking daarvan op de hoogte wordt gebracht en ook van de maatregelen die kunnen worden getroffen om de volksgezondheid te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water. Bovendien wordt de betrokken bevolking zo spoedig mogelijk passend advies verstrekt, wanneer blijkt dat de kwaliteit van dit water gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren.

Artikel 4

Algemene verplichtingen

1.  Onverminderd hun verplichtingen uit hoofde van andere bepalingen van de Unie, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat voor menselijke consumptie bestemd water gezond en schoon is. Overeenkomstig de minimumvereisten van deze richtlijn is voor menselijke consumptie bestemd water gezond en schoon, als het aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a)  het bevat geen micro-organismen, parasieten of andere stoffen in hoeveelheden of concentraties die gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren,

b)  het voldoet aan de in bijlage I, delen A en B, gespecificeerde minimumvereisten;

c)  de lidstaten hebben alle andere nodige maatregelen genomen om aan de vereisten van de artikelen 5 tot en met 12 van deze richtlijn te voldoen in: .

i)   de artikelen 4 tot en met 12 van deze richtlijn met betrekking tot voor menselijke consumptie bestemd water dat aan de eindverbruiker wordt geleverd via een distributienet of uit een tankschip of tankauto;

ii)  de artikelen 4, 5 en 6 en artikel 11, lid 4, van deze richtlijn met betrekking tot voor menselijke consumptie bedoeld water dat in een levensmiddelenbedrijf in flessen of verpakkingen wordt gedaan

iii)  de artikelen 4, 5, 6 en 11 van deze richtlijn voor water dat in een levensmiddelenbedrijf wordt geproduceerd en gebruikt voor de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen; [Am. 51]

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn volledig in overeenstemming zijn met het voorzorgsbeginsel en er in geen geval, direct of indirect, toe kunnen leiden dat de huidige kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water achteruitgaat, of dat de verontreiniging van water dat wordt gebruikt voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water toeneemt. [Am. 52]

2 bis.  De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten een evaluatie van het aantal waterlekken op hun grondgebied uitvoeren, en de mogelijkheden bekijken om het aantal waterlekken in de drinkwatersector terug te dringen. In deze evaluatie wordt rekening gehouden met de relevante volksgezondheids-, milieu-, technische en economische aspecten. Uiterlijk op 31 december 2022 stellen de lidstaten nationale streefdoelen vast om de lekkagepercentages van waterleveranciers op hun grondgebied voor 31 december 2030 te beperken. De lidstaten kunnen voorzien in zinvolle stimulansen om te waarborgen dat de waterleveranciers op hun grondgebied aan de nagestreefde nationale doelstellingen voldoen. [Am. 53]

2 ter.  Indien een bevoegde autoriteit die is belast met de productie en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water het beheer van de waterproductie of de leveringsactiviteiten volledig of gedeeltelijk overdraagt aan een waterleverancier, worden de verantwoordelijkheden van de beide partijen uit hoofde van deze richtlijn gespecificeerd in het contract tussen beide partijen. [Am. 54]

Artikel 5

Kwaliteitseisen

1.  De lidstaten stellen voor de in bijlage I vermelde parameters de waarden vast die van toepassing zijn op voor menselijke consumptie bestemd water , die niet minder streng zijn dan de in die bijlage vermelde waarden . [Am. 55]

1 bis.  De overeenkomstig lid 1 vastgestelde waarden mogen niet minder streng zijn dan de in de delen A, B en B bis van bijlage I vermelde waarden. Voor de in bijlage I, deel B bis vermelde parameters worden de waarden uitsluitend vastgesteld voor controledoeleinden en met het oog op de door artikel 12 opgelegde verplichtingen. [Am. 56]

2.  Indien de bescherming van de volksgezondheid op hun grondgebied of een deel daarvan dit vereist, stellen de lidstaten waarden vast voor aanvullende parameters die niet in bijlage I zijn opgenomen. De vastgestelde waarden voldoen ten minste aan de eisen van artikel 4, lid 1, onder a).

De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat de in het watervoorzieningssysteem met het oog op ontsmetting toegepaste behandelingsmiddelen, materialen en desinfectieprocedures geen nadelig effect hebben op de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water. Eventuele verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water als gevolg van het gebruik van dergelijke middelen, materialen en procedures wordt beperkt, zonder evenwel de doeltreffendheid van de ontsmetting te ondermijnen. [Am. 57]

Artikel 6

Plaats waaraan waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan

Aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voor de in de lijsten in bijlage I, delen A, B en B C, opgenomen parameters moet worden voldaan: [Am. 58]

a)  voor water dat via een distributienet wordt geleverd, op het punt binnen een perceel of gebouw waar het uit de kranen komt die normaliter worden gebruikt voor menselijke consumptie; of

b)  voor water dat geleverd wordt uit een tankschip of tankauto, op het punt waar het uit het tankschip of de tankauto komt; of

c)  voor bronwater voor menselijke consumptie bestemd water dat in flessen of verpakkingen wordt gedaan, op het punt waarop het water in de flessen of verpakkingen wordt gedaan . ; [Am. 59]

c bis)  voor water dat wordt gebruikt in een levensmiddelenbedrijf waar water door een waterleverancier wordt geleverd, op het punt waar het in het bedrijf wordt gebruikt. [Am. 60]

1 bis.  Voor water zoals omschreven in lid 1, onder a), worden de lidstaten geacht aan hun verplichtingen krachtens dit artikel, te hebben voldaan wanneer kan worden vastgesteld dat de overschrijding van de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameter wordt veroorzaakt door een privaat leidingnet of het onderhoud daarvan, behalve op prioritaire percelen. [Am. 61]

Artikel 7

Op risico’s gebaseerde benadering van waterveiligheid

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat op de levering, behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water een op risico’s gebaseerde benadering wordt toegepast, die uit de volgende elementen bestaat:

a)  een door de lidstaten verrichte gevarenbeoordeling van waterlichamen of delen van waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water, overeenkomstig artikel 8; [Am. 62]

b)  een door de waterleveranciers in elk watervoorzieningssysteem uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling met het oog op de controle het waarborgen en controleren van de kwaliteit van het door hen geleverde water, overeenkomstig artikel 9 en bijlage II, deel C; [Am. 63]

c)  een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, overeenkomstig artikel 10.

1 bis.  De lidstaten mogen de tenuitvoerlegging van de op risico's gebaseerde benadering aanpassen, zonder dat de doelstelling van deze richtlijn betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water en de gezondheid van consumenten hierbij in het geding komt, wanneer er sprake is van bijzondere beperkingen als gevolg van geografische omstandigheden zoals een afgelegen ligging of de toegankelijkheid van waterleveringsgebieden. [Am. 64]

1 ter.  Lidstaten zorgen voor een duidelijke en passende verdeling van de verantwoordelijkheden tussen belanghebbenden, als gedefinieerd door de lidstaten, voor de toepassing van de op risico's gebaseerde benadering met betrekking tot de waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en de huishoudelijke leidingnetten. Een dergelijke verdeling van verantwoordelijkheden wordt afgestemd op hun institutioneel en juridisch kader. [Am. 65]

2.  De gevarenbeoordelingen worden uiterlijk op ... [drie jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn] uitgevoerd. Zij worden om de drie jaar herzien, met inachtneming van het in artikel 7 van Richtlijn 2000/60/EG opgenomen voorschrift dat lidstaten waterlichamen aanwijzen, en waar nodig bijgewerkt. [Am. 66]

3.  De leveringsrisicobeoordelingen worden door zeer grote waterleveranciers en grote waterleveranciers uiterlijk op [3 years after the end-date for transposition of this Directive], en door kleine waterleveranciers uiterlijk op [6 years after the end-date for transposition of this Directive] ... [zes jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn], uitgevoerd. Zij worden met regelmatige tussenpozen van niet langer dan zes jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt. [Am. 67]

3 bis.  Overeenkomstig artikelen 8 en 9 van deze richtlijn nemen de lidstaten de nodige corrigerende maatregelen in het kader van de maatregelenprogramma's en stroomgebiedsbeheersplannen als bepaald in de respectieve artikelen 11 en 13 van Richtlijn 2000/60/EG. [Am. 68]

4.  De risicobeoordelingen van het huishoudelijk leidingnet op de in artikel 10, lid 1 bedoelde percelen worden uiterlijk op ... [3 years after the end-date for transposition of this Directive] [drie jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn] uitgevoerd. Zij worden om de drie jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt. [Am. 69]

Artikel 8

Gevarenbeoordeling Beoordeling, controle en beheer van gevaren betreffende waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water [Am. 70]

1.  Onverminderd Richtlijn 2000/60/EG, en met name de artikelen 6 4 tot en 7 van Richtlijn 2000/60/EG met 8 ervan, zorgen de lidstaten ervoor er, samen met hun voor watervoorziening bevoegde autoriteiten, voor dat een gevarenbeoordeling wordt uitgevoerd met betrekking tot alle voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water gebruikte waterlichamen die gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren. De gevarenbeoordeling omvat de volgende elementen: [Am. 71]

a)  identificatie van en georeferenties voor alle onttrekkingspunten in de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen of delen van waterlichamen. Aangezien de in dit punt genoemde gegevens mogelijk gevoelig zijn, met name betreffende de bescherming van de volksgezondheid, waarborgen de lidstaten dat dergelijke gegevens worden beschermd en uitsluitend aan de bevoegde autoriteiten worden meegedeeld; [Am. 72]

b)  kaarten van de beschermingszones, voor zover die overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG zijn vastgesteld, en de beschermde gebieden zoals bedoeld in artikel 6 van die richtlijn; [Am. 73]

c)  identificatie van gevaren en mogelijke bronnen van verontreiniging met gevolgen voor de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen. De methoden voor het onderzoek naar en de vaststelling van bronnen van verontreiniging worden regelmatig geactualiseerd zodat de nieuwe stoffen met invloed op microplastics, met name PFAS, kunnen worden gedetecteerd. De lidstaten kunnen hiervoor de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten gebruiken, alsmede de overeenkomstig bijlage II, punt 1.4, bij die richtlijn verzamelde informatie over significante belastingen; [Am. 216]

d)  regelmatige controle in de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen op relevante of delen van waterlichamen op verontreinigende stoffen die relevant zijn voor de waterlevering en die uit de volgende lijsten worden geselecteerd: [Am. 75]

i)  de in bijlage I, delen A en B, bij deze richtlijn opgenomen lijsten van parameters;

ii)  de in bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad(43) opgenomen lijst van verontreinigende stoffen in het grondwater, alsmede verontreinigende stoffen en indicatoren van verontreiniging waarvoor overeenkomstig bijlage II bij die richtlijn door de lidstaten drempelwaarden zijn vastgesteld;

iii)  de lijst van prioritaire stoffen en bepaalde andere verontreinigende stoffen in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad(44);

iv)  lijsten parameters voor controledoeleinden uitsluitend in deel C bis van bijlage I, of overige relevante verontreinigende stoffen, zoals microplastics, mits er een methodologie is ingesteld voor het meten van microplastics als omschreven in artikel 11, lid 5 ter, of stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen, zoals door de lidstaten opgesteld op basis van de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten en de overeenkomstig bijlage II, punt 1.4, bij die richtlijn verzamelde informatie over significante belastingen. [Am. 76]

De lidstaten maken een selectie uit de punten i) tot en met iv) voor de controle van parameters, stoffen of verontreinigende stoffen die in het licht van de overeenkomstig dit lid, onder c), geïdentificeerde gevaren of van de overeenkomstig lid 2 door de waterleveranciers verstrekte informatie relevant worden geacht.

Voor de regelmatige controle en voor de detectie van nieuwe schadelijke stoffen dankzij nieuw onderzoek, kunnen de lidstaten ook gebruikmaken van de overeenkomstig andere wetgeving van de Unie uitgevoerde controles en ingevoerde onderzoekscapaciteit. [Am. 217]

Zeer kleine waterleveranciers kunnen worden vrijgesteld van de onder a), b) en c) van dit lid vermelde verplichtingen, mits de bevoegde autoriteit van tevoren over geactualiseerde, gedocumenteerde kennis beschikt over de relevante in deze punten genoemde parameters. Deze uitzondering wordt ten minste elke drie jaar door de bevoegde autoriteit herzien en indien nodig geactualiseerd. [Am. 77]

2.  Waterleveranciers die hun onbehandelde water controleren in het kader van operationele monitoring worden ertoe verplicht de bevoegde autoriteiten op de hoogte te stellen van tendensen en ongebruikelijke concentraties van parameters, stoffen of verontreinigende stoffen waarop wordt gecontroleerd.

3.  De lidstaten stellen de waterleveranciers die het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam gebruiken op de hoogte van de resultaten van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle en kunnen, op basis van die controleresultaten:

a)  voorschrijven dat de waterleveranciers aanvullende controles of behandeling uitvoeren voor bepaalde parameters;

b)  toestaan dat de waterleveranciers de controlefrequentie voor bepaalde parameters verlagen, zonder hen ertoe te verplichten een leveringsrisicobeoordeling uit te voeren, mits het niet gaat om kernparameters in de zin van bijlage II, deel B, punt 1, en mits geen enkele redelijkerwijs te voorziene factor aanwezig is waardoor de kwaliteit van het water achteruit zou kunnen gaan. [Am. 78]

4.  In gevallen waarin wordt toegestaan dat een waterleverancier de controlefrequentie verlaagd, zoals bedoeld in lid 3, onder b), blijven de lidstaten regelmatig controleren op die parameters in het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam. [Am. 79]

5.  Op basis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 verzamelde informatie en de krachtens Richtlijn 2000/60/EG vergaarde informatie nemen de lidstaten in samenwerking met de waterleveranciers en andere belanghebbenden de volgende maatregelen, of zorgen zij ervoor dat die maatregelen door de waterleveranciers worden genomen: [Am. 80]

a)  preventiemaatregelen om het vereiste niveau van de behandeling te verlagen en de waterkwaliteit veilig te stellen, met inbegrip van de in artikel 11, lid 3, onder d), van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde maatregelen; [Am. 178]

a bis)  maatregelen om te waarborgen dat vervuilers, in samenwerking met waterleveranciers en andere relevante belanghebbenden, preventiemaatregelen nemen om het vereiste niveau van de behandeling te verlagen of behandeling te vermijden en de waterkwaliteit veilig te stellen, met inbegrip van de in artikel 11, lid 3, onder d), van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde maatregelen, evenals aanvullende maatregelen die op basis van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle noodzakelijk worden geacht; [Am. 82]

b)  verzachtende maatregelen die op basis van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle noodzakelijk worden geacht om de bron van de verontreiniging te identificeren en aan te pakken en aanvullende behandeling te vermijden, wanneer preventiemaatregelen worden verondersteld niet haalbaar of niet voldoende effectief te zijn om de bron van verontreiniging tijdig aan te pakken. [Am. 83]

b bis)  indien de onder a bis) en b)genoemde maatregelen niet toereikend worden geacht om de volksgezondheid adequaat te beschermen, van waterleveranciers eisen dat zij voor bepaalde parameters aanvullende controles uitvoeren op het onttrekkingspunt of, indien dit strikt noodzakelijk is om gezondheidsrisico's te voorkomen, behandeling uitvoeren; [Am. 84]

De lidstaten herzien dergelijke maatregelen regelmatig.

5 bis.  De lidstaten stellen de waterleveranciers die het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam of delen van het waterlichaam gebruiken op de hoogte van de resultaten van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle en kunnen, op basis van die controleresultaten en de op grond van de leden 1 en 2 en krachtens Richtlijn 2000/60/EG verzamelde informatie:

a)  toestaan dat de waterleveranciers de controlefrequentie voor bepaalde parameters of het aantal parameters dat wordt gecontroleerd verlagen, zonder hen ertoe te verplichten een leveringsrisicobeoordeling uit te voeren, mits het niet gaat om kernparameters in de zin van bijlage II, deel B, punt 1, en mits geen enkele redelijkerwijs te voorziene factor aanwezig is waardoor de kwaliteit van het water achteruit zou kunnen gaan;

b)  in gevallen waarin wordt toegestaan dat een waterleverancier de controlefrequentie verlaagd, zoals bedoeld onder a), regelmatig blijven controleren op die parameters in het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam. [Am. 85]

Artikel 9

Leveringsrisicobeoordeling, -controle en -beheer [Am. 86]

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat waterleveranciers een leveringsrisicobeoordeling uitvoeren in overeenstemming met bijlage II, deel C, waarbij zij de mogelijkheid bieden de controlefrequentie voor elk van de in de lijsten in bijlage I, delen A, B en B bis, opgenomen parameters, voor zover het geen kernparameters overeenkomstig bijlage II, deel B, betreft, aan te passen, afhankelijk van het optreden ervan in het onbehandelde water. [Am. 87]

Voor die parameters zorgen de lidstaten ervoor dat de waterleveranciers overeenkomstig de specificaties in bijlage II, deel C, en afhankelijk van het optreden ervan in het onbehandelde water en de behandelopzet, af mogen wijken van de in bijlage II, deel B, vastgestelde bemonsteringsfrequenties. [Am. 88]

Met het oog daarop worden houden de waterleveranciers ertoe verplicht rekening te houden met de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn uitgevoerde gevarenbeoordeling en van de overeenkomstig artikel 7, lid 1, en artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde monitoring. [Am. 89]

1 bis.  De lidstaten kunnen zeer kleine waterleveranciers vrijstelling verlenen van lid 1, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit beschikt over eerdere, gedocumenteerde en actuele kennis over de relevante parameters en van mening is dat deze vrijstellingen geen risico voor de volksgezondheid zullen opleveren, onverminderd de verplichtingen van de autoriteit uit hoofde van artikel 4.

Deze vrijstellingen worden ten minste om de 3 jaar of wanneer een nieuw verontreinigingsrisico in het stroomgebied is vastgesteld door de bevoegde autoriteit beoordeeld, en worden waar nodig bijgewerkt. [Am. 90]

2.  Leveringsrisicobeoordelingen worden door zijn de verantwoordelijkheid van de waterleveranciers die waarborgen dat deze beoordelingen voldoen aan deze richtlijn. Hiertoe kunnen waterleveranciers ondersteuning van de bevoegde autoriteiten vragen.

De lidstaten kunnen de bevoegde autoriteiten goedgekeurd ertoe verplichten de leveringsrisicobeoordelingen van de waterleveranciers goed te keuren of te controleren. [Am. 91]

2 bis.  Op basis van de resultaten van de krachtens lid 1 uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling zorgen de lidstaten ervoor dat de waterleveranciers een waterveiligheidsplan opstellen dat geschikt is voor de geïdentificeerde risico's en in verhouding staat tot de omvang van de waterleverancier. Dit waterveiligheidsplan kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de gebruikte materialen die in contact komen met water, waterbehandelingsproducten, mogelijke risico's als gevolg van lekkende leidingen of maatregelen voor aanpassingen aan huidige en toekomstige uitdagingen, zoals de klimaatverandering, en wordt nader gespecificeerd door de lidstaten. [Am. 92]

Artikel 10

Risicobeoordeling Beoordeling, controle en beheer van de risico’s betreffende het huishoudelijk leidingnet [Am. 93]

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet in prioritaire percelen wordt uitgevoerd, die de volgende elementen omvat: [Am. 94]

a)  een beoordeling van de potentiële risico’s in verband met de huishoudelijke leidingnetten en de daarmee samenhangende producten en materialen, en van de vraag of deze risico’s van invloed zijn op de kwaliteit van het water op de plaatsen waar het uit de kranen komt die normaliter worden gebruikt voor menselijke consumptie, met name waar het publiek van water wordt voorzien in prioritaire percelen; [Am. 95]

b)  regelmatige controle van de in de lijst in bijlage I, deel C, opgenomen parameters in prioritaire percelen waar het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid het grootst wordt geacht. Relevante parameters en percelen voor de controle worden geselecteerd op basis van de onder a) bedoelde beoordeling tijdens de onder a) bedoelde beoordeling specifieke risico's voor de waterkwaliteit zijn vastgesteld. [Am. 96]

Met betrekking tot de regelmatige controle zoals bedoeld waarborgen de lidstaten toegang tot de installaties in de eerste alinea, kunnen prioritaire percelen voor de lidstaten bemonstering en kunnen zij een controlestrategie opstellen die op prioritaire percelen is toegespitst , met name betreffende Legionella pneumophila; [Am. 97]

c)  verificatie of de prestaties van bouwproducten producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water adequaat zijn ten opzichte van de essentiële kenmerken in verband met de in bijlage I, punt 3, onder e), bij Verordening (EU) nr. 305/2011 gespecificeerde fundamentele eis voor bouwwerken bescherming van de volksgezondheid. [Am. 98]

c bis)  verificatie of de gebruikte materialen geschikt zijn om in contact te komen met voor menselijke consumptie bedoeld water en of wordt voldaan aan de in artikel 11 genoemde vereisten. [Am. 99]

2.  Indien de lidstaten op basis van de beoordeling overeenkomstig lid 1, onder a), van mening zijn dat er een risico bestaat voor de volksgezondheid dat voortvloeit uit het huishoudelijk leidingnet van prioritaire percelen of uit de daarmee samenhangende producten en materialen, of indien uit de controle overeenkomstig lid 1, onder b), blijkt dat niet aan de parameterwaarden van bijlage I, deel C, wordt voldaan, waarborgen de lidstaten dat passende maatregelen worden genomen om het risico op niet-naleving van de parameterwaarden van bijlage I, deel C weg te nemen of te beperken.

a)  nemen zij passende maatregelen om het risico op de niet-naleving van de parameterwaarden van bijlage I, deel C weg te nemen of te verkleinen;

b)  nemen zij alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat de migratie van stoffen of chemicaliën uit bouwproducten die worden gebruikt bij de bereiding of distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, geen direct of indirect gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert;

c)  nemen zij, in samenwerking met de waterleveranciers, andere maatregelen, zoals de toepassing van adequate conditioneringstechnieken, om de aard of de eigenschappen van het water voor de levering zodanig te veranderen dat het risico op niet-naleving van de parameterwaarden na de levering, wordt weggenomen of verkleind;

d)  informeren en adviseren zij de consumenten naar behoren over de voorwaarden voor consumptie en gebruik van het water en over mogelijke maatregelen om te voorkomen dat het risico zich opnieuw voordoet;

e)  organiseren zij scholing voor loodgieters en andere beroepsgroepen die zich bezighouden met huishoudelijke leidingnetten en de installatie van bouwproducten;

f)  zorgen zij er wat betreft Legionella voor dat er doeltreffende controle- en beheersmaatregelen beschikbaar zijn om mogelijke ziekte-uitbraken te voorkomen en aan te pakken. [Am. 100]

2 bis.  Om de met het huishoudelijke leidingnet samenhangende risico's te beperken in alle huishoudelijke leidingnetten:

a)  moedigen de lidstaten eigenaren van openbare en particuliere percelen aan een risicobeoordeling van het huishoudelijke leidingnet uit te voeren;

b)  informeren de lidstaten de consumenten en eigenaren van openbare en particuliere percelen over de maatregelen om het risico op de niet-naleving van de kwaliteitseisen van voor menselijke consumptie bestemd water als gevolg van het huishoudelijk leidingnet weg te nemen of te beperken;

c)  informeren en adviseren de zij de consumenten naar behoren over de voorwaarden voor consumptie en gebruik van het water en over mogelijke maatregelen om te voorkomen dat het risico zich opnieuw voordoet;

d)  organiseren zij scholing voor loodgieters en andere beroepsgroepen die zich bezighouden met huishoudelijke leidingnetten en de installatie van bouwproducten en materialen die in contact komen met water; en

e)  zorgen de lidstaten er wat betreft Legionella, en in het bijzonder Legionella pneumophila, voor dat er doeltreffende controle- en beheersmaatregelen beschikbaar zijn die evenredig zijn met het risico om mogelijke uitbraken van de ziekte te voorkomen en aan te pakken. [Am. 101]

Artikel 10 bis

Minimumvereisten inzake hygiënecriteria voor producten, stoffen en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water

1.  De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat de stoffen en materialen voor de vervaardiging van nieuwe producten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en die in de handel worden gebracht en gebruikt voor de onttrekking, behandeling of distributie of dat de onzuiverheden die uit die stoffen voortkomen:

a)  de bescherming van de volksgezondheid zoals bedoeld in deze richtlijn niet direct of indirect verminderen;

b)  de geur en de smaak van voor menselijke consumptie bestemd water niet aantasten;

c)  niet in een zodanige concentratie in voor menselijke consumptie bestemd water aanwezig zijn dat het niveau dat nodig is om het doel te bereiken waarvoor ze worden gebruikt, wordt overschreden; en

d)  de microbiologische ontwikkeling niet bevorderen.

2.  Om de geharmoniseerde toepassing van lid 1 te waarborgen, stelt de Commissie uiterlijk ... [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] gedelegeerde handelingen vast overeenkomstig artikel 19 om deze richtlijn aan te vullen, waarbij de minimumvereisten inzake hygiënecriteria en de lijst van binnen de Unie toegelaten stoffen die worden gebruikt voor de productie van materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water worden vastgesteld, met inbegrip van, in voorkomend geval, specifieke migratielimieten en bijzondere gebruiksvoorwaarden. De Commissie herziet en actualiseert deze lijst regelmatig op basis van de laatste wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen.

3.  Om de Commissie te ondersteunen bij het vaststellen en wijzigen van de gedelegeerde handelingen uit hoofde van lid 2, wordt een permanent comité opgezet dat bestaat uit vertegenwoordigers die door de lidstaten worden aangewezen, waarbij een beroep kan worden gedaan op deskundigen of adviseurs.

4.  De materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water die onder andere rechtshandelingen van de Unie vallen, zoals Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad(45), beantwoorden aan de in de leden 1 en 2 van dit artikel gestelde eisen. [Am. 102]

Artikel 11

Controle

1.  Om na te gaan of het voor de verbruikers beschikbare menselijke consumptie bestemd water aan de vereisten van deze richtlijn en in het bijzonder aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voldoet, treffen de lidstaten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water ervan regelmatig wordt gecontroleerd. Er worden monsters genomen die representatief zijn voor de kwaliteit van het gedurende het jaar verbruikte water. Ingeval voor menselijke consumptie bestemd water bij de bereiding of distributie gedesinfecteerd wordt, treffen de lidstaten voorts alle maatregelen om ervoor te zorgen dat de doelmatigheid van de toegepaste desinfectiebehandeling wordt gecontroleerd. [Am. 103]

2.  Om te voldoen aan de bij lid 1 opgelegde verplichtingen worden overeenkomstig bijlage II, deel A, passende controleprogramma’s opgesteld voor al het voor menselijke consumptie bestemde water. Deze controleprogramma’s bestaan uit de volgende elementen:

a)  controle, overeenkomstig bijlage II, van de in de lijsten in bijlage I, delen A en B, opgenomen parameters, alsmede van de overeenkomstig artikel 5, lid 2, en, indien een leveringsrisicobeoordeling wordt uitgevoerd, overeenkomstig artikel 9 vastgestelde parameters;

b)  controle van de in de lijst in bijlage I, deel C, opgenomen parameters, voor de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet zoals bedoeld in artikel 10, lid 1, onder b);

c)  controle voor de gevarenbeoordeling, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d).

3.  De plaatsen van monsterneming worden bepaald door de bevoegde autoriteiten en voldoen aan de desbetreffende vereisten van bijlage II, deel D.

4.  De lidstaten houden zich aan de specificaties voor de analyses van parameters als omschreven in bijlage III, overeenkomstig de volgende beginselen:

a)  andere dan in bijlage III, deel A, vermelde analysemethoden mogen worden gebruikt, mits kan worden aangetoond dat de verkregen resultaten minstens even betrouwbaar zijn als die van de gespecificeerde methoden door aan de Commissie alle relevante inlichtingen over deze methode en de gelijkwaardigheid ervan te verstrekken.

b)  voor de in bijlage III, deel B, genoemde parameters mag elke analysemethode worden gebruikt, mits deze aan de aldaar gestelde eisen voldoet.

5.  Voor stoffen of micro-organismen waarvoor geen parameterwaarden zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5, zorgen de lidstaten per geval voor aanvullende controle indien er reden is om aan te nemen dat deze stoffen of organismen aanwezig zijn in hoeveelheden of aantallen die gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.

5 bis.  De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk... [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] en vervolgens ieder jaar in kennis van de resultaten van de uitgevoerde controle van de in de lijsten in bijlage I, deel C bis, opgenomen parameters.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op het wijzigen van deze richtlijn, door de lijst van "onder toezicht" geplaatste parameters in deel C bis van bijlage I te actualiseren. De Commissie kan besluiten stoffen toe te voegen indien het risico bestaat dat deze in voor menselijke consumptie bestemd water voorkomen en een potentieel gevaar voor de volksgezondheid, maar waarvoor wetenschappelijke gegevens niet hebben aangetoond dat er een risico voor de gezondheid van de mens aan verbonden is. Daartoe baseert de Commissie zich met name op het wetenschappelijk onderzoek van de WHO. De toevoeging van elke nieuwe stof moet naar behoren worden gemotiveerd op grond van artikel 1 van deze richtlijn. [Am. 104]

5 ter.  Uiterlijk ... [één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast teneinde deze richtlijn aan te vullen door een methodologie vast te stellen om de in de lijst van "onder toezicht" geplaatste parameters in deel C bis van bijlage I opgenomen microplastics te meten. [Am. 105]

Artikel 12

Herstelmaatregelen en beperkingen van het gebruik

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat elk geval waarin op de plaats waar overeenkomstig artikel 6 aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan, niet aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden wordt voldaan, onmiddellijk wordt onderzocht om de oorzaak vast te stellen. [Am. 106]

2.  Wanneer voor menselijke consumptie bestemd water, ondanks de met het oog op naleving van de verplichtingen van artikel 4, lid 1, genomen maatregelen, niet aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voldoet, zorgen de betrokken lidstaten ervoor dat zo spoedig mogelijk de nodige herstelmaatregelen worden getroffen om de kwaliteit weer op peil te brengen, waarbij onder meer wordt gelet op de mate waarin de parameterwaarde in kwestie is overschreden en op het mogelijke gevaar voor de volksgezondheid.

In geval van niet-naleving van de parameterwaarden in bijlage I, deel C, omvatten de herstelmaatregelen de in artikel 10, lid 2, onder a) tot en met f) bis, bedoelde maatregelen. [Am. 107]

3.  Ongeacht of al dan niet aan de parameterwaarden wordt voldaan, zorgen de lidstaten ervoor dat de levering van voor menselijke consumptie bestemd water dat gevaar kan opleveren voor de volksgezondheid, wordt verboden of dat het gebruik ervan wordt ingeperkt en dat alle andere herstelmaatregelen worden genomen die nodig zijn om de volksgezondheid te beschermen.

De lidstaten beschouwen elk een geval van niet-naleving van de in bijlage I, delen A en B, vastgestelde minimumvereisten voor de parameterwaarden als een potentieel gevaar voor de volksgezondheid, behalve wanneer de bevoegde autoriteiten de niet-naleving van parameterwaarden onbeduidend achten. [Am. 108]

4.  In de in de leden 2 en 3 beschreven gevallen nemen de lidstaten, zodra de niet-naleving van de parameterwaarden wordt beschouwd als een potentieel gevaar voor de menselijke gezondheid, zo spoedig mogelijk alle volgende maatregelen: [Am. 109]

a)  alle getroffen verbruikers in kennis stellen van het potentiële gevaar voor de volksgezondheid en de oorzaak daarvan, van de overschrijding van een parameterwaarde en de genomen herstelmaatregelen, met inbegrip van verboden, inperkingen en andere maatregelen;

b)  de nodige adviezen aan de verbruikers geven, en die adviezen regelmatig bijwerken, over de voorwaarden voor consumptie en gebruik van het water, waarbij met name rekening wordt gehouden met potentieel kwetsbare groepen;

c)  de verbruikers op de hoogte stellen zodra is vastgesteld dat er geen potentieel gevaar voor de volksgezondheid meer is, en hen ervan op de hoogte stellen dat de dienstverlening weer normaal verloopt.

De onder a), b) en c) vermelde maatregelen worden genomen in samenwerking met de betrokken waterleverancier. [Am. 110]

5.  De Wanneer de niet-conformiteit wordt vastgesteld op de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan, besluiten de bevoegde autoriteiten of andere betrokken instanties besluiten welke maatregelen krachtens lid 3 worden genomen en houden daarbij tevens rekening met de risico’s die onderbreking van de levering of inperking van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water zouden opleveren voor de volksgezondheid. [Am. 111]

Artikel 12 bis

Afwijkingen

1.  De lidstaten kunnen tot een door hen vast te stellen maximumwaarde voorzien in afwijkingen van de parameterwaarden van bijlage I, deel B, of die welke zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, indien de afwijking geen gevaar vormt voor de volksgezondheid en de levering van voor menselijke consumptie bestemd water in het betrokken gebied op geen enkele andere redelijke manier kan worden verzekerd. Deze afwijkingen worden beperkt tot de volgende gevallen:

a)  een nieuw waterleveringsgebied;

b)  een nieuwe bron van verontreiniging in een waterleveringsgebied of nieuw opgespoorde of vastgestelde parameters.

Afwijkingen worden gebonden aan een zo kort mogelijke termijn die niet langer mag zijn dan drie jaar. Aan het einde van deze termijn voeren de lidstaten een evaluatie uit om na te gaan of de situatie voldoende is verbeterd.

Onder uitzonderlijke omstandigheden kan een lidstaat een tweede afwijking ten aanzien van de punten a) en b) van de eerste alinea toestaan. Lidstaten die een tweede maal een afwijking willen toestaan, zenden de evaluatie en de redenen waarop hun besluit omtrent die tweede afwijking is gebaseerd, toe aan de Commissie. Een dergelijke tweede afwijking geldt voor maximaal drie jaar.

2.  Elke toegekende afwijking overeenkomstig lid 1 omvat de volgende informatie:

a)  de redenen van de afwijking;

b)  de parameter waarop het besluit omtrent de afwijking betrekking heeft, voorgaande relevante controleresultaten die met deze parameter verband houden en de maximaal toelaatbare waarde ingevolge het besluit omtrent de afwijking;

c)  het geografisch gebied, de hoeveelheid geleverd water per dag, de betrokken bevolkingsgroep en of de afwijking al dan niet gevolgen heeft voor enig betrokken levensmiddelenbedrijf;

d)  een passend controleschema met, zo nodig, een verhoogde controlefrequentie;

e)  een samenvatting van het plan voor de noodzakelijke herstelmaatregelen, met inbegrip van een tijdschema voor het werk, een raming van de kosten en voorzieningen voor de evaluatie; en

f)  de vereiste duur van de afwijking.

3.  Indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de overschrijding van de parameterwaarde onbeduidend is en indien herstelmaatregelen overeenkomstig artikel 12, lid 2, het probleem binnen maximaal 30 dagen kunnen oplossen, moeten de inlichtingen van lid 2 van dit artikel niet worden vermeld in de afwijking.

In dat geval stellen de bevoegde autoriteiten of andere bij de afwijking betrokken instanties alleen de maximaal toelaatbare parameterwaarde vast en de tijd waarin het probleem moet worden opgelost.

4.  Lid 3 kan niet langer worden toegepast wanneer dezelfde parameterwaarde voor een bepaalde waterlevering in de voorafgaande twaalf maanden in totaal meer dan 30 dagen is overschreden.

5.  De lidstaten die van de in dit artikel bedoelde afwijkingsmogelijkheden gebruik hebben gemaakt, zorgen ervoor dat de betrokken bevolking zo spoedig mogelijk naar behoren over het besluit omtrent de afwijking en de daaraan verbonden voorwaarden wordt geïnformeerd. Bovendien zorgen de lidstaten ervoor dat specifieke bevolkingsgroepen waarvoor de afwijking een speciaal risico kan opleveren zo nodig advies wordt verstrekt.

Behoudens andersluidend besluit van de bevoegde autoriteiten, zijn de in de eerste alinea genoemde verplichtingen niet van toepassing in de in lid 3 vermelde omstandigheden.

6.  Met uitzondering van afwijkingen krachtens lid 3, stellen de lidstaten de Commissie binnen twee maanden in kennis van afwijkingen die betrekking hebben op een waterlevering van gemiddeld meer dan 1 000 m3 per dag of aan meer dan 5 000 personen; daarbij verstrekken zij de in lid 2 genoemde gegevens.

7.  De bepalingen van dit artikel hebben geen betrekking op voor menselijke consumptie bestemd water dat in flessen of verpakkingen te koop wordt aangeboden. [Am. 112]

Artikel 13

Toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water

1.  Onverminderd artikel 9 van Richtlijn 2000/60/EG en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid nemen de lidstaten, hierbij rekening houdend met de lokale en regionale perspectieven en omstandigheden met betrekking tot de distributie van water, alle nodige maatregelen ter verbetering van de toegang voor iedereen tot voor menselijke consumptie bestemd water en ter bevordering van het gebruik ervan op hun grondgebied. Deze omvatten alle hieronder genoemde maatregelen:

a)  de identificatie van personen die geen of beperkte toegang hebben tot voor menselijke consumptie bestemd water, met inbegrip van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, en de redenen waarom zij geen toegang hebben (zoals het behoren tot een kwetsbare en gemarginaliseerde groep), het beoordelen van de mogelijkheden en het treffen van maatregelen om de toegang voor deze mensen te verbeteren en de informatieverstrekking aan deze mensen over de mogelijkheden om te worden aangesloten op het distributienet of over alternatieve manieren om toegang tot dat water te krijgen;

a bis)   het waarborgen van de openbare voorziening van voor menselijke consumptie bestemd water;

b)  het opzetten en onderhouden van apparatuur buiten en binnen, met inbegrip van bijvulpunten, voor vrije toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water in openbare ruimten, met name in gebieden waar veel mensen komen; dit wordt gedaan voor zover technisch haalbaar, op een wijze die in verhouding staat tot de behoefte aan dergelijke maatregelen en waarbij specifieke plaatselijke omstandigheden in aanmerking worden genomen, zoals klimaat en geografie;

c)  het stimuleren van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water door:

i)  campagnes te lanceren om burgers te informeren over de hoge kwaliteit van dat water kraanwater en om de bekendheid te vergroten van het dichtstbijzijnde aangewezen bijvulpunt;

i bis)  campagnes te lanceren om het grote publiek aan te moedigen herbruikbare waterflessen te gebruiken en initiatieven op te starten om mensen op de hoogte te brengen van de locatie van bijvulpunten;

ii)  de gratis verstrekking van dat water in openbare en overheidsgebouwen aan te verzekeren en het gebruik van water in plastic flessen of verpakkingen voor eenmalig gebruik in dergelijke openbare en overheidsgebouwen te moedigen ontmoedigen;

iii)  het gratis of tegen een lage dienstvergoeding verstrekken aan klanten van dat water door restaurants, kantines en cateringdiensten aan te moedigen. [Ams. 113, 165, 191, 208, 166, 192, 169, 195, 170, 196, 197, 220]

2.  Op basis van de uit hoofde van lid 1, onder a), verzamelde informatie nemen de lidstaten alle nodige maatregelen maatregelen die zij nodig en passend achten om de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen te waarborgen. [Am. 114]

Indien die groepen geen toegang hebben tot voor menselijke consumptie bestemd water, informeren de lidstaten hen onverwijld over de kwaliteit van het water dat zij gebruiken en over alle maatregelen die genomen kunnen worden om schadelijke effecten voor de volksgezondheid ten gevolge van eventuele verontreiniging van dat water te voorkomen.

2 bis.   Wanneer er krachtens dit artikel verplichtingen rusten op lokale overheidsinstanties uit hoofde van het nationaal recht, zorgen de lidstaten ervoor dat deze autoriteiten de financiële en andere middelen hebben om toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water te waarborgen en dat eventuele maatregelen in dit verband in verhouding staan tot de capaciteit en de omvang van het betreffende distributienet. [Ams. 173, 199 en 209]

2 ter.   Op basis van de gegevens die worden verzameld uit hoofde van de bepalingen in artikel 15, lid 1, onder a), werkt de Commissie met de lidstaten en de Europese Investeringsbank samen om gemeenten in de Unie die onvoldoende kapitaal hebben te helpen toegang te krijgen tot technische ondersteuning, beschikbare Unie-fondsen en langetermijnleningen tegen een preferentieel rentetarief, met name om waterinfrastructuur te onderhouden en vernieuwen om de levering van kwalitatief hoogwaardig water te garanderen en de water- en sanitaire diensten uit te breiden zodat deze ook beschikbaar zijn voor kwetsbare en gemarginaliseerde bevolkingsgroepen. [Ams. 174, 200 en 210]

Artikel 14

Voorlichting van het publiek

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat passende, actuele en actuele toegankelijke informatie over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water online, of op een andere gebruikersvriendelijke wijze, ter beschikking staat van alle personen aan wie dat water wordt geleverd, overeenkomstig bijlage IV, met inachtneming van alle toepasselijke gegevensbeschermingsregels. [Am. 116]

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat alle personen aan wie dat water wordt geleverd, regelmatig en ten minste eenmaal per jaar en in de meest geschikte en makkelijk toegankelijke vorm (bijvoorbeeld op hun factuur of door middel van slimme applicaties), zonder dat zij daarom hoeven te vragen als bepaald door de bevoegde autoriteiten, de volgende informatie ontvangen: [Am. 117]

a)  informatie indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel informatie over de kostenstructuur van het berekende tarief per kubieke meter voor menselijke consumptie bestemd water, met inbegrip van vaste en variabele kosten, waarbij ten minste vermelding gemaakt wordt van de kosten in verband met de volgende elementen: de verdeling van de vaste en variabele kosten; [Am. 118]

i)  de door de waterleveranciers genomen maatregelen met het oog op de gevarenbeoordeling uit hoofde van artikel 8, lid 5; [Am. 119]

ii)  de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water; [Am. 120]

iii)  de verzameling en behandeling van afvalwater; [Am. 121]

iv)  maatregelen genomen uit hoofde van artikel 13, indien de waterleveranciers dergelijke maatregelen hebben genomen; [Am. 122]

a bis)  informatie over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, inclusief de indicatorparameters; [Am. 123]

b)  indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel, de prijs per liter en per kubieke meter van de levering van het voor menselijke consumptie bestemde water; indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel, de totale jaarlijkse kosten die ten laste komen van het watersysteem om te zorgen voor naleving van deze richtlijn, vergezeld van relevante en achtergrondinformatie over hoe voor menselijke consumptie bestemd water aan het gebied wordt geleverd; [Am. 124]

b bis)   de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water; [Am. 125]

c)  de door het huishouden verbruikte hoeveelheid, ten minste per jaar of per factureringsperiode, samen met de jaarlijkse tendens in het huishoudelijke verbruik, voor zover dit technisch mogelijk is en uitsluitend indien de waterleverancier over deze gegevens beschikt; [Am. 126]

d)  vergelijking van het jaarlijkse waterverbruik van het huishouden met een gemiddeld verbruik voor een huishouden in dezelfde categorie , voor zover van toepassing ingevolge letter c; [Am. 127]

e)  een link naar de website die de in bijlage IV vermelde informatie bevat.

De lidstaten stellen een duidelijke verdeling vast van de verantwoordelijkheden met betrekking tot de informatieverstrekking uit hoofde van de eerste alinea, tussen waterleveranciers, belanghebbenden en bevoegde lokale instanties. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen is bevoegd om overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn waarin het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de uit hoofde van de eerste alinea te verstrekken informatie wordt worden gespecificeerd. Die uitvoeringsmaatregelen worden volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. [Am. 128]

3.  De leden 1 en 2 laten de Richtlijnen 2003/4/EG en 2007/2/EG onverlet.

Artikel 15

Informatie over het toezicht op de implementatie

1.  Onverminderd Richtlijn 2003/4/EG en Richtlijn 2007/2/EG stellen de lidstaten, met ondersteuning van het Europees Milieuagentschap

a)  uiterlijk op ... [6 jaar na de einddatum voor de omzetting van deze richtlijn] een gegevensverzameling samen, die zij vervolgens om de zes jaar bijwerken, en die informatie bevat over de uit hoofde van artikel 13 genomen maatregelen en over het deel van bevolking dat toegang heeft tot voor menselijke consumptie bestemd water;

b)  uiterlijk op ... [3 jaar na de einddatum voor de omzetting van deze richtlijn] een gegevensverzameling samen, die zij vervolgens om de drie jaar bijwerken, en die de overeenkomstig artikel 8 respectievelijk artikel 10 uitgevoerde gevarenbeoordelingen en risicobeoordelingen van het huishoudelijk leidingnet bevat, met inbegrip van de volgende elementen:

i)  de uit hoofde van artikel 8, lid 1, onder a), geïdentificeerde onttrekkingspunten;

ii)  de overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder d), en artikel 10, lid 1, onder b), verzamelde controleresultaten; en

iii)  beknopte informatie over uit hoofde van artikel 8, lid 5, en artikel 10, lid 2, genomen maatregelen;

c)  een gegevensverzameling samen, die zij vervolgens jaarlijks bijwerken, en die overeenkomstig de artikelen 9 en 11 verzamelde controleresultaten bevat voor gevallen waarin de in bijlage I, delen A en B, vastgestelde parameterwaarden worden overschreden, alsmede informatie over de overeenkomstig artikel 12 genomen herstelmaatregelen;

d)  een gegevensverzameling samen, die zij vervolgens jaarlijks bijwerken, en die informatie bevat over incidenten met het drinkwater die een potentieel gevaar risico voor de volksgezondheid hebben veroorzaakt, ongeacht of zich een geval van niet-naleving van de parameterwaarden heeft voorgedaan, die langer dan tien dagen achter elkaar heeft geduurd en ten minste 1 000 mensen heeft getroffen, met inbegrip van de oorzaken van die incidenten en de overeenkomstig artikel 12 genomen maatregelen. [Am. 129]

Waar mogelijk worden diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens, zoals omschreven in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2007/2/EG, gebruikt voor de presentatie van die gegevensverzamelingen.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de Commissie, het Europees Milieuagentschap en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding toegang hebben tot de gegevensverzamelingen als bedoeld in punt 1.

3.  Het Europees Milieuagentschap publiceert en actualiseert, met regelmatige tussenpozen of na ontvangst van een verzoek daartoe van de Commissie, een overzicht voor de hele Unie op basis van de door de lidstaten verzamelde gegevens.

Dit overzicht voor de hele Unie omvat in voorkomend geval indicatoren voor de outputs, resultaten en effecten van deze richtlijn, overzichtskaarten voor de hele Unie en overzichtsverslagen over de lidstaten.

4.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen is bevoegd om overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn waarin het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de overeenkomstig de leden 1 en 3 te verstrekken informatie wordt gespecificeerd, met inbegrip van gedetailleerde voorschriften voor de indicatoren, de overzichtskaarten voor de hele Unie en de overzichtsverslagen over de lidstaten, zoals bedoeld in lid 3. [Am. 130]

De in de eerste alinea bedoelde richtsnoeren worden volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. [Am. 131]

Artikel 16

Toegang tot de rechter

1.  De lidstaten zorgen ervan dat natuurlijke of rechtspersonen of hun verenigingen, organisaties of groepen, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten met betrekking tot de implementatie van de artikelen 4, 5, 12, 13 en 14 aan te vechten, indien aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)  zij hebben een voldoende belang;

b)  zij stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, voor zover het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt.

2.  De lidstaten bepalen in welk stadium een besluit, handelen of nalaten kan worden aangevochten.

3.  Wat een voldoende belang dan wel een inbreuk op een recht vormt, wordt bepaald door de lidstaten in het licht van de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen.

Te dien einde wordt het belang van een niet-gouvernementele organisatie die zich inzet voor milieubescherming en die voldoet aan alle vereisten krachtens de nationale wetgeving, geacht voldoende te zijn in de zin van lid 1, onder a).

Tevens worden die organisaties geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van lid 1, onder b).

4.  De bepalingen van de leden 1, 2 en 3 sluiten de mogelijkheid van een voorafgaande toetsingsprocedure voor een bestuursorgaan niet uit en laten het vereiste onverlet dat de administratieve toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een rechterlijke instantie kan worden ingesteld, voor zover een dergelijk vereiste geldt naar nationaal recht.

5.  Een dergelijke procedure zoals bedoeld in de leden 1 en 4 moet eerlijk, billijk en snel zijn en mag niet buitensporig kostbaar zijn.

De lidstaten dragen er zorg voor dat het publiek wordt voorgelicht over toegang tot administratieve en rechterlijke toetsingsprocedures.

Artikel 17

Evaluatie

1.  Uiterlijk ... [12 jaar na de einddatum voor de omzetting van deze richtlijn] voert de Commissie een evaluatie uit van deze richtlijn. De evaluatie wordt onder meer op de volgende elementen gebaseerd:

a)  de ervaring die is opgedaan bij de implementatie van deze richtlijn;

b)  de overeenkomstig artikel 15, lid 1, samengestelde gegevensverzamelingen van de lidstaten en de overeenkomstig artikel 15, lid 3, door het Europees Milieuagentschap opgestelde overzichten voor de hele Unie;

c)  relevante wetenschappelijke, analytische en epidemiologische gegevens;

d)  aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie, voor zover beschikbaar.

2.  In het kader van de evaluatie besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan de werking van deze richtlijn wat betreft de volgende aspecten:

a)  de op risico’s gebaseerde benadering zoals in artikel 7 vastgesteld;

b)  de bepalingen inzake de toegang tot water van artikel 13 en het aandeel van de bevolking dat geen toegang tot water heeft; [Am. 132]

c)  de bepalingen met betrekking tot de aan het publiek te verstrekken informatie van artikel 14 en bijlage IV, met inbegrip van een gebruikersvriendelijk overzicht op Unieniveau van de in punt 7 van bijlage IV genoemde gegevens. [Am. 133]

2 bis.   De Commissie doet aan het Europees Parlement en de Raad uiterlijk ... [vijf jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn] en daarna wanneer passend een verslag toekomen over het potentiële gevaar van microplastics, geneesmiddelen en eventueel andere opkomende verontreinigende stoffen voor bronnen van voor menselijke consumptie bestemd water, en over de daarmee verbonden potentiële gezondheidsrisico's. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 19 indien nodig gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn door de specificatie van de maximumwaarden voor microplastics, geneesmiddelen en andere opkomende verontreinigende stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water. [Am. 134]

Artikel 18

Herziening en wijziging van de bijlagen

1.  Ten minste om de vijf jaar beziet de Commissie bijlage I opnieuw in het licht van de vooruitgang van wetenschap en techniek.

Op basis van de in de overeenkomstig artikel 15 samengestelde gegevensverzamelingen opgenomen gevarenbeoordelingen en risicobeoordelingen van het huishoudelijk leidingnet van de lidstaten herziet de Commissie bijlage II en beoordeelt zij of het nodig is die bijlage aan te passen of voert zij nieuwe controlespecificaties in voor die risicobeoordelingen.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen I tot en met IV, om ze waar nodig aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang aan te passen of om controlevoorschriften te specificeren voor de gevarenbeoordeling en de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, onder d), en artikel 10, lid 1, onder b).

2 bis.   De Commissie beoordeelt uiterlijk ... [vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] of artikel 10 bis heeft geleid tot een toereikend niveau van harmonisatie van de hygiënevereisten voor materialen en producten die in contact komen met drinkwater, en neemt indien noodzakelijk aanvullende passende maatregelen. [Am. 135]

Artikel 19

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 18, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 18, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 18, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 20

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 21

Sancties

De lidstaten stellen de voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van nationale bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze richtlijn en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op [2 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] van die voorschriften en maatregelen in kennis en delen haar alle latere wijzigingen daarvan mede.

Artikel 22

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk … [2 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] aan de artikelen 2 en 5 tot en met 21 en de bijlagen I tot en met IV te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen, gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 23

Intrekking

1.  Richtlijn 98/83/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage V, deel A, genoemde handelingen, wordt met ingang van [dag na de datum van de eerste alinea van artikel 22, lid 1] ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage V, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in intern recht .

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VI.

2.  Door de lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 98/83/EG toegestane afwijkingen die op ... [einddatum voor de omzetting van deze richtlijn] nog steeds van toepassing zijn, blijven van toepassing tot de afloop van hun termijn. Zij mogen iet verder worden verlengd. [Am. 136]

Artikel 24

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 25

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

MINIMUMVEREISTEN VOOR PARAMETERWAARDEN DIE WORDEN GEBRUIKT OM DE KWALITEIT VAN VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE BESTEMD WATER TE BEOORDELEN

DEEL A

Microbiologische parameters

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Clostridium perfringens-sporen

0

Aantal/100 ml

Colibacteriën

0

Aantal/100 ml

Enterokokken

0

Aantal/100 ml

Escherichia coli (E. coli)

0

Aantal/100 ml

Heterotroof kiemgetal (HPC) bij 22 o

Geen abnormale verandering

 

Somatische colifagen

0

Aantal/100 ml

Troebelingsgraad

< 1

NTE

Noot:

De in dit deel vermelde parameters gelden niet voor bronwater en mineraalwater overeenkomstig Richtlijn 2009/54/EG.

[Am. 179]

DEEL B

Chemische parameters

Parameter

Parameter­waarde

Eenheid

Opmerkingen

Acrylamide

0,10

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Antimoon

5,0

μg/l

 

Arseen

10

μg/l

 

Benzeen

1,0

μg/l

 

Benzo[a]pyreen

0,010

μg/l

 

ß-Oestradiol (50-28-2)

0,001

 μg/l

 

Bisfenol A

0,01 0,1

 μg/l

 

Boor

1,0 1,5

mg/l

 

Bromaat

10

μg/l

 

Cadmium

5,0

μg/l

 

Chloraat

0,25

mg/l

 

Chloriet

0,25

mg/l

 

Chroom

25

μg/l

Uiterlijk op [10 years after the entry into force of this Directive] [tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor chroom 50 μg/l.

Koper

2,0

mg/l

 

Cyanide

50

μg/l

 

1,2-Dichloorethaan

3,0

μg/l

 

Epichloorhydrine

0,10

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Fluoride

1,5

mg/l

 

Gehalogeneerde azijnzuren (HAA’s)

 80

μg/l

Som van de volgende negen representatieve stoffen: monochloor-, dichloor- en tricholoorazijnzuur, mono- en dibroomazijnzuur, broomchloorazijnzuur, broomdichloorazijnzuur, dibroomchloorazijnzuur en tribroomazijnzuur.

Lood

 5

μg/l

Uiterlijk op [10 years after the entry into force of this Directive] [tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor lood 10 μg/l.

Kwik

1,0

μg/l

 

Microcystine-LR

1,0

μg/l

 

Nikkel

20

μg/l

 

Nitraat

50

mg/l

De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarde [nitraat]/50 + [nitriet]/3 ≤ 1, waarbij de rechte haken de concentratie in mg/l uitdrukken, voor nitraat in NO3, en voor nitriet in NO2, vervuld wordt en dat aan de waarde van 0,10 mg/l voor nitriet voldaan wordt af waterbehandelingsinstallatie.

Nitriet

0,50

mg/l

De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarde [nitraat]/50 + [nitriet]/3 ≤ 1, waarbij de rechte haken de concentratie in mg/l uitdrukken, voor nitraat in NO3, en voor nitriet in NO2, vervuld wordt en dat aan de waarde van 0,10 mg/l voor nitriet voldaan wordt af waterbehandelingsinstallatie.

Nonylfenol

0,3

μg/l

 

Pesticiden

0,10

μg/l

Onder pesticiden worden verstaan:

–  organische insecticiden;

–  organische herbiciden;

–  organische fungiciden;

–  organische nematociden;

–  organische acariciden;

–  organische algiciden;

–  organische rodenticiden;

–  organische slimiciden;

–  soortgelijke producten (onder meer groeiregulators)

en de relevante metabolieten daarvan zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 32, van Verordening (EG) nr. 1107/2009(46) .

De parameterwaarde geldt voor elk afzonderlijk pesticide.

In het geval van aldrin, dieldrin, heptachloor en heptachloorepoxide is de parameterwaarde 0,030 μg/l.

Pesticiden — totaal

0,50

μg/l

„Pesticiden — totaal” is de som voor alle afzonderlijke pesticiden, als gedefinieerd in de vorige rij, die bij de controleprocedure worden opgespoord en gekwantificeerd.

PFAS

0,10

μg/l

Onder „PFAS” wordt elke afzonderlijke per- en polyfluoralkylverbinding verstaan (chemische formule: CnF2n+1−R).

In de formule wordt een onderscheid gemaakt tussen “lange-keten” en “korte-keten” PFAS’en. Deze richtlijn geldt alleen voor “lange-keten” PFAS’en.

Deze parameterwaarde voor afzonderlijke PFAS-verbindingen geldt alleen voor die PFAS-verbindingen die waarschijnlijk aanwezig zijn en die gevaarlijk zijn voor de menselijke gezondheid, overeenkomstig de in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde gevarenbeoordeling.

PFAS’en — totaal

0,50

μg/l

„PFAS’en — totaal” is de som voor alle per- en polyfluoralkylverbindingen (chemische formule: CnF2n+1−R).

Deze parameterwaarde voor PFAS’en – totaal geldt alleen voor die PFAS-verbindingen die waarschijnlijk aanwezig zijn en die gevaarlijk zijn voor de menselijke gezondheid, overeenkomstig de in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde gevarenbeoordeling.

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

0,10

μg/l

Som van de concentraties van de volgende gespecificeerde verbindingen: benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[ghi]peryleen en indeno(1,2,3-cd)pyreen .

Seleen

10

μg/l

 

Tetrachlooretheen en trichlooretheen

10

μg/l

Som van de concentraties van de gespecificeerde parameters

Trihalomethanen — totaal

100

μg/l

Waar mogelijk streven de lidstaten, zonder dat evenwel de desinfectie in gevaar mag komen, naar een lagere waarde.

Som van de concentraties van de volgende gespecificeerde verbindingen: chloroform, bromoform, dibroomchloormethaan, broomdichloormethaan.

Uraan

30

μg/l

 

Vinylchloride

0,50

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Ams. 138 en 180]

DEEL B bis

Indicatorparameters

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Aluminium

200

μg/l

 

Ammonium

0,50

mg/l

 

Chloriden

250

mg/l

Opmerking 1

Kleur

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Conductiviteit

2 500

μS cm-1 bij 20 °C

Opmerking 1

Waterstofionenconcentratie

≥ 6,5 en ≤ 9,5

pH-eenheden

Opmerkingen 1 en 3

IJzer

200

μg/l

 

Mangaan

50

μg/l

 

Geur

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Sulfaten

250

mg/l

Opmerking 1

Natrium

200

mg/l

 

Smaak

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Kiemgetal bij 22 °C

Geen abnormale verandering

 

 

Colibacteriën

0

Aantal/100 ml

 

Totaal aan organische koolstof (TOC)

Geen abnormale verandering

 

 

Troebelingsgraad

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Opmerking 1:

Het water mag niet agressief zijn.

Opmerking 2:

Deze parameter behoeft enkel te worden gemeten als het water afkomstig is van of beïnvloed wordt door oppervlaktewater. Indien niet aan deze parameterwaarde wordt voldaan, onderzoeken de betrokken lidstaten de waterlevering om zich ervan te vergewissen dat er geen potentieel gevaar voor de menselijke gezondheid bestaat ten gevolge van de aanwezigheid van pathogene micro-organismen, bijvoorbeeld cryptosporidium.

Opmerking 3:

Voor niet-bruisend water in flessen of verpakkingen kan de minimumwaarde verlaagd worden tot 4,5 pH-eenheden.

Voor water in flessen of verpakkingen dat van nature rijk is aan kooldioxide of kunstmatig verrijkt is met kooldioxide kan de minimumwaarde lager zijn.

[Am. 139]

DEEL C

Relevante parameters voor de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Legionella pneumophila

< 1 000

Aantal/l

Indien de parameterwaarde < 1 000/l voor Legionella niet wordt gehaald, wordt herbemonstering voor Legionella pneumophila verricht. Indien Legionella pneumophila niet aanwezig is, bedraagt de parameterwaarde voor Legionella <10 000/l.

Legionella

< 10 000

Aantal/l

Indien Legionella pneumophila, waarvoor de parameterwaarde < 1 000/l bedraagt, niet aanwezig is, bedraagt de parameterwaarde voor Legionella < 10 000/l.

Lood

5

μg/l

Uiterlijk op [10 years after the entry into force of this Directive] [tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor lood 10 μg/l.

[Am. 140]

DEEL C bis

Nieuwe parameters onder toezicht

Microplastics

Het toezicht vindt plaats overeenkomstig de methodologie voor het meten van microplastics die is vastgelegd in de overeenkomstig artikel 11, lid 5 ter, vermelde gedelegeerde handeling.

[Am. 141]

BIJLAGE II

CONTROLE

DEEL A

Algemene doelstellingen en controleprogramma’s voor het voor menselijke consumptie bestemde water

1.  Met de overeenkomstig artikel 11, lid 2, vastgestelde programma’s voor de controle van voor menselijke consumptie bestemd water:

a)  wordt nagegaan of de geldende maatregelen om risico’s voor de gezondheid van de mens te beheersen in de volledige watertoeleveringsketen vanaf het onttrekkingsgebied , over de behandeling en de opslag tot en met de distributie doeltreffend zijn en of het water op het punt waar aan de parameterwaarden moet worden voldaan, gezond en schoon is;

b)  wordt informatie verstrekt over de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water om aan te tonen dat wordt voldaan aan de verplichtingen die zijn vastgesteld in artikel 4 en de parameterwaarden die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5;

c)  worden de geschiktste middelen vastgesteld om het risico voor de gezondheid van de mens te beperken.

2.  Overeenkomstig artikel 11, lid 2 vastgestelde controleprogramma’s omvatten een van de volgende elementen :

a)  het nemen en het analyseren van verschillende watermonsters;

b)  metingen die in het kader van een doorlopend proces van controle worden geregistreerd.

De controleprogramma’s omvatten tevens een programma voor operationele monitoring dat complementair is aan de verificatiecontrole, snel inzicht biedt in de operationele prestaties en in problemen met de waterkwaliteit, en snelle corrigerende maatregelen volgens een vooraf opgesteld plan mogelijk maakt. Dergelijke programma’s voor operationele monitoring zijn leveringsspecifiek, waarbij de resultaten van de gevaren- en leveringsrisicobeoordelingen in aanmerking worden genomen, en bedoeld ter bevestiging van de doeltreffendheid van alle beheersingsmaatregelen tijdens de onttrekking, behandeling, distributie en opslag. Het programma voor operationele monitoring omvat controle van de parameter „troebelingsgraad”, teneinde regelmatig de doeltreffendheid van de fysieke verwijdering door middel van filtratieprocessen te controleren, overeenkomstig de in de volgende tabel vermelde parameterwaarden en frequenties:

Parameter

Parameterwaarde

Troebelingsgraad

0,3 NTE (95 %) en niet > 0,5 NTE gedurende een aaneengesloten periode van 15 minuten

Dagelijks binnen een leveringsgebied gedistribueerde of geproduceerde hoeveelheid (m3) water

Minimumfrequentie

≤ 10 000

Dagelijks

> 10 000

Online

Daarnaast kunnen de controleprogramma’s bestaan uit:

a)  inspectie van bescheiden met betrekking tot de functionaliteit en de staat van onderhoud van de installatie;

b)  inspectie van het onttrekkingsgebied en de infrastructuren voor de behandeling, de opslag en de distributie , onverminderd de controlevoorschriften van artikel 8, lid 1, onder c), en artikel 10, lid 1, onder b) .

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de controleprogramma’s voortdurend worden geëvalueerd en ten minste om de zes jaar worden bijgewerkt of herbevestigd.

DEEL B

Kernparameters en bemonsteringsfrequenties 

1.  Kernparameters 

Escherichia coli (E. coli), Clostridium perfringens-sporen en somatische colifagen enterokokken worden als „kernparameters” beschouwd en mogen geen voorwerp vormen van een leveringsrisicobeoordeling overeenkomstig deel C van deze bijlage. Zij worden altijd gecontroleerd volgens de in tabel 1 van punt 2 vermelde frequenties. [Am. 142]

2.  Bemonsteringsfrequenties

Alle overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameters worden ten minste volgens de in de volgende tabel vermelde frequentie gecontroleerd, tenzij op basis van een overeenkomstig artikel 9 en deel C van deze bijlage uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling een andere bemonsteringsfrequentie is bepaald:

Tabel 1

Minimumfrequentie voor monsterneming en analyse voor nalevingscontrole

 

Minimumaantal monsternemingen per jaar

≤ 100

10a

> 100

≤ 1 000

10a

> 1 000

≤ 10 000

50b

> 10 000

≤ 100 000

365

> 100 000

365

Dagelijks binnen een leveringsgebied gedistribueerde of geproduceerde hoeveelheid (m3) water

(zie opmerkingen 1 en 2) m3

Microbiologische parameters (groep A) -aantal monsternemingen per jaar (zie opmerking 3)

Chemische parameters (groep B) -aantal monsternemingen per jaar

 

≤ 100

> 0

(zie opmerking 4)

> 0

(zie opmerking 4)

> 100

≤ 1 000

4

1

> 1 000

≤ 10 000

4

+3

voor elke 1 000 m3/d en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

1

+1

voor elke 1 000 m3/d en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

> 10 000

≤ 100 000

 

3

+ 1

voor elke 10 000 m3/dag en

fractie daarvan van de totale hoeveelheid

> 100 000

 

 

12

+ 1

voor elke 25 000 m3/dag en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

a: alle monsters moeten worden genomen op tijdstippen waarop het risico van het doorbreken van maag-darmpathogenen naar het behandelde water hoog is.

b: ten minste 10 monsters moeten worden genomen op tijdstippen waarop het risico van het doorbreken van maag-darmpathogenen naar het behandelde water hoog is.

Opmerking 1: Een leveringsgebied is een geografisch afgebakend gebied waarbinnen het voor menselijke consumptie bestemde water afkomstig is uit één of enkele bronnen en waarbinnen het water kan worden geacht van vrijwel uniforme kwaliteit te zijn.

Opmerking 2: De hoeveelheden zijn gemiddelden berekend over een kalenderjaar. Het vaststellen van de minimumfrequentie mag worden gebaseerd op het aantal inwoners in een leveringsgebied in plaats van op de hoeveelheid water uitgaande van een waterverbruik van 200 l/(dag*hoofd van de bevolking).

Opmerking 3: De vermelde frequentie wordt als volgt berekend: bijv. 4 300 m3/dag = 16 monsters (vier voor de eerste 1 000 m3/dag + 12 voor een bijkomende 3 300 m3/dag).

Opmerking 4: Lidstaten die hebben besloten afzonderlijke voorzieningen uit te zonderen overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder b), van deze richtlijn, passen deze frequenties enkel toe voor leveringsgebieden die tussen 10 en 100 m3 per dag distribueren. [Am. 186]

DEEL C

Leveringsrisicobeoordeling 

1.  De in artikel 9 bedoelde leveringsrisicobeoordeling gebeurt op basis van de algemene beginselen van risicobeoordeling zoals vastgesteld in internationale normen zoals norm EN 15975-2 inzake het „veiligstellen van de drinkwatervoorziening, richtsnoeren betreffende risico- en crisisbeheer”.

2.  Na een leveringsrisicobeoordeling wordt de lijst van bij de controle in aanmerking genomen parameters uitgebreid en worden de in deel B bedoelde bemonsteringsfrequenties verhoogd, wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de in deze bijlage vermelde lijst van parameters of frequenties volstaat niet om te voldoen aan de verplichtingen die zijn opgelegd overeenkomstig artikel 11, lid 1;

b)  bijkomende controle is vereist voor de toepassing van artikel 11, lid 6;

c)  de waarborgen moeten worden geleverd zoals bedoeld in deel A, punt 1, onder a);

d)  op grond van artikel 8, lid 3, onder a), is het nodig de bemonsteringsfrequenties te verhogen.

3.  Na een leveringsrisicobeoordeling mag de lijst van bij de controle in aanmerking genomen parameters worden beperkt en mogen de bemonsteringsfrequenties van deel B worden verlaagd, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)  rekening houdend met artikel 6 wordt de plaats en bemonsteringsfrequentie bepaald met inachtneming van de herkomst van de parameter en van de variatie en langetermijnontwikkeling van diens concentratie;

b)  voor het verlagen van de minimumfrequentie voor monsterneming van een parameter, bedragen alle resultaten van de monsters die in een periode van ten minste drie jaar met regelmatige tussenpozen zijn genomen op plaatsen die representatief zijn voor het volledige leveringsgebied, minder dan 60 % van de parameterwaarde;

c)  voor het schrappen van een parameter van de lijst van te controleren parameters, bedragen alle resultaten van de monsters die in een periode van ten minste drie jaar met regelmatige tussenpozen zijn genomen op plaatsen die representatief zijn voor het volledige leveringsgebied, minder dan 30 % van de parameterwaarde;

d)  voor het schrappen van een parameter van de lijst van te controleren parameters wordt het besluit gebaseerd op het resultaat van de risicobeoordeling, waarbij kennis wordt genomen van de controleresultaten van de bronnen van voor menselijke consumptie bestemd water en waarbij wordt bevestigd dat de volksgezondheid beschermd is tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water, zoals vastgesteld in artikel 1;

e)  voor het verlagen van de bemonsteringsfrequentie van een parameter of het schrappen van een parameter, wordt in de risicobeoordeling bevestigd dat geen enkele redelijkerwijs te voorziene factor aanwezig is waardoor de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water achteruit zou kunnen gaan.

4.  Indien er uiterlijk op ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] al controleresultaten beschikbaar zijn die aantonen dat aan de in punt 3, onder b) tot en met e), bedoelde voorwaarden is voldaan, mogen die controleresultaten met ingang van die datum worden gebruikt om de controle na uitvoering van de leveringsrisicobeoordeling aan te passen.

DEEL D

Steekproefmethoden en plaatsen van monsterneming

1.  De plaatsen van monsterneming worden zo bepaald dat wordt voldaan aan de in artikel 6 omschreven punten waar aan de parameterwaarden moet worden voldaan. In geval van een distributienet kunnen de lidstaten voor specifieke parameters echter monsters nemen in het leveringsgebied of in de behandelingsinstallatie indien kan worden aangetoond dat er geen negatieve verandering zou zijn in de gemeten waarde van de betrokken parameters. Voor zover mogelijk wordt het aantal monsters gelijkelijk over tijd en plaats verdeeld.

2.  Monsterneming op het punt waar aan de parameterwaarden moet worden voldaan, moet aan de volgende vereisten voldoen:

a)  monsters voor bepaalde chemische parameters (in het bijzonder koper, lood , Legionella en nikkel) worden genomen aan de kraan van de consument zonder er voorafgaand water uit te laten stromen. Een monster moet worden genomen met een hoeveelheid van een liter op een willekeurig tijdstip gedurende de dag. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten methoden gebruiken met een vaste tijd van stilstand die hun nationale situatie beter weerspiegelen, op voorwaarde dat dit op het niveau van het leveringsgebied niet leidt tot minder gevallen van niet-naleving dan het gebruik van de methode op een willekeurig tijdstip gedurende de dag;

b)  monsters voor microbiologische parameters op het punt waar aan de parameterwaarden moet worden voldaan, worden genomen en behandeld overeenkomstig EN ISO 19458, steekproefdoel B.

2 bis.  Monsternemingen voor Legionella worden in huishoudelijke leidingnetten op risicoplaatsen verricht in het kader van de verspreiding van en/of de blootstelling aan Legionella pneumophila. De lidstaten stellen richtsnoeren op voor bemonsteringsmethoden voor Legionella. [Am. 144]

3.  Monsterneming in het distributienet, met uitzondering van monsterneming aan de kraan van de consument, gebeurt overeenkomstig ISO 5667-5. Monsters voor microbiologische parameters in het distributienet worden genomen en behandeld overeenkomstig EN ISO 19458, steekproefdoel A.

BIJLAGE II bis

Minimumvereisten inzake hygiëne voor stoffen en materialen voor het vervaardigen van nieuwe producten die in aanraking komen met voor menselijke consumptie bestemd water:

a)  een lijst van stoffen die zijn goedgekeurd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van die materialen, waaronder onder meer organische materialen, elastomeren, siliconen, metalen, cement, ionenwisselende harsen en samengestelde materialen, alsmede de daaruit vervaardigde producten;

b)  specifieke voorschriften voor het gebruik van stoffen in die materialen en de daaruit vervaardigde producten;

c)  specifieke beperkingen voor de migratie van bepaalde stoffen in het voor menselijke consumptie bestemde water;

d)  regels voor hygiëne met betrekking tot andere eigenschappen die nodig zijn om aan de voorschriften te voldoen;

e)  basisregels om de naleving van de punten a) tot en met d) te controleren;

f)  regels met betrekking tot bemonsterings- en analysemethoden om de naleving van de punten a) tot en met d) te controleren. [Am. 145]

BIJLAGE III

SPECIFICATIES VOOR DE ANALYSE VAN PARAMETERS

De lidstaten zorgen ervoor dat de analysemethoden die gebruikt worden voor controle en om aan te tonen dat wordt voldaan aan deze richtlijn, worden gevalideerd en gedocumenteerd overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 of andere gelijkwaardige op internationaal niveau erkende normen. De lidstaten zorgen ervoor dat laboratoria of door laboratoria gecontracteerde partijen methoden voor kwaliteitszorgsystemen hanteren die in overeenstemming zijn met EN ISO/IEC 17025 of andere gelijkwaardige op internationaal niveau erkende normen.

Indien geen analysemethode bestaat die voldoet aan de minimale prestatiekenmerken van deel B, zorgen de lidstaten ervoor dat de controle wordt uitgevoerd met gebruikmaking van de beste beschikbare technieken die geen buitensporige kosten meebrengen.

DEEL A

Microbiologische parameters waarvoor analysemethoden gespecificeerd zijn

De methoden voor microbiologische parameters zijn:

a)  Escherichia coli (E. coli) en colibacteriën (EN ISO 9308-1 of EN ISO 9308-2),

b)  enterokokken (EN ISO 7899-2),

c)  Pseudomonas aeruginosa (EN ISO 16266),

d)  telling kolonies of heterotroof kiemgetal bij 22 °C (EN ISO 6222),

e)  Clostridium perfringens met inbegrip van sporen (EN ISO 14189),

f)  troebelingsgraad (EN ISO 7027),

g)  Legionella (EN ISO 11731),

h)  somatische colifagen (EN ISO 10705-2).

DEEL B

Chemische parameters waarvoor prestatiekenmerken gespecificeerd zijn

1.  Chemische parameters 

Voor de parameters van tabel 1 kunnen met de gebruikte analysemethode ten minste concentraties worden gemeten die gelijk zijn aan de parameterwaarde, met een bepalingsgrens, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie(47), van 30 % of minder van de desbetreffende parameterwaarde en een meetonzekerheid als aangegeven in tabel 1. Het resultaat wordt met ten minste evenveel significante cijfers uitgedrukt als de parameterwaarde genoemd in bijlage I, deel B.

De in tabel 1 vermelde meetonzekerheid wordt niet gebruikt als bijkomende tolerantie voor de in bijlage I vermelde parameterwaarden.

Tabel 1

Minimumprestatiekenmerk „meetonzekerheid”

Parameters

Meetonzekerheid

(Zie opmerking 1)

% van de parameterwaarde

Opmer­kingen

Acrylamide

30

 

Antimoon

40

 

Arseen

30

 

Benzo[a]pyreen

50

Zie opmerking 2

Benzeen

40

 

ß-Oestradiol (50-28-2)

50

 

Bisfenol A

50

 

Boor

25

 

Bromaat

40

 

Cadmium

25

 

Chloraat

30

 

Chloriet

30

 

Chroom

30

 

Koper

25

 

Cyanide

30

Zie opmerking 3

1,2-Dichloorethaan

40

 

Epichloorhydrine

30

 

Fluoride

20

 

HAA’s

50

 

Lood

25

 

Kwik

30

 

Microcystine-LR

30

 

Nikkel

25

 

Nitraat

15

 

Nitriet

20

 

Nonylfenol

50

 

Pesticiden

30

Zie opmerking 4

PFAS’en

50 20

 

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

30

Zie opmerking 5

Seleen

40

 

Tetrachlooretheen

30

Zie opmerking 6

Trichlooretheen

40

Zie opmerking 6

Trihalomethanen — totaal

40

Zie opmerking 5

Uraan

30

 

Vinylchloride

50

 

[Ams. 177 en 224]

2.  Opmerkingen bij tabel 1

Opmer­king 1

Onder „meetonzekerheid” wordt verstaan een niet-negatieve parameter die de spreiding karakteriseert van de kwantitatieve waarden die aan een te meten grootheid worden toegekend, gebaseerd op de gebruikte informatie. Het prestatiekenmerk voor meetonzekerheid (k = 2) is het in de tabel vermelde percentage van de parameterwaarde of een strengere waarde . De meetonzekerheid wordt geschat op het niveau van de parameterwaarde, tenzij anders vermeld.

Opmer­king 2

Als niet aan de waarde van de meetonzekerheid kan worden voldaan, moet de beste beschikbare techniek worden toegepast (tot 60 %).

Opmer­king 3

Met deze methode wordt het totaal aan cyanide in elke vorm bepaald.

Opmer­king 4

De prestatiekenmerken voor afzonderlijke pesticiden zijn indicatief. Lage waarden voor meetonzekerheid van 30 % zijn haalbaar voor meerdere pesticiden, hogere waarden tot 80 % kunnen worden toegelaten voor een aantal pesticiden.

Opmer­king 5

De prestatiekenmerken gelden voor de afzonderlijke stoffen, gespecificeerd op 25 % van de parameterwaarde in bijlage I, deel B.

Opmer­king 6

De prestatiekenmerken gelden voor de afzonderlijke stoffen, gespecificeerd op 50 % van de parameterwaarde in bijlage I, deel B.

BIJLAGE IV

INFORMATIE VOOR HET PUBLIEK DIE ONLINE MOET WORDEN AANGEBODEN [Am. 146]

De volgende informatie wordt online ter beschikking gesteld van consumenten, op een evenzo gebruikersvriendelijke en op consumenten toegesneden wijze wijzen: [Am. 147]

1)  identificatie van de desbetreffende waterleverancier, het gebied waaraan en het aantal mensen aan wie het water wordt geleverd, en de waterproductiemethode; [Am. 148]

2)  de een herziening van de recentste controleresultaten per waterleverancier voor de in de lijsten in bijlage I, delen A, B en B, bis opgenomen parameters, met inbegrip van de frequentie en locatie van bemonsteringspunten, voor zover relevant voor het gebied dat van belang is voor de persoon aan wie het water wordt geleverd, samen met de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden. De controleresultaten mogen niet ouder zijn dan: [Am. 149]

a)  één maand, voor zeer grote waterleveranciers;

b)  zes maanden, voor middelgrote en grote waterleveranciers; [Am. 202]

c)  één jaar, voor kleine en zeer kleine waterleveranciers; [Am. 203]

3)  indien sprake is van mogelijk gevaar voor de menselijke gezondheid, als vastgesteld door de bevoegde autoriteiten nadat de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden worden werden overschreden, informatie over het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid en het daarmee verbonden gezondheids- en consumptieadvies of een hyperlink waarmee dergelijke informatie te vinden is; [Am. 150]

4)  een samenvatting van de desbetreffende leveringsrisicobeoordeling; [Am. 151]

5)  informatie over de volgende in bijlage I, deel B bis, opgenomen indicatorparameters en de bijbehorende parameterwaarden: ;

a)  kleur;

b)  pH (waterstofionenconcentratie);

c)  geleidingsvermogen voor elektriciteit;

d)  ijzer;

e)  mangaan;

f)  geur;

g)  smaak;

h)  hardheid;

i)  in water opgeloste mineralen, anionen/kationen:

–  boraat BO3-

–  carbonaat CO32-

–  chloride Cl-

–  fluoride F-

–  waterstofcarbonaat HCO3-

–  nitraat NO3-

–  nitriet NO2-

–  fosfaat PO43-

–  silicaat SiO2

–  sulfaat SO42-

–  sulfide S2-

–  aluminium Al

–  ammonium NH4+

–  calcium Ca

–  magnesium Mg

–  kalium K

–  natrium Na

Die parameterwaarden en andere niet-geïoniseerde verbindingen en sporenelementen kunnen samen met een referentiewaarde en/of een uitleg worden getoond; [Am. 152]

6)  consumentenadvies over manieren om het waterverbruik waar nodig terug te dringen en water naargelang de plaatselijke omstandigheden op een verantwoorde wijze te gebruiken; [Am. 153]

7)  voor grote en zeer grote waterleveranciers, jaarlijkse gegevens over: [Am. 154]

a)  de algemene prestaties van het watersysteem in termen van efficiëntie, met inbegrip van lekkagepercentages en energieverbruik per kubieke meter geleverd water door de lidstaten vastgestelde lekkagepercentages; [Am. 155]

b)  informatie over het beheer model en bestuur van de waterleveranciers, met inbegrip eigendomsstructuurvan de samenstelling van waterlevering door de raad van bestuur waterleveranciers; [Am. 156]

c)  de op jaarbasis geleverde hoeveelheid water en de tendenzen daarin;

d)  informatie over de kostenstructuur van het aan consumenten berekende tarief indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel, informatie over de tariefstructuur per kubieke meter water, met inbegrip van vaste en variabele kosten, waarbij ten minste vermelding gemaakt wordt van evenals de kosten in verband met het energieverbruik per kubieke meter geleverd water, de door de waterleveranciers genomen maatregelen met het oog op de gevarenbeoordeling uit hoofde van artikel 8, lid 4, de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, de verzameling en behandeling van afvalwater, en de kosten in verband met maatregelen uit hoofde van artikel 13, indien de waterleveranciers dergelijke maatregelen hebben genomen; [Am. 157]

e)  het bedrag aan investeringen dat de leverancier nodig acht om de financiële duurzaamheid van de levering van waterdiensten (met inbegrip van het onderhoud van de infrastructuur) te waarborgen, alsmede het daadwerkelijk ontvangen of terugverdiende bedrag aan investeringen verrichte, lopende en geplande investeringen, evenals het financieringsplan; [Am. 158]

f)  de toegepaste soorten waterbehandeling en desinfectie;

g)  samenvatting en statistieken over consumentenklachten en over de mate waarin tijdig en adequaat op problemen wordt gereageerd oplossing ervan; [Am. 159]

8)  toegang tot historische gegevens voor de in de punten 2) en 3) genoemde informatie, tot 10 jaar terug, en niet eerder dan de datum van omzetting van deze richtlijn, en op verzoek. [Am. 160]

BIJLAGE V

Deel A

Ingetrokken richtlijn

met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(zoals bedoeld in artikel 23)

Richtlijn 98/83/EG van de Raad

(PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32)

 

Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1)

Uitsluitend punt 29 van bijlage II

Verordening (EG) nr. 596/2009 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 188 van 18.7.2009, blz. 14)

Uitsluitend punt 2.2 van de bijlage

Richtlijn (EU) 2015/1787 van de Commissie

(PB L 260 van 7.10.2015, blz. 6)

 

Deel B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht

(zoals bedoeld in artikel 23)

Richtlijn

Termijn voor omzetting

 

98/83/EG

25 december 2000

 

(EU) 2015/1787

27 oktober 2017

 

BIJLAGE VI

Concordantietabel

Richtlijn 98/83/EG

Onderhavige richtlijn

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, aanhef

Artikel 2, aanhef

Artikel 2, punten 1 en 2

Artikel 2, punten 1 en 2

-

Artikel 2, punten 3 tot en met 8

Artikel 3, lid 1, aanhef

Artikel 3, lid 1, aanhef

Artikel 3, lid 1, onder a) en b)

Artikel 3, lid 1, onder a) en b)

Artikel 3, leden 2 en 3

Artikel 3, leden 2 en 3

Artikel 4, lid 1, aanhef

Artikel 4, lid 1, aanhef

Artikel 4, lid 1, onder a) en b)

Artikel 4, lid 1, onder a) en b)

Artikel 4, lid 1, tweede alinea

Artikel 4, lid 1, onder c)

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 2

Artikel 5, leden 1 en 2

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, lid 3

Artikel 5, lid 2

Artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c)

Artikel 6, onder a) tot en met c)

Artikel 6, lid 1, onder d)

-

Artikel 6, lid 2

-

Artikel 6, lid 3

-

-

Artikel 7

-

Artikel 8

 

Artikel 9

-

Artikel 10

Artikel 7, lid 1

Artikel 11, lid 1

Artikel 7, lid 2

Artikel 11, lid 2, aanhef

-

Artikel 11, lid 2, onder a) tot en met c)

Artikel 7, lid 3

Artikel 11, lid 3

Artikel 7, lid 4

-

Artikel 7, lid 5, onder a)

Artikel 11, lid 4, aanhef

Artikel 7, lid 5, onder b)

Artikel 11, lid 4, onder a)

Artikel 7, lid 5, onder c)

Artikel 11, lid 4, onder b)

Artikel 7, lid 6

Artikel 11, lid 5

Artikel 8, lid 1

Artikel 12, lid 1

Artikel 8, lid 2

Artikel 12, lid 2, eerste alinea

-

Artikel 12, lid 2, tweede alinea

Artikel 8, lid 3

Artikel 12, lid 3, eerste alinea

-

Artikel 12, lid 3, tweede alinea

-

Artikel 12, lid 4, onder a) tot en met c)

Artikel 8, lid 4

Artikel 12, lid 5

Artikel 8, leden 5 en 7

-

Artikel 9

-

Artikel 10

-

-

Artikel 13

-

Artikel 14

-

Artikel 15

-

Artikel 16

-

Artikel 17

Artikel 11, lid 1

Artikel 18, lid 1, eerste alinea

-

Artikel 18, lid 1, tweede alinea

Artikel 11, lid 2

-

-

Artikel 18, lid 2

-

Artikel 19

Artikel 12, lid 1

Artikel 20, lid 1

Artikel 12, lid 2, eerste alinea

Artikel 20, lid 1

Artikel 12, lid 2, tweede alinea

-

Artikel 12, lid 3

-

Artikel 13

-

Artikel 14

-

Artikel 15

-

-

Artikel 21

Artikel 17, leden 1 en 2

Artikel 22, leden 1 en 2

Artikel 16, lid 1

Artikel 23, lid 1

Artikel 16, lid 2

-

 

Artikel 23, lid 2

Artikel 18

Artikel 24

Artikel 19

Artikel 25

Bijlage I, deel A

Bijlage I, deel A

Bijlage I, deel B

Bijlage I, deel B

Bijlage I, deel C

-

-

Bijlage I, deel C

Bijlage II, deel A, punt 1, onder a) tot en met c)

Bijlage II, deel A, punt 1, onder a) tot en met c)

Bijlage II, deel A, punt 2, eerste alinea

Bijlage II, deel A, punt 2, eerste alinea

-

Bijlage II, deel A, punt 2, tweede alinea en tabel

Bijlage II, deel A, punt 2, tweede alinea

Bijlage II, deel A, punt 2, derde alinea

Bijlage II, deel A, punt 3

-

Bijlage II, deel A, punt 4

Bijlage II, deel A, punt 3

Bijlage II, deel B, punt 1

-

Bijlage II, deel B, punt 2

Bijlage II, deel B, punt 1

Bijlage II, deel B, punt 3

Bijlage II, deel B, punt 2

Bijlage II, deel C, punt 1

-

Bijlage II, deel C, punt 2

Bijlage II, deel C, punt 1

Bijlage II, deel C, punt 3

-

Bijlage II, deel C, punt 4

Bijlage II, deel C, punt 2

Bijlage II, deel C, punt 5

Bijlage II, deel C, punt 3

-

Bijlage II, deel C, punt 4

Bijlage II, deel C, punt 6

-

Bijlage II, deel D, punten 1 tot en met 3

Bijlage II, deel D, punten 1 tot en met 3

Bijlage III, eerste en tweede alinea

Bijlage III, eerste en tweede alinea

Bijlage III, deel A, eerste en tweede alinea

-

Bijlage III, deel A, derde alinea, punten a) tot en met f)

Bijlage III, deel A, derde alinea, punten a) tot en met h)

Bijlage III, deel B, punt 1, eerste alinea

Bijlage III, deel B, punt 1, eerste alinea

Bijlage III, deel B, punt 1, tweede alinea

-

Bijlage III, deel B, punt 1, derde alinea en tabel 1

Bijlage III, deel B, punt 1, tweede alinea en tabel 1

Bijlage III, deel B, punt 1, tabel 2

-

Bijlage III, deel B, punt 2

Bijlage III, deel B, punt 2

Bijlage IV

-

Bijlage V

-

-

Bijlage IV

-

Bijlage V

-

Bijlage VI

(1) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 107.
(2) PB C 361 van 5.10.2018, blz. 46.
(3) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.
(4) Dit standpunt stemt overeen met de amendementen die zijn aangenomen op 23 oktober 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0397).
(5)PB C 367 van 10.10.2018, blz. 107.
(6)PB C 361 van 5.10.2018, blz. 46.
(7) Standpunt van het Europees Parlement van 28 maart 2019.
(8)Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32).
(9)Zie bijlage V.
(10) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(11)Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (Herschikking) (PB L 164 van 26.6.2009, blz. 45).
(12)Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
(13)Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(14)COM(2014)0177.
(15)COM(2016)0428.
(16)Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer SR 12/2017: „Uitvoering van de drinkwaterrichtlijn: betere kwaliteit van en toegang tot water in Bulgarije, Hongarije en Roemenië, maar nog steeds aanzienlijke investeringen nodig”.
(17)Samenwerkingsproject inzake drinkwaterparameters van het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) „Support to the revision of Annex I Council Directive 98/83/EC on the quality of water intended for human consumption (Drinking Water Directive) Recommendation”, 11 september 2017.
(18)Richtlijn (EU) 2015/1787 van de Commissie van 6 oktober 2015 tot wijziging van de bijlagen II en III bij Richtlijn 98/83/EG van de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 260 van 7.10.2015, blz. 6).
(19)Richtsnoeren voor de drinkwaterkwaliteit, vierde editie, Wereldgezondheidsorganisatie, 2011 http://www.who.int/water_sanitation_health/publications/2011/dwq_guidelines/en/index.html.
(20)Handboek voor het waterveiligheidsplan: stapsgewijs risicobeheer voor drinkwaterleveranciers, Wereldgezondheidsorganisatie, 2009, http://apps.who.int/iris/bitstream/10665/75141/1/9789241562638_eng.pdf.
(21)Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(22)Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5).
(23)Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
(24)„Legionella and the prevention of Legionellosis”, Wereldgezondheidsorganisatie, 2007, http://www.who.int/water_sanitation_health/emerging/legionella.pdf
(25)COM(2016)0185.
(26)COM(2014)0177.
(27)COM(2014)0177, blz. 12.
(28)Interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten (2017/C 428/09) van 17 november 2017 (PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10).
(29)P8_TA(2015)0294.
(30)P8_TA(2015)0294, punt 62.
(31)COM(2014)0209.
(32)Aanbeveling (2013/C 378/01) van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1).
(33)Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 „Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).
(34)Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).
(35)Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).
(36)PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(37)PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.
(38)Aanbeveling van de Commissie van 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten (PB L 201 van 26.7.2013, blz. 60).
(39)Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad van 22 oktober 2013 tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 296 van 7.11.2013, blz. 12).
(40)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(41)Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28).
(42) Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1).
(43)Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19).
(44)Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84).
(45) Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5).
(46)Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).
(47)Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 201 van 1.8.2009, blz. 36).


Verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures ***I
PDF 123kWORD 61k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventieve herstructureringsstelsels, een tweede kans en maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures, en tot wijziging van Richtlijn 2012/30/EU (COM(2016)0723 – C8-0475/2016 – 2016/0359(COD))
P8_TA(2019)0321A8-0269/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0723),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 53 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0475/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de IE Dáil Éireann en de IE Seanad Éireann, waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 maart 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 12 juli 2017(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8‑0269/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie)

P8_TC1-COD(2016)0359


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/1023.)

(1) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 21.
(2) PB C 342 van 12.10.2017, blz. 43.


Voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen en doorgifte van televisie- en radioprogramma's ***I
PDF 122kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s (COM(2016)0594 – C8-0384/2016 – 2016/0284(COD))
P8_TA(2019)0322A8-0378/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0594),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0384/2016),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, artikel 53, lid 1, en artikel 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 januari 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikelen 59 en 39van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0378/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s en tot wijziging van Richtlijn 93/83/EEG van de Raad

P8_TC1-COD(2016)0284


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2019/789.)

(1) PB C 125 van 21.4.2017, blz. 27.


Vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) ***I
PDF 292kWORD 96k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1295/2013 (COM(2018)0366 – C8-0237/2018 – 2018/0190(COD))
P8_TA(2019)0323A8-0156/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0366),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 167, lid 5, en artikel 173, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0237/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 6 februari 2019(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0156/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) ..../... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2021‑2027) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1295/2013

P8_TC1-COD(2018)0190


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 167, lid 5, en artikel 173, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Vanuit cultureel, educatief, democratisch, ecologisch, sociaal en economisch en mensenrechtenstandpunt hebben cultuur, kunst, cultureel erfgoed en culturele verscheidenheid een grote waarde voor de Europese samenleving, en zij moeten worden bevorderd en ondersteund. Volgens de verklaring van Rome van 25 maart 2017 en de Europese Raad in december 2017 vervullen onderwijs en cultuur een sleutelrol bij het opbouwen van inclusieve, hechte samenlevingen voor iedereen en bij het behoud van het Europese concurrentievermogen. [Am. 1]

(2)  Overeenkomstig artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) zijn de waarden waarop de Unie berust, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen. Die waarden zijn verder bevestigd en uitgesproken in de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft, zoals vermeld in artikel 6 van het VEU. In het bijzonder zijn in artikel 11 van het Handvest de vrijheid van meningsuiting en van informatie en in artikel 13 van het Handvest de vrijheid van kunsten en wetenschappen verankerd. [Am. 2]

(3)  Volgens artikel 3 van het VEU heeft de Unie als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen en zij eerbiedigt haar rijke verscheidenheid aan cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed.

(4)  In de mededeling van de Commissie betreffende een nieuwe agenda voor cultuur(6) zijn de doelstellingen van de Unie voor de culturele en creatieve sectoren verder uiteen gezet. Het doel is om de mogelijkheden van cultuur en culturele verscheidenheid te benutten ten behoeve van sociale cohesie en welzijn, de grensoverschrijdende dimensie van culturele en creatieve sectoren te stimuleren, de groeicapaciteiten te ondersteunen, op cultuur gebaseerde creativiteit in onderwijs en innovatie aan te moedigen, werkgelegenheid en groei mogelijk te maken en internationale culturele betrekkingen te versterken. Creatief Europa moet samen met andere programma's van de Unie steun bieden aan de uitvoering van deze nieuwe Europese agenda voor cultuur, Dit rekening houdend met het feit dat de intrinsieke waarde van cultuur en van artistieke expressie altijd moet worden beschermd en bevorderd, en dat de artistieke creatie de kern van samenwerkingsprojecten vormt. Het ondersteunen van de uitvoering van deze nieuwe Europese agenda voor cultuur is eveneens in overeenstemming met het Unesco-Verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 18 maart 2017 in werking is getreden en waarbij de Unie partij is. [Am. 3]

(4 bis)  De beleidsmaatregelen van de Unie vormen een aanvulling op en bieden een toegevoegde waarde aan de maatregelen van de lidstaten op cultureel en creatief gebied. Het effect van het beleid van de Unie moet regelmatig worden beoordeeld met inachtneming van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, zoals de voordelen voor de burgers, de actieve deelname van burgers, de voordelen voor de economie van de Unie op het stuk van groei en werkgelegenheid en de overloopeffecten in andere sectoren van de economie, alsmede de vaardigheden en bekwaamheden van de mensen die werkzaam zijn in de culturele en creatieve sectoren. [Am. 4]

(4 ter)  De instandhouding en ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed zijn doelstellingen van dit programma. Deze doelstellingen zijn ook erkend als zijnde inherent aan het recht op kennis van het cultureel erfgoed en deelname aan het culturele leven, zoals verankerd in het Kaderverdrag van de Raad van Europa over de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (Verdrag van Faro), dat op 1 juni 2011 in werking trad. In dit verdrag wordt de rol van cultureel erfgoed onderstreept in de opbouw van een vreedzame en democratische samenleving, en in de processen van duurzame ontwikkeling en de bevordering van de culturele diversiteit. [Am. 5]

(5)  Bevordering van de Europese culturele verscheidenheid hangt af van en van het bewustzijn van gemeenschappelijke wortels is gebaseerd op de vrijheid van artistieke expressie, de capaciteiten en bekwaamheden van artiesten en culturele actoren en het bestaan van bloeiende en veerkrachtige culturele en creatieve sectoren in het openbare en particuliere domein en hun vermogen hun ,werken kunnen te creëren, te innoveren en te produceren en deze te verspreiden naar een groot en divers Europees publiek. Zodoende wordt bedrijfspotentieel uitgebreid, worden de toegang tot en de bevordering van creatieve inhoud, kunstonderzoek en creativiteit vergroot en wordt bijgedragen aan duurzame groei en nieuwe werkgelegenheid. Daarnaast draagt dragen de bevordering van creativiteit en nieuwe kennis bij aan een sterker concurrentievermogen en de stimulering van innovatie in de industriële waardeketens. Er moet worden gekozen voor een ruimere benadering van onderwijs in kunst en cultuur en kunstonderzoek waarbij wordt overgegaan van een STEM-benadering (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) naar een STEAM-benadering (wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde). Ondanks de recentelijk geboekte vooruitgang inzake steun voor de vertaling en ondertiteling, blijft de Europese culturele en creatieve markt versnipperd langs nationale en taalkundige lijnen. waardoor Hoewel het specifieke karakter van elke markt wordt geëerbiedigd, kan meer worden gedaan om de culturele en creatieve sectoren niet in staat te stellen ten volle kunnen te profiteren van de Europese eengemaakte markt, en in het bijzonder van de digitale eengemaakte markt, mede door rekening te houden met de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten. [Am. 6]

(5 bis)  De digitale omwenteling vormt een paradigmawisseling en is een van de grootste uitdagingen voor de culturele en creatieve sectoren. Digitale innovaties hebben gewoonten, relaties en productie- en consumptiemodellen veranderd, op zowel persoonlijk als sociaal vlak, en zij moeten de culturele en creatieve expressie en het culturele en creatieve verhaal bevorderen, waarbij de specifieke waarde van de culturele en creatieve sectoren binnen de digitale omgeving wordt geëerbiedigd. [Am. 7]

(6)  Het programma moet rekening houden met het duale karakter van de culturele en creatieve sectoren en derhalve oog hebben voor enerzijds de intrinsieke en artistieke waarde van cultuur, en anderzijds de economische waarde van die sectoren, waaronder de bredere bijdrage ervan aan concurrentievermogen, creativiteit, en innovatie, interculturele dialoog, sociale samenhang en het genereren van kennis. Daarvoor zijn sterke Europese culturele en creatieve sectoren nodig, zowel in domeinen met of zonder winstoogmerk, met name een levendige Europese audiovisuele industrie, gezien het vermogen ervan om een groot publiek op lokaal, nationaal en Unieniveau te bereiken en het economische belang ervan, ook voor andere creatieve sectoren en voor cultureel toerisme en voor de regionale, lokale en stedelijke ontwikkeling. De concurrentie op de mondiale audiovisuele markten is echter nog groter geworden door de toenemende digitale verstoring, waaronder veranderingen in de mediaproductie en -consumptie en het groeiende aandeel van mondiale platforms in de verspreiding van inhoud. Daarom is het nodig de steun aan de Europese industrie te intensiveren. [Am. 8]

(6 bis)  Actief burgerschap, gedeelde waarden, creativiteit en innovatie vergen een solide basis waarop zij zich kunnen ontwikkelen. Het programma moet audiovisueel en filmonderwijs ondersteunen, met name onder minderjarigen en jongeren. [Am. 9]

(7)  Om effectief te zijn, moet het programma middels op maat gemaakte maatregelen binnen een onderdeel dat is gewijd aan de audiovisuele sector, een onderdeel dat is gewijd aan de andere culturele en creatieve sectoren en een sectoroverschrijdend onderdeel, rekening houden met de specifieke aard en uitdagingen van de verschillende sectoren en hun uiteenlopende doelgroepen en specifieke behoeften. Het programma moet gelijke steun verlenen aan alle culturele en creatieve sectoren middels horizontale programma's die op gemeenschappelijke behoeften zijn gericht. Het programma moet, op basis van proefprojecten, voorbereidende maatregelen en studies, tevens de in de bijlage bij deze verordening genoemde sectorale acties uitvoeren. [Am. 10]

(7 bis)  Muziek in al haar vormen en uitdrukkingen, vooral eigentijdse en live muziek, vormt een belangrijk onderdeel van het culturele, artistieke en economische erfgoed van de Unie. Muziek is een element van sociale samenhang, multiculturele integratie en socialisering van de jeugd, en zij vervult een sleutelrol bij het bevorderen van de cultuur, inclusief het cultuurtoerisme. Derhalve moet aan de muzieksector speciale aandacht worden besteed in het kader van de specifieke acties die worden ontplooid als deel van het onderdeel CULTUUR van deze verordening ten aanzien van de financiële bijdrage en gerichte acties. Op maat gesneden oproepen en instrumenten moeten het concurrentievermogen van de muzieksector helpen aanzwengelen en inspelen op een aantal specifieke uitdagingen waarmee deze sector te maken krijgt. [Am. 11]

(7 ter)  Op het gebied van de internationale culturele betrekkingen moet de steun van de Unie worden versterkt. Het programma moet trachten bij te dragen tot de derde strategische doelstelling van de nieuwe Europese agenda voor cultuur door de cultuur en de interculturele dialoog als stuwende krachten voor de sociale en economische ontwikkeling in te zetten. In de Unie en de gehele wereld zijn steden de drijvende krachten voor nieuw cultuurbeleid. Een groot aantal creatieve gemeenschappen hebben zich wereldwijd verenigd in hubs, incubatoren en speciale ruimtes. De Unie moet een essentiële rol vervullen bij het in netwerken bundelen van deze gemeenschappen in de Unie en derde landen, en bij het bevorderen van multidisciplinaire samenwerking tussen artistieke, creatieve en digitale vaardigheden. [Am. 12]

(8)  Het sectoroverschrijdende onderdeel is gericht op de aanpak van de gemeenschappelijke uitdagingen voor en de benutting van het samenwerkingspotentieel tussen verschillende culturele en creatieve sectoren. Een gezamenlijke transversale aanpak kan voordelen opleveren op het gebied van kennisoverdracht en administratieve efficiëntie. [Am. 13]

(9)  In de audiovisuele sector zijn maatregelen van de Unie nodig als aanvulling op haar beleid inzake de digitale eengemaakte markt. Dit heeft met name betrekking op de modernisering van het kader voor auteursrechten , alsmede het voorstel tot wijziging van door Richtlijn (EU) 2019/789 van het Europees Parlement en de Raad(7) en Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad(8) (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad(9). Het doel ervan is de versterking van het vermogen van Europese audiovisuele spelers tot creatie, financiering, productie en verspreiding van werken die voldoende zichtbaar kunnen zijn van diverse formaten op de verschillende communicatiemedia die beschikbaar zijn (bv. televisie, bioscoop of video-on-demand), en die aantrekkelijk zijn voor kijkers in een toegankelijkere en meer concurrerende markt, binnen en buiten Europa. De steun moet worden geïntensiveerd om te kunnen inspelen op recente marktontwikkelingen, met name de sterkere positie van globale distributieplatforms ten opzichte van de nationale omroepen die traditioneel investeerden in de productie van Europese werken. [Am. 14]

(10)  De speciale acties in het kader van Creatief Europa, zoals het Europees erfgoedlabel, de Europese erfgoeddagen, Europese prijzen op het gebied van hedendaagse muziek, rock en popmuziek, literatuur, erfgoed en architectuur en de Culturele Hoofdsteden van Europa, hebben miljoenen Europese burgers direct bereikt, hebben aangetoond welke sociale en economische voordelen Europees cultuurbeleid kan bieden, en moeten daarom worden voortgezet en waar mogelijk worden uitgebreid. Het programma moet de netwerkactiviteiten van de websites van het Europees erfgoedlabel ondersteunen. [Am. 15]

(10 bis)  Het programma Creatief Europa uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1295/2013 heeft de impuls gegeven tot het creëren van innoverende en succesvolle projecten die hebben geleid tot goede praktijken op het stuk van transnationale Europese samenwerking in de creatieve en culturele sectoren. Hierdoor werd op zijn beurt de Europese culturele diversiteit voor het publiek vergroot en werden de sociale en economische voordelen van het Europees cultureel beleid benut. Om efficiënter te zijn moeten dergelijke succesverhalen extra worden belicht en waar mogelijk uitgebreid. [Am. 16]

(10 ter)  Actoren op alle niveaus van de culturele en creatieve sectoren moeten actief worden betrokken bij het behalen van de doelstellingen van het programma en de verdere ontwikkeling hiervan. Aangezien het formeel betrekken van belanghebbenden bij het participatieve governancemodel van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed, zoals vastgesteld bij Besluit (EU) 2017/864 van het Europees Parlement en de Raad(10), doeltreffend is gebleken wat het integreren van cultuur betreft, is het verstandig om dit model ook voor het programma toe te passen. Dit participatieve governancemodel moet een transversale aanpak omvatten teneinde synergieën te creëren tussen de diverse Unieprogramma's en -initiatieven op het gebied van cultuur en creativiteit. [Am. 17]

(10 quater)  Een sectoroverschrijdende vlaggenschipactie die is gericht op het presenteren van de Europese creativiteit en culturele verscheidenheid aan lidstaten en derde landen moet deel uitmaken van de speciale acties uit hoofde van het programma. Deze actie moet de uitmuntendheid van de Europese, op cultuur gebaseerde creativiteit onderstrepen bij het op gang brengen van cross-innovation in de bredere economie door het toekennen van een speciale prijs. [Am. 18]

(11)  Cultuur is van cruciaal belang voor het versterken van inclusieve, hechte en bedachtzame samenlevingen, het geven van nieuwe impulsen aan gebiedsdelen en het bevorderen van de sociale integratie van mensen met een kansarme achtergrond. Tegen de achtergrond van de vraagstukken inzake migratiedruk en uitdagingen inzake integratie speelt cultuur een belangrijke fundamentele rol bij het creëren van inclusieve ruimten voor interculturele dialoog en de integratie van migranten, om ze te helpen en vluchtelingen, waarbij ze worden geholpen het gevoel te hebben dat ze tot de gastgemeenschap behoren, en bij het ontwikkelen van en om goede banden tussen migranten en nieuwe gemeenschappen te ontwikkelen. [Am. 19]

(11 bis)  Cultuur zorgt voor en bevordert de economische, sociale en ecologische duurzaamheid. Derhalve moet zij de kern van politieke ontwikkelingsstrategieën vormen. De bijdrage van de cultuur aan het welzijn van de gehele samenleving moet worden belicht. Overeenkomstig de Verklaring van Davos van 22 januari 2018 getiteld "Naar een kwalitatief hoogstaande Baukultur voor Europa" moeten bijgevolg stappen worden genomen om een nieuwe geïntegreerde benadering van het vormgeven van een kwalitatief hoogstaande gebouwde omgeving te bevorderen die is verankerd in de cultuur, de sociale samenhang versterkt, zorgt voor een duurzaam milieu en bijdraagt tot de gezondheid en het welzijn van de gehele bevolking. Bij deze benadering mag niet alleen de nadruk worden gelegd op stedelijke gebieden, maar moet vooral worden gelet op de internconnectiviteit van de perifere, afgelegen en plattelandsgebieden. Het concept van Baukultur omvat alle factoren die rechtstreeks van invloed zijn op de leefkwaliteit van burgers en gemeenschappen en aldus op zeer concrete wijze de inclusiviteit, samenhang en duurzaamheid bevorderen. [Am. 20]

(11 ter)  Het is een kwestie van prioriteit dat cultuur, met inbegrip van culturele en audiovisuele goederen en diensten, toegankelijker wordt voor personen met een handicap als middel om hun volledige zelfontplooiing en actieve deelneming te bevorderen en aldus bij te dragen tot een waarlijk inclusieve samenleving op basis van solidariteit. Het programma dient derhalve de culturele participatie in de gehele Unie te bevorderen en te vergroten, met name voor mensen met een handicap en mensen met een kansarme achtergrond, alsmede mensen die in afgelegen en plattelandsgebieden wonen. [Am. 21]

(12)  De vrijheid van artistieke en culturele expressie, de vrijheid van meningsuiting en het pluralisme van de media zijn kernelementen vrijheid is een kernelement van bloeiende culturele en creatieve industrieën, waaronder sectoren en de nieuwsmediasector. Het programma moet cross-overs en samenwerking tussen de audiovisuele sector en de uitgeverijsector stimuleren om een pluralistisch en onafhankelijk medialandschap te bevorderen, overeenkomstig Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad(11). Het programma moet steun bieden aan nieuwe mediaprofessionals en de ontwikkeling van kritisch denken onder de burgers stimuleren middels het bevorderen van mediageletterdheid, vooral onder jongeren. [Am. 22]

(12 bis)  De mobiliteit van artiesten en cultuurwerkers voor wat betreft de ontwikkeling van vaardigheden, leren, intercultureel bewustzijn, cocreatie, coproductie, de circulatie en verspreiding van kunstwerken en de deelneming aan internationale manifestaties, zoals beurzen en festivals, is een absolute voorwaarde voor beter verbonden, sterkere en duurzamere culturele en creatieve sectoren in de Unie. Een dergelijke mobiliteit wordt vaak belemmerd door het gebrek aan een juridische status, problemen bij het verkrijgen van visa en de duur van vergunningen, het risico op dubbele belastingheffing en onzekere en instabiele omstandigheden ten aanzien van de sociale zekerheid. [Am. 23]

(13)  Conform de artikelen 8 en 10 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moeten doelstellingen inzake gendermainstreaming en de bestrijding van discriminatie worden geïntegreerd in alle activiteiten van het programma en moeten, waar dat van toepassing is, passende criteria voor genderevenwicht en diversiteit worden vastgesteld. Met het programma moet ernaar worden gestreefd dat de deelneming aan het programma en aan de in het kader hiervan uitgevoerde projecten leidt tot en een afspiegeling vormt van de diversiteit van de Europese samenleving. De in het kader van het programma uitgevoerde activiteiten moeten worden gemonitord en er moet verslag over worden uitgebracht, zodat kan worden nagegaan hoe het programma op dit punt heeft gepresteerd en zodat beleidsmakers beter geïnformeerde beslissingen over toekomstige programma's kunnen nemen. [Am. 24]

(13 bis)  Vrouwen zijn zeer aanwezig op artistiek en cultureel gebied in de Unie als auteurs, beroepsbeoefenaren, leraren en als publiek met een toenemende toegang tot het cultuuraanbod. Zoals echter blijkt uit onderzoek en studies, zoals die van het European Women’s Audiovisual Network en het We Must-project op muziekgebied, bestaan er loonverschillen tussen mannen en vrouwen, en is het minder waarschijnlijk dat vrouwen hun werk realiseren en in culturele, artistieke en creatieve instellingen besluitvormingsposities bekleden. Derhalve is het noodzakelijk talenten van vrouwen te bevorderen en hun werk te verspreiden om de artistieke carrières van vrouwen te ondersteunen. [Am. 25]

(14)  In overeenstemming met de gezamenlijke mededeling "Naar een EU-strategie voor internationale culturele betrekkingen"(12), onderschreven door de resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017, moeten Europese financieringsinstrumenten, en in het bijzonder dit programma, de relevantie van cultuur bij internationale betrekkingen en de rol ervan bij de bevordering van Europese waarden erkennen door middel van specifieke, gerichte acties die duidelijke effecten voor de Unie opleveren op mondiale schaal.

(14 bis)  Overeenkomstig de conclusies naar aanleiding van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed 2018 moet het programma de samenwerking en de overtuigingskracht van de sector vergroten door steun voor activiteiten die verband houden met de erfenis van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed 2018 en door hiervan de balans op te maken. In dit verband zij gewezen op de verklaring van de Raad van de ministers van Cultuur van november 2018 en de verklaringen tijdens de slotceremonie van de Raad op 7 december 2018. Het programma moet bijdragen tot het duurzame behoud op de lange termijn van het Europees cultureel erfgoed middels acties ter ondersteuning van ambachts- en handwerkslieden die bedreven zijn in traditionele ambachten in verband met de restauratie van het cultureel erfgoed. [Am. 26]

(15)  In overeenstemming met de Mededeling van de Commissie "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa" van 22 juli 2014(13) moeten relevant(e) beleid en instrumenten de duurzaamheidswaarde van het oude, huidige, materiële, immateriële en digitale Europese erfgoed op de lang termijn tot zijn recht laten komen en moet een beter geïntegreerde aanpak worden ontwikkeld voor de instandhouding, het behoud, het adaptief hergebruik, de verspreiding, benutting en ondersteuning ervan, middels de ondersteuning van een kwalitatief hoogwaardige en gecoördineerde uitwisseling van professionele kennis en de ontwikkeling van gemeenschappelijke hoge kwaliteitsnormen voor de sector en de mobiliteit van de beroepsbeoefenaren in de sector. Cultureel erfgoed is een integraal onderdeel van de Europese cohesie en ondersteunt de koppeling tussen traditie en innovatie. Het programma moet voorrang geven aan het behoud van het cultureel erfgoed en de ondersteuning van artiesten, makers en ambachtslieden. [Am. 27]

(15 bis)  Het programma moet bijdragen tot het engagement en de betrokkenheid van burgers en maatschappelijke organisaties bij de cultuur en de samenleving, alsmede tot de bevordering van cultureel onderwijs en het toegankelijk maken van culturele kennis en cultureel erfgoed voor het publiek. Het programma moet ook de kwaliteit en innovatie op het vlak van creatie en behoud bevorderen, onder meer door middel van synergieën tussen cultuur, kunst, wetenschap, onderzoek en technologie. [Am. 28]

(16)  In overeenstemming met de Mededeling van de Commissie "Investeren in een slimme, innovatieve en duurzame industrie — Een hernieuwde strategie voor het industriebeleid van de EU" van 13 september 2017(14) moeten toekomstige acties bijdragen tot de integratie van creativiteit, ontwerp en geavanceerde technologie om nieuwe industriële waardeketens te genereren en traditionele industrieën nieuw leven in te blazen.

(16 bis)  Overeenkomstig de resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2016 over een coherent EU-beleid voor de culturele en creatieve sector moet steun aan de culturele en creatieve sectoren overkoepelend zijn. Projecten moeten in het gehele programma geïntegreerd zijn om nieuwe bedrijfsmodellen en competenties, traditionele knowhow te steunen en creatieve en interdisciplinaire oplossingen in economische en sociale waarde om te zetten. Bovendien moeten de potentiële synergieën tussen de beleidsmaatregelen van de Unie ten volle worden benut om efficiënt gebruik te maken van de middelen die beschikbaar zijn in het kader van programma's van de Unie, zoals Horizon Europa, de Connecting Europe Facility, Erasmus+, EaSI en InvestEU. [Am. 29]

(17)  Het programma moet, onder bepaalde voorwaarden, open staan voor deelname van leden van de Europese Vrijhandelsassociatie, toetredende landen, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten die onder een pretoetredingsstrategie vallen alsmede landen die onder het Europese nabuurschapsbeleid vallen en de strategische partners van de Unie.

(18)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) mogen deelnemen aan Unie-programma's in krachtens de EER-overeenkomst vastgestelde samenwerkingskader, dat voorziet in de uitvoering van de programma's door een besluit in het kader van die overeenkomst. Derde landen mogen eveneens deelnemen op grond van andere rechtsinstrumenten. Er moet een specifieke bepaling in deze verordening worden opgenomen ter verlening van de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. De bijdragen van derde landen aan het programma moeten jaarlijks aan de begrotingsautoriteit worden gemeld. [Am. 30]

(19)  Het programma moet de samenwerking stimuleren tussen de Unie en internationale organisaties, zoals de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (UNESCO), de Raad van Europa, Eurimages, het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector (het Waarnemingscentrum), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom. Ook moet het programma steun bieden aan de verbintenissen van de Unie met betrekking tot de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, met name de culturele dimensie ervan(15). Wat de audiovisuele sector betreft, moet het programma zorgen voor de bijdrage van de Unie aan het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector.

(20)  Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zal het programma bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling van 25 % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma zullen de relevante acties worden geïdentificeerd, en vervolgens in het kader van de desbetreffende evaluaties en herzieningsprocessen worden herbeoordeeld.

(21)  Door het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 van het VWEU vastgestelde financiële voorschriften zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn neergelegd in Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad(16) (het “Financieel Reglement”) en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, overheidsopdrachten, prijzen, indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en effectieve EU-financiering.

(22)  De Europese Filmacademie heeft sinds haar oprichting unieke dankzij haar speciale deskundigheid opgebouwd en is in de unieke positie om bijgedragen tot de ontwikkeling van een pan-Europese gemeenschap van filmmakers en beroepsbeoefenaars, op te richten, voor de promotie en verspreiding van waarbij zij Europese films over de nationale grenzen heen en de ontwikkeling van een waar Europees heeft gepromoot en verspreid en de opkomst van een internationaal publiek van alle leeftijden heeft bevorderd. De academie moet derhalve uitzonderlijkerwijze voor directe steun van de Unie in aanmerking komen in het kader van haar samenwerking met het Europees Parlement bij de organisatie van de LUX-filmprijs. De rechtstreekse steun moet echter worden gekoppeld aan de onderhandeling over een samenwerkingsovereenkomst, met specifieke taken en doelstellingen, tussen beide partijen en het mag enkel mogelijk zijn directe steun te verlenen nadat de overeenkomst gesloten is. De verhindert niet dat de Europese filmacademie middelen aanvraagt voor andere initiatieven en projecten in het kader van de diverse onderdelen van het programma. [Am. 31]

(23)  Het Jeugdorkest van de Europese Unie heeft sinds zijn oprichting unieke deskundigheid opgebouwd wat de bevordering van van de rijke Europese muziektraditie, de toegang tot muziek en de interculturele dialoog, wederzijds respect en begrip door cultuur betreft, alsmede de versterking van het professionalisme van jonge musici door hen de vaardigheden bij te brengen die nodig zijn voor een carrière in de culturele en creatieve sector. De lidstaten en de instellingen van de Unie, inclusief de opeenvolgende voorzitters van de Commissie en van het Europees Parlement, hebben de bijdrage van het Jeugdorkest van de Europese Unie erkend. Bijzonder aan het Jeugdorkest van de Europese Unie is het feit dat het een Europees orkest is dat de culturele grenzen overschrijdt en dat bestaat uit jonge musici die volgens veeleisende artistieke criteria jaarlijks door middel van strenge en transparante audities in alle lidstaten worden geselecteerd. Het jeugdorkest moet derhalve uitzonderlijkerwijze voor directe steun van de Unie in aanmerking komen, op basis van specifieke taken en doelstellingen die door de Commissie worden vastgesteld en regelmatig worden geëvalueerd. Om deze steun te waarborgen moet het Jeugdorkest van de Europese Unie zijn zichtbaarheid vergroten, streven naar een evenwichtigere vertegenwoordiging van musici uit alle lidstaten in het orkest en zijn inkomsten diversifiëren door actief trachten financiële steun te verkrijgen uit andere bronnen dan de bijdragen van de Unie. [Am. 32]

(24)  Organisaties uit de culturele en creatieve sectoren met een grote geografische dekking in Europa en waarvan de activiteiten culturele diensten omvatten die rechtstreeks aan de burgers in de Unie worden geleverd en derhalve het potentieel hebben om een direct effect te hebben op de Europese identiteit, moeten voor steun van de Unie in aanmerking komen.

(25)  Met het oog op een doeltreffende toewijzing van middelen uit de algemene begroting van de Unie is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat alle acties en activiteiten die in het kader van het programma worden uitgevoerd, een Europese meerwaarde hebben en dat zij complementair zijn met de activiteiten van de lidstaten, en er moet worden gestreefd naar samenhang, complementariteit en synergie met financieringsprogramma's ter ondersteuning van sterk met elkaar verbonden beleidsterreinen en met horizontaal beleid zoals het concurrentiebeleid van de Unie.

(26)  Financiële steun moet worden gebruikt om marktfalen of suboptimale investeringssituaties aan te pakken, op evenredige wijze, en de acties mogen particuliere financiering niet overlappen of verdringen, of de concurrentie op de interne markt verstoren. De acties moeten een duidelijke toegevoegde waarde voor Europa hebben en geschikt zijn voor de specifieke projecten die zij ondersteunen. Het programma moet niet alleen rekening houden met de economische waarde van de projecten, maar ook met hun culturele en creatieve dimensie en het specifieke karakter van de betrokken sectoren. [Am. 33]

(26 bis)  Ook middelen uit de bij Verordening .../...[instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking](17) en Verordening .../...[IPA III](18) opgerichte programma's moeten worden gebruikt om acties uit hoofde van de internationale dimensie van het programma te financieren. Deze acties moeten overeenkomstig deze verordening ten uitvoer worden gelegd. [Am. 34]

(27)  De culturele en creatieve sectoren zijn innoverende, veerkrachtige en groeiende sectoren van de economie van de Unie, die economische en culturele waarde genereren uit intellectuele eigendom en individuele creativiteit. Hun fragmentering en de immateriële aard van hun activa beperken echter hun toegang tot particuliere financiering. Een van de grootste uitdagingen voor de culturele en creatieve sectoren is de de uitbreiding van hun toegang tot financiële middelen, die essentieel is om hun activiteiten te financieren, te groeien, en hun concurrentievermogen op internationaal niveau in stand te houden, en te vergroten of om hun activiteiten te internationaliseren en op te schalen. De beleidsdoelstellingen van dit programma moeten worden gerealiseerd via financiële instrumenten en begrotingsgaranties, met name voor kmo's, in het kader van de beleidscomponent(en) van het InvestEU-fonds, in overeenstemming met de praktijken die werden ontwikkeld in het kader van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, die werd opgezet bij Verordening (EU) nr. 1295/2013. [Am. 35]

(28)  Impact, kwaliteit en efficiëntie bij de tenuitvoerlegging van het project moeten de belangrijkste evaluatiecriteria van het project in kwestie zijn. Rekening houdend met de technische deskundigheid die vereist is om voorstellen in het kader van specifieke acties van het programma te kunnen beoordelen, moet worden bepaald dat evaluatiecomités in voorkomend geval mogen bestaan uit externe deskundigen die beschikken over een professionele en managementachtergrond die verband houdt met het terrein van de aanvraag dat wordt geëvalueerd. In voorkomend geval moet rekening worden gehouden met de noodzaak om te zorgen voor de algehele samenhang met de doelstellingen inzake inclusie en diversiteit van het publiek. [Am. 36]

(29)  Het programma moet een realistisch bestuurbaar systeem van kwantitatieve en kwalitatieve prestatie-indicatoren omvatten dat de acties vergezelt en de prestatie ervan doorlopend monitort, rekening houdend met de intrinsieke waarde van de artistieke, culturele en creatieve sectoren. Dergelijke prestatie-indicatoren moeten met de belanghebbenden worden ontwikkeld. Die monitoring alsmede de informatie- en communicatie-acties in verband met het programma en de acties ervan moeten voortbouwen op de drie onderdelen van het programma. In de onderdelen moet rekening worden gehouden met een of meer kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren. Deze indicatoren moeten worden geëvalueerd in overeenstemming met deze verordening. [Am. 37]

(29 bis)  Aangezien het vinden, analyseren en aanpassen van data en het meten van de impact van cultureel beleid en het afbakenen van indicatoren complex en moeilijk is, moet de Commissie de samenwerking binnen haar diensten, zoals het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en Eurostat, met het oog op de verzameling van bruikbare statistische gegevens versterken. De Commissie moet handelen in samenwerking met kenniscentra in de Unie, nationale instellingen voor de statistiek en organisaties die van belang zijn voor de culturele en creatieve sectoren in Europa en in samenwerking met de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Unesco. [Am. 38]

(30)  In deze verordening worden voor het programma Creatief Europa de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(19).

(31)  Verordening (EU, Euratom) [...] (het "Financieel Reglement") is op dit programma van toepassing. De verordening bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies met inbegrip van die voor derden, prijzen, aanbestedingen, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties.

(32)  De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening moeten worden gekozen op grond van hun het vermogen van de uitvoerder van het project om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten op te leveren, met name rekening houdend met de omvang van de uitvoerder en het project, de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, forfaits en schalen van eenheidskosten en financiering worden overwogen, alsook niet aan financiering gekoppelde kosten als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. [Am. 39]

(33)  Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(20), Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad(21), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad(22) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad(23) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 onderzoeken verrichten, daaronder begrepen administratieve controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(24). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(33 bis)  Om de synergieën tussen de middelen van de Unie en direct beheerde instrumenten te optimaliseren, moet het verstrekken van steun voor acties die reeds een excellentiekeurmerk hebben ontvangen, worden bevorderd. [Am. 40]

(34)  Volgens artikel 94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad(25) komen in landen en gebieden overzee gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. Bij de uitvoering van het programma moet rekening worden gehouden met de problemen die rijzen ten gevolge van de grote afstand tot deze landen en gebieden, en hun efficiënte deelname aan het programma moet worden gemonitord en regelmatig worden geëvalueerd. [Am. 41]

(34 bis)  In overeenstemming met artikel 349 VWEU moeten maatregelen worden genomen om de deelname van de ultraperifere gebieden aan alle acties te vergroten. Mobiliteitsuitwisselingen voor hun artiesten en hun werken, en samenwerking tussen mensen en organisaties uit die gebieden en hun buren en derde landen moeten worden bevorderd. Aldus wordt het mogelijk dat mensen in dezelfde mate profiteren van de concurrentievoordelen die de culturele en creatieve industrieën kunnen bieden, met name economische groei en ontwikkeling. Dergelijke maatregelen moeten regelmatig worden gemonitord en geëvalueerd. [Am. 42]

(35)  Om niet-essentiële elementen van deze verordening te kunnen wijzigen, moet de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen, aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de in artikel 15 en in bijlage II vastgestelde indicatoren. Bij haar voorbereidende werkzaamheden moet de Commissie passend overleg plegen, onder meer op het niveau van de deskundigen. Dergelijke raadplegingen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(36)  Om een vlotte uitvoering de continuïteit van de financiële steun in het kader van het programma te waarborgen, kunnen en de groeiende financieringstekorten waarmee de begunstigden worden geconfronteerd, te dekken, moeten de kosten die de begunstigde heeft gemaakt voordat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend, met name kosten in verband met de intellectuele-eigendomsrechten, als subsidiabel worden beschouwd, op voorwaarde dat die kosten rechtstreeks verband houden met de ondersteunde acties. [Am. 43]

(37)  Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 is het nodig dit programma te evalueren op basis van door specifieke monitoringvoorschriften verzamelde informatie, waarbij overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van het programma op het terrein worden verzameld.

(38)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend ter vaststelling van de werkprogramma's. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(26). Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot het vaststellen van werkprogramma's. Er dient voor te worden gezorgd dat het voorafgaande programma correct wordt afgesloten, met name wat betreft de voortzetting van meerjarige regelingen voor het beheer, zoals de financiering van technische en administratieve ondersteuning. Met ingang van [1 januari 2021] moet in het kader van de technische en administratieve ondersteuning waar nodig worden gezorgd voor het beheer van acties in het kader van het voorafgaande programma die tegen [31 december 2020] nog niet zijn afgerond. [Am. 44]

(38 bis)  Met het oog op een doelmatige en efficiënte uitvoering van het programma moet de Commissie ervoor zorgen dat er tijdens het aanvraagstadium of tijdens de behandelingsfase van de aanvragen voor de aanvragers geen onnodige bureaucratische rompslomp ontstaat. [Am. 45]

(38 ter)  Er moet met name aandacht worden besteed aan kleinschalige projecten en hun toegevoegde waarde, gezien de specifieke kenmerken van de culturele en creatieve sectoren. [Am. 46]

(39)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht. Deze verordening moet in het bijzonder zorgen voor volledige eerbiediging van het recht op gelijkheid van mannen en vrouwen en het recht op non-discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, en voor de bevordering van de toepassing van de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij strookt eveneens met Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van de Verenigde Naties.

(40)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege het transnationale karakter ervan, het hoge aantal gefinancierde mobiliteits- en samenwerkingsactiviteiten en het brede geografische toepassingsgebied ervan, de gevolgen ervan voor toegang tot leermobiliteit en meer in het algemeen voor Unie-integratie, en de verstrekte internationale dimensie ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(41)  Derhalve moet Verordening (EU) nr. 1295/2013 met ingang van [1 januari 2021] worden ingetrokken.

(42)  Om te zorgen voor de continuïteit in de door het programma te bestrijken financieringssteun, dient deze Verordening van toepassing te zijn met ingang van [1 januari 2021],

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Voorwerp

Bij deze verordening wordt het programma Creatief Europa vastgesteld ("het programma").

In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021‑2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.  "blendingverrichtingen": door de EU-begroting ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten uit de EU-begroting worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;

2.  "culturele en creatieve sectoren": alle sectoren waarin de activiteiten gebaseerd zijn op culturele waarden of artistieke en andere individuele of collectieve creatieve uitingen en praktijken, ongeacht de vraag of deze activiteiten marktgericht of niet-marktgericht zijn. Tot die activiteiten behoren onder meer het ontwikkelen, creëren, produceren, verspreiden en in stand houden van praktijken, goederen en diensten die culturele, artistieke of andere creatieve uitingen belichamen, evenals aanverwante functies zoals educatie of beheer. Vele van die activiteiten hebben het potentieel om innovatie en werkgelegenheid te genereren, met name uit intellectuele eigendom. De sectoren omvatten architectuur, archieven, bibliotheken en musea, artistieke ambachten, audiovisuele werken (zoals film, tv-producties, videogames en multimediale uitingen), materieel en immaterieel cultureel erfgoed, design (ook van mode), festivals, muziek, literatuur, uitvoerende kunsten, boeken en uitgeverijen, radioproducties en beeldende kunsten, festivals en design, ook van modeontwerp; [Am. 47]

3.  "kleine en middelgrote ondernemingen": micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, als gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie(27);

4.  "juridische entiteit": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben, dan wel een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 197, lid 2, onder c), van het Financieel Reglement;

5.  "excellentiekeur": het kwaliteitslabel dat wordt toegekend aan voor Creatief Europa ingediende projecten die goed genoeg worden beoordeeld voor financiering, maar dat omwille van begrotingsbeperkingen niet krijgen. De keur erkent de waarde van het voorstel en ondersteunt de zoektocht naar alternatieve financiering.

Artikel 3

Doelstellingen van het programma

1.  De algemene doelstellingen van het programma zijn:

-a)  bijdragen tot de erkenning en bevordering van de intrinsieke waarde van cultuur, en het veiligstellen en bevorderen van de kwaliteit van de Europese cultuur als bijzondere dimensie van de persoonlijke ontwikkeling, het onderwijs, de sociale samenhang, de vrijheid van mening en meningsuiting en van kunsten, en zo de democratie, kritisch denken, het gevoel erbij te horen en het burgerschap versterken en vergroten als bronnen voor pluralistisch media- en cultuurlandschap; [Am. 48]

a)  bevordering van Europese samenwerking op het gebied van culturele, artistieke en taalkundige diversiteit, mede door het vergroten van de rol van artiesten en culturele actoren, de kwaliteit van de Europese culturele en artistieke productie en van het gemeenschappelijke materiële en immateriële en erfgoed; [Am. 49]

b)  verbetering bevordering van het concurrentievermogen van de alle culturele en creatieve sectoren en verhoging van hun economische gewicht, in het bijzonder de audiovisuele sector door middel van het creëren van banen en het vergroten van de innovatie en creativiteit in deze sectoren. [Am. 50]

2.  De specifieke doelstellingen van het programma zijn:

a)  versterking van de economische, artistieke, culturele, sociale en externe dimensies van samenwerking op Europees niveau om de culturele verscheidenheid in en het culturele materiële en immateriële erfgoed van Europa te ontwikkelen en bevorderen, het concurrentievermogen en innovatie van de Europese culturele en creatieve sectoren te verbeteren en de internationale culturele betrekkingen te verstevigen; [Am. 51]

a bis)  bevordering van de culturele en creatieve sectoren, met inbegrip van de audiovisuele sector, ondersteuning van artiesten, actoren, ambachtslieden en betrokkenheid van het publiek, met speciale aandacht voor gendergelijkheid en ondervertegenwoordigde groepen; [Am. 52]

b)  bevordering van het concurrentievermogen, de innovatie en de schaalbaarheid van de Europese audiovisuele industrie sector, met name van kmo's, onafhankelijke productiebedrijven en organisaties in de culturele en creatieve sectoren, en bevordering van de kwaliteit van de activiteiten van de Europese audiovisuele sector op duurzame wijze waarbij gestreefd wordt naar een evenwichtige sectorale en geografische aanpak; [Am. 53]

c)  bevordering van beleidssamenwerking en innovatieve acties, inclusief nieuwe bedrijfs- en beheersmodellen en creatieve oplossingen, ter ondersteuning van alle programmaonderdelen en alle culturele en creatieve sectoren, waaronder het waarborgen van de vrijheid van artistieke expressie en de bevordering van een divers, onafhankelijk en pluralistisch, cultureel en medialandschap, mediageletterdheid, digitale vaardigheden, cultureel en artistiek onderwijs, gendergelijkheid, actief burgerschap, interculturele dialoog, weerstandsvermogenen sociale inclusie, met name van personen met een handicap, mede middels de grotere toegankelijkheid van cultuurgoederen en -diensten. [Am. 54]

c bis)  bevordering van de mobiliteit van artiesten en de actoren in de culturele en creatieve sectoren en het circuleren van hun werken; [Am. 55]

c ter)  de culturele en creatieve sectoren voorzien van data, analyses en een passende reeks kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, en de ontwikkeling van een samenhangend systeem voor evaluaties en effectbeoordelingen, met inbegrip van die welke een sectoroverschrijdende dimensie hebben. [Am. 56]

3.  Het programma omvat de volgende onderdelen:

a)  het onderdeel "CULTUUR" bestrijkt de culturele en creatieve sectoren met uitzondering van de audiovisuele sector;

b)  het onderdeel "MEDIA" bestrijkt de audiovisuele sector;

c)  het "SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel" bestrijkt activiteiten in alle culturele en creatieve sectoren, met inbegrip van de nieuwsmediasector. [Am. 57]

Artikel 3 bis

Europese toegevoegde waarde

Erkenning van de intrinsieke en economische waarde van de cultuur en creativiteit, en eerbiediging van de kwaliteit en pluriformiteit van de waarden en het beleid van de Unie.

Het programma ondersteunt alleen die acties en activiteiten die een potentiële Europese toegevoegde waarde opleveren en bijdragen aan het verwezenlijken van de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 3.

De Europese toegevoegde waarde van de acties en activiteiten van het programma wordt gegarandeerd door bijvoorbeeld:

a)  het transnationale karakter van de acties en activiteiten die een aanvulling vormen op regionale, nationale, internationale en andere programma's en beleidsmaatregelen van de Unie en de impact van die acties en activiteiten op de toegang van burgers tot cultuur en hun actieve betrokkenheid, onderwijs, sociale inclusie en de interculturele dialoog;

b)  de ontwikkeling en bevordering van de transnationale en internationale samenwerking tussen actoren op cultureel en creatief gebied, waaronder artiesten, audiovisuele beroepsbeoefenaars, culturele en creatieve organisaties en kmo's en audiovisuele actoren, met de nadruk op het stimuleren van uitgebreidere, snellere, doeltreffendere en duurzamere antwoorden op globale uitdagingen, met name ten aanzien van de digitale omwenteling;

c)  de schaalvoordelen, groei en banen die door de steun van de Unie worden bevorderd, waardoor een hefboomeffect wordt gecreëerd dat aanvullende middelen kan genereren;

d)  waarborging van eerlijkere concurrentievoorwaarden in de culturele en creatieve sectoren door rekening te houden met de specifieke kenmerken van de verschillende landen, ook van landen of regio's in een bijzondere geografische of taalkundige situatie, zoals de ultraperifere regio's die zijn erkend in artikel 349 VWEU, en de overzeese landen en gebiedsdelen die onder het gezag van een in Bijlage II bij het VWEU genoemde lidstaat staan;

e)  de bevordering van een verhaal over Europese gemeenschappelijke wortels en diversiteit. [Am. 58]

Artikel 4

Onderdeel CULTUUR

In overeenstemming met de in artikel 3 vermelde doelstellingen heeft het onderdeel CULTUUR de volgende prioriteiten:

-a)  bevorderen van artistieke expressie en creatie; [Am. 59]

-a bis)  koesteren van talent, competenties en vaardigheden en stimuleren van samenwerking en innovatie in de gehele keten van culturele en creatieve sectoren, met inbegrip van erfgoed; [Am. 60]

a)  versterken van de grensoverschrijdende dimensie, en circulatie en zichtbaarheid van Europese culturele en creatieve actoren en hun werken, onder meer door middel van residentieprogramma's, tournees, evenementen, workshops, tentoonstellingen en festivals, alsook door de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen en de professionele capaciteiten te vergroten; [Am. 61]

b)  vergroten van culturele toegang, culturele deelname, cultureel bewustzijn en betrokkenheid van het publiek in heel Europa, met name wat personen met een handicap of personen uit een kansarme omgeving betreft; [Am. 62]

c)  bevorderen van maatschappelijke veerkracht en verbeteren van sociale inclusie, interculturele en democratische dialoog en culturele uitwisseling via kunst, cultuur en cultureel erfgoed; [Am. 63]

d)  vergroten van het vermogen van de Europese culturele en creatieve sectoren om tot bloei te komen en te innoveren, artistiek werk te creëren, cruciale competenties, kennis, vaardigheden, nieuwe artistieke praktijken en duurzame werkgelegenheid en groei te genereren en te ontwikkelen, alsook bij te dragen aan lokale en regionale ontwikkeling; [Am. 64]

d bis)  stimuleren van de professionele capaciteit van personen in de culturele en creatieve sectoren, door hun positie te versterken via passende maatregelen; [Am. 65]

e)  versterken van de Europese identiteit, actief burgerschap, gemeenschapszin en gevoel voor democratische waarden door middel van cultureel bewustzijn, kunstonderwijs cultureel erfgoed, expressie, kritisch denken, artistieke expressie, zichtbaarheid en erkenning voor de makers, kunst, onderwijs en cultuurgebaseerde creativiteit in het onderwijs formele, niet-formele en informele onderwijsvormen voor een leven lang leren; [Am. 66]

f)  bevorderen van internationale capaciteitsopbouw van Europese culturele en creatieve sectoren, met inbegrip van grassroots- en micro-organisaties, om op internationaal niveau actief te kunnen zijn; [Am. 67]

g)  bijdragen aan de mondiale strategie van de Unie voor internationale culturele betrekkingen door de langetermijneffecten van de strategie te proberen verzekeren door middel van een interpersoonlijke benadering waarin een rol is weggelegd voor culturele diplomatie netwerken, het maatschappelijk middenveld en grassrootsorganisaties. [Am. 68]

De prioriteiten worden nader uiteengezet in bijlage I.

In het kader van specifieke acties binnen het onderdeel CULTUUR is er bijzondere aandacht voor de muzieksector wat financiële verdeling en gerichte acties betreft. Op maat gesneden oproepen en instrumenten moeten het concurrentievermogen van de muzieksector helpen aanzwengelen en inspelen op een aantal specifieke uitdagingen waar deze sector mee te kampen heeft. [Am. 69]

Artikel 5

Onderdeel MEDIA

In overeenstemming met de in artikel 3 vermelde doelstellingen heeft het onderdeel MEDIA de volgende prioriteiten:

a)  koesteren van talent, en competenties, vaardigheden en het gebruik van digitale technologieën, en stimuleren van samenwerking, mobiliteit en innovatie bij het creëren en produceren van Europese audiovisuele werken, ook over de grenzen heen; [Am. 70]

b)  uitbreiden van distributie online en in bioscopen en verschaffen van bredere grensoverschrijdende toegang tot Europese audiovisuele werken, waaronder via innovatieve bedrijfsmodellen en het gebruik van nieuwe technologieën de transnationale en internationale circulatie en van online en offline distributie, met name distributie in bioscopen, van Europese audiovisuele werken in de nieuwe digitale omgeving; [Am. 71]

b bis)  het internationaal publiek bredere toegang geven tot audiovisuele werken van de Unie, met name door middel van promotie, evenementen, het stimuleren van filmgeletterdheid en festivals; [Am. 72]

b ter)  verbeteren van het audiovisueel erfgoed en vergemakkelijken van de toegang tot en ondersteunen en bevorderen van audiovisuele archieven en bibliotheken als bronnen van herinnering, onderwijs, hergebruik en nieuwe activiteiten, onder meer door middel van de meest recente digitale technologieën; [Am. 73]

c)  bevorderen van Europese audiovisuele werken en ondersteunen van publieksontwikkeling maatregelen om een publiek van alle leeftijden te betrekken, met name jongeren en personen met een handicap, met het oog op een proactief en legaal gebruik van audiovisuele werken binnen en buiten Europa, alsook met het oog op het delen van door gebruikers gegenereerde inhoud, onder meer door het stimuleren van audiovisueel en filmonderwijs. [Am. 74]

Deze prioriteiten worden gerealiseerd door steun voor de creatie, bevordering, toegang en verspreiding van Europese werken, waarbij de Europese waarden en gemeenschappelijke identiteit worden uitgedragen, met het potentieel hebben om grote publieken van alle leeftijden binnen en buiten Europa te bereiken, en waarbij wordt ingespeeld op nieuwe marktontwikkelingen, als aanvulling op de richtlijn audiovisuele mediadiensten.. [Am. 75]

De prioriteiten worden nader uiteengezet in bijlage I.

Artikel 6

SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel

In overeenstemming met de in artikel 3 vermelde doelstellingen van het programma heeft het SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel de volgende prioriteiten:

a)  ondersteunen van sectoroverschrijdende transnationale beleidssamenwerking, waaronder met betrekking tot de bevordering van de rol van cultuur bij sociale inclusie, met name wat personen met een handicap betreft, en bij het stimuleren van democratie, en bevorderen van kennis van het programma en ondersteunen van de overdraagbaarheid van resultaten, teneinde de zichtbaarheid van het programma te vergroten; [Am. 76]

b)  bevorderen van innovatieve aanpakswijzen voor de schepping, toegang van artistieke inhoud, alsook artistiek onderzoek, toegang tot kunst en de distributie en bevordering ervan, met inachtneming van inhoud auteursrechtelijke bescherming, in de verschillende culturele en creatieve sectoren, zowel wat marktgerelateerde als niet-marktgerelateerde aspecten betreft; [Am. 77]

c)  bevorderen van horizontale activiteiten die meerdere sectoren bestrijken en zijn gericht op de aanpassing aan de structurele en technologische veranderingen die de mediasector ondergaat, waaronder het versterken van een vrij, divers en pluralistisch medialandschap, kwaliteitsjournalistiek media-, artistiek en cultureel landschap, beroepsethiek in de journalistiek, kritisch denken en mediageletterdheid, met name onder jongeren, door te helpen bij de aanpassing aan nieuwe instrumenten en formats in de media en de verspreiding van desinformatie tegen te gaan; [Am. 78]

d)  oprichten en de actieve betrokkenheid ondersteunen van programmadesks in deelnemende landen, met het oog op het bevorderen van het programma in de desbetreffende landen, op billijke en evenwichtige wijze, onder meer via netwerkactiviteiten op het terrein, alsook om de aanvragers te ondersteunen met betrekking tot het programma en basisinformatie te verstrekken over andere relevante ondersteuningsmogelijkheden in het kader van door de Unie gefinancierde programma's, en om grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken binnen de culturele en creatieve sectoren te stimuleren. [Am. 79]

De prioriteiten worden nader uiteengezet in bijlage I.

Artikel 7

Begroting

1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma over de periode 2021‑2027 bedragen 1 850 000 000 2 806 000 000 EUR in lopende constante prijzen. [Am. 80]

De indicatieve financiële verdeling voor de uitvoering van het programma is als volgt:

–  tot 609 000 000 EUR ten minste 33 % voor de in artikel 3, lid 2, onder a), vermelde doelstelling (onderdeel CULTUUR); [Am. 81]

–  tot 1 081 000 000 EUR ten minste 58 % voor de in artikel 3, lid 2, onder b), vermelde doelstelling (onderdeel MEDIA); [Am. 82]

–  tot 160 000 000 EUR 9 % voor de in artikel 3, lid 2, onder c), vermelde doelstelling (SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel), waarbij wordt gewaarborgd dat de financiële toewijzing voor elke nationale Creatief Europa-desk ten minste even hoog is als de financiële toewijzing waarin is voorzien uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1295/2013. [Am. 83]

2.  Het in lid 1 genoemde bedrag kan worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand bij de uitvoering van het programma, zoals activiteiten op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, met inbegrip van bedrijfsinformatietechnologiesystemen.

3.  In aanvulling op de financiële middelen zoals vermeld in lid 1, en ter bevordering van de internationale dimensie van het programma, kunnen aanvullende financiële bijdragen ter beschikking worden gesteld uit de externe financieringsinstrumenten [instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking, het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III)] om overeenkomstig deze verordening uitgevoerde en beheerde acties te ondersteunen. Die bijdrage wordt gefinancierd overeenkomstig de verordeningen waarbij die instrumenten zijn vastgesteld, en wordt elk jaar aan de begrotingsautoriteit gemeld, samen met de bijdragen van derde landen aan het programma. [Am. 84]

4.  Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a)], van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder c)], van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.

Artikel 8

Met het programma geassocieerde derde landen

1.  Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:

a)  landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;

b)  toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

c)  landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

d)  andere landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst

a)  een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma's van de Unie deelneemt;

b)  de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmings­ontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5], van [het nieuwe Financieel Reglement].

c)  het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

d)  de rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt.

Derde landen kunnen deelnemen aan de governancestructuren van het programma en aan fora van belanghebbenden met het oog op de bevordering van informatie-uitwisseling. [Am. 85]

2.  Voor deelname aan het onderdeel MEDIA en het SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel moeten de in lid 1, onder a), b) tot en met c d), bedoelde landen voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2010/13/EU. [Am. 151]

3.  In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de overeenkomsten die worden gesloten met de in lid 1, onder c, bedoelde landen afwijken van de in lid 2 vastgestelde verplichtingen.

3 bis.  Overeenkomsten met de derde landen die uit hoofde van deze verordening met het programma geassocieerd zijn, worden gefaciliteerd door middel van procedures die sneller zijn dan de procedures van Verordening (EU) nr. 1295/2013. Overeenkomsten met nieuwe landen worden op proactieve wijze bevorderd. [Am. 86]

Artikel 8 bis

Overige derde landen

Het programma kan steun verlenen aan samenwerking met andere derde landen dan die als bedoeld in artikel 8 met betrekking tot acties die zijn gefinancierd door aanvullende bijdragen uit de externe financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 7, lid 3, indien dat in het belang van de Unie is.

Artikel 9

Samenwerking met internationale organisaties en het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector

1.  Het programma staat open voor deelname van internationale organisaties die actief zijn in de door het programma bestreken gebieden, zoals de Unesco, de Raad van Europa via een meer gestructureerde samenwerking in het kader van de culturele routes en Eurimages, het EUIPO-waarnemingscentrum, de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom en de OESO, op basis van gezamenlijke bijdragen, met het oog op het behalen van de doelstellingen van het programma en overeenkomstig het Financieel Reglement. [Am. 87]

2.  De Unie zal voor de duur van het programma lid zijn van het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector. De deelname van de Unie aan het Waarnemingscentrum draagt bij tot de verwezenlijking van de prioriteiten van het onderdeel MEDIA. De Unie wordt in haar betrekkingen met het Waarnemingscentrum vertegenwoordigd door de Commissie. Het onderdeel MEDIA ondersteunt de betaling van de financiële bijdrage voor het Unie-lidmaatschap van het Waarnemingscentrum, om en het verzamelen en analyseren van gegevens in de audiovisuele sector te bevorderen. [Am. 152]

Artikel 9 bis

Gegevensverzameling met betrekking tot de culturele en creatieve sectoren

De Commissie versterkt de samenwerking binnen haar diensten, zoals het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en Eurostat, met het oog op de verzameling van bruikbare statistische gegevens om de effecten van cultuurbeleid te meten en te analyseren. Voor het uitvoeren van die taak werkt de Commissie samen met kenniscentra in Europa en nationale bureaus voor de statistiek, alsook met de Raad van Europa, de OESO en de Unesco. Op die manier draagt ze bij aan het behalen van de doelstellingen van het onderdeel CULTUUR en ziet ze nauwgezet toe op verdere ontwikkelingen in het cultuurbeleid, onder meer door belanghebbenden in een vroeg stadium te betrekken bij de denkoefening over en de aanpassing van gemeenschappelijke indicatoren voor de verschillende sectoren of specifieke indicatoren per activiteitendomein. De Commissie brengt regelmatig over deze activiteiten verslag uit aan het Europees Parlement. [Am. 88]

Artikel 10

Uitvoering en vormen van EU-financiering

1.  Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.

2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies, prijzen en aanbestedingen. Er kan eveneens financiering worden verstrekt in de vorm van financieringsinstrumenten in het kader van blendingverrichtingen.

3.  Blendingverrichtingen in het kader van dit programma vinden plaats in overeenstemming met titel X van het Financieel Reglement en de procedures die zijn vastgelegd in de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement.. De uit hoofde van het programma Creatief Europa tot stand gebrachte specifieke garantiefaciliteit wordt voortgezet in het kader van de [InvestEU-verordening] en houdt rekening met de uitvoeringspraktijken die zijn ontwikkeld in het kader van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren als vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1295/2013. en titel X [Am. 89]

4.  Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kan gelden als dekking voor het risico dat is verbonden aan de terugvordering van verschuldigde financiering door ontvangers en wordt als voldoende garantie beschouwd overeenkomstig het Financieel Reglement. De bepalingen van [artikel X van] Verordening XXX [opvolger van de verordening betreffende het Garantiefonds], die gebaseerd zijn op en in overeenstemming zijn met de reeds ontwikkelde uitvoeringspraktijken, zijn van toepassing. [Am. 90]

4 bis.  Om de internationale dimensie van het programma te bevorderen, leveren de programma's die tot stand zijn gebracht uit hoofde van Verordening .../... [instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking ] en Verordening .../... [IPA III] een financiële bijdrage aan de in het kader van onderhavige verordening tot stand gebrachte acties. Deze verordening is van toepassing op het gebruik van die programma's, waarbij de naleving van de verordeningen waaronder de programma's respectievelijk vallen, wordt gewaarborgd. [Am. 91]

Artikel 11

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Een derde land dat aan het programma deelneemt door middel van een in het kader van een internationale overeenkomst vastgesteld besluit of op grond van een ander rechtsinstrument verleent de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013.

Artikel 12

Werkprogramma's

1.  Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. Voordat de werkprogramma's worden vastgesteld, vindt er een raadpleging van de verschillende belanghebbenden plaats om te waarborgen dat de geplande acties de diverse betrokken sectoren zo goed mogelijk ondersteunen. In de werkprogramma's wordt in voorkomend geval het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen, waarbij blendingverrichtingen niet in de plaats komen van rechtstreekse financiering in de vorm van subsidies.

De algemene en specifieke doelstellingen en de bijbehorende beleidsprioriteiten en ‑acties van het programma, evenals de toegewezen begroting per actie, worden in detail gespecificeerd in de jaarlijkse werkprogramma's. Het jaarlijkse werkprogramma bevat ook een indicatief tijdschema voor de uitvoering. [Am. 92]

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast tot aanvulling van deze verordening door middel de vaststelling van jaarlijkse werkprogramma's [Am. 93]

Hoofdstuk II

Subsidies en in aanmerking komende entiteiten

Artikel 13

Subsidies

1.  De toekenning en het beheer van subsidies uit hoofde van het programma geschieden overeenkomstig titel VIII van het Financieel Reglement.

1 bis.  In de oproepen tot het indienen van voorstellen kan rekening worden gehouden met de noodzaak om te voorzien in passende steun voor kleinschalige projecten in het kader van het onderdeel CULTUUR door middel van maatregelen die hogere medefinancieringspercentages kunnen inhouden. [Am. 94]

1 ter.  Bij de toekenning van subsidies wordt rekening gehouden met de volgende kenmerken van het desbetreffende project:

a)  de kwaliteit van het project;

b)  de effecten ervan;

c)  de kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering ervan. [Am. 95]

2.  Het evaluatiecomité kan uit externe deskundigen bestaan. Tijdens de vergaderingen van het comité zijn de leden fysiek dan wel op afstand aanwezig.

De deskundigen hebben een beroepsachtergrond die aansluit bij het beoordeelde gebied. Het evaluatiecomité kan het advies inwinnen van deskundigen uit het land van aanvraag. [Am. 96]

3.  In afwijking van artikel 193, lid 2, van het Financieel Reglement, en in naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen worden de kosten die de begunstigde heeft gemaakt voordat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend als subsidiabel worden beschouwd, op voorwaarde dat die kosten rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de ondersteunde acties en activiteiten. [Am. 97]

4.  Waar van toepassing stellen de acties van het programma passende criteria voor non-discriminatie vast, waaronder voor het evenwicht tussen vrouwen en mannen.

Artikel 14

In aanmerking komende entiteiten

1.  Naast de in [artikel 197] van het Financieel Reglement vermelde criteria zijn de in de leden 2 tot en met 4 vastgestelde criteria om in aanmerking te komen van toepassing:

2.  De volgende entiteiten komen in aanmerking:

a)  juridische entiteiten die gevestigd zijn in een van de volgende landen:

1)  een lidstaat of een met een lidstaat verbonden land of gebied overzee;

2)  een met het programma geassocieerd derde land;

3)  een in het werkprogramma opgenomen derde land, onder de in de leden 3 en 4 vermelde voorwaarden;

b)  elke juridische entiteit die is opgericht krachtens het recht van de Unie of elke internationale organisatie;

3.  Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet met het programma geassocieerd derde land komen bij wijze van uitzondering voor deelname in aanmerking voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een bepaalde actie.

4.  Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet met het programma geassocieerd derde land dragen in beginsel de kosten van hun deelname. Aanvullende bijdragen uit de externe financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 7, lid 3, kunnen de kosten van deelname dekken als dat in het belang van de Unie is.

5.  Aan de volgende entiteiten mogen bij wijze van uitzondering subsidies worden toegekend zonder oproep tot het indienen van voorstellen, op basis van specifieke taken en doelstellingen die door de Commissie worden vastgesteld en regelmatig worden beoordeeld aan de hand van de doelstellingen van het programma: [Am. 98]

a)  de Europese filmacademie in de context van samenwerking met het Europees Parlement in verband met de LUX-filmprijs, op basis van een samenwerkingsovereenkomst waarover beide partijen onderhandelen en die door hen beiden wordt ondertekend, en in samenwerking met Europa Cinemas; in afwachting van de sluiting van de samenwerkingsovereenkomst worden de desbetreffende kredieten in de reserve geplaatst; [Am. 99]

b)  het Jeugdorkest van de Europese Unie voor zijn activiteiten, waaronder de regelmatige selectie van en het aanbieden van opleiding aan jonge muzikanten uit alle lidstaten via residentieprogramma's bestaande uit mobiliteitskansen en de kans om op festivals op te treden en op tournee te gaan binnen de Unie en op internationaal niveau, waardoor wordt bijgedragen aan de verspreiding van Europese cultuur over de grenzen heen en aan de internationalisering van de loopbaan van jonge muzikanten en waarbij wordt gestreefd naar een geografisch evenwicht onder de deelnemers; het Jeugdorkest van de Europese Unie diversifieert zijn inkomsten voortdurend door actief op zoek te gaan naar financiële steun uit andere bronnen en zo zijn afhankelijkheid van financiering door de Unie te verminderen; de activiteiten van het Jeugdorkest van de Europese Unie zijn in overeenstemming met het programma en met de doelstellingen en prioriteiten van het onderdeel CULTUUR, met name wat betrokkenheid van het publiek betreft. [Am. 100]

Hoofdstuk III

Synergieën en complementariteit

Artikel 15

Complementariteit

De Commissie draagt in samenwerking met de lidstaten zorg voor de algemene consistentie en complementariteit van het programma met het relevante beleid en de relevante programma's, met name op het gebied van evenwicht tussen vrouwen en mannen, onderwijs – met bijzondere aandacht voor digitaal onderwijs en mediageletterdheid – jeugd en solidariteit, werkgelegenheid en sociale inclusie – met bijzondere aandacht voor gemarginaliseerde groepen en minderheden – onderzoek en innovatie – met inbegrip van sociale innovatie – industrie en ondernemingen, landbouw en plattelandsontwikkeling, milieu en klimaatactie, cohesie, regionaal beleid en stadsontwikkeling, duurzaam toerisme, staatssteun, mobiliteit en internationale samenwerking en ontwikkeling, onder meer met het oog op een efficiënter gebruik van overheidsmiddelen;

de Commissie zorgt ervoor dat bij de toepassing van de in [het InvestEU-programma] vastgelegde procedures in het kader van het programma rekening wordt gehouden met de praktijken die zijn ontwikkeld in het kader van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, die is opgezet bij Verordening (EU) nr. 1295/2013. [Am. 101]

Artikel 16

Cumulatieve en gecombineerde financiering

1.  Aan een actie waaraan in het kader van het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit enig ander programma van de Unie, waaronder financiering in het kader van Verordening (EU) XXX/XXX (VGB), op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De cumulatieve financiering mag niet meer bedragen dan de totale subsidiabele kosten van de actie en voor de steun uit verschillende programma's van de Unie kan naar rato worden berekend.

2.  Een voorstel dat in het kader van het programma voor subsidie in aanmerking komt, kan een excellentiekeur worden toegekend, mits het voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

a)  het is beoordeeld in een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het programma;

b)  het voldoet aan de minimumeisen inzake kwaliteit hoge kwaliteitseisen van die oproep tot het indienen van voorstellen; [Am. 102]

c)  het kan omwille van budgetbeperkingen niet in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen worden gefinancierd.

2 bis.  Een voorstel waaraan een excellentiekeur is toegekend kan rechtstreeks financiering ontvangen uit andere programma's en andere fondsen die onder [de verordening gemeenschappelijke bepalingen, COM(2018)0375] vallen, in overeenstemming met artikel 67, lid 5, daarvan, op voorwaarde dat het voorstel in samenhang is met de doelstellingen van het programma. De Commissie zorgt ervoor dat de selectie- en gunningscriteria voor de projecten waaraan de excellentiekeur wordt toegekend coherent, duidelijk en transparant zijn voor de potentiële begunstigden. [Am. 103]

Artikel 16 bis

Garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren in het kader van InvestEU

1.  Financiële steun in het kader van het nieuwe InvestEU-programma bouwt voort op de doelstellingen en criteria van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, met inachtneming van de specifieke aard van de sector.

2.  Het InvestEU-programma biedt:

a)  toegang tot financiering voor kmo's en micro-, kleine en middelgrote organisaties in de culturele en creatieve sectoren;

b)  garanties voor deelnemende financiële intermediairs uit landen die deelnemen aan de garantiefaciliteit;

c)  aanvullende deskundigheid voor deelnemende financiële intermediairs om de risico's die verband houden met kmo's en micro-, kleine en middelgrote organisaties en culturele en creatieve projecten te kunnen evalueren;

d)  het volume aan schuldfinanciering dat ter beschikking van kmo's en micro-, kleine en middelgrote organisaties is gesteld;

e)  de mogelijkheid voor kmo's en micro-, kleine en middelgrote organisaties in alle regio's en sectoren om een gediversifieerde leningenportefeuille op te bouwen en een marketing- en promotieplan voor te stellen;

f)  de volgende soorten leningen: investeringen in materiële en immateriële activa, met uitzondering van persoonlijk onderpand; bedrijfsoverdrachten; bedrijfskapitaal, zoals interimkrediet, overbruggingskrediet, kasstroom en kredietlijnen. [Am. 104]

Hoofdstuk IV

Monitoring, evaluatie en controle

Artikel 17

Monitoring en verslaglegging

1.  Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage II.

1 bis.  Voor de verschillende onderdelen wordt een gemeenschappelijke reeks kwalitatieve indicatoren vastgesteld. Voor elk onderdeel afzonderlijk wordt er tevens een specifieke reeks indicatoren vastgesteld. [Am. 105]

2.  Om een doeltreffende beoordeling van de voortgang van het programma op weg naar de verwezenlijking van de doelstellingen ervan te waarborgen, is de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bepalingen voor een monitoring- en evaluatiekader te ontwikkelen, inclusief door middel van wijzigingen in bijlage II om de indicatoren te herzien en aan te vullen indien dit nodig is voor evaluatiedoeleinden. De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2022 een gedelegeerde handeling betreffende de indicatoren vast. [Am. 106]

3.  Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en (in voorkomend geval) de lidstaten.

Artikel 18

Evaluatie

1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.

1 bis.  De beschikbare cijfers betreffende het bedrag aan vastleggings- en betalingskredieten dat nodig zou zijn geweest voor de financiering van de projecten met het excellentiekeur worden elk jaar aan de twee takken van de begrotingsautoriteit meegedeeld, ten minste drie maanden vóór de datum van publicatie van hun respectieve standpunten inzake de begroting van de Unie voor het volgende jaar, overeenkomstig het gezamenlijk overeengekomen tijdschema voor de jaarlijkse begrotingsprocedure. [Am. 107]

2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen op 30 juni 2024.

De Commissie dient het tussentijds evaluatieverslag uiterlijk op 31 december 2024 in bij het Europees Parlement en de Raad.

De Commissie dient in voorkomend geval en op basis van de tussentijdse evaluatie een wetgevingsvoorstel tot herziening van deze verordening in. [Am. 108]

3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, maar uiterlijk twee jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert dient de Commissie een eindevaluatie van het programma in uit. [Am. 109]

4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

5.  Het evaluatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor de evaluatie van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld met een gepaste mate van granulariteit. Die gegevens en informatie worden aan de Commissie medegedeeld op een wijze die strookt met de andere juridische bepalingen; zo worden persoonsgegevens waar nodig anoniem gemaakt. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie.

Artikel 19

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in de artikelen 12, lid 2, en 17, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 12, lid 2, en 17, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig de artikelen 12, lid 2, en 17 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Hoofdstuk V

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20

Informatie, communicatie en publiciteit

1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren, waarbij zij in het bijzonder de naam van het programma en, voor acties die uit hoofde van het onderdeel MEDIA worden gefinancierd, het MEDIA-logo gebruiken. De Commissie ontwerpt een CULTUUR-logo dat wordt gebruikt voor acties die uit hoofde van het onderdeel CULTUUR worden gefinancierd. [Am. 110]

2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma alsmede de acties en de resultaten ervan die via de onderdelen van het programma worden ondersteund. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen.

Artikel 21

Intrekking

Verordening (EU) nr. 1295/2013 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 22

Overgangsbepalingen

1.  Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties tot de afsluiting ervan op grond van Verordening (EU) nr. 1295/2013, die op de betrokken acties van toepassing blijft tot zij worden afgesloten.

2.  De financiële middelen voor het programma kunnen ook de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve uitgaven om de overgang tussen het programma en de maatregelen op grond van Verordening (EU) nr. 1295/2013 te bewerkstelligen.

3.  Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 7, lid 4, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikel 23

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Aanvullende informatie over de te financieren activiteiten

1.  ONDERDEEL CULTUUR

De prioriteiten van het programmaonderdeel CULTUUR als bedoeld in artikel 4 worden uitgevoerd door middel van de volgende acties:

Horizontale acties:

a)  transnationale samenwerkingsprojecten, waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen kleinschalige, middelgrote en grootschalige projecten, met bijzondere aandacht voor kleine culturele organisaties en culturele micro-organisaties; [Am. 111]

b)  Europese netwerken van culturele en creatieve organisaties uit verschillende landen;

c)  culturele en creatieve pan-Europese platforms;

d)  mobiliteit van artiesten, ambachtslieden en culturele en creatieve actoren bij hun transnationale activiteiten, onder meer door hun kosten te dekken die verband houden met artistieke activiteiten en de verspreiding van artistieke en culturele werken; [Am. 112]

e)  ondersteuning van culturele en creatieve organisaties om internationaal te opereren en hun capaciteitsopbouw te ondersteunen; [Am. 113]

f)  beleidsontwikkeling, -samenwerking en -uitvoering op het gebied van cultuur, waaronder door gegevensverstrekking en de uitwisseling van beste praktijken of proefprojecten.

Sectorale acties:

a)  ondersteuning van de muzieksector; bevorderen van verscheidenheid, creativiteit en innovatie op het gebied van muziek, met name de livemuzieksector, onder meer door netwerkactiviteiten, de verspreiding en promotie van muzikaal werk diverse Europese muzikale werken en repertoires in Europa en erbuiten, opleidingen, en deelname aan muziek, toegang tot muziek, publieksontwikkeling, voor Europese muzikanten zichtbaarheid en erkenning van (voornamelijk jonge en opkomende) makers, organisatoren en artiesten, en ondersteuning voor gegevensverzameling en ‑analyse; [Am. 114]

b)  ondersteuning van de boeken- en uitgeverijsector; gerichte acties ter bevordering van verscheidenheid, creativiteit en, innovatie, met name de vertaling, de aanpassing naar voor personen met een handicap toegankelijke formaten en het aanprijzen van Europese literatuur over de grenzen heen binnen en buiten Europa, onder meer via bibliotheken, opleidingen en uitwisselingen voor beroepsbeoefenaars in de sector, auteurs en vertalers, alsook transnationale projecten voor samenwerking, innovatie en ontwikkeling in de sector; [Am. 115]

c)  ondersteuning van de architectuursector en de sector cultureel erfgoed en van architectuur; gerichte acties voor de mobiliteit van actoren, capaciteitsopbouw, publieksontwikkeling en internationalisering van de sector cultureel erfgoed en de architectuursector, bevordering van Baukultur, onderzoek, totstandbrenging van hoogwaardige normen, capaciteitsopbouw, het delen van professionele kennis en vaardigheden voor ambachtslieden, betrokkenheid van het publiek, ondersteuning van het veiligstellen, bewaren, regenereren van leefruimte, adaptief hergebruik, bevordering van Baukultur, duurzaamheid, verspreiding, versterking en internationalisering versterken van cultureel erfgoed en de waarden ervan door bewustmaking, netwerken en intercollegiaal leren; [Am. 116]

d)  ondersteuning van andere sectoren; gerichte acties promotieacties ter bevordering van de ontwikkeling van de creatieve aspecten van andere sectoren, waaronder de ontwerp- en modesectoren en duurzaam cultureel toerisme en de aanprijzing en vertegenwoordiging ervan buiten de Europese Unie. [Am. 117]

Ondersteuning van alle culturele en creatieve sectoren op gebieden van gemeenschappelijke behoefte, aangezien de ontwikkeling van een sectorale actie een geschikte methode kan zijn in gevallen waar een gerichte benadering gerechtvaardigd is door de specifieke kenmerken van een deelsector. Er wordt een horizontale benadering gehanteerd voor transnationale projecten met het oog op samenwerking, mobiliteit en internationalisering, onder meer via residentieprogramma's, tournees, evenementen, liveoptredens, tentoonstellingen en festivals, alsook met het oog op de bevordering van diversiteit, creativiteit en innovatie, opleiding en uitwisselingen voor beroepsbeoefenaars uit de sector, capaciteitsopbouw, netwerkactiviteiten, vaardigheden, publieksontwikkeling en gegevensverzameling en -analyse. Sectorale acties krijgen een begroting toegewezen die in verhouding staat tot de als prioriteit aangewezen sectoren. Sectorale acties moeten helpen inspelen op de specifieke uitdagingen waar de verschillende prioritaire sectoren als vastgesteld in deze bijlage mee worden geconfronteerd, voortbouwend op bestaande proefprojecten en voorbereidende acties. [Am. 118]

Speciale acties gericht op het zichtbaar en tastbaar maken van de Europese identiteit en culturele verscheidenheid en het cultureel erfgoed en het koesteren van de interculturele dialoog: [Am. 119]

a)  Culturele hoofdsteden van Europa, waarborgen van financiële steun aan Verordening (EU) nr. 445/2014 van het Europees Parlement en de Raad(28);

b)  Europees erfgoedlabel, waarborgen van financiële steun aan Verordening (EU) nr. 1194/2011 van het Europees Parlement en de Raad(29) en een netwerk van sites met het Europees erfgoedlabel; [Am. 120]

c)  EU-cultuurprijzen, met inbegrip van de Europese theaterprijs; [Am. 121]

d)  Europese erfgoeddagen;

d bis)  acties gericht op interdisciplinaire producties in verband met Europa en de Europese waarden; [Am. 122]

e)  ondersteuning van Europese culturele instellingen die op grote geografische schaal directe culturele diensten verlenen aan de Europese burgers.

2.  ONDERDEEL MEDIA

Voor de prioriteiten van het programmaonderdeel MEDIA als bedoeld in artikel 5 wordt rekening gehouden met de vereisten van Richtlijn 2010/13/EU en de verschillen tussen de landen wat de productie, verspreiding en toegankelijkheid van audiovisuele inhoud betreft, alsook wat de omvang en specifieke kenmerken van de respectieve markten betreft, en worden uitgevoerd door middel van, onder meer: [Am. 123]

a)  de ontwikkeling van Europese audiovisuele werken, met name films en televisiewerken zoals fictie, kortfilms, documentaires, kinderfilms en animatiefilms, alsook interactieve werken zoals kwalitatief hoogwaardige en narratieve videogames en multimedia met een versterkt grensoverschrijdend verspreidingspotentieel van Europese onafhankelijke productiebedrijven; [Am. 124]

b)  de productie van innovatieve en kwalitatief hoogwaardige inhoud voor televisie en seriële verteltechnieken voor alle leeftijden, door ondersteuning van Europese onafhankelijke productiebedrijven; [Am. 125]

b bis)  ondersteuning van initiatieven gericht op de creatie en promotie van werken die verband houden met de geschiedenis van de Europese integratie en Europese verhalen. [Am. 126]

c)  promotie-, reclame- en marketinginstrumenten, waaronder online en met gebruikmaking van gegevensanalyse, om de prominentie, de zichtbaarheid, de toegang over de grenzen heen en het bereiken van publiek van Europese werken te vergroten; [Am. 127]

d)  ondersteuning van de internationale verkoop en verspreiding van niet-nationale Europese werken op alle platforms die zich richten op zowel kleine als grote producties, waaronder door gecoördineerde verspreidingsstrategieën in verschillende landen en ondertiteling, nasynchronisatie en audiodescriptie; [Am. 128]

d bis)  acties ter ondersteuning van landen met een lage capaciteit om hun respectieve vastgestelde tekortkomingen te verbeteren; [Am. 129]

e)  ondersteuning van business-to-business-uitwisselingen en netwerkactiviteiten ter bevordering van Europese en internationale coproducties en de verspreiding van Europese werken; [Am. 130]

e bis)  ondersteuning van Europese netwerken van makers van audiovisueel werk uit verschillende landen met het oog op het koesteren van creatief talent in de audiovisuele sector; [Am. 131]

e ter)  specifieke maatregelen om bij te dragen aan een rechtvaardige behandeling van creatief talent in de audiovisuele sector; [Am. 132]

f)  aanprijzen van Europese werken in evenementen en tentoonstellingen in de sector, binnen en buiten Europa;

g)  initiatieven ter bevordering van publieksontwikkeling en filmonderwijs, publieksbinding, met name in bioscopen en in film- en audiovisueel onderwijs, met name gericht op jong publiek; [Am. 133]

h)  activiteiten in het kader van opleiding en mentoring ter versterking van het vermogen van audiovisuele actoren, met inbegrip van ambachtslieden, om zich aan te passen aan nieuwe marktontwikkelingen en digitale technologieën; [Am. 134]

i)  een Europees netwerk of meer Europese netwerken voor actoren op het gebied van video-on-demand met het oog op vertoning van een significant aandeel van niet-nationale Europese werken; [Am. 135]

j)  netwerken Europese festivals en netwerken van Europese festivals met het oog op vertoning en bevordering van een waaier aan Europese audiovisuele werken, met een significant aandeel van niet-nationale Europese films; [Am. 136]

k)  een Europees netwerk van bioscoopexploitanten met het oog op vertoning van een significant aandeel van niet-nationale Europese films, het helpen versterken van de rol van bioscopen in de waardeketen en het benadrukken van openbare vertoningen als een sociale ervaring; [Am. 137]

l)  specifieke maatregelen, waaronder mentoring- en netwerkactiviteiten, om bij te dragen aan een evenwichtigere participatie van mannen en vrouwen in de culturele en creatieve industrieën audiovisuele sector; [Am. 138]

m)  ondersteuning van beleidsdialoog, innovatieve beleidsacties en de uitwisseling van beste praktijken, waaronder door analysewerkzaamheden en de levering van betrouwbare gegevens;

n)  transnationale uitwisseling van kennis en ervaringen, peer learning en netwerken tussen de audiovisuele sector en beleidsvormers.

n bis)  ondersteuning van de verspreiding van en meertalige toegang tot online en offline televisie-inhoud van culturele aard, onder meer door middel van ondertiteling, om de rijkdom en diversiteit van het cultureel erfgoed, de hedendaagse creaties en de talen van Europa te bevorderen. [Am. 139]

3.  SECTOROVERSCHRIJDEND ONDERDEEL

De prioriteiten van het SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel als bedoeld in artikel 6 worden uitgevoerd door middel van de volgende acties:

Beleidssamenwerking en bereik:

a)  beleidsontwikkeling, transnationale uitwisseling van kennis en ervaringen, peer learning (waaronder peer mentoring voor nieuwkomers in het programma), bewustmaking en netwerken tussen de culturele en creatieve organisaties en beleidsvormers van sectoroverschrijdende aard, tevens door middel van een permanente structurele dialoog met belanghebbenden en met een forum voor de culturele en creatieve sectoren ter versterking van de dialoog en de oriëntatie van het beleid in de sector; [Am. 140]

b)  sectoroverschrijdende analysewerkzaamheden;

c)  ondersteuning van acties die zijn gericht op de bevordering van grensoverschrijdende beleidssamenwerking en beleidsontwikkeling met betrekking tot de rol van sociale inclusie door cultuur;

d)  verdieping van kennis over het programma en de daarin behandelde onderwerpen, bevordering van het bereik van de burgers, en ondersteuning van een grotere overdraagbaarheid van resultaten dan op niveau van de lidstaten;

Lab voor creatieve innovatie:

a)  aanmoedigen van nieuwe vormen van het creëren van inhoud op het kruispunt tussen verschillende culturele en creatieve sectoren en samen met actoren uit andere sectoren, bijvoorbeeld door het gebruik van en mentoring bij het gebruik van innovatieve technologieën binnen culturele organisaties en samenwerking via digitale hubs; [Am. 141]

b)  bevorderen van innovatieve sectoroverschrijdende aanpakswijzen en instrumenten voor gemakkelijkere toegang, verspreiding, promotie en monetarisering van cultuur en creativiteit, waaronder cultureel erfgoed.

b bis)  acties gericht op interdisciplinaire producties in verband met Europa en zijn waarden; [Am. 142]

Programmadesks:

a)  promotie van het programma op nationaal niveau en verstrekking van relevante informatie over de verschillende soorten financiële steun die in het kader van Uniebeleid beschikbaar zijn, alsook over de evaluatiecriteria, -procedure en -resultaten; [Am. 143]

b)  ondersteuning van potentiële begunstigden bij het indienen van een aanvraag, aanmoediging van grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken tussen beroepsbeoefenaars, instellingen, platforms en netwerken binnen en tussen beleidsgebieden en sectoren die onder het programma vallen; [Am. 144]

c)  ondersteuning van de Commissie door te zorgen voor passende communicatie bottom-up- en top-downcommunicatie en -verspreiding van de resultaten van het programma naar de burgers en naar de actoren. [Am. 145]

Horizontale activiteiten ter ondersteuning van de mediasector:

a)  reageren op de structurele en technologische veranderingen waar de mediasector nieuwsmediasector mee wordt geconfronteerd, door de bevordering en monitoring van een divers onafhankelijk en pluralistisch medialandschap en door de ondersteuning van onafhankelijke monitoring om de risico's en uitdagingen voor mediapluralisme en mediavrijheid te beoordelen; [Am. 146]

b)  ondersteuning van een hoge standaard van mediaproductie door bevordering van samenwerking, digitale vaardigheden, journalistieke samenwerking over grenzen heen en, inhoud van hoge kwaliteit en duurzame economische modellen voor de media om de beroepsethiek in de journalistiek te waarborgen; [Am. 147]

c)  bevordering van mediageletterdheid zodat burgers, met name jongeren, een kritisch inzicht in de media kunnen ontwikkelen, ondersteuning van de oprichting van een platform van de Unie om praktijken en beleid op het gebied van mediageletterdheid te delen onder alle lidstaten, onder meer via universitaire radio- en medianetwerken die zich met Europa bezighouden, en het aanbieden van opleidingsprogramma's voor nieuwsmediaprofessionals om desinformatie te leren herkennen en tegen te gaan. [Am. 148]

c bis)  bevordering en bescherming van de politieke dialoog en de dialoog met het maatschappelijk middenveld over bedreigingen voor mediavrijheid en mediapluralisme in Europa; [Am. 149]

BIJLAGE II

GEMEENSCHAPPELIJKE KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE IMPACTINDICATOREN VAN HET PROGRAMMA

(1)  Voordeel voor burgers en gemeenschappen

(2)  Voordeel voor het versterken van Europese culturele diversiteit en Europees cultureel erfgoed

(3)  Voordeel voor de economie en werkgelegenheid in de Unie, met name voor de culturele en creatieve sectoren en kmo's

(4)  Mainstreaming van het Uniebeleid, met inbegrip van internationale culturele betrekkingen

(5)  Europese meerwaarde van projecten

(6)  Kwaliteit van partnerschappen en culturele projecten

(7)  Aantal mensen dat toegang heeft tot de Europese culturele en creatieve werken die door het programma worden ondersteund

(8)  Aantal arbeidsplaatsen in het kader van de gesteunde projecten

(9)  Genderevenwicht, indien nodig, mobiliteit en een sterkere positie voor de operatoren in de culturele en creatieve sectoren. [Am. 150]

Indicatoren

ONDERDEEL CULTUUR:

Aantal en schaal van met financiering uit het programma tot stand gebrachte transnationale partnerschappen

Aantal artiesten & culturele en/of creatieve actoren (geografisch) die dankzij steun uit het programma over de nationale grenzen heen actief zijn, per land van herkomst

Aantal mensen dat in aanraking komt met Europese culturele en creatieve werken die dankzij het programma tot stand zijn gebracht, inclusief werken van buiten hun eigen land

Aantal door het programma ondersteunde projecten die zijn gericht op benadeelde groepen, met name werkloze jongeren en migranten

Aantal door het programma ondersteunde projecten waar organisaties uit derde landen bij zijn betrokken

ONDERDEEL MEDIA:

Aantal mensen dat in aanraking komt met Europese audiovisuele werken van buiten hun eigen land die dankzij het programma tot stand zijn gebracht

Aantal deelnemers aan door het programma ondersteunde leeractiviteiten die van mening zijn dat zij hun competenties hebben verbeterd en hun inzetbaarheid hebben vergroot

Aantal en budget van met financiering uit het programma tot stand gebrachte coproducties

Aantal mensen dat door business-to-business-promotieactiveiten op de voornaamste markten is bereikt

SECTOROVERSCHRIJDEND ONDERDEEL:

Aantal en schaal van tot stand gebrachte transnationale partnerschappen (samengestelde indicator voor labs voor creatieve innovatie en acties van nieuwsmedia)

Aantal door programmadesks georganiseerde evenementen waarbij het programma wordt aangeprezen

(1) PB C 110 van 22.3.2019, blz. 87.
(2) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.
(3)PB C 110 van 22.3.2019, blz. 87.
(4)PB C […] van […], blz. […].
(5) Standpunt van het Europees Parlement van 28 maart 2019.
(6)COM(2018)0267 final.
(7)Richtlijn (EU) 2019/789 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma's en tot wijziging van Richtlijn 93/83/EEG van de Raad (PB L 130 van 17.5.2019, blz. 82).
(8)COM(2016)0287.
(9) Richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie (PB L 303 van 28.11.2018, blz. 69).
(10) Besluit (EU) 2017/864 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 over het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018 (PB L 131 van 20.5.2017, blz. 1).
(11) Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).
(12)JOIN/2016/0029.
(13)COM(2014)0477.
(14)COM(2017)0479.
(15)VN-Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, in september 2015 aangenomen door de Verenigde Naties, A/RES70/1.
(16) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(17) 2018/0243(COD).
(18) 2018/0247(COD).
(19)PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(20)Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(21)Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(22)Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(23)Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(24)Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(25)Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (LGO-besluit) (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
(26)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(27)PB L 124 van 20.5.2003.
(28)Besluit nr. 445/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van een actie van de Unie voor het evenement „Culturele hoofdsteden van Europa” voor de periode 2020 tot 2033 en tot intrekking van Besluit nr. 1622/2006/EG (PB L 132 van 3.5.2014, blz. 1).
(29)Besluit nr. 1194/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot instelling van een actie van de Europese Unie voor het Europees erfgoedlabel (PB L 303 van 22.11.2011, blz. 1).


'Erasmus': het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport ***I
PDF 365kWORD 98k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van 'Erasmus': het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 (COM(2018)0367 – C8-0233/2018 – 2018/0191(COD))
P8_TA(2019)0324A8-0111/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2018)0367),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 165, lid 4, en artikel 166, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0233/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 6 februari 2019(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Begrotingscommissie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0111/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan zijn verklaring die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van "Erasmus Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 [Am. 1. Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst.]

P8_TC1-COD(2018)0191


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 165, lid 4, en artikel 166, lid 4,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In een context van snelle en ingrijpende veranderingen als gevolg van de technologische revolutie en de mondialisering, zijn Investeringen in leermobiliteit voor iedereen, ongeacht sociale of culturele achtergrond en middelen, evenals in , samenwerking en innovatieve beleidsontwikkeling op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport zijn cruciaal voor de opbouw van inclusieve, democratische, hechte en weerbare samenlevingen en voor het behoud van het concurrentievermogen van de Unie, en dragen zij tegelijkertijd bij tot de versterking van de Europese identiteit, beginselen en waarden en tot een democratischer Unie. [Am. 2]

(2)  In haar mededeling van 14 november 2017 ("De Europese identiteit versterken via onderwijs en cultuur") heeft de Commissie haar visie uiteengezet om tegen 2025 te werken aan een Europese onderwijsruimte waarin leren niet zou worden gehinderd door grenzen; een Unie waar tijd doorbrengen in een andere lidstaat om in enige vorm of omgeving te studeren en te leren normaal is geworden en waar twee andere talen dan je moedertaal spreken de norm zou zijn; een Unie waar de mensen een sterk gevoel zouden hebben van hun identiteit als Europeanen en van het cultureel erfgoed en de verscheidenheid van Europa. In dat verband benadrukte de Commissie de noodzaak om het beproefde Erasmus+-programma in alle categorieën van lerenden die het reeds bereikt een impuls te geven en de hand te reiken aan kansarme lerenden.

(3)  Het belang van onderwijs, opleiding en de jeugd voor de toekomst van de Unie komt tot uiting in de mededeling van de Commissie van 14 februari 2018 met de titel "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020"(6), waarin wordt benadrukt dat de verplichtingen moeten worden nagekomen die de lidstaten op de Sociale Top van Göteborg zijn aangegaan, onder andere door de volledige uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten(7) en het eerste beginsel daarvan op het gebied van onderwijs, opleiding en een leven lang leren. In de mededeling wordt beklemtoond dat mobiliteit en uitwisselingen moeten worden bevorderd, onder meer door een aanzienlijk versterkt, inclusief en uitgebreid programma, zoals de Europese Raad in zijn conclusies van 14 december 2017 had gevraagd.

(4)  De Europese pijler van sociale rechten, die het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op 17 november 2017 plechtig hebben afgekondigd en ondertekend, stelt als eerste beginsel dat iedereen recht heeft op hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren om de vaardigheden te verwerven en te onderhouden die nodig zijn om ten volle aan het maatschappelijk leven te kunnen deelnemen en overgangen op de arbeidsmarkt met succes te kunnen opvangen. De Europese pijler van sociale rechten maakt ook het belang duidelijk van kwalitatief hoogwaardige voor- en vroegschoolse educatie en van het waarborgen van gelijke mogelijkheden voor iedereen. [Am. 3]

(5)  Op 16 september 2016 hebben de leiders van zevenentwintig lidstaten in Bratislava benadrukt dat zij vastbesloten zijn om jongeren betere kansen te bieden. In de op 25 maart 2017 ondertekende verklaring van Rome hebben de leiders van 27 lidstaten en van de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie zich ertoe verbonden te werken aan een Unie waarin jongeren het beste onderwijs en de beste opleiding krijgen en kunnen studeren en een baan kunnen vinden in de op het hele Unie continent; een Unie die ons culturele erfgoed bewaart en culturele diversiteit bevordert; een Unie die de strijd aanbindt met werkloosheid, discriminatie, sociale uitsluiting en armoede. [Am. 4]

(6)  Het verslag van de tussentijdse evaluatie van het Erasmus+-programma voor de periode 2014‑2020 heeft bevestigd dat de creatie van één programma op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport heeft geresulteerd in een aanzienlijke vereenvoudiging en rationalisering en in synergieën bij het beheer van het programma, maar dat verdere verbeteringen noodzakelijk zijn om de efficiëntiewinst van het programma 2014‑2020 verder te consolideren. Tijdens de raadplegingen in verband met de tussentijdse evaluatie en het toekomstige programma deden de lidstaten en de belanghebbenden een krachtige oproep voor continuïteit in de reikwijdte, de structuur en de uitvoeringsmechanismen van het programma en pleitten zij voor een aantal verbeteringen, zoals het inclusiever, eenvoudiger en hanteerbaarder maken van het programma voor kleinere begunstigden en projecten met een geringere omvang. Voorts spraken zij hun volledige steun uit om het programma geïntegreerd te houden en het te schragen door het paradigma van een leven lang leren. In zijn resolutie van 2 februari 2017 over de uitvoering van Erasmus+ toonde het Europees Parlement zich verheugd over de geïntegreerde structuur van het programma en verzocht het de Commissie ten volle gebruik te maken van de dimensie van het programma gericht op een leven lang leren, door de sectoroverstijgende samenwerking in het toekomstige programma te bevorderen en aan te moedigen. De effectbeoordeling van de Commissie, de lidstaten en de belanghebbenden wezen ook op de noodzaak van een sterke verdere versterking van de internationale dimensie in het programma en van een uitbreiding tot andere onderwijs- en opleidingssectoren en tot jeugd en sport. [Am. 5]

(7)  In de openbare raadpleging over de financiering van de Unie op het gebied van waarden en mobiliteit zijn deze bevindingen bevestigd en is benadrukt dat het toekomstige programma meer inclusief moet zijn en dat blijvend prioriteit moet worden gegeven aan de modernisering van de onderwijs- en opleidingsstelsels en de versterking van de Europese identiteit, het bevorderen van actief burgerschap en de participatie aan het democratische leven.

(7 bis)  De Europese Rekenkamer onderstreepte in haar Speciaal verslag nr. 22/2018 van 3 juli 2018 over Erasmus+(8) dat het programma aantoonbare Europese meerwaarde heeft geleverd, maar dat niet alle dimensies van die meerwaarde, zoals een sterker gevoel van Europese identiteit of een grotere mate van meertaligheid, voldoende in acht worden genomen of gemeten. De Rekenkamer was van mening dat in het volgende programma moet worden gewaarborgd dat de indicatoren beter zijn afgestemd op de doelstellingen van het programma om een goede prestatiebeoordeling te kunnen uitvoeren. In het verslag van de Rekenkamer werd ook geconstateerd dat er, ondanks pogingen tot vereenvoudiging in het programma voor 2014-2020, nog steeds sprake is van te veel administratieve rompslomp, en deed dan ook de aanbeveling aan de Commissie om de programmaprocedures verder te vereenvoudigen, met name toepassingsprocedures en verslagleggingseisen, en IT-instrumenten te verbeteren. [Am. 6]

(8)  In haar mededeling van 2 mei 2018 ("Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt — Het meerjarig financieel kader 2021‑2027")(9) vroeg de Commissie in het volgende financieel kader meer om meer investeringen in mensen en aandacht voor de jeugd, met name door de middelen voor en onderkende zij dat het Erasmus+-programma voor de periode 2014‑2020, een van de meest opvallende succesverhalen van de Unie, ruim te verdubbelen. De focus van het nieuwe programma zou moeten liggen op inclusie en deelname van kansarme jongeren. Hierdoor zouden nog meer jongeren naar een ander land kunnen voor onderwijs of om werkervaring op te doen is. Ondanks het algehele succes was het programma voor 2014-2020 niet in staat te voldoen aan de grote vraag naar financiering en kampten de projecten met lage slagingspercentages. Om deze tekortkomingen te verhelpen, moet de meerjarenbegroting voor het vervolgprogramma 2014-2020 worden verhoogd. Bovendien is het doel van het vervolgprogramma om meer kansarme personen te bereiken, en worden daarin een aantal nieuwe en ambitieuze initiatieven opgenomen. Het is daarom noodzakelijk, zoals ook door het Europees Parlement werd benadrukt in zijn resolutie van 14 maart 2018 over het volgende meerjarig financieel kader, om de begroting voor het vervolgprogramma in constante prijzen te verdrievoudigen, ten opzichte van het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020. [Am. 7]

(9)  In deze context moet een programma voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport ("het programma") worden vastgesteld als opvolger van het Erasmus+-programma voor de periode 2014‑2020 dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad(10). Het geïntegreerde karakter van het programma 2014‑2020, dat leren in alle contexten – formeel, niet-formeel en informeel leren – en in alle levensfasen bestrijkt, moet worden gehandhaafd teneinde versterkt om te zorgen voor een "leven lang leren"-aanpak en om flexibele leertrajecten te bevorderen die mensen in staat stellen de kennis, vaardigheden en competenties te ontwikkelen verwerven en te verbeteren die nodig zijn om zich als individu te ontwikkelen en de uitdagingen en kansen van de eenentwintigste eeuw aan te gaan resp. te benutten. Met een dergelijke aanpak moeten ook de waarde van niet-formele en informele onderwijsactiviteiten en de verbanden daartussen worden erkend. [Am. 8]

(10)  Het programma moet aldus zijn toegerust dat het nog meer kan bijdragen aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen en prioriteiten van de Unie op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport. Een coherente aanpak van een leven lang leren is cruciaal om de overgangen op te vangen waaraan mensen, met name ouderen die nieuwe levensvaardigheden of vaardigheden voor een veranderende arbeidsmarkt moeten aanleren, tijdens hun leven het hoofd moeten bieden. Een dergelijke aanpak moet worden aangemoedigd door middel van doeltreffende sectoroverschrijdende samenwerking en meer interactie tussen verschillende onderwijsvormen. In het licht van deze aanpak moet het volgende programma nauw aansluiten bij het algemene strategische kader voor Europese beleidssamenwerking op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd, met inbegrip van de beleidsagenda's voor scholen, hoger onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding en volwassenenonderwijs, en nieuwe synergieën met andere gerelateerde programma's en beleidsterreinen van de Unie ontwikkelen en versterken.. [Am. 9]

(10 bis)  Organisaties die actief zijn in een grensoverschrijdende context leveren een belangrijke bijdrage aan de transnationale en internationale dimensie van het programma. Daarom moet het programma in voorkomend geval steun bieden aan relevante netwerken op het niveau van de Unie en aan Europese en internationale organisaties waarvan de activiteiten verband houden met en bijdragen aan de doelstellingen van het programma. [Am. 10]

(11)  Het programma is een centrale component van de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte en van de ontwikkeling van de sleutelcompetenties voor een leven lang leren, als uiteengezet in de aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(11), uiterlijk in 2025. Het moet bijdragen aan de opvolger van het strategisch kader voor samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding, en de agenda voor vaardigheden voor Europa(12) met een gezamenlijke inzet voor het strategische belang van vaardigheden, en competenties en kennis voor het behoud en scheppen van banen, groei, en concurrentievermogen, innovatie en cohesie. Het moet de lidstaten ondersteunen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Verklaring van Parijs over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs(13). [Am. 11]

(12)  Het programma dient in overeenstemming te zijn met de nieuwe EU-strategie voor jongeren(14), het kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2019‑2027), dat gebaseerd is op de mededeling van de Commissie van 22 mei 2018 ("Jongeren betrekken, verbinden en versterken: een nieuwe EU-strategie voor jongeren") (15), waaronder het doel van de strategie om jeugdbanen van hoog niveau en niet-formeel leren te ondersteunen. [Am. 12]

(13)  Het programma moet rekening houden met het werkplan van de Unie voor sport, het kader voor samenwerking op het niveau van de Unie op het gebied van de sport voor de jaren [...](16). Er moet worden gezorgd voor samenhang en complementariteit tussen het werkplan van de Unie en de door het programma ondersteunde acties op het gebied van sport. Met name moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de breedtesport, gezien de belangrijke rol die sport speelt bij de bevordering van lichaamsbeweging en een gezonde levensstijl, interpersoonlijke relaties, sociale integratie en gelijkheid. Het programma moet alleen mobiliteitsactiviteiten ondersteunen in het kader van amateursport, zowel voor jongeren die regelmatig een georganiseerde sport beoefenen als voor sportpersoneel. Daarnaast is het van belang te onderkennen dat sportpersoneel ook professionals in zijn gelederen kan hebben, d.w.z. personen die hun brood verdienen met sport, maar zich ook bezighouden met amateursport. Mobiliteitsactiviteiten moeten daarom ook openstaan voor deze groep. Het programma moet bijdragen tot het bevorderen van de gemeenschappelijke Europese waarden via de sport, goed bestuur en integriteit in de sport, duurzaamheid en goede milieupraktijken in de sport, en duurzame ontwikkeling, alsmede onderwijs, opleiding en vaardigheden in en door de sport.Het moet mogelijk zijn voor alle belanghebbenden, waaronder onderwijs- en opleidingsinstellingen, om deel te nemen aan partnerschappen, samenwerkingsverbanden en beleidsdialogen op het vlak van sport. [Am. 13]

(14)  Het programma moet bijdragen aan de versterking van de innovatiecapaciteit van de Unie, met name door de ondersteuning van mobiliteit en samenwerkingsactiviteiten die een stimulans geven aan de ontwikkeling van vaardigheden en competenties in toekomstgerichte studierichtingen of vakgebieden zoals wetenschap, technologie, kunst, engineering en wiskunde (STEAM), klimaatverandering, milieu milieubescherming, duurzame ontwikkeling, schone energie, kunstmatige intelligentie, robotica, gegevensanalyse en kunst/design , design en architectuur, en digitale en mediageletterdheid, om mensen te helpen de kennis, vaardigheden en competenties te ontwikkelen die nodig zijn voor de toekomst. [Am. 14]

(14 bis)  Aansluitend bij de missie van het programma om innovatie in onderwijs en opleiding aan te wakkeren, moet het ondersteuning bieden aan de ontwikkeling van onderwijs- en leerstrategieën die gericht zijn op begaafde en getalenteerde kinderen, ongeacht hun nationaliteit, sociaal-economische status of geslacht. [Am. 15]

(14 ter)  Het programma moet bijdragen tot de follow-up van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed door activiteiten te ondersteunen voor de ontwikkeling van vaardigheden die nodig zijn om het Europees cultureel erfgoed te beschermen en in stand te houden en om de onderwijsmogelijkheden die de culturele en creatieve sectoren bieden volledig te benutten. [Am. 16]

(15)  Synergieën met Horizon Europa moeten ervoor zorgen dat de gecombineerde middelen van het programma en van het programma Horizon Europa(17) worden gebruikt om activiteiten te ondersteunen die de Europese instellingen voor hoger onderwijs versterken en moderniseren. Horizon Europa zal in voorkomend geval de steun van het programma voor acties en initiatieven met een onderzoeksdimensie, zoals het initiatief "Europese universiteiten" aanvullen, inzonderheid de onderzoeksdimensie daarvan als onderdeel van de ontwikkeling van nieuwe gezamenlijke en geïntegreerde duurzame en langetermijnstrategieën inzake onderwijs, onderzoek en innovatie. Synergieën met Horizon Europa zullen bijdragen aan de integratie van onderwijs en onderzoek, met name in instellingen voor hoger onderwijs. [Am. 17]

(16)  Het programma moet inclusiever worden door een beter contact met de participatiepercentages van kansarmen kansarmen te verbeteren. Het is belangrijk in te zien dat een laag participatieniveau van kansarmen verschillende oorzaken kan hebben en mogelijk afhankelijk is van de nationale context. Daarom moeten nationale agentschappen binnen een kader dat voor de hele Unie geldt, inclusiestrategieën ontwikkelingen met maatregelen om de doelgroep beter te bereiken, procedures te vereenvoudigen, trainingen aan te bieden en doeltreffendheid te ondersteunen en te meten. Voor de verbetering van de inclusie moeten andere mechanismen worden gebruikt, onder meer door flexibeler vormen van leermobiliteit aan te bieden die aansluiten bij de behoeften van kansarmen, en door het stimuleren de deelname van de deelneming van kleine en lokale organisaties, met name nieuwkomers en lokale grassrootsorganisaties die direct werken met minder kansrijke lerenden van alle leeftijden. Virtuele modellen, zoals virtuele samenwerking, gemengde en virtuele mobiliteit, moeten worden bevorderd om meer deelnemers te bereiken, in het bijzonder kansarmen en personen voor wie een fysieke verplaatsing naar een ander land dan het land van hun woonplaats een belemmering zou zijn. [Am. 18]

(16 bis)  Als kansarmen om financiële redenen niet in staat zijn deel te nemen aan het programma, hetzij vanwege hun economische situatie, hetzij vanwege de hogere kosten van deelname aan het programma als gevolg van hun specifieke situatie, zoals vaak het geval is voor mensen met een beperking, moeten de Commissie en de lidstaten erop toezien dat er passende financiële steunmaatregelen worden genomen. Dergelijke maatregelen kunnen andere instrumenten van de Unie omvatten, zoals het Europees Sociaal Fonds+, nationale regelingen en aanpassingen of aanvullingen van subsidies via het programma. Om te kunnen beoordelen of kansarmen om financiële redenen niet in staat zijn deel te nemen aan het programma en om te kunnen bepalen hoeveel steun zij nodig hebben, moeten objectieve criteria worden gebruikt. De extra kosten van maatregelen om inclusie te bevorderen, mogen nooit een reden zijn voor de weigering van een aanvraag. [Am. 19]

(16 ter)  De steun van het programma moet gericht blijven op fysieke leermobiliteit en moet meer mogelijkheden bieden voor kansarmen om te profiteren van acties op het vlak van fysieke leermobiliteit. Tegelijkertijd moet onder ogen worden gezien dat virtuele modellen, zoals virtuele samenwerking, gemengd en virtueel leren, een doeltreffende aanvulling kunnen vormen op fysieke leermobiliteit en de doeltreffendheid daarvan kunnen optimaliseren. In uitzonderlijke gevallen waarin mensen niet kunnen deelnemen aan mobiliteitsacties en -activiteiten, kunnen virtuele formats hen in staat stellen op een kostenefficiënte en innovatieve manier te genieten van veel van de voordelen die het programma te bieden heeft. Daarom moet met het programma ook steun worden geboden voor dergelijke virtuele formats en hulpmiddelen. Deze formats en hulpmiddelen, met name als ze worden gebruikt voor het leren van talen, moeten in zo breed mogelijke kring beschikbaar worden gesteld. [Am. 20]

(16 quater)  In overeenstemming met de verplichtingen van de Unie en de lidstaten uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, en met name artikel 9 over toegankelijkheid en artikel 24 over onderwijs, moet speciale aandacht worden besteed aan de garantie dat mensen met een handicap niet-discriminerende en ongehinderde toegang hebben tot het programma. Daartoe moet indien nodig aanvullende steun, waaronder financiële steun, worden verstrekt. [Am. 21]

(16 quinquies)  Juridische en administratieve belemmeringen, zoals moeilijkheden bij het verkrijgen van een visum of verblijfsvergunning en bij de toegang tot ondersteunende diensten, met name gezondheidsdiensten, kunnen de toegang tot het programma in de weg staan. Daarom moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om dergelijke obstakels uit de weg te ruimen, in volledige overeenstemming met het recht van de Unie, en grensoverschrijdende uitwisselingen mogelijk te maken, bijvoorbeeld door de uitgifte van een Europese ziekteverzekeringskaart. [Am. 22]

(17)  In haar mededeling over de versterking van de Europese identiteit via onderwijs en cultuur heeft de Commissie gewezen op de cruciale rol die onderwijs, cultuur en sport spelen bij het bevorderen van actief burgerschap, en gemeenschappelijke waarden en een gevoel van solidariteit bij de jongere generaties. De versterking van de Europese identiteit en de bevordering van de actieve participatie van de burgers en het maatschappelijk middenveld in het democratisch proces is van cruciaal belang voor de toekomst van Europa en onze democratische samenlevingen. In het buitenland gaan studeren, leren, vakkennis opdoen en werken, of deelnemen aan jeugd- of sportactiviteiten draagt bij tot de versterking van die Europese identiteit in al haar diversiteit en van het gevoel deel uit te maken van een culturele gemeenschap, en tot de bevordering van actief burgerschap, sociale cohesie en een kritische houding bij mensen van alle leeftijden. De deelnemers aan mobiliteitsactiviteiten zouden zich moeten inzetten voor hun lokale gemeenschappen en de lokale gemeenschappen in hun gastland, en er hun ervaringen delen. Activiteiten die alle aspecten van creativiteit op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd versterken en de individuele kerncompetenties vergroten, moeten worden ondersteund. [Am. 23]

(17 bis)  Het is belangrijk dat het programma Europese meerwaarde biedt. Acties en activiteiten mogen daarom alleen in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van het programma als zij een aantoonbare potentiële Europese meerwaarde hebben. De Europese meerwaarde kan op diverse manieren worden aangetoond, bijvoorbeeld door het transnationale karakter van de acties, hun complementariteit en synergieën met andere programma's en beleidsmaatregelen van de Unie, hun bijdrage aan een doeltreffend gebruik van instrumenten van de Unie voor transparantie en erkenning, hun bijdrage aan de ontwikkeling van in de hele Unie geldende normen voor kwaliteitsborging, hun bijdrage aan de ontwikkeling van in de hele Unie geldende gemeenschappelijke normen voor onderwijs- en opleidingsprogramma's, de bevordering van meertaligheid en een interculturele en interreligieuze dialoog, het stimuleren van een Europees gevoel van verbondenheid en de versterking van het Europese burgerschap. [Am. 24]

(18)  De internationale dimensie van het programma moet worden versterkt, zodat door zowel personen als organisaties meer kansen kunnen worden geboden te bieden voor mobiliteit, samenwerking en beleidsdialoog met niet met het programma geassocieerde derde landen, met name ontwikkelingslanden. De internationale dimensie moet de ontwikkeling van vaardigheden en uitwisselingen tussen personen ondersteunen, en met name voor mensen uit ontwikkelingslanden de kennisoverdracht naar hun land van herkomst aan het eind van hun studieperiode ondersteunen. De internationale dimensie moet ook de capaciteitsopbouw van onderwijssystemen in ontwikkelingslanden versterken. Voortbouwend op de geslaagde uitvoering van de internationale activiteiten inzake hoger onderwijs en jeugd in het kader van de vorige programma's op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd, moeten de internationalemobiliteitsactiviteiten worden uitgebreid naar andere sectoren, zoals beroepsonderwijs en -opleiding, en sport. [Am. 25]

(18 bis)  Teneinde de impact van activiteiten in ontwikkelingslanden te vergroten, is het van belang om de synergieën tussen Erasmus+ en instrumenten voor het externe optreden van de Unie, zoals het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking en het instrument voor pretoetredingssteun aan te wakkeren. [Am. 26]

(19)  De basisstructuur van het programma 2014‑2020, met drie hoofdstukken – onderwijs en opleiding, jeugd en sport – gestructureerd rond drie kernacties, is succesvol gebleken en moet worden gehandhaafd. Verbeteringen moeten worden aangebracht om de door het programma ondersteunde acties te stroomlijnen en te rationaliseren.

(20)  Het programma moet de bestaande mogelijkheden voor leermobiliteit verbeteren, met name in de sectoren waar het programma de grootste efficiëntiewinst zou kunnen boeken, teneinde het bereik ervan te verbreden en aan de grote onvervulde vraag te voldoen. Dit moet met name gebeuren door het vergroten en bevorderen van mobiliteit voor studenten en medewerkers in het hoger onderwijs, scholieren en leerkrachten, onder wie leerkrachten in het kleuteronderwijs en medewerkers in voor- en vroegschoolse educatie en opvang en studenten en medewerkers in het beroepsonderwijs, met gerichte maatregelen waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke onderwijsbehoeften van de beoogde begunstigden. Mobiliteitsmogelijkheden voor deelnemers aan beroepsonderwijs en -opleiding in grensregio's . De mobiliteit van laaggeschoolde volwassen lerenden moet worden ingebed in partnerschappen voor samenwerking. moeten verder worden bevorderd om ze voor te bereiden op de specifieke context van de grensoverschrijdende arbeidsmarkt. Met het programma moeten ook mobiliteitsmogelijkheden worden geboden voor studenten en personeel in het volwassenenonderwijs. De belangrijkste doelstellingen van volwassenonderwijs zijn de overdracht van kennis, competenties en vaardigheden en de bevordering van sociale inclusie, actief burgerschap, persoonlijke ontwikkeling en welzijn. Ook de mogelijkheden voor mobiliteit voor jongeren die deelnemen aan niet-formele leeractiviteiten zouden moeten worden uitgebreid om meer jongeren te bereiken, vooral nieuwkomers, kansarmen en moeilijk te bereiken bevolkingsgroepen. Wegens het hefboomeffect moet ook de mobiliteit van personeel in het onderwijs, de beroepsopleiding, het jeugdwerk en de sport worden verbeterd, met bijzondere aandacht voor bijscholing en omscholing en het bevorderen van de ontwikkeling van vaardigheden voor de arbeidsmarkt. Overeenkomstig de visie van een echte Europese onderwijsruimte moet het programma ook een impuls geven aan de mobiliteit en de uitwisseling van studenten en hun deelname aan educatieve, en culturele en sportieve activiteiten bevorderen door de digitalisering van processen waarmee de aanvraagprocedures en deelname aan het programma gemakkelijker worden gemaakt, door gebruikersvriendelijke onlinesystemen te ontwikkelen op basis van beste praktijken, en door nieuwe hulpmiddelen te creëren, zoals de Europese studentenpas, te ondersteunen. Dit initiatief kan een belangrijke stap zijn om mobiliteit voor iedereen in de praktijk te brengen, in de eerste plaats door instellingen voor hoger onderwijs in staat te stellen meer uitwisselingsstudenten uit te sturen en te ontvangen en toch de kwaliteit van de mobiliteit van studenten te verbeteren, en door de studenten vóór hun aankomst bij de buitenlandse instelling betere toegang te geven tot verschillende diensten (bibliotheken, vervoer, accommodatie). [Am. 27]

(20 bis)  Het programma moet zorgen voor kwalitatief hoogwaardige mobiliteitservaringen op basis van de beginselen die zijn neergelegd in de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 over transnationale mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap: Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit(18), waarin duidelijk wordt gemaakt dat de kwaliteit van informatie, voorbereiding, ondersteuning en erkenning van ervaring en kwalificaties, alsook duidelijke leerplannen en vooraf opgestelde leerresultaten, een aantoonbaar effect hebben op de baten van mobiliteit. Mobiliteitsactiviteiten vereisen een grondige voorbereiding. Deze voorbereiding kan vaak efficiënt worden uitgevoerd met gebruikmaking van informatie- en communicatietechnologie. In voorkomend geval moet het programma ook ondersteuning kunnen bieden bij voorbereidende bezoeken voor mobiliteitsactiviteiten. [Am. 28]

(20 ter)  Met het programma moet de mobiliteit van leerkrachten en onderwijzend personeel worden ondersteund en aangemoedigd op alle niveaus om hun werkpraktijken te verbeteren en bij te dragen aan hun professionele ontwikkeling. Gezien de cruciale rol die het kleuteronderwijs en voor- en vroegschoolse educatie en opvang spelen bij het voorkomen van sociale en economische ongelijkheid, is het belangrijk dat leerkrachten en medewerkers op dit niveau binnen het programma kunnen deelnemen aan leermobiliteit. Met betrekking tot het geven van onderwijs moet het programma ook proefprojecten voor beleidsinnovaties aanmoedigen om een aantal van de gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken waarmee onderwijsstelsels in de Unie kampen, zoals het aantrekken van nieuw talent voor het onderwijs aan de meest gemarginaliseerde kinderen en het ontwikkelen van opleidingen voor leerkrachten om ze te helpen bij het onderwijzen van minder kansrijke leerlingen. Teneinde de voordelen van deelname van leerkrachten en onderwijzend personeel aan het programma optimaal te benutten, moet alles in het werk worden gesteld om ervoor te zorgen dat zij kunnen rekenen op een omgeving die positief tegenover mobiliteit staat en waarbij mobiliteit deel uitmaakt van hun werkprogramma en reguliere werklast, dat zij gebruik kunnen maken van passende opleidingsmogelijkheden en dat zij toereikende financiële ondersteuning ontvangen op basis van het land en, in voorkomend geval, de regio waar de leermobiliteit zal plaatsvinden. [Am. 29]

(20 quater)  In het programma moet worden onderkend hoe cruciaal de rol is die beroepsonderwijs en -opleiding spelen om de vooruitzichten op een baan te verbeteren en sociale inclusie te bevorderen, en daarom moet het programma bijdragen aan de versterking van het inclusieve karakter, de kwaliteit en de relevantie van beroepsonderwijs en -opleiding in overeenstemming met de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 over een Agenda voor nieuwe vaardigheden voor Europa: samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen(19). Met het programma moeten aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding beter worden gekoppeld aan werkgevers, zowel in het particuliere als publieke domein. Tevens moeten met het programma kwesties worden aangepakt die specifiek gelden voor de sector beroepsonderwijs en -opleiding, zoals taallessen, het bevorderen van kwalitatief hoogwaardige partnerschappen op het vlak van mobiliteit en de erkenning en certificering van competenties, en moeten aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding worden aangespoord om zich aan te melden voor het Mobiliteitshandvest voor beroepsonderwijs en -opleiding bij wijze van kwaliteitskeurmerk. [Am. 30]

(21)  Het programma moet de deelname van jongeren aan het democratische leven in Europa aanmoedigen, onder meer door de ondersteuning van participatieprojecten waarbij jongeren zich inzetten voor en deelnemen aan het maatschappelijk middenveld, en aldus het bewustzijn van de gemeenschappelijke Europese waarden, waaronder mensenrechten, Europese geschiedenis en cultuur en Europees burgerschap vergroten, jongeren en besluitvormers op lokaal, nationaal en Europees niveau samenbrengen, en bijdragen aan het Europese integratieproces. Met het programma moet het bewustzijn over instrumenten voor e-democratie worden aangewakkerd, waaronder het Europees burgerinitiatief. Ook moet de intergenerationele uitwisseling tussen jonge en oudere mensen worden bevorderd. Gezien de cruciale rol die jeugdorganisaties en jeugdwerk spelen bij de verwezenlijking van die doelstellingen, moet het programma de ontwikkeling van de jeugdsector in de Unie ondersteunen. [Am. 31]

(22)  Het programma moet jongeren meer kansen bieden om Europa te ontdekken door middel van leerervaringen in het buitenland. Achttienjarigen in het kader van het nieuwe initiatief DiscoverEU. Jongeren tussen de 18 en 20 jaar, en met name zij die minder kansen hebben, moeten de gelegenheid krijgen om een eerste, korte individuele of collectieve ervaring op te doen door Europa door te reizen in het kader als onderdeel van een niet-formele of informele educatieve activiteit die gericht is op het bevorderen van hun gevoel van verbondenheid met de Europese Unie en het ontdekken van haar culturele en taalkundige diversiteit. Het initiatief moet bestaan uit een stevige en verifieerbare leercomponent en moet garanderen dat ervaringen op de juiste manier verspreid worden en dat de opgedane ervaringen worden gedeeld om het initiatief voortdurend te evalueren en te verbeteren. Het programma moet organen in kaart brengen die belast zijn met het aanspreken en de selectie van de deelnemers, met de nodige aandacht voor geografisch evenwicht, en moet activiteiten ondersteunen die de leerdimensie van de ervaring vergroten. Die organen moeten in voorkomend geval ook worden betrokken bij het aanbieden van opleidingen en ondersteuning voorafgaand aan en na afloop van de mobiliteit, onder andere met betrekking tot taal- en interculturele vaardigheden. Het initiatief DiscoverEU moet worden gekoppeld aan de Culturele Hoofdsteden van Europa, de Jongerenhoofdsteden van Europa, de Vrijwilligershoofdsteden van Europa en de Groene Hoofdsteden van Europa.. [Am. 32]

(23)  Het leren van talen draagt bij aan het wederzijds begrip en de mobiliteit binnen en buiten de Unie. Tegelijkertijd is taalvaardigheid belangrijk in het dagelijks leven en op het werk. Het programma moet daaromook het leren van talen stimuleren, met name via ter plaatse aangeboden taalcursussen en door een groter gebruik van toegankelijke online-instrumenten, aangezien e-leren, wat toegang en flexibiliteit betreft, extra voordelen biedt kan bieden voor het leren van talen. Bij de door het programma geboden ondersteuning van het leren van talen moet aandacht worden besteed aan de behoeften van de gebruikers, waarbij de nadruk ligt op de talen die worden gesproken in het gastland en in het geval van grensregio's op de talen van de buurlanden. De ondersteuning bij het leren van talen moet ook gelden voor nationale gebarentalen. Het instrument voor online taalkundige ondersteuning van Erasmus+ moet worden afgestemd op de specifieke behoeften van deelnemers aan het programma en moet beschikbaar zijn voor iedereen. [Am. 33]

(23 bis)  Het programma moet gebruikmaken van taaltechnologie, zoals voor automatische vertaling, om uitwisselingen tussen overheidsinstanties te vergemakkelijken en de interculturele dialoog te bevorderen. [Am. 34]

(24)  Het programma moet maatregelen ondersteunen die de samenwerking tussen instellingen en organisaties die actief zijn op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport bevorderen, met erkenning van hun fundamentele rol bij het toerusten van mensen met de kennis, vaardigheden en competenties die nodig zijn in een veranderende wereld, en bij de adequate verwezenlijking van het potentieel voor innovatie, creativiteit en ondernemerschap, met name in de digitale economie. Daartoe moet de doeltreffende samenwerking tussen alle belanghebbenden op alle uitvoeringsniveaus van het programma worden gewaarborgd. [Am. 35]

(25)  In zijn conclusies van 14 december 2017 heeft de Europese Raad de lidstaten, de Raad en de Commissie verzocht verder te werken aan een aantal initiatieven om de Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding naar een nieuw niveau te brengen, onder meer door het bevorderen van de ontwikkeling, uiterlijk in 2024, van "Europese universiteiten", bestaande uit van onderop opgezette netwerken van universiteiten in de hele Unie. Het programma moet deze Europese universiteiten ondersteunen die op excellentie gericht moeten zijn en bedoeld zijn om de aantrekkelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs in de Unie te vergroten en de samenwerking tussen onderzoek, innovatie en onderwijs te verbeteren. Het begrip "excellentie" moet worden opgevat in brede zin, bijvoorbeeld ook in verband met het vermogen om de inclusie te verbeteren. Met de steun in het kader van het programma wordt een uitgebreide geografische dekking van "Europese universiteiten" beoogd.. [Am. 36]

(26)  Het communiqué van Brugge van 2010 bevatte een oproep ter ondersteuning van excellente vakbekwaamheid voor slimme en duurzame groei. In de mededeling van 2017 over versterking van innovatie in de Europese regio's wordt beroepsonderwijs en -opleiding gekoppeld aan innovatiesystemen, als onderdeel van strategieën voor slimme specialisatie op regionaal niveau. Het programma moet voorzien in de middelen om deze oproepen te beantwoorden en steun bieden voor de ontwikkeling van transnationale netwerken van kenniscentra voor beroepsopleiding die nauw aansluiten bij de lokale en regionale strategieën voor groei, innovatie, en concurrentievermogen, duurzame ontwikkeling en sociale inclusie. Die kenniscentra moeten fungeren als motor van kwalitatief hoogstaande beroepsvaardigheden in een context van sectorale uitdagingen, en tegelijkertijd de algemene structurele veranderingen en het sociaaleconomisch beleid in de Unie ondersteunen. [Am. 37]

(27)  Om het gebruik van virtuele samenwerkingsactiviteiten te vergroten, moet het programma steun geven voor een meer systematisch gebruik van bestaande online platforms als eTwinning, de School Education Gateway, het elektronisch platform voor volwassenenonderwijs in Europa, de Europese Jongerensite en het online platform voor hoger onderwijs. . Het programma moet in voorkomend geval ook de ontwikkeling van nieuwe online platforms stimuleren om de uitvoering van het beleid op het vlak van onderwijs, opleidingen, sport en jeugd te versterken en te moderniseren. Deze platforms moeten gebruiksvriendelijk en toegankelijk zijn in de zin van Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad(20). [Am. 38]

(28)  Het programma moet bijdragen aan het vergemakkelijken van de transparantie en en automatische wederzijdse erkenning van vaardigheden en , competenties, kwalificaties en diploma's, en aan de overdracht van studiepunten of eenheden ander bewijs van leerresultaten, aan kwaliteitsborging en aan de validering van niet-formeel en informeel leren, het beheer van vaardigheden en begeleiding. In dit verband moet het programma ook steun verlenen aan contactpunten en netwerken op nationaal en Unieniveau die informatie en assistentie bieden aan beoogde deelnemers, waarmee trans-Europese uitwisselingen en de ontwikkeling van flexibele leertrajecten tussen verschillende gebieden van onderwijs, opleiding en jeugdwerk in formele en niet-formele contexten bevorderen bevorderd worden. [Am. 39]

(29)  Het programma moet het potentieel van voormalige Erasmus+-deelnemers aanboren en activiteiten, met name van netwerken van alumni, ambassadeurs en EuroPeers, ondersteunen door hen aan te moedigen om als multiplicatoren van het programma op te treden.

(29 bis)  In het programma moet speciale nadruk worden gelegd op de validatie en erkenning van onderwijs- en opleidingsperiodes in het buitenland, ook in het middelbaar onderwijs. In dat verband moet de verstrekking van subsidies worden gekoppeld aan procedures voor kwaliteitsbeoordeling, aan een beschrijving van de leerresultaten en aan de volledige toepassing van de aanbeveling van de Raad van 15 maart 2018 inzake een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen(21), de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 inzake de validatie van niet-formeel en informeel leren(22) en Europese instrumenten die bijdragen aan de erkenning van in het buitenland genoten onderwijs en die de kwaliteit van dit onderwijs garanderen, zoals het Europees kwalificatiekader (EQF), het Europees register voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (EQAR), het Europees studiepuntensysteem voor beroepsonderwijs en -opleiding (ECVET) en het Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en ‑opleiding (EQAVET). [Am. 40]

(30)  Als een manier om te zorgen voor samenwerking met andere instrumenten van de Unie en voor ondersteuning van andere beleidsmaatregelen van de Unie, moeten mobiliteitskansen worden geboden aan mensen in verschillende sectoren, zoals de overheid en de particuliere sector, de landbouw en het bedrijfsleven, zodat zij een opleiding of stage in het buitenland kunnen volgen of leerervaring in het buitenland kunnen opdoen waardoor zij in elke fase van hun leven kunnen groeien en zich niet alleen professioneel maar ook persoonlijk kunnen ontwikkelen, met name door het ontwikkelen van een besef van hun Europese identiteit en een begrip van de Europese culturele diversiteit, maar ook professioneel, met name door voor de arbeidsmarkt relevante vaardigheden te ontwikkelen. Het programma moet toegang bieden tot transnationale mobiliteitsregelingen van de Unie met een sterke leerdimensie, en aldus het aanbod van zulke regelingen voor begunstigden en deelnemers aan deze activiteiten vereenvoudigen. De schaalvergroting van Erasmus+-projecten moet worden vergemakkelijkt; er moeten specifieke maatregelen worden genomen om de initiatiefnemers van Erasmus+-projecten te helpen om subsidies aan te vragen of om synergieën tot stand te brengen door middel van ondersteuning van de Europese structuur- en investeringsfondsen en de programma's op het gebied van migratie, veiligheid, justitie en burgerschap, gezondheid, media en cultuur, en het Europees Solidariteitskorps. [Am. 41]

(31)  Het is belangrijk om onderwijs, leren en onderzoek op het gebied van de Europese integratie en de toekomstige uitdagingen en mogelijkheden van de Unie en de discussie daarover te bevorderen door steun van de Jean Monnet-acties op het gebied van het hoger onderwijs, maar ook op andere alle gebieden van onderwijs en opleiding. De bevordering van een Europees gevoel van Europese identiteit verbondenheid en Europees engagement is van bijzonder belang wanneer gezien de uitdagingen voor de gemeenschappelijke waarden waarop de Unie is gegrondvest en die deel uitmaken van onze een gemeenschappelijke Europese identiteit op de proef worden gesteld, en wanneer de gezien het feit dat burgers weinig betrokkenheid vertonen. Het programma moet een bijdrage blijven leveren tot de ontwikkeling van excellentie op het gebied van Europese-integratiestudies en tegelijkertijd de betrokkenheid van de hele leergemeenschap en het grote publiek bij de Europese integratie versterken. [Am. 42]

(32)  Wegens het belang van de strijd tegen Het programma moet aansluiten bij de centrale doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de wereldwijde reactie op de klimaatverandering te versterken. Overeenkomstig de verbintenissen van de Unie tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en tot verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, zal dit programma bijdragen aan de integratie van klimaatactie en duurzame ontwikkeling in het beleid van de Unie en aan het algemene streven dat gedurende de periode 2021-2027 van het meerjarig financieel kader 25 % van de uitgaven op de begroting van de Unie klimaatdoelstellingen ondersteunen, en dat er zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk in 2027, een jaarlijks streefcijfer van 30 % wordt ingevoerd. De desbetreffende acties zullen worden vastgesteld tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma en zullen opnieuw worden bekeken in het kader van de desbetreffende processen van evaluatie en beoordeling. [Am. 43]

(32 bis)  Gezien de rol van de Unie als mondiale speler en in overeenstemming met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en de verbintenissen die door de lidstaten zijn aangegaan op de Rio+20-conferentie, moeten in het programma inclusief, gelijkwaardig en kwalitatief hoogwaardig onderwijs en een leven lang leren worden opgenomen, waarbij onder wordt onderkend hoe cruciaal de rol van onderwijs bij armoedebestrijding is. Het programma moet tevens bijdragen aan de agenda voor duurzame ontwikkeling door inspanningen te ondersteunen om de nodige vaardigheden op het vlak van duurzame ontwikkeling te ontwikkelen en mensen via formeel, niet-formeel en informeel onderwijs voor te lichten over duurzaamheid, milieubescherming en klimaatverandering. [Am. 44]

(33)  In deze verordening worden de financiële middelen voor de gehele looptijd van het programma vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad gedurende de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van [referentie in voorkomend geval bijwerken punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(23)]. Er moet vanaf 2021 worden gezorgd voor een aanzienlijke stijging van de jaarlijkse begroting van het programma in vergelijking met het laatste jaar van het meerjarig financieel kader 2014-2020, gevolgd door een lineaire en geleidelijke stijging van de jaarlijkse middelen. Een dergelijk begrotingsprofiel kan ertoe bijdragen dat er direct vanaf het begin van de looptijd van het meerjarig financieel kader 2021-2027 een ruimere toegang kan worden gewaarborgd en in de laatste jaren bovenmatige verhogingen kunnen worden voorkomen die moeilijk te absorberen zijn. [Am. 45]

(34)  Binnen het basisbedrag voor acties die worden beheerd door de nationale agentschappen op het gebied van onderwijs en opleiding, moet per sector (hoger onderwijs, schoolonderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding en volwassenenonderwijs) een minimumbedrag worden toegewezen om te zorgen voor een kritische massa aan middelen om in elk van die sectoren de beoogde output en resultaten te realiseren. De exacte toewijzingen van begrotingsmiddelen per actie en initiatief moeten worden vastgelegd in het werkprogramma. [Am. 46]

(35)  Verordening (EU, Euratom) [nieuw Financieel Reglement] (het "Financieel Reglement")(24) is op dit programma van toepassing. Deze bevat regels betreffende de uitvoering van de begroting van de Unie, met inbegrip van de regels inzake subsidies, prijzen, aanbestedingen en indirecte uitvoering.

(36)  De in deze verordening bedoelde financieringsvormen en uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het verwezenlijken van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Dit moet mede omvatten dat het gebruik wordt overwogen van vaste bedragen, forfaits en eenheidskosten, en van financiering die niet gekoppeld is aan kosten, zoals bedoeld in artikel [125, lid 1,] van het Financieel Reglement. De beginselen van transparantie, gelijke behandeling en non-discriminatie, zoals vervat in het Financieel Reglement, moeten bij de uitvoering van het programma in acht worden genomen. [Am. 47]

(37)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan het programma deelnemen in het kader van de samenwerking waarin wordt voorzien door de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die bepaalt dat programma's van de Unie worden uitgevoerd bij een op grond van die overeenkomst genomen besluit. Derde landen kunnen ook op grond van andere rechtsinstrumenten deelnemen. Deze verordening moet de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer de nodige rechten en toegang verlenen om hun bevoegdheden ten volle te kunnen uitoefenen. De volledige deelneming van derde landen aan het programma moet afhankelijk worden gesteld van de voorwaarden in specifieke overeenkomsten betreffende de deelneming van het betrokken derde land aan het programma. Volledige deelname brengt bovendien de verplichting mee om een nationaal agentschap op te richten en sommige acties van het programma decentraal te beheren. Particulieren en entiteiten uit niet met het programma geassocieerde derde landen moeten kunnen deelnemen aan sommige acties van het programma, zoals omschreven in het werkprogramma en de door de Commissie gepubliceerde oproepen tot het indienen van voorstellen. Voor de uitvoering van het programma kunnen specifieke regelingen worden getroffen met betrekking tot particulieren en entiteiten uit de Europese microstaten. [Am. 48]

(38)  Overeenkomstig artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de mededeling van de Commissie "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU"(25) ("mededeling over het strategische partnerschap") moet het programma rekening houden met de specifieke situatie van die gebieden. Er zullen maatregelen worden genomen om de deelname van de ultraperifere gebieden aan alle acties te vergroten. Mobiliteitsuitwisselingen en samenwerking tussen mensen en organisaties uit die gebieden en derde landen, met name hun buren, moeten worden bevorderd. Dergelijke maatregelen zullen worden gemonitord en zullen regelmatig worden geëvalueerd. [Am. 49]

(38 bis)  In de mededeling over het strategische partnerschap onderkende de Commissie dat een grotere mobiliteit van leerlingen en personeel in onderwijs en opleiding, met name in het kader van het Erasmus+-programma, de ultraperifere gebieden zeer ten goede zou komen, en beijverde zij zich ervoor de financiële steun voor deelnemers die van en naar de ultraperifere gebieden reizen verder aan te passen door voor die gebieden specifieke financieringsregels te hanteren in het kader van Erasmus+, en de mogelijkheden van uitbreiding van de regionale samenwerking in het kader van Erasmus+ te onderzoeken en aldus de mobiliteit tussen de ultraperifere gebieden en naburige derde landen verder te stimuleren, en het Europees Sociaal Fonds te gebruiken als aanvulling op Erasmus+. [Am. 50]

(39)  Krachtens [referentie in voorkomend geval bijwerken overeenkomstig een nieuw LGO-besluit artikel 94 van Besluit 2013/755/EG van de Raad(26)] komen particulieren en entiteiten die zijn gevestigd in landen en gebieden overzee in aanmerking voor financiering overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het betrokken land of gebied overzee banden heeft. Bij de uitvoering van het programma moet rekening worden gehouden met de problemen die rijzen ten gevolge van de grote afstand tot deze landen of gebieden, en hun deelname aan het programma moet worden gemonitord en regelmatig worden geëvalueerd.

(40)  De doelstellingen en prioriteiten van het programma moeten continuïteit vertonen. Desalniettemin, aangezien het programma moet worden uitgevoerd over een periode van zeven jaar, is het noodzakelijk om over een zekere mate van flexibiliteit te beschikken om in te spelen op veranderende omstandigheden en politieke prioriteiten op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport. Daarom bepaalt deze verordening niet in detail hoe specifieke initiatieven moeten worden vormgegeven, noch loopt zij vooruit op de politieke of de overeenkomstige budgettaire prioriteiten voor de komende zeven jaar. In plaats daarvan moeten de nadere beleidskeuzes en -prioriteiten, waaronder de details van specifieke nieuwe initiatieven, worden vastgesteld door middel van werkprogramma's overeenkomstig het Financieel Reglement. Met het ontwerp van de nieuwe initiatieven moet lering worden getrokken uit eerdere en lopende proefinitiatieven op dit vlak en moet terdege rekening worden gehouden met Europese meerwaarde, zowel wat betreft de inhoud als de structuur van het initiatief moet de Commissie werkprogramma's vaststellen en het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis stellen. Het werkprogramma moet tevens de nodige maatregelen bevatten voor de uitvoering ervan in overeenstemming met de algemene en specifieke doelstellingen van het programma, de selectie- en gunningscriteria voor subsidies en alle andere noodzakelijke elementen. De werkprogramma's en de wijzigingen daarvan moeten door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig de onderzoeksprocedure gedelegeerde handelingen worden vastgesteld. Het is van groot belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau en in overleg met nationale agentschappen en belanghebbenden, en dat die raadpleging plaatsvindt overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. [Am. 51]

(40 bis)  De Commissie moet samen met de nationale agentschappen toezicht houden op en verslag uitbrengen over de uitvoering van het programma, zowel tijdens de looptijd als na de beëindiging daarvan. De eindevaluatie van het programma moet tijdig worden uitgevoerd zodat die in voorkomend geval kan worden meegenomen in de tussentijdse evaluatie van het vervolgprogramma. De Commissie moet met name een tussentijdse evaluatie van het programma uitvoeren, die in voorkomend geval vergezeld gaat van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening. [Am. 52]

(41)  Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016(27) moet het programma worden geëvalueerd op basis van gegevens die zijn verzameld op grond van specifieke monitoringvoorschriften, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten begunstigden, worden vermeden. Die voorschriften moeten specifieke, meetbare en realistische indicatoren omvatten die gedurende langere tijd kunnen worden gemeten als een basis voor de evaluatie van het effect van het programma op het terrein. [Am. 53]

(42)  Er moet worden gezorgd voor een passende outreach, en passende bekendmaking en verspreiding van de mogelijkheden en resultaten van de door het programma ondersteunde acties op Europees, nationaal en lokaal niveau. De activiteiten inzake outreach, bekendmaking en verspreiding moeten uitgaan van de uitvoeringsorganen van het programma, in voorkomend geval indien van toepassing met de steun van andere centrale relevante belanghebbenden. [Am. 54]

(43)  Om te zorgen voor een efficiëntere communicatie met het grote publiek en sterkere synergieën tussen de op initiatief van de Commissie ondernomen communicatieactiviteiten, moeten de bij deze verordening voor communicatie toegewezen middelen ook worden gebruikt voor institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover die verband houden met de algemene doelstelling van deze verordening. [Am. 55]

(44)  Om te zorgen voor een efficiënte en effectieve uitvoering van deze verordening zal het programma maximaal gebruikmaken van de al bestaande uitvoeringsmechanismen. De uitvoering van het programma dient derhalve te worden toevertrouwd aan de Commissie en aan nationale agentschappen, die een consistente en rechtlijnige toepassing van de programmaregels in de hele Unie en in de hele periode moeten garanderen. Daartoe en teneinde een doeltreffende uitvoering van het programma te waarborgen, moeten de Commissie en de nationale agentschappen samenwerken, in overleg met de belanghebbenden consistente, eenvoudige en kwalitatief hoogwaardige procedures ontwikkelen en de uitwisseling van goede werkmethoden vergemakkelijken waarmee de kwaliteit van projecten in het kader van het programma kan worden verbeterd. Waar mogelijk en om de efficiëntie te vergroten, zouden de nationale agentschappen dezelfde moeten zijn als die welke waren aangewezen voor het beheer van het vorige programma. Het toepassingsgebied van de evaluatie vooraf van de naleving moet worden beperkt tot de voorschriften die nieuw en specifiek voor het programma zijn, tenzij dit gerechtvaardigd is, zoals in geval van ernstige tekortkomingen of ondermaats presteren van het betrokken nationale agentschap. [Am. 56]

(44 bis)  Teneinde projectmanagers zonder ervaring met financieringsprogramma's van de Unie aan te sporen om een financieringsaanvraag in te dienen, moeten de Commissie en de nationale agentschappen advies en ondersteuning bieden en erop toezien dat de aanvraagprocedures zo duidelijk en eenvoudig mogelijk zijn. De programmagids moet verder worden verbeterd om hem gebruiksvriendelijk en duidelijk te maken, en aanvraagformulieren moeten eenvoudig zijn en tijdig beschikbaar worden gesteld. Teneinde de aanvraagprocedure verder te moderniseren en te harmoniseren, moet er een gemeenschappelijk, meertalig, all-in-instrument worden ontwikkeld voor de begunstigden van het programma en degenen die betrokken zijn bij het beheer van het programma. [Am. 57]

(44 ter)  Als vuistregel geldt dat subsidie- en projectaanvragen moeten worden ingediend bij en worden beheerd door het nationale agentschap van het land waar de aanvrager gevestigd is. Bij wijze van afwijking moeten subsidieverzoeken en projectaanvragen voor activiteiten die worden georganiseerd door netwerken die de hele Unie bestrijken of door Europese en internationale organisaties worden ingediend bij de Commissie waar ze rechtstreeks in behandeling worden genomen. [Am. 58]

(45)  Om te zorgen voor een gezond financieel beheer en rechtszekerheid in elk deelnemend land, moet elke nationale autoriteit een onafhankelijk auditorgaan aanwijzen. Waar mogelijk en om de efficiëntie te vergroten, zou het onafhankelijk auditorgaan hetzelfde moeten zijn als het orgaan dat is aangewezen voor de in het vorige programma bedoelde acties.

(46)  De lidstaten dienen ernaar te streven alle nodige maatregelen te treffen om wettelijke en administratieve belemmeringen voor de toegang tot het programma of de goede werking van het programma ervan weg te nemen. Dat houdt in dat, waar mogelijk en onverminderd het Unierecht inzake de binnenkomst en het verblijf van onderdanen van derde landen, kwesties die problemen veroorzaken bij het verkrijgen van visa en verblijfsvergunningen moeten worden opgelost. Overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad(28) worden de lidstaten aangemoedigd verkorte toelatingsprocedures in te voeren. [Am. 59]

(47)  Het prestatieverslagleggingssysteem moet waarborgen dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en voor de evaluatie van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig en op het juiste niveau van verfijning worden verzameld. Die gegevens moeten aan de Commissie worden meegedeeld op een wijze die strookt met de desbetreffende voorschriften inzake gegevensbescherming.

(48)  Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(29). [Am. 60]

(49)  Om de vereisten waaraan de begunstigden moeten voldoen te vereenvoudigen, moet zo veel mogelijk worden gebruikgemaakt van vereenvoudigde subsidies in de vorm van vaste bedragen, eenheidskosten en financiering volgens een vast percentage. In overeenstemming met het beginsel van deugdelijk financieel beheer en teneinde de administratie van het programma te vereenvoudigen, moeten forfaitaire betalingen op basis van het relevante project worden gebruikt voor mobiliteitsactiviteiten in alle sectoren. De vereenvoudigde subsidies ter ondersteuning van de mobiliteitsacties van het programma, zoals door de Commissie gedefinieerd, moeten rekening houden met regelmatig worden geëvalueerd en worden aangepast aan de kosten van levensonderhoud in het gastland en de gastregio. De Commissie en de nationale agentschappen in de uitzendende landen moeten deze vereenvoudigde subsidies kunnen aanpassen op basis van objectieve criteria, met name om de toegang van kansarme personen te garanderen. De lidstaten moeten voorts worden aangespoord die subsidies vrij te stellen van belasting en sociale premies, overeenkomstig het nationale recht. Die vrijstelling moet eveneens gelden voor publieke of particuliere entiteiten die dergelijke financiële steun toekennen aan de individuele begunstigden. [Am. 61]

(50)  Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(30), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad(31) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad(32) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, waaronder preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, de terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of slecht bestede middelen en, in voorkomend geval, het opleggen van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 onderzoeken uitvoeren, waaronder controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, zoals omschreven in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(33), opsporen en vervolgen. Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding, het Europees Openbaar Ministerie en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(51)  Er moet worden gezorgd voor de complementariteit van alle acties die in het kader van het programma worden uitgevoerd met de activiteiten van de lidstaten en andere activiteiten van de Unie, met name op het gebied van onderwijs, cultuur en media, jongeren en solidariteit, werkgelegenheid en sociale inclusie, onderzoek en innovatie, industrie en bedrijfsleven, landbouw en plattelandsontwikkeling met de nadruk op jonge landbouwers, cohesie, regionaal beleid, en internationale samenwerking en ontwikkeling.

(52)  Hoewel het regelgevingskader het de lidstaten en regio's in de vorige programmeringsperiode al mogelijk maakte om synergieën te creëren tussen Erasmus+ en andere instrumenten van de Unie, zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen, die ook bijdragen tot de kwalitatieve ontwikkeling van de onderwijs-, opleidings- en jeugdwerkstelsels in de Unie, is dat potentieel tot dusver te weinig benut, waardoor de systemische effecten van projecten en het effect op het beleid beperkt zijn gebleven. Op nationaal niveau moet doeltreffend worden gecommuniceerd en samengewerkt tussen de nationale instanties die belast zijn met het beheer van deze instrumenten, teneinde de impact ervan te maximaliseren. Het programma moet actieve samenwerking met deze instrumenten mogelijk maken, met name door ervoor te zorgen dat aanvragen van hoge kwaliteit die wegens een gebrek aan middelen niet uit hoofde van het programma kunnen worden gefinancierd, via een vereenvoudigde procedure in aanmerking kunnen komen voor financiering uit de Europese structuur- en investeringsfondsen. Teneinde de procedure voor dergelijke acties te vereenvoudigen, moet aan deze acties een "Excellentiekeur" kunnen worden toegekend ter erkenning van de hoge kwaliteit ervan. Deze complementariteit van de programma's moet het mogelijk maken om de slagingspercentages van projecten over de hele linie te verhogen. [Am. 62]

(52 bis)  Teneinde de doeltreffendheid van financiering en beleidsondersteuning van de Unie te optimaliseren, is het van belang om synergieën en complementariteit bij alle relevante programma's op coherente wijze te stimuleren. Dergelijke synergieën en complementariteit mogen niet leiden tot middelen die worden toegewezen aan het Erasmus+-programma maar buiten de programmastructuur worden beheerd, noch tot middelen die worden ingezet om andere dan de in deze verordening vervatte doelstellingen na te streven. Synergieën en complementariteit moeten resulteren in vereenvoudigde aanvraagprocedures op uitvoeringsniveau. [Am. 63]

(53)  Teneinde de prestatie-indicatoren van het programma te wijzigen of aan te vullen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van de bijlage. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadpleging plaatsvindt overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, moeten het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en moeten hun deskundigen systematisch toegang hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

(54)  Er dient voor te worden gezorgd dat het vorige programma correct wordt afgesloten, met name wat betreft de voortzetting van meerjarige regelingen voor het beheer, zoals de financiering van technische en administratieve ondersteuning. Met ingang van 1 januari 2021 moet in het kader van de technische en administratieve ondersteuning waar nodig worden gezorgd voor het beheer van acties in het kader van het vorige programma die op 31 december 2020 nog niet zijn afgerond.

(55)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze verordening beoogt met name de volledige eerbiediging te waarborgen van het recht op gelijkheid tussen mannen en vrouwen en het recht op non-discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, en de toepassing van de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te bevorderen. Daarom moeten met het programma actief initiatieven worden ondersteund die bedoeld zijn om het bewustzijn aan te wakkeren, een positief beeld te geven van de groepen die mogelijk gediscrimineerd worden en gendergelijkheid te stimuleren. Ook moeten inspanningen worden ondersteund om de onderwijskloof van de Roma te dichten en andere specifieke problemen waarmee zij kampen aan te pakken door voor hen volledige en actieve deelname aan het programma mogelijk te maken. De eerbiediging van de rechten en beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten worden erkend, moeten worden geïntegreerd in de planning, uitvoering, monitoring en evaluatie van het programma. [Am. 64]

(56)  Door het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 VWEU vastgestelde horizontale financiële voorschriften zijn op deze verordening van toepassing. Die voorschriften staan in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor de vaststelling en de uitvoering van de begroting door subsidies, aanbestedingen, prijzen en indirecte uitvoering, en voorzien in controles van de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op grond van artikel 322 VWEU vastgestelde voorschriften betreffen ook de bescherming van de begroting van de Unie ingeval van algemene lacunes op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien het respect voor de rechtsstaat een wezenlijke voorwaarde is voor goed financieel beheer en doeltreffende financiering door de Unie.

(57)  Aangezien de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar, vanwege het transnationale karakter, de grote omvang en de ruime geografische werkingssfeer van de gefinancierde mobiliteits- en samenwerkingsactiviteiten, de gevolgen ervan voor de toegang tot leermobiliteit en meer in het algemeen voor de integratie van de Unie, alsmede de versterkte internationale dimensie ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(58)  Verordening (EU) nr. 1288/2013 moet met ingang van 1 januari 2021 worden ingetrokken.

(59)  Om te zorgen voor de continuïteit in de door het programma te bestrijken financieringssteun, moet deze Verordening van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2021,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Voorwerp

Bij deze verordening wordt Erasmus+, het programma voor actie van de Unie op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport, vastgesteld ("programma").

In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021‑2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "een leven lang leren": alle vormen van leren (formeel, niet-formeel en informeel leren) in alle levensfasen, inclusief onderwijs en opvang voor jonge kinderen, algemeen vormend onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding, hoger onderwijs en volwassenenonderwijs, die leiden tot een verbetering of het bijhouden van de kennis, vaardigheden, competenties en attitudes of die op persoonlijk vlak, voor het leven als burger, cultureel of sociaal gezien en/of vanuit het oogpunt van de arbeidsmarkt tot meer maatschappelijke participatie leiden, inclusief de verlening van begeleiding en advies; [Am. 65]

2)  " leermobiliteit " het zich fysiek naar een ander land dan het land van verblijf begeven om er te studeren, een opleiding te volgen, waaronder met het oog op omscholing of bijscholing, of niet-formeel of informeel te leren; dit kan de vorm aannemen van een stage, leerlingplaats, jongerenuitwisseling, lesgeven of deelname aan een activiteit op het gebied van beroepsontwikkeling; dit kan vergezeld gaan van maatregelen zoals taalcursussen en taalkundige ondersteuning, met inbegrip van nationale gebarentalen, en/of worden aangevuld met toegankelijk online leren en virtuele samenwerking; In sommige specifieke gevallen kan dit de vorm aannemen van leren met behulp van informatie- en communicatietechnologie; [Am. 66]

2 bis)  "virtueel leren": de verwerving van vaardigheden en kennis met behulp van toegankelijke informatie- en communicatiehulpmiddelen; [Am. 67]

2 ter)  "gemengd leren": de verwerving van vaardigheden en kennis met behulp van een combinatie van virtuele onderwijs- en opleidingsmiddelen en traditionele onderwijs- en opleidingsmethoden; [Am. 68]

3)  "niet-formeel leren": vrijwillig leren dat buiten het formele onderwijs en buiten de formele opleiding plaatsvindt door middel van doelgerichte activiteiten (in termen van doelstellingen, methoden en tijd) met een bepaalde vorm van leerondersteuning;

4)  "informeel leren": leren dat voortvloeit uit dagelijkse bezigheden en ervaringen en dat niet georganiseerd of gestructureerd is in termen van doelen, tijd of leerondersteuning. Het kan vanuit het gezichtspunt van de leerling onbedoeld zijn;

5)  "jongeren": personen met een leeftijd tussen dertien en dertig jaar;

6)  "breedtesport": georganiseerde sport die op lokaal niveau regelmatig door amateursporters van alle leeftijden wordt beoefend, en sport voor iedereen om gezondheids-, educatieve of sociale redenen; [Am. 69]

7)  "student": iedere persoon die is ingeschreven bij een instelling voor hoger onderwijs, inclusief voor een korte cyclus of op bachelor-, master- of doctoraatsniveau of gelijkwaardig. Het omvat tevens pas afgestudeerden , alsook iedere persoon die in de afgelopen 24 maanden is afgestudeerd aan een dergelijke instelling; [Am. 70]

8)  "personeel": personen die beroepsmatig of op vrijwillige basis betrokken zijn bij onderwijs op alle niveaus, opleiding of niet-formeel leren; hieronder kan worden verstaan professoren, leerkrachten, opleiders, onderzoekers, schoolleiders, jeugdwerkers, sportcoaches, niet-onderwijzend personeel en anderen die beroepshalve leren bevorderen; [Am. 71]

8 bis)  "sportpersoneel": personen betrokken bij het managen, opleiden of trainen van een sportteam of verschillende individuele sporters, tegen betaling of op vrijwillige basis; [Am. 72]

9)  "lerende in beroepsonderwijs en -opleiding": iedere persoon die is ingeschreven in een aanvankelijk of vervolgprogramma voor beroepsonderwijs of -opleiding op eender welk niveau van secundair tot postsecundair, alsook iedere persoon die . Dit omvat mede de deelname van particulieren die recentelijk een dergelijk programma in de afgelopen 24 maanden met succes hebben heeft beëindigd; [Am. 73]

10)  "scholier": iedere persoon die als lerende is ingeschreven bij een instelling die algemeen vormend onderwijs op elk niveau verstrekt, vanaf het onderwijs en de opvang voor jonge kinderen tot het hoger secundair onderwijs, alsook iedere persoon die buiten een instelling onderwijs volgt en die door de nationale bevoegde autoriteiten wordt geacht in aanmerking te komen voor deelname aan het programma op hun respectieve grondgebied; [Am. 74]

11)  "volwassenenonderwijs": alle vormen van niet-beroepsgericht onderwijs voor volwassenen na het initieel onderwijs, ongeacht of deze van formele, niet-formele of informele aard is;

12)  "niet met het programma geassocieerd derde land": derde land dat niet ten volle deelneemt aan het programma maar waarvan de juridische entiteiten, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen die in het belang van de Unie zijn, bij wijze van uitzondering voor het programma in aanmerking kunnen komen; [Am. 75]

13)  "derde land": een land dat geen lidstaat is;

14)  "partnerschap": een overeenkomst tussen een groep instellingen en/of organisaties om gezamenlijk activiteiten te ontplooien en projecten op te zetten;

15)  "gezamenlijke mastergraad master- of doctorsgraad": een geïntegreerd studieprogramma aangeboden door ten minste twee instellingen voor hoger onderwijs dat wordt bekroond met één enkel diploma, dat gezamenlijk wordt afgegeven en ondertekend door alle deelnemende instellingen en officieel wordt erkend in de landen waar de deelnemende instellingen gevestigd zijn; [Am. 76]

16)  "internationaal": betrekking hebbend op een actie waarbij ten minste één niet met het programma geassocieerd derde land betrokken is;

17)  "virtuele samenwerking": elke vorm van samenwerking met behulp van informatie- en communicatietechnologie;

18)  "instelling voor hoger onderwijs": elke soort instelling voor hoger onderwijs entiteit die, overeenkomstig het nationale recht of de nationale praktijk, opleidt voor erkende graden of andere erkende kwalificaties op tertiair niveau, ongeacht de naam die dergelijke instellingen dragen, alsmede elke andere soort instelling voor hoger onderwijs vergelijkbare entiteit die door de nationale autoriteiten wordt geacht in aanmerking te komen voor deelname aan het programma op hun respectieve grondgebied; [Am. 77]

19)  "transnationaal": betrekking hebbend op een actie waarbij ten minste twee landen betrokken zijn die lidstaten zijn of met het programma geassocieerde derde landen;

20)  "jongerenparticipatie": een buitenschoolse activiteit die wordt uitgeoefend door informele groepen jongeren en/of jeugdorganisaties, en gekenmerkt is door een niet-formele of informele leerbenadering en door ondersteuning voor toegankelijkheid en inclusie; [Am. 78]

21)  "jeugdwerker": een persoon die beroepsmatig of op vrijwillige basis betrokken is bij niet-formeel of informeel leren en jongeren begeleidt bij hun persoonlijke ontwikkeling, onder meer hun leer- en beroepsontwikkeling en de ontwikkeling van hun competenties; [Am. 79]

22)  "EU-jongerendialoog": de dialoog met tussen beleidsmakers, besluitvormers, deskundigen, onderzoekers of belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld, al naar gelang, en jongeren en jeugdorganisaties; deze dialoog biedt , die een forum biedt voor permanent gezamenlijk overleg over de prioriteiten, de uitvoering en de follow- up van de Europese samenwerking in jeugdzaken op alle gebieden die voor jongeren van belang zijn; [Am. 80]

23)  "met het programma geassocieerd derde land": een derde land dat partij is bij een overeenkomst met de Unie op grond waarvan het kan deelnemen aan het programma en dat voldoet aan alle bij deze verordening aan de lidstaten opgelegde verplichtingen; [Am. 81]

24)  "juridische entiteit": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben, dan wel een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel [197, lid 2, onder c),] van het Financieel Reglement;

25)  "kansarme personen": personen die kampen met achtergesteld zijn bij de toegang tot het programma als gevolg van uiteenlopende belemmeringen die hen om economische, sociale, culturele, geografische of gezondheidsredenen, wegens hun migratieachtergrond of om redenen zoals voortkomen uit bijvoorbeeld een handicap, gezondheidsproblemen, en leerproblemen ervan weerhouden daadwerkelijk toegang te hebben tot de mogelijkheden in het kader van het programma , een migratieachtergrond, culturele verschillen, hun economische, sociale en geografische situatie, bijvoorbeeld personen uit gemarginaliseerde gemeenschappen of personen die het risico lopen te worden gediscrimineerd op grond van een van de redenen als bedoeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; [Am. 82]

26)  "nationale autoriteit": de autoriteit die op nationaal niveau is belast met de monitoring van en het toezicht op het beheer van het programma in een lidstaat of in een met het programma geassocieerd derde land;

27)  "nationaal agentschap": een of meer organen die in een bepaalde lidstaat of met het programma geassocieerd derde land belast is of zijn met het beheer van de uitvoering van het programma op nationaal niveau. In een bepaalde lidstaat of met het programma geassocieerd derde land kan er meer dan een nationaal agentschap zijn;

27 bis)  "excellentiekeur": het kwaliteitslabel dat wordt toegekend aan voor het programma ingediende projecten die zijn voorgedragen voor financiering, maar die omwille van begrotingsbeperkingen niet ontvangen; met de keur wordt de waarde van het voorstel onderkend en wordt de zoektocht naar alternatieve financiering ondersteund. [Am. 83]

Artikel 3

Doelstellingen van het programma

1.  De algemene doelstelling van het programma is de educatieve, beroeps- en persoonlijke ontwikkeling van personen in onderwijs, opleiding, jeugd jeugdactiviteiten en sport via een leven lang leren, zowel in Europa als daarbuiten, te ondersteunen en zo bij te dragen tot duurzame groei, werkgelegenheid en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid, sociale samenhang en inclusie, de bevordering van actief burgerschap en de versterking van de Europese identiteit. Als zodanig wordt het programma een belangrijk instrument voor de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte, het aanjagen van innovatie in onderwijs en opleiding, de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de Europese strategische samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding, met haar onderliggende sectorale agenda's, de bevordering van de samenwerking inzake jeugdbeleid in het kader van de strategie van de Unie voor jongeren 2019‑2027 en de ontwikkeling van een Europese dimensie in de sport. [Am. 84]

2.  De specifieke doelstellingen van het programma zijn:

a)  de bevordering van de leermobiliteit van particulieren, en van samenwerking, inclusie, gelijkwaardigheid, excellentie, creativiteit en innovatie op het niveau van organisaties en beleid op het gebied van onderwijs en opleiding; [Am. 85]

b)  de bevordering van de mobiliteit voor niet-formeel en informeel leren, intercultureel leren, kritisch denkvermogen en de actieve participatie van jongeren, en van samenwerking, inclusie, kwaliteit, creativiteit en innovatie op het niveau van organisaties en beleid op jeugdgebied; [Am. 86]

c)  de bevordering van de leermobiliteit binnen de breedtesport van sportcoaches en personeel sportpersoneel en jongeren die regelmatig een sport beoefenen in georganiseerd verband, en van samenwerking, inclusie, creativiteit en innovatie op het niveau van de sportorganisaties en het sportbeleid; [Am. 87]

c bis)  de bevordering van een leven lang leren door een sectoroverschrijdende benadering van formele, niet-formele en informele leeromgevingen en door de ondersteuning van flexibele leertrajecten. [Am. 88]

2 bis.  Het programma omvat ook een versterkte internationale dimensie die gericht is op ondersteuning van het externe optreden en de ontwikkelingsdoelstellingen van de Unie, via samenwerking tussen de Unie en derde landen. [Am. 89]

3.  De doelstellingen van het programma worden nagestreefd door middel van de volgende drie kernacties:

a)  leermobiliteit ("kernactie 1");

b)  samenwerking tussen organisaties en instellingen ("kernactie 2"); en

c)  ondersteuning van beleidsontwikkeling en samenwerking ("kernactie 3").

De doelstellingen worden ook nagestreefd door middel van de in artikel 7 omschreven Jean Monnet-acties.

Alle programma-acties behelzen een sterke leercomponent die bijdraagt aan de verwezenlijking van de in dit artikel neergelegde doelstellingen van het programma. De beschrijving van de in het kader van elke kernactie ondersteunde acties is te vinden in hoofdstuk II (Onderwijs en opleiding), hoofdstuk III (Jeugd) en hoofdstuk IV (Sport). De operationele doelstellingen en de overeenkomstige beleidsprioriteiten voor elke actie worden nauwkeurig gespecificeerd in het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 19. [Am. 90]

Artikel 3 bis

Europese toegevoegde waarde

1.  Het programma ondersteunt alleen de acties en activiteiten die een potentiële Europese meerwaarde met zich meebrengen en bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 3.

2.  De Europese meerwaarde van de acties en activiteiten van het programma wordt bijvoorbeeld gegarandeerd door hun:

a)  transnationale karakter, met name wat betreft mobiliteit en samenwerking, gericht op het bereiken van een duurzaam systeemeffect;

b)  complementariteit en synergieën met andere programma's en beleid op nationaal, internationaal en Unieniveau;

c)  bijdrage aan een doeltreffend gebruik van instrumenten van de Unie voor transparantie en erkenning;

d)  bijdrage aan de ontwikkeling van Uniebrede normen voor kwaliteitsborging, waaronder handvesten;

e)  bijdrage aan de ontwikkeling van Uniebrede gemeenschappelijke normen voor onderwijs- en opleidingsprogramma's;

f)  bevordering van de interculturele en interreligieuze dialoog in de Unie;

g)  bijdrage aan de bevordering van meertaligheid in de Unie; of

h)  bevordering van een Europees gevoel van verbondenheid en de versterking van een gemeenschappelijk Europees burgerschap. [Am. 91]

HOOFDSTUK II

ONDERWIJS EN OPLEIDING

Artikel 4

Kernactie 1

Leermobiliteit

Op het gebied van onderwijs en opleiding ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 1:

a)  de mobiliteit van studenten en personeel in het hoger onderwijs;

b)  de mobiliteit van lerenden en personeel in beroepsonderwijs en -opleiding;

c)  de mobiliteit van scholieren en schoolpersoneel, waaronder leerkrachten in het kleuteronderwijs en medewerkers in voor- en vroegschoolse educatie en opvang; [Am. 92]

d)  de mobiliteit van van studenten en personeel in het volwassenenonderwijs; [Am. 93]

e)  mogelijkheden voor het leren van talen, inclusief die welke mobiliteitsactiviteiten ondersteunen.

Het programma ondersteunt maatregelen voor virtueel leren en gemengd leren om de in lid 1 genoemde mobiliteitsactiviteiten te vergezellen. Ook steunt het dergelijke maatregelen voor personen die niet in staat zijn deel te nemen aan deze mobiliteitsactiviteiten.

De Commissie ziet er in voorkomend geval op toe dat hulpmiddelen voor virtueel en gemengd leren die zijn ontwikkeld in het kader van het programma beschikbaar worden gesteld aan het grote publiek. [Am. 94]

Er kan ondersteuning worden geboden voor de voorbereiding van de in dit artikel bedoelde mobiliteitsactiviteiten, waaronder in voorkomend geval voor voorbereidende bezoeken. [Am. 95]

Artikel 5

Kernactie 2

Samenwerking tussen organisaties en instellingen

Op het gebied van onderwijs en opleiding ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 2:

a)  strategische partnerschappen voor samenwerking en uitwisseling van goede praktijken, inclusief kleinschalige partnerschappen ter bevordering van een bredere en meer inclusieve toegang tot het programma; [Am. 96]

b)  partnerschappen voor excellentie, met name Europese universiteiten, kenniscentra voor beroepsopleiding en gezamenlijke mastergraden master- of doctorsgraden in het kader van Erasmus Mundus; Europese universiteiten en kenniscentra voor beroepsopleiding omvatten ten minste één in een lidstaat gevestigde entiteit; [Am. 97]

c)  partnerschappen voor innovatie, zoals allianties voor volwassenenonderwijs, ter versterking van de Europese innovatiecapaciteit; [Am. 98]

d)  toegankelijke en gebruiksvriendelijke online platforms en hulpmiddelen voor virtuele samenwerking, inclusief de ondersteunende diensten voor eTwinning en voor het elektronisch platform voor volwassenenonderwijs in Europa, hulpmiddelen om het gebruik van het "Universele ontwerp voor leermethoden" te bevorderen, alsook hulpmiddelen die de mobiliteit vergemakkelijken, zoals de Europese studentenpas als bedoeld in artikel 25, lid 7 quater; [Am. 99]

d bis)  gerichte capaciteitsopbouw op het vlak van hoger onderwijs in derde landen die niet zijn verbonden aan het programma. [Am. 100]

Artikel 6

Kernactie 3

Ondersteuning van beleidsontwikkeling en samenwerking

Op het gebied van onderwijs en opleiding ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 3:

a)  de voorbereiding en uitvoering van de algemene en sectorale beleidsagenda's op het gebied van onderwijs en opleiding, mede met de steun van het Eurydice-netwerk of activiteiten van andere relevante organisaties;

b)  de ondersteuning van instrumenten en maatregelen van de Unie ter bevordering van de kwaliteit, de transparantie, en de erkenning en het bijhouden van competenties, vaardigheden en kwalificaties(34); [Am. 101]

c)  de beleidsdialoog, en de samenwerking met belangrijke en de ondersteuning van relevante belanghebbenden, inclusief Uniewijde netwerken, Europese niet-gouvernementele organisaties en internationale organisaties op het gebied van onderwijs en opleiding; [Am. 102]

d)  maatregelen die bijdragen tot de kwalitatieve kwalitatief hoogwaardige en inclusieve uitvoering van het programma; [Am. 103]

e)  samenwerking met andere instrumenten van de Unie en ondersteuning van ander beleid van de Unie;

f)  verspreidings- en bewustmakingsactiviteiten over Europese beleidsresultaten en -prioriteiten en over het programma.

Artikel 7

Jean Monnet-acties

Het programma ondersteunt onderwijs, leren, onderzoek en discussie over de Europese integratie en over de toekomstige uitdagingen en mogelijkheden van de Unie door middel van de volgende acties: [Am. 104]

a)  Jean Monnet-actie op het gebied van het hoger onderwijs; [Am. 105]

b)  Jean Monnet-actie op andere alle onderwijs- en opleidingsgebieden; [Am. 106]

c)  steun aan de volgende instellingen met een doelstelling van Europees belang: het Europees Universitair Instituut in Florence, inclusief zijn school voor transnationale governance; het Europacollege (campussen Brugge en Natolin); het Europees Instituut voor Bestuurskunde in Maastricht; de Academie voor Europees Recht in Trier; het Europees Agentschap voor bijzondere onderwijsbehoeften en inclusief onderwijs in Odense en het Internationaal Centrum voor Europese vorming in Nice.

HOOFDSTUK III

JEUGD

Artikel 8

Kernactie 1

Leermobiliteit

Op het gebied van jeugd ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 1:

a)  de mobiliteit van jongeren;

b)  de participatie van jongeren;

c)  DiscoverEU-activiteiten;

d)  de mobiliteit van jeugdwerkers.

Artikel 9

Kernactie 2

Samenwerking tussen organisaties en instellingen

Op het gebied van jeugd ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 2:

a)  strategische partnerschappen voor samenwerking en uitwisseling van goede praktijken, inclusief kleinschalige partnerschappen ter bevordering van een bredere en meer inclusieve toegang tot het programma; [Am. 107]

b)  partnerschappen voor innovatie ter versterking van de Europese innovatiecapaciteit;

c)  toegankelijke en gebruikersvriendelijke online platforms en hulpmiddelen voor virtuele samenwerking. [Am. 108]

Artikel 10

Kernactie 3

Ondersteuning van beleidsontwikkeling en samenwerking

Op het gebied van jeugd ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 3:

a)  de voorbereiding en de uitvoering van de beleidsagenda van de Unie op het gebied van jeugd, in voorkomend geval met ondersteuning van het Youth Wiki-netwerk; [Am. 109]

b)  instrumenten en maatregelen van de Unie ter bevordering van de kwaliteit, de transparantie en de erkenning van competenties en vaardigheden, in het bijzonder door middel van de jongerenpas (Youthpass);

c)  de beleidsdialoog, en de samenwerking met en de ondersteuning van relevante belangrijke belanghebbenden, inclusief Uniewijde netwerken, Europese niet-gouvernementele organisaties en internationale organisaties op het gebied van jeugd, de EU-jongerendialoog, en de ondersteuning van het Europees Jeugdforum; [Am. 110]

d)  maatregelen die bijdragen tot de kwalitatieve kwalitatief hoogwaardige en inclusieve uitvoering van het programma; [Am. 111]

e)  samenwerking met andere instrumenten van de Unie en ondersteuning van ander beleid van de Unie;

f)  verspreidings- en bewustmakingsactiviteiten over Europese beleidsresultaten en -prioriteiten en over het programma.

HOOFDSTUK IV

SPORT

Artikel 11

Kernactie 1

Leermobiliteit

Op het gebied van sport ondersteunt het programma in het kader van kernactie 1 de mobiliteit van jongeren die breedtesport beoefenen en sportcoaches en personeel sportpersoneel dat zich bezighoudt met breedtesport. [Am. 112]

Artikel 12

Kernactie 2

Samenwerking tussen organisaties en instellingen

Op het gebied van sport ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 2:

a)  partnerschappen voor samenwerking en uitwisseling van goede praktijken, inclusief kleinschalige partnerschappen ter bevordering van een bredere en meer inclusieve toegang tot het programma;

b)  sportevenementen zonder winstoogmerk, waaronder kleinschalige evenementen, die gericht zijn op de verdere ontwikkeling van de Europese dimensie van de sport beogen. [Am. 113]

Artikel 13

Kernactie 3

Ondersteuning van beleidsontwikkeling en samenwerking

Op het gebied van sport ondersteunt het programma de volgende acties in het kader van kernactie 3:

a)  de voorbereiding en de uitvoering van de beleidsagenda van de Unie op het gebied van sport en lichaamsbeweging;

b)  de beleidsdialoog en de samenwerking met relevante belangrijke belanghebbenden, inclusief Europese niet-gouvernementele organisaties en internationale organisaties op het gebied van sport; [Am. 114]

b bis)  maatregelen die bijdragen tot de kwalitatief hoogwaardige en inclusieve uitvoering van het programma; [Am. 115]

b ter)  samenwerking met andere instrumenten van de Unie en ondersteuning van ander beleid van de Unie; [Am. 116]

c)  verspreidings- en bewustmakingsactiviteiten over Europese beleidsresultaten en prioriteiten en over het programma, inclusief sportprijzen en -onderscheidingen.

Hoofdstuk IV bis

INCLUSIE [Am. 117]

Artikel 13 bis

Inclusiestrategie [Am. 118]

1.  De Commissie ontwikkelt uiterlijk 31 maart 2021 een kader van inclusiemaatregelen, en richtsnoeren voor de uitvoering daarvan. Op basis van dat kader en met speciale aandacht voor de specifieke problemen met de toegankelijkheid van het programma in de nationale context, ontwikkelen de nationale agentschappen een meerjarige nationale inclusiestrategie. Die strategie wordt uiterlijk 30 juni 2021 bekendgemaakt en de uitvoering wordt regelmatig gemonitord.

2.  In het kader en de strategie als bedoeld in lid 1 wordt bijzondere aandacht geschonken aan de volgende aspecten:

a)  samenwerking met sociale partners, nationale en lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld;

b)  steun aan lokale, gemeenschapsgerichte organisaties die rechtstreeks met de doelgroepen samenwerken;

c)  contact met en communicatie aan de doelgroepen, onder andere via de verspreiding van gebruikersvriendelijke informatie;

d)  vereenvoudiging van aanvraagprocedures;

e)  verlening van specifieke adviezen, trainingen en ondersteunende diensten aan de doelgroepen, voorafgaand aan hun aanvraag maar ook als voorbereiding op hun daadwerkelijke deelname aan het programma;

f)  optimale werkmethoden op het vlak van toegankelijkheid en ondersteunende diensten voor mensen met een handicap;

g)  verzameling van de juiste kwalitatieve en kwantitatieve gegevens om de doeltreffendheid van de strategie te evalueren;

h)  toepassing van financiële steunmaatregelen in overeenstemming met artikel 13 ter. [Am. 118]

Artikel 13 ter

Financiële steunmaatregelen voor inclusie

1.  De Commissie en de lidstaten werken samen om te garanderen dat er passende financiële steunmaatregelen, waaronder in voorkomend geval voorfinanciering, worden genomen om kansarmen te ondersteunen die om financiële redenen niet in staat zijn deel te nemen aan het programma, hetzij vanwege economische moeilijkheden, hetzij omdat de extra kosten van deelname aan het programma vanwege hun specifieke situatie een obstakel vormt. De beoordeling van de financiële redenen en de hoogte van de steun is gebaseerd op objectieve criteria.

2.  De financiële steunmaatregelen bedoeld in lid 1 kunnen betrekking hebben op:

a)  steun die beschikbaar is uit andere instrumenten van de Unie, zoals het Europees Sociaal Fonds+;

b)  steun die beschikbaar is uit nationale regelingen;

c)  aanpassing en aanvulling van steun voor mobiliteitsacties die beschikbaar zijn in het kader van het programma.

3.  Teneinde te voldoen aan lid 2, onder c), van dit artikel, wijzigt de Commissie indien nodig de subsidies ter ondersteuning van de mobiliteitsacties in het kader van het programma of staat zij de nationale agentschappen toe dat te doen. De Commissie stelt tevens, in overeenstemming met de bepalingen in artikel 14 bis, een speciale begroting op voor de financiering van aanvullende financiële steunmaatregelen in het kader van het programma.

4.  De kosten van maatregelen ter bevordering of ondersteuning van inclusie vormen onder geen beding een rechtvaardiging voor de weigering van een aanvraag. [Am. 119]

HOOFDSTUK V

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 14

Begroting

1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021‑2027 bedragen 30 000 000 000 EUR 41 097 000 000 EUR, uitgedrukt in constante prijzen van 2018 (46 758 000 000 EUR in lopende prijzen). [Am. 120]

De jaarlijkse kredieten worden door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurd binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader. [Am. 121]

2.  Het programma wordt ten uitvoer gelegd overeenkomstig de volgende indicatieve verdeling:

a)  24 940 000 000 EUR 83 % van het in lid 1 vermelde bedrag voor acties op het gebied van onderwijs en opleiding, waarvan [Am. 122]

1)  ten minste 8 640 000 000 EUR voor 34,66 % wordt toegewezen aan acties inzake gedecentraliseerd hoger onderwijs als bedoeld in artikel 4, punt a), en artikel 5, punt a); [Am. 123]

2)  ten minste 5 230 000 000 EUR voor 23 % wordt toegewezen aan acties inzake beroepsonderwijs en -opleiding als bedoeld in artikel 4, punt b), en artikel 5, punt a); [Am. 124]

3)  ten minste 3 790 000 000 EUR voor 15,63 % wordt toegewezen aan acties inzake schoolonderwijs, met inbegrip van voor- en vroegschoolse educatie, als bedoeld in artikel 4, punt c), en artikel 5, punt a); [Am. 125]

4)  ten minste 1 190 000 000 EUR voor 6 % wordt toegewezen aan acties inzake volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 4, punt d), en artikel 5, punt a); [Am. 126]

5)  450 000 000 EUR voor 1,8 % wordt toegewezen aan Jean Monnet-acties als bedoeld in artikel 7; [Am. 127]

5 bis)  13,91 % van het in punt a) van dit lid bedoelde bedrag wordt toegewezen aan acties die hoofdzakelijk rechtstreeks beheerd worden, waaronder de acties als bedoeld in artikel 4, punt e), artikel 5, punten b) tot en met d), en artikel 6, punten a) tot en met f); [Am. 128]

5 ter)  de resterende 5 % kan worden gebruikt voor de financiering van acties uit hoofdstuk II; [Am. 129]

b)  3 100 000 000 EUR 10,3 % van het in lid 1 vermelde bedrag voor acties op het gebied van jeugd als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 10; [Am. 130]

c)  550 000 000 EUR 2 % van het in lid 1 vermelde bedrag voor acties op het gebied van sport als bedoeld in de artikelen 11 tot en met 13; en [Am. 131]

d)  ten minste 960 000 000 EUR ten minste 3,2 % van het in lid 1 vermelde bedrag als bijdrage in de operationele kosten van de nationale agentschappen. [Am. 132]

De resterende 1,5 % die niet wordt toegewezen op grond van de indicatieve verdeling als voorzien in de eerste alinea kan worden gebruikt voor programmaondersteuning. [Am. 133]

3.  In aanvulling op de in lid 1 vermelde financiële middelen, en teneinde de internationale dimensie van het programma te bevorderen, wordt worden ter ondersteuning van acties die worden opgezet en uitgevoerd en beheerd overeenkomstig uit hoofde van deze verordening een aanvullende financiële bijdrage beschikbaar gesteld op grond van financiële bijdragen verstrekt krachtens Verordening .../... [Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking](35) en Verordening .../... [IPA III](36). Die bijdrage wordt gefinancierd overeenkomstig de verordeningen tot vaststelling van die instrumenten Deze verordening is van toepassing op het gebruik van die middelen, waarbij de naleving van de verordeningen over het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking resp. IPA III wordt gewaarborgd. [Am. 134]

4.  Het in lid 1 bedoelde bedrag kan worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van het programma, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen en advies en training over toegankelijkheid. [Am. 135]

5.  Onverminderd het Financieel Reglement kunnen uitgaven voor acties in het kader van projecten die zijn opgenomen in het eerste werkprogramma vanaf 1 januari 2021 in aanmerking komen.

6.  Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a),] van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.

6 bis.  De in lid 2 genoemde prioriteiten voor de begrotingstoewijzing per actie worden bepaald in het werkprogramma als bedoeld in artikel 19. [Am. 136]

Artikel 15

Vormen van EU-financiering en wijze van uitvoering

1.  Het programma wordt op consistente wijze uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel [61, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement.

2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies, prijzen en aanbestedingen.

3.  Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kunnen dienen ter dekking van het risico in verband met de terugvordering van door de begunstigden verschuldigde middelen en worden beschouwd als een toereikende garantie in de zin van het Financieel Reglement. De bepalingen van [artikel X van] Verordening X [opvolger van de verordening betreffende het Garantiefonds] zijn van toepassing.

HOOFDSTUK VI

DEELNAME AAN HET PROGRAMMA

Artikel 16

Met het programma geassocieerde derde landen

1.  Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:

a)  landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;

b)  toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

c)  landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

d)  andere derde landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst:

–  een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma's van de Unie deelneemt;

–  de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5,] van het Financieel Reglement;

–  het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

–  de rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt.

2.  De in lid 1 bedoelde landen nemen slechts volledig aan het programma deel voor zover zij voldoen aan alle verplichtingen die deze verordening oplegt aan de lidstaten.

Artikel 17

Niet met het programma geassocieerde derde landen

Met betrekking tot de acties waarvan sprake is in de artikelen 4 tot en met 6, artikel 7, punten a) en b), en de artikelen 8 tot en met 10, 12 en 13, kan het programma in terdege gemotiveerde gevallen, in het belang van de Unie openstaan voor deelname van de volgende juridische entiteiten uit een derde landen: land.

a)  in artikel 16 bedoelde derde landen die niet voldoen aan de voorwaarde van lid 2 van dat artikel;

b)  elk ander derde land. [Am. 137]

Artikel 18

Regels inzake direct en indirect beheer

1.  Het programma staat open voor deelname van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke juridische entiteiten die actief zijn op het gebeid van onderwijs, opleiding, jeugd en sport.

2.  Bij de uitvoering van het programma, onder meer bij de selectie van de deelnemers en de toekenning van beurzen, zorgen de Commissie en de lidstaten ervoor dat inspanningen worden verricht om sociale inclusie te bevorderen en om kansarme personen beter te bereiken. [Am. 138]

3.  Voor selecties in het kader van zowel direct als indirect beheer kan het in artikel [145, lid 3, derde streepje,] van het Financieel Reglement bedoelde evaluatiecomité bestaan uit externe deskundigen.

4.  Overheidsinstanties, alsmede instellingen en organisaties op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport die in de afgelopen twee jaar meer dan vijftig procent van hun jaarlijkse inkomsten hebben betrokken uit publieke bronnen, worden geacht te beschikken over de nodige financiële, professionele en administratieve capaciteit voor het uitvoeren van activiteiten in het kader van het programma. Zij hoeven geen verdere documentatie ter staving van die capaciteit in te dienen.

4 bis.  De hoogte van de financiële steun, zoals subsidies, vaste vergoedingen, vaste percentages en eenheidskosten, wordt regelmatig herzien en aangepast aan de levens- en verblijfkosten in het gastland of de gastregio, op basis van cijfers van Eurostat. Bij de aanpassing van de levens- en verblijfkosten wordt terdege rekening gehouden met de reiskosten van en naar het gastland of de gastregio. [Am. 139]

5.  Teneinde de toegang van kansarme personen te verbeteren en te zorgen voor een vlotte uitvoering van het programma, kan de Commissie op basis van objectieve criteria de subsidies ter ondersteuning van de mobiliteitsacties van het programma wijzigen of toestaan dat de in artikel 23 bedoelde nationale agentschappen dat doen. [Am. 140]

6.  De Commissie kan met niet met het programma geassocieerde derde landen of organisaties en instellingen uit die landen gezamenlijke oproepen doen voor financiering van projecten op basis van overeenstemmende financiële steun. De projecten kunnen worden geëvalueerd en geselecteerd overeenkomstig gezamenlijke evaluatie- en selectieprocedures die door de betrokken financierende instellingen worden overeengekomen, overeenkomstig de beginselen die vastgelegd zijn in het Financieel Reglement.

HOOFDSTUK VII

PROGRAMMERING, MONITORING EN EVALUATIE

Artikel 19

Werkprogramma

Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's De nadere beleidsmaatregelen en prioriteiten, waaronder de details van de specifieke initiatieven als beschreven in de artikelen 4 tot en met 13, worden vastgesteld door middel van een werkprogramma als bedoeld in artikel [108] 110 van het Financieel Reglement. In het werkprogramma wordt ook vastgelegd hoe het programma moet worden uitgevoerd. Bovendien bevat het werkprogramma een indicatie van het voor elke actie toegewezen bedrag en van de verdeling van middelen tussen de lidstaten en met het programma geassocieerde derde landen voor de acties die worden beheerd door het nationale agentschap. Het werkprogramma wordt door de Commissie vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 31 bedoelde onderzoeksprocedure is bevoegd ter aanvulling op deze verordening overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de goedkeuring van het werkprogramma. [Am. 141]

Artikel 20

Monitoring en verslaglegging

1.  Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde algemene en specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in de bijlage.

2.  Teneinde te zorgen voor een effectieve beoordeling van de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlage om indien nodig de indicatoren te herzien of aan te vullen en tot aanvulling van deze verordening met bepalingen inzake de vaststelling van een kader voor monitoring en evaluatie.

3.  Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de evaluatie van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig en voldoende gedetailleerd worden verzameld door begunstigden van middelen van de Unie in de zin van artikel [2, punt 5,] van het Financieel Reglement. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en de lidstaten.

Artikel 21

Evaluatie Evaluaties, tussentijdse evaluatie en herziening [Am. 142]

1.  Alle evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen. [Am. 143]

2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen in geen geval later dan 31 december 2024. Deze gaat vergezeld van een eindevaluatie van het vorige programma, die wordt meegenomen in de tussentijdse evaluatie. Naast een beoordeling van de algehele doeltreffendheid en resultaten van het programma worden in de tussentijdse evaluatie met name de invoering van de in hoofdstuk IV bis vastgelegde inclusiemaatregelen, de stappen die zijn genomen om het programma voor de begunstigden te vereenvoudigen en de uitvoering van de nieuwe initiatieven als genoemd in artikel 5, onder b), en artikel 8, onder c), geëvalueerd. Tevens wordt de uitsplitsing van de deelname aan het programma onderzocht, met name van kansarmen. [Am. 144]

3.  Onverminderd de vereisten van hoofdstuk IX en de in artikel 24 bedoelde verplichtingen van de nationale agentschappen, dienen de lidstaten uiterlijk op 30 april 2024 bij de Commissie een verslag in over de uitvoering en de impact van het programma op hun respectieve grondgebied. De EDEO dient een vergelijkbaar verslag in over de uitvoering en de impact van het programma in de deelnemende ontwikkelingslanden. [Am. 145]

3 bis.  De Commissie dient waar nodig op grond van de tussentijdse evaluatie wetgevingsvoorstellen in tot wijziging van deze verordening. De Commissie verschijnt voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement en het bevoegde orgaan van de Raad om verslag uit te brengen over de tussentijdse evaluatie, met inbegrip van haar standpunt over de vraag of wijziging van deze verordening noodzakelijk is. [Am. 146]

4.  Aan het einde van de uitvoeringsperiode, doch uiterlijk vier drie jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit. [Am. 147]

5.  De Commissie deelt de conclusies van de zendt alle evaluaties, inclusief de tussentijdse evaluatie, tezamen met haar opmerkingen mee toe aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. [Am. 148]

HOOFDSTUK VIII

INFORMATIE, COMMUNICATIE EN VERSPREIDING

Artikel 22

Informatie, communicatie en verspreiding

1.  In samenwerking met de Commissie en op basis van een kader dat voor de hele Unie geldt, ontwikkelen de in artikel 24 bedoelde nationale agentschappen ontwikkelen een consistente strategie voor een doeltreffende outreach en voor de verspreiding en benutting van de resultaten van activiteiten die worden gesteund in verband met de door hen in het kader van het programma beheerde acties, enstaan de Commissie bij in de uitvoering van haar algemene taak van voorlichting over het programma, met inbegrip van informatie over de op nationaal en Unieniveau beheerde acties en activiteiten, en de resultaten ervan. Nationale agentschappen informeren relevante doelgroepen over de acties die in hun land zijn ondernomen, om de samenwerking tussen belanghebbenden te verbeteren en een sectoroverschrijdende benadering van de uitvoering van het programma te ondersteunen. Bij de uitvoering van hun communicatie- en voorlichtingsactiviteiten en bij de verspreiding van informatie besteden de Commissie en nationale agentschappen overeenkomstig hoofdstuk IV bis specifieke aandacht aan kansarmen om hun deelname aan het programma te stimuleren. [Am. 149]

1 bis.  Alle essentiële programmadocumenten voor begunstigden, waaronder aanvraagformulieren, instructies en belangrijke informatie, worden tenminste in alle officiële talen van de Unie beschikbaar gesteld. [Am. 150]

2.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie, met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten, door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.

3.  De juridische entiteiten in de sectoren die onder het programma vallen, gebruiken het merk "Erasmus+" voor communicatie- en voorlichtingsdoeleinden in verband met het programma.

4.  De Commissie voert op toegankelijke wijze informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma, de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen. [Am. 151]

4 bis.  Nationale agentschappen verspreiden ook informatie over het programma aan diensten voor loopbaanbegeleiding in onderwijs- en opleidingsinstellingen en aan diensten voor arbeidsvoorziening. [Am. 152]

HOOFDSTUK IX

Beheers- en auditsysteem

Artikel 23

Nationale autoriteit

1.  Uiterlijk [...] maken de lidstaten door middel van een formele kennisgeving door hun permanente vertegenwoordiging aan de Commissie de persoon of personen bekend die wettelijk gemachtigd is of zijn om namens de lidstaat voor de toepassing van deze verordening als nationale autoriteit te handelen. Indien de nationale autoriteit gedurende de looptijd van het programma wordt vervangen, stelt de betrokken lidstaat de Commissie hiervan volgens dezelfde procedure onverwijld in kennis.

2.  De lidstaten treffen alle nodige en passende maatregelen om wettelijke en administratieve belemmeringen voor de goede werking van het programma weg te nemen, waar mogelijk ook maatregelen gericht op het vermijden van belastingen op subsidies, het waarborgen van de meeneembaarheid van rechten tussen de sociale stelsels van de Unie en het oplossen van problemen die het verkrijgen van een visum of een verblijfsvergunning bemoeilijken. [Am. 153]

3.  Uiterlijk [...] wijst de nationale autoriteit een nationaal agentschap of nationale agentschappen aan. Wanneer er meer dan één nationaal agentschap is, stellen de lidstaten een passende regeling vast om het beheer van de uitvoering van het programma op nationaal niveau te coördineren, in het bijzonder met het doel te zorgen voor een coherente en kostenefficiënte uitvoering van het programma en voor effectieve contacten met de Commissie in dit verband en het doel de mogelijke overdracht van middelen tussen agentschappen te faciliteren, en aldus voor flexibiliteit en een beter gebruik van aan de lidstaten toegewezen middelen te zorgen. Elke lidstaat bepaalt hoe de betrekkingen tussen zijn nationale autoriteit en het nationaal agentschap worden georganiseerd, onder meer wat taken als de opstelling van het werkprogramma van het nationaal agentschap betreft.

De nationale autoriteit verschaft de Commissie een passende evaluatie vooraf van de naleving, waarbij wordt verklaard dat het nationale agentschap voldoet aan artikel [58, lid 1,] onder c), v) en vi), en artikel [60, leden 1, 2 en 3,] van het Financieel Reglement en aan de vereisten van de Unie betreffende interne toezichtsnormen voor nationale agentschappen en voorschriften voor het beheer van middelen van het programma die bestemd zijn voor de verlening van subsidies.

4.  De nationale autoriteit wijst een onafhankelijk auditorgaan zoals bedoeld in artikel 26 aan.

5.  De nationale autoriteit baseert haar evaluatie vooraf van de naleving op haar eigen controles en audits, en/of op controles en audits die zijn verricht door het in artikel 26 bedoelde onafhankelijke auditorgaan. Indien het voor het programma aangewezen nationale agentschap hetzelfde is als het nationale agentschap dat voor het vorige programma was aangewezen, wordt de reikwijdte van de evaluatie vooraf van de naleving beperkt tot de voorschriften die nieuw en specifiek voor het programma zijn.

6.  Indien de Commissie de aanwijzing van het nationale agentschap afwijst op basis van haar beoordeling van de evaluatie vooraf van de naleving, of indien het nationale agentschap niet voldoet aan de door de Commissie vastgestelde minimumeisen, zorgt de nationale autoriteit ervoor dat de noodzakelijke corrigerende maatregelen worden genomen opdat het nationale agentschap aan de minimumeisen voldoet of wijst zij een ander orgaan als nationaal agentschap aan.

7.  De nationale autoriteit houdt toezicht op en superviseert het beheer van de programma op nationaal niveau. Zij informeert en raadpleegt de Commissie tijdig over elk voorgenomen besluit dat aanzienlijke gevolgen zou kunnen hebben voor het beheer van het programma, met name wat het nationale agentschap betreft.

8.  De nationale autoriteit zorgt voor een passende medefinanciering van de werkzaamheden van haar nationale agentschap om te waarborgen dat het programma met naleving van de toepasselijke voorschriften van de Unie wordt beheerd.

9.  Op basis van de jaarlijkse beheersverklaring van het nationale agentschap, de onafhankelijke auditverklaring erover en de analyse door de Commissie van de naleving en de prestaties van het nationale agentschap, verstrekt de nationale autoriteit de Commissie elk jaar informatie over zijn toezichts- en supervisieactiviteiten betreffende het programma. Indien mogelijk wordt deze informatie openbaar gemaakt. [Am. 154]

10.  De nationale autoriteit is er verantwoordelijk voor dat de door de Commissie in het kader van het programma aan het nationale agentschap overgemaakte financiële middelen van de Unie naar behoren worden beheerd.

11.  Indien het nationale agentschap verantwoordelijk is voor onregelmatigheden, nalatigheden of fraude, of bij de uitoefening van zijn taken ernstig tekort schiet, of niet volledig aan zijn plichten voldoet, en dit aanleiding geeft tot vorderingen van de zijde van de Commissie jegens het nationale agentschap, dan is de betrokken nationale autoriteit aansprakelijk voor de terugbetaling aan de Commissie van eventueel niet teruggevorderde middelen.

12.  In de in lid 11 bedoelde omstandigheden mag de nationale autoriteit het mandaat van het nationale agentschap intrekken op eigen initiatief of op verzoek van de Commissie. Indien de nationale autoriteit het mandaat van het nationale agentschap om andere gerechtvaardigde redenen wil intrekken, stelt zij de Commissie hiervan ten minste zes maanden voor de beoogde datum van de beëindiging van het mandaat op de hoogte. In dat geval voorzien de nationale autoriteit en de Commissie formeel in gezamenlijk overeengekomen specifieke overgangsmaatregelen en -termijnen.

13.  In geval van intrekking voert de nationale autoriteit de noodzakelijke controles uit met betrekking tot de middelen van de Unie die zijn toevertrouwd aan het van zijn mandaat ontheven nationale agentschap, en draagt zij zorg voor een soepele overdracht van die middelen en van voor het beheer van het programma vereiste documenten en beheersinstrumenten aan het nieuwe nationale agentschap. De nationale autoriteit verschaft het van zijn mandaat ontheven nationale agentschap de noodzakelijke financiële ondersteuning zodat het zijn contractuele verplichtingen jegens de begunstigden van het programma en de Commissie kan blijven vervullen tijdens de overdracht van die verplichtingen aan een nieuw nationaal agentschap.

14.  Indien de Commissie daarom verzoekt, wijst de nationale autoriteit de instellingen of organisaties of de categorieën van dergelijke instellingen of organisaties aan die op haar grondgebied in aanmerking zouden kunnen komen voor deelname aan programma-acties.

Artikel 24

Nationaal agentschap

1.  Het nationaal agentschap:

a)  heeft rechtspersoonlijkheid of maakt deel uit van een instantie die rechtspersoonlijkheid heeft, en valt onder het recht van de betrokken lidstaat; ministeries mogen niet als nationale agentschappen worden aangewezen;

b)  beschikt over passende beheerscapaciteiten, voldoende personeel en adequate infrastructuur om zijn taken naar tevredenheid uit te oefenen en te zorgen voor een efficiënt en doeltreffend beheer van het programma en een goed financieel beheer van de middelen van de Unie;

b bis)  beschikt over de vereiste deskundigheid met betrekking tot alle sectoren van het programma; [Am. 155]

c)  beschikt over de nodige operationele en juridische middelen om de op Unieniveau vastgestelde administratieve, contractuele en financiële beheersvoorschriften toe te passen;

d)  biedt passende financiële garanties, bij voorkeur afgegeven door een overheidsinstantie, die overeenkomen met het bedrag aan middelen van de Unie die het moet gaan beheren;

e)  wordt aangewezen voor de duur van het programma.

2.  Het nationaal agentschap is verantwoordelijk voor het beheer van alle fasen van de projectcyclus van de acties die worden beschreven in het werkprogramma bedoeld in artikel [19], in overeenstemming met [artikel 58, lid 1, onder c), v) en vi),] van het Financieel Reglement.

3.  Het nationale agentschap verstrekt de subsidies aan begunstigden in de zin van artikel [2, punt 5,] van het Financieel Reglement in de vorm van een subsidieovereenkomst zoals die door de Commissie voor de betrokken actie van het programma wordt gespecificeerd.

4.  Het nationaal agentschap brengt jaarlijks verslag uit aan de Commissie en aan zijn nationale autoriteit overeenkomstig artikel [60, lid 5,] van het Financieel Reglement. Het nationaal agentschap is belast met de uitvoering van de opmerkingen die de Commissie maakt naar aanleiding van zijn jaarlijkse beheersverklaring, alsmede de onafhankelijke auditverklaring daarover.

5.  Het nationaal agentschap mag geen enkele taak met betrekking tot de uitvoering van het programma of de besteding van middelen delegeren aan een derde zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de nationale autoriteit en de Commissie. Het nationaal agentschap blijft als enige verantwoordelijk voor de taken die aan een derde gedelegeerd zijn.

6.  Wanneer het mandaat van het nationaal agentschap ingetrokken wordt, blijft het nationaal agentschap juridisch verantwoordelijk voor het vervullen van zijn contractuele verplichtingen jegens de begunstigden van het programma en de Commissie in afwachting van de overdracht van die verplichtingen aan een nieuw nationaal agentschap.

7.  Het nationaal agentschap is verantwoordelijk voor het beheer en de afwikkeling van de financiële overeenkomsten betreffende het vorige programma die bij het begin van het programma nog lopen.

7 bis.  In samenwerking met de Commissie zien de nationale agentschappen erop toe dat de procedures die voor de uitvoering van de verordening worden gehanteerd consistent en eenvoudig zijn en dat de informatie van hoge kwaliteit is, onder andere door gemeenschappelijke normen voor projectaanvragen en evaluatie te ontwikkelen. De nationale agentschappen raadplegen regelmatig begunstigden van het programma om naleving van deze vereiste te waarborgen. [Am. 156]

Artikel 25

Europese Commissie

1.  Op basis van de in artikel 23, lid 3, bedoelde nalevingsvoorschriften voor nationale agentschappen beoordeelt de Commissie de nationale beheers- en controlesystemen, met name aan de hand van de evaluatie vooraf van de naleving van de nationale autoriteit, de jaarlijkse beheersverklaring van het nationaal agentschap en de verklaring van het onafhankelijke auditorgaan daarover, naar behoren rekening houdend met de jaarlijkse informatie verstrekt door de nationale autoriteit over haar toezichts- en supervisieactiviteiten betreffende het programma.

2.  Binnen twee maanden na ontvangst van de in artikel 23, lid 3, bedoelde evaluatie vooraf van de naleving van de nationale autoriteit hecht de Commissie haar goedkeuring aan de aanwijzing van het nationaal agentschap, keurt zij die aanwijzing goed onder bepaalde voorwaarden of wijst zij deze af. De Commissie gaat geen contractuele betrekkingen met het nationaal agentschap aan voordat zij de evaluatie vooraf heeft goedgekeurd. Ingeval de Commissie de aanwijzing van het agentschap onder bepaalde voorwaarden goedkeurt, kan de Commissie in het kader van de contractuele betrekkingen met het nationaal agentschap aanvullende voorzorgsmaatregelen treffen.

3.  De Commissie stelt jaarlijks de volgende programmamiddelen beschikbaar aan het nationaal agentschap:

a)  middelen voor subsidieverlening in de betrokken lidstaat voor acties van het programma en waarvan het beheer is opgedragen aan het nationaal agentschap;

b)  een financiële bijdrage ter ondersteuning van de beheerstaken die het nationaal agentschap in verband met het programma uitoefent, die wordt vastgesteld op basis van het bedrag aan middelen van de Unie dat het nationaal agentschap met het oog op het verlenen van subsidies wordt toevertrouwd;

c)  in voorkomend geval, aanvullende middelen voor maatregelen in het kader van artikel 6, punt d), en artikel 10, punt d), en artikel 13, punt b bis). [Am. 157]

3 bis.  De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van acties die zij rechtstreeks beheert. Zij beheert dan ook alle stadia van de subsidie- en projectaanvragen voor programma-acties die zijn opgesomd in de hoofdstukken II, III en IV als ze zijn ingediend door netwerken die in de hele Unie actief zijn, of door Europese of internationale organisaties. [Am. 158]

4.  De Commissie stelt de vereisten voor het werkprogramma van het nationaal agentschap vast. De Commissie stelt geen programmamiddelen aan het nationaal agentschap beschikbaar tot na formele goedkeuring van het werkprogramma van het nationaal agentschap door de Commissie.

5.  Na de beoordeling van de jaarlijkse beheersverklaring en de verklaring van het onafhankelijke auditorgaan hierover, verstrekt de Commissie haar advies en opmerkingen hierover aan het nationaal agentschap en de nationale autoriteit.

6.  Indien de Commissie de jaarlijkse beheersverklaring of de onafhankelijke auditverklaring daarover niet kan aanvaarden of indien het nationaal agentschap geen bevredigend gevolg geeft aan de opmerkingen van de Commissie, kan de Commissie voorzorgs- of correctieve maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om de financiële belangen van de Unie te waarborgen overeenkomstig artikel [60, lid 4,] van het Financieel Reglement.

7.  De Commissie organiseert regelmatige bijeenkomsten met het netwerk van nationale agentschappen om zorg te dragen voor een coherente consistente tenuitvoerlegging van het programma in alle lidstaten en alle in artikel 17 bedoelde derde landen en om te zorgen voor de uitwisseling van optimale werkmethoden. Externe deskundigen, waaronder vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, sociale partners en met het programma geassocieerde derde landen, worden uitgenodigd om aan die bijeenkomsten deel te nemen. Het Europees Parlement wordt uitgenodigd om als waarnemer aan die bijeenkomsten deel te nemen. [Am. 159]

7 bis.  Om de aanvraagprocedure te vereenvoudigen en te harmoniseren, stelt de Commissie vóór 30 juni 2024 een gemeenschappelijk, meertalig, all-in-hulpmiddel voor het programma beschikbaar. Dit hulpmiddel wordt zowel online als op mobiele apparaten beschikbaar gemaakt voor alle entiteiten die door het programma begunstigd worden of bij het beheer van het programma betrokken zijn. Het hulpmiddel verschaft tevens informatie over mogelijke partners voor beoogde begunstigden. [Am. 160]

7 ter.  De Commissie ziet erop toe dat de projectresultaten openbaar worden gemaakt en in brede kring worden verspreid om de uitwisseling van optimale werkmethoden tussen nationale agentschappen, belanghebbenden en begunstigden van het programma te bevorderen. [Am. 161]

7 quater.  De Commissie ontwikkelt vóór 31 december 2021 een Europese studentenpas voor alle studenten die aan het programma deelnemen. De Commissie stelt de Europese studentenpas vóór 31 december 2025 beschikbaar aan alle studenten in de Unie. [Am. 162]

Artikel 26

Onafhankelijk auditorgaan

1.  Het onafhankelijk auditorgaan geeft een auditverklaring af over de in artikel [60, lid 5,] van het Financieel Reglement bedoelde jaarlijkse beheersverklaring. Die verklaring vormt de basis van de algemene zekerheid uit hoofde van artikel [123] van het Financieel Reglement.

2.  Het onafhankelijk auditorgaan:

a)  beschikt over de noodzakelijke beroepsbekwaamheid om audits in de publieke sector te verrichten;

b)  zorgt ervoor dat bij de auditwerkzaamheden internationaal aanvaarde auditnormen in acht worden genomen;

c)  verkeert niet in een belangenconflict met de juridische entiteit waarvan het nationaal agentschap deel uitmaakt. Met name is het functioneel onafhankelijk van de juridische entiteit waarvan het nationaal agentschap deel uitmaakt.

3.  Het onafhankelijk auditorgaan verschaft de Commissie en haar vertegenwoordigers alsmede de Rekenkamer volledige toegang tot alle documenten en rapporten ter staving van de auditverklaring die het afgeeft over de jaarlijkse beheersverklaring van het nationaal agentschap.

HOOFDSTUK X

CONTROLESYSTEEM

Artikel 27

Beginselen van het controlesysteem

1.  De Commissie neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze verordening gefinancierde acties, de financiële belangen van de Unie worden beschermd door middel van maatregelen ter bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door middel van doeltreffende controles en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, door middel van terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen en, voor zover van toepassing, door middel van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.

2.  De Commissie is verantwoordelijk voor de uitoefening van toezichthoudende controles met betrekking tot de programma-acties en -activiteiten die door de nationale agentschappen worden beheerd. Zij stelt minimumeisen vast voor de controles door het nationaal agentschap en het onafhankelijk auditorgaan, en houdt hierbij rekening met de systemen voor interne controle van de nationale overheidsfinanciën. [Am. 163]

3.  Het nationaal agentschap is verantwoordelijk voor de primaire controle van de begunstigden voor de in artikel 24, lid 2, bedoelde programma-acties. Die controles bieden een redelijke garantie dat de verleende subsidies worden besteed voor de doeleinden waarvoor zij bestemd zijn en in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften van de Unie.

4.  Met betrekking tot de middelen van het programma die aan de nationale agentschappen worden overgemaakt, zorgt de Commissie voor een goede coördinatie van haar controles met de nationale autoriteiten en de nationale agentschappen, op basis van het beginsel van één enkele audit en volgens een op risico gebaseerde analyse. Deze bepaling is niet van toepassing op onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

Artikel 28

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Wanneer een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of op grond van enig ander rechtsinstrument, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van het Europees Bureau voor fraudebestrijding omvatten die rechten het recht onderzoeken uit te voeren, waaronder controles en verificaties ter plaatse als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013.

HOOFDSTUK XI

COMPLEMENTARITEIT

Artikel 29

Complementariteit met andere beleidsmaatregelen, programma's en fondsen van de Unie

1.  Het programma wordt zodanig uitgevoerd dat de algehele samenhang ervan en de complementariteit met andere relevante beleidsmaatregelen, programma's en fondsen van de Unie wordt gewaarborgd, met name die welke verband houden met onderwijs en opleiding, cultuur en media, jeugd en solidariteit, werkgelegenheid en sociale inclusie, onderzoek en innovatie, industrie en bedrijfsleven, digitaal beleid, landbouw en plattelandsontwikkeling, milieu en klimaat, cohesie, regionaal beleid, migratie, veiligheid en internationale samenwerking en ontwikkeling.

2.  Aan een actie waaraan door het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit enig ander programma van de Unie, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De cumulatieve financiering mag niet meer bedragen dan de totale subsidiabele kosten van de actie. [Am. 164]

3.  Wanneer het programma en de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EU)XX [GB-verordening] gezamenlijk financiële steun verlenen voor een enkele actie, wordt die actie uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften van deze verordening, met inbegrip van de voorschriften inzake de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.

4.  Acties die in aanmerking komen voor steun in het kader van het programma, die moeten voldoen aan de volgende, cumulatieve, vergelijkbare voorwaarden:

–  zij zijn beoordeeld in een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van dit programma; en die

–  zij voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van die oproep, maar die ;

–  zij kunnen in het kader van die oproep niet worden gefinancierd vanwege budgettaire beperkingen, ;

– zij kunnen worden geselecteerd een Excellentiekeur krijgen als erkenning voor hun hoge kwaliteit, waarmee het gemakkelijker wordt een aanvraag in te dienen voor financiering uit andere bronnen of een selectie te maken voor financiering door de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) zonder een nieuwe aanvraagprocedure te hoeven starten. In dat geval zijn de medefinancieringspercentages en de subsidiabiliteitsregels op basis van deze verordening van toepassing. Die acties worden door de in artikel [65] van Verordening (EU)XX [GB-verordening] bedoelde beheersautoriteit uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften van die verordening en de fondsspecifieke verordeningen, met inbegrip van de voorschriften inzake financiële correcties. [Am. 165]

HOOFDSTUK XII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 30

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel de artikelen 19 en 20 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028. [Am. 166]

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel de artikelen 19 en 20 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. [Am. 167]

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 20 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 31

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Het comité kan in specifieke samenstelling bijeenkomen teneinde sectorale vraagstukken te behandelen. In voorkomend geval kunnen, overeenkomstig zijn reglement van orde en per geval, externe deskundigen, zoals vertegenwoordigers van de sociale partners, als waarnemer voor een vergadering worden uitgenodigd.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. [Am. 168]

Artikel 32

Intrekking

Verordening (EU) nr. 1288/2013 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 33

Overgangsbepalingen

1.  Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de acties die zijn geïnitieerd op grond van Verordening (EU) nr. 1288/2013, die op de betrokken acties van toepassing blijft totdat zij worden afgesloten.

2.  De financiële middelen voor het programma kunnen ook de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve uitgaven om de overgang tussen het programma en de maatregelen op grond van Verordening (EU) nr. 1288/2013 te bewerkstelligen.

3.  In afwijking van artikel [130, lid 2,] van het Financieel Reglement, en in naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie de kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de ondersteunde activiteiten en die gedurende de eerste zes maanden van 2021 zijn gemaakt als subsidiabel beschouwen met ingang van 1 januari 2021, zelfs als de begunstigde deze kosten maakte voordat hij een subsidieaanvraag had ingediend.

4.  Zo nodig kunnen voor het beheer van acties en activiteiten die op [31 december 2027] nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 14, lid 5, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

5.  De lidstaten zorgen op nationaal niveau voor een soepele overgang tussen de acties die zijn uitgevoerd in het kader van het programma Erasmus+ (2014‑2020) en die welke uit hoofde van dit programma ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 34

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de [...] [twintigste] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

Indicatoren

1)  Leermobiliteit van hoge kwaliteit voor mensen met uiteenlopende achtergronden

2)  Europeanisering en internationalisering van organisaties en instellingen

Wat te meten?

3)  Aantal deelnemers aan mobiliteitsactiviteiten in het kader van het programma

4)  Aantal kansarme deelnemers aan leermobiliteitsactiviteiten in het kader van het programma

5)  Percentage deelnemers die menen dat zij voordeel hebben gehaald uit hun deelname aan leermobiliteitsactiviteiten in het kader van het programma

6)  Aantal instellingen en organisaties die door het programma worden ondersteund in het kader van kernactie 1 (leermobiliteit) en kernactie 2 (samenwerking)

7)  Aantal nieuwkomer-organisaties die door het programma worden ondersteund in het kader van kernactie 1 (leermobiliteit) en kernactie 2 (samenwerking)

8)  Percentage instellingen en organisaties die door het programma worden ondersteund en die als gevolg van hun deelname aan het programma kwalitatief hoogstaande praktijken hebben ontwikkeld [Am. 169]

BIJLAGE I bis

Alle kwalitatieve indicatoren worden ten minste uitgesplitst naar lidstaat en geslacht.

Te meten doelstelling: Kernactie 1 – Leermobiliteit

Indicatoren:

Aantal deelnemers aan mobiliteitsacties en -activiteiten in het kader van het programma;

Aantal personen dat gebruikmaakt van hulpmiddelen voor virtueel of gemengd leren ter ondersteuning van de mobiliteit in het kader van het programma;

Aantal personen dat gebruikmaakt van hulpmiddelen voor virtueel of gemengd leren omdat zij niet in staat zijn deel te nemen aan mobiliteitsactiviteiten;

Aantal organisaties/instellingen dat deelneemt aan mobiliteitsacties en -activiteiten in het kader van het programma;

Aantal organisaties/instellingen dat gebruikmaakt van hulpmiddelen voor virtueel of gemengd leren ter ondersteuning van de mobiliteit in het kader van het programma;

Aantal organisaties/instellingen dat gebruikmaakt van hulpmiddelen voor virtueel of gemengd leren omdat zij niet in staat zijn deel te nemen aan mobiliteitsactiviteiten;

Percentage deelnemers dat van mening is dat zij baat hebben gehad bij hun deelname aan de activiteiten van kernactie 1;

Percentage deelnemers dat van mening is dat zij een sterker Europees gevoel van verbondenheid hebben na deelname aan het programma;

Percentage deelnemers dat van mening is dat zij een betere beheersing van een vreemde taal hebben na deelname aan het programma;

Te meten doelstelling: Kernactie 2 - Samenwerking tussen organisaties en instellingen

Indicatoren:

Aantal door het programma gesteunde organisaties/instellingen in het kader van kernactie 2;

Percentage organisaties/instellingen dat van mening is dat zij baat hebben gehad bij hun deelname aan de activiteiten van kernactie 2;

Aantal organisaties/instellingen dat gebruikmaakt van de hulpmiddelen en platforms van de Unie voor samenwerking;

Te meten doelstelling: Kernactie 3 - Ondersteuning van beleidsontwikkeling en samenwerking

Indicatoren:

Aantal personen en organisaties/instellingen dat baat heeft gehad bij acties in het kader van kernactie 3;

Te meten doelstelling: Inclusie

Indicatoren:

Aantal kansarme deelnemers aan mobiliteitsacties en -activiteiten;

Aantal kansarmen dat gebruikmaakt van hulpmiddelen voor virtueel of gemengd leren ter ondersteuning van de mobiliteit in het kader van het programma;

Aantal kansarmen dat gebruikmaakt van hulpmiddelen voor virtueel of gemengd leren omdat zij niet in staat zijn deel te nemen aan mobiliteitsactiviteiten;

Aantal nieuwkomer-organisaties dat door het programma wordt ondersteund in het kader van kernactie 1 en kernactie 2;

Percentage kansarmen dat van mening is dat zij baat hebben gehad bij deelname aan het programma;

Te meten doelstelling: Vereenvoudiging

Indicatoren:

Aantal kleinschalige partnerschappen dat gesteund wordt in het kader van kernactie 2;

Percentage deelnemers dat van mening is dat de aanvraag-, deelname- en evaluatieprocedures evenredig en eenvoudig zijn;

Gemiddelde tijd die gemoeid is met de afhandeling van een aanvraag, per actie, vergeleken met het vorige programma. [Am. 170]

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Het standpunt van het Europees Parlement dat werd aangenomen in eerste lezing, moet worden gezien als een pakket. Mochten de financiële middelen voor het programma voor de periode 2021‑2027 lager uitvallen dan het bedrag dat is genoemd in artikel 14, lid 1, van het standpunt van het Parlement, dan behoudt het Europees Parlement zich het recht voor om zijn steun voor een actie in het programma te heroverwegen zodat de kernactiviteiten van het programma en de aanvullende steun voor inclusiemaatregelen doeltreffend kunnen worden uitgevoerd.

Verder maakt het Europees Parlement duidelijk dat zijn steun voor de nieuwe initiatieven die in zijn standpunt naar voren komen – met name Europese universiteiten, kenniscentra voor beroepsopleiding en DiscoverEU – afhangt van a) de evaluatie van de proeffases die momenteel lopen, en b) de verdere definiëring van elk initiatief. Als een van beide voorwaarden ontbreekt, zal het Europees Parlement gebruikmaken van zijn prerogatieven in de jaarlijkse begrotingsprocedure om de desbetreffende middelen in de reserve te plaatsen totdat er aan deze voorwaarden is voldaan.

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 194.
(2) PB C 168 van 16.5.2019, blz. 49.
(3)PB C van , blz. .
(4)PB C van , blz. .
(5) Standpunt van het Europees Parlement van 28 maart 2019.
(6)COM(2018)0098.
(7)PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10.
(8) Speciaal verslag nr. 22/2018 van de Europese Rekenkamer van 3 juli 2018, getiteld "Mobiliteit in het kader van Erasmus+: miljoenen deelnemers en Europese meerwaarde in veel opzichten, maar de prestatiemeting moet verder worden verbeterd".
(9)COM(2018)0321.
(10)Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).
(11) PB C 189 van 4.6.2018, blz. 1.
(12)COM(2016)0381.
(13)[Referentie].
(14)[Referentie - door de Raad vast te stellen tegen eind 2018]
(15)COM(2018)0269.
(16)[Referentie].
(17)COM(2018) [ ].
(18) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 5.
(19) COM(2016)0381.
(20) Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1).
(21) PB C 153 van 2.5.2018, blz. 1.
(22) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(23)PB L […] van […], blz. […].
(24)PB L […] van […], blz. […].
(25)COM(2017)0623.
(26)Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit") (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
(27)Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(28)Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 21).
(29)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(30)Verordening (EG) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(31)Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(32)Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(33)Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(34)Met name Europass – het enkele Uniekader voor transparantie op het gebied van kwalificaties en competenties; het Europees kwalificatiekader; het Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding; het Europees studiepuntensysteem voor beroepsonderwijs en -opleiding; het Europees systeem voor het overdragen en verzamelen van studiepunten; het Europees register voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs; de Europese Vereniging voor kwaliteitszorg in het hoger onderwijs; het Europees netwerk van informatiecentra in de Europese regio en de nationale informatiecentra voor academische erkenning in de Europese Unie; en de Euroguidance-netwerken.
(35)[Referentie].
(36)[Referentie].


Totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen ***I
PDF 296kWORD 90k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen (COM(2018)0353 – C8-0207/2018 – 2018/0178(COD))
P8_TA(2019)0325A8-0175/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0353),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0207/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 5 december 2018(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0175/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen

P8_TC1-COD(2018)0178


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4)

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Met artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende Europese Unie wordt beoogd een interne markt tot stand te brengen die zich inzet voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van onder meer een evenwichtige economische groei en een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu.

(2)  Op 25 september 2015 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een nieuw mondiaal raamwerk voor duurzame ontwikkeling vastgesteld: de 2030 Agenda voor duurzame ontwikkeling(6), waarin de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (hierna "SDG's" genoemd) centraal staan die drie duurzaamheidspijlers bestrijken: milieu, sociaal en economie/governance. In de mededeling van de Commissie van 2016 over de volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst(7) worden de SDG's gekoppeld aan het beleidsraamwerk van de Unie, zodat die doelstellingen van meet af aan worden geïntegreerd in alle acties en beleidsinitiatieven van de Unie, zowel binnen de Unie als mondiaal. In zijn conclusies van 20 juni 2017 heeft de Europese Raad(8) bevestigd dat de Unie en de lidstaten vastbesloten zijn de Agenda 2030 uit te voeren op volledige, samenhangende, alomvattende, geïntegreerde en doeltreffende wijze en in nauwe samenwerking met partners en andere stakeholders.

(3)  In 2016 heeft de Raad, namens de Unie, de Klimaatovereenkomst van Parijs ondertekend(9). In artikel 2, lid 1, onder c), van de Klimaatovereenkomst van Parijs wordt als doelstelling gesteld om de reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, onder meer door geldstromen in lijn te brengen met een traject naar broeikasgasarme emissies en klimaatbestendige ontwikkeling.

(4)  Duurzaamheid en de transitie naar een koolstofarme en klimaatbestendige, meer hulpbronnenefficiënte en circulaire economie zijn cruciale elementen om het concurrentievermogen van de Unie op lange termijn te waarborgen. Duurzaamheid vormt sinds lang de kern van het project van de Europese Unie en de Verdragen erkennen de sociale en ecologische dimensies van de Unie.

(5)  In december 2016 heeft de Commissie een deskundigengroep op hoog niveau opgericht om een overkoepelende en alomvattende Uniestrategie inzake duurzame financiering te ontwikkelen. In het verslag van deze deskundigengroep dat op 31 januari 2018 is gepubliceerd(10), wordt opgeroepen tot de oprichting van een technisch robuust classificatiesysteem op Unieniveau om duidelijkheid te bieden over de vraag welke activiteiten "groen" of "duurzaam" zijn, te beginnen met mitigatie van klimaatverandering.

(6)  In maart 2018 is de Commissie met haar actieplan duurzame groei financieren gekomen(11), waarin zij een ambitieuze en brede strategie voor duurzame financiering uittekent. Een van de doelstellingen uit dat actieplan is het heroriënteren van kapitaalstromen in de richting van duurzame beleggingen om zo duurzame en inclusieve groei te bewerkstelligen. De totstandbrenging van een eengemaakt classificatiesysteem voor duurzame en van indicatoren ter bepaling van de mate van duurzaamheid van activiteiten is de belangrijkste en dringendste maatregel die in het actieplan wordt overwogen. In het actieplan wordt erkend dat de verschuiving van kapitaalstromen naar duurzamere activiteiten moet stoelen op een alomvattende consensus over wat "duurzaam" inhoudt de impact van economische activiteiten en beleggingen op ecologische duurzaamheid en hulpbronnenefficiëntie. In een eerste stap dienen duidelijke handvatten met betrekking tot activiteiten die kwalificeren als bijdragend aan milieudoelstellingen, beleggers te helpen informeren over de beleggingen die ecologisch duurzame economische activiteiten financieren In een latere fase kunnen misschien naargelang van hun mate van duurzaamheid. In het licht van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN en de conclusies van de Europese Raad van 20 juni 2017 moeten ook verdere handvatten worden ontwikkeld over de activiteiten die bijdragen tot andere duurzaamheidsdoelstellingen, zoals sociale en governancedoelstellingen, opdat de Agenda 2030 op volledige, samenhangende, alomvattende, geïntegreerde en doeltreffende wijze wordt uitgevoerd. [Am. 80]

(6 bis)  Hoewel wordt erkend dat de klimaatverandering dringend moet worden aangepakt, kan een eenzijdige nadruk op blootstelling aan koolstof negatieve overloopeffecten hebben doordat beleggingsstromen worden gericht op andere doelen, die andere milieurisico's inhouden. Daarom moeten voldoende waarborgen worden ingesteld om ervoor te zorgen dat de economische activiteiten niet nadelig zijn voor andere milieudoelstellingen, zoals biodiversiteit en energie-efficiëntie. Beleggers hebben vergelijkbare en alomvattende informatie over milieurisico's en de effecten ervan nodig om bij het beoordelen van hun portefeuilles met meer elementen rekening te kunnen houden dan uitsluitend blootstelling aan koolstof. [Am. 2]

(6 ter)  Gezien de urgentie van de met elkaar samenhangende problemen van de achteruitgang van het milieu en de overconsumptie van hulpbronnen moet een systemische benadering worden gevolgd om exponentieel groeiende negatieve trends aan te pakken, zoals het verlies van biodiversiteit, de wereldwijde overconsumptie van hulpbronnen, het ontstaan van nieuwe bedreigingen, waaronder gevaarlijke chemische producten en mengsels daarvan, voedselschaarste, klimaatverandering, aantasting van de ozonlaag, verzuring van de oceanen, uitputting van drinkwaterbronnen en verandering van landgebruik. Daarom moeten de te ondernemen acties toekomstgericht zijn en geschikt zijn het hoofd te bieden aan de komende uitdagingen. Door de omvang van die uitdagingen zijn een alomvattende en ambitieuze benadering en de toepassing van een streng voorzorgsbeginsel vereist. [Am. 3]

(7)  In Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad(12) is opgeroepen tot een uitbreiding van de financiering door de private sector voor milieu- en klimaatgerelateerde uitgaven, met name door het invoeren van stimulansen en methodologieën die bedrijven aanzetten tot meting van de milieukosten van hun activiteiten en van de winst als gevolg van het gebruik van milieudiensten.

(7 bis)  In het initiatiefverslag van het Europees Parlement van 29 mei 2018 betreffende duurzame financiering zijn de essentiële elementen voor de duurzaamheidsindicatoren en de taxonomie als prikkels voor duurzame beleggingen vastgelegd. De desbetreffende wetgeving moet voorzien in een afdoende mate van samenhang. [Am. 4]

(8)  Om de SDG's in de Unie te verwezenlijken, moeten kapitaalstromen naar duurzame investeringen worden geleid. Het is van belang het potentieel van de interne markt ten volle te benutten om die doelstellingen te verwezenlijken. Daarnaast is het van belang om ervoor te zorgen dat kapitaalstromen die naar duurzame investeringen worden geleid, niet worden verstoord op de interne markt.

(8 bis)  De omvang van die uitdagingen vereist een geleidelijke verschuiving van het financiële stelsel als geheel teneinde ervoor te zorgen dat de economie op een duurzame basis kan functioneren. Hiertoe moet duurzame financiering de standaard worden en moet rekening worden gehouden met het duurzaamheidseffect ten aanzien van financiële producten en diensten. [Am. 5]

(9)  Financiële producten aanbieden waarmee ecologisch duurzame doelstellingen worden nagestreefd, is een doeltreffende manier om particuliere beleggingen geleidelijk te kanaliseren verschuiven van activiteiten met een negatief milieueffect naar duurzame duurzamere activiteiten. Nationale vereisten om financiële producten, diensten en bedrijfsobligaties als duurzame beleggingen in de zin van deze verordening in de markt te zetten, met name vereisten waarmee de betrokken marktspelers een nationaal label kunnen gebruiken, zetten in op het vergroten van het beleggersvertrouwen en de bewustwording van risico's, het creëren van zichtbaarheid en het aanpakken van zorgen over "greenwashing". Met "greenwashing" wordt de praktijk bedoeld waarbij een oneerlijk concurrentievoordeel wordt verkregen door een financieel product als milieuvriendelijk in de markt te zetten, terwijl dat in feite niet aan elementaire milieunormen voldoet. Momenteel zijn er slechts in een paar lidstaten regelingen voor het toekennen van labels. Deze berusten op uiteenlopende taxonomieën voor de classificatie van ecologisch duurzame economische activiteiten. Gezien de politieke toezeggingen in het kader van de Klimaatovereenkomst van Parijs en op Unieniveau, valt te verwachten dat meer en meer lidstaten zullen overwegen regelingen voor de toekenning van labels op te zetten of andere eisen aan marktspelers te stellen ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die als ecologisch duurzaam in de markt worden gezet. Daarbij zouden lidstaten dan hun eigen nationale taxonomieën gebruiken om te bepalen welke beleggingen als duurzaam kwalificeren. Indien dergelijke nationale vereisten zijn gebaseerd op uiteenlopende criteria en indicatoren voor het beantwoorden van de vraag welke economische activiteiten als ecologisch duurzaam kwalificeren, zullen beleggers ontmoedigd worden om over de grenzen heen te investeren door de problemen die zij hebben om de verschillende beleggingskansen te vergelijken. Daarnaast zouden economische spelers die beleggingen van over de hele Unie willen aantrekken, in de verschillende lidstaten aan uiteenlopende criteria moeten voldoen, willen hun activiteiten voor de verschillende labels als ecologisch duurzaam kwalificeren. Het ontbreken van eenvormige criteria en indicatoren zal beleggingen op een in milieuopzicht ondoeltreffende, en in sommige gevallen contraproductieve, wijze kanaliseren en ertoe leiden dat de milieu- en duurzaamheidsdoelstellingen niet worden verwezenlijkt. Dit ontbreken drijft dus de kosten opdrijven op en zal doet een sterk negatieve prikkel doen ontstaan voor economische spelers, die zou neerkomen neerkomt op een belemmering van de toegang tot grensoverschrijdende kapitaalmarkten voor duurzame beleggingen. De barrières voor toegang tot grensoverschrijdende kapitaalmarkten met het oog op het aantrekken van middelen voor duurzame projecten, zullen naar verwachting nog verder toenemen. De criteria en indicatoren om te bepalen wanneer de mate van duurzaamheid van een economische activiteit ecologisch duurzaam is te bepalen, dienen dus op Unieniveau te worden geharmoniseerd, om de hinderpalen voor het functioneren van de interne markt op te ruimen en te voorkomen dat verdere hinderpalen ontstaan. Met dit soort harmonisatie van informatie, cijfers en criteria zullen economische spelers het eenvoudiger vinden om over de grenzen heen financiering aan te trekken voor hun groene ecologisch duurzame activiteiten, omdat hun economische activiteiten kunnen worden afgetoetst aan eenvormige criteria en indicatoren om te worden geselecteerd als onderliggende activa voor ecologisch duurzame beleggingen. Een en ander zal dus ertoe bijdragen om in de Unie beleggingen over grenzen heen aan te trekken. [Am. 6]

(9 bis)   Om het mogelijk te maken dat de Unie haar milieu- en klimaatverbintenissen kan nakomen, is het van belang particuliere beleggingen te mobiliseren. Dit vereist langetermijnplanning, stabiele regelgeving en voorspelbaarheid voor investeerders. Teneinde een coherent beleidskader voor duurzame beleggingen te waarborgen, is het dan ook van belang dat de bepalingen van deze verordening voortbouwen op bestaande Uniewetgeving. [Am. 7]

(10)  Bovendien is het zo dat, indien marktdeelnemers geen toelichting informatie verschaffen over de vraag hoe de activiteiten waarin zij beleggen op negatieve of positieve wijze aan milieudoelstellingen bijdragen of indien zij in hun toelichting uiteenlopende concepten hanteren over wat over de mate van ecologische duurzaamheid van een "duurzame" economische activiteit is uiteenlopende cijfers en criteria voor het bepalen van het effect hanteren, beleggers het onevenredig lastig zullen vinden om deze verschillende financiële producten te controleren en te vergelijken. Gebleken is dat beleggers hierdoor worden ontmoedigd om in groene duurzame financiële producten te beleggen. Bovendien heeft het gebrek aan beleggersvertrouwen belangrijke schadelijke effecten op de markt voor duurzame beleggingen. Voorts is aangetoond dat nationale regels of marktgebaseerde initiatieven om binnen nationale grenzen iets te doen aan deze kwestie, zullen leiden tot compartimentering van de interne markt. Indien financiëlemarktdeelnemers informatie verschaffen over de vraag hoe financiële producten die volgens hen milieuvriendelijk zijn, aan milieudoelstellingen voldoen en indien zij voor die informatieverschaffing gebruikmaken van in de hele Unie gemeenschappelijke criteria voor wat een ecologisch duurzame economische activiteit is, zal dit beleggers helpen om milieuvriendelijke de milieu-impact van beleggingskansen over de grenzen heen te vergelijken en zal dit ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd aansporen duurzamere bedrijfsmodellen te ontwikkelen. Beleggers zullen in de hele Unie met meer vertrouwen in groene financiële producten beleggen, hetgeen het functioneren van de interne markt ten goede zal komen. [Am. 8]

(10 bis)  Teneinde een zinvol milieu- en breder duurzaamheidseffect te bewerkstelligen, onnodige administratieve lasten voor financiëlemarktdeelnemers en andere stakeholders te verminderen en de groei van Europese financiële markten die duurzame economische activiteiten financieren te bevorderen, moet de taxonomie worden gebaseerd op geharmoniseerde, vergelijkbare en uniforme criteria en indicatoren, met inbegrip van ten minste de indicatoren voor de circulaire economie. Die indicatoren moeten met de uniforme methode voor de beoordeling van levenscycli in overeenstemming worden gebracht en in regelgevingsinitiatieven van de Unie worden toegepast. Zij dienen de grondslag te vormen voor de beoordeling van het risico en milieueffect van economische activiteiten en beleggingen. Overlappingen op het gebied van regelgeving moeten worden voorkomen, omdat dit niet in overeenstemming is met de beginselen inzake betere regelgeving en evenredigheid en de doelstelling om een consistente terminologie en een helder regelgevingskader te creëren. Ook onnodige lasten voor zowel overheden als financiële instellingen moeten worden voorkomen. In dat licht moeten ook het toepassingsgebied en het gebruik van de technische screeningcriteria, alsook de koppeling met andere initiatieven, duidelijk worden vastgelegd voordat de taxonomie en de desbetreffende criteria van kracht worden. Bij het vaststellen van geharmoniseerde criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten moeten de bevoegdheden van de lidstaten in de verschillende beleidsterreinen in acht genomen worden. De vereisten van deze verordening moeten op een evenredige manier van toepassing zijn om kleine en niet-complexe instellingen in de zin van deze verordening [Am. 9]

(10 ter)  De indicatoren moeten worden geharmoniseerd op basis van reeds geleverde inspanningen, zoals de werkzaamheden van de Commissie, het Europees Milieuagentschap en de OESO, en moeten het milieueffect vaststellen van CO2- en andere emissies, biodiversiteit, de productie van afvalstoffen, het gebruik van energie en hernieuwbare energie, grondstoffen, water en direct en indirect landgebruik, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM(2018)0029), het EU-actieplan voor de circulaire economie (COM(2015)0614) en de resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie (2014/2208(INI)). Voorts moet bij de ontwikkeling van de indicatoren rekening worden gehouden met de aanbevelingen van de deskundigengroep op hoog niveau "Support to Circular Economy Financing" van de Europese Commissie. De Commissie moet beoordelen op welke wijze de werkzaamheden van deze deskundigengroep en die van de technische deskundigengroep geïntegreerd moeten worden. De indicatoren moeten in overeenstemming zijn met de internationaal erkende duurzaamheidsnormen. [Am. 10]

(11)  Om de bestaande hinderpalen voor het functioneren van de interne markt aan te pakken en om te vermijden dat in de toekomst dergelijke obstakels ontstaan, dient van de lidstaten en de Unie te worden verlangd dat zij, wanneer zij op nationaal niveau eisen aan marktspelers uitwerken om financiële producten, diensten of overheidsobligaties een label ecologisch duurzaam toe te kennen, een gemeenschappelijk concept hanteren ten aanzien van wat een ecologisch duurzame belegging is de mate van ecologische duurzaamheid van beleggingen. Om diezelfde redenen dienen fondsbeheerders en institutionele beleggers die afficheren dat zijzelf milieudoelstellingen nastreven, van hetzelfde concept van ecologisch duurzame belegging en dezelfde indicatoren, cijfers en criteria voor het berekenen van het milieueffect gebruik te maken wanneer zij informatie verschaffen over de vraag hoe zij die doelstellingen nastreven. [Am. 11]

(12)  De vaststelling van criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten kan bedrijven ertoe aanzetten om op hun websites, op vrijwillige basis, informatie te verschaffen over de ecologisch duurzame economische het milieueffect van activiteiten die zij verrichten. Die informatie zal niet alleen de betrokken spelers op de financiële markten helpen om gemakkelijk uit te maken welke bedrijven ecologisch duurzame wat de mate van ecologische duurzaamheid van de door bedrijven verrichte economische activiteiten verrichten is, maar ook zal zij die bedrijven helpen om financiering voor hun groene activiteiten aan te trekken. [Am. 12]

(13)  Een Unieclassificatie Uniebrede indicatoren voor het bepalen van ecologisch duurzame economische activiteiten zou zouden de ontwikkeling van toekomstig Uniebeleid faciliteren, met inbegrip van Uniebrede normen en strategieën voor ecologisch duurzame financiële producten, en uiteindelijk de vaststelling van labels die formele erkenning bieden van de inachtneming van die normen in de hele Unie en de grondslag vormen voor andere economische, regelgevings- en prudentiële maatregelen. Eenvormige juridische vereisten om voor het vaststellen van de mate van ecologische duurzaamheid van beleggingen, op basis van eenvormige criteria voor ecologisch duurzame de mate van ecologische duurzaamheid van economische activiteiten en gemeenschappelijke indicatoren voor beoordeling van het milieueffect van beleggingen, als economisch duurzame beleggingen te beschouwen, zijn noodzakelijk als ijkpunt voor toekomstige Uniewetgeving die inzet op het faciliteren van die de verschuiving van beleggingen met een negatieve milieu-impact naar beleggingen met een positief effect. [Am. 13]

(14)  In het kader van het bereiken van SDG's in de Unie, zijn kunnen beleidskeuzes zoals de oprichting van een Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) doeltreffend gebleken zijn om particuliere beleggingen - samen met overheidsuitgaven – te mobiliseren en naar duurzame beleggingen te leiden. Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad(13) geeft 40 % klimaatinvesteringen als horizontaal streefcijfer voor infrastructuur- en innovatieprojecten in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen. Gemeenschappelijke criteria voor de duurzaamheid van economische activiteiten en gemeenschappelijke indicatoren voor milieueffectbeoordeling kunnen nieuwe vergelijkbare initiatieven van de Unie schragen die investeringen ondersteunen waarmee klimaatgerelateerde of andere milieudoelstellingen worden nagestreefd gemobiliseerd. [Am. 14]

(15)  Om te vermijden dat de markt wordt gecompartimenteerd, maar ook dat consumentenbelangen worden geschaad door een uiteenlopende invulling ideeën ten aanzien van de mate van ecologische duurzaamheid van het begrip ecologisch duurzame economische activiteiten, dienen nationale vereisten die marktspelers in acht dienen te nemen wanneer zij hun financiële producten of bedrijfsobligaties als ecologisch duurzaam in de zin van deze verordening in de markt willen zetten, voort te bouwen op de eenvormige criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten. Bij die marktspelers gaat het om financiëlemarktdeelnemers die "groene" duurzame financiële producten of diensten aanbieden, en om niet-financiële vennootschappen die "groene" duurzame bedrijfsobligaties uitgeven. [Am. 15]

(16)  Om te vermijden dat consumentenbelangen worden geschaad, dienen fondsbeheerders en institutionele beleggers die financiële producten als zijnde ecologisch duurzaam aanbieden, informatie te verschaffen over de vraag hoe en in welke mate de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten zijn gebruikt om de ecologische duurzaamheid van de beleggingen te bepalen. De verschafte informatie dient beleggers in staat te stellen inzicht te krijgen in het gedeelte van de belegging waarmee ecologisch duurzame economische activiteiten worden gefinancierd, uitgedrukt als percentage van alle economische activiteiten - en dus in de mate van ecologische duurzaamheid van de belegging. De Commissie dient nader aan te geven welke informatie daarvoor dient te worden verschaft. Die informatie dient nationale bevoegde autoriteiten in staat te stellen om de inachtneming van de informatieverschaffingsverplichting eenvoudig na te gaan en om die verplichting af te dwingen in overeenstemming met het toepasselijke nationale recht.

(17)  Om te vermijden dat de informatieverschaffingsverplichting wordt omzeild, dient die verplichting ook te gelden bij het aanbieden van voor alle financiële producten met kenmerken die vergelijkbaar zijn met ecologisch duurzame beleggingen, met inbegrip van die beleggingen die milieubescherming in ruime zin als doelstelling hebben. Van financiëlemarktdeelnemers dient niet te worden verlangd dat zij uitsluitend beleggen in ecologisch duurzame economische activiteiten die zijn vastgesteld in overeenstemming met de in deze verordening beschreven technische screeningcriteria. Zij Financiëlemarktdeelnemers en andere actoren dienen te worden aangemoedigd om de Commissie te informeren indien zij van mening zijn dat een economische activiteit die niet aan de technische screeningcriteria voldoet of waarvoor dergelijke criteria voor de activiteiten die zij financieren nog niet zijn vastgesteld, of dat hun financiële producten als ecologisch duurzaam dient dienen te worden beschouwd, ten einde teneinde de Commissie te helpen na te gaan of de technische screeningcriteria dienen te worden aangevuld of bijgewerkt. [Am. 16]

(18)  Om uit te maken of in welke mate een economische activiteit ecologisch duurzaam is, dient een uitputtende lijst van milieudoelstelling milieudoelstellingen te worden vastgesteld op basis van indicatoren die de milieu-impact meten, met inachtneming van de impact op de volledige industriële waardeketen en de samenhang met de bestaande Uniewetgeving, zoals het pakket schone energie. [Am. 17]

(19)  De milieudoelstelling van bescherming van gezonde ecosystemen dient te worden uitgelegd rekening houdende met de desbetreffende wetgevings- en niet-wetgevingsinstrumenten van de Unie, met inbegrip van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad(14), Richtlijn 92/43/EEG van de Raad(15), Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad(16), de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020(17), de EU-strategie voor groene infrastructuur, Richtlijn 91/676/EEG van de Raad(18), Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad(19), Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad(20), het actieplan voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT)(21) en het actieplan tegen de illegale handel in wilde dieren en planten(22).

(20)  Voor elk van de milieudoelstellingen dienen eenvormige criteria op grond van middels geharmoniseerde indicatoren verstrekte informatie te worden vastgesteld om economische activiteiten te beschouwen als substantieel bijdragend aan die doelstelling. Een onderdeel van de eenvormige criteria dient te zijn dat aanzienlijke schade aan in deze verordening beschreven milieudoelstellingen wordt vermeden. Zo moet worden vermeden dat beleggingen als ecologisch duurzaam worden beschouwd ook al berokkenen de economische activiteiten die van deze beleggingen profiteren, meer schade aan het milieu dan de bijdrage die zij leveren aan een milieudoelstelling. De voorwaarden voor een substantiële bijdrage en voor het niet berokkenen van aanzienlijke schade dienen het mogelijk te maken dat beleggingen in ecologisch duurzame economische activiteiten een reële bijdrage leveren aan de milieudoelstellingen. [Am. 18]

(21)  Indachtig de gezamenlijke toezegging van het Europese Parlement, de Raad en de Commissie om de beginselen die in de Europese pijler van sociale rechten zijn vastgelegd ter ondersteuning van duurzame en inclusieve groei en bewust van de relevantie van internationale minimumnormen inzake mensen- en arbeidsrechten, dient inachtneming van minimumgaranties een voorwaarde te zijn, willen economische activiteiten als ecologisch duurzaam kwalificeren. Om die reden dienen economische activiteiten uitsluitend als ecologisch duurzaam te kwalificeren wanneer zij worden verricht met inachtneming van de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna "IAO" genoemd) betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk en de acht IAO-basisverdragen. In de IAO-basisverdragen worden mensenrechten en arbeidsrechten vastgesteld die bedrijven in acht moeten nemen. Diverse van deze internationale normen zijn ook vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name het verbod van slavernij en dwangarbeid en het non-discriminatiebeginsel. Die minimumgaranties laten in voorkomend geval de toepassing onverlet van strengere eisen inzake milieu, gezondheid, veiligheid en sociale duurzaamheid die in het Unierecht zijn vastgesteld.

(22)  Gezien de specifieke technische details die nodig zijn om de milieu-impact van een economische activiteit te beoordelen, en gezien het snel veranderende karakter van wetenschap en technologie, dienen de criteria ter bepaling van ecologisch duurzame de mate van ecologische duurzaamheid van economische activiteiten op regelmatige tijdstippen aan die veranderingen te worden aangepast. Willen de criteria en indicatoren actueel zijn en gebaseerd zijn op wetenschappelijk bewijs en input van deskundigen en betrokken stakeholders, dan dienen de voorwaarden voor wat een substantiële bijdrage en aanzienlijke schade is voor de verschillende economische activiteiten, meer in detail te worden uitgewerkt en dienen zij op regelmatige tijdstippen te worden bijgewerkt. Met het oog daarop dient de Commissie voor de verschillende economische activiteiten gedetailleerde en gekalibreerde technische screeningcriteria en een reeks geharmoniseerde indicatoren vast te stellen, op basis van de technische input van een multistakeholderplatform voor duurzame financiering. [Am. 19]

(23)  Sommige economische activiteiten hebben een negatieve impact op het milieu en een substantiële bijdrage aan één of meer milieudoelstellingen kan worden bereikt door die negatieve impact te verminderen. Voor die economische activiteiten dienen technische screeningcriteria te worden vastgesteld die een substantiële verbetering van de milieuprestaties ten opzichte van (onder meer) het sectorale gemiddelde vergen teneinde te bepalen of de activiteiten een aanzienlijke bijdrage aan één of meer milieudoelstellingen kunnen leveren. Die criteria dienen ook rekening te houden met de impact op lange termijn (namelijk meer dan drie jaar) van een bepaalde economische activiteit, met name de milieuvoordelen van producten en diensten tijdens het gebruik ervan, alsook de bijdrage van tussenproducten, zodat de productie- en gebruiksfasen in hun totaliteit voor de volledige gegenereerde meerwaarde, in de volledige waardeketen en gedurende de hele levenscyclus, worden beoordeeld. [Am. 20]

(24)  Een economische activiteit mag niet als ecologisch duurzaam worden beschouwd indien deze het milieu meer schade berokkent dan de voordelen die zij onder de streep geen winst voor het milieu oplevert. De technische screeningcriteria dienen de minimumeisen in kaart te brengen die nodig zijn om aanzienlijke schade aan andere doelstellingen te vermijden. Bij het vaststellen en bijwerken van de technische screeningcriteria dient de Commissie erop toe te zien dat die criteria redelijk en evenredig zijn en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en dat zij op geregelde tijdstippen worden bijgewerkt, met inachtneming van de volledige waardeketen en de levenscyclus van technologieën. Zij dient er ook op toe te zien dat de criteria op regelmatige wijze worden bijgewerkt. Wanneer het risico op basis van wetenschappelijke evaluatie met onvoldoende zekerheid kan worden bepaald, dient het voorzorgsbeginsel te gelden, overeenkomstig artikel 191 VWEU. [Am. 21]

(25)  Bij het vaststellen en bijwerken van de technische screeningcriteria en een reeks geharmoniseerde indicatoren dient de Commissie rekening te houden met het desbetreffende Unierecht, alsmede met reeds bestaande niet-wetgevingsinstrumenten van de Unie, met inbegrip van Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad(23), het EU-milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)(24), de EU-criteria voor groene overheidsopdrachten(25), het platform voor circulaire economie van de Commissie, het Europees Platform voor de beoordeling van levenscyclien de lopende werkzaamheden met betrekking tot regels voor de ecologische voetafdruk van producten en organisaties(26). Om onnodige incoherenties te vermijden met classificaties van economische activiteiten die reeds voor andere doeleinden bestaan, dient de Commissie ook rekening te houden met de statistische classificaties met betrekking tot de sector milieugoederen en -diensten, met name de classificatie van activiteiten voor de bescherming van het milieu (CEPA) en de classificatie van activiteiten voor het beheer van hulpbronnen (CReMA)(27). [Am. 22]

(26)  Bij het vaststellen en bijwerken van de technische screeningcriteria en de geharmoniseerde indicatoren dient de Commissie ook rekening te houden met de specifieke kenmerken van de infrastructuursector verschillende sectoren en dient zij ook ecologische, sociale en economische externaliteiten in een kosten-batenanalyse mee te nemen. Op dat punt dient de Commissie rekening te houden met de werkzaamheden van internationale organisaties, zoals de OESO, de desbetreffende Uniewetgeving en -normen, met inbegrip van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad(28), Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad(29), Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad(30), Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad(31), Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad(32), en de bestaande methodiek. In dat verband dienen de technische screeningcriteria en indicatoren passende governanceraamwerken te bevorderen waarin ecologische, sociale en governancefactoren zijn geïntegreerd, als bedoeld in de door de Verenigde Naties gesteunde Principles for Responsible Investment (UN PRI)(33), tijdens alle fasen van de levenscyclus van een project. [Am. 23]

(26 bis)  Bij het vaststellen van de technische screeningcriteria dient de Commissie ook rekening te houden met maatregelen ten behoeve van de transitie naar een duurzamere koolstofarme economie. Voor ondernemingen die momenteel economische activiteiten verrichten die uiterst schadelijk zijn voor het milieu, moeten er stimulansen zijn voor een snelle transitie naar een ecologisch duurzame of ten minste ecologisch onproblematische status. De technische screeningcriteria moeten dergelijke reeds lopende transitieprocessen aanmoedigen. Als het merendeel van de ondernemingen die een bepaalde schadelijke activiteit verrichten aantoonbaar betrokken is bij een dergelijke transitie, kan daar in de screeningcriteria rekening mee worden gehouden. Onder meer aanhoudende inspanningen voor onderzoek en ontwikkeling, grote projecten waarbij geïnvesteerd wordt in nieuwe en ecologisch duurzamere technologieën, of concrete transitieplannen vanaf het moment dat zij zich in een vroege uitvoeringsfase bevinden, kunnen het bewijs vormen dat ernstige inspanningen voor transitie worden geleverd. [Am. 24]

(27)  Om ecologisch duurzame innovatie te bevorderen en te vermijden dat bij het aantrekken van financiering voor ecologisch duurzame economische activiteiten de mededinging wordt verstoord, dienen de technische screeningcriteria ervoor te zorgen dat alle betrokken economische activiteiten binnen een bepaalde bedrijfstak de macrosectoren (d.w.z. NACE-sectoren als landbouw, bosbouw en visserij, productie, elektriciteit, gas, stoom en airconditioning, bouw, vervoer en opslag) als ecologisch duurzaam kunnen kwalificeren en gelijk worden behandeld indien zij in gelijke mate aan één of meer van de in deze verordening bepaalde milieudoelstellingen bijdragen en geen aanzienlijke schade berokkenen aan één van de andere in de artikelen 3 en 12 bedoelde milieudoelstellingen. Hun potentiële vermogen om aan die milieudoelstellingen bij te dragen, kan echter verschillen tussen bedrijfstakken, hetgeen in de criteria screeningcriteria tot uiting dient te komen. Binnen elke bedrijfstak economische macrosector mogen deze criteria echter niet bepaalde economische activiteiten oneerlijk benadelen tegenover andere indien die eerste groep in dezelfde mate aan de milieudoelstellingen bijdraagt als de tweede groep en geen aanzienlijke schade berokkent aan één van de andere in de artikelen 3 en 12 bedoelde milieudoelstellingen. [Am. 25]

(27 bis)  Ecologisch duurzame activiteiten zijn het resultaat van technologieën en producten die binnen alle onderdelen van de waardeketen worden ontwikkeld. Het is dan ook zaak dat de technische screeningcriteria de rol van de gehele waardeketen beslaan, uiteenlopend van de verwerking van grondstoffen, het eindproduct en de afvalfase, tot de daadwerkelijke verrichting van ecologisch duurzame activiteiten. [Am. 26]

(27 ter)   Teneinde te voorkomen dat goed werkende waardeketens worden verstoord, moet bij het vaststellen van de screeningcriteria rekening worden gehouden met het feit dat ecologisch duurzame activiteiten het resultaat zijn van technologieën en producten die door verschillende economische actoren zijn ontwikkeld. [Am. 27]

(28)  Bij het vaststellen van technische screeningcriteria dient de Commissie na te gaan of de vaststelling van die criteria voor ecologisch duurzame activiteiten aanleiding kan geven tot gestrande activa of incoherente prikkels kan afgeven., en of een en ander een negatief effect op liquiditeit van financiële markten kan hebben. [Am. 28]

(29)  Om te vermijden dat compliancekosten een te grote belasting zijn voor economische spelers, dient de Commissie technische screeningcriteria vast te stellen die voldoende rechtszekerheid bieden, werkbaar zijn, eenvoudig zijn toe te passen en waarvan de naleving binnen redelijke marges inzake compliancekosten na te gaan zijn.

(30)  Om ervoor te zorgen dat beleggingen worden gekanaliseerd naar economische activiteiten die de grootste positieve impact op de milieudoelstellingen hebben, dient de Commissie prioriteit te geven aan de vaststelling van technische screeningcriteria voor de economische activiteiten die potentieel het meeste aan de milieudoelstellingen bijdragen. Ten behoeve van het identificeren en ontwikkelen van nieuwe technologieën moeten de screeningcriteria rekening houden met de resultaten van projecten en de schaalbaarheid van deze technologieën. [Am. 29]

(31)  Passende technische screeningcriteria dienen te worden vastgesteld voor de vervoersector, onder meer voor mobiele activa, die rekening dienen te houden met de gehele levenscyclus van technologieën en met het feit dat de vervoersector, met inbegrip van de internationale scheepvaart, voor bijna 26 % bijdraagt aan de totale broeikasgasemissies in de Unie. Zoals bleek uit het actieplan duurzame groei financieren(34), vertegenwoordigt de vervoersector rond 30 % van de extra jaarlijkse investeringsbehoeften voor duurzame ontwikkeling in de Unie, onder meer door meer te elektrificeren of een sterkere transitie naar schonere vervoersvormen door het bevorderen van de modal shift en van verkeersbeheer. [Am. 30]

(32)  Het is van bijzonder belang dat de Commissie, wanneer zij de uitwerking van technische screeningcriteria voorbereidt, de nodige consultaties houdt in lijn met de vereisten inzake betere regelgeving. Bij het proces voor de vaststelling en bijwerking van technische screeningcriteria en geharmoniseerde indicatoren dienen ook de desbetreffende stakeholders te worden betrokken en dient te worden voortgebouwd op wetenschappelijk bewijs, sociaal-economische impact, beste praktijken, bestaande werkzaamheden en entiteiten, met name van het platform voor circulaire economie van de Commissie, en het advies van deskundigen met bewezen kennis en ervaring voor de betrokken gebieden. Daartoe dient de Commissie een platform voor duurzame financiering op te zetten. Dit platform dient te bestaan uit een breed spectrum van deskundigen die zowel de publieke als de particuliere sector vertegenwoordigen teneinde te waarborgen dat naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van alle betrokken sectoren. Bij de vertegenwoordigers van de publieke sector dient het te gaan om deskundigen van het Europees Milieuagentschap (EEA) en nationale milieubeschermingsautoriteiten, de Europese toezichthoudende autoriteiten (ESA's), de European Financial Reporting Advisory Group en de Europese Investeringsbank (EIB). Bij de deskundigen uit de particuliere sector dient gaat het te gaan om vertegenwoordigers van de betrokken stakeholders, zoals spelers op financiële en niet-financiële markten, vertegenwoordigers van de reële economie die een breed spectrum van industrieën vertegenwoordigen, en universiteiten, onderzoeksinstellingen, verenigingen en organisaties. In voorkomend geval moet het het platform vrij staan advies in te winnen bij niet-leden. Het platform dient de Commissie te adviseren over de uitwerking, analyse en herziening van technische screeningcriteria en geharmoniseerde indicatoren, onder meer wat betreft de potentiële impact ervan op de waardering van de activa die tot aan de vaststelling van de technische screeningcriteria volgens bestaande marktpraktijken als "groene" activa duurzaam werden beschouwd. Ook dient het platform de Commissie te adviseren over de vraag of de technische screeningcriteria en indicatoren geschikt zijn voor verder gebruik in toekomstige beleidsinitiatieven van de Unie die gericht zijn op het bevorderen van duurzame investeringen. Het platform moet de Commissie adviseren over de ontwikkeling van normen met betrekking tot de boekhouding en geïntegreerde verslaglegging inzake duurzame investeringen voor ondernemingen en financiëlemarktdeelnemers, onder meer in de vorm van de herziening van Richtlijn 2013/34/EU. [Am. 31]

(33)  Met het oog op de nadere uitwerking van de in deze verordening uiteengezette vereisten, en met name met het oog op de vaststelling en uitwerking van gedetailleerde en gekalibreerde technische screeningcriteria en indicatoren van wat voor verschillende economische activiteiten een substantiële bijdrage en aanzienlijke schade aan de milieudoelstellingen is, dient ten aanzien van de informatie die vereist is om aan de in artikel 4, lid 3, uiteengezette informatieverschaffingsverplichting en de in artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, vermelde technische screeningcriteria te voldoen, aan de Commissie de bevoegdheid te worden overgedragen om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende publieke consultaties overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die consultaties plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, dienen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment te ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en dienen de deskundigen van het Europees Parlement en de Raad stelselmatig toegang te hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen. [Am. 32]

(34)  Om de betrokken spelers voldoende tijd te geven om zich vertrouwd te maken met de in deze verordening uiteengezette criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten en de toepassing ervan voor te bereiden, dienen de in deze verordening beschreven verplichtingen, voor elk van de milieudoelstellingen, van toepassing te worden zes maanden nadat de desbetreffende technische screeningcriteria zijn vastgesteld.

(35)  De toepassing van deze verordening dient op regelmatige tijdstippen en ten minste na twee jaar te worden bezien om na te gaan welke vooruitgang is geboekt bij de uitwerking van de technische screeningcriteria en geharmoniseerde indicatoren voor ecologisch duurzame en ecologisch schadelijke activiteiten, het gebruik van de definitie van ecologisch duurzame beleggingen ofwel beleggingen met een negatief milieueffect, en de vraag of inachtneming van de verplichtingen het opzetten van een verificatiemechanisme verdere verificatiemechanismes rechtvaardigt. Bij deze evaluatie dient dienen ook de bepalingen te worden nagegaan of beoordeeld die nodig zijn voor het uitbreiden van het toepassingsgebied van deze verordening moet worden uitgebreid tot sociale duurzaamheidsdoelstellingen tot sociale duurzaamheidsdoelstellingen. In voorkomend geval maakt de Commissie uiterlijk op 31 maart 2020 wetgevingsvoorstellen bekend betreffende de inrichting van een op naleving gericht verificatiemechanisme. [Am. 33]

(36)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening onvoldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter op het niveau van de Unie kunnen worden gerealiseerd, omdat op Unieniveau eenvormige criteria en indicatoren moeten worden ingevoerd voor ecologisch duurzame economische activiteiten, kan de Unie maatregelen nemen in overeenstemming met het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken, [Am. 34]

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  In deze verordening worden de criteria vastgesteld om uit te maken of hoe groot het milieueffect en de mate van duurzaamheid van een economische activiteit ecologisch duurzaam is, zijn met het oog op het bepalen van de mate van ecologische duurzaamheid van een belegging.

2.  Deze verordening is van toepassing op:

a)  door lidstaten of de Unie genomen maatregelen waarin voor marktspelers financiëlemarktdeelnemers vereisten worden uiteengezet ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die binnen de Unie als ecologisch duurzaam op de markt worden gebracht;

b)  financiëlemarktdeelnemers die binnen de Unie financiële producten aanbieden als zijnde ecologisch duurzame beleggingen of als beleggingen die vergelijkbare kenmerken hebben, en.

(b bis)   financiëlemarktdeelnemers die andere financiële producten aanbieden, behalve wanneer:

i)  zij verklaringen bieden, die door redelijke bewijzen worden geschraagd tot tevredenheid van de bevoegde autoriteiten, dat de economische activiteiten die door hun financiële producten gefinancierd worden geen grote impact op de duurzaamheid hebben volgens de in artikel 3 en artikel 3 bis bedoelde technische screeningcriteria, in welk geval de bepalingen van hoofdstuk II en III niet van toepassing zijn. Deze informatie wordt in hun prospectus opgenomen, of

ii)  de financiëlemarktdeelnemer in zijn prospectus verklaart dat het financiële product in kwestie geen duurzaamheidsdoelstellingen nastreeft en een verhoogd risico met zich meebrengt om economische activiteiten te ondersteunen die overeenkomstig deze verordening niet als duurzaam beschouwd worden.

2 bis.  De in artikel 1, lid 1, bedoelde criteria worden op een evenredige wijze toegepast waarbij buitensporige administratieve rompslomp wordt vermeden en rekening wordt gehouden met de aard, omvang en complexiteit van de financiëlemarktdeelnemer en kredietinstellingen door middel van vereenvoudigde bepalingen voor kleine en niet-complexe eenheden overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, lid 2 quinquies.

2 ter.  De in artikel 1, lid 1, bedoelde criteria kunnen op vrijwillige basis worden gebruikt voor het in dat lid genoemde doel door ondernemingen die niet onder artikel 1, lid 2, vallen, alsook voor andere financiële instrumenten dan bedoeld in artikel 2.

2 quater.  De Commissie stelt een gedelegeerde handeling vast om te specificeren welke informatie financiëlemarktdeelnemers bij de bevoegde autoriteiten moeten indienen voor de toepassing van artikel 1, lid 2, onder a). [Ams. 35, 55, 59, 87 en 96]

Artikel 2

Definities

1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)  "ecologisch duurzame belegging": een investering waarmee één of meerdere economische activiteiten worden gefinancierd die op grond van deze verordening als ecologisch duurzaam kwalificeren;

b)  "financiëlemarktdeelnemers ": financiëlemarktdeelnemers elk van de volgende categorieën, in de zin van artikel 2, onder a), van [voorstel voor een verordening van de Commissie betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341];

i)  een kredietinstelling als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de zin van [PB: verwijzing invoegen naar het desbetreffende artikel van Verordening (EU) nr. 575/2013];

(b bis)   "uitgevende instelling": een beursgenoteerde uitgevende instelling in de zin van artikel 2, lid 1, onder h), van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad(35), en van artikel 2, onder h), van Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad(36);

c)  "financiële producten": financiële producten vermogensbeheer, een abi-beheerder, een IBIP, een pensioenproduct, een pensioenregeling of een icbe, of een bedrijfsobligatie, in de zin van artikel 2, onder j), van [voorstel voor een verordening van de Commissie betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341], evenals de uitgifte van effecten als bedoeld in Richtlijn 2003/71/EG en Verordening (EU)2017/1129;

(c bis)  "milieu-indicatoren": ten minste de meting van het verbruik van hulpbronnen, zoals grondstoffen, energie, hernieuwbare energie, water, effect op ecosysteemdiensten, emissies van onder meer CO2, effect op biodiversiteit en landgebruik en productie van afvalstoffen, gebaseerd op wetenschappelijk bewijs en de methode van de Commissie voor de beoordeling van levenscycli en overeenkomstig de mededeling van de Commissie over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM(2018)0029);

(c ter)  "relevante nationale bevoegde autoriteit": de bevoegde of toezichthoudende autoriteit of autoriteiten in de lidstaat als bedoeld in de Uniewetgeving vermeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1095/2010, Verordening (EU) nr. 1093/2010 en Verordening (EU) nr. 1094/2010, waarvan het toepassingsgebied betrekking heeft op de categorie financiëlemarktdeelnemers die onder de in artikel 4 van deze verordening bedoelde informatieverschaffingsverplichting vallen;

(c quater)  "betrokken ESA": de Europese toezichthoudende autoriteit of toezichthoudende autoriteit of autoriteiten als bedoeld in de Uniewetgeving vermeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en/of Verordening (EU) nr. 1095/2010, waarvan het toepassingsgebied betrekking heeft op de categorie financiëlemarktdeelnemers die onder de in artikel 4 van deze verordening bedoelde informatieverschaffingsverplichting vallen;

d)  "mitigatie van klimaatverandering": het proces de processen, met inbegrip van overgangsmaatregelen, vereist om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 °C, ten aanzien van het pre-industriële niveau en waarbij ernaar wordt gestreefd de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, zoals bepaald in de Overeenkomst van Parijs;

e)  "adaptatie aan klimaatverandering": het proces van aanpassing aan het de daadwerkelijke en verwachte klimaat klimaatverandering en de gevolgen daarvan;

f)  "broeikasgas": een broeikasgas genoemd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad(37);

g)  "circulaire economie": het zolang mogelijk gebruiken en behouden van de waarde van producten, materialen en alle andere hulpbronnen in de economie op hun piekniveau om zo de milieueffecten terug te dringen en het de afvalproductie tot een minimum beperken van de afvalproductie te beperken, onder meer door toepassing van de afvalhiërarchie vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad(38), alsook het tot een minimum beperken van het gebruik van hulpbronnen op basis van essentiële indicatoren voor de circulaire economie zoals uiteengezet in het monitoringkader voor voortgang naar een circulaire economie, met betrekking tot verschillende productiestadia, consumptie en afvalbeheer;

h)  "verontreiniging":

i)  de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte, of geluid, licht of andere verontreinigende stoffen in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan;

ii)  in het kader van mariene verontreiniging: verontreiniging in de zin van artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad(39);

ii bis)   in het kader van waterverontreiniging: verontreiniging in de zin van artikel 2, punt 33, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad;

(i)  "gezond ecosysteem": een ecosysteem dat in goede fysische, chemische en biologische toestand verkeert of dat van een goede fysische, chemische en biologische kwaliteit is en dat in staat is tot zelfreproductie of zelfherstel tot evenwicht en dat biodiversiteit in stand houdt;

j)  "energie-efficiëntie": een efficiënter energiegebruik in alle stadia van de energieketen - van opwekking tot eindverbruik;

k)  "goede milieutoestand": een goede milieutoestand in de zin van artikel 3, punt 5, van Richtlijn 2008/56/EG;

l)  "mariene wateren": mariene wateren in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/56/EG;

m)  "oppervlaktewater", "binnenwateren", "overgangswater" en "kustwateren" hebben dezelfde betekenis als in artikel 2, punten 1, 3, 6 en 7, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(40);

n)  "duurzaam bosbeheer": het gebruik van bossen en bosgronden op een manier en met een intensiteit waarbij deze hun biodiversiteit, productiviteit, regeneratiecapaciteit en vitaliteit behouden, alsook het vermogen om nu en in de toekomst relevante ecologische, economische en sociale functies op lokaal, nationaal en mondiaal niveau te vervullen, en waarbij geen schade aan andere ecosystemen wordt toegebracht in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving. [Ams. 36, 88 en 89]

Hoofdstuk II

Ecologisch duurzame economische activiteiten

Artikel 3

Criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten

Met het oog op het bepalen van de mate van ecologische duurzaamheid van een belegging is een economische activiteit ecologisch duurzaam wanneer die activiteit aan elk van de volgende criteria voldoet:

a)  de economische activiteit draagt, overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11, substantieel bij aan één of meer van de in artikel 5 genoemde milieudoelstellingen;

b)  de economische activiteit berokkent, overeenkomstig artikel 12, geen aanzienlijke schade aan de in artikel 5 genoemde milieudoelstellingen;

c)  de economische activiteit wordt verricht met inachtneming van de in artikel 13 vastgestelde minimumgaranties;

d)  de economische activiteit voldoet aan de technische screeningcriteria wanneer de Commissie die nader heeft uitgewerkt op basis van geharmoniseerde indicatoren die de duurzaamheidsimpact van de economische activiteit op ondernemings- of planniveau meten, in overeenstemming met artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2. [Am. 37]

Artikel 3 bis

Criteria voor economische activiteiten met een aanzienlijk negatief milieueffect

Tegen 31 december 2021 voert de Commissie een effectbeoordeling uit van de gevolgen van de herziening van deze verordening, teneinde het kader voor duurzame investeringen uit te breiden met een kader om criteria te definiëren voor wanneer, en hoe, een economische activiteit een significante impact heeft op de duurzaamheid. [Am. 38]

Artikel 4

Gebruik van de Toepassing en naleving van criteria voor het bepalen van de mate van ecologisch duurzame ecologische duurzaamheid van economische activiteiten

1.  De lidstaten en de Unie passen de in artikel 3 voor het bepalen van de mate van ecologisch ecologische duurzame duurzaamheid van economische activiteiten vastgelegde criteria toe met het oog op maatregelen tot vaststelling van vereisten duurzaamheidsvereisten voor marktspelers ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties. die als "ecologisch duurzaam" in de markt worden gezet.

2.  Financiëlemarktdeelnemers die financiële producten aanbieden als zijnde ecologisch duurzaam of als beleggingen met vergelijkbare kenmerken, verschaffen informatie over de vraag hoe en in welke mate de in artikel 3 voor ecologisch duurzame economische activiteiten vastgelegde criteria worden gebruikt om de ecologische duurzaamheid van de belegging te bepalen. of bedrijfsobligaties aanbieden, verschaffen de relevante informatie waardoor vastgesteld kan worden of de producten die zij aanbieden gekwalificeerd kunnen worden als duurzame investeringen overeenkomstig de criteria van artikel 3. Wanneer financiëlemarktdeelnemers van oordeel zijn dat een economische activiteit die niet voldoet aan de in overeenstemming met deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria of waarvoor die technische screeningcriteria nog niet zijn vastgesteld, als ecologisch duurzaam dient te worden beschouwd, kunnen zij de Commissie daarvan in kennis stellen. waarvoor technische screeningcriteria nog niet zijn vastgesteld, als ecologisch duurzaam dient te worden beschouwd, stellen zij de Commissie daarvan in kennis. In voorkomend geval stelt de Commissie het in artikel 15 bedoelde platform voor duurzame financiering in kennis van dergelijke verzoeken door financiëlemarktdeelnemers. Financiëlemarktdeelnemers bieden geen financiële producten aan als zijnde ecologisch duurzaam of als beleggingen met vergelijkbare kenmerken indien die producten niet als ecologisch duurzaam kunnen worden gekwalificeerd.

2 bis.  De lidstaten houden in nauwe samenwerking met de betrokken ESA toezicht op de informatie als bedoeld in lid 2. De financiëlemarktdeelnemers geven de informatie door aan de relevante nationale bevoegde autoriteit die de informatie vervolgens onverwijld aan de betrokken ESA doorgeeft. Wanneer de relevante nationale bevoegde autoriteit of de betrokken ESA het niet eens is met de gerapporteerde informatie als bedoeld in de leden 2 en 2 bis, evalueren en corrigeren de financiëlemarktdeelnemers de verstrekte informatie.

2 ter.  De verschaffing van informatie als bedoeld in artikel 4 voldoet aan de beginselen van eerlijke, heldere en niet-misleidende informatie die zijn opgenomen in Richtlijn (EU) 2014/65/EU en Richtlijn (EU) 2016/97 en de bevoegdheden voor interventie als bedoeld in artikel 4, lid 2 ter, in overeenstemming met degene die zijn opgenomen in Verordening nr. 600/2014.

2 quater.  De informatieverschaffingsverplichtingen die zijn vereist uit hoofde van [PB: Verwijzing invoegen naar de verordening betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341], maken geen deel uit van deze verordening.

2 quinquies.  Voor de in artikel 2, lid 2 ter en 2 quater, bedoelde kleine en niet-complexe ondernemingen gelden vereenvoudigde bepalingen.

3.  De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 gedelegeerde handelingen vast tot aanvulling van lid 2 om nader aan te geven welke informatie vereist is om aan dat lid te voldoen, rekening houdende met de in overeenstemming met deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria. de leden 2, 2 bis en 2 ter, om nader aan te geven welke informatie vereist is om aan deze leden te voldoen, met een lijst van investeringen die soortgelijke kenmerken hebben als duurzame investeringen en de relevante kwalificatiedrempels voor de toepassing van lid 2, rekening houdende met de beschikbaarheid van relevante informatie en de in overeenstemming met deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria. Die informatie stelt beleggers in staat om het volgende te bepalen:

a)  het percentage van deelnemingen in verschillende ondernemingen die ecologisch duurzame economische activiteiten verrichten;

b)  het aandeel van de belegging waarmee ecologisch duurzame economische activiteiten worden gefinancierd, uitgedrukt als percentage van alle economische activiteiten.

(b bis)  de relevante definities van de in artikel 2 ter bedoelde kleine en niet-complexe ondernemingen evenals de vereenvoudigde bepalingen die op deze entiteiten van toepassing zijn.

3 bis.  Financiëlemarktdeelnemers maken de informatie als bedoeld in lid 3, onder a) en b), bekend.

4.  De Commissie stelt de gedelegeerde handeling overeenkomstig lid 3 uiterlijk 31 december 2019 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 juli 2020 van toepassing wordt. De Commissie kan die gedelegeerde handeling wijzigen, met name in het licht van wijzigingen van de gedelegeerde handelingen die in overeenstemming met artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, zijn vastgesteld. [Am. 39]

Artikel 4 bis

Markttoezicht

1.  Overeenkomstig artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010, monitort de betrokken ESA de in artikel 1 van deze verordening bedoelde markt voor financiële producten die in de Unie op de markt worden gebracht, worden gedistribueerd of worden verkocht.

2.  De bevoegde autoriteiten houden toezicht op markt voor financiële producten die in of vanuit hun lidstaat op de markt worden gebracht, worden verspreid of worden verkocht.

3.  Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010, kan de betrokken ESA wanneer deze verordening wordt geschonden door de in artikel 1 bedoelde entiteiten, het op de markt brengen, distribueren of verkopen van de in artikel 1 bedoelde financiële producten in de Unie tijdelijk verbieden of beperken.

Een verbod of beperking in de zin van artikel 3 kan gelden in omstandigheden of onderworpen zijn aan uitzonderingen die door de betrokken ESA worden gespecificeerd.

4.  Wanneer de betrokken ESA op grond van dit artikel maatregelen neemt, zorgt zij ervoor dat de maatregel:

a)  geen nadelig effect heeft op de efficiëntie van de financiële markten of op de beleggers dat onevenredig is in vergelijking met de voordelen van de maatregel; en

b)  niet een risico op regelgevingsarbitrage (regulatory arbitrage) veroorzaakt.

Indien een bevoegde autoriteit of bevoegde autoriteiten een maatregel heeft of hebben genomen op grond van dit artikel, kan de betrokken ESA elk van de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen nemen.

5.  Voordat de betrokken ESA besluit een maatregel te nemen op grond van dit artikel, stelt zij de bevoegde autoriteiten van de voorgenomen maatregel in kennis.

6.  De betrokken ESA heroverweegt een verbod of beperking op grond van lid 1 na passende termijnen en ten minste elke drie maanden. Als het verbod of de beperking na die periode van drie maanden niet wordt verlengd, loopt het verbod of de beperking af.

7.  Maatregelen die door de betrokken ESA worden genomen op grond van dit artikel krijgen voorrang boven eerdere maatregelen van een bevoegde autoriteit. [Am. 40]

Artikel 5

Milieudoelstellingen Duurzaamheidsdoelstellingen

1.  Voor de toepassing van deze verordening is het volgende een milieudoelstelling:

(1)  mitigatie van klimaatverandering;

(2)  adaptatie aan klimaatverandering;

(3)  duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen;

(4)  transitie naar een circulaire economie, met inbegrip van afvalpreventie en recycling toegenomen gebruik van secundaire grondstoffen;

(5)  preventie en beheersing van verontreiniging;

(6)  bescherming van biodiversiteit en gezonde ecosystemen, en herstel van aangetaste ecosystemen.

1 bis.  De in de eerste alinea genoemde doelstellingen worden bepaald op basis van geharmoniseerde indicatoren, levenscyclusbeoordeling en wetenschappelijke criteria en worden verwezenlijkt met dien verstande dat zij zijn afgestemd op de komende milieu-uitdagingen. [Am. 41]

Artikel 6

Substantiële bijdrage aan mitigatie van klimaatverandering

1.  Een economische activiteit wordt geacht substantieel aan mitigatie van klimaatverandering bij te dragen wanneer die activiteit substantieel bijdraagt aan de stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau waarop gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen, door het vermijden of verminderen van broeikasgasemissies of het versterken van broeikasverwijderingen door middel van een van de volgende methoden, onder meer door proces- of productinnovatie:

a)  opwekking, opslag, distributie of gebruik van hernieuwbare energie of klimaatneutrale energie (in lijn met inbegrip van koolstofneutrale de richtlijn hernieuwbare energie), onder meer door gebruikmaking van innovatieve technologie met een potentieel voor aanzienlijke toekomstige besparingen of door de noodzakelijke versterking van het net;

b)  verbetering van de energie-efficiëntie in alle sectoren, behalve de energieopwekking met vaste fossiele brandstoffen, en in alle stadia van de energieketen, teneinde het primaire en eindenergieverbruik te verminderen;

c)  uitbreiding van schone of klimaatneutrale mobiliteit;

d)  overschakeling op uitbreiding van het gebruik van ecologisch duurzame hernieuwbare materialen op basis van een beoordeling van de volledige levenscyclus en de vervanging van met name fossiele grondstoffen met reducties van broeikasgasemissies op korte termijn als resultaat;

e)  uitbreiding van het gebruik van technologieën voor ecologisch veilige koolstofafvang, -benutting en -opslag (CCU en CCS) die een nettoreductie van emissies verzekeren;

f)  uitfasering van antropogene emissies van broeikasgassen, met inbegrip van fossiele brandstoffen;

(f bis)  uitbreiding van de verwijdering van CO2 uit de atmosfeer en de opslag ervan in natuurlijke ecosystemen, bijvoorbeeld middels bebossing, het herstel van bossen en regeneratieve landbouw;

g)  totstandbrenging van energie-infrastructuur die nodig is om energiesystemen koolstofvrij te maken;

h)  productie van schone en efficiënte brandstoffen uit hernieuwbare of koolstofneutrale bronnen.

2.  De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 gedelegeerde handelingen vast tot:

a)  aanvulling van lid 1 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om uit te maken op welke voorwaarden een specifieke economische activiteit, voor de toepassing van deze verordening, geacht wordt substantieel bij te dragen aan mitigatie van klimaatverandering. Deze technische screeningcriteria omvatten drempels voor mitigatie-activiteiten overeenkomstig de doelstelling om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 °C, waarbij ernaar wordt gestreefd de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, zoals bepaald in de Overeenkomst van Parijs;

b)  aanvulling van artikel 12 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om, voor elke betrokken milieudoelstelling, uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan overeenkomstig punt a) van dit lid screeningcriteria op basis van indicatoren zijn vastgesteld, wordt geacht, voor de toepassing van deze verordening, in aanzienlijke schade mate afbreuk te berokkenen doen aan één of meer van die doelstellingen.

3.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdende met de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden.

4.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk 31 december 2019 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 juli 2020 van toepassing wordt. [Ams. 42, 66 en 99]

Artikel 7

Substantiële bijdrage aan adaptatie aan klimaatverandering

1.  Een economische activiteit wordt geacht substantieel aan adaptatie aan klimaatverandering bij te dragen wanneer die activiteit substantieel bijdraagt aan het verminderen van de negatieve effecten van het huidige en verwachte toekomstige klimaat of een toename of verschuiving van negatieve effecten van klimaatverandering voorkomt, door middel van een van de volgende methoden:

a)  voorkomen of verminderen van de locatie- of contextspecifieke negatieve effecten van klimaatverandering op de economische activiteit, die worden beoordeeld en geprioriteerd aan de hand van beschikbare klimaatprognoses;

b)  voorkomen of verminderen van de negatieve effecten die klimaatverandering kan hebben voor de natuurlijke en gebouwde omgeving waarbinnen de economische activiteit plaatsvindt, hetgeen wordt beoordeeld en geprioriteerd aan de hand van beschikbare klimaatprognoses en onderzoeken naar de menselijke invloed op de klimaatverandering.

2.  De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 een gedelegeerde handeling vast tot:

a)  aanvulling van lid 1 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om uit te maken op welke voorwaarden een specifieke economische activiteit, voor de toepassing van deze verordening, geacht wordt substantieel bij te dragen aan adaptatie aan mitigatie van klimaatverandering;

b)  aanvulling van artikel 12 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om, voor elke betrokken milieudoelstelling, uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan overeenkomstig punt a) van dit lid screeningcriteria op basis van indicatoren zijn vastgesteld, wordt geacht, voor de toepassing van deze verordening, in aanzienlijke schade mate afbreuk te berokkenen doen aan één of meer van die doelstellingen.

3.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde technische screeningcriteria op basis van indicatoren tezamen vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdende met de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden.

4.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk 31 december 2019 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 juli 2020 van toepassing wordt. [Am. 43]

Artikel 8

Substantiële bijdrage aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen

1.  Een economische activiteit wordt geacht substantieel aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water waterlichamen en mariene hulpbronnen wateren bij te dragen wanneer die activiteit substantieel bijdraagt aan de goede toestand van wateren, met inbegrip van zoet water, overgangswater oppervlaktewateren in het binnenland, riviermondingen en kustwateren, of de goede milieutoestand van mariene wateren wanneer voor die activiteit toepasselijke maatregelen worden getroffen om de biologische diversiteit, productiviteit, weerbaarheid, waarde en algemene gezondheid van het mariene ecosysteem te herstellen, beschermen of behouden, evenals de bestaansmiddelen van de gemeenschappen die ervan afhankelijk zijn, door middel van een van de volgende methoden:

a)  bescherming van het aquatische milieu, met inbegrip van zwemwater (in rivieren en zeeën) tegen de nadelige gevolgen van lozingen van stedelijk en industrieel afvalwater, met inbegrip van plastics, door, overeenkomstig de artikelen 3, 4, 5 en 11 van Richtlijn 91/271/EEG van de Raad(41) of overeenkomstig de beste beschikbare technieken zoals vastgesteld in Richtlijn 2010/75/EU, een afdoende opvang en behandeling van stedelijk en industrieel afvalwater te verzekeren;

(a bis)  bescherming van het aquatische milieu tegen de nadelige gevolgen van emissies en lozingen in zee overeenkomstig IMO-verdragen zoals het Marpol-Verdrag, evenals verdragen die niet onder Marpol vallen, zoals het Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen en de regionale zeeverdragen;

b)  bescherming van de volksgezondheid tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het geen micro-organismen, parasieten of andere stoffen bevat die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren, en te controleren dat het voldoet aan de minimumeisen bepaald in bijlage I, delen A en B, bij Richtlijn 98/83/EG van de Raad(42), en uitbreiding van de toegang van burgers tot schoon drinkwater;

c)  onttrekking van water met inachtneming van de doelstelling van goede kwantitatieve toestand als omschreven in tabel 2.1.2 in bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG;

d)  verbetering van waterefficiëntie waterhuishouding en -efficiëntie, bevordering van hergebruik van water, systemen voor regenwaterbeheer of iedere andere activiteit die de kwaliteit en kwantiteit van Uniewaterlichamen beschermt of verbetert in overeenstemming met Richtlijn 2000/60/EG;

e)  borgen van het duurzame gebruik van mariene ecosysteemdiensten of bijdragen tot een goede milieutoestand van mariene wateren, als bepaald op grond van de kwalitatief beschrijvende elementen uiteengezet in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG en zoals nader ingevuld in Besluit (EU) 2017/848 van de Commissie(43).

2.  De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 een gedelegeerde handeling vast tot:

a)  aanvulling van lid 1 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om uit te maken op welke voorwaarden een specifieke economische activiteit, voor de toepassing van deze verordening, geacht wordt substantieel bij te dragen aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen;

b)  aanvulling van artikel 12 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om, voor elke betrokken milieudoelstelling, uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan overeenkomstig punt a) van dit lid screeningcriteria op basis van indicatoren zijn vastgesteld, wordt geacht, voor de toepassing van deze verordening, aanzienlijke schade te berokkenen aan één of meer van die doelstellingen.

3.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde technische screeningcriteria tezamen vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdende met de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden.

4.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk 1 juli 2022 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 31 december 2022 van toepassing wordt. [Am. 44]

Artikel 9

Substantiële bijdrage aan de circulaire economie, en aan met inbegrip van afvalpreventie en recycling het uitbreiden van het gebruik van secundaire grondstoffen

1.  Een economische activiteit wordt geacht substantieel bij te dragen aan de transitie naar een circulaire economie, en aan met inbegrip van afvalpreventie, hergebruik en recycling, gedurende de volledige levenscyclus van een product of economische activiteit in verschillende stadia van productie, consumptie en eindgebruik, wanneer die activiteit, in overeenstemming met het EU-acquis, substantieel aan die milieudoelstelling bijdraagt door middel van een van de volgende methoden:

a)  verbeteren van het efficiënte gebruik van grondstoffen en hulpbronnen bij de productie, onder meer door het terugdringen van het gebruik van primaire grondstoffen en het opvoeren van het gebruik van bijproducten en afvalstoffen secundaire grondstoffen, ter ondersteuning van einde-afvalverwerking;

b)  vergroten van de duurzaamheid, repareerbaarheid, verbeterbaarheid en herbruikbaarheid van producten; ontwerp, fabricage en uitbreiding van het gebruik van producten die hulpbronnenefficiënt, duurzaam (ook wat betreft levensduur en het ontbreken van geplande veroudering), repareerbaar, herbruikbaar en opwaardeerbaar zijn;

c)  vergroten wegwerken van afvalproducten en vergroten van de herbruikbaarheid en recycleerbaarheid van producten, met inbegrip van individuele materialen in producten, onder meer door substitutie of verminderd gebruik van producten en materialen die niet recycleerbaar zijn;

d)  vermindering van het gehalte aan gevaarlijke stoffen en vervanging van zeer zorgwekkende stoffen in materialen en producten, overeenkomstig de op Unieniveau vastgestelde geharmoniseerde wettelijke vereisten, met name de in de EU-wetgeving vastgestelde bepalingen ter waarborging van het veilige beheer van stoffen, materialen, producten en afval;

e)  verlenging van het gebruik van producten onder meer door het uitbreiden van hergebruik, remanufacturing, upgrading, reparatie en delen van producten door consumenten;

f)  verhogen van het gebruik van secundaire grondstoffen en de kwaliteit ervan, onder meer door hoogkwalitatieve afvalrecycling;

g)  terugdringen van de afvalproductie, met inbegrip van de afvalproductie in processen in verband met de industriële productie, de winning van mineralen, de verwerkende industrie en bouw- en sloopwerkzaamheden;

h)  uitbreiden van voorbereiding voor hergebruik en recycling van afval volgens de afvalhiërarchie;

(h bis)   opdrijven van de ontwikkeling van de nodige afvalverwerkingsinfrastructuur met het oog op preventie, hergebruik en recycling;

i)  vermijden van afvalverbranding, verwijdering en -verwijdering het storten van afval, overeenkomstig de afvalhiërarchie;

j)  vermijden, verminderen en opruimen van zwerfvuil en andere verontreiniging, met inbegrip van preventie en terugdringing van zwerfvuil op zee, veroorzaakt door onoordeelkundig afvalbeheer;

(j bis)   verminderen van de productie van levensmiddelenafval in de primaire productie, de verwerkende industrie, de detailhandel en de overige distributie van levensmiddelen, in restaurants, in de catering en in huishoudens;

k)  efficiënt gebruik van natuurlijke energiebronnen, grondstoffen, water en land;

(k bis)  bevorderen van de bio-economie aan de hand van het duurzame gebruik van hernieuwbare bronnen voor de productie van materialen en goederen.

2.  De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 een gedelegeerde handeling vast tot:

a)  aanvulling van lid 1 om technische screeningcriteria op basis van de indicatoren van de Commissie voor de circulaire economie vast te stellen om uit te maken op welke voorwaarden een specifieke economische activiteit, voor de toepassing van deze verordening, geacht wordt substantieel bij te dragen aan de circulaire economie en aan afvalpreventie en recycling;

b)  aanvulling van artikel 12 om technische screeningcriteria op basis van de indicatoren van de Commissie voor de circulaire economie vast te stellen om, voor elke betrokken milieudoelstelling, uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan overeenkomstig punt a) van dit lid screeningcriteria zijn vastgesteld, wordt geacht, voor de toepassing van deze verordening, in aanzienlijke schade mate afbreuk te berokkenen doen aan één of meer van die doelstellingen.

3.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde technische screeningcriteria op basis van de indicatoren van de Commissie voor de circulaire economie tezamen vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdende met de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden.

4.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk 1 juli 2021 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 31 december 2021 van toepassing wordt. [Am. 45]

Artikel 10

Substantiële bijdrage aan preventie en beheersing van verontreiniging

1.  Een economische activiteit wordt geacht substantieel bij te dragen aan preventie en beheersing van verontreiniging wanneer die activiteit aan een hoog niveau van substantieel aan bescherming van het milieu tegen verontreiniging bijdraagt door middel van een van de volgende methoden:

a)  vermindering van lucht-, water- en bodemverontreinigende emissies niet zijnde broeikasgassen;

b)  verbetering van het niveau van lucht-, water- of bodemkwaliteit in gebieden waar de economische activiteit plaatsvindt, terwijl de negatieve effecten op en risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu tot een minimum worden beperkt;

c)  significant schadelijke effecten van de productie en het gebruik van chemische stoffen op de menselijke gezondheid of het milieu tot een minimum beperken.

2.  De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 een gedelegeerde handeling vast tot:

a)  aanvulling van lid 1 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om uit te maken op welke voorwaarden een specifieke economische activiteit, voor de toepassing van deze verordening, geacht wordt substantieel bij te dragen aan preventie en beheersing van verontreiniging;

b)  aanvulling van artikel 12 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om, voor elke betrokken milieudoelstelling, uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan overeenkomstig punt a) van dit lid screeningcriteria op basis van indicatoren zijn vastgesteld, wordt geacht, voor de toepassing van deze verordening, in aanzienlijke schade mate afbreuk te berokkenen doen aan één of meer van die doelstellingen.

3.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde technische screeningcriteria tezamen vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdende met de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden.

4.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk 1 juli 2021 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 31 december 2021 van toepassing wordt. [Am. 46]

Artikel 11

Substantiële bijdrage aan de bescherming van biodiversiteit en gezonde ecosystemen of aan het herstel van aangetaste ecosystemen

1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt een economische activiteit geacht substantieel aan biodiversiteit en gezonde ecosystemen of het herstel van aangetaste ecosystemen bij te dragen wanneer die activiteit substantieel bijdraagt aan het beschermen, behouden en versterken of herstellen van biodiversiteit en ecosysteemdiensten overeenkomstig de desbetreffende wetgevings- en niet-wetgevingsinstrumenten van de Unie, door middel van een van de volgende methoden:

a)  natuurbescherming ( ; maatregelen voor natuurbescherming voor het in stand houden of herstellen van natuurlijke habitats en soorten) wilde fauna en flora in een gunstige staat van instandhouding voor het bereiken van voldoende populaties van natuurlijk voorkomende soorten en maatregelen voor het beschermen, herstellen en versterken van de toestand van ecosystemen en hun vermogen om diensten te leveren;

b)  duurzaam bodembeheer, met inbegrip van afdoende bescherming van de bodembiodiversiteit; neutraliteit qua bodemdegradatie, en sanering van verontreinigde terreinen;

c)  duurzame landbouwpraktijken, met inbegrip van praktijken die bijdragen tot het tot staan brengen of voorkomen van ontbossing en habitatverlies;

d)  duurzaam bosbeheer, met inachtneming van de EU-houtverordening, de LULUCF-verordening, de EU-richtlijn hernieuwbare energie, de toepasselijke nationale wetgeving in overeenstemming hiermee en de conclusies van de ministerconferentie over de bescherming van de bossen in Europa (MCPFE).

2.  De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 een gedelegeerde handeling vast tot:

a)  aanvulling van lid 1 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om uit te maken op welke voorwaarden een specifieke economische activiteit, voor de toepassing van deze verordening, geacht wordt substantieel bij te dragen aan de bescherming van biodiversiteit en gezonde ecosystemen of het herstel van aangetaste ecosystemen;

b)  aanvulling van artikel 12 om technische screeningcriteria op basis van indicatoren vast te stellen om, voor elke betrokken milieudoelstelling, uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan overeenkomstig punt a) van dit lid screeningcriteria op basis van indicatoren zijn vastgesteld, wordt geacht, voor de toepassing van deze verordening, aanzienlijke schade te berokkenen aan één of meer van die doelstellingen.

3.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde technische screeningcriteria tezamen vast in één gedelegeerde handeling, rekening houdende met de in artikel 14 vastgestelde voorwaarden.

4.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling uiterlijk 1 juli 2022 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 31 december 2022 van toepassing wordt. [Am. 47]

Artikel 12

Aanzienlijke schade aan milieudoelstellingen

1.  Voor de toepassing van artikel 3, punt b), wordt een economische activiteit, rekening houdende met de gehele levenscyclus ervan geacht aanzienlijke schade te berokkenen aan:

a)  mitigatie van klimaatverandering: wanneer die activiteit leidt tot aanzienlijke broeikasgasemissies;

b)  adaptatie aan klimaatverandering: wanneer die activiteit leidt tot een toegenomen negatief effect van het huidige en toekomstige klimaat op en verder dan de natuurlijke en gebouwde omgeving waarbinnen die activiteit plaatsvindt;

c)  duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen: wanneer die activiteit in aanzienlijke mate schadelijk is voor de goede toestand van Uniewateren, met inbegrip van zoetwater, overgangswateren en kustwateren, of aan de goede milieutoestand van mariene wateren van de Unie, overeenkomstig Richtlijnen 2000/60/EG en 2008/56/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;

d)  circulaire economie, afvalpreventie en recycling: wanneer die activiteit leidt tot aanzienlijke inefficiënties bij het gebruik van materialen in één en hulpbronnen, zoals niet-hernieuwbare energie, grondstoffen, water en land, direct of meer indirect in verschillende stadia van de levenscyclus van producten, waaronder inefficiënties met betrekking tot elementen ter beperking van de levensduur van producten en onder meer in termen van duurzaamheid, repareerbaarheid, verbeterbaarheid, herbruikbaarheid of recycleerbaarheid van producten, of wanneer die activiteit leidt tot een aanzienlijke toename van de productie, verbranding of verwijdering van afval;

e)  voorkoming en beheersing van verontreiniging: wanneer die activiteit leidt tot een aanzienlijke toename van emissies van verontreinigende stoffen in de lucht, het water of de bodem, vergeleken met de situatie voordat die activiteit van start ging;

f)  gezonde ecosystemen: wanneer die activiteit in aanzienlijke mate schadelijk is voor de goede toestand en veerkracht van ecosystemen, met inbegrip van biodiversiteit en landgebruik.

1 bis.   Bij de beoordeling van een economische activiteit met betrekking tot de onder a) tot f) bepaalde criteria, wordt rekening gehouden met de ecologische impact van de activiteit zelf en van de producten en diensten die dankzij die activiteit geleverd worden, gedurende de volledige levenscyclus en, indien nodig, in de hele waardeketen. [Ams. 48 en 101]

Artikel 13

Minimumgaranties

De in artikel 3, punt c), bedoelde minimumgaranties zijn procedures die ten uitvoer worden gelegd door de onderneming die een economische activiteit verricht, om te garanderen dat de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, met inbegrip van de principes en rechten die worden genoemd in de acht in de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk genoemde fundamentele verdragen, en het Internationaal Statuut van de Rechten van de Mens in acht worden genomen: het recht niet te worden onderworpen aan dwangarbeid of verplichte arbeid, de vrijheid van vereniging, het recht van werknemers om zich te organiseren, het recht om collectief te onderhandelen, gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde, niet-discriminatie in kansen en behandeling in beroep en beroepsuitoefening, en het recht niet te worden onderworpen aan kinderarbeid.

Tegen 31 december 2021 voert de Commissie een effectbeoordeling uit van de gevolgen en de geschiktheid van de herziening van deze verordening, teneinde rekening te houden met de naleving van andere minimumgaranties waaraan ondernemingen die een economische activiteit verrichten zich moeten houden om die economische activiteit als ecologisch duurzaam vast te leggen.

De Commissie is bevoegd om dit artikel aan te vullen door middel van een gedelegeerde handeling tot specificatie van de criteria om te bepalen of aan de vereisten van dit artikel wordt voldaan. Bij het opstellen van de in dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling houdt de Commissie rekening met de in lid 1 en 2 genoemde beginselen. De Commissie stelt deze gedelegeerde handeling uiterlijk op 31 december 2020 vast. [Ams. 49, 70, 72 en 93]

Artikel 14

Vereisten voor technische screeningcriteria

1.  De in overeenstemming met artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, vastgestelde technische screeningcriteria:

(-a)  zijn gebaseerd op geharmoniseerde indicatoren die het milieueffect meten op grond van de berekening met behulp van de geharmoniseerde beoordeling van levenscycli;

a)  identificeren de meest relevante potentiële bijdragen aan de specifieke milieudoelstelling, waarbij niet alleen naar de effecten van een specifieke economische activiteit op korte termijn wordt gekeken, maar ook naar die op langere termijn;

b)  bepalen nader de minimumvereisten waaraan moet worden voldaan om aanzienlijke schade aan de betrokken milieudoelstellingen te vermijden;

c)  zijn kwalitatief of kwantitatief, of beide, en bevatten zo mogelijk drempelwaarden;

d)  bouwen, in voorkomend geval, voort op Unieregelingen voor labels en certificering, Uniemethodieken voor het beoordelen van de ecologische voetafdruk en Uniesystemen voor statistische classificatie, en houden rekening met de desbetreffende bestaande Uniewetgeving, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten;

e)  zijn gebaseerd op sluitend wetenschappelijk bewijs en houden, in voorkomend geval, rekening met leven het in artikel 191 VWEU vastgelegde voorzorgsbeginsel na;

f)  houden rekening met de milieu-effecten van de economische activiteit zelf, alsmede die van de producten en diensten welke die economische activiteit oplevert, met name gedurende de gehele levenscyclus, en, waar nodig, in de volledige waardeketen, door rekening te houden met de productie vanaf de verwerking van grondstoffen tot het eindproduct, het gebruik en end-of-life ervan alsook recycling;

(f bis)   houden rekening met de kosten van non-actie, op grond van het VN-kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030;

g)  houden rekening met de aard en de schaal van de economische activiteit, en houden er rekening mee dat een activiteit die met behulp van onderzoeks- en innovatieprojecten een transitie doormaakt naar een duurzamere configuratie en/of uitvoering daarvoor specifieke tijdschema's en trajecten moet doorlopen;

h)  houden rekening met het potentiële effect op de liquiditeit van de markt, het risico dat bepaalde activa gestrande activa worden vanwege wetswijzigingen en doordat zij aan waarde verliezen als gevolg van de transitie naar een duurzamere economie, alsmede het risico dat incoherente prikkels ontstaan;

(h bis)   zijn gemakkelijk toe te passen en vermijden nodeloze administratieve lasten vanuit het oogpunt van naleving;

i)  bestrijken alle relevante economische activiteiten binnen een bepaalde bedrijfstak economische macrosector en zorgen ervoor dat die activiteiten wat duurzaamheidsrisico's betreft gelijk worden behandeld indien op voorwaarde dat zij in gelijke mate bijdragen aan één of meer milieudoelstellingen en ze geen aanzienlijke schade berokkenen aan de andere in de artikelen 3 en 12 vermelde milieudoelstellingen, teneinde verstoring van de mededinging op de markt te vermijden;

j)  worden vastgesteld om zo mogelijk de controle op de naleving van die criteria te bevorderen.

2.  De in lid 1 bedoelde technische screeningcriteria omvatten ook op indicatoren gebaseerde criteria voor activiteiten die verband houden met de transitie naar schone energie en broeikasgasneutraliteit, met name energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, voor zover die activiteiten substantieel bijdragen aan een van de milieudoelstellingen.

2 bis.   De technische screeningcriteria zorgen ervoor dat de opwekking van elektriciteit middels vaste fossiele brandstoffen niet wordt beschouwd als een duurzame economische activiteit.

2 ter.   De technische screeningcriteria zorgen ervoor dat economische activiteiten die bijdragen aan koolstofintensieve lock-in-effecten niet worden beschouwd als een duurzame economische activiteit.

2 quater.   De technische screeningcriteria zorgen ervoor dat de opwekking van elektriciteit waarbij niet-hernieuwbare afvalstoffen worden geproduceerd niet wordt beschouwd als een duurzame economische activiteit.

3.  De in lid 1 bedoelde technische screeningcriteria omvatten ook criteria voor activiteiten die verband houden met de overschakeling naar schone of klimaatneutrale mobiliteit, onder meer via modal shift, efficiëntiemaatregelen en alternatieve brandstoffen, voor zover die activiteiten substantieel bijdragen aan een van de milieudoelstellingen.

3 bis.  Als het merendeel van de ondernemingen die een bepaalde economische activiteit verrichten aantoonbaar betrokken is bij een traject om die activiteit duurzaam te maken, kan daar in de screeningcriteria rekening mee worden gehouden. Aanhoudende inspanningen voor onderzoek en ontwikkeling, grote projecten waarbij geïnvesteerd wordt in nieuwe en ecologisch duurzamere technologieën, of concrete transitieplannen vanaf het moment dat zij zich in een vroege uitvoeringsfase bevinden, kunnen het bewijs van een dergelijk traject vormen.

4.  De Commissie evalueert op gezette tijdstippen de in lid 1 bedoelde screeningcriteria en wijzigt, in voorkomend geval, de in overeenstemming met deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen in het licht van wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. [Ams. 50, 73, 74, 75 en 104]

Artikel 15

Platform voor duurzame financiering

1.  De Commissie richt een platform voor duurzame financiering op, dat en zorgt bij de samenstelling daarvan voor een goed evenwicht, uiteenlopende standpunten en gendergelijkheid. Het platform bestaat, op een evenwichtige wijze, uit vertegenwoordigers van de volgende groepen:

a)  vertegenwoordigers van de volgende organisaties:

i)  het Europees Milieuagentschap;

ii)  de Europese toezichthoudende autoriteiten;

iii)  de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds;

iii bis)   het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten;

iii ter)   de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG);

b)  deskundigen die relevante particuliere stakeholders vertegenwoordigen, met inbegrip van de spelers op financiële en niet-financiële markten en bedrijfssectoren, met vertegenwoordiging van de relevante bedrijfstakken;

(b bis)   deskundigen die maatschappelijke organisaties vertegenwoordigen, met inbegrip van expertise op het gebied van ecologische, maatschappelijke, arbeids- en governancekwesties;

c)  deskundigen die op persoonlijke titel zijn aangesteld, de academische wereld vertegenwoordigen, met bewezen kennis en ervaring op de door deze verordening bestreken terreinen inbegrip van universiteiten, onderzoeksinstellingen en denktanks, met inbegrip van mondiale expertise.

1 bis.   De onder b) en c) bedoelde deskundigen worden benoemd in overeenstemming met artikel 237 van het Financieel Reglement, en bezitten bewezen kennis en ervaring op de door deze verordening bestreken terreinen, met name duurzaamheid in de financiële sector.

1 ter.   Het Europees Parlement en de Raad worden naar behoren en tijdig op de hoogte gehouden van de selectieprocedure voor deskundigen voor het platform.

2.  Het platform voor duurzame financiering:

(-a)   adviseert de Commissie over de vaststelling van de in artikel 14, lid 1 (-a), bedoelde indicatoren en de eventuele noodzaak om deze bij te werken, en bouwt daarbij verder op de inspanningen van relevante EU-entiteiten en -initiatieven, met name het monitoringkader voor de circulaire economie;

a)  adviseert de Commissie over de in artikel 14 bedoelde technische screeningcriteria en de eventuele noodzaak om die criteria bij te werken;

b)  analyseert het effect van de technische screeningcriteria op basis van gegevens en wetenschappelijk onderzoek, wanneer dit beschikbaar is, in termen van potentiële kosten en baten van de toepassing ervan;

c)  staat de Commissie bij in het onderzoek van verzoeken van stakeholders om technische screeningcriteria voor een bepaalde economische activiteit te ontwikkelen of te herzien op basis van gegevens en wetenschappelijk onderzoek, wanneer dit beschikbaar is; de conclusies van deze analyses moeten tijdig op de website van de Commissie gepubliceerd worden;

d)  adviseert de Commissie of het Europees Parlement, op hun verzoek, over de vraag of de technische screeningcriteria geschikt zijn voor mogelijk ander gebruik;

(d bis)   adviseert de Commissie, in samenwerking met de EFRAG, over de ontwikkeling van duurzaamheidsnormen voor de boekhouding en geïntegreerde verslagleggingsnormen voor ondernemingen en financiëlemarktdeelnemers, onder meer aan de hand van de revisie van Richtlijn 2013/34/EU;

e)  monitort tendensen op EU- en op lidstaatniveau met betrekking tot kapitaalstromen van economische activiteiten met een negatieve impact op ecologische duurzaamheid richting duurzame beleggingen, op basis van gegevens en wetenschappelijk onderzoek, wanneer dit beschikbaar is, en doet de Commissie daarover op gezette tijdstippen tijden verslag;

f)  adviseert de Commissie over de eventuele noodzaak om deze verordening te wijzigen, met name ten aanzien van de relevantie en kwaliteit van gegevens, en manieren om de administratieve lasten te verminderen;

(f bis)   draagt bij tot de evaluatie en ontwikkeling van reglementering en beleid inzake duurzame financiering, met inbegrip van consistentieproblemen in beleidsmaatregelen;

(f ter)  ondersteunt de Commissie bij het definiëren van mogelijke maatschappelijke doelstellingen.

2 bis.  Het platform houdt terdege rekening met toepasselijke gegevens en relevant wetenschappelijk onderzoek bij de uitvoering van deze taken. Het kan publieke raadplegingen organiseren om de standpunten van stakeholders met betrekking tot specifieke kwesties binnen zijn mandaat te verzamelen.

3.  Het platform voor duurzame financiering wordt door de Commissie voorgezeten en is samengesteld overeenkomstig de horizontale regels van de Commissie voor deskundigengroepen. De Commissie publiceert de analyses, vergaderingen, verslagen en notulen van het platform op haar website. [Am. 51]

Artikel 16

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend op de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De bevoegdheid om de in artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze verordening].

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in lid 2 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. De Commissie verricht in het kader van de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen passende consultaties en beoordelingen van de voorgestelde beleidsopties uit.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, artikel 12, lid 2, en artikel 13, lid 3,vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking als het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of wanneer zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben meegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. [Am. 52]

Hoofdstuk III

Slotbepalingen

Artikel 17

Evaluatieclausule

1.  Uiterlijk 31 december 2021, en daarna om de drie jaar, maakt de Commissie een verslag over de toepassing en effecten van deze verordening bekend. In dat verslag wordt een beoordeling gemaakt van de volgende punten:

a)  de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van deze verordening ten aanzien van de uitwerking van technische screeningcriteria op basis van indicatoren voor ecologisch duurzame economische activiteiten;

b)  de eventuele noodzaak van een herziening van de in deze verordening beschreven criteria en de lijst van indicatoren om een economische activiteit als ecologisch duurzaam te beschouwen om innovatie en de transitie naar duurzaamheid te faciliteren;

c)  de vraag of het passend is het toepassingsgebied van deze verordening uit te breiden tot andere duurzaamheidsdoelstellingen, met name sociale duurzaamheidsdoelstellingen;

d)  het gebruik van de definitie van "ecologisch duurzame belegging" en "belegging met een negatief milieueffect" in het Unierecht en op lidstaatniveau, met inbegrip van de vraag of het passend is een het controlemechanisme te herzien of aanvullende mechanismen op te zetten voor de inachtneming van de in deze verordening uiteengezette criteria op basis van indicatoren;

(d bis)   de doeltreffendheid van de taxonomie voor het kanaliseren van particuliere beleggingen naar duurzame activiteiten.

1 bis.  Uiterlijk 31 december 2021, en daarna om de drie jaar, herziet de Commissie het toepassingsgebied van deze verordening indien deze buitensporige administratieve lasten met zich meebrengt of indien er te weinig gegevens beschikbaar zijn voor financiële marktdeelnemers.

2.  Dit verslag wordt Deze verslagen worden naar het Europees Parlement en de Raad gezonden. Indien nodig werkt de Commissie begeleidende wetgevingsvoorstellen uit. [Ams. 53 en 105]

Artikel 18

Inwerkingtreding en toepassing

1.  Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  De artikelen 3 tot en met 13 van deze verordening zijn van toepassing:

a)  ten aanzien van de in artikel 5, punten 1) en 2), genoemde milieudoelstellingen: vanaf 1 juli 2020;

b)  ten aanzien van de in artikel 5, punten 4) en 5), genoemde milieudoelstellingen: vanaf 31 december 2021;

c)  ten aanzien van de in artikel 6, punten 3) en 6), genoemde milieudoelstellingen: vanaf 31 december 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 103.
(2) PB C 86 van 7.3.2019, blz. 24.
(3)PB C 62 van 15.2.2019, blz. 103.
(4) PB C 86 van 7.3.2019, blz. 24.
(5) Standpunt van het Europees Parlement van 28 maart 2019.
(6)Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development (VN 2015), beschikbaar op: https://sustainabledevelopment.un.org/post2015/transformingourworld
(7)COM(2016)0739.
(8)CO EUR 17, CONCL 5.
(9)Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4).
(10)Eindverslag EU High-Level Expert Group on Sustainable Finance, Financing a Sustainable European Economy, beschikbaar op: https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/180131-sustainable-finance-final-report_en.pdf.
(11)COM(2018)0097.
(12)Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet" (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).
(13)Verordening (EU) 2017/2396 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1316/2013 en Verordening (EU) 2015/1017 wat betreft de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen en wat betreft de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 34).
(14)Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(15)Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(16)Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35).
(17)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 (COM(2011)0244).
(18)Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1).
(19)Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 59).
(20)Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23).
(21)Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT) - Voorstel voor een EU-actieplan (COM(2003)0251).
(22)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten (COM(2016)0087).
(23)Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1).
(24)Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 1).
(25)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Overheidsopdrachten voor een beter milieu {SEC(2008)2124} {SEC(2008)2125} {SEC(2008)2126} (COM(2008)0400).
(26)Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie van 9 april 2013 over het gebruik van gemeenschappelijke methoden voor het meten en bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende hun levenscyclus (PB L 124 van 4.5.2013, blz. 1).
(27)Bijlagen 4 en 5 bij Verordening (EU) nr. 538/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2011 inzake Europese milieu-economische rekeningen (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 113).
(28)Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).
(29)Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).
(30)Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
(31)Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(32)Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
(33)https://www.unpri.org/download?ac=6303.
(34)COM(2018)0097.
(35) Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64).
(36) Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 12).
(37)Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).
(38)Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
(39)Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(40)Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz.1).
(41) Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40).
(42)Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32).
(43)Besluit (EU) 2017/848 van de Commissie van 17 mei 2017 tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren en specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling, en tot intrekking van Besluit 2010/477/EU (PB L 125 van 18.5.2017, p. 43).


Raming van de ontvangsten en uitgaven voor het begrotingsjaar 2020 - Afdeling I - Europees Parlement
PDF 156kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2020 (2019/2003(BUD))
P8_TA(2019)0326A8-0182/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie(4),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU(5),

–  gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2019(6),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2018 over maatregelen ter voorkoming en bestrijding van pesterijen en seksuele intimidatie op het werk, in de openbare ruimte en in het politieke leven in de EU(7),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2018 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019(8),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2018 over het standpunt van de Raad inzake het tweede ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019(9),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2019 over gendermainstreaming in het Europees Parlement(10),

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal aan het Bureau met het oog op de opstelling van het voorontwerp van raming van het Parlement voor het begrotingsjaar 2020,

–  gezien het voorontwerp van raming, opgesteld door het Bureau op 25 maart 2019 overeenkomstig artikel 25, lid 7, en artikel 96, lid 1, van het Reglement van het Parlement,

–  gezien de ontwerpraming, opgesteld door de Begrotingscommissie overeenkomstig artikel 96, lid 2, van het Reglement van het Parlement,

–  gezien artikel 96 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0182/2019),

A.  overwegende dat deze procedure de vijfde volledige begrotingsprocedure is tijdens de nieuwe zittingsperiode en het zevende jaar van het meerjarig financieel kader 2014‑2020;

B.  overwegende dat de begroting 2020, zoals voorgesteld in het verslag van de secretaris-generaal, wordt voorbereid tegen de achtergrond van een jaarlijkse stijging (inflatie en reële stijging) van het plafond voor rubriek V, zodat er meer ruimte komt voor groei en investeringen alsook voor verdere beleidsmaatregelen gericht op bezuinigingen en meer efficiëntie;

C.  overwegende dat de secretaris-generaal voor de begroting 2020 o.a. de volgende prioritaire doelstellingen heeft voorgesteld: het ter beschikking stellen van de nodige middelen voor het eerste volledige jaar na de verkiezing van een nieuw Parlement en een nieuwe Commissie en het verstrekken van de middelen voor prioritaire projecten in verband met het in gesprek gaan met burgers, meerjarige bouwprojecten, veiligheid en IT‑ontwikkelingen;

D.  overwegende dat de secretaris-generaal voor het voorontwerp van raming van het Parlement voor 2020 een begroting van 2 068 530 000 EUR heeft voorgesteld, wat een totale stijging van 3,58 % betekent ten opzichte van de begroting voor 2019, en neerkomt op een aandeel van 18,38 % van rubriek V van het meerjarig financieel kader 2014-2020;

E.  overwegende dat bijna twee derde van de begroting bestaat uit aan de index gekoppelde uitgaven die voornamelijk betrekking hebben op de bezoldiging, pensioenen, medische kosten en vergoedingen voor huidige en voormalige leden (21 %) en personeel (35 %), alsmede op gebouwen (13 %), en die worden aangepast overeenkomstig het ambtenaren- en ledenstatuut, sectorspecifieke indexeringen of het inflatiepercentage;

F.  overwegende dat het Parlement al in zijn resolutie van 29 april 2015 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Parlement voor het begrotingsjaar 2016(11) heeft beklemtoond dat zijn begroting op een realistische leest geschoeid moest worden en in overeenstemming met de beginselen van begrotingsdiscipline en goed financieel beheer moest zijn; overwegende dat forfaitaire bedragen een nuttig en in brede kringen erkend instrument zijn voor meer flexibiliteit en transparantie;

G.  overwegende dat de begroting van het Parlement de volledige wetgevingsbevoegdheid van het Europees Parlement moet garanderen en de correcte werking ervan mogelijk moet maken;

H.  overwegende dat de geloofwaardigheid van het Parlement als tak van de begrotingsautoriteit afhangt van zijn vermogen om de eigen uitgaven te beheren en de democratie op Unieniveau te ontwikkelen;

I.  overwegende dat 2020 het eerste volledige jaar na de verkiezingen wordt, waarin het normale tempo van de politieke en ondersteunende kernactiviteiten weer zal worden opgepakt;

J.  overwegende dat het vrijwillig pensioenfonds in 1990 is opgezet op basis van de regeling van het Bureau inzake het (vrijwillig) aanvullend pensioenstelsel(12);

K.  overwegende dat de Rekenkamer op 16 juni 1999 advies nr. 5/1999 heeft uitgebracht over de regeling betreffende het vrijwillig aanvullend pensioenfonds voor de leden van het Europees Parlement;

Algemeen kader

1.  benadrukt dat de begroting van het Parlement voor 2020 gehandhaafd moet blijven op minder dan 20 % van het maximum van rubriek V; merkt op dat de raming voor 2020 overeenkomt met 18,22 %, hetgeen minder is dan het percentage dat gerealiseerd is in 2019 (18,51 %) en het geringste aandeel van rubriek V in meer dan vijftien jaar;

2.  benadrukt dat het grootste deel van de begroting van het Parlement vastligt op grond van wettelijke of contractuele verplichtingen en onderworpen is aan een jaarlijkse indexering;

3.  eist dat de secretaris-generaal en het Bureau bij wijze van principe de volgende keer een raming voor het EP bij de Begrotingscommissie indienen die dichter ligt bij, of zelfs overeenkomt met het door de Commissie verwachte inflatiecijfer;

4.  steunt het akkoord dat in het overleg tussen het Bureau en de Begrotingscommissie van 19 maart 2019 is gesloten om de verhoging van de begroting 2019 vast te stellen op 2,68 %, hetgeen overeenkomt met een totaalbedrag van zijn ramingen voor 2020 van 2 050 430 000 EUR, om het op 11 maart 2019 door het Bureau goedgekeurde uitgavenniveau van het voorontwerp van raming te verlagen met 18,1 miljoen EUR en om bijgevolg de voor de volgende begrotingsonderdelen voorgestelde kredieten te verlagen: 1004 - Normale reiskosten; 1200 - Salaris en vergoedingen; 1402 - Andere personeelsleden - Chauffeurs in het secretariaat-generaal; 2007 - Inrichting van dienstruimten; 2022 - Onderhoud en schoonmaak van en toezicht op de gebouwen; 2024 - Energieverbruik; 2101 - Informatica en telecommunicatie - Terugkerende operationele activiteiten in verband met de infrastructuur; 212 - Meubilair; 214 - Technisch materieel en technische installaties; 300 - Dienstreizen van het personeel en reizen tussen de drie vergaderplaatsen; 302 - Onthaal en representatie; 3040 - Interne vergaderingen; 3042 - Vergaderingen, congressen, conferenties en delegaties; 422 - Assistentie aan de leden; besluit post 1650 - Medische dienst van kredieten ten belope van 140 000 EUR, artikel 320 - Verwerving van expertise van kredieten ten belope van 160 000 EUR en post 3211 - Uitgaven voor het Europees wetenschaps- en mediaknooppunt met kredieten te voorzien ten belope van 400 000 EUR; is ingenomen met het feit dat die wijzigingen door het Bureau op 25 maart 2019 zijn goedgekeurd;

5.  verzoekt de diensten van het Parlement te zorgen voor de wijziging van de toelichting bij post 1650 - Medische dienst, als gevolg van de bijkomende kredieten ten belope van 140 000 EUR die bedoeld zijn om de uitgaven te dekken in verband met een bemiddelaar en een psycholoog voor het voorkomen en bestrijden van psychologische en seksuele intimidatie, en voor de wijzing van de toelichting bij artikel 320 - Verwerving van expertise, als gevolg van de bijkomende kredieten ten belope van 160 000 EUR die bedoeld zijn om de uitgaven te dekken in verband met expertise en experts op het gebied van voorkoming, onderzoek en bestrijding van psychologische en seksuele intimidatie;

6.  merkt op dat de situatie met betrekking tot de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie gebaseerd is op een ordelijke terugtrekking met een akkoord, op basis van de goedkeuring van de terugtrekkingsovereenkomst (Brexit), en de goedkeuring van de politieke verklaring van de Europese Raad van 25 november 2018, volgens welke het VK zou bijdragen aan de begroting van de Unie tot 2020; merkt op dat de meeste besparingen als gevolg van de terugtrekking al zijn opgenomen in de begroting 2019 en dat er voor 2020 slechts een lichte daling zou zijn van bepaalde uitgaven als gevolg van het feit dat er 46 leden minder zijn;

7.  merkt op dat, indien het Verenigd Koninkrijk zich niet uit de Unie terugtrekt of zich terugtrekt zonder akkoord, de voorgestelde kredieten gedurende de gehele begrotingsprocedure kunnen worden aangepast door het Bureau, de Begrotingscommissie of de plenaire vergadering;

8.  benadrukt dat de kerntaken van het Parlement zijn: het samen met de Raad vaststellen van wetgeving en het al dan niet goedkeuren van de begroting, het vertegenwoordigen van de burgers en het uitoefenen van toezicht op de werkzaamheden van andere instellingen van de Unie;

9.  beklemtoont de rol van het Parlement bij het bevorderen van het Europees politiek bewustzijn en de waarden van de Unie;

10.  benadrukt dat besparingen ten opzichte van het voorstel van de secretaris-generaal nodig zijn om de stijging waarin in dit voorstel is voorzien, dichter te brengen bij het verwachte algemene inflatiecijfer voor 2020 en dat alle inspanningen voor een efficiënter en transparanter gebruik van overheidsmiddelen sterk worden aangemoedigd;

Transparantie en accuratesse

11.  neemmerkt de grotere transparantie op bij de opstelling van het verslag van de secretaris-generaal, zoals het verstrekken van aanvullende informatie over planning, investeringen, statutaire verplichtingen, administratieve uitgaven en methoden op middellange en lange termijn, overeenkomstig het verzoek van het Parlement en de Raad;

12.  eist dat de begroting van het Parlement voor 2020 realistisch en accuraat zal zijn wat betreft het vinden van een goed evenwicht tussen behoeften en kosten, teneinde overbudgettering te vermijden;

13.  onderstreept dat alles in het werk moet worden gesteld om ervoor te zorgen dat de budgettaire en personele middelen die het Parlement ter beschikking staan in hun totaliteit op een zo kosteneffectief mogelijke manier worden benut, zodat de instelling en haar leden hun uiteindelijke taak, wetgeving, met succes kunnen vervullen; wijst er eens te meer op dat dit een zorgvuldige planning en organisatie van zijn werkmethoden impliceert en, waar mogelijk, het bundelen van taken en structuren teneinde onnodige bureaucratie, functionele overlapping, dubbel werk en verdubbeling van middelen te voorkomen;

In gesprek met burgers

14.  is verheugd over de inwijding van de "Europa Experience"-centra namelijk tentoonstellingsruimten die het succesvolle concept van het Brusselse Parlamentarium reproduceren op kleinere schaal; merkt op dat de installatie van vijf nieuwe "Europa Experience"-centra gepland is in de liaisonbureaus voor 2020;

15.  merkt op dat het bedrag dat in de begroting wordt opgenomen voor de installatie van vijf nieuwe "Europa Experience" -centra gepland is in de liaisonbureaus betrekking heeft op de expositie-infrastructuur zelf, die wordt beheerd door DG COMM, maar niet de tentoonstellingsruimten; vraagt nadere details over een orde van grootte van de totale verwachte kosten vóór de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2019;

16.  neemt kennis van de creatie van een reeks mobiele installaties, die de lidstaten zouden aandoen om de Unie dichter bij de burger te brengen;

17.  eist dat de secretaris-generaal een gedetailleerd, feitelijk en grondig rapport over de meerwaarde van de 51 posten in DG COMM verstrekt; eist dat dit rapport in het openbaar wordt gepresenteerd in de Begrotingscommissie vóór eind juli 2019;

Vastgoed- en vervoersbeleid

18.  herhaalt zijn verzoek om een transparant besluitvormingsproces wat het vastgoedbeleid betreft, op basis van vroegtijdige informatie en met behoorlijke inachtneming van artikel 266 van het Financieel Reglement;

19.  gaat niet akkoord met de nog steeds gangbare praktijk van een collectieve overschrijving aan het eind van het jaar ("ramassage") om bij te dragen aan de lopende bouwprojecten; onderstreept dat dergelijke "ramassage" stelselmatig wordt toegepast op dezelfde hoofdstukken, titels en, vaak, precies dezelfde begrotingsonderdelen en vraagt zich af of er sprake is van een geprogrammeerde overwaardering hiervan om het vastgoedbeleid van het Parlement van middelen te voorzien; is van mening dat het vastgoedbeleid op een transparante wijze moet worden gefinancierd aan de hand van de specifiek daarvoor bedoelde begrotingsonderdelen;

20.  beveelt aan om in de jaarlijkse begrotingsplanning voor alle gebouwen een toewijzing te reserveren voor onderhouds- en renovatiekosten die overeenstemt met 3 % van de totale kosten voor een nieuw gebouw, als onderdeel van een regelmatig en proactief vastgoedbeleid; onderstreept dat er een vastgoedstrategie nodig is die zorgt voor kosteneffectiviteit en wijst op de mogelijke voordelen die voortvloeien uit de nabijheid van gebouwen, zoals synergieën via het delen van backoffice-taken en de toewijzing van kantoor- en andere ruimten;

21.  merkt op dat de oplevering en de ingebruikname van de gehele nieuwe oostelijke vleugel van het Konrad Adenauer-gebouw gepland zijn voor 2020 en merkt op dat de werkzaamheden aan de nieuwe westelijke vleugel van start zullen gaan onmiddellijk daarna; merkt op dat moet worden voorzien in uitgaven voor het projectbeheer in de laatste fasen van de bouw, zoals significante verhuisoperaties, een eerste bemeubeling en veiligheidstoezicht op de bouwplaats;

22.  neemt kennis van het feit dat de huur en het onderhoud van alle bestaande gebouwen in Luxemburg nog steeds voor het hele jaar in de begroting zijn opgenomen, aangezien de verhuizing uit bestaande gebouwen slechts geleidelijk kan plaatsvinden; verzoekt de secretaris-generaal gedetailleerde gegevens te verstrekken over de geleidelijke verhuizing en uit te leggen waarom in 2020 nog geen besparingen mogelijk zijn;

23.  vraagt nadere details over de voorbereidende technische werkzaamheden, met inbegrip van de verplaatsing van functies, zoals degene die zich bevinden in het PHS-gebouw, naar andere gebouwen; verzoekt een gedetailleerde raming en uitsplitsing van de kosten te verstrekken aan de Begrotingscommissie vóór de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2019;

24.  plaatst vraagtekens bij de zeer hoge kosten van enkele van de voorgestelde projecten, in het bijzonder: de inrichting van de vergaderruimten voor bezoekers in het Atriumgebouw (8,720 miljoen EUR), de multifunctionele ruimte in de Esplanade (2,610 miljoen EUR), de inrichting van een zelfbedieningskantine in het SDM-gebouw in Straatsburg (1,9 miljoen EUR); verzoekt de secretaris-generaal de Begrotingscommissie volledig te informeren over deze besluiten vóór de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2019;

25.  is van mening dat bijkomende besparingen moeten worden gerealiseerd met betrekking tot de uitgaven voor meubilair voor de kantoren van de leden en hun medewerkers, gezien de volledige renovatie van deze kantoren aan het begin van het mandaat in 2019;

26.  maakt zich zorgen over het voornemen van het Parlement om zijn activiteiten en diplomatieke aanwezigheid in Indonesië (Jakarta), Ethiopië (Addis Abeba) en de Verenigde Staten (New York) uit te breiden; betreurt dat het Bureau het voorstel heeft goedgekeurd, ondanks het ontbreken van een alomvattende kosten-batenanalyse en een verdere uitwerking van de onderliggende argumenten voor de keuze van deze specifieke locaties, en dat het Bureau eveneens akkoord is gegaan met de aanstelling van het huidige hoofd van het bureau van het Parlement in Washington D.C. als het nieuwe hoofd van het bureau in Jakarta; dringt er daarom bij de secretaris-generaal op aan de hierbij betrokken begrotingsonderdelen aan te wijzen en deze niet-transparante stand van zaken te verduidelijken aan de hand van een toelichting van het besluitvormingsproces betreffende deze verschillende locaties en de aanstelling van het nieuwe hoofd van het bureau in Jakarta; is van mening dat dit besluit ondertussen moet worden opgeschort;

27.  is van mening dat besparingen op de begroting van het Parlement kunnen worden gerealiseerd door middel van één zetel; herinnert aan de analyse die de Rekenkamer in 2014 heeft verricht, waarin de kosten van de geografische spreiding van het Parlement werden geraamd op 114 miljoen EUR per jaar; herinnert er voorts aan dat deze geografische spreiding de oorzaak is van 78 % van alle missies van het personeel van het Parlement en dat de milieu-impact 11 000 tot 19 000 ton CO2-emissies bedraagt; dringt derhalve aan op een routekaart naar één zetel;

Veiligheid

28.  merkt op dat in de begroting 2020 de laatste termijnen zullen worden opgenomen van de substantiële investeringen waarmee in 2016 een begin is gemaakt om de veiligheid in het Parlement aanzienlijk te verhogen; wijst erop dat deze projecten verschillende terreinen betreffen, vooral in verband met gebouwen, uitrusting en personeel, maar ook verbeteringen inzake cyberveiligheid en communicatieveiligheid;

29.  onderstreept dat het iPACS-project het Parlement zal voorzien van een moderne en geïntegreerde beveiligingstechnologie om de resterende zwakke punten in de beveiliging van gebouwen weg te werken, en dat het project zich in 2020 in het vijfde en laatste jaar van uitvoering zal bevinden; verzoekt de secretaris-generaal een uitvoerige samenvatting te geven van alle uitgaven in verband met de beveiliging van gebouwen vanaf 2016;

30.  is van mening dat IT-tools voor de leden en het personeel belangrijke instrumenten zijn bij het verrichten van hun werkzaamheden, maar dat zij ook kwetsbaar kunnen zijn voor cyberaanvallen; is daarom ingenomen met de opwaardering in de laatste twee jaar van het team voor activiteiten op het gebied van cyberveiligheid, en met name met het feit dat, nu de kruissnelheid bereikt is en de uitvoering van zijn actieplan inzake cyberbeveiliging wordt voortgezet, de begroting hiervoor slechts zal stijgen om de inflatie te dekken;

31.  is ingenomen met de inspanningen om de diensten voor de leden te verbeteren door voortdurend te investeren in de ontwikkeling van IT-toepassingen en door het e-Parlement-programma, het onderzoek en de ontwikkeling op het gebied van machinaal leren met vertaalgeheugens en het meerjarenproject inzake technisch beheer voor conferentieruimten voort te zetten; vraagt meer informatie over het totale bedrag dat de afgelopen jaren aan deze programma's is besteed; merkt op dat deze projecten geleidelijk worden uitgevoerd over de lange termijn om de kosten over verschillende begrotingsjaren te spreiden;

Aan de leden en geaccrediteerde parlementaire medewerkers gerelateerde kwesties

32.  vraagt het Bureau te werken aan een technische oplossing die de leden de mogelijkheid biedt hun stemrecht uit te oefenen terwijl ze met moederschaps-, vaderschaps- of ziekteverlof zijn;

33.  is van mening dat de sociale en pensioenrechten van geaccrediteerde parlementaire medewerkers (GPM's) moeten worden geëerbiedigd; herhaalt in dit verband zijn verzoek om een voorstel te presenteren voor een werkbare oplossing voor die GPM's die, hoewel ze aan het eind van de huidige zittingsperiode ononderbroken gedurende twee zittingsperiode gewerkt zullen hebben, wanneer ze de pensioengerechtigde leeftijd bereiken geen recht hebben op een pensioen van het Europees pensioenstelsel omdat ze als gevolg van de vervroegde verkiezingen in 2014 en de vertragingen bij de validering van de arbeidsovereenkomsten van de nieuwe GPM's, die toe te schrijven waren aan de enorme werkdruk in de periode na de verkiezingen van 2009 en 2014, de in het personeelsstatuut vastgelegde tien daarvoor benodigde jaren niet helemaal volgemaakt zullen hebben; verzoekt de secretaris-generaal derhalve nieuwe praktische en geloofwaardige voorstellen in te dienen om dit probleem definitief op te lossen;

34.  neemt kennis van de herziening van de bedragen van de vergoedingen voor GPM's voor de reizen die zij maken tussen de drie werklocaties van het Parlement; herinnert echter aan zijn herhaaldelijke vraag aan het Bureau om de bedragen van de vergoedingen voor reizen tussen de drie werklocaties van het Parlement voor ambtenaren, andere personeelsleden en GPM's vanaf de volgende legislatuur volledig gelijk te trekken;

35.  is ingenomen met het besluit van het Bureau van 10 december 2018 over de stagiairs van de leden, dat op 2 juli 2019 in werking zal treden; benadrukt dat een bindende minimumvergoeding van stagiairs hun een behoorlijk inkomen moet garanderen, zoals het geval is voor stagiairs bij de diensten van de EU-instellingen;

36.  verwacht dat de vertaaldiensten van het Parlement voldoen aan hun kerntaak, namelijk steun verlenen aan de Uniewetgever en de leden door hen te voorzien van vertaalde documenten van hoge kwaliteit in het kader van een duurzame strategie voor de toekomst;

37.  herhaalt zijn bezorgdheid over de extra uitgaven voor de vertolking van de mondelinge stemverklaringen tijdens de plenaire vergaderingen; verzoekt de secretaris-generaal een gedetailleerde uitsplitsing te verstrekken van de kosten die verband houden met de mondelinge stemverklaringen; herinnert eraan dat alternatieven, zoals schriftelijke stemverklaringen en diverse openbare communicatiefaciliteiten, beschikbaar zijn voor leden die hun stemgedrag wensen toe te lichten of die vraagstukken wensen te bespreken waarover hun achterban zich zorgen maakt; is in verband hiermee van mening dat, om aanzienlijke besparingen te realiseren, de mondelinge stemverklaringen kunnen worden afgeschaft;

38.  herinnert aan artikel 27, leden 1 en 2, van het Statuut van de leden waarin het volgende is bepaald: "Na inwerkingtreding van dit Statuut, blijft het door het Europees Parlement ingestelde vrijwillig pensioenfonds gehandhaafd voor leden of voormalige leden die in dit fonds reeds rechten of aanspraken hebben verworven" en "De verworven rechten en aanspraken blijven in volle omvang bestaan"; verzoekt de secretaris-generaal en het Bureau om volledige naleving van het Statuut van de leden en vraagt om met het pensioenfonds dringend een duidelijk plan op te stellen waarbij het Parlement de verplichtingen en verantwoordelijkheden voor het vrijwillig pensioenfonds van de leden overneemt; herhaalt zijn verzoek om een onderzoek van het vrijwillig pensioenfonds van de leden door de Rekenkamer en vraagt de manieren te onderzoeken om een duurzame financiering van het vrijwillig pensioenfonds te garanderen, in overeenstemming met de bepalingen van het Statuut van de leden, waarbij moet worden gezorgd voor volledige transparantie;

39.  herhaalt het verzoek om transparantie rond de algemene kostenvergoeding van de leden; betreurt het feit dat het Bureau er niet in geslaagd is op dit gebied grotere transparantie en verantwoordingsplicht in te voeren; vraagt dat de leden verplicht worden volledige verantwoording voor hun uitgaven in het kader van deze vergoeding af te leggen;

Aan het personeel gerelateerde kwesties

40.  is van mening dat, in een periode waarin de financiële middelen en het personeel waarover de instellingen van de Unie beschikken, wellicht verder worden beperkt, het belangrijk is vast te stellen op welke gebieden, bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, IT-diensten en veiligheid, vertolkings- en vertaaldiensten of chauffeursdiensten, meer synergieën tussen de backoffice-taken kunnen worden gecreëerd, door gebruik te maken van de ervaring van het Parlement en de andere instellingen van de Unie, waarbij ten volle rekening moet worden gehouden met de bestuurlijke moeilijkheden en de verschillen in omvang om eerlijke samenwerkingsovereenkomsten op te stellen;

41.  verzoekt om de invoering van een verplichting voor de leden om hun rekeningen in verband met de algemene kostenvergoeding te laten controleren door een externe accountant, ten minste aan het einde van het mandaat van een lid; verzoekt voorts om de uitgaven openbaar te maken door op de persoonlijke pagina's van de leden op de website van het Europees Parlement een link naar deze gegevens te plaatsen;

42.  is ingenomen met de bestaande samenwerkingsovereenkomsten tussen het Parlement, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité, teneinde vast te stellen op welke andere terreinen de backoffice-taken kunnen worden gedeeld; verzoekt de secretaris-generaal de bestaande samenwerking tussen de instellingen van de Unie te evalueren om mogelijke bijkomende synergieën en besparingen te identificeren;

43.  blijft bij het principe van toegankelijkheid voor alle burgers; overeenkomstig de door de plenaire vergadering geformuleerde verzoeken om de vertolking in te voeren van alle debatten in internationale gebarentaal, verzoekt de secretaris-generaal de haalbaarheid hiervan te onderzoeken;

44.  herinnert aan de aanbevelingen in de resoluties van het Parlement van 26 oktober 2017, 11 september 2018 en 15 januari 2019 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de Unie, alsmede maatregelen ter voorkoming en bestrijding van pesterijen en seksuele intimidatie; vraagt ondersteuning ter dekking van de kosten van de nodige externe deskundigheid om de externe audit uit te breiden naar het adviescomité voor personeel van het Parlement inzake intimidatie; vraagt kredieten ter dekking van de volledige uitvoering van de hervormingen voor het Parlement die zijn vermeld in de resolutie ter bestrijding van intimidatie, inclusief regelmatige verplichte opleidingen ter zake voor alle personeelsleden, GPM's en leden; is voorts van mening dat kredieten nodig zijn ter dekking van de kosten van bemiddelaars en andere deskundigen die bevoegd zijn om gevallen van intimidatie binnen het Parlement te voorkomen en te beheren, samen met het netwerk van vertrouwenspersonen en met de bestaande structuren;

45.  beveelt aan dat intensiever gebruik wordt gemaakt van videoconferenties en andere technologieën om het milieu te beschermen en middelen te besparen, met name door de verplichte verplaatsingen van het personeel tussen de drie werklocaties te beperken;

Overige kwesties

46.  is van mening dat de procedure voor de vaststelling van de raming van het Parlement moet worden herzien, rekening houdend met het door de werkgroep interne begrotingsprocedure van het Parlement uitgewerkte document over werk in uitvoering, met het oog op het eerbiedigen van de wens van de fracties om de huidige procedure te vereenvoudigen, deze efficiënter te maken door de werkdruk voor de leden en het personeel te verminderen, de transparantie ervan te vergroten en de verantwoordelijkheden van de diverse betrokken actoren te verduidelijken; herinnert eraan dat in de huidige procedure de Begrotingscommissie tweemaal dezelfde taken verricht, eenmaal in het voorjaar (overleg met het Bureau voor de goedkeuring van de ramingen van het Parlement) en eenmaal in het najaar (indiening van begrotingsamendementen), hetgeen leidt tot een groter aantal vergaderingen, de opstelling van meer documenten en hogere hiermee verband houdende uitgaven (vertalingen, tolken enz.);

47.  verzoekt om passende financiering van het Europese mediaknooppunt te handhaven, voor samenwerking met televisieomroepen, sociale media en andere partners om aankomende journalisten opleidingsmogelijkheden te bieden, met name met betrekking tot nieuwe wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en nieuwsberichten die op feiten berusten en door collega's zijn getoetst;

48.  verzoekt de secretaris-generaal en het Bureau voor een cultuur van prestatiegericht begroten en ecologische duurzaamheid te zorgen in de hele administratie van het Parlement, alsook voor een benadering te kiezen die berust op "lean management" om de efficiëntie te vergroten en de bureaucratische rompslomp in het interne werk van de instelling terug te dringen; beklemtoont dat de ervaring van "lean management" neerkomt op de permanente verbetering van de werkprocedure dankzij vereenvoudiging en de ervaring van het administratief personeel;

49.  verzoekt om volledige transparantie betreffende het gebruik en beheer van de middelen die beschikbaar worden gesteld aan Europese politieke partijen en Europese stichtingen; vraagt een grondige evaluatie van en controle op de uitgaven die de Europese politieke partijen en stichtingen met deze begrotingsmiddelen verrichten; vestigt de aandacht op belangenverstrengeling ten gevolge van de sponsoring van de activiteiten van Europese politieke partijen door particuliere bedrijven; vraagt daarom een verbod op schenkingen en sponsoring van welke aard ook door particuliere bedrijven ten gunste van Europese politieke partijen en Europese stichtingen;

o
o   o

50.  stelt de raming voor het begrotingsjaar 2020 vast;

51.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de raming te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 15.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0417.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0182.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0331.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0404.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0503.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0010.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0172.
(12) Door het Bureau goedgekeurde teksten, PE 113.116/BUR./rev. XXVI/01-04-2009.


Noodsituatie in Venezuela
PDF 125kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over de noodsituatie in Venezuela (2019/2628(RSP))
P8_TA(2019)0327RC-B8-0225/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Venezuela, in het bijzonder zijn resolutie van 3 mei 2018 over de presidentsverkiezingen in Venezuela(1), van 5 juli 2018 over de migratiecrisis en de humanitaire situatie in Venezuela en aan de grenzen van het land met Colombia en Brazilië(2), en van 25 oktober 2018(3) en 31 januari 2019 over de situatie in Venezuela(4), in de laatste waarvan Juan Guaidó wordt erkend als de rechtmatige interim-president van Venezuela,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over Venezuela van 10 januari 2019, 26 januari 2019 en 24 februari 2019, en de laatste conclusies van de Raad,

–  gezien de verklaring van 20 april 2018 van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) over de verslechterende humanitaire situatie in Venezuela, en de gezamenlijke verklaring van de OAS-lidstaten over Venezuela van 24 januari 2019,

–  gezien de verklaring van de Groep van Lima van 25 februari 2019,

–  gezien de verklaringen over Venezuela van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties van 25 januari 2019 en 20 maart 2019,

–  gezien de grondwet van Venezuela, in het bijzonder artikel 233 daarvan,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Venezuela kampt met een diepe en ongekende politieke, economische, institutionele, maatschappelijke en multidimensionale humanitaire crisis, tekorten aan geneesmiddelen en voedsel, massale mensenrechtenschendingen, hyperinflatie, politieke onderdrukking, corruptie en geweld; overwegende dat de levensomstandigheden ernstig zijn verslechterd en 87 % van de bevolking nu in armoede leeft; overwegende dat 78 % van de kinderen in Venezuela het risico loopt ondervoed te raken; overwegende dat 31 op de 1 000 kinderen voor de leeftijd van 5 jaar overlijden; overwegende dat meer dan een miljoen kinderen niet meer naar school gaan;

B.  overwegende dat de EU ervan overtuigd blijft dat een vreedzame en democratische politieke oplossing de enige duurzame uitweg uit de crisis biedt; overwegende dat elke speculatie of strategie omtrent militair ingrijpen in Venezuela tot geweld in het land zou leiden of dit geweld zou verergeren en een rampzalige uitwerking op de gehele regio zou hebben;

C.  overwegende dat de reeds beperkte voedselvoorraad in Venezuela dreigt te bederven; overwegende dat mensen moeilijk aan water, voedsel en geneesmiddelen raken; overwegende dat, volgens de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen (UNHCR) en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), sinds 2015 meer dan 2,7 miljoen Venezolanen het land zijn ontvlucht, en dat hun aantal tegen het einde van het jaar tot 5 miljoen kan stijgen als de crisis blijft aanslepen;

D.  overwegende dat op 23 februari 2019 de in Colombia en Brazilië opgeslagen humanitaire hulp fel is geweigerd en in bepaalde gevallen is vernietigd door militaire en paramilitaire troepen van het illegale regime van Maduro; overwegende dat er bij het repressieve optreden een aantal doden is gevallen, tientallen mensen gewond zijn geraakt en honderden mensen zijn gearresteerd; overwegende dat de Venezolaanse militaire operaties, georganiseerde misdaad en terroristen een risico vormen voor de stabiliteit van de regio, in het bijzonder voor het grondgebied van buurland Colombia;

E.  overwegende dat begin maart Venezuela is getroffen door een enorme, meer dan 100 uur durende stroomuitval, waardoor de al dramatische crisis in de gezondheidszorg verder is verergerd, doordat ziekenhuizen door hun drinkwaterreserves zijn geraakt en hun diensten zijn ingestort, en plunderingen hebben plaatsgevonden; overwegende dat volgens de organisatie Doctors for Health ten minste 26 mensen in ziekenhuizen zijn gestorven door het gebrek aan elektriciteit; overwegende dat op 25 maart 2019 opnieuw sprake was van een langdurige stroomuitval, waardoor Caracas en twintig andere regio's in het land volledig in het duister zijn gehuld;

F.  overwegende dat al vele jaren sprake is van stroomuitvallen, die een rechtstreeks gevolg zijn van slecht beheer, gebrekkig onderhoud en corruptie door het illegale regime van Maduro;

G.  overwegende dat in februari 2019 een delegatie van vier leden van de Fractie van de Europese Volkspartij die officieel was uitgenodigd door de Nationale Vergadering en de interim-president Juan Guaidó, het land is uitgezet;

H.  overwegende dat het illegale regime van Maduro op 6 maart 2019 de Duitse ambassadeur heeft gelast het land te verlaten, onder beschuldiging van aanhoudende pogingen tot inmenging in binnenlandse zaken; overwegende dat een aantal buitenlandse en lokale journalisten eveneens is gearresteerd, waarbij hun media-apparatuur in beslag is genomen, en na vrijlating het land is uitgezet;

I.  overwegende dat Juan Guaidó, Ricardo Hausmann heeft benoemd als nationale vertegenwoordiger bij de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank en de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij;

J.  overwegende dat de Venezolaanse inlichtingendienst op 21 maart 2019 de stafchef van Juan Guaidó, Roberto Marrero, heeft gearresteerd, en met geweld het huis van Sergio Vergara, lid van de Nationale Vergadering voor de deelstaat Táchira, is binnengedrongen, wat neerkomt op een schending van zijn parlementaire onschendbaarheid;

K.  overwegende dat op 23 maart 2019 twee vliegtuigen van de Russische luchtmacht met militaire uitrusting en minstens 100 militairen geland zijn op de internationale luchthaven Simón Bolívar, in Maiquetía, en dat dit soort feiten de afgelopen maanden vaker heeft plaatsgevonden;

L.  overwegende dat op 21 maart 2019 de Venezolaanse rechter Afiuni Mora een vijfjarige gevangenisstraf is opgelegd op beschuldiging van "spirituele corruptie"; overwegende dat deze rechter in het verleden reeds een lange gevangenisstraf had uitgezeten en nog onder onbillijk huisarrest stond;

M.  overwegende dat op 15 maart 2019 bericht werd dat Tomasz Surdel, de correspondent van de Poolse krant Gazeta Wyborcza voor Venezuela, hardhandig aangevallen was in zijn auto in Caracas, naar verluidt door de speciale actietroepen van de Venezolaanse staatspolitie;

N.  overwegende dat de Cubaanse politie en militaire inlichtingendienst het strategische element zijn dat het voortbestaan van het illegale regime van Maduro mogelijk maakt;

1.  bevestigt zijn erkenning van Juan Guaidó als de rechtmatige interim-president van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, overeenkomstig artikel 233 van de Venezolaanse grondwet, en spreekt nogmaals zijn volledige steun uit voor de Nationale Vergadering, het enige rechtmatige democratische orgaan van Venezuela; drukt zijn volledige steun uit voor het stappenplan van Juan Guaidó, om een einde te maken aan wederrechtelijke inbezitneming, om een nationale overgangsregering te vormen en om vervroegde presidentsverkiezingen te houden; is verheugd dat een groot deel van de internationale gemeenschap en de overgrote meerderheid van de EU-lidstaten de legitimiteit van Juan Guaidó hebben erkend, en roept de overige lidstaten op dit onverwijld te doen;

2.  veroordeelt de felle repressie en het geweld, die hebben geleid tot doden en gewonden; spreekt zijn solidariteit uit met de Venezolaanse bevolking en betuigt zijn oprechte medeleven aan de familieleden en vrienden van de slachtoffers;

3.  herhaalt zijn diepe bezorgdheid over ernstige humanitaire noodsituatie, die de levens van Venezolanen diepe schade toebrengt;

4.  herhaalt zijn verzoek om volledige erkenning van de door de rechtmatige interim-president van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, Juan Guaidó, benoemde diplomatieke vertegenwoordigers, als ambassadeurs bij de EU en haar lidstaten; is erover verheugd dat de raad van bestuur van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB) en de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij Ricardo Hausmann hebben erkend als gouverneur van Venezuela; betreurt de opschorting van jaarvergadering 2019 van de raad van bestuur van de IDB door de Chinese gastheren ervan;

5.  keurt het misbruik van rechtshandhaving af en de wrede repressie door veiligheidstroepen, die de toevoer van humanitaire hulp hebben belemmerd; veroordeelt de inzet van irreguliere gewapende groepen om burgers en wetgevers die zich inspannen voor het verdelen van de bijstand, aan te vallen en te intimideren; steunt de leden van het Venezolaanse leger die geweigerd hebben de burgerbevolking tijdens deze crisis te onderdrukken en die gedeserteerd zijn; erkent de inspanningen van de Colombiaanse autoriteiten om deze aan de Venezolaanse grondwet en bevolking loyale militairen bescherming en zorg te bieden;

6.  veroordeelt ten sterkste de intimidatie, opsluiting en uitzetting van meerdere journalisten die verslag uitbrengen over de situatie in Venezuela; herhaalt zijn reeds eerder geformuleerde verzoeken aan het illegale regime van Maduro om onmiddellijk een einde te maken aan de repressie tegen politieke leiders, journalisten en leden van de oppositie, met inbegrip van Sacharovprijswinnaar Leopoldo López; dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle personen die opgepakt zijn op grond van het feit dat zij familieleden zijn van interim-president Guaidó, of leden van zijn team;

7.  veroordeelt de invallen door de veiligheidsdiensten van Maduro en de arrestatie van Roberto Marrero, stafchef van interim-president Juan Guaidó, alsook het met geweld binnendringen van de woning van Sergio Vergara, lid van de Nationale Vergadering; roept op tot de onmiddellijke vrijlating van Marrero; veroordeelt de ontvoering van Juan Requesens, lid van de Nationale Vergadering, en roept op tot zijn onmiddellijke vrijlating;

8.  herhaalt zijn standpunt vóór een vreedzame oplossing voor het land door middel van vrije, transparante en geloofwaardige presidentsverkiezingen op basis van een overeengekomen kalender, eerlijke voorwaarden voor alle spelers, met inbegrip van een neutrale Nationale Verkiezingsraad, transparantie en de aanwezigheid van geloofwaardige internationale waarnemers;

9.  prijst de inspanningen van de landen van de Groep van Lima, die fungeert als een vooraanstaand regionaal mechanisme dat zich inspant voor een democratische oplossing voor de crisis onder leiding van Juan Guaidó als rechtmatige interim-president van Venezuela;

10.  vestigt de aandacht op de toegenomen migratiecrisis in de hele regio, en erkent de inspanningen en de solidariteit van de buurlanden; verzoekt de Commissie te blijven samenwerken met deze landen, niet alleen door humanitaire hulp te verstrekken maar ook door meer middelen ter beschikking te stellen en door middel van ontwikkelingsbeleid;

11.  uit zijn diepe bezorgdheid over de aanwezigheid van terroristische bendes en georganiseerde misdaad in Venezuela, en de uitbreiding en grensoverschrijdende werking daarvan, in het bijzonder in de richting van Colombia, hetgeen de stabiliteit van de gehele regio in gevaar brengt;

12.  roept op tot bijkomende sancties tegen onwettig vermogen van nationale autoriteiten in het buitenland en tegen personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en repressie; is van mening dat de EU-autoriteiten de bewegingsvrijheid van deze personen en van hun nauwste verwanten consequent moeten beperken, en hun vermogensbestanddelen en visa moeten bevriezen;

13.  neemt kennis van de oprichting van de Internationale Contactgroep, die niet door het illegale regime van Maduro mag worden gebruikt als strategie om de oplossing van de crisis uit te stellen om aan de macht te kunnen blijven; merkt op dat er tot nu toe nog geen praktische resultaten zijn bereikt door de Contactgroep, waarvan het enige doel zou moeten zijn om de omstandigheden te creëren die kunnen leiden tot vervroegde presidentsverkiezingen en de verstrekking van humanitaire hulp kunnen faciliteren om in te kunnen spelen op de dringende behoeften van de Venezolaanse bevolking; verzoekt de Internationale Contactgroep samen te werken met de Groep van Lima, als vooraanstaande regionale speler; verzoekt in dit verband de EDEO om in samenwerking met het Europees Parlement zijn expertise aan te bieden op het gebied van verkiezingsbijstand;

14.  roept de lidstaten, de VV/HV en de landen uit de regio op om de mogelijkheid te onderzoeken om een internationale donorconferentie te houden met als doel brede financiële steun te verwerven voor wederopbouw en de overgang naar democratie;

15.  staat volledig achter de oproep van de secretaris-generaal van de VN om een onafhankelijk en volledig onderzoek uit te voeren naar de gemelde slachtoffers; herinnert aan de inzet van de EU voor effectief multilateralisme in het kader van de VN om een humanitaire ramp met grotere gevolgen te voorkomen; spreekt nogmaals zijn volledige steun uit voor de rol van het ICC in de strijd tegen straffeloosheid en om de plegers van geweld en mensenrechtenschendingen voor de rechter te brengen, en voor de opening van een onderzoek volgend op het voorafgaand onderzoek naar misdrijven door het illegale Maduro-regime, waaronder een aantal ernstige misdrijven tegen de menselijkheid;

16.  hekelt de invloed van het Cubaanse regime in Venezuela, dat met zijn agenten heeft bijgedragen aan de destabilisering van de democratie de toename van de politieke repressie tegen de Venezolaanse democratische krachten; wijst erop dat een dergelijke inmenging gevolgen kan hebben voor de betrekkingen tussen de EU en Cuba, met inbegrip van de Overeenkomst betreffende politieke dialoog en samenwerking tussen de EU en Cuba;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de rechtmatige interim-president alsook de Nationale Vergadering van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, de regeringen en parlementen van de landen van de Groep van Lima, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering en de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0199.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0313.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0436.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0061.


Stand van zaken ten aanzien van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, in het bijzonder in Malta en Slowakije
PDF 183kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over de situatie van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, met name in Malta en Slowakije (2018/2965(RSP))
P8_TA(2019)0328B8-0230/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 4, 5, 6, 7, 9 en 10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 6, 7, 8, 10, 11, 12 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het advies over vragen ten aanzien van de benoeming van rechters van het constitutioneel hof van de Slowaakse Republiek, uitgebracht door de Commissie van Venetië tijdens haar 110e plenaire vergadering (Venetië, 10-11 maart 2017),

–  gezien het advies over constitutionele regelingen, de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en rechtshandhavingsinstanties in Malta, uitgebracht door de Commissie van Venetië tijdens haar 117e plenaire vergadering (Venetië, 14-15 december 2018),

–  gezien het verslag van 23 januari 2019 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de Europese Unie" (COM(2019)0012),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over het te koop aanbieden van het EU-burgerschap(1) en de gezamenlijke persverklaring van 29 januari 2014 van de Europese Commissie en de autoriteiten van Malta over het Maltese Individual Investor Programme (IIP),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(2) en zijn resolutie van 14 november 2018 over de noodzaak van een omvattend EU‑mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten(3),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over de rechtsstaat in Malta(4),

–  gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 over het besluit van de Commissie om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden ten aanzien van de situatie in Polen(5), alsook zijn daaraan voorafgaande resoluties van 13 april 2016 over de situatie in Polen(6), van 14 september 2016 over de recente ontwikkelingen in Polen en hun impact op de grondrechten als vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(7), en van 15 november 2017 over rechtsstaat en democratie in Polen(8),

–  gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de bescherming van onderzoeksjournalisten in Europa: de zaak van de Slowaakse journalist Ján Kuciak en Martina Kušnírová(9),

–  gezien zijn resolutie van 3 mei 2018 over pluralisme van de media en mediavrijheid in de Europese Unie(10),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2018 over een voorstel houdende een verzoek aan de Raad om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door Hongarije van de waarden waarop de Unie berust(11), alsook zijn daaraan voorafgaande resoluties van 10 juni 2015(12), 16 december 2015(13) en van 17 mei 2017(14) over de situatie in Hongarije,

–  gezien zijn resolutie van 13 november 2018 over de rechtsstaat in Roemenië(15),

–  gezien het verslag van 22 maart 2018 over het bezoek van de ad-hocdelegatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie begrotingscontrole aan Slowakije, van 7 tot 9 maart 2018,

–  gezien het verslag van 30 januari 2019 van de onderzoeksmissie van de Commissie begrotingscontrole naar Slowakije van 17 tot 19 december 2018,

–  gezien het verslag van 11 januari 2018 over het bezoek van de ad-hocdelegatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Enquêtecommissie die onderzoek moest doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PANA), aan Malta, van 30 november tot 1 december 2017,

–  gezien het verslag van 16 november 2018 over het bezoek van de ad-hocdelegatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken aan Slowakije, van 17 tot 20 september 2018,

–  gezien de hoorzittingen en gedachtewisselingen die zijn gehouden door de werkgroep met een algemeen mandaat om toezicht te houden op de stand van zaken ten aanzien van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, en om specifieke probleemgevallen aan te pakken, in het bijzonder in Malta en Slowakije (werkgroep voor toezicht op de rechtsstaat) die op 4 juni 2018 in het leven is geroepen door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, met name met de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en zijn Comité van deskundigen inzake de evaluatie van maatregelen ter bestrijding van het witwassen van geld en het financieren van terrorisme (Moneyval), de Groep van Staten tegen corruptie (GRECO), nationale instellingen en autoriteiten, vertegenwoordigers van de Europese Commissie, EU-agentschappen zoals Europol, en verscheidene belanghebbenden zoals vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en klokkenluiders in Malta en Slowakije,

–  gezien de brief van de premier van Malta van 13 maart 2019;

–  gezien de vraag aan de Commissie over de stand van zaken ten aanzien van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, in het bijzonder in Malta en Slowakije (O-000015/2019 – B8-0017/2019),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de werkgroep voor toezicht op de rechtsstaat op 4 juni 2018 in het leven geroepen is met een algemeen mandaat om toezicht te houden op de stand van zaken ten aanzien van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, en om specifieke probleemgevallen aan te pakken, in het bijzonder op Malta en in Slowakije;

B.  overwegende dat eerbiediging van de rechtsstaat, de democratie, mensenrechten, fundamentele vrijheden en de in de EU-Verdragen en internationale mensenrechteninstrumenten vervatte waarden en beginselen verplichtingen zijn die rusten op de Unie en haar lidstaten, en nagekomen dienen te worden;

C.  overwegende dat artikel 6, lid 3, VEU bevestigt dat de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie;

D.  overwegende dat de EU functioneert op grond van de veronderstelling van het wederzijdse vertrouwen dat de lidstaten de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten eerbiedigen, als vervat in het EVRM, het Handvest van de grondrechten en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

E.  overwegende dat de systematische weigering van een lidstaat om de fundamentele waarden na te leven van de Europese Unie en de Verdragen tot welke zij vrijwillig is toegetreden, niet kan worden gerechtvaardigd door een beroep te doen op de nationale soevereiniteit of subsidiariteit;

F.  overwegende dat de werkgroep voor toezicht op de rechtsstaat (ROLMG) een aantal vergaderingen heeft belegd met verschillende belanghebbenden, met het accent op de situatie in Malta en Slowakije; overwegende dat de ROLMG ook een gedachtewisseling heeft gehad over de veiligheid van journalisten in Bulgarije na de moord op Viktoria Marinova; overwegende dat tijdens deze vergadering ook de tijdelijke detentie van de journalisten Attila Biro en Dimitar Stoyanov, die onderzoek verrichtten naar de beschuldigingen van fraude met betrekking tot EU-fondsen in Roemenië en Bulgarije, aan de orde is gesteld;

G.  overwegende dat de moorden op Daphne Caruana Galizia in Malta, op Ján Kuciak en zijn verloofde Martina Kušnírová in Slowakije, en de moord op Viktoria Marinova in Bulgarije, de Europese publieke opinie hebben geschokt en een afschrikkend effect hebben gehad op journalisten in de EU;

H.  overwegende dat de onderzoeken naar deze moorden tot dusverre geleid hebben tot de identificering van verschillende verdachten, maar niet tot conclusies over de mogelijke opdrachtgevers van de moorden, terwijl vooral hierover duidelijkheid moet worden verschaft; overwegende dat in Malta drie personen in staat van beschuldiging zijn gesteld en de politiële en justitiële onderzoeken naar de moord nog steeds gaande zijn;

I.  overwegende dat de ROLMG geen volledig overzicht heeft gekregen van de stand van zaken van de onderzoeken omdat de autoriteiten legitiem beroep hebben gedaan op vertrouwelijkheid, om de voortgang van het onderzoek in zulke moordzaken te kunnen garanderen;

J.  overwegende dat de ROLMG talrijke punten van zorg heeft kunnen onderzoeken betreffende de rechtsstaat in Malta en Slowakije, en met name de probleemgebieden die de aandacht hadden van Daphne Caruana Galizia en Ján Kuciak;

K.  overwegende dat de ROLMG regelmatig is geïnformeerd, ook door de verwanten van Daphne Caruana Galizia, over het verzoek voor een volledig en onafhankelijk openbaar onderzoek naar haar moord, met name naar de omstandigheden die tot de moord hebben geleid, de respons van de autoriteiten, en de maatregelen die zijn genomen om ervoor te zorgen dat een dergelijke moord niet meer plaatsvindt;

L.  overwegende dat het niveau van samenwerking met Europol in deze onderzoeken van geval tot geval verschilt;

M.  overwegende dat, met name in het geval van Malta, de vorige directeur van Europol heeft gewezen op een suboptimale samenwerking tussen de Maltese autoriteiten en Europol; volgens zijn opvolger is de situatie zodanig verbeterd dat er inmiddels sprake is van een bevredigende samenwerking; overwegende dat vertegenwoordigers van Europol de leden van ROLMG hebben laten weten dat het onderzoek na de arrestatie van de drie verdachten is voortgezet; overwegende dat deskundigen van Europol zijn aangewezen voor specifieke taken in het justitiële onderzoek;

N.  overwegende dat, ten aanzien van de inbeslagname van het telefoontoestel van de journalist Pavla Holcová in Slowakije, het nog steeds niet duidelijk is op welke wijze het toestel is verkregen en in hoeverre Europol toegang heeft gekregen tot de aan het toestel ontleende gegevens, hoewel Europol heeft laten weten dat het zou helpen bij de analyse;

O.  overwegende dat er ernstige bezorgdheid bestaat over de bestrijding van corruptie en de georganiseerde misdaad in de EU, onder meer in Malta en Slowakije, dat hierdoor het vertrouwen van de burgers in de overheidsinstellingen dreigt te worden ondermijnd, wat kan leiden tot gevaarlijke interconnectie van criminele groepen en overheidsinstanties;

P.  overwegende dat een groot Europees consortium van onderzoeksjournalisten de door Daphne Caruana Galizia gepubliceerde onderzoeken nader heeft bestudeerd en daarover veel heeft gepubliceerd;

Q.  overwegende met name dat de bestrijding van het witwassen in de EU niet adequaat is, onder meer als gevolg van bestaande leemten in de uitvoering van de antiwitwaswetgeving van de EU, zoals aan het licht is gekomen in recente gevallen van tekortschietende handhaving van deze wetgeving, waarbij grote bankinstellingen in verschillende lidstaten betrokken zijn;

R.  overwegende dat in de aanbeveling van de Europese Bankautoriteit (EBA) van juli 2018 aan de Financial Intelligence Analysis Unit (FIAU) van Malta wordt geconcludeerd dat er sprake is van algemene en systematische tekortkomingen bij de bestrijding van witwassen op Malta, met name in het geval van de bank Pilatus, en tegelijkertijd wordt erkend dat het actieplan van de FIAU een stap in de juiste richting is; overwegende dat de Commissie naderhand heeft vastgesteld dat de FIAU van Malta zijn verplichtingen uit hoofde van de antiwitwaswetgeving van de EU niet is nagekomen en niet volledig gevolg heeft gegeven aan de aanbeveling van de EBA; overwegende dat de Commissie in november 2018 haar aanbeveling over deze zaak dienovereenkomstig heeft uitgebracht;

S.  overwegende dat Malta over een grote bankensector beschikt, waaronder enkele bijzondere bankinstellingen die niet aan alle wettelijke normen en vereisten voldoen, zoals blijkt uit het geval van de bank Pilatus waarvan de licentie door de Europese Centrale Bank (ECB) is ingetrokken;

T.  overwegende dat het onderzoeksrapport "Egrant" niet openbaar is gemaakt; overwegende dat de beschikbare conclusies niet bevestigen dat de minister-president van Malta en zijn echtgenote eigenaar zijn van Egrant Inc.; overwegende dat uitsluitend de minister-president, de minister van Justitie, de stafchef van de minister-president en de woordvoerder van de minister-president toegang hebben tot de volledige niet-geschoonde versie van het onderzoeksrapport;

U.  overwegende dat vervolgens geen onderzoek is gestart om duidelijkheid te verkrijgen over wie de eindbegunstigde van Egrant is;

V.  overwegende dat de onthullingen betreffende de eindbegunstigde van de onderneming "17 Black" – thans naar verluidt de CEO van Tumas Group, aan wie de Maltese regering de opdracht heeft gegund voor de bouw van de energie-installatie van Electrogas op Malta – nogmaals de noodzaak benadrukken van meer transparantie ten aanzien van de financiële belangen en banden van de leden van de regering, zoals de stafchef van de minister-president, de huidige minister van Toerisme en de voormalige minister van Energie;

W.  overwegende dat de stafchef van de minister-president, de huidige minister van Toerisme en de voormalige minister van Energie de enige actieve hoge overheidsfunctionarissen van een EU-lidstaat zijn die in de Panama Papers genoemd worden als eindbegunstigden van een rechtspersoon; overwegende dat laatstgenoemde aan een delegatie van het Europees Parlement verklaringen heeft afgelegd over het gebruik van zijn rechtspersonen die strijdig zijn met documenten die in de Panama Papers zijn gepubliceerd;

X.  overwegende dat een gebrek aan veiligheid voor journalisten en een krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld als gevolg van pesterijen en intimidatie, de controle op de uitvoerende macht ondermijnen en de maatschappelijke betrokkenheid van burgers doen afkalven;

Y.  overwegende dat journalisten, en met name, maar niet uitsluitend, onderzoeksjournalisten, in toenemende mate worden geconfronteerd met strategische rechtszaken tegen publieke inspraak, die erop zijn gericht hun werk te bemoeilijken;

Z.  overwegende dat de familie van Daphne Caruana Galizia te maken heeft met haatcampagnes en smaadprocedures, zelfs na haar dood, onder meer van leden van de Maltese regering, en dat de vice-minister-president heeft laten weten dat hij het intrekken van deze smaadprocedures niet noodzakelijk acht;

AA.  overwegende dat de familie en vrienden van Daphne Caruana Galizia, alsmede maatschappelijke activisten, ook te maken hebben met een voortdurende situatie waarin bij haar geïmproviseerde herdenkingsmonument voorwerpen van eerbetoon worden weggehaald en vernietigd;

AB.  overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies over Malta, dat tijdens de 117e plenaire vergadering van 14-15 december 2018(16) is uitgebracht, wijst op de positieve verplichting van staten om journalisten te beschermen in geval van kwesties die rechtstreeks verband houden met de rechtsstaat, en benadrukt dat het een internationale verplichting is van de regering van Malta om ervoor te zorgen dat de media en het maatschappelijk middenveld een actieve rol kunnen spelen bij het ter verantwoording roepen van autoriteiten(17);

AC.  overwegende dat de Commissie van Venetië benadrukt heeft dat de Maltese autoriteiten een positieve stap hebben gezet met de oprichting van het Comité voor rechterlijke benoemingen (JAC) in 2016, en erop heeft gewezen dat er desalniettemin verschillende punten van zorg blijven in verband met het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, met name de organisatie van de bevoegdheid tot vervolging en de justitiële structuur, in verband met de algemene scheiding van machten en het machtsevenwicht in het land, waar de macht thans duidelijk bij de uitvoerende macht ligt, met name bij de minister-president, die over een reeks verreikende bevoegdheden beschikt, onder meer in diverse benoemingsprocedures, zoals voor de leden van de rechterlijke macht, en dat deze niet gekoppeld zijn aan robuuste controles en waarborgen(18);

AD.  overwegende dat de Commissie van Venetië heeft verklaard dat de huidige verdeling van de vervolgingsbevoegdheid tussen de politie en de procureur-generaal op Malta een ambivalent systeem vormt dat problematisch is uit het oogpunt van de machtenscheiding; overwegende dat de Commissie ook heeft opgemerkt dat de procureur-generaal, die niet alleen beschikt over de bevoegdheid om te vervolgen maar ook de juridisch adviseur van de regering en voorzitter van de FIAU is, een zeer machtige positie bekleedt, wat problematisch is uit het oogpunt van het beginsel van democratische controles en waarborgen en de machtenscheiding(19);

AE.  overwegende dat de delegatie van de Commissie van Venetië heeft opgemerkt dat een toekomstige scheiding van de rollen van de procureur-generaal thans algemeen aanvaard is na het verslag van 2013 van de Commissie voor een algemene hervorming van het justitiële stelsel(20); overwegende dat de regering van Malta de aanvang van het wetgevingsproces om deze scheiding tot stand te brengen heeft aangekondigd;

AF.  overwegende dat de Commissie van Venetië heeft verklaard dat, naast de taken van de procureur-generaal en de politie op het gebied van vervolging, magistraten ook de mogelijkheid hebben om onderzoeken te starten, en dat er naar het schijnt geen coördinatie plaatsvindt tussen deze onderzoeken en politieonderzoeken(21);

AG.  overwegende dat de Commissie van Venetië ook heeft benadrukt dat de Vaste Commissie tegen corruptie te leiden heeft onder gebreken met betrekking tot haar samenstelling, aangezien de minister-president de leden benoemt, zelfs als hij verplicht is de oppositie te raadplegen, en ook wat betreft de geadresseerden van haar verslagen, namelijk de minister van Justitie die niet over onderzoeksbevoegdheden beschikt, als gevolg waarvan slechts in een zeer klein aantal gevallen de verslagen leiden tot daadwerkelijk onderzoek en feitelijke vervolging(22);

AH.  overwegende dat de Commissie van Venetië heeft geoordeeld dat de benoemingsprocedure voor het hoofd van de politie moet worden gebaseerd op een openbaar vergelijkend onderzoek; het hoofd van de politie moet in de ogen van het algemene publiek politiek neutraal zijn(23);

AI.  overwegende dat Malta een proces is gestart dat gericht op het in kaart brengen van mogelijke constitutionele hervormingen, onder toezicht van de president, waarbij verschillende politieke krachten en het maatschappelijk middenveld zijn betrokken; hervormingen vereisen een tweederdemeerderheid in het parlement om te worden uitgevoerd;

AJ.  overwegende dat het monitoren door het Europees Parlement van verslechterende situaties in lidstaten op het gebied van de rechtsstaat een cruciaal onderdeel is van de Europese democratie, en het model van de werkgroep voor toezicht op de rechtsstaat het Parlement in staat stelt een nauwgezette follow-up te verrichten en te overleggen met autoriteiten en het maatschappelijk middenveld in de lidstaten;

AK.  overwegende dat ondanks breed gesteunde resoluties van het Europees Parlement(24), de Commissie nog steeds geen voorstel heeft ingediend voor een omvattend en onafhankelijk mechanisme om de situatie betreffende democratie, de rechtsstaat en grondrechten jaarlijks in alle lidstaten te monitoren;

AL.  overwegende dat het gebruik van burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders door EU-lidstaten ernstige risico's oplevert voor de bestrijding van witwassen, het wederzijds vertrouwen en de integriteit van de Schengenruimte, het mogelijk maakt dat onderdanen van derde landen toegang verkrijgen louter op grond van rijkdom in plaats van nuttige kennis, vaardigheden of humanitaire overwegingen, en resulteert in het daadwerkelijk verkopen van EU-burgerschap; overwegende dat de Commissie uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders van Malta niet langer onderschrijft;

AM.  overwegende dat de Commissie een verslag heeft gepubliceerd over burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders dat de bestaande praktijken in kaart brengt en bepaalde risico's identificeert die dergelijke regelingen voor de EU opleveren, met name in verband met veiligheid, witwassen, belastingontduiking en corruptie;

AN.  overwegende dat de Maltese regering een vertrouwelijke overeenkomst heeft gesloten met het particuliere bedrijf Henley & Partners om de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders van Malta uit te voeren en daarmee het onmogelijk maakt om te controleren of de overeengekomen procedures, verkoopvolumes, en verdere voorwaarden stroken met het Maltese recht, het EU-recht, het internationale recht en met veiligheidsoverwegingen;

AO.  overwegende dat de uitvoering van de vestigingsvereisten voor aanvragers van de Maltese burgerschaps- en verblijfsregelingen niet overeenstemt met de voorwaarden voor dergelijke regelingen die in 2014 met de Commissie zijn overeengekomen; overwegende dat de Commissie geen effectieve maatregelen heeft getroffen om dit niet-naleven van de vestigingsvereisten aan te pakken;

AP.  overwegende dat de beschuldigingen ten aanzien van de verkoop van medische en Schengenvisa in Libië en Algerije door Maltese functionarissen, niet volledig zijn onderzocht(25);

AQ.  overwegende dat journalisten in Slowakije tijdens het bezoek van de ROLMG-delegatie hebben laten weten dat zij in een omgeving werkzaam zijn waar volledige onafhankelijkheid en veiligheid niet altijd kan worden gegarandeerd; overwegende dat in het geval van RTVS (Radio en Televisie Slowakije) er sprake is van gevallen van vermeende politieke bemoeienis met journalistieke werkzaamheden, bijvoorbeeld in de vorm van het uitvaardigen van korte richtsnoeren voor nieuwsuitzendingen;

AR.  overwegende dat de nationale perswet in Slowakije momenteel herzien wordt en dit de gelegenheid biedt om de mediavrijheid en veiligheid van journalisten te versterken; overwegende dat het huidige wetgevingsvoorstel de mediavrijheid zou kunnen beperken;

AS.  overwegende dat er meldingen zijn van corruptie en fraude in Slowakije, onder meer met betrekking tot EU-landbouwfondsen, met de betrokkenheid van het betaalorgaan voor de landbouw, die grondig en onafhankelijk onderzoek verdienen, en waarvan enkele daadwerkelijk door OLAF worden onderzocht en in verband waarmee de Commissie begrotingscontrole van het Parlement in december 2018 een onderzoeksmissie heeft gezonden naar Slowakije; overwegende dat Slowakije de hoogste percentages van opgespoorde onregelmatigheden en fraude van alle EU-lidstaten kent(26);

AT.  overwegende dat de leden van de ROLMG bezorgd zijn over de onpartijdigheid van de rechtshandhaving en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Slowakije, met name in verband met de politisering en het gebrek aan transparantie in de selectie- en benoemingsprocedures, zoals voor de positie van de korpschef van de politie;

AU.  overwegende dat de minister-president van Slowakije en andere belangrijke leden van de regering, alsook de adjunct-procureur-generaal en de korpschef, na de moord op Ján Kuciak zijn afgetreden;

AV.  overwegende dat het wetgevingsproces in Slowakije inzake de hervorming van de selectieprocedure voor rechters van het constitutioneel hof nog niet is afgerond, en het komende selectieproces ter vervanging van de negen aftredende rechters zal plaatsvinden op grond van de bestaande procedures; overwegende dat deze selectieprocedure momenteel geblokkeerd is in het Slowaakse parlement;

AW.  overwegende dat tijdens hun bezoek de leden van de ROLMG-delegatie nota hebben genomen van de getoonde inzet van diverse leden van het personeel van de Slowaakse overheidsinstanties en actoren van het maatschappelijk middenveld om de normen van de rechtsstaat te handhaven;

AX.  overwegende dat op de Wereldindex voor persvrijheid 2018 van Verslaggevers zonder grenzen Slowakije op de 27e plaats staat, vergeleken met de 17e plaats in 2017, Malta gezakt is van de 47e plaats naar de 65e plaats, en Bulgarije als de laagst gerangschikte EU-lidstaat gezakt is van de 109e plaats in 2017 naar de 111e plaats;

AY.  overwegende dat op de jaarlijkse corruptieperceptie-index van Transparency International Malta op de 51e plaats staat (46e plaats in 2017), Slowakije op de 57e plaats (54e plaats in 2017) en Bulgarije op de 77e plaats (71e plaats in 2017); overwegende dat alle drie landen significant lager scoren dan het EU-gemiddelde(27);

ALGEMENE OPMERKINGEN

1.  veroordeelt krachtig de aanhoudende pogingen van de regeringen van een toenemend aantal lidstaten om de rechtsstaat te verzwakken en de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te ondermijnen; maakt zich zorgen over het feit dat de meeste lidstaten weliswaar in overeenstemming met de normen van de Raad van Europa wetgeving hebben aangenomen om de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen, maar dat wijze waarop deze normen worden toegepast vaak tekortschiet;

2.  brengt in herinnering dat de rechtsstaat deel uitmaakt van en voorwaarde is voor de bescherming van alle in artikel 2 VEU neergelegde waarden; roept alle betrokken actoren op EU- en nationaal niveau, waaronder overheden, parlementen en de rechterlijke macht, op om zich krachtiger in te zetten voor het behoud en de versterking van de rechtsstaat;

3.  stelt met grote bezorgdheid vast dat journalisten steeds vaker bedreigd worden, dat de mediavrijheid steeds meer onder druk komt te staan, dat er steeds minder eerbied is voor het beroep van journalist en dat de positie van journalisten verslechtert, en dat er in deze sector sprake is van economische concentratie en een toename van desinformatie; herinnert eraan dat sterke democratieën die gebaseerd zijn op het beginsel van de rechtsstaat alleen maar kunnen bestaan als er ook sprake is van een krachtige en onafhankelijke vierde macht;

4.  verzoekt de Raad om alle voorstellen van de Commissie en het Parlement met betrekking tot inbreukprocedures en de procedure van artikel 7 VEU te bespreken en een follow-up te geven, en met name om snel in actie te komen met betrekking tot het met redenen omklede voorstel van de Commissie van 20 december 2017 over Polen, en bovendien de situatie in Hongarije als prioritair punt op de agenda van de Raad te plaatsen, en het Parlement in alle stadia van de procedure onverwijld en ten volle te informeren en het Parlement uit te nodigen om zijn met redenen omkleed voorstel over Hongarije in de Raad toe te lichten;

ONDERZOEKEN EN RECHTSHANDHAVING

5.  verzoekt de regering van Malta om onverwijld een volledig en onafhankelijk openbaar onderzoek in te stellen naar de moord op Daphne Caruana Galizia, met speciale aandacht voor de omstandigheden die toelieten dat deze moord werd gepleegd, de respons van de openbare autoriteiten op de moord en de maatregelen die genomen kunnen worden om dergelijke moorden in de toekomst te voorkomen;

6.  dringt er met klem bij de Maltese regering op aan om op eenduidige wijze en in het openbaar alle haatzaaiende uitlatingen en elke bezoedeling van de herinnering van wijlen Daphne Caruana Galizia te veroordelen; pleit voor harde maatregelen tegen overheidsfunctionarissen die haat aanwakkeren;

7.  acht het van het grootste belang dat er, in overleg met maatschappelijke organisaties en met de familie van Daphne Caruana Galizia, een oplossing gevonden wordt voor de gedenkplaats ter ere van Daphne Caruana Galizia in Valletta, zodat zij ongestoord kan worden herdacht;

8.  dringt er bij de Maltese autoriteiten op aan het volledige en onbewerkte "Egrant"-rapport te publiceren;

9.  dringt er bij de regeringen van Malta en Slowakije op aan om te waarborgen dat alle aanwijzingen van strafbare feiten onverwijld en ten volle door de rechtshandhavingsinstanties worden onderzocht, onder meer als deze aanwijzingen afkomstig zijn van klokkenluiders en journalisten, en in het bijzonder te waarborgen dat onderzoek wordt gedaan naar de vermeende gevallen van corruptie, financiële misdrijven, witwaspraktijken, fraude en belastingontwijking, die door Daphne Caruana Galizia en Ján Kuciak onder de aandacht werden gebracht;

10.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten een onafhankelijk internationaal openbaar onderzoek in te stellen naar de moord op Daphne Caruana Galizia en de vermeende gevallen van corruptie, financiële misdrijven, witwassen van geld, fraude en belastingontduiking die door haar zijn gemeld en waarbij huidige en voormalige hoge ambtenaren van Malta betrokken zijn;

11.  betreurt dat de leden van de ROLMG tijdens hun werkbezoek niet alle leden van de regering van Malta hebben kunnen ontmoeten, zoals de minister van Toerisme en voormalig minister van Energie en dat zij evenmin een ontmoeting konden hebben met vertegenwoordigers van Nexia BT, zoals de beherend vennoot van de onderneming;

12.  stelt met bezorgdheid vast dat de Maltese autoriteiten bij de Duitse federale recherche-informatiedienst ("Bundeskriminalamt") geen officieel verzoek om wederzijdse rechtshulp hebben ingediend om toegang te krijgen tot de gegevens op de laptops en harde schijven nadat deze door de familie van Daphne Caruana Galizia aan de Duitse autoriteiten waren gegeven;

13.  verwelkomt de aanklacht die de Slowaakse autoriteiten hebben ingediend tegen de vermeende aanstichter van de moord op Ján Kuciak en Martina Kušnírová en de vermeende daders van de moorden; dringt er bij de rechtshandhavingsinstanties op aan om het onderzoek op zowel nationaal als internationaal niveau met alle beschikbare middelen voort te zetten, onder meer door de overeenkomst tot instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam te verlengen tot na april 2019, en erop toe te zien dat alle aspecten van de zaak volledig worden onderzocht, met inbegrip van mogelijke politieke connecties met de misdaden;

14.  merkt op dat er in het kader van het onderzoek naar de moord op Ján Kuciak en Martina Kušnírová andere mogelijke strafbare feiten naar boven zijn gekomen, bijvoorbeeld een vermeend plan om de aanklagers Peter Šufliarsky en Maroš Žilinka en de advocaat Daniel Lipšicn te vermoorden; merkt op dat het latere onderzoek op grond van een besluit van de procureur-generaal en de speciale aanklager moet worden uitgevoerd door de politie-inspectiedienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, vanwege de mogelijke betrokkenheid van politieagenten bij het doorzoeken politiedatabanken op gegevens van de betrokken personen; zal de ontwikkelingen in dit verband blijven volgen;

15.  is ingenomen met de oprichting van het Ján Kuciak-onderzoekscentrum, het Daphne-project dat eind 2018 door een aantal journalisten werd opgezet en het Daphne-project Forbidden Stories, dat in maart 2018 werd opgezet door 18 consortia van onderzoeksjournalisten, met als doel om na de dood van Daphne haar werk voort te zetten; merkt op dat het Daphne-project zes maanden na de oprichting in zijn eerste publicatie met nieuwe onthullingen kwam;

16.  verzoekt de Commissie en het Europees Bureau voor fraudebestrijding diepgaand onderzoek te doen naar alle zaken die in 2018 onder de aandacht van de delegaties ad hoc van het Europees Parlement zijn gebracht, met name beschuldigingen van corruptie en fraude, onder meer met betrekking tot EU-landbouwfondsen, en mogelijke verkeerde stimulansen voor landroof;

17.  dringt er bij de Maltese autoriteiten op aan een onderzoek te starten naar de onthullingen in het kader van de Panama Papers en de verbanden tussen de in Dubai gevestigde onderneming "17 Black" en de minister van Toerisme en voormalig minister van Energie en de stafchef van de minister-president;

18.  dringt er bij de Maltese en de Slowaakse regering en bij alle EU-lidstaten en hun rechtshandhavingsinstanties op aan om de strijd tegen georganiseerde misdaad en corruptie te intensiveren, om het vertrouwen van de burgers in openbare instanties te herstellen;

19.  wijst op de aanneming op 22 maart 2019 van het addendum bij het tweede nalevingsverslag over Slowakije van GRECO betreffende corruptiepreventie met betrekking tot parlementsleden, rechters en openbare aanklagers; roept de regering van Slowakije op om alle aanbevelingen volledig uit te voeren;

20.  wijst op de aanneming op 23 maart 2019 van het vijfde evaluatieverslag over Malta van GRECO; roept de regering van Malta op om onverwijld toestemming te geven voor de publicatie van dit verslag en om alle aanbevelingen volledig uit te voeren;

21.  is zeer bezorgd over de rol die de Slowaakse regering mogelijkerwijs heeft gespeeld bij de ontvoering van een Vietnamese burger uit Duitsland en dringt aan op de opstelling van een omvattend onderzoeksrapport, in samenwerking met de Duitse autoriteiten, over onder meer de vermeende betrokkenheid van de voormalig minister van Binnenlandse Zaken;

22.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over beschuldigingen van corruptie, belangenverstrengeling, straffeloosheid en draaideurconstructies in gezaghebbende kringen in Slowakije; is verbijsterd dat een voormalige hooggeplaatste politiefunctionaris van het nationale agentschap voor strafzaken (NAKA) en het voormalige hoofd van politie na hun ontslagneming benoemd zijn als adviseurs van de minister van Binnenlandse Zaken, onder meer in de Tsjechische Republiek; merkt op dat het voormalige hoofd van politie inmiddels zijn taak als adviseur van de minister van Binnenlandse Zaken heeft neergelegd, nadat er persberichten naar buiten kwamen over een opdracht tot het doorzoeken van een politiedatabank op gegevens van Ján Kuciak voordat deze werd vermoord, en waartoe het voormalige hoofd van politie opdracht zou hebben gegeven;

23.  is verheugd over de inzet van de Slowaakse en Maltese burgers en maatschappelijke organisaties in de strijd voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten; dringt er bij de regeringen van Slowakije en Malta op aan deze betrokkenheid van de burgers te stimuleren en niet te ontmoedigen;

24.  dringt er bij de regeringen van Malta, Slowakije en Bulgarije op aan om elke vorm van samenwerking met Europol te blijven ondersteunen, onder meer door Europol ten volle te betrekken bij onderzoeken en proactief volledige toegang te bieden tot onderzoeksdossiers;

25.  verzoekt de Commissie om duidelijke sturing te geven inzake het rechtskader en de modaliteiten voor de uitwisseling van gegevens en bewijsmateriaal tussen de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten onderling en tussen de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en de EU-agentschappen, onder meer door gebruikmaking van het Europees onderzoeksbevel;

26.  stelt vast dat het huidige mandaat en de huidige begrotings- en personele middelen van Europol en Eurojust te beperkt zijn om deze agentschappen in staat te stellen om ten volle en op proactieve wijze EU-meerwaarde te bieden bij de uitvoering van strafrechtelijke onderzoeken, zoals de onderzoeken naar de moorden op Daphne Caruana Galizia en Ján Kuciak en Martina Kušnírová; roept ertoe op om op korte termijn meer middelen aan Europol en Eurojust toe te wijzen om dit soort onderzoek te kunnen verrichten;

27.  benadrukt dat de rechtshandhavingsinstanties en de justitiële autoriteiten van de lidstaten deel uitmaken van een Europees samenwerkingssysteem; is van oordeel dat de EU-instellingen, -organen en -instanties daarom op eigen initiatief in actie moeten komen om tekortkomingen bij de nationale autoriteiten aan te pakken en vindt het zorgwekkend dat de EU-instellingen, -organen en -instanties veelal pas in actie komen nadat journalisten of klokkenluiders bepaalde zaken onder de aandacht hebben gebracht;

28.  dringt er bij de Commissie en de Raad op aan om de begroting van Europol te verhogen, dit in overeenstemming met de tijdens de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 vastgestelde operationele en strategische behoeften van het agentschap, en om het mandaat van Europol te versterken, zodat Europol in staat wordt gesteld om actiever deel te nemen aan onderzoek naar invloedrijke criminele organisaties in landen waar de onafhankelijkheid en de kwaliteit van het onderzoek niet buiten kijf staan en bijvoorbeeld in dergelijke gevallen het initiatief kan nemen tot de instelling van gezamenlijke onderzoeksteams;

29.  verzoekt Eurojust en het toekomstige Europees Openbaar Ministerie (EOM) om zo goed mogelijk samen te werken als het gaat om onderzoek dat betrekking heeft op de financiële belangen van de EU, met name met betrekking tot landen die niet deelnemen aan het EOM; verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen met het oog hierop om te werken aan een spoedige instelling van het EOM, en is van oordeel dat alle lidstaten die nog geen kennis hebben gegeven van hun voornemen om deel te nemen aan het EOM dat alsnog moeten doen;

30.  verzoekt de Commissie om een follow-up te geven aan de resoluties van het Parlement waarin de Commissie werd verzocht om beste praktijken op het gebied van opsporingstechnieken in EU in kaart te brengen, om aan de hand daarvan te komen tot gemeenschappelijke onderzoeksmethoden in de EU(28);

CONSTITUTIONELE PROBLEMEN IN MALTA EN SLOWAKIJE

31.  is ingenomen met de verklaringen van de regering van Malta over de uitvoering van de aanbevelingen die werden gedaan in het recente verslag van de Commissie van Venetië;

32.  is ingenomen met de oprichting van een groep waarin leden van de regering en de oppositie zitting hebben en die zich bezighoudt met de mogelijkheden voor een grondwetsherziening;

33.  is ingenomen met de recente aankondiging van de regering van Malta betreffende de aanvang van de wetgevingsprocessen om verschillende aanbevelingen van de Commissie van Venetië uit te voeren; dringt er bij de regering en het parlement van Malta op aan om zonder uitzondering alle aanbevelingen van de Commissie van Venetië ten uitvoer te leggen, en waar nodig dit ook met terugwerkende kracht te doen, om ervoor te zorgen dat alle besluiten, standpunten en structuren uit heden en verleden in overeenstemming zijn met deze aanbevelingen, en met name

   de onafhankelijkheid en controlerende bevoegdheden van en de criteria die gelden voor de leden van het Maltese parlement te versterken en aan te scherpen, met name door invoering van strengere regels inzake incompatibiliteiten en door te zorgen voor een passend salaris en onpartijdige ondersteuning;
   vacatures voor rechterlijke posten openbaar te maken (par. 44);
   de samenstelling van het JAC aldus te wijzigen dat de helft van de leden bestaat uit rechters die gekozen worden door vakgenoten, en het JAC te bevoegdheid toe te kennen kandidaten een rangorde toe te kennen op basis van hun verdienste en deze kandidaten rechtstreeks bij de president van Malta voor te dragen voor benoeming, en dit op dezelfde wijze te doen bij de benoeming van de opperrechter (par. 44);
   de Commissie voor rechtsbedeling de bevoegdheid toe te kennen om rechters of magistraten te schorsen en te voorzien in de mogelijkheid om tegen disciplinaire maatregelen van die commissie bij een rechter in beroep te gaan (par. 53);
   het ambt van onafhankelijk hoofd van het openbaar ministerie in te stellen, met verantwoordelijkheid voor alle strafvervolgingen, dat de huidige taken op het gebied van vervolging overneemt van de procureur-generaal, alsmede de taken op het gebied van vervolging van de politie en op het gebied van onderzoek door een rechter, zoals aanbevolen door de Commissie van Venetië (par. 61 t/m 73); te bepalen dat dit mogelijk nieuw in te stellen hoofd van het openbaar ministerie onderworpen is aan rechterlijke toetsing, met name als het gaat om besluiten om niet tot vervolging over te gaan (par. 68 en 73);
   de PCAC te hervormen, enerzijds door een benoemingsprocedure in te voeren die minder afhankelijk is van de uitvoerende macht, met name de minister-president, en anderzijds door erop toe te zien dat de PCAC-rapporten ook daadwerkelijk tot vervolging leiden; na te denken over de mogelijkheid om de PCAC rechtstreeks te laten rapporteren aan het nieuwe hoofd van het openbaar ministerie (par. 72);
   een constitutionele hervorming door te voeren om te waarborgen dat de uitspraken van het Constitutioneel Hof, zonder dat het Parlement hierbij een rol hoeft te spelen, leiden tot nietigverklaring van bepalingen die ongrondwettelijk worden bevonden (par. 79);
   de praktijk van het in deeltijd uitoefenen van het ambt van parlementslid af te schaffen, het salaris van parlementsleden te verhogen, de benoeming van parlementsleden in officiële organen te beperken, ervoor te zorgen dat parlementsleden kunnen beschikken over voldoende ondersteunend personeel en dat aan parlementsleden kennis en advies geboden wordt, en op veel minder ruime schaal gebruik te maken van gedelegeerde wetgeving (par. 94);
   ervoor te zorgen dat verzoeken om informatie van de ombudsman volledig worden ingewilligd door de autoriteiten, dat de verslagen van de ombudsman in het parlement worden besproken, dat het ambt van ombudsman in de grondwet wordt vastgelegd en dat de wet op de vrijheid van informatie wordt geactualiseerd (par. 100 en 101);
   de procedure voor de benoeming van permanente secretarissen te hervormen, namelijk door de selectie niet meer te laten plaatsvinden door de minister-president, maar door een onafhankelijke commissie voor ambtenarenzaken, die besluit op basis van verdienste (par.119 en 120);
   de praktijk van "vertrouwensposities of vertrouwenspersonen" verregaand te beperken en in verband hiermee duidelijke rechtsregels vast te stellen en een wijziging van de grondwet door te voeren, als basis en kader voor de regulering van deze praktijk (par. 129);
   de procedure voor de benoeming van commissaris van politie te wijzigen, met name door bij deze procedure uit te gaan van de verdiensten van kandidaten, en hiervoor een openbaar vergelijkend onderzoek te organiseren (par. 134);

34.  merkt op dat er momenteel een selectie- en benoemingsprocedure loopt voor rechters aan het grondwettelijk hof van Slowakije, aangezien de ambtstermijn van negen van de dertien rechters in februari afloopt; benadrukt dat de regels voor deze selectie- en benoemingsprocedure en de kwalificaties en functie-eisen moeten voldoen aan de hoogst mogelijke normen op het gebied van transparantie, controle en verantwoordingsplicht, in overeenstemming met de conclusies van de Commissie van Venetië over dit onderwerp(29); is bezorgd over het feit dat momenteel geen vooruitgang wordt geboekt in het Slowaakse parlement wat betreft deze selectieprocedure;

35.  dringt aan op de transparante, ondubbelzinnige en objectieve toepassing van regels en procedures voor de selectie in 2019 van het nieuwe Slowaakse hoofd van politie, die de onafhankelijkheid en neutraliteit van dit ambt moeten waarborgen; merkt op dat het selectieproces is gestart en dat de kandidaten spoedig zullen deelnemen aan hoorzittingen voor de bevoegde commissie van het Slowaakse parlement; wenst dat deze hoorzittingen openbaar zijn;

BURGERSCHAPS- EN VERBLIJFSREGELINGEN EN VISA VOOR INVESTEERDERS

36.  dringt er bij de regering van Malta op aan haar burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders te beëindigen, en opdracht te geven voor een onafhankelijk en internationaal onderzoek naar de gevolgen van deze regelingen voor de Maltese handhavingscapaciteit op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld, voor de grensoverschrijdende criminaliteit en voor de integriteit van het Schengengebied;

37.  verzoekt de regering van Malta om jaarlijks een afzonderlijke lijst te publiceren van alle personen die het Maltese en het EU-burgerschap hebben gekocht en erop te letten dat er op deze lijst geen personen staan die hun Maltese staatsburgerschap op een ander manier hebben gekregen; verzoekt de regering van Malta te waarborgen dat al deze nieuwe burgers vóór de koop van het staatsburgerschap daadwerkelijk een volledig jaar in Malta hebben verbleven, zoals overeengekomen met de Europese Commissie voordat het programma van start ging; verzoekt de Commissie om alles te doen wat in haar vermogen ligt om ervoor te zorgen dat de hierover gemaakte afspraken in de toekomst worden nageleefd;

38.  is tevreden dat de Commissie in februari 2019, toen zij om opheldering over deze kwestie werd gevraagd, duidelijk heeft aangegeven dat zij de Maltese burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders op geen enkele wijze steunt;

39.  doet derhalve een beroep op de regering van Malta om haar contract met Henley & Partners, de particuliere onderneming die momenteel de Maltese burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders ten uitvoer legt, volledig openbaar te maken en te beëindigen, en ervoor te zorgen dat dit geen nadelige gevolgen heeft voor de overheidsfinanciën;

40.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of de bestaande contracten tussen de autoriteiten van de lidstaten en particuliere ondernemingen die de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders beheren en uitbesteden, verenigbaar zijn met het EU- en internationaal recht en met eisen inzake de veiligheid;

41.  is verheugd over de publicatie van het verslag van de Commissie over de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders, maar is bezorgd over het gebrek aan gegevens in dat verslag; roept de Commissie op om de omvang en de gevolgen van de verschillende burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de EU te blijven monitoren, en daarbij in het bijzonder aandacht te besteden aan de zorgvuldigheidsprocedures, de profielen en activiteiten van de begunstigden, de mogelijke gevolgen voor grensoverschrijdende criminaliteit en de integriteit van het Schengengebied; verzoekt de lidstaten zo snel mogelijk een einde te maken aan alle huidige burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders; roept de Commissie intussen op om in het Schengenevaluatiemechanisme uitdrukkelijk aandacht te besteden aan de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel voor te leggen waarin duidelijke grenzen worden gesteld aan de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders;

42.  verzoekt de Commissie om, voortbouwend op haar verslag over burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in diverse EU-lidstaten, specifiek onderzoek te doen naar de gevolgen van de burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders van de Maltese regering voor de integriteit van het Schengengebied;

43.  verzoekt Europol en het Europees grens- en kustwachtagentschap om een gemeenschappelijke dreigingsanalyse uit te voeren met betrekking tot de gevolgen van burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders van de EU-lidstaten voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit en voor de integriteit van het Schengengebied;

44.  verzoekt de Maltese regering om een grondig onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen in verband met grootschalige verkoop van Schengenvisa en visa op medische gronden, almede naar de vermeende betrokkenheid van (voormalige) hooggeplaatste Maltese regeringsfunctionarissen, zoals de stafchef van de minister-president en Neville Gafa;

VEILIGHEID VAN JOURNALISTEN EN ONAFHANKELIJKHEID VAN DE MEDIA

45.  dringt er bij de regering van Slowakije op aan de veiligheid van journalisten te waarborgen; betreurt het gebrek aan transparantie inzake media-eigendom; heeft twijfels over de onafhankelijkheid en kwaliteit van de publieke media na het vertrek van een aantal RTVS-journalisten; merkt met bezorgdheid op dat het huidige voorstel voor de perswet de mediavrijheid zou kunnen beperken;

46.  is bezorgd over de uitspraken van Slowaakse politici die het belang van onafhankelijke journalistiek en onafhankelijke publieke media in twijfel trekken, zoals de uitspraken die de voormalige minister-president in het openbaar heeft gedaan, onder meer tijdens een persconferentie op 2 oktober 2018;

47.  herhaalt zijn dringende verzoek aan de betrokken leden van de Maltese regering om te waarborgen dat de procedures wegens smaad tegen Daphne Caruana Galizia, waar haar rouwende familie nog steeds mee geconfronteerd wordt, per direct worden stopgezet, om de wetgeving inzake smaad niet te gebruiken om banktegoeden van kritische journalisten te bevriezen, en om de wetgeving inzake smaad die wordt gebruikt om journalisten bij hun werkzaamheden te belemmeren te hervormen;

48.  verzoekt de Commissie om voorstellen in te dienen ter voorkoming van zogenaamde "strategische rechtszaken tegen publieke inspraak";

DE REACTIE VAN DE EU

49.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een dialoog met de Maltese regering aan te gaan in de context van het EU-kader voor de rechtsstaat;

50.  neemt nota van de inspanningen van de Commissie en de Raad om ervoor te zorgen dat alle lidstaten de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten volledig in acht nemen; is echter bezorgd over de beperkte effecten van het EU-kader voor de rechtsstaat van de Commissie en van de procedures die tot dusver op grond van artikel 7, lid 1, VEU zijn ingeleid; benadrukt dat het blijvende verzuim om ernstige en aanhoudende schendingen van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden aan te pakken andere lidstaten heeft aangemoedigd om dezelfde weg te volgen; betreurt het besluit van de Commissie om de publicatie van haar voorstel tot versterking van het EU-kader voor de rechtsstaat uit te stellen tot juli 2019;

51.  herinnert aan de noodzaak van een onpartijdige en systematische beoordeling van de situatie met betrekking tot de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in alle lidstaten; benadrukt dat een dergelijke beoordeling gebaseerd moet zijn op objectieve criteria; herinnert aan zijn resoluties van 10 oktober 2016 en 14 november 2018, waarin wordt opgeroepen tot een omvattend, permanent en objectief EU-mechanisme voor de bescherming van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten; is van mening dat dit een eerlijk, evenwichtig, rechtmatig en preventief mechanisme zou zijn om eventuele schendingen van de in artikel 2 VEU genoemde waarden aan te pakken, en onderstreept dat het nu dringender dan ooit nodig is om een dergelijk mechanisme in te voeren;

52.  betreurt dat de Commissie nog steeds geen voorstel voor een omvattend EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten heeft ingediend en verzoekt de Commissie om dit tijdig te doen, met name door een voorstel tot goedkeuring van het interinstitutioneel akkoord over het EU-pact voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten in te dienen;

53.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, herinnert aan het verslag hierover dat het Parlement in januari 2019 heeft aangenomen en dringt er bij de Raad op aan om zo spoedig mogelijk constructief met de onderhandelingen te beginnen;

54.  wijst erop dat het belangrijk is dat het Parlement ad-hocdelegaties naar de lidstaten stuurt, omdat dat een doeltreffende manier is om schendingen van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten te monitoren; pleit voor de totstandbrenging, binnen de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, van een permanente structuur die belast wordt met de monitoring van dergelijke schendingen in de lidstaten;

55.  dringt er bij de EU-instellingen en de lidstaten op aan om systemische corruptie krachtig te bestrijden en effectieve instrumenten te ontwikkelen voor de preventie, bestrijding en bestraffing van corruptie en voor de strijd tegen fraude, alsmede voor de periodieke controle op de besteding van overheidsmiddelen; geeft nogmaals uiting aan zijn teleurstelling over het feit dat de Commissie de afgelopen jaren heeft afgezien van het publiceren van EU-corruptiebestrijdingsverslagen en wijst erop dat de thematische overzichten over corruptiebestrijding die zij in het kader van het Europees Semester publiceert onvoldoende waarborgen bieden dat corruptiebestrijding ook daadwerkelijk op de politieke agenda wordt geplaatst; dringt er daarom bij de Commissie op aan om haar jaarlijkse monitoring en verslaglegging op het gebied van corruptiebestrijding met betrekking tot alle lidstaten en alle EU-instellingen onmiddellijk te hervatten;

56.  is ingenomen met het akkoord tussen de ECB en de nationale toezichthoudende instanties over een nieuw samenwerkingsmechanisme voor de uitwisseling van informatie; spoort alle deelnemende autoriteiten aan om op ruime schaal van dat mechanisme gebruik te maken, om een vlotte en doeltreffende samenwerking op het gebied van de bestrijding van witwaspraktijken te waarborgen;

57.  herinnert zijn Voorzitter eraan dat er nog altijd geen gevolg is gegeven aan zijn oproep om een Europese Daphne Caruana Galizia-prijs voor onderzoeksjournalistiek in het leven te roepen die jaarlijks wordt uitgereikt voor uitzonderlijke prestaties op het gebied van onderzoeksjournalistiek in Europa;

58.  is ingenomen met het besluit van het Parlement om het stageprogramma voor onderzoeksjournalisten van het Parlement te vernoemen naar Ján Kuciak;

o
o   o

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1) PB C 482 van 23.12.2016, blz. 117.
(2) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0456.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0438.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0055.
(6) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 148.
(7) PB C 204 van 13.6.2018, blz. 95.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0442.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0183.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0204.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0340.
(12) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 46.
(13) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 127.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0216.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0446.
(16) Malta - Opinion on Constitutional arrangements and separation of powers (Malta - Advies over constitutionele regelingen, de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en rechtshandhavingsinstanties), uitgebracht door de Commissie van Venetië tijdens haar 117e plenaire vergadering (Venetië, 14-15 december 2018).
(17) Advies van de Commissie van Venetië, punt 142.
(18) Ibid., punten 107-112.
(19) Ibid., punt 54.
(20) Ibid., punt 59.
(21) Ibid., punt 71.
(22) Ibid., punt 72.
(23) Ibid., punt 132.
(24) Resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162); resolutie van 14 november 2018 over de noodzaak van een omvattend EU‑mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten (Aangenomen teksten, – P8_TA(2018)0456).
(25) http://nao.gov.mt//loadfile/77c82f0e-89b3-44b4-85d4-e48ecfd251b0
(26) https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR19_01/SR_FRAUD_RISKS_NL.pdf
(27) https://www.transparency.org/cpi2018 https://www.transparency.org/news/feature/corruption_perceptions_index_2017
(28) https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1539189225045&uri=CELEX:52011IP0459 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52016IP0403
(29) https://www.venice.coe.int/webforms/documents/?pdf=CDL-AD(2017)001-e


Recente ontwikkelingen in het dieselgateschandaal
PDF 152kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over recente ontwikkelingen in het dieselgate-schandaal (2019/2670(RSP))
P8_TA(2019)0329B8-0222/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 226 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 19 april 1995 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement(1),

–  gezien zijn Besluit (EU) 2016/34 van 17 december 2015 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie(3),

–  gezien Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd(4),

–  gezien Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG(5),

–  gezien Verordening (EU) 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft(6),

–  gezien Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa(7),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2015 over emissiemetingen in de automobielsector(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector(9) (gebaseerd op het tussentijds verslag van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector),

–  gezien het eindverslag van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector van 2 maart 2017,

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad en de Commissie van 4 april 2017 naar aanleiding van het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector(10),

–  gezien de briefingnota van de Europese Rekenkamer van 7 februari 2019 over de reactie van de EU op het dieselgate-schandaal,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 december 2018 in de gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16(11),

–  gezien de aanbeveling van de Europese Ombudsman in zaak 1275/2018/EWM,

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2019 over een Europa dat beschermt: schone lucht voor iedereen(12),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Parlement de Commissie om een uitvoerig verslag had gevraagd over de door de Commissie en de lidstaten getroffen maatregelen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector (hierna "de EMIS-commissie");

B.  overwegende dat de commissaris voor Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf, Elżbieta Bieńkowska, op 18 oktober 2018 een brief heeft gestuurd naar de voormalige voorzitter van de EMIS-commissie, met daarin een tabel met de follow-upmaatregelen die de Commissie in reactie op het verzoek om een "uitvoerig verslag over de door de Commissie en de lidstaten getroffen maatregelen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de EMIS-commissie" had genomen;

C.  overwegende dat in de bij deze brief gevoegde tabel enkel de in de aanbevelingen aangekaarte kwesties aan de orde worden gesteld en dat de conclusies van de EMIS-commissie, en met name de conclusies die betrekking hebben op gevallen van wanbeheer en inbreuken op het EU-recht, niet worden behandeld; overwegende dat commissaris Bieńkowska meermaals in de tabel heeft onderstreept dat bepaalde kwesties die in de aanbevelingen aan de orde komen, niet onder haar bevoegdheid vallen;

D.  overwegende dat de Europese Ombudsman de door een lid van het Europees Parlement ingediende klacht op 12 oktober 2018 gegrond verklaarde en concludeerde dat de weigering van de Commissie om alle standpunten van de vertegenwoordigers van de lidstaten in verband met milieugegevens openbaar te maken, neerkwam op wanbeheer;

E.  overwegende dat dit belemmerende gedrag van de Commissie het werk van de EMIS-commissie aanzienlijk heeft vertraagd en onder meer tot gevolg heeft gehad dat de leden van het Europees Parlement tijdens de hoorzittingen minder informatie tot hun beschikking hadden voor de ondervraging van de vertegenwoordigers van de Commissie;

F.  overwegende dat het Gerecht van de Europese Unie op 13 december 2018 besloot het door Parijs, Brussel en Madrid ingestelde beroep (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16) toe te wijzen en Verordening (EU) 2016/646 van de Commissie gedeeltelijk nietig te verklaren, omdat daarin buitensporig hoge maximale stikstofemissiewaarden waren vastgesteld in het kader van de tests voor nieuwe lichte personen- en bedrijfsvoertuigen;

G.  overwegende dat de Commissie op 22 februari 2019 besloot tegen de uitspraak in beroep te gaan, waardoor de door het Hof vastgestelde termijn mogelijk wordt opgeschoven en de zogenoemde "conformiteitsfactoren" in stand kunnen worden gehouden;

H.  overwegende dat de Commissie op 6 december 2016 besloot een inbreukprocedure in te leiden tegen zeven lidstaten, namelijk Duitsland, Griekenland, Litouwen, Luxemburg, Spanje, Tsjechië en het Verenigd Koninkrijk, omdat deze lidstaten hadden verzuimd sanctieregelingen vast te stellen om autofabrikanten ervan te weerhouden inbreuk te maken op de EU-regelgeving inzake voertuigemissies of dergelijke sancties op te leggen in het kader van de Volkswagen-zaak;

I.  overwegende dat de Commissie op 17 mei 2017 een tweede inbreukprocedure inleidde betreffende de door Fiat Chrysler Automobiles (FCA) gehanteerde emissiebeperkingsstrategieën en de niet-nakoming door Italië van de verplichting om corrigerende maatregelen te treffen en sancties op te leggen aan deze fabrikant;

J.  overwegende dat deze procedures, waarvan er momenteel nog vier lopen tegen respectievelijk Duitsland, Italië, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk, bijna twee jaar geleden zijn ingeleid, maar de Commissie niettemin nog altijd op nadere informatie van de lidstaten wacht, die zij via aanvullende aanmaningsbrieven tracht te verkrijgen;

K.  overwegende dat bepaalde lidstaten in dit verband niet oprecht met de Commissie lijken mee te werken;

L.  overwegende dat de voorzitter van de Rekenkamer, Klaus-Heiner Lehne, in de persmededeling van 16 oktober 2018 over het werkprogramma van de Europese Rekenkamer voor 2019 aankondigde dat de Rekenkamer onderzoek gaat doen naar de door de EU gebruikte methode voor het meten van voertuigemissies, om vast te stellen of de EU "doet wat ze belooft";

M.  overwegende dat uit de briefingnota van de Europese Rekenkamer van 7 februari 2019 over de reactie van de EU op het dieselgate-schandaal is gebleken dat er nog altijd veel sterk vervuilende auto's rondrijden en dat de lopende terugroepacties van voertuigen, evenals de in dit verband in gang gezette software-updates, slechts een beperkt effect hebben gehad op de NOx-emissies;

N.  overwegende dat Duitsland Duitse autofabrikanten verplicht autobezitters een inwisselingsprogramma of de inbouw van selectieve katalytische hardware aan te bieden;

O.  overwegende dat de nasleep van sterk vervuilende dieselvoertuigen nog altijd grotendeels niet is aangepakt, aangezien deze voertuigen de luchtkwaliteit nog jarenlang negatief zullen blijven beïnvloeden indien geen gecoördineerde maatregelen worden genomen door de Commissie en de lidstaten om de schadelijke emissies die de voertuigen uitstoten terug te dringen, met name in regio's waarnaar veel van deze voertuigen worden geëxporteerd;

P.  overwegende dat de terugroepacties in de lidstaten volgens de informatie die de Commissie van de lidstaten heeft ontvangen betrekking hebben op een beperkt aantal auto's van de volgende merken: Volkswagen, Renault, Daimler, Opel en Suzuki;

Q.  overwegende dat ook modellen van bepaalde andere merken volgens verschillende niet-gouvernementele organisaties en de media verdacht emissiegedrag hebben vertoond of de vervuilingsnormen waarin het EU-recht voorziet, hebben overschreden;

R.  overwegende dat enkele lidstaten, namelijk Bulgarije, Hongarije, Ierland, Slovenië en Zweden, de Commissie nog altijd geen informatie over hun terugroepprogramma's hebben doen toekomen;

S.  overwegende dat de reactie van de Commissie op het dieselgate-schandaal niet alleen de herziening van Richtlijn 2007/46/EG omvatte, maar ook een voorstel voor een richtlijn betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten (COM(2018)0184); overwegende dat dergelijke bindende wetgeving van cruciaal belang is om te waarborgen dat consumenten duidelijke rechten hebben en zinvolle collectieve maatregelen kunnen nemen, met name aangezien de aanbeveling van 2013 inzake collectief beroep in de meeste de lidstaten nauwelijks ten uitvoer is gelegd; overwegende dat in de Verenigde Staten, waar het systeem voor groepsvorderingen goed is ontwikkeld, slachtoffers van dieselgate tussen 5 000 en 10 000 USD aan schadevergoeding hebben ontvangen, terwijl Europese consumenten nog altijd geen behoorlijke vergoeding hebben ontvangen; overwegende dat het desbetreffende dossier een van de vele dossiers is die door de Raad worden geblokkeerd;

T.  overwegende dat Commissievoorzitter Juncker een herziening heeft voorgesteld van Verordening (EU) nr. 182/2011 van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(13), om de lidstaten ertoe te verplichten transparanter te zijn wat betreft de standpunten die ze op commissieniveau innemen; overwegende dat de onnodige vertraging door de lidstaten van de procedure had kunnen worden voorkomen indien de procedure voor de goedkeuring van de RDE-test transparanter was geweest, zoals in de conclusies van de EMIS-commissie wordt uitgelegd; overwegende dat ook dit dossier een van de vele dossiers is die door de Raad worden geblokkeerd;

U.  overwegende dat de Europese Investeringsbank en Volkswagen AG na een onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) tot een overeenkomst zijn gekomen met betrekking tot een deel van een lening van 400 miljoen EUR voor een subproject die in 2009 werd verstrekt en in februari 2014 volledig volgens schema werd terugbetaald;

V.  overwegende dat de Europese Investeringsbank volgens deze overeenkomst haar onderzoek zal afronden en dat Volkswagen AG op haar beurt gedurende een uitsluitingsperiode van 18 maanden vrijwillig niet aan projecten van de Europese Investeringsbank zal deelnemen;

Verantwoordelijkheden van de Commissie

1.  herinnert eraan dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 8, van het Verdrag betreffende de Europese Unie "als college verantwoording [aflegt] aan het Europees Parlement"; betreurt het daarom dat de Commissie, als college, het Parlement geen uitvoerig verslag heeft doen toekomen waarin zowel de conclusies als de aanbevelingen van de EMIS-commissie aan de orde worden gesteld;

2.  noemt het betreurenswaardig dat de brief van de commissaris voor Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf, Elżbieta Bieńkowska, aan de voormalige voorzitter van de EMIS-commissie ontoereikend is, aangezien volgens de brief niet alle kwesties onder de bevoegdheid van de commissaris vallen en de conclusies van de EMIS-commissie hierin niet aan de orde worden gesteld;

3.  verzoekt de Commissie onverwijld een uitvoerig verslag te verstrekken waarin, zoals in de resolutie van het Parlement wordt gevraagd, niet alleen de aanbevelingen worden behandeld, maar ook het belangrijkste onderdeel van het parlementair onderzoek, dat wil zeggen de conclusies van de EMIS-commissie, en met name de conclusies die betrekking hebben op gevallen van wanbeheer en inbreuken op het EU-recht; meent dat de Commissie duidelijke politieke conclusies moet trekken op basis van de conclusies van de EMIS-commissie;

4.  merkt op dat in de aanbeveling van de Europese Ombudsman wordt bevestigd dat de Commissie de werkzaamheden van een officiële parlementaire onderzoekscommissie op significante wijze heeft belemmerd; is van oordeel dat de Commissie duidelijke politieke conclusies moet trekken uit deze nalatigheid;

5.  verzoekt de Commissie de notulen van de vergaderingen van de technische comités in het algemeen en van het technisch comité motorvoertuigen in het bijzonder vrij te geven;

6.  verzoekt de Commissie richtsnoeren te publiceren voor het terugroepen van voertuigen, waarin in detail wordt uiteengezet op welke manier ervoor kan worden gezorgd dat teruggeroepen voertuigen weer aan de toepasselijke EU-wetgeving voldoen, onder meer door aanpassing van de hardware indien software-updates niet volstaan om te waarborgen dat aan de emissienormen wordt voldaan;

7.  verzoekt de Commissie in deze richtsnoeren maatregelen op te nemen om ervoor te zorgen dat sterk vervuilende voertuigen niet in omloop blijven op de tweedehandsmarkt, ook niet in andere lidstaten of derde landen;

8.  verzoekt de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) 2018/858 toe te zien op de vormgeving en tenuitvoerlegging van de controles door de lidstaten in het kader van het markttoezicht;

9.  verzoekt de Commissie haar werkzaamheden in het kader van het eerste stadium van de inbreukprocedures tegen Duitsland, Italië, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk voort te zetten, aangezien deze procedures ruim twee jaar geleden zijn ingesteld, en daarnaast met redenen omklede adviezen uit te brengen;

10.  is ingenomen met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 december 2018, waarin wordt geconcludeerd dat de Commissie niet bevoegd is om, als onderdeel van het tweede RDE-pakket, de NOx-emissiegrenswaarden van de Euro 6-norm te wijzigen; stelt vast dat het Hof van Justitie verder heeft geconcludeerd dat de Commissie de noodzaak om de NOx-emissiegrenswaarden middels de introductie van conformiteitsfactoren aan te passen onvoldoende technisch heeft onderbouwd; is van oordeel dat de NOx-emissiegrenswaarden van de Euro 6-norm in acht moeten worden genomen onder normale gebruiksomstandigheden en dat het de verantwoordelijkheid van de Commissie is om RDE-tests te ontwerpen die een beeld geven van emissies onder reële rijomstandigheden;

11.  betreurt het dat de Commissie heeft besloten tegen de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16 in beroep te gaan en vraagt de Commissie in het licht van de recente ontwikkelingen op haar besluit terug te komen;

12.  vraagt de Commissie het Parlement op de hoogte te stellen indien de door het Hof vastgestelde termijn wordt opgeschoven en de conformiteitsfactoren daardoor in stand kunnen worden gehouden;

13.  verzoekt de Commissie de huidige, in Verordening (EG) nr. 715/2007 vastgelegde maximale emissiewaarden na te leven, waaraan overeenkomstig de verordening onder reële omstandigheden moet worden voldaan, en geen nieuwe aanpassingscoëfficiënten (d.w.z. conformiteitsfactoren) in te voeren waardoor deze wettelijke grenswaarden worden versoepeld;

14.  betreurt het dat het verslag over het onderzoek van het OLAF naar de "Antrieb RDI"-lening van de EIB aan Volkswagen AG nooit openbaar is gemaakt en dat de door de EIB genomen maatregelen ontoereikend waren;

Verantwoordelijkheden van de lidstaten

15.  verzoekt de lidstaten de Commissie onverwijld te voorzien van alle informatie die zij nodig heeft om een verslag over de door de Commissie en de lidstaten getroffen maatregelen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de EMIS-commissie op te stellen;

16.  noemt de uiteenlopende benaderingen van en het gebrek aan coördinatie door de lidstaten met betrekking tot het terugroepen van voertuigen en het aanbieden van inwisselingsprogramma's betreurenswaardig; is van oordeel dat deze uiteenlopende benaderingen afbreuk doen aan de belangen van consumenten, de bescherming van het milieu, de gezondheid van burgers en de werking van de interne markt;

17.  verzoekt de lidstaten met klem de nodige maatregelen in te voeren om het grote aantal sterk vervuilende auto's terug te roepen of uit de markt te halen, en volledig met de Commissie mee te werken aan een gemeenschappelijke benadering voor terugroepacties op basis van richtsnoeren van de Commissie;

18.  betreurt het dat de eisen voor Duitse autofabrikanten in Duitsland met betrekking tot inwisselingsprogramma's en aanpassingen aan de hardware van voertuigen niet in andere landen of voor andere autofabrikanten in de Unie worden gehanteerd;

19.  verzoekt de lidstaten en de autofabrikanten ten aanzien van de verplichte aanpassingen aan de hardware van niet-conforme dieselvoertuigen, waaronder de inbouw van selectieve katalytische hardware voor het terugdringen van de emissies van stikstofdioxide (NO2) en het schoon maken van het huidige wagenpark voor onderlinge coördinatie te zorgen; is van oordeel dat de kosten van deze aanpassingen voor rekening moeten komen van de verantwoordelijke autofabrikant;

20.  verzoekt de lidstaten die nog geen informatie over hun terugroepprogramma's aan de Commissie hebben verstrekt, dit onverwijld te doen;

21.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de controles in het kader van het markttoezicht doeltreffend zijn en bij het testen van auto's die reeds in gebruik zijn genomen, zoals in het verslag van de Rekenkamer wordt voorgesteld, meer parameters in aanmerking te nemen dan enkel de RDE-parameters, om ervoor te zorgen dat fabrikanten hun voertuigen niet met behulp van hun eigen voorzieningen op deze RDE-tests kunnen afstemmen;

22.  verzoekt de bij de desbetreffende inbreukprocedures betrokken lidstaten volledig met de Commissie mee te werken en haar van alle nodige informatie te voorzien;

23.  verzoekt de lidstaten te verhinderen dat autofabrikanten nieuwe speelruimte in de volgens de wereldwijde testprocedure voor lichte voertuigen (WLTP) uitgevoerde laboratoriumtests vinden die hen in staat stelt hun CO2-emissies terug te dringen;

24.  wijst de lidstaten erop dat zij ervoor moeten zorgen dat autodealers uitsluitend gebruikmaken van de in het kader van de WLTP vastgestelde CO2-waarden voor alle auto's die zij verkopen om verwarring bij consumenten te vermijden, en benadrukt dat de lidstaten hun voertuigenbelasting en belastingprikkels op de WLTP-waarden moeten afstemmen, met inachtneming van het beginsel dat de WLTP geen negatieve gevolgen mag hebben voor consumenten;

25.  verzoekt de Raad van de Europese Unie met klem zijn verantwoordelijkheid te nemen en dringend een algemene benadering vast te stellen inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en het voorstel tot herziening van Verordening (EU) nr. 182/2011;

26.  benadrukt het belang van een hoog en uniform niveau van consumentenbescherming in de interne markt ten aanzien van eventuele toekomstige manipulatie door autofabrikanten die leidt tot hogere emissies dan verwacht, en roept de lidstaten op de ontwikkeling van eerlijke, betaalbare en tijdige procedures voor collectief verhaal te ondersteunen;

27.  verzoekt de lidstaten en de Commissie resolute stappen te zetten om de toegang tot emissievrije en emissiearme voertuigen in alle lidstaten te bevorderen, en tegelijkertijd een toename van oude, zeer vervuilende voertuigen in lidstaten met een laag inkomen te voorkomen;

28.  benadrukt hierbij dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van oplaadinfrastructuur, ook in particuliere en overheidsgebouwen overeenkomstig de richtlijn energieprestatie van gebouwen(14), en het concurrentievermogen van elektrische voertuigen essentieel zijn om de aanvaarding door de consument te verhogen;

29.  verzoekt de voorzitter van de Europese Raad en de voorzitter van de Commissie met klem de eerste plenaire vergadering van het Europees Parlement van april 2019 bij te wonen om eventuele onbeantwoorde vragen over de conclusies en aanbevelingen van de EMIS-commissie, de aanbeveling van de Europese Ombudsman en andere elementen van deze resolutie te beantwoorden;

o
o   o

30.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 113 van 19.5.1995, blz. 1.
(2) PB L 10 van 15.1.2016, blz. 13.
(3) PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.
(4) PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.
(5) PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1.
(6) PB L 109 van 26.4.2016, blz. 1.
(7) PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1.
(8) PB C 355 van 20.10.2017, blz. 11.
(9) PB C 204 van 13.6.2018, blz. 21.
(10) PB C 298 van 23.8.2018, blz. 140.
(11) Arrest van het Hof van Justitie van 13 december 2018, Ville de Paris, Stad Brussel en Ayuntamiento de Madrid tegen Europese Commissie, Gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16 (ECLI:EU:T:2018:927).
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0186.
(13) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(14) Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75).


Besluit tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit
PDF 163kWORD 61k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 28 maart 2019 aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, met steun van de Commissie, aan de Raad voor een besluit van de Raad tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit (2018/2237(INI))
P8_TA(2019)0330A8-0157/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG's), en met name SDG's 1, 16 en 17, die gericht zijn op de bevordering van vreedzame en inclusieve samenlevingen met het oog op duurzame ontwikkeling(1),

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000,

–  gezien Verordening (EU) 2015/322 van de Raad van 2 maart 2015 inzake de uitvoering van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds(2),

–  gezien het Besluit (GBVB) 2015/528 van de Raad van 27 maart 2015 tot instelling van een mechanisme voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied (Athena) en tot intrekking van Besluit 2011/871/GBVB(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede(4),

–  gezien Verordening (EU) 2017/2306 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede(5),

–  gezien de interinstitutionele verklaring betreffende financieringsbronnen voor bijstandsmaatregelen uit hoofde van artikel 3 bis van Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede, die als bijlage bij Verordening (EU) 2017/2306(6) is gevoegd,

–  gezien Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds(7),

–  gezien het Gemeenschappelijke Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie(8), en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik(9),

–  gezien het Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014‑2020, overeenkomstig de ACS‑EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn(10),

–  gezien het voorstel van 13 juni 2018 van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, met steun van de Commissie, aan de Raad voor een besluit van de Raad tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit (HR(2018) 94),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013, 26 juni 2015, 15 december 2016, 9 maart 2017, 22 juni 2017, 20 november 2017, 14 december 2017 en 28 juni 2018,

–  gezien het document "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: een sterker Europa – Een algemene strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid", dat op 28 juni 2016 werd gepresenteerd door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV),

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 november 2017, 25 juni 2018 en 19 november 2018 over veiligheid en defensie in het kader van de integrale EU-strategie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2017 getiteld "Discussienota over de toekomst van de Europese defensie" (COM(2017)0315),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de EDEO van 5 juli 2016 getiteld "Elementen voor een EU-breed strategisch kader voor steun aan de hervorming van de veiligheidssector",

–  gezien speciaal verslag nr. 20 van 18 september 2018 van de Europese Rekenkamer, getiteld "De Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur: het accent van de EU-steun moet worden verlegd",

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2015 over de financiering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(11),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over de Europese defensie-unie(12),

–  gezien zijn resoluties van 13 december 2017(13) en 12 december 2018(14) over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB),

–  gezien artikel 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0157/2019),

A.  overwegende dat de EU de ambitie heeft om wereldwijd de vrede te bevorderen, en streeft naar de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de eerbiediging van het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten;

B.  overwegende dat de Unie, in een strategische omgeving die de afgelopen jaren aanzienlijk is verslechterd, een toenemende verantwoordelijkheid draagt om haar eigen veiligheid te waarborgen;

C.  overwegende dat de gecompliceerde veiligheidsproblematiek waar de EU mee te maken heeft, vereist dat de EU beschikt over strategische autonomie, hetgeen in juni 2016 door de 28 staatshoofden en regeringsleiders is erkend in de integrale EU-strategie, en dat hiertoe instrumenten moeten worden ingesteld waarmee de EU beter in staat is om de vrede te bewaren, conflicten te voorkomen, vreedzame, rechtvaardige en inclusieve samenlevingen te bevorderen, en de internationale veiligheid te versterken; overwegende dat wordt erkend dat veilige en vreedzame samenlevingen een voorwaarde vormen voor duurzame ontwikkeling;

D.  overwegende dat de Europese Vredesfaciliteit (hierna "EV" of "de faciliteit" genoemd) niet is bedoeld om het externe optreden van de Europese Unie te militariseren, maar om meer synergieën en efficiëntie te bewerkstelligen door te voorzien in een pakketsgewijze aanpak voor de operationele financiering van het externe optreden dat reeds bestaat en niet kan worden gefinancierd uit de Uniebegroting;

E.  overwegende dat de EU en haar instellingen uit hoofde van het Verdrag verplicht zijn een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) ten uitvoer te leggen, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 42, daarbij de Europese identiteit en onafhankelijkheid versterkend, teneinde vrede, veiligheid en vooruitgang in Europa en in de wereld te bevorderen; overwegende dat de voorgestelde faciliteit gezien moet worden als een positieve stap in deze richting, en de VV/HV aangespoord moet worden om door te gaan met de verdere ontwikkeling en tenuitvoerlegging ervan;

F.  overwegende dat de EU 's werelds grootste verstrekker van humanitaire en ontwikkelingshulp is, en dat zij ernaar streeft de koppeling tussen veiligheid en ontwikkeling te versterken, om duurzame vrede te bewerkstelligen;

G.  overwegende dat Uniefinanciering en -instrumenten moeten worden gebruikt om beter samen te werken, vaardigheden te ontwikkelen en in de toekomst missies in te zetten, alsook om de vrede te bewaren, conflicten te voorkomen, te beheersen en op te lossen en bedreigingen voor de internationale veiligheid aan te pakken; benadrukt dat de EV, met name, de militaire missies van de EU moet financieren, de militaire en defensiecapaciteiten van derde staten en regionale en internationale organisaties moet versterken, en moet bijdragen tot de financiering van door een regionale of internationale organisatie of derde staten geleide vredesondersteunende operaties;

H.  overwegende dat het financieren van operaties op militair of defensiegebied voor de EU in het verleden problematisch is geweest; overwegende dat het Parlement meermaals heeft aangedrongen op financiering die flexibeler en doeltreffender is en uiting geeft aan solidariteit en vastberadenheid; overwegende dat aanvullende instrumenten en middelen noodzakelijk zijn, wil de EU haar rol als belangrijke speler op het gebied van veiligheid op het wereldtoneel kunnen vervullen; overwegende dat deze instrumenten onder adequate parlementaire controle moeten staan en moeten worden vastgelegd in EU-wetgeving;

I.  overwegende dat de deelname van vrouwen aan vredesprocessen nog steeds een van de onderdelen van de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid is waarbij de minste vooruitgang is geboekt, ondanks het feit dat vrouwen de voornaamste slachtoffers zijn van humanitaire en veiligheidscrises en dat wanneer vrouwen een uitgesproken rol spelen in een vredesproces er 35 % meer kans is op een overeenkomst die minstens 15 jaar standhoudt;

J.  overwegende dat interne en externe veiligheid steeds meer met elkaar verweven raken; overwegende dat de EU aanzienlijke stappen heeft gezet om de samenwerking tussen haar lidstaten op het gebied van defensie te versterken; overwegende dat de EU altijd heeft gepleit voor de inzet van "zachte macht" en dit zal blijven doen; overwegende dat een veranderende en verontrustende realiteit echter vereist dat de EU niet enkel een "civiele macht" blijft, maar ook haar militaire capaciteiten ontwikkelt en versterkt, die moeten worden ingezet op een manier die consistent en in samenhang is met alle andere externe activiteiten van de EU; overwegende dat derde landen zich niet kunnen ontwikkelen als er geen vrede en veiligheid heerst; overwegende dat het leger hierbij een belangrijke rol speelt, vooral in landen waar de civiele autoriteiten vanwege de veiligheidssituatie niet in staat zijn om hun taken uit te voeren; overwegende dat de faciliteit er zeker voor zal kunnen zorgen dat de EU meer betrokken zal zijn bij partnerlanden en het externe optreden van de EU doeltreffender zal maken, zodat de EU in de toekomst een relevante speler wordt wat betreft het bieden van stabiliteit en veiligheid;

K.  overwegende dat het externe optreden van de EU niet aangewend mag worden voor "migratiebeheer" en dat alle inspanningen om samen te werken met derde staten hand in hand moeten gaan met het verbeteren van de mensenrechtensituatie in deze landen;

L.  overwegende dat non-proliferatie en ontwapening aanzienlijk zullen bijdragen tot de vermindering van conflicten en tot meer stabiliteit, overeenkomstig de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag inzake de niet‑verspreiding van kernwapens en de daaraan gerelateerde resolutie van het Europees Parlement over nucleaire veiligheid en non-proliferatie(15); overwegende dat een wereld zonder massavernietigingswapens een veiligere wereld zal zijn; overwegende dat de EU een leidende rol vervult bij het uitbannen van kernwapens en haar rol op dit gebied moet vergroten;

M.  overwegende dat de Verdragen niet voorzien in enig extern militair optreden van de Unie buiten het kader van het GVDB om; overwegende dat een werkelijk GBVB voor alle EU-lidstaten de mogelijkheden van de EU om op het gebied van buitenlands beleid op te treden, vergroot; overwegende dat extern militair optreden in het kader van het GVDB enkel de vorm aan kan nemen van missies voor vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid buiten de Unie overeenkomstig de beginselen van het VN-Handvest, als bedoeld in artikel 42, lid 1, van het VEU;

N.  overwegende dat steun aan militaire vredesondersteunende operaties van partners tot nu toe extrabudgettair werd gefinancierd via de Vredesfaciliteit voor Afrika, die is opgericht in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en er ook door wordt gefinancierd; overwegende dat steun via de Vredesfaciliteit voor Afrika momenteel beperkt is tot operaties onder leiding van de Afrikaanse Unie (AU) of Afrikaanse regionale organisaties;

O.  overwegende dat verwacht wordt dat de nieuwe Europese vredesfaciliteit de Unie in staat zal stellen op mondiaal niveau rechtstreeks bij te dragen aan internationale organisaties en aan de financiering van door derde staten geleide vredesondersteunende operaties, ook buiten Afrika en de AU;

P.  overwegende dat de voorgestelde faciliteit het Athenamechanisme en de Vredesfaciliteit voor Afrika zal vervangen; overwegende dat de faciliteit een aanvulling zal zijn op het initiatief voor capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling door EU-activiteiten op defensiegebied zoals AU-vredesmissies, de gemeenschappelijke kosten van haar eigen militaire GVDB-operaties en de militaire capaciteitsopbouw van partners te financieren, die overeenkomstig artikel 41, lid 2, van het VEU niet kunnen worden gefinancierd uit de EU-begroting;

Q.  overwegende dat bij in het kader van de faciliteit uitgevoerde operaties de beginselen en waarden die zijn verankerd in het Handvest van de grondrechten moeten worden nageleefd, en het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten in acht moeten worden genomen; overwegende dat operaties die vanuit het oogpunt van menselijke veiligheid, gezondheid en veiligheid, vrijheid, privacy, integriteit en waardigheid ethisch niet aanvaardbaar zijn, aan een grondige beoordeling moeten worden onderworpen en moeten worden heroverwogen;

R.  overwegende dat het huidige aandeel gemeenschappelijke kosten zeer laag blijft (naar schatting ongeveer 5-10 % van alle kosten) en dat het hoge aandeel van door de lidstaten gedragen kosten en verantwoordelijkheden bij militaire operaties op basis van het principe "de kosten worden gedragen waar ze worden gemaakt" indruist tegen de beginselen van solidariteit en lastenverdeling, waardoor de lidstaten minder geneigd zijn actief deel te nemen aan GVDB-operaties;

S.  overwegende dat de voorgestelde gemiddelde jaarlijkse toewijzing voor de EV 1 500 000 000 EUR bedraagt, terwijl de totale uitgaven in het kader van het Athenamechanisme en de Vredesfaciliteit voor Afrika schommelden tussen de 250 000 000 en 500 000 000 EUR per jaar; overwegende dat in het voorstel niet voldoende wordt verduidelijkt of gewaarborgd waar de bijkomende 1 000 000 000 EUR per jaar eventueel aan zal worden besteed;

T.  overwegende dat wordt verwacht dat de EV, als extrabudgettair mechanisme dat wordt gefinancierd door jaarlijkse bijdragen van de lidstaten volgens een verdeelsleutel op basis van het bni, de EU in staat zal stellen om een groter deel van de gemeenschappelijke kosten (35-45 %) van militaire missies en operaties te financieren, zoals momenteel het geval is met het Athenamechanisme; overwegende dat daarnaast wordt verwacht dat de EV ervoor zal zorgen dat er permanent EU-middelen beschikbaar zijn, waardoor passende programma's voor crisisparaatheid gewaarborgd worden en middelen gemakkelijker snel kunnen worden ingezet, en er meer flexibiliteit komt wanneer er snel moet worden gereageerd; overwegende dat het Parlement al lange tijd heeft aangedrongen op een ambitieuze opname en uitbreiding van het Athenamechanisme voor de gemeenschappelijke financiering van GVDB-missies en operaties; overwegende dat het voorstel voor een besluit van de Raad echter niet hetzelfde bindende karakter heeft als de interne overeenkomst over de Vredesfaciliteit voor Afrika, wat betekent dat lidstaten kunnen besluiten het EV-optreden niet te financieren;

U.  overwegende dat door de verhoging van de gemeenschappelijke kosten, de voorgestelde faciliteit zal zorgen voor meer solidariteit en een betere verdeling van de lasten tussen de lidstaten, en bijdrages van lidstaten aan GVDB-operaties, vooral van lidstaten met een gebrek aan financiële of operationele middelen, zal bevorderen;

V.  overwegende dat de Raad zich in zijn conclusies van 19 november 2018 terughoudend opstelde ten opzichte van het voorstel voor een EV; overwegende dat het desalniettemin belangrijk is om te streven naar de vaststelling van een ambitieus voorstel waarin alle voorgestelde componenten besloten liggen, waaronder het Athenamechanisme;

W.  overwegende dat alle militaire taken in het kader van de faciliteit, zoals gezamenlijke ontwapeningsoperaties, humanitaire en reddingstaken, militaire advies- en bijstandstaken, conflictpreventie- en vredeshandhavingstaken, taken van strijdkrachten in crisisbeheersing, waaronder vredestichting en stabilisering na conflicten, en terrorismebestrijding, ook door middel van steun aan derde landen om het terrorisme op hun grondgebied te bestrijden zoals vermeld in artikel 43, lid 1, van het VEU, waarbij de mensenrechten volledig in acht worden genomen, tot de onder het GVDB vallende taken behoren; overwegende dat de in artikel 41, lid 2, van het VEU opgenomen uitzondering enkel van toepassing is op de beleidsuitgaven die voortvloeien uit deze militaire missies; overwegende dat alle andere beleidsuitgaven die voortvloeien uit het GVDB, waaronder uitgaven die voortvloeien uit enig ander in artikel 42 van het VEU bedoeld optreden, moeten worden bekostigd uit de Uniebegroting; overwegende dat de administratieve uitgaven van de EV ten laste moeten komen van de begroting van de Unie;

X.  overwegende dat in het kader van artikel 41, lid 2, van het VEU alle beleidsuitgaven die voortvloeien uit het GBVB ten laste moeten komen van de Uniebegroting, behalve uitgaven die voortvloeien uit operaties met gevolgen op militair of defensiegebied; overwegende dat in artikel 2, onder a) en d), van het voorstel voor een besluit is bepaald dat de EV moet bijdragen in respectievelijk de financiering van operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied, en ander operationeel optreden van de Unie dat gevolgen heeft op militair of defensiegebied;

Y.  overwegende dat de Unie uit hoofde van artikel 21, lid 2, onder d), van het VEU, een gemeenschappelijk beleid en optreden moet bepalen en voeren en zich moet beijveren voor een hoge mate van samenwerking op alle gebieden van de internationale betrekkingen om de duurzame ontwikkeling van de ontwikkelingslanden op economisch, sociaal en milieugebied te ondersteunen, met uitbanning van de armoede als voornaamste doel;

Z.  overwegende dat in artikel 208, lid 1, tweede alinea, van het VWEU is bepaald dat het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie tot hoofddoel heeft de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen; overwegende dat in dezelfde alinea is bepaald dat de Unie bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden, rekening houdt met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking; overwegende dat deze tweede zin een Verdragsbepaling vormt, en dus voor de EU een grondwettelijk plicht, die wordt aangeduid met de term "beleidscoherentie voor ontwikkeling" (PCD);

AA.  overwegende dat militaire en civiele missies buiten de Unie van elkaar gescheiden moeten blijven om ervoor te zorgen dat civiele missies enkel uit de Uniebegroting worden gefinancierd;

AB.  overwegende dat de EU de personeelsleden van GVDB-missies een status moet verlenen die vergelijkbaar is met die van gedetacheerde nationaal deskundigen door hun in het kader van de personeelsstatuten van de Unie een uniforme status en de best mogelijke bescherming te bieden; overwegende dat alle vergoedingen die voortvloeien uit die status en alle reis- en verblijfkosten en uitgaven voor gezondheidszorg als administratieve uitgaven ten laste moeten komen van de EU-begroting;

AC.  overwegende dat de Europese Rekenkamer (ERK) een speciaal verslag heeft gepubliceerd over de door de Vredesfaciliteit voor Afrika ondersteunde Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur, die volgens het voorstel in de EV zal worden opgenomen en worden uitgebreid; overwegende dat de ERK van mening is dat er bij deze steun te weinig prioriteiten werden gesteld en dat deze steun slechts een beperkt effect heeft gehad; overwegende dat er gezien de ambitieuze verhoging van de middelen voor de nieuwe faciliteit naar behoren rekening moet worden gehouden met de aanbevelingen van de ERK;

AD.  overwegende dat het voorstel niet vergezeld ging van een evaluatie van de financiële gevolgen met betrekking tot de administratieve uitgaven; overwegende dat de administratieve uitgaven voor de EV wezenlijke gevolgen hebben voor de EU-begroting; overwegende dat er naast het personeel dat momenteel werkt voor de te vervangen instrumenten geen extra personeel moet worden aangenomen of gedetacheerd bij de EV; overwegende dat de uit het samenbrengen van de huidige afzonderlijke instrumenten in één administratieve structuur voortvloeiende synergieën het beheer van de grotere geografische omvang van de EV moeten bevorderen; overwegende dat extra personeel enkel moet worden aangenomen als en wanneer de bijdragen van alle deelnemende lidstaten voor een missie of maatregel daadwerkelijk zijn verzameld; overwegende dat de korte termijn van de inkomsten vraagt om overeenkomstig korte termijnen bij de contracten van personeel dat door de faciliteit wordt aangenomen of bij de faciliteit wordt gedetacheerd voor een specifieke missie of maatregel; overwegende dat er bij de faciliteit geen personeel moet worden aangenomen of gedetacheerd uit lidstaten die met betrekking tot een specifieke missie of maatregel in het kader van artikel 31, lid 1, van het VEU een formele verklaring hebben afgelegd;

AE.  overwegende dat de VV/HV het Parlement regelmatig moet raadplegen over de belangrijkste aspecten en keuzes op het gebied van het GBVB en het GVDB en over het verdere verloop daarvan; overwegende dat het Parlement tijdig geraadpleegd en geïnformeerd moet worden zodat het zijn mening kan geven en vragen kan stellen, ook inzake PCD, aan de VV/HV en de Raad voordat besluiten worden genomen of beslissende acties worden ondernomen; overwegende dat het de taak van de VV/HV is om rekening te houden met de mening van het Parlement, ook inzake PCD, en deze te integreren in zijn of haar voorstellen, om beslissingen of delen van beslissingen waar het Parlement tegen is te heroverwegen, of dergelijke voorstellen in te trekken, niettegenstaande de mogelijkheid dat in een dergelijk geval een lidstaat het betreffende initiatief kan overnemen, en om met betrekking tot het GVDB besluiten van de Raad voor te stellen wanneer de VV/HV hiertoe wordt uitgenodigd door het Parlement; overwegende dat het Parlement een jaarlijks debat moet houden met de VV/HV over de door de faciliteit gefinancierde operaties;

1.  beveelt de Raad aan:

   a) de bijdrage aan de faciliteit van lidstaten die artikel 31, lid 1, van het VEU inroepen niet te verlagen, aangezien dit de verdeelsleutel op basis van het bni waarop het financieringsmechanisme en de algehele financiering van de faciliteit is gebaseerd, zou ondermijnen;
   b) in zijn besluit te verwijzen naar de rol van het Parlement als kwijtingsautoriteit, zoals momenteel het geval is voor het EOF en dus ook voor de Vredesfaciliteit voor Afrika, overeenkomstig de relevante bepalingen van de voor het EOF geldende financiële verordeningen, met het oog op behoud van consistentie van het externe optreden van de EU in het kader van het EOF en andere relevante beleidsdomeinen van de Unie in lijn met artikel 18 van het VEU en artikel 21, lid 2, onder d), van het VEU, juncto artikel 208 van het VWEU;
   c) werk te maken van de instelling, binnen het Europees Parlement, van een mechanisme dat volgens strikt geregelde procedures tijdig toegang geeft tot informatie, inclusief originele documenten, met betrekking tot de jaarlijkse begroting van de EV, gewijzigde begrotingen, overdrachten, actieprogramma's (ook tijdens de voorbereidende fase), tenuitvoerlegging van ondersteuningsmaatregelen (waaronder ad-hocmaatregelen), overeenkomsten met uitvoerende actoren, verslagen over de uitvoering van ontvangsten en uitgaven, de jaarrekening, de financiële staat, het evaluatieverslag en het jaarverslag van de ERK;
   d) ermee in te stemmen om toegang tot alle vertrouwelijke documenten op te nemen in de onderhandelingen over het herziene Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad over de toegang van het Parlement tot gevoelige gegevens van de Raad op het gebied van het veiligheids- en defensiebeleid;
   e) te waarborgen dat door de faciliteit gefinancierde operaties, actieprogramma's, ad-hocbijstandsmaatregelen en ander operationeel optreden op geen enkele manier de in artikel 21 van het VEU vastgelegde grondbeginselen schenden of gebruikt worden om deze te schenden, of gebruikt worden om het internationale recht te schenden, met name het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten;
   f) de herziening van het Athenamechanisme zo mogelijk voor het einde van dit jaar af te ronden, en het mechanisme naadloos in te lijven in de EV zonder de operationele doeltreffendheid en flexibiliteit van het mechanisme te verliezen;
   g) ervoor te zorgen dat de door het samenbrengen van afzonderlijke instrumenten tot een enkel instrument verkregen verhoogde efficiëntie en verbeterde doeltreffendheid niet verloren gaan wanneer aan het voorstel de nodige aanpassingen worden gedaan;
   h) onderstaande amendementen op te nemen in de tekst:
   in overweging 4 en artikel 1 wordt "gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid" vervangen door "gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid";
   een nieuwe overweging (10 bis) wordt toegevoegd: "(10 bis) De in artikel 43, lid 1, van het VEU bedoelde taken op het vlak van advies en bijstand op militair gebied kunnen de vorm aannemen van versterking van de militaire en defensiecapaciteiten van derde staten en regionale en internationale organisaties om vrede te handhaven, conflicten te voorkomen, te beheersen en op te lossen en bedreigingen voor de internationale veiligheid aan te pakken, waarbij het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten, de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik strikt worden nageleefd.";
   een nieuwe overweging (10 ter) wordt toegevoegd: "(10 ter) De in artikel 43, lid 1, van het VEU bedoelde taken inzake conflictpreventie en vredeshandhaving kunnen de vorm aannemen van bijdragen in de financiering van vredesondersteunende operaties onder leiding van een regionale of internationale organisatie of van derde staten.";
   een nieuwe overweging (10 quater) wordt toegevoegd: "(10 quater) Bij operaties die worden ondersteund met EU-financiering dient VN-resolutie 1325 inzake vrouwen, vrede en veiligheid in acht te worden genomen.";
   in artikel 2 wordt punt a) als volgt gewijzigd: "a) bij te dragen in de financiering van missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) die gevolgen hebben op militair of defensiegebied;";
   in artikel 2 wordt punt b) als volgt gewijzigd: "b) de militaire en defensiecapaciteiten van derde staten en regionale en internationale organisaties te versterken om vrede te handhaven, conflicten te voorkomen, te beheersen en op te lossen en bedreigingen voor de internationale veiligheid en cyberbeveiliging aan te pakken;";
   aan artikel 3, lid 2, wordt een nieuw punt toegevoegd: "2 bis. In bijlage I bis (nieuw) staat ter informatie vermeld hoe de administratieve uitgaven voor deze faciliteit die ten laste komen van de EU-begroting per jaar worden uitgesplitst.";
   in artikel 5 wordt punt c) als volgt gewijzigd: "c) "operatie": een militaire operatie waartoe is besloten in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid op grond van artikel 42 van het VEU voor het uitvoeren van de in artikel 43, lid 1, van het VEU bedoelde taken die gevolgen hebben op militair of defensiegebied, met inbegrip van een taak die op grond van artikel 44 van het VEU aan een groep lidstaten is toevertrouwd;";
   aan het einde van artikel 6 wordt een nieuwe alinea toegevoegd: "Alle civiele aspecten, middelen of missies in het kader van het GBVB en met name het GVDB, of delen daarvan, worden uitsluitend uit de EU-begroting gefinancierd.";
   artikel 7 wordt als volgt gewijzigd: "Een lidstaat, de hoge vertegenwoordiger of de hoge vertegenwoordiger met steun van de Commissie kan voorstellen voor op grond van titel V van het VEU door de faciliteit te financieren optreden van de Unie indienen. De hoge vertegenwoordiger stelt het Europees Parlement tijdig in kennis van deze voorstellen.";
   in artikel 10 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: "1. Overeenkomstig artikel 21, lid 3, en artikel 26, lid 2, van het VEU, wordt de samenhang tussen het in het kader van de faciliteit te financieren optreden van de Unie en ander optreden van de Unie in het kader van andere relevante beleidsdomeinen gewaarborgd. Het in het kader van de faciliteit te financieren optreden van de Unie vertoont tevens samenhang met de doelstellingen van die andere beleidsdomeinen van de Unie met betrekking tot derde landen en internationale organisaties.";
   aan artikel 10, lid 3, wordt een nieuw punt toegevoegd: "3 bis. De hoge vertegenwoordiger brengt twee keer per jaar verslag uit aan het Europees Parlement over de in lid 1 bedoelde samenhang.";
   aan artikel 11, lid 2, wordt een nieuw punt toegevoegd: "2 bis. De faciliteit beschikt over een verbindingsofficier voor het Europees Parlement. Bovendien houdt de adjunct-secretaris-generaal GVDB en crisisrespons een jaarlijkse gedachtewisseling met het betrokken parlementaire orgaan om regelmatig verslag uit te brengen.";
   in artikel 12 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: "1. Er wordt een comité voor de faciliteit (hierna "het comité") opgericht waarin elke deelnemende lidstaat één vertegenwoordiger heeft. Vertegenwoordigers van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en van de Commissie worden uitgenodigd om de vergaderingen van het comité bij te wonen, zonder dat zij deelnemen aan de stemmingen. Vertegenwoordigers van het Europees Defensieagentschap (EDA) kunnen worden uitgenodigd om vergaderingen van het comité bij te wonen waarin onderwerpen worden besproken die verband houden met het werkterrein van het EDA, zonder dat zij deelnemen aan of aanwezig zijn bij de stemmingen. Vertegenwoordigers van het Europees Parlement kunnen worden uitgenodigd om vergaderingen van het comité bij te wonen, zonder dat zij deelnemen aan of aanwezig zijn bij de stemmingen.";
   in artikel 13 wordt lid 8 als volgt gewijzigd: "8. De beheerder waarborgt de continuïteit van zijn functies door middel van de bestuurlijke structuur van de in artikel 9 bedoelde bevoegde militaire structuren van de EDEO.";
   aan artikel 13, lid 8, wordt een nieuw punt toegevoegd: "8 bis. De beheerder brengt verslag uit aan het Europees Parlement.";
   aan artikel 16, lid 8, wordt een nieuw punt toegevoegd: "8 bis. De operationeel commandanten brengen verslag uit aan het Europees Parlement.";
   in artikel 34 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: "1. De beheerder stelt aan het comité de benoeming van een intern controleur van de faciliteit voor, en van ten minste één plaatsvervangend intern controleur, voor een periode van vier jaar, die tot maximaal acht jaar kan worden verlengd. De intern controleurs moeten de nodige beroepskwalificaties hebben en voldoende waarborgen bieden inzake veiligheid, onpartijdigheid en onafhankelijkheid. De intern controleur mag noch de ordonnateur noch de rekenplichtige zijn; hij mag niet deelnemen aan de voorbereiding van de financiële staten.";
   in artikel 47 wordt lid 4 als volgt gewijzigd: "4. De eindbestemming van gemeenschappelijk gefinancierde uitrusting en infrastructuur wordt door het comité goedgekeurd, met inachtneming van de operationele behoeften, de mensenrechten, de beoordeling van het veiligheids- en omleidingsrisico met betrekking tot geautoriseerd eindgebruik en eindgebruikers, en financiële criteria. Wat de eindbestemming betreft:
   i) kan infrastructuur via de faciliteit worden verkocht of overgedragen aan het gastland, een lidstaat of een derde;
   ii) kan uitrusting via de faciliteit worden verkocht aan een lidstaat, het gastland of een derde, dan wel door de faciliteit, een lidstaat of deze derde opgeslagen en onderhouden worden voor een volgende operatie.";
   in artikel 47 wordt lid 6 als volgt gewijzigd: "6. De verkoop of de overdracht aan het gastland of aan een derde geschiedt overeenkomstig het internationale recht, met inbegrip van de relevante mensenrechtenbepalingen en de "berokken geen schade"-beginselen, en overeenkomstig de geldende veiligheidsvoorschriften ter zake en de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik.";
   in artikel 48 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: "1. De hoge vertegenwoordiger kan de Raad een concept voor een eventueel actieprogramma of ad-hocbijstandsmaatregel voorleggen. De hoge vertegenwoordiger stelt het Europees Parlement in kennis van deze concepten.";
   in artikel 49 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: "1. Actieprogramma's worden goedgekeurd door de Raad, op voorstel van de hoge vertegenwoordiger. Het Europees Parlement wordt in kennis gesteld van de goedgekeurde actieprogramma's zodra deze zijn aangenomen door de Raad.";
   in artikel 50 wordt lid 3 als volgt gewijzigd: "3. Voor verzoeken die buiten bestaande actieprogramma's vallen, kan de Raad op voorstel van de hoge vertegenwoordiger een ad-hocbijstandsmaatregel goedkeuren. Het Europees Parlement wordt in kennis gesteld van de goedgekeurde ad-hocbijstandsmaatregelen zodra deze zijn aangenomen door de Raad.";
   aan artikel 52, lid 2, wordt na punt e) een nieuw punt toegevoegd: "e bis) een gedetailleerde lijst van door de faciliteit gefinancierde uitrusting.";
   in artikel 53, lid 1, wordt punt b) als volgt gewijzigd: "b) daadwerkelijk aan de troepenmacht van de betrokken derde staat worden geleverd, op voorwaarde dat is vastgesteld dat de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik in acht zijn genomen;";
   in artikel 53, lid 1, wordt punt d) als volgt gewijzigd: "d) worden gebruikt in overeenstemming met het beleid van de Unie, met inachtneming van het internationaal recht, met name inzake de mensenrechten, en eindgebruikerscertificaten, met name clausules inzake heroverdrachten;";
   in artikel 53, lid 1, wordt punt e) als volgt gewijzigd: "e) worden beheerd met inachtneming van eventuele restricties of beperkingen op het gebruik, de verkoop of de overdracht ervan zoals bepaald door de Raad of het comité, en overeenkomstig de relevante eindgebruikerscertificaten, de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik.";
   in artikel 54 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: "1. Alle uitvoerend actoren waaraan de uitvoering van de uitgaven via de faciliteit is toevertrouwd, eerbiedigen de beginselen van goed financieel beheer en transparantie, voeren de nodige risicobeoordelingen en controles op het eindgebruik uit, en houden terdege rekening met de fundamentele waarden van de EU en het internationale recht, met name wat betreft de mensenrechten en de "berokken-geen-schade"-beginselen. Alle uitvoerend actoren worden vooraf onderworpen aan een risicobeoordeling om de mogelijke risico's voor de mensenrechten en de bestuursrisico's in kaart te brengen.";

2.  beveelt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan:

   a) het Parlement te raadplegen over de aanbevolen amendementen en erop toe te zien dat de opvattingen van het Parlement in aanmerking worden genomen, overeenkomstig artikel 36 van het VEU;
   b) bij het opstellen van voorstellen voor meerjarige actieprogramma's of ad-hocbijstandsmaatregelen de opvattingen van het Parlement overeenkomstig artikel 36 van het VEU ten volle in aanmerking te nemen, ook door voorstellen waar het Parlement tegen is in te trekken;
   c) een volledige evaluatie van de financiële gevolgen van het besluit aan te leveren, gezien de implicaties van het besluit voor de EU-begroting, waarbij met name aanvullende personeelsbehoeften worden aangegeven;
   d) ontwerpbesluiten van de Raad met betrekking tot de EV gelijktijdig in te dienen bij het Parlement voor raadpleging en bij de Raad of het Politiek en Veiligheidscomité, zodat het Parlement voldoende tijd heeft om zijn mening te geven; ontwerpbesluiten van de Raad te wijzigen indien het Parlement hierom verzoekt;
   e) toe te zien op de complementariteit met bestaande fondsen, programma's en instrumenten van de EU, en de samenhang tussen de EV en alle andere aspecten van het extern optreden van de EU, overeenkomstig artikel 18 van het VEU, met name met betrekking tot het initiatief van capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling (CBSD) en het voorgestelde instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI), die te allen tijde ten uitvoer moeten worden gelegd in het kader van het bredere hervormingsprogramma voor de veiligheidssector, dat belangrijke onderdelen inzake behoorlijk bestuur, bepalingen inzake gendergerelateerd geweld en, met name, bepalingen inzake civiel toezicht op het beveiligingssysteem en democratische controle op de strijdkrachten moet bevatten;
   f) regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de geboekte vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van Resolutie 1325 inzake vrouwen, vrede en veiligheid, het Parlement te raadplegen over het aanbevolen onderdeel inzake gender, waarmee aandacht wordt gegeven aan de rol van vrouwen bij het voorkomen en oplossen van conflicten en bij de wederopbouw en vredesonderhandelingen in de nasleep van een conflict, en regelmatig een beoordeling uit te voeren van de maatregelen die zijn genomen om kwetsbare mensen, waaronder vrouwen en meisjes, te beschermen tegen geweld in conflictsituaties;
   g) toe te zien op de samenhang tussen de EV en alle andere aspecten van het extern optreden van de EU, met inbegrip van haar ontwikkelings- en humanitaire beleid, overeenkomstig artikel 18 van het VEU en met het oog op het bevorderen van de ontwikkeling van de desbetreffende derde landen, en het terugdringen en uitbannen van de armoede in deze landen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en, ter informatie, aan de Europese Dienst voor extern optreden en de Commissie.

(1) https://sustainabledevelopment.un.org/
(2) PB L 58 van 3.3.2015, blz. 1.
(3) PB L 84 van 28.3.2015, blz. 39.
(4) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 1.
(5) PB L 335 van 15.12.2017, blz. 6.
(6) PB L 335 van 15.12.2017, blz. 6.
(7) PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.
(8) PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.
(9) PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1.
(10) PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.
(11) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 68.
(12) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 18.
(13) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 36.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0514.
(15) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 202.

Juridische mededeling - Privacybeleid